De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 (part 3 of 4)
Het is ook een centrum der landbouwkolonisatie. Ik ging aan land, om den heer G., agent van de Nieuwe-Hebridenmaatschappij een bezoek te brengen. Hij verheugde zich erin, mij de aanplantingen van maïs en koffie te kunnen vertoonen, door hem in het leven geroepen, in 't belang der maatschappij die hij vertegenwoordigde. Hij bood mij allervriendelijkst gastvrijheid aan, en in de schaduw van het aardige huis op het strand heb ik prettige oogenblikken gesleten en ik heb er, beter dan mij aan boord mogelijk was, mijn aanteekeningen van de reis kunnen uitwerken.
Er zijn niet veel Kanaken te Port-Sandwich, en men moet naar het binnenland gaan om eenigszins talrijke groepen aan te treffen. Wij zetten dus koers naar de westkust van Mallicolo, passeerden weer de Maskelyne-eilanden en sloegen vervolgens eene noordelijke richting in. De westkust vertoonde een dor, verlaten aanzien. De Nieuwe-Hebriden zijn over 't algemeen merkwaardig om hun weelderigen plantengroei, om hun prachtige bosschen, zich uitstrekkend tot het strand der zee, en men staat verbaasd over den rijkdom van den grond, bedekt met zoo velerlei planten en zulke reusachtige boomen. Maar in dit gedeelte van Mallicolo is de toestand niet zoo liefelijk; de kust is er steil en wordt gevormd door kale rotsen, verdord er uit ziende en geschroeid door den fellen zonneschijn. Wel ziet men in de diepte een paar groene heuvels, maar men moet vrij ver in het binnenland doordringen, om geschikten bouwgrond aan te treffen. Kokospalmen komen aan het strand weinig voor, en de Kanaken hebben geen enkele aanplanting gewaagd.
In de baai in 't Zuidwesten, waar wij hadden geankerd, wordt de natuur iets beter, dank zij den drie rivieren, die er zich in zee storten en door nog al vruchtbare dalen stroomen. Zelfs ziet men na 't passeeren van de rots aan den ingang der baai bouquetten van kokospalmen, die de inlandsche dorpen voor het oog verbergen. Nauwelijks hadden wij op eenige meters afstands van het dorp het anker laten vallen, of wij zagen talrijke booten met inboorlingen op ons afkomen, luidruchtig op de Lady Saint Aubyn aanroeiend. De aanblik van die Kanaken was zonderling; allen hadden ze verbazend puntig toeloopende hoofden, glimmende, met kokosvet ingesmeerde haren en armbanden, van parelen of van varkenstanden gemaakt. Die puntige vorm van den schedel is kenschetsend voor de bewoners van Mallicolo. Dit was het eenige punt, waar ik die eigenaardige misvorming heb aangetroffen, die een gevolg is van bepaalde manipulaties, op de hoofden der kleine kinderen toegepast. Er worden daarvoor banden van boomschors gebezigd, die om de hoofdjes worden gewikkeld, om er den gewenschten vorm aan te geven. In een der booten zag ik een zoo toegetakeld klein kindje.
Ik heb talrijke wapenen aangekocht, want de inboorlingen hier verkochten gereedelijk hun knotsen en pijlen en bogen. De knots is van zeer hard hout gemaakt, en heeft een lengte van ongeveer een meter, op het eind uitloopend in een kraagje, dat tot steun dient voor de hand; de bogen werden gespannen met vezels van bananen.
Deze inboorlingen hebben een groote vaardigheid in het maken van pijlen, en zij kunnen ze, heet het, vergiftigen; die, welke ik heb kunnen koopen, waren opgeborgen in een doos, die de punten verborg, zoodat men zich er niet aan kon verwonden. Zij zijn overtuigd van de werkdadigheid van het gif, maar ik kan zeggen, dat de proeven, met die pijlen genomen, niet konden doen besluiten tot de aanwezigheid van eenig vergif. Hoe het zij, zij passen de volgende methode toe, met het doel de pijlen te vergiftigen. Zij halen uit een bepaalden boom een kleverig sap, waarmee zij de pijlpunt bestrijken; vervolgens nemen ze wat aarde, afkomstig van een ongezonde plek of uit een moeras van wortelboomen en laten de punt daarin eenigen tijd staan. Vervolgens wordt alles in de zon gedroogd.
Die wapens hebben den naam van zeer gevaarlijk te zijn. Toen ik ze uit de doos haalde, om ze te bezien, gingen alle inboorlingen, die in een kring om mij heen stonden, ver uiteen en waarschuwden mij voor het gevaar, dat mij bedreigde, als ik ook maar het geringste wondje kreeg. Toch zou het misschien voorbarig en gevaarlijk zijn, ze als volkomen onschadelijk te beschouwen. De voorbeelden van den commodore Goodenough, van bisschop Patteson en van veel Europeanen, die aan tetanus of spierkramp overleden ten gevolge hunner wonden, zijn nog van te recenten datum, dan dat men de vraag van de al of niet vergiftigheid als opgelost zou kunnen bespeuren.
De inboorlingen van de zuidwestelijke baai hadden juist bezoek gehad van een duitsch werfschip van de Samoa-eilanden; doch niemand van de bewoners had zich willen laten aanwerven wegens de slechte behandeling, die de arbeiders in de werkplaatsen op die eilanden ondervinden.
Bovendien had eenige jaren geleden Duitschland een oorlogsschip gezonden, om den moord van een Duitscher te Mallicolo te wreken; de herinnering aan de kanonkogels had de duitsche vlag niet populair gemaakt bij deze inboorlingen. Zoo althans luidden de inlichtingen, mij verstrekt door een inboorling, die drie jaar op de Samoa-eilanden had gewoond.
Mijn wandelingen over het eiland voerden mij een paar keeren naar een dorp, aan den rand van een lagune gelegen, die vrij diep landwaarts in drong; de hutten waren alle van riet en bamboes opgetrokken; maar het huis van het hoofd was gemakkelijk herkenbaar aan de heg er omheen en aan de groote schelpen en onderkaken van varkens, die het dak versierden. Het hoofd heeft ook nog een ander voorrecht; bij zijn dood wordt namelijk zijn lichaam in stroo en in lianen gewikkeld en zoo met klei bestreken en gekleurd met zwarte, roode en blauwe verf, waarna het in een bepaald gebouw wordt geborgen, dat de lijken der stamhoofden bevat.
Ik heb het kunstenaarstalent van deze Kanaken kunnen bewonderen in de koppen van klei of leem, die men in de hutten aantreft, en in de maskers van boomschors met groote, puntige hoeden gekroond, die zij gebruiken bij de groote feesten of sinn-sinn. Maar ik zou niet durven zeggen, dat de vormen of de teekeningen tot modellen konden dienen voor onze europeesche kunstenaars.
Bij mijn omzwervingen door het dorp heb ik weinig vrouwen ontmoet; die ik zag, waren gekleed in een zeer primitief costuum, bestaande uit een gordel van pandanusbladeren, maar ik heb tevens kunnen constateeren, dat ze alle de snijtanden in de bovenkaak misten, een eigenaardige mode op het eiland Mallicolo.
De zuidwestelijke baai is de eenige goede reede aan de kust; wij gingen dus nergens aan wal, behalve met kleinere bootjes. In de Espièglebaai begonnen wij te onderhandelen met enkele inboorlingen, die ons beschroomd naderden. Men bespeurt wel, dat dit deel van het eiland zelden bezoek krijgt. De bewoners keken den Europeaan verbaasd aan, en toen ze een beetje vertrouwd met hem raakten, werd hij betast, alsof ze wilden voelen of hij wel van eenzelfde maaksel was als zij. Een der Kanaken met witte, scherpe tanden voelde mijn armen en kuiten en scheen bij zich zelven iets te overleggen, waarvan ik de strekking ten halve begreep. De kannibalenneiging van de inboorlingen dezer kust is bekend, en mijn vriend taxeerde mij denkelijk eens, om te zien of ik al goed was voor een feestmaal van menscheneters. Bij sommige stammen bepalen ze zich er niet toe, door bewegingen hun gedachten aan te duiden, maar uiten een paar woorden, die "goed om te eten" beduiden en die u doen beseffen, met welke oogen ze uw persoon zoo nauwlettend opnemen.
Mallicolo is niet zeer vruchtbaar in het gedeelte dat wij nu bezochten; er waren weinig plantages en de grond was er dor; hij bestond enkel uit vulkanische rotsen, waarop geen boom of plant groeide. Wij haastten ons, dat ongastvrij oord te verlaten, en wij bereikten al gauw de Bougainvillestraat, die dit eiland van Espiritu Santo scheidt. Door die straat voer Bougainville, toen hij het eiland ontdekte. Langen tijd had men de Nieuwe-Hebriden beschouwd als deel uitmakend van het groote Zuidelijke vastland; maar de fransche zeevaarder bracht de waarheid aan het licht, door aan te toonen, dat zij een eilandengroep vormen, terwijl Cook later de zuidelijke eilanden er van zou ontdekken.
Het zal misschien interessant zijn, den lezer er aan te herinneren, dat bij gelegenheid van deze reis een vrouw voor de eerste maal de reis om de wereld deed. Dat feit werd door Bougainville ontdekt, juist toen hij zich bij Mallicolo bevond. Ziehier, in welke omstandigheden. Het gerucht liep aan boord van de Etoile, dat de bediende van den heer de Commerçon een vrouw was. Die persoon, Baré geheeten, volgde den meester overal heen, had mee de bergen aan de Magellaensstraat bestegen en deinsde voor geen enkelen vermoeienden tocht terug. De bewoners van Tahiti hadden het eerst hare sekse geraden, die door niemand der medepassagiers nog was vermoed; zij gedroeg zich trouwens altijd kalm en behoorlijk als een teruggetrokken, stille jonge man. Bougainville liet haar bij zich komen en zij bekende, dat ze uit droefheid over den dood van haar verloofde mannenkleeren was gaan dragen en zich als knecht had verhuurd.
Wij deden zulk een ontdekking niet aan boord van de Lady Saint Aubyn, maar na een doodkalmen overtocht, die door geen enkel incident werd gekenmerkt, lieten wij het anker vallen bij het eiland Vao, vóór de oostkust van Mallicolo. Al spoedig kregen we hier bezoek van een landgenoot, pater L., een zendeling der Maristen, die sedert twee jaren te Mallicolo woont en de inboorlingen tot het katholieke geloof tracht te bekeeren. Hij heeft niet veel succes, want de bewoners van dit eiland zijn afkeerig van europeeschen invloed; zij leven slechts van roof en plundering en hebben volstrekt geen vreedzame gevoelens tegenover den zendeling, dien zij elk oogenblik met den dood bedreigen.
Ik bewonder den moed van dezen Franschman, wiens handelingen waarlijk wel de vergelijking kunnen doorstaan met die van de engelsche presbyteriaansche zendelingen; geen zucht naar winst doet hem in deze streken blijven en hij tracht ook niet, zich een behagelijk interieur te bezorgen, dat nadeel zou kunnen doen aan de zaak die hij wil dienen. Ik bracht een bezoek aan zijn huis, van riet opgetrokken en met allerprimitiefste meubels; een houten tafel, twee matten stoelen, een bed in een hoek was alle ameublement; zijn voedsel was hoogst eenvoudig en bestond uit knollen en beschuit met hetgeen eenige blikjes opleverden. Ik dronk er echter een uitstekend glas bier, bereid uit een plant van die streek.
Vao is een dichtbevolkt eilandje, maar toen wij het anker er uitwierpen, ontdekten wij geen enkelen inboorling op het strand; alle Kanaken waren inderdaad naar liet groote eiland Mallicolo gegaan, om er op de plantages te werken of om met het geweer in de hand de arbeiders te verdedigen tegen aanvallen van de inboorlingen uit het binnenland.
Tegen vier uur in den avond zagen wij ze terugkeeren naar hun dorpen op het kleine eiland; enkelen verkochten ons in 't voorbijgaan hunne aardvruchten en boden mij een plaats aan in hun booten. Zij zetten mij aan het strand af, en ik behoefde maar enkele schreden te doen, om in het dorp te komen. Een troep varkens en honden liep dadelijk om mij heen en wilde mij de nadering beletten; maar de inboorlingen kwamen er op toe en verjoegen de dieren met hun stokken. Ik beloonde mijn redders door pijpen en tabak onder hen uit te deelen; die edelmoedigheid bezorgde mij hun vertrouwen, en zoo kon ik met hen een gesprek beginnen.
Sedert eenige dagen was een der hoofden uit het dorp boos op de blanken, omdat Mac L., van wien ik reeds heb gesproken, hem zijn zoon had ontroofd, die nu te Port-Vila bij dien Engelschman moest werken. Hij ontvouwde mij zijn grieven, en de goudgalons ziende op de mouwen van mijn buis, vroeg hij mij, of ik hem door middel van de oorlogsschepen recht wilde doen weervaren; als belooning zou ik een hermaphroditisch varken ontvangen. Dat was een prachtig cadeau in de oogen der inboorlingen, want voor een hermaphroditisch varken kan men het ver brengen in den stam, zich een hooge positie verschaffen en zelfs een vrouw koopen.
Wij hadden spoedig ons recruteeringswerk op het eiland Vao ten einde gebracht. De nabijheid van de coprahandelaars maakte, dat de menschen hun kokosnoten aan den man konden brengen en dat ze in ruil daarvoor europeesche waren konden erlangen; dus gevoelden zij geen behoefte, om elders hun kostwinning te zoeken en verlieten niet graag hun geboortegrond. Wij vervolgden onze vaart naar het Noorden van den archipel en waren voornemens, het noordelijkste en grootste eiland van de groep te bezoeken, het eiland Spiritu Santo of kortweg Santo.
Wij voeren om de zuidpunt van het eiland Malo heen en konden een fransche driekleur ontdekken, die ons in 't voorbijgaan groette. Dat was de woning van pater D., een fransch zendeling, die reeds dertig jaren in de Stille Zuidzee verblijf houdt. Hij heeft de eilanders op de Fidsji-eilanden bekeerd, en beproeft thans de inboorlingen van Malo tot het Katholicisme te brengen.
Door een gunstigen wind gedreven, kwam de Lady Saint Aubyn in het Bruatkanaal, dat het eiland Aoré van Malo scheidt en langs Tongoa gaat, waar de dweepzieke Presbyteriaan A. woont, om vervolgens het anker uit te werpen bij kaap Lisburn op de westkust van Spiritu Santo.
Ik heb weinig zulke schilderachtige plaatsen gezien als het dorp Nouvin, tegenover hetwelk wij stilhielden; het was gebouwd op de helling van een heuvel, aan welks voet een bevaarbare rivier stroomde; de oevers waren met boomen en struiken begroeid, waardoor de reizigers beschut waren tegen de felle zonnestralen, en de zandige bedding van den helderen stroom lokte uit tot het nemen van een verfrisschend bad.
Maar het komt mij voor, dat de inboorlingen van Nouvin een heiligen schrik hebben voor het heldere water, want ze zijn bedekt met een laag oud vuil, en de lompen, die maar povertjes hun naaktheid bedekken, schijnen al heel zelden met de wasch kennis te hebben gemaakt. Zij maken hun leelijkheid en hun vuilheid nog erger door de verf, die zij op zich smeren; haren en baard bedekken ze met rood oker, en als sieraden droegen ze banden van schelpen om de armen en bloemen in de haren.
Behaagzucht schijnt niet in 't bijzonder eigen aan de vrouwen, want de mannen toonen zich hier niet minder ijdel, en beide geslachten meenen zich mooi te maken door misvormingen van den neus en de ooren. De haartooi wisselt af naar den smaak der heeren en dames; de eenen droegen zeer korte haren, de anderen waren kaal geschoren en er waren er, die een klein bundeltje hadden laten staan of die het haar hadden laten groeien en het in een vlecht hadden bijeengebracht.
Ik heb in hun handen een wapen opgemerkt, dat in 't bijzonder aan Santo eigen is, een assegaai van ongeveer 2 1/2 M. lengte, van hout; de bovenkant is belegd met menschenbeenderen over een aanmerkelijke lengte en het wapen loopt uit in drie beenderen als een drietand. De wonden die er door worden gemaakt, zijn zeer gevaarlijk, want die beenderen breken af en blijven in de wond achter, waarvan zij de genezing tegenhouden. Voor een doosje buskruit kon ik verscheidene van die wapens koopen.
Wij maakten ons gereed, om langs de westkust te gaan. Dit deel van het eiland is bergachtig; de dalen zijn zeer smal en niet vruchtbaar. Er is veel overeenkomst tusschen deze westkust van het eiland Santo en de oostkust van Nieuw-Caledonië; sommige mijnontginners hebben dan ook gehoopt, dat het eiland rijk aan mineralen zou wezen en hebben er met dat doel onderzoekingen gedaan. Ik geloof niet, dat hun pogingen met succes bekroond zijn geworden.
Toen wij te Poussey passeerden, sprak een inboorling ons over een blanke, die eenige maanden geleden op de kust was ontscheept en er nu nog aan het graven was. Tot nu toe was het hem nog alleen gelukt, de inboorlingen te verbazen, die, toen ze zagen, dat hij gewicht hechtte aan steenen, hem voor een krankzinnige hielden. Het was een zekere V. een bevrijde gevangene uit Nouméa; hij heeft van zijn tocht niet veel kostbaar gesteente meegebracht, maar wel veel koortsaanvallen.
In de buurt van Poussey kwamen ons veel booten tegen, sommige met varkens, andere met aardvruchten of met suikerriet geladen. Dat punt aan de kust is een plaats, waar veel inlanders uit het binnenland samenkomen met die van de Saint-Philippebaai en Poussey. Die laatste verkoopen, in ruil voor de levensmiddelen, welke hun worden gebracht, het aardewerk dat zij zelf fabriceeren en dat zij alleen kunnen maken op het eiland. Het zijn aarden potten van verschillende grootte, vaak met lijnteekeningen versierd, en vrijwat weerstand biedend aan de hitte; ze worden voor het koken van het voedsel gebruikt.
Het scheen mij, dat de inboorlingen van Santo niet zoo laag stonden als die van de zuidelijker eilanden. Wij kregen te Poussey een man met zijn vrouw aan boord, die wel naar Nouméa wilden meegaan; maar zij stelden als voorwaarde, dat ze in hetzelfde huis en op dezelfde plantage moesten dienen. Ze hielden elkander teeder aan de hand en schenen ware genegenheid voor elkaâr te koesteren. De positie der vrouwen scheen hier over 't algemeen beter dan in de andere deelen van den archipel.
Buitendien werden de inboorlingen ook intelligenter, hoe verder wij naar het Noorden van den archipel vorderen; ze kregen meer besef ook van zedelijkheid en zorgden vooruit voor wat hun materiëel bestaan kon verbeteren. Zij eten vrij smakelijk, en een van de door ons aangeworvenen kreeg van zijn vrienden een gerecht cadeau, in bananenbladeren gewikkeld, dat heel lekker rook en bestond uit varkensvleesch met aardvruchten en kokosmelk toebereid. Zij gebruikten het òf met houten vorken òf door er balletjes van te rollen en die in den mond te steken.
Ik kreeg een uitnoodiging, om aan het festijn deel te nemen, en ik proefde het inlandsche gerecht, dat niet kwaad smaakte en zeer voedzaam moet zijn.
Onder de inboorlingen, die wij ontmoetten, hadden sommigen een lichte huidskleur, anderen waren donkerder en allen hadden sterker krullende haren dan de bewoners der zuidelijker eilanden en vooral van Erromango. In voorbijgegane eeuwen moeten volken van verschillende afkomst zich hier neergezet, en hebben zich met de autochthone bevolking vermengd; dus is het niet verwonderlijk, dat wij vrij sterke individueele verschillen aantroffen. Maar het gemiddelde type was niet leelijk; het ras van Santo was sterk en gespierd.
De vereeniging van de vele bewoners uit verschillende hoeken van het eiland op de markt te Poussey gaf aanleiding tot feesten en nationale dansen. Het heeft mij zeer gespeten, dat ik eenige dagen te laat kwam, want anders had ik een zonderlinge plechtigheid kunnen bijwonen, eigen alleen aan dit eiland.
Ofschoon ik het zelf niet heb gezien, kan ik den lust niet weerstaan, er van te vertellen naar de beschrijving, die de inboorlingen mij er van hebben gegeven. Het feest wordt geleid door het hoofd van den stam, welke man rood is gekleurd en met bloemen is behangen. Kleine speenvarkentjes worden vastgebonden en ingepakt neergelegd op de markt bij de op den grond gezeten jongelieden. Op een gegeven oogenblik loopen twee mannen naar de jongelieden toe en moeten blijven staan, om van ieder een zweepslag te ontvangen. Vaak bedekken zij hun bovenlijf met schors, om de gevoeligheid der slagen te keeren. Ieder man uit den stam moet aan de plechtigheid deelnemen. Al dien tijd dansen en springen vijf of zes inboorlingen op het feestterrein rond, en op dat oogenblik worden de kleine ingepakte varkentjes hoog in de lucht opgegooid en moeten op het hoofd der dansers terugvallen, die ze moeten vangen of oprapen.
Ik zou graag nog langer te Poussey zijn gebleven, om beter en langer de zeden dier inboorlingen te kunnen bestudeeren; maar ons werven had er geen succes. Wij moesten onzen weg dus vervolgen naar kaap Cumberland, de noordelijkste punt van den archipel. We voeren gemakkelijk er omheen, liepen in de Saint-Philippebaai binnen en ankerden dichtbij een rivier, die den naam van "de Jordaan" droeg. Daar had Quiros zijn Nieuw-Jeruzalem willen stichten, toen hij de eilanden in 1606 ontdekte. Hij hield processies aan den wal, liet het kruis rondom de baai voeren en maakte zich gereed om de fondamenten te leggen van zijn heilige stad, toen zijn metgezellen in opstand kwamen en hem dwongen naar Spanje terug te keeren.
Enkele reizigers hebben beweerd, dat de spaansche zeevaarder zijn plannen wel reeds ten uitvoer had gebracht, dat hij een stad had gesticht met muren er omheen, waarvan de sporen nog over zouden zijn. Maar ik vermoed, dat die inlichtingen alleen in het brein dergenen, die ze heetten te hebben ontvangen, waren ontstaan. Ik heb herhaaldelijk wandelingen op het eiland gedaan, en ik heb niet het minste spoor kunnen ontdekken van een oude stad. Bovendien behoeft men slechts het rapport van Quiros te lezen, om verzekerd te zijn, dat zijn plan niet werd volvoerd; 't is dus noodelooze moeite naar sporen te zoeken van iets, dat niet heeft bestaan, en het moet iets van een tweede gezicht geweest zijn, als er personen geconstateerd hebben, dat ze muren van Nieuw-Jeruzalem hebben aanschouwd.
Ik zal niet zeggen, dat de plaats slecht gekozen zou zijn; integendeel ben ik er van overtuigd, dat een ernstige poging tot kolonisatie in de Saint-Philippebaai kans van slagen zou hebben. De haven is buitengewoon ruim en heeft talrijke ankerplaatsen, maar zij is ongelukkig niet beschut tegen de noordenwinden. Acht rivieren storten zich uit in de baai en stroomen door diepe, vruchtbare dalen; de kuststrook is met een weelderigen plantengroei bedekt, en op korten afstand ziet men reeds velden met humuslagen, die voor allerlei culturen geschikt zouden zijn.
De bewoners zijn nog al zacht en vreedzaam. De Saint-Philippe baai is een der weinige plaatsen op de Nieuwe-Hebriden, waar nooit aanvallen op Europeanen zijn voorgekomen; de inboorlingen komen ons vriendelijk bezoeken en zijn gelukkig, hun producten te verkoopen tegen kruit en lood. Zij houden veel van de jacht en zijn buitengewoon behendig in het dooden van de talrijke wilde eenden, die rondvliegen aan de oevers van de Jordaan.
Hier trekken, evenals te Mallicolo, de vrouwen zich de beide voortanden uit van de bovenkaak; zij dragen geen andere kleeding dan een gordel om de lendenen. De mannen dragen een band om het middel, waaraan een vlechtwerk hangt, dat de geslachtsorganen verbergt. De beide geslachten houden er van, zich het gelaat rood te verven, en enkelen doorboren zich het tusschenschot van den neus met een stukje koraal.
De Saint-Philippebaai ligt ten noorden van den archipel der Nieuwe-Hebriden; dus moeten wij ons wel weer zuidwaarts begeven, om met de werving op die eilanden voort te gaan, eer we ons tot de groep der Salomonseilanden wenden. De inlichtingen, die wij op reis hadden gekregen, gaven ons hoop, dat we op het eiland Aoba talrijke contracten zouden sluiten; daar, zoo heette het, wenschten de bewoners in Nouméa te werken, wanneer ze in betaling geweren kregen en ammunitie. Wij verlieten onze ankerplaats aan de Jordaan, en na kaap Quiros te zijn omgezeild, wendden wij den steven naar het eiland Aoba.
De zuidoostenwinden, die hevig bliezen, vertraagden onze vaart, en ondanks den geringen afstand tusschen Santo en Aoba deden wij er drie dagen over, eer we op de noordoostkust van laatstgenoemd eiland, te Naboekiriki, landden. We gingen een kleine baai voorbij, die in den laatsten tijd op Nieuw-Caledonië zeer bekend was geworden. Daar woonde namelijk een coprahandelaar van fransche afkomst, de heer M..., wel bekend te Nouméa; enkele weken geleden was hij door de inboorlingen vermoord geworden; zijn lijk werd teruggevonden, in den grond begraven.
Ofschoon zij in beschaving zich boven de andere eilanders verheffen, en ondanks hun nauwe aanraking met de weer hooger staande Polynesiërs, hebben de inboorlingen van Aoba toch niet geheel hun bloeddorstige neigingen overwonnen; ze zijn altijd gevaarlijk en verdienen in 't geheel geen vertrouwen.
De bewoners van den oever der zee werpen alle verantwoordelijkheid voor zulke misdaden op de Kanaken uit het binnenland of van het bosch; zij zouden bijna van verontwaardiging blozen, als men hen van zulke wandaden beschuldigde, maar het is toch zaak, ook tegenover hen op zijn hoede te zijn.
Toch kan ik geen weerstand bieden van het verlangen, om het dorp Naboekiriki te bezoeken. Het hoofd van den stam is ons komen zien en inviteerde ons, om ten hunnent te verschijnen. Eenmaal aan land, volgden wij een smal pad door het bosch en kwamen weldra op een open plek, een plein, met hutten eromheen, die goed gebouwd waren, met matten uitgespreid op den vloer en zonder al te veel rook. In een hoekje stonden de trommels of liever holle boomstammen, die als muziekinstrumenten werden gebruikt, maar ze lagen op den grond en stonden niet overeind, zooals te Mélé.
Ik zag buiten het dorp een platform; daar troonde het hoofd van den stam op de dagen van sinn-sinn of groote feestelijkheden; zijn taak was het, bij die gelegenheden met zijn pijlen de varkens te dooden, die ieder inwoner moet leveren en die vervolgens worden gebruikt bij de feestmaaltijden van het volk.
Dit dorpshoofd ontving ons zeer vriendelijk; ik ontving een welkomstcadeau van hem, bestaande in een kip en veel bananen; ik gaf hem daarvoor tabak, een flesch jenever en daar ik wist, dat geweven stoffen te Aoba zeer op prijs werden gesteld, deed ik er mijn zijden halsdoek bij, waarmee hij prijken zal op de dagen der groote plechtigheden. De eenige kleeding van deze menschen bestaat in een lap katoen tot bedekking van hun naaktheid; als zij daarvoor geen europeesche weefsels hebben, nemen ze eigen gevlochten matjes, soms niet zonder smaak gefabriceerd.
Zooals ik boven zeide, de bewoners van Aoba verschillen vrijwat van de andere bewoners der Nieuwe Hebriden; dat hangt samen met de ligging van het eiland, die zeer gunstig voor vreemde immigratie is, met name van de Samoa-eilanden. In een betrekkelijk nog niet ver achter ons liggenden tijd moet Aoba Polynesiërs hebben opgenomen, komend van de naburige eilandengroepen. Die hebben zich vermengd met de oorspronkelijke bewoners, en zoo is dat bijzondere ras ontstaan, dat een eigenaardigen lichaamsbouw en eigen gewoonten en zeden kan aanwijzen. In een groep menschen van de Nieuwe-Hebriden zal ik altijd de Kanaken uit Aoba kunnen ontdekken aan hun groote gestalte, hun intelligent gelaat, het niet zeer geaccentueerde prognatisme, de krullende haren en vooral aan de lichte gelaatskleur. Evenals de Polynesiërs wonen deze Kanaken niet in kleine dorpen bijeen, maar vormen groote stammen of volken, wier hoofden eene absolute heerschappij uitoefenen. Hun taal bevat veel bestanddeelen, die aan de dialecten van Tahiti, Tonga en Samoa herinneren. Ik zal niet verder ingaan op de ethnologische verschillen; men zou veel ruimte noodig hebben, om ze nauwkeurig na te gaan. Maar ik ben blij, Aoba te hebben bezocht, want op dat eiland heb ik de ingewikkelde quaestie van de verhuizingen in de Stille Zuidzee kunnen bestudeeren.
Die vermenging met polynesisch bloed verklaart de groote losheid van zeden, die dit eiland kenmerkt; de Papoea is namelijk zeer jaloersch en onttrekt zijn vrouw liefst aan alle onbescheiden blikken; maar de bewoner van Aoba is niet zoo scrupuleus en aarzelt niet, zijn vrouw volle vrijheid te laten. De jonge meisjes zijn ook ver van beschroomd en vluchten niet bij de nadering van een vreemde, zooals op de andere eilanden; met een lapje rood katoen of een parasol wordt haar deugd gemakkelijk op zij gezet.
Ik verliet het dorp Naboekiriki en alle bewoners deden mij uitgeleide tot op het strand. We liepen een groep jonge vrouwen voorbij, die in zee hadden gezwommen en zingend naar het dorp terugkeerden; zij groetten mij lachend en schenen zich vroolijk te maken over den vreemdeling.
Een kleine boot wachtte, om mij naar ons schip terug te brengen, en even later zette de Lady Saint Aubyn naar Walhara koers.
Daarna gingen wij naar Duin-Dui, waar ik een Kanakeninboorling ontmoette, die eigendommen had in Queensland. Hij sprak zuiver Engelsch en had met parelvisscherij in de Torres-straat zich een groot fortuin verworven. Daarna was hij te Brisbane gaan wonen en had een Engelsche getrouwd. Hij was nu een paar maanden in zijn geboorteland komen doorbrengen en was voornemens, spoedig naar Australië terug te keeren. Zijn voorbeeld toont aan, hoe dit ras zich op kan werken en pleit voor de intelligentie der bewoners van Aoba.
Wij passeerden het eiland Aurora, dat kort na ons vertrek een treurige vermaardheid heeft verkregen door een catastrophe, die schrik en ontsteltenis verspreide onder de zeevaarders van den Stillen Oceaan en vooral onder hen, die, als wij, zich met de werving van arbeidskrachten bezighielden.
Wij hadden te Port Havannah een jongen Creool van Mauritius ontmoet, die in den archipel reisde met zijn schip, de Constantine, waarop een fransche kapitein het bevel voerde. Hij liet het anker vallen vóór de kust van Aurora met het plan, er eenige inboorlingen te huren, maar de bewoners van het eiland maakten misbruik van het vertrouwen, dat de Creool in hen stelde, en vermoordden hem en den kapitein met enkelen der bemanning, terwijl het schip in brand werd gestoken.
Alle eilanden van de groep der Nieuwe-Hebriden zijn gevaarlijk; er is er geen enkel, waar men een onbepaald vertrouwen in de inboorlingen kan stellen. Maar Aurora of Maïro verdient speciaal den slechten naam, dien het heeft; men moet daar bij uitstek voorzichtig zijn.
Overigens kan men aan hun gewoonten al gauw merken, met welke soort van menschen men te doen heeft; als een der Kanaken sterft, is het de gewoonte een anderen te dooden, om den doode gezelschap te houden; het is niets ongewoons, dat een moeder haren zoon vraagt om haar te dooden, ten einde een gestorven dochter niet alleen de reis te laten doen.
Geen enkele Europeaan hield ten tijde van ons bezoek op Maïro verblijf, en ik geloof niet, dat er ooit een blanke heeft gewoond. Het gemis aan veiligheid, de afwezigheid van havens houden vreemde schepen op een afstand; de bevolking is er echter talrijk en de plantengroei weelderig; men vindt er vooral veel broodboomen, die er het hoofdvoedsel leveren evenals op Tahiti. Het eiland is goed besproeid, en van het dek der boot konden wij watervallen onderscheiden, die van groote hoogte neervielen en een schilderachtig aanzien aan het eiland gaven.
Daarna verlieten wij den archipel der Nieuwe-Hebriden. Met een gunstigen wind zette ons scheepje koers naar het Noordwesten, en wel naar de Salomonseilanden, waarvan ongeveer 800 mijlen ons scheidden.
De archipel der Salomons-eilanden werd door Mendana in 1564 ontdekt, en sinds dien tijd is hij alleen bezocht geworden in de 18de eeuw door Surville en d'Entrecasteaux. Ten tijde van zijne expeditie naar het eiland Vanikoro deed Dumont d'Urville deze eilanden aan; maar sinds dien tijd is er nooit een fransch oorlogschip verschenen.
Onze aardrijkskundige litteratuur levert ook in 't geheel geen documenten over de Salomons-eilanden, al zijn ze belangrijk genoeg ook uit het oogpunt van den reiziger. Hun oppervlakte is tienmaal die van Corsica. De grootste eilanden zijn Bougainville, Choiseul, Isabel, Malaïta, San Cristoval en Guadalcanar; de drie laatste hebben wij bezocht.
Het deed ons allen veel genoegen, die zoo weinig bekende streken te leeren kennen. Honderdmaal had men ons de vijandige gezindheid der bewoners voor oogen gesteld, hun woeste zeden en hun aanvallen op Europeanen.
Welk vertrouwen verdienden die verhalen? Zullen wij ook van dergelijke aanvallen te lijden hebben. De uitkomst zou ons dat alles precies leeren.
Den 30_sten_ September, tegen acht uur's morgens, werd dus het land met vreugde begroet, en onze oogen trachtten het kleine stipje te herkennen, dat alleen een zeer doordringend oog kon onderscheiden.
Wij naderden de kust bij de oostpunt van de zuidkust op het eiland San-Cristoval.
Maar weldra ging de wind liggen; wij konden niet voort, en eerst om drie uur in den namiddag konden wij er aan denken, aan land te gaan, terwijl ons schip, daar er geen haven was, op twee mijlen afstands van de kust moest blijven.
De beide bij ons schip behoorende booten werden meegenomen, en ik nam er in plaats met de wapens en de ammunitie, om ons te verdedigen, en met de ruilwaren en geschenken, die voor ons de inboorlingen gunstig moeten stemmen.
Wij wendden ons naar het dorp Makira, waarvan de hutten, aan het strand gelegen, aardig tegen het groen uitkwamen en veel geleken op groote bijenkorven. Zij werden overschaduwd door tal van kokospalmen en stonden te midden van een weelderigen plantengroei, herinnerend aan dien der tropische landen. Geen duimbreed gronds, of er hadden zich planten ontwikkeld, en er waren hier en daar dichte bosschen verrezen, waarin licht en lucht slechts met moeite doordrongen.
Onze beide bootjes bleven bijeen, om elkander zoo noodig wederkeerig te beschermen; dat was een eisch van voorzichtigheid, want een verrassing of plotselinge aanval van de zijde der inboorlingen behoorde niet tot de onmogelijkheden. Op eenige meters afstands van het dorp zagen wij de inboorlingen ons te gemoet komen, allen gewapend met assegaaien, knotsen en andere wapens, zoo niet tot den aanval, dan toch ter verdediging geschikt, want zij kenden ook onze bedoelingen niet.
Er werd een gesprek aangeknoopt. Onze hoedanigheid van Franschen en onze komst uit Nouméa scheen de bewoners niet af te schrikken, dus hebben onze voorgangers er geen slechten indruk achtergelaten. Zoodra ze waren gerustgesteld, naderden ze ons; ze vroegen om 't hardst om tabak, pijpen en lucifers, en hun geestdrift steeg ten top, toen wij hun een geweer en patronen gaven en dat beloofden aan elken inboorling, die te Nouméa wilde komen werken. Dadelijk verklaarden twee sterke, jonge mannen zich bereid om te vertrekken, en zonder op de smeekingen en vertoogen van hunne vrienden te letten, klommen ze in de boot en plantten zich op de achterbank.
De tegenwerpingen van de ouders zonken in het niet voor de betaling, die voor beide verbintenissen werd uitgekeerd; wij gaven hun een Snidergeweer, 20 patronen, 1 K.G. tabak, 20 pijpen, 20 doosjes lucifers, een groot mes en eenig glaswerk, alles misschien ter waarde van ongeveer 30 francs.
Ik kon op mijn gemak deze inboorlingen bekijken, die om ons heen drongen, begeerig om ons wat te verkoopen, armbanden, wapens e.d. In enkele minuten deed ik voor een zeer bescheiden sommetje den aankoop van vele ethnographisch interessante voorwerpen, die een plaats zullen erlangen in 't museum op het Trocadéro. Ik wachtte tot ik weer aan boord zou zijn, om ze te rangschikken en te onderzoeken wat ze mij zouden kunnen leeren over het karakter van dit ras, dat mij op het eerste gezicht uit verschillende elementen scheen samengesteld, goed van elkander te onderscheiden door kleur, vooruitsteken van de wangbeenderen en soort van haar.
