De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2) (part 2 of 3)
Met de verstandelijke en zedelijke vermogens van den mensch is het, zooals de heer Wallace terecht heeft beweerd, geheel anders gesteld. Deze vermogens zijn variabel, en wij hebben alle reden om te gelooven, dat die variaties een neiging tot erfelijkheid hebben. Als zij daarom vroeger van hoog belang waren voor den oorspronkelijken mensch en zijn op apen gelijkende voorouders, moeten zij door natuurlijke teeltkeus meer volkomen gemaakt en vooruitgegaan zijn. Over de hooge belangrijkheid der verstandelijke vermogens kan geen twijfel bestaan; want de mensch heeft daaraan voornamelijk zijn verheven plaats op aarde te danken. Wij kunnen nagaan, dat in den ruwsten staat der maatschappij, de individu’s die het scherpzinnigst waren, die de beste wapenen en vallen uitvonden en gebruikten, en die het best in staat waren zich te verdedigen, het talrijkste kroost moesten voortbrengen. De stammen die de meeste aldus begaafde mannen bezaten, moesten in aantal toenemen en andere stammen verdringen. Het aantal menschen hangt oorspronkelijk van de hoeveelheid levensmiddelen af, en deze gedeeltelijk van de natuurlijke gesteldheid van het land, maar in veel grooter mate van de kunsten die daar worden beoefend. Als een stam vermeerdert en overwint, wordt hij verder nog dikwijls vermeerderd, doordat andere stammen met hem samensmelten. [300] De lichaamsgrootte en spierkracht van een stam zijn eveneens van belang voor zijn voorspoed, en deze hangen gedeeltelijk van den aard en de hoeveelheid voedsel af, die kan worden verkregen. In Europa werden de menschen van den bronstijd verdrongen door een machtiger ras, dat, te oordeelen naar de gevesten hunner zwaarden, grootere handen bezat [301], maar de voorspoed van dit laatste was waarschijnlijk in veel hooger mate daaraan te danken, dat zij veel verder in de kunsten waren gevorderd.
Al wat wij van wilde volksstammen weten, of af mogen leiden uit hun overleveringen en uit oude gedenkteekenen, waarvan de geschiedenis door de tegenwoordige bewoners volkomen is vergeten, bewijst, dat sedert de vroegste tijden voorspoedige stammen andere stammen hebben verdrongen. Overblijfselen van uitgestorven of vergeten stammen zijn overal op aarde ontdekt, zoowel in beschaafde landen als in de woeste vlakten van Amerika en op de eenzame eilanden van den Stillen Oceaan. In den tegenwoordigen tijd verdringen de beschaafde volken overal de onbeschaafde, behalve waar het klimaat een doodelijken slagboom daartegen opwerpt, en zij slagen daarin voornamelijk, hoewel niet uitsluitend, door hun kunsten, die voortbrengselen zijn van het verstand. Het is daarom hoogst waarschijnlijk, dat bij het menschelijk geslacht de verstandelijke vermogens trapsgewijze volkomener zijn geworden door natuurlijke teeltkeus; en dit besluit is genoegzaam voor ons doel. Ongetwijfeld zou het zeer belangwekkend zijn geweest, om de ontwikkeling van elk afzonderlijk vermogen te schetsen van den toestand waarin het zich bij lagere dieren bevindt, af, tot dien waarin het bij den mensch bestaat, toe; maar ik bezit noch genoegzame bekwaamheid, noch genoegzame kennis om dit te beproeven.
Het verdient opmerking, dat zoodra de voorouders van den mensch een gezellige levenswijze aannamen (en dit geschiedde waarschijnlijk in een zeer vroeg tijdperk), de vooruitgang der verstandelijke vermogens in hooge mate geholpen en gewijzigd moet zijn op een wijze, waarvan wij bij de lagere dieren slechts sporen zien, namelijk door het beginsel van nabootsing, verbonden met rede en ondervinding. Apen bezitten, evenals de laagste wilden, de aandrift tot nabootsing in zeer hooge mate; en het vroeger aangehaalde feit, dat na eenigen tijd geen dier op de zelfde plaats in de zelfde soort van val kan worden gevangen, bewijst alleen reeds, dat dieren door ondervinding leeren en elkanders omzichtigheid navolgen. Indien nu één man in een stam, die scherpzinniger dan de anderen was, eene nieuwe list of wapen, of andere middelen van aanval of verdediging uitvond, moest eenvoudig het eigenbelang zonder behulp van veel redeneering de andere leden van den stam aandrijven om hem na te volgen, en zoo moesten allen er voordeel uit trekken. De voortdurende uitoefening van een nieuwe kunst moest ook eenigermate het verstand versterken. Als de nieuwe uitvinding belangrijk was, moest de stam in aantal toenemen, zich uitbreiden en andere stammen verdringen. In een op die wijze talrijker geworden stam moest altijd meer kans bestaan op de geboorte van meer scherpzinnige en vindingrijke leden dan bij andere stammen. Indien dergelijke mannen kinderen nalieten, die hun verstandelijke meerderheid erfden, moest de kans op de geboorte van nog vernuftiger leden iets grooter en in een zeer kleinen stam stellig grooter worden. Zelfs als zij geen kinderen achterlieten, bevatte de stam toch nog hun bloedverwanten; en de veefokkers verzekeren, dat men, door de bloedverwanten van een dier, dat bij het slachten goed was bevonden, uit te kiezen en met elkander voort te doen telen, het gewenschte kenmerk heeft verkregen.
Laten wij thans overgaan tot de sociale en zedelijke vermogens. De oorspronkelijke menschen of de op apen gelijkende voorouders van den mensch moesten, om een gezellige levenswijze aan te nemen, eerst de zelfde instinktmatige gevoelens verkrijgen, die andere dieren aandrijven om in gezelschap te leven; en vertoonden ongetwijfeld de zelfde algemeene neigingen. Zij moeten zich onaangenaam aangedaan hebben gevoeld als zij van hun makkers, voor welke zij een zekere mate van genegenheid koesterden, werden gescheiden; zij moeten elkander voor gevaar gewaarschuwd en bij den aanval en de verdediging geholpen hebben. Dit alles sluit een zekere mate van sympathie, trouw en moed in zich. Dergelijke sociale hoedanigheden, wier hooge belangrijkheid voor de lagere dieren door niemand wordt betwist, werden ongetwijfeld door de voorouders van den mensch op gelijksoortige wijze verkregen, namelijk door natuurlijke teeltkeus, geholpen door overgeërfde gewoonte. Als twee stammen van oorspronkelijke menschen, die in hetzelfde land woonden, elkanders mededingers waren, en als een dier stammen (de overige omstandigheden de zelfde zijnde) een grooter aantal moedige, medegevoel bezittende en getrouwe leden bezat, die altijd bereid waren om elkander voor gevaar te waarschuwen, te helpen en te verdedigen, moest die stam ongetwijfeld het best slagen en de andere overwinnen. Dat men steeds bedenke, van hoe hoog belang bij de onophoudelijke oorlogen der wilden trouw en moed moeten zijn. Het voordeel, dat gedisciplineerde soldaten over ongedisciplineerde hebben, is voornamelijk het gevolg van het vertrouwen dat elk hunner op zijn makkers stelt. Gehoorzaamheid is, zooals de heer Bagehot zeer juist heeft aangetoond [302], van de hoogste waarde; want de een of andere vorm van bestuur is beter dan in het geheel geen. Zelfzuchtige en twistzieke menschen zijn niet eensgezind, en zonder eendracht kan niets tot stand worden gebracht. Een stam die de bovengenoemde hoedanigheden in hooge mate bezat, moest zich uitbreiden en andere stammen overwinnen; maar in den loop der tijden moest hij, te oordeelen naar al wat wij van de geschiedenis van vroegere eeuwen weten, op zijn beurt onderdoen voor den eenen of anderen nog hooger begaafden stam. Zoo was er kans, dat de sociale en zedelijke hoedanigheden langzamerhand vooruitgingen en zich over de wereld verspreidden.
Men zou echter kunnen vragen, hoe het kwam, dat binnen de grenzen van een zelfden stam een groot aantal leden voor het eerst met deze sociale en zedelijke hoedanigheden begaafd werden, en op welke wijze deze hoedanigheden hoe langer hoe uitnemender werden. Het is uiterst twijfelachtig, of de meer medegevoel bezittende en welwillende menschen, of zij die het getrouwst waren aan hun makkers, een grooter aantal kinderen moesten nalaten, dan de zelfzuchtige en verraderlijke leden van den zelfden stam. Hij die bereid was zijn leven op te offeren, zooals menig wilde is geweest, liever dan zijn makkers te verraden, moest dikwijls geen kinderen nalaten die zijn edele inborst konden erven. De dapperste mannen die altijd bereid waren om in den oorlog aan de spits te staan en vrijwillig hun leven voor anderen op te offeren, moesten gemiddeld in grooter getale omkomen dan andere menschen. Daarom schijnt het nauwelijks mogelijk (als men bedenkt, dat wij hier niet spreken van éénen stam, die een anderen overwint), dat het aantal der mannen, met dergelijke deugden begaafd, toegenomen, of dat die deugden zelf hooger ontwikkeld zouden zijn door natuurlijke teeltkeus, dat is, door het overleven van hen die ze in de hoogste mate bezaten.
Hoewel de omstandigheden die aanleiding gaven tot de vermeerdering van het aantal der dus begaafde menschen in den zelfden stam, te ingewikkeld zijn om dadelijk te worden nagegaan, kunnen wij echter eenige waarschijnlijke stappen aangeven. In de eerste plaats moest, zoodra de redeneerkracht en het vooruitziend vermogen der leden vooruitgingen, elk man spoedig door ondervinding leeren, dat hij, als hij zijn medemenschen hielp, gewoonlijk wederkeerig door hen werd geholpen. Door deze lage beweegreden verkreeg hij wellicht de gewoonte om zijn makkers te helpen, en de gewoonte om welwillende handelingen te volbrengen versterkt ongetwijfeld het medegevoel, dat den eersten stoot aan welwillende handelingen geeft. Daarenboven hebben gewoonten die gedurende vele geslachten zijn gevolgd, een neiging tot erfelijkheid.
Er is echter een ander en veel machtiger prikkel voor de ontwikkeling der sociale deugden, namelijk, de lof en de afkeuring onzer medemenschen. De begeerte naar lof en de vrees voor schande berusten oorspronkelijk, zooals wij reeds hebben gezien, op het instinkt van medegevoel; en dit instinkt werd ongetwijfeld, evenals alle andere sociale instinkten, oorspronkelijk verkregen door natuurlijke teeltkeus. In hoe vroeg een tijdperk de voorouders van den mensch in den loop van hun ontwikkeling voor het eerst vatbaar werden om gevoelig te zijn voor en te worden aangedreven door den lof en de afkeuring hunner medeschepselen, kunnen wij natuurlijk niet zeggen. Het schijnt echter, dat zelfs honden gevoelig zijn voor aanmoediging, lof en afkeuring. De ruwste wilden bezitten het gevoel van roem, zooals zij duidelijk toonen door de zegeteekenen hunner heldendaden te bewaren, door hun gewoonte van bovenmate te snoeven en zelfs door de groote zorg die zij aan hun uiterlijk aanzien en versierselen besteden; want, wanneer zij geen prijs stelden op de meening hunner makkers, zouden dergelijke gewoonten zinneloos zijn.
Zij gevoelen ongetwijfeld schaamte, wanneer zij een hunner zedelijke regels overtreden; maar in hoe verre zij ook berouw ondervinden, is twijfelachtig. Ik was eerst verwonderd, dat ik mij niet kon herinneren ooit eenig voorbeeld van dit gevoel bij wilden te hebben opgeteekend gevonden, en Sir J. Lubbock getuigt [303], dat ook hem daarvan geen voorbeeld bekend is. Als wij echter alle gevallen uit onzen geest verbannen die in romans en tooneelspelen en in bekentenissen, op het sterfbed aan priesters gedaan, worden medegedeeld, betwijfel ik, of velen van ons in den tegenwoordigen tijd getuige zijn geweest van een oprecht berouw; hoewel wij dikwijls schaamte en droefheid over geringe misdrijven hebben gezien. Berouw is een diep verborgen gevoel. Het is niet te gelooven, dat een wilde die liever zijn leven zou opofferen, dan zijn stam te verraden, of die zich liever gevangen wil geven, dan zijn woord te breken, geen berouw zou gevoelen in het binnenste van zijn ziel, hoewel hij het ook verborgen mocht houden, als hij een plicht had verzuimd, dien hij voor heilig hield.
Wij mogen daarom besluiten, dat in een zeer verwijderd tijdperk de lof of de afkeuring zijner makkers op den oorspronkelijken mensch invloed moet hebben uitgeoefend. Het is duidelijk, dat de leden van den stam een gedrag dat hun voorkwam voordeelig te zijn voor het algemeene welzijn, goedkeuren, en handelingen die daarmede in strijd waren, afkeuren moesten. Anderen goed te doen,—anderen te behandelen, zooals men zelf wenscht door hen te worden behandeld,—is de hoeksteen der zedelijkheid. Het is daarom nauwelijks mogelijk de belangrijkheid van de begeerte naar lof en de vrees voor afkeuring gedurende onbeschaafde tijden te hoog te schatten. Iemand die niet door eenig diep instinktmatig gevoel werd gedreven om zijn leven voor het welzijn van anderen op te offeren, maar toch tot dergelijke daden werd aangezet door de zucht naar roem, moest door zijn voorbeeld de zelfde zucht naar roem bij anderen opwekken en door oefening het edel gevoel van bewondering versterken. Hij deed zoo wellicht veel meer goed aan zijn stam, dan door kinderen te verwekken, die aanleg bezaten om zijn eigen verheven karakter te erven.
Met vermeerderde ondervinding en rede, begrijpt de mensch de meer verwijderde gevolgen zijner handelingen, en de op het individu zelf betrekking hebbende deugden, zooals matigheid, kuischheid enz., die in vroege tijden, zooals wij hierboven zagen, zeer weinig in aanzien stonden, komen in hooge achting of worden zelfs voor heilig gehouden. Ik behoef echter niet te herhalen wat ik hierover in het derde hoofdstuk heb gezegd. Ten slotte bestaat onze zedelijke zin of geweten uit een zeer samengesteld gevoel, dat zijn eersten oorsprong vindt in de sociale instinkten, in hooge mate geleid door de goedkeuring onzer medemenschen, bestuurd door rede, eigenbelang, en in latere tijden door diepe godsdienstige gevoelens, bevestigd door onderwijs en gewoonte.
Men moet niet uit het oog verliezen, dat, hoewel een groote zedelijke ontwikkeling ieder individu en diens kinderen slechts weinig of geen voordeel boven de andere menschen van den zelfden stam geeft, een algemeene vooruitgang in zedelijke ontwikkeling en een vermeerdering van het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen echter ongetwijfeld aan een stam een zeer groot voordeel boven andere zal geven. Het valt niet te betwijfelen, dat een stam die vele leden bevatte, welke, daar zij een groote mate van vaderlandslievenden geest, trouw, gehoorzaamheid, moed en medegevoel bezaten, altijd bereid waren elkander te helpen en zich voor het algemeen welzijn op te offeren, andere stammen zou overwinnen, en dit zou natuurlijke teeltkeus zijn. Ten allen tijde en overal op aarde hebben stammen andere stammen verdrongen; en daar zedelijkheid een der elementen van hun slagen is, moet de zedelijke ontwikkeling en het aantal zedelijk hoog ontwikkelde menschen overal een neiging tot vergrooting en vermeerdering hebben.
Het is echter zeer moeielijk zich eenig oordeel er over te vormen, waarom deze of gene bijzondere stam en niet een andere voorspoedig geweest en geklommen is op de ladder der beschaving. Vele wilden zijn in den zelfden toestand als toen zij verscheidene eeuwen geleden werden ontdekt. Zooals de heer Bagehot heeft opgemerkt, zijn wij geneigd om vooruitgang als den normalen regel der menschelijke maatschappij te beschouwen; maar de geschiedenis spreekt dit tegen. De Ouden dachten daaraan zelfs niet; en evenmin doen dit tegenwoordig de volken in het Oosten. Volgens een andere groote autoriteit, den heer Maine [304], „heeft het grootste gedeelte van het menschelijk geslacht nooit eenige de minste begeerte aan den dag gelegd naar verbetering van zijn maatschappelijke instellingen.” Vooruitgang schijnt af te hangen van de samenwerking van vele gunstige omstandigheden, veel te ingewikkeld om ze geheel te doorgronden. Het is echter reeds dikwijls opgemerkt, dat een koud klimaat, omdat het tot nijverheid en de beoefening van verschillende kunsten leidt, daartoe zeer bevorderlijk of zelfs onmisbaar is geweest. De Eskimo’s zijn, door harde noodzakelijkheid gedrongen, in vele vernuftige uitvindingen geslaagd, maar hun klimaat was te streng voor voortdurenden vooruitgang. Een nomadische levenswijze, hetzij in uitgestrekte vlakten of in de dichte bosschen der tropische gewesten of langs de stranden der zee, is in elk geval daarvoor zeer nadeelig geweest. Toen ik de onbeschaafde bewoners van Vuurland waarnam, trof het mij, dat het bezit van eenig eigendom, een vaste woonplaats en de vereeniging van vele huisgezinnen onder één opperhoofd de onmisbare vereischten voor beschaving waren. Dergelijke gewoonten maken de bebouwing van den grond bijna noodzakelijk; en de eerste stappen tot den landbouw waren waarschijnlijk, zooals ik elders [305] heb aangetoond, het gevolg van een of ander toeval, zooals van het vallen van zaden van een vruchtboom op een hoop afval en het daardoor voortgebracht worden van een buitengewoon schoone verscheidenheid. Het vraagstuk, hoe de wilden er toe zijn gebracht om hun eerste schreden op de baan der beschaving te zetten, is echter tegenwoordig nog veel te moeielijk om te worden opgelost.
De natuurlijke teeltkeus heeft ook op beschaafde volken invloed.—Tot dusver heb ik den vooruitgang van den mensch slechts beschouwd van een half-menschelijken staat tot den toestand waarin zich de tegenwoordige wilden bevinden. Het zal echter wellicht de moeite waard zijn om hier eenige opmerkingen over de werking der natuurlijke teeltkeus op beschaafde volken bij te voegen. Dit onderwerp is op uitnemende wijze besproken door den heer W. R. Greg [306] en vroeger door de heeren Wallace en Galton. [307] Mijn meeste opmerkingen zijn aan deze drie schrijvers ontleend. Bij wilden worden zij die zwak van lichaam of geest zijn, spoedig geëlimineerd; en de overlevenden bezitten gewoonlijk een krachtige gezondheid. Wij beschaafden doen daarentegen ons uiterste best om de eliminatie tegen te gaan; wij bouwen gestichten voor krankzinnigen, idioten, verminkten en zieken; wij maken armenwetten, en onze geneeskundigen doen hun uiterste best om ieders leven zoo lang mogelijk te rekken. Er bestaat reden om te gelooven, dat de koepokinenting duizenden in het leven heeft behouden, die vroeger door hun zwak gestel aan de kinderpokken zouden zijn bezweken. Op die wijze worden de zwakke leden der beschaafde maatschappijen in staat gesteld hun soort voort te planten. Niemand die acht heeft geslagen op de voortteling onzer huisdieren, zal betwijfelen, dat zulks hoogst nadeelig op het menschenras moet inwerken. Het is verwonderlijk hoe spoedig gemis aan zorg of verkeerd bestede zorg tot ontaarding van een huisdierras leiden; maar, behalve in het geval van den mensch, is niemand zoo onwetend, dat hij zijn slechtste dieren toelaat zich voort te planten.
De hulp die wij ons gedrongen gevoelen aan de hulpeloozen te geven, is voornamelijk een bijkomend gevolg van het instinkt van medegevoel, dat oorspronkelijk werd verkregen als een deel der sociale instinkten, maar later op de vroeger aangetoonde wijze teederder en over een ruimer kring verspreid werd. Wij zouden dat medegevoel ook niet kunnen beperken, wanneer wij daartoe door de hardvochtige rede werden genoodzaakt, zonder dat het edelste gedeelte onzer natuur er schade door leed. De heelmeester mag zich harden, terwijl hij een operatie doet; want hij weet dat hij tot het bestwil van zijn patiënt handelt; maar wanneer wij de zwakken en hulpeloozen opzettelijk veronachtzaamden, zou het alleen kunnen zijn om een onzeker toekomstig voordeel te verkrijgen door een zeker en groot tegenwoordig kwaad. Wij moeten daarom zonder ons er over te beklagen dulden, dat de zwakken blijven leven en hun soort voortplanten; maar er schijnt ten minste één beletsel tegen de voortdurende werking daarvan te bestaan, namelijk dat de zwakkere en mindere leden van de maatschappij niet zoo gemakkelijk huwen als de gezonden; en dit beletsel zou onbepaald kunnen worden vergroot, zoo de zwakken naar lichaam en geest zich van het huwelijk onthielden, hoewel dit meer is te hopen dan te verwachten.
In ieder land waar men er een groot staand leger op nahoudt, vallen de fraaiste jonge mannen in de loting of worden aangeworven. Zij zijn daardoor blootgesteld aan een vroegen dood gedurende den oorlog, worden dikwijls tot losbandigheid verleid en zijn verhinderd te trouwen gedurende den bloeitijd van het leven. De kortere en zwakkere mannen met slechte gestellen worden t’huis gelaten en hebben derhalve een veel betere kans om te huwen en hun soort voort te planten. [308]
De mensch verzamelt eigendom en laat dien aan zijn kinderen na, zoodat de kinderen van de rijken een voordeel boven die der armen hebben in den wedstrijd van het leven, onafhankelijk van lichamelijke of geestelijke meerderheid. Van den anderen kant komen kinderen van ouders die kort leven en dus door elkander genomen slechter van gezondheid en zwakker zijn, spoediger in het bezit van hun eigendom dan andere kinderen, en zullen kans hebben vroeger te huwen en een grooter aantal kinderen na te laten om hun slechtere gestellen te erven. Doch de erfelijkheid van eigendom is op zich zelf ver van een nadeel, want zonder de opeenstapeling van kapitaal zouden de kunsten niet kunnen vooruitgaan; en het is voornamelijk door de macht van deze laatsten, dat de beschaafde rassen zich hebben uitgebreid en zich tegenwoordig nog overal uitbreiden ten koste der lagere rassen. De gematigde opeenstapeling van het kapitaal heft ook de werking der natuurlijke teeltkeus volstrekt niet geheel op. Als een arm man rijk wordt, komen zijn kinderen in zaken en betrekkingen waarin strijd genoeg is; en waarin zij die flink zijn ontwikkeld naar lichaam en geest, het beste slagen. Het bestaan van een stand van menschen die goed onderwijs hebben genoten en niet behoeven te werken voor hun dagelijksch brood, is zoo belangrijk, dat het nimmer te hoog kan worden geschat, daar al het hooge intellectueele werk door hen wordt volvoerd en daar van dat werk de materiëele vooruitgang in alle zaken voornamelijk afhangt, om andere en grootere voordeelen hier niet te vermelden. Ongetwijfeld maakt zeer groote rijkdom de menschen dikwijls tot nuttelooze leegloopers; maar het aantal daarvan is nooit groot en er heeft hierbij een soort van eliminatie plaats, daar wij dagelijks rijke menschen zien, die tevens dwazen of losbollen zijn en hun geheele vermogen verkwisten.
Het recht van eerstgeboorte met de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed is een meer direct nadeel, hoewel het vroeger een groot voordeel moge zijn geweest, daar het aanleiding gaf tot het ontstaan van een heerschenden stand, en eenige vorm van staatsbestuur is beter dan in ’t geheel geen. De oudste zonen huwen gewoonlijk, hoe zwak zij naar lichaam en geest ook mogen zijn, terwijl de jongere zonen, al munten zij ook te dien opzichte uit, niet zoo algemeen huwen. Ook kunnen nietswaardige oudste zonen, waar de bepaling van onvervreemdbaarheid van het erfgoed bestaat, hun vermogen niet verkwisten. Maar hier zijn, evenals elders, de betrekkingen van het beschaafde leven zoo ingewikkeld, dat er sommige verevenende hinderpalen bestaan. De mannen, die door het recht van eerstgeboorte rijk zijn, zijn in staat om van generatie op generatie de schoonste en bekoorlijkste vrouwen uit te kiezen, en deze zullen gewoonlijk gezond van lichaam en werkzaam van geest zijn. De slechte gevolgen, welke die ook mogen zijn, van het voortdurend bewaard blijven van de zelfde lijn van afstamming zonder eenige teeltkeus worden daardoor tegengegaan, dat mannen van rang altijd hun rijkdom en macht wenschen te vermeerderen, en dit brengen zij tot stand door met rijke erfdochters te huwen. Bij de dochters van ouders die slechts één enkel kind hebben verwekt, bestaat echter, zooals de heer Galton heeft aangetoond [309], een aanleg tot onvruchtbaarheid; en zoo sterven de adellijke familiën telkens in de rechte lijn uit en vloeit hun rijkdom in het eene of andere zijkanaal; maar ongelukkig wordt dit zijkanaal niet bepaald door bijzondere voortreffelijkheid in het eene of andere opzicht.
Hoewel dus de beschaving op verschillende wijzen de werking der natuurlijke teeltkeus belemmert, begunstigt zij blijkbaar, door middel van de verbeterde voeding en de vrijwaring voor sommige soorten van nu en dan voorkomende ongevallen, de betere ontwikkeling van het lichaam. Men mag dit daaruit besluiten, dat, waar men ook beschaafde menschen en wilden in dit opzicht heeft vergeleken, men steeds heeft bevonden, dat de eersten meer lichaamskracht bezaten dan de laatsten. Zij schijnen ook even groote vermoeienissen en ontberingen te kunnen uitstaan, zooals door vele stoutmoedige tochten is bewezen. Zelfs de groote weelde der rijken kan niet zeer schadelijk zijn; want de vermoedelijke levensduur van onze aristocratie is op alle leeftijden en bij beide seksen slechts weinig korter dan bij gezonde Engelschen uit de lagere standen. [310]
Wij zullen nu de verstandelijke vermogens alleen beschouwen. Indien in elken stand der maatschappij de leden waren verdeeld in twee even talrijke groepen, waarvan de eene de meest- en de andere de minstverstandigen bevatte, kan er slechts weinig twijfel bestaan, dat de eersten in alle beroepen het best zou slagen en een grooter aantal nakomelingen nalaten. Zelfs in de laagste kringen der maatschappij moeten kunde en bekwaamheid eenig voordeel opleveren, hoewel dat voordeel bij vele bedrijven, ten gevolge der groote verdeeling van den arbeid, zeer gering moge zijn. Daarom zal er bij beschaafde volken eenige kans bestaan, dat de verstandelijk meer ontwikkelden zoowel in aantal als in gehalte toenemen. Ik wil echter niet beweren, dat die kans langs andere wegen niet meer dan opgewogen wordt, b.v. door de vermeerdering van de zorgelooze en niet om de toekomst denkende menschen; maar zelfs aan dezen moet bekwaamheid eenig voordeel opleveren.
Men heeft dikwijls tegen beschouwingen als de voorgaande ingebracht, dat de uitnemendste mannen die ooit hebben geleefd, geen kinderen hebben nagelaten, die hun groot verstand konden erven. De heer Galton zegt [311]: „Ik betreur het, niet in staat te zijn de eenvoudige vraag op te lossen of, en in hoeverre, mannen en vrouwen die wonderen van genialiteit zijn, onvruchtbaar zijn. Ik heb echter aangetoond, dat uitstekende mannen zulks in geenen deele zijn.” Groote wetgevers, de grondvesters van weldadige godsdiensten, groote wijsgeeren en uitvinders hebben veel meer toegebracht tot den vooruitgang der menschheid door hun werken, dan door het nalaten eener talrijke nakomelingschap. In het geval van lichamelijke eigenschappen is het, gelijk ik in mijn „Ontstaan der Soorten” heb aangetoond, het voor de voortplanting uitgekozen worden van de een weinig beter begaafde, en de eliminatie van de een weinig, minder goed begaafde individu’s, en niet het bewaard blijven van sterksprekende en zeldzame afwijkingen die tot den vooruitgang eener soort leidt. Evenzoo zal het zijn gelegen met de verstandelijke vermogens; de iets meer ontwikkelde menschen zullen gemiddeld in elken stand van de maatschappij wat beter slagen dan de iets minder ontwikkelde, en de eersten zullen derhalve in aantal toenemen, als daartegen geen andere hinderpalen bestaan. Als bij een of ander volk het gehalte van de verstandelijke ontwikkeling en het aantal verstandige menschen is toegenomen, mogen wij, zooals de heer Galton heeft aangetoond, wegens de wet van afwijking van het gemiddelde verwachten, dat groote genieën iets veelvuldiger zullen verschijnen dan vroeger.
Ten opzichte der zedelijke hoedanigheden gaat de eliminatie van de slechtst begaafden zelfs bij de meestbeschaafde volken steeds eenigermate voort. Misdadigers worden ter dood gebracht of gedurende langen tijd gevangen gezet, zoodat zij hun slechte eigenschappen niet vrijelijk kunnen voortplanten. Zwartgallige en krankzinnige menschen worden opgesloten of brengen zich zelven om het leven. Driftige en twistzieke menschen sterven dikwijls een gewelddadigen dood. Ongestadige menschen die volstrekt geen vast beroep willen uitoefenen,—en dit overblijfsel van barbaarschheid is een groote hinderpaal voor de beschaving [312],—verhuizen naar nieuw aangelegde volkplantingen, en blijken daar nuttige pioniers te zijn. Onmatigheid werkt zoo verwoestend, dat de vermoedelijke levensduur van een dronkaard op den ouderdom b.v. van 30 jaren, slechts 138⁄10 jaar is; terwijl die van Engelsche landbouwers op den zelfden leeftijd 4059⁄100 jaar is. [313] Losbandige vrouwen krijgen weinig kinderen, en losbandige mannen huwen zelden; beiden lijden aan ziekten. Bij de teelt van huisdieren is de eliminatie van die individu’s welke in een of ander opzicht minder goed zijn, hoe gering hun getal ook moge zijn, in geenen deele een onbelangrijk element voor het succes. Vooral is zulks het geval met nadeelige kenmerken die neiging hebben om door atavisme opnieuw te verschijnen, zooals de zwarte kleur bij schapen; en bij den mensch zijn wellicht sommige zeer slechte neigingen die nu en dan, zonder dat men de oorzaak er van kan aangeven, in familiën verschijnen, niet anders dan atavismen, door terugkeer tot het type dier wilde voorouders, van welke wij niet door zeer vele generaties zijn gescheiden. (1) Deze beschouwingswijze schijnt inderdaad te worden teruggevonden in de gewone uitdrukking, dat dergelijke menschen de zwarte schapen van de familie zijn.
Wat de hooge zedelijke ontwikkeling van het algemeen en de vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen aangaat, werkt de natuurlijke teeltkeus blijkbaar slechts in geringe mate op beschaafde volken, ofschoon de oorspronkelijke zedelijke instinkten in den beginne op die wijze werden verkregen. Ik heb echter, toen ik over de lagere rassen handelde, reeds genoeg gezegd over de oorzaken die tot den vooruitgang der zedelijkheid leiden, namelijk: de goedkeuring onzer medemenschen,—de versterking van ons medegevoel door de gewoonte,—voorbeeld en navolging,—rede,—ondervinding en zelfs eigenbelang,—onderwijs gedurende de jeugd en godsdienstige gevoelens.
Op een hoogst belangrijken hinderpaal in beschaafde landen tegen een vermeerdering van het aantal zedelijk zeer hoog ontwikkelde menschen is door de heeren Greg en Galton [314] met nadruk gewezen, op het feit namelijk, dat de zeer arme en zorgelooze lieden, die dikwijls door ondeugd verlaagd zijn, bijna altijd vroeg huwen, terwijl de voorzichtige en spaarzame lieden, die gewoonlijk ook andere deugden bezitten, eerst op lateren leeftijd huwen, opdat zij in staat zouden zijn op voldoende wijze in het onderhoud van zich zelven en hun kinderen te voorzien. Zij die vroeg huwen, brengen niet slechts in een gegeven tijd een grooter aantal generaties voort, maar Dr. Duncan [315] heeft aangetoond, dat zij ook een grooter aantal kinderen voortbrengen. Daarenboven zijn de kinderen die geboren worden uit moeders welke in den bloeitijd van het leven zijn, zwaarder en grooter, en daarom waarschijnlijk ook sterker, dan die welke in een ander tijdperk worden geboren. Derhalve bestaat er bij de zorgelooze, verlaagde en dikwijls slechte leden der maatschappij een streven naar sneller vermeerdering dan bij de voorzichtige, spaarzame en over het algemeen deugdzame leden. Of, zooals de heer Greg het geval stelt: „De zorgelooze, smerige, onverschillige Ier vermenigvuldigt als de konijnen; de spaarzame, om den dag van morgen denkende, zich zelf eerbiedigende, eerzuchtige Schot, met zijn strenge zeden, zijn geestelijk geloof, zijn scherpzinnig en ontwikkeld verstand, brengt zijn beste jaren in inspanning en ongehuwd door, huwt laat en laat weinig nakomelingen achter. Gegeven een land, oorspronkelijk bewoond door een duizendtal Saksers en een duizendtal Kelten,—dan zullen in een dozijn generaties vijf zesde gedeelten van de bevolking Kelten zijn, maar vijf zesde gedeelten van den eigendom, de macht, het verstand zullen toebehooren aan het overblijvend één zesde, uit Saksers bestaande gedeelte der bevolking. In den eeuwigen „strijd om het bestaan”, zal het lagere en minder begaafde ras de bovenhand behouden,—en dat, niet krachtens zijn goede hoedanigheden, maar krachtens zijn gebreken.”
Er zijn echter eenige hinderpalen tegen dit streven naar achteruitgang. Wij hebben gezien, dat onder dronkaards de gemiddelde sterfte zeer groot is, en uiterst losbandige lieden laten weinig kroost na. De armste klassen zijn in de steden opeengehoopt, en Dr. Stark [316] heeft uit een in Schotland gedurende tien jaren gehouden statistiek bewezen, dat op alle leeftijden de gemiddelde sterfte grooter is in de steden dan op het land, ja, „gedurende de vijf eerste levensjaren is de gemiddelde sterfte in de steden ongeveer dubbel zoo groot als op het land.” Daar deze berekening zoowel de rijken als de armen omvat, zou ongetwijfeld meer dan het dubbele van het aantal geboorten noodig zijn om het aantal zeer arme bewoners in de steden in de zelfde verhouding te doen toenemen als die op het land.
Voor vrouwen is het huwelijk op al te vroegen leeftijd hoogst schadelijk; want in Frankrijk heeft men bevonden, dat „jaarlijks van de gehuwde vrouwen onder de twintig jaar tweemaal meer sterven dan van het zelfde aantal ongehuwde.” Ook de sterfte van gehuwde mannen onder de twintig jaar is „uiterst groot” [317], wat echter de oorzaak hiervan is, schijnt twijfelachtig. Als eindelijk de mannen die voorzichtig hun huwelijk uitstellen tot zij hun huisgezin behoorlijk kunnen onderhouden, vrouwen uitkiezen die in den bloeitijd des levens zijn, en dit doen zij dikwijls, zal de gemiddelde hoegrootheid der vermeerdering van de meer welvarende klasse slechts weinig afnemen.
Uit een ontzaglijk aantal statistische gegevens, in het jaar 1853 verzameld, bleek, dat in Frankrijk de ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren in veel sterker verhouding sterven dan de gehuwde: van elke 1000 ongehuwde mannen op den leeftijd van 20 tot 30 jaren stierven b.v. jaarlijks 11,3, terwijl van de gehuwde slechts 6,5 stierven. [318] Het is bewezen, dat een dergelijke wet gedurende de jaren 1863 en 1864 steek hield bij de geheele bevolking van Schotland die boven de 20 jaar oud was: van elke duizend ongehuwde mannen op den leeftijd van 20–30 jaar stierven b.v. jaarlijks 14,97, en van de gehuwde slechts 7,24, dat is minder dan de helft. [319] Dr. Stark bemerkt naar aanleiding hiervan: „De ongehuwde staat werkt verwoestender op het leven dan de ongezondste bedrijven, of dan het verblijf in een ongezond huis of in een ongezonde streek waar men nooit de geringste poging heeft gedaan om den gezondheidstoestand te verbeteren. Hij meent dat de verminderde sterfte een rechtstreeksch gevolg is „van het huwelijk en van de meer geregelde levenswijze welke met dien staat gepaard gaat.” Hij geeft echter toe, dat de onmatige, losbandige en misdadige klassen, wier gemiddelde levensduur kort is, gewoonlijk niet huwen; en men moet eveneens aannemen, dat menschen met een zwak gestel, slechte gezondheid, of eenig groot lichamelijk of geestelijk gebrek, dikwijls niet zullen willen of kunnen huwen. Dr. Stark schijnt tot het besluit te zijn gekomen, dat het huwelijk op zich zelf een hoofdoorzaak van een lang leven is, omdat hij vindt, dat hoogbejaarde gehuwde mannen in dit opzicht nog een aanmerkelijk voordeel hebben boven ongehuwde van den zelfden hoogen leeftijd; maar iedereen zal wel voorbeelden kennen van menschen, die wegens hun zwakke gezondheid in hun jeugd niet huwden en toch hoogbejaard zijn geworden, hoewel zij voortdurend zwak bleven en dus steeds slechts een kleinere kans hadden om te blijven leven. Er is een andere merkwaardige omstandigheid, die Dr. Stark’s besluit schijnt te bevestigen, namelijk, dat weduwnaars en weduwen in Frankrijk in vergelijking van gehuwde lieden aan een zeer groote sterfte onderhevig zijn; maar Dr. Farr schrijft dit toe aan armoede en slechte gewoonten, die het gevolg zijn van het vaneenscheuren van het huisgezin en van droefheid. Over het geheel mogen wij met Dr. Farr besluiten, dat de mindere sterfte van gehuwde dan van ongehuwde lieden, die een algemeene wet schijnt te zijn, „hoofdzakelijk wordt veroorzaakt door de voortdurende eliminatie van onvolmaakte typen, en door de met bekwaamheid geschiedende keuze van de uitnemendste individu’s van elke opeenvolgende generatie”, welke keuze alleen betrekking heeft op den gehuwden staat, en op alle lichamelijke, verstandelijke en zedelijke hoedanigheden acht slaat. Wij mogen daaruit afleiden, dat gezonde en deugdzame lieden die uit voorzichtigheid een tijd lang ongehuwd blijven, aan geen bijzonder hooge sterfte onderhevig zijn.
Indien de verschillende hinderpalen in de beide laatste alinea’s opgenoemd, en wellicht andere die nog onbekend zijn, niet verhinderen, dat de zorgelooze, slechte en op andere wijzen mindere leden van de maatschappij zich sneller vermenigvuldigen dan de betere klasse van menschen, zal het volk achteruitgaan, zooals maar al te dikwijls in de wereldgeschiedenis is gebeurd. Wij moeten ons herinneren, dat de vooruitgang niet onveranderlijk regel is. Het is hoogst moeilijk te zeggen, waarom de eene beschaafde natie tot aanzien klimt, machtiger wordt en zich verder uitbreidt dan de andere; of waarom een zelfde natie op den eenen tijd sterker vooruitgaat dan op den anderen. Wij kunnen alleen zeggen, dat dit afhangt van een vermeerdering van de bevolking in het algemeen, van het aantal mannen, met groote verstandelijke en zedelijke vermogens begaafd, zoowel als van de hoegrootheid dier vermogens. De lichamelijke eigenschappen, behalve in zoover een krachtig lichaam ook kracht aan den geest geeft, schijnen slechts weinig invloed te hebben.
Verschillende schrijvers hebben beweerd, dat, daar groote verstandelijke vermogens voor een volk voordeelig zijn, de oude Grieken, die in verstand eenige graden hooger stonden dan eenig ras dat ooit heeft bestaan [320], indien de natuurlijke teeltkeus wezenlijk zulk eene groote macht bezat, nog meer in aanzien gestegen en in getal toegenomen hadden moeten zijn en geheel Europa hebben bevolkt. Hier hebben wij de stilzwijgende onderstelling, zoo dikwijls geschied ten opzichte van lichamelijke eigenschappen, dat er eenige aangeboren neiging bestaat tot voortdurende ontwikkeling van geest en lichaam. Elke soort van ontwikkeling hangt echter van den samenloop van vele gunstige omstandigheden af. De natuurlijke teeltkeus werkt slechts op een beproevende wijze. Individu’s en rassen kunnen zekere onbetwistbare voordeelen hebben verkregen, en toch zijn ondergegaan, omdat zij andere kenmerken misten. De Grieken kunnen zijn achteruitgegaan door gebrek aan samenhang tusschen de vele kleine staten, wegens de geringe grootte van hun geheele land, wegens de gewoonte om slaven te houden, of wegens zeer groote zinnelijkheid; want zij bezweken niet voor zij „tot in den grond waren ontzenuwd en bedorven.” [321] De volken van West-Europa, die nu hun vroegere wilde voorouders zoo verbazend overtreffen en aan de spits der beschaving staan, zijn weinig of niets van hun voortreffelijkheid verschuldigd aan rechtstreeksche overerving van de oude Grieken, hoewel zij veel hebben te danken aan de geschrevene werken van dit verwonderlijke volk.
Wie kan met zekerheid zeggen, waarom de Spaansche natie, in een zeker tijdvak zoo machtig, door andere volken is voorbijgestreefd? De ontwaking der volken van Europa uit den slaap der middeleeuwen is nog moeielijker te verklaren. In dien vroegen tijd hadden, zooals de heer Galton heeft opgemerkt [322], bijna alle mannen van edelen aard, zij die zich toelegden op nadenken en geestbeschaving, geen ander toevluchtsoord dan in den boezem der kerk, die den ongehuwden staat eischte, en het kon moeielijk missen, of dit moest op elke opeenvolgende generatie een verderfelijken invloed uitoefenen. Gedurende het zelfde tijdvak koos de Heilige Inquisitie met de meeste zorg de meest vrijheidlievende en moedige mannen uit om hen te verbranden en gevangen te zetten. In Spanje alleen werden eenigen van de beste mannen,—zij die twijfelden en onderzochten, en zonder den twijfel kan geen vooruitgang bestaan,—gedurende drie eeuwen geëlimineerd in de verhouding van een duizendtal per jaar. Het kwaad dat de Katholieke kerk op die wijze heeft gesticht, hoewel ongetwijfeld in zekere, ja wellicht in groote mate opgewogen op andere wijze, is onberekenbaar; toch is Europa met ongeëvenaarde snelheid vooruitgegaan.
De merkwaardige voorspoed van de Engelschen als kolonisten boven andere Europeesche natiën, waarvan een vergelijking tusschen de toeneming van het aantal Canadeezen van Engelsche en van Fransche afkomst een goed voorbeeld oplevert, is toegeschreven aan hun „koene en volhardende energie”; maar wie kan zeggen, hoe de Engelschen die energie verkregen.
Er is blijkbaar veel waars in het geloof, dat de verwonderlijke vooruitgang der Vereenigde Staten, zoowel als het karakter van hun bewoners, het gevolg zijn van natuurlijke teeltkeus, daar de energiekste, rustelooste en moedigste mannen van alle deelen van Europa gedurende de tien of twaalf laatste generaties naar dat groote land verhuisd en daar het best geslaagd zijn. [323] Met het oog op een verre toekomst, geloof ik, dat de heer Zincke zich niet aan overdrijving schuldig maakt, wanneer hij zegt [324]: „Alle andere reeksen van gebeurtenissen,—zoowel die welke uitliepen op de geestbeschaving van Griekenland, als die welke het aanzijn gaven aan het Romeinsche Rijk,—schijnen alleen een doel en waarde te hebben als men ze beschouwt in verband met, of liever als ondergeschikt aan .... den grooten stroom der Anglo-Saksische emigratie naar het Westen.” Hoe duister ook het vraagstuk van den vooruitgang der beschaving zij, wij kunnen toch ten minste begrijpen, dat een volk hetwelk gedurende een langdurig tijdperk het grootste aantal verstandelijk hoog ontwikkelde, energieke, dappere, vaderlandslievende en welwillende menschen voortbracht, over het algemeen de bovenhand moest behouden over minder begunstigde natiën.
De natuurlijke teeltkeus is het gevolg van den strijd om het bestaan, en deze van een snelle vermeerdering. Het is onmogelijk de snelheid niet te betreuren, met welke het menschelijk geslacht naar vermeerdering streeft (of het verstandig is zulks te doen, is een andere vraag); want deze leidt bij wilde stammen tot kindermoord en vele andere misdaden, bij beschaafde natiën tot ellende, armoede, een ongehuwd leven en tot late huwelijken van hen die om den dag van morgen denken. Daar de mensch echter onderhevig is aan de zelfde physieke kwalen als de lagere dieren, heeft hij geen recht om te verwachten, dat hij vrij zal zijn van de kwalen die het gevolg zijn van den strijd om het bestaan. Als men nagaat, dat in vele deelen der wereld verbazend uitgestrekte en hoogst vruchtbare streken, die in staat zouden zijn talrijke gelukkige huisgezinnen te voeden, slechts door eenige weinige zwervende wilden worden bewoond, zou men kunnen beweren, dat de strijd om het bestaan niet hevig genoeg is geweest om den mensch tot zijn hoogste ontwikkeling te brengen. Te oordeelen naar al wat wij weten van den mensch en van de lagere dieren, is er altijd genoeg verscheidenheid geweest in de verstandelijke en zedelijke vermogens om ze voortdurend door natuurlijke teeltkeus vooruit te doen gaan. Ongetwijfeld vereischt een dergelijke vooruitgang een samenloop van vele gunstige omstandigheden; maar het mag worden betwijfeld, of zelfs de gunstigste wel voldoende zouden zijn geweest, zoo er geen neiging tot snelle vermeerdering bestaan en derhalve geen uiterst hevige strijd om het bestaan plaats gehad had. Naar hetgeen wij bijvoorbeeld in sommige deelen van Zuid-Amerika zien, schijnt het zelfs, dat een volk dat beschaafd mag worden genoemd, zooals de Spaansche kolonisten, kans loopt om vadsig te worden en achteruit te gaan, als de levensvoorwaarden zeer gemakkelijk zijn. Bij hoogst beschaafde natiën hangt de voortdurende vooruitgang in ondergeschikte mate van natuurlijke teeltkeus af; want dergelijke natiën verdringen elkander niet en roeien elkander niet uit, gelijk wilde stammen. Toch zullen de meer verstandige leden in de zelfde maatschappij op den langen duur beter slagen en talrijker kroost nalaten dan de minder verstandige, en dit is een vorm van natuurlijke teeltkeus. De meer werkdadige oorzaken van vooruitgang schijnen te bestaan in een goede opvoeding gedurende de jeugd, als de hersenen vatbaar voor indrukken zijn, en in een hoogen trap van uitnemendheid, ingeprent door de bekwaamste en beste mannen, verlichamelijkt in de wetten, zeden en overleveringen van de natie, en versterkt door de publieke opinie. Men bedenke echter, dat deze versterking door de openbare meening afhankelijk is van de waarde die wij aan de goed- of afkeuring van anderen hechten, en die waardeering is gegrond op ons medegevoel, hetwelk wij moeilijk kunnen betwijfelen, dat oorspronkelijk is ontwikkeld door natuurlijke teeltkeus als een der meest belangrijke bestanddeelen van de sociale instinkten. [325]
Bewijzen dat alle beschaafde natiën eens in wilden staat verkeerden. Daar wij de trappen moeten beschouwen, door welke een of ander half-menschelijk schepsel allengs is opgeklommen tot den rang van den mensch in zijn meest volkomen staat, kan dit onderwerp niet geheel onbemerkt worden voorbijgegaan.
Het is echter op zoo volledige en bewonderenswaardige wijze behandeld door Sir J. Lubbock [326], de heeren Tylor, M’Lennan en anderen, dat ik hier slechts een zeer kort overzicht behoef te geven van hun resultaten. De onlangs door den Hertog van Argyll [327] en vroeger door den Aartsbisschop Whately aangevoerde bewijsgronden ten gunste van het geloof, dat de mensch als een beschaafd wezen in de wereld kwam, en dat alle wilde stammen sinds dien tijd zijn achteruitgegaan, schijnen mij zwak in vergelijking van die, welke van de andere zijde worden aangevoerd. Vele natiën zijn ongetwijfeld in beschaving achteruitgegaan, en sommige wellicht tot de uiterste barbaarschheid vervallen, hoewel ik voor dit laatste geen enkel bewijs heb gevonden. De Vuurlanders werden waarschijnlijk door andere veroverende horden gedwongen om zich in hun ongastvrij land te vestigen, en kunnen ten gevolge daarvan nog een weinig lager zijn gezonken; maar men zou moeielijk kunnen bewijzen, dat zij tot grooter barbaarschheid zijn vervallen dan de Botocudo’s, die de schoonste gedeelten van Brazilië bewonen.
De bewijzen dat alle beschaafde volken de afstammelingen van wilden zijn, berusten eerstens op duidelijke sporen van hun voormaligen onbeschaafden toestand in nog bestaande gewoonten, meeningen, spreekwijzen, enz.; en in de tweede plaats, op bewijzen dat wilden in staat zijn door eigen ontwikkeling eenige weinige schreden voorwaarts te doen op de baan der beschaving en zulks ook werkelijk hebben gedaan. De gronden voor de eerste bewering zijn hoogst merkwaardig, maar kunnen hier niet worden medegedeeld. Ik verwijs naar zulke gevallen als b.v. dat van de telkunst die, zooals de heer Tylor duidelijk aantoont door de woorden die op sommige plaatsen nog worden gebruikt, ontstond door eerst de vingers van de eene hand, daarna die van de andere, en eindelijk de teenen te tellen. Wij hebben daarvan nog sporen in ons eigen tientallig stelsel en in de Romeinsche cijfers, die na het getal V te hebben bereikt, wanneer ongetwijfeld de andere hand werd gebruikt, in VI, enz. overgaan. Evenzoo „gebruiken wij, als wij spreken van drie-score en tien, het twintigtallig stelsel, daar elk aldus in de gedachten gemaakt score staat voor 20—of „één mensch”, zooals een Mexicaan of Caraïbe het zou uitdrukken.” [328] (2) Volgens een groote en toenemende school van taalkundigen draagt iedere taal de kenteekenen van haar langzame en trapsgewijze ontwikkeling. Het zelfde is het geval met de schrijfkunst, daar de letters rudimenten zijn van afbeeldingen van voorwerpen. Het is bijna niet mogelijk het werk van den heer M’Lennan te lezen [329], en niet toe te geven, dat bijna alle beschaafde volken eenige sporen hebben behouden van zulk een ruwe gewoonte als het met geweld rooven der vrouwen. De zelfde schrijver vraagt, welke natie kan worden genoemd, die oorspronkelijk in monogamie leefde? Het oorspronkelijke denkbeeld van recht was insgelijks hoogst ruw, zooals blijkt uit de wet van den strijd en andere gewoonten, waarvan nog sporen bewaard zijn gebleven. Vele bestaande bijgeloovigheden zijn de overblijfselen van vroegere valsche godsdienstige meeningen. De hoogste vorm van godsdienst,—het groote denkbeeld van een God die de zonde haat en de rechtvaardigheid bemint,—was gedurende de oorspronkelijke tijden onbekend.
Laten wij nu tot de tweede soort van bewijs overgaan: Sir John Lubbock heeft aangetoond, dat sommige wilden in de laatste tijden een weinig zijn vooruitgegaan in sommige van hun meer eenvoudige kunsten. Als men de uiterst merkwaardige mededeelingen nagaat, die hij doet omtrent de wapenen, werktuigen en kunsten, gebruikt of uitgeoefend door wilden in verschillende deelen der wereld, kan men niet betwijfelen, dat dit bijna allen zelfstandige ontdekkingen zijn geweest, behalve wellicht de kunst om vuur te maken. [330] De Australische boemerang (3) is een goed voorbeeld van een dergelijke onafhankelijke ontdekking. Toen Otaheite pas was ontdekt, waren deszelfs bewoners in vele opzichten verder gevorderd dan die van de meeste andere eilanden van Polynesië. Er bestaan geen goede gronden om aan te nemen, dat de groote beschaving van de inboorlingen van Peru en Mexico was voortgevloeid uit een vreemde bron [331]; vele in die landen inheemsche planten werden daar verbouwd en ook enkele inheemsche dieren waren er getemd (4).
Wij moeten bedenken, dat, als de bemanning van een uit een of ander half beschaafd land komend schip naar de stranden van Amerika was gedreven, zij op de inboorlingen zeer weinig invloed zou hebben uitgeoefend, tenzij deze reeds eenigszins in beschaving waren gevorderd, te oordeelen ten minste naar den geringen invloed der meeste zendelingen. Wanneer wij een zeer oud tijdvak van de wereldgeschiedenis beschouwen, vinden wij, om Sir J. Lubbock’s welbekende uitdrukkingen te gebruiken, een palaeolithische en neolithische periode, en niemand zal beweren, dat de kunst om ruwe vuursteenen werktuigen te slijpen, uit vreemde landen was ingevoerd. In alle landen van Europa tot Griekenland toe, in Palaestina, Indië, Japan, Nieuw-Zeeland en Afrika, met insluiting van Egypte, zijn vuursteenen werktuigen in overvloed gevonden; en van het gebruik daarvan bestaat bij de tegenwoordige inwoners geen overlevering. Er bestaan ook indirecte bewijzen van het voormalig gebruik van dergelijke werktuigen bij de Chineezen (5) en oude Joden. Het kan daarom moeielijk worden betwijfeld, dat de inwoners van deze vele landen die bijna de geheele beschaafde wereld omsluiten, eens in wilden staat verkeerden. Om te gelooven, dat de mensch oorspronkelijk beschaafd was en later in zoovele landen tot de uiterste barbaarschheid verviel, moet men een beklagenswaardig laag denkbeeld koesteren van de menschelijke natuur. Het is blijkbaar een meer met de waarheid overeenkomstig en troostvoller denkbeeld, dat vooruitgang veel algemeener is geweest dan achteruitgang, dat de mensch, hoewel langzaam en met afgebroken schreden, is opgeklommen van een laag standpunt tot de hoogste ontwikkeling die hij nog in kennis, zedelijkheid en godsdienst heeft bereikt.
AANTEEKENINGEN.
(1) Zeer belangwekkend is in het veel besproken, voor een drietal jaren in het Fransch vertaalde werk van Caesar Lombroso „Homo Delinquante” (de misdadige mensch) de min of meer nieuwe theorie van den atavistischen oorsprong van de misdaad. Volgens deze theorie zou de aanleg om misdadiger te worden een erfenis uit ouden tijd zijn, een verschijnsel dat vroeger deel uitmaakte van de organisatie en het karakter onzer voorouders en dat zich op noodlottige wijze bij sommigen hunner nakomelingen opnieuw vertoont door een soort van gril in de slecht verzekerde ontwikkeling van den mensch. Het atavisme is de bron van de misdaad, omdat alle levende wezens een neiging hebben om tot het oorspronkelijk type terug te keeren, en zoo plotseling zekere lang verloren kenmerken hunner voorouders te herkrijgen. Het atavisme staat in nauw verband met de erfelijkheid, maar onderscheidt er zich toch van. „Het is een erfelijkheid na zeer lange tusschenpoozen, waarvan de invloed, door nieuwere kenmerken lang verborgen, zich na eeuwen weder doet gevoelen.”
Lombroso meent dus, dat handelingen die wij misdadig noemen, weleer gewone en normale handelingen zijn geweest, die van zelf uit het gestel van het menschelijk wezen voortvloeiden. De misdaad is volgens hem bij wilden de algemeene regel.
Paintel voegt er in zijn „Théorie de la tutelle pénale” bij: „Er is bij de wilden stammen niets dat op een voortdurend werkzaam geweten gelijkt.” De „verharde misdadiger” en onverbeterlijke recidivist is dus een vroeger type, door de wet van het atavisme opnieuw in het leven geroepen of gevormd, en dat men, om het te genezen, aan een speciale behandeling moet onderwerpen. Men versta wel, dat deze theorie niet van toepassing is op individu’s, wier wil onvoorziens door een samenloop van toevallige omstandigheden bezwijkt.
(2) Het Engelsche woord „score” beteekent een twintigtal op de zelfde wijze als ons woord „dozijn” een twaalftal beteekent. Evenzoo beteekent in Friesland „snees” en in Drenthe „stieg” een twintigtal. In het Fransch vindt men vele sporen van het twintigtallig stelsel, b.v. soixante-dix, quatre-vingt, quatre-vingt-dix, six-vingts (120, vroeger in gebruik) enz.
(3) „De Australische boemerang”. Sir J. Lubbock, („l’Homme avant l’Histoire”, Fransche Vert. van Barbier, blz. 353) deelt omtrent dit merkwaardig wapen, dat uitsluitend aan Nieuw-Holland eigen is, o.a. het volgende mede: „Men noemt zoo een stok van gekromden vorm, gewoonlijk aan den eenen kant afgerond, aan den anderen plat, ongeveer 9 decimeter lang, 5 centimeter breed en 1,8 centimeter dik. Op het eerste gezicht gelijkt hij op een zeer grof gemaakten houten sabel. Hij wordt zoowel voor de jacht als voor den oorlog gebruikt. Men neemt hem aan het eene uiteinde in de rechterhand en werpt hem als een sikkel, hetzij in de lucht, van beneden naar boven, hetzij van boven naar beneden, zoodat hij den grond raakt op eenigen afstand van dengene, welke hem werpt. In het eerste geval vliegt hij voort met een draaiende beweging die een gevolg van zijn vorm is; na zich tot een groote hoogte in de lucht te hebben opgeheven, beschrijft hij plotseling een elliptische kromme lijn die hem terugbrengt tot het punt, van waar hij werd geworpen. Als men hem naar beneden op den grond werpt, springt hij in rechte lijn al ricochetteerende vooruit, totdat hij het voorwerp bereikt dat men wil treffen. De vreemdste kromme lijn wordt door dit wapen doorloopen, als men het onder een hoek, grooter dan 45°, in de lucht werpt; het komt dan zonder uitzondering aan de achterzijde terug, en de inboorling die het werpt, keert dan den rug, in plaats van het gelaat, naar den kant van het voorwerp dat hij wil treffen. [332] De heer Merry, die eenigen tijd in Nieuw-Holland doorbracht, verhaalt mij, dat hij eens, zich willende overtuigen van de behendigheid, waarmede men den boemerang kon gebruiken, een belooning van 8 pence uitloofde voor elke maal, dat de boemerang terug zou komen naar de plaats, van waar men hem zou hebben geworpen. Hij teekende in het zand een cirkel van 5 à 6 voet middellijn en, hoewel het wapen met veel kracht werd geworpen, gelukte het den inboorling om het vijf keeren van de twaalf in den cirkel te doen terugkomen.”
(4) Het is een tamelijk algemeene dwaling, dat de inboorlingen van Amerika, tijdens de ontdekking, geen landbouw beoefenden en geen dieren hadden getemd. De landbouw bloeide echter in hooge mate bij de Peruanen, gelijk door mij in het aanhangsel op het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, II 509, uitvoerig is aangetoond, terwijl zij ook vee (de lama’s en alpaca’s) en pluimgedierte (de muskuseend) bezaten. Omtrent de cultuurplanten der Azteken zie men ib. I, 392. De Azteken bezaten ook „tamme kalkoenen en groote honden, in staat om met een stier te strijden, en die een lading van twee arroba’s (25 kilo) op een pakzadel droegen als zij op de jacht gingen.” Gomara, die kapelaan van Cortez was, spreekt op verschillende plaatsen van zijn werk [333] er van, dat de ten noorden van Mexico wonende volksstammen groote kudden tamme bisons bezaten, die hun kleeding, spijs en drank opleverden. Men kweekte in hun land den wijnstok, moerbeziënboom en rozenboom aan.(?) Andere Indianen in het noorden der tegenwoordige Vereenigde Staten en in Canada bedienden zich van tamme herten om hun sleden voort te trekken. (Brasseur de Bourbourg, „Recherches sur les Ruines de Palenqué”, blz. XVIII, noot 8, 10). Omtrent den landbouw der Indianen van Noord-Amerika, zie men „Var. Huisd. en Cultuurpl.”, I, 363, 387. De Nonville schat de hoeveelheid maïs, door hem in vier dorpen der Seneca’s (in het zuiden der tegenwoordige Ver. Staten) vernield, op 2,400,000 hectoliters (Lubbock, „l’Homme avant l’Histoire”, Fransche vert. van Barbier, blz. 231). In Wisconsin vindt men te midden der dichtste schijnbaar oorspronkelijke wouden overal de sporen eener overoude maïscultuur (ibid. blz. 232). [334]
Wanneer echter de Mexicaansche beschaving werkelijk uit geen vreemde bron kan worden afgeleid, hoe zijn dan de afbeeldingen van olifantachtige dieren te verklaren die men op de ruïnen van de overoude Mexicaansche stad Palinqué aantreft (vergelijk mijn stuk: „De Voorhistorische Mensch in Amerika”, Album der Natuur, 1870)? Stellen zij wellicht uitgestorven soorten voor?
(5) In Griekenland heeft men in 1870 een menschelijke woning uit den steentijd onder een 20 meters dikke vulkanische tuflaag gevonden. („Ergänzungsblätter zur Kenntnisz der Gegenwart”, Hildburghausen, Verlag des Bibliographischen Instituts; erstes Februarheft, 1870) In Indië zijn voor eenige jaren nabij Madras door de heeren King en Foote op een diepte van vijf meters een aantal zeer ruw bewerkte werktuigen gevonden, vervaardigd van een dichte half glasachtige kwartsiet, en zeer veel gelijkende op dergelijke werktuigen van vuursteen die men in Europa op zoovele plaatsen heeft gevonden („Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, XIV, blz. 155). Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen zijn drie steenen beitels, op Java gevonden.
In Egypte zijn tijdens de opening van het Suez-kanaal door de invités van den Khedive een overvloed van vuursteenen werktuigen op den Ghebel-el-Assassif, nabij de ruïnen van het oude Thebe, gevonden.
Ook in China heeft volgens een mededeeling van den heer Chevreuil in de vergadering van de Académie des Sciences van 13 Aug. 1866, vroeger een steenperiode bestaan. Hij bewijst uit een plaats uit het leven van Confucius door Amyot (Parijs, 1866), dat men aldaar ongeveer 1122 jaren voor Christus reeds ijzeren pijlpunten bezat, doch dat een overlevering van het voormalig gebruik van steenen pijlpunten gewaagde. De heer Stanislas Julien gaf hem (Chevreuil) een menigte plaatsen uit Chineesche werken op die onwederlegbaar bewijzen, dat ook in China in overoude tijden wapenen en werktuigen van steen werden gebruikt. Ook in Japan vond men voorhistorische steenen werktuigen.
Omtrent een voormalige steenperiode in Amerika die in sommige afgelegen streken zelfs nog heden voortduurt, verwijs ik naar mijn stuk „de Voorhistorische Mensch in Amerika”, in het „Album der Natuur”, 1870.
Op ’t Prov. Drenthsch Museum van Oudheden te Assen vindt men een steenen beitel uit Suriname en verschillende steenen wapens (pijlspitsen enz.) uit N-Amerika.
In Nieuw-Zeeland vond de heer Th. Tate in een hol op den Waiwo een ouden schedel-typus, ouder dan die der Maori’s, in gezelschap van beenderen van den uitgestorven Moa (Dinornis giganteus) en van steenen werktuigen („Anthrop. Review”, April 1867, blz. 244). Wij moeten hierbij echter opmerken, dat ook de Maori’s zelven, tijdens de ontdekking van Nieuw-Zeeland, steenen werktuigen gebruikten, evenals ook op Nieuw-Holland en elders in Australië het geval was. Een zeeofficier liet mij een zeer fraaien steenen beitel zien, door hem uit Nieuw-Guinea medegebracht, en voegde er bij, dat daar verhaald werd, dat zulke steenen ontstonden als de bliksem in den grond sloeg, wat aan Europeesche folk-lore omtrent dergelijke beitels (donderbeitels) herinnert.
De beitel gelijkt volkomen op de Europeesche uit de neolithische periode.
Men vergelijke ook omtrent de voorhistorische bewoners van Europa enz. mijn werkje „De voorhistorische mensch in Europa”, ’s Gravenhage, Gebr. Belinfante, 1890; H. le Hon, „De mensch in de voorwereld”, bewerkt door H. M. C. van Oosterzee, Amsterdam, 1869, Gebr. Koster; Sir John Lubbock, „De oorsprong der beschaving”, voor ons volk uit het Engelsch vertaald. Met eene aanbeveling van Jhr. B. H. C. K. van der Wijck, Hoogleeraar te Groningen, ’s Hertogenbosch, van Heusden, 1876, en „De mensch voor de geschiedenis”, door Dr. T. C. Winkler, Leiden, P. van Santen, 1877 (thans Gebr. Cohen).
ZESDE HOOFDSTUK.
OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
Plaats van den mensch in het dierenrijk.—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe waarde.—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den mensch en de apen.—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden.—Lagere trappen in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede uit het maaksel van zijn lichaam.—Voormalige tweeslachtigheid (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit.
Zelfs al gaf men toe, dat het verschil in lichamelijk maaksel tusschen den mensch en zijn naaste verwanten zoo aanmerkelijk is, als sommige natuuronderzoekers beweren, en hoewel niet valt te ontkennen, dat het verschil in geestvermogens tusschen hen verbazend groot is, bewijzen toch de in de voorgaande hoofdstukken medegedeelde feiten, naar het mij toeschijnt, op de duidelijkste wijze, dat de mensch afstamt van den eenen of anderen lageren vorm, hoewel tot nog toe geen verbindingsleden zijn ontdekt.
De mensch is onderhevig aan talrijke, kleine en zeer uiteenloopende variaties, die het gevolg zijn van de zelfde algemeene oorzaken en worden beheerscht door en overgeërfd volgens de zelfde algemeene wetten, als bij de lagere dieren. De mensch streeft naar een zoo snelle vermenigvuldiging, dat zijn kroost noodzakelijk is blootgesteld aan een strijd om het leven en derhalve aan natuurlijke teeltkeus. Hij heeft het aanzijn gegeven aan vele rassen, waarvan sommige zoozeer van elkander verschillen, dat er natuuronderzoekers zijn, die ze als afzonderlijke soorten beschouwen. Zijn lichaam is gebouwd volgens het zelfde homologe plan als dat van andere zoogdieren. Hij doorloopt als embryo de zelfde ontwikkelingsphasen. Hij heeft vele rudimentaire en nuttelooze deelen behouden, die hem ongetwijfeld eens van dienst waren. Nu en dan verschijnen kenmerken opnieuw, die wij alle reden hebben om te gelooven, dat eens door zijn vroege voorouders werden bezeten. Indien de oorsprong van den mensch verschillend was geweest van dien van alle andere dieren, zouden deze verschillende verschijnselen slechts misleidingen zonder beteekenis zijn, en dit is niet aan te nemen, noch te gelooven. Daarentegen worden deze verschijnselen begrijpelijk, ten minste voor een groot deel, als de mensch met andere zoogdieren de medeafstammeling is van dezen of genen onbekenden en lageren vorm.
Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk, het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een afzonderlijk Rijk gebracht. [335] (1) Geestvermogens kunnen door een natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich, terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na maandenlange afwezigheid. Zij bouwen groote gebouwen, houden die schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en herstellen die later weder. [336] Zij trekken in geregelde benden ten strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn. Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed; tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen. Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.
Professor Owen heeft, zich voornamelijk grondende op het maaksel der hersenen, de reeks der zoogdieren in vier Onderklassen verdeeld. (3) Een daarvan wijdt hij aan den mensch, in een ander plaatst hij zoowel de Buideldieren als de Snaveldieren (Monotremata) (4); zoodat hij evenveel onderscheid maakt tusschen den mensch en alle andere zoogdieren, als tusschen deze en de beide laatstgenoemde groepen. Deze beschouwingswijze wordt, zoover mij bekend is, door geen enkel natuuronderzoeker die in staat is een zelfstandig oordeel te vellen, gedeeld, en behoeft daarom hier niet verder te worden beschouwd.
Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie, gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten, bleek dit een geheel en al kunstmatige klassificatie te zijn. [337] Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen; maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis). Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten (adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming of van ware verwantschap.
Wij kunnen verder begrijpen, waarom een belangrijke wijziging in een of ander afzonderlijk kenmerk ons niet behoort te bewegen om twee organismen ver van elkander te scheiden. Een deel dat reeds veel verschilt van het zelfde deel bij een andere verwante soort, heeft volgens de ontwikkelingstheorie reeds een groote wijziging ondergaan; bij gevolg moet het (zoolang het organisme aan de zelfde daarop inwerkende oorzaken blootgesteld blijft) vatbaar zijn voor verdere veranderingen van deze soort, en deze zouden, zoo zij voordeelig waren, behouden blijven en dus voortdurend worden vermeerderd. In vele gevallen zou de voortdurende ontwikkeling van een deel, bij voorbeeld van den snavel van een vogel of van de tanden van een zoogdier, voor de soort niet voordeelig zijn om zijn voedsel te verkrijgen of voor eenig ander doel; maar bij den mensch kunnen wij geen bepaalde grens zien, wat het voordeel aangaat, voor de voortdurende ontwikkeling van de hersenen en de geestvermogens. Bij de bepaling van ’s menschen plaats in het natuurlijke of genealogische stelsel, behoort de verbazende ontwikkeling zijner hersenen niet zwaarder te wegen dan een menigte overeenkomsten in andere minder belangrijke of volstrekt onbelangrijke punten.
De meeste natuuronderzoekers die het geheele maaksel van den mensch met inbegrip zijner geestvermogens in aanmerking hebben genomen, hebben Blumenbach en Cuvier gevolgd, en den mensch in een afzonderlijke Orde geplaatst onder den titel van Tweehandigen (Bimana), en hem dus gelijkgesteld met de Orden der Vierhandigen (Quadrumana), der Verscheurende Dieren (Carnivora), enz. Voor korten tijd zijn velen onzer beste natuuronderzoekers teruggekeerd tot de beschouwingswijze die het eerst door Linnaeus, die zulk een opmerkelijke scherpzinnigheid bezat, is voorgestaan, en hebben den mensch met de apen in ééne Orde geplaatst onder den naam van Primaten. De juistheid van dit besluit zal worden toegegeven, als wij ons in de eerste plaats de zoo even gemaakte opmerkingen herinneren omtrent de vergelijkenderwijze geringe belangrijkheid voor de klassificatie van de groote ontwikkeling der hersenen bij den mensch, en ook bedenken, dat de sterk uitgesproken verschillen tusschen de schedels van den mensch en de apen (waaraan nog onlangs Bischoff, Aeby en anderen zooveel gewicht hechtten) blijkbaar slechts een gevolg is van de verschillende ontwikkeling hunner hersenen. In de eerste plaats moeten wij niet vergeten, dat de andere en belangrijker verschillen tusschen den mensch en de apen blijkbaar adaptief van aard zijn en hoofdzakelijk een gevolg van de rechtopgaande houding van den mensch; dit is bij voorbeeld het geval met het maaksel van de hand, den voet en het bekken, de kromming van zijn ruggegraat en de stelling van zijn hoofd. De familie der zeehonden levert een goed voorbeeld van de geringe belangrijkheid der adaptieve kenmerken voor de klassificatie. Deze dieren verschillen van alle andere Verscheurende Dieren (Carnivora) in den vorm van hun lichaam en het maaksel hunner ledematen: en toch worden in alle stelsels, van dat van Cuvier af tot het nieuwste, dat van den heer Flower, toe [338], de zeehonden als een eenvoudige Familie tot de Orde der Carnivora gebracht. Als de mensch niet zijn eigen klassificator was, zou het hem nooit zijn ingevallen een afzonderlijke Orde, om hem zelf op te nemen, te gronden.
Het zou de grenzen van dit werk te buiten en geheel en al mijn kennis te boven gaan, om de tallooze punten waardoor de mensch in zijn maaksel met de andere Primaten overeenkomt, zelfs maar alleen op te noemen. Onze groote ontleedkundige en wijsgeer, Prof. Huxley, heeft dit onderwerp uitvoerig behandeld [339], en is tot het besluit gekomen, dat de mensch in alle punten van zijn maaksel minder van de hoogere apen verschilt dan deze laatste van de lagere leden der zelfde groep. Derhalve „heeft men geen recht om den mensch in een afzonderlijke Orde te plaatsen.”
In een vroegere afdeeling van dit werk heb ik verschillende feiten aangevoerd om te toonen hoe nauw de mensch in gestel met de hoogere zoogdieren overeenkomt; en deze overeenkomst is ongetwijfeld een gevolg van de groote gelijkheid in fijneren bouw en scheikundige samenstelling. Ik gaf als voorbeelden, dat wij aan de zelfde ziekten en aan de aanvallen van verwante parasieten bloot stonden, dat wij den zelfden smaak hadden voor de zelfde opwekkende middelen, dat deze middelen, en ook verschillende geneesmiddelen gelijksoortige uitwerkselen voortbrachten, en meer dergelijke feiten.
Daar kleine onbelangrijke punten van overeenkomst tusschen den mensch en de hoogere apen in systematische werken gewoonlijk niet worden opgeteekend, en daar zij, als zij talrijk zijn, duidelijk onze bloedverwantschap openbaren, zal ik eenige weinige dergelijke punten opgeven. De betrekkelijke plaats der gelaatstrekken is blijkbaar de zelfde bij den mensch en de apen, en de verschillende gemoedsaandoeningen worden uitgedrukt door bijna gelijksoortige bewegingen van de spieren en de huid, vooral boven de wenkbrauwen en rondom den mond. Eenige weinige uitdrukkingen zijn inderdaad bijna geheel de zelfde, zooals bij het weenen van sommige soorten van apen en bij het lachend geluid dat andere voortbrengen, gedurende hetwelk de hoeken van den mond teruggetrokken en de onderste oogleden gerimpeld worden. Bij den mensch steekt de neus veel meer vooruit dan bij de meeste apen; maar wij kunnen het begin van een arendsneusachtige bocht waarnemen bij den Hoelock Gibbon, en bij den neusaap (Semnopithecus nasicus) wordt deze tot een belachelijk uiterste gedreven.
Het gelaat van vele apen is versierd met een baard, met bakkebaarden of knevels. Het hoofdhaar wordt bij sommige soorten van slankapen (Semnopithecus) zeer lang [340], en bij den muts-aap (Macacus radiatus) loopt het straalsgewijze van een punt op de kruin van het hoofd uit, met een scheiding in het midden, evenals bij den mensch. Men zegt gewoonlijk, dat het voorhoofd den mensch zijn edel en verstandig uiterlijk geeft, maar het dikke haar op den kop van den muts-aap eindigt aan de benedenzijde plotseling, en wordt door zulk kort en fijn haar of dons opgevolgd, dat op geringen afstand gezien, het voorhoofd, met uitzondering der wenkbrauwen, geheel naakt schijnt. Men heeft ten onrechte wel eens beweerd, dat geen enkele aap wenkbrauwen bezit. Bij de zooeven genoemde soort verschilt de graad van naaktheid bij verschillende individu’s, en Eschricht [341] verzekert, dat bij onze kinderen de afscheiding tusschen de behaarde schedelhuid en het naakte voorhoofd soms niet scherp begrensd is; zoodat wij hier een klein voorbeeld hebben van terugkeer tot het type van een voorvader (atavisme) bij wien het voorhoofd nog niet, zooals thans, geheel naakt was geworden.