Dadelijk bij onze nadering had mij het groote aantal vrouwen en kinderen getroffen, dat op ons was komen toeloopen en ons met nieuwsgierige blikken bekeek; het was een goed voorteeken, want in geval van vijandige bedoelingen zouden de mannen, om vrijer in hunne bewegingen te zijn, wel hun gezinnen op den achtergrond hebben gehouden.
Die vrouwen kwamen geheel naakt op het strand; ze hadden zelfs niet het vijgenblaadje, dat Eva beroemd heeft gemaakt; ze waren slank gebouwd, en het ontbrak haar niet aan een zekere gratie. Het onbescheiden kijken van de vreemdelingen scheen haar niet te verontrusten en ook niet de jaloezie der mannen gaande te maken.
Zij vroegen vrijmoedig om tabak, en er waren een paar tandelooze oudjes, die een stompje pijp in den mond hadden, 't welk bij gebrek aan voedsel lang had gerust. Deze kust wordt zeer zelden door vreemde schepen aangedaan, en europeesche waren zijn er schaarsch.
Het was een wedstrijd, wie van haar het snelst haar parelmoeren armbanden en oorringen of neusversierselen zou afdoen, om ze af te staan tegen een doosje lucifers, een pakje tabak of een halssieraad van koralen. De katoenen of andere geweven stoffen hadden hier in 't geheel geen waarde; die zijn overbodige luxe voor de schoonen van de Salomonseilanden.
De sympathieke ontvangst, die wij genoten, haalde ons over, uit de booten te stappen en het dorp van dichterbij te bezien. Het lag eenige meters van het strand verwijderd, en op den rug van een inboorling gezeten, zette ik voor de eerste maal den voet op den grond der Salomons-eilanden, of eigenlijk raakte mijn voet eerst later den grond. In betaling gaf ik mijn drager een patroon en nam hem als gids aan.
De huizen stonden achter elkander tegen een heuvelhelling aan, die tot het strand doorliep. Om er te komen, moesten wij over groote boomstammen springen, die door den storm gevallen waren, en die door de zorgeloosheid der inboorlingen maar op den weg waren blijven liggen. Overal stonden verder reuzenboomen, die diepe schaduwen wierpen over de lage, primitieve hutten. Men behoeft geen bekwaam bouwmeester te zijn, om in een oogenblik zoo'n huis te verwaardigen, waarin deze menschen wonen met heel hun gezin en hun honden en varkens. Eenige bamboestaken, dicht aaneen in den grond gestoken en door lianen aaneengebonden, een paar palen nog om het stroodak te steunen, een opening aan elken kant en 't huis is gereed; de grond zelf dient als vloer, een paar steenen als vuurhaard, dorre bladeren als familielegersteden. In den eenen hoek lagen wapens, in een anderen houten drinknappen en eenige matten, dat was alle meubileering. Een deur ontbrak, er was niets te halen voor dieven.
Met de grootste vriendelijkheid lieten de inboorlingen mij binnen in hunne huizen, en ze zouden het zelfs onvriendelijk hebben gevonden, als ik aan hunne uitnoodiging geen gevolg had gegeven. Zij schenen mij iets beters te verdienen dan hun slechten naam, en voorwaar, toen ik in een der hutten was, om naar een zeldzaam wapen te kijken, zou het hun niet moeilijk zijn gevallen mij het leven te benemen.
Daar het al laat was, konden wij niet lang te Makira blijven, en zoo groot en vast was ons vertrouwen nog niet, dat wij den nacht aan den wal durfden doorbrengen. Begeleid door de geheele bevolking, mannen vrouwen en kinderen, bereikten wij weer onze booten, die aan de hoede van enkele matrozen waren overgelaten geweest, en een half uur later waren we aan boord van de Lady Saint Aubyn terug. Verrukt over ons eerste uitstapje en rijk voorzien van ethnographica, namen wij ons voor, zoo dikwijls het ons mogelijk zou wezen, aan land te gaan.
Maar ik was nog niet lang aan boord terug, of ik bespeurde, dat eerlijkheid geen hoofddeugd van deze primitieve wilden was; en de verdwijning van mijn revolver en mijn patronenkoker waarschuwde mij, dat ik voortaan beter het oog zou hebben te houden op hun lange vingers. De talrijke assegaaien, die ik had meegebracht, stelden mij niet schadeloos voor het verlies van mijn eigen wapen; maar sommige ervan waren mooi, wel vier meter lang en uitloopend in punten van been of van ijzer. De behendigheid in het werpen is bij deze inboorlingen verbazingwekkend; op een dertigtal meters afstands missen zij nooit het doel, dat zij zich hebben gesteld.
Wij verlieten dien nacht de kust en wendden ons naar het eiland Santa Anna ten zuiden van San Cristoval; wij meenden er een tolk te zoeken, want zoo iemand kunnen wij niet missen bij onzen arbeid van de werving.
Den volgenden morgen tegen zes uur in den morgen lieten wij, na om kaap Surville heengevaren te zijn, het anker vallen te Uaah, dat is de inlandsche naam van Santa Anna. Dadelijk stak er een boot van wal en voer op ons af, zij bracht het hoofd May naar ons over, een man, die bij de kooplieden welbekend is en die zeer gevreesd is bij de stammen, naar wier dorpen het hem behaagt, zijn oorlogsbooten te zenden. Zijn oorlogzuchtige bedoelingen waren algemeen bekend en zij brachten hem later veel geschenken in vanwege de hoofden der dorpen, die wij langs de kust van San Cristoval bezochten. Hij bood ons namelijk zijn diensten aan als loods en tolk, en wij namen die zonder aarzeling aan.
Hij inviteerde ons, om zijn dorp te bezoeken en bood ons een plaats aan in zijn wankel bootje; maar wij gaven er de voorkeur aan, in de boot van ons schip te gaan, en deze zette ons spoedig aan het strand af in een zandige kleine baai. Nauwelijks aangekomen, werden wij bezocht door een van die geïsoleerde Europeanen op de eilanden van de Stille Zuidzee, die zich zelfs niet meer de plaats hunner geboorte herinneren, en die in hun avontuurlijk leven alle eilanden zoowat hebben bezocht. 't Was de heer F., een in Finland geboren Rus; hij woont al sinds een tiental jaren op de Salomons-eilanden en wordt er niet bepaald rijk door den coprahandel.
Hij woont er vrij goed in een houten huis met een veranda eromheen, dat hij aardig heeft ingericht en versierd met allerlei inlandsche wapens en veel cosmopolitische chromolithografieën; hij heeft zelfs, wat in dat land het toppunt van deftigheid vertegenwoordigt, een franschen kok.
Maar het schijnt dat die landgenoot er niet naar verlangt, kennis met ons te maken; ik begrijp zijn aarzeling, toen hij eindelijk besloot, zijne opwachting te maken. Wij ontdekten in hem al spoedig een strafgevangene, ontsnapt uit Nieuw-Caledonië. Enkele maanden tevoren waren drie misdadigers ontvlucht uit de zuiderbaai met een klein scheepje, dat hen naar de Loyalty-eilanden had gebracht, een dépendance van onze kolonie. Daar zij meenden, in een onafhankelijken archipel te zijn aangeland, gingen zij vol vertrouwen aan wal, maar ze werden gevangen genomen en voor den administrateur dezer eilanden gebracht. Ze wisten echter opnieuw te ontkomen, en, dezen keer gelukkiger terechtkomend, deden ze het eiland Guadalcanar aan, na een lastigen overtocht. Zij deden zich voor als schipbreukelingen van een fransch schip op weg naar Batavia en werden door de blanken van de Salomons-eilanden goed opgenomen. Ik meende den Rus van Santa Anna maar niet nader te moeten inlichten omtrent de herkomst van zijn kok. Moge deze zich een nieuwe levensbladzijde van maagdelijke moraliteit hebben omgeslagen en aldus zijn vroegere fouten boeten.
Ons bezoek bij den heer F... was van korten duur; ik haastte mij om een toertje te gaan maken in het inlandsche dorp en daar enkele gegevens te verzamelen. Wij konden er onbeschroomd binnengaan en ons vrij onder de Kanaken bewegen; Santa Anna is het beschaafdste eiland van de groep, en kapitein Mac Donald, een ervaren reiziger uit den Stillen Oceaan, heeft er lang gewoond, zonder ooit aan gevaar te zijn blootgesteld.
Onze aankomst werd met een groot geschreeuw begroet; de mannen liepen ons tegemoet, terwijl de vrouwen zich beschroomd en angstig achter in de hutten verscholen en niet voor den dag durfden komen.
De mannen waren vriendelijker; zij liepen met ons mee en brachten ons dadelijk in de hut, waar de oorlogsbooten lagen. Dat huisje was het belangrijkste monument van het geheele eiland; de inboorlingen waren er trotsch op en wilden er gaarne de honneurs van waarnemen voor de vreemdelingen. Het ongeveer 4 M. hooge huis werd gesteund op palen van beeldhouwwerk, die dieren en menschen moesten verbeelden.
Het is de karakteristieke eigenaardigheid van de inboorlingen van Santa Anna, dat zij knap zijn in het maken van booten; men kan het eiland de scheepswerf noemen van den geheelen archipel. Wij zagen er de echte oorlogsjonk van wel 7 à 8 M. lengte, waar 60 à 70 roeiers plaats in vinden; een speciale zitplaats is achterin de boot bestemd voor den leider, die het gevecht regelt. De booten hebben geen steunbladen, zooals de booten der inboorlingen van de Nieuwe-Hebriden en van Nieuw-Caledonië vertoonen.
De vaartuigen hier waren met parelmoer ingelegd, aan beide uiteinden omhooggebogen en van teekeningen voorzien; aan de randen waren gebeeldhouwde dieren aangebracht, als honden en vogels; tusschen bloemguirlanden; de stevigheid is buitengewoon groot en de zeewaardigheid voldoende, om te maken, dat de inboorlingen er 50 à 60 mijlen mee kunnen roeien, want van zeilen maken ze nooit gebruik.
Het gebouw, waarin de booten werden bewaard, stond onder de bescherming van een godheid, aan wie een menschenleven wordt geofferd telkens als er een nieuwe oorlogsboot van stapel loopt. Ook is er een boot speciaal voor den god bestemd, en in een hoek stonden artikelen, als huisraad en allerlei vazen, te zijnen gebruike. Nooit willen de inboorlingen een dier voorwerpen afstaan, hoe hoog de prijs ook zij, die hun ervoor wordt geboden, en ze zouden den vreemdeling niet sparen, die het mocht willen wagen, met hun vooroordeelen en hun bijgeloof te spotten.
Het bezoek aan het dorp Santa Anna hield ons den geheelen morgen bezig. Op den middag verlieten wij het eiland, om ons naar de noordkust van het eiland San Cristoval te begeven. May vergezelde ons en diende ons tot loods, om ons de haven Fanariki te helpen bereiken; wij hoopten er den volgenden morgen vroeg aan te komen.
Gedurende den korten overtocht kon ik een algemeen overzicht krijgen van de eilanden, die het zuidelijk gedeelte van den archipel uitmaken; Malaïta, San Cristoval, Hougué, Santa Catalina en Santa Anna kwamen duidelijk uit, en we konden alle goed herkennen.
De duur van een nacht was voldoende, om de weinige mijlen af te leggen die ons van Fanariki scheidden. Zoodra de Lady Saint Aubyn voor anker lag, gingen wij aan land, om een bezoek te brengen aan het dorpshoofd, dat den naam van Quarter droeg. Allereerst was het bij de recruteering noodig, dat wij de goede gezindheid verwierven van de hoofden. Zij hebben een onbeperkt gezag en besluiten niet om een inboorling te laten vertrekken, als ze niet eerst veel geschenken hebben ontvangen en veel drank hebben genoten. Toen dan ook Quarter van onzen kapitein een flesch jenever en een prachtig Lefaucheux-geweer had ontvangen, beloofde hij ons zijne medewerking en verzekerde ons, dat wij veel verbintenissen zouden kunnen aangaan op zijn grondgebied. Dat laatste beteekent trouwens nog niet veel bij deze koninkjes van de Salomons-eilanden. De inboorlingen vormen namelijk kleine verspreide groepen, en het gezag van een inboorling en hoofd reikt niet verder dan eenige mijlen van de plaats, waar hij woont.
Quarter aarzelde dan ook, ondanks zijn groot gezag in eigen dorp, den voet te zetten op het terrein zijner buren; hij heeft altijd zoo een en ander op zijn geweten, en hij is niet gemakkelijk tegenover de bevolking om hem heen. May, onze loods en Quarter, onze gast, zijn twee beroemde jagers op menschen; zij begrijpen elkander en zijn vereenigd in een vriendschap, die bevestigd is door veel samen vergoten menschenbloed.
De onderdanen van Quarter zijn volstrekt niet veilig, en hij beschikt naar willekeur over leven en goed der zijnen. Hij wou ons zelfs wel eens toonen, hoe weinig hij geeft om een menschenleven meer of minder, en hij zou niet aarzelen, te onzer eer een paar zijner landgenooten te offeren. Maar wij haastten ons hem te zeggen, dat we hem op zijn woord geloofden, en dat we heelemaal geen bewijzen voor zijn bewering verlangden.
Intusschen was zijn houding tegenover Europeanen welwillend, en dank zij zijne bescherming, konden wij in alle gerustheid de omstreken van het dorp bezoeken.
We zagen bij die gelegenheid ook de aanplantingen van de inboorlingen op de helling der bergen. De Kanaken of liever hun vrouwen ontbosschen het terrein door verbranding en planten er daarna hun aardvruchten. Zij eten die taro's en buitendien veel bananen, hun hoofdvoedsel, dat zij zoowel gekookt als rauw tot zich nemen.
Toen we die plantages hadden bekeken, liepen wij die gedeelten van het bosch in, waar de bijl van den mensch nog nooit had gekapt; wij konden oordeelen over de vruchtbaarheid van den grond en bemerken, hoeveel voordeelen die zou kunnen opleveren, als ervaren landbouwers er aan het werk gingen. Onder de reuzenboomen, die men overal ziet, ligt een dikke humuslaag, waaruit bij de warmte en de vochtigheid vaak schadelijke dampen opstijgen; maar als er meer licht en meer lucht in die bosschen werd toegelaten, zou het land gezonder worden en de grond zou er niet minder vruchtbaar om zijn.
Op onze wandeling ontmoetten wij eene groep jonge vrouwen, die gebukt gingen onder den oogst van bananen, voor Fanariki bestemd; zij liepen onder toezicht van een inboorling. Hoewel haar levenswijze niet maakt, dat haar schoonheid lang bewaard blijft, zag ik er toch onder, die er aardig uitzagen, en ze zouden zelfs mooi kunnen heeten, als ze niet tot allerlei dwaze ontsieringen waren overgegaan.
Een van haar had het tusschenschot van den neus doorboord en had er een ring van schildpad aan gehangen; eene andere had het oorlelletje zoo uitgerekt, dat zij er een houten blokje of schijfje had kunnen insteken van 0.05 M. middellijn. Men ziet het, de behaagzucht is nergens de wereld uit. De dames hadden regelmatige trekken, zijdeachtige, niet gekroesde haren als bij negerinnen, en ze waren goed geproportionneerd.
Zoo kwamen wij terug in Fanariki. In onze afwezigheid hadden de onzen veel succes gehad met het werven; vijf inboorlingen gingen mee op ons schip, namelijk Sohima, Toro, Tarimbanne, Tagaro en Soemanson. Zij vonden het aardig, te gaan naar een land van blanken, en onbewust zullen zij meehelpen tot den vooruitgang van de fransche kolonisatie in Nieuw-Caledonië. Het waren knappe, sterke, jonge mannen tusschen 18 en 22 jaar; hen trokken de zucht naar het onbekende en de zin voor avonturen, en zij moeten moed hebben, om weg te gaan, want in hun verbeelding zien ze niet alleen wonderen, maar wel degelijk ook gevaren.
Er wordt gewoonlijk beweerd, dat zij gaan op bevel hunner hoofden of van hun ouders; maar dat is een vergissing; zij moeten integendeel meestal den tegenstand van de ouders overwinnen en den onwil van hun hoofden, die het volstrekt niet prettig vinden, het aantal hunner strijders te zien verminderen.
Door velerlei geschenken moeten wij de smart der scheiding verzachten. Maar zoodra het schip de kust verliet, werden we met geschreeuw uitgeleid, en ik heb wel jonge meisjes zwemmend onze boot zien volgen en pogingen zien aanwenden, om door waarschuwingen en gebeden den broeder terug te houden, die haar misschien voor altijd ging verlaten.
Wij vervolgden onzen weg naar de Wannoni-baai, De pas ingescheepte Kanaken verzochten mij, of ik hen op mijn register wilde inschrijven. Ze wisten, dat die plechtige formaliteit onmisbaar is, als hun contract geldig zal zijn. Het is in hun belang, als de plaats hunner geboorte staat opgeschreven en de duur van hun contract, opdat men hen, als het tijd is, naar huis kunne terugbrengen, namelijk als de drie jaren, waarvoor ze zich verbinden, om zijn.
Ik liet hun een volledig stel kleederen geven en een deken; hoewel ze een lange reis gingen ondernemen, was er geen sprake van bagage, en naakt als wormen trokken ze uit hun dorp weg. Toch zag ik nog, dat ze allen een heel klein gevlochten zakje droegen, en door nieuwsgierigheid gedreven, zag ik na, wat er in was. Het bevatte een beschilderd bamboekokertje met de ingrediënten voor het sirih-kauwen, een paar arekanoten dus, wat tabak en betelbladeren. Ze doen allen aan het betel- of sirih-kauwen, deze inboorlingen, en de gewoonte moet door de Maleiers er zijn ingevoerd. Dit is niet het eenige bewijs van maleischen invloed; men vindt, uit anthropologisch en ethnographisch oogpunt kijkend, er nog zeer veel sporen van.
Wij kwamen te Wannoni aan en ankerden in een ruime baai, tegen de heerschende zuidoostenwinden beschut. De inlichtingen, die wij hadden ingewonnen, leerden ons, dat dit deel der kust zeer bevolkt was, en dat de inboorlingen uit het binnenland er dikwijls kwamen handel drijven. Wij zouden dus die menschen uit de wildernis kunnen aanschouwen, die aanmerkelijk verschillen van de kustbewoners.
Ik geef aan elken zeevaarder, die deze eilanden bezoekt, den raad, de Wannoni-baai niet voorbij te gaan; hij zal er in overvloed zoet water kunnen innemen uit twee groote rivieren, die in de baai uitloopen, en als het noodig is kan hij van de inboorlingen proviand koopen, als bananen, suikerriet, aardvruchten en varkens. Wij bereikten een dorp, dat ongeveer 500 inwoners had. De huizen waren gelegen op de oevers van één der rivieren, en wij hielden gemeenschap met de overzijde door onze bootjes; de inboorlingen waren nog niet zoo slim geweest, om de noodzakelijkheid van een brug in te zien.
Wij ontmoetten vrouwen aan hare huiselijke bezigheden, bananen bereidend voor den avondmaaltijd, of visch schoonmakend, en bereikten weldra het voornaamste huis uit het dorp. Bij elken stam heeft men een gemeenschappelijk huis, dat tot plaats van samenkomst dient voor het mannelijk deel der bevolking; de vrouwen mogen er niet binnenkomen, omdat haar maatschappelijke rang te laag is, dan dat zij een woordje zouden mogen meespreken bij de discussies van haar echtgenooten.
Op het platform vóór de hut stonden de mannen dan ook druk te praten over het mooie weêr en de lange dagen en vertelden elkander, wat ze hadden gezien op hun reizen naar Queensland en Nieuw-Caledonië en de Samoa-eilanden. Ze besloten er ook tot komende oorlogsexpedities en kozen de plaatsen uit, die van de kusten in de buurt in aanmerking kwamen voor het zenden van oorlogsbooten.
Onze komst wekte de algemeene nieuwsgierigheid, en, getrouw aan de algemeene bedelachtigheid, begonnen ook zij te vragen naar pijpen en naar tabak. Ik heb tot principe aangenomen, nooit eenig geschenk te geven, waarvoor geen wederdienst wordt bewezen. Eén van hen verdween uit de groep, om uit zijn huis een prachtigen boog met pijlen te halen, en na lange onderhandelingen gaf ik hem er tien rollen tabak voor in betaling. De boog was werkelijk mooi en artistiek gemaakt; hij was aan de rugzijde met parelmoer ingelegd en was gespannen met een zeer stevig koord van gevlochten lianenvezels; zoo'n boog heb ik op mijn latere omzwervingen nergens meer aangetroffen, en het museum op het Trocadéro zal met dit eenig exemplaar worden verrijkt.
De inboorling, die hem mij verkocht, beweerde hem te hebben gekocht van een inboorling uit Malaïta; maar ik vrees, dat dit niet waar is en dat het alleen gezegd wordt, om de waarde van het voorwerp te verhoogen. Deze eilandbewoners gaan immers juist door voor de handigste en bekwaamste.
Ik kon ook een stuk beeldhouwwerk van hout bemachtigen boven van een huis; en ik kocht andere ethnografische voorwerpen, als vazen, borden en ander houten huisraad.
Zooals ieder europeesche natie haar eigen oorlogswapen heeft en een veelgebruikt soort van geweer, zoo vindt men op de groep der Salomons-eilanden knotsen van verschillende soort; ieder eiland heeft er zijn eigene, door de inboorlingen in aanval en in verweer nog liever gebruikt dan de assegaai, waarmee ze zoo uiterst behendig werpen.
De knots van San Cristoval is van zeer hard hout, en heeft den vorm van een sikkel van soms wel 1.50 M. lengte. Het is een geducht wapen in de handen der inboorlingen, en vaak heeft het hun gediend, om Europeanen uit den weg te ruimen. Wie er een slag mee heeft ontvangen staat niet weer op.
Bij gelegenheid van ons bezoek aan het dorp in de Wannoni-baai deden wij een uitstapje in het binnenland en voeren een eind de rivier op; wij kwamen daarbij ook weer in bosschen, nog niet door menschenhanden aangeraakt. Er waren veel vogels, en hun gekweel was de eenige verlevendiging der eenzaamheid; als de inboorlingen er door gaan, houden ze zich zoo stil mogelijk, en trachten hun aanwezigheid te verbergen, uit vrees dat een achter een boom verscholen vijand hen onverhoeds mocht aanvallen en hen berooven van het weinige, dat zij bij zich dragen.
Warmte en vocht zijn de beste hulpmiddelen voor de ontwikkeling van den plantengroei, en die worden op de Salomons-eilanden aangetroffen. Zoo konden wij op die wandeling langs de smalle boschpaden reuzenboomen bewonderen, waaronder veel bananen met groote luchtwortels. Kokospalmen waren er niet veel, die bleven meestal tot het strand beperkt; ze waren minder algemeen dan op de Nieuwe-Hebriden en de Fidsji-eilanden, en de coprahandel, de verkoop van het gedroogde kokosnotenvleesch, is veel minder algemeen hier dan in beide genoemde archipels.
Maar daarentegen komt hier de boom voor, die plantaardig ivoor levert; het is ook een palmsoort, die den wetenschappelijken naam Phytelephas macrocarpus draagt en een eigenaardig voorkomen heeft. De bladeren zitten laag, bijna op den grond en komen voort uit een lagen stronk, die een weinig op een cactusplant gelijkt. Hij brengt zaden voort, die vóór ze rijp zijn, een waterig vocht bevatten, dat later melkachtig van kleur en consistentie wordt en eindelijk een witte kleverige massa vormt. Is het zaad, dat de grootte van een dikke kastanje heeft, volkomen rijp, dan is die massa hard geworden als ivoor en lijkt daar ook precies op. Daar die stof veel duurder is, wordt het plantaardig ivoor er dikwijls voor gebruikt; men maakt er sieraden van en voert de stof in groote hoeveelheid uit van de Salomonseilanden; er wordt 200 francs voor een ton betaald.
Aan de beide rivieroevers vonden wij telkens sporen van kaaimans; die dieren krioelen in de wateren van den archipel, maar ze worden bijna nooit buitgemaakt, altijd zijn ze den inboorlingen te slim af.
Wij hadden geen enkelen inboorling gezien en kregen van dat verschijnsel de verklaring, toen wij in Wannoni terugkwamen en daar hoorden, dat er oorlog was tusschen hen en de stammen in het binnenland.
De aanleiding tot die onderlinge gevechten der naburige stammen is soms de behoefte aan slaven, dan weer de roof eener vrouw, die als een moderne Helena een oorlog van Troje teweegbrengt.
Maar ten tijde van onze komst was men bereid, een wapenstilstand af te kondigen tusschen de beide oorlogvoerende partijen. De inboorlingen van de kust wilden wel toestaan, dat die uit de wildernis met ons handel kwamen drijven. Eenige dagen later werd ons dan ook de komst aangekondigd van de boschmenschen, op de aangeduide plaats verschenen, op neutraal terrein aan de baai. Zij waren driehonderd in getal, mannen van elken leeftijd en vrouwen en kinderen.
Wij gingen aan wal, om de onderhandelingen te beginnen; pas hadden we elkander begroet, of vier jonge mannen sprongen in onze boot en ondanks de smeekingen van hun vrienden verklaarden zij zich bereid, mee naar Nouméa te gaan. De betaling geschiedde terstond, maar daar er meer inboorlingen lust hadden, met ons te gaan, begonnen ze heftig tegen elkander uit te varen, en wij waren genoodzaakt, maar gauw aan boord terug te gaan. Het was gelukkig, dat een tweede gewapende boot bij ons was, om de menschen aan het strand in bedwang te houden, anders zou het ons moeite hebben gekost, de Lady Saint Aubyn weer te bereiken, zonder door assegaaien te worden geraakt.
We spoedden ons haastig van daar weg en ankerden een paar dagen later in de Paola-baai bij Tavaro, de plaats, waar de inboorlingen van het noordelijk deel der kust veel samenkomen, omdat men er beschut is tegen de heerschende zuidoostenwinden, en men er gemakkelijk zoet water kan krijgen uit een breede, snelstroomende rivier.
Nadat we te Tavaro een paar contracten hadden afgesloten, begaven wij ons naar het eiland Hougué en zouden daarna varen langs het eiland Malaïta.
Door gunstigen wind gedreven, naderden wij weldra Hougué, herkenbaar aan zijn ronde gedaante, als een rond stuk koraal op de zee neergelegd. Het is een laag eiland met een weelderigen plantengroei, waaronder de inlandsche hutten aan het strand zich verbergen.
Er wonen ongeveer 800 inboorlingen, echte zeeroovers, wel beveiligd tegen vreemde invallen, omdat ze zelf herhaaldelijk de anderen bedreigen. Ook hier leefde een uit Nieuw-Caledonië ontvluchte Franschman onder de Kanaken en deelde in hun leven; hij heeft het niet noodig geacht, ons met een bezoek te vereeren, maar hij is sedert dien al weer opgepakt en in de gevangenis van Nouméa teruggegebracht.
Wij zetten onzen weg voort, en al spoedig kwam het eiland Malaïta in het gezicht. Er zijn weinig eilanden in de Stille Zuidzee, zoo bekend als Malaïta. Het gaat voor het gevaarlijkste van de Salomonseilanden door, waar de aanvallen op blanken het talrijkst zijn. Toen wij er waren, sprak men nog van een onlangs voorgevallen catastrophe, die schrik had verspreid onder de blanken in de buurt. Een klein schip was de oostkust genaderd boven Port-Adam en was door de inboorlingen aangevallen; de kapitein en de stuurman waren gedood en het scheepje was verbrand, na geplunderd te zijn.
Er moest met de uiterste voorzichtigheid worden opgetreden bij de onderhandelingen, en wij namen aan boord alle mogelijke voorzorgen.
Maar niet alle plekjes op Malaïta zijn even gevaarlijk. Port-Adam, onze eerste aanlegplaats, had vroeger een treurige reputatie, maar sedert eenige jaren is het aan de engelsche zendelingen gelukt, er eenige vermaners of leermeesters te plaatsen, en de geest der inboorlingen is daardoor wezenlijk beter geworden, zoodat vreemdelingen er nu niet meer zooveel gevaar loopen.
Zoo konden wij dus hier leeren kennen de Kanaken, nadat ze een zeer licht tintje van beschaving hebben opgedaan en niet meer die woestheid vertoonen, die zoo kenmerkend is voor het ras. De huizen waren hier beter ingericht dan bij de echte heidenen; we vonden er enkele europeesche waren en een paar godsdienstige boeken, in de taal van het land overgebracht.
Uit Port-Adam krijgt men gewoonlijk de tolken, die bij de werving niet mogen ontbreken. Hoewel ze tot één archipel behooren, hebben de bewoners van bijna alle eilanden een eigen dialect, dat op een naburig eiland niet wordt verstaan, en soms wordt er zelfs een verschillende taal gesproken in dorpen, die 60 à 70 K.M. van elkander zijn verwijderd. Er is wel veel overeenkomst tusschen de verschillende talen; als men een weinig op de hoogte is van het oceanische idioom, bemerkt men spoedig, dat het alles dialecten zijn van de papoea-branche der maleisch-polynesische talen.
Toch kunnen een inboorling van San Cristoval en een van Malaïta elkander niet verstaan of begrijpen; daar heb ik meermalen voorbeelden van gezien.
Port-Adam is de beste haven van Malaïta, gelegen aan een lagune, waardoor men gemakkelijk met niet te groote schepen van den eenen naar den anderen kant van het eiland kan komen.
Wij volgden na Port-Adam de westkust van Malaïta naar Pioe, en onderweg werden allerlei plaatsen aangedaan, waar we talrijke inlichtingen konden krijgen over de inboorlingen en over de fauna en de flora van dit eiland. Het is het minst bekende van de geheele groep, het eenige ook, waar nooit een Europeaan aan den wal heeft vertoefd.
Wij vonden er den broodboom en den amandel, den arecapalm, allerlei lianen, veel Rubiaceeën en Orchideeën; de Hibiscus groeit er in overvloed en, evenals de Olijf in oude tijden, is hij een vredessymbool.
Maar de fauna is minder rijk dan de flora; er waren bijna geen dieren op het eiland. Soms brachten de inboorlingen ons een paar magere kippen, die onzen kok tot wanhoop brachten, en dan weer kregen wij eieren, driemaal zoo groot als gewone; die moeten worden gelegd door een zeer kleine kip, welke ze in het zand legt en ze onder den invloed der zonnestralen laat uitbroeden. Ondanks mijn ijverig zoeken heb ik geen dier vogels kunnen bemachtigen; maar ik heb te dikwijls hun eieren geproefd, die ik niemand kan aanbevelen.
Koning op dit eiland is het varken; men koopt een vrouw voor tien varkens; met een varken betaalt men het contract van een inboorling, en overspel zoowel als moord en alle andere zonden, worden geboet door de aanbieding van één of meer varkens aan het hoofd van den stam.
Zij vormen echter niet het eenige ruilmiddel. Wij zagen vaak vrouwen en mannen, versierd met halssieraden van hondentanden, die ze tot geen prijs wilden afstaan; die tanden vormen de inlandsche muntstukken. Maar slechts twee tanden hebben waarde, dat zijn die, welke onmiddellijk aan de kiezen of maaltanden aansluiten; de andere dienen alleen tot sieraad.
De westkust van het eiland was dicht bevolkt, en de dorpen lagen er idyllisch in de schaduw van kokospalmen; het zou moeilijk zijn, ook maar bij benadering de geheele bevolking van het eiland op te geven, maar zeker is het, dat er nog meer menschen in het binnenland wonen dan aan de kust.
Het gezag van een inlandsch hoofd strekt zich soms uit over 5000 à 6000 onderdanen; zekere hoofden hebben zich vrij groote rijken weten te verwerven, waarover zij als onbeperkte heerschers regeeren; soms hebben ze 700 à 800 krijgers in hun dienst. Dus is het gemakkelijker, de politieke organisatie te bestudeeren op Malaïta dan op San Cristoval.
De waardigheid van dorpshoofd kan erfelijk zijn, of ook wel wordt zij verkregen door rijkdom of door sterk sprekende physieke meerderheid boven de andere inwoners.
Onder hem staat een ander hoofd, die een invloedrijke positie heeft weten te verwerven door zijn moed. Dat is dan de oorlogsleider, waarvan wij een type aantreffen in den persoon van Aio, wel bekend niet enkel op de Salomons-eilanden, maar ook op de Nieuwe-Hebriden en zelfs op Nieuw-Caledonië, waar hij aan den gouverneur is voorgesteld geworden. Aio is begiftigd met een alles te boven gaanden moed, en bij menige gelegenheid heeft hij niet geaarzeld, vreemde booten aan te vallen. Er heeft echter niet altijd zegen op zijn werk gerust, waardoor hij ten laatste een onvrijwillige reis naar Nouméa heeft moeten maken.
Dan was er nog de toovenaar, zooveel als de ta-ka-ta van de stammen op Nieuw-Caledonië. Vaak wezen de inboorlingen ons een lid van hun stam, die, zeiden zij, naar believen regen of mooi weer kan maken.
Hun geloof raakt niet aan het wankelen, als het beloofde weder uitblijft en de aardvruchten bij gebrek aan regen verdrogen; er is dan blijkbaar altijd een uitlegging gereed, waardoor het gemis aan welslagen aan allerlei andere dingen te wijten is dan aan 't gemis van bekwaamheid bij hun toovenaar.
Te Pioe zagen wij het grootste aantal inboorlingen op ééne plaats bijeengekomen. De bewoners van de kuststreek en die uit de bosschen van het binnenland waren er vergaderd. Te midden dier menigte, waarbij individuen te vinden waren van elken leeftijd en beide seksen, was het gemakkelijk, twee typen te onderscheiden, die uit physiek oogpunt veel verschilden. Naast den inboorling met Papoea-trekken vonden wij vele inboorlingen, die onmiddellijk den Polynesiër verrieden.
De beide rassen, het papoesche en het maleisch-polynesische, hebben inderdaad den archipel bevolkt. Het schijnt, dat de landverhuizers van maleisch-polynesische afkomst de kust bezetten en de eerste bewoners, die Papoea's waren, naar het binnenland hebben teruggedrongen.
Toen wij Malaïta verlieten, zouden wij naar het eiland Isabel hebben willen gaan en de baai der Mille-Vaisseaux hebben willen bezoeken, waaraan talrijke fransche herinneringen zijn verbonden. Doch sinds 1885 heeft het noordelijk deel van den archipel de opperhoogheid van Duitschland moeten erkennen, en die mogendheid heeft de werving op haar grondgebied verboden.
Wij hadden slechts vergunning om te werven in het onafhankelijke deel der eilandengroep, en het deed ons leed, zonder er stil te houden, de bewuste baai te moeten voorbij varen aan de zuidkust van het eiland Isabel. Daar legde Dumont d'Urville aan op zijn reis naar de Salomons-eilanden, en de haven van Astrolabe, aan die baai gelegen, werd door fransche officieren zeer nauwkeurig hydrographisch opgenomen, terwijl het te betreuren is, dat ook niet andere punten van de kust zoo goed bekend zijn.
Op het eiland Isabel, waar wij niet veel succes hadden, eindigde ons recruteeringswerk. Wij hadden 112 inboorlingen aan boord, voor wie wij zeker wisten te Nouméa werk te zullen vinden, en nu waren wij verheugd naar Nieuw-Caledonië te kunnen terugkeeren, naar beschaafder streken. Maar wij waren toch voldaan over ons bezoek aan deze eilanden, die zoo weinig bekend en zoo interessant zijn. Het geluk had ons gediend, en wij waren welwillend ontvangen door de inboorlingen, die zulk een slechten naam hebben; ze hadden ons tenminste geen openlijke vijandschap getoond.
Den 17den November om zes uur 's avonds ankerde de Lady Saint Aubyn in de haven van Nouméa, waar zij te huis was.
Uit Marokko
Naar het Duitsch van Dr. Siegfried Genthe. [1]
Er bestaat nergens een onmiddellijker overgang tusschen twee volkomen verschillende werelden dan bij de straat van Gibraltar. Nergens elders op aarde staan twee gebieden van zoo scherpe tegenstellingen tegenover elkaâr en zijn dan toch zoo nauw vereenigd, als hier, waar Afrika's noordwestpunt door een zeeëngte van niet meer dan een paar mijlen breedte gescheiden wordt van het spaansche vasteland, 't welk immers stellig europeesch van aard is trots het bekende woord, dat Afrika ten zuiden van de Pyreneeën begint.
Op de smalste plek tusschen Punta Maroqui bij Tarifa op den spaanschen en kaap Eires op den marokkaanschen kant bedraagt de breedte van het scheidend watervlak, dat, geologisch gesproken, een nog jonge doorbraak van den Atlantischen Oceaan is, minder dan 14 K.M. En toch beteekent dit smalle water, minder breed dan de Elbe bij Cuxhafen, een scheiding grooter, dan duizenden van zeemijlen bewerken, moeilijker te overbruggen dan de diepste, breedste wateren.