Het is zeer bekend, dat het haar op onze armen van boven en beneden eenigszins convergeert naar een punt van den elleboog. Deze merkwaardige rangschikking, zoo ongelijk aan die bij de meeste lagere zoogdieren, vindt men terug bij den gorilla, chimpanzee, orang, sommige soorten van gibbons (Hylobates) en zelfs bij sommige Amerikaansche apen. Bij Hylobates agilis is echter het haar op de gewone wijze naar beneden of naar den pols toe gericht; en bij H. lar staat het bijna recht overeind, met een slechts geringe helling naar voren; zoodat deze laatste in een overgangstoestand verkeert. Het kan moeielijk worden betwijfeld, dat bij de meeste zoogdieren de dichtheid van het haar en de richting daarvan op den rug dient om den regen te doen afdruipen; zelfs de dwarse haren aan de voorpooten van een hond kunnen daartoe dienen, als hij bij het slapen ineengerold is. De heer Wallace merkt op, dat het convergeeren van het haar naar den elleboog op de armen van den orang (wiens levenswijze hij zoo nauwkeurig heeft bestudeerd) dient om den regen te doen afdruipen, als de armen, zooals de gewoonte van dit dier is, gebogen en de handen om een tak of om zijn eigen kop zijn geklemd. Volgens Livingstone zit ook de gorilla „als het sterk regent, met zijn handen over zijn kop.” [342] Wij moeten echter bedenken, dat de houding van dit dier wellicht gedeeltelijk wordt bepaald door de richting van het haar, en niet de richting van het haar door de houding. Indien de bovenvermelde uitlegging in het geval van den orang juist is, dan herinnert ons het haar op onze voorarmen op merkwaardige wijze aan onzen vroegeren toestand; want niemand zal onderstellen, dat het nu eenig nut doet voor het afdruipen van den regen, en in onze tegenwoordige rechtopgaande houding is de richting er van daartoe ook niet geschikt. (5)
Het zou echter overijld zijn te veel gewicht te hechten aan het beginsel van adaptatie ten opzichte van de richting van het haar bij den mensch en zijn vroege voorouders; want het is onmogelijk de afbeeldingen die Eschricht geeft van de rangschikking van het haar bij den menschelijken foetus (welke de zelfde is als bij den volwassene) te bestudeeren, zonder dien uitnemenden waarnemer toe te geven, dat andere en meer ingewikkelde oorzaken in het spel zijn geweest. De punten, naar welke de haren convergeeren, schijnen eenigermate in betrekking te staan tot die punten van het embryo die zich gedurende de ontwikkeling het laatst hebben gesloten. Er schijnt ook eenige betrekking te bestaan tusschen de rangschikking der haren op de ledematen en den loop der mergslagaderen. [343]
Men moet niet onderstellen, dat de punten van overeenkomst tusschen den mensch en sommige apen in de bovengenoemde en vele andere opzichten—zooals in het bezit van een naakt voorhoofd, lange haarlokken op het hoofd, enz.—allen het gevolg zijn van onafgebroken overerving van een gemeenschappelijken voorvader welke die kenmerken bezat, of van een later atavisme. Het is waarschijnlijker, dat de oorzaak van vele dezer punten van overeenkomst moet worden gezocht in analoge variatie, die, zooals ik elders heb trachten aan te toonen [344], het gevolg is van de inwerking van gelijksoortige, tot wijzigingen aanleiding gevende oorzaken, op organismen die van een zelfden stamvorm afstammen en een gelijksoortige lichaamsgesteldheid bezitten. Wat de overeenstemmende richting van het haar op de voorarmen van den mensch en van zekere apen aangaat, zoo moet dit kenmerk, daar het aan bijna al de anthropomorphen gemeen is, waarschijnlijk aan overerving worden toegeschreven; schoon zulks niet zeker is, want ook eenige zeer van hen verschillende Amerikaansche apen bezitten het eveneens. De zelfde opmerking is toepasselijk op den staarteloozen toestand van den mensch; want de staart ontbreekt bij al de anthropomorphen. Toch kan dit kenmerk niet met zekerheid aan overerving worden toegeschreven, daar de staart, hoewel niet ontbrekende, echter rudimentair is bij verscheidene andere apen uit de Oude Wereld en bij sommige uit de Nieuwe Wereld, en geheel ontbreekt bij verscheidene soorten van de verwante groep der Lemuriden.
Hoewel de mensch, zooals wij nu hebben gezien, geen recht heeft om een afzonderlijke Orde voor zich zelf te vormen, mag hij wellicht aanspraak maken op den rang van een afzonderlijke Onder-orde of Familie. Prof. Huxley verdeelt in zijn laatste werk [345] de Primaten in drie Onder-orden; namelijk, de Anthropidae alleen uit den mensch bestaande, de Simiadae die alle soorten van ware apen bevat, en de Lemuridae, waarin de verschillende geslachten van half apen worden opgenomen. Voor zooverre het verschillen in zekere belangrijke punten van maaksel betreft, mag de mensch ongetwijfeld met recht aanspraak maken op den rang van een Onder-orde, en deze rang is te laag, als wij hoofdzakelijk op zijn geestvermogens letten. Uit een genealogisch oogpunt schijnt het echter, dat deze rang te hoog is, en dat de mensch eenvoudig een Familie of mogelijk zelfs slechts een Onder-familie behoort te vormen. Indien wij ons drie lijnen van afstamming voorstellen die van een gemeenschappelijke bron uitgaan, dan is het zeer goed te begrijpen, dat twee daarvan in den loop der eeuwen zoo weinig kunnen zijn veranderd, dat zij nog soorten van een zelfde geslacht blijven, hoewel de derde zoo sterk is gewijzigd, dat zij als een afzonderlijke Onder-familie, Familie of zelfs Orde moet worden beschouwd. In dit geval is het echter bijna zeker, dat de derde lijn door overerving nog talrijke kleine punten van overeenkomst met de beide andere lijnen zal behouden. Hier zou men dan stuiten op de tegenwoordig nog onoplosbare moeilijkheid, of wij in onze klassificaties meer gewicht behooren te hechten aan sterk sprekende verschillen in eenige weinige punten,—dat is aan de hoegrootheid der ondergane wijziging,—dan wel aan groote overeenkomst in talrijke onbelangrijke punten, die de lijnen van afstamming of den stamboom aanwijzen. Het eerste is het duidelijkste en wellicht het veiligste, hoewel het laatste het meest juiste schijnt te zijn, daar het een werkelijk natuurlijke klassificatie geeft.
Om hierover een oordeel te kunnen vellen, moeten wij een kort overzicht geven van de klassificatie der Simiadae of Ware Apen. Deze familie wordt door bijna alle natuuronderzoekers verdeeld in de groep der Simiae Catarrhinae of Apen der Oude Wereld, die, zooals hun Latijnsche naam uitdrukt, allen zijn gekenmerkt door het bijzondere maaksel hunner neusgaten en door het bezit van vier valsche maaltanden in elke kaak, en in de groep der Simiae Platyrrhinae of Apen der Nieuwe Wereld (die uit twee zeer verschillende ondergroepen bestaat) die zich allen kenmerken door anders gevormde neusgaten en het bezit van zes valsche maaltanden in elke kaak. (6) Nog enkele andere kleine verschillen zouden hier kunnen worden vermeld. Nu behoort de mensch, wat zijn tandstelsel, het maaksel zijner neusgaten en eenige andere kenmerken aangaat, ongetwijfeld tot de Catarrhinae of Apen der Oude Wereld; en in geen enkel opzicht gelijkt hij meer op de Platyrrhinae, dan op de Catarrhinae, behalve in eenige weinige kenmerken van niet veel belang en van adaptieven aard. Het zou daarenboven tegen alle waarschijnlijkheid strijden, om te onderstellen, dat de eene of andere voormalige soort, tot de Apen der Nieuwe Wereld behoorende, zich gewijzigd en zoo een op den mensch gelijkend wezen met al de onderscheidende kenmerken van de Apen der Oude Wereld zou hebben voortgebracht, terwijl het tegelijkertijd al zijn eigen onderscheidende kenmerken had verloren. Het kan bijgevolg moeielijk worden betwijfeld, dat de mensch is gesproten uit den stam van de Apen der Oude Wereld, en dat hij uit een genealogisch oogpunt tot de groep der Catarrhinae moet worden gebracht. [346]
De anthropomorphe apen, namelijk de gorilla, de chimpanzee, de orang en de gibbons worden door de meeste natuuronderzoekers als een afzonderlijke onder-groep van de overige apen der Oude Wereld afgescheiden. Ik weet, dat Gratiolet, zich grondende op het maaksel der hersenen, het bestaan van deze onder-groep niet aanneemt; en ongetwijfeld vormt zij geen goed geheel; zoo is de orang, gelijk de heer St. George Mivart opmerkt [347], „een der meest bijzondere en afwijkende vormen, die in de geheele Orde worden gevonden.” De overige, niet-anthropomorphe Apen der Oude Wereld worden door sommige natuuronderzoekers weder verdeeld in twee of drie kleinere onder-groepen, waarbij dan de Slankapen (Semnopithecus) met hun eigenaardige in zakken verdeelde maag (7) het type van één dier onder-groepen zijn. Het schijnt echter, volgens Gaudry’s wondervolle ontdekkingen in Attika, dat er gedurende de Miocene periode een vorm leefde die de Slankapen (Semnopithecus) met het geslacht Macacus verbond (8), en dit is waarschijnlijk een voorbeeld van de wijze, waarop de andere en hoogere groepen eens ineensmolten.
Indien men aanneemt, dat de anthropomorphe apen een natuurlijke onder-groep vormen, dan mogen wij, daar de mensch met hen overeenkomt, niet alleen in die kenmerken welke hij met de geheele groep der Catarrhinae gemeen heeft, maar ook in andere bijzondere kenmerken, zooals in het gemis van een staart en van eeltplekken aan de billen en in algemeen uiterlijk, daaruit afleiden, dat een of ander voormalig lid van de onder-groep der anthropomorphen de stamvader was van het menschelijk geslacht. Het is niet waarschijnlijk, dat een lid van een der andere lagere onder-groepen door de wet der analoge variatie een op den mensch gelijkend schepsel zou hebben voortgebracht, dat in zoovele opzichten op de hoogere anthropomorphe apen geleek. Ongetwijfeld heeft de mensch, in vergelijking met zijn meeste verwanten buitengewoon groote wijzigingen ondergaan, hoofdzakelijk ten gevolge van de sterke ontwikkeling zijner hersenen en rechtopgaande houding; wij moeten echter nimmer vergeten, dat hij „slechts een der verschillende afwijkende vormen van de Primaten is.” [348]
Ieder natuuronderzoeker die gelooft in het beginsel van ontwikkeling, zal toestemmen, dat de twee hoofdgroepen der Simiadae, namelijk de Catarrhinen en Platyrrhinen, met hun ondergroepen, alle uit een enkelen zeer ouden stamvader zijn voortgesproten. De vroege afstammelingen van dien stamvader moeten, vóór zij op eenigszins belangrijke wijze van elkander waren afgeweken, nog een enkele natuurlijke groep hebben gevormd; maar sommige van de soorten of beginnende geslachten moeten door hun uiteenloopende kenmerken reeds eenigszins de toekomstige onderscheidingsteekenen van de groepen der Catarrhinen en Platyrrhinen hebben vertoond. De leden van deze onderstelde oude groep moeten dus niet zoo gelijkvormig zijn geweest in hun tandstelsel en in het maaksel hunner neusgaten, als het de tegenwoordige Catarrhinen eenerzijds en de Platyrrhinen anderzijds zijn, maar zij moeten in dit opzicht hebben geleken op de verwante Lemuriden, die zeer van elkander afwijken in den vorm van hun snoet [349], en op buitengewone wijze in hun tandstelsel.
De Catarrhinen en Platyrrhinen komen in een menigte van kenmerken overeen, zooals daaruit blijkt, dat zij onbetwistbaar tot ééne en de zelfde Orde behooren. De vele gemeenschappelijke kenmerken die zij bezitten, kunnen moeielijk door zoovele verschillende soorten onafhankelijk van elkander zijn verkregen, zoodat deze kenmerken moeten zijn overgeërfd. Een voormalige vorm, die vele kenmerken met de Catarrhinen en Platyrrhinen gemeen had, andere in een tusschen hen in liggenden toestand, en wellicht ook eenige weinige bezat, welke van die welke thans aan die beide groepen eigen zijn, verschilden, zou, als hij door een natuuronderzoeker werd gezien, door dezen zonder den minsten twijfel tot de apen worden gebracht. Daar nu de mensch uit een genealogisch oogpunt tot den stam der Catarrhinen of Apen der Oude Wereld behoort, moeten wij tot het besluit komen, hoezeer deze gevolgtrekking ook onzen trots moge kwetsen, dat onze vroege voorouders met recht aldus zouden zijn genoemd. [350] Wij moeten echter niet in de dwaling vervallen van te onderstellen, dat de voormalige voorvader van den geheelen stam der apen, met insluiting van den mensch, identisch was met, of zelfs zeer sterk geleek op eenige bekende aapsoort. (9)
Over het oorspronkelijk Vaderland en de Oudheid van den Mensch.—Wij worden er nu van zelf toe gebracht te onderzoeken, waar het oorspronkelijk vaderland van den mensch was op dat tijdperk van de afstamming, toen onze voorouders uit den stam der Catarrhinen ontsproten. Het feit dat zij tot dien stam behoorden, bewijst klaarblijkelijk, dat zij de Oude Wereld bewoonden, maar niet Australië, noch eenig Oceanisch eiland, zooals wij mogen afleiden uit de wetten van de geographische verspreiding der dieren. In elke groote streek van de wereld zijn de daar levende zoogdieren nauw verwant met de uitgestorven soorten van die zelfde streek. Het is daarom waarschijnlijk, dat Afrika vroeger werd bewoond door uitgestorven aapsoorten, die nauw verwant waren met den gorilla en den chimpanzee; en daar deze beide soorten nu de naaste verwanten van den mensch zijn, is het een weinig waarschijnlijker, dat onze vroegere voorouders het vasteland van Afrika bewoonden, dan eenige andere streek. (10) Het is echter nutteloos hierover bespiegelingen te maken, want een aap bijna zoo groot als de mensch, namelijk de Dryopithecus van Lartet, die nauw verwant was met de anthropomorphe Gibbons, leefde in Europa gedurende de Opper-Miocene periode; en sinds een zoo lang geleden tijdvak heeft de aarde zekerlijk vele groote omwentelingen ondergaan, en is er ruimschoots tijd geweest voor verhuizingen op de grootste schaal.
In het tijdperk en op de plaats; wanneer en waar zulks ook moge zijn geweest, toen de mensch zijn haarkleed verloor, bewoonde hij waarschijnlijk een warm land, en dit zou het hem gemakkelijk hebben gemaakt zich met vruchten te voeden, waarvan hij, naar de analogie te oordeelen, leefde. Wij weten volstrekt niet, hoe lang het geleden is, dat de mensch het eerst uit den stam der Catarrhinen ontsproot; maar dit is wellicht geschied in een zoo lang vervlogen tijd als de Eocene periode (11); want de hoogere apen hadden zich reeds in de Opper-Miocene periode van de lagere gescheiden, zooals blijkt uit het bestaan van den Dryopithecus. Wij kunnen dus ook volstrekt niet zeggen, hoe snel organismen, hetzij zij hoog of laag op de ladder staan, zich onder gunstige omstandigheden kunnen wijzigen; wij weten echter, dat sommige gedurende een langen tijd den zelfden vorm hebben behouden. Uit hetgeen wij bij getemde dieren zien gebeuren, leeren wij, dat sommige afstammelingen van een zelfde soort volstrekt niet kunnen zijn veranderd, terwijl andere een weinig, en wederom andere in groote mate zijn veranderd. Zoo kan het ook met den mensch zijn gegaan, die in zekere kenmerken zeer groote wijzigingen heeft ondergaan in vergelijking van de hoogere apen.
De groote gaping in de organische reeks tusschen den mensch en zijn naaste verwanten, die door geen uitgestorven of levende soort kan worden aangevuld, is dikwerf aangemerkt als een ernstig bezwaar tegen het geloof dat de mensch van den eenen of anderen lageren vorm afstamt, maar dit bezwaar zal niet zeer gewichtig toeschijnen aan hen die, door algemeene redenen overtuigd, in het algemeene beginsel van ontwikkeling gelooven. Men ontmoet elk oogenblik gapingen in alle deelen van de reeks, sommige wijd en scherp begrensd, andere in verschillende mate minder sterk uitgesproken; zooals tusschen den orang en zijn naaste verwanten; tusschen Tarsius en de overige Lemuriden; tusschen den olifant, en in nog sterkere mate tusschen de Snaveldieren (Ornithorhynchus of Echidna) en de overige Zoogdieren. Al deze gapingen hangen echter alleen af van het aantal verwante vormen dat is uitgestorven. In een toekomstig tijdperk, niet zoo verwijderd, als men het bij eeuwen meet, zullen de beschaafde menschen bijna zeker de wilde rassen over de geheele wereld uitgeroeid en hun plaats ingenomen hebben. In het zelfde tijdperk zullen de anthropomorphe apen, zooals Professor Schaaffhausen heeft opgemerkt [351], ongetwijfeld ook zijn uitgeroeid. De gaping zal dan nog wijder zijn geworden; want zij zal bestaan tusschen den mensch in een beschaafder staat, naar wij mogen hopen, dan de Kaukasiër, en den eenen of anderen aap, zoo laag ontwikkeld als de baviaan, in plaats van, zooals tegenwoordig, tusschen den neger of Nieuw-Hollander en den gorilla.
Wat de afwezigheid van fossiele overblijfselen aangaat, die als verbindingsleden tusschen den mensch en zijn op apen gelijkende voorouders zouden kunnen dienen, zal niemand veel gewicht daaraan hechten, die de verhandeling van Sir C. Lyell [352] heeft gelezen, waarin deze aantoont, dat bij al de klassen van Gewervelde Dieren de ontdekking van fossiele overblijfselen uiterst langzaam en toevallig heeft plaats gehad. Ook moeten wij niet vergeten, dat die streken, waar men de meeste kans heeft fossiele verbindingsleden tusschen den mensch en een of ander uitgestorven aapachtig schepsel te vinden, tot nog toe niet door geologen zijn doorzocht.
Lagere ontwikkelingstrappen in de geschiedenis van den mensch. Wij hebben gezien, dat de mensch zich uit de Catarrhinen of de afdeeling der Simiadae die de Oude Wereld bewoont, schijnt te hebben ontwikkeld, nadat deze laatste zich van de afdeeling der Apen der Nieuwe Wereld had gescheiden. Wij zullen nu de meer verwijderde sporen van zijn stamboom trachten te volgen, en daarbij in de eerste plaats afgaan op de wederzijdsche verwantschappen tusschen de verschillende klassen en orden, waarbij wij eenige geringe hulp zullen ontvangen van de perioden, zoover die met zekerheid bekend zijn, waarin zij achtereenvolgens op aarde verschenen. De halfapen (Lemuriden) staan beneden de ware apen (Simiadae), doch zij zijn nauw met hen verwant; zij vormen een zeer onderscheiden familie der Primaten, of, volgens Haeckel, een afzonderlijke orde. Deze groep omvat zeer verschillende, ja, soms sterk van elkander afwijkende vormen, tusschen welke gapingen bestaan. Het is daarom waarschijnlijk, dat vele daartoe behoorende soorten zijn uitgestorven. De overblijvende leven meest op eilanden, namelijk op Madagascar en in Insulinde, waar zij niet blootgesteld waren aan een zoo sterke mededinging in den levensstrijd, als zij zulks op goed aaneenhangende vastelanden zouden zijn geweest. Deze groep omvat vormen die op zeer verschillende trappen van ontwikkeling staan, en leidt ons dus, zooals Huxley opmerkt [353], „ongevoelig van de kroon en het toppunt der dierlijke schepping naar beneden tot wezens welke, naar het schijnt, nog slechts ééne schrede zijn verwijderd van de laagste, kleinste en verstandelijk het minst ontwikkelde der Placentale Zoogdieren.” Deze verschillende redenen maken het waarschijnlijk, dat de Simiadae zich oorspronkelijk hebben ontwikkeld uit de voorouders der thans levende Lemuriden (12); en deze op hun beurt uit vormen die zeer laag stonden in de reeks der zoogdieren.
De Buideldieren (Marsupialia) staan door vele belangrijke kenmerken beneden de Placentale Zoogdieren. Zij verschenen in een vroegere geologische periode en hun verbreiding was eertijds veel grooter dan tegenwoordig. Daarom onderstelt men algemeen, dat de Placentale Zoogdieren zijn ontsproten uit de Implacentale of Buideldieren; echter niet uit vormen die zeer veel geleken op de thans levende Buideldieren, maar uit de vroege voorouders van deze. De Snaveldieren (13) (Monotremata) zijn nauw verwant met de Buideldieren en vormen een derde en nog lagere afdeeling in de groote reeks der Zoogdieren. Zij worden in onzen tijd alleen vertegenwoordigd door het vogelbekdier (Ornithorhynchus) en het Stekeldier (Echidna), en deze beide vormen mag men veilig beschouwen als overblijfselen van een veel grootere groep, die in Australië door een gelukkigen samenloop van omstandigheden zijn bewaard gebleven. De Snaveldieren zijn hoogst belangwekkend, daar zij ons door vele belangrijke punten van hun maaksel tot de klasse der Reptielen voeren.
Bij onze pogingen om den stamboom der zoogdieren, en derhalve ook dien van den mensch, nog lager in de reeks te vervolgen, worden wij door hoe langer hoe grooter wordende duisternis omgeven. Hij die wenscht te zien wat scherpzinnigheid en kennis tot stand kunnen brengen, raadplege Prof. Haeckel’s werken. [354] Ik zal mij tevreden stellen met eenige weinige algemeene opmerkingen. Ieder aanhanger der ontwikkelingstheorie zal aannemen, dat de vijf groote klassen van Gewervelde Dieren, namelijk de Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen, allen gezamenlijk van een enkelen grondvorm afstammen want zij hebben vele gemeenschappelijke kenmerken, vooral gedurende den embryonalen staat. Daar de klasse der Visschen de laagst georganiseerde is en vroeger dan de andere op aarde verscheen, mogen wij besluiten, dat al de leden van het onder-rijk der Gewervelde Dieren afstammen van een of ander op een visch gelijkend dier, minder hoog georganiseerd dan eenige visch die tot dusverre in de laagste formaties die bekend zijn, is gevonden. Het geloof dat dieren, zoo verschillend als een aap of olifant en een kolibri, een slang, een kikvorsch en een visch, enz., allen kunnen zijn voortgekomen uit de zelfde stamouders, zal monsterachtig schijnen aan hen, die geen acht hebben geslagen op de vorderingen, die de natuurlijke geschiedenis in de laatste jaren heeft gemaakt. Want dit geloof sluit in zich het voormalig bestaan van tusschenvormen, welke al die thans zoo uiterst ongelijke vormen nauw met elkander verbonden.
Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen [355] de Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen. De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die vluchthavens zijn en tot de groote wateren van den oceaan in de zelfde betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.
Eindelijk wijkt één enkel lid van de uitgebreide en zeer verschillend gevormde klasse der visschen, de Slakprik of Amphioxus, in maaksel zoozeer van alle andere visschen af, dat Haeckel volhoudt, dat het een afzonderlijke klasse van het onder-rijk der Gewervelde Dieren behoorde te vormen. Deze visch is merkwaardig wegens zijn negatieve kenmerken; men kan moeielijk zeggen, dat hij hersenen, of hart enz. bezit, zoodat hij door de oudere natuuronderzoekers onder de wormen werd gerangschikt. Vele jaren geleden merkte Prof. Goodsir op, dat de slakprik eenige punten van verwantschap vertoonde met de Zakpijpen (Ascidiae), ongewervelde, tweeslachtige (hermaphroditische) zeedieren, die voortdurend aan een steunsel zijn bevestigd. Zij gelijken nauwelijks op dieren en bestaan uit een eenvoudigen, harden, lederachtigen zak, met twee vooruitstekende openingen. Zij behooren tot de Molluscoïda van Huxley,—een lagere afdeeling van het groote onder-rijk der Weekdieren (Mollusca);—maar zij zijn sedert korten tijd door sommige natuuronderzoekers onder de Wormen (Vermes) geplaatst. Haar larven gelijken in vorm eenigszins op de maskers van kikvorschen [356], en bezitten het vermogen om vrij rond te kunnen zwemmen. De heer Kowalewski [357] heeft onlangs ontdekt, dat de larven der Zakpijpen (Ascidiae) verwant zijn met de Gewervelde Dieren in hun wijze van ontwikkeling, in de betrekkelijke ligging van het zenuwstelsel, en door het bezit van een deel, dat zeer veel gelijkt op de chorda dorsalis der Gewervelde Dieren. Het schijnt dus, als wij mogen afgaan op de embryologie, die altijd gebleken is de veilige gids te zijn voor de klassificatie, dat wij eindelijk een leiddraad hebben naar de bron waaruit de Gewervelde Dieren zijn gesproten. [358] Wij zouden dus recht hebben om aan te nemen, dat er in een uiterst lang geleden tijdperk een groep van dieren bestond, die in vele opzichten op de larven der tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) geleek, en zich in twee groote takken splitste,—waarvan de eene in ontwikkeling achteruitging en de tegenwoordige klasse der Zakpijpen (Ascidiae) voortbracht, terwijl de andere opsteeg tot de kroon en het toppunt van het Dierenrijk, door het aanzijn te geven aan de Gewervelde Dieren. (15)
Wij hebben tot dusverre beproefd den stamboom der Gewervelde Dieren met behulp hunner wederkeerige punten van verwantschap op te maken. Wij zullen nu den mensch beschouwen, zooals hij bestaat, en, dunkt mij, in staat zijn het maaksel onzer vroege voorouders gedeeltelijk te beschrijven, zooals het in opvolgende tijdperken was, ofschoon niet in nauwkeurige tijdsorde. Dit kan geschieden door middel der rudimentaire deelen die de mensch nog heeft behouden, door de kenmerken die zich nu en dan door atavisme bij hem vertoonen, en door behulp van de beginselen der morphologie en embryologie. De verschillende feiten waarop ik hier zinspeel, zijn in de vorige hoofdstukken medegedeeld. De vroege voorouders van den mensch waren ongetwijfeld eens geheel met haar bedekt, terwijl beide seksen baarden bezaten; hun ooren waren puntig en konden worden bewogen, en hun lichamen waren voorzien van een staart, die de daartoe behoorende spieren bezat. Hun ledematen en lichamen werden ook in beweging gebracht door vele spieren, die tegenwoordig slechts nu en dan opnieuw verschijnen, maar bij de apen normaal voorkomen. De groote slagader en zenuw van het opperarmbeen liep door een foramen supra condyloïdeum. In dit of in een vroeger tijdperk bezat het darmkanaal een veel grooter diverticulum of coecum (blinden darm), dan tegenwoordig. Te oordeelen naar de plaatsing van den grooten teen bij den foetus, was de voet toen een grijporgaan; en onze voorouders hadden ongetwijfeld de gewoonte van in de boomen te leven en bewoonden een of ander warm boschrijk land. De mannetjes bezaten groote hoektanden, en gebruikten die als geduchte wapenen.
In een veel vroeger tijdperk was de baarmoeder dubbel, werden de uitwerpselen door een cloaca ontlast, en werd het oog beschermd door een derde ooglid (membrana nictitans). In een nog vroeger tijdperk waren de voorouders van den mensch waterbewoners; want de morphologie leert ons op duidelijke wijze, dat onze longen uit een gewijzigde zwemblaas bestaan, die eens diende om zich drijvende te houden. De spleten in den hals van den menschelijken embryo toonen de plaats waar zich eens de kieuwen bevonden. Ongeveer in dit zelfde tijdvak vervulden de oernieren (corpora Wolffiana) de plaats der ware nieren. Het hart bestond slechts uit een eenvoudig kloppend vat en de wervelkolom werd vervangen door een ruggestreng (chorda dorsalis). Deze vroege voorgangers van den mensch, aldus beschouwd in de duistere schuilhoeken van het verleden, moeten even laag, of zelfs nog lager georganiseerd zijn geweest, dan de Slakprik of Amphioxus.
Er is een ander punt dat een nadere vermelding verdient. Het is lang bekend geweest, dat in het onder-rijk der Gewervelde Dieren de eene sekse rudimenten bezit van verschillende bijkomende deelen, behoorende tot het voortplantingsstelsel, die eigenlijk aan de andere sekse toekomen; en het is tegenwoordig uitgemaakt, dat op een zeer vroeg tijdstip van de embryonale ontwikkeling, beide seksen ware mannelijke en vrouwelijke geslachtsklieren hebben. Een uiterst ver verwijderde stamvorm van het geheele onder-rijk der Gewervelde Dieren schijnt dus tweeslachtig (hermaphroditisch) te zijn geweest. [359] Hier stuiten wij echter op een eigenaardige moeielijkheid. In de klasse der Zoogdieren bezitten de mannetjes in hun vesiculae prostaticae rudimenten van een baarmoeder met den daaraan verbonden doorgang; zij hebben ook rudimentaire tepels en sommige mannelijke buideldieren vertoonen rudimenten van een buidel. [360] Andere dergelijke feiten zouden hierbij gevoegd kunnen worden. Moeten wij derhalve onderstellen, dat eenig uiterst oud zoogdier de organen bezat aan beide seksen eigen, dat nog hermaphrodiet bleef, nadat het de voornaamste kenmerken van zijn eigen klasse had verkregen, en dus nadat het zich had afgescheiden van de lagere klassen van het onder-rijk der Gewervelde Dieren? Dit is in de hoogste mate onwaarschijnlijk; want wij moeten afdalen tot de Visschen, de laagste van alle klassen der Gewervelde Dieren, eer wij eenige nog bestaande hermaphroditische vormen vinden. [361] Waarom mannelijke zoogdieren rudimenten van de bijkomende vrouwelijke organen, en vrouwelijke zoogdieren rudimenten van de mannelijke organen bezitten, kan wellicht worden verklaard door aan te nemen, dat toen de eene sekse trapsgewijze de aan haar eigen bijkomende organen verkreeg, sommige der achtereenvolgende trappen of wijzigingen op de andere sekse werden overgebracht. Wanneer wij de seksueele teeltkeus behandelen, zullen wij tallooze voorbeelden van dezen vorm van overbrenging ontmoeten,—zooals in het geval van de sporen, vederen en schitterende kleuren, door mannelijke vogels verkregen voor den strijd of tot versiering, maar op de wijfjes overgebracht in een rudimentairen of onvolmaakten toestand.
Het feit, dat mannelijke zoogdieren borsten bezitten die, wat hun functie aangaat, onvolkomen zijn, is in sommige opzichten bijzonder merkwaardig. De Snaveldieren (Monotremata) bezitten wel melkafscheidende klieren met openingen, maar geen tepels; en daar deze dieren geheel onder aan de reeks der Zoogdieren staan, is het waarschijnlijk, dat de stamvormen dier klasse eveneens wel melkafscheidende klieren, doch geen tepels bezaten. Deze gevolgtrekking wordt gesteund door hetgeen van de ontwikkelingswijze bekend is; want Professor Turner verzekert mij, op autoriteit van Kölliker en Langer, dat bij den embryo de melkafscheidende klieren duidelijk zijn afgeteekend, vóór er nog een spoor van tepels zichtbaar is; en wij moeten ons steeds herinneren, dat de opeenvolgende ontwikkeling der deelen bij het individu over het algemeen schijnt te vertegenwoordigen en in overeenstemming te zijn met de opeenvolgende ontwikkeling der wezens in de zelfde lijn van afstamming. (18) De Buideldieren (Marsupialia) verschillen van de Snaveldieren (Monotremata) door het bezit van tepels; zoodat deze organen waarschijnlijk het eerst werden verkregen door de Buideldieren, nadat zij zich van de Snaveldieren hadden gescheiden en deze in ontwikkeling waren voorbijgestreefd, en daarna op de Placentale Zoogdieren werden overgebracht. [362] Niemand zal onderstellen, dat, nadat de Buideldieren ongeveer hun tegenwoordig maaksel hadden verkregen en daarom in een vrij laat tijdperk van de ontwikkeling van de reeks der Zoogdieren, eenige daartoe behoorende soort nog hermaphroditisch was gebleven. Wij schijnen dus genoodzaakt te zijn tot de voorgaande beschouwingswijze terug te keeren en te besluiten, dat de tepels zich het eerst hebben ontwikkeld bij de wijfjes van den eenen of anderen zeer ouden vorm van Buideldieren, en later overeenkomstig een gewone wet van erfelijkheid op de mannetjes werden overgebracht in een, wat hun functie aangaat, on volmaakten toestand.
Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden [363];—dat sommige andere mannelijke visschen de eieren in hun bekken of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten, evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt, die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.
Besluit.—De beste definitie van vooruitgang of hoogere ontwikkeling in de organische reeks, welke ooit is gegeven, is die van von Baer; en deze berust op de hoegrootheid der differentiatie en specialisatie van de verschillende deelen van het zelfde wezen, als het, zooals ik geneigd zou zijn er bij te voegen, op volwassen leeftijd is gekomen. Daar nu de organismen door middel der natuurlijke teeltkeus op langzame wijze geschikt zijn gemaakt voor verschillende levenswijzen, zullen hun organen, wegens het voordeel, verkregen door de verdeeling van den physiologischen arbeid, meer en meer voor verschillende functies gedifferentieerd en gespecialiseerd zijn geworden. Het zelfde deel schijnt soms eerst voor het eene doel, en dan lang naderhand voor eenig ander en geheel verschillend doel te zijn gewijzigd; en zoo zijn alle deelen hoe langer hoe samengestelder geworden. Elk organisme zal echter in zijn maaksel nog het algemeene type hebben behouden van den stamvorm waaruit het zich oorspronkelijk ontwikkelde. In overeenstemming met deze beschouwingswijze schijnt het, als wij ons tot de geologische bewijzen wenden, dat de organisatie over de geheele wereld met langzame en afgebroken stappen is vooruitgegaan. In het groote onder-rijk der Gewervelde Dieren bereikte zij haar toppunt in den Mensch. Men moet echter niet onderstellen, dat groepen van organische wezens altijd worden verdrongen en verdwijnen, zoodra zij andere en meer volmaakte groepen hebben doen geboren worden. Deze laatste, hoewel overwinnaars van haar voorgangers, zijn niet altijd beter geschikt voor alle plaatsen in de huishouding der natuur. Sommige oude vormen schijnen te zijn blijven leven, omdat zij beschermde streken bewoonden, waar zij niet aan strenge mededinging waren blootgesteld; en deze helpen ons dikwijls bij het opmaken van onze stamboomen door ons een goed denkbeeld te geven van voormalige verloren gegane bevolkingen. Wij moeten ons echter hoeden voor het dwaalbegrip om de bestaande leden van de eene of andere laag georganiseerde groep aan te zien voor volmaakte vertegenwoordigers van hun oude voorgangers.
De oudste stamvormen van het Onder-rijk der Gewervelde Dieren, waarvan wij in staat zijn een duister denkbeeld te verkrijgen, bestonden, naar het schijnt, in een groep van zeedieren [364], op de larven der tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) gelijkende. Deze dieren gaven waarschijnlijk het aanzijn aan een groep Visschen, even laag georganiseerd als de Slakprik; en uit deze moeten zich de Ganoïden en andere op Lepidosiren gelijkende Visschen hebben ontwikkeld. Van zulk een visch zou een zeer kleine vooruitgang ons tot de Amphibieën leiden. Wij hebben gezien, dat er eens een innig verband heeft bestaan tusschen Vogels en Reptielen, en de Snaveldieren (Monotremata) verbinden nog heden in geringe mate de Zoogdieren met de Reptielen. Niemand kan echter op dit oogenblik zeggen, door welke afstammingslijn de drie hoogere verwante klassen, namelijk de Zoogdieren, Vogels en Reptielen, zijn ontstaan uit een der beide lagere klassen van Gewervelde Dieren, namelijk de Amphibieën en de Visschen. In de klasse der Zoogdieren zijn de stappen niet moeielijk te begrijpen, die van de oude Snaveldieren (Monotremata) tot de oude Buideldieren (Marsupialia) en van deze tot de voormalige stamouders der Placentale Zoogdieren leiden. Wij kunnen op die wijze opklimmen tot de Lemuriden, en deze worden door geen wijde tusschenruimte van de Ware Apen (Simiadae) gescheiden. De Ware Apen (Simiadae) vertakten zich toen in twee groote stammen, de Apen der Nieuwe Wereld en de Apen der Oude Wereld; en uit den laatsten kwam, in een lang geleden tijdperk, de Mensch, het wonder en de roem van het Heelal, voort. (21)
Wij hebben op deze wijze den mensch een stamboom gegeven van verbazende lengte, maar, het moet worden bekend, niet van den edelsten aard. Men heeft dikwijls opgemerkt dat de wereld juist zoo is ingericht, alsof zij gereed was gemaakt voor de ontvangst van den mensch; en dit is in zekeren zin de zuivere waarheid; want hij is het aanzijn verschuldigd aan een lange reeks van voorouders. Tenzij wij willens de oogen sluiten, kunnen wij met onze tegenwoordige kennis bij benadering onze voorouders en bloedverwanten leeren kennen; en wij behoeven ons geenszins over hen te schamen. (22) Het nederigste organisme staat een weinig hooger dan het onbezielde stof onder onze voeten; en niemand kan met een onbevooroordeelden geest eenig levend wezen bestudeeren, zonder in verrukking te geraken over deszelfs wondervol maaksel en eigenschappen.
AANTEEKENINGEN.
(1) Vergelijk aanteekening 6, blz. 217.
(2) „De geestelijke Hamlet Clark zegt, dat de Saüba van Rio de Janeiro, een soort zeer nauw verwant aan die waarvan wij spreken [365], een tunnel heeft uitgegraven onder het bed der rivier Parahyba, op een plaats, waar zij zoo breed is als de Theems bij London-Bridge” (Snellen van Vollenhoven, „Gedaantewisseling en Levenswijze der Insekten”, Haarlem, 1870, blz. 435).
In Texas leeft een soort van mieren, die de zaden van een bepaalde grassoort op daartoe toebereiden grond zouden uitzaaien, oogsten en bewaren, en een deel van den oogst weêr tot uitzaaiing gebruiken, dus landbouw beoefenen. Volgens andere berichten zouden zij die „mierenrijst”, echter niet zaaien, maar eenvoudig alle andere planten op de plekken waar die groeit, vernielen, met andere woorden: wieden. Hierdoor kan de „mierenrijst” natuurlijk weliger groeien.
Men vergelijke over de mieren ook „Ontstaan der Soorten”, 3e Ned. Uitgaaf, blz. 304, 315, 353, 362, 366, 408; Büchner, Dr. L., „Uit het Leven der Dieren”, Nijmegen, 1877, en vooral Sir John Lubbock, „Ants, Bees and Wasps. A Record of Observations on the Habits of the Social Hymenoptera”, 9de Uitgaaf, deel uitmakende van de bekende „International Scientific Series.”
(3) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van Archencephala, Gyrencephala, Lissencephala en Lyencephala. De Archencephala, waartoe alleen de Mensch (Orde der Bimana) behoort, zouden zich van alle andere zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen de halfronden der groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden uitstrekken, en zij alleen ook een lobus posterior en hippocampus minor zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op gewezen, dat Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de zelfde kenmerken aanbieden. Tot de Onder-klasse der Gyrencephala, bij welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote hersenen de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de Orden der Quadrumana, Carnivora, Artiodactyla [366], Perissodactyla [367], Proboscidea [368], Toxodontia [369], Sirenia en Cetacea. Tot de Lissencephala, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of slechts weinig windingen vertoonen, en de lobi olfactorii van voren en de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten, brengt Owen de Orden der Bruta [370], Insectivora en Rodentia. De Onder-klasse der Lyencephala die zich door het gemis van het corpus callosum onderscheidt, bevat de Orden der Marsupialia en Monotremata (R. Owen, „On the Characters, Principles of Division and Primary Groups of the Class Mammalia.” Read at the Linnean Society, Febr. 17th and 21st, 1857).
(4) Ik ben bewust, dat velen het woord Snaveldieren voor een Germanisme verklaren. Het is echter goed gevormd volgens de regels der Nederlandsche taal en m.i. fraaier dan vogelbekdier (dat vooral in samenstellingen als Eendvogelbekdier en Egelvogelbekdier afschuwelijk is). Den naam Vogelbekdier wensch ik alleen gegeven te zien aan Ornithorhynchus (waarvan het de letterlijke vertaling is) en die van Snaveldieren aan alle Monotremata. Voor Echidna sla ik den naam Stekeldier voor. Gestekelde miereneter, zooals Lubock hem noemt, kan aanleiding geven tot verwarring met de eigenlijke miereneters (Myrmecophaga) die tot een geheel andere Orde en zelfs Onder-klasse der Zoogdieren behooren.
(5) Bij eenige buitengewoon behaarde individu’s van de Japansche Aino’s (gelijk bekend is, een buitengewoon harig volk) vond B. H. Chamberlain („Memoirs of the Literature College of the University of Japan”, 1886, afl. 1) dat de haren op het borstbeen, tusschen de schouders en billen juist zoodanig gericht waren als het nuttigst zou zijn om den regen af te doen druppelen. De daar groeiende haarbossen waren verscheidene Eng. duimen lang.
(6) De beide ondergroepen, waaruit de groep der Platyrrhinae is samengesteld en die de namen van Hesperopitheci of Cebidae en van Hemipitheci of Hapalidae dragen, verschillen evenveel van elkander als de Platyrrhinae van de Catarrhinae. [371]
Wij meenen daarom, dat het beter is de ware apen in drie hoofdgroepen van gelijke waarde te verdeelen: 1o. de Catarrhinae of Heopitheci (Apen der Oude Wereld); 2o. de Cebidae of Hesperopitheci (voor welke groep men ook den naam Platyrrhinae (in beperkten zin) zou kunnen behouden); 3o. de Hemipitheci of Hapalidae (Eekhoornapen). Deze laatste vertegenwoordigen o.i. de Nieuwe Wereld de Lemuriden der Oude Wereld. Deze indeeling komt met die van Mivart (blz. 274, noot) overeen maar wijkt o.i. belangrijk van de door Darwin (blz. 273) gegeven rangschikking af. De verschillen blijken uit de volgende tabel:
CATARRHINAE PLATYRRHINAE. OF HEOPITHECI HESPEROPITHECI HEMIPITHECI
32 tanden. 36 tanden. 32 tanden.
4 valsche en 6 ware 6 valsche en 6 ware 6 valsche en 4 ware maaltanden in elke maaltanden in elke maaltanden in elke kaak. kaak. kaak.
Platte nagels. Platte nagels. Klauwvormige nagels met uitzondering van die van den duim der achterhanden.
Duim der voorhanden Duim der voorhanden Duim der voorhanden ontbreekt slechts zeer ontbreekt bij velen ontbreekt nimmer en is zelden en is van de en is, waar hij niet van de vingers vingers verwijderd. aanwezig is, van de verwijderd. vingers verwijderd.
Neusschot smal, Neusschot breed, Neusschot breed, neusgaten voor- en neusgaten zijdelings neusgaten zijdelings benedenwaarts gekeerd. gekeerd. gekeerd.
Het voorhoofdsbeen zet zich bij vele tusschen de oogkassen boven de neusbeenderen voort en is aldaar bol verheven.
Sommige staartloos, Alle gestaart, bij Alle gestaart, nimmer nimmer een vele een een grijpstaart. grijpstaart. grijpstaart.
Bij de meesten Nimmer eeltplekken Nimmer eeltplekken aan eeltplekken aan de aan de billen, noch de billen, noch billen, bij velen wangzakken. wangzakken. wangzakken.
Zoo wij in deze tabel van „voor-” en „achterhanden” spreken, hoewel wij in aanteekening 14, blz. 41, hebben opgemerkt, dat de zoogenaamde achterhanden der apen eigenlijk ware voeten zijn, was zulks slechts om ons aan het eenmaal aangenomen spraakgebruik te houden.
Wat de in de volgende alinea door Darwin aangestipte vraag aangaat, of de anthropomorphen als een afzonderlijke groep der Catarrhinae moeten worden beschouwd, willen wij nog het volgende opmerken:
Haeckel verdeelt de Apen der Oude Wereld in twee ondergroepen: 1o. Catarrhinae met een staart (Menocerca) en 2o. Catarrhinae zonder staart (Lipocerca). De groep der Lipocerca omvat de Anthropomorphen en den Mensch, die der Menocerca de overige Apen der Oude Wereld. Deze laatste worden, al naar zij wangzakken bezitten of niet, in de beide families der Ascoparea en Anasca onderscheiden („Natürliche Schöpfungsgeschichte”, 1ste uitgaaf, blz. 570). R. Hartman, hoogleeraar aan de Universiteit te Berlijn, geeft in zijn werk: „Die Menschenähnl. Affen”, Leipzig, Brockhaus, 1883, blz. 268, de volgende indeeling van de Orden der Primaten en Lemuriden (hij scheidt deze laatste als afzonderlijke Orde af van die, welke den mensch en de ware apen omvat), met welke ik mij in hoofdzaak goed kan vereenigen, schoon ik Hapale als een derde zelfstandige Onder-familie van de eigenlijke apen (Simiina) beschouw.
1. Zoogdieren (MAMMALIA).
A. Monodelphia Blainv. (Placentalia Owen).
1. Orde: PRIMATES L. 1. Familie: Primarii. 1. Onder-familie: Erecti (de Mensch, Homo sapiens). 2. Onder-familie: Anthropomorpha L. a) Dasypoga (d.i. zonder eeltplekken aan de billen). 1. Geslacht: Troglodytes. Soorten: T. Gorilla en T. niger (Chimpanzee) enz. 2. Geslacht: Pithecus. Soort: P. Satyrus (Orang Oetan). b) Tylopoga (d.i. met eeltplekken aan de billen). 3. Geslacht: Hylobates. Soorten: de Gibbons. 2. Familie: Eigenlijke Apen (Simiina). 1. Onder-familie: Catarrhina. Geslachten: Semnopithecus, enz. 2. Onder-familie: Platyrrhina. Geslachten: Mycetes, Cebus, Hapale enz.
2. Orde: PROSIMII (Halfapen of Lemuridae).
De Lemuriden kunnen o.a. ook daarom niet met den mensch en de apen in de zelfde orde worden vereenigd, omdat zij van hen afwijken in den vorm der eivliezen en van de placenta, welke laatste bij hen, gelijk Milne Edwards („Compt. rend.”, T. LXXIII, blz. 422) heeft aangetoond, klokvormig is en veel meer nadert tot die der Carnivora, dan tot die van den mensch, de apen, vledermuizen, insectivoren en knaagdieren, wier gemeenschappelijke voorouders waarschijnlijk tot de Lemuriden behoorden. Ook de anatomische verschillen zijn daartoe te groot.
(7) De maag der Slankapen bestaat uit drie deelen: het cardiale gedeelte, waarin de slokdarm uitmondt, bezit inwendig een gladde oppervlakte; het tweede gedeelte bestaat uit een dubbele rij zakjes; het derde of pylorusgedeelte is langwerpig van vorm, bezit nog eenige insnoeringen, evenals een karteldarm, doch wordt aan het einde van eenvoudiger maaksel.
(8) Mesopithecus penthelicus Gaudry. In het maaksel van den kop geleek hij op Semnopithecus, in dat der ledematen op Macacus.
(9) Onder al de verdraaide voorstellingen die de tegenstanders der ontwikkelingstheorie van de denkbeelden der Darwinisten gelieven te geven, is er wellicht geen belachelijker, dan dat de Darwinisten zouden beweren, dat de mensch uit een der thans levende aapsoorten zou zijn ontstaan. Tot hun verontschuldiging kan men bijbrengen, dat juist de hevigste tegenstanders meestal personen zijn, die de eerste beginselen missen van de kundigheden, noodig om de stellingen der Darwinisten te beoordeelen, en wier uitspraken daaromtrent slechts even zoo vele bewijzen zijn hunner onwetendheid. Daar de ontwikkelingstheorie berust op het denkbeeld, dat de thans levende hoogere diersoorten slechts gewijzigde afstammelingen zijn der uitgestorvene, ligt het voor de hand, dat twee thans levende hoogere diersoorten nimmer in rechte lijn met elkander verwant kunnen zijn, maar dat hun verwantschap beter zou kunnen worden uitgedrukt door het woord „neef.” Niemand zal dus zoo dwaas zijn te beweren, dat de mensch van den gorilla, chimpanzee of orang afstamt, schoon deze dieren zeker tot onze naaste familie behooren. Het is dus zeer duidelijk, hoe onze vaderlandsche geleerden Schroeder van der Kolk en Vrolik hebben kunnen zeggen: „Wij kennen geen soort van apen die een directen overgang tot den mensch vormt. Wilde men met geweld den mensch van de apen afleiden, dan zou men zijn hoofd moeten zoeken bij die kleine apen, die zich om de Ouistiti’s en Rolapen groepeeren, zijn hand bij den Chimpanzee, zijn skelet bij den Siamang, zijn hersenen bij den Orang” („zijn voet bij den Gorilla”, voegt Vogt er bij). Zij hebben daardoor voldingend bewezen, dat de mensch niet in rechte lijn van die apen afstamt, iets dat eigenlijk niet behoefde te worden bewezen, daar niemand zulks beweert. Zij hebben daardoor echter ook voldingend bewezen, dat de mensch met al die apen nauw verwant is. Evenzoo nadert het Fransch in sommige opzichten tot het Italiaansch, in andere tot het Spaansch, wederom in andere tot het Roemenisch, terwijl het Spaansch wederom met het Portugeesch overeenkomt in punten, waarin het van het Fransch en Italiaansch afwijkt, enz. Dit bewijst, dat het Fransch geen dochtertaal is van een der genoemde talen, maar tevens, dat zij allen afstammelingen zijn van een zelfde oude, doode taal, het Latijn. De kinderen der verschillende menschenrassen gelijken meer op elkander, dan de volwassen individu’s, evenzoo gelijken de jongen der apen meer op onze kinderen en op elkander, dan de volwassen apen op ons en op elkander. Wij hebben hier dus een aantal convergeerende lijnen die elkander in een achter ons gelegen punt moeten snijden. De ontwikkelingsgeschiedenis van het individu toch geeft de ontwikkelingsphasen die het type heeft doorloopen, terug. Als dus de jonge apen meer op onze kinderen gelijken, dan de volwassen apen op ons, dan is er een tijd geweest dat de voorouders der tegenwoordige apen meer op onze voorouders geleken, dan de tegenwoordige apen op ons. Als er een tijdstip in de embryonale ontwikkeling is, waarop de embryo van een aap niet van een menschelijk embryo is te onderscheiden, dan is er ook een tijdstip geweest, waarop de voorouders der tegenwoordige apen de zelfde kenmerken hadden, tot de zelfde soort behoorden, als de onze. Iedere ontwikkelingsphase van het menschelijk type is op die wijze om zoo te zeggen pro memoria aangeteekend in de ontwikkelingsgeschiedenis van het individu.
(10) Haeckel ontwikkelde in de eerste uitgaven zijner „Natürliche Schöpfungsgeschichte” (1ste uitgaaf, blz. 619), het denkbeeld, dat de oorspronkelijke bakermat van het menschelijk geslacht een thans onder den spiegel van den Indischen Oceaan verzonken vasteland zou zijn geweest, dat zich ten zuiden van het tegenwoordige Azië (en waarschijnlijk daarmede verbonden) eenerzijds tot Achter-Indië en Insulinde, anderzijds westelijk tot Madagascar en Zuid-oostelijk Afrika uitstrekte. Dit hypothetische vasteland is wegens de Lemuriden die sommige nog overgebleven deelen er van bewonen, door den Engelschman Sclater Lemuria genoemd. Deze hypothese moet als onjuist worden beschouwd. Er leven ook op het vasteland van Afrika Lemuriden en in Noord-Amerika zijn fossiele Lemuriden gevonden. Daarenboven is de Indische Oceaan grootendeels zeer diep, en het is in hooge mate onwaarschijnlijk, dat daarin ooit een vasteland zou hebben gelegen. In zijn „Darwinism”, 2de uitgaaf, Londen 1889 geeft A. R. Wallace een wereldkaart, waarop de lijn van 1000 vademen diepte is aangegeven, die, gelijk hij in het breede aantoont, bijna overal de uiterste grens aangeeft tot welke zich ooit het vasteland kan hebben uitgestrekt. Men vergelijke het nevensgaande kaartje, dat echter in tegenoverstelling van dat van Wallace ook de omstreken der polen bevat, en waarvan de projectie mij voor het beoogde doel beter en duidelijker schijnt dan de door Wallace gebruikte projectie. Op dit kaartje zijn al de gedeelten der zee, die minder dan duizend vademen diep zijn, wit geteekend. Het onderstelde Lemuria valt bijna overal buiten de lijn van 1000 vademen diepte en heeft derhalve nooit bestaan. In de eerste uitgaaf van de Nederlandsche vertaling maakte ik omtrent het oorspronkelijk vaderland van den mensch de volgende opmerking: „Het is even waarschijnlijk, dat het Aziatisch gewest van Insulinde, waar thans nog de Orang en de Gibbons leven, de oorspronkelijke bakermat van den mensch is, als West-Afrika, het vaderland van den Chimpanzee en den Gorilla. Bedenken wij echter, dat alle volken van Afrika dolichocephaal zijn, en ook de Chimpanzee en Gorilla dit kenmerk vertoonen, terwijl het Maleische ras en vele andere Aziatische stammen brachycephaal zijn evenals de Orang en de Gibbons, bedenken wij verder, dat evenals ten Oosten van het vaderland van Chimpanzee en Gorilla een door Lemuriden bewoond eiland (Madagascar) ligt, ook het oostelijk deel van het Aziatisch gewest van Insulinde door een door Lemuriden bewoond eiland (Celebes) wordt ingenomen, ja, dat ook op Borneo, Sumatra en Java Lemuriden wonen, en dat de Lemuriden volgens Darwin en Haeckel de stam zijn, waaruit zich de ware apen en de mensch hebben ontwikkeld, dan rijst de vraag op, of de oorspronkelijke mensch niet op minstens twee afzonderlijke plaatsen is ontstaan: 1o. In Zuid-west-Afrika uit met den Chimpanzee en Gorilla verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stamvorm der Negers, Kaffers en Hottentotten zijn, en 2o. In het Aziatische gewest van Insulinde uit met den Orang en de Gibbons verwante vormen; dit menschenras zou de oorspronkelijke stam der Aziatische volken zijn geweest.” Hierbij komt nog, dat de Chimpanzee en Gorilla zwart zijn als de Negers, de Orang bruin als de Maleiers.
Sedert is echter door den Markies de Saporta een geheel nieuwe hypothese omtrent het oorspronkelijke vaderland van den mensch geopperd, die mij uiterst waarschijnlijk en ook uit een algemeen geologisch en palaeontologisch oogpunt hoogst belangrijk voorkomt. Ik heb haar daarom nader uiteengezet en uitgebreid in een artikel over „Het oorspronkelijk vaderland van den mensch en de oudste volksverhuizingen in het palaeolithische tijdperk”, dat ik achter het eerste gedeelte van Darwin’s werk (tusschen Hoofdstuk VII en VIII) inlasch en waarnaar ik verder verwijs. Ik zal daar het kaartje ook verder bespreken.
(11) De meening, dat de mensch niet reeds gedurende het zoogenaamde Diluvium (de Pleistocene vorming) bestond (dit laatste is een volkomen bewezen, niet meer te betwijfelen feit), maar dat zijn geslacht zelfs opklimt tot de oude tertaire tijden, wordt zeer gesteund door verscheidene overblijfselen van menschelijke nijverheid, of ten minste van stukken vuursteen die sporen van bewerking schijnen te vertoonen, welke men in verschillende tertaire lagen heeft gevonden.
Zoo vond de Abt Bourgeois in het Calcaire de la Beauce in de gemeente Thénay, dicht bij Pont-Leroy, alwaar dit 4,80 meter dik is en uit afwisselende lagen mergel, leem en zoetwater-kalksteen bestaat, in de alleronderste, uit mergel bestaande laag eenige, en in de onmiddellijk daarop rustende gele of groenachtige leem talrijke bewerkte vuursteenen. Op het Calcaire de la Beauce rusten in die gemeente de zoogenaamde Sables de l’Orléanais; ook in deze vond hij zeer grof en onvolmaakt bewerkte vuursteenen en een bal („galet”), uit een kunstmatig, kool bevattend deeg vervaardigd, te zamen met beenderen van groote Olifantachtige Dieren en van Dinotherium. Deze Sables de l’Orléanais behooren evenals de daarboven gelegen Faluns de la Tourraine, die uit grijs, met zeeschelpen en zoogdierbeenderen vermengd zand bestaan, tot de Miocene vorming. Ook in de Faluns de la Tourraine vond de Abt Bourgeois bewerkte vuursteenen met de schelpen vermengd; zij vertoonen sporen van lang door het water te zijn heên en weêr gerold en zijn waarschijnlijk tijdens de vorming der Faluns door de zee uit de onderliggende lagen losgespoeld.
Ook in de Miocene lagen van Lelles sur Cher (Loir-et-Cher) vonden de Abt Bourgeois en de heer Vibraye, en in die van Pouancé (Maine-et-Loire) de abt Delaunay sporen van den tertiairen mensch.
In de Sablonières de St. Prest (Eure-et-Loir), die tot de Pliocene vorming behooren, zijn in 1863 beenderen van Rhinoceros leptorhinus, Elephas meridionalis en Hippopotamus gevonden, waarop de heer Desnoyers strepen of sporen van insnijdingen ontdekte, door ’s menschen hand gemaakt, zeer duidelijk en regelmatig, volkomen overeenkomende met die welke zijn waargenomen op de fossiele beenderen van nieuwere zoogdiersoorten. De heer Issel vond dergelijke overblijfselen in de Pliocene vorming van Colle del Vento in Savoye. Omtrent menschelijke overblijfselen uit de oudere Pliocene-periode, in Italië in het Tiberdal gevonden, vergelijke men de mededeelingen van G. Marinoni, G. R. Gualterio en A. Issel in „Atti della società Italiana die scienze naturali”, 1868 (en beknopt in „Neues Jahrb. f. Miner.”, 1871, blz. 196). In Portugal werden bewerkte vuursteenen in tertiaire lagen van het dal van den Taag bij Lissabon door den geoloog Carlos Ribeira gevonden, en tijdens het internationale voorhistorische congres te Lissabon in 1880 en 1881 door verschillende Fransche, Engelsche en Duitsche geleerden van grooten naam die ook de vindplaatsen bezochten, als echt erkend.
In zijn in den winter van 1868 te Rotterdam gehouden lezingen deelde Carl Vogt mede, dat men in het dal van den Manzanares in zekere laag een volledig skelet van Elephas meridionalis en in een daaronder gelegene en dus oudere laag overblijfselen van menschelijke kunstvlijt en zelfs menschenbeenderen had gevonden. Elephas meridionalis nu sterft reeds in de Pliocene vorming uit.
Ook de in 1844 het eerst beschreven, in den vulkanischen tuf van den uitgebranden vulkaan van Denise nabij le Puy en Velay gevonden fossiele menschenbeenderen behooren wellicht tot het tertiaire tijdvak.
Omtrent tertiaire menschenbeenderen en steenen voorwerpen uit Californië zie men de aanteekeningen op het volgende hoofdstuk.
Het is mij wel eens ingevallen, of de in de Miocene vorming gevonden, uiterst ruw bewerkte vuursteenen en de door den heer Desnoyers ontdekte insnijdingen wellicht afkomstig konden zijn, niet van menschen, maar van nog half-aapachtige voorouders van den mensch die reeds wat verder ontwikkeld waren dan de tegenwoordige apen, welke laatste, zooals men weet, steenen als werktuigen bezigen, zonder ze echter te bewerken. Er moeten tusschentrappen zijn geweest waarop de voorouders van den mensch verstandelijk vrij wat hooger ontwikkeld waren dan de Apen, doch nog steeds veel lager stonden, dan de ruwsten der tegenwoordige wilden. Het zelfde denkbeeld is, lang nadat deze opmerking in de eerste uitgaaf van dit werk verscheen, ook gemaakt door G. de Mortillet, die de tertiaire vuursteenwerktuigen toeschrijft aan „le précurseur de l’homme”, wellicht Dryopithecus Fontani. Men vergelijke o.a. „Isis”, 1878, blz. 317. [372] Dryopithecus Fontani is echter later gebleken geenszins nader met den mensch verwant te wezen dan de thans nog levende anthropomorphen, zoodat „le précurseur de l’homme” blijkbaar een hooger ontwikkeld wezen dan Dryopithecus moet zijn geweest. Daar de tertiaire vuursteenen die men voor bewerkt houdt, sporen van de inwerking van het vuur vertoonen, zou deze voorganger van den mensch met het gebruik van het vuur bekend moeten zijn geweest, waarop ook de in de Sables de l’Orléans gevonden, kool bevattende bal wijst. De tegenwoordige apen, zelfs de anthropomorphen, warmen zich wel bij het door den mensch ontstoken vuur, maar verstaan de kunst niet om het aan te houden door de toevoeging van nieuwe brandstof, of om het te maken. Het verhaal door Emin Pacha aan Stanley gedaan (zie „In Afrika’s donkere wildernissen”, Dl. I, blz. 494), dat de chimpanzees uit het woud van Msongwa ’s nachts fakkels gebruiken om hun weg te verlichten, als zij vruchten uit de aanplantingen komen stelen, houden wij voor een sprookje. Het verhaal komt wel in het Engelsche origineele werk („In Darkest Africa”, vol. I, blz. 423) voor, maar ontbreekt, zonderling genoeg, in de Duitsche vertaling.
(12) Prof. Cope beschreef in „The Amer. Naturalist” van Jan. 1882, blz. 73, onder den naam van Anaptomorphus Homunculus een lemuride, waarvan de schedel in de Eocene lagen van westelijk Noord-Amerika is gevonden, en die volgens hem meer nadert tot den hypothetischen lemuroïden voorvader van den mensch dan eenige tot dusver ontdekte soort. In zijn tandstelsel nadert dit dier eensdeels tot de Indri’s van Madagascar, van den anderen kant tot de echte apen en vooral tot den mensch. De hoektanden zijn zeer klein, de tanden vormen een onafgebroken reeks en staan verticaal. De groote hersenen hadden voor een Eoceen zoogdier een aanzienlijk volumen. De groote oogholten pleiten voor een nachtelijke levenswijze.
(13) Een vijftal jaren geleden is het gebleken, dat de Snaveldieren eierleggende dieren zijn, en dus ook in dit opzicht van de overige zoogdieren afwijken en tot de reptielen en andere lagere klassen der gewervelde dieren naderen.
In September 1884 werd dit, wat Ornithorhynchus aangaat, ontdekt door Caldwell te Sydney. Hij ontdekte tevens, dat het ei meroblastisch is, d.w.z. een dojerblaas bezit, en dus in zijn ontwikkeling groote overeenkomst heeft met dat der Reptielen, vooral der slangen en hagedissen, en niet met dat der Amphibieën. Het ei is uitwendig met een fijn net van dunne kalkvezeltjes bedekt en gelijkt het meest op dat van sommige slangen.
Reeds in Augustus 1884 had een andere in Nieuw-Holland verblijfhoudende natuuronderzoeker, Dr. Wilhelm Haacke, bij Echidna in een zich tijdelijk bij het wijfje vormenden zak het met een perkamentachtige schaal bedekte ei van dit dier ontdekt. Hij maakte die ontdekking echter eerst in December, dus na Caldwell, publiek.
Men vergelijke ook het stuk van Dr. D. Lubach, „Eierleggende Zoogdieren” in Alb. d. Natuur 1886.
In 1886 werd door Miklucho-Macklay aangetoond, dat de lichaamstemperatuur van Ornithorhynchus 25,2 °C. en die van Echidna 28 °C. is. Bij de hoogere zoogdieren is die temperatuur veel hooger en gelijk of nagenoeg gelijk aan die van den mensch. Ook in dit opzicht vormen dus de Snaveldieren een overgang tusschen de hoogere zoogdieren en de koudbloedige Reptielen en Amphibieën.
Ofschoon de Snaveldieren geen eigenlijke tepels bezitten, bezitten zij echter wel zogklieren. Deze scheiden echter geen eigenlijk gezegde melk af. Het zijn gewijzigde zweetklieren, terwijl de zogklieren der overige zoogdieren vervormde talkklieren zijn. De gemeenschappelijke voorouders der zoogdieren brachten waarschijnlijk het vocht waarmede zij hun jongen voedden, voort uit een orgaan, dat zoowel uit veranderde zweetklieren als vervormde talkklieren bestond. Bij de typische zoogdieren kwamen de laatste tot bijna uitsluitende ontwikkeling, bij de snaveldieren de eerste. De typische zoogdieren stammen dus niet in rechte lijn van snaveldieren af, maar deze laatste vormen een zelfstandig ontwikkelden zijtak, die echter in organisatie veel dichter bij den oorspronkelijken stam staat dan de typische zoogdieren (Humboldt, Juni 1887, blz. 271).
(14) Als overgangsvormen tusschen de reptielen en de tegenwoordige vogels zijn verder merkwaardig de vogels met tanden (Odontornithes), door Prof. O. C. Marsh in 1870–72 in de krijtformatie van Westelijk Kansas ontdekt. Men vergelijke Dr. T. C. Winkler, Vogels met Tanden, in „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 51, 67. Ook Archaeopteryx is later, nadat men er een tweede, beter bewaard skelet van had gevonden, gebleken tanden te hebben bezeten. Ofschoon het een gevederd en vliegend dier was, bleek Archaeopteryx echter in de meeste opzichten dichter bij de Reptielen dan bij de echte vogels te staan, wat met de Odontornithes geenszins het geval is.
(15) Treffend zijn Tab. XII en XIII van de achtste uitgaaf van Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, die een vergelijking tusschen de ontwikkelingsgeschiedenis van Ascidia en Amphioxus bevatten. Bij de larven van Ascidia vindt men den aanleg eener chorda dorsalis met een centraal zenuwstelsel daarboven, het darmkanaal daaronder gelegen. Het centraal zenuwstelsel bestaat uit een langen draad, die zich aan het kopeinde tot een rond ganglion uitzet; in dien draad bevindt zich een holte, die zich tot in het ganglion voortzet. Met het ganglion hangen zintuigen te zamen, die gehoor- en gezichtswerktuigen schijnen te zijn, en de zelfde betrekkelijke ligging hebben als bij de embryo’s der Gewervelde Dieren (Kupffer, „Die Stammverwandtschaft zwischen Ascidiën und Wirbelthieren”, Bonn, 1870). Bij de verdere ontwikkeling der Ascidiën verliezen de larven haar staart en daarmede tevens de chorda dorsalis en draadvormige zenuwstreng, zoodat dan de gelijkenis met Gewervelde Dieren geheel verloren gaat.
Nu maakte echter Baehr, de beroemde embryoloog van St. Petersburg, er opmerkzaam op, dat daar volgens Haeckel’s biogenetische hoofdwet datgeen, wat het vroegst in de ontwikkeling optreedt, het erfdeel der vroegste voorouders is, zoo die hoofdwet juist was, niet de Gewervelde Dieren van Manteldieren (waartoe de Zakpijpen of Ascidiën behooren) moesten afstammen, maar omgekeerd de Manteldieren van Gewervelde Dieren, daar zij in hun vroegste jeugd de organisatie van Gewervelde Dieren bezaten. [373]
Over deze quaestie is in den jaargang 1873 van Isis een wetenschappelijke discussie gevoerd tusschen Dr. P. J. F. Vermeulen (destijds leeraar aan de Roomsch-Katholieke Hoogere Burgerschool te Rolduc) en schrijver dezes. Destijds heb ik er reeds op gewezen, dat wanneer met de Ascidiën verwante wezens als stamvorm der Gewervelde Dieren moesten worden opgegeven, vele gronden waren aan te voeren voor de meening, dat de Gewervelde Dieren afstamden van Gelede Dieren (waartoe ik ook de eigenlijke Ringwormen reken). Dit gevoelen werd spoedig daarop ook door anderen, die er echter geheel onbekend mede waren, dat ik het reeds vroeger had uitgesproken, verdedigd, en niet slechts theoretisch verder uitgewerkt, maar ook door waarnemingen gesteund.
Dr. Dohrn te Napels, stichter en directeur van het Zoölogisch Station aldaar, wees er namelijk in een in 1875 verschenen geschrift („Ueber den Princip des Functionswechsels”, Leipzig, Engelmann) op, dat bij zeer laag staande visschen reeds punten van overeenkomst in anatomischen bouw met de Manteldieren worden gevonden, en stelde de vraag, in welk opzicht de levenswijze der Manteldieren met die van bedoelde visschen overeenkomt? Hij antwoordde daarop, dat zoowel de Manteldieren als die visschen een half of geheel parasitisch leven leiden of toch ten minste op den zeebodem vastgegroeide wezens zijn geworden. In deze levenswijze zocht nu Dohrn de oorzaak van de lage organisatie. Alle woekerdieren gaan, gelijk Dohrn aantoonde en ook algemeen bekend is (men vergelijke Vogt’s stuk over „Woekerdieren en aanverwant gespuis” in Isis 1875, blz. 197), ten gevolge hunner levenswijze in organisatie achteruit. Dikwijls zien wij, zegt Vogt (ib. blz. 203), „hoe het woekerdier in het binnenste van het lichaam van zijn gastheer aangekomen, langzamerhand een menigte van organen afwerpt, die het niet meer kan gebruiken en die door het niet meer gebruiken allengs verdwijnen; zintuigen en bewegingsorganen, organen van bloedsomloop en ademhaling, ja zelfs ten laatste de verteringsorganen, waarvan de nevenklieren afnemen, tot zelfs het darmkanaal verarmt, zich aan het achterste einde als een blinde zak sluit, en eindelijk zelfs geheel en al verdwijnt, om evenals de andere organen, voor het eenige stelsel plaats te maken, dat zich op kosten der andere ontwikkelt, namelijk het voortplantingsstelsel.” Woekerdieren onttrekken zich door hun levenswijze aan den voor de ontwikkeling der organen zoo noodzakelijken strijd om het bestaan, het gevolg daarvan is achteruitgang der organen. Dohrn voegde daarom bij Darwin’s beide beginselen, de aanpassing en de erfelijkheid, nog een derde, dat even krachtig op de organisatie terugwerkt, namelijk het parasitisme of woekerleven.
Volgens deze beschouwing van Dohrn zouden derhalve de Manteldieren werkelijke, doch door parasitisme achteruitgaand ontwikkelde Gewervelde Dieren zijn, die zich tot de overige Gewervelde Dieren ongeveer even zoo verhouden als de (eens tot de wormen gerekende) Linguatulinen (vergelijk Harting’s „Leerboek” III, 1, blz. 359) tot de overige Spinachtige Dieren.
Dohrn onderscheidde echter nog een vierde beginsel, door hem „Princip des Functionswechsels” genoemd. Elk orgaan, zegt hij, bezit meer dan ééne functie, ééne daarvan is hoofdfunctie, de andere zijn nevenfuncties. Nu kan echter een nevenfunctie zoo op den voorgrond treden, dat zij de andere verdringt, en daardoor verkrijgt het orgaan een andere beteekenis in de huishouding van het lichaam en ondergaat tevens secundaire wijzigingen in zijn bouw. Zoodoende kan b.v. uit een oorspronkelijk eenvoudige maag een kliermaag en een spiermaag ontstaan.
Deze beschouwingen verder uitwerkende, kwam Dohrn tot de hypothese: „dat de mond der tegenwoordige Gewervelde Dieren vroeger op een geheel andere plaats, namelijk in de streek van de tegenwoordige vierde hersenholte (ventriculus quartus) heeft gelegen, en dat onze tegenwoordige mond bij de stamouders der Gewervelde Dieren slechts een kieuwspleet is geweest.” Het spijsverteringskanaal zou destijds het tegenwoordige ruggemerg hebben doorboord, onze tegenwoordige buikzijde rugzijde zijn geweest en omgekeerd, het ruggemerg zou buikmerg zijn geweest, evenals bij de tegenwoordige Gelede Dieren, het verlengde merg en de hersenen zouden een slokdarmring hebben gevormd. Op deze wijze ontstaat een volkomen homologie tusschen het zenuwstelsel der Gewervelde Dieren en dat der Ringwormen. De plaatsverandering van den mond is geen grooter wonder dan die van het eene oog bij de tegenwoordige platvisschen, bij welker jongen de oogen symmetrisch liggen, evenals bij de andere Gewervelde Dieren, terwijl zij bij de ouden asymmetrisch, beide aan ééne zijde van het lichaam liggen. De uitwendig zichtbare geleding der Gelede Dieren wordt bij de tegenwoordige Gewervelde Dieren inwendig nog aangeduid in de wervelkolom, en is bij hun embryo nog duidelijker in de zoogenaamde voorwervels, die geenszins uitsluitend de beginsels van wervels, maar bovendien die van de rugzenuwknoopen en van het geheele zijdespierstelsel zijn.
Dohrn kwam tot het resultaat, dat de Gewervelde Dieren afstammen van Gelede Wormen, op de tegenwoordige Ringwormen of Anneliden gelijkende. [374]
Dit resultaat werd zeer gesteund, toen twee andere deskundigen, Professor Semper te Würzburg [375] en Balfour te Edinburg [376] die beiden de ontwikkeling der geslachtswerktuigen bij jonge haaien bestudeerden, ongeveer gelijktijdig ontdekten, dat de eerste aanleg van de eierstokken en testikels van deze dieren uit afzonderlijke stukken bestaat, waarvan elk met een der onderste wervelsegmenten overeenkomt. De algemeene vorm dezer organen herinnerde beide onderzoekers dadelijk aan dergelijke organen, die men sinds lang aan de geslachtsorganen der Ringwormen had opgemerkt en waaraan men den naam van segmentaalorganen of segmentaaltrechters had gegeven.
Ook Leydig, Hatschek, Kleinenberg, Eisig en anderen hebben vervolgens de hypothese uitgesproken en met groot talent verdedigd, dat van alle ongewervelden de Ringwormen de meeste overeenkomst met de Gewervelde Dieren vertoonen, en dat zij en de Arthropoda (Schaaldieren, Spinnen, Insekten, Duizendpooten) afstammen van een oorspronkelijken diervorm, die in maaksel min of meer overeenkwam met Polygordius.