Wel gaan tegenwoordig dag aan dag de kuststoombooten tusschen de spaansche en marokkaansche havens heen en weer, wel zorgt ook de onderzeesche kabel voor de aansluiting bij de buitenwereld, maar men zou van deze verbinding kunnen zeggen, dat zij uiterst oppervlakkig is en 't innerlijke wezen in 't geheel niet raakt. Toch heeft Spanje sterk den invloed van Afrika ondervonden en men speurt dien in de bevolking, de taal, de bouwkunst, en de kleeding der bewoners, een bewijs hoe krachtig de werking is geweest der moorsch-arabische heerschappij in Andaluzië en Granada.
Maar die afrikaansche herinneringen, die Spanje voor den toerist zoo iets bekoorlijks en buiten-europeesch geven, zijn volkomen eenzijdig gebleven. Aan den overkant der straat is van spaansche of andere europeesche invloeden niets te bespeuren, zoodra men de weinige havensteden, die voor den buitenlandschen handel zijn opengesteld, heeft verlaten en in het binnenland komt.
Het is inderdaad merkwaardig, met hoeveel taaiheid de Islam in Marokko erin geslaagd is, zich te verzetten tegen de onvermijdelijk schijnende aanraking met de christelijke buitenwereld aan de Middellandsche Zee. Het is alsof de vurige en aanvallende geloofskracht, die Mohammeds leer juist op deze plek in haar stoutmoedig binnendringen op europeeschen bodem heeft getoond, zich later heeft omgezet in nog vasthoudender kracht van weerstand.
Maar in onze dagen van triomfen voor het wereldverkeer bestaat er ten slotte geen hinderpaal, die niet eindelijk wijkt voor de aandringende beschaving der blanke volken. Het vele duizenden van jaren oude China, tot op den jongsten tijd 't bewonderenswaardigst bolwerk van trotsche welgelukte afzondering, zijn geheimzinnige buurlanden Thibet en Korea, ook zij moeten stap voor stap toegeven, wijken voor den aandrang van ons ras.
En zooals het nog voor weinig tientallen van jaren donkere werelddeel nu bijna geheel verdeeld is tusschen de staten, die het meest voor de openstelling hebben gedaan, zoo zal ook Marokko's laatste uurtje slaan, en in een niet te verre toekomst zal op de plaats van het vreemdenhatend, achterlijke rijk van den Sjerif een land liggen als andere koloniën, waar naar de grondstellingen der verlichte staatskunst de geheele wereld uitgenoodigd wordt ter exploitatie van de natuurlijke krachten en rijke schatten van den grond.
Dat echter Marokko, om zoo te zeggen op den drempel van Europa en onder onze oogen, tot heden niet enkel een politiek zelfstandig, maar ook een voor de buitenwereld zoo goed als gesloten land gebleven is, behoort tot de merkwaardigste feiten der geschiedenis, tot die verbluffende dingen, die men aanneemt als iets vanzelfsprekends, ofschoon ze dat volstrekt niet zijn. Want hoe was het mogelijk, dat midden in onzen beschavingskring een land aan de Middellandsche Zee, dat reeds in den grijzen voortijd bij zijn buren bekend was en vaak genoeg een niet onbeduidende rol in hun onderlinge betrekkingen gespeeld heeft, alleen van alle andere als onaangetast de stormen heeft getrotseerd van oorlog en verovering, wisseling van heerschappij en eeuwigen burgeroorlog? Hoe kan een land, dat Phoeniciërs, Grieken, Romeinen, Vandalen, Gothen, Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen na elkander in den loop der eeuwen bezet en bewoond hebben, nu nog oprijzen in den tijd, dien wij beleven, als een levend gebleven stuk oudheid? Hoe verklaart men het, dat aan dit merkwaardig, ingedommeld sprookjesland, waar de tijd schijnt stil te staan, tot in het midden van de 19de eeuw door groote mogendheden schatting is betaald, als moest men door deemoedige geschenken zich de gunst verzekeren van een gevreesden geweldige.
Waaraan ligt het, dat de trotsche Europeaan, die overal elders in de wereld als heerscher of als zelfbewust gelijkberechtigde optreedt, zich in Marokko in de rol van den verachten, slechts gedulden christenhond schikt? Dat zelfs de ambtelijke vertegenwoordigers van onze regeeringen, tegen alle gewoonten van hun stand in, zich ermee tevreden stellen, ver van de hoofdstad of zelfs van alle persoonlijk verkeer met den vorst en zijn regeering, rustig aan de kust te wonen?
Deze vragen, die iemand door het hoofd gaan, als men voor het eerst van de spaansche naar de marokkaansche kust overvaart, voldoende te beantwoorden, zou meer tijd vorderen, dan men voor mijmeringen bij den korten overtocht heeft en bovendien heel wat studie van Marokko's geschiedenis vereischen, zonder tot een bevredigende uitkomst te leiden.
Doch één ding schijnt mij toch duidelijk bij een vluchtig kijkje op Marokko's historie, namelijk, dat het niet de Islam alleen geweest kan zijn, die het land in zijn afzondering houdt en dit land, 't welk naar zijn aardrijkskundige ligging midden in het drukste wereldgewoel moest staan, als een zonderling alleen doet blijven, een eigen plaats innemend in onzen nivelleerenden, alles gelijkmakenden tijd.
Wel heeft juist van Marokko uit de Islam zijn grootste kracht ontwikkeld en van het van hier uit onderworpen Spanje drongen de mohammedaansche strijders voor het geloof tot in het hart van Frankrijk door; het waren de uit Marokko gekomen legerscharen van den Profeet, die Karel Martel bij Tours en Poitiers tot zegen van Europa heeft teruggeslagen. Maar toch; belangrijker dan de kracht van het geloof met zijn dweepzucht en zijn persoonsvereering was voor het land zijn krachtige bevolking, geen arabische of moorsche, geen negers of afstammelingen van negers als in andere landen van Noord-Afrika, maar Berbers, dat geheimzinnige volk, welks lichte huidkleur met soms volkomen germaansch lijkende blauwe oogen en blonde haren, den ethnologen zooveel moeite geven. Berbers, in wie men nu eens de nakomelingen der verdwenen tien stammen van Israël, dan weer die der Vandalen en Gothen van Noord-Afrika heeft willen zien; in wie sommige de oude Libyers en Carthagers meenen te herkennen, terwijl anderen in hen die naamlooze volken hervinden, die op de oude egyptische monumenten blondharig en slank onder de schattingbetalende figuren op de wandschilderingen zijn afgebeeld. Alle volken, waar de ethnologen wat verlegen mee zitten, Kelten, Iberiërs, Basken, Carthagers, de Guanchen van de Kanarische eilanden en Etruskers, zijn als voorvaderen der Berbers aangewezen.
Maar 't zij ze nu van indogermaanschen, semietischen of afrikaanschen oorsprong mogen wezen, zij waren en zijn het volk, dat meer dan eenig ander in de geschiedenis de vrijheidsliefde en den trots vertegenwoordigt, die men zoo dikwijls bij bergvolken vindt. Overal, waar de Islam op zulke stammen stiet, zijn er eeuwen lang bloedige oorlogen gevoerd, maar ten slotte ontstonden er vaste burchten des geloofs, rechtgeloovige plaatsen, die tot de gevreesde schuilplaatsen van roofzuchtige dwepers werden. Zoo in den Kaukasus en in Koerdistan, en in de hooge dalen van den Indus en in Afghanistan.
En zulk een land is Marokko eveneens. De Berbers zijn er van veel meer beteekenis voor geworden dan ooit Phoeniciërs en Romeinen, Arabieren of Spanjaarden. Zij zijn gebleven, wat ze waren, een ruw, krijgshaftig bergvolk, dat zijn onafhankelijkheid hooger stelt dan alle andere goederen der wereld, een onbeschaafd volk van jagers en herders, dat den opgedrongen, onbegrepen van het Oosten komenden nieuwen godsdienst voor zich pasklaar maakte naar zijn oude vooroudersvereering en nu eraan vasthoudt als aan een nationaal bezit.
De Berbers zijn de eigenlijke Marokkanen, degenen, die de geschiedenis van het land hebben gemaakt, die thans (1903 en 1904, toen Dr. Genthe in Marokko was, vert.) in den opstand van Boe Hamara evenzeer de hoofdrol spelen, als zij later, bij de komst der europeesche indringers, den nieuwen heerschers de grootste moeilijkheden zullen in den weg leggen. Aan de Berbers is het te danken, dat wij nu nog vóór onze deur hebben, zoo antiek, zoo barbaarsch en zoo schilderachtig, als men er enkel een in de ontoegankelijkste deelen der wereld zou verwachten, een land, dat den reiziger een paar uren, nadat hij Europa heeft verlaten, onmiddellijk in een bekoorlijke, verwarrend vreemde wereld brengt.
Wie dien indruk sterk wil krijgen, moet zijn reis naar Marokko niet doen met een der gemakkelijke stoombooten, die van verschillende europeesche havens uit naar de marokkaansche kustplaatsen varen. In Hamburg alleen zijn drie maatschappijen, die een geregeld verkeer met Marokko onderhouden, en zoo is het ook in Londen en Liverpool. Van daar uit duurt de reis tot Tanger, de dichtstbij zijnde marokkaansche haven, een week en langer. En ook de sneller en voornamer booten, dan die van Woermann en Oost-Afrikalijn en dergelijke, als bij voorbeeld die van de groote oostaziatische en australische lijnen, Noordduitsche Lloyd, Hamburg-Amerikalijn, Orient-lijn, Peninsular and Oriental, Messageries Maritimes, die in een paar dagen naar Gibraltar varen, geven iemand door de zeereis veel meer het idee van een grooteren tocht, van een overgang in nieuwe toestanden, dan wanneer men met de Zuidexpres over Parijs naar Madrid rijdt en van daar langs den kortsten weg Cadix en Gibraltar bereikt en zich met een der spaansche of engelsche stoombooten laat overzetten. Dan beleeft men inderdaad een groote verandering zonder geleidelijken overgang. Hoewel toch de zuidspaansche steden met hun witte huizen en platte daken, hun agaven en opuntia's en enkele palmen reeds een weinig afrikaansch lijken, men krijgt toch den indruk van met een tooverroede te zijn aangeraakt, als men plotseling, nog in 't gezicht der spaansche kust, aan den overkant de verblindend witte huizenblokken ziet en de middeleeuwsche tinnen van de vesting Tanger voor het oog ziet verrijzen.
Die stad mag zich beroemen, al heel weinig vereuropeescht te zijn. Meer dan de helft van de kustlengte der zuidelijke binnenzee van Europa behoort bij mohammedaansche landen, die met hun vreemde levensvormen veel bekoorlijks hebben en dit afrikaansche Oosten zeer geliefd maken; maar het levendig verkeer tusschen de omliggende landen, waardoor de Middellandsche Zee het drukst bevaren wordt van alle zeeën, heeft natuurlijk het binnendringen van europeeschen invloed en europeesche uiterlijkheden ten gevolge gehad. In de turksche en egyptische havens treedt het europeesch karakter in huizenbouw en kleeding der bewoners reeds op den voorgrond, en niet veel beter staat het daarmee in algerijnsche kustplaatsen en zelfs in die van Tunis en Tripoli.
Daarbij vergeleken, is Tanger werkelijk nog zoo echt, alsof het pas voor weinig jaren ontdekt was en niet een der oudste nederzettingen in dat deel der Middellandsche Zee, waar wij geloofwaardige berichten uit bezitten. Voor de in Marokko wonende vreemdelingen beteekent Tanger het toppunt der beschaving, de zeer gezochte, het dichtst bij Europa gelegen plaats, waar men alles vindt, wat men als twintigste-eeuwer in het leven behoeft.
Hôtels met vreemde-talensprekende kellners, couranten van alle beschaafde landen, kerken en kapellen van drieërlei belijdenis, tennisvelden, gezantschappen en consulaten van meer dan een dozijn staten, post- en telegraafkantoren, banken, een eindeloos aantal koffiehuizen, winkels van allerlei aard, ja zelfs telefonen en electrische straatverlichting.
Dat is werkelijk verrassend veel voor een marokkaansche stad, en zelfs al vindt men in de winkels nooit, wat men precies noodig heeft, en al weigert de electrische verlichting altijd dan en daar, waar zij het meest noodig is, toch zal men erkennen, dat een veel belovend begin aanwezig is.
Als men pas aankomt en onder de in zuidelijke landen zoo opdringende pakjesdragers en roeiers en gidsen en tolken en bedienden zich een weg gebaand heeft, kan men niet zoo gemakkelijk aan al die gemakken gelooven, die volgens de mededeelingen der hôtelbedienden er te kust en te keur te vinden zijn. Heel anders dan men in een opkomende wereldstad zou verwachten, hebben de landing en het douane-onderzoek plaats. De schreeuwende pakjesdragers, die van de bekende stoïcijnsche kalmte van het morgenland geen flauw besef schijnen te hebben, ontrukken iemand alles, wat hij bij zich heeft en snellen ermee de hoogte in naar de stad.
Dadelijk bij den ingang, aan de Bab el Marssa, de lage, dikmurige havenpoort, wordt even halt gehouden. Hier zetelt de douane van den sultan. Onder koele gewelven zitten met de grootste waardigheid met onder zich gevouwen beenen in ruime, luchtige kleederen een paar mummelende grijsaards, die zich in scherpe tegenstelling tot de rumoerige pakjesdragers niet in het minst uit de plooi laten brengen door de aankomst der talrijke, met ons gelijktijdig van de stoomboot komende reizigers, wier bagage moet worden onderzocht. Wellicht wordt hun kalmte eerder een beetje verstoord, als groote vrachten en ladingen goederen de douane moeten passeeren, omdat zij er volgens de handelsverdragen tien percent der waarde van mogen heffen. Want dat is de belangrijkste, en vooral de regelmatigste bron van inkomsten van het land, die, evenals in China, van alle overigens zoo barbaarsch en willekeurig ingerichte takken van bedrijf nog het meest den heilzamen, europeeschen invloed heeft ondergaan.
Toen Spanje bij den vrede van Tetoean, na met moeite een einde te hebben gemaakt aan zijn zoo dwaselijk ondernomen oorlog, den sultan van Marokko een oorlogsschatting van 100 millioen peseta's, dat is naar den tegenwoordig koers (1904) van ongeveer 42 millioen gulden, oplegde, verzekerde het zich van die buitensporig hooge som, door beslag te leggen op de zeetollen. Tegelijk werd er een gemengd spaansch-engelsch bestuur ingesteld, dat door zijn eerlijkheid de wakkere moorsche tollenaren verbaasde en inderdaad in de jaren van 1860 tot 1863 de opbrengst van ongeveer zeven tot meer dan dertig millioen 's jaars verhoogde. Eerst in 1887 verliet de laatste spaansche ambtenaar het land, dat sedert dien tijd weer naar 's lands wijs havengelden en tollen heft. Den meestbiedende wordt het ambt van oppertollenaar afgestaan, en hij moet dan maar zien, hoe hij aan zijn geld komt. Intusschen schijnt het, of hij zoowel als de sultan er niet slecht bij varen, daar, vooral bij de zeer ingewikkelde berekening der uitvoerrechten, speelruimte te over is gegeven, waar de oostersche financiëele beambten zoozeer behoefte aan hebben. Bij den voortdurend meer vooruitgaanden handel van het land zijn de vooruitzichten bij dezen tak van bestuur werkelijk rooskleurig.
Dit bewustzijn heeft denkelijk de tolbeambten zoo aangenaam onverschillig gemaakt voor onze bagage. Niets kan in beschaafde landen iemand zulk een hekel aan het reizen geven, als de kleinzielige, peuterige, zoogenaamd nauwkeurige manier, waarop koffers worden dooreengewoeld aan de grenskantoren. Daar zijn bij voorbeeld de amerikaansche ambtenaren in New York heele bazen in. Aan de welwillende nonchalance, wanneer "de heer der tienden", zooals hij in Tanger heet, zich van zijn taak kweet, mogen overijverige tolbeambten uit andere landen gerust een voorbeeld nemen. Een vluchtige blik op de lange rij van koffers, een paar woorden met den vertegenwoordiger van 't hôtel, waarheen ik gaan wilde, een wenk voor de sjouwers om alles weer op te nemen, daarin bestond de visiteering. Natuurlijk beweerde mijn gids, een bruikbare, spaansch-moorsche jood uit Tanger, die Arabisch, Spaansch, Engelsch, Fransch en soms zelfs een weinig Duitsch sprak, dat hij door groote fooien mij dat zoo gemakkelijk had gemaakt en dat hij bevriend was met den douanedirecteur; maar ik bemerkte, dat ook de andere nieuwaangekomenen, Duitschers, Engelschen, Amerikanen, Franschen en Spanjaarden, die met mij van Cadix overgestoken waren, even snel en gemakkelijk door de gevreesde poort trokken en zich bij de lange karavaan van dragers konden aansluiten, die nu naar boven klommen naar de stad.
Zooals de meeste der noordwestafrikaansche havens aan de kust der Middellandsche Zee ligt Tanger op een kleine, hooge rotskaap, den hoeksteen van een mooie baai. Dat is niet alleen een hoogst schilderachtige, maar uit militair oogpunt ook een zeer gunstige ligging. En als er een goede ankerplaats bij komt, zooals hier in Tanger, dat voor de beste haven van geheel Marokko doorgaat, dan kan men reeds alleen uit deze geographische gegevens de plaats een groote toekomst voorspellen.
Wel valt er aan de haven niet veel te prijzen. De bocht is naar het Noordwesten open en levert tegen de van den Oceaan komende, noordelijke winden geen beschutting. Daarbij zijn voorloopig de aanlegplaatsen voor het laden en lossen nog zeer onvoldoende, daar er behalve de smalle, houten pier niets is, wat het havenverkeer vergemakkelijkt. In de zeventiende eeuw was dat een tijdlang anders. Zooals men weet, verwierf Karel II van Engeland bij zijn huwelijk met de portugeesche prinses Catharina van Braganza, een dochter van koning Johan VI, behalve een behoorlijken bruidsschat in rood goud de toen portugeesche koloniën Bombay en Tanger. In Engeland begroetten de ver vooruitziende kooplieden en leidende politici het bezit van zulke havens met groote blijdschap. De koning zelf verklaarde in het Parlement, dat Tanger een juweel van onschatbare waarde in de kroon was, en zijne ministers waren van oordeel, dat de nieuwe bezitting tegen alle andere engelsche koloniën opwoog. IJverig begon men het toen nog zeer kleine plaatsje uit te breiden. De inheemsche bevolking was nog zeer gering; maar de overplaatsing van een geheel regiment naar de van de Portugeezen overgenomen vesting deed er weldra honderden Engelschen, Joden, Spanjaarden en Italianen heen stroomen. Reuzensommen werden besteed aan vestingwerken; kerken, scholen, weeshuizen werden gesticht, in het kort, alles werd op groote schaal aangelegd, als voor een plaats die onbetwistbaar een groote toekomst te gemoet gaat.
Het duurste werk werd een prachtige havendam, die 400 M. ver in zee werd uitgebouwd. Op de aanzienlijke breedte van ongeveer 25 M. stonden huizen en sierlijke paviljoens en bijna duizend stukken geschut waren langs de geheele lengte aan beide zijden geplaatst, bediend door een compagnie kanonniers en bijna onafgebroken een kanonnade bulderend ter begroeting van binnenkomende en uitgaande of voorbijvarende schepen.
Helaas, beantwoordde aan dat schitterend begin de verdere ontwikkeling der kolonie in 't geheel niet. In die eerste dagen van overzeesche kolonisatie scheen men in Engeland het nog niet gansch en al verdwenen idee te hebben, dat voor den dienst in de koloniën de slechtste elementen goed genoeg waren. Zoo kwamen er bedenkelijke figuren naar Tanger; ook de ambtenaren, tot den stadhouder toe, waren niet beter dan de tuchtelooze bende der slechtbetaalde soldaten van de bezetting, en ten slotte waren de toestanden zóó geworden, dat men in het Huis der Gemeenten alle verdere uitgaven voor de dure kolonie afstemde.
Tanger werd aan de Mooren teruggegeven, nadat meer dan twintig millioen pond sterling nutteloos was uitgegeven. Ten overvloede werden ook nog alle gebouwen, vestingwerken, kerken, wallen en schansen vernield en ook de mooie pier liet men springen. Met dit kinderachtige verwoestingswerk eindigde in 1684 na twee-en-twintig jaar van wanbestuur de engelsche heerschappij aan de kust van Marokko.
Het dertig jaren later na den Spaanschen Erfopvolgingsoorlog verkregen Gibraltar was en is slechts een geringe vergoeding. De kale rots heeft geen natuurlijk achterland; voor meer dan negen millioen guldens per jaar moeten waren uit het moederland worden ingevoerd, terwijl soldaten zoowel als burgers, de rots-schorpioenen, zooals men hen daar noemt, voor hun behoefte aan versch vleesch en groenten geheel op het er tegenover gelegen Tanger aangewezen zijn.
Buiten een paar ruïnen van den grooten steenen havendam vindt men in de stad bijna geen sporen van de engelsche heerschappij. Evenmin van die der Portugeezen, die bijna twee eeuwen lang vóór de Engelschen er geheerscht hebben en onder meer niet minder dan zeventien kerken en kapellen hebben opgericht. Ook zij verwoestten bij hun aftocht gewetensvol de vruchten van hun werkzaamheid, en dezelfde geest van kleinzieligen naijver schijnt zich telkens vertoond te hebben, als de ongelukkige stad van eigenaar moest veranderen. En dat geschiedde ontelbare malen.
Na de dagen der Engelschen kwamen met afwisselend geluk Arabieren, Spanjaarden en Portugeezen elkander den buit betwisten, eenvoudig een vervolg dus van de veelvuldige oorlogen, waarvan de noordmarokkaansche kust sinds het begin der historische tijden het tooneel is geweest. Vanaf den tijd der mythen, toen de verhalen over de zuilen van Hercules en de tuinen der Hesperiden ontstonden, tot in onze twintigste eeuw zijn Marokko, en vooral zijn middellandsche kust, niet tot rust gekomen. De vermoede en ook waarschijnlijke rijkdom van den grond aan delfstoffen en de buitengewoon gunstige ligging hebben dit land, dat een aardsch paradijs kon zijn, tot slagveld gemaakt, waarop naijverige en op elkaar gebeten groote en kleine naties elkander te lijf gingen. Maar het moet al heel erg worden, als een volk en een land geheel ten onder zullen gaan.
Al is ook van de glansrijke dagen der Romeinen, buiten eenige resten van tempels en een paar verstrooide marmeren zuilen en pilaren van bruggen, niets overgebleven, dan de nog in den volksmond overgebleven naam van den Roemi voor den vreemdeling; al hebben Gothen en Vandalen, Spanjaarden, Portugeezen en Engelschen slechts zeer weinig sporen van hun heerschappij in het land achtergelaten, land en volk zelf leven nog en zijn nog onafgebroken, zijn gezond en tot ontwikkeling bereid en kunnen nog een groote toekomst bereiken, zoodra zij van de als een last op hen drukkende sultansmacht bevrijd zijn, waarbij barbaarsche bloedzuigers en bekrompen priesters de gezonde ontwikkeling tegenhouden.
Als een zinnebeeld van deze lange, afwisselende geschiedenis ligt Tanger aan den ingang tot het land; in plaats van een vrije, bloeiende handelsstad, zooals de natuurlijke poort naar een rijk land moest wezen, een klein, vuil nest, dat geen sporen van groote dagen vertoont en op 't armzalig kleed van zijn mohammedaansch-marokkaansche armoede maar al te zichtbaar een paar fel afstekende lappen heeft van vreemde, nieuwe kleur.
De indruk van nieuwheid, dien Tanger van de zeezijde maakt, raakt terstond verloren, als men in de straten en steegjes der stad een weinig heeft rondgekeken. Ze zijn krom en bochtig, steil en in 't geheel niet geplaveid. Men zoekt tevergeefs naar iets, wat aan het werk van bouwpolitie herinnert, en wie nog vijf uren te voren zich verheugde over de netheid en welverzorgdheid van de straten in Cadix, krijgt hier levendig het bewustzijn, van in een barbaarsch land te zijn. In de hoofdstraten echter, of liever de hoofdstraat, want er is eigenlijk maar één, staat het eene europeesche huis naast het andere, winkels, apotheken, bierhuizen, alle met uithangborden en spaansche, fransche of engelsche aanprijzingen, en tusschen die maar door enkele meters van de smalle, bochtige straat gescheiden huizen beweegt zich rumoerig en brutaal een dichte menigte, die ontnuchterend op den vreemdeling werkt.
Wel zal men geen minnut erover in twijfel zijn, dat de eigenlijke bevolking uit Mooren, Berbers en Negers bestaat in hun verschillende graden van raszuiverheid en vermenging; maar de europeesche figuren middenin dit afrikaansche gespuis zijn toch zeer talrijk. Naast den burnoes en de djellaba, de kaftan en den haïk van de inboorlingen, ontmoet men onafgebroken ook europeesche broeken en minder talrijk jassen en vesten. Niet altijd zijn het echte Europeanen, die deze nuchtere voorboden der beschaving dragen. Al zijn er onder de 35,000 inwoners, waarop men Tanger's bevolking thans schat, zeker een paar duizend Spanjaarden en dan minder trotsche hidalgo's dan wel arme slokkers van de laagste afkomst en het donkerste verleden vaak, toch kan men zich licht vergissen en een veel grooter aantal Europeanen vermoeden, omdat de talrijke marokkaansche Joden in Tanger reeds voor 't meerendeel de europeesche kleeding hebben aangenomen.
Storender werken echter in de oostersche stad de ontelbare echte Europeanen, de reizigers, die als sprinkhanenzwermen op de stad neervallen en gedurende een verblijf van enkele uren zich overgeven aan de aangename griezeling van te vertoeven in het onbekendste land der wereld te midden van de vreemdelingenhatende, bloeddorstige, dweepzieke Mooren, terwijl buiten op de reede, zoo dichtbij en binnen het bereik van hun oogen de stoomboot ligt, waar ze ieder oogenblik heen kunnen vluchten, als plotseling de groote moordpartij eens ging beginnen.
Daar er meer dan twintig stoombootlijnen zijn, die geregeld Tanger of Gibraltar aandoen, zal men zich kunnen voorstellen, welke scharen van pleizierreizigers, die op grootere reizen door de straat van Gibraltar gaan, of alleen aan de Middellandsche Zee en Spanje een bezoek brengen, de gemakkelijke gelegenheid aangrijpen, om een vluchtig kijkje in Tanger te nemen en aldus een echte, marokkaansche stad te zien. Vooral 's voorjaars en in het begin van den zomer, als de afrikaansche warmte nog niet lastig is geworden, zijn dag op dag de weinige hôtels van de stad overvol door steeds wisselende nieuwaangekomenen, onder wie natuurlijk, als in alle drukbereisde streken, Engelschen en Amerikanen in de meerderheid zijn. Maar ook Duitschers en Franschen zijn talrijk, en geen dag gaat voorbij, of men hoort vertellen van het gewone uitstapje naar Kaap Spartel en de vluchtige bezichtiging der stad op een ezels- of een muildierrug.
Het middelpunt van Tanger is de kleine markt, soek el daahl, zooals de inboorlingen, Soco chico, zooals de Joden en de vreemdelingen zeggen. Het is eigenlijk slechts een onbeduidende verwijding van de hoofdstraat, een pleintje, waar echter de meeste winkels, koffiehuizen en kantoren zijn. Ook zijn er het grootste hôtel, dan een bureau van het Comptoir d'Escompte national, de eenige in Marokko vertegenwoordigde buitenlandsche bank en het duitsche, fransche, engelsche en spaansche consulaat.
Alle nieuwtjes kan men op dit pleintje hooren, waar de babbelende en zwetsende menigte bijeenkomt en waar het tot laat in den avond druk is. Ook de gegoede klasse komt er bijeen in lokalen, die in beschaafde steden juist goed genoeg voor een koetsiersherberg zouden zijn; een fatsoenlijk clublokaal heeft Tanger niet, ook al doordat de kleine wereld van gezanten, consuls, tolken en geneesheeren zich afzondert en er nog weinig gezelligheid onder de andere buitenlanders heerscht.
Van Tanger naar Fez te reizen is niet zoo eenvoudig, als het lijkt bij het bezien der kaart. Men heeft slechts te doen met den geringen afstand van ongeveer 200 K.M., en de gesteldheid van den grond schijnt geen bijzondere bezwaren in den weg te leggen. Intusschen is de reis al ontelbare malen door Europeanen gedaan, niet alleen door de gezanten der vreemde regeeringen, die immers elke paar jaren den heerscher in een zijner hoofdsteden hun opwachting komen maken, doch ook door een groot aantal pleizierreizigers, die de platgetreden paden van andere landen moe zijn geworden en ook eens lust hebben in een avontuurlijke reis met veel ongerief en de prikkelende mogelijkheid van gevaarlijke avonturen. Zelfs dames hebben in de laatste jaren den weg wel afgelegd; vrouwen van diplomaten en moedige alleenreizende dames. Maar altijd moet in deze streken, die nog niet in het teeken des verkeers staan, met tenten en lastdieren en gewapende gidsen en tolken worden opgetrokken en al den omslag van uitrustingsvoorwerpen en voedingsmiddelen, die daarbij passen.
Tijdens mijn bezoek gaven de tijdsomstandigheden bijzondere zorg. Voor zoo ver men wist, werd de Sultan in zijn heerschappij bedreigd door een pretendent, die zich reeds een grooten aanhang had verworven, en men stond vóór de groote vraag, of het hem gelukken zou, den plotseling opgestanen tegenstander een beslissende neerlaag toe te brengen, eer de opstand verder om zich greep en ten slotte den troon van het regeerende geslacht zou doen wankelen of doen vallen, zooals reeds herhaaldelijk in de historie van het ongelukkige land gebeurd was, waar elke wisseling van heerscher verbonden is met bloedige oorlogen, met moord en verraad, opstand en burgeroorlog.
Dezen keer scheen niet alleen in het land zelf onder de helderziende vreemdelingen, door een langdurig verblijf vertrouwd geworden met de kunst, om achter den bedriegelijken schijn, de waarheid te ontdekken, maar ook bij de op de hoogte zijnde inboorlingen vast te staan, dat zulk een schok als de opstand van Boe Hamara het aan onrust en strijd zoo gewende land nog sinds menschenheugenis niet had getroffen.
Meestal heeft men bij den zoo goed als onafgebroken oorlogstoestand in Marokko te doen met pogingen van den sultan, om zijn gezag over de onwillige Berberstammen te handhaven, die het tot hun nationalen plicht schijnen te rekenen, het betalen van schatting te weigeren, tot ze er door wapengeweld toe worden gedwongen.
Met Boe Hamara nu was het niet de gewone weigering van enkele stammen, ook niet de aanspraak van een bloedverwant op den troon, maar het scheen een soort van nationale beweging te zijn met veel godsdienstige elementen erbij en in hoofdzaak gericht tegen den toenemenden invloed der vreemdelingen. Trots zijn afgeslotenheid heeft het land toch de tijden zien veranderen, en vooral in de jongste tientallen van jaren is er veel gewijzigd en zijn er nieuwigheden ingevoerd, die vroeger ondenkbaar zouden zijn geweest.
Enkel op zichzelf aangewezen en van de overige wereld afgesloten is Marokko nooit geweest; maar het is uit alle wisselingen in den loop der geschiedenis toch altijd als zelfstandig land te voorschijn gekomen, of als kern van een zeer groot machtsgebied. En kerkelijk is het in de oogen van de geheele mohammedaansche wereld altijd iets bijzonder heiligs en vereerenswaardigs geweest, sinds die nakomeling van den Profeet, Edris, in het land kwam en het eenige mohammedaansche heerschersgeslacht stichtte, dat op werkelijke familiebanden met den stichter van den godsdienst zich beroemen kan. Zooals de Islam, die zich in andere landen merkwaardig plooibaar getoond heeft, in Marokko streng zich heeft gehandhaafd in de rechtzinnigste vormen, zoo schijnen de Mooren als bewakers van de uiterste westgrens der mohammedaansche heerschappij het voor hun plicht te hebben gehouden, tegen de buitenwereld meesterachtig en afwerend op te treden. En dat is hun tot in den jongsten tijd gelukt.
Bij de onrust, die in het land heerschte ten gevolge van den opstand onder Boe Hamara scheen het gewaagd, de reis naar Fez te ondernemen; maar ik liet mij daardoor niet weerhouden. De eerste moeilijkheid was gelegen in 't verkrijgen van een goed rijpaard en van een betrouwbaren bediende of tolk. Aan goede paarden is natuurlijk in een zoo beslist ruitersland als Marokko geen gebrek, en in een door toeristen overstroomde havenstad allerminst. Maar juist daarin was de moeilijkheid gelegen. Met het oog op die pleizierreizigers, die in de voorjaarsmaanden en in het begin van den zomer in Tanger opduiken, willen de paardenkooplui hun dieren niet verkoopen. Het is voor hen veel voordeeliger, dag op dag de paarden aan de hôtels en hun klanten te verhuren. Dan wordt bijna altijd het korte uitstapje naar kaap Spartel gemaakt of naar de schilderachtig gelegen en slechts een dagreis verwijderde stad Tetoean. Op die wijze brengt hun ieder paard dagelijks 5 à 10 peseta's en meer binnen, terwijl de verkoop hun hoogstens 100 à 300 opbrengt.
Eindelijk na veel probeerens was een rijpaard gevonden, dat een goed reispaard scheen te zullen zijn en dan ook duur betaald moest worden, en eveneens met moeite werd een Moor gehuurd, die als karavaanleider dienen en met zijn bescheiden kennis van het Spaansch en van de kookkunst ook eenigszins de diensten van een tolk en kok kon bewijzen. In 't minst geen last had ik echter met de muildierdrijvers. Bij die alleen scheen op de markt het aanbod de vraag te overtreffen, en zij waren allen zonder bezwaren bereid, de reis naar Fez te ondernemen. Dat leek mij een gunstig teeken. Zulke menschen, die hun gansche leven op den grooten weg en in de karavanserai's doorbrengen, hebben op de politieke toestanden, voor zoo ver die de veiligheid raken, een uitstekenden blik.
Zoo trok ik dan op een mooien dag onder het geleide van de beste wenschen van de vrienden, die ik onder mijn landgenooten in Tanger had gemaakt, de stad uit. Ik zou vroeg 's morgens vertrekken; maar eer alles goed gepakt was, de lasten behoorlijk over de muildieren verdeeld waren en elke kant van hun sterke ruggen gelijkmatig was belast, werd het middag en namiddag. Een drom van bedelaars dringt zich dan erbij om fooien voor het wenschen van een goede reis, 't geen ook niet weinig ophoudt.
Het was een verlichting, toen de karavaan zich eindelijk in beweging zette. Het was maar een bescheiden karavaan, aan welker spits ik reed. Eenige Engelschen en een Duitscher, dien ik in 't hôtel had leeren kennen, hadden mij herhaaldelijk gevraagd, met hen te zamen de reis te maken. Maar met vreemden, wier reisgewoonten en neigingen men niet juist kent, zoo nauw verbonden te leven, als karavaan en tent noodzakelijk maken, is een leelijk ding voor iemand, die graag onafhankelijk blijft en over richting, wijze en duur der reis zelfstandig wil beslissen. Dus had ik hun voorstel afgewezen en was de eenige Europeaan en daardoor mijn eigen baas.
Dat was van te meer beteekenis voor mij, omdat ik, naar men mij in Tanger had verteld, er dagelijks op voorbereid moest zijn, door rooverbenden te worden aangevallen. Om in zoo'n geval toch iets aan mijn mislukte reis te kunnen hebben, had ik mij voorgenomen, niet den gewonen karavaanweg te volgen, die zonder eenige plaats van beteekenis aan te doen, rechtuit naar de hoofdstad voert, maar langs kleine omwegen mijn route zóó te kiezen, dat ik vóór mijn aankomst in Fez vier of vijf belangrijke plaatsen van dit noordwestelijk deel van Marokko zou hebben leeren kennen. Natuurlijk kreeg ik door bemiddeling van ons gezantschap den soldaatgeleider mee, die elken vreemdeling vergezelt en in naam van den sultan eerbied en bescherming voor hem vraagt.
Mijn mokhasni, zooals zijn naam is, welke naam beteekent bewaarder van de schatkamer, liet zich trotsch kaïd Mohammed noemen, want zonder hoogdravende titels gaat het hier niet, en de muildierdrijvers haastten zich dan ook, hem altijd als "kaïd" aan te spreken of liever als Aïd, zooals men hier met negeering van den keelklank altijd doet. De waardige heer maakte een statigen indruk op zijn groot paard met het eindeloos lange geweer en het groote zwaard op zij. Een lange, grijze baard golfde over zijn breede heldenborst en als men achter den fraaien hals van zijn hengst de stijf opgerichte gestalte van den krijgshaftigen grijsaard zag opduiken, zou men aan den Cid Campeador kunnen denken, zooals hij, in zijn witten mantel gehuld, tegen de ongeloovigen te velde trekt.
Van dichtbij beschouwd, veranderde echter de oude soldaat in een vreedzaam menschenkind, dat niet aan moord en bloedvergieten dacht. Als hij afsteeg, kon men wel zijn hooge gestalte bewonderen, maar ook zien, dat hij hinkte en aan één zijde verlamd was, terwijl het paard eveneens oud en gebrekkig bleek. Maar schilderachtig was mijn oude krijgsman, en dat is de hoofdzaak in dit land, waar alles zoo anders is dan in Europa.