Gegenbaur en Haeckel hebben zich echter nooit met dit denkbeeld kunnen vereenigen. Eerstgenoemde wijst op het centraalzenuwstelsel der Nemertinen (de hoogst bewerktuigde der zoogenaamde Platwormen), dat bestaat uit een boven den slokdarm gelegen zenuwknoop, waarvan twee zijdelingsche zenuwstammen uitgaan, als een zeer oorspronkelijken toestand, waaruit, doordat die zenuwstammen bij sommige soorten hooger, bij andere lager gelegen zijn, door samensmelting aan de buikzijde de buikstreng en slokdarmring der Ringwormen en Arthropoda zou kunnen worden afgeleid. Harting („Leerboek der Dierkunde”, 1874) wees van den anderen kant op de mogelijkheid van een dergelijke rugwaartsche vereeniging, waaruit dan een ruggemerg kon ontstaan. Balfour en Hubrecht (destijds conservator aan ’s Rijks Museum te Leiden, thans Hoogleeraar in de Dierkunde te Utrecht) kozen aan die zijde partij, de eerste door in zijn „Development of Elasmerobranch Fishes”, blz. 171, zulk een ontwikkelingsgang nog eenmaal te schetsen, de laatste door de feiten te rangschikken, welke zich in het maaksel van sommige Nemertinen aan hem hadden doen kennen, en welke inderdaad ten duidelijkste aantoonden, dat de zijdelingsche zenuwstammen onmiskenbaar een neiging tot rugwaartsche verplaatsing vertoonen („Verhandelingen v. d. Kon. Akad.”, Amsterdam, 1880).
In een verhandeling „Over de voorouderlijke stamvormen der Vertebraten”, in 1883 door de Koninklijke Akademie van Wetenschappen te Amsterdam uitgegeven, ging Hubrecht echter verder, en voerde vele feiten aan tot staving der hypothese, „dat de slurp der Nemertinen, die ontstaat als een voor instulping vatbaar orgaan, dit geheel afkomstig is zoowel phylo- als ontogenetisch (d.i. zoowel in de ontwikkeling der soort als van het individu) uit het epiblast, en die zijn weg neemt door het hersenganglion, homoloog is aan het rudimentaire orgaan, dat men in de geheele reeks der Vertebrata aantreft: de hypophysis cerebri” (hersenslijmklier). „De slurpscheede der Nemertinen is vergelijkbaar in ligging (en in ontwikkeling?) met de chorda dorsalis” (ruggestreng) „der Gewervelde Dieren.” Verder toonde hij zich zeer geneigd van de darmuitstulpingen der Nemertinen als de voorloopers te beschouwen der coelomzakken, die dan weder met die van de Amphioxus-(slakprik-)larve vergelijkbaar zouden zijn.
Hij wees er echter uitdrukkelijk op (hetgeen evenwel voor iemand die goed met Darwin’s theorie bekend is geen betoog behoefde), dat hij geenerlei directe verwantschap (in rechte lijn namelijk) tusschen hedendaagsche Nemertinen en Vertebrata beoogde, maar slechts trachtte aan te toonen, dat het algemeen bouwplan eener Nemertine meer beantwoordt aan dat van een gewerveld dier dan b.v. dat van de Oer-ringwormen (Archi-Anneliden), en dat de schakel die Coelenteraten-voorouders met gewervelde afstammelingen verbindt, waarschijnlijk vormen heeft omvat, die in het bezit waren van twee zijdelingsche zenuwstammen, welke zich rugwaarts hebben vereenigd, en die een ektodermale slurp bezaten met functies welke later verdwenen of gewijzigd zijn, toen deze dieren langzamerhand uit het Plathelminthen- in het Chordaten-Type overgingen.
Gelijktijdig met dezen overgang van het type der Coelenteraten (Maagzak- of Neteldieren, waartoe de Kwallen, de Polypen of Veelvoeten en de Sponzen behooren) naar dat der Chordata (Ruggestrengdieren) moeten ook volgens Hubrecht de hoogst belangrijke processen zijn ingetreden, die tot de vorming leidden van een lichaamsholte, afgescheiden van het oer-ingewand (archenteron). De ontwikkelingsgeschiedenis leert ons, dat zekere uitstulpingen van dit laatste, die aanvankelijk daarmede in open verbinding staan, later worden afgesnoerd en de zoogenaamde splanchnische en somatische lagen vormen, tusschen welke de lichaamsholte besloten is.
De schitterende onderzoekingen van Lang over Gunda segmentata (een Platworm) en van Hatschek over de ontwikkeling van den slakprik (Amphioxus) moeten hier in de eerste plaats tot richtsnoer strekken.
Alles bijeengenomen kwam Hubrecht tot het resultaat, dat de stamouders der Gewervelde Dieren platwormen waren, die overeenstemming vertoonden met Gunda door het bezit van metameer geplaatste darmuitstulpingen, ja zelfs door een algemeene inwendige metamerie [377], maar die daarentegen van Gunda verschilden in zoo belangrijke punten als de aanwezigheid van voorloopers, zoowel van de chorda als van de hypophysis. Zoodanige platwormen, voegt hij er bij, moeten noodwendigerwijze meer overeenkomst hebben gehad met de thans levende Nemertinen dan met andere vormen, welke ook.
Wij verwijzen verder belangstellenden naar het oorspronkelijke.
In het 93ste deel van de negende uitgaaf der „Encyclopedia Britannica”, in 1888 verschenen, komt een belangrijk artikel over Vertebrata voor van Prof. E. Ray Lankester, waarin het vraagstuk van de afstamming der Gewervelde Dieren in aansluiting met de denkbeelden van Hubrecht, een belangrijke schrede verder werd gebracht. Wij ontleenen daaraan het volgende.
De onderscheidene kenmerken der Gewervelde Dieren zijn, dat zij allen, hetzij als volwassen dieren, hetzij gedurende een gedeelte hunner embryonale ontwikkeling, zijdelingsche openingen (kieuwspleten) bezitten, die uit de keel naar buiten loopen, dat zij allen een wervelkolom, of zoo niet, dan toch een ruggestreng (chorda dorsalis) bezitten, en dat het centraal-zenuwstelsel, dat steeds oorspronkelijk den vorm van een buis bezit, aan de rugzijde van het dier boven die wervelkolom of ruggestreng is gelegen. Bij alle Gewervelde Dieren in de oude beteekenis van het woord (Zoogdieren, Vogels, Reptielen, Amphibieën en Visschen, met uitzondering van Amphioxus) bedraagt het aantal kieuwspleten hoogstens acht, meest veel minder, bij Amphioxus veel meer (honderd of meer).
Daar de larven der Ascidiën in alle drie deze kenmerken met de Gewervelde Dieren overeenkomen, stelde Ray Lankester reeds in 1877 voor ze onder de Gewervelde Dieren op te nemen, en met hen al de overige Manteldieren (Tunicata). Het geslacht Appendicularia (dat tot de laagst ontwikkelde Manteldieren behoort) behoudt levenslang een dergelijken staart als de larven der Ascidiën, en het spierstelsel van dien staart is duidelijk in segmenten verdeeld, evenals men bij de Gewervelde Dieren (in de oude beteekenis) waarneemt, waar die segmentatie beantwoordt aan de wervels (of liever aan de zoogenaamde voorwervels van den embryo).
Balfour geeft er, daar de Tunicata geen wervels bezitten (Amphioxus en eenige lagere visschen trouwens evenmin), de voorkeur aan de Tunicata en de Gewervelde Dieren in een hoogere groep, door hem Chordata genoemd, te vereenigen. Dit is echter enkel een verschil in woorden. Feitelijk komt het op het zelfde neer dat Lankester wil.
De vereeniging der Tunicata met de Gewervelde Dieren werd door verdere stappen gevolgd. In 1866 toonde Kowalewski aan, dat de merkwaardige zeeworm Balanoglossus (er komen daarvan soorten voor in de golf van Napels en aan de Atlantische kusten van Amerika en van Bretagne) kieuwspleten bezit, met die der Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenkomende. Latere onderzoekingen van Bateson bewezen, dat Balanoglossus in den embryonalen toestand een darmuitstulping bezit, die mogelijkerwijze met een korte ruggestreng vergelijkbaar is, en zijn centraal-zenuwstelsel gedeeltelijk buisvormig is, en wat plaatsing en wijze van oorspronkelijke ontwikkeling aangaat, met dat van de Manteldieren en Gewervelde Dieren overeenstemt. Het is dus onmogelijk Balanoglossus een plaats naast de Manteldieren en Gewervelde Dieren te ontzeggen, en hij behoort in de zelfde hoofdgroep als deze te worden geplaatst. Wij zullen die hoofdgroep liever met Balfour Chordata dan met Lankester Vertebrata noemen. Onderzoekingen in den laatsten tijd door Harmer gedaan omtrent Cephalodiscus, zullen het noodig maken ook dien vorm en naar alle waarschijnlijkheid ook Rhabdopleura, nevens Balanoglossus onder de Chordata op te nemen. [378]
Het Onder-rijk der Chordata vervalt dus in vier takken, waaraan R. Lankester de volgende namen geeft:
1. Craniata (Schedeldieren, de Vertebrata van Cuvier). 2. Cephalochorda (Amphioxus, de ruggestreng loopt door tot in het voorste gedeelte van het dier, dat met den kop der schedeldieren overeenstemt). 3. Urochorda (de Manteldieren (Tunicata); bij diegene waar de ruggestreng niet geheel door degeneratie is verloren gegaan, is zij tot het staartgedeelte van het dier beperkt). 4. Hemichorda (Balanoglossus, zeer korte ruggestreng bij den embryo)
Wij zullen omtrent elk dier afdeelingen eenige opmerkingen maken, die met hun afstamming in verband staan.
1. Craniata.
J. Thacher te New-Haven stelde in 1877 een hypothese omtrent den oorsprong van de ledematen der Craniata, welke van die van Gegenbaur (vergelijk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, I, blz. 528) gedeeltelijk afwijkt, en van vele zijden met instemming werd begroet. Hij vergelijkt de parige en onparige vinnen der visschen en verklaart ze voor gelijksoortige organen. Uitsluitend onparige vinnen of liever zoomen bezitten de laagste Craniata (de lampreien) en de Cephalochorda. Eerst bij de haaien vindt men parige vinnen. Evenals de rug- en aarsvin uit mediane plooien of zoomen ontstaan, laat Thacher nu de parige vinnen uit parige zijdeplooien ontstaan, die bij den embryo der hoogere Craniata door de zoogenaamde Wolffsche lijsten worden vertegenwoordigd. Uit de talrijke kraakbeenige stralen waardoor de vinnen worden gesteund, en die oorspronkelijk alle evenwijdig loopen, ontstonden in den loop der palaeontologische ontwikkeling door versmeltingen en verdeelingen het skelet der borst- en buikvinnen en daaruit dat van de ledematen der hoogere gewervelde dieren. Balfour vond deze hypothese bij het onderzoek van haaiembryo’s bevestigd, en ook Dohrn sluit zich bij diens beschouwingen aan.
Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der Craniata worden, als zij tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een operculaire [379] plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en homoloog is met den epipleuralen [380] plooi van Amphioxus, den kraag van Balanoglossus en wellicht met den wand der atriale kamer van de Urochorda. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het middelste gedeelte van het lichaam (tusschen de keelstreek en de aars) verkreeg bij voorouders der Craniata de functie van een doorloopende rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9). Tegelijkertijd ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en staartgedeelte tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met de rug-, staart- en aarsvinnen der bestaande visschen. Zoowel in de parige als in de onparige vinnen ontwikkelde zich een kraakbeenig geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een aantal stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De oorspronkelijke vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van sommige haaien bewaard gebleven; de oorspronkelijke zijdelingsche vin is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien) evenals haar verlenging aan den voorkant (het operculum), òf zij is met de elementen van haar skelet geconcentreerd in twee streken en heeft aldus aan de borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels, het aanzijn gegeven.
2. Cephalochorda.
In vele opzichten draagt Amphioxus (de slakprik), de eenige levende vertegenwoordiger der Cephalochorda, de sporen van af te stammen van een hooger georganiseerden vorm. Ook zijn levenswijze en de aard van zijn voedsel wijzen daarop. Toch stond die voorouderlijke vorm waarschijnlijk ver beneden alle levende Craniata. Er is geen reden om te onderstellen, dat deze voorouder een schedel of eigenlijk gezegde hersenen bezat. Wel bezat die voorvader waarschijnlijk parige oogen, gehoororganen (otocysten) en nieren (nephridia), welk alles Amphioxus mist, en was ook grooter dan deze laatste. De epipleurale plooien, die bij Amphioxus den kap van den bek, de opercula der kieuwen en de daarmede samenvloeiende buikvin vormen, waren waarschijnlijk minder ontwikkelde zijdelingsche lijsten, welke de kieuwspleten van voren en van achteren beschermden, en door hun golving en de verplaatsing van het lichaam in de ruimte hielpen tot stand brengen, terwijl de mediane (onparige) vin en haar stralen goed ontwikkeld en hoofdorgaan voor de verplaatsing waren.
Amphioxus en zijn larve zijn asymmetrisch gebouwd. Er is geen reden om aan te nemen, dat dit ook met den voorvader het geval was.
3. Urochorda.
De Urochorda zijn zoo uiterst afwijkend, en vertoonen zelfs in hun ontwikkeling zoo weinig meer dan een voorbijgaand spoor van de organen der typische Gewervelde Dieren, dat wij niet kunnen hopen van hen veel positief licht omtrent de voorouders dezer laatste te kunnen verkrijgen. Alleen de kleine Appendiculariae (Larvalia) behouden levenslang de sporen van hun verwantschap met de typische Gewervelde Dieren en zij zijn blijkbaar, gelijk ook hun geringe grootte bewijst, uiterst gedegenereerd (Fig. 10). Het is mogelijk hypothesen te maken omtrent de in meerdere of mindere mate hoogere organisatie van de voorouders der Urochorda, en zelfs vol te houden, dat hun stamouders een even hooge organisatie als de Craniata hadden bereikt; van den anderen kant is het niet waarschijnlijk, dat het punt waarop zij zich van de hoofd-afstammingslijn welke tot de Craniata leidt, scheidden, lager was dan, of zelfs zoo laag als dat, waarop de Cephalochorda er zich van scheidden. De scheiding van romp en staart door beperking van de chorda aan de voorzijde is een grooter toenadering tot het maaksel der Craniata dan Amphioxus vertoont, terwijl de stellige ontwikkeling van hersenen van betrekkelijk aanzienlijke grootte de Urochorda dichter bij de Craniata plaatst dan Amphioxus. De metamerische myomeren zijn bij dezen laatste wel sterk ontwikkeld, maar zij ontbreken toch ook bij de Urochorda niet (gelijk dikwijls wordt beweerd), maar bestaan bij deze in een rudimentairen vorm, welke bewijst, dat zij bij hun voorouders een grootere ontwikkeling bezaten.
4. Hemichorda.
De Hemichorda (het geslacht Balanoglossus) zijn wormvormige dieren, met langen en van boven naar beneden eenigszins afgeplatten bouw. Voor den mond ligt een lange cylindervormige slurp, en achter den mond een kraag, waarvan de vrije zoom naar achteren gekeerd en homoloog is met de operculaire epipleurale plooien der Cephalochorda en Craniata. Deze homologie wordt aangetoond door een paar kraagporiën, die in de holte van den kraag uitmonden, gelijk de „bruine trechters” van Amphioxus in de epipleuraalholte van dat dier. Een slurpporie, die aan de linkerzijde in den vóór den mond gelegen slurpholte uitloopt (bij B. Kupfferi parig), komt juist overeen met een soortgelijk geplaatste porie, welke bij den jongen Amphioxus (volgens Hatschek, 15) naar het buisvormig orgaan leidt, dat uit de linkerkamer van de holte van den vóór den mond van dat dier gelegen lob komt. De geheele oppervlakte van het lichaam is met trilharen bedekt, gelijk bij de Nemertinen en Echinodermen, maar bij geen enkel der Craniata, Urochorda en Hemichorda het geval is. Op den kraag volgt een doorboorde streek—kieuwspleten, die van de buitenzijde van het lichaam naar de keel loopen. Bij den jongen vorm bestaat er gedurende zekeren tijd, evenals bij Appendicularia en de Ascidiënlarven, slechts één paar kieuwspleten, maar zij nemen later in aantal toe, naarmate het dier langer wordt. De notochorda (ruggestreng, h in Fig. 11) ontstaat bij het jonge dier aan het voorste einde van den hypoblast, en groeit naar voren, als een steunpunt voor de basis van den slurp. Zij is tot deze zeer kleine streek beperkt. De cerebro-spinale zenuwstreng ontstaat door een plaatvormige afscheiding van een vaste streng epiblast in de midden over den rug loopende lijn van het middelste derde gedeelte van het lichaam, daarna breidt hij zich door de invaginatie (samengroeiing) van zijn beide zijden, als een buis, zoowel naar voren als naar achteren uit. Onder de opperhuid bestaat over het geheele lichaam een netwerk van zenuwdraden (en cellen?). Het stelsel van den bloedsomloop is eigenaardig, daar het bestaat uit een voorste hart (in den slurp) en een rugge- en buikvat, welke door een vlecht onderhuidsche vaten worden verbonden. Het spierstelsel van den lichaamswand is niet in achter elkander liggende myomeren verdeeld, maar van den anderen kant zijn de geslachtsdeelen (eierstokken of zaadklieren) zakvormig, en herhalen zich, evenals bij Amphioxus, als een reeks over een groot gedeelte van de lengte van het lichaam. In de keelstreek komen de geslachtszakken in aantal met de kieuwspleten overeen. Er zijn geen nieren (tenzij de snuitporie en de kraagporiën als zoodanig moeten worden beschouwd); maar de bindweefselcellen der lichaamsholte werken als uitscheidende organen, gelijk bij de Echinodermata en de Urochorda, en ook een lang klierachtig orgaan in den slurp, dat aan het uiteinde van de notochorda is vastgehecht, schijnt met deze functie in verband te staan. Niet het minst opmerkelijk bij de Hemichorda is de aard hunner larven. Geen andere Chordata bezitten larvenvormen welke wijzen op het maaksel hunner vroege voorouders uit den tijd toen deze nog geen ruggestreng (chorda) bezaten; hoe belangwekkend de Ascidiënlarven, de jonge Amphioxus en de embryo van den hondshaai (Scyllium) ook zijn, brengen zij ons niet buiten de wereld der chordadieren. Eenige soorten van Balanoglossus (? B. minutus) doorloopen echter een larvetoestand, waarin zij banden van trilharen bezitten, welke larven als Tornaria bekend zijn, en vroeger, voordat haar betrekking tot Balanoglossus was ontdekt, werden beschouwd als echinodermenlarven, met Bipinnaria verwant. Het is onmogelijk de Tornaria-larve van Balanoglossus niet als geheel overeenkomstig met de larven der Echinodermata te beschouwen, en daaruit volgt, dat er tusschen Balanoglossus en de Echinodermata de eene of andere verwijderde genetische betrekking moet bestaan, met andere woorden: dat het verre bloedverwanten zijn.
Wij zijn omtrent de Hemichorda eenigszins uitvoerig geweest en de op speciaal zoölogisch terrein minder thuis zijnde lezer zal veel in het door ons aan Lankester ontleende aantreffen, dat hem niet volkomen duidelijk is. Zonder tal van afbeeldingen en veel grooter uitvoerigheid dan het bestek van dit werk toelaat, was zulks echter onmogelijk te vermijden. Van den anderen kant zijn deze feiten, die, zoover ons bekend is, nog in geen enkel Nederlandsch werk zijn behandeld, voor de afstammingsleer der Gewervelde Dieren (en dus ook van den mensch) zoo buitengewoon belangrijk, dat zij hier onmogelijk mochten worden gemist, en zullen door diegenen onzer lezers, welke meer op de hoogte der wetenschap zijn, ongetwijfeld met de meeste oplettendheid worden gelezen.
Het schijnt, dat in Balanoglossus eindelijk een diervorm is gevonden, met den stamvorm der Gewervelde Dieren nauw verwant, die, hoewel ongetwijfeld gewijzigd, zoodat hij voor zijn bijzondere leefwijze (hij graaft holen in het natte zeezand) geschikt werd, en wellicht in zekere mate gedegenereerd, echter niet afstamt van een veel hooger ontwikkelden voorvader. De met trilharen bekleede opperhuid, de lange, wormachtige vorm en het volkomen ontbreken van segmentatie in het spierstelsel van het lichaam, leiden ons naar vormen, op de Nemertinen gelijkende. De groote slurp van Balanoglossus mag wel worden vergeleken met het voor instulping vatbare orgaan, dat bij de Nemertinen een dergelijke plaats inneemt. De kraag is het eerste begin van een toestel dat bestemd was een groote belangrijkheid te verkrijgen bij de Cephalochorda en Craniata, en diende misschien bij de voorouders van Balanoglossus om een enkele kieuwspleet te beschermen, vóór het aantal dezer openingen was toegenomen. Als men, gelijk geoorloofd is, de nieren, alsmede de zijdelingsche en dorsale zenuwstammen aan de Nemertinen ontleent, vindt men, dat de Balanoglossus de hoopvolste hypothetische oplossing van den stamboom der Vertebrata geeft. Die stamboom, aan den wortel met de Echinodermata en de Nemertinen samenhangende, geeft hooger de drie zijtakken der Hemichorda Cephalochorda en Urochorda af. Ze wordt uitgedrukt door onderstaande (met eenigszins gewijzigde namen) aan Lankester ontleende figuur:
(16) De hier bedoelde Serranussoorten zijn de zoogenaamde zeebaarzen der Middellandsche Zee, Serranus Scriba, S. Cabrilla en S. (Centropristis) Hepatus. Ook bij den karper, kabeljauw, baars, melanurus, steur, snoek en wijting heeft men somwijlen hermaphroditische voorwerpen aangetroffen. Het hermaphroditisme van deze laatste soorten verschilt echter van dat der Serranussoorten in verschillende belangrijke opzichten, namelijk:
a. Bij de Serranussoorten ontwikkelt zich de hom tusschen de rokken der kuit, en elke helft der primitieve dubbele kiemklier zet zich tot beide organen om.
b. Bij de andere soorten vormen hom en kuit afzonderlijke lichamen, en ontwikkelen de beide helften der primitieve dubbele kiemklier zich rechts en links nimmer tot hom en kuit te gelijk.
Hieruit volgt, dat het hermaphroditisme bij Serranus symmetrisch en tweezijdig (bilateraal), bij de andere soorten daarentegen asymmetrisch en hoogstens eenzijdig (unilateraal) is. Deze laatste komen dus overeen met de hermaphroditische voorwerpen die men soms bij zekere insektensoorten heeft waargenomen en bij welke de eene (b.v. de rechter-) helft mannelijk, de andere (b.v. de linker-) helft vrouwelijk was.
Wanneer nu het hermaphroditisme bij Serranus niet normaal was, zou men mogen verwachten, dat het met dat abnormale hermaphroditisme van de andere vischsoorten en insekten zou overeenkomen. Dat het er echter op bovenvermelde wijze van verschilt, pleit sterk voor de meening, dat wij bij Serranus wel degelijk met een normalen toestand hebben te doen (Vergelijk Prof. H. J. Halbertsma in „Verslagen en Mededeelingen der Kon. Akad. v. Wet. Afd. Nat.” Deel XVI).
Dat de aal (Conger) hermaphroditisch is, gelijk men vroeger wel heeft beweerd, is onjuist gebleken, daar voor eenige jaren (vergelijk Isis, 1881, blz. 88 en 125) de mannelijke alen zijn ontdekt, waarbij bleek, dat de gewone alen allen wijfjes zijn.
De tot een geheel andere afdeeling der visschen behoorende slijmaal (Myxine glutinosa), een met de lampreien verwante, zeer laag georganiseerde visch (behoorende tot de onder-klasse der Monorrhina), is echter volgens de jongste onderzoekingen hermaphroditisch, maar tevens (evenals verschillende planten, bij welke het stuifmeel rijpt vóór de stampers geslachtsrijp zijn) proteraudrisch, d.w.z. dat in de jeugd de mannelijke organen tot ontwikkeling komen, en deze op later leeftijd (zoodra hij 32 à 33 cM. lang is geworden) achteruitgaan en niet meer kunnen worden gebruikt, terwijl daarentegen de vrouwelijke organen, die in de jeugd zeer weinig ontwikkeld waren, dan tot volkomen ontwikkeling komen. Zulk een slijmaal is dus feitelijk in zijn jeugd een mannetje, op zijn ouden dag een wijfje! („Bergens Museum Aarberetning for 1887.”) Zelfbevruchting is derhalve bij den slijmaal onmogelijk.
Dr. P. P. C. Hoek heeft in 1809 in het Zoölogisch station van Dr. A. Dohrn te Napels onderzoekingen gedaan aangaande het hermaphroditisme bij visschen. Aan zijn verslag dienaangaande aan den minister van binnenlandsche zaken is het volgende ontleend:
„Verschillende waarnemingen hebben aan het licht gebracht, dat in de klasse der visschen hermaphroditisme juist geen groote zeldzaamheid is. Dufossé (1856) stelde vast, dat Serranus Cabrilla steeds tweeslachtig is; Syrski (1876) toonde aan, dat niet alleen onder de Percidae, waartoe het geslacht Serranus behoort, maar ook onder de Sparidae visschen voorkomen, die regelmatig hermaphrodiet zijn en ook Brock (1878) wijdde, bij gelegenheid van zijn op de geslachtsorganen der visschen betrekking hebbende onderzoekingen, zijn aandacht aan de zelfde aangelegenheid. Het kwam mij wenschelijk voor dat hermaphroditisme bij visschen van verschillende groepen aan een vernieuwd vergelijkend onderzoek te onderwerpen.
„Voor zooverre zij in de Golf van Napels voorkomen, heb ik van alle repraesentanten der Percidae en Sparidae (beide families uit de afdeeling der stekelvinnige visschen) exemplaren onderzocht. Dit waren de volgende visschen:
Percidae: Apogon rex mulorum. Centropristis hepatus. Labrax lupus. Polypiron cernium. Serranus cabrilla. ,, scriba.
Sparidae: Box boops. ,, salpa. Chrysophrys auratus. Charax puntazzo. Cantarus lineatus. Oblata melanura. Pagellus erythrinus. ,, mormyrus. Sargus annularis. ,, Rondeletti. ,, Salviani.
„Bovendien werden Smaris alcedo (Fam. Pristipomini) en Ophidium barbatum (een weekvinnige visch uit de afdeeling der Anacanthini), beide visschen, bij welke Syrski eveneens verschijnselen van hermaphroditisme waarnam, in mijn onderzoekingen opgenomen.
„Het resultaat nu van mijn waarnemingen is in ’t algemeen een bevestiging van hetgeen vroegere onderzoekers mededeelden: hermaphroditisme blijkt bij talrijke visschen een vrijwel standvastig voorkomend verschijnsel te zijn. De door mij onderzochte visschen waren echter geen van allen geslachtsrijp (daarvoor was het tijdens mijn verblijf te Napels nog te vroeg in den tijd); de physiologische zijde van het vraagstuk heb ik dan ook geheel buiten beschouwing gelaten en mij geheel tot beschouwing uit een morphologisch oogpunt bepaald.
„Ik bespreek in deze voorloopige mededeeling alleen de door mij bij de twee bovengenoemde families (Percidae en Sparidae) verkregen resultaten. Al aanstonds verdient vermelding, dat het verschijnsel der tweeslachtigheid zich bij elke familie onder een eigen vorm vertoont. Tot de Percidae behooren de oudst bekende vormen van hermaphrodiete visschen: Serranus cabrilla, S. scriba en Centropristis hepatus. Terwijl de andere door mij onderzochte Percidae niet tweeslachtig bleken te zijn, waren de genoemde soorten het in alle door mij ontlede exemplaren en wel op die wijze, dat hun geslachtsklieren er als eierstokken uitzagen, dat zij echter niet uitsluitend eierstokken waren, daar de wand der klier aan de binnenvlakte niet overal met ovariaal-lamellen was bezet, maar in een bepaald, gewoonlijk naar de buikzijde van den visch toegekeerd gedeelte, een tweetal naar binnen groeiende uitstulpingen of aanzwellingen ontwikkelden, die uit testiculair parenchym waren samengesteld. Steeds was echter het vrouwelijke deel van de geslachtsklier veel omvangrijker dan de mannelijke—men zou deze visschen dus kunnen beschouwen als wijfjes die tevens mannelijke voortplantingsproducten voortbrengen.
„Bij de Sparidae komt hermaphroditisme nu veel algemeener voor dan bij de Percidae. In verreweg de meeste soorten dezer familie treft men naast éénslachtige ook tweeslachtige exemplaren aan en wel schijnt het dan de regel te zijn, dat de exemplaren òf vrouwelijk zijn òf hermaphrodiet. Soorten bij welke alle exemplaren hermaphrodiet zijn, schijnen echter in deze familie te ontbreken, ten minste ik trof in alle door mij onderzochte soorten ook exemplaren aan, die éénslachtig en wel vrouwelijk waren. Zoo ook bij Chrysophrys auratus—ofschoon Syrski voor deze soort vermeldt, dat zij constant hermaphrodiet is. De soorten, bij welke ik tweeslachtigheid constateerde, waren de volgende: Box salpa, Charax puntazzo, Sargus Rondeletti, S. annularis, S. Salviani en Pagellus mormyrus. Voegt men hier nu nog Chrysophrys auratus bij, van welke soort ik slechts een enkel exemplaar dat uitsluitend vrouwelijk was, heb kunnen onderzoeken, een soort die echter volgens Syrski en Brock beide onder de tweeslachtigen moet worden gerekend; neemt men dan nog in aanmerking dat ik toevalligerwijze van Cantharus lineatus alleen vrouwelijke exemplaren heb kunnen onderzoeken, dan blijven er van de in de Golf van Napels voorkomende Sparidae slechts drie soorten over (Box boops, Oblata melanura en Pagellus erythrinus), van welke kan worden vermoed dat zij niet tweeslachtig zullen zijn. Alleen bij deze drie soorten trof ik naast vrouwelijke exemplaren uitsluitend zuiver mannelijke aan: bij alle andere (en vermoedelijk ook bij Cantharus lineatus) komen, naast de vrouwelijke, hermaphrodiete exemplaren voor, terwijl ware mannetjes er schijnen te ontbreken of zeldzaam voor te komen.
„In één opzicht echter valt er ook bij de mannelijke exemplaren van de drie genoemde soorten nog een overblijfsel van het oorspronkelijk hermaphroditisme te constateeren. Onderzoekt men de uitvoergangen van de geslachtsorganen bij een hermaphrodiet uit de groep der Sparidae, b.v. bij Box salpa, dan blijkt de oviduct een kanaal te zijn met een dikken wand, terwijl de vasa efferentia bestaan uit een systeem van met elkander communiceerende lacunen die hun verloop hebben door dien dikken wand van den oviduct. Terwijl nu bij de door mij onderzochte mannelijke exemplaren van Box boops en Pagellus erythrinus geen spoor van een eierstok is te bekennen, is de oviduct er nog aanwezig in den vorm van een aan beide zijden blind gesloten gang, waaromheên de vasa efferentia op de zelfde wijze zijn gerangschikt als dit bij de hermaphrodiete exemplaren van de verwante soorten het geval is. Vergis ik mij niet, dan levert het voorkomen van dezen rudimentairen oviduct bij exemplaren die overigens volstrekt niet tweeslachtig zijn, een krachtig bewijs ten voordeele van de opvatting, dat in de geheele familie der Sparidae het hermaphroditisme oorspronkelijk een algemeen voorkomend verschijnsel is.
„Wat de geslachtsklieren aangaat, zoo vertoonen deze zich bij de hermaphrodiete Sparidae onder een anderen vorm dan bij de tweeslachtige Serranussoorten. Is het bij deze laatste als ’t ware een gedeelte van den eierstok, dat uit testiculair weefsel is opgebouwd, heeft er dus bij hen een zoo innige vergroeiing van de twee de verschillende geslachtsproducten voortbrengende klieren plaats gevonden, dat men slechts van een enkele kliermassa kan spreken, zoo bestaat elke geslachtsklier bij de tweeslachtige Sparidae uit twee slechts gedeeltelijk samenhangende kliermassa’s en wel uit een meer naar het mediane vlak van den visch toegekeerden eierstok en een meer naar buiten gelegen testis. Vermoedelijk vertoonen de Sparidae een toestand die meer met den oorspronkelijken overeenkomt dan dit met de hermaphrodiete Percidae (de Serranus- en Centropristis soorten) het geval is, en moet dus de toestand waarin de voortplantingsklieren dezer laatste zich bevinden, als een van jongere dagteekening worden beschouwd. Zeker is het, dat uit de door mij ingestelde onderzoekingen blijkt, dat we in het hermaphroditisme van de visschen niet hebben te zien een abnormaal in slechts enkele gevallen optredend verschijnsel, maar veeleer een toestand die voor de meeste leden van een vrij groote groep van deze dieren een volkomen normale is.”
(18) De zwarte salamander van Zwitserland is levendbarend, en de jongen worden volkomen ontwikkeld (dus zonder kieuwen) geboren. Onder de vorschen is een soort (Hylodes martinicensis) op Guadeloupe, die wel is waar niet levendbarend is, maar bij welke de jongen toch al de larventoestanden binnen het ei doorloopen. Hier is dus embryo, wat bij de stamsoort larve was. Wellicht zouden ook deze embryo’s, uit het ei genomen, kunstmatig tot vorschen zijn op te kweeken, evenals het Mej. de Chauvin in Zwitserland is gelukt de embryo’s van den levendbarenden salamander buiten het moederlichaam tot salamanders op te kweeken, vergelijk „Ontstaan der Soorten”, 3de Nederlandsche uitgaaf, blz. 629. De larven der salamanders en vorschen vertegenwoordigen in haar jongeren, pootloozen toestand de vischvormige stamsoort der amphibieën. Dat de larve vaak den vroegeren volkomen toestand der soort vertegenwoordigt, blijkt uit de gevallen, waarin ook de larve in ouderen toestand, maar toch nog van kieuwen voorzien, het geslacht kan voortplanten (Axolotl).
Ook bij insekten zijn voorbeelden bekend, dat zij zich in onvolkomen toestand (als maskers of zelfs poppen) voortplanten. Als dit zonder voorafgaande copulatie (parthenogenetisch) geschiedt, heeft von Baer („Mém. de l’Acad. de St. Pétersbourg”, vol. XV, No. 8) daaraan den naam van paedogenesis gegeven.
(19) „Zij worden sympathetisch aangedaan door den invloed van sommige ziekten.” Sympathetische aandoeningen van een orgaan noemt men ziekelijke verschijnselen die zich in dat orgaan voordoen, zonder dat eenige oorzaak van ziekte rechtstreeks op het zelve werkt, maar door de reactie van een ander oorspronkelijk beleedigd orgaan. Zoo veroorzaakt de aanwezigheid van ingewandswormen in het darmkanaal jeukte in den neus. Deze sympathie is dus pathologisch, hetgeen de correlatie (zie aanteekening 6, blz. 37) physiologisch en teratologisch is.
(20) Deze verklaring komt ons hoogst gewrongen voor. De voornaamste intermitteerende normale en abnormale processen zijn de nachtelijke slaap, de maandstonden en haar vervangende verschijnselen, de ademhaling, het kloppen van het hart, de intermitteerende koortsen. Dat men ’s nachts slaapt en over dag waakt, zal wel eensdeels aan onze levenswijze, die zich er naar regelt, dat het ’s nachts donker en over dag licht is, en anderzijds aan de overgeërfde gevolgen van de gewoonte bij tallooze geslachten van voorvaderen liggen. Daarenboven staat deze periodieke slaap, evenmin als de duur der in- en uitademingen, der hartkloppingen en van periodieke koortsen in eenig duidelijk verband met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Wat de menstruatie en de haar vervangende verschijnselen aangaat, zoo hebben wij er reeds in aanteekening 11, blz. 40 op gewezen, dat die bij verschillende individu’s een zeer verschillende lengte hebben. Wat den duur der zwangerschap aangaat, deze is ook bij verschillende individu’s van een zelfde soort niet geheel gelijk en bij de verschillende zoogdiersoorten hoogst ongelijk. Ware nu de duur der zwangerschap te verklaren op de door Darwin aangegevene wijze, dan zouden alle zoogdieren den zelfden duur van zwangerschap moeten hebben; want zij stammen van éénen voorvader, het eerste zoogdier, af, die geen stranddier, maar slechts de zeer verwijderde afstammeling van een stranddier was, en zouden met dezen in duur van zwangerschap moeten overeenkomen. Daarenboven staat de duur der zwangerschap in zeer indirect verband met de schijngestalten en den omloopstijd der maan. Het zelfde gaat door bij het uitbroeden van vogeleieren. Wat intermitteerende koortsen aangaat, staat de intermittentie in verband met de levensperioden van de microbe die de malaria veroorzaakt, en die in den koortsvrijen tijd niet in volwassen toestand in het bloed des lijders voorkomt. Wij voor ons vinden, dat het geen nadere verklaring behoeft, dat een organisme om zich, uitgaande van het zelfde punt onder nagenoeg de zelfde omstandigheden tot nagenoeg de zelfde hoogte te ontwikkelen ook steeds nagenoeg den zelfden tijd noodig heeft; het spreekt daarom van zelf, dat de zwangerschap bij de zelfde zoogdiersoort steeds nagenoeg even lang duurt, en dat het evenzoo gaat bij het uitbroeden der eieren van een bepaalde vogelsoort. Daar wij nu den tijd meten door den omloop der hemellichamen, ontstaat er natuurlijk een schijnbaar verband tusschen deze en den duur der zwangerschap, der uitbroeding, enz. Wij meten echter den tijd ook door middel van uurwerken, en elke zwangerschap of broedtijd zal dus in duur eenigermate overeenstemmen met een zeker aantal omloopstijden van den wijzer onzer pendule, en toch zal niemand op het denkbeeld komen een wezenlijk verband tusschen deze beide verschijnselen te zoeken!
(21) Haeckel geeft in zijn verhandeling „Ueber die Entstehung und den Stammbaum des Menschengeschlechts”, Berlin, 1870, in zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte”, en (verbeterd en vermeerderd) in zijn „Anthropogenie” [381] den geheelen dierlijken stamboom, dien de mensch volgens hem zou hebben gehad, op. Deze stamboom verschilt van den door Darwin aangenomenen slechts weinig, maar wordt nog veel verder dan de onderstelde, met de tegenwoordige Zakpijpen (Ascidiae) verwante stamouders der Werveldieren voortgezet. Voor wij dezen stamboom mededeelen, moeten wij echter een overzicht van Haeckel’s indeeling der Gewervelde Dieren vooraf laten gaan. Haeckel verdeelt de Gewervelde Dieren in acht klassen volgens het volgende schema:
Schedellooze werveldieren 1. Lancetdieren (Acrania). Schedeldieren { Craniata met enkelvoudig (Craniata). { reukorgaan 2. Rondmuilen { (Monorrhina). { Craniata met { Amnionlooze { 3. Visschen { dubbel { (Anamnia) { (Pisces). { reukorgaan { { 4. Dipneusta. { (Amphirrhina) { { 5. Amphibia. { { Amniondieren { 6. Reptilia. { { (Amniota). { 7. Vogels (Aves). { { { 8. Zoogdieren { { { (Mammalia).
De klasse der Acrania of Leptocardii wordt in de hedendaagsche dierenwereld slechts door den slakprik (Amphioxus) vertegenwoordigd. De klasse der Monorrhina omvat de Cyclostomen, die der Dipneusta de Protopteri (de geslachten Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus). Voor de klasse der eigenlijke Visschen blijven dus nog over de onder-klassen der Selachiërs, Ganoïden en Teleostiërs.
De stamboom van den mensch wordt nu door Haeckel ondersteld de volgende te zijn:
A. Eencellige voorouders der gezamenlijke Meercellige Dieren.
Protozoa.
Eerste trap: Moneren, organismen van de eenvoudigst denkbare samenstelling, gelijk de nog heden levende Protamoeben, Protogenes, Bathybius enz., slechts uit een vormloos stukje levend oerslijm of protoplasma bestaande; de oudste Moneren, waaruit zich eerst later cellen ontwikkelden, kunnen volgens Haeckel slechts door generatio spontanea („Urzeugung”) uit anorganische verbindingen zijn ontstaan. [382]
Tweede trap: Lobvoeten of Amoeben, organismen van de morphologische waarde eener eenvoudige cel zonder wand, derhalve slechts uit een vormloos stukje levend protoplasma en een daarin omsloten kern of nucleus gevormd. Waarschijnlijk verschilden deze eencellige oerdieren niet sterk van de tegenwoordige Amoeben, gelijk ook nog heden het menschelijk ei niet wezenlijk van een ingekapselde Amoebe verschilt.
B. Veelcellige voorouders der gezamenlijke Darmdieren.
Metazoa.
Derde trap: Synamoeben of eenvoudige Amoebengroepen, gevormd uit een hoop gelijksoortige naakte cellen, evenals de tegenwoordige Labyrinthuleeën, of de moerbezievormige celkogel (morula) van het gekliefde ei. [383]
Vierde trap: Trilhaarzwermers of Planaeaden, gelijkende op de van trilharen voorziene larve of Planula van Amphioxus en vele Ongewervelde Dieren; veelcellige, rondachtige, holle lichamen, waarvan de oppervlakte met trilharen is bezet. [384]
Vijfde trap: Oerdarmdieren of Gastraeaden, holle lichamen, wier wand uit twee verschillende cellagen (huidblad of exoderm en darmblad of entoderm) bestaat, met een opening (oermond) aan het eene uiteinde. De binnenste cellaag vormt den oerdarm. Zij geleken op de darm larve (Gastrula), die nog heden bij de meest verschillende dieren, zooals sponzen, polypen, koralen, medusa’s, wormen, weekdieren, manteldieren en den slakprik voorkomt.
C. Voorouders der gezamenlijke Gewervelde Dieren.
Zesde trap: Platwormen of Turbellariën, of ten minste laag ontwikkelde wormen van een zeer eenvoudige samenstelling (Archelminthes), die zich uit de Gastraeaden ontwikkelden, en met welke onder de thans levende wormen de Turbellariën het naast verwant zijn. Tot deze behooren de Nemertinen die volgens Hubrecht en Ray Lankester ’t naast met de laatste voorouders der Gewervelde Dieren verwant zijn.
Zevende trap: Weekwormen of Scoleciden die den overgang vormden tusschen de Turbellariën van den zesden trap en de Himategen van den achtsten trap. Deze trap vervalt als men Ringwormen als de laatste voorouders der Gewervelde Dieren beschouwt. Volgens de beschouwingen van E. Ray Lankester wordt deze trap ingenomen door de Hemichorda, in de levende schepping vertegenwoordigd door het geslacht Balanoglossus. [385]
Achtste trap: Zakwormen of Himategen (Urochorda van Ray Lankester), in de thans levende dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd door de Manteldieren (Tunicata) en bijzonder de Zakpijpen (Ascidiae). De uitgestorven soorten van dezen trap, waarvan de Gewervelde Dieren afstammen, kwamen met deze laatste vooral overeen door de ontwikkeling van den aanleg van het ruggemerg en de daaronder gelegen ruggestreng (chorda dorsalis). Volgens Dohrn, Hubrecht, Ray Lankester enz. een gedegenereerde zijtak der Gewervelde Dieren en dus geen directe voorouders van den mensch.
D. Gewervelde Voorouders der gezamenlijke Schedeldieren (Craniata).
Negende trap: Schedelloozen of Acraniën (de Cephalochorda van Ray Lankester); Werveldieren zonder kop, zonder schedel en hersenen, zonder gecentraliseerd hart, zonder kaken, zonder beenderen; in de tegenwoordige dierenwereld in gedegenereerden vorm vertegenwoordigd door den slakprik of Amphioxus.
E. Voorouders der gezamenlijke Amphirrhinen.
Tiende trap: Monorrhinen; Werveldieren met kop, schedel en hersenen, met een gecentraliseerd hart; zonder sympathisch zenuwstelsel, zonder kaken, zonder beenderen; met enkelvoudig reukorgaan; gelijkende op de nog heden levende slijmalen (Myxinoïden) en lampreien (Cyclostomata).
F. Voorouders der gezamenlijke Amnionlooze en Amniondieren (Anamnia en Amniota).
Elfde trap: Oervisschen of Selachiërs; Visschen die zeer nauw verwant waren met de nog heden levende haaien, met een zwemblaas en een dubbel reukorgaan, met twee paar ledematen (vinnen) en kaken. [386]
G. Voorouders der gezamenlijke Amniondieren (Amniota).
Twaalfde trap: Dipneusten; Werveldieren die het midden houden tusschen Visschen en Amphibieën, met kieuwen en longen; gelijkende op de nog heden levende Lepidosiren, Protopterus en Ceratodus.
Dertiende trap: Sozobranchiën; Amphibieën met blijvende kieuwen, gelijkende op den nog heden levenden Proteus anguineus uit de Adelsberger grot.
Veertiende trap: Sozuren; Amphibieën met op volwassen leeftijd verdwijnende kieuwen, gelijkende op de nog heden levende salamanders (Triton en Salamandra).
Vijftiende trap: Oeramnioten of Protamniën; middelvormen tusschen salamanders en hagedissen, die door het volkomen verlies der kieuwen en door de vorming van het Amnion de stamvaders der drie hoogere Klassen van Gewervelde Dieren (Reptielen, Vogels en Zoogdieren) of Amnioten werden. [387]
H. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren.
Zestiende trap: Stamzuigers of Promammaliën; de stamvormen der Zoogdierklasse, met welke onder de thans levende zoogdieren de Australische Snaveldieren (Ornithorhynchus en Echidna) [388] het nauwst verwant zijn, met een cloaca, met buidelbeenderen. (Eierleggend, lichaamstemperatuur hooger dan bij de vorige, maar lager dan bij de volgende trappen. Geen tepels. Dr. H. H. H. v. Z.)
I. Voorouders der gezamenlijke Placentale Zoogdieren.
Zeventiende trap: Buideldieren of Marsupialia; gelijkende op de nog heden levende kangoeroe’s en buidelratten, met buidelbeenderen, zonder cloaca; nog geen moederkoek (Placenta). (Levendbarend, ten gevolge van het ontbreken van een moederkoek worden de jongen in zeer onvolkomen toestand geboren en verblijven dan nog geruimen tijd, zich aan de tepels van het moederdier vastzuigende, in den buidel. Dr. H. H. H. v. Z.)
K. Voorouders der gezamenlijke Zoogdieren met schijfvormige moederkoek (Discoplacentalia). [389]
Achttiende trap: Halfapen of Prosimiën; gelijkende op de nog heden levende Lemuriden, zonder cloaca, zonder buidelbeenderen, met een moederkoek (Placenta).
L. Voorouders van den Mensch uit de Orde der Apen (Simiae).
Negentiende trap: Gestaarte Apen of Menocerken; smalneuzige apen met 32 tanden en een staart, gelijkende op de nog heden levende Slankapen (Semnopithecus en Colobus)
Twintigste trap: Menschapen of Anthropoïden; smalneuzige apen zonder wangzakken en zonder staart, gelijkende op de nog heden levende Orang, Chimpanzee en Gorilla.
Een-en-twintigste trap: Aapmenschen of Oermenschen; gelijkende op de laagst ontwikkelde menschenrassen (Papoea’s, Hottentotten, Nieuw-Hollanders), maar nog zonder het bezit van de menschelijke spraak.
Twee-en-twintigste trap: Menschen, die zich als echte menschen door de vorming der menschelijke spraak en de daarmede verbonden hoogere ontwikkeling der hersenen boven de Oermenschen van den vorigen trap verhieven. De oudste overblijfselen van echte menschen uit het diluvium (Neanderdal, Eguisheim, la Naulette, Spy enz.) worden door Quatrefages, Hamy en de Mortillet gebracht tot een zelfde uitgestorven ras, waaraan de eersten den naam geven van ras van Cannstatt (naar een daar gevonden schedel uit dien tijd) en de laatste den naam van ras van Chelles, naar een plaatsje in Frankrijk, waar men sporen daarvan heeft gevonden.
In zijn „Anthropogenie”, 3de uitgaaf, blz. 412, geeft Haeckel een tabel van de dierlijke voorouders van den mensch, die tevens het geologisch tijdvak aangeeft, waarin zij leefden, waarnaar wij de volgende (met inachtneming der in de noten medegedeelde opgaven in de 8ste uitgaaf der „Nat. Schöpfungsgeschichte”) hebben bewerkt:
--------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------ Tijdvakken van | Geologische | Dierlijke voorouders | Levende naaste de organische | perioden van de | van | verwanten der geschiedenis | organische geschiedenis | den mensch. | dierlijke voorouders. der aarde. | der aarde. | | --------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------
{ { 1. Moneren ( Bathybius. { { (Monera). (? ?) ( Protamoeba. { { { { 2. Eencellige { Eenvoudige { { oerdieren { Amoeben { { (oudste Amoeben { (Autamoebae). { { of Lobvoeten). { { { { { 3. Veelcellige { { { oerdieren { Cystophrys. { { (Synamoebia { Labyrinthula. { { of Moraeada). { { { { { 4. Trilhaarzwermers { { { Planaeada of { Planula-larven. { { Blastaeada). { { 1. Laurentische { I. Het { periode. { 5. Oerdarmdieren ( Gastrula-larven. Archaeolithische { 2. Cambrische { (Gastraeada). ( of Primordiale { periode. { tijdvak. { 3. Silurische { 6. Plat wormen ( Trilwormen { periode. { (Platoda). ( (Turbelleria). { { { { 7. Snoerwormen. { Nemertina. { { { { { Balanoglossus, { { 8. Eikelwormen. { Cephalodiscus, { { { Rhabdopleuza. { { { { { Copelata { { 9. Oerchordadieren { (Appendicularia), { { (Prochordonia). { larven der { { { Ascidiën. { { { { 10. Schedelloozen ( Slakprikken { { (Acrania). ( (Amphioxi). { { { { 11. Rondmuilen ( Lampreien { { (Monorrhina). ( (Petromyzontes). { { { { 12. Oervisschen ( Haaien { { (Selachii). ( (Squalacei). --------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------ { { { Lepidosteus, { { { Polypterus, { { 13. Ganoida. { Amia, { { { Accipenser, { { { Spatularia. II. Het { 4. Devonische { Palaeolithische { periode. { 14. Dipneusta. ( Longvisschen of Primaire { 5. Steenkoolperiode. { ( (Protoptera). tijdvak { 6. Permische { { periode. { 15. Stegocephala. { Proteus anguineus. { { { { ( Watersalamander { { 16. Salamandrina. ( (Triton, { { ( Salamander). --------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------ { { { { 17. Prosephelen of { { { Oeramnioten { Hatteria. { { (Protamnia). { III. Het { 7. Triasperiode. { Mesolithische { 8. Juraperiode. { 18. Zoogdier-reptielen ( Verwanten komen of Secundaire { 9. Krijtperiode. { (Theriosauria). ( niet meer levend voor tijdvak. { { { { 19. Stamzuigers ( Snaveldieren { { (Promammalia). ( (Monotremata). { { { { 20. Buideldieren ( Buidelratten { { (Marsupialia). ( (Didelphyes). --------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------ { { { { 21. Halfapen { Lori (Stenops), { { (Prosimiae). { Maki (Lemur). { { { 10. Eocene { 22. Gestaarte Apen ( Neusapen. IV. Het { periode. { (Menocerken). ( Slankapen. Coenolithische { 11. Miocene { of Tertiaire { periode. { 23. Menschapen of ( Gorilla, tijdvak. { 12. Pliocene { Ongestaarte ( Chimpanzee, { periode. { Apen ( Orang, { { (Anthropoïden). ( Gibbon. { { { { 24. Aapmenschen of { Doofstommen, { { Spraaklooze { Cretins { { Menschen. { en Microcephalen. --------------------+-------------------------+-------------------------+------------------------ V. Het Quartaire ( 13. Diluvium. ( 25. Menschen (Ras ( Nieuw-Hollanders en tijdvak. ( 14. Alluvium. ( van Cannstatt enz.) ( Papoea’s.
Dat niet alle volken het denkbeeld om van dieren af te stammen zoo vernederend vinden als vele Europeanen blijkt uit de volgende voorbeelden.
Van zekeren stam van Madagascar wordt in het Fransche tijdschrift „le Tour du Monde”, 7 Oct. 1871, chronique (op den blauwen omslag), een in verband met de theorie van Darwin omtrent het ontstaan van den mensch niet onaardige bijzonderheid verhaald, namelijk: „Les Betanismena, qui semblent être de la même origine que les Hovas, et dont la peau est d’un brun clair, affirment que leurs ancêtres sont issus des Babacoutes ou grands lémures de la forêt. Récemment un des personages de la cour ayant tué un de ces animaux fut dégradé en punition de son crime et dut solennellement enterrer la victime.” Aan het tegenovergestelde uiteinde van het veronderstelde Lemuria, op het schiereiland Malakka, echter vindt men een dergelijke overlevering. Men leest toch in het „Tijdschrift voor Ind. Taal-, Land-, en Volkenkunde”, X, 4de Serie, I, Batavia, Lange & Co, 1861, blz. 415 („Notice sur les Mantras, Tribu sauvage de la Péninsule Malaise”, par Borie, Missionnaire apostolique): „Je me rappelle avoir entendu plusieurs sauvages raconter fort sérieusement, qu’ils descendent tous de deux singes blancs, de deux ounka puteh. Les deux ounka puteh, ayant engendré leurs petits, se rendirent dans la plaine; ils s’y perfectionnèrent si bien, eux et leurs descendants, qu’ils devinrent des hommes”, etc.
Ook bij de Thibetanen heerscht de overlevering, dat zij van apen afstammen; de Roodhuiden wanen zich met den dierenwereld verwant, en, naar ik meen, ook verschillende stammen van Insulinde, Australië en het vasteland van Afrika. Deze overleveringen van wilden en half-beschaafden bewijzen natuurlijk niets voor het stelsel van Darwin, maar zijn toch, in verband daarmede beschouwd, niet onaardig.
(22) De talentvolle Fransche vertaalster van Darwin’s „Origin of Species”, Mme Clémence Royer, zegt in haar Werk „Origine de l’Homme et des Sociétés”, Paris 1870, blz. 149, na een beschrijving te hebben gegeven van de voorstelling die zij zich maakt van den gemeenschappelijken stamvader der Primaten [390], zeer schoon:
„En somme, pourquoi rougirions-nous d’un tel ancêtre? Si nous devons rougir de notre généalogie, rougissons plutôt de descendre des sauvages cannibales qui ont habité les cavernes de la Belgique et de la Ligurie, de ces races brutales qui faisaient de la guerre, de la rapine et du vol leurs moyens d’existence et leur gloire; de ces Gaulois qui arrosaient de sang humain les autels de leur dieux aussi féroces qu’eux-mêmes; de ces Francs, de ces barbares, qui, ne connaissant que le droit de leur épée, vinrent envahir et étouffer la civilisation gréco-latine, ajouter leurs vices à ses vices, et replonger le monde pour mille ans dans la barbarie à laquelle il commençait à échapper. Rougissons de compter parmi nos ayeux ces barons pillards du moyen âge, qui n’ètaient que des détrousseurs de grands chemins, libres et privilégiés pour commettre tous les crimes sans crainte de châtiment et irresponsables derrière les crénaux de leurs châteaux-forts; mais rougissons aussi d’être les petits-fils de ces Jacques Bonshommes qui, après avoir été longtemps pillés et pendus par leurs barons, ne surent user de leurs droits reconquis que pour piller et pendre à leur tour. Rougissons enfin d’appartenir à cette race chrétienne qui, sous prétexte de venger Dieu, a fait les croisades, les auto-da-fé, la Saint-Barthélemy, les dragonnades, qui a élevé des bûchers aux Vanini, aux Giordano Bruno, aux Jean Huss, aux Servet, emprisonné les Campanella, fait abjurer les Galilée; rougissons de nos pères eux-mêmes, qui n’ont pas su défendre, sans l’ensanglanter, la liberté qu’ils avaient reconquise; mais surtout rougissons de nous-mêmes, qui laissons périr, sans le faire fructitier, sans savoir même le conserver, l’accroître, l’héritage d’héroïsme et de grandes pensées, de victoires et de sacrifices, de vérités nouvelles et d’aspirations généreuses qu’au prix de leur vie ils nous ont légué.
„S’il est vrai que nous comptions des brutes pour ancêtres, que les progrès déjà accomplis par notre race nous donnent la mesure de ceux que nous pourrons accomplir encore, et que notre retour sur notre passé ne serve qu’à nous donner pour l’avenir de plus magnifiques espérances. Après tout, mieux vaudrait descendre, même en droite ligne, d’un orang inoffensif qui n’a jamais fait la guerre à qui ne l’attaquait pas, que d’être fils d’un Timour, d’un Gengis, d’un Attila, voire mème d’un Alexandre ou d’un César, enfin d’un de ces fléaux de l’humanité qui marquent tous leurs pas d’un sillon sanglant, ne comptent leurs jours que par leurs mensonges et ne fondent leurs empires éphémères que sur les débris frémissants de nations libres faites esclaves!”
BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.
STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT. [391]
DOOR Dr. P. HARTING, in leven Hoogleeraar te Utrecht.
A. ALGEMEENE STELLINGEN.
1. De organische schepping maakt een onafgebroken geheel uit, van het eerste verschijnen van levende wezens op aarde af tot aan den tegenwoordigen tijd toe.
2. De vormen, waarin zich het leven opvolgend heeft geopenbaard, zijn steeds in overeenstemming geweest met de levensvoorwaarden en deze met de levensomstandigheden.
3. De levensvormen zijn het product van twee factoren: van de erfelijkheid der eigenschappen, die bewarend, en van het het zich voegen (adapteeren) naar de levensomstandigheden, dat veranderend werkt. [392]
4. Met en ten gevolge van de allengs voortgaande veranderingen waarvan de oppervlakte der aarde het tooneel is geweest, en van de ontwikkeling van de organische wereld zelve, heeft er een voortdurende differentieering der levensomstandigheden plaats gegrepen, waarmede een differentieering der levensvormen gelijken tred heeft gehouden.
5. Gedurende het bestaan van het organische leven op aarde zijn de levensvormen allengs samengestelder geworden in dien zin: dat zich bij de lagere en eenvoudiger vormen hoogere en samengestelder hebben gevoegd, die in het bezit waren van organen en organenstelsels, welke bij de vroeger geleefd hebbende vormen niet of in minder ontwikkelden toestand bestonden.
6. De ontwikkeling der organische vormen is echter niet een in alle richtingen progressieve geweest; zij is in bepaalde gevallen weder regressief geworden, zoowel ten aanzien der bijzondere levensvormen als ten aanzien der organen. Van laatstgenoemde kunnen, als gevolg van het beginsel der erfelijkheid, bij latere generaties nog zeer langen tijd sporen (rudimenten) overblijven, ook dan wanneer deze geenerlei voor het leven nuttige beteekenis meer hebben. Deze kunnen worden beschouwd als herinneringsteekens aan vroegere toestanden, waarin die deelen wel een nuttige beteekenis hadden.
7. De tijd, gedurende welken de aarde door levende wezens bewoond is geweest, is onberekenbaar lang en volkomen toereikend voor de voorstelling, dat de nakomelingen van oorspronkelijk gelijke vormen,—door zeer kleine, bij de individu’s optredende verschillen, maar die, zich erfelijk voortplantende en zich accumuleerende gedurende een reeks van opeenvolgende generaties, allengs grooter werden,—eindelijk zoozeer van elkander verschillen, dat zij tot onderscheidene Soorten, Geslachten, Families, Orden, en zelfs Klassen worden gebracht.
8. Een onderlinge vergelijking der levensvormen leert, dat zij de verwezenlijking zijn van grondplannen, met tallooze kleinere en grootere wijzigingen in de bijzonderheden der uitvoering, zonder dat daardoor het grondplan ophoudt herkenbaar te zijn. Deze gelijkheid van het plan van bewerktuiging van overigens door gedaante en levenswijze zeer uiteenloopende wezens, wijst met waarschijnlijkheid op een gemeenschappelijken oorsprong.
9. De ontwikkeling der individu’s, welke binnen een kort tijdsbestek plaats grijpt, levert tot op zekere hoogte een getrouw beeld van de opeenvolging der verschillende levensvormen in de zeer lange tijdsruimte, welke is verstreken sedert de aarde de woonplaats van levende wezens is geworden. Elke individueele levensvorm doorloopt gedurende zijn ontwikkeling een reeks van toestanden, welke voor andere, op een lageren trap staande levensvormen, blijvende zijn. Ook de ontwikkeling van het individu gedurende het vruchtleven is deels progressief, deels regressief. Organen die gedurende een zekeren toestand der vrucht een nuttige beteekenis hadden, verdwijnen weder of laten slechts sporen achter.
B. BIJZONDERE STELLINGEN MET BETREKKING TOT DEN OORSPRONG VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT.
10. De beschaving is niet van één maar van verscheidene middelpunten uitgegaan. Alleen de Indo-Germaansche beschaving heeft haar bron in de hooglanden van Midden-Azië. Er bestaat derhalve geen enkele reden om daar, met uitsluiting van andere gedeelten der aarde, de plaats van oorsprong van het menschelijk geslacht te zoeken.
11. De ouderdom van het menschelijk geslacht is zeer veel grooter dan men vroeger heeft gemeend. Zelfs de geschiedkundige oorkonden, afkomstig uit een tijd, toen de beschaving van sommige volken reeds een vrij hoogen trap had bereikt, reiken eenige duizenden jaren verder.
12. Een menigte van feiten duidt aan, dat aan dien geschiedkundigen tijd een veel langere tijdruimte is voorafgegaan, gedurende welke Europa reeds werd bewoond door wilde volksstammen die in leefwijze overeenstemden met andere nog heden ten dage levende volken, welke op een zeer lagen trap van beschaving staan. Het is derhalve hoogst waarschijnlijk, dat overal aan den toestand van beschaving een wilde toestand is voorafgegaan en dat de beschaving, hoewel zij in den loop der tijden en bij bepaalde volken ook van elders kan zijn ingevoerd, toch eenmaal door allengsche zelfstandige ontwikkeling is ontstaan.
13. De oudste menschelijke bewoners van Europa leefden gelijktijdig met verscheidene thans uitgestorven soorten van dieren, in een tijd, toen de gedaante van dit werelddeel en de verdeeling van land en water daarin aanmerkelijk verschilden van de tegenwoordige.
14. Het is niet waarschijnlijk, dat ergens in Europa de plaats van oorsprong van het menschelijk geslacht is geweest, maar dit werelddeel is waarschijnlijk eerst door menschen bevolkt geworden, nadat deze elders de eerste trappen van beschaving hadden bereikt. Vermoedelijk was de eerste woonplaats, die tevens de plaats van oorsprong was, tusschen of nabij de keerkringen gelegen, of althans in een streek, waarvan het klimaat met dat der hedendaagsche keerkringslanden overeenkwam. [393] Die plaats van oorsprong is waarschijnlijk in het Oostelijk halfrond te zoeken.
15. De schepping van het menschelijk geslacht kan vergeleken worden met de schepping van elken individueelen mensch. De veranderingen die bij den laatsten, gedurende de vorming der vrucht, in den loop van weinige maanden plaats grijpen, geven een beeld van de veranderingen die, na verloop van millioenen jaren, met het ontstaan van den menschelijken vorm, zooals wij dien kennen, zijn geëindigd.
In zijn allereersten toestand is elk mensch een slechts even zichtbaar protoplasmaklompje, zonder waarneembare differentieering van bijzondere deelen of organen, het naast overeenkomende met de op den laagsten trap staande, zelfstandige levende en zich voortplantende organische wezens, Amoeben en verwante vormen.
Wanneer de differentieering een zekeren trap heeft bereikt, stemt de embryo van een mensch het naast overeen met de larve eener Ascidië. [394]
Bij voortgaande differentieering van organen, verkrijgt de embryo een maaksel, dat, in meer ontwikkelden, blijvenden vorm, bij de Visschen wordt teruggevonden.
Daarop volgt een toestand, welke voor sommige Reptiliën de blijvende is.
Ook dan, wanneer zich reeds duidelijk de Zoogdieren-typus begint te openbaren, doorloopt de vrucht van den mensch toch nog toestanden, die bij andere, lagere zoogdieren blijvend vertegenwoordigd zijn.
In een zeker levenstijdperk vertoont de vrucht van een mensch geenerlei in het oog loopend verschil van de vrucht van een dier uit de Orde der Quadrumana. Eerst in de laatste maanden der ontwikkeling treden de eigenaardigheden in het maaksel, waardoor het menschelijk lichaam van dat der Quadrumana verschilt, duidelijker en duidelijker te voorschijn.
16. De verschillen in het lichamelijk maaksel der Quadrumana en dat van den mensch zijn geen volstrekte maar betrekkelijke. Zij bepalen zich tot een ongelijkmatige ontwikkeling der zelfde in morphologisch opzicht geheel overeenstemmende organen. In het lichaam van den mensch wordt geen enkel deel gevonden, waarvan het homologon niet ook bij een of meer aapsoorten voorkomt. Verscheidene eigenaardigheden van het maaksel heeft de mensch alleen met de hoogere aapsoorten gemeen.
17. Toch is dit betrekkelijk verschil tusschen zelfs de laagste thans levende menschenrassen en de op den hoogsten trap staande Quadrumana, de Anthropomorphen, zeer aanmerkelijk en grooter dan dat tusschen de verschillende soorten dezer Orde, ofschoon minder groot dan dat tusschen haar op den hoogsten en haar op den laagsten trap staande soorten, die echter door nog levende tusschenvormen zijn verbonden.
Een zeer diepe, alhoewel niet onpeilbare kloof scheidt dus, in de thans bestaande wereldorde, den mensch van de hem het naastbij komende dieren. [395]
18. Het vroeger gekoesterde vermoeden, dat in de eene of andere, nog onbekende streek der aarde menschen zouden worden aangetroffen die nog meer dan de reeds bekende met sommige soorten van apen zouden overeenstemmen, heeft zich niet alleen geenszins bevestigd, maar bij de thans bestaande zeer uitgebreide kennis van de bewoners der aarde, waarvan bijna geen plekje meer door reiziger onbezocht is gebleven, mag men wel als zeker stellen, dat zulke tusschenvormen als volk nergens bestaan.
19. Er worden echter van tijd tot tijd, zonder dat men daarvoor bepaalde oorzaken kan opgeven, onder verschillende rassen, ook de hoogste, menschen geboren (microcephalen), die in eenige opzichten, vooral door de geringe ontwikkeling van de hersenen en van de schedeldoos en door een daarmede gepaard gaanden lagen trap der intellectueele vermogens, tot de hoogste Quadrumana naderen. Hun toestand is het gevolg van het blijven staan der vrucht op een ontwikkelingstrap die voor den normalen mensch een voorbijgaande is.
20. Onder de Quadrumana is er geen enkele soort, die gezegd kan worden onder alle den mensch het meest nabij te komen. De verschillen van en overeenkomsten met den mensch zijn over verscheidene soorten verdeeld. Er bestaat derhalve ook geen enkele grond om in een der heden ten dage levende aapsoorten den nog levenden vertegenwoordiger te zien van den oorspronkelijken mensch.
21. Daarentegen bestaan er vele gronden die het waarschijnlijk maken, dat de mensch en de soorten van de Orde der Quadrumana uit een gemeenschappelijken stam zijn ontsproten, waarvan een sterk divergeerende tak tot het menschelijk geslacht is geworden. Deze differentieering moet dan echter in een onberekenbaar lang verleden tijd hebben plaats gegrepen.
ZEVENDE HOOFDSTUK.
OVER DE MENSCHENRASSEN.
De aard en waarde van soortkenmerken. Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af van een enkel paar.—Het uitsterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus.
Het is mijn voornemen niet hier de onderscheidene zoogenaamde menschenrassen te beschrijven; maar te onderzoeken, welke de waarde der tusschen dezelve bestaande verschillen is uit het oogpunt der klassificatie en op welke wijze zij zijn ontstaan. Bij het bepalen, of twee of meer verwante vormen moeten worden beschouwd als soorten of als verscheidenheden, worden de natuuronderzoekers geleid door de volgende overwegingen, te weten: de hoegrootheid van het verschil tusschen hen; of die verschillen op weinige of op vele punten van het maaksel betrekking hebben; of die verschillen uit een physiologisch oogpunt belangrijk, en of zij standvastig zijn. Vooral de standvastigheid der kenmerken wordt door de natuuronderzoekers op hoogen prijs gesteld en gezocht. Zoodra kan worden aangetoond, of het waarschijnlijk is, dat de vormen die men onderzoekt, gedurende een lang tijdvak onveranderd zijn gebleven, wordt dit een bewijsgrond van veel gewicht om ze als soorten te beschouwen. Zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid tusschen twee vormen, als men ze kruist, of tusschen hun bastaarden, wordt algemeen beschouwd als een beslissend bewijs, dat het twee afzonderlijke soorten zijn; en hun voortdurend bestaanblijven in een zelfde streek, zonder dat zij zich met elkander vermengen, wordt gewoonlijk beschouwd als genoegzaam bewijs, hetzij van een zekere mate van wederkeerige onvruchtbaarheid, of bij dieren van een zekeren afkeer om met elkander te paren.
Onafhankelijk van het ontstaan van bastaarden door kruising, is het volkomen ontbreken in een goed doorzochte streek van verscheidenheden die twee nauw verwante vormen met elkander verbinden, waarschijnlijk het belangrijkste van alle kriteria van hun soortelijk verschil; en dit is een overweging die eenigszins verschilt van eenvoudige bestendigheid van kenmerken; want twee vormen kunnen hoogst veranderlijk zijn, zonder daarom nog tusschen hen beide instaande verscheidenheden voort te brengen. De geographische verspreiding is dikwijls onbewust en soms ook met opzet in aanmerking genomen; want gewoonlijk beschouwt men vormen die in twee ver van elkander gelegen gebieden leven, waarin de meeste andere bewoners soortelijk verschillend zijn, eveneens als verschillende soorten; maar in wezenlijkheid helpt ons dit niet om geographische rassen van zoogenaamde goede of ware soorten te onderscheiden.
Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten. Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt [396], een pas aangekomen Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen, aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel uitoefenen.
Het valt echter niet te betwijfelen, dat de verschillende rassen, als men ze zorgvuldig vergelijkt en meet, veel van elkander verschillen,—zooals in den aard van het haar (2), de betrekkelijke verhoudingen van alle deelen van het lichaam [397], de grootte der longen, den vorm en de grootte van den schedel en zelfs in de hersenwindingen. [398] (3) Het zou echter een eindelooze taak zijn om de punten, waarin hun maaksel verschilt, op te noemen. De rassen verschillen ook in gestel, in geschiktheid tot het wonen onder een bepaald klimaat, en in vatbaarheid voor verschillende ziekten. Hun geestelijke kenmerken zijn ook zeer onderscheiden, zooals vooral blijkt uit den aard hunner gemoedsaandoeningen, maar gedeeltelijk ook uit hun verstandelijke vermogens. Iedereen, die de gelegenheid tot vergelijking heeft gehad, moet getroffen zijn door het kontrast tusschen de stilzwijgende, ja, zelfs norsche inboorlingen van Zuid-Amerika en de luchthartige, babbelachtige negers. Ongeveer het zelfde kontrast bestaat er tusschen de Maleiers en Papoea’s [399], die onder de zelfde physische voorwaarden leven, en slechts door enge zeearmen van elkander worden gescheiden.
Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. Indien men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt, zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000 jaar hadden geleefd. [400] Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr. Lund [401], hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)
Onze natuuronderzoeker zou dan wellicht overgaan tot de geographische verspreiding, en hij zou dan waarschijnlijk verklaren, dat vormen die niet slechts in uiterlijk verschilden, maar pasten voor de heetste en vochtigste of droogste landen, zoowel als voor de poolstreken, soortelijk verschillend moesten zijn. Hij zou zich kunnen beroepen op het feit, dat in de groep welke het nauwst met den mensch verwant is, namelijk de apen, geen enkele soort een lage temperatuur of eenige aanmerkelijke klimaatsverandering kan weêrstaan en dat men er nimmer in is geslaagd om die soorten welke den mensch het meest nabijkomen, zelfs in het gematigde klimaat van Europa tot hun volwassen leeftijd toe in leven te houden. Het feit, dat het eerst door Agassiz is opgemerkt [402], dat de verschillende menschenrassen over de wereld zijn verspreid in de zelfde zoölogische gewesten als die welke door ontwijfelbaar verschillende soorten en geslachten van zoogdieren worden bewoond, zou een diepen indruk op hem maken. Dit is kennelijk het geval met de Nieuw-Hollandsche, Mongoolsche en Neger-rassen; op minder sterk sprekende wijze met de Hottentotten, maar duidelijk met de Papoea’s en de Maleiers, die, zooals de heer Wallace heeft aangetoond, ongeveer door de zelfde lijn worden gescheiden, welke het Indische zoölogische gewest van Insulinde van het Australische scheidt. (6) De inboorlingen van Amerika zijn over dat geheele vasteland verspreid en dit schijnt eerst tegen bovenvermelden regel te strijden; want de meeste voortbrengselen van de zuidelijke en de noordelijke helft verschillen zeer; eenige weinige levende vormen, zooals de buidelratten of opossums, gaan echter van de eene in de andere over, evenals vroeger sommige reusachtige Tandelooze Dieren (Edentata) deden. De Eskimo’s strekken zich, evenals andere pooldieren, rondom over de geheele poolstreek uit. (7) Men moet bedenken, dat de zoogdiervormen die de verschillende zoölogische gewesten bewonen, niet in de zelfde mate van elkander verschillen, zoodat het moeielijk als een tegenstrijdigheid kan worden beschouwd dat de Neger meer en de inboorlingen van Amerika veel minder van de andere menschenrassen verschillen dan de zoogdieren der zelfde vastelanden van die van de andere gewesten. Men mag er bijvoegen, dat de mensch oorspronkelijk geen enkel oceanisch eiland schijnt te hebben bewoond; en in dit opzicht gelijkt hij op de andere leden van zijn klasse.
Om te bepalen of de verscheidenheden van een of ander huisdier als soortelijk verschillend moeten worden gerangschikt, dat is, of eene of meer daarvan van een afzonderlijke wilde soort afstammen, zou elk natuuronderzoeker veel gewicht hechten aan het feit, zoo dit was bewezen, dat hun uitwendige parasieten soortelijk verschilden. Des te meer gewicht zou aan dit feit worden gehecht, daar het geheel exceptioneel zou zijn; want de heer Denny heeft mij medegedeeld, dat de verschillende rassen van honden, en evenzoo die van kippen en van duiven, in Engeland door de zelfde soorten van luizen (Pediculi) worden geplaagd. Nu heeft de heer A. Murray zorgvuldig de luizen onderzocht in verschillende landen op de verschillende menschenrassen verzameld [403]; en bevonden, dat zij niet slechts in kleur, maar ook in het maaksel hunner klauwen en ledematen verschilden. In elk geval, waarin talrijke voorwerpen werden verkregen, waren de verschillen standvastig (constant). De scheepsdokter van een walvischvaarder in den Stillen Oceaan verzekerde mij, dat, wanneer de luizen, waarvan sommige Sandwich-eilanders aan boord krioelden, op de lichamen van de Engelsche matrozen verdwaalden, zij binnen den tijd van drie of vier dagen stierven. Deze luizen waren donkerder gekleurd dan en schenen verschillend van die der inboorlingen van Chili in Zuid Amerika, waarvan hij mij voorwerpen gaf. Deze schenen op haar beurt grooter en veel zachter dan Europeesche luizen. De heer Murray verschafte zich vier soorten uit Afrika, namelijk van de Negers van de Oost- en Westkust, van de Hottentotten en de Kaffers; twee soorten van de inboorlingen van Nieuw-Holland, en twee uit Zuid-Amerika. In deze laatste gevallen mag men veronderstellen, dat de luizen afkomstig waren van inboorlingen die verschillende streken bewoonden. Bij insekten beschouwt men geringe afwijkingen van maaksel, als zij standvastig (constant) zijn, algemeen als soortkenmerken; en het feit, dat de menschenrassen worden geplaagd door parasieten die soortelijk van elkander verschillen, kan men gerust doen gelden als een uitnemend bewijs, dat die rassen zelven als afzonderlijke soorten moeten worden gerangschikt.
Wanneer onze onderstelde natuuronderzoeker zoover met zijn onderzoek was gevorderd, zou hij vervolgens onderzoeken, of de menschenrassen, als zij zich met elkander kruisten, in meerdere of mindere mate onvruchtbaar waren. Hij zou dan het werk [404] van een behoedzaam en wijsgeerig waarnemer, Professor Broca, kunnen raadplegen, en zou daarin goede bewijzen vinden, dat sommige rassen volkomen vruchtbaar met elkander waren, maar ook bewijzen van tegenovergestelden aard ten opzichte van andere rassen. Zoo heeft men verzekerd, dat de vrouwelijke inboorlingen van Nieuw-Holland en van Diemensland zelden kinderen voortbrengen bij Europeesche mannen; het is tegenwoordig echter gebleken, dat de bewijzen hiervoor bijna volstrekt geen waarde hebben. De bastaarden worden door de zwarten van onvermengd bloed gedood, en onlangs is een verhaal publiek gemaakt van elf bastaarden, tegelijkertijd vermoord en verbrand en wier overblijfselen door de politie werden gevonden. [405] (8) Men heeft ook wel beweerd, dat mulatten, als zij met elkander huwen, weinig kinderen voortbrachten; Dr. Bachman van Charleston [406] verzekert daarentegen ten stelligste, dat hij mulattenfamilies heeft gekend, die gedurende verscheidene generaties onderling waren gehuwd, en voortdurend gemiddeld even vruchtbaar waren als zuivere blanken of zuivere zwarten. Onderzoekingen, weleer hieromtrent door Sir C. Lyell ingesteld, leidden hem, naar hij verzekert, tot het zelfde besluit. In de Vereenigde Staten omvatte de volkstelling voor het jaar 1854, volgens Dr. Bachman, 405 751 mulatten; en dit getal schijnt, alle omstandigheden in aanmerking genomen, klein; maar dit kan wellicht gedeeltelijk worden toegeschreven aan hun lage en onregelmatige plaats in de maatschappij en aan de losbandige levenswijze der vrouwen. De mulatten moeten zich voortdurend in zekere mate in de negers oplossen, en dit moet leiden tot een schijnbare vermindering van het aantal der eersten. In een werk dat vertrouwen verdient [407], wordt van de mindere levenskracht der mulatten als van een bekend feit gesproken; maar dit is iets geheel anders dan hun verminderde vruchtbaarheid en kan moeilijk worden beschouwd als een bewijs voor het soortelijk verschil der stamrassen. Ongetwijfeld zijn zoowel dierlijke als plantaardige bastaarden, wanneer zij zijn voortgebracht door uiterst verschillende soorten, onderhevig aan een vroegen dood; maar de ouders van mulatten kunnen niet tot de categorie van uiterst verschillende soorten worden gebracht. Het gewone muildier, zoo bekend wegens zijn lang leven en kracht, en echter zoo onvruchtbaar, toont, hoe weinig noodzakelijk verband er bij bastaarden bestaat tusschen verminderde vruchtbaarheid en levenskracht; andere soortgelijke gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd.
Zelfs wanneer het later zou worden bewezen, dat alle menschenrassen volkomen vruchtbaar met elkander waren, zou hij, die wegens andere redenen er toe overhelde om ze als verschillende soorten te beschouwen, terecht kunnen aanvoeren, dat vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid geen veilige kenteekenen van soortelijk verschil waren. Wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden of huwelijken tusschen bloedverwanten gemakkelijk op deze hoedanigheden inwerken en dat zij worden beheerscht door zeer samengestelde wetten, bij voorbeeld die van ongelijke vruchtbaarheid van wederkeerige kruisingen tusschen de twee zelfde soorten. Bij vormen, die ontwijfelbaar als verschillende soorten moeten worden gerangschikt, bestaat er een volledige reeks van die welke bij kruising volkomen onvruchtbaar zijn, tot die welke bijna volkomen of volkomen vruchtbaar zijn. De graden van onvruchtbaarheid vallen niet volkomen samen met de graden van verschil in uiterlijk maaksel en levenswijze. De mensch mag in vele opzichten worden vergeleken met die dieren welke sinds langen tijd zijn getemd, en men kan een menigte bewijzen bijbrengen ten gunste van de leer van Pallas [408], dat de temming een neiging doet geboren worden tot opheffing der onvruchtbaarheid, die zoo algemeen wordt waargenomen bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Uithoofde dezer verschillende overwegingen zou men terecht kunnen aanvoeren, dat de volkomen onvruchtbaarheid bij de kruisingen tusschen de verschillende menschenrassen, als zij was bewezen, ons nog niet volkomen zou beletten om ze als verschillende soorten te beschouwen.
Onafhankelijk van de vruchtbaarheid, heeft men soms gemeend, dat de aard van het kroost dat uit een kruising ontstaat, bewijzen leverde, of de stamvormen als soorten of als verscheidenheden moesten worden gerangschikt; maar na die bewijzen zorgvuldig te hebben bestudeerd, ben ik tot het besluit gekomen, dat dergelijke algemeene regels geen vertrouwen verdienen. Het gewone resultaat van een kruising is het voortbrengen van een gemengden of tusschenliggenden vorm, maar in sommige gevallen gelijken sommige nakomelingen zeer op den éénen ouderlijken vorm, en andere op den anderen. Dit is vooral het geval, wanneer de ouders verschillen in kenmerken, die eerst als plotselinge variaties of monstruositeiten zijn verschenen. [409] Ik wijs hierop omdat Dr. Rohlfs mij mededeelt dat hij in Afrika dikwijls heeft gezien dat de kinderen uit een kruising van negers met andere rassen, hetzij volkomen zwart of geheel blank of enkele malen zwart en wit gevlekt waren. Daarentegen is het algemeen bekend, dat in Amerika de mulatten tusschen die der stamrassen in liggende kenmerken vertoonen.
Wij hebben nu gezien, dat een natuuronderzoeker zich volkomen gerechtigd zou mogen gevoelen om aan de menschenrassen den rang van afzonderlijke soorten toe te kennen; want hij heeft bevonden, dat zij zich onderscheiden door vele verschillen in maaksel en gesteldheid, waarvan sommige belangrijk zijn. Deze verschillen zijn ook gedurende zeer lange tijdperken bijna onveranderd (constant) gebleven. De verbazende verbreiding van den mensch, die een groote uitzondering is in de klasse der zoogdieren, zoo de mensch als een enkele soort wordt beschouwd, zal ook eenigermate invloed op zijn besluit hebben gehad. Hij zal getroffen zijn door de verdeeling der verschillende zoogenaamde rassen over verschillende gewesten, in verband met die van andere ongetwijfeld soortelijk van elkander verschillende zoogdieren. Eindelijk zou hij er op kunnen wijzen, dat de wederzijdsche vruchtbaarheid van alle rassen nog niet volkomen is bewezen, en zelfs als zij was bewezen, nog geen volstrekt (absoluut) bewijs zou zijn, dat zij tot een enkele soort behoorden.
Laten wij thans de zaak uit een tegenovergesteld oogpunt beschouwen. Als onze onderstelde natuuronderzoeker onderzocht, of de vormen van den mensch evenals gewone soorten onverbasterd naast elkander bleven voortbestaan, als zij in een en het zelfde land in groot aantal dooreengemengd leefden, zou hij dadelijk ontdekken, dat dit geenszins het geval is. In Brazilië zou hij een hoogst talrijke bastaardbevolking van Negers en Portugeezen zien; in Chili en andere deelen van Zuid-Amerika zou hij zien, dat de geheele bevolking bestond uit Indianen en Spanjaarden in verschillende graden met elkander gekruist. [410] In vele deelen van het zelfde vasteland zou hij de meest samengestelde kruisingen tusschen Negers, Indianen en Europeanen ontmoeten, en dergelijke driedubbele kruisingen leveren, naar het Plantenrijk te oordeelen, het sterkste bewijs voor de wederkeerige vruchtbaarheid der stamvormen. Op één eiland in den Stillen Oceaan zou hij een kleine bevolking van gemengd Polynesisch en Engelsch bloed aantreffen (10); en in den Fidji-archipel een bevolking van in alle graden met elkander gekruiste Polynesiërs en Negrito’s. Vele overeenkomstige gevallen zouden hierbij kunnen worden gevoegd, bij voorbeeld, in Zuid-Afrika. Derhalve zijn de menschenrassen niet verschillend genoeg om zonder vermenging naast elkander te blijven bestaan; en dit is het, dat in alle gewone gevallen het gebruikelijke bewijs levert van soortelijk verschil.
Onze natuuronderzoeker zou ook zeer in de war geraken, als hij bemerkte, dat de onderscheidene kenmerken van elk menschenras in hooge mate variabel waren. Dit treft iedereen, als hij voor het eerst de negerslaven in Brazilië ziet, die uit alle deelen van Afrika zijn ingevoerd. De zelfde opmerking houdt steek bij de Polynesiërs en bij vele andere rassen. Het mag worden betwijfeld, of er één kenmerk zou kunnen worden opgenoemd, dat voor een ras onderscheidend en tevens standvastig (constant) is. Wilden, zelfs binnen de grenzen van éénen en den zelfden stam, zijn lang zoo eenvormig van kenmerken niet, als dikwijls is gezegd. Hottentotsche vrouwen vertoonen eenige kenmerken welke sterker zijn uitgedrukt dan die van eenig ander ras, en toch is het bekend, dat deze niet standvastig voorkomen. (11) Bij de onderscheidene Amerikaansche stammen bestaan aanmerkelijke verschillen in kleur en behaardheid; evenals zulks bij de Afrikaansche Negers met de kleur tot op zekere hoogte, en met den vorm der gelaatstrekken in hooge mate het geval is. In den vorm van den schedel heerscht bij sommige rassen zeer veel verscheidenheid [411]; en evenzoo is het met elk ander kenmerk. Nu hebben alle natuuronderzoekers door duur gekochte ondervinding geleerd, hoe overijld het is soorten te bepalen met behulp van onstandvastige kenmerken.
De gewichtigste van alle bewijsgronden tegen het beschouwen van de menschenrassen als verschillende soorten, is echter, dat zij trapsgewijze, in vele gevallen, voor zoover wij kunnen oordeelen, onafhankelijk van hun onderlinge kruising, door trapsgewijze overgangen worden verbonden. De mensch is zorgvuldiger bestudeerd, dan eenig ander organisch wezen; en toch heerscht onder bevoegde rechters het grootste verschil van gevoelen, of hij als ééne soort of ras moet worden beschouwd, of als twee (Virey) (12), als drie (Jacquinot), als vier (Kant), vijf (Blumenbach), zes (Buffon), zeven (Hunter), acht (Agassiz), elf (Pickering), vijftien (Bory St. Vincent), zestien (Desmoulins), twee-en-twintig (Morton), zestig (Crawfurd), of als drie-en-zestig, volgens Burke [412] (13). Dit verschillend oordeel bewijst niet, dat de rassen niet als soorten moeten worden gerangschikt, maar het bewijst, dat zij in elkander overgaan, en dat het nauwelijks mogelijk is duidelijke onderscheidende kenmerken tusschen hen te vinden.
Ieder natuuronderzoeker die het ongeluk heeft gehad om de beschrijving te ondernemen van een groep organismen die zeer veel verscheidenheid vertoonen, heeft gevallen ontmoet (ik spreek bij ondervinding) volkomen gelijk aan dat van den mensch; en, indien hij voorzichtig van aard is, zal hij ten laatste al de vormen die in elkander overgaan, tot een enkele soort vereenigen; want hij zal tot zich zelf zeggen, dat hij geen recht heeft om namen te geven aan voorwerpen die hij niet kan bepalen. Gevallen van deze soort komen voor in de orde waartoe de mensch behoort, namelijk bij zekere geslachten van apen; terwijl bij andere geslachten, zooals bij de Meerkatten (Cercopithecus), de meeste soorten met zekerheid kunnen worden bepaald. Bij het Amerikaansche geslacht Cebus worden de verschillende vormen door sommige natuuronderzoekers als soorten, door andere eenvoudig als geographische rassen beschouwd. Indien men nu talrijke voorwerpen van Cebus uit alle deelen van Zuid-Amerika bijeenverzamelde, en dan bevond, dat die vormen welke tegenwoordig als soortelijk verschillend worden beschouwd, door langzame overgangen met elkander waren verbonden, zouden zij door de meeste natuuronderzoekers eenvoudig als verscheidenheden of rassen worden beschouwd en zoo heeft het grootste gedeelte der natuuronderzoekers ten opzichte der menschenrassen gehandeld. Toch moet men bekennen, dat er vormen zijn, ten minste in het Plantenrijk [413], die wij niet kunnen vermijden soorten te noemen, doch die, onafhankelijk van bastaardvorming, door tallooze overgangsvormen zijn verbonden.
Sommige natuuronderzoekers hebben in den laatsten tijd de uitdrukking „onder-soort (sub-species)” gebruikt om vormen aan te duiden, die vele kenmerken van ware soorten bezitten, maar toch nauwelijks op zulk een hoogen rang aanspraak kunnen maken. Indien wij nu nadenken over de boven vermelde gewichtige gronden om de menschenrassen tot de waardigheid van soorten te verheffen, en aan den anderen kant aan de onoverkomelijke moeielijkheden om hen te bepalen, zou de uitdrukking „onder-soorten (sub-species)” hier zeer gepast kunnen worden gebruikt. Door de lange gewoonte zal echter de uitdrukking „ras” wellicht altijd in gebruik blijven. De keus der uitdrukkingen is slechts in zoover van belang, als het hoogst wenschelijk is om zooveel mogelijk altijd de zelfde uitdrukkingen te gebruiken voor de zelfde graden van verschil. Ongelukkig is dit zelden mogelijk; want in ééne en de zelfde familie bevatten de grootere geslachten gewoonlijk nauw verwante vormen die slechts met veel moeite van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de kleinere geslachten vormen bevatten, die duidelijk verschillen; toch moeten allen als soorten worden gerangschikt. Evenzoo gelijken ook de soorten in één en het zelfde groote geslacht in geenen deele in de zelfde mate op elkander; in de meeste gevallen kunnen integendeel sommige van haar in kleine groepen rondom andere soorten worden geschikt, evenals wachters om planeten. [414]
Over de vraag, of het menschdom uit ééne of uit verscheidene soorten bestaat, hebben de anthropologen, die in twee scholen, de monogenisten en de polygenisten, zijn verdeeld, in de laatste jaren veel geredekaveld. Zij die het beginsel van ontwikkeling niet aannemen, moeten de soorten beschouwen hetzij als afzonderlijke scheppingen, hetzij als op de eene of andere wijze op zich zelven staande wezens („entities”); en zij moeten beslissen, welke vormen als soorten moeten worden gerangschikt, uit de analogie van andere organische wezens welke gewoonlijk als zoodanig worden beschouwd. Het is echter hopeloos om te trachten dit punt op gezonde gronden te beslissen, zoolang niet de eene of andere bepaling van de uitdrukking „soort (species)” algemeen is aangenomen; en die bepaling behoort dan geen element te bevatten, waaromtrent men met geen mogelijkheid zekerheid kan verkrijgen, zooals een scheppingshandeling. Wij zouden even goed kunnen beproeven om zonder eenige bepaling te beslissen, of een zeker aantal huizen een dorp of een stad moet worden genoemd. Wij hebben een praktisch voorbeeld van deze moeielijkheid in de eindelooze twijfelingen, of vele nauw verwante zoogdieren, vogels, insekten en planten, die elkander in Noord-Amerika en Europa vertegenwoordigen, als soorten of als geographische rassen moeten worden beschouwd, en evenzoo gaat het met de voortbrengselen van vele op een kleinen afstand van het naaste vasteland gelegen eilanden.
Die natuuronderzoekers daarentegen, welke het beginsel van ontwikkeling aannemen, en dit wordt tegenwoordig door de meeste opkomende mannen aangenomen, zullen volstrekt niet betwijfelen, dat alle menschenrassen uit een enkelen oorspronkelijken stam zijn gesproten, hetzij zij het, om de hoegrootheid van het verschil tusschen die rassen aan te geven, gepast oordeelen ze afzonderlijke soorten te noemen of niet. [415] Bij onze huisdieren is de vraag, of de verschillende rassen uit ééne of uit meer soorten zijn ontstaan, van een anderen aard. Hoewel al die rassen, even goed als de natuurlijke soorten van het zelfde geslacht, ongetwijfeld uit eenen en den zelfden oorspronkelijken stam zijn gesproten, blijft het toch een gepast onderwerp ter bespreking, of, bij voorbeeld, al de tamme rassen van den hond hun tegenwoordige verschillen hebben verkregen sedert deze of gene enkele soort door den mensch werd getemd en aangefokt, dan wel of zij sommige hunner kenmerken zijn verschuldigd aan overerving van verschillende soorten, die reeds in den natuurstaat waren gewijzigd.
Toen de menschenrassen zich in een uiterst lang geleden tijdperk uit hun gemeenschappelijken stamvader in verschillende richtingen begonnen te ontwikkelen, zullen zij slechts weinig van elkander hebben verschild en niet zeer talrijk zijn geweest; bij gevolg zullen zij toen, voor zoover hun onderscheidende kenmerken aangaat, minder aanspraak op den rang van verschillende soorten hebben gehad, dan de thans bestaande zoogenaamde rassen. Toch zouden dergelijke vroege rassen door sommige natuuronderzoekers wellicht als verschillende soorten zijn gerangschikt; zoo willekeurig is de uitdrukking, indien hun punten van verschil, hoewel uiterst gering, standvastiger waren geweest dan tegenwoordig en er geen overgangsvormen tusschen hen hadden bestaan.
Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt [416] heeft vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval, zooals von Nathusius [417] heeft aangetoond, met de verbeterde varkensrassen, die van twee verschillende soorten afstammen, en op minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering (convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze (adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende) varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen, zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu bestaat. (14)
Hoewel de bestaande menschenrassen in vele opzichten, zooals in kleur, haar, schedelvorm, evenredigheden van het lichaam, enz. verschillen, zoo vindt men toch, als men hun geheele organisatie beschouwt, dat zij in een menigte punten zeer sterk op elkander gelijken. Vele dezer punten zijn zoo onbelangrijk en van zoo bijzonderen aard, dat het uiterst onwaarschijnlijk is, dat zij door oorspronkelijk verschillende soorten of rassen, onafhankelijk van elkander, zouden zijn verkregen. De zelfde opmerking is met gelijke of grooter kracht toepasselijk op de talrijke punten van overeenkomst in de geestelijke vermogens tusschen de meest verschillende menschenrassen. De inboorlingen van Amerika, de negers en de Europeanen verschillen in geestesgesteldheid evenveel van elkander, als eenig drietal menschenrassen ter wereld; toch trof mij telkens, terwijl ik met de Vuurlanders aan boord van de Beagle was, hoevele kleine karaktertrekken zij bezaten, die bewezen, hoezeer hun geest op den onzen geleek, en evenzoo ging het mij met een volbloed neger, met wien ik eens bij toeval op vertrouwelijken voet kwam.
Het kan nauwelijks missen, of de groote gelijkheid in smaak, neigingen en gewoonten tusschen menschen van alle rassen moet een diepen indruk maken op ieder die de belangwekkende werken van den heer Tylor en Sir J. Lubbock leest. [418] Die gelijkheid blijkt uit het behagen dat zij allen scheppen in dansen, ruwe muziek, schouwspelen, schilderen, tatoeëeren en zich op andere wijzen op te schikken,—uit hun wederkeerig begrijpen van gebarentaal—en, gelijk ik in staat zal zijn in een volgende verhandeling aan te toonen, uit de gelijkheid van de uitdrukking hunner gelaatstrekken en het voortbrengen van de zelfde ongearticuleerde kreten, als zij door verschillende gemoedsaandoeningen worden geprikkeld. Deze overeenkomst, of liever gelijkheid, is treffend, als men haar tegenoverstelt aan de verschillende uitdrukking die men bij onderscheidene soorten van apen kan waarnemen. Er bestaan goede bewijzen, dat de kunst om met boog en pijlen te schieten, niet van eenigen gemeenschappelijken stamvader van het menschelijk geslacht aan de nakomelingschap is overgeleverd; toch zijn de steenen pijlpunten, van de verst van elkander verwijderde streken der wereld aangevoerd en in de langst geleden tijdperken vervaardigd, zooals Nilsson heeft aangetoond [419], bijna geheel aan elkander gelijk, en dit feit kan alleen worden verklaard door de gelijksoortigheid van de uitvindende of verstandelijke vermogens der verschillende rassen. De zelfde opmerking is door de oudheidkundigen [420] gemaakt ten opzichte van zekere ver verbreide versierselen, zooals zigzaglijnen enz. en ten opzichte van verschillende eenvoudige geloofspunten en gewoonten, zooals die om de dooden onder megalithische gedenkteekenen te begraven. (15) Ik herinner mij in Zuid-Amerika [421] te hebben opgemerkt, dat de mensch daar, evenals in zoovele andere deelen der wereld, gewoonlijk de toppen van hooge heuvels heeft uitgekozen om daarop steenhoopen op te werpen, hetzij om de gedachtenis te bewaren van de eene of andere opmerkelijke gebeurtenis, of om zijn dooden te begraven.
Wanneer nu natuuronderzoekers een zeer sterke overeenkomst in talrijke kleine bijzonderheden en gewoonten, smaak en neigingen tusschen twee of meer rassen van tamme dieren of tusschen nauw-verwante natuurlijke vormen waarnemen, gebruiken zij dit feit als bewijsgrond, dat zij alle van een gemeenschappelijken stamvader afstammen, die aldus begaafd was en dat zij derhalve alle tot ééne en de zelfde soort moeten worden gebracht. De zelfde bewijsgrond kan met veel kracht op de menschenrassen worden toegepast.
Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen, moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten. Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16) Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn vergeten. [422] Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.” Hij neemt echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden. Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre verspreiding wordt bewezen.
Uit de fundamenteele verschillen tusschen zekere talen hebben sommige taalkundigen afgeleid, dat de mensch, toen hij zich ver begon te verspreiden, nog geen sprekend dier was; men mag echter vermoeden, dat wellicht talen, veel minder volkomen dan ééne dergene die thans worden gesproken, door gebaren geholpen, werden gebruikt, en toch in latere hooger ontwikkelde talen geen spoor hebben achtergelaten. Zonder het gebruik van eenige taal, hoe onvolkomen ook, schijnt het twijfelachtig, of het verstand van den mensch zou zijn geklommen tot de hoogte die zijn heerschende stelling in een vroeg tijdperk medebracht.
Of de oorspronkelijke mensch, toen hij zeer weinig kunsten van de ruwste soort bezat, en toen zijn spraakvermogen uiterst onvolkomen was, den naam van mensch verdiende, hangt af van de bepaling die wij gebruiken. In een reeks van vormen ongevoelig overgaande van een of ander op een aap gelijkend wezen tot den mensch zooals hij nu bestaat, zou het onmogelijk zijn een bepaald punt aan te wijzen, waarop men de uitdrukking „mensch” zou moeten beginnen te gebruiken. Dit is echter een zaak van zeer weinig belang. Evenzoo is het een bijna onverschillige zaak, of de zoogenaamde menschenrassen aldus worden genoemd, of als soorten of onder-soorten worden gerangschikt; de laatste uitdrukking schijnt echter het meest gepast. Eindelijk mogen wij besluiten, dat, als de ontwikkelingstheorie algemeen zal zijn aangenomen, hetgeen zeker niet lang meer zal duren, de strijd tusschen monogenisten en polygenisten een stillen en onbemerkten dood zal sterven.
Een andere vraag kan hier niet onopgemerkt worden voorbijgegaan, namelijk, of, zooals somtijds is beweerd, elke onder-soort of ras van den mensch uit één enkel paar stamouders is gesproten. Bij onze huisdieren kan een nieuw ras gemakkelijk worden gevormd uit een enkel paar dat het eene of andere nieuwe kenmerk bezit, of zelfs uit een enkel aldus gekenmerkt individu, door zorgvuldig de jongen die op de zelfde wijze varieeren, met elkander te doen paren, maar onze meeste rassen zijn gevormd, niet met voordacht uit een enkel uitgekozen paar, maar onbewust door het bewaard blijven van vele individu’s, die, hoewel in geringe mate, eenige nuttige of gewenschte wijziging vertoonden. Indien men in het eene land gewoonlijk de voorkeur gaf aan sterker of zwaarder gebouwde paarden, en in een ander land aan lichter gebouwde en vlugge paarden, kunnen wij zeker zijn, dat in den loop der tijden twee verschillende onder-rassen zouden worden voortgebracht, zonder dat het eene of andere bijzondere paar individu’s in een van beide landen van de andere afgescheiden en daaruit gefokt was. Vele rassen zijn op die wijze gevormd, en hun vormingswijze komt zeer nauw overeen met die der natuurlijke soorten. Wij weten ook, dat de paarden die naar de Falklands-eilanden zijn overgebracht, gedurende opeenvolgende generaties kleiner en zwakker zijn geworden, terwijl die welke in het wild de Pampa’s hebben doorkruist, grooter en zwaarder koppen hebben gekregen; en dergelijke veranderingen worden klaarblijkelijk niet daardoor veroorzaakt, dat één paar, maar daardoor, dat al de individu’s aan de zelfde voorwaarden onderworpen zijn geweest, met behulp wellicht van het beginsel van atavisme. De nieuwe onder-rassen zijn in geen dezer gevallen van het eene of andere enkele paar afgestamd, maar van vele individu’s, die in verschillende mate, maar allen over het algemeen op de zelfde wijze varieerden, en wij mogen besluiten, dat de menschenrassen op een dergelijke wijze zijn ontstaan, en de wijzigingen, hetzij het directe gevolg van blootstelling aan verschillende levensvoorwaarden, of het indirecte gevolg van den eenen of anderen vorm van teeltkeus waren. Op dit laatste onderwerp zullen wij echter spoedig terugkomen.
Over het Uitsterven der Menschenrassen.—Het gedeeltelijk en geheel uitsterven van vele rassen en onder-rassen van den mensch zijn bekende historische feiten. Humboldt zag in Zuid-Amerika een papegaai, die het eenige levende schepsel was, dat de taal van een te gronde geganen stam nog kon spreken. Oude gedenkteekenen en steenen werktuigen, in alle deelen der wereld gevonden, van welke geen overlevering door de tegenwoordige bewoners wordt bewaard, wijzen op veel uitsterving. Enkele kleine en verstrooide stammen, overblijfselen van voormalige rassen, leven nog in afgelegen en gewoonlijk bergachtige streken. In Europa stonden al de oude rassen volgens Schaaffhausen [423] „lager op de ladder, dan de minst beschaafde der thans levende wilden”; zij moeten daarom tot op zekere hoogte van alle bestaande rassen hebben verschild. De overblijfselen van Les Eyzies, door Professor Broca beschreven [424], wijzen, hoewel zij ongelukkig aan een enkele familie schijnen te hebben toebehoord, op een ras dat op de vreemdsoortigste wijze lage of aapachtige en hooge kenmerken in zich vereenigde en „geheel verschilde van alle andere en nieuwere rassen die wij kennen.” Het verschilde derhalve van het quaternaire ras uit de holen van België.
Ongunstige physische voorwaarden schijnen slechts weinig invloed op het uitsterven der rassen te hebben uitgeoefend. [425] De mensch heeft lang in de uiterste streken van het Noorden geleefd zonder hout om zijn kano’s en andere benoodigdheden mede te maken, en alleen met traan om te branden en hem warmte te geven, maar meer bijzonder om de sneeuw te smelten. In het zuidelijk uiteinde van Amerika blijven de Vuurlanders in het leven zonder de bescherming van kleederen of van eenig gebouw dat waard is een hut te worden genoemd. In Zuid-Afrika doorkruisen de inboorlingen de dorste vlakten, waarop de gevaarlijkste dieren in overvloed voorkomen. De mensch kan den doodelijken invloed van den Terai aan den voet van het Himalayagebergte en van de verpeste stranden van tropisch Afrika weêrstaan.
Het uitsterven is hoofdzakelijk het gevolg van den wedstrijd tusschen stam en stam, tusschen ras en ras. Er zijn altijd verschillende hinderpalen in het spel, in een vorig hoofdstuk opgesomd, die dienen om het getal van elken wilden stam te beperken,—zooals periodieke hongersnooden, het wegtrekken der ouders en de daarop volgende dood van de kinderen, het langdurige zoogen, het stelen van vrouwen, oorlogen, ongevallen, ziekten, losbandigheid, vooral kindermoord, en wellicht verminderde vruchtbaarheid ten gevolge van minder voedzaam voedsel en vele vermoeienissen. Indien door de eene of andere oorzaak ééne dier hinderpalen gedeeltelijk wordt weggenomen, al is het slechts voor een klein gedeelte, zal de aldus begunstigde stam kans hebben om aan te groeien, en als van twee naburige stammen de eene talrijker en machtiger wordt dan de andere, is de strijd spoedig beslist door oorlog, moord en menscheneterij, slavernij en opslorping. Als een zwakker stam zelfs op die wijze niet plotseling wordt weggevaagd, gaat hij, indien hij eens begint af te nemen, gewoonlijk daarmede voort, totdat hij is uitgestorven. [426]
Als beschaafde volken in aanraking komen met barbaren, is de strijd kort, behalve wanneer een doodelijk klimaat het ras der inboorlingen helpt. Van de oorzaken welke tot de overwinning der beschaafde natiën leiden, zijn sommige duidelijk en andere zeer duister. Wij kunnen begrijpen, dat de bebouwing van het land op vele wijzen noodlottig voor de wilden zal zijn; want zij kunnen of willen hun gewoonten niet veranderen. Nieuwe ziekten en ondeugden zijn hoogst verderfelijk; en het schijnt, dat bij elk volk een nieuwe ziekte vele sterfgevallen veroorzaakt, totdat zij die de meeste vatbaarheid voor haar doodelijken invloed bezaten, allengs zijn uitgeroeid [427], en zoo zal het ook gaan met de nadeelige uitwerkselen van geestrijke dranken zoowel als met den onbedwingbaar sterken smaak dien zoovele wilden daarvoor toonen. Het schijnt verder, hoe geheimzinnig het feit ook zij, dat de eerste ontmoeting tusschen verschillende en van elkander gescheiden volken ziekten doet ontstaan. [428] De heer Sproat die in Vancouver’s Eiland nauwkeurig acht gaf op het onderwerp der uitsterving, gelooft, dat de veranderde levensgewoonten die altijd het gevolg zijn van de aankomst van Europeanen, veel ongesteldheid veroorzaken. Hij hecht ook groot gewicht aan zulk een geringe oorzaak, als dat de inboorlingen „door het nieuwe leven rondom hen verbijsterd en neerslachtig worden; zij verliezen de beweeggronden die hen tot handelen aanzetten, en krijgen geen nieuwe in de plaats.” [429]
De graad van beschaving schijnt een hoogst gewichtig element van het succes van natiën die in wedstrijd komen. Weinige eeuwen geleden vreesde Europa de invallen van Oostersche barbaren, tegenwoordig zou een dergelijke vrees belachelijk zijn. Het is een nog opmerkenswaardiger feit, zooals de heer Bagehot [430] heeft opgemerkt, dat de wilden vroeger niet wegsmolten voor de klassieke volken, zooals zij tegenwoordig voor de hedendaagsche beschaafde volken doen; hadden zij dat gedaan, dan zouden de oude zedekundigen over die gebeurtenis hebben gemijmerd; maar in geen enkelen schrijver van dat tijdvak vindt men klachten over het uitsterven der barbaren. (17) De grootste van alle oorzaken van het uitsterven schijnt in vele gevallen een vermindering van de vruchtbaarheid en ziekten, vooral onder de kinderen, te zijn, ontstaande uit veranderde levensvoorwaarden, niettegenstaande die voorwaarden op zich zelven soms niet nadeelig zijn. Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer H. H. Howorth, omdat deze mijn aandacht op dit onderwerp heeft gevestigd, en mij inlichtingen daaromtrent heeft verschaft. Ik heb de volgende voorbeelden verzameld.
Toen Tasmania (Van Diemen’s Land) pas werd gekoloniseerd, werd het aantal inboorlingen ruwweg geschat door sommigen op 7000, door anderen op 20000. Dit aantal werd spoedig veel kleiner, voornamelijk door het vechten met de Engelschen en met elkander. Toen na de beruchte jacht door al de kolonisten, de overblijvende inboorlingen zich aan de regeering overgaven, bestonden zij slechts uit 120 individu’s [431] die in 1832 naar Flinders Eiland werden overgebracht. Dit eiland, tusschen Tasmania en Nieuw-Holland gelegen, is veertig mijlen lang en van twaalf tot achttien mijlen breed; het schijnt er gezond en de inboorlingen werden goed behandeld. Toch leed hun gezondheid zeer veel. In 1834 bestonden zij (Bonwick, blz. 250) uit zeven-en-veertig volwassen mannen, acht-en-veertig volwassen vrouwen en zestien kinderen, of te zamen uit 111 zielen. In 1835 bleven er nog maar 100 over. Daar zij bij voortduring snel in aantal verminderden en zelven dachten dat zij elders niet zoo snel zouden uitsterven, werden zij in 1847 naar Oyster-Cove in zuidelijk Tasmania overgebracht. Daar bestonden zij toen (20 Dec. 1847) uit veertien mannen, twee-en-twintig vrouwen en tien kinderen. [432] De verandering van woonplaats deed echter geen goed. Ziekte en dood vervolgden hen bij voortduring, en in 1864 waren er nog slechts één man (die in 1869 stierf) en drie eenigszins bejaarde vrouwen over. De onvruchtbaarheid der vrouwen is een feit zelfs nog merkwaardiger dan haar vatbaarheid voor ziekte en dood. Ten tijde, dat er nog slechts negen vrouwen te Oyster-Cove leefden, verhaalden deze aan den heer Bonwick, dat slechts twee van haar ooit kinderen hadden gehad, en deze beiden samen hadden slechts drie kinderen voortgebracht.
Wat de oorzaak van dezen buitengewonen staat van zaken aangaat, merkt Dr. Story op, dat de dood volgde op de pogingen om de inboorlingen te beschaven. „Als men hen aan zich zelven had overgelaten, hen had laten omzwerven gelijk zij gewend waren, en hen niet had gestoord, zouden zij meer kinderen hebben voortgebracht en zou er geringer sterfte zijn geweest.” Een ander zorgvuldig waarnemer van de inboorlingen merkt op: „De geboorten zijn weinige geweest en de sterfgevallen talrijk. Dit kan voor een groot deel het gevolg zijn geweest van de verandering in hun levenswijze, maar meer nog van hun verbanning uit het hoofdland van Van Diemen’s Land en de daardoor veroorzaakte neêrslachtigheid” (Bonwick, blz. 388, 390).
Dergelijke feiten zijn ook opgemerkt in twee zeer verschillende gedeelten van Nieuw-Holland. De beroemde onderzoekingsreiziger Gregory verhaalde den heer Bonwick, dat in Queensland „de vermindering van geboorten reeds door de zwarten werd gevoeld, zelfs in de nieuwst gekoloniseerde streken, en dat zij zouden beginnen te verdwijnen.” Van 13 inboorlingen van Shark’s Baai, die Murchison River bezochten, stierven twaalf binnen drie maanden aan de tering. [433]
Het verminderen der Maori’s op Nieuw-Zeeland is zorgvuldig onderzocht door den heer Fenton in een bewonderenswaardig rapport waaraan al de volgende opgaven op een enkele uitzondering na zijn ontleend. [434] Dat hun aantal sedert 1830 is afgenomen, wordt door iedereen toegegeven, met inbegrip der inboorlingen zelven, en die vermindering gaat aanhoudend voort. Hoewel het tot hiertoe onmogelijk is gebleken een werkelijke volkstelling onder de inboorlingen te houden, werd hun aantal in vele districten door daar wonende personen geschat. Het resultaat schijnt vertrouwen te verdienen en toont aan, dat gedurende de veertien jaren vóór 1858 de vermindering 19,42 perc. was. Sommigen van de stammen die aldus zorgvuldig werden onderzocht, leefden meer dan 100 mijlen van elkander, sommigen op de kust, andere in het binnenland; en hun middelen van bestaan en gewoonten verschilden tot op zekere hoogte (blz. 28). Het geheele aantal in 1858 was, naar men meende, 53700 en in 1874, na verloop van een tweede veertiental jaren, werd een nieuwe telling gedaan en werd het aantal opgegeven als 36359, dus een vermindering van 32,29 perc.! [435]
Nadat de heer Fenton in bijzonderheden de ongenoegzaamheid heeft aangetoond van de verschillende oorzaken waarmede men zulks gewoonlijk pleegt te verklaren, zooals nieuwe ziekten, de losbandigheid der vrouwen, dronkenschap, oorlogen enz., besluit hij op zwaarwichtige gronden, dat het voornamelijk wordt veroorzaakt door de onvruchtbaarheid der vrouwen en de buitengewoon groote sterfte onder de kleine kinderen (blz. 31, 34). Ten bewijze hiervan toont hij aan (blz. 33), dat er in 1844 één onvolwassene was op elke 2,57 volwassenen, terwijl er in 1858 slechts één onvolwassene was op elke 3,28 volwassenen. De sterfte onder de volwassenen is ook groot. Als een verdere oorzaak van de vermindering voert hij het ongelijk aantal der beide seksen aan; want er worden minder meisjes dan jongens geboren. Op dit laatste punt, dat misschien het gevolg van een geheel andere oorzaak is, zal ik in een later hoofdstuk terugkomen. De heer Fenton stelt met verbazing de vermindering in Nieuw-Zeeland tegenover de vermeerdering in Ierland, welke beide landen niet zeer veel in klimaat verschillen, terwijl hun bewoners tegenwoordig bijna geheel op de zelfde wijze leven. De Maori’s zelven „schrijven hun achteruitgang tot op zekere hoogte toe aan het invoeren van nieuw voedsel en kleeding en de daarmede gepaard gaande verandering van gewoonten”, en men zal, wanneer wij den invloed van veranderde levensvoorwaarden op de vruchtbaarheid nagaan, zien, dat zij waarschijnlijk gelijk hebben. De vermindering begon tusschen de jaren 1830 en 1840, en de heer Fenton toont aan, dat omstreeks 1830 de kunst om bedorven maïs weêr eetbaar te maken door haar lang in het water te weeken, ontdekt en op groote schaal in praktijk werd gebracht, en dat bewijst, dat er een verandering in levenswijze begon te komen onder de inboorlingen, zelfs toen Nieuw-Zeeland nog maar dun met Europeanen was bevolkt. Toen ik in 1835 de „Bay of Islands” bezocht, hadden de kleeding en het voedsel der inboorlingen reeds groote wijzigingen ondergaan; zij kweekten aardappelen, maïs en andere landbouwproducten, en ruilden die voor Engelsche manufacturen en tabak.
Uit vele opgaven in de levensbeschrijving van Bisschop Patterson [436] blijkt, dat de Melanesiërs van de Nieuwe Hebriden en naburige archipels, in buitengewone mate in hun gezondheid leden en in groot aantal stierven, toen zij naar Nieuw-Zeeland, het eiland Norfolk en andere gezonde plaatsen werden overgebracht, om tot zendelingen te worden opgeleid.
De afneming van de inlandsche bevolking der Sandwich-eilanden is even bekend als die in Nieuw-Zeeland. Door personen die het beste in staat waren er over te oordeelen, wordt het aantal inboorlingen, ten tijde dat Cook de eilanden ontdekte, ruwweg op 300000 geschat. Volgens een oppervlakkige schatting in 1823 was het aantal destijds 142050. In 1832, en op onderscheidene latere tijdstippen werd officiëel een nauwkeurige volkstelling gehouden, maar ik heb slechts de volgende opgaven kunnen verkrijgen:
JAREN. INLANDSCHE Jaarlijksche vermindering BEVOLKING. in percenten, onderstellende, dat die (Uitgezonderd gelijkmatig is geweest gedurende 1832 en tusschen twee 1836, toen de opeenvolgende weinige volkstellingen, daar deze vreemdelingen die op tellingen met de eilanden waren, onregelmatige er bij werden tusschenruimten werden opgenomen.) gehouden.
1832 130313 4,46 1836 108579 2,47 1853 71019 0,81 1860 67084 2,18 1866 58765 2,17 1872 51531
Wij zien hieruit, dat in het verloop van veertig jaren, tusschen 1832 en 1872, de bevolking niet minder dan acht-en-zestig percent is afgenomen! Dit is door de meeste schrijvers toegeschreven aan de ongebondenheid der vrouwen, aan vroegere bloedige oorlogen, aan den harden arbeid aan overwonnen stammen opgelegd, en aan nieuw ingevoerde ziekten, die bij verschillende gelegenheden uiterst veel slachtoffers hebben gemaakt. Zonder twijfel hebben deze en andere dergelijke oorzaken krachtdadig gewerkt, en kunnen zij wellicht de buitengewoon sterke vermindering tusschen 1832 en 1836 verklaren; maar de krachtigst werkende van alle oorzaken schijnt de afneming der vruchtbaarheid te zijn. Volgens Dr. Ruschenberger, van de Marine der Vereenigde Staten, die deze eilanden tusschen 1835 en 1837 bezocht, hadden in één district van Hawaii, slechts vijf-en-twintig mannen van 1884, en in een ander district slechts tien van 637 een huisgezin met drie of meer kinderen. Van tachtig gehuwde vrouwen hadden slechts negen-en-dertig ooit een kind gebaard; en „het officiëele rapport geeft een gemiddelde van een half kind op elk gehuwd paar in het geheele eiland.” Dit is bijna volkomen het zelfde gemiddelde als bij de Tasmaniërs te Oyster Cove. Jarves die zijn „Geschiedenis der Hawaii-eilanden” in 1843 uitgaf, zegt, „huisgezinnen die drie kinderen hebben, zijn vrij van alle belastingen; die welke er meer hebben, worden beloond door landschenkingen en andere aanmoedigingen.” Dit ongeëvenaarde besluit van de regeering toont goed aan, hoe onvruchtbaar het ras was geworden. De weleerw. heer A. Bishop getuigde in den „Hawaiischen Spectator” in 1839, dat een groot gedeelte der kinderen vroegtijdig sterven, en Bisschop Staley meldt mij, dat dit nog het geval is, juist als in Nieuw-Zeeland. Dit is toegeschreven aan het veronachtzamen der kinderen door de vrouwen, maar het is waarschijnlijk grootendeels het gevolg van aangeboren zwakheid van gestel der kinderen, die in betrekking staat met de verminderde vruchtbaarheid hunner ouders. Er is daarenboven nog een punt van overeenkomst met Nieuw-Zeeland in het feit, dat er veel meer jongens dan meisjes worden geboren; de volkstelling van 1872 geeft 31650 mannen tegen 25247 vrouwen van allerlei leeftijd, dat is 125.36 mannen op elke 100 vrouwen, terwijl in alle beschaafde landen de vrouwen talrijker zijn dan de mannen. Ongetwijfeld kan de ongebondenheid der vrouwen gedeeltelijk haar geringe vruchtbaarheid verklaren; maar de verandering in haar levenswijze is een veel waarschijnlijker oorzaak, die tevens rekenschap kan geven van de toeneming der sterfte, voornamelijk onder de kinderen. De eilanden werden in 1779 door Cook, in 1794 door Vancouver, en later dikwijls door walvischvaarders bezocht. In 1819 kwamen er zendelingen, en bevonden, dat de afgodendienst reeds was afgeschaft en meer andere veranderingen door den Koning waren gemaakt. Na dezen tijd had een snelle verandering in de geheele levenswijze der inboorlingen plaats, en werden zij spoedig „de meest beschaafde eilandbewoners van den Stillen Oceaan.” Een van mijn zegslieden, de heer Coan, die op de eilanden werd geboren, merkt op, dat de inboorlingen een grooter verandering in hun levenswijze hadden ondergaan in den loop van vijftig jaren, dan de Engelschen gedurende een duizendtal jaren. Volgens inlichtingen ontvangen van Bisschop Staley, schijnt het, dat er nooit veel verandering is gekomen in de voedingsmiddelen der arme klassen, hoewel vele nieuwe soorten van vruchten zijn ingevoerd, en het suikerriet in algemeen gebruik is. Ten gevolge van hun hartstocht om de Europeanen na te volgen, veranderden zij echter hun wijze van zich te kleeden reeds vroeg, en werd het gebruik van alcoholische dranken zeer algemeen. Hoewel deze veranderingen niet groot schijnen, kan ik wel gelooven, in aanmerking genomen wat omtrent dieren bekend is, dat zij voldoende konden zijn om de vruchtbaarheid van de inboorlingen te verminderen. [437]
Eindelijk getuigt de heer Macnamara [438], dat de laag staande en ontaarde bewoners der Andaman-eilanden, in het oostelijk gedeelte van de golf van Bengalen, „bij uitnemendheid gevoelig zijn voor elke verandering van klimaat; als men hen wegvoert uit de eilanden die zij bewonen, sterven zij bijna altijd en dat onafhankelijk van het voedsel en van uitwendige invloeden.” Hij getuigt verder, dat de bewoners van de vallei van Nepaul, die in den zomer uiterst heet is, en ook de verschillende bergstammen van Engelsch-Indië, aan dyssenterie en koorts lijden, als zij in het vlakke land komen, en sterven, als zij het geheele jaar daar trachten door te brengen.
Wij zien dus, dat velen van de meer wilde menschenrassen onderhevig zijn om veel in hun gezondheid te lijden, als zij aan veranderingen van levensvoorwaarden of leefwijze worden onderworpen, en niet uitsluitend, als zij in een nieuw klimaat worden overgebracht. Eenvoudige veranderingen van gewoonten die op zich zelf niet nadeelig schijnen te zijn, schijnen de zelfde uitwerking te hebben, en in verscheidene gevallen zijn vooral de kinderen vatbaar om daardoor te lijden. Men heeft, gelijk de heer Macnamara opmerkt, dikwijls gezegd, dat de mensch ongestraft weêrstand kan bieden aan de meest verschillende klimaten en andere veranderingen, maar dat is alleen waar van de beschaafde rassen. De mensch schijnt in den wilden staat bijna even gevoelig te zijn als zijn naaste verwanten, de anthropomorphe apen, die nooit lang zijn blijven leven, als zij uit hun geboorteland werden verwijderd.
Vermindering der vruchtbaarheid door veranderde levensvoorwaarden, gelijk in het geval der Tasmaniërs, Maori’s, Sandwich-eilanders en, naar het schijnt, ook der Nieuw-Hollanders, is nog belangwekkender dan hun vatbaarheid voor ziekte en dood; want zelfs een geringe mate van onvruchtbaarheid zou, verbonden met die andere oorzaken welke er naar streven om de toeneming van elke bevolking tegen te gaan, vroeger of later tot uitsterving leiden. De vermindering in vruchtbaarheid kan in sommige gevallen worden verklaard door de ongebondenheid der vrouwen (gelijk tot voor korten tijd bij de bewoners van Tahiti), doch de heer Fenton heeft aangetoond, dat deze verklaring in geenen deele voldoende is bij de Nieuw-Zeelanders, en evenmin is zij zulks bij de Tasmaniërs.
In de boven aangehaalde verhandeling geeft de heer Macnamara redenen op om te gelooven, dat de bewoners van streken waar moeraskoortsen heerschen, neiging hebben onvruchtbaar te worden; maar dit kan in vele der bovengenoemde gevallen niet van toepassing zijn. Sommige schrijvers hebben de onderstelling uitgesproken, dat de inboorlingen van eilanden in gezondheid en vruchtbaarheid achteruitgaan wegens het lang voortgezette huwen van nauw met elkander verwante personen; maar in de bovengenoemde gevallen viel de onvruchtbaarheid te nauwkeurig samen met de aankomst der Europeanen, dan dat wij met deze verklaring zouden kunnen instemmen. Ook hebben wij tot dusver volstrekt geen reden om te gelooven, dat de mensch in hooge mate gevoelig is voor de slechte gevolgen van huwelijken tusschen nauwverwante personen, vooral in landen zoo groot als Nieuw-Zeeland en den Sandwich-archipel met zijn verschillende eilanden. Daarentegen is het bekend, dat de tegenwoordige bewoners van Norfolk allen neven of elkander naaste bloedverwanten zijn, gelijk ook het geval is met de Toda’s in Indië en de bewoners van sommige eilanden bewesten Schotland; en toch schijnen zij niet in hun vruchtbaarheid te hebben geleden. [439]
Tot een veel meer waarschijnlijke onderstelling wordt men geleid door de analogie der lagere dieren. Het kan worden bewezen, dat het voortplantingsstelsel (ofschoon wij niet weten waarom) in buitengewone mate gevoelig is voor verandering in de levensvoorwaarden; en deze gevoeligheid leidt zoowel tot heilzame als tot slechte resultaten. Een groote verzameling feiten omtrent dit onderwerp is medegedeeld in hoofdstuk XVIII van deel II van mijn „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik kan hier slechts een zeer kort uittreksel daarvan geven; ieder die in dit onderwerp belang stelt, kan bovengenoemd werk raadplegen. Zeer geringe veranderingen vermeerderen de gezondheid, kracht en vruchtbaarheid van bijna alle organische wezens, terwijl men weet, dat andere veranderingen een groot aantal dieren onvruchtbaar maken. Een van de meest bekende gevallen is, dat tamme olifanten zich in Engelsch-Indië niet voortplanten, hoewel zij zich dikwijls voortplanten in Ava, waar men de wijfjes tot op zekere hoogte toestaat in de bosschen rond te zwerven, en zij dus onder meer natuurlijke voorwaarden leven. Het geval van onderscheiden Amerikaansche apen waarvan beide seksen langen tijd bij elkander gevangen werden gehouden in hun eigen vaderland, en die zich toch zelden of nooit hebben voortgeplant, is een meer geschikt voorbeeld, wegens hun verwantschap met den mensch. Het is opmerkelijk, hoe gering een verandering in de levensvoorwaarden dikwijls onvruchtbaarheid veroorzaakt bij een wild dier, wanneer het gevangen wordt; en dit is des te vreemder, omdat al onze huisdieren vruchtbaarder zijn dan zij in den natuurstaat waren, en sommige van hen kunnen de meest onnatuurlijke levensvoorwaarden weêrstaan, zonder dat hun vruchtbaarheid vermindert. [440] Sommige groepen van dieren zijn er veel meer dan andere aan onderhevig om door gevangenschap te worden aangedaan; en over het algemeen worden alle soorten van de zelfde groep op de zelfde wijze aangedaan. Soms wordt echter een enkele soort van een groep daardoor onvruchtbaar gemaakt, terwijl de andere zulks niet worden; van den anderen kant behoudt soms een enkele soort haar vruchtbaarheid, terwijl de meeste andere zich niet voortplanten. Van sommige soorten paren de mannetjes nooit met de wijfjes, als zij zijn opgesloten, of als men hun in hun vaderland veroorlooft bijna, maar niet geheel en al vrij te leven; andere paren onder die omstandigheden dikwijls maar brengen nooit jongen voort; nog weêr andere brengen wel jongen voort, maar minder dan in den natuurstaat; en als toepasselijk op bovenvermelde gevallen bij den mensch, is het van belang op te merken, dat die jongen meestal zwak en ziekelijk of misvormd zijn, en dikwijls op jeugdigen leeftijd sterven.
Als ik zie, hoe algemeen deze wet van de gevoeligheid van het voortplantingsstelsel voor veranderde levensvoorwaarden is, en dat zij doorgaat bij onze naaste verwanten, de Vierhandige Zoogdieren, kan ik moeielijk betwijfelen, dat zij ook toepasselijk is op den mensch in zijn oorspronkelijken toestand. Als dus wilden van het eene of andere ras er toe worden gebracht om plotseling hun levenswijze te veranderen, worden zij min of meer onvruchtbaar en lijdt hun jong kroost in gezondheid, op de zelfde wijze en om de zelfde oorzaak als de olifant en jachtluipaard van Indië, vele apen in Amerika, en een groote menigte dieren van allerlei soort, als zij aan hun natuurlijke levensvoorwaarden worden onttrokken.
Wij kunnen inzien hoe het komt, dat in het bijzonder inboorlingen die lang eilanden hebben bewoond en lang aan bijna volkomen gelijke levensvoorwaarden moeten zijn onderworpen geweest, zullen worden aangedaan door elke verandering in hun levenswijze, gelijk het geval schijnt te zijn. Beschaafde rassen kunnen zeker allerlei soort van veranderingen veel beter weêrstaan dan wilden, en in dit opzicht gelijken zij op tamme dieren; want, hoewel deze laatste soms in hun gezondheid lijden (bij voorbeeld Europeesche honden in Indië), worden zij toch zelden onvruchtbaar gemaakt, hoewel daarvan toch enkele voorbeelden zijn opgeteekend. [441] Het niet aangedaan worden van beschaafde rassen en tamme dieren wordt waarschijnlijk veroorzaakt, omdat zij in meerdere mate onderworpen zijn geweest en daarom wat meer zijn gewend aan verschillende en afwisselende levensvoorwaarden dan de meeste wilde dieren, en omdat zij in vroeger tijd uit andere landen overgebracht of van het eene land naar het andere medegevoerd zijn, en dat verschillende families of onder-rassen met elkander zijn gekruist. Het schijnt, dat een kruising met beschaafde rassen dadelijk een inlandsch ras beveiligt tegen de kwade gevolgen van de verandering van levensvoorwaarden. Zoo vermeerderde de gekruiste nakomelingschap van Tahitiërs en Engelschen, die zich op het eiland Pitcairn hadden gevestigd, zoo snel, dat het eiland spoedig overbevolkt was en in Juni 1856 werden zij naar het eiland Norfolk overgebracht. Zij bestonden toen uit 60 gehuwde personen en 134 kinderen, een totaal van 194 uitmakende. Hier vermeerderden zij eveneens zoo snel, dat, hoewel zestien van hen in 1859 naar het eiland Pitcairn terugkeerden, zij in Januari 1868 300 zielen telden, waaronder juist evenveel mannen als vrouwen. Welk een tegenstelling vormt dit geval met de Tasmaniërs; de Norfolk-eilanders vermeerderden in slechts twaalf en een half jaar van 194 tot 300, terwijl de Tasmaniërs in vijftien jaar van 120 tot 46 afnamen, van welk laatste getal slechts tien kinderen waren. [442]
Evenzoo namen in den tijd tusschen de volkstellingen van 1866 en 1872 de inboorlingen van vol bloed op de Sandwich-eilanden met 8081 af, terwijl de half-bloedigen, die men voor gezonder houdt, met 847 vermeerderden; ik weet echter niet of dit laatste getal de kinderen van de half-bloedigen insluit, of alleen de half-bloedigen van de eerste generatie omvat.
De gevallen die ik hier heb medegedeeld, hebben allen betrekking tot inboorlingen die aan nieuwe levensvoorwaarden zijn onderworpen ten gevolge van de immigratie van blanke menschen. Maar onvruchtbaarheid en slechte gezondheid zouden waarschijnlijk volgen, indien wilden door de eene of andere oorzaak, zooals een inval van een veroverenden stam, werden genoodzaakt hun woonplaats te verlaten en hun gewoonten te veranderen. Het is een belangwekkende omstandigheid, dat de voornaamste hinderpaal tegen het temmen van wilde diersoorten (hetgeen insluit dat zij, toen zij voor het eerst werden gevangen, het vermogen bezaten om zich onbelemmerd voort te planten) en ééne voorname hinderpaal voor wilde menschen om, als zij in aanraking met de beschaving komen, te blijven leven en een beschaafd ras te vormen, de zelfde is, namelijk de onvruchtbaarheid ten gevolge van verandering in de levensvoorwaarden.
Ten slotte: hoewel de trapsgewijze afneming en eindelijke uitsterving der menschenrassen een duister vraagstuk zijn, kunnen wij toch inzien dat zij van vele oorzaken afhangen en op verschillende plaatsen en in verschillende tijden verschillen. Het is het zelfde moeielijke vraagstuk als dat, hetwelk ons het uitsterven van een der hoogere dieren oplevert—bij voorbeeld die van het fossiele paard, dat in Zuid-Amerika verdween om spoedig daarna in de zelfde streken door tallooze kudden van Spaansche paarden te worden vervangen. De Nieuw-Zeelander schijnt die overeenkomst te begrijpen; want hij vergelijkt zijn toekomstig lot met dat van de inlandsche rat, die door de Europeesche rat bijna is uitgeroeid. De moeilijkheid, hoewel groot in onze verbeelding en inderdaad groot wanneer wij de juiste oorzaken wenschen uit te vorschen, behoeft zulks voor onze rede niet te zijn, zoolang wij voortdurend bedenken, dat de vermeerdering van elke soort en van elk ras onophoudelijk wordt tegengegaan door verschillende hinderpalen, zoodat, wanneer de eene of andere nieuwe hinderpaal of oorzaak van verderf, al is zij ook gering, er bij komt, het ras zeker in aantal zal afnemen, en daar men overal heeft opgemerkt dat wilden een grooten afkeer hebben van elke verandering van gewoonten, waardoor nadeelige hinderpalen zouden kunnen worden opgewogen, zal de afneming van hun getal vroeger of later tot uitsterving leiden, terwijl het einde in de meeste gevallen snel wordt beslist door de invallen van vermeerderende veroverende stammen.
Over het Ontstaan der Menschenrassen.—Wij mogen vooropzetten, dat, wanneer wij het zelfde ras, hoewel in afzonderlijke stammen verdeeld, over een groote oppervlakte, zooals over Amerika, verspreid vinden, wij hun gemeenschappelijke gelijkenis mogen toeschrijven aan afstamming van een gemeenschappelijken stamvorm. In sommige gevallen heeft de kruising van rassen die reeds verschillend waren, aanleiding gegeven tot de vorming van nieuwe rassen. Het vreemde feit, dat Europeanen en Hindoe’s, die tot den zelfden Arischen stam behooren en een taal spreken, die in den grond der zaak de zelfde is, sterk in uiterlijk verschillen, terwijl de Europeanen slechts weinig verschillen van de Joden die tot den Semietischen stam behooren en een geheel andere taal spreken, is door Broca [443] daaraan toegeschreven, dat de takken der Ariërs zich gedurende hun verre verspreiding op groote schaal met onderscheidene stammen van inboorlingen hebben gekruist. Als twee stammen die in elkanders onmiddellijke nabijheid wonen, zich met elkander kruisen, is het eerste gevolg daarvan een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel: zoo zegt de heer Hunter, de Santali’s of heuvelstammen van Indië beschrijvende, dat men honderden onmerkbare overgangen kan waarnemen „van de zwarte, gedrongen gebouwde bergstammen af tot den grooten olijfkleurigen Brahmaan, met zijn verstandig aangezicht, kalmen blik en hoog maar smal hoofd, toe”, zoodat het bij gerechtshoven noodig is aan de getuigen te vragen, of zij Santali’s of Hindoe’s zijn. [444] Of een ongelijksoortig (heterogeen) volk, zooals de bewoners van sommige Polynesische eilanden, gevormd door de kruising van twee verschillende rassen, waarvan weinig of geen zuivere leden overbleven, ooit gelijksoortig (homogeen) zou worden, is door geen directe bewijzen bekend. Daar echter bij onze huisdieren een gekruist ras zeker in den loop van weinige geslachten door een zorgvuldige teeltkeus [445] standvastig en eenvormig kan worden gemaakt, mogen wij hieruit afleiden, dat de vrije en verlengde kruising van een ongelijksoortig (heterogeen) mengsel gedurende vele generaties de plaats der teeltkeus zou vervangen, en elke neiging tot atavisme overwinnen, zoodat een gekruist ras ten laatste gelijksoortig (homogeen) zou worden, al deelde het ook niet in gelijke mate in de kenmerken der beide stamrassen.
Van alle verschillen tusschen de menschenrassen loopt de kleur der huid het meest in het oog en is ook een der meest kenmerkende. Men dacht vroeger, dat men verschillen van deze soort kon verklaren door langdurige blootstelling aan verschillende luchtstreken (klimaten); maar Pallas was de eerste die aantoonde, dat deze meening niet houdbaar is, en hij is door bijna alle anthropologen gevolgd. [446] Deze meening is hoofdzakelijk daarom verworpen, omdat de geographische verspreiding der verschillend gekleurde rassen, van welke de meeste lang hun tegenwoordige woonplaatsen moeten hebben bewoond, niet samenvalt met overeenkomstige verschillen van klimaat. Er moet ook gewicht worden gehecht aan zulke gevallen, als die der Nederlandsche familiën, welke, zooals wij van een uitnemende autoriteit hooren [447], na een verblijf van drie eeuwen in Zuid Afrika niet de minste verandering in kleur hebben ondergaan. Het eenvormig uiterlijk in verschillende deelen der wereld van Heidens (Zigeuners) en Joden, hoewel de eenvormigheid dezer laatsten wat overdreven is geworden [448], is eveneens een bewijs voor het zelfde. Men heeft ondersteld, dat een zeer vochtige of zeer droge dampkring meer invloed had op de wijziging der huidskleur, dan de hitte alleen; maar daar d’Orbigny in Zuid-Amerika en Livingstone in Afrika ten opzichte van vochtigheid en droogte tot lijnrecht tegenovergestelde besluiten zijn gekomen, moet elk besluit daaromtrent als hoogst twijfelachtig worden beschouwd. [449]
Verschillende feiten, die ik elders heb medegedeeld, bewijzen, dat de kleur van de huid en het haar soms op verwonderlijke wijze samenhangt met een volstrekt beveiligd zijn voor de werking van zekere plantaardige vergiften en voor de aanvallen van zekere woekerdieren (parasieten). Het viel mij daarom in, of negers en andere donkergekleurde rassen ook soms hun donkere kleur hadden verkregen, doordat gedurende een lange reeks van geslachten de donkerste individu’s aan den doodelijken invloed der miasmen van hun geboorteland waren ontsnapt.
Ik vond later, dat het zelfde denkbeeld reeds lang te voren bij Dr. Wells was opgekomen. [450] Dat negers en zelfs mulatten bijna volkomen bevrijd blijven van de gele koorts, die in tropisch Amerika zoo groote verwoestingen aanricht, is reeds lang bekend geweest. [451] Zij blijven ook grootendeels vrij van de noodlottige tusschenpoozende (intermitteerende) koortsen, die langs minstens 2600 mijlen van de kusten van Afrika heerschen en jaarlijks een vijfde gedeelte der blanke kolonisten doen sterven, terwijl een ander vijfde gedeelte met geknakte gezondheid naar het vaderland moet terugkeeren. [452] Deze vrijdom van den neger schijnt gedeeltelijk aangeboren en van de eene of andere onbekende bijzonderheid van het gestel afhankelijk, en gedeeltelijk het gevolg van acclimatisatie te zijn. Pouchet [453] getuigt, dat de negerregimenten, van den Onderkoning van Egypte voor den Mexicaanschen oorlog geleend, die in de nabijheid van Soedan waren aangeworven, bijna even goed aan de gele koorts ontsnapten als de negers die oorspronkelijk uit verschillende deelen van Afrika waren aangevoerd en aan het klimaat der West-Indiën gewend. Dat acclimatisatie in het spel komt, wordt aangetoond door verschillende gevallen waarin negers, na eenigen tijd in een kouder klimaat te hebben doorgebracht, tot op zekere hoogte vatbaar voor tropische koortsen zijn geworden. [454] De aard van het klimaat waarin de blanke rassen lang hebben geleefd, heeft eveneens eenigen invloed op hen; want gedurende de verschrikkelijke epidemie van gele koorts in Demerary in het jaar 1837, vond Dr. Blair, dat de sterfte der landverhuizers evenredig was aan de breedte van het land van waar zij waren gekomen. Bij den neger onderstelt de vrijdom, voor zoover hij het gevolg van acclimatisatie is, blootstelling aan het klimaat gedurende een verbazende lengte van tijd; want de inboorlingen van tropisch Amerika, die daar sedert onheugelijke tijden hebben gewoond, zijn niet gevrijwaard voor de gele koorts, en de weleerw. heer B. Tristram getuigt, dat er in Noord-Afrika streken zijn, welke de inboorlingen jaarlijks genoodzaakt zijn te verlaten, hoewel de negers er veilig kunnen blijven. (19)
Dat de vrijdom van den neger eenigermate samenhangt met de kleur van zijn huid, is een bloote onderstelling; hij kan ook samenhangen met een of ander verschil in zijn bloed, zenuwstelsel of andere weefsels. Toch scheen mij wegens de feiten waarop hierboven is gedoeld, en wegens het verband dat er schijnt te bestaan tusschen de gelaatskleur en den aanleg voor tering, deze onderstelling niet onwaarschijnlijk. Ik trachtte mij daarom te vergewissen, maar met weinig succes [455], in hoever zij steek hield. Wijlen Dr. Daniell, die lang op de westkust van Afrika had gewoond, zeide mij, dat hij volstrekt niet aan een dergelijke betrekking geloofde. Hij was zelf buitengewoon blond en had het klimaat verwonderlijk goed weêrstaan. Toen hij het eerst als een jongen op de kust kwam, had een oud en ondervindingrijk negerhoofd uit zijn uiterlijk voorspeld, dat dit het geval zou zijn. Dr. Nicholson, van Antigua, schreef mij, na op dit onderwerp te hebben acht gegeven, dat hij niet dacht, dat donker gekleurde Europeanen beter aan de gele koorts ontsnapten, dan diegenen welke licht gekleurd waren. De heer J. M. Harris ontkent volstrekt, dat Europeanen met donker haar een heet klimaat beter weêrstaan dan andere menschen; de ondervinding heeft hem integendeel geleerd om bij het uitkiezen van manschappen voor den dienst op de Afrikaansche kust, diegenen uit te zoeken, welke rood haar hebben. [456] Zoover derhalve uit deze kleine aanwijzingen valt op te maken, schijnt er geen grond te zijn voor de onderstelling, die door onderscheidene schrijvers is gemaakt, dat de kleur der zwarte rassen daarvan het gevolg zou zijn, dat de donkerste individu’s telkens in grooter getal in leven bleven gedurende hun blootstelling aan de koorts-voortbrengende miasmen van hun geboortelanden.
Dr. Sharpe merkt op [457], dat een tropische zon, die een blanke huid brandt en er blaren op doet ontstaan, een zwarte volstrekt niet benadeelt; en, gelijk hij er bijvoegt, dit komt niet omdat het individu er aan gewend is; want kinderen van zes of acht maanden worden naakt overal heêngedragen, en worden niet aangedaan. Een arts heeft mij verzekerd, dat eenige jaren geleden, elken zomer, maar niet gedurende den winter, op zijn handen lichtbruine plekken ontstonden, gelijkende op sproeten, hoewel grooter, en dat deze plekken niet werden aangedaan door het branden van de zon, terwijl de blanke deelen van zijn huid bij verschillende gelegenheden zeer ontstoken en met blaren bedekt werden. Ook bij de lagere dieren bestaat er een constitutioneel verschil in vatbaarheid voor de werking van de zon tusschen de deelen die met wit haar zijn bedekt, en andere deelen. [458] Of de beschutting van de huid tegen het branden der zon van genoegzaam belang is om te doen onderstellen, dat een donkere tint door den mensch trapsgewijze door natuurlijke teeltkeus is verkregen, kan ik niet beoordeelen. Indien dit zoo ware, zouden wij moeten aannemen, dat de inboorlingen van tropisch Amerika daar gedurende veel korter tijd hebben geleefd dan de negers in Afrika, of de Papoea’s in de zuidelijke gedeelten van den Maleischen archipel, juist gelijk de lichter gekleurde Hindoe’s gedurende korter tijd in Engelsch Indië hebben gewoond, dan de donkerder inboorlingen van de centrale en zuidelijke gedeelten van dat schiereiland.
Hoewel wij ons met onze tegenwoordige kennis van de sterk sprekende verschillen in kleur tusschen de menschenrassen geen rekenschap kunnen geven, noch door samenhang met constitutioneele bijzonderheden, noch door directe werking van het klimaat, zoo moeten wij toch deze laatste niet geheel buiten rekening laten; want er zijn goede redenen om te gelooven, dat daardoor eenige overgeërfd wordende uitwerking wordt voortgebracht. [459] Wij hebben in ons vierde hoofdstuk gezien, dat de levensvoorwaarden, zooals overvloedig voedsel en over het algemeen de aangenaamheden des levens, op de zelfde wijze terugwerken op het maaksel van ons lichaam, en dat de gevolgen daarvan erfelijk zijn. Door den vereenigden invloed van het klimaat en de veranderde levenswijze ondergaan Europeesche kolonisten in de Vereenigde Staten, naar men algemeen aanneemt, een geringe, maar buitengewoon snelle verandering van uiterlijk. Er zijn ook een aanzienlijk aantal bewijzen, dat in de Zuidelijke Staten de huisslaven van de derde generatie in uiterlijk merkbaar van de veldslaven verschilden. [460]
Indien wij echter de menschenrassen beschouwen, zooals zij over de wereld zijn verspreid, moeten wij daaruit afleiden, dat men zich van hun kenmerkende verschillen geen rekenschap kan geven door de directe werking van verschillende levensvoorwaarden, zelfs nadat zij daaraan gedurende verbazend langen tijd onderworpen waren geweest. De Eskimo’s leven uitsluitend van dierlijk voedsel, gaan in dikke pelzen gekleed, en zijn blootgesteld aan vinnige koude en langdurige duisternis; toch verschillen zij niet uitermate veel van de bewoners van zuidelijk China, die geheel van plantaardig voedsel leven en bijna naakt zijn blootgesteld aan een heet, schitterend klimaat. De ongekleede Vuurlanders leven van de voortbrengselen der zee op hun ongastvrije stranden; de Botocudo’s van Brazilië doorkruisen de heete bosschen van het binnenland en leven voornamelijk van plantaardig voedsel; toch gelijken deze stammen zoozeer op elkander, dat de Vuurlanders aan boord van de „Beagle” door sommige Brazilianen voor Botocudo’s werden aangezien. De Botocudo’s en de overige inboorlingen van tropisch Amerika zijn daarentegen geheel verschillend van de Negers, die de tegenovergestelde kusten van den Atlantischen Oceaan bewonen, aan een ongeveer gelijksoortig klimaat zijn blootgesteld en ongeveer de zelfde levenswijze leiden.
Wij kunnen ons van de verschillen tusschen de menschenrassen ook geen rekenschap geven, behalve tot op een volkomen onbeteekenende hoogte, door middel van de overgeërfde gevolgen van vermeerderd of verminderd gebruik van deelen. Menschen die gewoonlijk in kano’s leven, kunnen wat korter beenen, zij die hooge streken bewonen, wat grooter borstkassen hebben verkregen; en bij hen die sommige zintuigen voortdurend gebruiken, kunnen de holten waarin deze zijn geplaatst, een weinig in grootte toegenomen, en hun gelaatstrekken derhalve een weinig gewijzigd zijn. Bij beschaafde volken hebben de afneming van de grootte der kaken wegens vermindering van het gebruik, de gewoonten van verschillende spieren in beweging te brengen om verschillende gemoedsaandoeningen uit te drukken en de toeneming in grootte van de hersenen ten gevolge van grootere verstandelijke werkzaamheid, allen te zamen een aanmerkelijke uitwerking gehad op hun algemeen uiterlijk aanzien in vergelijking met wilden. [461] Het is ook mogelijk, dat toeneming in lichaamsgrootte zonder overeenkomstige vermeerdering van de grootte der hersenen aan sommige rassen (te oordeelen naar de vroeger gemelde gevallen van konijnen) een langwerpigen schedel van het dolichocephale type heeft gegeven.
Eindelijk zal bijna zeker het nog weinig begrepen beginsel van correlatie in werking zijn gekomen, zooals in het geval van groote ontwikkeling der spieren en sterk vooruitstekende wenkbrauwbogen. Het is niet onwaarschijnlijk, dat de aard van het haar, die bij de onderscheidene rassen veel verschilt, in de eene of andere soort van correlatie staat met het maaksel der huid; want tusschen de kleur van het haar en die van het vel bestaat zeker correlatie, evenals tusschen de kleur en den aard van het haar bij de Mandanen. [462] De kleur der huid en de door dezelve ontwikkelde geur staan eveneens op de eene of andere wijze met elkander in verband. Bij de schapenrassen staan het aantal haren binnen een gegeven ruimte en het aantal afscheidende poriën in eenige betrekking tot elkander. [463] Indien wij mogen oordeelen naar de analogie onzer huisdieren, behooren vele wijzigingen in maaksel bij den mensch waarschijnlijk te worden verklaard door het beginsel van correlatie van groei.
Wij hebben nu gezien, dat men zich van de kenmerkende verschillen tusschen de menschenrassen niet op voldoende wijs rekenschap kan geven door de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden, noch door de uitwerkselen van het voortdurend gebruik van deelen, noch door het beginsel van correlatie. Wij hebben daarom aanleiding om te onderzoeken, of niet kleine individueele verschillen, die den mensch bij uitnemendheid eigen zijn, door natuurlijke teeltkeus gedurende een lange reeks van jaren zijn bewaard gebleven en vermeerderd. Hier stuiten wij echter eensklaps op de tegenwerping, dat alleen voordeelige wijzigingen op die wijze kunnen worden bewaard; en zoover wij er over kunnen oordeelen (hoewel het altijd mogelijk blijft, dat wij daarin dwalen) strekt geen van de uitwendige verschillen tusschen de menschenrassen hun tot eenig direct of bijzonder voordeel. De verstandelijke en zedelijke of sociale vermogens moeten natuurlijk van deze opmerking worden uitgezonderd, maar verschillen in deze vermogens kunnen weinig of geen invloed hebben gehad op uitwendige kenmerken. De vroeger vermelde variabiliteit van al de kenmerkende verschillen tusschen de rassen toont eveneens aan, dat deze verschillen niet van veel belang kunnen zijn; want, waren zij belangrijk geweest, dan zouden zij reeds lang geleden hetzij standvastig gemaakt en bewaard, of geëlimineerd zijn. In dit opzicht gelijkt de mensch op die vormen, welke door de natuuronderzoekers proteïsch of polymorphisch worden genoemd en uiterst variabel zijn gebleven, naar het schijnt ten gevolge daarvan, dat hun veranderingen van indifferenten aard waren en bijgevolg aan de werking der natuurlijke teeltkeus zijn ontsnapt.