Hier was nu niets, dat het beeld van oostersch leven en noordafrikaansche natuur verstoorde, geen vorm, geen klank, die niet pasten in dit beeld, dat misschien juist zoo is als voor duizenden van jaren. De wegen zijn nog dezelfde, niet anders dan de breede platgetreden sporen van vele geslachten van lastdieren en drijvers; de verzending van goederen geschiedt nog als in de oudste tijden in hoogst eenvoudige uit en riet en alfagras gevlochten hangende manden op den rug van ezels of muildieren, en ook de koopwaren zullen op weinig uitzondering nog dezelfde zijn als in anno zooveel. Zelfs de menschen zullen weinig veranderd zijn sinds den aanvang der marokkaansche geschiedenis, en zeker in 't geheel niet na de mohammedaansche verovering.
De menschen, die ik in Tanger in mijn dienst had genomen, behoorden volgens hunne afkomst tot de meest verschillende stammen, waaruit Marokko's bonte bevolking bestaat. Er was een Berber van den stam der Andsjera's, die het bergland ten oosten van Tanger langs de straat van Gibraltar bewonen; daar was Hamed er Rifi, een levende vertegenwoordiger van de gevreesde Rifpiraten, maar feitelijk een gemoedelijke drijver, steeds bereid tot scherts en zang, en alleen van de anderen zich gunstig onderscheidend door meer kracht en grootere volharding. Hij droeg over zijn gespierd lichaam niet anders dan de dsjellaba, het grove, wollen hemd met korte mouwen, dat door de bergbewoners van het geheele land wordt gedragen. Het laat de beenen en de knieën geheel bloot en is voor geharde menschen wel een bijzonder gemakkelijk kleedingstuk. Zijn gele leêren pantoffels droeg hij bijna steeds in de eene hand, terwijl hij in de andere zijn trouwe buks had, zoodat hij er vrij komisch uitzag, maar er keken onder zijn kortgeschoren blond haar zulk een paar eerlijke, trouwhartige oogen uit, dat men wel pleizier in hem moest hebben.
Een heel ander man was mijn tolk, Abd-es Slam el Gharbi, een van die sterk door de beschaving aangedane Arabieren uit Noord-Afrika, die het vlakke Westen van Marokko, el Gharb, bewonen. Hij was een echte Moor, waaronder men niet alleen moet begrijpen een Marokkaan, maar een nakomeling der vroeger in Spanje gevestigde en door Ferdinand den Katholieke daaruit verdreven mohammedaansche veroveraars. Zij hadden zich in Spanje sterk met keltische, germaansche en joodsche elementen vermengd en waren ten slotte een geheel nieuw volk geworden, dat met de stamvaderen in Marokko weinig meer dan het geloof en de taal gemeen had. Zij waren de Moro's der Spanjaarden, die merkwaardige Afrikanen, die zich niet enkel in Granada en Andaluzië, maar ook in vele, meer oostelijk gelegen havens aan de Middellandsche Zee onderscheiden door hun rijke begaafdheid, hun prachtlievendheid en hartstochtelijk optreden. Shakespere's Othello was een Moro, een Moor, man van vrij lichte huidskleur en een fijn, smal gelaat met scherpe, semietische trekken. Mijn Moor had de voorname, afgemeten bewegingen en de beleefde spreekwijze van den beschaafden oosterling.
Dan had ik veel dienst van een echten Arabier, achter wiens gewoon ezeldrijversgezicht niemand de hooge waardigheid vermoed zou hebben, die hij bekleedde. Hij was namelijk een sjerif, en dat zegt in Marokko alles. Een sjerif is het kort begrip van alle hoogs en heiligs en onaantastbaars. Het woord, waarvan het meervoud sjürfa luidt, beteekent in 't Arabisch niet anders dan voornaam; maar in Marokko is het de vaste betiteling geworden van hen, die zich nakomelingen van Mohammed noemen, zooals zij in de oostelijke landen sajid of sejid heeten en zich daar door den groenen tulband onderscheiden, dien niemand anders dragen mag. Tegenwoordig is het aantal sjerifs in Marokko legio; maar toch was de aanwezigheid van zulk een heilige persoonlijkheid een groote rust. Een sjerif kan bijna altijd vrede stichten en onheil verhoeden.
De eerste groote plaats, die ik mij voorgesteld had, aan te doen, was de stad Asaila. Nadat ik een dag lang over de in voorjaarstooi prijkende uitloopers van den Djebel Habib was getrokken, stiet ik op den morgen van den derden dag, naar het Westen afslaand, op de groote strandvlakte, waarop de lange golven van den Atlantischen Oceaan den zandigen grond tot een prachtigen, gladden rijweg hadden geëffend. Voor menschen zoowel als dieren was het na de zware klauterpartij in de bergen een weldadige verkwikking, daar zich voort te bewegen, zonder ieder oogenblik op puin en wortels en groote steenen te moeten letten.
Maar het was gloeiend heet. De verkwikkende winden, die boven, op 300 M. hoogte, gewaaid hadden en in de buurt van de zee gestadig woeien, waren beneden niet meer te bespeuren. Zij schenen ingeslapen en moe te zijn geworden in de middaghitte, juist als wij. Toen was op eens de eindelooze strandvlakte als afgesneden; een breede, vestingachtige muur brak haar af en vulde de ruimte tusschen de zee en het heuvelland, en wij zagen tinnen en torens en wallen, bijna zwart van tint in het helle, recht neervallende licht. Dat is Asaila of Arsila of Arzilla, zooals de kaarten het geven; maar de Mooren en de andere inboorlingen spreken geen r uit, zij zeggen Asaila, zooals zij Tanger uitspreken als Tandsja.
Voor ik hier mijn reis afbrak, wenschte ik mij met een bad in zee te verkwikken. Ik zond dus mijn muildierdrijvers vooruit met het bevel, de tent tegen zonsondergang op een ongeveer dertig kilometer verder zuidelijk gelegen plek aan de kust op te slaan. Alleen de tolk en de soldaat bleven bij mij, om tijdens het bad mijn goed te bewaken. Nauwelijks was ik in het water, dat trots de warmte van 20° C. zeer verkwikkend en opwekkend werkte, of daar kwamen van de stad haastig groepjes mannen en kinderen aanloopen. Het waren Joden, die uit de verte waarschijnlijk reeds de aankomst van den Europeaan hadden gezien en nu den vreemden gast van nabij wilden bekijken. In hun stadje zijn geen Europeanen en een naakten blanke hielden zij stellig voor iets zeer bezienswaardigs, waar men het voor over moest hebben in gloeiende middaghitte een poosje te draven. Beschroomd en nieuwsgierig stonden zij daar nu te kijken, hoe ik rondzwom en fluisterden elkander op- en aanmerkingen toe. Dan werden ze moediger en bekeken mijn op het zand liggende kleederen, laarzen, rijzweep en de photografietoestellen, die de tolk steeds bij zich moest hebben en voor 't gebruik moest gereedhouden. Zoodra echter een neuswijze, kleine jodenjongen zijn hand uitstrekte, om den zilveren knop van mijn rijzweep te bevoelen, sloeg mijn mokhasni, die tot nu toe onverschillig naast mijn kleêren op het zand had gezeten, met de kolf van zijn geweer tegen het been van den knaap, zoodat de arme zondaar op het zand viel. Natuurlijk algemeen geweeklaag, geschimp en gevloek.
De soldaat voelt zich nu als vertegenwoordiger van den sultan en komt nader, zijn lam been achter zich aansleepend en dreigend het geweer zwaaiend. Ik roep den tolk toe, dat hij die menschen rustig moet laten gaan; maar te laat, de soldaat treedt krachtig op en jaagt de menschen weg met schoppen en kolfslagen. De tolk echter, wien ik van het water uit verwijten toeslinger, heeft geen ander antwoord dan; "Son Judios, Senor". En als 't "maar Joden" zijn, heeft men in Marokko niets ertegen in te brengen.
Kort daarna besteeg ik den muur van de oude vesting, een getuige van de vroegere grootheid van Asaila. Terwijl ik nog bezig was, een gunstig plekje voor mijn photografietoestel te zoeken, hoorde ik beneden mij plotseling een luid geschreeuw, en ik zag tot mijn schrik, dat een dichte hoop gepeupel saâmgeloopen was en al mijn bewegingen volgde, terwijl mij allerlei onverstaanbare woorden werden toegeroepen. Dat het niet veel welwillends was, wat men mij aan 't verstand wenschte te brengen, zag ik aan de snelle bewegingen der menschen en de talrijke, dreigende vuisten, die tot mij werden opgeheven.
Door het rumoer alleen had ik niet tot die conclusie kunnen komen, want deze brave Marokkanen verliezen hun veelgeroemde rust bij de geringste aanleiding, en hoe minder zij aan feitelijkheden denken, des te krachtiger gebruiken ze hun stemmiddelen. Eindelijk verstond ik het woord dsjama! dsjama! en nu was de oplossing van het raadsel spoedig gevonden. Ik was bij mijn rondwandelen op de uitgebreide vestingwerken op een plek gekomen, waar ik de verschere kalklaag niet had opgemerkt. En juist dit stuk van Oud-Asaila was het eenige, waar de menschen beneden belang in stelden. Men had in deze resten van de oude vesting een moskee gebouwd, zonder minaret en zonder eenig ander uitwendig teeken dan de nette, witte kalklaag, en zonder te weten, welken gewijden bodem ik met mijn laarzen van een christenhond betrad, was ik op 't dak geweest der moskee of dsjama van Asaila.
Mijn tolk was niet in de buurt, zoodat de mooie toespraak, die ik nu boven van den vestingmuur tot het beneden staande volk hield, wel tot de bekende parelen zal moeten worden gerekend, die men een zeker nuttig huisdier niet moet presenteeren. Daar ik er echter vriendelijke gebaren aan toevoegde en snel van het moskeedak verdween, om van een andere plek mijn kiekjes te nemen, verliep het avontuur zonder erge gevolgen.
Nu had ik eindelijk tijd en rust, het zich vóór mijn oogen uitbreidende wonderschoone tooneel op te nemen. Een stuk europeesche Middeleeuwen verplaatst aan de kust van den Atlantischen Oceaan en verlevendigd door oostersche figuren in witte gewaden, alles beschenen door de afrikaansche zon. Er is iets weemoedigs in zulke steden van vervallen grootheid, iets dat ook aan Ravenna en aan Brugge eigen is of aan Goa in Voor-Indië. De geweldige stadsmuur heeft in Asaila nog reuzenpoorten voor een plaatsje, dat naar zijn tegenwoordig aantal inwoners niet meer is dan een dorp en nog maar een bescheiden dorp. Twee groote torens verrijzen uit het steencomplex; de een lijkt de minaret eener verdwenen groote moskee, de andere de klokketoren van een even spoorloos verdwenen christelijke kerk. Nu nestelen ooievaars op de tinnen, en in de spleten en gaten van het begroeide muurwerk waren hagedissen en vleermuizen, zwaluwen en torenvalken. Van den vroegeren havenaanleg is niets meer te zien; de monding van het kleine riviertje, dat even ten noorden van de stad in zee valt, is hopeloos verzand, en de branding van den Oceaan slaat in lange golven tegen een ledige, verlaten kust.
En inwendig ziet men geen drukker leven. Ik steeg op het dak van het hoogste huis, welks eigenaar, Amram Roif, voor den rijksten jood der stad doorging. Van het ruime terras van zijn dak zag men neer in de smalle, vuile hoofdstraat, aan beide zijden bezet met die lage winkeltjes, waarin de moorsche koopman zijn geheelen dag doorbrengt. Vóór elk winkeltje was een soort van schermpje neergelaten ter bescherming van mensch en koopwaar tegen de gloeiende hitte.
De slechts 40 K.M. lange weg naar El Araisch, de naaste groote stad aan de kust, had ik mij als het gemakkelijkste en aangenaamste deel der reis voorgesteld. De weg ligt onmiddellijk aan het strand en loopt in zuid-zuidwestelijke richting zonder anderen hinderpaal dan twee rivieren, die men onmiddellijk aan hun monding heeft te passeeren. Daar echter dezen keer de voorjaarsregens uitgebleven waren in dit noordwestelijk deel van het land, dat uit het oogpunt van klimaat tegelijk onder den invloed van den Atlantischen Oceaan en van de Middellandsche zee staat, mocht men hopen, zonder al te groote moeilijkheden de niet overbrugde rivieren te passeeren. Naar het gewoon verloop der dingen moeten deze voorjaarsregens de noodzakelijke voorwaarde voor een goeden oogst zijn. Zij beginnen meestal op 't eind van December en duren dan met een tusschenpoos in Januari tot Mei toe. Voor reizigers in Marokko is echter de droogte een groot gemak bij het tijdroovend en gevaarlijk passeeren der rivieren.
Het rijden over 't vlakke, effen strand duurde echter niet lang; de soldaat beweerde, dat wij om de afgesproken plek voor ons kamp te bereiken, weer het land in moesten gaan. En dus trokken wij weer voort tusschen de heuvels, die ons schadeloos stelden door het prachtig uitzicht op de zee en de oostelijke bergen. Alles groende en bloeide, en geheele velden erica en brem bedekten de hellingen.
Een lange optocht van inboorlingenvrouwen, in losse groepjes verdeeld, kwam ons tegen en kondigde door gezang zich al in de verte aan. Het waren Berbervrouwen, die, zooals mijn gevolg meende, van een bruiloft terugkeerden. Heele dorpen schenen uitgetrokken, want telkens ontmoetten wij vroolijke drommen in dit stille berglandschap, waarin dorpen en kampen zeldzaam waren. Naar oud Berbergebruik, dat zelfs door de strenge voorschriften van den Islam niet op zij gezet is, waren alle vrouwen ongesluierd. Met trotsch opgericht hoofd, in haar kortgerokte kleeding, die niets heeft van de vermomming, waarin de arabische vrouw zich op straat beweegt, lieten deze Berberinnen zich door den Roemi bekijken. Zij zagen mij wederkeerig onbeschroomd aan, open en vriendelijk, eerder met welwillende belangstelling dan met boosheid of beschaamdheid. Er waren niet veel jonge vrouwen bij; maar alle hadden regelmatige trekken en mooie oogen.
Reeds lang had ik bemerkt, dat mijn brave soldaat zich niet meer zeker voelde van den weg. Op den gewonen karavaanweg tusschen Tanger en Fez, dien hij ontelbare malen was gevolgd, zal hij wel elke plek kennen; maar hier begon hij de voorbijtrekkende ezeldrijvers te vragen, en nu en dan keek hij bezorgd om zich heen. Ten slotte toen de zon al zeer laag stond, en de voorbijgangers zeer schaarsch werden, zei hij, dat wij beproeven moesten, de sporen der vooruitgezonden lastdieren in het zand langs de kust te vinden. Geheel in duister moesten wij nu weer afdalen naar de zee, en werkelijk konden wij dichtbij het water de lijnrecht voortloopende sporen der muildieren herkennen. Wij volgden die, zoo lang het ging. Op eens waren ze niet meer te zien.
Of de karavaan zich van het strand verwijderd had, of dat wij in onze slaperigheid niet goed toezagen, maar in elk geval was de aansluiting verbroken, en de soldaat weigerde, den weg langs de zee verder te volgen. Wij zouden bij de rivier komen en gevaar loopen, in het drijfzand te raken, als wij in donker verder reden. Hij meende, dat niets anders overbleef, dan op den opgang der maan te wachten en dan verder te gaan, want het dorp, waar de tenten opgeslagen waren, kon niet ver meer af zijn.
Het was afnemende maan, voorbij laatste kwartier, en dus konden er nog eenige uren verloopen, eer de smalle sikkel verschijnen zou, om 't onbekende land gebrekkig te verlichten. Niet ver van het strand stegen wij af en gaven onszelven en onzen paarden eenige rust; maar de honger plaagde ons. Ik had sinds den morgen niets anders gebruikt dan een paar sinaasappelen in Asaila en wat zure melk, die een der Berbervrouwen ons onderweg geschonken had.
Dus moest ik mij hongerig en dorstig in bet zand neerleggen en met een sigaret de knagende maag tot rust brengen. Het duurde niet lang, of daar begonnen de bleeke sterren aan den hemel zich achter een sluier van wolken te verbergen, en een ondoordringbare duisternis omhulde zee en hemel, strand en duinen. Spoedig werd het zoo donker, dat ik niet eens meer mijn schimmel, dien de tolk op een paar pas afstands van mij bij den teugel hield, kon onderscheiden.
Toen volgde er plotseling een windstoot, een paar bliksemstralen en bijna op hetzelfde oogenblik een regenbui, die ons door en door nat maakte. Ik had mijn regenmantel bij de bagage der beladen muildieren gelaten, daar den geheelen dag de lucht noch de barometer regen hadden voorspeld. En toen ze kwamen aanloopen met een paardedek, nog warm van den rug van een paard, om mij daarin te hullen, was ik al geheel doorweekt. Toch gelukte het mij met behulp van dat kleed en met mijn eigen lichaamswarmte na verloop van enkele uren weer droog te worden en de plaats in het zand, waar ik lag niet doorweekt te krijgen. De maan verscheen natuurlijk in 't geheel niet; dus moest het daglicht worden afgewacht, dat tegen vijf uur 's morgens met moeite door de zware regenwolken brak.
Dit was het sein voor vertrek. Het was een droevige optocht. Menschen en dieren waren nat, hongerig, dorstig, moe, stijf en koud. De paarden hadden den geheelen nacht in den kletterenden regen gestaan; ze lieten den kop hangen en zagen er bedroevend uit. Ook bij ons, menschen, was de levensmoed tot een laag peil gezonken, en hij steeg niet, toen de soldaat ook 's morgens den weg nog niet kon vinden.
Met mijn kijker zocht ik den omtrek af, maar zag niets van een kamp of van onze beladen muildieren. Geen dorp, geen tent, geen dieren te zien. Maar daar ontdekte ik op een paar honderd pas afstands de bruine dsjellaba van een Moor, als om te drogen, over een struik gehangen. Waar het kleed is, kan de drager niet ver verwijderd zijn; ik reed erop af en was hoogst verbaasd, plotseling een man hard op mij te zien toeloopen, terwijl hij mij met alle teekenen van vreugde begroette als een hond zijn teruggekeerden meester.
Het was een van mijn eigen muildierdrijvers. De lieden waren met de tenten en dieren dicht in de buurt, en wij hadden niet meer dan een paar duizend passen van hen verwijderd in de open lucht zonder beschutting en voedsel den nacht doorgebracht! Het was om te lachen, maar de vermoeide paarden namen aan de vroolijkheid niet recht deel. In een laagte, door opuntia's en agaven en allerlei doornstruiken omringd, hadden zij een uitstekend, veilig kamp ingericht; maar ik was te ongeduldig, om naar El Araisch, de naaste stad, te komen, dan dat ik van het kamp gebruik wilde maken.
Het ging weer snel zuidwaarts langs het strand, tot de hooge muren en torens van El Araisch vóór ons oprezen, veel statiger en schilderachtiger nog dan die van Asaila.
El Araisch is ook een van de sterk achteruitgegane plaatsen van Marokko, en weer trof mij het middeleeuwsche karakter der stad. Mijn aankomst trok er sterk de aandacht. Europeesche bezoekers zijn hier schaarsch en vooral in deze tijden van onrust werden ze bijna niet gezien. Wij moesten over de rivier de Wadi el Koes gezet worden, om tot de stad te naderen, en met de eerste boot, die van de stad naar de overzijde kwam; waar ik met mijn dieren wachtte, zond ik dadelijk een paar regels aan een spaanschen koopman, aan wien de duitsche postdirecteur in Tanger mij had gerecommandeerd, om van hem raad te vragen, waar ik het best mijn tenten zou opslaan.
Het heen en weer gaan van de kleine booten, die altijd slechts één of twee van mijn lastdieren konden overzetten, duurde geruimen tijd. Toen ik eindelijk als laatste mijner karavaan aan de stadszijde der rivier was afgezet, begroette mij een Europeaan, die mij tot mijn verbazing in het Duitsch aanspraak. Hij was de eenige Duitscher in de plaats, een oudmachinist van de keizerlijke marine, die hier als kapitein van een der booten van den sultan tegelijk de plichten van een havenmeester vervult.
Onder alle steden van Marokko is El Araisch bekend om het mooiste marktplein. Het is inderdaad een echt oostersche markt, veel schilderachtiger dan alle andere, die ik tot nog toe in Marokko had gezien. Maar ook zij draagt den stempel der vergankelijkheid, alle kenteekenen van niet meer te passen in den tegenwoordigen tijd, zooals met zooveel dingen in deze vervallende atlantische havens het geval is, waar maar geen nieuw leven uit de ruïnen wil opbloeien. Wat deze soek of markt van alle andere onderscheidt, is de lange rij van mooie gewelfde zuilengalerijen, die aan twee zijden het plein begrenzen en zulk een geschikte lijst vormen voor het bonte beeld van kleinsteedsch handelsverkeer dat zij omsluiten. Er zijn wel bijna honderd van die nauwe kooiachtige stalletjes, die van Noordwest-Afrika tot in Midden-Azië de plaats van onze winkels innemen. Alle zijn ze naar één model naast elkaâr gezet en met even hooge koepels bekroond.
Een moorsche Rue de Rivoli, maar voor de schitterende étalages van de parijsche winkels krijgt men hier de moorsche kooplui zelf te midden van een bescheiden hoopje alledaagsche goederen, die duidelijk genoeg toonen, dat men voor pracht hier geld heeft noch waardeering. Vier moskeeën steken boven het plein op; aan de oostzij wordt het door een prachtige, oude poort afgesloten en naar het Westen door den vestingachtigen ingang naar de kasba, den burcht van den stadhouder, welks geweldige muren uit den tijd der Spanjaarden in de 16de eeuw nog versterkt zijn. Zooals de Portugeezen in Asaila hebben de Spanjaarden in El Araisch getracht, door de havens te behouden, hun gezag in het land te handhaven. Maar reeds in 1691 maakte sultan Mulei Ismaël met behulp van fransche fregatten een einde aan de spaansche heerschappij.
Voor de kleine spaansche gemeente, die nog heden in El Araisch woont, moet het smartelijk zijn, al die getuigen van voorbijgegane spaansche grootheid steeds voor oogen te hebben. Het sterkst krijgt men dien indruk van troosteloos verval, als men van de zeezijde de forsche vestingwerken aanschouwt. En 's morgens, als ik mijn bad nam, zaten dan als getuigen van het belachelijke heden mijn soldaat en mijn Berber als levende bewijzen van den zwaktetoestand der tegenwoordige sultansheerschappij, die het niet waagt, zich flink tegen een oproerigen onderdaan en zijn aanhang te verweren. Alsof het hier buiten aan het eenzame strand van bloeddorstige aanhangers van Boe Hamara wemelde of een sluipmoordenaar achter elk rotsblok zich verschool, zaten daar de wakkere beschermers van mijn leven, de mokhasni met zijn oud verroest geweer, en de Berber met in de eene hand een knuppel en in de andere een klein vuursteenpistool, dat misschien na den tijd van den dertigjarigen oorlog niet meer was gebruikt.
Van El Araisch naar El Ksar el Kbir, de volgende stad, die ik wilde bezoeken, was slechts een weg van 33 kilometer door vlak land met slechts een enkelen rivierovergang. Men had mij telkens willen tegenhouden om de gevaren, die het oproer meebracht, maar gelukkig had ik mij niet laten terughouden. Als dit het "vlammend oproer" was, dat Marokko in brand had gezet, dan moeten marokkaansche opstanden toch al heel weinig beteekenen en niet met woelingen in andere landen te vergelijken zijn.
Een bloeiend landschap, heuvelachtig weideland vol bloemen, vreedzaam voorttrekkende karavanen met trotsche kameelen, vlugge muildieren en zingende drijvers, mooie kudden glad rundvee, wollige schapen en langharige geiten, slechts door een enkelen grijsaard bewaakt of door een paar halfnaakte, bruine kinderen, was dat een land, bedreigd door burgeroorlog en bestuurswisseling, waar dreigende moordenaars huishielden? Waar waren toch de rookende dorpen, de verwoeste oogsten, de met lijken bedekte wegen, die ons voor twee jaren in China hadden geleerd, wat opstand en burgeroorlog beteekenen? In andere deelen van het rijk was het mogelijk erger; bij de noordkust en aan de algerijnsche grens, maar hier was het land rustig en de kalmte ongestoord.
Toch leek het eerst nog, of er zich bezwaren zouden voordoen, want reizigers, die pas den weg waren gegaan, berichtten dat regenbuien hem onbegaanbaar hadden gemaakt en de rivier hadden doen zwellen. Dus wilde ik eerst nog een kamp opslaan in een niet ver van El Araisch gelegen dorp. Meestal zocht de mokhasni de plaats voor het kamp uit en wel op een plaats, waar hij goede bekenden had en een goed onderkomen kon vinden, natuurlijk kosteloos, opdat hem de anderhalven doero kostgeld, die ik hem volgens onze overeenkomst dagelijks moest betalen, als zuivere winst ten deel vielen.
Dezen keer echter was er geen tijd om lang te zoeken en onverwijld moest hij met den schout van het naaste dorp onderhandelen. Het trof mij, dat de plek een arabische doear was, een tentdorp, zooals de nomadische Arabieren in Marokko plegen op te richten, waar zij een merkwaardig middending zijn tusschen hun voorvaderen, die nomaden waren in de arabische woestijn, en de burgerlijk levende Berbers, wier land zij voor een deel bezet hebben. Zulk een doear ziet eruit als een kamp, dat op weg is een dorp te worden. Vorm en maaksel der woningen zijn nog geheel die der kampen, lage, lange hallen van gerstestroo en geitenhaar, zwartbruin en onaanzienlijk. Ook de inwendige inrichting, die eigenlijk door afwezigheid schittert en alleen het allernoodzakelijkste keukengerei vertoont, herinnert nog aan de tent van een zwervend volk, sterke tegenstelling dus tot de in de steden wonende Mooren, die zoo verweekelijkt zijn, zich graag met pracht en praal omgeven en zich in den laatsten tijd al druk amuseeren met photografietoestellen, speeldoozen en grammophonen.
Om de een of andere reden en, naar ik uit de verklaringen van mijn tolk meende te begrijpen, wegens oude stamvijandschap, weigerden de bewoners van dit jammerlijke dorp mijn mannen het verlof, om den nacht op hun grond door te brengen. Tegen mij als vreemdeling en ongeloovige hadden zij, merkwaardig genoeg, niets in te brengen. Mijn Berbers van den stam der Andsjera scheen men geen gastvrijheid te willen verleenen. Zoo kwam het tot heftige woorden en dreigende gebaren, en ten overvloede heette het, dat men ons met geweld verdrijven zou.
Ik beproefde het eenige verzoeningsmiddel, dat de reiziger in zulke gevallen heeft, dat krachtiger werkt dan alle wetten of alle goedheid, namelijk den snooden Mammon in den vorm van goede betaling voor alle moreele of politieke bedenkingen. Juist op dat oogenblik kwamen echter de uit de velden en weiden naar huis gedreven kudden aan. Lustig springend kwamen de jonge stieren binnenhuppelen in volle vrijheid. De jonge lammeren dartelden ertusschen, en ten laatste kwamen de merries met hun veulens, die zich dicht tegen hun voedingsbron aandrukten. Onze hengsten bleven niet onverschillig en waren bijna niet te houden en het algemeen tumult, dat daarbij ontstond, wekte een soort van verbroedering onder de menschen. Tegen goed geld kregen wij een plaats voor ons kamp, en de nacht verliep in alle kalmte. Den volgenden dag brachten wij een kort bezoek aan El Ksar, een zeer vuile stad, die onder de marokkaansche steden als de vuilste bekend is, hetgeen niet weinig wil zeggen. De nauwe, donkere straten lagen dik onder een vettig slijk; de zoogenaamde markt geleek een mesthoop.
Nu lag vóór ons een groot tafelland vol kloven, waar de insnijdingen weinig water voerden zelfs in den regentijd. Maar wij moesten op den weg naar Fez nog drie vrij belangrijke rivieren passeeren, de Wargha, de Seboe en de Sgota, eer we eindelijk weer op den eigenlijken reisweg, den van Tanger naar Fez leidenden karavaanweg, belandden. Het doorwaden der rivieren was telkens met veel last en moeite verbonden. Het water schoot zoo snel en krachtig door de bedding, die vol kleine eilandjes en hoopen steenen en afschuivingen van den oever lag, dat men wel hulp moest hebben bij den overtocht. En zelfs als ieder dier door een met de rivier bekend persoon aan den teugel gevoerd werd, terwijl die persoon geheel naakt zich een weg baande door den sterken stroom, was het nog een kunststuk, de geheele karavaan veilig over te brengen. De onder den buik der paarden met razende snelheid voortbruisende stroom werkte zoo verwarrend op mensch en dier, dat men er duizelig en half bedwelmd van werd en zich willoos overgaf aan de leiding der vooruitloopende, met het water worstelende mannen.
Reeds bij den overgang over de Seboe hadden zich bij mijn kleine karavaan veel andere reizigers aangesloten. Ofschoon ik deze rivier, die ondanks haar betrekkelijk korten loop van ongeveer 500 K.M. de belangrijkste, niet alleen van geheel Marokko, maar van geheel Noordwest-Afrika is, niet overging bij het kruispunt met den grooten karavaanweg, toonde toch de beweging aan de oevers, dat wij weer in meer bezochte oorden kwamen en dichter tot de hoofdstad waren genaderd. Inderdaad scheiden zich hier in den oostelijken hoek der groote, vruchtbare kustvlakte, die zich als een driehoek tusschen de rivieren Seboe en Boe Regrag uitstrekt, talrijke karavaanwegen, die alle zich naar Fez richten. En daar bij het bekende gebrek aan bruggen en veren ook de meest ervaren reizigers aangewezen zijn op de hulp en de kennis der inboorlingen, die met de doorwaadbare plaatsen vertrouwd zijn, kan men bij het wachten op de gidsen aan de oevers altijd een echt bont tooneel van oostersch karavaanleven aanschouwen.
Lange reeksen van zwaarbeladen, langzaam en gelijkmatig voortgaande kameelen, grootere en kleinere groepen muildieren en ezels met luid schreeuwende drijvers, trotsche en slecht gehumeurde ruiters met lange geweren en bescheiden voetgangers, allen zonder onderscheid moeten aan de steile hellingen der bedding wachten, terwijl de rivier vuilbruine golven haastig voortstuwt, tot eindelijk de gidsen weer van de overzij komen aanzetten. Men laat de dieren in de nabijheid grazen, verbetert eens wat aan de schikking der lasten op den rug der beladen beesten en gaat dan in het gras zitten, om een praatje te maken met den eerste den beste. Natuurlijk werden er tooneelen opgehangen van roof- en moordpartijen, terwijl de lust in fabeltjes vertellen, zoo sterk in dit oostersche land, bij ieder verhaal den spreker zelf in 't middelpunt der handeling plaatste en hem pochen deed op heldendaden en met moed doorgestane gevaren.
Van dit oogenblik af waren wij bijna nimmer meer alleen op marsch. Er zal geen uur verloopen zijn, waarin wij niet met andere reizigers of ten minste in het gezicht van andere groepjes langs den weg trokken, en ook deze zelfs liet het bespeuren, dat wij nader kwamen tot het doel, de groote hoofdstad en het handelsmiddelpunt van het land.
Zelfs de dieren schenen vlugger en beter de aanmoedigende woorden te begrijpen, ook zij ruiken het einde van de reis. Verwachting en ongeduld nemen toe, en de laatste mijlen worden een kwelling. Sommigen gaan vooruit, om te zien, of er nog altijd niets te bespeuren is van de schitterende sprookjesstad, keert dan weer naar de lastdieren terug, om hun gelijkmatigen reistred te bespoedigen door een ongeduldig bevel.
Eindelijk, eindelijk, daar ontdekken wij dikke, bruingrijze, lage stadsmuren met breede poorten, witte huizenblokken en lange, gelijkvormige rijen en daarboven oprijzend eenige minarets en een paar populieren en dadelpalmen. Alles is intusschen vlak en gedrukt, weinig zich verheffend boven de vlakte, niets, dat aan een hoofdstad of een residentie herinnert. De tolk tracht mij voor mijn teleurstelling te troosten en zegt, dat dit slechts het nieuwe onbeduidende deel van Fez is, dat wij, uit het Westen komend, het eerst te zien krijgen. De werkelijke stad, de Medina, met het beroemde heiligdom van Moelei Idris en de groote moskee, ligt verborgen en is van hier niet te zien. Het doffe, donkere, regenweêr doet met zijn nuchtere, grijze tinten het overige en zoo blijft er wel degelijk een gevoel van teleurstelling over, waarmee ik op den middag van mijn twee-en-twintigsten reisdag door de westelijke stadspoort, Bab es Segma, de heilige hoofdstad van den sjerif van Marokko binnenrijd.
Natuurlijk zou ik een bezoek aan het hof brengen en een uitnoodiging liet zich dan ook niet lang wachten. Ik was zelf afwezig, toen de bode van den sultan mij een invitatie bracht. Den dag daarna verscheen nog eens een afgezant van Moelei Abdul Aziz, dezen keer de aan het hof in groot aanzien zijnde engelsche instructeur der troepen kaïd Sir Harry de Vere Maclean, om mij nog eens in optima forma uit te noodigen. Ik was er zeer verbaasd over, daar ik opzettelijk vermeden had, mij gewoon voor een audiëntie aan te melden, ofschoon zij veelal de hartewensch is der talrijke reizigers, die Fez in de laatste jaren bezocht hebben.
Vooral de republikeinsche Amerikanen doen daar sterk aan; zij rusten niet, eer zij hun trotschen, vrijen burgerrug voor Zijne Sjerifiaansche Majesteit gebogen hebben. Sir Harry zegt mij, dat de sultan mij onlangs heeft gezien en naar den nieuwen Europeaan geïnformeerd heeft bij den minister van buitenlandsche zaken, die mij, dank zij een aanbevelingsbrief van onzen gezant, vrijheer van Mentzingen in Tanger, reeds kende. Z.M. had nu bevolen, dat ik aan hem voorgesteld zou worden. Er waren toen juist slechts zeer weinig Europeanen in de stad; men had om de woelige tijden, zooveel mogelijk, vreemdelingen geweerd.
De stad zag er intusschen levendig genoeg uit. De maand Rebia el Uwwel, de eerste lentemaand, was in het land gekomen en daarmee was de reeks van feestdagen begonnen, die de Mohammedaan ter eere van zijn Profeet viert, omdat de verjaardag van den godsdienststichter in die maand valt. Naar een oud gebruik brengen de onderworpen stammen hun schatting en hun eeregeschenken voor den sultan, en de gezantschappen worden door den sultan in persoon ontvangen. De ontvangst en het uitgeleide van die gezantschappen hebben telkens met grooten luister plaats. De lijfwacht van den vorst en alle in de hoofdstad aanwezige troepen worden in gala ontboden, het geheele hof is aanwezig, en een zeer breede kring van toeschouwers in feestkleedij omlijst het bonte tooneel, dat voor de beste gelegenheid doorgaat, om het sjerifiaansche hof in volle pracht te aanschouwen.
Om mij in elk geval van den aanblik dezer grootheid te verzekeren, was ik al den eersten dag in gezelschap van mijn soldaat Embarik naar het paleis gegaan en had de ontvangst der Kabylengezantschappen mee aangezien. Daarbij had de sultan mij opgemerkt, ofschoon ik niet te paard was, maar naast mijn rijdier stond. Maar buiten de officieren der vreemde gezantschappen was geen Europeaan aanwezig, en dus was hem de verschijning van den nieuweling dadelijk opgevallen. Toen hij bij het einde van het feest in het inwendige van het paleis zich terugtrok, kwam hij vrij dicht langs mijn standplaats, wierp mij een langen onderzoekenden blik toe, en het mishaagde hem, zooals mij kaïd Maclean mededeelde, dat ik hem niet groette. Ik wist inderdaad op dat oogenblik niet, hoe ik groeten moest. De kotau zal Z.M. toch wel niet verwacht hebben, den hoed afnemen is in mohammedaansche landen ver van een eerbewijs en ongeveer op twintig pas afstands een paar hoffelijke buigingen te maken, zou mijzelf zoo belachelijk zijn voorgekomen, dat ik ze toch niet in ernst had kunnen volvoeren. Zoo had ik mij uit deze embarras de richesse van groetmogelijkheden gered, door eenvoudig niets van dat alles te doen, maar den heerscher recht in 't gelaat te zien, wat wel de aanleiding tot mijn audiëntie bij Moelei Abdul Aziz zal geweest zijn.
Den volgenden dag reed ik op het aangegeven uur weer het paleis binnen en begaf mij naar het feestterrein, de Meschwar. Daar steeg ik af en wachtte op de dingen, die komen zouden, mijn feestgewaad onder een langen stofmantel verbergend. Het geweldig groote plein ligt in het noordelijk deel van het zeer uitgebreide paleis en was thans door een dichte menschenmenigte omgeven, die zelve weer een lijst vormde om den in 't midden opengestelden vierhoek van soldaten. In het midden van het voorste gelid der eene lange zijde zag ik reeds in de verte den engelschen chef-instructeur in bovenaardsche pracht stralen. Hij droeg een vuurroode galajas, van boven tot beneden met zware gouden tressen bezet, ongeveer ter dubbele breedte van die der diplomatenuniform. Op het hoofd droeg hij de hooge, scharlakenroode sjasjia van de moorsche askari's, omwikkeld met een schitterend witten tulband, en om de schouders had hij, als bij de oude kruisridders, een wijden mantel zonder mouwen geslagen, gemaakt van 't fijnste, witte mousseline.