Wij zijn tot dusver teleurgesteld in al onze pogingen om ons rekenschap van de verschillen tusschen de menschenrassen te geven; er blijft echter nog één belangrijke invloed over, namelijk die der Seksueele Teeltkeus, die op den mensch even machtig schijnt te hebben ingewerkt als op vele andere dieren. Ik wil niet beweren, dat de seksueele teeltkeus rekenschap kan geven van al de verschillen tusschen de rassen. Er blijft een onverklaard overschot achter, waarvan wij in onze onwetendheid slechts kunnen zeggen, dat, daar de individu’s voortdurend worden geboren, bij voorbeeld, met een weinig ronder of smaller hoofden en een weinig langer of korter neuzen, dergelijke geringe verschillen wellicht standvastig en eenvormig zouden kunnen worden gemaakt, indien de onbekende invloeden, die ze veroorzaakten, op meer standvastige wijze bleven werken en door lang voortgezette kruisingen werden geholpen. Dergelijke variaties behooren tot de voorloopige afdeeling waarop in ons vierde hoofdstuk is gedoeld, die wegens gebrek aan een betere uitdrukking spontane variaties zijn genoemd. Ik beweer evenmin, dat de uitwerkselen der seksueele teeltkeus met wetenschappelijke nauwkeurigheid kunnen worden aangetoond; maar het kan worden bewezen, dat het een onverklaarbaar feit zou zijn, als de mensch niet was gewijzigd door den invloed daarvan, die zoo machtig op tallooze dieren, zoowel hoog als laag op de ladder staande, heeft ingewerkt. Verder kan worden bewezen, dat de verschillen tusschen de menschenrassen, zooals die in kleur, behaardheid, gelaatsvorm enz, van zulk een aard zijn, als men zou mogen hebben verwacht, dat het gevolg van de inwerking der seksueele teeltkeus zou zijn. Om echter dit onderwerp op gepaste wijs te behandelen, heb ik het noodig gevonden om het geheele dierenrijk te beschouwen; ik heb daarom het Tweede Gedeelte van dit werk daaraan gewijd. Aan het einde zal ik tot den mensch terugkeeren, en, na beproefd te hebben om aan te toonen, in hoever hij door seksueele teeltkeus is gewijzigd, zal ik een kort overzicht van de hoofdstukken van dit Eerste Gedeelte geven.
AANTEEKENINGEN.
(1) Toen ik in den winter van 1869–70 Egypte bezocht, trof het mij, zoodra ik den voet te Alexandrië aan wal had gezet, dat de Arabieren even groote individueele verschillen vertoonden als de Europeanen. Ook de Hindoebedienden in het Peninsular and Oriental Hôtel te Suez kon ik dadelijk van elkander onderscheiden. De leden van het Japansch gezantschap, dat voor jaren Nederland bezocht, en twee Japansche studenten, die te gelijk met mij te Leiden studeerden, schenen mij ook zeer ongelijk. Evenzoo de negers, en Chineezen en roodhuiden die ik in 1872 in Noord-Amerika zag. Mijn persoonlijke ondervinding is dus in strijd met de hier gemaakte opmerkingen.
(2) Hier wordt gedoeld op het verschil tusschen WOLHARIGE MENSCHEN (Homines Ulotriches) en SLUIKHARIGE MENSCHEN (Homines Lissotriches). De eersten worden nog verdeeld in Homines lophocomi, wier wolachtig kroeshaar in kleine bossen groeit (b.v. de Papoea’s en Hottentotten) en Homines eriocomi, wier wolachtig kroeshaar gelijkmatig over de geheele schedelhuid is verspreid (b.v. de Kaffers en Negers). De laatsten onderscheidt men in Homines euthycomi, wier haren noch krullen noch lokken vormen (b.v. de Maleiers, Mongolen en Amerikanen) en Homines euplocami, wier haren min of meer krullen en lokken vormen (b.v. de Kaukasiërs). Deze verschillen in den aard van het haar zijn voor de vergelijkende anthropologie, voor de studie der menschenrassen, van het hoogste gewicht.
(3) M. Benedict vond aan Chineezenhersenen enkele eigenaardigheden waardoor zij van die van andere menschenrassen afwijken („Medizinische Jahrbücher, hrg. v. d. k. k. Geselsch. d. Aerzte”, 1887, blz. 121).
(4) Door mijn Egyptische reis in den winter van 1869–70 ben ik in de gelegenheid hieromtrent eenige zelfstandige opmerkingen te maken. In een der grotten van Beni Hassan, die volgens Mariette van ongeveer 3000 jaren vóór Chr. dagteekenen (in het graf van Noem-Hotep, gouverneur van de provincie Sah onder den Pharao Amenehemha II) ziet men een muurschildering waarop de overledene rechtopstaande afgebeeld is; voor hem staan personen, die men aan hun sterk geprononceerden arendsneus en zwarten puntigen baard dadelijk voor Semieten herkent, en volgens Mariette ook Semieten zijn. [464] In de beroemde salle hypostyle van den tempel van Karnak, waarvan de oudste opschriften volgens Mariette uit den tijd van Seti I(1450 j. v. Chr.) dagteekenen, vindt men hoogst merkwaardige bas-reliefs, waarop genoemde koning zijn veldtochten in Westelijk Azië tegen de Armeniërs, de Assyriërs, de Schasoe en de Kharo heeft afgebeeld, terwijl andere de veldtochten van den Pharao Sesak tegen Palaestina voorstellen. Op die bas-reliefs zijn de nationale typen der overwonnenen zeer goed teruggegeven; de Assyriërs gelijken zeer op de afbeeldingen uit Niniveh; in de Schasoe (volgens Mariette een soort van woestijn-Arabieren of Bedoeïnen) is het Semietische type zeer goed te herkennen. Aan den hoofdingang van het paleis van Rhamses III (dat een gedeelte uitmaakt van den zoogenaamden tempel van Medinet-Aboe te Thebe) vindt men bas-reliefs, die den koning voorstellen, de krijgsgevangenen, door hem in zijn vele oorlogen gemaakt, aan de goden aanbiedende; elk dier krijgsgevangenen, waaronder ik o.a. zeer goed te herkennen Negers en Semieten opmerkte, vertoont het type van zijn ras met merkwaardige getrouwheid, en daar de namen er in hiëroglyphen zijn bijgeschreven, heeft men hier volgens Mariette de merkwaardigste van alle bekende bijdragen tot de ethnologie van Westelijk Azië, Libye en Soedan in de XIIIde eeuw v. Chr.
Het trof mij ook, dat het rastype van de afbeeldingen die oude Egyptenaren voorstellen, op alle monumenten van Ghizeh af tot Philae boven den eersten waterval van den Nijl toe, zeer duidelijk het zelfde bleef, en dat men niet zelden bij de landbouwende bevolking van Opper-Egypte (de Fellah’s) dat type terugvond. Zij die het onveranderd blijven van sommige diersoorten sedert de tijden der oudste dynastieën (zooals Mr. Snellen van Vollenhoven in zijn overigens zoo uitnemend werk: „Gedaanteverwisseling en Levenswijze der Insekten”, „Natuurhistorische Bibliotheek”, Haarlem, A. C. Kruseman, 1870) als een bewijs tegen Darwin aanvoeren, moeten dus van hun standpunt besluiten, dat ook de verschillende menschenrassen (b.v. Egyptenaars, Semieten, Negers) afzonderlijke scheppingen zijn, hetgeen zij juist van hun standpunt wel niet zullen willen. Daarenboven kan niemand bewijzen, dat het door Mr. S. v. V. bedoelde dier (de zoogenaamde heilige kever of scarabaeus Ateuchus sacer) werkelijk volkomen onveranderd is gebleven. [465] Wij weten op hoe geringe verschillen de entomologen, wier grootste roem dikwijls bestaat in het vinden van ééne of meer nieuwe soorten, soms zulk een nieuwe soort baseeren! En wat beteekent de tijd, verloopen sedert de oudste Egyptische dynastieën, in vergelijking van de eeuwigheid, die even goed achter als voor ons ligt! Tijd voor de grootste ontwikkeling is in overvloed verloopen, al ging die ontwikkeling zoo langzaam, dat in een 7000tal jaren de resultaten onmerkbaar waren. Ach! hoezeer had Huxley gelijk, toen hij zeide, „dat het meeste dat tegen Darwin is aangevoerd, het papier niet waard is, waarop het is geschreven.”
In het „Album der Natuur”, 1856, vindt men op blz. 16, fig. 10 en 11, een paar afbeeldingen van Negers, blz. 18, fig. 12, een dergelijke van een Nubiër, blz. 15, fig. 7 en 8, een paar dergelijke van Semieten, allen naar afbeeldingen op Egyptische monumenten. Op blz. 15, fig. 6, vindt men Joodsche krijgsgevangenen uit Lachish (II Kon. XVIII, 14; Jesaia XXXV, 2), volgens afbeeldingen, gevonden in het paleis van den Assyrischen koning Sennacherib te Kouyunjik. „Niemand zal”, zegt Dr. Lubach, „in deze afbeeldingen den Joodschen typus miskennen, en aarzelen daaruit te besluiten, dat de Joden, omstreeks 700 jaren voor Christus, er even zoo hebben uitgezien, als thans.”
Noch de Egyptenaars, noch de Assyriërs zouden den wansmaak hebben gehad om, als zij voorstellingen uit onzen Bijbel hadden moeten maken, Jezus, Maria en de Apostelen, of Mozes en andere Joodsche personen uit het Oude Testament af te beelden met de gelaatstrekken van Egyptenaars of Assyriërs, evenals onze beste schilders en graveurs die personen in hun schilderijen en gravures gewoonlijk teekenen met Europeesche, zuiver Indo-Germaansche gelaatstrekken! Wat b.v. te zeggen van een schilderij, als de „Vierge au Singe” van Albrecht Dürer, wat het schilderwerk zelf aangaat een meesterstuk, waarop Maria afgebeeld is als een Duitsche vrouw, met een Duitsch kind op den schoot, een in Palaestina niet voorkomend dier (een aap) aan een touw vasthoudende, terwijl op den achtergrond een middeleeuwsch kasteel wordt gezien!
(5) Er zijn meer oude menschenschedels in Amerika gevonden en goed onderzocht, welke het type van het Amerikaansche ras vertoonen. Zoo vond men nabij Nieuw-Orleans in het Mississippi-delta bij diepe boringen 10 boven elkander liggende voormalige bosschen, waarin boomen van 10 voet diameter voorkwamen; men telde bij die boomen 95–120 jaarringen op elken Eng. duim, zoodat zulk een boom minstens 5700 jaar oud zou wezen. In het vierde dier bosschen vond men onder de wortels van een cypres een menschenschedel, waarvan de ouderdom door Dowler op 57600 jaar wordt geschat. Deze schedel vertoonde den typischen vorm van het Amerikaansche ras. Ook vond men in een mijnschacht bij Altaville in Calaveras County in Californië, een menschenschedel in een zandlaag op een diepte van 130 voet. Deze zandlaag, waarin ook beenderen van neushoorns en andere uitgestorven diersoorten voorkomen, lag onder vier lagen vulkanische asch van verschillende dikte, die met zandlagen afwisselden. „De basis van den schedel was in een beenderbreccie met rapilli en druipsteen samengebakken en gelijkt zeer op den schedel van een Digger-Indiaan” (J. D. Whitney, in „A Human Skull, discovered in California”, Anthrop. Review N°. 20, blz. 119). Ook bij dezen schedel, de oudste die tot nog toe in Amerika is gevonden, vindt men dus het type van het Amerikaansche ras terug!
Emil Schmidt zou onlangs het bewijs hebben geleverd („Humboldt”, Maart 1890, blz. 109), dat deze schedel uit onaangeroerde tertiaire lagen is opgedolven (wat dikwijls was betwijfeld) terwijl het bestaan van den mensch in het tertiaire tijdvak in Europa nog niet volkomen is bewezen.
In 1889 vond men in Butte County (Californië) bij de bewerking der mijnen aldaar in pliocene grintlagen steenen mortieren, die blijkbaar producten van menschelijke kunstvlijt zijn. Zij zijn uitgehold in blokken metamorphisch gesteente, de uitholling is gemiddeld 24 c.M. lang, 18 c.M. breed en 16 c.M. diep. Deze mortieren geven een nieuw bewijs voor het bestaan van den mensch in Californië in het tertiaire tijdvak. Sedert zij werden gevonden, heeft de 60 mijlen van Cherokee verwijderde vulkaan Lassens Peak het door het water aangespoelde zand met lavastroomen bedekt en opgehouden te werken. De Sacramento, San Joaquin en andere rivieren bestonden nog niet toen de mensch deze mortieren bewerkte. Dalen van 600 M. diep zijn sedert in het basalt uitgehold. Beenderen van den mastodon werden in de nabijheid dezer steenen mortieren gevonden. [466]
Wat de menschenbeenderen aangaat, die de Deensche natuuronderzoeker Lund den 21sten Maart 1844 in de holen bij Lagoa Santa, provincie Minas Geraes, in Brazilië, te samen met de overblijfselen van uitgestorven diersoorten uit het diluviale tijdvak heeft gevonden, is het echter eenigszins twijfelachtig of zij de kenmerken van het Amerikaansche roode ras vertoonen. Quatrefages kwam omtrent die beenderen tot de volgende resultaten, die hij in de zitting van de Fransche Académie des Sciences van den 28sten November 1881 mededeelde:
1. Evenals in Europa heeft in Brazilië de voorhistorische mensch met zoogdieren samengeleefd, die in de fauna van den tegenwoordigen tijd ontbreken. 2. De fossiele Braziliaan die Lund in de holen van Lagoa-Santa ontdekte, leefde op zijn laatst gedurende onze rendierperiode, doch hij leefde (volgens Gaudry) misschien nog niet in het tijdperk van den mammouth. 3. Van alle fossiele Europeanen onderscheidt zich de fossiele mensch van Lagoa Santa door een reeks van kenmerken, waarvan het meest in het oogvallende de vereeniging der dolichocephalie met hypsisthenocephalie is. 4. In Brazilië, zoowel als in Europa, heeft de fossiele mensch nakomelingen nagelaten, die tot de vorming der tegenwoordige bevolking hebben bijgedragen. 5. Met recht hebben Lacerda en Peinoto de Botocuden als resultaat van een vermenging van het Lagoa-Santa-type beschouwd. 6. De aard van dit laatste moet nog worden bepaald, en tevens of men onder de Lagoa Santa gevonden overblijfselen niet meer dan één type moet onderscheiden, maar ten minste één daarvan was brachycephaal. 7. Dit Lagoa-Santa-type neemt ook deel aan de samenstelling der ando-peruaansche bevolkingen en komt meer of minder duidelijk voor tot aan de kust van den Grooten Oceaan. 8. In Peru en Bolivia toont dit type zijn tegenwoordigheid menigmaal even duidelijk als in Brazilië. 9. Toch schijnt dit element een minder algemeene werking in Peru als in Brazilië te hebben uitgeoefend. 10. Naar het schijnt, vindt men het ook nog in andere deelen van Zuid-Amerika dan Peru en Brazilië.
In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van Lagoa-Santa gegeven. [467] De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden, door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij. De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden, vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot, de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens hun beschadigden toestand onmogelijk.
Soren Hanssen en de Quatrefages hebben beiden op de opmerkelijke overeenstemming tusschen deze schedels en die der tegenwoordige Papoea’s gewezen, en ook de theorie van de Quatrefages, dat er in Zuid-Amerika een oorspronkelijk dolichocephaal ras heeft bestaan, dat zich over een groot gedeelte van het Zuid-Amerikaansche vasteland uitstrekte, en zich met brachycephale elementen heeft vermengd, ontvangt door hen een sterken steun. Dat de beenderen van Lagoa-Santa aan een op lagen trap staand ras behoorden, wordt ook bewezen door het bewaardblijven der lumbo-sacraalgewrichten aan het heiligbeen (onvolkomen versmelting van de heiligbeenwervels tot één been), verder door de doorboring der onderste gewrichtsuiteinden van het opperarmbeen, door de inbuiging der ellebogen, door de ontwikkeling der „ruwe lijn” (linea aspera) en de aanwezigheid van een derden trochanter aan het bovendijbeen. In ’t oog vallend is de aanmerkelijke zijdelingsche afplatting (platycnemie) der scheenbeenderen.
In nauwe betrekking tot de quaestie van de oorspronkelijke bevolking van Amerika staan ook Soren Hanssen’s onderzoekingen omtrent de inboorlingen van Groenland. [468] Tijdens een verblijf aldaar mat hij 1200 individu’s en vond, dat zij onderling verschilden. Terwijl de Eskimogroep aan den Angmasalikfjord (Oostkust van Groenland) uit krachtige, intelligente en energieke menschen bestaat, die 1,647 meter lang zijn, op de hoogte van de borst een omtrek van 93,7 c.M. hebben, een zelfstandige beschaving en verrassende kunstvaardigheid bezitten, schijnen andere Eskimostammen, die onder minder gunstige omstandigheden leven,—zooals bovenal het grootste gedeelte van stammen aan de westkust van Groenland,—gedegenereerd. Tegenwoordig zijn de Eskimo’s van de Indianen in het zuiden en de Mongolen in het westen scherp gescheiden; hun uitbreiding moet echter vroeger veel grooter zijn geweest dan thans [469]; zij moeten volgens Soren Hanssen als laatste overblijfsel van een oorspronkelijk Amerikaansch ras worden beschouwd, waarvan de voorvaders met de tegenwoordige Papoea’s verwant waren. Dit oorspronkelijke ras verspreidde zich over geheel Amerika, en nog thans bestaan er enkele onvermengde overblijfselen van. Dit is de oorzaak van de verrassende gelijkenis tusschen de Eskimo’s en enkele Indianenstammen (o.a. van Zuid-Amerika). Dit oorspronkelijke Amerikaansche ras heeft later voor een ander ras moeten wijken, dat allengs naar het zuiden doordrong en zich met de oudere bevolking vermengde, uit welke vermenging de roodhuiden ontstonden, die in hun uiterlijk en oorsprong veel minder één zijn dan men gewoonlijk aanneemt. Door dit gemengde ras werden de Eskimo’s naar het noorden gedrongen, hoewel ook zij eenigszins met het ingedrongen ras zijn vermengd.
De Markies de Saporta schrijft echter sommige in Mexico en de Vereenigde Staten gevonden vuursteenwerktuigen toe aan het ras van Chelles (of Cannstatt), dat volgens hem gelijktijdig in Europa en in Amerika als oudste bevolking optrad.
(6) Vergelijk de fraaie kaart, gevoegd bij Deel I van „Insulinde: het Land van den Orang-oetan en den Paradijs-vogel”, door A. R. Wallace, Ned. vert. van Prof. P. J. Veth, 1870. De grenslijn tusschen de beide menschenrassen ligt echter iets oostelijker dan die tusschen de zoölogische gewesten, hetgeen, volgens de zeer aannemelijke verklaring van Wallace, is toe te schrijven aan de zucht van het Maleische ras voor de zeevaart en zijn hoogere ontwikkeling, waardoor het in staat werd gesteld zich over een deel van het aangrenzend gebied te verbreiden en de oorspronkelijke Papoea-bevolking te verdringen.
Dr. K. Martin, Hoogleeraar te Leiden, hield voor eenige jaren bij gelegenheid der koloniale tentoonstelling te Amsterdam eene redevoering, getiteld: „Wissenschaftliche Aufgaben, welche der geologischen Erforschung des Indischen Archipels gestellt sind”, waarin hij o.a. zocht aan te toonen, dat Wallace ten onrechte beweerde, dat de grenslijn tusschen het Aziatische en het Australische zoölogische gewest van Insulinde met de oorspronkelijke grens tusschen het Aziatische en Australische vasteland samenvalt.
Dr. H. van Cappelle („Over de grenslijn van Wallace”, Album der Natuur 1886, blz. 299) is van het zelfde gevoelen, en komt tot het besluit, dat het als hoogstwaarschijnlijk kan worden aangenomen:
1o. dat de grenslijn van Wallace niet als een continentale grens moet worden beschouwd; dat deze laatste zeer waarschijnlijk met de door den Indischen Archipel loopende reeks vulkanen samenvalt.
2o. dat de soorten van Australisch type, die men op de oostelijk van genoemde grenslijn gelegen eilanden aantreft, deze laatste niet oorspronkelijk bewoonden, doch er zich eerst later over hebben verspreid, toen de toenadering van het Australische tot het Aziatische continent hoe langer hoe grooter werd.
Is dit juist, dan verklaart zich het feit, dat de grenslijn tusschen de beide menschenrassen iets oostelijker ligt dan die tusschen de zoölogische gewesten, op nog eenvoudiger wijze, namelijk doordat de strijdbaarder Maleiers zich niet door de minder strijdbare Papoea’s lieten terugdringen, gelijk de Aziatische fauna door de Australische.
De verdringing der dier- en plantsoorten van het groote vasteland van Azië door die van het kleine vasteland van Australië is echter in strijd met wat wij in Amerika, Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland zien gebeuren, waar de inlandsche soorten voor de uit het grootere vasteland (Europa-Azië) ingevoerde terugwijken!
(7) Daar de eigenlijke Eskimo’s slechts in de poollanden van Amerika voorkomen, is dit alleen waar, als men de Mongoloïdische bewoners der noordelijke poolstreken van Azië en Europa de Kamschadalen, Tschoektschen, Koriaken, Joekagiren, Toengoezen, Ostiaken, Samojeden, Laplanders enz. met hen tot een „Arctisch ras” vereenigt. Deze volken worden echter, evenals de Eskimo’s, door de meeste schrijvers als takken van het Mongoolsche ras beschouwd. In taalkundig opzicht schijnen van al de genoemde volken alleen de Kamschadalen en Tschoektschen met de Eskimo’s verwant te zijn.
(8) In het Duitsche tijdschrift „Globus”, Bd XVII, N°. 1, blz. 10, vinden wij in een artikel van Karl Andree, „Zur Kennzeichnung der Mischlinge aus verschiedenen Menschenracen”, het volgende over de bastaarden tusschen blanken en van Diemenslanders en Nieuw-Hollanders opgeteekend: „Met recht noemt Bonwick hen in zijn, aan onze lezers bekend werk over het uitsterven der van Diemenslanders „ongelukkige voortbrengselen van den omgang in de struiken”, die slechts zelden bij den stam der zwarten eenigen tijd in het leven blijven. Dikwijls neemt de moeder, daar zij haar schande wil verbergen, een middel te baat om het schepsel voor de geboorte te vermoorden; baart zij echter een kind, dan bezorgt een bloedverwant daaraan door een knotsslag een vroegtijdigen dood. Al beweerde een uitnemend anthropoloog, Broca te Parijs, vroeger eens, dat het vermoorden der Nieuw-Hollandsche mulatten een fabel en de uitroeiing der half-bloedigen door de zwarten onnatuurlijk was, men is nu sinds lang beter onderricht kunnen worden. Dr. Story, die langen tijd een stam van van Diemenslanders gadesloeg, vond onder hen geen enkelen bastaard. Ook op het vasteland van Nieuw-Holland zijn halfbloed-kinderen zeer zeldzaam geweest; de zendeling Schmidt in Queensland weet, „dat het een regel was, die dadelijk na de geboorte om te brengen.” Robinson en andere voorsprekers der inboorlingen getuigen, dat in de streek van Port Philip volkomen het zelfde het geval was. Tegenwoordig, nu de geboorte van een kind bij de Nieuw-Hollanders over het algemeen tot de zeldzaamheden behoort, heeft men, wel is waar, nu en dan een halfbloed-kind in het leven gelaten en zulk een geel voortbrengsel wel eens met een zekeren trots, of ook wel eens met een zekeren galgenhumor aan de blanken getoond. „That my picaninny,—you gib it sixpence?” zeide een zwarte lachend tot den heer Bonwick. Parker, een voorspreker der inboorlingen, getuigt echter, „dat ook die kinderen, ingeval men ze tot den manbaren leeftijd laat leven, dan op geheimzinnige wijze verdwijnen.
„De blanke, Christelijke vaders hebben zich steeds zeer onverschillig omtrent hun bastaarden getoond. De heer Karl Vogt heeft dit betwijfeld; maar Bonwick wederlegt hem met feiten.
„De heer G. A. Murray, politiemagistraat aan de rivier Murrumbidgee, werd officiëel verwittigd, dat elf halfbloed-knapen door de zwarten waren vermoord en dat men elk hunner op een afzonderlijk vuur tot asch had verbrand. Hij reed naar de hem aangewezen plaats, zag de overblijfselen van het vuur, doorzocht de asch en vond nog brokstukken van menschenbeenderen. In zijn procesverbaal merkt hij op, dat men in zijn district de halfbloed-meisjes somtijds in leven laat, doch de jongens zonder uitzondering doodt; de eersten worden slechts geduld, om als gemeenschappelijk goed aan de mannen van den stam tot bevrediging hunner dierlijke lusten te strekken, en tegen geld aan blanke mannen te worden prijsgegeven.”
In het eerste nummer van de „Memoirs of the Literature of the Imperial University of Japan”, komt een belangrijke verhandeling voor van R. H. Chamberlain over de Aino’s, de oorspronkelijke bevolking van Japan, die thans nog op het eiland Jesso voorkomt en buitengewoon harig is. Bij vermenging met Japanneezen zijn zij weinig vruchtbaar en de bastaarden sterven uit, hetgeen er volgens Chamberlain op wijst, dat ook bij het menschdom een neiging bestaat om zich in ware „soorten” te splitsen.
(9) Vergelijk echter onze aanteekening in Deel II, blz. 197, van „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten.”
(10) Hier wordt gedoeld op het eiland Pitcairn, dat in het jaar 1790 werd bevolkt door een deel der oproerige bemanning van het Engelsche schip de „Bounty”, bij welke zich eenige inboorlingen van Tahiti hadden gevoegd. Bij hun aankomst waren zij 15 mannen en 12 vrouwen sterk. Ten gevolge van twisten tusschen de Engelschen en de Tahitiërs stierven al deze personen, behalve twee Engelschen, Adams en Young genaamd, en eenige vrouwen uit Tahiti, een gewelddadigen dood. Van deze weinige overgeblevenen is de geheele bevolking van Pitcairn en het eiland Norfolk afkomstig, omtrent welke Darwin blz. 359 eenige nadere bijzonderheden mededeelt.
(11) Deze kenmerken hebben vooral betrekking op de geslachtsdeelen. Zoo zijn de kleine schaamlippen (nymphae) bij de Hottentotsche vrouwen aanmerkelijk verlengd (tot meer dan 2 decimeter toe) en vormen het bekende tablier. Verder ontbreekt bij haar het frenulum, zoodat elke groote schaamlip in de overeenkomstige bil overgaat, zooals o.a. door een praeparaat op het museum te Breslau wordt aangetoond. Deze inrichting, die derhalve bij een der laagste menschenrassen normaal voorkomt, vertoont zich soms ook bij Europeesche pasgeboren kinderen (als atavisme?). Vergelijk Hyrtl, „Handboek der Top. Ontleedkunde”, Ned. vert. van Hanlo, 2de druk, deel II, blz. 147 en 150. Ook onderscheiden zich de Hottentotsche en Bosjesmannen-vrouwen door haar zoogenaamde steatopygie, d.i. door verbazend groote vetkussens die zich bij haar, vooral nadat zij kinderen hebben gehad, op de billen ontwikkelen. Zie Virey, „Histoire Naturelle du Genre Humain”, tome I, pl. 2.
Over deze zoogenaamde steatopygie van de vrouwen der Hottentotten en Bosjesmannen hebben J. Deniker en P. Topinard [470] onderzoekingen ingesteld bij gelegenheid, dat er vertegenwoordigers dier beide rassen in den acclimatatietuin te Parijs te zien waren. Volgens Deniker komt de steatopygie bij alle Hottentotsche vrouwen voor, maar in verschillende graden van ontwikkeling. De vetafzetting begint geregeld eerst aan het bovenste achterste gedeelte der billen, daarop strekt zij zich verder over de zijdelingsche gedeelten en naar onderen, en ook over de aan de trochanters van het dijbeen grenzende streek uit. Verderop ontwikkelt zich fibreus weefsel, dat aan het vetkussen van het onderste gedeelte der billen ten steun strekt. De steatopygie blijft in den regel zelfs bestaan, als het individu overigens vermagert. Bij Kaffervrouwen komt de steatopygie evenmin voor als bij blanke vrouwen; bij de eersten bedraagt het uitsteken der billen slechts 3,6% der geheele lichaamslengte (bij Europeesche vrouwen 3,4%), en bij twee vrouwen van Bosjesmannen daarentegen 8,5%, bij ééne Hottentotsche vrouw zelfs 10%. Evenals Deniker beschouwt Topinard de steatopygie als een monsterachtigen vergrooting der billen, die niet slechts massiever en van grooteren omvang dan gewoonlijk zijn, maar ook den indruk maken, alsof zij naar boven omgebogen waren. Zij vormen van boven een horizontaal vlak, waarop groote voorwerpen gemakkelijk kunnen liggen. Naar onderen eindigen de steatopyge billen plotseling met een huidplooi. Bij enkele Hottentotsche vrouwen strekt zich de hypertrophie en vetontwikkeling over de geheele beenen uit tot aan de enkels, waar zij met een ringvormige opzwelling eindigen. Zulk een persoon ziet er dan uit alsof zij een wijde, geplooide broek aan had. Volgens Topinard is het niet onwaarschijnlijk, dat de steatopygie bij de vrouwen der Hottentotten en Bosjesmannen door seksueele teeltkeus is ontstaan, daar de mannen bij die volken een voorliefde voor vrouwen met sterk ontwikkelde billen hebben, terwijl deze laatsten door melkdiëet en volstrekte rust de vetontwikkeling trachten te bevorderen.
Dr. M. Alsberg, die in „Humboldt” van Juni 1890 een referaat over Deniker’s en Topinand’s onderzoekingen geeft, en zich vele jaren in Zuid-Afrika ophield, verklaart de steatopygie door de gewoonte der bedoelde vrouwen om haar kinderen in rijdende positie op de billen, of daarop vastgebonden te dragen. Dan zouden wij hier een erfelijke verworven eigenschap hebben, daar toch wel niemand zal aannemen, dat zich in ééne generatie bij vrouwen van ander ras, die aldus de kinderen droegen, steatopygie zou ontwikkelen.
Tusschen de steatopygie en de eeltplekken op de billen van sommige apen zou volgens Topinard geen verband bestaan.
Topinard heeft nog een andere tot dusver nauwelijks opgemerkte bijzonderheid van de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten beschreven. Vóór, buiten en iets boven den trochanter vindt men bij haar namelijk een afgeronde opzwelling, die langzamerhand in de aangrenzende deelen overgaat en tevens den omvang der heupen aanmerkelijk vergroot. De geheele aesthetische indruk dien de vorm eener vrouw maakt, gaat hierdoor verloren. Terwijl bij de volwassen Europeesche vrouw de romp op de hoogte der schouders de grootste breedte bezit, is bij de vrouwen der Bosjesmannen en Hottentotten het gedeelte tusschen de taille en het benedenste gedeelte der dijen het breedst. Toch bezitten die vrouwen een even smal bekken als de vrouwen der meeste lagere rassen, zoodat die in onze oogen wanstaltige vorm door de ontwikkeling der weeke deelen wordt veroorzaakt.
(12) Virey onderscheidt het menschelijk geslacht in twee soorten, die zes rassen omvatten. De eerste soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 85° tot 90° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het blanke ras (Europeanen en Oosterlingen), 2o. het gele ras (Kalmukken en Mongolen), 3o. het koperkleurige ras (Amerikanen), 4o. het bruine ras (Maleiers). De tweede soort, die zich o.a. door een gelaatshoek van 75°–80° onderscheidt, bestaat uit: 1o. het zwarte ras (Negers, Kaffers), 2o. het zwartachtige ras (Hottentotten, Papoea’s). Het is dus eigenlijk onjuist om te zeggen, dat volgens Virey de mensch twee soorten of rassen zou vormen. Vergelijk: Virey „Histoire Naturelle du Genre Humain”, Livr. I, Sect. II, Art. 3.
(13) De nieuwste ons bekende indeeling is die van Haeckel („Natürliche Schöpfungsgeschichte”). Haeckel neemt de volgende twaalf hoofdrassen of menschensoorten aan: 1o. het Papoearas (Homo Papua); 2o. het Hottentotsche ras (Homo Hottentotus); 3o. het Kafferras (Homo Cafer); 4o. het Negerras (Homo niger); 5o. het Maleische ras (Homo Malayus), de eigenlijke Maleiers en Sundanesiërs omvattende; 6o. het Mongoolsche ras (Homo mongolicus); 7o. het Poolras (Homo arcticus), de Eskimo’s en de bewoners van Noord-oostelijk Azië (niet die van Noordwestelijk Azië en Noord-Europa) omvattende; 8o. het Amerikaansche ras (Homo Americanus), de oorspronkelijke inwoners van Amerika, met uitzondering der Eskimo’s, omvattende; 9o. het Australische (Nieuw-Hollandsche) ras (Homo australis) [471]; 10o. het Dravida-ras (Homo Dravida), gevormd door de niet-Arische oorspronkelijke bewoners van Voor-Indië (Dekhanvolken) en Ceylon; 11o. Het Nubische ras (Homo Nuba), gevormd door de eigenlijke Nubiërs, die de landen aan den Boven-Nijl (Dongola, Schangalla, Barabra, Kordofan) bewonen, en door de Foela’s of Fellata’s (ook Peul, Poehl, Poelar, Foehl, Foelbe, Foelan, Fallah, Fellan of Fellatin genaamd), die een breede strook land ten zuiden van de westelijke Sahara bewonen, roodbruin van kleur zijn en volstrekt niet met de negers moeten worden verward; 12o. het Middellandsche ras (Homo mediterraneus), overeenkomende met het Kaukasische ras van andere schrijvers, en uit de Ariërs of Indo-Germanen, de Semieten, de oude Egyptenaren (Kopten), de Basken, de Berbers (Kabylen, Guanchen), en de eigenlijke Kaukasische volken (Daghestaners, Circassiërs, Mingreliërs en Georgiërs) bestaande. Op blz. 749 van de achtste uitgaaf van Haeckel’s „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men het volgende
SYSTEMATISCH OVERZICHT DER 12 MENSCHENSOORTEN.
N.B. De kolom A geeft bij benadering het aantal individu’s in millioenen aan; de kolom B geeft het phyletische ontwikkelingsstadium der soort aan; Pr beteekent: voortgaande uitbreiding, Co: ongeveer gelijkblijven, Re: achteruitgang en uitsterving. De kolom C geeft de verhouding der oorspronkelijke taalstammen aan; Mn (Monoglottonisch) beteekent een enkelen oorspronkelijken taalstam; Pl (Polyglottonisch) meer dan éénen oorspronkelijken taalstam.
==============+====================+=====+====+=====+================================ Tribus. | Menschensoort. | A. | B. | C. | Vaderland. ==============+====================+=====+====+=====+================================ { | | | { Nieuw-Guinea en Melanesië, LOPHOCOMI { 1. Papoea’s. | 2 | Re | Mn { Philippijnsche eilanden, (omtrent 2 { | | | { Malakka. millioenen). { | | | { 2. Hottentotten. |1/20 | Re | Mn { Zuidpunt van Afrika { | | | { (Kaapland). | | | { | | | { Zuid-Afrika (tusschen 30° { 3. Kaffers. | 20 | Pr | Mn { Zuiderbreedte en 5° ERIOCOMI { | | | { Noorderbreedte). (omtrent 150 { | | | millioenen). { | | | { Midden-Afrika (tusschen { 4. Negers. | 130 | Pr | Mn { den aequator en 30° { | | | { Noorderbreedte). | | | { 5. Maleiers. | 30 | Co | Mn { Malakka, Sundanesië, Polynesië, { | | | { Madagascar. { | | | { 6. Mongolen. | 550 | Pr | Mn? { Het grootste deel van Azië { | | | { en noordelijk Europa. EUTHYCOMI { | | | (bijna 600 { 7. Poolmenschen. |1/25 | Co | Pl? { Noord-oostelijk Azië en millioenen). { | | | { het Noorden van Amerika. { | | | { 8. Amerikanen. | 12 | Re | Mn? { Geheel Amerika met uitzondering { | | | { van het noordelijk gedeelte. { | | | { 9. Australiërs. |1/12 | | Mn { Australië (Nieuw-Holland). | | | { 10. Dravida’s. | 34 | Co | Mn { Zuid-Azië (Voor-Indië en { | | | { Ceylon). { | | | EUPLOCAMI { 11. Nubiërs. | 10 | Co | Mn? { Midden-Afrika (Nubië en (bijna 600 { | | | { Foelaland). millioenen). { | | | { | | | { In alle werelddeelen, eerst { 12. Middellanders. | 550 | Pr | Pl { uit Zuid-Azië(?) naar { | | | { Noord-Afrika en Zuid-Europa { | | | { getrokken. | | | | | 13. Bastaarden | | | { In alle werelddeelen, doch | tusschen de | 11 | Pr | Pl { hoofdzakelijk in Amerika | soorten. | | | { en Azië. --------------+--------------------+-----+----+-----+--------------------------------
Verder vindt men op blz. 727 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” den volgenden
STAMBOOM DER TWAALF MENSCHENSOORTEN.
Japaneezen. Hamo-Semieten. Indo-Germanen. | | Basken | Kaukasiërs. Koreanen. Chineezen. | | | | | | Thibetanen. +===+===+ +===+===+ Magyaren Koreo-Japaneezen | | Siameezen | | | Finnen | | | | +======+======+ | | | +======+=====+ | +===+===+ | | 12. Middellanders. | 8. Amerikanen. | Indo-Chineezen. | Foela’s. Samojeden. | | Eskimo’s | | | Dongaleezen. | | | | +===+=============+ | 11. Nubiërs. +====+====+ | Hyperboreërs | | | | | | | | | | | 7. Poolmenschen. | | | Uraliërs. | | | | | | Tataren. +===+===+ | | | | | Kalmukken. | | | | | | | Toengoezen. | | | | | | | | | | | | | +=====+==+==+========+ | | | | | | | | | Altaiërs. | | | | | | Polynesiërs Madagassen | | +==========+========+ | | | | | | | +=====+=====+ +====+===+ | | | | Ural-Altaiërs. | Sundaneezen Tamilen Toda’s | | | | | | | +================+===================+ | +===+===+ | | 5. Maleiers. | | 4. Negers. 6. Mongolen. | 10. Dravida’s. | | | | 9. Australiërs. | | | 3. Kaffers. 1. Papoea’s. +=======+========================+ | | | | | 2. Hottentotten. | | +=====+====+ | +==+===+ | | EUTHYCOMI. | | | +====+=======+ | +======+======+ ERIOCOMI. | | | | LOPHOCOMI. | EUPLOCAMI. | | | | +========+========+ +========================+=======================+ | | WOLHARIGEN SLUIKHARIGEN (ULOTRICHES). (LISSOTRICHES). | | +===================================+======================+ | OERMENSCHEN (PROTANTHROPI). | AAPMENSCHEN (ALALI).
Op blz. 751 van de achtste uitgaaf der „Natürliche Schöpfungsgeschichte” vindt men den volgenden
STAMBOOM VAN HET INDO-GERMAANSCHE RAS.
Angel-Saksen. Hoogduitschers. | Platduitschers. | | | Nederlanders. | Littauers. Oud-Pruisen. | | | | | Letten. | | +==+===+ | | | | | | | +===+===+ | | Oud-Saksen. | | | | | | +======+====+ +=====+=====+ | | | | Baltische stam. Saksen. Friezen. | | | | | Sorben. | +=====+===+ | | | | | Polen. | | Nederduitschers. | Czechen. | | | | | | | | | | | +====++===+ | +===+=========+ | | Skandinaviërs. | West-Slaven. | | Gothen. Duitschers. | | | | | | Russen. | +===+=+====================+ | | | | | Zuid-Slaven. | | Oer-Germanen. Oude Britten. | | | | | | | +==+===+ | | Oude Schotten. | | | | | Romanen. Ieren. | | Galliërs. | Zuid-Oost-Slaven. | | | | | | | | | | | | +-+-+ +==+==+ +====+====+ | | | | | | | | | Latijnen. Galen. Brittaniërs. Slaven. | | | | | | | | | | | | | +===+==========+ | +==+==+ +===+========+ | | | | Slavo-Letten. | Italiërs. Kelten. | | | | +=======+=======+ +======+=======+ | | Slavo-Germanen. Italo-Kelten. | | | Albaneezen. Grieken. | | | | | | +========+===+ | | | | | Oer-Thraciërs. | | | | | Indiërs. Iraniërs. | | | | | | | | +===+=====+ +===+====+ | | | | Ariërs. Graeco-Romanen. | | | | +======+=========+ | | | Ario-Romanen. | | +=====+=======+ | Indo-Germanen.
Zooals men ziet, zijn wij Nederlanders, volgens den Duitschen geleerde Haeckel, nader verwant met de Angel-Saksers dan met de eigenlijke Hoogduitschers.
Ik vond het gepast in een der aanteekeningen dezen en den volgenden stamboom te geven, daar in een boek over de afstamming van den mensch en in een hoofdstuk over de menschenrassen wel iets over de lijnen van afstamming der tegenwoordige menschenrassen mocht worden verwacht, en Darwin dit, trouwens gedeeltelijk nog zeer hypothetische punt niet aanroert. Ik geloof, dat Haeckel’s stamboomen, schoon ongetwijfeld later enkele wijzigingen zullende ondergaan, op het standpunt der tegenwoordige wetenschap over het algemeen (met uitzondering o.a. van de Australiërs) vrij juist mogen worden geacht. Volkomen zekerheid en juistheid zal hierin wel steeds onbereikbaar blijven!
(14) Zeer verschillend is het maaksel van den larynx echter bij den neger en den blanke. Bij den blanke liggen de stembanden en de ventriculi Morgagnii horizontaal, bij den neger bijna verticaal; bij den laatste bezit de larynx daarenboven twee kraakbeenderen (cartilagines Wrisbergianae), die bij den blanke niet of ten minste slechts als hooge uitzondering en dan nog veel minder ontwikkeld dan bij den neger, voorkomen. [472] Zie: G. Duncan Gibb, „Essential points of difference between the Larynx of the Negro and that of the White Man”, „Memoirs read before the Anthropological Society of London”, vol. II, 1865, 66. Londen, 1866. Men kan zich ternauwernood bij twee nauw verwante soorten homologe deelen voorstellen, die meer van elkander verschillen dan de larynx van een neger en die van een blanke, door middel van den keelspiegel gezien! Ten bewijze lasschen wij hier een viertal afbeeldingen in (Fig. 12, 13, 14, 15.)
Chudzinsky („Quelques notes sur la Splanchnologie des races humaines” in „Revue d’Anthropologie”, 16e Année, Serie III, T. 2, blz. 158) heeft vergelijkende metingen der ingewanden van verschillende menschenrassen gedaan. Terwijl de lengte der darmen van den blanke volgens Sappey gemiddeld 9600 m.M. bedraagt (waarvan 8000 op den dunnen, 1600 op den dikken darm komen), bedroeg die bij negers gemiddeld slechts 8667 m.M. De dunne darm van den neger was ruim 1000 m.M. korter dan die van den blanke, de dikke darm iets korter. De dikte van de lever (van voren naar achteren) bedraagt bij den blanke gemiddeld 200 m.M., bij den neger slechts 165, bij den orang oetan 150 m.M. De breedte van de lever bij den blanke gemiddeld 280, bij den neger 273, bij den orang-oetan 260 m.M. De lever van den blanke weegt gemiddeld 1450, die van den neger 1266 gram. Gemiddeld is de lengte van de milt bij den blanke (volgens Sappey) 123 m.M., bij den neger (Chudzinsky) 98 m.M., haar dikte, bij den blanke 82, bij den neger 60 m.M., haar gewicht bij den blanke 195, bij den neger 171 gram. Ook de nieren zijn bij den blanke grooter en zwaarder dan bij den neger, die van den orang zijn veel kleiner en lichter, en meer bolvormig dan bij den mensch. Bij negers is de linker nier altijd grooter en zwaarder dan de rechter; zijn bijnieren zijn grooter dan die van den blanke. In menige bijzonderheid van zijn ingewanden nadert dus de neger merkbaar tot de anthropomorphen en in enkele staat hij in dit opzicht dichter bij den orang dan bij den blanke.
(15) „Megalithische monumenten.” Onder dezen algemeenen naam omvat men de uit groote, ruwe steenen gebouwde gedenkteekenen die men in Frankrijk Dolmen, Menhir en Cromlech, in Duitschland Hünengräber, in onze provincie Drenthe Hunebedden en Steenen Grafkelders noemt.
De Dolmen (Hünengräber, Hunebedden) bestaan uit zware steenblokken die overeind in den grond zijn geplaatst, en een meestal ovale ruimte insluiten. Deze ruimte is met andere, nog zwaardere steenblokken overdekt. Dikwijls worden deze dolmen voorafgegaan door een op de zelfde wijze vervaardigden gang; vele zijn van boven open, andere worden omringd door een of meer concentrische cirkels van rechtopstaande ruwe steenen, die men in Frankrijk Peulvan of Menhir noemt en die ook wel afzonderlijk of in lange rijen geschaard (b.v. te Carnac in Bretagne) worden aangetroffen. De dolmen hebben, blijkens de overblijfselen die men er onder aantreft, meestal, zoo niet altijd, tot begraafplaatsen gediend. De Cromlech zijn eveneens uit ruwe, ongehouwen steenen gebouwde, cirkelvormige gedenkteekenen die tot tempels schijnen te hebben gediend, en waarvan de grootste te Stonehenge in Engeland wordt gevonden. Ook de Steenen Grafkelders (grottes aux fées der Franschen) behooren tot deze klasse van gedenkteekenen.
De Megalithische monumenten (waaraan de Franschen verkeerdelijk den naam van Monuments Celtiques [473] geven) zijn in de Oude Wereld over een zeer groote uitgestrektheid verspreid. Men vindt ze in de Krim, Koerland, Pruisen, Mecklenburg, Denemarken, Zuid-Zweden, Westphalen, Oldenburg, Nederland, in Engeland, aan den Ticino in Italië, in Spanje, in Portugal, in de Barbarijsche Staten (vooral ook in Algerië en Tunis) en Palaestina, langs de kusten der Roode Zee en van de Perzische Golf tot in Britsch-Indië toe. Noch in de Nieuwe Wereld, noch in het Noorden en Oosten van Azië, noch in Centraal- en Zuid-Afrika, noch in Australië vindt men daarentegen, voor zoover ons bekend is, eigenlijke megalithische monumenten. Een steenhoop op den top van een heuvel opgeworpen, zooals Darwin in Zuid-Amerika heeft aangetroffen, verdient geenszins dien naam.
De megalithische monumenten dagteekenen in de verschillende landen der Oude Wereld, waar men ze aantreft, uit zeer verschillende, meestal voorhistorische tijden. Men heeft toch in de dolmen verschillende werktuigen aangetroffen. In het noorden van Duitschland, in het zuiden van Skandinavië, in Denemarken en Drenthe zijn deze van steen, hoe verder men naar het zuiden van Europa komt, hoe menigvuldiger men naast de steenen ook bronzen werktuigen aantreft. In Algerië is het brons regel, de steen uitzondering. In Britsch-Indië vindt men, volgens een mededeeling door J. Hooker, president van de „British Association for the Advancement of Science” aan die vereeniging op haar vergadering van 1868 te Norwich gedaan, een halfwild Mongoloïdisch volk dat den naam van Khasia’s draagt, en dat nog heden ten dage dergelijke megalithische monumenten bouwt. Zij doen zulks het geheele jaar door behalve gedurende den regentijd. Dr. Thomson zag bij hen een pas gebouwden dolmen, waarvan de deksteen bijna 10 meter lang, meer dan 4½ meter breed en meer dan 6 decimeter dik was. Om dergelijke zeer zware steenblokken te verplaatsen, gebruiken zij slechts hefboomen en touwen (hetgeen de onderstellingen van velen onzer oudheidkundigen, b.v. van Picardt, over de wijze waarop de Drenthsche hunebedden zouden zijn gebouwd, overbodig maakt). [474] Hun doel met het oprichten dier gedenkteekenen is een graf aan te duiden, of wel de plaats waar de eene of andere gewichtige gebeurtenis plaats greep. In den naam dien zij aan die monumenten geven, komt meestal de wortel men voor, die men in het Fransche Dolmen en Menhir terugvindt, doch in die laatste taal geen beteekenis heeft. In de taal der Khasia’s beteekent men steen. [475]
Zoowel de geographische verspreiding der megalithische monumenten, als de aard der werktuigen die men er in heeft gevonden, en van die gedenkteekenen zelven, maar vooral de medegedeelde taalkundige bijzonderheid maken het onzes inziens hoogst waarschijnlijk, dat zij, althans de groote meerderheid daarvan, afkomstig zijn van één volk, en dat men ze niet kan verklaren door aan te nemen, dat zij zijn gesticht door verschillende volken die gelijksoortige uitvindende of verstandelijke vermogens bezaten. Dat volk, het zoogenaamde Volk der Dolmen, schijnt in den jongsten steentijd van de kusten der Oostzee te zijn opgebroken en, langzaam langs de kusten voortrukkende, voor een gedeelte over de Anglo-Normandische eilanden naar Engeland te zijn overgestoken, terwijl het grootste deel zich zuidwaarts begaf. In den bronstijd kwamen deze laatsten in Noord-Afrika en trokken vervolgens langs de Middellandsche Zee, Roode Zee en Perzische Golf naar Indië, in welk laatste land hun afstammelingen nog heden schijnen te leven. Er bestaat reden om aan te nemen, dat een andere tak van het Volk der Dolmen gedurende den steentijd noordwaarts Skandinavië is ingetrokken, en zich in den bronstijd tot Stokholm, in den ijzertijd tot Drontheim heeft verspreid. Een derde tak trok in zuid-oostelijke richting van de kusten der Oostzee naar de Krim.
(16) Dit is niet volkomen juist. Zoo behooren b.v. de oorspronkelijke bewoners van Noord-Afrika, de zoogenaamde Berbers, tot het Kaukasische ras, waartoe ook het grootste deel der bewoners van Europa en een groot deel van die van Azië behooren. De Eskimo’s behooren tot het zelfde ras, als de Tschoektschen en Kamschadalen van Noord-oostelijk Azië en worden door de meesten met dezen te zamen als een tak van het Mongoolsche ras beschouwd. Rassen die in historischen tijd naar andere continenten zijn verhuisd, zooals de Kaukasiërs en Negers in Amerika, de Semieten (Arabieren) in Afrika enz., komen hier natuurlijk niet in aanmerking. Wanneer een zelfde ras zich over ver uiteengelegen streken verspreidt en elk der zoo ontstane afdeelingen op zich zelve voort blijft leven, kan het niet wel anders, of elk dier afdeelingen moet na eenigen tijd van de andere gaan verschillen, en wel na langen tijd zoo sterk, dat uit die twee afdeelingen twee zelfstandige rassen ontstaan. Een sterk bewijs hiervoor is, dat de burger der Vereenigde Staten zich nu reeds door verschillende kenmerken dadelijk van den Europeaan onderscheidt, niettegenstaande zijn voorouders eerst sedert hoogstens twee of drie eeuwen in dat land zijn gevestigd en de landverhuizing onophoudelijk versch Europeesch bloed in de bevolking der Vereenigde Staten brengt. De twee tot zelfstandige rassen ontwikkelde afdeelingen zullen echter steeds een sterken familietrek behouden. En nu vinden wij juist over verschillende, door wijde zeeën gescheiden werelddeelen verschillende rassen verspreid, die zulk een familietrek hebben, b.v. de oorspronkelijke Amerikanen en de Aziatische Mongolen, de Afrikaansche Negers en de Nieuw-Hollanders, de Hottentotten en de Papoea’s. Hieruit blijkt o.i., dat de stamouders van elk dier groepen van rassen reeds aanmerkelijk van elkander verschilden, voor zich nog de tegenwoordige rassen hadden gevormd, en waarschijnlijk ook reeds voor de menschenrassen zich over hun tegenwoordige woonplaatsen hadden verspreid.
(17) Dit feit schijnt ons niet zoo merkwaardig. De volken waarmede de Grieken en Romeinen in aanraking kwamen, behoorden allen (of bijna allen) tot het Kaukasische of blanke ras, dat meer en meer blijkt in den strijd om het bestaan de overwinning over alle andere rassen weg te dragen. Evenmin zijn de Franschen (die nog geheel de kenmerken vertoonen, door Caesar aan de Galliërs toegeschreven) voor de Angel-Saksers geweken, niettegenstaande gedurende zeer langen tijd het grootste gedeelte van Frankrijk in de macht der Engelschen was; evenmin hebben de Duitschers de Franschen (Galliërs), of de Franschen (Galliërs) de Duitschers sedert Caesar’s tijd teruggedrongen; wanneer men op een kaart van het oude Gallië de zuidelijke en westelijke grenzen van de op den linker-Rijnoever wonende Germanen nagaat, zal men zien, dat die grenzen nagenoeg samenvallen met de zuidelijke en westelijke grenzen van den Elzas, Duitsch Lotharingen en de Rijn-Provincie; evenmin zijn de Arabieren en Kabylen in Algerië verdwenen voor de Franschen. De onbeschaafde rassen die tegenwoordig voor de blanken terugwijken en uitsterven, zijn hoofdzakelijk de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, de Papoea’s en de Hottentotten (en niet de Mongolen, noch de Maleiers, noch de Kaffers, noch de Negers, noch de Dravida’s, noch de Nubiërs); met de oorspronkelijke Amerikanen, Nieuw-Hollanders en Polynesiërs, met de Papoea’s en de Hottentotten, kwamen echter noch de Grieken, noch de Romeinen ooit in aanraking.
Veel merkwaardiger vinden wij het, dat de oorspronkelijke Amerikanen wel terugwijken voor en worden uitgeroeid door het Angel-Saksische, maar geenszins of veel minder door het Spaansche ras, niettegenstaande de Spanjaarden hen steeds veel onmenschelijker hebben bejegend dan de Angel-Saksers.
Dat de voorouders van het blanke ras (en dus ook van de Graeco-Romeinen) werkelijk op de oorspronkelijke wilde, niet tot het blanke ras behoorende bevolking van Europa den zelfden invloed uitoefenen, als de tegenwoordige blanken op de wilden van Amerika en Nieuw-Holland, blijkt uit het spoorloos verdwijnen van de Australoïde [476], Negroïde [477] en Mongoloïde [478] stammen die voor de aankomst der blanken, in den steentijd, Centraal- en Zuid-Europa bevolkten, en van wier voormalig bestaan slechts de ruwe voortbrengselen hunner kunstvlijt en enkele bewaard gebleven schedels getuigen.
(18) Zie echter ook onze aanteekening in „Var. d. Huisd. & Cultuurpl.”, Deel II, blz. 82.
(19) De in Noord-Amerika gedurende den secessie-oorlog ten behoeve van het recruteeren van troepen bij 605,000 individu’s van 18 tot 45 jaar gedane onderzoekingen hebben bewezen, dat van elke 1000 personen van blond type (blond haar, blauwe oogen en lichte huidskleur) gemiddeld 385 wegens lichaamsgebreken en ziekte moesten worden afgekeurd, terwijl van 1000 brunette personen (zwart haar, donkere oogen en donkere huidskleur) gemiddeld slechts 332 werden afgekeurd. Hoewel deze statistiek zekere gebreken bezit, meent De Candolle er toch uit te mogen afleiden, dat het blonde type, hoewel in verstandelijk opzicht boven het brunette staande, toch, wat zijn gezondheidstoestand en wêerstandsvermogen tegen ziekten aangaat, daarvoor onderdoet. Verder meent De Candolle te hebben ontdekt, dat de vrouwen van blond ras in Noord-Amerika een talrijker contingent tot de brunette bevolking leveren dan de mannen, en dat waar in een huwelijk de man donkere en de vrouw lichte oogen heeft, of omgekeerd, de meerderheid der kinderen altijd donkere oogen bezit.
Volgens de sterftestatistiek komen in de Vereenigde Staten op 1000 personen bij de blanke bevolking gemiddeld 14,7, bij de kleurlingen (negers en bastaarden van negers en blanken) 17,3 en bij de Indianen 23,6 sterfgevallen voor. De Noord-Amerikaansche levensverzekeringsmaatschappijen eischen daarom van de kleurlingen een hoogere premie dan van blanken van den zelfden leeftijd. Dat schijnt te bewijzen, dat de grootere sterfte bij de kleurlingen niet het gevolg is van ongunstige levensomstandigheden—want die kleurlingen welke hun leven verzekeren, behooren toch stellig tot diegenen van hun klasse, welke in de gunstigste omstandigheden verkeeren—maar in het ras ligt. (Zie „Humboldt”, April 1889, L. Heimann in het „Zeitschrift für Ethnologie”, 1888.)
VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN.
DOOR
Professor HUXLEY, F. R. S.
Het verschil van gevoelen omtrent den aard en de hoegrootheid der verschillen in het maaksel der hersenen bij den mensch en de apen, dat omstreeks vijftien jaar geleden begon, is nog niet beslist, hoewel de punten waarover wordt getwist, tegenwoordig geheel en al andere zijn dan vroeger. Oorspronkelijk werd beweerd, en telkens opnieuw beweerd, dat de hersenen van alle apen, zelfs van de hoogste, van die van den mensch verschilden door het ontbreken van zulke in het oog loopende deelen als de achterste kwabben van de halfronden der groote hersenen met den achtersten horen van de zijdelingsche holte en den hippocampus minor, in deze kwabben gelegen, die bij den mensch zoo duidelijk zijn.
Maar de waarheid is, dat de drie deelen in quaestie in apenhersenen even goed of zelfs beter ontwikkeld zijn dan in menschenhersenen; en geen stelling der vergelijkende ontleedkunde rust tegenwoordig op steviger grondslag dan die, dat de goede ontwikkeling dezer deelen een kenmerk van al de Primaten (met uitzondering der Lemuriden) is. Daarenboven zijn alle ontleedkundigen welke in de laatste jaren hun aandacht hebben gewijd aan de rangschikking der ingewikkelde sleuven (sulci) en windingen (gyri), die zich op de oppervlakte van de halfronden der groote hersenen bij den mensch en de hoogere apen vertoonen, het daarover eens dat zij bij de eerste volgens volkomen het zelfde patroon zijn gevormd als bij de tweede. Iedere hoofdwinding en sleuf van de hersenen van een chimpanzee wordt duidelijk vertegenwoordigd bij die van den mensch, zoodat de terminologie die op de eerste wordt toegepast, ook bij de tweede aan het doel beantwoordt. Op dit punt is er geen verschil van gevoelen. Eenige jaren geleden gaf Professor Bischoff een verhandeling [479] uit over de hersenwindingen bij den mensch en de apen, en daar het doel van mijn geleerden collega zeker niet was om de waardij van de verschillen in dit opzicht tusschen den mensch en de apen te verkleinen, ben ik blijde hem te kunnen aanhalen.
„Dat de apen, en vooral de orang, chimpanzee en gorilla, in hun bewerktuiging zeer tot den mensch naderen en veel meer met dezen overeenkomen dan met eenig ander dier, is een welbekend, door niemand betwist feit. Als men de zaak alleen uit het oogpunt van bewerktuiging beschouwt, zou niemand waarschijnlijk ooit de meening van Linnaeus hebben bestreden, dat de mensch eenvoudig als een bijzondere soort aan het hoofd der zoogdieren en van deze apen behoorde te worden geplaatst. Beide vertoonen in al hun organen zulk een nauwe verwantschap, dat het meest nauwkeurig ontleedkundig onderzoek noodig is om die verschillen aan te toonen, welke werkelijk bestaan. Evenzoo is het met de hersenen. De hersenen van den mensch, den orang, den chimpanzee, den gorilla komen elkander, niettegenstaande al de belangrijke verschillen welke zij vertoonen, zeer nabij” (l.c., blz. 101).
Er is derhalve geen verschil van gevoelen meer omtrent de overeenkomst in fundamenteele kenmerken tusschen de hersenen van den aap en van den mensch, noch omtrent de verwonderlijk sterke overeenkomst tusschen die van den chimpanzee, orang en mensch, zelfs in de bijzonderheden van de rangschikking der windingen en sleuven van de halfronden der groote hersenen. Evenmin is er, wat de verschillen tusschen de hersenen van de hoogere apen en die van den mensch aangaat, eenige ernstige quaestie omtrent den aard en de grootte van die verschillen. Men neemt aan, dat de halfronden der groote hersenen bij den mensch, zoowel volstrekt als betrekkelijk, grooter zijn dan bij den orang en chimpanzee; dat de voorhoofdskwabben bij hem minder worden uitgehold door het naar boven uitsteken van het dak der oogkassen; dat de windingen en sleuven bij hem minder regelmatig gerangschikt zijn en een grooter aantal secundaire plooiingen vertoonen. En men neemt aan, dat de fissura temporo-occipitalis of perpendicularis externa, die gewoonlijk bij apenhersenen zoo sterk is ontwikkeld, bij den mensch in den regel slechts zwak is aangegeven. Het is echter duidelijk, dat geen van deze verschillen een scherpe scheiding vormt tusschen menschen- en apenhersenen. Ten opzichte van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet, bij menschelijke hersenen, merkt Professor Turner b.v. op: [480]
„Bij sommige hersenen vertoont zij zich eenvoudig als een inkerving van den rand van het halfrond, maar bij andere strekt zij zich over eenigen afstand min of meer schuins naar buiten uit. Ik zag haar aan het rechterhalfrond van de hersenen eener vrouw meer dan vijf centimeter naar buiten loopen; en bij een ander persoon strekte zij zich, ook aan het rechterhalfrond, over een lengte van een centimeter naar buiten uit en liep daarna naar beneden tot aan den ondersten rand van de buitenste oppervlakte van het halfrond. De onduidelijkheid van deze spleet bij de meeste menschelijke hersenen, in vergelijking met haar opmerkelijke duidelijkheid bij de hersenen van de meeste vierhandige zoogdieren, is het gevolg van de aanwezigheid, bij de eerste, van zekere aan de oppervlakte gelegen, goed uitgedrukte, secundaire windingen, welke haar overbruggen en de parietaalkwab met de occipitaalkwab verbinden. Hoe dichter de eerste van deze overbruggende windingen bij de overlangsche spleet ligt, des te korter is de fissura parieto-occipitalis externa.” (l.c. blz. 17.)
De onduidelijkheid van de fissura perpendicularis externa van Gratiolet is dus geen standvastig kenmerk van de hersenen van den mensch. Van den anderen kant is de volkomen ontwikkeling daarvan geenszins een standvastig kenmerk van de hersenen der hoogere apen. Want bij den chimpanzee is het over een kleinere of grootere uitgestrektheid bedekken van de fissura perpendicularis externa door „overbruggende windingen”, aan den eenen of aan den anderen kant, herhaaldelijk waargenomen door Prof. Rolleston, de heeren Marshall, Broca en Professor Turner. Aan het slot van een speciaal over dit onderwerp geschreven verhandeling [481], schrijft deze laatste:
„De drie zooeven beschreven specimina van de hersenen van een chimpanzee bewijzen, dat het algemeene besluit dat Gratiolet heeft trachten te trekken, dat de volkomen afwezigheid van de eerste verbindende winding en het verborgen liggen van de tweede, essentiëel karakteristieke kenmerken van de hersenen van dit dier zijn, in geenen deele algemeen doorgaat. Slechts bij één der specimina volgden de hersenen de wet welke Gratiolet heeft uitgesproken. Wat de tegenwoordigheid van de bovenste overbruggende winding aangaat, ben ik geneigd om te denken, dat zij, ten minste in één halfrond, heeft bestaan bij de meeste hersenen van dit dier, welke tot den tegenwoordigen tijd toe zijn afgebeeld of beschreven. Het komt blijkbaar zeldzaam voor, dat de tweede overbruggende winding aan de oppervlakte ligt, en is tot dusver, naar ik geloof, nog alleen gezien bij de hersenen (A), welke in deze verhandeling worden besproken. Van de asymmetrische rangschikking van de windingen der beide halfronden, waarop vroegere waarnemers in hun beschrijvingen hebben gewezen, geven deze specimina ook goede voorbeelden.” (blz. 8, 9.)
Zelfs als de aanwezigheid van de fissura temporo-occipitalis of perpendicularis externa een onderscheid tusschen de hoogere apen en den mensch was, zou de waarde van zulk een onderscheidend kenmerk zeer twijfelachtig worden gemaakt door het maaksel der hersenen bij de Platyrrhine apen. Terwijl de fissura temporo-occipitalis bij de Catarrhinen of apen der oude wereld een der meest standvastige groeven is, ontbreekt zij bij de kleinere Platyrrhinen, is rudimentair bij Pithecia [482], en min of meer uitgewischt door overbruggende windingen bij Ateles.
Een kenmerk dat binnen de grenzen van een enkele groep zoo varieert, kan voor de systematiek geen groote waarde bezitten.
Het staat verder vast, dat de graad van asymmetrie van de windingen der beide helften der menschelijke hersenen aan vele individueele variaties onderhevig is; en dat bij alle individu’s van het ras der Bosjesmannen, die zijn onderzocht, de windingen en groeven veel minder ingewikkeld en meer symmetrisch zijn dan bij Europeesche hersenen, terwijl bij sommige individu’s van den chimpanzee haar ingewikkeldheid en asymmetrie opmerkelijk wordt. Dit is bijzonder het geval bij de door Broca afgebeelde hersenen van een jongen mannelijken chimpanzee. („L’Ordre des Primates”, blz. 165, fig. 11.)
Ook staat het vast, wat het vraagstuk der volstrekte grootte aangaat, dat het verschil tusschen de grootste en de kleinste gezonde menschelijke hersenen grooter is dan het verschil tusschen de kleinste gezonde menschelijke hersenen en de grootste chimpanzee’s of orang’s hersenen.
Er is daarenboven één kenmerk, waarin de hersenen van den orang en chimpanzee gelijken op die van den mensch, maar waarin zij verschillen van die der lagere apen, namelijk in de aanwezigheid van twee mergheuvels (corpora candicantia)—terwijl de Cynomorpha er slechts één bezitten.
Op grond van deze feiten aarzel ik niet in dit jaar 1874 de stelling te herhalen en met aandrang vol te houden, die ik in 1863 [483] uitsprak:
„Het is daarom duidelijk, dat de mensch, wat het maaksel der hersenen aangaat, minder verschilt van den chimpanzee of orang, dan deze van de lagere apen, en dat het verschil tusschen de hersenen van den chimpanzee en van den mensch bijna onbeteekenend is in vergelijking van dat tusschen de hersenen van een chimpanzee en die van een halfaap.”
In de door mij aangehaalde verhandeling ontkent Professor Bischoff de waarheid van het tweede gedeelte van deze uitspraak niet, maar hij maakt eerst de niets ter zake afdoende opmerking, dat het niet vreemd is, zoo de hersenen van den orang en van een halfaap zeer van elkander verschillen, en verzekert in de tweede plaats: „Indien wij achtereenvolgens de hersenen van een mensch met die van een orang, deze met die van een chimpanzee, deze met die van een gorilla vergelijken, en, zoo voortgaande, met die van een Hylobates, Semnopithecus, Cynocephalus, Cercopithecus, Macacus, Cebus, Callithrix, Lemur, Stenops, Hapale, zullen wij geen grooter, of zelfs geen even groote gaping in de mate van ontwikkeling der windingen ontmoeten, dan die welke wij vinden tusschen de hersenen van een mensch en die van een orang of chimpanzee.”
Ik zou hierop willen antwoorden, dat deze verzekering, hetzij waar of valsch, volstrekt niets heeft te maken met de in „Man’s Place in Nature” uitgesproken stelling, welke betrekking heeft, niet slechts op de ontwikkeling der windingen, maar op het geheele maaksel der hersenen. Indien Professor Bischoff zich de moeite had gegeven blz. 96 van het werk dat hij critiseert, op te slaan, zou hij de volgende zinsnede hebben gevonden: „En het is een opmerkelijke omstandigheid, dat, hoewel er een gaping bestaat in het maaksel der hersenen in de reeks van vormen der Primaten, die gaping niet ligt tusschen den mensch en de anthropomorphe apen, maar tusschen de lagere en laagste apen, tusschen de apen der Oude en Nieuwe Wereld en de halfapen. Bij elken halfaap die tot dusver onderzocht is, zijn feitelijk de kleine hersenen van boven af gedeeltelijk zichtbaar, en is de achterste kwab, met de daarin gelegen posterius cornu en hippocampus minor min of meer rudimentair. Bij elk zijdeaapje, elken Amerikaanschen aap, aap der Oude Wereld, baviaan of anthropomorphen aap worden daarentegen de kleine hersenen van achteren geheel en al verborgen door de kwabben der groote hersenen, en allen bezitten een groot posterius cornu en een wel ontwikkelden hippocampus minor.”
Deze uitspraak stemde volkomen nauwkeurig overeen met hetgeen bekend was, toen zij werd gedaan; en het komt mij voor, dat zij alleen schijnbaar verzwakt is door de latere ontdekking van de betrekkelijk geringe ontwikkeling der achterste kwabben bij den siamang en den brulaap. Niettegenstaande de exceptioneele kortheid van de achterste lobben bij deze beide soorten zal niemand beweren, dat haar hersenen in het minst naderen tot die der halfapen. En indien wij, in plaats van Hapale uit zijn natuurlijke plaats te verdringen, gelijk Professor Bischoff op onverklaarbare wijze doet, de reeks van dieren die hij heeft verkozen te vermelden, schrijven als volgt: Homo, Pithecus, Troglodytes, Hylobates, Semnopithecus, Cynocephalus, Cercopithecus, Macacus, Cebus, Callithrix, Hapale, Lemur, Stenops, durf ik opnieuw verzekeren, dat de groote gaping in deze reeks ligt tusschen Hapale en Lemur en dat deze gaping aanmerkelijk grooter is dan die tusschen eenig ander tweetal van termen van die reeks. Professor Bischoff is onbekend met het feit, dat lang voor hij schreef, Gratiolet voorgesteld had de halfapen van de andere Primaten te scheiden, en wel juist op grond van het verschillend maaksel hunner hersenen; en dat Professor Flower de volgende opmerkingen had gemaakt bij het beschrijven der hersenen van de Javaansche lori’s [484]:
„En het is bijzonder opmerkelijk dat er in de ontwikkeling der achterste kwabben geen toenadering is tot de korte halfronden bezittende hersenen der halfapen, bij die apen welke men gewoonlijk onderstelt, dat in andere opzichten tot deze familie naderen, namelijk de lagere leden van de groep der Platyrrhinen.”
Wat het maaksel der volwassen hersenen betreft, bevestigen de zeer aanmerkelijke uitbreidingen van onze kennis, welke de onderzoekingen van zoovele geleerden gedurende het laatste tiental jaren ten gevolge hebben gehad, ten volle de uitspraak die ik in 1863 deed. Maar men heeft gezegd, dat al gaf men de gelijkenis toe tusschen de volwassen hersenen van een mensch en van een aap, zij toch in wezenlijkheid zeer verschillend zijn, omdat zij fundamenteele verschillen vertoonen in de wijze waarop zij zich ontwikkelen. Niemand zou meer bereid zijn dan ik om de bewijskracht van dit argument toe te geven, als er werkelijk dergelijke verschillen in de ontwikkeling bestonden. Maar ik ontken dat zij bestaan. Integendeel, er bestaat een fundamenteele overeenstemming in de ontwikkeling der hersenen bij den mensch en bij de apen.
Gratiolet was de eerste die beweerde, dat er een fundamenteel verschil tusschen de ontwikkeling der hersenen van de apen en van den mensch bestaat—namelijk hierin, dat bij de apen de sleuven die het eerst verschijnen, gelegen zijn op het achterste gedeelte van de halfronden der groote hersenen, terwijl bij den menschelijken foetus de sleuven het eerst zichtbaar worden op de voorhoofdskwabben. [485]
Deze algemeene uitspraak is gegrond op twee waarnemingen, de eene op een gibbon die op het punt stond te worden geboren, bij welken de achterste windingen „goed ontwikkeld”, die van de voorhoofdskwabben daarentegen „nauwelijks aangegeven” waren [486] (l.c. blz. 39), en de andere op een menschelijken foetus in de 22ste of 23ste week van de zwangerschap, bij welken Gratiolet opteekent, dat de insula onbedekt was, maar dat toch „des incisures sèment le lobe antérieur, une scissure peu profonde indique la séparation du lobe occipital, très réduit d’ailleurs dès cette époque. Le reste de la surface cérébrale est encore absolument lisse.”
Drie afbeeldingen van deze laatste hersenen worden gegeven op plaat II, fig. 1, 2, 3 van het aangehaalde werk, vertoonende de halfronden van boven, op zijde en van onderen gezien, maar geen daarvan beeldt af, hoe zij er op de binnenvlakte uitzien. Het is opmerkenswaardig, dat de figuren volstrekt niet overeenkomen met Gratiolet’s beschrijving, in zoover als de fissura antero-temporalis op de achterste helft van de buitenzijde van het halfrond meer ontwikkeld is dan een der op de voorste helft onduidelijk aangegeven groeven. Als de figuur nauwkeurig is, rechtvaardigt zij in geenen deele het besluit van Gratiolet: „Il y a donc entre ces cerveaux (die van een Callitrix en van een gibbon), et celui du foetus humain une différence fondamentale. Chez celui-ci, longtemps avant que les plis temporaux apparaissent, les plis frontaux essayent d’exister.”
Sinds Gratiolet’s tijd is echter de ontwikkeling van de windingen en groeven het voorwerp van hernieuwd onderzoek geweest, door Schmidt, Bischoff, Pansch [487] en meer in het bijzonder door Ecker [488], wiens werk niet slechts de laatste, maar ook verreweg de volledigste verhandeling over dit onderwerp is. [489]
De eindresultaten van hun onderzoekingen zijn, kort opgesomd, de volgende:
1. Bij den menschelijken foetus wordt de Sylvische spleet gevormd in den loop van de derde maand der zwangerschap. In deze en in de vierde maand zijn de halfronden glad en rond (met uitzondering van de Sylvische spleet) en steken zij achterwaarts tot ver voorbij de kleine hersenen uit.
2. De eigenlijke zoogenaamde sleuven (sulci) beginnen te verschijnen in de tusschenruimte tusschen het einde van de vierde en het begin van de zesde maand van het leven van den foetus, maar Ecker wijst er met nadruk op, dat, niet slechts in den tijd maar ook in volgorde, hun verschijnen onderhevig is aan aanmerkelijke individueele variaties. In geen geval zijn, hetzij de frontale, hetzij de temporale, de vroegste.
De eerste welke verschijnt, ligt feitelijk op het binnenvlak van het halfrond (van daar zag Gratiolet, die dit vlak bij zijn foetus niet schijnt te hebben onderzocht, haar ongetwijfeld over het hoofd) en is òf de perpendicularis internus (occipito-parietalis), òf de sulcus calcarinus, welke beide sleuven dicht bij elkander liggen en soms ineenloopen. In den regel is de occipito-parietalis er het eerst.
3. In het laatste gedeelte van dit tijdvak ontwikkelt zich een andere sleuf, de „posterio-parietalis” of „fissura Rolandi” [490], en deze wordt, in den loop der zesde maand, gevolgd door de andere voornaamste sleuven van de voorhoofds-, wandbeen-, slaapbeen- en achterhoofdskwabben. Er is echter geen duidelijk bewijs dat ééne daarvan constant vóór de andere verschijnt, en het is opmerkelijk, dat in de hersenen, in het tijdperk door Ecker beschreven en afgebeeld (1. c. blz. 212–13, Taf. II, fig. 1, 2, 3, 4), de sulcus antero-temporalis (scissure parallèlle), zoo kenmerkend voor apen-hersenen, even goed, zoo niet beter ontwikkeld is dan de fissura Rolandi, en veel sterker uitgedrukt is dan de eigenlijke voorhoofds-sleuven.