Toen na lang wachten de sultan zich vertoonde, door een schitterenden hofstoet omgeven, klonk uit de rijen der soldaten den krijgsroep: "Allah moge onzen heer de zege verschaffen!" allah ianssar ssidna, die altijd wordt geuit, zoodra de sultan verschijnt. Statig reed de vorst over het plein, en de engelsche chef-instructeur wenkte mij, hem binnen het regeeringsgebouw te volgen.
Daar had ik een kort onderhoud met den vorst, waarbij Sir Harry Maclean als tolk optrad. Het was een ongedwongen praatje, dat op aardrijks- en staatkundig gebied bleef. Ik maakte mijn verontschuldigingen over mijn niet-groeten, en het trof mij, hoe eenvoudig en waardig het optreden van den sultan was. Vriendelijk weerde hij mijn excuses af met het woord, dat men van den eersten dag van zijn verblijf in Marokko kan hooren uit den mond van hoog- en laaggeplaatsten: la bass, la bass d.i. het doet er niet toe.
NASCHRIFT.
Dr. Genthe's Reisbrieven zijn in 1904 in de Kölnische Zeitung verschenen, en toen de laatste er van het licht zag, was de schrijver reeds niet meer onder de levenden. Hij heeft op droevige wijze in Marokko den dood gevonden.
In Maart 1904 was hij op het punt, Fez vaarwel te zeggen; den 10den zou hij opbreken naar de kust. Het had lang en zwaar geregend, en de doctor had zijn gewonen namiddagrit eenige dagen moeten missen. Den achtsten nu lokte hem een heerlijke voorjaarsdag naar buiten, en op zijn mooie Benni-Hassan-hengst reed hij tegen drie uur in den namiddag de westpoort uit, om niet weer terug te keeren. Hij was voor dat rijden alleen dikwijls gewaarschuwd, maar zijn kamers in Fez waren eng en benauwd, en er waren zooveel dingen geweest, waarvoor men hem had gewaarschuwd en die toch goed waren afgeloopen, dat men hem het niet euvel kan duiden, wanneer hij soms een raad in den wind sloeg.
Er was hem wel door de regeering een bereden soldaat toegevoegd; maar Genthe reed veelal zeer snel, om het geleide kwijt te raken en de regeering had, om haar paarden te sparen, reeds bepaald, dat hij alleen te voet gaande, begeleid zou worden. Zoo bleef ook toen de soldaat achter, en den 9den kwam de man op het duitsche consulaat melden, dat zijn heer niet terug was gekeerd.
Waarschijnlijk heeft de reiziger den dood gevonden onder moordenaarshand, en hebben roovers hem uitgeplunderd en daarna het lijk verduisterd. Er is wel in de Seboe in het laatst van April een lijk gevonden, dat als van een Europeaan voor het zijne is gehouden, maar het was gewond en geheel naakt, en met zekerheid heeft niemand het als het lijk van den Duitscher kunnen herkennen.
De weg, dien hij uitgereden was, is vooral in den regentijd zeer eenzaam, en het schijnt, dat een slecht befaamd individu El Chammar de daad heeft bedreven, niet onmogelijk met medeweten van Dr. Genthe's persoonlijken bediende. Allerlei nasporingen werden in het werk gesteld; het paard werd nog in September bij den stam der Beni Mtir teruggevonden en daaraan werden nieuwe onderzoekingen vastgeknoopt; maar volkomen opgehelderd is de zaak nooit.
Toch heeft men getracht, het rechtsgevoel bevrediging te schenken, 't geen vooral noodig werd, toen des keizers bezoek in Marokko was aangekondigd. De door de publieke opinie als moordenaars aangewezenen werden tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld, en de marokkaansche regeering betaalde een som van 40.000 mark als schadeloosstelling voor de bloedverwanten van den vermoorde. Op die wijze wordt in den laatsten tijd vaker Marokko's schatkist aangesproken. Voor eenige maanden is de Franschman Charbonnier er vermoord, en in 't begin van Juli heeft het machzen in 100.000 francs schadevergoeding bewilligd.
AANTEEKENING
[1] Dit uittreksel is ontleend aan: Marokko, Reiseschilderungen von Dr. Siegfried Genthe. 2e aufl. Berlin, Allgem. Verein für Deutsche Literatur 1906.
Langs den Congo tot Brazzaville.
Door A. KLOOS.
Na een voorspoedige reis over een bijkans spiegelgladde zee had de Albertville, een der stoomschepen der Messageries Maritimes du Congo, het anker laten vallen in de ruime, slechts door een smalle landtong van den Oceaan gescheiden baai, door den machtigen Congostroom aan zijne uitmonding gevormd.
Al dadelijk bij het invaren maakt de rivier een grootschen indruk. Verscheidene K.M. breed, stuwt zij hare wateren, waarvan de gele kleur reeds den geheelen dag vóór onze aankomst den aanblik der zee veranderde, met groote snelheid en in ongelooflijke massa voort. Hare dichtbegroeide, vèrwijkende oevers verliezen zich in de oneindige verte; tot aan den horizon kunnen we stroomopwaarts de wateroppervlakte overzien,--slechts plekken eenige kleine eilanden, hier en daar verspreid, tegen de donkere kleur van het water of tegen den helderblauwen hemel af.
In al zijn rustige schoonheid vertoont zich de machtige stroom aan ons oog; niets dan een enkele kleine kano door rechtop staande inboorlingen voortbewogen, verraadt ons de nabijheid van menschen. Geen geluid dringt over die uitgestrektheid tot ons door, stil en indrukwekkend ligt de Congo, zich badende in het verblindend witte, tropische zonlicht, voor ons.
Alleen als we over de baai naar de landtong, die we straks bij het binnenkomen omstoomden, terugblikken, zien we dat onze aankomst opgemerkt werd.
Eenige sloepen, waarin ambtenaren van den Congostaat of vertegenwoordigers van hier gevestigde Europeesche handelshuizen gezeten zijn, bewegen zich over het water, en 't duurt niet lang of de inzittenden haasten zich aan boord, om bij het afdoen hunner zaken weer eens iets anders te zien dan hunne dagelijksche omgeving, die op 't stukje grond, tusschen rivier en oceaan gelegen, dat hun tot verblijfplaats dient, niet zeer afwisselend is; vooral ook, om het nieuws te vernemen, dat elke stoomer uit Europa medebrengt.
De voor ons liggende landtong, Banana geheeten, vertoont ons, op eenigen afstand gezien, een liefelijk beeld van rust en koelte; wuivende palmen overschaduwen met hunne sierlijke, waaiervormige bladerkronen eenige lage, witte huizen, die met hunne helderwitte daken scherp tegen het donkere groen afsteken. Nadere kennismaking met Banana echter valt niet mede, althans niet wat natuurschoon betreft. Als we ons aan land begeven hebben zien we, dat de bodem niet veel anders is dan het zandige zeestrand, en hoewel er palmen in overvloed op groeien, is er van anderen plantengroei bijna geen spoor te ontdekken. Aan zijn gunstige ligging heeft Banana het dan ook slechts te danken, dat zich hier verscheidene blanken gevestigd hebben.
Allereerst zien we de groote factorij van het belangrijkste handelshuis dat op den Congo handel drijft, het overal in het binnenland gevestigde Hollandsche Huis, eene te Rotterdam bestaande vennootschap, die hier haar hoofdkantoor voor Afrika heeft. Hare groote magazijnen, woningen voor geëmployeerden, kantoor, werkplaatsen etc. nemen een groot deel der oppervlakte in beslag. Al deze gebouwen zijn uitstekend onderhouden en het geheel maakt aanstonds den indruk van groote orde en netheid; het doet ons goed, boven deze groote vestiging onze vaderlandsche driekleur te zien waaien.
Nog eenige Belgische en Fransche maatschappijen hebben hier hunne factorijen, en meer landwaarts in ontwaren we de gebouwen van het Gouvernement van den onafhankelijken Congostaat, kantoren voor posterijen, voor douanedienst en dergelijke. Alle huizen zijn hier laag, van klei opgetrokken en met houten daken gedekt; over 't algemeen maken zij met hunne witgekalkte daken, die aan alle zijden een eind over de muren heensteken, een aangenamen indruk.
Behalve visch, die in overvloed gevangen wordt, levert de streek niets op, wat tot onderhoud der hier wonende blanken en zwarten dienen kan. Bananen, de heerlijke, gezonde vrucht, die we op den naam afgaande, hier zoeken zouden, zijn hier evenmin te vinden als andere vrachten. De naam Banana is afgeleid van het inlandsche woord, dat steenachtig beteekent.
Zelfs zoet water vindt men hier niet; het voor de bewoners benoodigde moet uren ver per kano gehaald worden. De landtong is bovendien zoo smal, dat bij sterken wind de golven van den Oceaan somtijds hun water tot over de halve breedte van de strook land voortstuwen, zoodat er dan zeewater aan de binnenzijde in de baai afvloeit.
Zijn gewicht voor den handel op den Congo ontleent Banana dan ook slechts aan het feit, dat het is de eerste aanlegplaats der schepen van over zee en het punt van waaruit massa's produkten van het Congobekken verscheept worden naar Europa. Doch ons stoomschip laat ons niet veel tijd ons hier lang op te houden; het maakt zich, na de mail afgegeven en verdere formaliteiten vervuld te hebben, gereed zijn weg rivieropwaarts te vervolgen.
Het is een tocht, rijk aan natuurschoon, dien we nu maken. De vaart van onze boot wordt hier aanmerkelijk getemperd door den sterken stroom en we hebben ruimschoots gelegenheid te genieten van de telkens afwisselende tafereelen, die rivier en oevers aanbieden. De weelderige plantengroei geeft aan de eilanden en boorden der rivier overal het voorkomen van ondoordringbare, uit het water oprijzende groene wallen. Nergens is een plekje gronds onbegroeid; van uit het water rijst het groen op, onafgebroken tot in de kruinen der boomen; zelfs het oog vermag niet meer dan enkele meters in die bosschen door te dringen. Een enkele maal passeeren we eenige bijeenstaande huizen en hutten, een handelsfactorij, gebouwd op een open plekje aan de rivier, dicht omringd door het onmetelijke woud, dat van alle zijden als ter herovering van dit gebied schijnt op te dringen.
Meestal vertelt ons de vlag, dat het een Hollandsche vestiging is.
Deze factorijen, die hier vroeger talrijker werden aangetroffen dan tegenwoordig, zijn de plaatsen, waar de inboorlingen hunne waren: ivoor, gom-elastiek, grondnoten en palmolie, tegen allerlei zaken van hunne gading komen inruilen. Vroeger was de handel hier aan den benedenloop der rivier zeer levendig, doch deze verplaatste zich allengs meer naar "boven" naarmate de blanken, voortdurend zoekende elkander de loef af te steken, telkens dieper landwaarts indrongen. Tegenwoordig zijn het hoofdzakelijk grondnoten en palmolie, die hier worden ingeruild, hoewel uit de streken, eenige dagen (karavaandagen) van de kust af gelegen, ook nog wel gom-elastiek en ivoor komen.
De belangrijke ivoor- en gom-elastiekhandel evenwel heeft hier zijn tijd gehad; de groote neger-karavanen, die deze producten zeer diep uit de binnenlanden naar de kust aanbrachten, worden hier niet meer gezien; de streken, van waar deze karavanen kwamen, worden rusteloos opgespoord door de handelshuizen, die zich, sedert het laatste tiental jaren vooral, overal in het binnenland gevestigd hebben, en de ruilhandel om deze voortbrengselen verlegde zich dientengevolge duizenden K.M. meer oostwaarts.
Door een loods gevoerd, volgt onze boot overal den stroomdraad. Nu eens tusschen talrijke eilandjes door, dan langs den eenen oever, dan weer langs den anderen varende, somtijds de rivier over bijna de geheele breedte dwars overstekende, vermijden we de vele zandbanken en rotsen, die, gevoegd bij den snellen stroom, de vaart hier zoo moeilijk en gevaarlijk maken. Na eindelijk de gevaarlijke Montèba-bank--de rivier is hier slechts 15-20 voet diep en de boot stoot er op verscheidene plaatsen aan den grond--gepasseerd te zijn, bereiken we nog denzelfden dag van ons vertrek van Banana de hoofdplaats van den Congo-Vrijstaat, Boma.
Een groote, ver in de rivier uitloopende pier maakt het aanleggen en ontschepen zeer gemakkelijk. Velen onzer medepassagiers zijn bestemd voorloopig hier te blijven. Belgen en Italianen, meestal in dienst van den Staat, de laatsten vooral als officieren, Portugeezen, Franschen en Hollanders voor verschillende handelshuizen, Zweden en Noren dikwijls, die als kapitein of stuurman gewild zijn, komen hier met elke boot aan, ter vervanging van hen, die na volbrachten diensttijd--meestal 2 of 3 jaren--naar Europa terugkeeren.
Boma bezoekende, krijgt men niet den indruk te zijn in het donkerste Afrika, in de nog voor weinige jaren zoo weinig bekende Congo-streek. Ter lengte van ongeveer een K.M. loopt langs de rivier een breede weg, waaraan, regelmatig gebouwd, verscheidene steenen gebouwen liggen, voornamelijk winkels of toko's van Europeesche firma's; ook vinden we hier het postkantoor. Evenals deze weg zijn alle andere landwaarts inloopende wegen, dank zij 't toezicht dat de Staat op 't bouwen uitoefent, breed en recht en alle worden uitstekend onderhouden en regelmatig gereinigd. 't Ontbreken van plaveisel, waardoor we hier van straten nog moeilijk spreken kunnen, wordt dan ook niet al te zeer gevoeld.
Hoewel Boma nog niet het aanzien heeft eener stad, is het de grootste nederzetting van blanken langs den Congo. Vroeger stonden hier slechts enkele handels-factorijen, die een, sedert dien tijd bijna geheel verloopen, drukken handel dreven voornamelijk in palmpitten, waarvan vele scheepsladingen verzonden werden. Sedert de staat zich hier vestigde en er zijn hoofd-administratie inrichtte, is het aantal der blanken en bij hen in dienst zijnde zwarten gestadig gestegen.
De gouverneur-generaal, een groot aantal ambtenaren, werkzaam bij de verschillende afdeelingen van bestuur en de rechterlijke macht, verscheidene officieren en vele handelsmannen houden hier geregeld verblijf; enkelen zelfs met hunne echtgenooten. Niet over 't hoofd te zien is ook het groot getal zwarten, die, 't zij uit Engelsche of Portugeesche bezittingen langs Afrika's Westkust, 't zij uit dieper in 't binnenland gelegen streken afkomstig, zich een zekere mate van ontwikkeling hebben eigen gemaakt en nu betrekkingen gevonden hebben bij de post, de rechtbank, 't politiewezen of wel bij de verschillende hier gevestigde handelshuizen.
Verscheidene zwarten ook houden een soort winkel, en over 't algemeen gaat hun 't zaken doen goed af. Zij vestigden zich gewoonlijk wat verder van de rivier af, waar we ook de vele woningen en hutten van de zwarte bevolking van Boma aantreffen. In de magazijnen, die door Belgische, Hollandsche of Fransche handelshuizen opgericht werden, zijn de meeste voor 't gebruik der blanken benoodigde Europeesche artikelen, hoewel duur, tamelijk goed te krijgen; voorts vinden we er een bonte mengeling van allerlei waren, goedkoope, veelkleurige manufacturen, odeurs, spiegeltjes, hoeden, panongs, ('t inlandsche kleedingstuk voor vrouwen) kralen, bellen, messen, kortom bijna alle denkbare zaken die de begeerte kunnen opwekken, 't zij van de meer ontwikkelde hier verblijf houdende zwarten, 't zij van de in de omstreken wonende nog zoo goed als geheel onbeschaafde inboorlingen.
De kleinere, meer achteraf gelegen winkels vertoonen dezelfde groote verscheidenheid der meest uiteenloopende artikelen, meestal uitsluitend op zwarte koopers berekend. Jammer genoeg nemen ook rhum en andere alcoholische dranken onder de koopwaren een voorname plaats in en deze worden gaarne door de inlanders gekocht. Zooals te begrijpen is, maakte de oorspronkelijke ruilhandel sinds eenige jaren plaats voor 't koopen tegen geld door den Staat in omloop gebracht.
Verder landwaarts ingaande, bemerken we langs de zachtjes opgaande helling eener heuvel die achter Boma oprijst, vele meer officieele gebouwen, die tot bureaux van den Staat of woningen van ambtenaren dienen, o.a. het gerechtshof, de citadel en de woning van den gouverneur-generaal. Zelfs is men hier met den aanleg van een park begonnen.
De wandeling door Boma heeft, zoowel in 't benedengedeelte als hierboven, een eigenaardige bekoring door de velerlei afwisseling die zij biedt en door de mengeling van blanken en zwarten uit alle oorden en van allerlei ontwikkeling, die men overal ontmoet. Men ziet zwarten geheel op Europeesche wijze, of in witte pakken gekleed, waarbij helmhoed en dikwijls wandelstok en cigarette niet ontbreken, naast inboorlingen, die zich aan den inlandschen heupdoek hielden. Terwijl de eersten zich hunne meerdere ontwikkeling goed bewust zijn en zooveel mogelijk de manieren der blanken trachten na te volgen, gaan de laatsten, gewoonlijk eetwaren op 't hoofd dragende, stil huns weegs.
De vestiging van den Congo-Vrijstaat vooral heeft hier een grooten omkeer teweeggebracht in de oude toestanden. Hoewel de genegenheid bij de inlanders voor Boele Matadi (naam door de inboorlingen aan den Staat gegeven, die steenbreker beteekent, naar 't laten springen van rotsen voor scheepvaart en andere doeleinden) zeker niet onverdeeld is, weten ze toch dat deze machtig is en niet met zich laat spotten; maar aan den anderen kant is men zich vrijwel algemeen bewust, dat onrecht, ook waar 't blanken geldt, door de overheid niet geduld wordt.
Met 't invoeren van een geregeld bestuur is de Staat ook reeds in 't binnenland begonnen, maar Boma valt de eer te beurt, 't eerst een burgerlijken stand gehad te hebben ook voor negers; hunne hutten zijn verder geheel op Europeesche wijze van nummers voorzien.
Klachten, twisten en dergelijke kunnen op regelmatige wijze voor 't gerecht gebracht worden, en dat de rechtbank niet schroomt ook niet-inlanders te veroordeelen, bewijzen wel de vele gevallen, dat aan blanken voor korter of langer tijd hunne vrijheid ontnomen werd. De gevangenis te Boma herbergt zelfs enkelen, die voor zware misdrijven, w.o. dikwijls mishandeling van negers, tot vele jaren gevangenisstraf veroordeeld werden. Hoewel ook staats-ambtenaren zich, in vroeger jaren vooral, zonder twijfel meermalen aan machtsmisbruik schuldig gemaakt hebben, zij 't hier gezegd, dat de Staat ze, als lichaam, al was het dan ook niet altijd even krachtig, voortdurend heeft tegengegaan. Ondanks de campagne vooral in de Engelsche pers telkens weer tegen den Congo-Vrijstaat gevoerd, is het een feit, dat de gruwelijke misdrijven, die helaas in 't Congo-gebied meermalen bedreven werden, moeten toegeschreven worden aan wreedaards, die òf door hun misdadigen aanleg, òf door 't gemis eener beschaafde omgeving, òf door 't feit dat hunne beenen de weelde van 't zich heerscher weten in een groot, moeilijk te controleeren gebied niet dragen konden, òf door welke oorzaken dan ook tot onmenschelijkheden vervielen. Door den Staat als zoodanig werden zij niet bedreven.
Ofschoon we de vele overige maatregelen en instellingen door den Staat hier ingevoerd stilzwijgend voorbijgaan, wenschen we, alvorens van Boma afscheid te nemen, nog te wijzen op de mogelijkheid door "Boele Matadi" geopend tot het sluiten van huwelijken tusschen negers, en dezen maken hiervan dikwijls gebruik; of ze echter het juiste inzicht hebben in de beteekenis van het burgerlijk huwelijk, mag betwijfeld worden, getuige de vele echtscheidingsprocessen, die Boma zelfs reeds gehad heeft.
Van Boma gaat de reis verder naar Matadi, het verst gelegen punt aan de rivier, dat door stoombooten bereikt kan worden. In tegenstelling met het gedeelte beneden Boma is de stroom hier tamelijk smal; de geweldige watermassa dringt met zeer groote snelheid tusschen de hooge, steil oploopende oevers voort. De bergen, die met hunne steenachtige hellingen dit gedeelte der rivier aan beide zijden omsluiten, zeggen ons reeds, dat we het woeste, bergachtige terrein bereiken, dat zich vanaf Matadi tot Stanley-Pool uitstrekt en waardoorheen zich de Congo met onweerstaanbare kracht en woest geweld een weg gebroken heeft; een weg echter, die een aaneenschakeling is van stroomversnellingen, schietstroomen en cataracten. De steenachtige bodem en de duizenden rotsblokken waarlangs of waaroverheen zich het water, tallooze draaikolken vormend, bruisend en schuimend, dikwijls onder oorverdoovend geraas voortspoedt, maken de rivier over ± 400 K.M. voor scheepvaart totaal ongeschikt. Het laatste gedeelte der vaart naar Matadi gaat zelfs reeds bezwaarlijk en eischt vooral bij den zoogenaamden Duivelshoek nauwkeurige kennis van den stroom. Deze Duivelshoek is een zeer scherpe bocht in de rivier, juist beneden Matadi, waar het water met geweldige vaart om den sterk vooruitspringenden rotswand heenschiet. Onder het uitvoeren van den bijna rechten hoek, dien ons vaartuig hier moet beschrijven, dringt de stroom het met angstwekkende snelheid en onder sterk overhellen, dwarsover de rivier, op den tegenoverliggenden oever aan; het minste defect aan machine of stuurtoestel zou hier zeker noodlottig worden. Een zucht van verlichting gaat meestal op bij hen die hier bekend zijn, als men, na deze gevaarlijke plaats gepasseerd te zijn, Matadi voor zich ziet.
Slechts enkele K.M. stroomopwaarts kan men de witte koppen zien der Yellala-Falls, de laatste der reeks van cataracten boven Matadi.
Juist tegenover de aanlegplaats onzer boot bemerken we op den rechteroever der rivier den ouden staatspost Vivi, oorspronkelijk gesticht door Stanley, toen deze hier bij zijn terugkomst in Afrika, eenige jaren na zijn beroemde reis dwars door het donkere werelddeel, voet aan wal zette, om zijne goederen--w.o. geheele booten zelfs--onder duizenden bezwaren over het bergachtige terrein verder te vervoeren naar Stanley-Pool.
Het overgroote deel van alle handelsgoederen, materialen voor den bouw van factorijen en booten, Europeesche levensmiddelen enz., die in groote massa's voornamelijk door Engeland, Holland en Frankrijk naar het Congo-gebied verscheept worden, is bestemd voor den Boven-Congo en moet alzoo te Matadi gelost worden, waar de "Chemin de fer du Congo" het transport overneemt. De grootere handelshuizen hebben hier meest alle een factorij om dit transport te behartigen; men vindt hier verder verscheidene winkels en zelfs eenige hotels ten gerieve der vele blanken, die op hunne thuisreis of op weg naar boven zijnde, hier passeeren; de Staat heeft er een belangrijken post, waarvan vooral de douane-dienst een voornaam onderdeel uitmaakt. Van alle goederen, die hier gelost worden moet, 't zij hier te Matadi, 't zij te Brazzaville als ze voor Fransch-Congo bestemd zijn, 6%, van enkele, als zout, kruit en vuurwapenen 10% invoerrechten betaald worden. De uitgaande rechten, die de Staat hier voorts heft van de producten, waaronder vooral ivoor en gom-elastiek, die zijn gebied verlaten, vormen een belangrijk deel van de inkomsten der regeering.
Wat van Matadi vooral een tweede groote nederzetting aan de rivier maakt, is de zooeven genoemde Chemin de fer du Congo, de Congo-spoor, die onder bijna onoverkomelijke moeilijkheden, ten koste van vele millioenen en helaas ook van verscheidene menschenlevens--de hier en daar langs den spoorweg staande eenzame kruisen vertellen het ons--tusschen Matadi en Kinchassa, het eindpunt aan den Stanley-Pool, werd aangelegd.
Groote magazijnen tot opslag van de duizenden tonnen handelswaren, die hier altijd op transport wachten, werkplaatsen tot het herstel van locomotieven en waggons, waarin verscheidene blanken en honderden zwarten bezig zijn, opslagplaatsen voor steenkolen, rangeerterreinen etc. nemen al wat te Matadi aan eenigszins vlak terrein te vinden is geheel in beslag.
De naam Matadi (steen) zou moeilijk door een meer juisten vervangen kunnen worden. De plaats werd gebouwd op het onderste gedeelte der helling eener kale rots; de huizen staan gedeeltelijk op dezen steenklomp en werden er gedeeltelijk in uitgehakt.
Van wegen is hier geen sprake; ieder bouwde zijn huis, waar hij een plaats vond, die hem eenigszins geschikt leek; de verbindingen er tusschen worden gevormd door ongelijke paden, hier stijgend, daar dalend, op vele plaatsen ook al in den rotswand uitgehouwen.
Na zonsondergang is het gaan, zelfs voor hen die hier bekend zijn, en al laat men zich ook vergezellen van een zwarten lantaarndrager, wat trouwens bepaald noodzakelijk is, nog tamelijk gevaarlijk; maar ook over dag waagt bijna niemand zich aan een uitstapje. Van plantengroei is op dezen bodem geen sprake, en wanneer de zon op de naakte steenen brandt is de hitte er haast ondragelijk; men doet hier zijne zaken en blijft overigens zooveel mogelijk onder de beschuttende schaduw zijner veranda.
De meeste te Matadi aankomende passagiers weten waarheen zich te wenden om huisvesting te vinden; zoo de ambtenaren van den Staat en agenten van hier gevestigde handelshuizen; verder zij, die in 't bezit zijn van introductie-brieven aan hier wonende Europeanen. Wegens de primitieve toestanden, die men hier verwachten kan, voorzien velen zich van dergelijke aanbevelingsbrieven, en gastvrijheid wordt in den Congostaat gaarne verleend.
Wie niet zoo gelukkig is, neemt zijn toevlucht tot een der hotels. Deze zijn, een enkele betere inrichting niet te na gesproken, nu juist niet naar de laatste eischen ingericht, hoewel de prijzen, die men er in rekening brengt, met die van hotels van den allereersten rang in de beschaafde wereld kunnen wedijveren. Niet zelden moet men zich vergenoegen met een rustplaats op den vloer, terwijl men zich tot de bevoorrechten rekenen kan, als men 's morgens het benoodigde waschwater na niet al te veel moeite bekomen kan. Doch aan den Congo stapt men over dergelijke kleinigheden zonder veel bedenken heen.
Het is te begrijpen, dat de spoor een grooten omkeer te weeg bracht in het transport van reizigers en goederen, 't welk vroeger uitsluitend per karavaan plaats had. Toch moet men ook hier zijne eischen niet te hoog stellen.
Op den morgen dat we Matadi verlaten, begeven we ons vroegtijdig naar het station. Het vertrek is bepaald op 7 uur en het is geen zaak zijn trein te missen, daar er, behalve de treinen voor het vervoer van goederen, slechts drie in de week loopen voor passagiers bestemd. Het ligt voor de hand dat de dienst op dezen spoorweg nog niet te vergelijken is bij dien op de spoorwegen in Europa. Het reizigersverkeer is zeer beperkt; verreweg de grootste bron van inkomsten bestaat in het vervoeren van handelsgoederen naar "boven" of van producten--ivoor en gom-elastiek--naar beneden. Het terrein, waarover de lijn moest worden aangelegd, leverde voorts bij nagenoeg elken K.M. nieuwe bezwaren op en, hoewel de spoorweg-directie voortdurend alles aanwendt om den weg te verbeteren, is men er nog lang niet in geslaagd alle moeilijkheden--scherpe bochten, steile hellingen en dergelijke--overal te overwinnen.
De lange lijn, die hier en daar tientallen van K.M. achtereen door woeste, nagenoeg onbewoonde streken voortloopt, is bovendien moeilijk te controleeren. Natuurlijk ontbreekt het niet aan geregeld toezicht en wordt elken dag de afstand tusschen de blokhuizen door zwarte, daartoe aangewezen beambten, afgeloopen, maar de blokhuizen liggen ver van elkander en gebreken kunnen toch zoo gemakkelijk onverwachts veroorzaakt worden door de geweldige tropische regens of door het nederstorten van steenblokken, waarmede vele berghellingen langs den spoorweg zoover het oog reikt bedekt zijn.
Het kleinste gebrek aan den weg kan, door de groote afstanden, urenlang vertraging geven. Men heeft dan ook geen reden tot klagen, als de 200 K.M., die Matadi van Thysville scheiden, voor zonsondergang zijn afgelegd, al reed men dan hier en daar eens wat langzamer dan men het verwachtte of al werd het geduld door oponthoud onderweg al eens op de proef gesteld. De gedachte, dat deze afstand in Europa in enkele uren kan worden afgelegd en 't dan niet noodig zou zijn tien uren en meer in den warmen waggon te vertoeven, komt wel eens in ons op, doch 't zou onverstandig zijn er reden tot klagen uit te putten. Hen, die met Congo-toestanden bekend zijn hoort men dit dan ook trouwens niet doen; 't is ook voldoende zich de manier te herinneren, waarop tot voor weinige jaren de reis van Matadi naar Kinshassa gemaakt moest worden, toen het geen zeldzaamheid was dat men, met de karavaan van dorp tot dorp reizende, 3 tot 4 weken onderweg was, om niet al te veeleischend gestemd te zijn. Men komt nu dan toch, tamelijk gemakkelijk gezeten, in twee dagen aan het einde der reis.
De gereedstaande trein, in tegenstelling met de goederentreinen bekend als de expres, zou in Europa hoogstens op den naam tram aanspraak kunnen maken. Behalve de machine zijn er slechts drie rijtuigen, een waggon 1e klasse, een dito 2e en een bagagewagen. De gesteldheid van den weg maakt het niet wel mogelijk de treinen langer te maken; bij veel aanvraag om plaatsen, wat wel eens voorkomt na aankomst eener mail uit Europa, laat men liever twee treinen achter elkander loopen; ook gebeurt het niet zelden dat in dit geval een deel der passagiers zich een paar dagen wachten moet getroosten.
Van de zenuwachtige drukte, die dikwijls het vertrek der treinen in de beschaafde wereld voorafgaat, bemerken we hier geen spoor. De negers, belast met het inladen der bagage, hebben blijkbaar geen haast en evenmin hebben dit de tien of twaalf passagiers, die de reis gaan ondernemen. Men zoekt een plaats of wandelt, nu het nog aangenaam koel is, wat langs het treintje op en neer in afwachting van het sein tot vertrek, dat zich meer of minder lang wachten laat, naarmate er wat meer of minder bagage te laden is. Er wordt trouwens op geen vijf minuten gekeken; we hebben den geheelen dag tijd om Thysville, dat ongeveer halfweg ligt, te bereiken en 't maakt niet veel uit, of we er een uur vroeger of later aankomen.
Is eindelijk alles in orde en hebben blanken en zwarten in hunne respectieve waggons--het gebeurt zelden dat een der eerstgenoemden 2e of een der laatsten 1e klasse reist--plaats genomen, dan verkondigen een paar stooten op de fluit, dat de reis een aanvang neemt en spoedig hebben we Matadi achter ons.
't Gezelschap waarmede we de reis maken bestaat, met uitzondering van enkele ouderen, d.w.z. zij die na reeds eenige jaren in den Congo doorgebracht te hebben weder naar hun werkkring terugkeeren, voor 't grootste gedeelte uit nieuw-aangekomenen, die zich vol verwachting naar hunne bestemming begeven.
De draaibare rieten fauteuils, waarvan er aan elke lange zijde van het rijtuig zes geplaatst zijn, en het tafeltje, dat zich tusschen elke twee zetels bevindt, maken het mogelijk zich tamelijk goed voor de lange reis in te richten. Overigens laat de inrichting der wagens wel iets te wenschen over. Van ramen is geen sprake; wind en regen kunnen ongehinderd door de geheel open zijkanten naar binnen komen en maken den rit er dikwijls niet aangenamer op. Het grootste ongerief echter vormen de massa's stof, hoofdzakelijk fijne aschdeeltjes uit de locomotief afkomstig, die onophoudelijk naar binnen waaien; er is meestal geen uur na het vertrek verloopen of aangezicht en handen zijn er dermate door verontreinigd, dat men met verlangen naar wat water uitziet. De enkelen die hierop gerekend hebben, door in een paar flesschen waschwater mede te voeren, worden benijd door hen, die, minder bekend met de eigenaardigheden dezer spoorreis, dit verzuimden en wien nu niets overblijft dan gebruik te maken van de gelegenheid tot verfrissching, die zich enkele malen voordoet, wanneer n.l. de trein eenige minuten stopt om uit een aan den weg op een hooge stelling geplaatsten bak zijn watervoorraad, voor den stoomketel benoodigd, aan te vullen.
De helderwitte kleeding, waarin velen onvoorzichtig genoeg de reis aanvingen, heeft het zwaar te verantwoorden en nog voordat we aan het eerste eenigszins groote station gekomen zijn, deelt ook deze reeds in de algemeene vergrijzing. Het hardst te verduren evenwel hebben het de oogen; bijna niemand komt aan het einde der reis, zonder dat de pijnlijke oogleden hem op onaangename wijze aan dit ongerief herinneren.
Dranken of eetwaren zijn onderweg niet te krijgen; hoogstens koopt men van inlanders, die men hier en daar, terwijl de trein oponthoud heeft, somtijds ontmoet, eenige eieren of bananen; het benoodigde, behalve brood en conserven ook glazen, vorken, messen, servetten, etc. voert ieder dan ook zelf mede.
Het is voorzeker geen luxe-trein waarin we plaats namen, en men is gewoonlijk verheugd te Kinshassa aan te komen; doch heeft de reis ook hare lichtzijde.
Het uitzicht is bijna overal belangwekkend genoeg om wat ongerief over het hoofd te zien; vooral het bergachtige land, de Palla-Balla geheeten, dat we al aanstonds na het vertrek van Matadi doorrijden, biedt een grootschen aanblik. De ruwe bergmassa's stapelen zich boven en achter elkander op; ten deele kaal, ten deele met ondoordringbare bosschen bedekt, strekken zich de hellingen in eindelooze verscheidenheid uit; hier steil oprijzend tot ontzagwekkende hoogte, daar nederdalend in nauwe dalen en ravijnen, die den aanschouwer doen duizelen. In duizenden bochten wringt zich onze trein door deze bergklompen heen. De weg gaat ten deele door de diepe ravijnen, tusschen steile, hooge muren, die ons met vernietiging schijnen te dreigen en die veelal ternauwernood ruimte genoeg overlaten om onzen trein te laten passeeren; die ontzaglijke bergklompen geven ons een gevoel van onmacht als we, uit de diepte er naar opziende, slechts zeer, zeer hoog een stuk van den blauwen hemel kunnen bespeuren. Straks weer kruipen we tegen een steile helling op, hoog boven alle omringende lagere toppen uit, om een oogenblik later in razende vaart bergafwaarts te snellen. We rijden over steenvlakten, waar de zonnestralen, door den gloeienden rooden of witten bodem teruggekaatst, ons oog verblinden, en door bosschen, waarin nauwelijks een straal der zon den grond bereikt en waar we in de verkwikkende koelte verademing vinden. Langs hellingen gaat het, waar de noodige ruimte in de steenmassa moest worden uitgehouwen. Aan de eene zijde staat hier de loodrechte, afgehakte bergwand nog op geen meter afstand; aan de andere zijde zien we bijkans loodrecht neer op bosschen, diep onder ons in het dal gelegen. Zóo smal is hier de weg, dat we naast de lijn zelfs geen grond meer bespeuren en we, ons vooroverbuigende, langs de steile helling loodrecht naar beneden blikken.
Op enkele plaatsen wordt de rotswand beneden ons door den Congostroom bespoeld. We bespeuren de helling niet die ons draagt, en schijnen te zweven boven het water, dat diep beneden ons zijn weg naar de zee vervolgt.
Eenige K.M. volgen we den onstuimigen loop van de Lufu, die zich onder 't vormen van een reeks watervalletjes en stroomversnellingen naar den Congo voortspoedt; behalve den Lufu passeeren we de niet minder snel stroomende Quillo-rivier, beide linker-zijrivieren van den Congo. Vervolgens de Inkissi, waarover te midden eener grootsche wildernis een brug geslagen werd onder bezwaren, die moeielijk te overschatten zijn. Er komt geen eind aan de bochten en draaien in den weg; altijd door gaat het bergop-, bergafwaarts; onophoudelijk gilt de stoomfluit seinen toe aan de negerjongens, die op iederen wagen als remmer dienst doen, om, als het naar beneden gaat den loop te kunnen temperen. Er zijn punten, van waaruit wij de spoorbaan op vijf of zes plaatsen tegelijk in verschillende richtingen kunnen zien, een gevolg van de steile hellingen, plotselinge hoogten of laagten en dergelijke hinderpalen, waardoor de ingenieurs, met den aanleg belast, verplicht waren den weg dikwijls in cirkel- of slangvormige lijn tegen bergen op, of naar omlaag te leiden.