De feiten nemende, voor zoover op het oogenblik bekend, schijnt het mij toe, dat de volgorde waarin de sleuven en windingen in de hersenen van den menschelijken foetus verschijnen, in volkomen overeenstemming is met de ontwikkelingstheorie in het algemeen, en met de meening, dat de mensch zich heeft ontwikkeld uit den eenen of anderen op een aap gelijkenden vorm; hoewel er geen twijfel kan bestaan, dat die vorm in vele opzichten verschilde van alle thans levende leden van de groep der Primaten.
Von Baer leerde ons, een halve eeuw geleden, dat verwante dieren in den loop hunner ontwikkeling eerst de kenmerken aannamen van de groote groepen waartoe zij behooren, en daarna trapsgewijze die kenmerken verkregen, welke hen beperken binnen de grenzen van hun familie, geslacht (genus) en soort; en hij bewees tegelijkertijd, dat geen ontwikkelingstrap van een hooger dier geheel en al gelijk is aan den volwassen toestand van eenig lager dier. Het is volkomen juist te zeggen, dat een kikvorsch den toestand van visch doorloopt, in zoo ver als de kikvorschlarve in een tijdperk van haar leven de kenmerken van een visch bezit, en, als zij zich niet verder ontwikkelde, onder de visschen zou moeten worden gerangschikt. Maar het is eveneens waar, dat een kikvorschlarve zeer van alle bekende visschen verschilt.
Op gelijke wijze kan men met waarheid zeggen, dat de hersenen van een menschelijken foetus in de vijfde maand niet slechts de hersenen van een aap, maar zelfs dat zij de hersenen van een aap uit de familie der zijdeapen (Arctopitheci) zijn; want de halfronden, met hun groote, achterste kwabben en met geen andere sleuven dan die van Sylvius en den sulcus calcarinus, vertoonen de kenmerken die men in de groep der Primaten alleen bij de familie der zijdeapen (Arctopitheci) vindt. Maar het is eveneens waar, gelijk Gratiolet opmerkt, dat zij door haar wijd openstaande Sylvische spleet van de hersenen van alle thans levende zijdeapen (Arctopitheci) verschillen. Ongetwijfeld gelijken zij veel meer op de hersenen van een ver in ontwikkeling gevorderden foetus van een zijdeaap. Wij weten echter niets hoegenaamd van de ontwikkelingsgeschiedenis der hersenen bij de zijdeapen. Bij de eigenlijke Platyrrhini is de eenige waarneming welke mij bekend is, die van Pansch, die in de hersenen van den foetus van een Cebus Apella behalve de Sylvische spleet en een diepen sulcus calcarinus, slechts een zeer ondiepe fissura antero-temporalis (scissure parallèlle van Gratiolet) [491] vertoonde.
Nu levert dit feit, samengenomen met de omstandigheid, dat de sulcus antero-temporalis aanwezig is bij zulke Platyrrhini als de saimiri, die slechts sporen van groeven op de buitenste voorste helft van de halfronden der groote hersenen vertoont of bij wien die sleuven soms zelfs geheel en al ontbreken, ongetwijfeld zoover als het gaat een goeden bewijsgrond ten gunste van de hypothese van Gratiolet, dat de achterste sleuven in de hersenen der Platyrrhini vóór de voorste verschijnen. Maar hieruit volgt in geenen deele, dat wij den regel, die steek mag houden voor de Platyrrhini, nu ook tot de Catarrhini mogen uitbreiden. Wij bezitten volstrekt geen gegevens omtrent de ontwikkeling der hersenen bij de Cynomorpha; en, wat de Anthropomorpha aangaat, niets als de beschrijving van de hersenen van een gibbon kort voor de geboorte, waarvan ik reeds melding heb gemaakt. Op het oogenblik is er geen schaduw van bewijs, dat de sleuven van de hersenen van een chimpanzee of orang niet in de zelfde volgorde verschijnen als bij den mensch.
Gratiolet begint zijn voorbericht met het aphorisme: „Il est dangereux dans les sciences de conclure trop vite.” Ik vrees, dat hij dit gezonde beginsel had vergeten, toen hij in zijn werk zelf aan de bespreking van de verschillen tusschen den mensch en de apen was gekomen. Ongetwijfeld zou de uitstekende schrijver van een der merkwaardigste bijdragen tot het juiste begrip der zoogdierhersenen, die ooit zijn gedaan, de eerste zijn geweest om het onvoldoende zijner gegevens toe te stemmen, als hij maar lang genoeg had geleefd om met den vooruitgang van het onderzoek zijn voordeel te doen. Het ongeluk is, dat van zijn besluiten door personen, onbevoegd om een oordeel te vellen over de grondslagen waarop zij steunden, gebruik is gemaakt als bewijsgronden ten gunste van het obscurantisme. [492]
Het is echter belangrijk op te merken dat, hetzij Gratiolet gelijk of ongelijk had in zijn hypothese omtrent de betrekkelijke volgorde in het verschijnen der sulci temporales en frontales, het feit blijft bestaan, dat, vóór de sulci temporales of frontales verschijnen, de hersenen van den menschelijken foetus kenmerken vertoonen, die alleen bij de laagste groep der Primaten (de Lemuriden er buiten gelaten) worden gevonden, en dat dit juist is, wat wij zouden verwachten het geval te zijn, indien de mensch was ontstaan door trapsgewijze wijziging van den zelfden vorm waaruit de andere Primaten zijn gesproten. (1)
AANTEEKENING.
(1) Men sla ook Broca’s vergelijkende waarnemingen na over de geestvermogens en de organisatie der hersenen bij apen en menschen („Kosmos” 1879, Heft 7; „Revue internationale des sciences”, Juillet 1879, blz. 91; „Isis” 1879, blz. 347). De bovenstaande verhandeling van Huxley is door Darwin zelf achter Hoofdstuk VII van de 2e Eng. uitgaaf van zijn werk over de „Afst. v. d. Mensch” ingelascht.
HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, [493]
DOOR
Dr. H. HARTOGH HEYS VAN ZOUTEVEEN.
De geschiedenis, gegrond op documenten en gedenkteekenen waarvan de belangrijkheid en oudheid vaststaat, en op overleveringen die men op begrijpelijke wijze kan verklaren, klimt op tot de grondvesting van het Egyptische rijk door Menes, volgens Mariette in het jaar 5004 vóór het begin onzer jaartelling. Op dit tijdstip hadden de Egyptenaars een georganiseerde maatschappij, een goed ontwikkelde beschaving en groote steden. Het is niet al te gewaagd om, als wij tot den oorsprong hunner beschaving willen opklimmen, daar nog omtrent even vele jaren bij te voegen, en Plato’s verzekering aan te nemen, dat het Egyptische volk in zijn tijd tienduizend jaar bestond. [494]
Daaraan—twaalfduizend jaar geleden—gingen de vóórhistorische tijden vooraf, die zich tot een veel ouder verleden uitstrekken. Is het mogelijk om zonder schriftelijke gegevens, zelfs zonder een op gissingen gegronde chronologie, een raming te maken van den duur van die tijden? Al wat wij daartoe hebben, zijn sporen welke de voorhistorische mensch in de natuur heeft nagelaten, welke door haar onophoudelijke werking die sporen onder opeenhoopingen van verschillende lagen bedekt, en ons zoo een soort van betrekkelijke tijdrekenkunde gegeven heeft. De wetenschap houdt het tegenwoordig voor zeker, dat de mensch gedurende het geheele zoogenaamde Quaternaire Tijdvak (het Diluvium) heeft bestaan, en wanneer wij den duur van dat tijdvak kunnen berekenen, zullen wij in staat zijn om voor den ouderdom van het menschelijk geslacht bij benadering een minimum vast te stellen. Dit is hetgeen de Mortillet tracht te doen bij het formuleeren van zijn besluiten in zijn boek over de „Voorhistorische Oudheid van den Mensch.” [495] Heeft de mensch echter ook reeds gedurende een deel van het Tertiaire Tijdvak bestaan, dan klimt hij tot een nog verbazend veel hooger ouderdom op.
Ook de vergelijkende taalkunde bevestigt de hooge oudheid van het menschelijk geslacht. Zoo klimt de Arische taalstam, (gelijk wij reeds in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel II, blz. 270, mededeelden) in zijn oorspronkelijke eenheid volgens de geestrijke onderzoekingen van Boltz (vergelijk Aug. Boltz, „Die Sprache und ihr Leben”, 1868) tot een oudheid van wel 50,000 jaar op! Naast het volk, dat 50,000 jaar geleden deze oorspronkelijke taal sprak, leefden natuurlijk destijds vele andere volken, die de moedertalen van de andere tegenwoordig bestaande familiën van talen spraken; want de Arische taalstam is slechts één uit vele!
De jaarringen van boomen, die op bouwvallen in Amerika groeiden, de ouderdom van verschillende achtereenvolgend op de zelfde plaats gegroeide bosschen, die daar, boven elkander liggende, menschelijke overblijfselen bedekten, de vormingssnelheid van rivierdelta’s en aanslibbingen, de dikte van veenlagen enz. zijn de grondslagen geweest van partiëele en ongetwijfeld onvoldoende berekeningen, krachtens welke men o.a. aan het tijdperk van den geslepen steen van Robenhausen (Zwitsersch paaldorp) een ouderdom van vijf- of zesduizend jaar [496] toekent, en meer dan dertienduizend jaar aanneemt als de tijd noodig voor de afzetting van het Nijlslib dat een gebakken steen bedekte, welke onder een standbeeld van Rhamses werd gevonden. De druipsteen van de grot van Kent in Engeland, in welke men op verschillende diepten Romeinsche oudheden en overblijfselen uit het palaeolithische tijdvak heeft gevonden, zijn de grondslag geweest van berekeningen, die tot resultaat gaven, dat laatstgenoemde overblijfselen meer dan tweehonderdvijftigduizend jaar oud waren. [497] Men ging bij die berekening uit van de onderstelling, dat de vorming van dien druipsteen nooit sneller geschied was dan tegenwoordig. Andere berekeningen hebben een meer algemeene strekking. De schommelingen van den bodem gedurende het Quaternaire Tijdvak, waardoor in Europa en het bekken der Middellandsche Zee aanzienlijke veranderingen in de verdeeling van land en water plaats hadden, vereischten, naar de geologen meenen, niet minder dan zeventigduizend jaar. [498] Nog een ander en verwonderlijk verschijnsel, de uitbreiding van het bergijs der Alpen, waardoor groote rotsblokken over afstanden van zeventig of zelfs honderd vijf-en-zeventig mijlen werden vervoerd, vereischte een verbazende lengte van tijd. De snelste verplaatsing van dergelijke blokken door het bergijs is niet meer dan zestig meter in een jaar; doch in het Quaternaire Tijdvak, toen de hellingen nog op verre na zoo steil niet waren als tegenwoordig, ging de verplaatsing volgens de Mortillet vijfmaal langzamer, en elk zwerfblok moet meer dan twintigduizend jaar noodig hebben gehad voor zijn verplaatsing van den Mont Blanc naar de Beneden-Rhône. Wij mogen er bijvoegen, dat een verbazend groot aantal blokken aldus werden vervoerd om de eindmoraine te vormen. Bij den tijd gedurende welken die gletschers zich uitbreidden, moet nog gevoegd worden de tijd welken zij noodig hadden om tot hun tegenwoordige grootte samen te slinken, welke nagenoeg even lang zal zijn geweest als de eerste. De tijdperken van de uitbreiding en het zich weder samentrekken der gletschers werden verder voorafgegaan door een prae-glaciale periode, en al de berekeningen te zamen geven de Mortillet aanleiding om een totaal van 100000 jaar aan te nemen om den geheelen duur van het Quaternaire Tijdvak uit te drukken, gedurende hetwelk wij zeker zijn, dat de mensch op den bodem van Europa leefde. [499]
Dit tijdvak, hoe lang het ook schijnt, is zeer kort in vergelijking van de tienduizenden eeuwen van geologische ontwikkeling, die er aan voorafgingen, en vertegenwoordigt alleen de laatste en kortste der geologische perioden. De vraag ontstaat: Hoe is het menschelijk geslacht in staat geweest zich over de geheele oppervlakte der aarde te verspreiden? Zijn op de verschillende vastelanden onafhankelijk van elkander menschen ontstaan, of heeft het geheele menschdom een gemeenschappelijke bakermat, een zelfde oorspronkelijk vaderland gehad? Op dit punt verschillen de geleerden van gevoelen; zoo beweert Karl Vogt, dat de menschen op verschillende plaatsen ontstonden, terwijl Quatrefages en Darwin, naar wij meenen terecht, volhouden dat het menschdom uit een enkelen oorspronkelijken stam is ontstaan. Het blijft in elk geval een feit, dat de mensch, de zelfde in al de wezenlijke kenmerken van de soort, zich heeft verspreid over al de bewoonbare plaatsen van den aardbol, en dat niet in de laatste eeuwen, toen hij was voorzien van al de hulpbronnen, welke ondervinding, uitvindend vernuft en wetenschap tot zijn beschikking stelden, maar in overoude tijden, toen hij nog onwetend en onbeschaafd was. Zwak en bijna naakt, nog pas in het bezit van het vuur en eenige weinige ruwe wapenen om zich mede te verdedigen en voedsel te verschaffen, veroverde toen niettemin het menschelijk geslacht de aarde en verspreidde zich van de Noordpoolstreken tot Vuurland, van het land der Samojeden tot Van Diemensland, van de Noordkaap tot de kaap De Goede Hoop. Van dezen oorspronkelijken uittocht, even zeker als hij onbegrijpelijk is, moeten wij een verklaring of ten minste een waarschijnlijke voorstelling geven, en dat in een eeuw, waarin de beschaafde mensch slechts na de verwonderlijkste ontdekkingen, met behulp van de krachtigste toepassingen der werktuigkunde op de scheepvaart, door de stoutste en meest avontuurlijke ontdekkingsreizen, zich hoogstens kan vleien, dat hij even ver is doorgedrongen als de oorspronkelijke mensch trok in een tijd die zoo ver van ons is verwijderd, dat zij met alle berekeningen spot.
Wij moeten nadrukkelijk op dit punt wijzen; want het brengt een hinderpaal aan het licht, welke zij die hebben beproefd het verband op te sporen tusschen ver van elkander wonende rassen en den weg te bepalen, gevolgd door stammen, welke nu door oceanen en uitgebreide landstreken zijn gescheiden, tot dusver onoverkomelijk hebben gevonden; want indien de menschheid één is,—waarvoor wij meenen, dat door Darwin in Hoofdstuk VII van dit werk de meest overtuigende bewijsgronden zijn aangevoerd,—moeten wij aannemen, dat haar verhuizingen oorspronkelijk van een enkel punt zijn uitgegaan. Bij deze verhuizingen is de mensch gegaan waarheên hij slechts kon, en heeft op elke plaats waar hij zich vestigde, eigenaardige kenmerken verkregen, die hem verschillend maakten van de op andere plaatsen gevestigde menschen. Van daar de verschillen tusschen de menschenrassen. Sommige van deze plaatsen schijnen bijzonder gunstig te zijn geweest voor zijn vooruitgang en werden middelpunten van beschaving. Het aantal dier middelpunten is echter zeer klein en hun geographische ligging zeer opmerkelijk.
De vastelanden vormen drie hoofdgroepen, in den vorm waarvan ééne eigenaardigheid iedereen moet treffen, die met aandacht een wereldkaart beschouwt. Hij zal opmerken, dat zij in het Noorden zoozeer zijn uitgebreid, dat zij elkander in die richting aanraken of slechts door nauwe zeearmen zijn gescheiden, en dat zij binnen den Noordpoolcirkel een zee omsluiten vol groote eilanden. Naar het Zuiden gaande vinden wij, dat de drie vastelanden Noord-Amerika, Europa en Azië, die zoo dicht bij elkander liggen, plaats maken voor drie aanhangsels: Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw Holland (met de omliggende continentale eilanden), welke op hun beurt langzamerhand smaller worden, tot zij slinken tot eenvoudige punten in een grenzenloozen oceaan, lang voor zij den Zuidpoolcirkel bereiken. [500] Binnen dezen cirkel is de verdeeling van land en zee juist omgekeerd als in het Noorden; rondom de Zuidpool strekt zich een landmassa uit te midden van een uitgestrekten oceaan.
Indien wij de vastelanden nauwkeuriger beschouwen, zullen wij vinden, dat de beschaving in elk daarvan ontstond onder gelijksoortige geographische voorwaarden, namelijk nabij of iets ten Noorden van den Kreeftskeerkring tusschen 20° en 35° N.B. Het oostelijkste van deze middelpunten van beschaving is China, nabij de Japansche zee. Het westelijkste, en naar het schijnt jongste, lag aan de stranden van de golf van Mexico. Deze laatste beschaving was bezig toe te nemen en haar gebied uit te breiden, toen de Europeanen Amerika ontdekten, en was geheel onafhankelijk van die der Oude Wereld door zelfstandige ontwikkeling ontstaan; maar zwak en betrekkelijk nieuw [501], was zij niet in staat om weêrstand te bieden aan den plotselingen inval van een sterker ras.
Omstreeks het midden van de ruimte, aan de uiterste punten waarvan China en Mexico zijn gelegen, moeten twee andere middelpunten van beschaving worden geplaatst, ouder dan Mexico en wellicht ook dan China [502], doch ongeveer op de zelfde breedte gelegen, Egypte in het Nijldal en nabij de Roode Zee, en Mesopotamië nabij de Perzische Golf. Zoo had elk vasteland zijn eigen middelpunt van beschaving, behalve Azië, dat er twee had—het eene in het uiterste Oosten, het andere nabij de lijn welke het met Europa verbindt [503]. Deze bijzondere groepeering van de voornaamste middelpunten van beschaving in zulk een betrekkelijke nabuurschap vormt het belangrijkste palaeoëthnische feit dat wij kennen. De Nijl en de Syrische zee in het Westen, Opper-Armenië en de Kaspische zee in het Noorden, het Hindoe-Koh-gebergte en de Indus in het Oosten, en de Roode zee in het Zuiden begrenzen de streek, waar Kushieten, Semieten en Ariërs, de eersten landbouwers, werklieden en stedenstichters, de tweeden een herdersvolk en de derden bergbewoners en later landverhuizers en veroveraars, elkander ontmoetten, in wrijving met elkander kwamen en zich vermengden, beurtelings veroveraars en veroverden, de kunsten en het gebruik der metalen uitvonden, betere wapenen leerden vervaardigen en zich hiërarchisch organiseerden, hun ideaal trachtten te bereiken door den godsdienst, en door de schrijfkunst in het bezit kwamen van het machtigste werktuig, waarover het menschelijk verstand beschikt. Met hen begint de geschiedenis en een onafgebroken keten van maatschappelijke inrichtingen, die zich tot onze dagen uitstrekt. De groei der beschaving in deze middelpunten laat echter de verspreiding der menschheid over de geheele aarde, welke in veel vroegeren tijd plaats vond, nog onverklaard.
De verspreiding van den mensch over Europa en Azië levert geen zeer groote moeielijkheden op; want ten gevolge van de groote breedte waarover beide vastelanden samenhangen, is Europa eigenlijk slechts een stuk van Azië. De moeielijkheden zijn echter verbazend groot, als wij Amerika beschouwen, dat wij van het eene eind tot het andere bezet vinden door rassen, wier eenheid de beste waarnemers heeft getroffen. Niet alleen verhief zich daarenboven de Amerikaansche mensch op den bodem der Nieuwe Wereld tot een oorspronkelijke en betrekkelijk hooge beschaving; maar hij heeft, vooral in het Noorden, onmiskenbare sporen achtergelaten van zijn tegenwoordigheid in de meest verwijderde tijden. Om niet te spreken van de in Californië gevonden overblijfselen van den tertiairen mensch (vergelijk aanteekening 5, blz. 372), heeft men in de Delaware-vallei te Trenton (New-Jersey) en nabij Guanajuato in Mexico werktuigen gevonden, die zoo onmiskenbaar tot het palaeolithische tijdperk behooren, dat geen vergissing mogelijk is, hun vindplaats onder in de aanslibbingen uit het Quaternaire Tijdvak, tezamen met overblijfselen van olifanten en mastodonten bewijzen, evenals de door Lund in de holen van Lagoa Santa gevonden menschenschedels, het bestaan van een ras, gelijktijdig met dat, waarvan de vuursteenwerktuigen uit de Somme-vallei afkomstig zijn en dat in beschavingstoestand en ongetwijfeld ook in levenswijze en in vele lichamelijke kenmerken met dit laatste overeenkwam. Van waar kan dit oorspronkelijke Amerikaansche ras, de broeder van dat hetwelk in dien zelfden tijd in Europa leefde, zijn gekomen, tenzij wij onderstellen dat er een rechtstreeksche landverbinding tusschen beide vastelanden was? De moeielijkheden, die dergelijke menschen zouden hebben ondervonden als zij hadden beproefd den Atlantischen Oceaan over te steken, en de zekerheid, welke ons peilingen geven, van de oudheid van dien oceaan maken het echter volstrekt onmogelijk om aan te nemen dat hij destijds niet bestond of dat één der beide vastelanden van uit het andere werd ontdekt door dezen of genen onbekenden Columbus, welke hem een honderdduizendtal jaren vóór den historischen Columbus overstak.
Wij staan dus tegenover het vraagstuk, dat zich altijd aan ons voordoet en waarvan de oplossing ons altijd ontgaat, van den oorsprong van den Amerikaanschen mensch. Blijkbaar kan het niet worden opgelost door een toevallige kolonisatie door Aziatische landverhuizers of door een troep schipbreukelingen te hulp te roepen; maar moeten wij er rekening bij houden met oorspronkelijke bevolkingen die zich, evenals in Europa, in achtereenvolgende golvingen verspreidden, en getuigen van de voortdurende aanwezigheid van den mensch, wiens trapsgewijze ontwikkeling en verspreiding in Amerika op de zelfde wijze plaats had als in de Oude Wereld. [504] De onderstelling van een landverhuizing uit Azië over de Aleutische eilanden naar Alaska [505] zou aanneembaar zijn, maar de zekerheid van het bestaan van een bevolking van inboorlingen in Amerika in het Quaternaire Tijdvak, brengt die in elk geval terug tot den rang van een secundair feit. Het zelfde is het geval met de betrekkingen—die wel is waar in tegenspraak met elkander en daarom verdacht zijn—welke sommigen hebben meenen te vinden tusschen de gedenkteekenen, standbeelden en hiëroglyphen van Centraal-Amerika en die van Egypte en Boeddhistisch Azië. Deze analogieën steunen op onvoldoende bewijzen en moeten daarenboven vallen voor twee overwegingen van het hoogste gewicht: in de eerste plaats de zekerheid, dat de mensch in Amerika gelijktijdig met de groote dieren van het Quaternaire Tijdvak heeft geleefd; en in de tweede plaats, de betrekkelijke eenvormigheid van het koperkleurige ras, dat zoo gelijk is over het geheele vasteland heên, met uitzondering van het gedeelte dat door de Eskimo’s wordt bewoond. De moeilijkheid ontspruit uit het feit dat de monogenisten, een enkele geboorteplaats en een enkel uitgangspunt voor het geheele menschelijke geslacht aannemende en geen van beide in de Nieuwe Wereld plaatsende, altijd hebben ondersteld, dat Amerika was gekoloniseerd door landverhuizers uit Europa of Azië, die de richting van de parallelcirkels waren gevolgd. Landverhuizing in deze richting (van Oost naar West of omgekeerd) vindt dadelijk een hinderpaal in de oceanen, die hoe langer hoe breeder worden, naarmate wij zuidelijker komen. Die hinderpaal verdwijnt echter, als wij het denkbeeld van een verhuizing in de richting der parallelcirkels opgeven en onderstellen, dat zij heeft plaats gehad in de richting der meridianen van het Noorden naar het Zuiden. Bij verhuizingen in die richting stuiten wij op volstrekt geen hinderpalen; en de betrekkelijke gelijkvormigheid van de Amerikanen van het eene uiteinde van hun vasteland tot het andere, zou nooit verwondering hebben gewekt, als wij niet bevooroordeeld waren geweest door het denkbeeld, dat zij in een betrekkelijk laten tijd derwaarts waren verhuisd.
Wij moeten in verband hiermede opmerken, dat de uiterste zuidpunten der drie vastelanden worden bewoond door rassen die ongetwijfeld oorspronkelijk ergens elders vandaan kwamen, en die zoowel in Vuurland als aan de Kaap de Goede Hoop en in Van Diemens Land tot de minst ontwikkelde van het menschelijke geslacht worden gerekend. Die rassen, welke door andere derwaarts werden opgedrongen, hebben den zichtbaren stempel bewaard van de betrekkelijk lage ontwikkeling van den stam waaruit zij lang geleden sproten. Wij moeten toch aannemen, dat deze drie takken—Vuurlanders, Bosjesmannen en Tasmaniërs—zoo weinig verheven in hun physieke, intellectueele en moreele eigenschappen, alleen zoo ver voortgetrokken zijn en zich alleen in zoo afgelegen oorden hebben gevestigd, omdat de beide laatste voor zich uit landstreken vonden die nog geheel onbewoond waren, terwijl de Vuurlanders hoogstens door een met de Papoea’s verwante bevolking werden voorafgegaan, welke laatste echter geheel te gronde ging of door het roode ras werd geabsorbeerd. [506] Als pioniers voor het overige gedeelte van het menschelijk geslacht hebben zij stap voor stap de uiterste grenzen van het bewoonbare land bereikt. Zij moeten ten minste tijdelijk ook noordelijker gelegen landen hebben bewoond, maar zij konden gene weerstand bieden aan den aandrang der sterkere rassen en konden niet tot onzen tijd blijven bestaan, dan door zich terug te trekken op een klein gebied in het meest afgelegen gedeelte van hun vroegere woonplaats. Er is niets verwonderlijks in het feit dat Quatrefages en Hamy bij het beschrijven van het oudste Europeesche ras waarvan wij schedels bezitten, dat van Cannstatt [507], hebben gevonden, dat het alleen overeenkomst bezat met die van deze zelfde bewoners van het uiterste Zuiden—de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs.
Men zal zien, dat wij geneigd zijn de rondom de Noordpool gelegen landstreken als de waarschijnlijke bakermat der oorspronkelijke menschheid te beschouwen. Van daar alleen kan zij, als van een middelpunt uitgestraald zijn om zich tegelijkertijd over verschillende vastelanden te verspreiden en achtereenvolgende landverhuizingen naar het Zuiden te veroorzaken. Deze theorie komt het best overeen met den weg, langs welken de menschenrassen waarschijnlijk hunne tegenwoordige woonplaatsen hebben bereikt. Er blijft over aan te toonen, dat zij evenzeer in overeenstemming is met de meest authentieke en nieuwste geologische gegevens, en dat zij behalve op den mensch ook toepasselijk is op de planten en dieren welke hem vergezellen en bij voortduring in het nauwste verband met hem zijn gebleven in de gematigde luchtstreken welke later de zetel zijner beschaving werden. De algemeene wetten der geologie begunstigen deze onderstelling opmerkelijk. Om haar waarschijnlijk te maken, hebben wij slechts twee hoofdpunten vast te stellen, die door geen geoloog ernstig zullen worden betwist. Vooreerst dat de poolstreken, welke met groote boomen waren bedekt, eens een gematigder klimaat bezaten dan dat van het tegenwoordige Midden-Europa en tot den 80° toe bewoonbaar en vruchtbaar waren minstens tot het midden van het Tertiaire Tijdvak toe, een langzame en voortdurende afkoeling ondergingen. Van toen af maakte de afkoeling snelle vorderingen, totdat het ijs uitsluitend meester werd van het nabij de polen gelegen land. Onder dergelijke omstandigheden moest de mensch, zoo die daar leefde, even goed als de dieren en planten wegtrekken of omkomen—stap voor stap verhuizen of zich tot een dagelijks onzekerder wordend bestaan teruggebracht zien.
Het tweede punt is de betrekkelijke stabiliteit van de bestaande vastelanden en hun ligging rondom een zee welke de Noordpool omsluit; terwijl de andere pool wordt ingenomen door land, omringd door een onmetelijken oceaan. Het belang van de Noordpool ten opzichte van het ontstaan van dieren en planten en hun verhuizingen en de onbeduidendheid van de Zuidpoolstreken in dit opzicht volgen uit die groepeering. De hoofdzaak is, dat er niets grilligs is in die verdeeling van land en zee, en dat er, zoo niet altijd, ten minste sedert een zeer oud tijdvak, zich altijd landen hebben verheven, die een aanmerkelijk gedeelte van het Noordelijk Halfrond besloegen, en rondom de Poolzee een gordel van min of meer samenhangende landen en eilanden vormden. Dit is werkelijk, wat de geologie leert. De veranderingen, dalingen tot onder en verheffingen tot boven den zeespiegel zijn altijd slechts gedeeltelijk en achtereenvolgend geweest, terwijl de hoofdmassa’s der vastelanden sedert de oudste tijden betrekkelijk slechts weinig van gedaante zijn veranderd. Er zijn, zoolang er land bestaat, ook altijd een Europa, een Azië, een Amerika en Poollanden, geweest. [508] Wij weten zeker dat er altijd om de Noordpool uitgestrekte grondgebieden bestaan hebben; al zijn het geen vastelanden geweest; dat die langen tijd het verblijf waren van de zelfde planten als het overige gedeelte van den aardbol, en dat sedert het einde van het Jura-tijdvak, het klimaat, dat daar eerst schier even warm was als elders, langzamerhand trapsgewijze kouder is geworden. De daling van de temperatuur openbaarde zich eerst zeer langzaam, en was in het Tertiaire Tijdvak nog lang zoo ver niet voortgeschreden als tegenwoordig; want de boomen, toenmaals in Groenland groeiende,—de sequoia’s, magnolia’s en platanen,—bereiken nu in Zuid-Europa hun volle ontwikkeling en passen niet voor het klimaat van Midden-Europa. [509] We zijn dus verzekerd, dat er om de Noordpool vroeger een gordel van landen met een rijken plantengroei heeft bestaan. Het voortdurend bestaan eener Poolzee is niettemin bevestigd door versteeningen in alle gedeelten dier streek gevonden. De omstreken van de Noordpool waren lang bewoonbaar, en werden bewoond door den mensch, in een tijd niet ver van dien, waarop de eerste sporen van zijn nijverheid zich tegelijkertijd in Europa en in Amerika begonnen te vertoonen. Zich van de Poollanden begevende naar die welke aan den poolcirkel grenzen, en van de laatste naar Azië, Europa en Amerika, zou de mensch slechts den zelfden weg gevolgd hebben, als een heir van planten en dieren, hetzij vóór hem of ter zelfder tijd met hem, en onder de prikkel der zelfde omstandigheden. [510] Door de hulp van verhuizingen van uit de nabijheid der Noordpool kunnen wij in ’t algemeen het verschijnsel verklaren, dat soorten verspreid of in verschillende afzonderlijke deelen gescheiden zijn, een verschijnsel overeenstemmende met dat hetwelk de menschen van de Oude en die van de Nieuwe Wereld vertoonen, wanneer men ze met elkander vergelijkt.
Wanneer wij de hier uiteengezette opvatting vergelijken met de aanwijzingen, door de fossielen geleverd, dan ontdekken wij talrijke voorbeelden van afscheiding, in welke verwante, dikwijls nauwelijks van elkander te onderscheiden vormen, terzelfdertijd in verschillende streken zijn verspreid, over ver van elkander verwijderde punten van het Noordelijk Halfrond, zonder eenige duidelijke verbinding langs de parallelcirkels, waardoor hun blijkbare overeenkomst zou kunnen worden verklaard. Europa getuigt door vele fossielen op onloochenbare wijze, dat het eertijds een heirleger van plantentypen en vormen had, die nu tot Amerika beperkt zijn, en die het alleen uit het uiterste Noorden kan ontvangen hebben. Het heeft bij voorbeeld magnolia’s, tulpenboomen, sassefras, ahornboomen en populieren bezeten, in alle opzichten vergelijkbaar met die welke tegenwoordig in de Vereenigde Staten groeien. De twee plataansoorten, die van het westelijk halfrond en die van Klein-Azië, waaraan wij een uitgestorven fossielen Europeeschen plataan mogen toevoegen, geven een voorbeeld van het zelfde verschijnsel van verspreiding. Europa was in het Tertiaire Tijdvak getuige van den groei van een ginko, gelijkende op die van Noordelijk China (Ginko biloba of Salisburia japonica). Het had sequoia’s en een kale cypres, overeenkomende met de boomen van dien naam, welke nu in Californië en Louisiana groeien. De beuk schijnt in de streken rondom de Noordpool gegroeid te hebben, vóór hij was doorgedrongen en zich had uitgebreid in de zuidelijker gedeelten van het Noordelijk Halfrond. Zonder twijfel is dit ook het geval geweest met de hemlock-spar (Tsuga canadensis), van welke duidelijke overblijfselen zijn gevonden in Grinnell-land op meer dan 82° breedte, en uit een veel vroegeren tijd afkomstig dan die waarin hij in Canada begon te groeien. De goed vastgestelde tegenwoordigheid in beide vastelanden van vele dieren die eigen zijn aan het Noordelijk Halfrond, moet worden toegeschreven aan landverhuizingen, zoo niet van de pool, dan ten minste uit landen in de nabijheid van den poolcirkel gelegen. Dit is duidelijk in het geval van het rendier, den bison, en het hert; maar het moet even waar zijn ten opzichte van dieren uit oudere tijden, en hoewel wij daarvan geen andere rechtstreeksche bewijzen hebben dan den overvloed van overblijfselen van mammouthen in Opper-Siberië, gaat deze wet ontegenzeggelijk ook voor de olifanten en mastodons door: wij bedoelen hier de soorten van deze beide geslachten, welke zich van het Noorden naar het Zuiden voortplantten, en die in Amerika en Europa de metgezellen van den oorspronkelijken mensch waren. De verbinding van de vastelandmassa’s met hun gordel van nauwelijks gescheiden landen rondom en binnen den Poolcirkel geeft den sleutel tot al deze verschijnselen.
Volgens de denkbeelden van de transformistische school was de oorspronkelijke mensch een anthropomorphe aap, in lichamelijk opzicht volkomener geworden, wat zijn opgerichte houding en het gaan op twee voeten betrof, en in verstandelijk opzicht door het grooter worden en de ontwikkeling van zijn schedel en hersenen, waarmede het ontstaan van het vermogen om gearticuleerd te spreken gepaard ging. [511] In overeenstemming nu met onze theorie vinden wij, dat ook de apen, en zelfs de anthropomorphen vroeger in veel noordelijker streken gevonden werden dan tegenwoordig. Als voorbeelden halen wij aan den Mesopithecus Pentelici, door Gaudry [512] te Pikermi in Griekenland fossiel gevonden, den Dryopithecus van St. Gaudens, een anthropomorphen aap, aan welken Gaudry vroeger geneigd was de zeer ruw bewerkte vuursteenen toe te schrijven, welke de abt Bourgeois te Thénay in tertiairen kalksteen (Calcaire de la Beauce) vond. [513] Verder den Pliopithecus van Sansan (Gers), die op een gibbon gelijkt, enz. Om tegenwoordig de het naast met Pliopithecus en Dryopithecus uit Midden-Europa verwante diervormen te vinden, moet men den Kreeftskeerkring overschrijden en tot 12° noorderbreedte reizen, of meer dan dertig graden zuidelijker dan de plaatsen, waar deze fossielen zijn gevonden. Indien de zelfde afstand (in omgekeerde richting) bestond tusschen de plaatsen, waar men deze fossiele apen heeft gevonden en het oorspronkelijk vaderland van den mensch, dan zou dit laatste op de breedte van Groenland, d.i. op 70° of 75° hebben gelegen. Deze onderstelling wordt gesteund door het feit, dat ook tegenwoordig de streken, waar de mensch de hoogste ontwikkeling bereikt, noordelijker liggen en koeler klimaat bezitten dan die waar anthropomorphe apen leven, en dat de oudste middelpunten van beschaving, allen, gelijk wij hebben gezien, tusschen 20° en 35° N.B. gelegen, in gemiddelde temperatuur overeenstemmen met dat gedeelte van het toenmalige Groenland. De overvloed van ruwe vuursteenwerktuigen in de nabij elkander gelegen valleien van de Somme en de Seine bewijst, dat daar oudtijds een klimaat enz. heerschte, bij uitstek geschikt voor de vermenigvuldiging van den mensch. De flora van dien tijd, waarvan nabij Fontainebleau fossiele overblijfselen zijn gevonden, bewijst dat dit klimaat overeenkwam met dat, ’t welk men tegenwoordig in het Zuiden van Frankrijk nabij den 42sten breedtegraad aantreft. Om nu, van dezen 42sten breedtegraad uitgaande, de bijna tropische streken te bereiken, waar palmen, kamferboomen en zuidelijke laurieren te zamen groeien, moeten wij twaalf of vijftien graden zuidelijker gaan, waar wij de zelfde klimatologische toestanden aantreffen, die in Midden-Europa bestonden, toen het de woonplaats van anthropomorphe apen was. Maar toen er palmen groeiden in de nabijheid van Praag en kamferboomen in de nabijheid van Dantzig, kan de mensch, als hij destijds bestond, zonder bezwaar hebben geleefd in de streken onder den Noordpoolcirkel of nog verder Noordwaarts, en zou van daar uit even gemakkelijk Noord-Amerika als Europa hebben kunnen bereiken, welke hij bestemd was te bevolken. De mensch heeft zich uit zijn stamvorm ontwikkeld in een gematigd klimaat, en zoo hij tegenwoordig ook in de warmste landen leeft, bewijst dit eenvoudig dat hij het vermogen bezat zich naar de omstandigheden te schikken (zich te adapteeren aan de levensvoorwaarden), maar hij bloeit het meest en komt tot zijn hoogste ontwikkeling in de gematigde luchtstreek, terwijl de tegenwoordige anthropomorphen echte tropenkinderen zijn en in de gematigde luchtstreek slechts kort blijven leven.
Het besluit, waartoe wij komen, is dus, dat in het begin van het Tertiaire Tijdvak de Noordpoolstreken grootendeels uit land bestonden [514], dat een tropisch klimaat bezat en waar de anthropomorphe stamvorm van den mensch leefde. Toen in den loop van de Miocene en Pliocene periode dit klimaat allengs meer gematigd werd, stierven de anthropomorphen daar gedeeltelijk uit, omdat zij het kouder klimaat niet konden verdragen, gedeeltelijk verhuisden zij naar het Zuiden, waarbij zij zich natuurlijk wijzigden, gedeeltelijk adapteerden zij zich aan de omstandigheden en werden tot menschen. In de Pliocene periode (of reeds vroeger) leefde derhalve de mensch (met vele andere thans naar zuidelijker breedten verhuisde dieren en planten) in de Noordpoolstreken, die een gematigd klimaat bezaten. Bij het invallen van het ijstijdperk werden de Poolstreken voor hem onbewoonbaar [515] en verspreidde hij zich (tegelijk met die dieren en planten) in alle richtingen naar het Zuiden over de gematigde luchtstreken van Europa, Azië en Noord-Amerika, terwijl de tropische vegetatie en de dierenwereld, welke die streken in het Tertiaire Tijdvak bezaten, tegelijkertijd ondergingen of naar het Zuiden werden teruggedrongen. Hierbij konden in de Nieuwe Wereld meer plantentypen behouden blijven dan in de Oude, omdat in deze laatste de vaak van het Oosten naar het Westen loopende bergketenen en zeearmen dikwijls onoverkomelijke hinderpalen voor de verhuizing der planten naar het Zuiden opleverden, hetgeen in de Nieuwe Wereld veel minder het geval was, omdat de voornaamste bergketenen daar van het Noorden naar het Zuiden loopen. Voor de dieren vormden echter de bergketenen der Oude Wereld, wegens de snelheid waarmede zij zich kunnen verplaatsen, veel minder onoverkomelijke hinderpalen dan voor de planten.
Over het geheel moeten noodwendig de Poollanden ook in de oudste tijdvakken de plaatsen zijn geweest, waar de landdieren ontstonden en waar zij later de grootste wijzigingen ondergingen, waardoor nieuwe soorten en typen ontstonden, die zich naar den equator toe verspreidden. De polen moeten, zelfs toen de aarde nog gloeiend vloeibaar was, reeds kouder zijn geweest dan de equator; want aan den equator bestond aardwarmte + tropische zonnewarmte, aan de polen aardwarmte + polaire zonnewarmte; dit ging vroeger evenzeer door als tegenwoordig, al waren zoowel aardwarmte als zonnewarmte ook absoluut grooter dan thans. Aan de polen moet de aardschors zijn begonnen zich te vormen, daar moeten reeds voor planten en dieren bewoonbare streken zijn ontstaan toen de equator nog te warm was om organisch leven mogelijk te maken. Daar zijn de eerste planten en dieren ontstaan en van daar hebben zij zich naar den equator verspreid, naarmate de afkoeling voortschreed. Daar ontstonden door de afkoeling voortdurend nieuwe levensvoorwaarden, die nog nergens elders op aarde voorkwamen, naar welke de soorten zich moesten wijzigen of ondergaan, tenzij zij emigreerden en meer naar den equator toe haar oude levensvoorwaarden voor een groot deel terugvonden. Daar is ook eindelijk de ijskorst begonnen zich te vormen, die waarschijnlijk na tal van eeuwen de geheele aarde zal bedekken en een einde maken aan alle organisch leven op aarde! De tropen zijn in palaeontologischen zin achter-, de poolstreken vooruit in vergelijking van de gematigde luchtstreek. De tropen geven ons een beeld uit het verleden der aarde, de poolstreken schilderen ons haar toekomst!
Aan de Zuidpool moet derhalve in de vroegste tijden een geheel van die aan de Noordpool verschillende dieren- en plantenwereld zijn ontstaan, die zich echter, zoover het landbewoners waren, niet verder kon uitbreiden dan het Zuidpoolland, en toen dit door het ijs werd bedekt, volkomen moet zijn ondergegaan. [516] (2) De Noordpooltypen konden zich daarentegen, zoodra de afkoeling het toeliet, over al de andere vastelanden, zelfs Zuid-Amerika, Afrika en Nieuw-Holland uitbreiden, daar zij landverbindingen (of hoogstens nauwe zeearmen) op hun verhuizingen ontmoetten. De zeedieren en planten konden zich natuurlijk van uit beide polen gemakkelijk door den geheelen oceaan verspreiden, voor zoover en waar de temperatuur zulks toeliet. Zoo verklaart zich, dat de dieren- en plantenwereld op het land rondom de Noordpool en in de Noordelijke gematigde luchtstreek zoo eenvormig, zich hoe langer hoe meer differentieert naarmate men zuidelijker komt, dat die verschillen in de Zuidelijke gematigde luchtstreek het grootste zijn, en dat evenals men vertegenwoordigers der oudste menschenrassen (door gedwongen verhuizing derwaarts gekomen) aan de zuidpunten der vastelanden vindt, men daar ook de laatste Mohicanen van overal elders geheel of bijna geheel verdwenen dierentypen aantreft. Wij wijzen op de Edentata en Luiaards van Zuid-Amerika, op de Edentata en de aan het Tertiaire Tijdvak herinnerende fauna van Zuid-Afrika, op de Buideldieren, Snaveldieren, Ceratodus enz. van Nieuw-Holland, dat in zijn fauna aan het Secundaire Tijdvak van Europa herinnert!
II.
Uit de boven gegeven uiteenzetting volgt, dat de mensch, uitgaande van een oorspronkelijk vaderland, waarvan de juiste plaats niet te bepalen is, maar dat om vele redenen moet worden geacht waarschijnlijk in het hooge Noorden te hebben gelegen, zich straalsgewijze in verschillende richtingen heeft verspreid; dat zijn verhuizingen over het algemeen plaats hadden van het Noorden naar het Zuiden en dat zij rassen hebben doen ontstaan, waarvan de oudste het verste naar het Zuiden trokken en het minst ontwikkeld waren. De hoogere rassen waren die, welke, later verhuizende en zich vestigende in streken met bijzonder gunstig klimaat, langzamerhand zijn opgeklommen tot hetgeen wij beschaving noemen.
De Mortillet heeft zich met dit onderwerp beziggehouden, en overtuigd, dat de bestaande menschheid slechts een resultante en de laatste term is van een reeks achtereenvolgende transformaties, onderscheidt hij verschillende menschensoorten: de tertiaire mensch, de quaternaire mensch, de tegenwoordige mensch. De mensch van het oudste gedeelte van het Quaternaire Tijdvak, waarvan in het Neanderdal, te Denise [517], te Cannstatt, Spy enz. overblijfselen zijn gevonden, schijnt hem zoo verschillend van de tegenwoordige menschen, dat hij er hem niet slechts van scheidt, maar zelfs voor de tijden, voorafgaande aan het Quaternaire Tijdvak, een bijzondere soort van menschen of pseudo-menschen onderscheidt. [518] Dit waren, gelijk hij het uitdrukt, „voorloopers van den mensch”, waaraan hij den veelbeteekenenden naam van anthropopithecus of „mensch-aap” geeft, omdat hij gelooft, dat zij in de reeks der wezens aan den mensch voorafgingen, en een type vormden, dat het midden hield tusschen de tegenwoordig levende anthropomorphe apen en den mensch. Wij moeten ze ons voorstellen als wezens, die hoog genoeg stonden boven den gorilla en den chimpanzee om vuursteen ruw te kunnen bewerken [519] en het vuur te gebruiken, doch niet in staat waren om zich uit zich zelven boven dien trap van verstandelijke ontwikkeling te verheffen en een wezenlijk mensch te worden, als een ras dus, dat tot de Bosjesmannen en Tasmaniërs ongeveer in de zelfde verhouding stond als deze tot ons. Deze hypothese is door ons, onafhankelijk van de Mortillet, reeds vroeger uitgesproken (zie aanteekening 11, blz. 295). Wij stellen ons die menschapen echter voor als nauw verwant met den stam waaruit de eigenlijke mensch zich heeft ontwikkeld, of wellicht zelfs identiek met dien stam, zoodat wij hun den aanleg tot hoogere ontwikkeling geenszins ontzeggen (gelijk de Mortillet wel schijnt te doen) en houden hen dan zelfs voor een onmisbaren schakel in den stamboom van den mensch. Zulk een vorm moet eens hebben bestaan. Zelfs al vond men nimmer overblijfselen van hem of van zijn werktuigen of wapenen, vloeit zulks met logische noodzakelijkheid uit Darwin’s theorie van de afstamming van den mensch voort! Een geheel verschillende vraag is of die vorm in Frankrijk en Portugal voorkwam en reeds in de miocene periode met de anthropomorphen van St. Gaudens leefde.
Wij worden er zoodoende toe geleid om te onderzoeken of de vuursteenen, door den abt Bourgeois te Thénay verzameld, en die welke later in Portugal zijn verzameld, wezenlijk bewerkt zijn, dan wel of het eenvoudig splinters en natuurlijke brokstukken zijn, die men bij vergissing voor met voordacht vervaardigde werktuigen heeft aangezien. Thénay, waar de oudste dezer vuursteenen zijn ontdekt, behoort tot de onderste miocene formatie welke lager ligt dan die van Sansan, waarin men de overblijfselen van anthropomorphen heeft gevonden, van welke wij hebben gesproken. Het bestaan (op die breedte natuurlijk) van den rhinoceros te dier tijde is nog twijfelachtig, de mastodons waren nog niet verschenen, de olifanten waren nog ver weg, de hipparions, de voorloopers van het paard, zouden niet dan lang daarna verschijnen. De buideldieren waren verdwenen en de verscheurende dieren werden alleen vertegenwoordigd door typen die het midden hielden tusschen tegenwoordig levende geslachten. Geen der diervormen welke den mensch op zijn vroegste tochten zouden vergezellen, en die hij zou moeten bestrijden, of aan zich onderwerpen, had zich nog vertoond. En toch zou de mensch moeten worden geplaatst in deze hem vreemde omgeving, in die wereld, welke als het ware nog slechts de embryo was van de tegenwoordige, en zou hij alleen soortelijk niet veranderd zijn! A priori bestaat dus weinig waarschijnlijkheid, dat destijds echte menschen hebben geleefd. Maar hun voorganger dan, soortelijk van den tegenwoordigen mensch verschillende en op een lageren trap staande dan hij? Om van diens bestaan in Frankrijk en Portugal tijdens de miocene periode volkomen overtuigd te worden, zouden meer bewijzen noodig zijn, dan men ons heeft geleverd,—eenige weinige vuursteenen, die wellicht met voordacht bewerkt zijn, te midden van vele duizenden andere! Het is iets, maar niet genoeg, met het oog op de menigte onwaarschijnlijkheden die ons weêrhouden vertrouwen te stellen in dergelijke aanwijzingen. Gaudry wijst er ook op, dat wanneer men de gerolde en zoogenaamd bewerkte vuursteenen uit den miocenen kalksteen van Thénay in groot aantal naast elkander legt, de grens tusschen beide soorten moeilijk is aan te wijzen.
De tertiaire bewerkte vuursteenen welke men in Portugal heeft gevonden, komen uit een ongetwijfeld tertiaire zoetwatervorming uit de miocene periode. De Portugeesche flora van dien tijd werd gekenmerkt door de aanwezigheid van olmen, populieren, kaneelboomen, saponaria’s en tamarinden, welke bewijzen, dat er in Europa een zacht en gelijkmatig klimaat heerschte, waarin de mensch zeer gunstige voorwaarden voor zijn ontwikkeling zou hebben gevonden. Wanneer wij echter beproeven te bewijzen, dat hij daar toenmaals bestond, kunnen wij niets aanvoeren dan een laag zandsteen, waarin stukken kiezel voorkomen, gedeeltelijk gebroken, die onderworpen is geweest aan latere afspoelingen en atmospherische invloeden, die de tallooze kiezelsplinters verklaren, waarmede de grond bedekt is, en waaruit die, welke men meent dat sporen van bewerking vertoonen, na lang zoeken zijn uitgezift. Cazalis de Foudouce, die lid was van het Praehistorisch Congres te Lissabon in 1880—iemand van erkende bevoegdheid omtrent dergelijke zaken—bezocht de miocene beddingen van Monte Redondo, en rechtvaardigt zijn ongeneigdheid om een bepaalde opinie uit te spreken over het al- of niet bewerkt zijn van de zeer weinige vuursteenen, welke het mogelijk is te vergelijken met die uit de zoogenaamde Moustier periode (waaromtrent later), door te wijzen op de ontblootingen, verschuivingen en verwoestingen, welke de lagen hebben ondergaan. Het is niet onmogelijk, dat de steenen door den mensch of zijn voorlooper bewerkt zijn. Een daarvan schijnt gevonden te zijn in een laag, die sedert haar vorming onaangeroerd was gebleven; maar, al geeft men dit toe, is het dan niet beter te wachten dan zulk een groot vraagstuk maar kortweg in eens en zonder rechtstreeksch bewijs te beslissen? De Mortillet zelf bevestigt niets rechtstreeks dan de echtheid der vuursteenwerktuigen. Hij voegt er bij, dat hun geringe grootte hem doet gelooven, dat de wezens welke ze maakten, geen wezenlijke menschen kunnen zijn geweest. Den twijfel, dien hij terecht oppert omtrent de makers, breiden wij uit tot de werktuigen, en wachten op de resultaten van toekomstige ontdekkingen, vóór wij het vraagstuk als opgelost beschouwen. Blijkt dan echter met zekerheid, dat in de miocene lagen van Zuid-Europa bewerkte vuursteenen voorkomen, dan houden wij het er stellig voor, dat zij afkomstig zijn van wezens, hooger staande dan de anthropomorphen, maar lager dan de echte mensch en soortelijk van dezen verschillende, en dat deze wezens verwant (of wellicht identiek) waren met de soort, waaruit de echte mensch zich ontwikkeld heeft.
Het wordt nog moeielijker de miocene, zoogenaamde bewerkte steenen te beschouwen als bewijzen van het bestaan van den echten mensch in Zuid-Europa gedurende het Tertiaire Tijdvak, als wij zien, hoe helder licht de te Chelles (bij Parijs) gevonden overblijfselen op den mensch van de volgende periode werpen, welke de Mortillet „période Chelléenne” noemt, en die de oudste uit het Quaternaire Tijdvak is. De mensch bezat in die periode een blijkbare nijverheid—primitief wel is waar; want zij bestaat alleen in het vervaardigen van een enkele soort van werktuigen, maar deze zijn toch door hun vorm en grootte zoo duidelijk kunstproducten, dat zelfs de meest bevooroordeelde geest geen oogenblik kan betwijfelen, dat zij van één en het zelfde ras afkomstig zijn. De te Chelles gevonden bewerkte vuursteenen zijn zelfs karakteristieker dan die van St. Acheul, waar dergelijke in zoo groot aantal zijn gevonden. De Elephas antiquus van Falconer, de waarschijnlijke stamvorm van den Afrikaanschen olifant en de voorganger van den mammouth in Europa, wordt uitsluitend te Chelles te zamen met door den mensch vervaardigde werktuigen gevonden, terwijl te St. Acheul de mammouth veelvuldiger wordt gevonden, hoezeer de andere soort niet ontbreekt. De mensch uit de „periode van Chelles” zag dus twee soorten van olifanten voor elkander plaats maken. Waarschijnlijk veranderde ook langzamerhand het klimaat en werd het kouder, zonder echter de levenswijze en nijverheid van den mensch te veranderen. Op den duur bleef echter de werking van de physiologische en biologische gebeurtenissen waarvan Europa het tooneel werd, invloed op den quaternairen mensch uitoefenen en het ras van Chelles, overgaande in dat van Moustier, veranderde langzamerhand zijn levenswijze en leerde andere werktuigen vervaardigen. Deze ontwikkeling behoeft volstrekt niet plotseling in haar werk te zijn gegaan, daar zij het gevolg was van de eischen van een zeer langzaam kouder wordend klimaat. In den beginne waren de dieren, planten en klimaat die van het tegenwoordige Noord-Afrika, en waren de levensomstandigheden voor den mensch uitstekend. De mensch van Chelles leefde in de open lucht, wellicht in hutten van licht vlechtwerk, maar woonde niet in holen en was niet gewoon zijn dooden te begraven. Deze feiten verklaren den overvloed van werktuigen uit dien tijd in aanslibbingen, het ontbreken daarvan in de holen, waarin de mensch in de volgende perioden een schuilplaats zocht, en de zeer groote zeldzaamheid van menschenbeenderen. Het groote aantal werktuigen, in verschillende deelen van Frankrijk gevonden, geven den indruk van een werkzame en dichte bevolking, wier vreedzame uitbreiding gedurende vele eeuwen door geen ongelukkige gebeurtenissen werd verhinderd. Door het vinden van geheel gelijksoortige steenen werktuigen (behalve dat de steensoort natuurlijk verschilt, al naar de petrographische gesteldheid der vindplaatsen) heeft men sporen van dit zelfde menschenras teruggevonden in België, Engeland, Moravië, Duitschland, Spanje Portugal, Italië, Barbarije, Egypte, en zelfs aan de Kaap de Goede Hoop en in Noord-Amerika in de Delaware vallei (New-Jersey) en 4000 kilometers westelijker in het bekken van Bridger (Wyoming op 40° à 44° N.B.).
Het menschenras van Chelles is dus, even voor het klimaat van het ijstijdperk zich in Europa begon te doen gevoelen, van uit het Noorden tegelijkertijd Europa en Noord-Amerika binnengetrokken en in beide tot de zelfde breedte doorgedrongen. [520] De Noordzee was destijds nog droog land en Engeland met Europa verbonden.
De amandelvormige werktuigen uit de „periode van Chelles” mogen, volgens de Mortillet, geenszins als eigenlijke bijlen worden beschouwd. Ongeschikt om aan een steel te worden bevestigd, hield men ze in de hand vast, waarin ze juist pasten en waarvan het gewicht er door werd vergroot, terwijl de punt er uit te voorschijn kwam; de Mortillet geeft ze daarom den naam van „coup de poing.” Zij konden, al naar de omstandigheden, worden gebruikt als wapen (een soort van dolk) of als universaal-instrument, dat onvolkomen onze bijl, mes, beitel, zaag, boor enz. verving. Het hoofdwapen van het ras was waarschijnlijk een knots, waarvan alle sporen natuurlijk zijn verdwenen.
De langzame ontwikkeling van de verdeeling van den arbeid schijnt plaats te hebben gehad in de volgende periode, die van Moustier, welke zich aan die van Chelles nauw aansluit, doch in welke de werktuigen, hoewel minder zorgvuldig afgewerkt, toch getuigen van meer bekwaamheid, een snellere bewerking en een meer op nuttigheid lettenden geest. De werktuigen van deze periode zijn verschillender van vorm en meer tot bijzondere doeleinden ingericht. Het klimaat was strenger geworden; de gletschers hadden bijna hun grootste uitgebreidheid bereikt; en de mensch uit de „periode van Moustier” was genoodzaakt een schuilplaats te zoeken in holen, waarin de overblijfselen van zijn nijverheid even veelvuldig worden aangetroffen als daarbuiten. In andere opzichten schijnt het ras en de periode van Moustier eenvoudig een voortzetting te zijn geweest van die van Chelles. Alleen ondervond de mensch, onder den drang van nieuwe noodzakelijkheden, behoeften welke hij vóór dien tijd niet had gekend. Hij moest arbeidzamer worden. De groote dieren waren in aantal toegenomen, hij moest zich voor zijn verdediging wapenen en werd een jager.
Daar men zich geen moeite gaf om aan de dooden een blijvend graf te verschaffen, kunnen wij niet verwachten vele beenderen van deze oudste rassen te vinden. Mogelijk plaatsten zij de lijken op boomen, of in op palen gebouwde hutten, gelijk sommige Indiaansche stammen heden nog doen, en dat zou een reden te meer zijn, waarom hun overblijfselen zijn verdwenen. De twijfelachtige overblijfselen van geraamten daargelaten, vindt de Mortillet slechts eenige weinige beenderen, die geacht kunnen worden van den mensch uit de periode van Chelles afkomstig te zijn. Zij behooren allen tot het ras, dat de Quatrefages en Hamy op zuiver anatomische gronden, als een bijzonder uitgestorven menschenras beschreven, en waaraan zij den naam van „ras van Cannstatt” hebben gegeven, naar den schedel, daar ter plaatse met olifantsbeenderen te zamen gevonden in 1790. Deze schedel, de schedel van Eguisheim bij Colmar, de beenderen van Spy, van Denise, de Neanderdalschedel, die van Gibraltar, de kaak van la Naulette, die uit het Schipkahol, zijn schier al wat wij er van bezitten, en wij moeten erkennen dat zulks zeer weinig is. Genoeg echter om ons het ras in algemeene trekken voor te stellen en aan te toonen, dat het lager stond dan de Bosjesmannen, Nieuw-Hollanders en Tasmaniërs, ja volgens de Mortillet meer beneden hen dan deze beneden de Europeanen staan. De Mortillet gelooft, dat het ras van Cannstatt oploopend, ruw en strijdlustig was, en gaat zoover van het het bezit van een gearticuleerde spraak te ontzeggen. Dit is alles wat wij met eenige zekerheid weten van de oudste bewoners van Europa en van hun geschiedenis. Het gelijktijdig optreden van het ras van Cannstatt of Chelles in een zoo groot aantal zoo ver uiteengelegen streken, doet het denkbeeld oprijzen, dat het, ten minste oorspronkelijk, niet een bijzonder ras, maar den gemeenschappelijk stamvorm van alle latere rassen vertegenwoordigde, die zich op verschillende manieren zou wijzigen, toen hij zich op verschillende plaatsen vestigde, waar hij aan uiterst verschillende levensvoorwaarden zou zijn onderworpen. „Zijn bloed ging dus over in alle latere rassen en kan zich”, zegt de Mortillet, „zelfs in den tegenwoordigen tijd door het verschijnen van atavismen openbaren.” Het ras van Cannstatt was dus het origineel van hetgeen volgde. Steeds meer zuidwaarts voorttrekkende, heeft het de aarde bevolkt en is in allerlei locale rassen en stammen verdeeld geworden. [521] De periode van Moustier vertegenwoordigt in Europa het tweede bedrijf, en de perioden, volgende op die van Moustier, welke de Mortillet (naar plaatsen, waar in Frankrijk typische overblijfselen daaruit zijn gevonden) die van de Solutré [522] en van la Madeleine [523] heeft genoemd, stemmen overeen met de tijden, waarin de mensch, zich op bepaalde plaatsen gevestigd hebbende, zich langzamerhand wijzigde, en in verschillende opzichten de specifieke kenmerken verkreeg, waardoor die rassen zich onderscheidden, hoedanigheden ontwikkelde, even verschillend als zijn woonplaatsen, en achtereenvolgens bleef staan op allerlei verschillende sporten van de ladder welke hij bestemd was te beklimmen, maar die hem alleen kon leiden tot de volle uitoefening zijner edelste vermogens op voorwaarde dat hij tot haar hoogste sport zou doorklimmen.
„De periode van Solutré” is slechts een kort overgangstijdperk, dat ons snel tot die van la Madeleine brengt, en schijnt meer een locale, dan een algemeene ontwikkeling te hebben vertegenwoordigd. Beide perioden zijn de uitdrukking van de steeds toenemende koude van het ijstijdperk, gedurende hetwelk de groote dikhuidige dieren langzamerhand verdwenen door de toenemende ruwheid van het klimaat, en het rendier en het paard zich vermenigvuldigden en de plaats daarvan innamen. Het rendier trok uit het Noorden naar Midden-Europa, schoon het de zuidelijke deelen daarvan niet bereikte, in talrijke verscheidenheden, die echter alle met de nog bestaande rendieren van Lapland verwant waren. Van het paard zijn minstens twintigduizend, mogelijk veertigduizend geraamten te Solutré gevonden. Geen van beide dieren was toen getemd, en de hond was nog onbekend. De mensch bemachtigde de dieren op de jacht, hetzij door hen te dooden, hetzij door hen gebonden mede naar zijn woonplaats te voeren. De mammouth was een soort van legendair wezen geworden, in het diepste der wouden verscholen, een voorwerp van nieuwsgierigheid, veelvuldig genoeg om ivoor op te leveren en den mensch van dien tijd te prikkelen om afbeeldingen van hem te maken. Feitelijk had de mensch uit die periode groote vorderingen in beschaving gemaakt. De verdeeling van den industrieelen arbeid was tot stand gekomen. De bewerking van den vuursteen was tot groote volkomenheid en fijnheid gebracht en een nieuwe tak van nijverheid was er aan toegevoegd, namelijk het bewerken van been, ivoor en rendierhoorn. Men maakte verschillende soorten van werktuigen uit bepaalde grondstoffen, de Saporta vermeldt punten van werpspietsen en pieken, die hij heeft gezien, welke aan beide zijden zeer kunstig waren bewerkt en bestemd om aan houten staven te worden bevestigd; ook de schrappers zijn uitstekend geschikt voor het gebruik waartoe zij uitsluitend waren bestemd. Van been werden naalden, harpoenen en tot sieraad bestemde voorwerpen, zooals beeldhouwwerk, vervaardigd en teekeningen er op gegraveerd. Het rendier, de holenbeer en mammouth werden afgebeeld, alsmede de mensch zelf. Deze schijnt altijd naakt te zijn voorgesteld. Op een afbeelding van een vrouw, uit deze periode afkomstig, ziet het lichaam er uit alsof het met haar was bedekt; wellicht stelt dit echter kleederen van dierenhuid voor. Een der afbeeldingen stelt een loopenden man voor met een knots over zijn schouders. De mensch wijzigde zich ook al naar de plaats die hij bewoonde, en de mensch van la Madeleine levert ons in Europa een der vroegste voorbeelden daarvan op. Het ras van Solutré, wiens lanspunten zoo fraai zijn afgewerkt, en het jongere en meer artistieke ras uit de holen van Périgord, wiens eenvoudige teekeningen en primitieve beeldhouwwerken wij bewonderen, vertoonen ons de eerste pogingen van dien geest van initiatief, die, na bij sommigen van hen tot ontwikkeling te zijn gekomen, hen leidde tot uitvindingen op stoffelijk gebied en tot ideale concepties, en door deze kwam de mensch allengs tot die hoogere ontwikkeling welke wij beschaving noemen.
Gelijk de Mortillet aantoont, waren de menschen van la Madeleine jagers, actief, vernuftig en vatbaar om levendige gemoedsindrukken te ontvangen van de omringende natuur. Zij hadden een tehuis, vreugde en zorgen, vierden jachtfeesten en wisten zich te vermaken met het vervaardigen van primitieve beeldhouwwerken teekeningen en versierselen. Zij hadden verschil van stand en opperhoofden; want zij bezaten eereteekenen en commandostokken. Maar dit was alles. Zij kenden den landbouw niet, bezaten geen huisdieren, en begroeven hun dooden niet: indien zij de eene of andere bijzondere handelwijze omtrent hen in acht namen, plaatsten zij hen op boomen of in hutten op palen in de open lucht; en dit is waarschijnlijk de reden, dat men zoo weinig overblijfselen van hun skeletten vindt.
Is het mogelijk zich een denkbeeld te maken van het lichamelijk voorkomen en de osteologische eigenaardigheden van den mensch van la Madeleine? Men dacht, dat de talrijke menschenbeenderen, te Cro-Magnon gevonden met voortbrengselen van kunstvlijt uit de periode van la Madeleine, van het kunstlievende ras van Périgord afkomstig waren; doch de Mortillet bestrijdt dit en tracht aan te toonen, dat de plaatsen waar men die overblijfselen vond, te huis behooren in een volgende periode, die van Robenhausen (waarmede het Neolithische Tijdvak begint). Hij beweert het zelfde omtrent de te Furfooz, te Aurignac, te Mentone gevonden schedels en geraamten. De menschenbeenderen van Eyzies (zie aant. 25 blz. 49) zijn echter waarschijnlijk van dit ras afkomstig.
Volgens de Mortillet was het Europeesche ras van la Madeleine slechts een voortzetting van dat van Chelles en Moustier. Vermengingen door immigratie en het gelijktijdig bestaan van onderscheidene rassen, verschillend van schedelvorm, vonden volgens hem in Midden-Europa eerst plaats na het einde van het Quaternaire Tijdvak, toen de mammouth geheel was uitgestorven en het rendier zich weder naar het Noorden had teruggetrokken. Toen brak de tijd aan, waarin het klimaat zich weder verbeterde, de gletschers zich tot den voet der bergen terugtrokken en de verdeeling van land en zee in West-Europa meer en meer de zelfde werd als tegenwoordig: het Neolithische Tijdvak begon. Dit was een tijdvak van voortdurende ontwikkeling en werkzaamheid, waarin de vooruitgang ons langzamerhand, stap voor stap, brengt tot de uitvinding der metalen en de morgenschemering der geschiedenis. Dat Neolithische Tijdvak duurde echter zeer lang en wordt in vele kleinere perioden verdeeld. Het duurde nog zeer vele eeuwen vóór men de metalen ontdekte, en tot zoolang was steen nog steeds de eenige grondstof voor eigenlijk gezegde werktuigen; men sleep en polijstte echter den steen. Eenige weinige kunsten en bedrijven, die het noodzakelijke uitgangspunt zijn van elke maatschappij, begonnen te worden uitgeoefend; daaronder de temming van nuttige dieren, te beginnen met den hond, de veeteelt dus; later de landbouw, dus de cultuur van enkele voedselopleverende planten; de kunst om aardewerk te maken (waarvan de beginselen echter reeds tot het Palaeolithisch Tijdvak opklimmen), en eindelijk het bijeenwonen der menschen in dorpen, met het oog op gemakkelijker verdediging en op het nakomen van godsdienstvoorschriften. Overblijfselen uit dit tijdvak worden in alle werelddeelen en door geheel Europa, van Skandinavië tot Zwitserland, en van het hart van Frankrijk tot het Zuiden van Italië toe gevonden. Ook deze te bespreken en onze schets van de oorspronkelijke geschiedenis van den mensch tot den bronstijd toe voort te zetten, ligt buiten ons bestek. Het was het tijdvak der kjökkenmöddinger, der paaldorpen en der hunebedden (dolmen), en in hetzelve begon de mensch in Europa de kinderschoenen te ontwassen. Ofschoon hij (ten minste in ons werelddeel) onbekend was met de metalen en slechts in het bezit van een rudimentairen landbouw en nijverheid, ofschoon zijn voedsel nog schaarsch was en zijn leven door vele gevaren werd bedreigd, was hij reeds begonnen gerst en tarwe te zaaien, weefde hij van vlas ruwe kleederen, maakte hij aardewerk en bakte dat in het vuur, en bouwde hij wezenlijke gedenkteekenen voor zijn dooden, kunstmatige voorstellingen van grotten, vervaardigd door ruwe steenblokken opeen te stapelen. Godsdienstige gebruiken, een soort van weelde in de voorwerpen van dagelijksch gebruik, genees- en heelkundige practijken, zooals het trepaneeren, kwamen in zwang. Wij gevoelen, dat wij hier de morgenschemering aanschouwen van groote uitvindingen en reusachtige inspanning, die den weleer uiterst engen kring der kennis en van de kunstvlijt meer en meer zouden verruimen.
AANTEEKENINGEN.
(1) Wij zouden, liever dan hier aan Salomo’s Ophir te denken, geneigd zijn de ruïnen in Zuid-Afrika toe te schrijven aan het in de oudheid beroemde volk, dat bij de Grieken onder den naam van Macrobiërs bekend was. Herodotus (III, 17–25) verhaalt, dat eigenlijk tegen hen de tocht van Cambyses gericht was, die, volgens sommige berichten (Dion. p. 38), tot Meroë zou zijn doorgedrongen, en in elk geval tot ver bezuiden de grens van Egypte kwam. Volgens Herodotus woonden deze Macrobiërs aan de zuidelijke zee (d.i. den Indischen Oceaan) aan het uiterste einde der aarde, en had Cambyses, toen hij den tocht opgaf, nog niet het vijfde deel van den weg naar hen afgelegd. Een eenvoudige meting op de kaart kan bewijzen, dat Herodotus vrij nauwkeurig wist, hoever Afrika’s zuidkust van Egypte verwijderd was, en dat de Macrobiërs, als wij zijn bericht streng opvatten, nabij de Kaapkolonie moeten hebben gewoond. [524] De Macrobiërs bezaten volgens Herodotus een stad, voor de overblijfselen waarvan ik de ruïnen van Zimbalye houd; het goud was onder hen het algemeenste metaal, zoodat zelfs de boeien der gevangenen in de gevangenis daaruit bestonden (dit stemt overeen met de goudrijkheid van Transvaal en Matabeleland en de sporen van overoude ontginningen van goudmijnen aldaar). Zij kenden echter het brood niet en voedden zich met vleesch, hetgeen overeenstemt met het feit, dat ook de Kaffers en hun verwanten en de Hottentotten herdersvolken zijn, en ook met den grooten rijkdom van Zuid-Afrika (nog heden) aan grof wild (vele soorten van antilopen), dat een uitstekend voedsel oplevert. Macrobiërs, een naam van hun ondersteld lang (makros) leven (bios) afgeleid, kan echter de wezenlijke naam van dit volk evenmin zijn geweest als Kaffer (kafir = ongeloovige) die van de Kaffers, of Bantu’s (Bantu = mensch) die van de Bantuvolken is. In elk geval meenen wij te hebben aangetoond, dat er wel degelijk historische berichten zijn omtrent het bestaan van een beschaafd, stedenbouwend, goudmijnenontginnend volk in Zuid-Afrika, eenige eeuwen vóór het begin onzer jaartelling.
(2) Als men nagaat, dat als de zeespiegel 1000 vademen daalde, het Zuidpoolland (waarvan wij ten stelligste het bestaan aannemen, schoon de kustlijn op het kaartje gedeeltelijk hypothetisch is) door juist zulke nauwe straten van Zuid-Amerika en Nieuw-Holland zou zijn gescheiden als Madagascar van Afrika en Nieuw-Zeeland van Nieuw-Holland [525]; als men verder bedenkt, dat in zeer ouden tijd Madagascar ongetwijfeld met Afrika [526] en Nieuw-Zeeland met Nieuw-Holland samenhing, is de onderstelling niet gewaagd, dat wellicht Zuid-Amerika eens met het Zuidpoolland en dit met Nieuw-Holland en over den Indischen Archipel met Azië samenhing; in welk geval natuurlijk, als die samenhang viel in den tijd dat het Zuidpoolland een warm of gematigd klimaat bezat, organismen van daar wel degelijk in Zuid-Amerika en Nieuw-Holland en uit het laatste in Azië [527] konden komen. Den evenaar konden zij echter ook dan niet overkomen vóór deze genoeg was afgekoeld om organisch leven toe te laten. Dan zouden zij echter, nadat de evenaar tot dien graad was afgekoeld, met de in de grootere vastelanden van het Noordelijk Halfrond ontstane organismen in concurrentie zijn gekomen, en daardoor waarschijnlijk op de zelfde wijze zijn verdrongen als de fauna en flora van Nieuw-Holland en Nieuw-Zeeland tegenwoordig terugwijkt voor de Europeesche.
Als men de duizend vademenlijn beschouwt als de eigenlijke grens van het vasteland, ziet men hoe het vasteland op aarde een bijna gesloten kring om den wereldbol maakt, die over beide polen loopt [528] en krijgen wij een bijna even regelmatige verdeeling der continenten als op de planeet Mars, waar deze den bol echter in den vorm van een slechts een flauwen hoek met den evenaar makenden ring omgeven, zoodat de evenaar zelf, daar deze ring breed is, overal door land, met enkele nauwe straten er door, wordt bedekt. Die regelmatigheid wordt nog grooter als wij ons Afrika door de zee bedekt denken, daar zich dan aan weerszijden van den over de polen loopenden ring van continenten twee, gelijk men met één oogopslag ziet [529], nagenoeg even groote Oceanen uitstrekken
Er is gegronde reden om de lijn van 1000 vademen ongeveer als de eigenlijke grens der continenten aan te nemen. Buiten deze lijn wordt de Oceaan spoedig veel dieper, zoodat men buiten die lijn bijna overal diepten van 2000 tot 3000 vademen aantreft.
Hoe volslagen ontoereikend de gesteentemassa’s van het vasteland zouden zijn om die ontzettende diepten te vullen, blijkt hieruit, dat het vasteland (dat daarenboven slechts 7⁄25 of iets meer dan ¼ van de oppervlakte van den Oceaan beslaat) gemiddeld volgens Krümmel slechts 440 M., volgens von Tillo 693 M. boven den zeespiegel uitsteekt. [530] Werd een deel van het diepe gedeelte [531] van den Oceaan door rijzing droog, dan zoude, daar de vaste bestanddeelen der geheele aarde niet toenemen, een even groot volumen, dus een zeer veel grootere oppervlakte van het vasteland moeten dalen, en om een eenigszins aanzienlijk gedeelte van den diepen Oceaan droog te doen worden, zou bijna het geheele vasteland beneden den zeespiegel moeten zinken. Alles tenzij men mocht willen aannemen, dat bij de rijzing van een gedeelte van den bodem des diepen Oceaans een ander deel van dien bodem zonk tot veel grooter diepte dan thans ergens wordt aangetroffen [532], wat zeer onwaarschijnlijk is. Hierin ligt één bewijs, dat de continenten over het geheel vaste trekken in het wezen der aarde zijn, die zich nimmer buiten beperkte grenzen, ten ruwe door de lijn van 1000 vademen aangegeven, hebben uitgebreid [533] en ook over het geheel nimmer gedeeltelijk door zeeën van meer dan 1000 vademen diep zijn bedekt geweest. Waar men op ’t vasteland dikke uit zeewater afgezette formaties aantreft, heeft men te denken aan langdurige daling van den bodem eener ondiepe zee die door de zich daarin afzettende bezinksels ook voortdurend ondiep bleef. Een tweede bewijs ligt daarin, dat uit diepzeepeilingen blijkt dat de bodem der zeer diepe deelen des Oceaans in aard van dien van het vasteland en der ondiepe zeeën afwijkt en bestaat uit eigenaardige slijkformaties (geheel bestaande uit overblijfselen van in zee levende organismen, zonder eenige inmenging van slib of zand) en brokstukken van gesteenten, waaronder men overal vele van vulkanischen aard, en ook een goed herkenbaar, uit de wereldruimte afkomstig (meteorisch) gedeelte onderscheidt, welk laatste natuurlijk op ’t vasteland evengoed neêrvalt, maar daar zeer spoedig door de verweering geheel onkenbaar wordt. [534]
De projectie in twee halfronden, waarvan de polen het midden innemen, is daarom veel beter voor ons doel dan de door Wallace („Darwinism”, blz. 348) gevolgde Mercatorprojectie, omdat daaruit ten duidelijkste blijkt, dat de vroegere samenhang tusschen Amerika en Europa-Azië niet slechts bestond in tijdelijke landbruggen, nu eens over de Behringstraat, dan weder over IJsland en Groenland, maar dat beide vastelanden oudtijds één geheel uitmaakten, waarover de passage even ruim en vrij was als thans b.v. tusschen Canada en de Vereenigde Staten of tusschen Rusland, Polen en Duitschland. In de tweede plaats omdat er ten duidelijkste uit blijkt wat de beteekenis is der vreemdsoortige verlengstukken van minder dan 1000 vademen diep, die Wallace bezuiden Van Diemens Land en ten zuiden en zuidwesten van Kaap Hoorn teekent; op onze kaart blijken zij de verbinding te zijn tusschen Zuid-Amerika en Nieuw-Holland, over het Zuidpoolland heên, en noodzakelijke schakels in de rangschikking van het vasteland in een over beide polen loopenden ring, met twee nagenoeg gelijke oceanen aan weêrszijden, welke merkwaardige symmetrie wij meenen, dat vroeger nog nimmer door iemand is opgemerkt.
TWEEDE GEDEELTE.
DE SEKSUEELE TEELTKEUS.
ACHTSTE HOOFDSTUK.
GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.
Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke sekse door natuurlijke teeltkeus.
Bij dieren die gescheiden seksen hebben, verschillen de mannetjes blijkbaar van de wijfjes in hun voortplantingsorganen; en deze vormen de primaire seksueele kenmerken. De seksen verschillen echter dikwijls in hetgeen Hunter secundaire seksueele kenmerken heeft genoemd, dat is in kenmerken die niet rechtstreeks in verband staan met de voortplantingshandeling; zoo bezit b.v. het mannetje soms zekere zintuigen die het wijfje geheel mist, of zij zijn bij hem hooger ontwikkeld, opdat hij haar gemakkelijk zou kunnen vinden of bereiken; of het mannetje heeft bijzondere grijpwerktuigen om het wijfje stevig vast te houden. Deze laatste organen van oneindig verschillende soorten vormen den overgang tot, en kunnen soms bijna niet worden onderscheiden van die welke gewoonlijk als primaire worden beschouwd, zooals de samengestelde aanhangsels aan het uiteinde (apex) van het achterlijf bij mannelijke insekten. Tenzij wij toch den term „primair” tot de geslachtsklieren beperken, is het, voorzoover er grijpwerktuigen in betrokken zijn, moeielijk te beslissen, welke primair en welke secundair behooren te worden genoemd.
Het wijfje verschilt dikwijls van het mannetje door het bezit van organen voor de voeding of bescherming harer jongen, zooals de melkklieren der Zoogdieren en de buidels der Buideldieren. Het mannetje verschilt ook in eenige weinige gevallen van het wijfje door het bezit van dergelijke organen, zooals die welke tot opneming der eieren dienen, bij de mannetjes van sommige Visschen, en die welke zich bij de mannetjes van sommige kikvorschen tijdelijk ontwikkelen. De wijfjes der bijen hebben een bijzonderen toestel om stuifmeel te verzamelen en weg te dragen, en hun larven en de vereeniging waartoe zij behooren, te verdedigen. Bij de wijfjes van vele Insekten is de eierlegger op de meest ingewikkelde wijze veranderd om de eieren veilig te plaatsen. Talrijke dergelijke gevallen zouden kunnen worden opgenoemd, maar zij gaan ons hier niet aan. Er zijn echter andere seksueele verschillen die volstrekt niet in verband staan met de primaire organen, en die ons meer in het bijzonder aangaan,—zooals grootere lichaamsgestalte, kracht en strijdlustigheid van het mannetje, zijn aanvallende wapenen of verdedigingsmiddelen tegen zijn mededingers, de kleuren en verschillende versierselen waarmede hij prijkt, zijn vermogen om te zingen, en andere dergelijke kenmerken.
Behalve door bovengenoemde primaire en secundaire verschillen wijken het mannetje en het wijfje soms van elkander af door inrichtingen die met een verschillende levenswijze in verband staan; en in het geheel niet, of slechts indirect, betrekking hebben op hun voortplantingshandelingen. Zoo zuigen de wijfjes der Steekmuggen en Dazen (Culicidae en Tabanidae) het bloed van andere dieren uit, terwijl de mannetjes op bloemen leven en aan hun mond geen bovenkaken bezitten. [535] Bij sommige soorten van Nachtvlinders en Schaaldieren (b.v. Tanais) hebben alleen de mannetjes onvolkomen, gesloten monden en kunnen zich niet voeden. De complementaire mannetjes van sommige Mosselkreeften (Cirrhipedia) leven gelijk woekerplanten hetzij op den vrouwelijken, of op den hermaphroditischen (tweeslachtigen) vorm, en bezitten geen mond, noch tot grijpen geschikte ledematen. In deze gevallen is het het mannetje dat gewijzigd is en zekere belangrijke organen heeft verloren, die de andere leden der zelfde groep bezitten. In andere gevallen is het het wijfje dat dergelijke deelen heeft verloren; zoo bezit bij voorbeeld het wijfje van den glimworm geen vleugels, en het zelfde is het geval met de wijfjes van vele nachtvlinders waarvan vele haar poppehulsel nooit verlaten. De wijfjes van vele parasitische Schaaldieren hebben haar zwempooten verloren. Bij sommige Snuitkevers (Curculionidae) is er tusschen het mannetje en het wijfje een groot verschil in de lengte van den snuit (rostrum) [536]; de beteekenis van deze en vele dergelijke verschillen begrijpt men echter volstrekt niet. Verschillen in maaksel tusschen de twee seksen, die betrekking hebben op een verschillende levenswijze, zijn over het algemeen tot de lagere dieren beperkt; bij eenige weinige vogels echter verschilt de snavel van het mannetje van dien van het wijfje. Ongetwijfeld staan in de meeste dezer gevallen, maar blijkbaar niet in alle, de verschillen indirect in verband met de voortplanting der soort; zoo zal een wijfje dat een menigte eieren moet voeden, meer voedsel dan het mannetje en derhalve ook bijzondere middelen noodig hebben om zich dat te verschaffen. Een mannelijk dier dat slechts zeer korten tijd leeft, zal zonder schade door onbruik zijn organen om zich voedsel te verschaffen kunnen verliezen, maar het moet zijn bewegingsorganen behouden om het wijfje te kunnen bereiken. Het wijfje kan daarentegen veilig haar organen om te vliegen, te zwemmen of te loopen verliezen, als zij langzamerhand gewoonten heeft aangenomen, die dergelijke vermogens nutteloos maken.
Wij hebben hier echter slechts te maken met die soort van teeltkeus welke ik seksueele teeltkeus heb genoemd. Deze hangt af van het voordeel dat zekere individu’s boven andere individu’s van de zelfde sekse en soort hebben, uitsluitend met betrekking tot de voortplanting. Als de beide seksen in maaksel verschillen met betrekking tot haar verschillende levenswijze, gelijk in de bovenvermelde gevallen, zijn zij ongetwijfeld door natuurlijke teeltkeus gewijzigd, vergezeld van tot ééne en de zelfde sekse beperkte erfelijkheid. Evenzoo behooren ook de primaire seksueele organen en die welke dienen om de jongen te voeden en te beschermen, tot deze zelfde afdeeling; want die individu’s welke zich het best voortplanten of hun kroost het best voeden, moeten, caeteris paribus, het grootste aantal nakomelingen nalaten om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, terwijl zij die zich slecht voortplanten of hun kroost slecht voeden, weinig nakomelingen moeten nalaten om hun zwakkere vermogens te erven. Als het mannetje het wijfje moet gaan opzoeken, heeft hij tot dit doel zintuigen en bewegingsorganen noodig; maar indien deze organen noodig zijn voor andere levensdoeleinden, zooals gewoonlijk het geval is, zullen zij door natuurlijke teeltkeus ontwikkeld zijn geworden. Als het mannetje het wijfje heeft gevonden, heeft hij somtijds volstrekt grijporganen noodig om haar vast te houden; zoo meldt mij Dr. Wallace, dat de mannetjes van sommige nachtvlinders niet met de wijfjes kunnen paren, als hun voeten (tarsi) zijn gebroken. Bij de mannetjes van vele zeeschaaldieren zijn de pooten en sprieten in buitengewone mate gewijzigd om het wijfje te kunnen vasthouden; wij mogen daarom vermoeden, dat deze dieren, daar zij door de golven van de open zee worden voortgespoeld, deze organen volstrekt noodig hebben om hun soort te kunnen voortplanten, en als dit zoo is, zal de ontwikkeling daarvan het gevolg zijn geweest van gewone of natuurlijke teeltkeus.
Sommige dieren die zeer laag op de ladder staan, zijn tot het zelfde doel gewijzigd; zoo is bij de mannetjes van zekere ingewandswormen, als zij volwassen zijn, de onderste oppervlakte van het achterste gedeelte van het lichaam ruw gelijk een rasp, en dit kronkelen zij om de wijfjes en houden ze zoo bestendig vast. [537]
Als beide seksen volkomen de zelfde levenswijze leiden en het mannetje hooger ontwikkelde zintuigen of bewegingswerktuigen heeft dan het wijfje, dan kan het zijn, dat deze in hun volkomen staat voor het mannetje onmisbaar zijn om het wijfje te vinden; maar in verreweg de meeste gevallen dienen zij alleen om aan het eene mannetje een voordeel boven het andere te geven; want de minder goed begaafde mannetjes zouden er, als er hun tijd voor werd gegeven, in slagen om met de wijfjes te paren, en zij zouden, naar het maaksel van het wijfje te oordeelen, in alle andere opzichten even goed geschikt zijn voor hun gewone levenswijze. In dergelijke gevallen moet er seksueele teeltkeus in het spel zijn gekomen; want de mannetjes hebben hun tegenwoordig maaksel verkregen, niet omdat zij beter geschikt waren om in den strijd om het bestaan te blijven leven, maar omdat zij een voordeel boven andere mannetjes hadden verworven, en dat voordeel alleen op hun mannelijke nakomelingschap hebben overgeplant. Het was de belangrijkheid van deze onderscheiding, die mij aanleiding gaf om dezen vorm van teeltkeus de Seksueele Teeltkeus te noemen. Indien de voornaamste dienst, aan het mannetje door zijn grijporganen bewezen, is om te voorkomen, dat het wijfje ontsnapt voor de aankomst van andere mannetjes, of als hij door deze wordt aangevallen, zullen deze organen evenzoo volkomener zijn gemaakt door seksueele teeltkeus, dat is door het voordeel door zekere bepaalde mannetjes over hun mededingers verkregen. In de meeste gevallen is het echter nauwelijks mogelijk de gevolgen der natuurlijke en die der seksueele teeltkeus van elkander te onderscheiden. Geheele hoofdstukken zouden gemakkelijk kunnen worden gevuld met bijzonderheden omtrent de verschillen tusschen de seksen in haar zintuigen, bewegings- en grijporganen. Daar deze deelen echter niet belangwekkender zijn dan andere, die voor de gewone doeleinden van het leven zijn ingericht, zal ik er bijna niet van spreken, en erbij elke klasse slechts eenige voorbeelden van geven.
Er zijn vele andere organen en instinkten die door seksueele teeltkeus moeten zijn ontwikkeld—zooals de aanvallende wapenen en verdedigingsmiddelen welke de mannetjes bezitten om met hun mededingers te vechten en hen weg te jagen—hun moed en strijdlustigheid—hun versierselen van velerlei soort—hun organen om vocale muziek voort te brengen—en hun riekende stoffen afscheidende klieren; want de meeste dezer laatste organen dienen om het wijfje aan te lokken of op te wekken. Dat deze kenmerken het gevolg zijn van seksueele en niet van gewone teeltkeus, is duidelijk, daar ongewapende, onversierde of niet aantrekkelijke mannetjes even voorspoedig zouden zijn in den strijd om het leven en het nalaten van een talrijk kroost, indien er geen beter begaafde mannetjes bestonden. Wij mogen besluiten, dat dit het geval zou zijn; want de wijfjes, die ongewapend en onversierd zijn, zijn in staat te blijven leven en haar soort voort te planten. Secundaire seksueele kenmerken van de zoo even vermelde soort zullen in de volgende hoofdstukken uitvoerig worden besproken, omdat zij in vele opzichten belangwekkend zijn, maar vooral ook omdat zij afhangen van den wil, de keus en de mededinging der individu’s van een der beide seksen. Als wij twee mannetjes om het bezit van het wijfje zien vechten, of verscheidene mannetjes met hun prachtig gevederte zien pronken en de vreemdste vertooningen zien uitvoeren voor een vergaderde menigte van wijfjes, kunnen wij niet twijfelen, dat zij, hoezeer door instinkt geleid, weten wat zij in hun schild voeren, en met bewustheid hun geestelijke en lichamelijke vermogens oefenen.
Op de zelfde wijs als de mensch het ras van zijn vechthanen kan verbeteren door voor de voortteling die vogels uit te kiezen, welke in de hanengevechten overwinnaars zijn, schijnt het, dat ook in de natuur de sterkste en krachtigste mannetjes, of zij die met de beste wapens waren voorzien, de bovenhand hebben behouden en aanleiding gegeven tot de verbetering van het natuurlijke ras of de soort. Door herhaalde doodelijke gevechten, zou een geringe mate van variabiliteit, als zij eenig voordeel verschafte, hoe gering dan ook, voldoende zijn voor het werk der seksueele teeltkeus; en het is zeker, dat secundaire seksueele kenmerken bij uitnemendheid variabel zijn. Op de zelfde wijze als de mensch, overeenkomstig zijn smaak, schoonheid kan geven aan zijn mannelijk pluimgedierte,—aan de Bantamhoenders een nieuw en sierlijk gevederte, een opgerichte en bijzondere houding,—schijnen in den natuurstaat de wijfjes, door gedurende langen tijd de meest aantrekkelijke mannetjes voor de voortteling uit te kiezen, de schoonheid dezer laatste te hebben verhoogd. Ongetwijfeld onderstelt dit bij het wijfje vermogens van onderscheiding en smaak, die eerst uiterst onwaarschijnlijk zullen voorkomen; maar ik hoop later aan te toonen, dat dit geenszins het geval is.
Wegens onze onwetendheid op verscheidene punten, is de juiste wijze waarop de seksueele teeltkeus werkt, tot op zekere hoogte onzeker. Indien echter de natuuronderzoekers die reeds aan de veranderlijkheid der soorten gelooven, de volgende hoofdstukken lezen, zullen zij mij, geloof ik, toegeven, dat de seksueele teeltkeus een belangrijke rol in de geschiedenis van de organische wereld heeft gespeeld. Het is zeker, dat bij bijna alle dieren de mannetjes met elkander vechten om het bezit van het wijfje. Dit feit is zoo bekend, dat het overtollig zou zijn daarvan voorbeelden te geven. Vandaar konden de wijfjes, ondersteld dat haar verstandelijke vermogens voldoende waren om een keus te doen, uit meerdere mannetjes één voor de voortteling uitkiezen. In talrijke gevallen schijnt het echter, alsof het er bijzonder op was aangelegd, dat er een strijd tusschen vele mannetjes zou zijn. Zoo komen bij de trekvogels de mannetjes over het algemeen vroeger in de streek waar zij broeden, dan de wijfjes, zoodat vele mannetjes gereed zijn om om elk wijfje te vechten. De vogelaars verzekeren, dat dit steeds het geval is met den nachtegaal en den zwartkop, zooals mij de heer Jenner Weir meldt, die deze getuigenis ten opzichte van den laatsten vogel bevestigt.
De heer Swaysland van Brighton, die gedurende de laatste veertig jaar gewoon was onze trekvogels bij hun eerste aankomst te vangen, schrijft mij, dat hem geen enkele soort bekend is, van welke de wijfjes vroeger aankomen dan de mannetjes. Gedurende ééne lente schoot hij negen-en-dertig mannetjes van Ray’s kwikstaart (Budytes Raii), voordat hij een enkel wijfje zag. De heer Gould heeft zich, naar hij mij meldt, door ontleding overtuigd, dat de mannelijke snippen vroeger in dit land aankomen, dan de vrouwelijke. In het geval van visch zijn, als de zalm onze rivieren opzwemt, de mannetjes in grooten getale voor de voortplanting gereed, vóór de wijfjes zulks zijn. Evenzoo schijnt het bij kikvorschen en padden te zijn. In de geheele groote klasse der Insekten komen de mannetjes bijna altijd vroeger uit de pop dan de wijfjes, zoodat zij over het algemeen een tijd lang rondvliegen, voordat er een enkel wijfje te zien is. [538] De oorzaak van dit verschil tusschen de mannetjes en de wijfjes in hun tijden van aankomst en rijpheid is duidelijk genoeg. Die mannetjes welke jaarlijks het eerst naar eenig land verhuisden, of in de lente het eerst voor de paring gereed waren, of het vurigst waren, moesten het talrijkste kroost nalaten en dit moest de neiging hebben om dergelijke instinkten en gestel te erven. Over het geheel kan er geen twijfel bestaan, dat er bij bijna alle dieren bij welke de seksen gescheiden zijn, tusschen de mannetjes een voortdurend terugkeerende strijd om het bezit der wijfjes plaats heeft.
Onze moeielijkheid ten opzichte der seksueele teeltkeus is, te begrijpen hoe het komt, dat de mannetjes die andere mannetjes overwinnen, of die welke het aantrekkelijkst voor de wijfjes blijken te zijn, een talrijker kroost nalaten om hun voortreffelijkheid te erven, dan de overwonnen en minder talrijke mannetjes. Wanneer dit niet het gevolg was, zouden de kenmerken die aan sommige mannetjes een voordeel over andere gaven, door de seksueele teeltkeus niet volkomener gemaakt en vermeerderd kunnen worden. Als de seksen volkomen even talrijk zijn, zullen de slechtst-begaafde mannetjes ten laatste (behalve bij dieren die veelwijvig zijn) wijfjes vinden, en evenvele nakomelingen, die even geschikt zijn voor hun algemeene levenswijze, nalaten, als de bestbegaafde mannetjes.
Uit onderscheidene feiten en overwegingen leidde ik vroeger af, dat bij de meeste dieren die goed ontwikkelde secundaire seksueele kenmerken bezitten, de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen; en dit houdt in eenige weinige gevallen steek. Indien de mannetjes tot de wijfjes stonden als twee tot één of als drie tot twee, of zelfs in een nog iets lager verhouding, zou de geheele zaak eenvoudig zijn; want de beter gewapende of meer aantrekkelijke mannetjes zouden het talrijkste kroost nalaten. Maar na, zoover zulks mogelijk is, de getalsverhouding tusschen de beide seksen te hebben onderzocht, geloof ik niet, dat er gewoonlijk eenige groote ongelijkheid in aantal bestaat. In de meeste gevallen schijnt de seksueele teeltkeus op de volgende wijze te hebben gewerkt.
Laat ons de eene of andere soort nemen, een vogel bij voorbeeld, en de wijfjes die in een landstreek wonen, in twee gelijke afdeelingen verdeelen, waarvan de eene uit de krachtiger en beter gevoede individu’s en de andere uit de minder krachtige en minder gezonde bestaat. Er kan weinig twijfel bestaan, of de eerste zullen in de lente vroeger gereed zijn om te paren dan de andere, en dit is ook de meening van den heer Jenner Weir die gedurende vele jaren de gewoonten der vogels nauwkeurig heeft nagegaan. Er kan ook geen twijfel bestaan, dat de krachtigste, gezondste en best gevoede wijfjes er in zullen slagen om gemiddeld het grootste aantal jongen voort te brengen. De mannetjes zijn, zooals wij hebben gezien, over het algemeen vroeger gereed om te paren dan de wijfjes; van de mannetjes zullen de sterkste en in sommige gevallen de best gewapende de zwakkere wegjagen, en de eerste zullen zich dus vereenigen met de sterkste en best gevoede wijfjes, daar deze het eerst voor de paring gereed zijn. Dergelijke krachtige paren zullen zeker een grooter aantal jongen voortbrengen dan de achterlijke wijfjes, die genoodzaakt zullen zijn, ondersteld dat de beide seksen even talrijk waren, om zich met de overwonnen en minder krachtige mannetjes te verbinden, en dit is al wat wordt vereischt om, in den loop van opeenvolgende generaties, de grootte, de kracht en den moed van de mannetjes te vermeerderen, of hun wapenen te verbeteren.
In een menigte gevallen komen echter de mannetjes die andere mannetjes overwinnen, niet in het bezit der wijfjes, tenzij deze laatste hen kiezen. De vrijage der dieren is in geenen deele een zoo eenvoudige en korte zaak als men wellicht zou denken. De wijfjes worden het meest opgewekt door, of paren bij voorkeur met de fraaist versierde mannetjes, of die welke de beste zangers zijn, of de schoonste vertooningen uitvoeren; het is echter blijkbaar waarschijnlijk, zooals in sommige gevallen ook werkelijk is waargenomen, dat zij tegelijkertijd aan de krachtigste en vurigste mannetjes de voorkeur zullen geven. [539] De krachtigste wijfjes, die het eerst voor de paring gereed zijn, zullen dus de keus tusschen vele mannetjes hebben; en al mogen zij niet altijd de sterkste en best gewapende kiezen, zullen zij toch die kiezen, welke sterk en goed gewapend en in andere opzichten het meest aantrekkelijk zijn. Zulke vroege paren zullen in het voortbrengen van jongen aan de vrouwelijke zijde het zelfde voordeel hebben als boven is verklaard, en aan de mannelijke zijde bijna het zelfde voordeel. En dit schijnt, gedurende een lange reeks van generaties voldoende voortgezet, voldoende te zijn geweest om niet alleen de kracht en het strijdvermogen der mannetjes, maar eveneens hun verschillende versierselen en andere aantrekkelijkheden te vermeerderen.
In het omgekeerde en veel zeldzamer geval, dat de mannetjes bijzondere wijfjes voor de voortteling uitkiezen, is het duidelijk, dat zij die het krachtigst waren en anderen hebben overwonnen, de vrijste keus zullen hebben, en het is bijna zeker, dat zij krachtige en tegelijk aantrekkelijke wijfjes zullen uitkiezen. Dergelijke paren zullen een voordeel hebben in het voortbrengen van jongen, vooral als het mannetje het vermogen bezit om het wijfje gedurende den paartijd te verdedigen, zooals bij sommige hoogere dieren geschiedt, of om haar te helpen in de zorg voor de jongen. De zelfde beginselen zouden toepasselijk zijn, indien beide seksen wederkeerig de voorkeur gaven aan zekere individu’s van de andere sekse en deze voor de voortteling uitkozen, ondersteld dat zij niet slechts de aantrekkelijkste, maar tevens de sterkste individu’s kozen.
Getalsverhouding tusschen de beide Seksen.—Ik heb opgemerkt, dat de seksueele teeltkeus een eenvoudige zaak zou zijn, als de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtroffen. Vandaar kwam ik er toe om, zoover ik kon, de verhoudingen tusschen de seksen van zoovele dieren als mogelijk was, te onderzoeken, maar de bronnen zijn beperkt. Ik zal hier slechts een kort uittreksel van den uitslag geven en de bijzonderheden als een bijvoegsel mededeelen, om den loop van mijn bewijsvoering niet af te breken. Alleen tamme dieren geven gelegenheid om zekerheid te verkrijgen omtrent de getalsverhouding bij de geboorte, maar men heeft geen aanteekeningen met dit bepaalde doel gemaakt. Langs indirecten weg heb ik echter een aanmerkelijke hoeveelheid statistieke gegevens verzameld, waaruit blijkt, dat bij de geboorte het aantal jongen van elke sekse nagenoeg gelijk is. Zoo zijn bij renpaarden 25560 geboorten gedurende een-en-twintig jaren opgeteekend, en de mannelijke geboorten stonden tot de vrouwelijke als 99.7:100. Bij windhonden is de ongelijkheid grooter dan bij eenig ander dier; want gedurende twaalf jaren stonden bij 6878 geboorten de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 110.1:100. Het is echter eenigermate twijfelachtig, of men hieruit veilig mag afleiden, dat in den natuurstaat de zelfde verhoudingsgetallen doorgaan als in den tammen staat; want kleine en onbekende verschillen in de levensvoorwaarden hebben tot op zekere hoogte invloed op de verhouding tusschen de seksen. Zoo staan bij den mensch de mannelijke geboorten in Engeland als 104.5, in Rusland als 108.9 en bij de Lijflandsche Joden als 120 tot 100 vrouwelijke. Op deze verhouding oefenen ook de wettigheid of onwettigheid der geboorten een geheimzinnigen invloed uit.
Voor ons tegenwoordig doel hebben wij te maken met de verhouding tusschen de seksen, niet bij de geboorte, maar op volwassen leeftijd, en dit doet een ander element van twijfel ontstaan; want het is een goed bewezen feit, dat bij den mensch voor of gedurende de geboorte en in de eerste dagen der kindsheid veel meer jongens dan meisjes sterven. Wij weten zeker, dat het evenzoo met mannelijke lammeren is, en wellicht is het ook zoo met de mannetjes van andere dieren. De mannetjes van sommige dieren dooden elkander in het gevecht, of drijven elkander rond, totdat zij zeer vermagerd zijn. Zij moeten ook, terwijl zij rondzwerven om vurig de wijfjes op te sporen, dikwijls aan onderscheidene gevaren blootgesteld zijn. Bij vele soorten van visschen zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, en men gelooft, dat zij dikwijls door deze laatste of door andere visschen worden verslonden. Bij sommige vogels schijnen de wijfjes in sterker verhouding te sterven dan de mannetjes; zij zijn ook blootgesteld om bij het broeden, of terwijl zij voor haar jongen zorgen, te worden omgebracht. Bij insekten zijn de vrouwelijke larven dikwijls grooter dan de mannelijke, en zullen bij gevolg meer kans hebben om te worden verslonden; in sommige gevallen zijn de wijfjes minder levendig en minder vlug in haar bewegingen dan de mannetjes, en zullen derhalve niet zoo goed in staat zijn om aan gevaar te ontsnappen. Vandaar moeten wij bij dieren in den natuurstaat, om te oordeelen over de verhouding tusschen de seksen in volwassen toestand, op bloote schatting afgaan; en dit verdient slechts weinig vertrouwen, behalve wanneer de ongelijkheid zeer aanmerkelijk is. Toch mogen wij, voor zoover wij er een oordeel over kunnen vormen, uit de als bijvoegsel medegedeelde feiten besluiten, dat bij eenige weinige Zoogdieren, bij vele Vogels en bij sommige Visschen en Insekten de mannetjes de wijfjes aanmerkelijk in aantal overtreffen.
De verhouding tusschen de seksen wisselt gedurende opeenvolgende jaren eenigszins af; zoo varieerden op elke 100 wijfjes die geboren werden, bij renpaarden de mannetjes van 107.1 in het eene jaar tot 92.6 in een ander jaar, en bij windhonden van 119.3 tot 95.3. Waren echter grooter getallen opgeteekend over een grooter oppervlakte dan Engeland, dan zouden deze afwisselingen waarschijnlijk zijn verdwenen, en zoo als zij zijn, zouden zij moeielijk voldoende wezen om in den natuurstaat tot de werking van den invloed der seksueele teeltkeus aanleiding te geven. Toch schijnen bij eenige weinige wilde dieren de verhoudingen, zooals in het bijvoegsel is aangetoond, hetzij gedurende verschillende jaargetijden of in verschillende streken in genoegzame mate af te wisselen om tot de werking daarvan aanleiding te geven. Want men moet bedenken, dat elk voordeel gedurende zekere jaren of in zekere streken behaald door die mannetjes welke in staat waren andere mannetjes te overwinnen of het aantrekkelijkst voor de wijfjes waren, waarschijnlijk op de jongen overgedragen en later niet geëlimineerd zou worden. Gedurende de volgende jaargetijden, als wegens de gelijkheid der seksen elk mannetje in staat was zich overal een wijfje te verschaffen, zouden de vroeger voortgebrachte sterkere of meer aantrekkelijke mannetjes nog een minstens even goede kans hebben om nakomelingen na te laten als de minder sterke of minder aantrekkelijke.
Veelwijverij.—De gewoonte der veelwijverij (polygamie) leidt tot de zelfde uitwerkselen die zouden volgen uit een werkelijke ongelijkheid in het aantal der seksen; want als elk mannetje zich van twee of meer wijfjes meester maakt, zullen vele mannetjes niet in staat zijn te paren, en deze laatste zullen gewis de zwakkere en minder aantrekkelijke individu’s zijn. Vele zoogdieren en eenige weinige vogels leven in veelwijverij; bij tot de lagere klassen behoorende dieren vond ik geen bewijzen van deze gewoonte. De verstandelijke vermogens van dergelijke dieren zijn wellicht niet voldoende om hen er toe te brengen een harem van wijfjes te verzamelen en te beschermen. Dat er eenige betrekking bestaat tusschen veelwijverij en de ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken, schijnt bijna zeker, en dit ondersteunt de meening, dat een overwicht in getal van de mannetjes uiterst gunstig zou zijn voor de werking der seksueele teeltkeus. Toch vertoonen vele dieren, vooral vogels, die met slechts een enkel wijfje leven, sterk uitgesproken secundaire seksueele kenmerken, terwijl eenige weinige dieren die in veelwijverij leven, dergelijke kenmerken niet bezitten.
Wij zullen eerst kortelijk de Klasse der Zoogdieren doorloopen en dan tot de Vogels overgaan. De gorilla schijnt in veelwijverij te leven, en het mannetje verschilt aanmerkelijk van het wijfje; evenzoo is het met sommige bavianen, die in kudden leven, welke tweemaal zooveel volwassen wijfjes als mannetjes bevatten. In Zuid-Amerika vertoont Mycetes Caraya goed uitgedrukte seksueele kenmerken in zijn kleur, baard en stemorganen en het mannetje leeft gewoonlijk met twee of drie wijfjes; het mannetje van Cebus capucinus verschilt een weinig van het wijfje en schijnt in veelwijverij te leven. [540] Weinig is in dit opzicht bekend omtrent de meeste andere apen; maar sommige soorten leven met slechts één wijfje (zijn monogaam). De Herkauwende Dieren zijn bij uitnemendheid in veelwijverij levende dieren en zij vertoonen veelvuldiger seksueele verschillen dan bijna eenige andere groep van zoogdieren, vooral in hun wapens, maar eveneens in andere kenmerken. De meeste soorten van herten, hoornvee en schapen leven in veelwijverij; en ook de meeste antilopen, hoewel sommige dezer laatste met slechts één wijfje leven. Sir Andrew Smith zegt, van de antilopen van Zuid-Afrika sprekende, dat er in kudden van ongeveer een dozijn zelden meer dan één volwassen mannetje was. De Aziatische Antilope Saïga schijnt van alle dieren der wereld de veelwijverij het sterkst uit te oefenen; want Pallas [541] verzekert, dat het mannetje alle mededingers verjaagt en een kudde van ongeveer een honderdtal individu’s, uit wijfjes en jongen bestaande, bijeenverzamelt: het wijfje bezit geen horens en heeft zachter haar, maar verschilt overigens niet veel van het mannetje. Het wilde paard leeft, zoowel op de Falklands-eilanden als in de Westelijke Staten van Noord-Amerika, in veelwijverij, maar, behalve door zijn aanzienlijker grootte en de verhoudingen van zijn lichaam, verschilt de hengst slechts weinig van de merrie. Het mannetje van het wilde zwijn vertoont in zijn slagtanden en sommige andere punten goed uitgedrukte seksueele kenmerken; in Europa en in Indië leidt het, behalve gedurende den paartijd, een eenzaam leven; maar gedurende dien tijd leeft het in Indië met verscheidene wijfjes, naar Sir W. Elliot, die veel ondervinding had in het waarnemen van dit dier, gelooft; of dit ook in Europa doorgaat, is twijfelachtig, maar wordt door sommige getuigenissen gesteund. De volwassen mannelijke Indische olifant brengt, evenals het wilde zwijn, een groot deel van zijn tijd in eenzaamheid door; maar als hij zich met andere vereenigt, „is het”, volgens Dr. Campbell, „zeldzaam om meer dan één mannetje bij een geheele kudde wijfjes te vinden.” De grootere mannetjes verjagen de kleinere en zwakkere. Het mannetje verschilt van het wijfje door zijn verbazende slagtanden en aanzienlijke lichaamsgrootte, kracht en taaiheid; in deze laatste opzichten is het verschil zoo groot, dat men de gevangen mannetjes twintig percent meer waard schat dan de wijfjes. [542] Bij de andere Dikhuidige Dieren verschillen de seksen zeer weinig of in het geheel niet, en zij leven, voor zoover ons bekend is, niet in veelwijverij. Ook heb ik nooit gehoord, dat eenige soort in de orden der Vledermuizen (Cheiroptera), Tandelooze Dieren (Edentata), Knaagdieren en Insekteneters (Insectivora) in veelwijverij leefde, behalve wellicht de gewone rat, van welke, naar sommige rattenvangers verzekeren, de mannetjes met verscheidene wijfjes leven. Toch verschillen de beide seksen van sommige luiaards (Edentata) in den aard en kleur van het haar van zekere vlekken op hun schouders. [543] En vele soorten van vledermuizen (Cheiroptera) vertoonen goed uitgedrukte seksueele verschillen, vooral doordat de mannetjes geur verspreidende klieren en zakken bezitten en lichter van kleur zijn. [544] In de groote orde der Knaagdieren verschillen de seksen, zoover ik kan nagaan, zelden, en als zij zulks doen, is het slechts door een eenigszins andere kleur van den pels.
De leeuw leeft in Zuid-Afrika, naar ik van Sir Andrew Smith hoor, somwijlen met een enkel wijfje, maar gewoonlijk met meer dan één, en werd in één geval met niet minder dan vijf wijfjes gevonden, zoodat hij in veelwijverij leeft. Hij is, zoover ik kan ontdekken, het eenige in veelwijverij levende dier uit de geheele groep der Landroofdieren, en tevens het eenige dat goed uitgedrukte seksueele kenmerken bezit. Indien wij ons echter tot de Zeeroofdieren wenden, is het een geheel ander geval; want vele soorten van zeehonden bieden, gelijk wij zullen zien, buitengewoon groote seksueele verschillen aan, en zijn bij uitnemendheid in veelwijverij levende dieren. Zoo bezit de mannelijke zeeolifant van den zuidelijken oceaan, volgens Péron, altijd verscheidene wijfjes, en men zegt dat de zeeleeuw van Forster altijd door twintig tot dertig wijfjes wordt omringd. In het Noorden wordt de Stellersche zeebeer zelfs door een nog grooter aantal wijfjes vergezeld.
Wat de Vogels aangaat, leven vele soorten van welke de seksen veel van elkander verschillen, gewis slechts met één wijfje. In Groot-Brittannië zien wij bij voorbeeld goed uitgedrukte seksueele kenmerken bij de wilde eend die met een enkel wijfje paart, bij de gewone merel of zwarte lijster, en bij den goudvink, die, naar men zegt, levenslang met het zelfde wijfje paart. Evenzoo is het, gelijk de heer Wallace mij mededeelt, met de Snatervogels (Cotingidae) van Zuid-Amerika en talrijke andere vogels. Bij verscheidene groepen was ik niet in staat te ontdekken, of de soorten al dan niet in veelwijverij leven. Lesson zegt, dat de paradijsvogels, die zoo opmerkelijk zijn wegens hun seksueele verschillen, in veelwijverij leven; doch de heer Wallace betwijfelt, of hij daarvoor bewijzen genoeg had. De heer Salvin meldt mij, dat hij aanleiding heeft gevonden om te gelooven, dat de kolibri’s in veelwijverij leven. Het schijnt zeker te zijn, dat de mannelijke weduwvogel, opmerkelijk wegens zijn staartvederen, in veelwijverij leeft. [545] De heer Jenner Weir en anderen hebben mij verzekerd, dat niet zelden drie spreeuwen het zelfde nest bezoeken, maar of dit een geval van veelwijverij (polygamie) of van veelmannerij (polyandrie) is, is niet uitgemaakt.
De Hoenderachtige Vogels (Gallinaceae) vertoonen bijna even sterk uitgedrukte seksueele verschillen als de paradijsvogels of kolibri’s, en vele soorten daarvan leven, zooals algemeen bekend is, in veelwijverij, terwijl andere uitsluitend met een enkel wijfje leven. Welk een verschil tusschen de seksen bij den in veelwijverij levenden pauw of fazant, en de met een enkel wijfje levende parelhoenders en patrijzen! Vele dergelijke gevallen zouden kunnen worden vermeld, gelijk in de afdeeling der Ruigpoothoenders, in welke de in veelwijverij levende groote auerhaan en korhaan zeer van de wijfjes verschillen, terwijl bij de met een enkel wijfje levende roode Schotsche boschhoenders en sneeuwhoenders de seksen slechts weinig verschillen. Onder de Loopvogels (Cursores) (1) vertoont geen groot getal soorten sterk uitgedrukte seksueele kenmerken, behalve de trapganzen, en men zegt, dat de groote trapgans (Otis tarda) in veelwijverij leeft. Bij de Steltloopers (Grallatores) verschillen de seksen bij zeer weinige soorten; maar de kemphaan (Machetes pugnax) maakt hierop een sterke uitzondering, en Montagu gelooft, dat deze soort in veelwijverij leeft. Het schijnt dus, dat er bij vogels dikwijls een nauw verband bestaat tusschen veelwijverij en de ontwikkeling van sterk uitgedrukte seksueele verschillen. Toen ik in den Londenschen Dierentuin aan den heer Burlett, die zulk een groote ondervinding omtrent vogels heeft, vroeg, of de mannelijke tragopan (een der Hoenderachtige Vogels) in veelwijverij leeft, was ik getroffen door zijn antwoord: „Ik weet het niet, maar ik denk van ja, wegens zijn prachtige kleuren.”
Het verdient opmerking, dat het instinkt om met een enkel wijfje te paren, gedurende de temming gemakkelijk wordt verloren. De wilde eend leeft uitsluitend met één wijfje, de tamme eend oefent in hooge mate de veelwijverij uit. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat van sommige half getemde wilde eenden, die men in een grooten vijver in zijn nabuurschap hield, zoovele woerden door den boschwachter werden doodgeschoten, dat er slechts één voor elke zeven of acht wijfjes overbleef; toch werden ongewoon groote broedsels van jongen voortgebracht. Het parelhoen leeft uitsluitend met één wijfje, doch de heer Fox heeft bemerkt, dat hij met zijn vogels het voorspoedigst is, als hij één haan op twee of drie hennen houdt. [546] De kanarievogels leven in den natuurstaat paarsgewijze, maar de fokkers van vogels zetten met goed gevolg één mannetje bij vier of vijf wijfjes; het eerste wijfje wordt echter, naar men den heer Fox verzekerde, alleen als wettige vrouw beschouwd, zij en haar jongen alleen worden door het mannetje gevoed, de andere worden als bijwijven behandeld. Ik heb deze gevallen opgeteekend, omdat daardoor eenigermate waarschijnlijk wordt gemaakt, dat eenwijvige soorten in den natuurstaat gemakkelijk hetzij tijdelijk of blijvend de gewoonte van veelwijverij zouden kunnen aannemen.
Wat de Reptielen en Visschen aangaat, is er te weinig van hun gewoonten bekend om ons in staat te stellen over hun huwelijkstoestanden te spreken. Men zegt echter, dat de stekelbaars (Gasterosteus) in veelwijverij leeft [547], en het mannetje verschilt gedurende den rijtijd in ’t oog loopend van het wijfje.
Laten wij thans nog eens de middelen opsommen door welke, voorzoover wij kunnen beoordeelen, de seksueele teeltkeus tot de ontwikkeling der secundaire seksueele kenmerken heeft geleid. Wij hebben aangetoond, dat het grootste aantal krachtige jongen zal worden voortgebracht door de paring van de sterkste en best gewapende mannetjes, die andere mannetjes hebben overwonnen, met de sterkste en best gevoede wijfjes, die in de lente het eerst voor de voortplanting gereed zijn. Dergelijke wijfjes zullen, als zij de aantrekkelijkste en terzelfdertijd krachtigste mannetjes uitkiezen, een grooter aantal jongen voortbrengen dan de achterlijke wijfjes, die met de minder krachtige en minder aantrekkelijke mannetjes moeten paren. Evenzoo zal het gaan, als de krachtigste wijfjes uitkiezen; en dit zal vooral doorgaan, indien het mannetje het wijfje verdedigt en haar helpt om aan de jongen voedsel te verschaffen. Het aldus door de krachtigste paren verkregen voordeel in het voortbrengen van een grooter aantal nakomelingen is waarschijnlijk voldoende geweest om de seksueele teeltkeus invloed te doen uitoefenen. Een groot overwicht in getal van de mannetjes over de wijfjes zou echter nog krachtiger hebben gewerkt; hetzij dat dit overwicht slechts toevallig en plaatselijk, of blijvend was geweest, hetzij het bij de geboorte reeds bestond, of dat het eerst later door de grootere sterfte der wijfjes intrad; of dat het eindelijk een indirect gevolg was van de gewoonte der veelwijverij.
Het Mannetje over het algemeen meer gewijzigd dan het Wijfje.—Door het geheele Dierenrijk heên is het, wanneer de seksen in uiterlijk aanzien van elkander verschillen, op weinige uitzonderingen na steeds het mannetje dat voornamelijk is gewijzigd; want het wijfje blijft meer gelijk aan de jongen van haar eigen soort en aan de andere leden van de zelfde groep. De oorzaak daarvan schijnt hierin te liggen, dat de mannetjes van bijna alle dieren sterker hartstochten hebben dan de wijfjes. Vandaar komt het, dat het de mannetjes zijn, die te zamen vechten en zich beijveren voor de wijfjes met hun bekoorlijkheden te pronken, en diegene welke overwinnaars zijn, planten hun voortreffelijkheid op hun mannelijke nakomelingen over. Waarom de mannetjes hun kenmerken niet op beide seksen overplanten, zal later worden overwogen. Dat de mannetjes van alle Zoogdieren met vurigheid de wijfjes vervolgen, is iedereen bekend. Evenzoo is het met de Vogels; maar vele mannelijke vogels vervolgen de wijfjes niet zoozeer, dan dat zij in haar tegenwoordigheid met hun gevederte pronken, vreemdsoortige vertooningen uitvoeren en hun zang aanheffen. Bij de weinige Visschen die zijn waargenomen, schijnt het mannetje veel vuriger te zijn dan het wijfje; evenzoo is het met de Alligators en waarschijnlijk ook met de Vorschen (Batrachii) gelegen. Door de geheele verbazend groote klasse der Insekten is het, gelijk Kirby opmerkt, „de wet, dat het mannetje het wijfje moet zoeken.” Bij de Spinnen en Schaaldieren zijn, naar ik van twee groote autoriteiten, de heeren Blackwall en C. Spence Bate hoor, de mannetjes bedrijviger en leiden een meer zwervende levenswijze dan de wijfjes. Als bij de Insekten en de Schaaldieren zintuigen of bewegingswerktuigen bij de eene sekse aanwezig zijn, doch bij de andere ontbreken, of als zij, zooals dikwijls het geval is, bij de eene hooger ontwikkeld zijn dan bij de andere, is het bijna altijd het mannetje, voorzoover ik kan nagaan, dat die organen heeft behouden, of ze in den meest ontwikkelden toestand bezit, en dit bewijst, dat het mannetje bij de vrijage der seksen het bedrijvigste lid is. [548]
Het wijfje daarentegen is, op zeer zeldzame uitzonderingen na, minder vurig dan het mannetje. Gelijk de beroemde Hunter [549] lang geleden opmerkte, „is het over het algemeen noodig, dat haar het hof wordt gemaakt”: zij is ingetogen en men kan dikwijls zien, hoe zij gedurende langen tijd haar best doet om aan het mannetje te ontsnappen. Iedereen die op de gewoonten van dieren heeft gelet, zal zich voorbeelden daarvan kunnen herinneren. Naar onderscheidene, later te vermelden feiten en naar de uitwerkselen die men veilig aan seksueele teeltkeus kan toeschrijven, te oordeelen, oefent het wijfje, hoewel vergelijkenderwijze lijdelijk, over het algemeen eenige keus uit, en geeft aan het eene mannetje de voorkeur boven het andere. Of wellicht geeft zij, gelijk de schijn ons dikwijls zou doen gelooven, de voorkeur niet aan het mannetje dat haar het meest aantrekt, maar aan dat hetwelk haar het minst tegenstaat. De uitoefening van eenige keus van den kant van het wijfje schijnt een bijna even algemeene wet als de vurigheid van het mannetje.
Wij komen er nu van zelf toe om te onderzoeken, waarom het mannetje in zoo vele en zoo sterk verschillende gevallen vuriger is geworden dan het wijfje, zoodat hij haar zoekt en bij de vrijage de bedrijvigste rol speelt. Er zou geen voordeel en zelfs eenig krachtverlies in zijn gelegen, als beide seksen elkander wederkeerig moesten zoeken; maar waarom moet het altijd het mannetje zijn dat zoekt? Bij planten moeten de eitjes na de bevruchting een tijd lang worden gevoed; vandaar moet het stuifmeel noodzakelijk naar de vrouwelijke organen gevoerd en door de tusschenkomst van insekten of van den wind of door de spontane bewegingen der meeldraden, en bij de Algen enz. door het bewegingsvermogen der antherozoïden op den stempel worden gebracht (2). Bij laag georganiseerde dieren die voortdurend op de zelfde plaats bevestigd blijven en gescheiden seksen bezitten, wordt steeds het mannelijk element naar het vrouwelijke gebracht, en wij kunnen de reden daarvan inzien; want de eieren kunnen, zelfs als zij vóór de bevruchting worden losgemaakt en geen latere voeding en bescherming vereischen, wegens hun betrekkelijk aanzienlijker grootte minder gemakkelijk worden verplaatst dan het mannelijk element. Vandaar komen de planten [550] en vele lagere dieren in dit opzicht overeen. Daar de mannetjes van vastzittende dieren er dus toe zijn gekomen om hun bevruchtend element uit te werpen, is het natuurlijk, dat eenige hunner nakomelingen, die hooger klommen op de ladder en het vermogen verkregen om van plaats te veranderen, de zelfde gewoonte moesten behouden en dicht tot het wijfje moesten naderen, opdat het bevruchtende element het gevaar niet zou loopen van een langen weg door het zeewater af te leggen. Bij eenige weinige der lagere dieren zijn alleen de wijfjes vastzittend en bij deze moet het mannetje haar zoeken. Wat de vormen aangaat, wier voorouders geen vastzittende dieren waren, is het moeilijk te begrijpen, waarom het altijd de mannetjes moesten zijn, die de gewoonte verkregen om naar de wijfjes toe te komen, in plaats dat deze laatste naar hen toe kwamen. In alle gevallen echter zou het, opdat de mannetjes met goed gevolg zouden zoeken, noodzakelijk zijn, dat zij met sterke hartstochten waren begiftigd; en het verkrijgen van dergelijke hartstochten moest daaruit volgen, dat de vurigste mannetjes meer nakomelingen nalieten dan de minder vurige.
De groote vurigheid van het mannetje heeft aldus indirect geleid tot de veelvuldiger ontwikkeling van secundaire seksueele kenmerken bij het mannetje dan bij het wijfje. De ontwikkeling van dergelijke kenmerken zal echter, indien het besluit te vertrouwen is, waartoe ik door het bestudeeren der tamme dieren ben gekomen, zeer zijn bevorderd, doordat het mannetje meer aanleg tot variatie heeft dan het wijfje. Von Nathusius, die zeer groote ondervinding hieromtrent had, is van de zelfde meening. [551] Ik weet, hoe moeilijk het is een dergelijk besluit te verificeeren. Eenige geringe bewijzen daarvoor kunnen echter worden verkregen door de vergelijking der beide seksen van den mensch, daar de mensch zorgvuldiger is bestudeerd dan eenig ander dier. Gedurende de Novara-expeditie [552] werd een groot aantal metingen van onderscheidene lichaamsdeelen bij verschillende rassen gedaan, en in bijna ieder geval vond men, dat de mannen een grootere verscheidenheid vertoonden dan de vrouwen; op dit onderwerp zal ik echter in een volgend hoofdstuk moeten terugkomen. De heer J. Wood [553], die zorgvuldig de variaties in het spierstelsel bij den mensch heeft nagegaan, heeft met cursieve letters zijn besluit doen drukken, dat „het grootste aantal abnormale vormen bij een enkel persoon bij de mannen wordt gevonden.” Hij had te voren opgemerkt, dat „bij elkander gerekend op een aantal van 102 personen de afwijkingen door het bezit van overtallige deelen werden bevonden de helft veelvuldiger te zijn bij mannen dan bij vrouwen, hetgeen een sterke tegenstelling vormt met het te voren beschreven veelvuldiger voorkomen van afwijkingen door het ontbreken van deelen bij vrouwen.” Prof. Macalister merkt eveneens op [554], dat variaties in het spierstelsel, „waarschijnlijk algemeener bij mannen dan bij vrouwen voorkomen.” Zekere spieren die bij den mensch in normalen toestand niet aanwezig zijn, komen ook veelvuldiger bij de mannelijke dan bij de vrouwelijke sekse tot ontwikkeling, hoewel men zegt, dat uitzonderingen op dezen regel voorkomen. Dr. Burt Wilder [555] heeft een tabel gemaakt van 152 gevallen van individu’s met overtallige vingers, van welke 86 mannen en 39, of de helft minder, vrouwen waren; van de overige 27 was de sekse niet bekend. Men zie echter niet voorbij, dat vrouwen veelvuldiger een dergelijke misvorming zullen trachten te verbergen dan mannen. Ook verzekert Prof. L. Meyer, dat de ooren van den man verschillender van vorm zijn dan die van de vrouw. [556] Eindelijk is de temperatuur bij den man meer variabel dan bij de vrouw. [557]
De oorzaak waarom de algemeene variabiliteit bij de mannelijke sekse grooter is dan bij de vrouwelijke, is onbekend, uitgezonderd in zoover als secundaire seksueele kenmerken uiterst variabel en gewoonlijk tot de mannetjes beperkt zijn; en, gelijk wij nu zullen zien, is dit feit tot op zekere hoogte begrijpelijk. Door de werking der seksueele teeltkeus zijn de mannelijke dieren in zeer vele gevallen zeer verschillend van hun wijfjes gemaakt; maar, onafhankelijk van teeltkeus, hebben de beide seksen, omdat ze constitutioneel verschillen, een neiging om op eenigszins verschillende wijze te varieeren. Het wijfje moet veel organische stof besteden tot de vorming van haar eieren, terwijl het mannetje veel kracht besteedt in de woedende gevechten met zijn medeminnaars, in het rondloopen om het wijfje te zoeken, het gebruiken van zijn stem, het afscheiden van welriekende stoffen enz.; en dit verbruik heeft over het algemeen geheel en al plaats gedurende een korten tijd van het jaar. De grootere kracht van het mannetje gedurende het jaargetijde der liefde schijnt dikwijls zijn kleuren levendiger te maken, onafhankelijk van eenig verschil van beteekenis met het wijfje. [558] Bij den mensch, en zelfs bij dieren die zoo laag op de ladder staan als de Schubvleugelige Insekten (Lepidoptera), is de temperatuur van het mannetje hooger dan die van het wijfje, hetgeen in het geval van den mensch gepaard gaat met een langzamer pols. [559] Over het geheel is het gebruik van stof en kracht door de beide seksen waarschijnlijk ongeveer gelijk, hoewel het geschiedt op zeer verschillende wijzen.
Wegens bovengenoemde oorzaken kan het moeilijk anders, of de beide seksen moeten een weinig in gestel (constitutie) verschillen, ten minste gedurende den paartijd; en, hoewel zij aan volkomen de zelfde levensvoorwaarden mogen zijn onderworpen, zullen zij een neiging hebben op verschillende wijze te varieeren. Indien dergelijke variaties voor geen van beide seksen nuttig zijn, zullen zij niet worden opeengehoopt of vermeerderd door seksueele of natuurlijke teeltkeus. Desniettemin kunnen zij blijvend worden, indien de oorzaak waarvan zij het gevolg zijn, bestendig blijft werken; en in overeenstemming met een veelvuldig voorkomenden vorm van erfelijkheid kunnen zij worden overgeërfd alleen door die sekse bij welke zij het eerst zijn verschenen. In dit geval zullen de seksen bestendige, maar toch onbelangrijke verschillen in hun kenmerken gaan vertoonen. De heer Allen toont bij voorbeeld aan, dat bij een groot aantal vogels die de noordelijke en zuidelijke Vereenigde Staten bewonen, de voorwerpen uit het Zuiden donkerder gekleurd zijn dan die uit het Noorden; en dit schijnt een rechtstreeksch gevolg te zijn van het verschil in temperatuur, licht enz., tusschen die beide streken. Nu schijnen in eenige weinige gevallen de beide seksen van een zelfde soort verschillend te zijn aangedaan, bij Ageloeus phoeniceus zijn bij de mannetjes de kleuren in het Zuiden veel sterker geworden; terwijl bij Cardinalis virginianus zulks juist bij de wijfjes heeft plaats gehad; bij Quiscalus major zijn de wijfjes uiterst variabel van tint geworden, terwijl de mannetjes nagenoeg eenvormig bleven. [560]
Bij onderscheidene Klassen van dieren komen eenige weinige exceptioneele gevallen voor, waarin niet het mannetje, maar het wijfje goed uitgedrukte secundaire seksueele kenmerken, zooals levendiger kleuren, grooter gestalte, sterkte of strijdlustigheid, bezit. Bij vogels heeft er, zooals wij later zullen zien, dikwijls een volkomen omkeering in de gewoonlijk aan elke sekse eigen kenmerken plaats gehad, daar de wijfjes het vurigst bij de vrijage zijn geworden en de mannetjes daarbij vergelijkenderwijze lijdelijk blijven, doch blijkbaar, voor zoover wij zulks uit de uitwerkselen mogen afleiden, de aantrekkelijkste wijfjes hebben uitgezocht. Zekere vrouwelijke vogels hebben op die wijze fraaier kleuren en andere versierselen gekregen, zijn sterker en strijdlustiger dan het mannetje geworden, terwijl deze kenmerken alleen op de vrouwelijke nakomelingen worden overgeplant.
Men zou kunnen onderstellen, dat in sommige gevallen een dubbel proces van teeltkeus heeft plaats gehad, daar de mannetjes de aantrekkelijkste wijfjes, en deze laatste de aantrekkelijkste mannetjes uitkozen. Hoewel dit proces zou kunnen leiden tot wijziging van beide seksen, zou het de eene sekse niet verschillend maken van de andere, wanneer hun schoonheidsgevoel ten minste niet verschilde, maar deze onderstelling is te onwaarschijnlijk in het geval van eenig dier, uitgezonderd den mensch, om overweging te verdienen. Er zijn echter vele dieren bij welke de seksen op elkander gelijken en beide met de zelfde versierselen zijn voorzien, welke de analogie ons zou doen besluiten om aan de werking der seksueele teeltkeus toe te schrijven. In dergelijke gevallen zou het een zeer aannemelijke onderstelling schijnen, dat er een dubbel of wederkeerig proces van seksueele teeltkeus heeft plaats gehad, de sterkste en vroegst ontwikkelde wijfjes de aantrekkelijkste en krachtigste mannetjes hebben uitgekozen, en deze laatste alle wijfjes behalve de aantrekkelijkste hebben versmaad. Bij al wat wij van de gewoonten der dieren weten, is deze onderstelling echter niet zeer waarschijnlijk, daar het mannetje over het algemeen vurig met elk wijfje verlangt te paren. Het is waarschijnlijker, dat de aan beide seksen gemeen zijnde versierselen door ééne sekse, over het algemeen het mannetje, werden verkregen, en daarna op beide seksen werden overgeplant. Indien nochtans gedurende een lang tijdperk de mannetjes van de eene of andere soort de wijfjes sterk in aantal hadden overtroffen, en daarna gedurende een ander lang tijdperk onder verschillende omstandigheden het omgekeerde was geschied, zou er gemakkelijk een dubbel, maar niet gelijktijdig proces van seksueele teeltkeus plaats kunnen hebben gehad, waardoor de beide seksen zeer verschillend zouden kunnen zijn gemaakt.
Wij zullen later zien, dat er vele dieren bestaan, bij welke geen van beide seksen prachtig gekleurd of van bijzondere versierselen is voorzien, en toch de leden van beide seksen, of van een enkele sekse waarschijnlijk door seksueele teeltkeus zijn gewijzigd. De afwezigheid van levendige kleuren of andere versierselen kan het gevolg daarvan zijn, dat zich nooit afwijkingen van de goede soort hebben voorgedaan, of dat de dieren zelf de voorkeur geven aan eenvoudige kleuren, zooals effen zwart of wit. Donkere kleuren zijn dikwijls door natuurlijke teeltkeus ter wille van de bescherming verkregen, en het verkrijgen van levendige kleuren door seksueele teeltkeus kan door het daardoor geloopen gevaar zijn tegengehouden. In andere gevallen hebben de mannetjes waarschijnlijk gedurende lange eeuwen met elkander gestreden, door ruwe kracht of door het pronken met hun bekoorlijkheden of door beide middelen tegelijk, en toch zal er geen uitwerking zijn voortgebracht, tenzij door de voorspoedigste mannetjes een grooter nakomelingschap werd nagelaten om hun meerdere voortreffelijkheid te erven, dan door de minder voorspoedige mannetjes, en dit hangt, gelijk vroeger is aangetoond, van verschillende ingewikkelde omstandigheden af.
De seksueele teeltkeus werkt op minder strenge wijs dan de natuurlijke. Deze laatste brengt haar uitwerkselen voort door het leven of den dood op alle leeftijden van de meerder of minder voorspoedige individu’s. Nochtans is niet zelden de dood het gevolg van de gevechten tusschen mededingende mannetjes. Over het algemeen echter slaagt het minder voorspoedige mannetje er alleen niet in om een wijfje te verkrijgen, of verkrijgt eerst later in het jaargetijde een achterlijk en minder sterk wijfje, of, als hij in veelwijverij leeft, verkrijgt hij minder wijfjes, zoodat hij minder of zwakker of in het geheel geen nakomelingen achterlaat. Wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die door gewone of natuurlijke teeltkeus zijn verkregen, is er in de meeste gevallen, zoolang de levensvoorwaarden de zelfde blijven, een grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging met betrekking tot het eene of andere doel; maar wat bijzonderheden van maaksel aangaat, die geschikt zijn om het eene mannetje overwinnaar van het andere te maken, hetzij in het gevecht of in het bekoren van het wijfje, is er geen bepaalde grens voor de hoegrootheid der voordeelige wijziging, zoodat, zoolang zich geschikte variaties voordoen, de seksueele teeltkeus zal voortgaan te werken. Deze omstandigheid kan wellicht gedeeltelijk rekenschap geven van de veelvuldige en buitengewoon groote variabiliteit der secundaire seksueele kenmerken. Toch zal de natuurlijke teeltkeus veroorzaken, dat de overwinnende mannetjes geen dergelijke kenmerken kunnen verkrijgen, die voor hen in eenigszins groote mate nadeelig zouden zijn, hetzij omdat zij hun levenskrachten te veel uitputten, of hen aan het eene of andere groote gevaar blootstellen. De ontwikkeling van zekere deelen—bij voorbeeld van de horens van sommige soorten van herten—is echter tot een verwonderlijk uiterste gedreven; en in sommige gevallen tot een uiterste dat, voor zoover de algemeene levensvoorwaarden aangaat, eenigszins nadeelig voor het mannetje moet zijn. Wij leeren hieruit, dat de voordeelen die begunstigde mannetjes hebben verkregen door andere mannetjes in het gevecht of in de vrijage te overwinnen, op den langen duur grooter zijn geweest, dan die welke voortvloeiden uit iets betere geschiktheid voor de uitwendige levensvoorwaarden. Wij zullen later zien, en dit zou men nimmer vooruit hebben kunnen vermoeden, dat het vermogen om het wijfje te bekoren in eenige weinige gevallen belangrijker is geweest dan dat om andere mannetjes in het gevecht te overwinnen.
WETTEN DER ERFELIJKHEID.
Om te begrijpen hoe de seksueele teeltkeus gewerkt en in den loop der eeuwen in het oog loopende uitwerkselen op vele dieren van vele klassen heeft gehad, is het noodzakelijk, dat men zich steeds de wetten der erfelijkheid, voor zoover die bekend zijn, herinnert. Onder de uitdrukking „erfelijkheid” worden hier twee elementen omvat, namelijk de overplanting en de ontwikkeling van kenmerken, maar daar deze gewoonlijk te zamen gaan, wordt het onderscheid er tusschen dikwijls over het hoofd gezien. Wij zien dat onderscheid bij die kenmerken welke door de vroegste levensjaren heên worden overgeplant, maar zich slechts ontwikkelen op volwassen leeftijd of gedurende den ouderdom. Wij zien het zelfde onderscheid duidelijker bij secundaire seksueele kenmerken; want deze worden door beide seksen heên overgeplant, hoewel zij slechts bij de eene zijn ontwikkeld. Dat zij bij beide seksen aanwezig zijn, blijkt, wanneer twee soorten die sterk uitgesproken seksueele kenmerken bezitten, worden gekruist; want elk plant de kenmerken van zijn eigen mannetje en wijfje over op het bastaardkroost van de zelfde sekse. Het zelfde feit is eveneens duidelijk als kenmerken die aan het mannetje eigen zijn, nu en dan bij het wijfje tot ontwikkeling komen, wanneer dit oud of ziek wordt. Evenzoo komen nu en dan kenmerken voor, alsof zij van het mannetje op het wijfje overgeplant waren, zooals bij voorbeeld bij sommige hoenderrassen, bij welke geregeld sporen bij de jonge en gezonde wijfjes voorkomen; maar in waarheid zijn zij dan eenvoudig bij het wijfje tot ontwikkeling gekomen; want bij elk ras wordt elke bijzonderheid in het maaksel van de spoor door het wijfje op haar mannelijke nakomelingen overgeplant. In alle gevallen van atavisme worden kenmerken overgeplant door twee, drie of vele generaties heên en komen daarna onder zekere onbekende gunstige omstandigheden tot ontwikkeling. Dit belangrijk onderscheid tusschen overplanting en ontwikkeling zal het gemakkelijkst worden onthouden met behulp van de hypothese der pangenesis, hetzij die al of niet als waar wordt aangenomen. Volgens deze hypothese werpt elke eenheid of cel van het lichaam kiemen of onontwikkelde atomen af, die op de nakomelingen van beide seksen worden overgeplant en zich door zelfverdeeling vermenigvuldigen. Zij kunnen gedurende de vroegste levensjaren of gedurende opeenvolgende generaties onontwikkeld blijven, daar hun ontwikkeling tot eenheden of cellen, gelijk aan die waaruit zij ontstonden, afhangt van hun verwantschap tot, en vereeniging met andere eenheden of cellen, die zich te voren in de behoorlijke orde van groei hebben ontwikkeld.
Overerving op overeenkomstige Levenstijdperken.—De neiging hiertoe is goed bewezen. Als een nieuw kenmerk bij een dier verschijnt terwijl het jong is, zal het, hetzij het levenslang blijft voortbestaan of slechts een tijd lang in stand blijft, als algemeene regel op den zelfden leeftijd en op de zelfde wijze bij de nakomelingen van het dier opnieuw verschijnen. Indien daarentegen een nieuw kenmerk op volwassen leeftijd of zelfs gedurende den ouderdom verschijnt, zal het bij de nakomelingen op den zelfden gevorderden leeftijd opnieuw verschijnen. Wanneer afwijkingen van dezen regel voorkomen, zullen de overgeplante kenmerken veel veelvuldiger verschijnen vóór, dan na den overeenkomstigen leeftijd. Daar ik dit onderwerp in een ander werk [561] uitvoerig genoeg heb besproken, zal ik hier slechts een of twee voorbeelden geven, om de zaak in het geheugen van den lezer terug te roepen. Bij verscheidene Hoenderrassen verschillen de kuikens terwijl zij nog met dons zijn bedekt, de jonge vogels in hun eerste ware gevederte en in het gevederte dat zij op volwassen leeftijd bezitten, zeer sterk van elkander en ook van hun gemeenschappelijken stamvorm, den Gallus bankiva; en deze kenmerken worden door elk ras getrouw op hun nakomelingen in het overeenkomstige levenstijdperk overgeplant. De kuikens van de Hamburger Pellen hebben, bij voorbeeld, terwijl zij nog met dons zijn bedekt, eenige weinige donkere vlekken op kop en romp, maar zijn niet overlangs gestreept, zooals vele andere rassen; in hun eerste ware gevederte „zijn zij fraai gepenseeld”, dat is, elke veder is geteekend met talrijke donkere dwarsstrepen; in hun tweede gevederte echter vertoonen alle vederen aan de punt een ronde donkere vlek. [562] Er hebben zich bij dit ras op drie verschillende leeftijden variaties voorgedaan en zijn op die zelfde leeftijden overgeplant. De Duif biedt een merkwaardiger geval aan, daar de oorspronkelijke stamsoort bij het klimmen harer jaren volstrekt geen verandering in haar gevederte ondergaat, behalve dat op volwassen leeftijd de borst meer iriseerend wordt, en er toch rassen zijn, die hun kenmerkende kleuren niet verkrijgen, voor zij twee-, drie- of viermaai hebben geruid; en deze wijzigingen van het gevederte worden geregeld overgeplant.
Overerving op overeenkomstige Tijden van het Jaar.—Bij dieren in den natuurstaat komen tallooze voorbeelden voor van kenmerken die periodiek op verschillende tijden van het jaar verschijnen. Wij zien dit aan de horens van het hert en aan den pels der pooldieren, die gedurende den winter dik en wit wordt. Talrijke vogels krijgen alleen gedurende den paartijd levendige kleuren en andere versierselen. Ik kan op dezen vorm van erfelijkheid slechts weinig licht werpen door bij tamme dieren waargenomen feiten. Pallas [563] vermeldt, dat in Siberië het hoornvee en de paarden gedurende den winter periodiek lichter worden gekleurd en ik heb een dergelijke merkbare kleurverandering waargenomen bij zekere hitten in Engeland. Hoewel ik niet weet of deze neiging om gedurende verschillende tijden van het jaar een verschillende kleur van haar aan te nemen, erfelijk is, is dit toch waarschijnlijk; want alle verschillen van kleur zijn bij het paard in hooge mate erfelijk. Deze vorm van overerving, die tot één jaargetijde is beperkt, is daarenboven niet merkwaardiger dan overerving die tot een zekeren leeftijd of sekse is beperkt.
Beperking der Overerving door de Sekse.—De gelijke overplanting van kenmerken op beide seksen is de meest gewone vorm van erfelijkheid, ten minste bij die dieren welke geen sterk uitgedrukte seksueele verschillen vertoonen, en inderdaad ook bij vele andere. Niet zelden echter worden kenmerken uitsluitend overgebracht op die sekse bij welke zij het eerst ontstonden. Tal van bewijzen hiervoor zijn opgesomd in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”; ik wil er hier echter eenige weinige voorbeelden van geven. Er zijn rassen van schapen of geiten, bij welke de horens van het mannetje in gedaante sterk afwijken van die van het wijfje; en deze gedurende de temming verkregen verschillen worden geregeld op de zelfde sekse overgeplant. Bij driekleurige katten zijn, als algemeene regel, slechts de wijfjes aldus gekleurd, terwijl de katers roestbruin zijn. Bij de meeste hoenderrassen worden de aan elke sekse eigen kenmerken alleen op die zelfde sekse overgeplant. Zoo algemeen is deze vorm van overplanting, dat het een anomalie is, wanneer wij bij sommige rassen afwijkingen gelijkelijk op beide seksen zien overgaan. Er zijn ook zekere onder-rassen van hoenders, bij welke de mannetjes nauwelijks van elkander kunnen worden onderscheiden, terwijl de wijfjes aanmerkelijk in kleur verschillen. Bij de duif verschillen de seksen van de stamsoort in geen enkel uitwendig kenmerk; desniettemin is bij sommige tamme rassen het mannetje anders gekleurd dan het wijfje. [564] De wrattige huid van den Engelschen Carrier en de krop van den kropper zijn bij het mannetje hooger ontwikkeld dan bij het wijfje, en hoewel deze kenmerken door lang voortgezette teeltkeus van den mensch zijn verkregen, is het verschil tusschen de seksen geheel te danken aan den vorm van erfelijkheid, die de overhand heeft behouden; want het is ontstaan, niet volgens, maar eer in tegenspraak met de begeerte van den fokker.
De meeste onzer tamme rassen zijn gevormd door de opeenhooping van vele kleine variaties; en daar sommige achtereenvolgende wijzigingen alleen op ééne sekse zijn overgeplant en andere op beide seksen, vinden wij onder verschillende rassen van een zelfde soort alle overgangen tusschen groote seksueele ongelijkheid en volkomen gelijkheid. Hiervan zijn reeds voorbeelden gegeven bij de rassen van hoenders en duiven, en in den natuurstaat komen overeenkomstige gevallen dikwijls voor. Bij tamme dieren (maar, of dit ook in den natuurstaat wel plaats grijpt, durf ik niet zeggen) kan de eene sekse de haar eigen kenmerken verliezen en daardoor tot op zekere hoogte op de andere sekse gaan gelijken; zoo hebben, bij voorbeeld, de mannetjes van sommige hoenderrassen hun hanenvederen en kammen verloren. Omgekeerd kunnen ook de verschillen tusschen de seksen in tammen staat worden vermeerderd, zooals bij het merino-schaap, bij hetwelk de ooien haar horens hebben verloren. Verder kunnen kenmerken die aan de eene sekse eigen zijn, plotseling bij de andere verschijnen, gelijk bij die onder-rassen van hoenders, bij welke de hennen, terwijl ze jong zijn, sporen verkrijgen, of zooals bij sommige onder-rassen van Kuifhoenders, bij welke de wijfjes, gelijk er reden is om te gelooven, oorspronkelijk een kam verkregen en dien daarna op de mannetjes overbrachten. Al deze gevallen kunnen worden begrepen door de hypothese der pangenesis; want zij zijn daarvan afhankelijk, dat de kiemen van zekere eenheden (cellen) van het lichaam door den invloed der temming bij de eene sekse slapend (latent) worden; of, wanneer zij gewoonlijk slapend (latent) zijn, tot ontwikkeling komen.
Er is ééne moeielijke vraag die het gepast zal zijn tot een volgend hoofdstuk uit te stellen; namelijk, of een kenmerk dat eerst bij beide seksen was ontwikkeld, door teeltkeus in zijn ontwikkeling alleen tot ééne sekse kan worden beperkt. Indien bij voorbeeld een duivenfokker opmerkte, dat sommige van zijn duiven (bij welke soort de kenmerken gewoonlijk in gelijke mate op beide seksen worden overgeplant) door een bleekblauwe kleur van de overige afweken, zou hij dan door lang voortgezette teeltkeus een ras kunnen vormen, bij hetwelk alleen de mannetjes die kleur vertoonden, terwijl de wijfjes onveranderd bleven? Ik zal hier alleen zeggen, dat dit, hoewel misschien niet onmogelijk, uiterst moeielijk zou zijn; want het natuurlijk gevolg van het fokken uit bleekblauwe mannetjes zou wezen om den geheelen stam, de eene sekse zoowel als de andere, die kleur te doen verkrijgen. Als zich echter variaties vertoonden, die de vereischte kleur bezaten, en deze van den beginne af in haar ontwikkeling tot de mannelijke sekse waren beperkt, zou het in het minst niet moeielijk zijn om een ras te vormen, dat door de verschillende kleur der beide seksen was gekenmerkt, zooals inderdaad is geschied met een Belgisch ras, bij hetwelk alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen. Op dergelijke wijze zou het, indien zich de eene of andere variatie voordeed in een vrouwelijke duif, die van den beginne af in haar ontwikkeling tot die sekse was beperkt, gemakkelijk zijn om een ras te vormen, bij hetwelk alleen de wijfjes dat kenmerk vertoonden; maar als de variatie oorspronkelijk niet op die wijze was beperkt, zou zulks een zeer moeielijk, wellicht onmogelijk werk zijn. [565]
Over de Betrekking tusschen het tijdperk van Ontwikkeling van een Kenmerk en de overplanting daarvan op ééne sekse of op beide seksen.—Waarom zekere kenmerken door beide seksen en andere kenmerken slechts door ééne sekse worden overgeërfd, namelijk door die sekse bij welke het kenmerk het eerst verscheen, is in de meeste gevallen volkomen onbekend. Wij kunnen zelfs niet gissen, waarom bij zekere onder-rassen van duiven zwarte strepen, hoewel zij door het wijfje heên worden overgeplant, alleen bij het mannetje tot ontwikkeling komen, terwijl elk ander kenmerk in gelijke mate op beide seksen wordt overgebracht. Evenmin, waarom bij katten de driekleurigheid, op zeldzame uitzonderingen na, alleen bij het wijfje tot ontwikkeling komt. Geheel de zelfde kenmerken, zooals ontbrekende of overtallige vingers, kleurenblindheid enz., kunnen bij den mensch in de eene familie alleen door de mannen, en in de andere familie alleen door de vrouwen worden overgeërfd, hoewel zij in beide gevallen even goed door de tegenovergestelde als door de zelfde sekse op haar nakomelingen worden overgebracht. [566] Hoewel wij derhalve onwetend zijn, gaan twee regels door, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen eerst op een laat levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om alleen bij die zelfde sekse tot ontwikkeling te komen, terwijl variaties die reeds vroeg in het leven bij ééne der beide seksen voor het eerst verschijnen, een neiging bezitten om bij beide seksen tot ontwikkeling te komen. Ik ben echter ver van te onderstellen, dat dit de eenige bepalende oorzaak is. Daar ik elders dit onderwerp nog niet heb besproken, en het een belangrijke beteekenis heeft voor de seksueele teeltkeus, moet ik hier in tamelijk uitvoerige en eenigszins ingewikkelde bijzonderheden treden.