Na den nacht in Thysville doorgebracht te hebben, gaat het den volgenden dag verder, nu wat meer geregeld in dezelfde richting.
Tusschen Tumba en Kinshassa is het terrein minder woest en vertoont vooral over het laatste gedeelte een min of meer afloopende, onafzienbare vlakte, met hier en daar eenige heuvels. Behalve de schaarsche boomgroepen bemerken we, als eenige plantengroei, dor gras, waartusschen de witte zandgrond overal te voorschijn komt. Uren lang rijden we door deze dorre, eenzame streek voort, tot we eindelijk heel in de verte, vóór ons uit, het water van Stanley-Pool in de zon zien blinken en de plek bespeuren, waar Kinshassa ligt. Spoedig komen we voorbij n'Dolo, een der eindstations aan den Pool gelegen en bereiken vervolgens Kinshassa, het doel onzer spoorreis. Een onaanzienlijk houten gebouwtje, zonder eenige andere gebouwen in den omtrek, eenzaam te midden der vlakte gelegen, doet hier dienst als station.
Een groot gedeelte der reizigers, bestemd voor Fransch-Congo, verlaat den trein, om van hieruit de rivier naar Brazzaville over te steken; een ander gedeelte vervolgt de reis tot het eenige K.M. verder gelegen Leopoldville, na Boma de belangrijkste plaats in den Congo-Vrijstaat. Het eigenlijke eindpunt van den spoorweg is n'Dolo; hier en te Kinshassa worden de meeste handelsgoederen, van Matadi aangevoerd, gelost, om in stoombooten overgeladen en verder de rivier op verzonden te worden. Langs dit gedeelte van den Congo liggen dan ook de verschillende factorijen, vertegenwoordigende de Belgische, Hollandsche of Engelsche firma's, die langs den bovenloop der rivier hunne vestigingen bouwden. Geen wonder dat n'Dolo en Kinshassa, van waar de rivier opwaarts weder over duizenden K.M. bevaarbaar wordt, evenals Matadi, voor den handel belangrijke punten werden. De Staat zag het gewicht van deze plek in en bouwde er zijn hoofdvestiging voor den geheelen Boven-Congo, Leopoldville. Toch was men in de keuze der plaats voor deze nederzetting niet gelukkig. Leopoldville ligt eenige K.M. lager aan de rivier dan Kinshassa en n'Dolo, juist beneden den Stanley-Pool en op het punt, waar de bergketens, die bij den Pool een verbazend wijde kom vormen, van weerszijden naar elkander toekomen. De breedte der rivier, voor Kinshassa ± 4 K.M. bedragende, wordt hierdoor plotseling tot op 1/3 teruggebracht, wat natuurlijk een ongemeen sterken stroom tengevolge heeft. Bovendien hebben de booten--bijna 100 in aantal--die de verbinding van Leopoldville met alle hooger gelegen staatsposten in stand houden, nog de gevaarlijke, onder water liggende rotsen te passeeren, welke juist in deze vernauwing der rivier veelvuldig voorkomen en die ongetwijfeld altijd een ernstigen hinderpaal voor de scheepvaart blijven zullen.
Juist voor Leopoldville bemerken we, midden in de rivier, de eerste der talrijke cataracten, die zich tot Matadi in een bijna onafgebroken reeks uitstrekken. 't Is dan ook niet vreemd, dat velen zich met verwondering afvragen hoe de staat zijn tweeden belangrijken zetel kon vestigen op een plaats, zóó gevaarlijk en zóó moeilijk te bereiken voor schepen.
Zeker is Leopoldville de moeite van een bezoek wel waard, al hebben we dan ook vanaf Kinshassa een weg van bijna 2 uren gaans af te leggen. De grootsche werken, die men er heeft aangelegd, zijn een bewijs te meer voor de energie, waarmede de Congo-Staat zich in Afrika vestigde en er een geregeld bestuur tracht in te voeren.
Wij vinden er de op Europeesche wijze gebouwde woning van den "Commissaire de district" benevens de huizen voor de tientallen van ambtenaren, op de regeeringsbureaux werkzaam en voor het niet minder talrijke personeel, bij den aanleg van verschillende kunstwerken, voor den bouw van magazijnen, stoombooten enz., benoodigd. Ten koste van schatten gelds legde de Staat een reusachtige kade langs de rivier aan ten behoeve der vele stoombooten, die onophoudelijk te Leopoldville uit alle hooger gelegen streken van den Congo-staat aankomen; men maakte er een sleephelling, waardoor de grootste booten zonder veel moeite op het droge gehaald kunnen worden om de noodige reparatiën te ondergaan. Een machinesmederij is er ingericht benevens een flinke werf, van waar reeds ongeveer 100 booten, die de Staat voor zijn dienst noodig heeft, te water werden gelaten en men bezoekt Leopoldville nooit, zonder dat men er getuige van zijn kan, dat er voortdurend nieuwe vaartuigen, grooter en beter ingericht dan de vorige, op stapel staan. De honderden blanken, die te Leopoldville geregeld verblijf houden, gewoonlijk vermeerderd met tientallen officieren en hoogere of lagere ambtenaren, die voortdurend per boot van "boven" of per spoor van "beneden" aankomen, maken van Leopoldville een bedrijvige plaats. In alles treedt de regeering hier op den voorgrond; op een enkel handelshuis na is alles hier "Staat". Politie-post, justitie-gebouwen, hospitaal, een groot gebouw ingericht tot eetzaal, waar alle blanken in staatsdienst gezamenlijk den maaltijd gebruiken, postkantoor, kazerne voor de talrijke inlandsche bezetting van Leopoldville, tot zelfs een chemisch laboratorium, werden hier door het bestuur opgericht. Hier, waar alles met de grootste regelmaat toegaat, gevoelt men te zijn in het middenpunt eener machtige organisatie, eener krachtsontwikkeling, die zich tot op duizenden mijlen in het rond gevoelen laat.
In de nog geen 20 jaren, die sedert de oprichting van den onafhankelijken Congo-Staat verloopen zijn, is het dezen gelukt, tot aan de uiterste grenzen van zijn gebied zijn invloed te doen gelden.
Tot uitoefening van het bestuur is het rijk verdeeld in districten, elk met een districtschef aan het hoofd, die onder de onmiddellijke bevelen van de hoogste ambtenaren, de "inspecteurs d'État", den vice-gouverneur en den gouverneur staan. Elk der districten, die in uitgestrektheid de meeste der Europeesche rijken overtreffen, is onderverdeeld in zônes, met een "chef de zône" aan het hoofd; onder dezen eindelijk staan een groot aantal "chefs de poste", elk belast met het bestuur van een staatspost, die door het gansche rijk, op alle punten, die eenigszins van belang zijn, werden opgericht. Aan de "chefs de poste" is het directe bestuur over de bevolking in hun gebied toevertrouwd; zij zijn belast met de rechtspraak en hebben voor de naleving der wetten en besluiten te zorgen.
Door het geheele reusachtige Rijk heen werden wegen aangelegd, zoodat het centrale bestuur te Boma en te Leopoldville in geregelde en tamelijk goede verbinding is zelfs met de uiterste posten, die aan de oostgrens tot in het gebied van den Boven-Nijl, aan de zuidgrens tot aan de bronnen van de Zambesi gevonden worden. Met regelmatige tusschenpoozen van ± 2 weken varen goed ingerichte stoomschepen naar Stanley-ville--dat 2000 K.M. hoogerop aan de rivier ligt--en bovendien zijn vele langs den Congo gelegen posten telephonisch met Leopoldville en Boma verbonden. Ten behoeve van den telephoon, die zich welhaast tot Stanley-ville toe uitstrekt, werd door bosschen en over bergen langs de rivier een weg aangelegd, verscheidene meters breed, in lengte den beroemden postweg op Java verre overtreffende. Over deze geheele lengte wonen, op elke 10 K.M. afstand, zwarte beambten die met het onderhoud belast zijn.
Van Stanley-ville opwaarts tot het Lado, het uiterste punt in het N.O., en in Z.O. richting tot voorbij het Tanganyika-meer, zorgen reeksen van posten, langs zijrivieren of aan groote wegen gelegen, voor geregelde cano- of karavaantransporten ten behoeve der reizende staats-ambtenaren en voor den postdienst en het goederenvervoer. De reis, dwars door Afrika, die vroeger met zoo ontzaglijk veel bezwaren gepaard ging, is nu in enkele maanden te maken, nagenoeg zonder ontbering of gevaar en zelfs zonder dat het noodig is, in wildernissen of onbewoonde oorden te overnachten. Van dag tot dag liggen langs de geheele karavaan- of kano-route, van de groote meren tot Stanley-Falls, de staatsposten of de door de regeering opgerichte blokhuizen, die gelegenheid tot logeeren bieden. Van uit Stanley-ville bereikt men in enkele weken Leopoldville met de goed ingerichte staatsbooten, waarvan sommige meer dan 20 hutten tellen.
Naar alle richtingen is het verkeer op dezelfde wijze geregeld. Brieven worden per post overal heen verzonden en niemand is zoo ver verwijderd of brieven uit Europa, via Leopold-ville of Stanley-ville verzonden, kunnen hem bereiken. In twee maanden is een brief, van uit Europa naar Stanley-ville, het hart van Afrika, verzonden, op zijn bestemming en in 2 à 3 maanden meer, na cano- en karavaanreizen, komen de poststukken aan op de punten aan de uiterste grenzen gelegen. Naar Europeesche begrippen is dit wel een verbazend lange tijd, maar men vergete niet, dat het hier betreft het gedeelte der wereld dat voor enkele tientallen van jaren nog zoo goed als onbekend was; waar doorheen te reizen als de moeilijkst uit te voeren en meest gevaarvolle onderneming gold en waar reizen, met de grootste nauwgezetheid en zonder kosten te ontzien, voorbereid, altijd jaren in beslag namen. Als bewijs voor de geregelde verbindingen, die heden ten dage bestaan, diene het volgende:
Een gewone brief, uit Europa verzonden aan iemand, wonend te Kinshassa, ging bij vergissing per Oost-Afrikaansche lijn. De brief kwam aan te Mozambique, aan de oostkust gelegen. Van hieruit reisde hij, dwars door Portugeesch Oost-Afrika, langs het Nyassa-meer en bereikte aan het Tanganyika-meer de eerste staatspost. Van post op post, eerst per karavaan, vervolgens per cano verzonden, kwam hij aan te Stanley-ville en enkele weken later ontving de geadresseerde hem, een weinig gekreukt en bezoedeld wel is waar, doch in ongeschonden toestand. De poststempels, waarmede de enveloppe bedekt was, maakten het mogelijk de route nauwkeurig na te gaan en bewezen, dat voor een brief nauwelijks 6 maanden voldoende waren om geheel alleen van uit Europa de reis dwars door het donkere werelddeel te volbrengen.
Hoe meer we de hedendaagsche toestanden bezien en vergelijken met die van 20 jaren geleden, des te meer staan we verbaasd over en gevoelen we bewondering voor wat in dit betrekkelijk korte tijdsverloop werd tot stand gebracht. Maar--des te meer ook betreuren we het, dat een grootsch werk, goed en flink begonnen en aanvankelijk tot een goed einde gebracht, de inrichting van een geordend bestuur over een streek, waar de meest barbaarsche gewoonten onder de bewoners bestonden, een werk aldus dat tot zegen van millioenen ondernomen werd, bezoedeld is geworden door misdadige handelingen van sommigen, die er aan hadden mede te arbeiden. Dubbel jammer ook dat de staat, hoewel als zoodanig niet in gebreke gebleven om machtsmisbruik, waar dit mogelijk was, te straffen, toch zelf niet geheel vrij te pleiten is van de beschuldiging, niet altijd met de noodige kalmte en zachtheid te zijn opgetreden bij de vestiging en uitoefening van zijn bestuur.
Zijn machtigen arm te doen eerbiedigen, er desnoods met geweld ontzag voor af te dwingen, en eerst daarna te redeneeren, is, het moet helaas gezegd, dikwijls de stelregel geweest, waarnaar te werk gegaan werd bij de vestiging in nieuwe streken. We kennen verscheidene volksstammen voldoende, om de meening te kunnen uitspreken dat veel geweld achterwege had kunnen blijven, als men van het begin af het vertrouwen der negers door rechtvaardigheid, welwillendheid en het uitroeien alleen van verkeerde gewoonten had trachten te winnen. Zoo men, langzaam voortgaande, met bezadigdheid overal opgetreden was, inplaats van altijd voorop te stellen dat de negerchefs van inmenging van den Staat in hunne gebruiken niets wilden weten, had er zeker meer wederzijdsch vertrouwen blijven bestaan dan thans, nu men eenvoudig zijn wil heeft kenbaar gemaakt en desnoods heeft doen eerbiedigen. Zoo goed als het den eersten reizigers in het Congo-gebied is kunnen gelukken, contracten met negerhoofden af te sluiten, waarbij dezen het recht van vestiging der blanken erkenden, zoo goed had de Staat zich in zeer veel gevallen op minzame wijze kunnen verstaan met de groote prinsen, die een machtigen invloed op de meeste stammen hebben, als men niet steeds zijn macht vooropgesteld had. Krachtig ingrijpen zou, voornamelijk bij hoofden die belang hadden bij den slavenhandel, zeker niet te vermijden geweest zijn, doch dit was dan zelfs nog een daad van humaniteit geweest, waar het gold een einde te maken aan de vele gruwzame gebruiken, die onder de bevolking bestonden. Later, toen de Staat zich eenmaal had doen kennen als de macht die, zoo mogelijk goedschiks, anders met geweld, maar toch in elk geval, zonder omwegen bezit kwam nemen van het land, is gewapend optreden tegen hoofden, die Boele Matadi ongaarne hun gebied zagen naderen, dikwijls noodig geworden.
Dezelfde opmerkingen gelden op het gebied van belasting-inning.
Natuurlijk heeft de regeering inkomsten noodig om hare vele uitgaven te bestrijden; voor een groot deel verkrijgt zij deze uit de opbrengst der producten, ivoor en gom-elastiek, die de verschillende dorpen, elk tot een zeker bedrag, moeten leveren. Het moet erkend worden dat men niet altijd behoorlijke middelen te baat genomen heeft, om deze voortbrengselen te verkrijgen.
In plaats van de dorpen, vooral in het begin, niet te hoog te belasten en de negers, door te wijzen op de betere toestanden die geschapen werden, wat met deze belastingen te verzoenen, is dikwijls bijna het onmogelijke gevergd en zijn er voorbeelden van, dat vrouwen en kinderen opgepakt en weggevoerd, en chefs tot jarenlangen dwangarbeid veroordeeld werden. Met behulp eener uit de inlanders zelf gerecruteerde politie- en troepenmacht dwong men de bewoners van vele streken tot aanmaak van gom-elastiek tot elken prijs; in ontoegankelijke wildernissen, waar de moerassige ondergrond, slangen en viervoetige roofdieren het werken levensgevaarlijk maken, werden en worden helaas duizenden gedwongen, de gomgevende lianen op te zoeken.
Behalve de belastingen en deze verplichte arbeid werkt nog een andere factor mede om de bevolking van groote streken het juk van den Staat te doen haten, en wel, de gedwongen levering van levensmiddelen. De regeering n.l. legt verschillenden hoofden de verplichting op, eene bepaalde hoeveelheid kippen, eieren, manioc (het hoofdvoedsel van vele stammen) etc. op daartoe aangewezen markten te leveren.
Meermalen geen rekening houdende met de draagkracht der streek, en dikwijls evenmin met de woonplaats van hen die deze levensmiddelen moeten aanbrengen, dwingt men zoodoende de bewoners van vele dorpen, ongelooflijke afstanden af te leggen, teneinde ze te verkrijgen, of ter markt te brengen.
Ook werkt men, door de dorpshoofden voor de levering aansprakelijk te stellen, ze desnoods gewapenderhand bij te staan of te dwingen, machtsmisbruik in de hand. Niet zelden veroorzaakt de te hooge druk wanhopige uitbarstingen, altijd weer gevolgd door onderdrukkingen, die door hun ruw geweld wel wrok, maar zeker geen toenadering tot stand brengen.
Zeer te betreuren is het ook, dat de Staat in zijn rechtspleging de lichamelijke straf opnam en zijnen zelfstandigen ambtenaren, als chefs de poste en kapiteins der rivierbooten b.v., het recht geeft deze straffen uit te spreken.
De barbaarsche chicot, een soort zweep van ineengedraaide reepen nijlpaardenhuid vervaardigd, waarmede men de arme slachtoffers, dikwijls na enkele slagen op den blooten rug, bloedend verwondt, werd en wordt helaas nog al te veel gebruikt. Er zijn blanken, die er een soort van genoegen in scheppen, met dat verfoeilijke, niet genoeg te veroordeelen werktuig voortdurend spelenderwijs in de hand te loopen, als teeken misschien hunner macht, of waardigheid wellicht? Wel is het toedienen van lichamelijke straffen, niet uitgesproken door vertegenwoordigers der regeering, strafbaar en worden de bedrijvers, bij een aanklacht ook vervolgd, maar ook de Staat zelf moest ze niet toepassen, doch liever trachten het gruwzaam misdrijf, dat in Afrika een soort burgerrecht verkreeg, met krachtige hand overal uit te roeien. De bewering, dat dergelijke straffen noodig zijn, en men er in vele gevallen niet buiten zou kunnen, wordt in Afrika dikwijls geuit. Zij echter, die van deze meening zijn, missen òf het geduld, òf het rechtvaardigheidsgevoel om te beproeven of men met negers ook op andere wijze kan omgaan; of wel, zij wordt uitgesproken door lieden, die zich nooit de moeite gaven, de zwarten ook maar eenigszins van nabij te leeren kennen. Velen toch veronderstellen maar eenvoudig, dat het wel zoo zijn zal.
Gelukkig dat er anderen gevonden worden, die door hunne manier van optreden deze opinie logenstraffen. Er zijn voorbeelden van maandenlange karavaanreizen, soms door één enkelen blanke, vergezeld van talrijke dragers ondernomen, gedurende welke het niet eenmaal voorkwam, dat het gedrag der zwarten tot eenige ontevredenheid aanleiding gaf. Een weinig tact doet hier wonderen, waarover zij, die zoo spoedig de hand tot slaan opheffen, verbaasd zouden staan.
Gelukkig ook dat de overheid, zoowel in den onafhankelijken Congo-staat als in Fransch Congo, den inboorlingen het vertrouwen gegeven heeft, dat klachten over lichamelijke kastijding met gerustheid voor het gerecht gebracht kunnen worden; de vrees voor straf houdt velen tenminste nu van hunne ruwe manier van optreden terug. Aan den Beneden-Congo, in de omgeving van Boma en Leopoldville en in het Fransche gebied te Brazzaville en omstreken behoort de chicot tamelijk wel tot het verleden. Ten zeerste te hopen is het, dat de regeering ook in de hooger gelegen streken spoedig op afdoende wijze tegen dit ergerlijke misbruik zal kunnen optreden.
Per stoomboot of per kano, het typische inlandsche vervoermiddel te water, verlaten we te Kinshassa het gebied van den Congo-Staat om, na den wijden Stanley-Pool overgestoken te zijn, te Brazzaville de Fransche Colonie te betreden.
Wie voor eenige jaren Brazzaville bezocht, zou door den aanblik der hier en daar verspreid liggende onaanzienlijke gebouwen zeker niet op de gedachte gekomen zijn, dat hij zich bevond in de tweede hoofdplaats der groote Fransche kolonie aan den Congo.
Vooral na een bezoek aan den Congo-Vrijstaat, waar overal de Staat zoo in alle opzichten op den voorgrond treedt, moest het den bezoeker van Brazzaville opvallen, hoe èn het gouvernement èn de handel zich hier met een veel bescheidener plaats vergenoegden, dan dit aan den overkant der rivier het geval was.
Zeker moet bij deze beoordeeling niet uit het oog verloren worden, dat Brazzaville, wat betreft de verbinding met de kust en het verkrijgen van de hulpmiddelen voor den bouw van huizen etc. en voor het onderhoud der blanken benoodigd, in ongunstiger omstandigheden verkeerde, dan het reeds beschouwde gedeelte van den Vrijstaat. In den tijd toen de spoorweg tusschen Matadi en Kinshassa nog niet bestond, was Loango, een plaatsje aan de kust van den Oceaan gelegen, de stapelplaats, waar de meeste goederen, uit Europa aangevoerd, werden opgeslagen en van waaruit ze per karavaan, langs een langen en moeilijken weg, naar Brazzaville vervoerd moesten worden. Wèl waren groote en vele bezwaren aan dit transport verbonden. De reis het binnenland in, nam 20 à 30 dagen in beslag en vooral in den regentijd (van November tot einde Mei ongeveer) waren de moeilijkheden niet licht te achten. Zware regens en niet minder de tornado's, de van hevige stormen en geweldige slagregens vergezeld gaande onweersbuien, van welker hevigheid men zich in gematigder luchtstreken moeilijk een voorstelling maken kan, belemmerden zeer het geregeld verkeer. De vochtigheid van den bodem, waarop men dikwijls overnachten moest, was bovendien zeer nadeelig voor den gezondheidstoestand der dragers. De eindelooze vlakten zijn in dien tijd des jaars bedekt met welig opschietend gras, dat 3-5 M. hoog wordt; dit harde, scherpe gras, neergeslagen door den wind en den regen, bedekt het smalle voetpad, waarover de dragers achter elkander voortgaan, met een verward kluwen, dat niettemin altijd nog enkele meters hoog is. Men gaat er niet alleen tusschen- maar ook onderdoor; het beneemt aan alle zijden, ook naar boven, het uitzicht; met moeite vindt men hierin zijn weg, en als de zon er op schijnt is de drukkende hitte er bijna ondraaglijk. Op vele plaatsen treft men deze grasvlakten aan. Ook het trekken door de bosschen, waaronder vooral het Mayumba-bosch berucht is, was in dat gedeelte van het jaar eene lastige onderneming. Over berghellingen en door diepe valleien strekt dit bosch zich uit. De hellingen zijn dikwijls zóó steil, dat men er met behulp van lianen, wortels en stronken tegen opklimt of er langs afdaalt; in de diepten is de bodem doorweekt en op vele plaatsen herschapen in een moeras. Het doorwaden der menigvuldige stroompjes, op enkele gedeelten is 10 per dag geen zeldzaamheid, is altijd tijdroovend en lastig, soms gevaarlijk; in den regentijd in dubbele mate.
Zoo voorttrekkende, brachten de negers de 30-35 K.G. zware lasten naar hunne bestemming. Landwaarts ingaande bestonden deze natuurlijk uit alle soorten van handelsgoederen, levensmiddelen en factorij-benoodigdheden; teruggaande bracht de karavaan ivoor en gom-elastiek naar de kust over. Wel was er een kortere weg, n.l. per boot naar Matadi en vandaar over Manyanga langs eene karavaan-route van ± 15 dagen naar Brazzaville, doch door de dikwijls voorkomende twisten tusschen de stammen onderling, vooral in die streken, was deze weg meestal gesloten.
Dat de ontwikkeling van Brazzaville in dien tijd geen hooge vlucht nam, en er integendeel van ontwikkeling nog bijna geen sprake was, kan veilig voor een deel aan de lastige verbinding met de kust toegeschreven worden. Doch slechts voor een deel; een der groote oorzaken was zeker de weinige energie en vooral ook het gebrek aan tact van de regeering.
In den tijd toch toen het gouvernement te Brazzaville slechts een paar armelijke gebouwen had, waarin de enkele ambtenaren nagenoeg zonder meubelen of ander comfort gehuisvest waren, stonden te Leopoldville, waar men toch bijna even groote verkeersmoeilijkheden te overwinnen had, reeds flinke huizen voor de talrijke geëmployeerden van den Staat; had deze er een werf, waarop hij zijne stoombooten bouwde; een inrichting waar verscheidene blanken aan de machinerieën, hiervoor benoodigd, bezig waren e.d.
De karavaan-dienst van af de kust was in den Congo-Vrijstaat ook veel beter geregeld dan in het Fransche gebied. Bijna overal had hier de regeering, toen geen spoorweg nog het verkeer vergemakkelijkte, wegen aangelegd, die behoorlijk van plantengroei gezuiverd en goed onderhouden werden. Over de meeste stroompjes waren bruggen geslagen en over de geheele lengte vond men, op elke 4 of 5 uren afstand, huizen, die tot pleisterplaats voor doortrekkende reizigers dienden. In nagenoeg al deze posten hield een neger in staatsdienst verblijf om te zorgen voor water, hout om vuren aan te leggen, en dergelijke benoodigdheden. De Staat zag verder nauwkeurig toe op de capita's, d.z. geleiders der karavanen, die aansprakelijk waren voor het aantal dragers waartoe zij zich verbonden hadden en voor de goede overkomst van het transport.
Waar de regeering van de Fransche kolonie zelfs niet bij machte scheen, in den onmiddellijken omtrek van Brazzaville de wegen ook maar eenigszins te doen onderhouden, ligt het voor de hand, dat van toezicht op den langen karavaanweg naar de kust, aan deze zijde der rivier bijna in 't geheel geen sprake was.
De weg bestond eenvoudig uit het smalle negerpad, dat de dorpen onderling verbond; van bruggen etc. was geen spoor te ontdekken. Ook het toezicht op de karavanen zelf en de contrôle over de goede aankomst liet veel te wenschen over. Wel had ook hier iedere capita een vergunning van het gouvernement noodig en was hij verplicht deze bij vertrek en aankomst op de Fransche posten te vertoonen, waardoor er ook op het aantal dragers eenig toezicht uitgeoefend werd, doch de gelden, die de regeering hierdoor van de handelshuizen, welke deze vergunningen moesten koopen, ontving, werden niet besteed voor verbetering van en toezicht op den weg, die de eenige verbinding met de kust vormde. Het ontbrak niet aan voorschriften en besluiten, doch de Franschen misten gewoonlijk de middelen en dikwijls den ernstigen wil, deze te doen nakomen. Meermalen kwam het b.v. voor, dat sommige lasten, waaronder dan dikwijls onderdeelen van booten en machinerieën, die met ongeduld verwacht werden, niet aankwamen. Bij onderzoek bleek dan meestal dat dergelijke stukken eenvoudig langs den weg weggeworpen waren en de dragers zich naar hunne dorpen begeven hadden, vooral als deze zich eenigszins in de nabijheid der route bevonden. Dikwijls ook vond men balen manufacturen, kisten kralen e.d., die reeds jarenlang vermist waren, toevallig in verschillende dorpen terug en, wat wel eigenaardig is, gewoonlijk waren ze ongeschonden bewaard en ontbrak er niets aan den inhoud.
Vooral de ontwikkeling van den handel in het Fransche gebied kon en kan op verre na niet op één lijn gesteld worden met wat de Staat in dit opzicht bereikte. 't Is waar, er is heel wat aan te merken op de manier van handeldrijven in den Vrijstaat èn door de particuliere maatschappijen èn door de regeering zelf, en 't ware zeker te wenschen, dat vooral de gom-elastiek-productie zich wat minder ontwikkeld had en de belangen der negers wat meer in 't oog gehouden waren; doch hoewel de Franschen zich niet onbetuigd lieten om de wonde plekken hierin te helpen aanwijzen, er is in dit opzicht, waar het Fransch Congo geldt, niet alleen veel maar zelfs weinig minder te zeggen dan waar het betreft den Congo-Vrijstaat.
Eén inrichting te Brazzaville echter--en dit is een bewijs te meer dat de langzame ontwikkeling van de Fransche kolonie niet alleen aan de boven omschreven moeilijkheden geweten kan worden--kon de vergelijking met de beste Europeesche nederzettingen in den Congo-Vrijstaat doorstaan niet alleen, maar zocht er tevergeefs haars gelijke,--de factorij n.l. die hier gebouwd werd door de Nieuwe Afrikaansche Handels-Vennootschap. Deze groote Hollandsche Vennootschap, die haren handel op den Congo dreef reeds vóór de vestiging van den Vrijstaat of de Fransche kolonie, stichtte al jaren geleden hare factorijen langs de rivier; eerst langs het benedengedeelte, doch al spoedig na de reis van Stanley, al dieper en dieper het land ingaande tot aan den Stanley-Pool. Van uit Kinshassa ondernamen de Hollanders reeds hunne tochten naar het binnenland, tot aan Stanley-Falls zelfs, in de allereerste jaren der vestiging van den Vrijstaat, toen er van Franschen invloed aan de overzijde nog nagenoeg niets te bespeuren viel.
In den invloed, dien dit groote handelshuis in den Boven-Congo, vooral door de zeldzame energie van zijn begaafden vertegenwoordiger ter plaatse, steeds meer ontwikkelde, zag de Staat een gevaarlijken factor bij de vestiging van zijn gezag, zoodat na een eindelooze reeks van moeilijkheden de Vennootschap haren hoofdzetel voor het binnenland verplaatste naar de overzijde van den Stanley-Pool, naar Brazzaville.
De factorij van het "Maison hollandaise", zooals het huis bij de blanken, of van "m'fumu n'tangu" (m'fumu = heer, prins, n'tangu = zon, m'tumu n'tangu = prins als de zon, zonneprins, zooals het wijd en zijd van Stanley-Falls tot aan de kust bij de negers bekend is), werd al spoedig een modelinrichting in deze streken. Zoowel wat de uitgestrektheid als wat den aanleg van het terrein en de inrichting der magazijnen en woonhuizen betreft, liet deze factorij alles, wat Brazzaville verder te aanschouwen gaf, in de schaduw. Toen de verbinding van de enkele Fransche handelsinrichtingen met de "Post"--het terrein waar het gouvernement zich gevestigd had--niets was dan een smal pad, dat zelfs nog niet altijd van gras gezuiverd werd, had men op deze factorij wegen aangelegd, honderden M. lang en verscheidene M. breed, aan weerszijden beplant met palmboomen, die men uit den omtrek bijeengebracht had. Men vond er o.a. een keurig aangelegde laan van mango's, bijna 1 K.M. lang, die, met de velerlei vruchtboomen en de bamboe- en koffieaanplantingen, van de factorij bijna een park vormden en de bewondering wekten van allen, die Brazzaville bezochten. Geen der hier verblijvende blanken, 't zij vertegenwoordigers der Fransche handelshuizen, 't zij ambtenaren van het gouvernement, verzuimde dan ook het Hollandsche Huis te bezoeken, en allen maakten gaarne gebruik van de gulle gastvrijheid die er hun steeds geboden werd. Terwijl zelfs de hoogste ambtenaren der regeering zich vergenoegen moesten met een woning van grauwe klei gebouwd en met riet gedekt, waarin de noodigste meubels zelfs ontbraken, waren de Hollanders gehuisvest in goed ingerichte huizen, tamelijk wel gemeubeld, voorzien van houten, witgekalkte daken en tegen de zonnestralen, ook ter zijde, door veranda's beschut. De factorij had verder een veestapel; men vond er bloemperken, groentetuinen, manioc-aanplantingen voor de negers, die er verblijf hielden en een "oranje-park", dat sinaasappelen, manderijnen en citroenen leverde. Ondanks de groote bedrijvigheid waarvan men er altijd getuige kon zijn, was de factorij steeds, in tegenstelling met de meeste Fransche nederzettingen, een voorbeeld van de grootste netheid en orde.
Ook de aanwezigheid der hutten van de honderden zwarten, die er altijd in dienst waren, liet in dit opzicht niets te wenschen. Op verschillende punten der factorij woonden deze zwarte werklieden, eenigszins van de hoofdwegen af, in afzonderlijke dorpen als 't ware, bijeen. Men vond daar de tamelijk goed gebouwde hutten der Sierra Leona's en Accra's, inboorlingen uit de Engelsche bezittingen aan de kust, die zich hier verhuurden als timmerlieden en metselaars. Ze zijn, over 't algemeen, vooral eerstgenoemden, flinke werklui; spreken goed Engelsch, kunnen meerendeels lezen en schrijven, ontvangen zelfs de in hun vaderland verschijnende couranten per post en zijn bijna zonder uitzondering trotsch op het feit, dat zij bewoners zijn van een Engelsche kolonie en deel uitmaken van het, in hunne schatting, nagenoeg alles omvattende Engelsche rijk. Ook van de kust afkomstig zijn de Whyboys, die reeds in hunne armelijke hutten hunne mindere ontwikkeling toonen. Onder gezag van een headman komen zij, in gezelschappen van 30-60, uit Liberia. Zij zijn zeer gehecht aan hun vaderland en hun blijdschap kent geen grenzen, wanneer zij, na volbrachten diensttijd zich weer naar hun geboorteplaats mogen inschepen. Zij spreken wat gebroken Engelsch en worden in dienst genomen voor allerlei werk aan bootenbouw en in magazijnen, waarvoor zij door hunne groote lichaamskracht, gewoonlijk bijzonder geschikt zijn.
Van een geheel ander type zijn de Loango's en Cabinda's, bewoners van de Portugeesche bezittingen aan de kust. De meesten hunner spreken Portugeesch doch hebben van den omgang met blanken meestal niet veel goeds overgenomen. Zij zijn gelukkig, als zij dezen in zijne kleeding kunnen nadoen; loopen, zoodra zij als koks, waschlui of tafeljongens iets verdiend hebben, met hoed en wandelstok, maar zijn dikwijls bekend om hun drankzucht, hun weinige eerlijkheid en hun onbetrouwbaarheid.
Ook uit den omtrek trekt de factorij hare werklieden. Begeerig naar de eenige meters goedkoope katoenen stof, die er maandelijks te verdienen vallen, komen de jongens uit de omliggende Balali- en Bacongo-dorpen dikwijls dagreizen ver loopen om hunne diensten aan te bieden. Na 12 maanden (zij tellen de manen) werk, dat gewoonlijk bestaat in terreinonderhoud, vee hoeden, op eenden en kippen passen, waterdragen etc., keeren zij dan, rijk met hunnen voorraad n'toie naar hunne dorpen terug, om zich meestal na verloop van eenigen tijd opnieuw te komen aanbieden, totdat zij genoeg verdiend hebben om zich in het dorp, als bezitters van een hut, eenige geiten en kippen, naar hun genoegen te kunnen nederzetten.
Bovendien trof men, buiten deze geregelde bevolking der factorij nog een aantal negers aan, van allerlei stammen diep uit de binnenlanden afkomstig, die als houthakkers dienst deden op de booten en hier tijdelijk hunne hutten opsloegen. En voor al deze handen was er altijd werk; nooit stond het bedrijvige leven stil en dikwijls zelfs kwam men arbeidskrachten te kort.
Evenzeer als de regeering had ook dit handelshuis natuurlijk te kampen met de moeilijkheden van het transport. Niettemin dreef men reeds een geregelden handel met de hooger gelegen streken; voortdurend brachten dragers goederen van de kust aan; niet alleen handelsgoederen en levensmiddelen, maar geheele stoombooten. Deze laatste werden in dien tijd, zooveel mogelijk in lasten van 30 K.G. uit elkander genomen, per karavaan aangebracht, waarna ze dan aan den oever der rivier in elkander werden gezet.
Overal in den omtrek was "m'fumu n'tangu" bij de inboorlingen bekend, en zonder twijfel zagen de meeste negerstammen in dit handelshuis machtiger lichaam dan in de administratie der kolonie.
Tot het aanzien, dat het Hollandsche Huis in deze uitgestrekte landstreken genoot, droeg niet weinig bij--'t dient ter eere van zijn chefs en employés gezegd--dat hier steeds streng gewaakt werd tegen machtsmisbruik. Men had natuurlijk geen soldaten of gewapende lieden in zijn dienst om de negers tot levering van de verschillende voortbrengselen te dwingen; men beproefde ook geen dwang, doch zocht slechts overal den vrijen ruilhandel te ontwikkelen, en--het huis bevond er zich goed bij.
Van zeer groot belang was begrijpelijkerwijs het bestaan van dit machtige handelshuis voor de Franschen bij de vestiging van hun gezag aan den Boven-Congo. Ontelbare malen stond het de regeering bij met zijne--voor dien tijd en die streken--rijke hulpmiddelen. Dikwijls voorzagen zijn magazijnen de Fransche posten aan de kust, bij Manyanga, of te Brazzaville, van de noodige handelsgoederen of levensbehoeften, en verscheidene malen bood het te Brazzaville zijn booten aan de regeering aan voor het vervoer naar boven van expedities en goederen; aanbiedingen, die steeds gaarne en dankbaar aanvaard werden. Meerdere beroemd geworden Fransche missies vertrokken zoo op Hollandsche stoombooten, met behulp van Hollandsch personeel naar de plaatsen hunner bestemming.
Meer en meer echter, naarmate de invloed der Franschen in den Congo grooter werd, naarmate de regeering meer ambtenaren en grooter hulpmiddelen kreeg, begon men met leede oogen de groote ontwikkeling van den Hollandschen handel gade te slaan; het duurde niet lang of de Vennootschap ondervond hiervan de gevolgen. Het "La France et ses Colonies pour les Français", zoo dikwijls door regeeringspersonen en handelaars geuit, vond misschien nergens zoo sterk zijn toepassing als hier. Hoewel men het huis zijn reeds verkregen factorijen niet ontnemen kon, maakte men het den handel op een andere wijze ongeveer onmogelijk. Zonder rekening te houden met reeds verkregen rechten, werden uitgestrekte gedeelten der kolonie in concessie uitgegeven aan uitsluitend Fransche maatschappijen, die enkele jaren geleden, tengevolge van kunstmatig opgewekte belangstelling en overdreven voorstellingen, in grooten getale werden opgericht.
Binnen korten tijd was het recht van handeldrijven met de inboorlingen in bijna het gansche Fransche gebied tot de maatschappijen, die eigenaars werden dezer concessies, beperkt, waardoor nagenoeg de geheele kolonie voor den vrijen handel gesloten was. Vertoogen mochten niet baten. Men beriep zich op de tractaten waarbij de vestiging van Europeesche natiën in de Congo-streken geregeld werd--doch zonder resultaat.
't Gevolg was, dat voor de Hollandsche vennootschap het bezit harer met moeite verworven factorijen langs de bovenrivieren bijkans waardeloos werd; van handeldrijven toch was geen sprake meer, nu ongeveer al deze factorijen lagen in de concessie van de een of andere in Frankrijk opgerichte maatschappij.
Wel heeft men het Hollandsche element niet kunnen verdrijven en hield het Huis zich, ondanks alle moeilijkheden en tegenwerking, staande door transportdiensten en 't zoeken van nieuwe handelsverbindingen, doch de vrije ontwikkeling van zijnen handel werd voor goed gefnuikt.
Het resultaat dezer verdeeling in concessies is evenwel nòch voor de regeering, nòch voor den handel gunstig geweest. En geen wonder ook. Door de onbekendheid met de toestanden aan den Congo, onderschatte men al te zeer de moeilijkheden die te overwinnen waren; men stelde zich gouden bergen voor van de opbrengst der uitgestrekte concessies, waar men het recht van alleenhandel hebben zou en dus over de geheele gom-elastiek-productie te beschikken had. De teleurstelling bleef dan ook niet uit. De nieuw opgerichte maatschappijen ondervonden al spoedig dat oude toestanden, vooral in een land als Midden-Afrika, maar niet met éen slag te wijzigen zijn. De vestiging in Brazzaville zonder eerst vasten voet aan de kust te hebben, bracht onvoorziene hindernissen en ongedachte kosten mede. Bovendien, de reis van deze plaats naar de meeste der concessies was op zichzelf reeds bezwaarlijk genoeg; hoeveel te moeilijker en kostbaarder werd het niet, alle benoodigdheden en handelsartikelen naar die verafgelegen streken op te voeren! En dan de handel zelf. Het verkennen der uitgestrekte terreinen, waarvan zelfs geen kaarten bestonden; het uitzoeken der goede punten voor factorijen-bouw; het bekend worden met de eigenaardigheden der bevolking, die dikwijls nog nooit in aanraking geweest was met Europeanen; het juist beoordeelen der artikelen, waaraan door de negers waarde gehecht zou worden, en waarvoor ze hunne producten, zoo deze tenminste in de concessie gevonden werden, wat ook nog niet altijd het geval was, zouden willen inruilen,--het waren even zoovele moeilijkheden, waarop nagenoeg in 't geheel niet gerekend was.
Vreemd is het dan ook niet, dat de plotseling opgewekte belangstelling voor den Congo-handel in Frankrijk spoedig aanmerkelijk bekoelde. Tal van maatschappijen bereikten nooit eenig resultaat; vele brachten het niet verder dan het opzoeken hunner concessies, doch konden tot den eigenlijken handel maar nooit goed geraken. Andere leidden een kwijnend bestaan en zagen de opbrengst van de met moeite verworven voortbrengselen uit hun gebied, verzwolgen door de verbazend hooge kosten, die de vestiging in deze streken medebrengt; zelfs waren er maatschappijen, die nooit vasten voet kregen in hunne concessie. Enkelen slechts is het gelukt, den handel in hun gebied tot ontwikkeling te brengen.
Het gevolg der geringe ontwikkeling van den handel gevoelde de regeering der kolonie in een voortdurend gebrek aan de noodige geldmiddelen om haar gezag ook maar eenigszins voldoende te kunnen vestigen. Eerst in den laatsten tijd, nu Brazzaville tot zetel der regeering gemaakt is, heeft het gouvernement hier eenige behoorlijke gebouwen; tot voor kort was deze voornaamste vestiging der Franschen aan den Boven-Congo nog niet te vergelijken met vele der posten, die de État Indépendant langs de bijrivieren diep in het binnenland opgericht had. Nog zijn er geheele streken, waar geen regeeringsambtenaar te vinden is; zelfs heeft men toegelaten, dat sommige concessies jarenlang in exploitatie gebracht waren, zonder dat er ook maar eenige regeeringspost bestond in geheel de wijde uitgestrektheid. En zelfs waar men de posten vond, hadden ze zeer dikwijls gebrek aan het noodigste personeel. Van toezicht op de handelingen van hen, wier belang toch medebracht zooveel en zoo goedkoop mogelijk producten te verzamelen, was in sommige streken dan ook geen sprake; van bescherming der inboorlingen tegen willekeurige handelingen, in vele gevallen evenmin.
Het gelukkige voorschrift, waarbij in den Franschen Congo met alle lichamelijke straffen gebroken werd, heeft helaas niet kunnen beletten, dat ook hier vele ergerlijke daden van machtsmisbruik voorgekomen zijn, waaraan in enkele gevallen zelfs regeeringsambtenaren schuldig waren.
Zeer gezien is ook in de Fransche kolonie de regeering bij de inboorlingen niet; ook hier is een der hoofdoorzaken het innen van belasting in gom-elastiek. Tengevolge der veelvuldige botsingen hierdoor ontstaan, de dorpen die er voor vernield en de hoofden, die er voor gestraft werden, zijn de oevers der Sangha b.v. langzamerhand ontvolkt en trokken de eertijds in deze uitgestrekte streken wonende stammen al dieper en dieper het land in. In de weinig toegankelijke gebieden vooralsnog tamelijk veilig, leven zij hier voort in voortdurende oneenigheid met het gouvernement; veel inspanning en tijd zal het ongetwijfeld nog kosten, deze en vele andere stammen, die liefst zoo weinig mogelijk met de regeering te doen willen hebben, met den Europeeschen invloed te verzoenen en in de uitgestrekte kolonie een goed geordend bestuur te vestigen, dat aan machtsmisbruik, onderdrukking en verkeerde en wreede gewoonten bij de inlanders zelf, voorgoed een einde maakt.
Een struikelblok voor de regeeringen en ook voor de particuliere ondernemingen in het geheele Congo-gebied is het feit, dat geen blanke zich hier thuis gevoelt en de hieruit voortvloeiende voortdurende wisseling van dezen.
Zoowel zij, die er jarenlang vertoefden als de velen die eerst sedert korteren tijd de beschaafde wereld vaarwel zegden om het eigenaardige, primitieve Congo-leven met zijne vele ontberingen en vermoeienissen voor een tijd mede te maken, zij allen houden het oog gericht, ook onder de toewijding waarmede hier zoowel als elders de taak dikwijls opgevat wordt, op het tijdstip, waarop zij zich zullen inschepen aan boord van het stoomschip, dat hen terugvoeren zal naar de achtergelaten betrekkingen en naar de samenleving, waarvan zij zoolang waren uitgesloten.
En hiervoor bestaat reden. In geen land misschien, op geen hoekje wellicht van den aardbodem gevoelt men zich zoo van de maatschappij uitgesloten als in deze streken. Ongetwijfeld zijn er maar weinige door blanken bewoonde oorden, waar Europeesche invloeden een zoo weinig beteekenende factor zijn als hier.
Hoewel vooral in den Vrijstaat de toestanden reeds zeer veel verschillen met die van een 20-tal jaren geleden, hoewel de spoorweg een groote verbetering bracht in het verkeer met de kust, en brieven zelfs de meest verwijderde streken bereiken, missen de bewoners van alle eenigszins van de kust verwijderde plaatsen bijna allen comfort--de eenvoudigste dingen, waaraan men in Europa zóó gewend is dat men er hun bezit ternauwernood opmerkt, doch welker gemis men in Afrika zoo sterk gevoelt. Lectuur, een onderhoudend gesprek, een eenigszins gezellig verblijf en zoovele andere zaken, vroeger nauwelijks geteld, maar waaraan men, ter ontspanning na de afmattende warme dagen op reis of op de factorijen doorgebracht, hier juist dubbel behoefte gevoelt, ze worden hier gewoonlijk slechts ten deele, dikwijls totaal niet aangetroffen. Wanneer tegen den avond na de verzengende hitte van den dag alles wat verademt en de aangename koelte naar buiten lokt, maakt de zoo spoedig intredende duisternis en bijna overal 't gebrek aan goede wegen zelfs een wandeling onmogelijk.
Verfrisschende dranken blijven overal in 't binnenland buiten het bereik der factorij-bewoners, en zelfs te Leopoldville en te Brazzaville kan men er zich door de verbazend hooge prijzen--spuitwater en bier b.v. kosten zooveel als de beste wijnen in Europa--bijna niet van voorzien. Brood en aardappelen, de meest gewone en daardoor moeilijkst te ontberen spijzen--alle blanken, die niet in de nabijheid der kust wonen, moeten ze zich ontzeggen; het brood toch, dat op de factorijen gebakken wordt, verdient meestal nauwelijks dien naam en aardappelen kunnen moeilijk hooger dan tot Leopoldville en Brazzaville opgevoerd worden.
Mag men zich in Europa al eens af vragen: "Vanwaar toch die langzame ontwikkeling, die bestendiging van oorspronkelijke toestanden in een land dat toch reeds meer dan 25 jaren door blanken bezocht en bewoond wordt",--men behoeft niet lang aan den Congo te vertoeven om het antwoord op deze vragen te vinden. De groote hinderpaal n.l., die een goede ontwikkeling van Midden-Afrika in alle opzichten in den weg staat, is het ongezonde klimaat dezer streken. De koortsen, opgewekt door de uitwasemingen der vele moerassen of overgebracht door de muskieten, de stoornissen in de spijsverteringsorganen en de aandoeningen van lever en milt, waaraan de blanke hier blootstaat, zijn de hoofdoorzaken, die den Congo, en niet ten onrechte, om zijn klimaat berucht maken. Hoewel er ook in dit opzicht veel overdreven wordt, blijft het een uitgemaakte zaak, dat de vele ziektegevallen dikwijls met doodelijken afloop, die onder de blanke bevolking voorkomen, kolonisatie, of ook maar een eenigszins geregelde, meer duurzame vestiging beletten. Het ongunstige klimaat, veel meer dan de groote hitte--hoewel deze ook niet voorbij te zien is, waar reeds te 7 uur in den morgen, een uur na zonsopgang dus, de thermometer 80° aanwijst--maakt, dat de blanke het land, al heeft dit ook zeker zijn bekoring, blijft beschouwen als een tijdelijke verblijfplaats, die hij, zoodra de omstandigheden hem dit veroorloven, gaarne tegen de vroeger bewoonde oorden verwisselt.
Wanneer men, op de terugreis, per spoor Matadi nadert, kan men er getuige van zijn, hoe ieder met vreugde naar de te dezer plaatse gereedliggende stoomboot heenblikt, zoodra zij zich bij een der laatste bochten van den weg, eensklaps aan het oog vertoont.
Terugreizende na een verblijf van eenige jaren in het binnenland, kregen ook wij op dit gezicht het gevoel van rust, dat iemand ondervindt die, na een lange poos van ingespannen, afmattend werken, zijn doel bereikt en het werk achter den rug weet. Toen we het stevige houten dek der groote boot betraden en de ontelbare dingen terugzagen, waarmede we vroeger zoo vertrouwd waren, doch waaraan we in Afrika ontwenden, gevoelden we ons terug in de maatschappij en deelden we onwillekeurig in de algemeene opgewektheid, waarmede de tehuisreis door alle passagiers ondernomen wordt.
In het Balkanbergland van Bulgarije.
Naar het Fransch van L. DE LAUNAY.
I.
Algemeene beschrijving van het Balkanbergland.--De West-Balkan en de kloven van de Isker.--De Midden-Balkan en de zone der kalkformatie.--Dronovo en zijn houtsnijders.--Trevna.--Radevtsi en de mijnen.--Een schilderachtig steenkolenbekken.--Het groote Balkanwoud.--Kleurrijke dorpstooneelen.--De herberg Boroesjtitsa en het dorschen.--De zuidhelling van den Balkan.--Seltsi.--De ontwouding.--Door de bedding van den stroom.--De aankomst in het dal der rozen.
De Balkan, het oude Hemusgebergte, vormt in zekeren zin Bulgarije's reden van bestaan, want meer dan in alle zoogenaamde Balkanstaten vindt men daar den eigenlijken Balkan. Dat groote gebergte, dat bijna in een rechte lijn, eigenlijk een zeer flauwe boog, loopt, is als 't ware de middennerf van het land en scheidt twee vlakten van elkaar. Het is de ruggegraat, waaraan de spieren zijn bevestigd. Geologisch gesproken, is door bewegingen, die van den Balkan uitgingen, het geheele schiereiland ontstaan.
Men moet zich intusschen op grond van de min of meer woeste reputatie, die de Balkan in de geschiedenis heeft gekregen, geen Alpen, zelfs geen Pyreneeën voorstellen. Het Rhodope-gebergte, ook nog in Bulgarije, is vrijwat hooger in het land van Rila en Mies Alla, waar het toppen van 2900 meter heeft. Daarbij zijn de toppen er steiler, houden langer de sneeuw vast en maken met hun granieten steilten meer een alpinen indruk.
De Balkan reikt niet hooger dan 2400 meter, en de kam van het bergland, die voor het meerendeel uit gneiss bestaat, heeft een verweerd aanzien; de zachte hellingen zouden doen denken, dat het bergland ouder is dan in werkelijkheid het geval is. Op een afstand lijkt daardoor de Balkan, gezien uit de vlakte van Sofia, uit Philippopoli of in het noorden vanaf het plateau van Plewna of Tirnovo, op een zacht golvende zee. De schilderachtigheid lijdt er onder, ten minste naar den zin der alpinisten, die slechts van hooge hoogten en diepe laagten droomen; maar de Balkan heeft juist aan die geringe hoogte zijn prachtigen rijkdom aan eeuwenoude bosschen te danken, bosschen, die niet enkel uit dorre dennen bestaan met hun lijkkleurige tint, passend bij een land van sneeuw en nevel, maar waar forsche beuken staan met lichte stammen naast hooge eiken, waardoorheen het zonlicht spelen kan en lichtende plekken tooveren kan op het groen van het heestergewas aan hun voet en op de grijze voetpaden.
Zooals bij zeer veel bergketenen het geval is, zijn ook bij den Balkan de hellingen zeer verschillend, want terwijl aan den noordkant het land langzaam in terrassen afdaalt, wordt de zuidelijke helling plotseling door diepe dalen afgebroken, waarlangs zich een reeks van warme bronnen vertoont.
Voor den geoloog is de Balkan de verheffing van den bodem, die opgeworpen is tegelijk met de Alpenketen tusschen twee vaste kernen, namelijk het plateau van de Donau en van Zuid-Rusland aan de eene, en het Rhodope aan de andere zijde. Zoo vormt de Balkan een voortzetting van de Alpen in Transsylvanië, beginnend bij Orsova aan de Donau met een richting noord-zuid en zich oost-westwaarts ten noorden van Sofia voortzettend, om daarna in noord-oostelijke richting gaande, bij kaap Emineh aan de Zwarte Zee te eindigen. In dat laatste gedeelte, voorbij Slivno, worden de verheffingen lager, er doen zich groote vlakten voor en de kamhoogte neemt langzamerhand af van 800 meter in het westen tot 400 in het oosten. De aardrijkskundigen rekenen gewoonlijk een beperkter terrein tot den Balkan, namelijk van af de Stara Planina tot ten oosten van de kloven der Isker.
Op de kaarten onderscheidt men buitendien in de keten tusschen Vratsa en kaap Emineh een geheele reeks van plaatselijke Balkans, gewoonlijk genoemd naar de naburige stad, waaronder, van het westen naar het oosten gaande de belangrijkste zijn de Balkans van Berkowitza, van Vratsa, van Etropole van Zlatitsa, Veliki Slivno en noordwaarts die van Kodsja en Karnabad.
Ten noorden en ten zuiden bestaan er nog parallelle ketenen, zooals de Balkan van Derbend en in het zuiden die van Toendsja, de Sredna Gora of Karadsja-Dagh, die niet veel meer is dan een hooge heuvel.
Ik kom straks uitvoerig op den centralen Balkan terug, waar ik mijn eerste exploratie in Bulgarije heb gedaan; maar eerst moet ik een denkbeeld geven van den West-Balkan, door dien te volgen langs de hoofdinsnijding, de kloven van de Isker, waar wij een geheel ander landschap krijgen te zien dan in den centralen Balkan van Radevtsi.
Van Sofia naar Plewna en Roestsjoek is de weg, dien wij zullen volgen, als het ware aangegeven door den eigenaardigen doorgang van de rivier de Isker door het bergland. Logisch schijnt het bekken van Sofia zijn natuurlijke afwatering te zullen hebben aan de zuidhelling van den Balkan en in de lengte langs Zlatitsa, Derbend en de Toendsja. Een rij van alluviale gebieden geeft op de kaarten der geologen dien schijnbaar normalen loop aan, waar tegenwoordig verschillende vrij hooge drempels in zijn, zooals te Derbend en te Kalofer, waar de Balkan zich aansluit bij den Sredna Gora en het Rhodope-gebergte. In plaats van zoo te stroomen, gaat de Isker dwars door den Balkan naar de kust, snijdt het bergland nog eens op een plek, waar het 1400 tot 1500 meter hoog is, en moet dus door zeer diepe dalen stroomen, waarna zij uitkomt op de Donau-vlakte ter hoogte van ongeveer tweehonderd meter.
Als men tegenover zulk een verschijnsel staat, dat niet zoo zeldzaam is in bergstreken, vindt men dikwijls dadelijk de verklaring in het feit, dat later in de buurt een groot hoofddal is gevormd, en dat daardoor de oorspronkelijke weg is veranderd en de rivier lager dan haar aanvankelijken loop is gebracht. Op die wijze staan de kloven van Tamina bij Ragatz in Grauwbunderland in verbinding met een oude bedding van den Rijn. De hoofdstroom, die een anderen loop had genomen, heeft verder op een lager niveau gestroomd, en de Tamina heeft zich, om die lagere bedding van den Rijn, dien zij bij Ragatz binnenvalt, te bereiken, langzamerhand al dieper kloven uitgeschuurd.
Met de Isker is dat niet gebeurd, en omdat het bekken van Sofia zijn afwatering vindt naar de Donau, moet men wel denken, dat in den aanvang de natuurlijke helling in die richting liep, dus dat de kom, waarin Sofia lag, een hooger niveau had dan de Balkan, of dat de afscheiding tusschen dat bekken en de Donau zoo weinig beteekende, dat zij voor den aandrang van het water bezweek. Daar de Balkan zeker toen, vóór hij door erosie was afgesleten, veel hooger was dan tegenwoordig, moet men voor het bekken wel een verlaging van duizend meter aannemen, als men den primitieven toestand met den tegenwoordigen vergelijkt. Dat bekken nu heeft geheel het voorkomen van een instortingsbassin, de rechtlijnige en steile grenzen, een gordel van rotsen van eruptieve gesteenten, en langs den geheelen zuidrand een reeks van warme bronnen. Men is dus geneigd te veronderstellen, dat de instorting zich nog in den jongsten tijd weer heeft voorgedaan, nadat de tegenwoordige hydrografische gesteldheid vasten vorm had aangenomen.
Een andere aanwijzing voor die nog jonge beweging zou men in den Balkan van Veliki kunnen vinden, waar er een groot verschil in hoogte is tusschen den kam van het gebergte en de lijn der waterscheiding, terwijl de hevige aardbevingen, waaraan Sofia dikwijls blootstaat, waar toch over het geheel de centrale Balkan zeer stabiel is, een bewijs te meer zijn voor het bestaan van een zwak gebied, dat een algemeene lijn van dislocatie volgt. Hoe het zij, de Isker, die in de vlakte van Sofia niet anders is dan een net van waterwegen, die daar convergeeren, heeft al dat water tot een rivier vereenigd, als zij langs Koemaritsa en Koerilo vloeit, om daarna in de kloven van den Balkan te verdwijnen, en er op verschillende plaatsen een echte geologische doorsnede te maken, die wij thans gaan beschrijven.
De petrografische gesteldheid is hier zeer bijzonder door de aanwezigbeid van steenkoolhoudende lagen en permische gesteenten. Langs de Isker met haar geel water gaan we eerst zigzagsgewijze door roode, bruine, zwarte of violette terreinen, waar de hellingen afgesleten zijn en vol puin liggen, alsof men langs de Aumance, de Cher en de Sioule ging.
Het eigenlijke karakter van die bulgaarsche kloven, dat hen vergelijkbaar maakt, niet met de granietdalen van het centraal plateau, maar met de cannons van de Jarn en de Jonte, openbaart zich eerst verder, als het secundaire kalkgesteente met zijn horizontale lagen voor den dag komt en in het landschap zijn tafelvormige banken brengt, die als kleurige terrassen boven elkander zijn gelegen, verbonden door zachte met gras begroeide hellingen.
Daar is de kalk verweerd en verscheurd in de hoogte, beneden vol grotten, en zij vertoont al die vreemde erosieverschijnselen, die verdwijningen en verschijningen van rivieren, al die kloven en afgronden, die bij zulk een gebied behooren. De kleuren van het gesteente loopen van het grijs tot het vermiljoen en het oranje, afgebroken door het bleekgroen van grasvelden, waarop de struiken en boomen donkerder vlekken werpen. Bij mooie lichteffecten kan het er wonderbaarlijk schoon zijn.
De weg slingert zich en kronkelt, en telkens is de aanblik weer anders. Een oogenblik komen kristallijne rotsen voor den dag, die aan het landschap aan de Creuse herinneren; dan volgt weer kalkgesteente, maar nu onderstboven geworpen of opgericht tot verticale wanden en tot door den regen afgesleten kale steilten, die op wonderlijke natuurlijke muren gelijken.
Als wij nu den centralen en oostelijken Balkan willen leeren kennen, kunnen wij ons overgebracht denken naar het oude en merkwaardige stadje Tirnovo, dat het uitgangspunt van onze reis zal zijn. Deze Balkantochten, ondernomen eerst in September 1904, daarna in Mei 1905, hebben achtereenvolgens tweeërlei wetenschappelijk doel gehad, vooreerst de studie van de steenkoolformatie, die een groote uitgebreidheid heeft tusschen Grabovo en Slivno, en dan het zoeken van het hydrologisch verband tusschen den Balkan en het voorland der Dobroedsja. Die studie, waarvan ik hier niet zal behoeven te spreken, heeft mij ertoe gebracht met bijzondere zorg de streek na te gaan, gelegen tusschen Trevna en Seltsi, dan het bergland tusschen Kazanlik en Slivno te volgen tot Kotel, waarbij ik nu de eene, dan de andere helling volgde.
Andere tochten voerden mij naar het Zuiden door den Sredna Gora naar Nova Zagora, naar het Noorden tot Djoemaïa en Sjoemla, naar het Oosten tot Yamboli en Boergas. Van al die streken ga ik nu een en ander vertellen.
Bij het vertrek van Tirnovo heeft men een goeden weg, waar ook spoedig een spoorweg zal loopen zuidwaarts naar Dronovo, Trevna en Radevtsi, het voornaamste punt waar men tegenwoordig in den Balkan aan steenkoolwinning doet. Na een laatsten blik op de stad Tirnovo, die amphitheatersgewijze boven de Jantra is gebouwd, loopt de weg recht over het plateau, en tot Trevna hebben wij het gewone schouwspel van de voorbalkansche hoogvlakte, verbouw van koren en maïs, waar zich hier mijnbouw bijvoegt.
Als men de bergen nadert, krijgt men aan den zuidkant meer beschutting, en daar het er koeler is, heeft alles in het landschap ook een frisscher aanzien. Daar doet zich aan den kant van den weg een herberg voor, geheel omgeven door hooge bloeiende rozen. Die bloemrijke hagen zouden wij niet hebben kunnen zien bij Plevna of Rasgrad, en nu bespeuren we ook hier reeds de eerste uitloopers der bergen.
Dronovo, waar wij stil houden, is een zeer schilderachtig dorp in oud-turkschen stijl; de bewoners hebben een zekere reputatie in het houtsnijden, en geven er blijk van, dat ze die verdienen, door de wijze waarop zij hun huizen hebben versierd. De donkerbruine balken zijn voorzien van het mooiste beeldhouwwerk, en de omlijstingen van deuren en vensters zijn eveneens sierlijk gegraveerd. In dat opzicht is het 't allermooiste stadje dat ik in Bulgarije heb gezien, niet banaal, niet modern, maar bestaande uit huizen van zonderling ongelijken stijl, met overhangende daken en luifels en winkels beneden aan de straat als bij een turkschen bazar, die schuil gaan onder afhangende luiken.
Na Dronovo gaat het terrein meer afwisseling in hoogte bieden, en er doen zich bosschen voor, groote wouden van prachtige eiken en beuken, juist als bij de voorbergen van de Pyreneeën. Men passeert Trevna en is dan midden in het bergland. De weg is dan meteen verdwenen. Wij gingen intusschen nog verder langs het stroompje over een pad, dat vroeger een weg was geweest, waarbij van onze vier paarden de helft in de rivier, de andere helft op de helling liep, en zoo komen wij eindelijk te Radevtsi, diep in het dal gelegen, op het punt, waar plotseling de berg voor u staat, die dan enkel maar toegankelijk is met muildieren of paarden.
Men kan te Radevtsi twee dingen duidelijk onderscheiden, een bekoorlijk bulgaarsch dorpje, waar het wemelt van heerlijke schildersmotieven, en twee kilometer verder een steenkolenmijn, waarvan men maar enkele gebouwen ziet en een eindje spoorweg, terwijl al wat er verder bij behoort hoogerop in den berg verscholen ligt achter een zwaar beukenbosch. In het gebouw van de mijndirectie, dat vroeger een veel te prachtig paleis was en nu ongebruikt is en verlaten zonder glasruiten in de vensters, zoodat van alle kanten wind en regen er kunnen binnendringen, installeeren wij ons, om er gedurende enkele dagen ons hoofdkwartier te vestigen.
De volgende dagen begonnen de tochten rondom Radevtsi naar de verschillende ontginningen der steenkool, die overal zwarte vlekken vormen in het landschap, aan den rand der bosschen, der voetpaden en in de diepe kloven. De bevolking is volkomen goed op de hoogte van haar rijkdom, die met behoorlijke zorg geëxploiteerd wordt in tallooze galerijen en waarvoor geregeld concessies worden uitgegeven.
De voornaamste van die steenkoollagen, die van de concessie van prins Boris, zijn al in 1871, nog ten tijde van de Turken, ontgonnen onder leiding van een oostenrijkschen ingenieur, den heer Schroeckenstein.
Later kwam een Franschman, die in het land was gekomen om er een spoorweg aan te leggen, op het denkbeeld er ontginningen te doen en vormde een fransche maatschappij, die na allerlei wisselende ervaringen de mijnen nog in eigendom heeft. Maar de werken dier maatschappij werden uitgevoerd met te veel pracht en weelde en noodelooze installaties, en het gemis aan practischen zin, zoo dikwijls kenmerkend voor industrieën, die van uit de verte bestuurd worden door een parijschen raad van administratie, met een onbekwamen plaatselijken chef, deed zich ook hier gevoelen. De onvoldoende afzet, dien men wel dadelijk vooruit had kunnen zien, is aanleiding geweest, dat men reeds lang het werk heeft gestaakt, en alleen als de ontworpen spoorweg Tirnovo-Boroesjtitsa gereed zal zijn, zal het kunnen worden hervat.
Buiten die exploitatie, die een echt industriëel karakter heeft gedragen, wordt er in het klein steenkool gewonnen, nu eens aan de oppervlakte, dan in galerijen in den berg. De kool van de oppervlakte wordt zeer gemakkelijk gewonnen, maar het vervoer per muilezelrug langs de bergwegen tot aan de kleine industriestadjes in den Balkan verhoogt zeer den prijs.
Een bezoek aan een steenkolenbekken levert gewoonlijk niets schilderachtigs op, en er zijn weinig landen ter wereld leelijker dan die van de belgische mijnen en die van Noord-Frankrijk en Silezië. Ofschoon het mijnwerkersleven de stof kan leveren voor forsch schilderwerk en mooie onderwerpen kan bieden aan de hand van den beeldhouwer, wanneer een geniaal kunstenaar als Constantin Meunier ze met antieken ernst behandelt, het leven zelf is vuil en treurig en bedroevend, en in het algemeen behoeft men geen mijnwerker te worden, om landschappelijk schoon te kunnen bewonderen. De tegenstelling is veelal groot met een andere soort van mijnen, waar metaal uit den bodem wordt gehaald aan de oppervlakte van de bergen, dikwijls te midden van bosschen, waar in diepe uithollingen als grotten de arbeiders vrij ademhalen en op hun gemak werken, om des avonds in het licht van den ruimen horizon huiswaarts te gaan tot hun tweede leven, dat van kleine landbouwers en hun bescheiden woning, die zij alleen met hun gezin bewonen.
Maar de steenkolenmijnen in den Balkan hebben alle bekoorlijkheid, die anders eigen is aan metaalmijnen, en onze dagelijksche ritten te paard om ze achtereenvolgens te bezoeken, waren een prettige uitspanning. Elken morgen trokken wij zoo door de prachtige beukenbosschen, langs lichtende voetpaden, langs groene kloven, waarin het water ruischte, naar de verschillende mijnen en naar de hoogten, van waar men het dal overziet. Dan daalden wij daar dikwijls in af en bestegen, over de rivier gaande, den tegenoverliggenden kant. Overal vond men in die bosschen, die men zich als onbegaanbaar en woest zou voorstellen, de heerlijkste wegen, waar men zich in een park zou wanen, en als het ons lustte, ze voor eenige oogenblikken te verlaten, konden we nog altijd te paard door het bosch rijden, zonder voor een van die onaangename verrassingen bang te moeten zijn, die u op eens brengen bij een diepen afgrond, zooals er spoedig een den stoutmoedige zou tegenhouden, in wiens brein het zou opkomen, een dergelijke poging in de Pyreneeën te wagen.
Ik durf niet hopen, dat het mij gelukken zal, door woord of beeld een denkbeeld te geven van de bekoorlijkheid van dit land. Wie heeft wel niet eens gezien, en wie kan zich niet voorstellen een bosch van mooie beuken op een zachte berghelling, met frissche stroompjes in de dalen en kloven? Maar de schoonheid aan de Balkanbergen eigen op hun noordelijke helling en op hun toppen, is de verrassende uitgebreidheid van dit woud, waar men geheele dagen lang op goed geluk door heen kan rijden, in het door 't gebladerte gefiltreerde licht van een warme oostersche zon, die aan de schaduwen nog haar glans verleent en u toch niet hindert met haar gloed.
Aan den voet der bergen, zooals te Radevtsi, heeft men overal kleine dalen vol planten, die toch niet somber zijn, met heldere beekjes, voortstroomend onder de boomen, te midden van weiden, over beddingen van witte steenen, kabbelende beekjes, molens met watervalletjes en allerliefste dorpen. Hooger, op de eerste terrassen, volgen boomgaarden met appel- en pruimenboomen, de korenvelden op de afgeronde heuvelhellingen, en dan beginnen spoedig de beuken- en eikenwouden, die alle hoogere deelen van het bergland bedekken.
Het zijn dichte bosschen met hier en daar enkele reuzenboomen, een park, waar ons de weg gewezen wordt door een boer met bruine jas en broek en bruine muts, die voor de leus een bijl over den schouder draagt, alsof wij hier op deze gemakkelijke bergen ooit ons een weg zouden hebben te banen.
Het dorp Radevtsi, waar wij bij onze tochten steeds op terugkomen, is een der mooist gelegene en schilderachtigste onder de vele, die in de dalen en op de hellingen van den Noord-Balkan liggen. De leemen huizen zijn met een witte kalklaag bestreken, en onder het overhangend dak, dat op palen rust, is een soort van veranda of terras, op die palen gedragen. Rondom het huis staan de hooioppers en graanhoopen, die gele vlekken vormen in het landschap. Hier en daar zijn ze reeds aan de herfstbezigheid, om het met behulp van paarden en ossen te dorschen. Bij de boerenhuizen staan verder de bakkersoven, de groote kuip voor het koken der pruimen, en de hoopen dorre bladeren en takken, die 's winters tot ligstroo moeten dienen voor het vee.
Denk u nu boomgaarden op den heuvel, waar de huizen tegenaan zijn gebouwd, let op de heldere kleuren der tomaten op de velden en der ritsen uien, die aan de balken der afdakjes hangen, en gij zult begrijpen, dat een bulgaarsch dorp, waar de vrouwen ten overvloede bonte hoofddoekjes en boezelaars dragen, veel kleurige tooneelen oplevert.
Als bij die genoegelijke tochten door de eindelooze bosschen het uur voor den maaltijd was gekomen, hielden wij stil aan den oever eener beek, maakten een vuur aan van takken en braadden een stukje vleesch of een mager kipje, waaraan de buitenlucht en de vermoeidheid den fijnsten geur verleenden.
Dan gaat het weer verder op den ontdekkingstocht door de groote bosschen, waar wij aan den rand de zon gloeiend zien ondergaan en een langen blik kunnen slaan op de zacht golvende vlakten, die zich tot heel in de verte, tot over de Donau uitstrekken.
Enkele dorpen en schilderachtige hoekjes hebben op die tochten, voortgezet tot op een afstand van vijftien kilometer van Radevtsi, een eigenaardige herinnering bij mij achtergelaten. Zoo bijvoorbeeld dat kleine gehucht Boroesjtitsa, dat binnen korten tijd de eer zal genieten, eindpunt te worden van een spoorweg, waaraan de naam van Transbalkanspoorweg zal toekomen.
Het eerste beeld, dat er mij van is bijgebleven, is dat van het overdekte terras, waar wij des middags zaten in een soort van herberg en waar wij het uitzicht hadden op een prachtig ravijn vol zware boomen. Achter ons waren twee deuren in den witten muur, toegang gevend tot twee donkere ruimten. Daar zaten bulgaarsche boeren op lage taboeretjes te eten en te praten. Op hun hoofd droegen zij de bruine wollen muts in den vorm van een korten cylinder, waaraan men dadelijk den Bulgaar herkent, ook hun buis is bruin, en laat, als het openvalt, het witte hemd zien, de roode ceintuur en de bruine met zwart gesoutacheerde broek. Wij zaten evenals zij om een zeer laag tafeltje, etend uit de met den naam der herberg gemerkte schotels, die de herbergierster gewoonlijk als bruidsgeschenk van haar ouders ontvangt, en deden ons te goed aan het gewone gebraad van rundvleesch, de pasterma.
In de andere kamer, waarin alleen door een zeer klein venster wat licht viel, lagen twee kleine kinderen te slapen en tusschen hen en ons liep de vrouw heen en weer, gekleed in het costuum der streek. Ze droeg het haar in twee lange loshangende vlechten, met een doekje eroverheen geslagen; een donker kleedje met korte mouwen was aan het corsage een weinig uitgesneden en liet het witte hemd zien, terwijl de gekleurde boezelaar en de roode ceintuur beide met een paar groote metalen haken waren vastgehecht.
Op het soort van terrasje hingen overal aan den muur en aan balken zakken van geitevel, ritsen uien, groenten, linnengoed en andere nuttige zaken. Kippen vlogen heen en weer en verdwenen tusschen het donkere latwerk. Het linnen, wat grof van draad, met donkere rechtlijnige figuren, had de eigenaardige originaliteit van al die stoffen, die ontsnapt zijn aan de regelmaat van de machine, een bijzonder karakter, dat men in zooveel oostersche huizen terugvindt, waar de stoffen door de dochters van den huize zijn gesponnen en geweven en tot kleedingstukken vermaakt voor haar uitzet, om dan te worden gebleekt en gedroogd op de naburige weide naast de ellenlange nog onversneden stukken linnen.
Het andere kleurige beeld, dat in mijn herinnering is bewaard gebleven van het dorp Boroesjtitsa, is het dorschen van het koren. Het was toen in het midden van September, en de gansche gelende oogst werd onder de harde slagen veranderd in volle zakken tarwe en gerst.
Dat dorschen is altijd een schilderachtig moment in het leven op een boerenhoeve, zelfs in onze noordelijke landen, waar leelijke machines ruw dit werk verrichten onder wolken van stof. Maar in dat gouden stof heerscht algemeene vroolijkheid, want het omhult het resultaat van veel arbeids en is nu gereed, om in goed en klinkend geld te worden omgezet, wat op alle gezichten een vroolijken trek te voorschijn roept. In landen echter, waar wat meer beschaving nog niet is doorgedrongen, is dat barbaarsch vernielingswerk van het graan een nog veel aantrekkelijker schouwspel.
In Bulgarije gebruikt men den dorschvlegel, als men het stroo wil bewaren voor dakbedekking, maar meestal, wanneer men niet bang is, de halmen te breken, laat men er een houten slede over gaan, waaronder rijen van scherpe kiezelsteenen zijn bevestigd, echte steenen messen uit den steentijd. Wij zagen dat werk op alle hoeven aan den gang op den dag van ons verblijf te Boroesjtitsa in het licht van de mooiste herfstzon en in den glans van de heldere kleuren der kleederen van vrouwen en kinderen.