Het is op zich zelf waarschijnlijk, dat een op vroegen leeftijd verschijnend kenmerk een neiging moet hebben om door beide seksen gelijkelijk te worden overgeërfd; want de seksen verschillen niet veel in gestel, voordat zij het vermogen om zich voort te planten hebben verkregen. Aan den anderen kant zullen, nadat dit vermogen is verkregen, en de seksen er toe zijn gekomen om in gestel te verschillen, de kiemen (als ik nogmaals de taal der pangenesis mag spreken) die door elk afwijkend deel bij de eene sekse worden afgeworpen, wel veel meer de geschikte verwantschappen bezitten om zich met de weefsels der zelfde sekse te vereenigen en zoo tot ontwikkeling te komen, dan om zich met die van de tegenovergestelde sekse te vereenigen.
Ik werd er het eerst toe gebracht om te vermoeden, dat er een betrekking van dezen aard bestaat, door het feit, dat wanneer ook en op welke wijze ook het volwassen mannetje er toe is gekomen om van het volwassen wijfje te verschillen, het op de zelfde wijze van de jongen van beide seksen verschilt. De algemeenheid van dit feit is zeer opmerkelijk; het gaat door bij alle Zoogdieren, Vogels, Amphibieën en Visschen, ook bij vele Schaaldieren (Crustacea), Spinnen en bij eenige weinige Insekten, namelijk bij sommige Rechtvleugeligen (Orthophtera) en Waternimfen (Libellulae). In al deze gevallen moeten de variaties, door de opeenhooping waarvan het mannetje de hem eigen mannelijke kenmerken heeft verkregen, zich hebben vertoond in een eenigszins laat levenstijdperk; anders zouden de jonge mannetjes gelijksoortige kenmerken hebben verkregen; en overeenkomstig onzen regel worden zij alleen overgeplant op en ontwikkeld bij de volkomen mannetjes. Als daarentegen het volwassen mannetje veel op de jongen van beide seksen gelijkt (deze laatste komen op zeldzame uitzonderingen na met elkander overeen), gelijkt het over het algemeen ook op het volwassen wijfje; en in de meeste van deze gevallen ontstonden de variaties door welke de jongen en ouden hun tegenwoordige kenmerken verkregen, waarschijnlijk overeenkomstig onzen regel gedurende de jeugd. Er bestaat hier echter reden van twijfel, daar somtijds kenmerken op de jongen worden overgeplant op vroegeren leeftijd dan dien waarop zij zich het eerst bij de ouders vertoonden, zoodat de ouders wellicht zijn afgeweken toen zij volwassen waren, en hun kenmerken op hun kroost hebben overgeplant toen dat nog jong was. Er zijn daarenboven vele dieren bij welke de twee seksen sterk op elkander gelijken en beide toch van de jongen verschillen; hier moeten de kenmerken der volwassenen op lateren leeftijd zijn verkregen, en toch worden deze kenmerken, schijnbaar in tegenspraak met onzen regel, op beide seksen overgeplant. Wij moeten echter de mogelijkheid of zelfs de waarschijnlijkheid niet voorbijzien, dat opeenvolgende variaties van den zelfden aard bij blootstelling aan gelijksoortige voorwaarden zich bij beide seksen tegelijkertijd vertoonden in een vrij laat levenstijdperk; en in dit geval zouden de variaties op de jongen van beiderlei seksen worden overgeplant in een overeenkomstig laat levenstijdperk, en zou er geen wezenlijke tegenspraak bestaan met onzen regel, dat variaties die zich in een laat levenstijdperk vertoonen, uitsluitend worden overgeplant op de sekse bij welke zij het eerst verschenen. Deze laatste regel schijnt meer algemeen door te gaan dan de tweede regel, namelijk dat variaties die zich bij ééne der beide seksen in een vroeg levenstijdperk vertoonen, een neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant. Daar het klaarblijkelijk onmogelijk was, zelfs bij schatting te bepalen, in hoe groot een aantal gevallen deze beide regels door het geheele dierenrijk heên doorgaan, kwam het mij in den zin eenige treffende of beslissende voorbeelden te onderzoeken, en mij op den uitslag te verlaten.
Een uitnemend geval voor het onderzoek wordt opgeleverd door de familie der Herten. Bij alle soorten, ééne enkele uitgezonderd, zijn de horens alleen bij het mannetje ontwikkeld, hoewel zeker door het wijfje heên overgeplant, en vatbaar om nu en dan abnormaal bij haar te worden ontwikkeld. Bij het rendier daarentegen is het wijfje van horens voorzien, zoodat bij deze soort volgens onzen regel de horens vroeg in het leven behooren te verschijnen, lang voor de seksen volwassen geworden en er toe gekomen zijn om veel in gestel van elkander te verschillen. Bij alle andere soorten van herten behooren de horens in een laat levenstijdperk te verschijnen, hetgeen er toe leidt, dat zij alleen tot ontwikkeling komen bij die sekse bij welke zij onder de voorouders der geheele familie het eerst verschenen. Bij zeven soorten nu, tot verschillende afdeelingen van de familie behoorende en verschillende landen bewonende, vind ik, dat de horens het eerst verschijnen op tijdperken, afwisselende van negen maanden na de geboorte bij den reebok tot tien of twaalf of zelfs meer maanden bij de herten van de zes andere grootere soorten. [567] Bij het rendier echter is het een geheel ander geval; want, naar ik van Prof. Nilsson hoor, die zoo vriendelijk was voor mij een bijzonder onderzoek in Lapland in te stellen, verschijnen de horens bij de jonge dieren binnen vier of vijf weken na de geboorte en tegelijkertijd bij beide seksen. Wij hebben hier dus een deel, dat bij een enkele soort der familie op een buitengewoon vroegen leeftijd tot ontwikkeling komt, en ook alleen bij die ééne soort aan beide seksen gemeen is.
Bij verscheidene soorten van Antilopen zijn alleen de mannetjes van horens voorzien, terwijl bij de meeste beide seksen horens hebben. Ten opzichte van het tijdperk van ontwikkeling meldt mij de heer Blyth, dat er in den Londenschen dierentuin tegelijkertijd een jonge koedoe (Antilope strepsiceros), bij welke soort alleen de mannetjes gehorend zijn, en de jongen van een verwante soort leefden, namelijk van de eland-antilope (Ant. oreas), bij welke beide seksen gehorend zijn. In volkomen overeenstemming met onzen regel nu, waren bij den jongen mannelijken koedoe, hoewel hij reeds tien maanden oud was, de horens opmerkelijk klein, in vergelijking met de grootte die zij ten laatste bereiken; terwijl bij den jongen mannelijken eland, hoewel nog slechts drie maanden oud, de horens reeds veel grooter dan bij den koedoe waren. Het is ook opmerkenswaardig, dat bij de antilope met gevorkte horens [568], bij welke soort de horens, hoewel bij beide seksen aanwezig, bij het wijfje bijna rudimentair zijn, zij niet verschijnen voor vijf of zes maanden na de geboorte. Bij de schapen, de geiten en het hoornvee, waarbij de horens, bij beide seksen goed ontwikkeld, hoewel niet volkomen even groot zijn, kan men ze bij de geboorte of spoedig daarna voelen of zelfs zien. [569] Onze regel gaat echter mank bij sommige onder-rassen van schapen, b.v. merino’s, bij welke alleen de mannetjes gehorend zijn; want na onderzoek [570] kan ik niet bevinden, dat de horens bij dit ras in een later tijdperk van het leven tot ontwikkeling komen dan bij gewone schapen, bij welke beide seksen gehorend zijn. Bij het tamme schaap is echter de aanwezigheid of afwezigheid van horens geen zeer standvastig kenmerk, daar een zeker aantal ooien van merino-schapen kleine horens dragen en enkele rammen ongehorend zijn, terwijl bij gewone schapen nu en dan ongehorende ooien worden voortgebracht. (3)
Dr. W. Marshall heeft voor eenige jaren een bijzondere studie gemaakt van de uitwassen die op de koppen van vogels zoo algemeen zijn [571], en hij komt tot het volgende besluit: bij die soorten waarbij zij tot de mannetjes beperkt zijn, komen zij laat in het leven tot ontwikkeling, terwijl zij bij die soorten bij welke zij aan beide seksen gemeen zijn, op zeer jeugdigen leeftijd tot ontwikkeling komen. Dit is zeker een treffende bevestiging van mijn beide wetten der erfelijkheid.
Bij de meeste soorten van de prachtige familie der Fazanten verschillen de mannetjes in het oog vallend van de wijfjes en verkrijgen zij hun versierselen in een vrij laat tijdperk van het leven. De geoorde fazant (Crossoptilon auritum) maakt hierop echter een merkwaardige uitzondering, want beide seksen bezitten de schoone staartvederen, de groote vederbossen op de ooren en het fluweelachtige karmozijn op den kop; en ik bevind na onderzoek in den Londenschen dierentuin, dat al deze kenmerken zich, overeenkomstig onzen regel, zeer vroeg in het leven vertoonen. Het volwassen mannetje kan echter door één kenmerk van het volwassen wijfje worden onderscheiden, namelijk door de aanwezigheid van sporen en overeenkomstig onzen regel beginnen deze zich, naar de heer Bartlett mij mededeelt, niet te ontwikkelen voor den leeftijd van zes maanden, en zelfs op dien leeftijd kan men te dien opzichte nauwelijks onderscheid tusschen de beide seksen zien. [572] De pauw en de pauwin verschillen in het oog loopend van elkander in bijna elk deel van hun gevederte, behalve in de sierlijke kuif, die aan beide seksen gemeen is; en deze ontwikkelt zich op zeer jongen leeftijd, lang voor de andere versierselen, die tot het mannetje zijn beperkt. De wilde eend levert een overeenkomstig geval op; want de fraaie, groene spiegelvlek op de vleugels is aan beide seksen gemeen, hoewel zij bij het wijfje doffer en iets kleiner is, en zij ontwikkelt zich op jongen leeftijd, terwijl de gekrulde staartvederen en andere blonder aan het mannetje eigen versierselen zich later ontwikkelen. [573] Men zou vele gevallen kunnen opnoemen, die tusschen de beide uitersten van groote overeenkomst en sterke ongelijkheid van de seksen, zooals die van den geoorden fazant en den pauw, inliggen, en in welke de kenmerken in de orde van hun ontwikkeling onze beide regels volgen.
Daar de meeste Insekten in volwassen toestand uit de pop te voorschijn komen, is het twijfelachtig of het tijdperk van ontwikkeling de overplanting hunner kenmerken op ééne of op beide seksen bepaalt. Wij weten echter niet, of, bij voorbeeld, de gekleurde schubben van twee soorten van kapellen, bij de eene waarvan de seksen in kleur verschillen, terwijl zij bij de andere gelijk gekleurd zijn, op den zelfden betrekkelijken leeftijd in de pop worden gevormd. Wij weten ook niet, of al de schubben zich tegelijkertijd ontwikkelen op de vleugels van de zelfde soort van kapel, bij welke zekere gekleurde teekeningen tot de eene sekse beperkt, en andere teekeningen aan beide seksen gemeen zijn. Een verschil van dezen aard in het tijdperk van ontwikkeling is niet zoo onwaarschijnlijk als het op het eerste gezicht wel schijnt; want bij de Rechtvleugeligen (Orthoptera) die zich tot volkomen insekten ontwikkelen, niet door een enkele gedaanteverwisseling, maar door opeenvolgende vervellingen, gelijken de jonge mannetjes van eenige soorten eerst op de wijfjes en verkrijgen hun onderscheidende mannelijke kenmerken eerst bij een latere vervelling. Volkomen overeenkomstige gevallen komen voor gedurende de opeenvolgende vervellingen van zekere mannelijke Schaaldieren (Crustacea).
Wij hebben tot dusverre de overplanting van kenmerken, met betrekking tot het tijdperk hunner ontwikkeling, alleen beschouwd hij soorten in den natuurstaat; wij zullen nu tot tamme dieren overgaan en eerst monstruositeiten en ziekten beschouwen. De aanwezigheid van overtallige vingers en het ontbreken van zekere kootjes moet in een vroeg embryonaal tijdperk worden bepaald—de neiging tot overmatige bloeding is op zijn minst aangeboren (congenitaal) en evenzoo is het waarschijnlijk met kleurenblindheid,—toch zijn deze en andere dergelijke bijzonderheden dikwijls in haar overplanting tot ééne sekse beperkt, zoodat de regel, dat kenmerken die zich op een vroeg tijdperk ontwikkelen, neiging bezitten om op beide seksen te worden overgeplant, hier volstrekt niet doorgaat. Deze regel schijnt echter, gelijk vroeger is opgemerkt, lang zoo algemeen niet steek te houden als de omgekeerde stelling, namelijk dat kenmerken die zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen, in hun overplanting tot die zelfde sekse zijn beperkt. Uit het feit, dat de bovengenoemde abnormale bijzonderheden zich uitsluitend bij ééne sekse vertoonen, lang voor de seksueele functies in werking treden, mogen wij afleiden dat er op uiterst jeugdigen leeftijd reeds een zekere mate van verschil tusschen de seksen moet bestaan. Ten opzichte van tot ééne sekse beperkte ziekten weten wij te weinig van het tijdperk waarop zij ontstaan, om daaruit met eenige zekerheid gevolgtrekkingen te kunnen maken. De jicht schijnt echter aan onzen regel te gehoorzamen; want zij wordt gewoonlijk veroorzaakt door onmatigheid na de vroege jeugd en wordt door den vader op veel sterker uitgedrukte wijze op zijn zonen dan op zijn dochters overgeplant.
Bij de verschillende tamme rassen van schapen, geiten en hoornvee verschillen de mannetjes van hun respectieve wijfjes in den vorm of de ontwikkeling van hun horens, voorhoofd, manen, kossem, staart en bult op de schouders; en deze bijzonderheden ontwikkelen zich overeenkomstig onzen regel eerst vrij laat in het leven. Bij honden verschillen de seksen niet, behalve dat bij sommige rassen, vooral bij den Schotschen hertenhond, het mannetje veel grooter en zwaarder dan het wijfje is; en, zooals wij in een volgend hoofdstuk zullen zien, begint het mannetje in een ongewoon laat tijdperk van het leven in grootte toe te nemen, hetgeen, overeenkomstig onzen regel, verklaart, waarom zijn meerdere grootte alleen op zijn mannelijke nakomelingschap wordt overgebracht. De driekleurigheid van het haar daarentegen, die tot de vrouwelijke katten is beperkt, is bij de geboorte volkomen te onderscheiden, en dit geval strijdt met onzen regel. Er is een duivenras waarbij alleen de mannetjes zwarte strepen vertoonen, en die strepen kan men zelfs al opmerken bij de pasgeboren jongen; maar zij worden bij elke opeenvolgende ruiing duidelijker, zoodat dit gedeeltelijk in tegenspraak en gedeeltelijk in overeenstemming met onzen regel is. Bij den Engelschen Carrier en Kropper heeft de volkomen ontwikkeling van de wrattige huid en den krop vrij laat in het leven plaats, en deze kenmerken worden, overeenkomstig onzen regel, in volkomen ontwikkelden toestand alleen op de mannetjes overgeplant. De volgende gevallen behooren wellicht tot de klasse, waarop vroeger is gezinspeeld, bij welke beide seksen op de zelfde wijze hebben gevarieerd in een vrij laat levenstijdperk, en bij gevolg hun nieuwe kenmerken op beide seksen op een overeenkomstig laat tijdperk hebben overgeplant; en wanneer dit zoo is, strijden dergelijke gevallen niet met onzen regel. Zoo zijn er onder-rassen van duiven door Neumeister beschreven [574], bij welke beide seksen van kleur veranderen na twee- of driemaal te hebben geruid, zooals eveneens de Almond-Tuimelaar doet; hoewel deze veranderingen vrij laat in het leven plaats hebben, zijn zij toch aan beide seksen gemeen. Ééne variëteit van den kanarievogel, namelijk de „London Prize”, levert een omtrent overeenkomstig geval op.
Bij de Hoenderrassen schijnt de overerving van verschillende kenmerken door ééne sekse of door beide seksen over het algemeen te worden bepaald door het tijdperk waarop die kenmerken zich ontwikkelden. Zoo verschilt het volwassen mannetje bij al de vele rassen waarbij hij sterk in kleur van het wijfje en van de volwassen mannelijke stamsoort afwijkt, ook van het jonge mannetje, zoodat de nieuw verkregen kenmerken op een vrij laat levenstijdperk moeten zijn verschenen. Bij de meeste rassen daarentegen bij welke de seksen op elkander gelijken, zijn de jongen op bijna de zelfde wijze gekleurd als hun ouders, en dit maakt het waarschijnlijk, dat hun kenmerken zich de eerste maal op jeugdigen leeftijd hebben vertoond. Wij hebben voorbeelden van dit feit bij alle zwarte en witte rassen, bij welke de jongen en ouden van beiderlei sekse op elkander gelijken; en men kan niet beweren, dat er in een zwart of wit gevederte iets bijzonders is, dat tot de overplanting daarvan op beide seksen aanleiding geeft; want van vele natuurlijke soorten zijn alleen de mannetjes zwart of wit, terwijl de wijfjes geheel anders zijn gekleurd. Bij de zoogenaamde koekoeksveêrige onder-rassen van het hoen, waarbij de vederen met overdwarse zwarte strepen geteekend zijn, zijn beide seksen en de kuikens op bijna de zelfde wijze gekleurd. Het gegaloneerde gevederte van het Bantam-hoen is het zelfde bij beide seksen, en bij de kuikens hebben de vederen zwarte punten, hetgeen een groote toenadering tot galoneering vormt. Hamburger Pellen maken echter een gedeeltelijke uitzondering; want de beide seksen, hoewel niet geheel gelijk, gelijken veel meer op elkander dan de seksen van de oorspronkelijke stamsoort; toch verkrijgen zij hun eigenaardig gevederte laat in het leven, want de kuikens hebben duidelijk overdwars gestreepte veêren. Laten wij thans tot andere kenmerken dan de kleur overgaan; alleen de mannetjes van de wilde stamsoort en van de meeste tamme rassen bezitten een redelijk wel ontwikkelden kam; maar bij de jongen van het Spaansche hoen ontwikkelt deze zich sterk op zeer jongen leeftijd, en klaarblijkelijk ten gevolge daarvan is hij bij de volwassen wijfjes buitengewoon groot. Bij de Vechthoenders ontwikkelt zich de strijdlustigheid op een verwonderlijk jongen leeftijd, waarvan merkwaardige bewijzen kunnen worden gegeven; en dit kenmerk wordt op beide seksen overgeplant, zoodat de hennen, wegens haar bijzonder groote strijdlustigheid, tegenwoordig algemeen in afgescheiden hokken ten toon worden gesteld. Bij de Kuifhoenders ontwikkelt zich het beenige uitsteeksel op den schedel, dat de kuif draagt, gedeeltelijk zelfs vóór de kuikens uit het ei zijn gekomen, en de kuif zelve begint spoedig te groeien, hoewel in het eerst langzaam [575]; en bij dit ras kenmerken een groote beenige knobbel op den schedel en een ontzaglijke kuif de volwassenen van beiderlei sekse.
Wij mogen uit al, wat wij nu hebben gezien van de betrekking, die bij vele natuurlijke soorten en tamme rassen bestaat tusschen het tijdperk van de ontwikkeling hunner kenmerken en de wijze van overplanting daarvan—bij voorbeeld het treffende feit van den vroegen groei der horens van het rendier, bij hetwelk beide seksen horens hebben, in vergelijking van hun veel later groei bij de andere soorten, bij welke alleen het mannetje horens draagt—ten eerste besluiten, dat ééne oorzaak, ofschoon niet de eenige, van het alleen door ééne sekse overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op laten leeftijd is. En ten tweede, dat ééne, hoewel naar het schijnt minder werkzame oorzaak van het door beide seksen overgeërfd worden van kenmerken de ontwikkeling dier kenmerken op jongen leeftijd is, wanneer de seksen slechts weinig in gestel verschillen. Het schijnt echter, dat er zelfs eenig verschil tusschen de seksen moet bestaan gedurende een vroeg tijdperk van het embryonale leven; want kenmerken, die zich in dien tijd ontwikkelen, worden niet zelden tot ééne sekse beperkt.
Overzicht en Slotopmerkingen.—Uit de voorgaande bespreking van de verschillende wetten van de erfelijkheid zien wij, dat kenmerken dikwijls of zelfs algemeen een neiging hebben om zich te ontwikkelen bij de zelfde sekse, op den zelfden leeftijd en periodiek in het zelfde jaargetijde, waarbij, waarop of waarin zij zich het eerst bij de ouders hebben vertoond. Deze wetten zijn echter, wegens onbekende oorzaken, zeer onderhevig aan verandering. De opeenvolgende trappen in de wijziging van een soort zouden daarom gemakkelijk langs verschillende wegen kunnen worden overgeplant, doordat sommige dier trappen werden overgeplant op ééne sekse en andere op beide; sommige op de jongen op één leeftijd, en andere op alle leeftijden. Niet slechts de wetten der erfelijkheid zijn uiterst ingewikkeld, maar eveneens ook de oorzaken die de variabiliteit teweegbrengen en besturen. De aldus veroorzaakte variaties worden bewaard en opeengehoopt door seksueele teeltkeus, die op zich zelve al een uiterst ingewikkelde zaak is, daar zij afhangt van de vurigheid in de liefde, van den moed en de mededinging der mannetjes, en van de waarnemingsvermogens, den smaak en den wil van het wijfje. De seksueele teeltkeus zal ook door de natuurlijke teeltkeus worden beheerscht voor het algemeen welzijn van de soort. Het kan daarom niet missen, of de wijze waarop elk der beide seksen of beide worden aangedaan door de seksueele teeltkeus, moet in de hoogste mate ingewikkeld zijn.
Als variaties zich bij ééne sekse laat in het leven vertoonen en bij de zelfde sekse op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven de andere sekse en de jongen noodzakelijkerwijze onveranderd. Als zij zich laat in het leven vertoonen, maar op beide seksen op den zelfden leeftijd worden overgeplant, blijven alleen de jongen onveranderd. Variaties kunnen zich echter op den eenen of anderen leeftijd bij ééne sekse of bij beide vertoonen en op beide seksen op alle leeftijden worden overgeplant, en dan zullen alle individu’s der soort op gelijksoortige wijze worden gewijzigd. In de volgende hoofdstukken zal men zien, dat al deze gevallen in de natuur veelvuldig voorkomen.
De seksueele teeltkeus kan nimmer op eenig dier werken, vóór het den leeftijd heeft bereikt, waarop het in staat is zich voort te planten. Wegens de groote vurigheid van het mannetje heeft zij over het algemeen op die sekse en niet op de wijfjes gewerkt. De mannetjes zijn op die wijze voorzien van wapenen om met hun medeminnaars te strijden, of met organen om het wijfje te ontdekken en stevig vast te houden, of om haar op te wekken en te bekoren. Als de seksen in deze opzichten verschillen, is het ook, gelijk wij hebben gezien, een uiterst algemeene wet, dat het volwassen mannetje in meerdere of mindere mate van het jonge mannetje verschilt; en wij mogen uit dit feit besluiten, dat de opeenvolgende variaties waardoor het volwassen mannetje is gewijzigd, zich over het algemeen niet veel vroeger hebben vertoond dan op den leeftijd waarop hij zich voortplant. Telkens, wanneer sommige of vele der variaties zich op jeugdigen leeftijd hebben voorgedaan, zullen de jonge mannetjes in meerdere of mindere mate deelen in de kenmerken der volwassen mannetjes. Verschillen van deze soort tusschen de oude en de jonge mannetjes kunnen dikwijls worden waargenomen, bij voorbeeld bij vogels.
Het is waarschijnlijk, dat jonge mannelijke dieren dikwijls een neiging hebben bezeten om te varieeren op een wijze, die hun niet alleen op jongen leeftijd geen nut zou hebben aangebracht, maar werkelijk schadelijk voor hen zou zijn geweest,—zooals in het verkrijgen van levendige kleuren, die hen aan hun vijanden in het oog zouden hebben doen vallen, of van deelen, zooals groote horens, die bij hun ontwikkeling veel levenskracht zouden hebben verbruikt. Als variaties van deze soort zich bij de jonge mannetjes voordeden, zullen zij bijna zeker door de natuurlijke teeltkeus zijn geëlimineerd. Bij de volwassen en ondervinding opgedaan hebbende mannetjes daarentegen zal het voordeel, door de verkrijging van dergelijke kenmerken over hun medeminnaars verworven, dikwijls meer dan opgewogen hebben tegen het blootgesteld zijn aan een zekere mate van gevaar.
Daar variaties, overeenkomende met die welke aan het mannetje een meerderheid gaven over andere mannetjes in het gevecht, of in het vinden, vasthouden of bekoren van de andere sekse, als zij toevallig bij het wijfje ontstonden, haar van geen dienst zouden zijn, zullen zij bij deze sekse niet door seksueele teeltkeus bewaard zijn. Wij hebben voldoende zekerheid, dat bij tamme dieren variaties van allerlei aard spoedig door kruising en toevallige sterfgevallen verloren gaan, als zij niet zorgvuldig voor de voortplanting worden uitgezocht. Derhalve zouden variaties van de bovengemelde soort, als het gebeurde, dat zij eens bij het wijfje voorkwamen, uiterst veel kans hebben om verloren te gaan; en de wijfjes zouden, wat deze kenmerken aangaat, ongewijzigd worden gelaten, behalve in zoover zij van de mannetjes door overplanting werden verkregen. Indien de wijfjes varieerden en haar nieuw verkregen kenmerken op haar jongen van beiderlei sekse overbrachten, zouden ongetwijfeld de kenmerken die voor de mannetjes voordeelig waren, door de seksueele teeltkeus worden bewaard, hoewel zij den wijfjes zelf van geen nut waren. In dit geval zouden beide seksen op de zelfde wijze worden gewijzigd. Ik zal echter later op deze meer ingewikkelde mogelijke gevallen moeten terugkomen.
Variaties die zich laat in het leven vertoonden en slechts op ééne sekse werden overgeplant, hebben onophoudelijk voordeel getrokken uit, en zijn opeengehoopt door seksueele teeltkeus, in verband met de voortplanting der soort; het schijnt daarom op het eerste gezicht een onverklaarbaar feit, dat dergelijke variaties niet dikwijls zijn opeengehoopt door natuurlijke teeltkeus, in verband met de gewone levenswijze. Indien dit ware gebeurd, zouden de beide seksen dikwijls verschillend zijn gewijzigd, met het doel b.v. om de prooi te vangen of aan gevaar te ontsnappen. Wij hebben reeds gezien en zullen er hierna andere voorbeelden van ontmoeten, dat er soms verschillen van deze soort tusschen de beide seksen bestaan, voornamelijk bij de lagere dieren, maar bij de hoogere klassen zijn zij zeldzaam. Wij moeten echter steeds bedenken, dat bij de hoogere klassen de seksen over het algemeen de zelfde levenswijze volgen; en onderstellende, dat alleen de mannetjes varieerden op een wijze die hun vermogen om zich voedsel te verschaffen enz. vermeerderde en dergelijke variaties alleen op hun mannelijke nakomelingschap overplantten, zouden deze een organisatie verkrijgen, voortreffelijker dan die der wijfjes; het is echter waarschijnlijk, dat de wijfjes, daar zij het zelfde algemeen gestel hadden en aan de zelfde voorwaarden waren blootgesteld, vroeger of later op de zelfde wijze zouden varieeren; en zoodra dit gebeurde, zouden de afwijkingen door de natuurlijke teeltkeus bij beide seksen gelijkelijk bewaard blijven, zoodat zij aldus ten laatste aan elkander gelijk zouden worden. Het geval is zeer verschillend bij variaties die door de seksueele teeltkeus worden opeengehoopt; want de gewoonten der beide seksen met betrekking tot de voortplantingsfuncties zijn niet de zelfde, en seksueel overgeplante wijzigingen die voor de eene sekse nuttig waren, zouden bij deze worden bewaard, terwijl gelijksoortige wijzigingen volkomen nutteloos zouden zijn voor de andere sekse en bij deze laatste bijgevolg spoedig verloren zouden gaan.
In de volgende hoofdstukken zal ik handelen over de secundaire seksueele kenmerken bij dieren van alle klassen en zal ik in elk geval de in dit hoofdstuk uiteengezette beginselen trachten toe te passen. De laagste klassen zullen ons slechts zeer korten tijd bezig houden; maar de hoogere dieren, vooral de Vogels, moeten zeer uitvoerig worden behandeld. Men bedenke voortdurend, dat ik, wegens reeds vermelde redenen, mij slechts voorstel eenige weinige toelichtende voorbeelden te geven van de tallooze inrichtingen, met behulp waarvan het mannetje het wijfje vindt, of als hij haar heeft gevonden, vasthoudt. Daarentegen zullen alle inrichtingen en instinkten, waardoor het mannetje andere mannetjes overwint, of waardoor hij het wijfje lokt of opwekt, uitvoerig worden besproken, daar deze in vele opzichten de meest belangwekkende zijn.
BIJVOEGSEL OVER DE VERHOUDING TUSSCHEN HET AANTAL INDIVIDU’S VAN BEIDERLEI SEKSE BIJ TOT VERSCHILLENDE KLASSEN BEHOORENDE DIEREN.
Daar niemand, voor zoover ik kan nagaan, zijn aandacht heeft gewijd aan de verhouding tusschen het aantal individu’s van beiderlei sekse door het geheele dierenrijk heên, zal ik hier die bouwstoffen daartoe mededeelen, welke ik in staat was te verzamelen, hoewel zij uiterst onvolkomen zijn. Zij bestaan slechts in eenige weinige voorbeelden van werkelijke telling en de getallen zijn niet zeer groot. Daar de verhoudingen op groote schaal alleen in het geval van den mensch met zekerheid bekend zijn, wil ik die eerst geven, als maatstaf van vergelijking.
De Mensch.—In Engeland zijn gedurende tien jaren (van 1857 tot 1866) jaarlijks gemiddeld 707120 kinderen levend geboren, in de verhouding van 104.5 jongens tegen 100 meisjes. In 1857 stonden echter de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke, over geheel Engeland gerekend, als 105.2 en in 1865 als 104.0 tot 100. Afzonderlijke districten beschouwende, was in Buckinghamshire (waar jaarlijks gemiddeld 5000 kinderen worden geboren), de gemiddelde verhouding van de mannelijke tot de vrouwelijke geboorten, gedurende het geheele tijdperk der bovengenoemde tien jaren, 102.8 tot 100, terwijl die in Noord-Wales (waar jaarlijks gemiddeld 12873 geboorten plaats grijpen) de hoogte van 106.2 tot 100 bereikte; een kleiner district nemende namelijk Rutlandshire (waar jaarlijks slechts gemiddeld 739 geboorten plaats grijpen) stonden daar de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 114.6 en in 1862 als 97.0 tot 100; maar zelfs in dit kleine district was het gemiddelde van de 7385 geboorten gedurende de geheele tien jaren als 104.5 tot 100, d.i. in de zelfde verhouding als over geheel Engeland. [576] De verhoudingen worden soms door onbekende oorzaken eenigermate gewijzigd; zoo getuigt Prof. Faye, „dat er in sommige districten van Noorwegen gedurende een tijdperk van tien jaren een voortdurend tekort aan jongens was, terwijl zich in andere tijdperken het tegenovergestelde verschijnsel voordeed.” In Frankrijk stonden gedurende vier-en-veertig jaren de mannelijke geboorten tot de vrouwelijke als 106.2 tot 100; maar gedurende dit tijdvak is het in één departement vijfmaal, in een ander zesmaal gebeurd, dat de vrouwelijke geboorten de mannelijke in aantal overtroffen. In Rusland bereikt de gemiddelde verhouding de hoogte van 108.9 tot 100. [577] Te Philadelphia in de Vereenigde Staten is de verhouding 110.5 tot 100. [578] Het gemiddelde voor Europa, door Bickes afgeleid uit omstreeks zeventig millioen geboorten, is 106 jongens op 100 meisjes. Daarentegen is bij blanke kinderen, aan de Kaap de Goede Hoop geboren, het aantal jongens zoo gering, dat gedurende een reeks van jaren van 90 tot 99 jongens op 100 meisjes werden geboren. Het is een vreemd feit, dat bij de Joden de verhouding der mannelijke geboorten tot de vrouwelijke stellig hooger is dan bij de Christenen (4); zoo is in Pruisen de verhouding als 113, in Breslau als 114 en in Lijfland als 120 tot 100; terwijl de christelijke geboorten in deze landen de zelfde verhouding vertoonen als elders, in Lijfland b.v. als 104 tot 100 [579]. Het is een nog vreemder feit, dat bij verschillende natiën, onder verschillende omstandigheden en luchtstreken, in Napels, Pruisen, Westphalen, Frankrijk en Engeland, de overmaat van de mannelijke over de vrouwelijke geboorten minder is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn.
In verschillende deelen van Europa zou men, volgens Prof. Faye en andere schrijvers, „een nog grooter overmaat van jongens vinden, indien de dood beide seksen in gelijke verhouding trof in de baarmoeder en gedurende de geboorte. Het is echter een feit, dat in onderscheidene landen op 100 doodgeboren meisjes van 134,6 tot 144,9 doodgeboren jongens komen.” Daarenboven sterven gedurende de vier of vijf eerste levensjaren meer jongens dan meisjes; „in Engeland sterven bij voorbeeld gedurende het eerste levensjaar 126 jongens tegen 100 meisjes,—een verhouding die in Frankrijk nog ongunstiger is. [580] Dr. Stockton Hough verklaart deze feiten gedeeltelijk, doordat de jongens veelvuldiger gebrekkig ontwikkeld zijn dan de meisjes. Wij hebben reeds vroeger gezien, dat de mannelijke sekse meer variabel van maaksel is dan de vrouwelijke, en variaties in belangrijke organen zullen over het algemeen nadeelig zijn. Doch de grootte van het lichaam, en vooral van het hoofd, dat bij mannelijke kinderen grooter dan bij vrouwelijke is, is een andere oorzaak; want de jongens loopen daardoor meer kans om te worden beschadigd dan de meisjes. Bij gevolg zijn de doodgeborenen onder de jongens talrijker en hebben, gelijk een hoogst bevoegd beoordeelaar, Dr. Crichton Browne, aanneemt [581], jongens dikwijls nog eenige jaren na hun geboorte een minder goede gezondheid. Ten gevolge van deze grootere sterfte bij mannelijke kinderen, zoowel bij de geboorte als eenigen tijd daarna, en omdat volwassen mannen aan verschillende gevaren zijn blootgesteld en meer neiging tot landverhuizing hebben, zijn de vrouwen in alle van ouds bewoonde landen waar statistieke opteekeningen zijn gedaan [582], aanmerkelijk talrijker dan de mannen. (5)
Het schijnt op het eerste gezicht een geheimzinnig feit, dat in verschillende landen onder verschillende toestanden en klimaten, in Napels, Pruisen, Westfalen, Nederland, Frankrijk, Engeland en de Vereenigde Staten, de overmaat der mannelijke geboorten over de vrouwelijke kleiner is, wanneer zij onwettig, dan wanneer zij wettig zijn. [583] Dit is door verschillende schrijvers op vele verschillende wijzen verklaard, zooals omdat de moeders over het algemeen jong zijn, dat het grootendeels de eerste kinderen zijn die zij krijgen, enz. Doch wij hebben gezien, dat jongens wegens de grootere afmeting van hun hoofd bij de geboorte meer lijden dan meisjes; en daar de moeders van onwettige kinderen meer kans loopen een moeilijke baring te hebben dan andere vrouwen, om verschillende oorzaken, zooals pogingen om haar zwangerschap te verbergen door zich sterk te rijgen, harden arbeid, wanhoop enz., zullen haar mannelijke vruchten naar verhouding meer lijden. En dit is waarschijnlijk de krachtigste van alle oorzaken, waarom de verhouding van de jongens tot de meisjes bij levendgeboren kinderen kleiner is bij onwettige dan bij wettige geboorten. Bij de meeste dieren is de oorzaak dat het volwassen mannetje grooter dan het wijfje is, daarin gelegen, dat de sterkere mannetjes de zwakkere hebben overwonnen in hun gevechten om het bezit van het wijfje, en ongetwijfeld is het een gevolg van dit feit, dat de beide seksen, ten minste van eenige dieren, bij de geboorte in grootte verschillen. Zoo hebben wij hier het merkwaardige feit, dat wij de grootere sterfte onder mannelijke dan onder vrouwelijke kinderen, vooral onder de onwettige, ten minste gedeeltelijk aan seksueele teeltkeus mogen toeschrijven.
Men heeft dikwijls ondersteld, dat de betrekkelijke leeftijd der ouders de sekse der kinderen bepaalt, en Prof. Leuckart [584] heeft zijns inziens voldoende bewijzen geleverd ten opzichte van den mensch en zekere tamme dieren, om aan te toonen, dat dit een belangrijke factor daartoe is. Evenzoo dacht men ook wel, dat het tijdstip der bevruchting de daarbij werkzame oorzaak was; doch onlangs gedane waarnemingen strijden tegen deze meening. Men heeft ook wel ondersteld, dat bij den mensch de veelwijverij (polygamie) aanleiding gaf tot de geboorte van een naar verhouding grooter aantal meisjes; maar Dr. J. Campbell [585] gaf nauwkeurig acht op dit onderwerp in de harems van Siam, en hij komt tot het besluit, dat de verhouding tusschen mannelijke en vrouwelijke geboorten de zelfde is als bij eenwijvige (monogame) verbintenissen. (6) Nauwelijks eenig dier is in zoo hooge mate veelwijvig (polygaam) gemaakt als onze Engelsche renpaarden en wij zullen zoo dadelijk zien, dat hun mannelijk en vrouwelijk kroost in aantal bijna geheel gelijk is.
Paarden.—De heer Tegetmeier is zoo vriendelijk geweest uit de „Racing Calendar” voor mij een tabel te maken van de geboorten van renpaarden gedurende een tijdvak van één-en-twintig jaren, namelijk van 1846 tot 1867; waarbij 1849 is overgeslagen, daar dat jaar het bedrag er van niet publiek is gemaakt. Het totaal aantal geboorten is 25,560 [586] geweest, bestaande uit 12763 hengstveulens en 12797 merrieveulens, of in de verhouding van 99.7 hengstveulens tegen 100 merrieveulens. Daar deze getallen tamelijk groot zijn, en daar zij zijn getrokken uit alle deelen van Engeland, gedurende verscheidene jaren, mogen wij met veel vertrouwen besluiten, dat bij het tamme paard, of ten minste bij het renpaard, de beide seksen in bijna gelijk aantal worden voortgebracht. De afwisselingen in de verhoudingen gedurende opeenvolgende jaren naderen zeer tot die welke bij den mensch plaats grijpen, als men een klein en dun bevolkt gebied beschouwt; zoo stonden in 1856 de hengstveulens tot de merrieveulens als 107.1, en in 1867 als slechts 92.6 tot 100. Op de tabellen van het bedrag der geboorten wisselen de verhoudingen volgens vaste tijdperken af; want de hengstveulens overtroffen de merrieveulens in aantal gedurende zes achtereenvolgende jaren; en de merrieveulens overtroffen de hengstveulens in aantal gedurende twee tijdperken, elk van vier jaren; dit is echter wellicht slechts toevallig; ik kan ten minste niets van dezen aard ontdekken bij den mensch in de tienjarige tabel in het „Registrar’s Report” voor 1866. Ik mag er bijvoegen, dat zekere merries, en dit is ook het geval bij zekere koeien en vrouwen, een neiging bezitten om meer jongen van de eene sekse voort te brengen dan van de andere; de heer Wright van Yeldersley House meldt mij, dat ééne van zijn Arabische merries, hoewel zeven malen door verschillende hengsten gedekt, zeven merrieveulens wierp.
Honden.—Gedurende een tijdvak van twaalf jaren, van 1857 tot 1868, zijn de geboorteopgaven van een aanzienlijk aantal windhonden, door geheel Engeland heên, aan de „Field” courant gezonden; en ik ben wederom aan den heer Tegetmeier zorgvuldig bewerkte tabellen van den uitslag verschuldigd. De opgeteekende geboorten waren ten getale van 6878, bestaande uit 3605 reuen en 3273 teven, dat is in verhouding van 110.1 reuen tegen 100 teven. De grootste afwisselingen hadden in 1864 plaats, toen de verhouding als 95.3 reuen, en in 1867, toen zij als 116.3 reuen tegen 100 teven was. De bovenvermelde gemiddelde verhouding 110.1 tot 100 is waarschijnlijk bijna nauwkeurig in het geval van den windhond; maar of zij steek zou houden bij andere tamme rassen, is eenigermate twijfelachtig. De heer Cupples heeft onderzoek gedaan bij onderscheidene groote hondenfokkers en vindt, dat allen zonder uitzondering gelooven, dat er teven in overmaat worden geboren; hij oppert de meening, dat dit geloof wellicht kan zijn ontstaan, doordat teven minder waarde hebben, en doordat de daardoor teweeggebrachte teleurstelling een sterkeren indruk op den geest maakt.
Schapen.—De sekse der schapen wordt door de landbouwers niet onderzocht, dan verscheidene maanden na de geboorte, op het tijdstip, dat de rammen worden gesneden (gecastreerd); zoodat de hier volgende getallen niet de verhoudingen bij de geboorte geven. Ik vind daarenboven, dat verscheidene groote veefokkers in Schotland, die jaarlijks eenige duizenden schapen aanfokken, vast overtuigd zijn, dat er gedurende de eerste een of twee jaar meer rammen dan ooien sterven; de verhouding der rammen zou dus bij de geboorte iets grooter zijn, dan op den leeftijd der snijding (castratie). Dit is een merkwaardiger overeenkomst met hetgeen, zooals wij hebben gezien, bij den mensch gebeurt, en beide gevallen hangen waarschijnlijk van de eene of andere gemeenschappelijke oorzaak af. Ik heb opgaven ontvangen van vier heeren in Engeland, die gedurende de laatste tien of zestien jaar laaglandsche schapen, voornamelijk Leicester-schapen, hebben aangefokt; het gezamenlijk bedrag der geboorten klimt tot 8965, bestaande uit 4407 rammen en 4558 ooien, dat is in de verhouding van 96.7 rammen tot 100 ooien. Ten opzichten van Cheviot- en zwartsnoetige schapen, in Schotland aangefokt, ontving ik opgaven van zes fokkers, twee daarvan op groote schaal, voornamelijk voor de jaren 1867–1869, maar sommige opgaven klommen op tot 1862. Het totale opgeteekende aantal klimt tot 50685, bestaande uit 25071 rammen en 25614 ooien, dat is in de verhouding van 97.9 rammen tot 100 ooien. Indien wij de Engelsche en Schotsche opgaven te zamen nemen, klimt het totale aantal tot 59650, bestaande uit 29478 rammen en 30172 ooien, of als 97.7 tot 100, zoodat het zeker is, dat bij schapen op den leeftijd der snijding (castratie) de wijfjes de mannetjes in aantal overtreffen; maar of dit ook zou doorgaan bij de geboorte, is twijfelachtig, ten gevolge van het meer onderhevig zijn der mannetjes aan een vroegen dood. [587]
Hoornvee.—Hieromtrent ontving ik opgaven van negen heeren van 982 geboorten, te weinig om vertrouwen te verdienen; deze bestonden uit 477 stierkalveren en 505 koekalveren, d.i. in de verhouding van 94.4 stierkalveren tot 100 koekalveren. De weleerw. heer W. D. Fox meldt mij, dat in 1867 van 34 kalveren die op ééne hoeve in Derbyshire werden geboren, slechts één een stier was.
Varkens.—De heer Harrison Weir schrijft mij, dat hij bij verscheidene varkensfokkers onderzoek heeft gedaan, en de meesten daarvan schatten, dat de geboorten van beeren tot die van zeugen ongeveer staan als 7 tot 6.
Konijnen.—De zelfde heer heeft voor vele jaren konijnen gefokt en heeft opgeteekend, dat er een veel grooter aantal rekels dan voedsters worden geboren.
Zoogdieren in den natuurstaat.—Omtrent deze heb ik slechts zeer weinig kunnen te weten komen. Omtrent de gewone Rat heb ik tegenstrijdige mededeelingen ontvangen. De heer R. Elliot van Laighwood meldt mij, dat een rattenvanger hem heeft verzekerd, dat hij altijd een groote overmaat van mannetjes had gevonden, zelfs bij de jongen in het nest. Ten gevolge daarvan onderzocht de heer Elliot zelf later eenige honderden oude ratten en vond die mededeeling bevestigd.
De heer F. Buckland heeft een groot aantal witte ratten aangefokt, en ook hij gelooft, dat de mannetjes de wijfjes verreweg in aantal overtreffen. Wat Mollen aangaat, wordt gezegd, dat „de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes” [588]; en daar het vangen van deze dieren een bijzonder beroep is, kan men deze getuigenis wellicht vertrouwen. Sir A. Smith merkt, een antilope van Zuid-Afrika [589] (Kobus ellipsiprymnus) beschrijvende, op, dat bij de kudden van deze en andere soorten de mannetjes gering in aantal zijn in vergelijking van de wijfjes; de inboorlingen gelooven, dat zij in die verhouding worden geboren; anderen gelooven, dat de jongere mannetjes uit de kudden worden verdreven, en Sir A. Smith zegt, dat, hoewel hij zelf nooit kudden heeft gezien die alleen uit jonge mannetjes bestonden, anderen hem verzekeren, dat dit wel voorkomt. Waarschijnlijk zullen de jonge mannetjes, als zij uit de kudde worden verdreven, zeer zijn blootgesteld om de prooi te worden van de vele roofdieren van dat land.
VOGELS.
Omtrent Hoenders heb ik slechts ééne opgaaf ontvangen, namelijk dat van 1001 kuikens van een aan sterke familieparing onderworpen familie Cochinchina-hoenders, gedurende acht jaren door den heer Stretch opgekweekt, 487 hanen en 514 hennen bleken te zijn, zoodat de verhouding 94.7 tot 100 was. Omtrent tamme Duiven bestaan er goede bewijzen, dat er mannetjes in overmaat worden geboren, of dat zij langer leven; want deze vogels leven zonder uitzondering paarsgewijze, en afzonderlijke mannetjes kunnen, naar de heer Tegetmeier mij meldt, altijd goedkooper worden gekocht dan wijfjes. Gewoonlijk bestaan de beide vogels, opgekweekt uit de twee in het zelfde nest gelegde eieren, uit een mannetje en een wijfje; doch de heer Harrison Weir, die zulk een groot duivenfokker was, zegt, dat hij dikwijls twee doffers heeft opgekweekt uit het zelfde nest, en zelden twee vrouwelijke duiven; daarenboven is het wijfje de zwakste van de twee, en aan grootere sterfte onderhevig.
Wat Vogels in den natuurstaat aangaat, zijn de heer Gould en anderen [590] overtuigd, dat de mannetjes over het algemeen het talrijkst zijn; en daar de jonge mannetjes van vele soorten op de wijfjes gelijken, zouden deze laatste natuurlijk het talrijkst schijnen. Een groot aantal Fazanten worden door den heer Baker van Leadenhall aangekweekt uit door wilde vogels gelegde eieren, en hij meldt den heer Jenner Weir, dat er gewoonlijk vier of vijf hanen tegen ééne hen worden voortgebracht. Een ondervindingrijk waarnemer merkt op [591], dat in Scandinavië de broedsels van het Auerhoen en het Korhoen meer hanen dan hennen bevatten; en dat bij de „Dal-ripa” (een soort van Sneeuwhoen) (7) meer hanen dan hennen op de „lek” of plaatsen waar zij elkander het hof maken, tegenwoordig zijn; maar deze laatste omstandigheid wordt door sommige waarnemers verklaard doordat een grooter aantal hennen door het ongedierte worden gedood. Uit verschillende door White van Seborne [592] medegedeelde feiten schijnt het duidelijk, dat in het zuiden van Engeland bij de Patrijzen een groote overmaat van mannetjes moet bestaan; en men heeft mij verzekerd, dat dit ook in Schotland het geval was. Toen de heer Weir onderzoek deed bij de kooplieden, die in zekere tijden van het jaar een groot aantal Kemphanen (Machetes pugnax) ontvangen, verhaalde men hem, dat de mannetjes verreweg het talrijkst zijn. De zelfde natuuronderzoeker heeft ook voor mij een onderzoek ingesteld bij de vogelvangers, die jaarlijks een verbazend groot aantal verschillende kleine vogels levend vangen voor de Londensche markt, en een oud en geloofwaardig man antwoordde hem zonder aarzeling, dat er bij den gewonen Vink een groote overmaat van mannetjes bestond; hij dacht, dat er wel 2 mannetjes tegen 1 wijfje, of minstens 5 mannetjes tegen drie wijfjes waren. [593] Ook bij de Merel of Zwarte Lijster beweerde hij, dat de mannetjes verreweg het talrijkst waren, als men ze met strikken of des nachts met netten ving. Deze getuigenissen verdienen blijkbaar vertrouwen, daar de zelfde man zeide, dat de seksen ongeveer even talrijk zijn bij den Leeuwerik, het Barmsijsje (Linaria montana) en den Distelvink. Hij is daarentegen zeker, dat er bij het gewone Kneutje een groote overmaat van wijfjes is, ofschoon ongelijk in verschillende jaren; in eenige jaren heeft hij gevonden, dat de wijfjes tot de mannetjes stonden als vier tot een. Men bedenke echter steeds, dat het voornaamste jaargetijde om vogels te vangen niet voor September begint, zoodat bij sommige soorten gedeeltelijke verhuizingen kunnen zijn begonnen, en de vluchten op dien tijd dikwijls alleen uit wijfjes bestaan. De heer Salvin vestigde zijn aandacht bijzonder op de sekse van de Kolibri’s in Midden-Amerika, en hij is overtuigd, dat er bij de meeste soorten een overmaat van mannetjes is; zoo verschafte hij zich in één jaar 204 voorwerpen, tot 10 soorten behoorende, en daarvan waren 166 mannetjes en 38 wijfjes. Bij twee andere soorten was er een overmaat van wijfjes, doch de verhoudingen wisselden blijkbaar af; hetzij in verschillende jaargetijden of op verschillende plaatsen; want bij ééne gelegenheid stonden de mannetjes van Campylopterus hemileucurus tot de wijfjes als vijf tot twee, en bij een andere gelegenheid [594] was de verhouding juist omgekeerd. In verband met dit laatste punt kan ik er bijvoegen, dat de heer Powys bevond dat op Corfu en in Epirus de beide seksen van den vink afzonderlijk leven, „en de wijfjes verreweg het talrijkst zijn”; terwijl de heer Tristram bevond, dat in Palaestina „de vluchten mannelijke vinken die van vrouwelijke verreweg in aantal schijnen te overtreffen.” [595] Evenzoo zegt de heer G. Taylor [596] omtrent Quiscalus major, dat er in Florida „zeer weinig wijfjes waren, in verhouding tot de mannetjes”, terwijl in Honduras de verhouding omgekeerd was, en de soort daar in veelwijverij (polygamie) leefde.
VISSCHEN.
Bij de Visschen kan men zich alleen vergewissen omtrent de verhoudingsgetallen der seksen door ze in volwassen of bijna volwassen staat te vangen; en het is zeer moeilijk tot eenig juist besluit te komen. [597] Onvruchtbare wijfjes kunnen gemakkelijk bij vergissing voor mannetjes worden gehouden, zooals de heer Günther mij opmerkte ten opzichte van de forel. Bij sommige soorten gelooft men, dat de mannetjes sterven, spoedig nadat zij de eieren hebben bevrucht. Bij vele soorten zijn de mannetjes veel kleiner dan de wijfjes, zoodat een groot aantal mannetjes zou ontsnappen uit het zelfde net waarmede de wijfjes werden gevangen. De heer Carbonnier [598], die bijzonder acht heeft geslagen op de natuurlijke geschiedenis van den snoek (Esox Lucius) getuigt, dat vele mannetjes, ten gevolge hunner geringe grootte, door de grootere wijfjes worden verslonden; en hij gelooft, dat de mannetjes van bijna alle visschen wegens de zelfde oorzaak aan grooter gevaar zijn blootgesteld dan de wijfjes. Toch schijnen in de weinige gevallen waarin de verhoudingsgetallen werkelijk zijn waargenomen, de mannetjes in groote overmaat voorhanden te zijn. Zoo zegt de heer R. Buist, de superintendent van de Stormontfieldsche proeven, dat in 1865 van de 70 zalmen die het eerst aan land werden gebracht met het doel er de kuit van te verkrijgen, meer dan 60 mannetjes waren. In 1867 „vestigt hij de aandacht nogmaals op de groote wanverhouding tusschen de mannetjes en wijfjes. Wij hadden in den aanvang ten minste tien mannetjes tegen één wijfje.” Later werden genoeg wijfjes gevangen om kuit te verkrijgen. Hij voegt er bij: „wegens het naar verhouding groot aantal mannetjes vechten en razen zij voortdurend met elkander op de plaatsen waar kuit wordt geschoten.” [599] Van deze wanverhouding kan men zich ongetwijfeld voor een deel rekenschap geven, doordat de mannetjes vroeger de rivier opzwemmen dan de wijfjes; maar of men haar daardoor geheel kan verklaren, is zeer twijfelachtig. De heer F. Buckland merkt omtrent de forel op, „dat het een merkwaardig feit is, dat de mannetjes zooveel talrijker zijn dan de wijfjes.” Als de eerste visschen zich in het net verwarden, gebeurde het zonder uitzondering, dat men minstens zeven of acht mannetjes tegen één wijfje gevangen vond. Ik kan dit niet volkomen verklaren; òf de mannetjes zijn talrijker dan de wijfjes, òf de laatste zoeken zich liever te beveiligen door zich te verbergen, dan door te vluchten. Hij voegt er daarna bij, dat men door zorgvuldig langs de oevers te zoeken een voldoende aantal wijfjes kan vinden om kuit te verkrijgen. [600] De heer H. Lee meldt mij, dat van 212 forellen met dit doel in Lord Portsmouth’s park gevangen, 150 mannetjes en 62 wijfjes waren.
Bij de Karpervisschen (Cyprinidae) schijnen de mannetjes ook in overmaat voorhanden te zijn; maar verscheidene leden van deze familie, namelijk de karper, de zeelt, de brasem en Leuciscus phoxinus, schijnen geregeld de in het dierenrijk zeldzame gewoonte van veelmannerij (polyandrie) te volgen; want bij het kuitschieten wordt het wijfje steeds door twee mannetjes vergezeld, één aan elke zijde, en in het geval van den brasem door drie of vier mannetjes. Dit feit is zoo wel bekend, dat altijd wordt aanbevolen, bij het bevolken van een vijver twee mannelijke zeelten op één wijfje of ten minste drie mannelijke zeelten op twee wijfjes te nemen. Van Leuciscus phoxinus getuigt een uitnemend waarnemer, dat op de plaatsen waar kuit wordt geschoten, de mannetjes tienmaal zoo talrijk zijn als de wijfjes; als een wijfje onder de mannetjes komt, dringt onmiddellijk aan elke zijde een mannetje dicht op haar; en als deze een tijd lang in die positie zijn geweest, worden zij door een paar andere mannetjes vervangen. [601]
INSEKTEN.
In deze Klasse leveren alleen de Schubvleugeligen (Lepidoptera) de middelen op om over de verhoudingsgetallen van de seksen te oordeelen; want zij zijn met bijzondere zorg door vele goede waarnemers verzameld en op groote schaal uit het ei of den rupsentoestand opgekweekt. Ik had gehoopt, dat sommige kweekers van zijdewormen nauwkeurige opteekeningen zouden hebben gehouden; maar na naar Frankrijk en Italië geschreven en onderscheidene verhandelingen geraadpleegd te hebben, kan ik niet vinden, dat dit ooit is gedaan. De algemeene opinie schijnt te zijn, dat de seksen ongeveer even talrijk zijn; maar in Italië zijn, naar ik van Prof. Canestrini hoor, vele kweekers overtuigd, dat er wijfjes in overmaat worden voortgebracht. De zelfde natuuronderzoeker meldt mij echter, dat bij de twee groote jaarlijksche broedsels van den Ailanthus-zijdeworm (Bombyx Cynthia) de mannetjes verreweg de overhand hebben in het eerste, terwijl in het tweede de seksen nagenoeg even talrijk zijn, of de wijfjes eenigszins de overhand hebben.
Ten opzichte van Kapellen in den natuurstaat zijn verscheidene waarnemers zeer getroffen geweest door de schijnbaar verbazend groote overmaat van mannetjes. [602] Zoo zegt de heer Bates [603], van de soorten sprekende, niet minder dan ongeveer honderd in getal, die den Boven-Amazonenstroom bewonen, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, zelfs in de verhouding van honderd tot één. In Noord-Amerika schat Edwards die groote ondervinding had, dat bij het geslacht Papilio de mannetjes tot de wijfjes staan als vier tot één; en de heer Walsh welke mij die getuigenis mededeelde, zegt, dat dit bij P. Turnus met zekerheid het geval is. In Zuid-Afrika vond de heer R. Trimen de mannetjes in overmaat bij 19 soorten [604], en bij één daarvan, die op open plaatsen rondvliegt, schat hij, dat het aantal mannetjes tot dat der wijfjes staat als vijftig tot één. Van een andere soort, waarvan de mannetjes op sommige plaatsen talrijk zijn, verzamelde hij gedurende zeven jaar slechts vijf wijfjes. De heer Maillard getuigt, dat op het eiland Bourbon de mannetjes van ééne soort van Papilio twintigmaal talrijker zijn dan de wijfjes. [605] De heer Trimen meldt mij, dat het, zoover hij zelf gezien of van anderen gehoord heeft, een zeldzaamheid is, als de wijfjes van de eene of andere soort van kapel de mannetjes in aantal overtreffen, doch dat dit wellicht het geval is met drie Zuid-Afrikaansche soorten. De heer Wallace [606] getuigt, dat de wijfjes van Ornithoptera Croesus in Insulinde algemeener zijn en gemakkelijker worden gevangen dan de mannetjes; maar dit is een zeldzame soort van kapel. Ik mag hier bijvoegen, dat, volgens Guenée, van Hyperethra, een geslacht van nachtvlinders, van vier tot vijf wijfjes in verzamelingen uit Indië worden gezonden tegen één mannetje.
Toen dit onderwerp van de getalsverhouding der seksen bij insekten in de Engelsche Entomologische Vereeniging ter sprake werd gebracht [607], nam men algemeen aan, dat de mannetjes van de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera), in den toestand van volkomen insekt, in grooter aantal worden gevangen dan de wijfjes; maar dit feit werd door onderscheidene waarnemers toegeschreven aan de meer afgezonderde levenswijze van het wijfje en aan de omstandigheid, dat het mannetje vroeger uit de pop komt. Dit laatste is, gelijk welbekend is, het geval met de meeste Schubvleugeligen (Lepidoptera) en ook met andere insekten. Zoo gaan, gelijk de heer Personnat opmerkt, de mannetjes van den tammen Bombyx Yama-Maju in het begin van het seizoen en de wijfjes aan het einde daarvan verloren, wegens gebrek aan voorwerpen van de andere sekse om mede te paren. [608] Ik kan echter maar niet tot de overtuiging komen, dat deze oorzaken voldoende zijn om de groote overmaat van mannetjes in de bovenvermelde gevallen bij kapellen die in haar vaderland uiterst gemeen zijn, te verklaren. De heer Stainton, die gedurende vele jaren zooveel studie van de kleinere nachtvlinders heeft gemaakt, meldt mij nog, dat hij, toen hij ze in den toestand van volkomen insekt verzamelde, dacht, dat de mannetjes tienmaal zoo talrijk waren als de wijfjes, maar dat hij, sedert hij ze op groote schaal uit de rups opkweekte, overtuigd is, dat de wijfjes het talrijkst zijn. Verscheidene insektenkenners deelen deze zienswijze. De heer Doubleday echter, en eenige anderen, zijn van een tegenovergestelde meening en overtuigd, dat zij uit de eieren en rupsen naar verhouding meer mannetjes dan wijfjes hebben opgekweekt.
Behalve de meer bedrijvige levenswijze der mannetjes, hun vroeger uit de pop komen en hun veelvuldiger bezoeken van open plaatsen kunnen wellicht nog andere oorzaken worden aangegeven voor een schijnbaar of werkelijk verschil in de getalsverhouding van de seksen bij de Schubvleugeligen (Lepidoptera), als zij in den toestand van volkomen insekt gevangen, en als zij uit de eieren of rupsen opgekweekt worden. Vele kweekers van zijdewormen in Italië gelooven, naar ik van Professor Canestrini hoor, dat de vrouwelijke rupsen meer van de voor korten tijd gewoed hebbende ziekte te lijden hadden dan de mannelijke; en Dr. Staudinger meldt mij, dat er bij het opkweeken van vlinders meer wijfjes in de pop sterven dan mannetjes. Bij vele soorten is de vrouwelijke rups grooter dan de mannelijke, en een verzamelaar zal natuurlijk de schoonste voorwerpen kiezen en zoo onbewust een grooter aantal wijfjes verzamelen. Drie verzamelaars hebben mij gezegd, dat dit hun gewoonte was; maar Dr. Wallace is zeker, dat de meeste verzamelaars al de voorwerpen nemen die zij kunnen vinden, van de meer zeldzame soorten, die alleen de moeite van het opkweeken waard zijn. Als vogels door rupsen zijn omringd, zullen zij waarschijnlijk de grootste kiezen; en Professor Canestrini meldt mij, dat sommige kweekers in Italië gelooven, hoewel zij geen voldoende bewijzen hebben, dat bij het eerste broedsel van den Ailanthus-zijdeworm de wespen een grooter aantal van de vrouwelijke dan van de mannelijke rupsen vernielen. Dr. Wallace merkt verder op, dat vrouwelijke rupsen, omdat zij grooter dan de mannelijke zijn, meer tijd voor haar ontwikkeling behoeven en meer voedsel en vocht verbruiken, en dus gedurende langer tijd moeten zijn blootgesteld aan gevaar van sluipwespen, vogels enz., en in tijden van schaarschte in grooter aantal moeten sterven. Het schijnt daarom zeer mogelijk, dat in den natuurstaat minder vrouwelijke dan mannelijke Schubvleugeligen (Lepidoptera) tot vollen wasdom komen; en voor ons bijzondere doel hebben wij te maken met de getallen op volwassen leeftijd, als de seksen gereed zijn om haar soort voort te planten.
De wijze waarop de mannetjes van zekere nachtvlinders in buitengewoon grooten getale samenkomen rondom een enkel wijfje, wijst blijkbaar op een groote overmaat van mannetjes, hoewel dit feit wellicht kan worden verklaard doordat de mannetjes vroeger uit de pop te voorschijn komen. De heer Stainton meldt mij, dat men soms van twaalf tot twintig mannetjes verzameld kan zien rondom een enkel wijfje van Elachista rufocinerea. Het is welbekend, dat, indien een maagdelijke Lasiocampa quercus of Saturnia carpini in een kooi wordt tentoongesteld, een groot aantal mannetjes zich rondom haar verzamelen, en als zij in een kamer is opgesloten, zelfs door den schoorsteen naar haar toe komen vliegen. De heer Doubleday gelooft, dat hij van vijftig tot een honderdtal mannetjes van deze beide soorten in den loop van een enkelen dag door een opgesloten wijfje aangelokt heeft gezien. De heer Trimen stelde op het eiland Wight een doos ten toon, waarin den vorigen dag een wijfje van de Lasiocampa was opgesloten geweest, en weldra trachtten vijf mannetjes daarin te komen. Toen de heer Verreaux in Nieuw-Holland een doos in zijn zak had, waarin zich het wijfje van een kleine Bombyx-soort bevond, werd hij door een menigte mannetjes gevolgd, zoodat ongeveer 200 met hem het huis binnenkwamen. [609]
De heer Doubleday heeft mijn aandacht gevestigd op Dr. Staudinger’s lijst van Schubvleugeligen (Lepidoptera) [610], waarop de prijs voorkomt van de mannetjes en wijfjes van 300 soorten of goed uitgedrukte verscheidenheden van dagvlinders (Rhopalocera). De prijzen voor beide seksen van de zeer algemeene soorten zijn natuurlijk de zelfde, maar bij 113 der meer zeldzame soorten verschillen zij, en daarbij is het mannetje, op ééne uitzondering na, het goedkoopst. Bij de 113 soorten staat de prijs van het mannetje tot dien van het wijfje gemiddeld als 100 tot 149; en deze prijs schijnt aan te toonen, dat omgekeerd de mannetjes de wijfjes in de zelfde verhouding in aantal overtreffen. Ongeveer 2000 soorten of verscheidenheden van avond- en nachtvlinders (Heterocera) zijn gecatalogiseerd, waarbij die met vleugellooze wijfjes hier worden uitgesloten wegens de verschillende levenswijze der seksen; van 2000 soorten verschillen 141 in prijs volgens de sekse, daar van 130 de mannetjes goedkooper en slechts van 11 de mannetjes duurder zijn dan de wijfjes. De prijs van de mannetjes der 130 soorten staat gemiddeld tot dien van de wijfjes als 100 tot 143. Ten opzichte van de kapellen op deze prijslijst denkt de heer Doubleday (en niemand in Engeland heeft meer ondervinding gehad), dat er niets in de levenswijze der soorten is, dat rekenschap kan geven van het verschil in prijs tusschen de beide seksen, en dat men het alleen kan verklaren, doordat zijn verzamelaars een grooter aantal mannetjes dan wijfjes vangen en derhalve de eerste lager in prijs zijn. Ten opzichte van uit de rups opgekweekte voorwerpen gelooft Dr. Staudinger, gelijk vroeger is vermeld, dat in gevangen staat een grooter aantal van de wijfjes dan van de mannetjes in de pop sterven. Hij voegt er bij, dat bij zekere soorten de eene sekse gedurende zekere jaren de overhand schijnt te hebben boven de mannetjes.
Van rechtstreeksche waarnemingen omtrent de sekse van Schubvleugeligen (Lepidoptera), gekweekt hetzij uit het ei of uit de rups, heb ik alleen de volgende weinige opgaven ontvangen:
Mannetjes Wijfjes De weleerw. Heer J. Hellius [611] van Exeter kweekte in 1886 volkomen insekten van 73 soorten, die bestonden uit 153 137 De heer Albert Jones van Eltham kweekte in 1868 volkomen insekten van 9 soorten, die bestonden uit 159 126 In 1869 kweekte hij volkomen insekten van 4 soorten, bestaande uit 114 112 De heer Buckler van Emsworth, Hants, kweekte in 1869 volkomen insekten van 74 soorten, bestaande uit 180 169 Dr. Wallace van Colchester kweekte uit één broedsel van Bombyx Cynthia 52 48 Dr. Wallace kweekte in 1869 uit poppen van Bombyx Pernyi, hem uit China gezonden, 224 123 Dr. Wallace kweekte in 1868 en 1869 uit twee partijen poppen van Bombyx Yama-Maju 52 46 === === Totaal 934 761
Bij deze zeven partijen poppen en eieren werd dus een overmaat van mannetjes voortgebracht. Te zamen genomen is de verhouding van de mannetjes tot de wijfjes als 122.7 tot 100. De getallen zijn echter nauwelijks groot genoeg om vertrouwen te verdienen.
Over het geheel leid ik uit de bovenvermelde verschillende bewijsgronden, die allen in de zelfde richting wijzen, af, dat bij de meeste soorten van Schubvleugeligen (Lepidoptera) de mannetjes in den toestand van volkomen insekt over het algemeen de wijfjes in aantal overtreffen, welke dan ook de verhouding moge zijn bij hun eerste uitkomen uit het ei.
Met betrekking tot de andere orden van Insekten heb ik slechts zeer weinige betrouwbare mededeelingen kunnen verzamelen. Bij het vliegend hert (Lucanus Cervus) „schijnen de mannetjes veel talrijker te zijn dan de wijfjes”; maar wanneer zich, gelijk Cornelius in 1867 opmerkte, een ongewoon aantal van deze kevers in één gedeelte van Duitschland vertoonde, schenen de wijfjes de mannetjes in aantal te overtreffen in de verhouding van zes tot één. Bij een der Springkevers (Elateridae) zegt men, dat de mannetjes veel talrijker zijn dan de wijfjes, en men vindt er dikwijls twee of drie met één wijfje vereenigd [612], zoodat hier veelmannigheid (polyandrie) schijnt te heerschen. Bij Siagonium (tot de Kortschilden, Staphylinidae, behoorende), waarbij de mannetjes van horens voorzien zijn, „zijn de wijfjes verreweg talrijker dan de andere sekse.” De heer Janson getuigde in de Engelsche Entomologische Vereeniging, dat de wijfjes van den zich met boomschors voedenden Tomicus villosus zoo algemeen zijn, dat zij een plaag zijn, terwijl de mannetjes zoo zeldzaam zijn, dat men ze nauwelijks kent.
In andere orden zijn, wegens onbekende oorzaken, maar in sommige gevallen blijkbaar ten gevolge van maagdelijke voortplanting (parthenogenesis), de mannetjes nooit ontdekt, of zijn uiterst zeldzaam, gelijk bij verscheidene Galwespen (Cynipidae). [613] Bij alle aan den heer Walsh bekende Galwespen zijn de wijfjes vier- of vijfmaal talrijker, dan de mannetjes; en het zelfde is, naar hij mij meldt, het geval met de gal-appelbewonende Cecidomyidae (Tweevleugeligen, Diptera). Bij sommige gewone soorten van Bladwespen (Tenthredinae) heeft de heer F. Smith honderden voorwerpen uit larven van allerlei grootte opgekweekt, maar heeft nooit een enkel mannetje verkregen; daarentegen zegt Curtis [614], dat bij zekere door hem opgekweekte soort (Athalia) de mannetjes tot de wijfjes stonden als zes tot één; terwijl juist het omgekeerde het geval was bij de volkomen insekten van de zelfde soort, die in het open veld werden gevangen. In de familie der Bijen verzamelde Herman Müller [615] een groot aantal voorwerpen van verschillende soorten en kweekte andere uit de poppen op, en telde de seksen. Hij bevond, dat bij sommige soorten de mannetjes de wijfjes zeer in aantal overtreffen; bij andere was het omgekeerde het geval; en bij wederom andere waren de beide seksen nagenoeg even talrijk. In de meeste gevallen komen echter de mannetjes vroeger uit de pop dan de wijfjes, zoodat zij in het begin van den broedtijd feitelijk de meerderheid hebben. Müller merkte ook op, dat het betrekkelijk aantal van de beide seksen bij sommige soorten op verschillende plaatsen zeer onderscheiden was. Doch gelijk H. Müller zelf mij deed opmerken, moeten deze waarnemingen met eenige omzichtigheid worden ontvangen, daar de eene sekse wellicht gemakkelijker aan de opmerkzaamheid ontsnapt dan de andere. Zoo heeft zijn broeder Fritz Müller in Brazilië opgemerkt, dat de beide seksen van de zelfde soort van bij dikwijls verschillende soorten van bloemen bezoeken. Wat de Rechtvleugeligen (Orthoptera) betreft, weet ik nauwelijks iets omtrent het betrekkelijk aantal der seksen: Körte [616] zegt echter, dat onder 500 sprinkhanen die hij onderzocht, de mannetjes tot de wijfjes stonden als vijf tot zes. Omtrent de Netvleugeligen (Neuroptera) getuigt de heer Walsh, dat bij vele, maar geenszins bij alle soorten van Haften (Ephemerina) een groote overmaat van mannetjes is; ook bij het geslacht Hetaerina zijn de mannetjes minstens viermaal zoo talrijk als de wijfjes. Bij sommige soorten van het geslacht Gomphus zijn de mannetjes even talrijk als de wijfjes, terwijl bij twee andere soorten de wijfjes minstens tweemaal of driemaal talrijker dan de mannetjes zijn. Bij sommige Europeesche soorten van Houtluizen (Psocus) kan men duizenden wijfjes verzamelen zonder een enkel mannetje, terwijl bij andere soorten van het zelfde geslacht beide seksen algemeen voorkomen. [617] In Engeland heeft de heer MacLachlan honderden wijfjes van Apatania muliebris gevangen, maar het mannetje heeft hij nimmer gezien, en van Boreus hyemalis zijn hier slechts vier of vijf mannetjes gezien. [618] Bij de meesten dezer soorten (uitgezonderd, naar ik heb gehoord, bij de Bladwespen, Tenthredinae) is er geen reden om te onderstellen, dat de wijfjes zich zonder bevruchting kunnen voortplanten; en zoo zien wij, hoe onwetend wij zijn omtrent de oorzaken van het blijkbare verschil in de getalsverhouding der beide seksen.
Omtrent de andere klassen der Gelede Dieren (Articulata) heb ik nog minder mededeelingen kunnen verzamelen. Omtrent Spinnen schrijft mij de heer Blackwall, die gedurende vele jaren een studie van deze klasse heeft gemaakt, dat de mannetjes wegens hun meer zwervende levenswijze meer algemeen worden gezien en daarom het talrijkst schijnen te zijn. Dit is werkelijk het geval met eenige weinige soorten; maar hij vermeldt onderscheidene soorten in zes geslachten, bij welke de wijfjes veel talrijker dan de mannetjes schijnen te zijn. [619] De geringe grootte der mannetjes in vergelijking met de wijfjes, die dikwijls tot een uitersten graad is gedreven, en hun zeer verschillend uiterlijk, kunnen wellicht in sommige gevallen hun zeldzaamheid in verzamelingen verklaren. [620]
Sommige der lagere Schaaldieren (Crustacea) bezitten het vermogen hun soort zonder bevruchting (aseksueel) voort te planten, en dit kan de uiterste zeldzaamheid der mannetjes verklaren. Bij sommige andere vormen (zooals bij Tanais en Cypris) is er, naar Fritz Müller mij meldt, reden om te gelooven, dat het mannetje veel korter leeft dan het wijfje, hetgeen, ondersteld dat de beide seksen oorspronkelijk even talrijk waren, de zeldzaamheid der mannetjes zou verklaren. Daarentegen heeft deze zelfde natuuronderzoeker op de stranden van Brazilië zonder uitzondering meer mannetjes dan wijfjes van de Diastylidae en van Cypridina (Watervlooien) gevangen; zoo waren er op 63 voorwerpen van een soort van dit laatste geslacht, op den zelfden dag gevangen, 57 mannetjes. Bij een der hoogere Braziliaansche krabben, namelijk een Gelasimus, vond Fritz Müller de mannetjes talrijker dan de wijfjes. Het omgekeerde schijnt het geval te zijn, volgens de uitgebreide ondervinding van den heer C. Spence Bate, met zes gewone Britsche krabben, waarvan hij mij de namen heeft gegeven.
DE VERHOUDING DER SEKSEN MET BETREKKING TOT DE NATUURLIJKE TEELTKEUS.