Tusschen de loodsen en schuren lag de buitendeel van hard gestampte aarde, omgeven door leemen wanden, waar de schaduw van allerlei vruchtboomen op viel. De bruine palen van het terrasje, waar wij hadden gezeten, waren eveneens in schaduw afgeteekend op den blinkend gladden grond en rechts zag men allerlei ouderwetsch houten gereedschap van zonderlinge vormen. Daar was het weefgetouw der vrouwen, de slede, waarmee het gezin in den winter zich bewoog over de besneeuwde berghellingen.
Op de heldere vlakte lagen de blinkende halmen uitgespreid, en vlug bewoog er zich het gevaarte overheen, dat met twee ossen was bespannen en door een vrouw met ernstig uiterlijk werd bestuurd. Zij voedde onderwijl haar baby, terwijl op den wagen een meisje zat, om er grootere zwaarte aan te geven. Zij geleek op de godin, die een romeinsche zegekar mende. Soms waren alle jeugdige leden der familie op het voertuig vereenigd en hadden de allergrootste pret. De vrouw en het meisje, met haar zilveren armbanden, haar muntenkettingen om den hals, haar gestreepte rokjes, witte mouwen en vaak met een groote bloem in het haar, maken met het gekleurde doekje op de hangende vlechten een bepaald schitterenden indruk. En altijd wisselen de schaduwen van den stoet over het glanzig gouden graantapijt. Als dan de ossen overal zijn geweest, zamelen vrouwen, kinderen, mannen zelfs, de korrels in en harken het koren te zamen.
Naast den dorschvloer hebben de hooge graanoppers, door de toevallige zonnestralen beschenen, de tinten van meer of minder oud stroo, de mooiste gamma van nuancen, die op de verlichte gedeelten van saffraan tot chroom overgaat, en dan van oker en gebrand sienna tot oranje, terwijl in de schaduw blauw, lila en bruin zijn te herkennen.
Toen wij eindelijk Radevtsi verlieten, om naar de streek ten zuiden van Boroesjtitsa te gaan, en door den Balkan onzen tocht naar Seltsi en Maglisch voort zetten in het dal der Toendsja, ging het weer door het bosch van lichtende beuken over de prachtige, slingerende voetpaden, die zachtjes stegen, tot wij ongemerkt op de zuidhelling van den Balkan waren gekomen.
Voor ons rezen de bergen nog vele honderden meters hoog boven onze hoofden; maar spoedig bemerkten we, dat de beekjes nu in tegenovergestelde richting vloeiden en zich in zuidelijke richting bewogen. Het stroompje, dat wij gingen volgen, liep nu eens rechts dan links door een meer of minder ingesloten dal en ging met ons mee tot Seltsi en Maglisch, om dan zich in de Toendsja te storten, die zelve een zijtak is van de Maritsa en dus naar de Aegeïsche zee vloeit.
Kort voor wij te Seltsi waren, houdt het bosch op, en het land verandert geheel van aanzien, doordat het kalktriasgesteente aan de oppervlakte komt en steile rotsen vormt. Aan den voet der steilten, waarlangs het pad zich in tallooze kronkels beweegt, lag het dorp Seltsi aan het riviertje met weer de zelfde lage en wijd uiteenstaande huisjes, gedekt met steenen of stroo, met groote dorschvloeren, waar haver wordt stuk geslagen, met boomgaarden om de woningen en fel gekleurde oppers, terwijl hier de donkere achtergrond der bergen alles nog veel mooier deed uitkomen.
Als in alle Balkandorpen waren de onderwerpen voor schetsen in den grootsten overvloed voorhanden. Daar was de rivier met haar houten brug, de wilgen aan den oever, de koeien, die wat voedsel zoeken in de steenachtige bedding, de dorschers met de op- en neergaande vlegels, het licht op het witte linnen en het spel der schaduwen, door de donkere terrasjes gespeeld op den witten grond, zonder dat ergens de leelijke rechte lijn zich voordoet, waartoe wij in de beschaafde wereld veroordeeld zijn.
Voorbij Seltsi naar den kant van Maglisch moet er afscheid worden genomen van het bosch; de natuur der rotsen is veranderd, en in plaats van zandsteen, geschikt voor den groei van lage planten en boomen, is gneiss gekomen, dat overal verbrokkeld is en los, verscheurd tot diepe kloven of tot zandige vlakten verpoeierd. Het karakter van het land is nu echt dat van de zuidhelling geworden, dat, waarschijnlijk onder den invloed van de Turken, die vroeger hun gezag veel krachtiger op de zuidhelling lieten gelden, bijna al haar bosschen heeft verloren. Wanneer men gewoon is geraakt aan het rijden tusschen de heerlijkste beukenwouden, bedroeft men zich nog meer dan anders over zulk kaal land, waartegen gelukkig de regeering maatregelen begint te nemen, door het aanleggen van bosschen, nu nog arme kleine boompjes, niet bestand tegen het knagen van de grazende geiten, en dus maar langzaam groeiend.
Tusschen Seltsi en Maglisch zou het stroompje, dat al te nauw door de rotsen wordt ingesloten, geen bruikbaren weg meer voor ons opleveren, dus begonnen wij tegen de begroeide hellingen op te klauteren, waar het vol lag met losse steenen, om iets verder weer in de bedding af te dalen. Daarbij wonnen wij vooreerst een prachtig gezicht op de kloven, als met zaagtanden in de rotsen geslagen, en waar aan den eenen kant alle afloopende terrassen in donkere schaduw liggen, terwijl zich de overkant in een zee van licht baadt. Daarna vertoont zich bij het overtrekken van een bergpas plotseling voor onze oogen een driehoek van schitterend licht, een vlakte, waar door het azuurblauw een zilveren lint zich slingert, en waar men op den achtergrond zich een rij donkere bergen ziet verheffen. Dit is de eerste verschijning op onzen weg van het dal der rozen, een weinig vermooid door den afstand. Het is het dal der Toendsja, door mijn bulgaarsche vrienden, zooals ik maar dadelijk zal zeggen, ofschoon ik hun enthousiasme niet deel, voorgesteld als een hemelsch land van Kanaän.
Om er te komen, moeten wij nog naar beneden. Wij beginnen daartoe, met de droge bedding van het riviertje een oogenblik te volgen onder het dicht gebladerte, als door een mooie laan van fijn zand, die geheel in de schaduw ligt, en waar overal fijn jong beukengroen uit opschiet, net als ook aan de oevers terzijde, terwijl boven ons hoofd de takken der forsche boomen aan weerszijden elkander ontmoetten bij den top der heerlijke boschgewelven.
Daarginds is een terras van stoppelland, zacht-gele overgang tusschen den Balkan en de vlakte, en even later brengt een laatste daling door velden van rozen, die in dit seizoen haar bloementooi hebben verloren, ons naar het Maglischdal.
Dit dal, dat in heel Bulgarije bekend is om zijn rozencultuur, heeft groote aantrekkelijkheid in den bloeitijd der rozen, want de cultuur is er zeer intensief; maar die heerlijke tijd duurt slechts veertien dagen in het jaar, wanneer de rozen bloeien. Daar ik er de eerste maal in September was, en de rozenstruiken er toen als magere heesters uitzagen, ben ik er nog eens weer heengegaan in Mei, enkele dagen te vroeg, om de knoppen ontloken te zien, zoodat ik maar van hooren zeggen mee kan praten over den luisterrijken bloei. Deze omvat echter slechts de smalle zone tusschen de bosschen op de zuidhelling en de vlakte.
De rest van het dal is een groote wijde ruimte van bouwland, nu in den herfst kaal, nu de oogst is binnengehaald, maar in de lente groen en getuigend van welvaart en vruchtbaarheid. Aan den eenen kant verrijzen de kale bergen betrekkelijk steil omhoog, alsof het Apennijnen waren, zooals die zich voordoen ten zuiden van Rome in de Lepini-bergen, aan den anderen kant geeft een lijn van lage, afgeronde heuvels den Sredna Gora aan.
II.
Maglisch-Haïn Boise en de herinneringen aan den veldtocht van 1878.--Haïnkioe en het huis van den pope.--De bulgaarsche honden.--Tvarditsa.--Het groote wild.--De komst der Turken te Klena.--De Tsjoemernatop.--Werking van den nevel.--De Karakatsjani's.--De overtocht over de doorwaadbare plaats.--Het turksche dorp Sara Yar.--De boeren van Klena en het vrouwentype aldaar.--Ondergaande zon te Slivno.--De plaats der warme bronnen.--Nova Zagora.--Het mooie bloeiende land aan de Toendsja.--De kloven van Kasan en Kotel.--De vauclusische bronnen te Kotel.
Het stadje Maglisch, een der hoofdcentra van de rozenindustrie, ziet er zoo modern uit, dat men niet laten kan, heimwee te hebben naar de in het groen verborgen Balkandorpen. Toch leveren een riviertje, aan welker oever eenige houten huisjes zijn gelegen, een minaret tusschen de boomen, het gebergte, dat op den achtergrond verrijst met zijn kale toppen, en de wijde vlakte ervoor stof genoeg voor liefelijke kijkjes. Gewoonlijk zijn de huizen ook hier naar landsgebruik laag met vooruitspringend dak en een terrasje of balkon, waar allerlei huishoudelijk goed wordt opgehangen, terwijl op het vrij platte dak afgeronde dakpannen liggen. Aan de balken hangen, behalve de gewone zaken, hier ook tabaksbladen, die niet te zien waren op de noordhelling van den Balkan.
Nadat wij een nacht te Maglisch hadden doorgebracht, zetten wij onzen weg, altijd op de zuidhelling, naar Haïnkioe voort. De aanblik blijft zoowat dezelfde, die van een groot vruchtbaar terrein, met een overvloed van korenvelden, groote uitgestrektheden, met maïs bebouwd, met wijngaarden, boomgaarden, tabaks- en rozenvelden. Die laatste kwamen vooral voor op de berghellingen, die wij op korten afstand passeerden. De hellingen zagen er kaal uit; de vlakte met veel stroohutten, lag doodsch en somber onder een grijzen hemel, die als een oven van hitte dampte.
De eenige opvallende verschijnselen in het landschap bij Haïnkioe waren, behalve de zwarte vlekken der kudden, die cirkelvormige heuvels of tumuli, die men op zooveel plaatsen in Bulgarije ziet. Alleen de rand der vlakte aan den voet van den Balkan, vooral als men dorpen als Lachanli nadert, heeft een bloeiender karakter. Daar aanschouwt men eerst wijngaarden, daarna rozenvelden, waarin men nu en dan tusschen rijen magere boompjes een span witte, door een kind geleide ossen ziet, of wel tabaksvelden, waarvan de wijd uiteenstaande planten in September vol bloemen zitten, en waar dan de vrouwen met groote zorg de bladeren van plukken, of boomgaarden van pruimen en perziken en groote notenboomen tusschen de wijngaarden.
Verwijdert men zich verder van de dorpen of van den Balkanrand, dan houden de boomgaarden op, en men ziet weer niets dan stroohutten, zoo ver het oog reikt, slechts nu en dan afgebroken door enkele eikenbosschen, als dat van Toelova, waar in 1877 beroemde gevechten plaats hadden. Geen hagen breken de eentonigheid der velden, alleen gescheiden door smalle paden. Elke twee of drie kilometer ziet men hier een grooten put met een langen hefboom, waarvan de lengte in overeenstemming is met de diepte van den put, die wel eens tot tien meter gaat. De gneissbergen aan onze linkerhand zijn altoos even verbrokkeld; enkele rivieren, die meest alle volkomen droog zijn, strekken haar ledige steenachtige beddingen soms verscheiden kilometers ver uit.
Daar hebben wij bij toeval eens een rivier, die stroomt, en dicht erbij liggen een veertigtal stukken linnen op de steenen te drogen, nadat ze juist door vrouwen gewasschen zijn. Iets verder is het, of een bosch is gaan wandelen, als in Macbeth, een troep magere ezeltjes zijn beladen met hoopen takkebossen, waaronder ze bijna geheel verdwijnen. Die takken laat men bij de huizen drogen, om van de dorre bladeren strooisel voor het vee te hebben in den winter.
Vóór Haïnkioe komt langs een riviertje de weg van Haïn Boise uit het bergland, die een belangrijke rol gespeeld heeft in den oorlog van 1877, en waarlangs men voornemens was geweest den spoorweg te laten loopen, vóór men westelijker het tracé van Boroesjtitsa nam. Al die herinneringen zijn in de streek nog zeer levendig, en op de plaatsen zelf werden mij episoden uit den vermaarden veldtocht verteld.
Den 7den Juli had generaal Goerko Tirnovo bezet, dat toen onbeschermd was gelaten door Saïd Pacha. Hij verliet de stad weer den 10den, om in een stoutmoedigen tocht den Balkan over te trekken. De Turken bewaakten de beide overgangen, die als het ware klassiek waren, die van de Sjipka in het westen en van Tsjoemerna in het oosten; maar zij hadden in 't geheel niet gedacht aan al die passen ertusschen in de buurt van Radevtsi, als die van Seltsi, Boroesjtitsa en Haïn Boise, die wel voor ruiters alleen, maar niet voor een geheel leger bruikbaar waren. Een daarvan echter, die welke rechtstreeks van Tirnovo naar Haïnkioe over Voinega en Haïn Boise voert, passeert de waterscheiding zeer noordelijk, op minder dan 700 meter hoogte, om dan geleidelijk en gemakkelijk af te dalen naar den oever der rivier.
Dien weg volgde Goerko; den 12den was hij op de pashoogte en den 14den te Haïnkioe, waar hij bij verrassing een turksch bataljon overviel, dat juist bezig was, zijn soep te koken. Zoo was hij in het Toendsjadal gekomen en terstond daarop wendde hij zich naar het westen langs den weg van Maglisch, dien wij juist hebben afgelegd, en maakte zich den 17den van Kazanlik meester, dus van het zuidelijkste punt van den Sjipkapas, die van de andere zijde aangevallen werd door generaal Radetzky, van Grabovo komend. In die omstandigheden moest de Sjipka het opgeven; den 18den veroverden de Russen den weg met geweld van wapenen en waren aldus meester van de route van Konstantinopel.
Terwijl men mij dit verhaal deed, trokken wij steeds voort door groote gemeenteweiden met kort gras, waar paarden liepen te grazen, en tegen één uur reden wij Haïnkioe binnen, een klein boerendorp, in de vlakte gelegen aan beide zijden van een beekje tusschen boomgaarden, als een oase te midden der woestijn, een plaatsje met de gewone lage huizen en de producten voor de woningen opgehangen.
Wij logeerden te Haïnkioe in het huis van den pope, ook een boerenhoeve met enkele bijgebouwen, in een waarvan onze kamer was, zoo laag, dat ik met mijn hoofd bijna den zolder raakte. Het groote venster werd van binnen met luiken gesloten, en aan de muren hingen veel ikons, een portret van den exarch van Konstantinopel en meer dergelijke afbeeldingen. Er lag een tapijt met kussens eromheen langs de wanden, waar wij onze zit- of liever ligplaatsen moesten vinden, en een witte kachel stond in den hoek. De zoon van den pope, die in München heeft gestudeerd, is tegenwoordig professor in de scheikunde, een zeer moderne mengeling dus van chemie en orthodoxie.
's Avonds kwam de pope ons zien eten, zonder aan onzen maaltijd deel te nemen, omdat het Woensdag was, een vastendag. Wij zaten bij het trillende licht van een paar kaarsen buiten op het terras, waar nu en dan een groote nachtvlinder, door het schijnsel aangetrokken, verdwaald raakte en om ons hoofd gonsde.
Den eersten dag te Haïnkioe gebruikten wij voor een bergtocht naar Boekovaïa Foïana op een der Balkantoppen, waarbij wij den pas van Haïn Boise links lieten liggen. Na het magere struikgewas van de zuidhelling betraden wij spoedig het groote beukenbosch, waar het volstrekt geen zeldzaamheid is stammen aan te treffen van 80 centimeter, tot een meter in diameter. Onder die prachtige boomen vormden beekjes, die tusschen het groen van steen tot steen al dansend zich voortbewogen, kleine meertjes of vroolijke watervalletjes.
Daar het zoo prettig is, nieuwe herinneringen door vergelijking bij oude te doen aansluiten, moest ik hier telkens denken aan het landschap der Vogezen.
Den volgenden morgen verlieten wij Haïnkioe, om naar Tvarditsa te gaan, van waar wij naar Tsjoemerna omhoog moesten. Eerst hadden we twee uren eentonig vlak land door het dal der Toendsja, altijd tusschen dezelfde kale hellingen met verbrokkeld gneiss en met dezelfde hutjes en boomgaarden, als in de dorpen aan de zuidhelling van den Balkan. Elke twee- of driehonderd meter ontmoetten wij groote noteboomen, en kleine heuveltjes of tumuli waren talrijk. In de verte wierpen kudden schapen kleine, zwarte vlekken op de gele, stoffige vlakte, of langzaam zag men de forsche spannen ossen naderen.
Toen wij Tvarditsa naderden, werden de rozenvelden talrijker. Die plaats ligt aan den uitgang van een zeer druk beganen pas, waar de weg zoo goed is, dat men er bijna met rijtuigen over kan gaan, en die over den Balkan leidt langs Tsjoemerna van Elena naar Eski Zagora. Het is tusschen den Sjipkapas in het westen en den Kasanpas in het oosten de beste weg, om den berg over te gaan, en het is, zooals ik reeds zooeven zei, een der wegen, die een rol hebben gespeeld in den veldtocht van 1877 en 1878.
Tvarditsa, waar ik met acht maanden tusschenruimte weer ben teruggekomen, kwam mij de tweede maal veel schilderachtiger voor in lentedos dan de andere maal in den herfst. Het dorp op zich zelf beteekent niet veel met de lage huizen, die als in den grond schijnen weg te kruipen, maar wat in Tvarditsa aardig is, is de echte bergstroom, neerkomend van de gele hellingen, den voet der reuzenboomen besproeiend en dan wegschietend onder de houten brug, waarover de spannen witte ossen zich voortbewegen, geleid door vrouwen in nationaal costuum, en niet het minst als achtergrond van het landschap de Balkan met de ruwe toppen, waarlangs zich naar den ingang van een pas de smalle witte paden kronkelen, die later tot groote berijdbare wegen zullen worden.
Voor onze paarden was het nu al een zeer goed pad, dat wij in opgewekte stemming volgden. Zoolang men echter op de zuidhelling is, blijft het land dor en kaal, ondanks den mooien zonneschijn en de heldere kleur van het gras; en de schrale plantengroei kon niet hooger komen dan de afknabbelende geiten het lieten worden. Wij stegen nu naar een echten Balkantop, een top van 1540 meter, wat nog niet afschrikkend hoog is, maar de Tsjoemerna en de met bosschen bedekte hoogten, die men thans op grooter afstand ziet dan te Radevtsi, nemen meer het aanzien van bergen aan.
In die bosschen, die al talrijker worden, naarmate men de noordhelling nadert, is overvloed van wild. Daar zijn herten, wilde zwijnen en vossen, en den nacht, voor wij er waren, had men bij een hut de sporen van een beer gezien. De gendarme, die ons vergezelde, was den vorigen winter door een wolf aangevallen, dien hij eerst voor een hond had gehouden, en daar hij den haan van zijn revolver niet kon overhalen, was hij in een boom gevlucht, waar de wolf toch nog gelegenheid had gevonden hem in den voet te bijten. Terwijl de man ons dit verhaal deed, vloog een arend in wijde kringen boven ons hoofd.
Daar is de pas van Tsjoemerna, die in tegenstelling met wat we bij de andere passen, als die in de buurt van Radevtsi, Seltsi etc. hebben gezien, werkelijk den indruk van een bergpas maakt, waar men zich op de hoogte tusschen twee berghellingen op den kam gevoelt. Er is ook een herberg boven op den pas, juist als bij de Alpenpassen, en het is er, evenals daar, steeds druk van allerlei voertuigen.
Toen we weer van daar gingen, des middags om twee uur, was de lucht, die tot nu toe volkomen helder was geweest, eensklaps bedekt geworden; wij betraden het groote beukenbosch, en de zon ging er zeker ook schuil, want wij zagen haar niet meer. Weldra waren we door wolken omringd, en de Balkanbergen, die ik eerst minachtend slechts provinciale bergen noemde, willen ons eens laten zien, dat zij regen en nevel, koude en wind kunnen opleveren, zoo goed als de hoogste Alpentoppen.
De toestand scheen werkelijk zorgwekkend te zullen worden, want wij waren midden in het bosch zonder eenig pad en bij toenemende duisternis in onbekende richting gaande.
Eindelijk treden wij uit het donkere bosch en komen weer in de weide, waar het lichter is, en waar onze acht paarden achter elkaar in een dichten mist voortstappen. Er wordt mij verteld, dat men van hier bij mooi weer een prachtig uitzicht heeft; het heeft wel iets van de schoone zonsondergangen, die iemand altijd worden beloofd op de zwitsersche Alpentoppen, en ik geloof mijn zegsman onvoorwaardelijk, behalve dat ik morgen eens controleeren zal, wat hij mij heeft gezegd.
Voor het oogenblik ben ik alleen bezorgd over het bosch, dat daar weer vóór ons ligt, en in welks duister wij weldra zullen verdwijnen. Gelukkig is het nog niet zoo heel erg als wij verdwalen, want er zijn geen steilten hier, en acht menschen met acht paarden vinden altijd wel gelegenheid om terecht te komen. In het allerergste geval zouden we een nacht buiten om een vuur moeten slijten. Dienzelfden morgen nog hadden wij, als volkomen overbodig, een heel tentenmateriaal teruggezonden, dat we in het begin hadden meegenomen, in de veronderstelling van meer dergelijke avonturen.
Maar het zou niettemin veel aardiger zijn, weer op den goeden weg te komen, en te logeeren in een gesloten en verwarmd huis, waar men op onze komst is voorbereid en bedden voor ons in gereedheid heeft gebracht. Juist op het oogenblik toen die hoop scheen te zullen vervliegen, hoorden wij hondengeblaf, en in den nevel zagen wij mannen naderen in de fustanella, 't korte rokje van de Grieken. Het waren herders, die Grieksch spraken, en die hier Karakatsjani's worden genoemd. Dat herderskamp was mij al aangeduid als de welkome vuurtoren, die de haven aanwijst. Inderdaad was het huis van den boschwachter vlak bij met zijn kachel, zijn bedden, zijn keuken, en wij vinden er een aangename schuilplaats, juist op het oogenblik dat buiten de regen in stroomen begint te vallen. Den gansenen nacht bleef het regenen.
De steenkolenlagen van Radevtsi sluiten bij die van Tsjoemerna aan, en daaraan gingen wij nu midden in het bosch een bezoek brengen. Vervolgens daalden we den volgenden dag af naar Bela en Slivno. Naarmate wij lager kwamen, voelden we de warmte sterk toenemen, de wolken verdwenen en zooals veelal in het bergland, vonden we buiten de nevelachtige en koude zone den glansrijksten zonneschijn.
Onderweg stieten we op een interessant kamp van Karakatsjani's, die daar al ruim twee jaren gevestigd waren, om met hun paarden aan den kost te komen, door het naar beneden brengen van de steenkool naar de vlakte. Op een weide aan de grens van het beukenbosch en boven aan een steile helling waren eenige ronde hutten te zien, geheel met bladeren gedekt, en met een lagen ingang als bij hutten van Laplanders. Ik reed te paard omhoog te midden van een verwoed hondengeblaf en zag daarop een troep vrouwen voor den dag komen, door nieuwsgierigheid gedreven. Ze droegen bruine lijfjes en rokken en hemden, die niet zoo hagelwit waren als die der bulgaarsche vrouwen, maar die daarentegen geborduurd waren met rood en blauw borduursel, zooals men in Griekenland en Roemenië ziet, met groote, eveneens bewerkte mouwen, die zeer wijd van onderen waren.
Bij den spoedig daarop volgenden overtocht over de rivier kruisten wij een troep turksche ruiters en kregen daarbij weer een oosterschen indruk door de ontroering der fijne paarden met hoog opgeheven kop de schitterende tuigen, met blauwe koralen versierd, de gekleurde zadels, de rijke gordels, waarvan het rood zich spiegelt in het water, en het woeste stappen en plassen der paarden door de schuimende rivier.
Inderdaad kwamen wij dan ook kort daarna in een klein turksch dorpje, Sara Yar, een der zeer weinige plaatsen, waar de Turken zich in deze streek gehandhaafd hebben. Interessante en bekende oostersche tooneelen doen zich dus een oogenblik voor, en vervangen de bulgaarsche kleederdrachten, die wel wat al te sober zijn met hun bruine, zwarte en witte tinten, om aan het groen van het landschap veel reliëf te geven.
Ze zijn heel vriendelijk, deze Turken, en daar de paarden wat moeten uitblazen, maak ik een schetsje van de getulbande heeren, zooals zij daar zitten voor een café, in een groen priëeltje. Een van hen, een forsche, groote, glimlachende man met kleine donkere oogen onder een vooruitspringend voorhoofd, en een grooten witten tulband, met een violette veêr, komt, zonder om de voorschriften van Mohammed zich te bekommeren, vragen, of we zijn portret willen maken. Hij is schoolmeester en tegelijk priester in het dorp. Eerst teekende ik hem met de groep mee, maar hij vindt er zich te klein op, en toen liet ik hem alleen voor mij poseeren met de hand aan zijn stok. Hij was er verrukt van.
Toen wij weer vertrokken waren, hervatten al die brave menschen hun werk van den geheelen dag, het rooken of alleen maar zitten soezen in de schaduw van het groen priëel en het luisteren naar vertellingen onder een kinderlijk gelach. Terwijl de Bulgaar van den morgen tot den avond werkt, zonder café of herberg op te zoeken, nemen zij het leven gemakkelijk op naar oosterschen trant, en alleen als het geld schaarsch wordt, gaan ze weer een paar hout- of steenkoolladingen wegbrengen, om daarna, voldaan dat ze eenige stuivers in den zak hebben, opnieuw met ambitie te gaan rusten. Zoo is langzamerhand alle grond hun ontgaan en in handen van de Christenen gekomen, wat niemand behoeft te verbazen.
Tusschen Sara Yar en Bela gingen wij door een heuvelachtig land, vol groene boschjes, waar van tijd tot tijd een overtocht over een rivier een schilderachtige afwisseling opleverde en den tocht van onze karavaan vertraagde.
Bela, waar we des avonds aankwamen, is een aardig landelijk dorp in den trant van Radevtsi, ofschoon op de zuidhelling, met een stroompje tusschen hooge oevers, begroeid met wilgen. Over het water ligt hier en daar een brugje, bestaande uit een enkelen balk met leuning, en boven het dorp verrijzen tertiaire bergen, waar de roode leembanden in horizontale lagen afwisselen met witte zandsteenvormingen. Ossen, die door het water gaan, en ganzen, vliegend over hen heen, ziedaar weer een schilderijtje.
Er zijn er vele in dit dorp, waar mijn reisgezelschap weinig interessants vindt. De vrouwentypen zouden, als ik ze kon snappen, in mijn schetsjes passen, niet om haar schoonheid, groote Goden! ofschoon een gevoel van ongemotiveerde beschroomdheid ze bij mijn nadering doet wegvluchten, maar om haar leelijkheid juist, die werkelijk heel origineel is.
Het schijnt dat hier, net als te Slivno, een rest woont van den een of anderen aziatischen stam, die nog sterk mongoolsch is, misschien vermengd met negerbloed. Ze maken den indruk van Kalmukken met sterk vooruitspringende jukbeenderen, zeer prominente onderlip en een daarbij passend kapsel, met op het voorhoofd een rij van lange ongekamde haren, die in donker door den een of anderen regimentskapper schijnen te zijn geknipt, terwijl van achteren vier of vijf kleine vlechtjes hangen, ten halve bedekt door een doekje en versierd met een onzinnig groote bloem, bij voorbeeld een pioen of een groote tros seringen. De verloofden voegen daar nog een heelen toren bij van veêren en rozen en gekleurde linten met kettingen van op den rug afhangende munten en verder colliers van penningen, armbanden, ringen, een heelen galanteriewinkel, waardoor ze er echt als wilden uitzien. Maar ze zijn ook halfwild en in verrassende mate onbeschaafd.
In dit dorp doen de vrouwen als in vele andere in deze streek nog aan allerlei industrieën en op zeer primitieve manier, zoodat het blijkt dat men er nog niets moet hebben van onze moderne machines. Overal ziet men kleine ovens, waarin elk gezin zelf zijn brood bakt, terwijl men voor eigen houtskool zorgt als brandstof en zelf zijn linnen spint en weeft.
Van Bela reden wij naar Slivno met een omweg over de steenkolenontginningen van Katsjarka. Weer overal begroeide heuvels. Wij daalden langs een klein dal, dat te Slivno uitkwam, nu eens de bedding der rivier volgend, dan de hellingen beklimmend, om een bocht af te snijden. Men komt nog al wat menschen tegen, te voet en te paard, maar in het geheel geen huizen, tot bij Slivno, waar op groote onderlinge afstanden molens zich vertoonen, daarna ook fabrieken en grootere gebouwen.
Het landschap krijgt werkelijk een grootsch karakter; de droge bedding der rivier wordt breeder, heeft kale rotswanden en vertoont een echt berglandaanzien.
Onze karavaan ziet er in dat breede dal vol steenen tusschen de kleine witte wateradertjes en de hooge hellingen, waar geen of weinig plantengroei is, min of meer algerijnsch uit.
Slivno, waarvan de naam beteekent "samenvloeiing", omdat het aan het punt van samenkomst van drie dalen ligt, is een industriestadje van 24000 zielen, het vijfde van Bulgarije. Er zijn veel lakenfabrieken, een tiental wel in het dal, waardoor wij rijden, en overal zagen wij vrouwen bezig met het uitspreiden, drogen, omkeeren of oprapen van hoopen witte of bruine wol, die op de steenen in de rivier hadden gelegen.
Daar is dan eindelijk het stadje, een indruk van rood tegen een achtergrond van donkere heuvels, en dichterbij gekomen, zien we leelijke, onsmakelijke voorstadjes met lage huizen, een onthoofde minaret, een paar openbare gebouwen in tuinen en, onder veel lage woningen, enkele van wat beter voorkomen.
Twee zijden van Slivno zijn wel aardig, de bovenstad met de Zigeunerwijk en de blauwe rotsen, en dan de benedenstad aan het stroompje, dat zich in de Toendsja stort. Ik ga eerst omhoog, zooals een conscientieus reiziger altijd moet doen, om een overzicht van het geheel van een stad te krijgen.
Aan den noordkant leunt de stad tegen rotsachtige kalkgebergten met een voor Bulgarije ongewoon voorkomen, dat aan Dolomietgebergten doet denken. Ze worden prachtig door de ondergaande zon verlicht, en in de diepten liggen zware donkere schaduwen van blauwe tint, die den naam van Blauwe Bergen verklaren. Aan het andere einde van de stad, meer naar beneden, ziet men in de verte een groote rivier over een breede steenachtige bedding zich spoeden naar een reeks van donkere heuvels aan den overkant van een reuzenvlakte, alsof ze daar de zee vermoedde.
Terwijl ik dit mooie schouwspel voor oogen had onder een dreigenden onweêrshemel met heldergele strepen tusschen de zwarte wolken, werden mijn oogen getrokken naar een druk bewegende menigte in een weide op de berghelling boven de stad. Daar begaf ik mij onmiddellijk heen, om het tooneel van dichtbij te zien. Het was daar een leelijke, armoedige wijk, die de stad ontsierde, en zelfs voor een vreemdeling kan men het geen schilderachtige plaats noemen, maar ze is wel amusant door de verschillende typen en kleederdrachten.
Daar houden zich de Zigeuners op, met zwarte haren en een tint, zoo donker, dat de menschen wel negers lijken, vooral ook door de ver vooruitspringende onderlip en den platten neus. De mannen droegen turksche kleeding, en de vrouwen hadden buitensporig groote bouquetten in het haar van kunstbloemen of natuurlijke bloemen, met veêren en andere sieraden, zooals ik al noemde bij de vrouwen van Bela. De dichte menigte menschen was druk in de weer, schreeuwde, gesticuleerde en scheen de brandende zon in het geheel niet te voelen, want telkens gingen er paren dansen, in een ronden kring, of in lange rijen.
Langs de weide aan den kant stonden lage hutjes van leem, geel en vuil en vensterloos, terwijl de stad op den achtergrond te zien was met pannen daken op de in het groen verscholen huizen. Toen ik er was binnengegaan, vond ik er niet veel bekoorlijks, maar een rij van turksche winkels zorgde toch nog voor de noodige kleur.
Een eind ten zuiden van de stad ligt een warme bron, waar een badplaats bij is ingericht met al wat daarbij behoort, zoodat het niet enkel een gewoon turksch bad is. Van daar uit ben ik op mijn eerste reis naar het station Karamenli gegaan, aan de lijn van Yamboli naar Nova Zagora, om naar Sofia terug te keeren. Maar enkele maanden later arriveerde ik weer te Nova Zagora, om over den Sredna Gora naar Tvarditsa te gaan, dan naar Slivno en verder den Balkan over te trekken langs Kotel naar Djoemaïa. Eenige schetsjes, ontleend aan dat tweede uitstapje, zullen de algemeene voorstelling van den Balkan voltooien, gezien dezen keer niet in den bescheiden tooi van September, maar in het groene kleed van Mei.
Nova Zagora, dat nog al pompeus op de kaarten staat, is slechts een stoffig dorp, groot en somber, waar onze eenige interessante bezigheid hierin bestond, dat wij niet zonder moeite er een rijtuig huurden voor ons uitstapje in den omtrek van de volgende dagen. Daar blijft men in dezelfde eentonige vlakte, die alle centrale laagten van Bulgarije inneemt, en zich voortzet tot de eerste heuvelrijen, hier voorgesteld door de voortzetting van den Sredna Gora.
Maar als men die hoogten over is, en naar de Toendsja afdaalt, is de verrassing groot en alleraardigst. In plaats van een steenachtige bedding, als zooveel rivieren in het Oosten hebben, of een dun waterloopje, vloeit hier een breede stroom van helder water, omzoomd door groote boomen, bezet met kleine eilandjes en met telkens molens aan zijn oevers. Hij beschrijft tal van bochten en gaat zigzagsgewijs gneissheuvels door, die heerlijk begroeid en door de zon verguld zijn.
Waar de weg en de rivier elkaar ontmoeten, is de badplaats, waar wij zullen logeeren, en die door enkele gebouwen wordt aangewezen. Daar rondomheen is een overvloed van groen; veel wilgen en populieren steken hun kruinen helder af tegen het goud van de ondergaande zon op den achtergrond van blauwe heuvels.
Men zou, en dat is geen gering compliment, zeggen, dat het een mooi riviertje van Frankrijk was, iets tusschen de Loir en de Sioule in Auvergne. Het moet voor de Bulgaren een waar genoegen zijn, uit hun warme vlakten van Yamboli, Zagora of Philippopoli zich hierheen te verplaatsen, naar dit coquette badplaatsje, om er de baden te gebruiken en van allerlei kwalen genezen te worden, door in de schaduw te wandelen langs de oevers van het rustige riviertje en des morgens te ontwaken door het gezang der vogels.
Toen wij zelf op die manier wakker werden, was het prachtig helder weêr; de velden waren groen, zoowel weide als bouwland, in deze mooie Meimaand, en overal was het land golvend en door boschjes afgebroken, die hoogerop tot groote eikenbosschen werden. Zoo daalden wij af in het dal der rozen, dat we in het najaar geheel kaal en ledig hadden gevonden, en dat nu herschapen was in een oneindige groene vlakte.
Ongelukkig waren de rozenstruiken van Tvarditsa, wier bloei ons was beloofd, dit jaar ten achteren, ofschoon het al de 17_de_ Mei was, zoodat wij nog maar enkele knoppen geopend zagen. Van Tvarditsa bereikten wij bij Binhos het dal der Toendsja. Het land is niet bepaald heuvelachtig, maar is toch niet zoo eentonig als de vlakte. Het is daarbij van het helderst groen, waartegen de witte koeien in de groote weide sprekend uitkomen, evenals de zwarte buffels en de hier en daar verspreide paarden, die langs de rivier op de weide liepen te grazen.
Als men Slivno achter zich heeft gelaten, volgt de weg naar Kotel nog drie uren lang de vlakte, voor hij begint te stijgen. Altijd hetzelfde vruchtbare en eentonige dal, dat wij nu langzamerhand wel grondig kennen. Eindelijk wenden wij ons naar het Noorden en passeeren eerst een heuvel van een honderd meters, om daarna in het Mokrenidal te dalen. Daar houdt men gewoonlijk rust op het terrasje, waar men het uitzicht heeft op den tuin, en een twintigtal bulgaarsche boeren aan een tafel ziet zitten, met hun bruine mutsen en roode gordels tegenover elkaar gezeten, alsof ze zoo een koor uit een opera zullen gaan zingen.
Na Mokreni volgt de Balkan, die nog niet steil is en waarvan, ten minste tot Kotel, de hellingen ongeloofelijk zacht zijn. Het groote centrale woud van den Balkan bestaat ongelukkig hier niet, en wij moeten ons met het lage eikenhout te vreden stellen, dat door de administratie van het boschwezen angstvallig wordt bewaakt en dat mogelijk eens in den loop der tijden mooie bosschen zal opleveren. Op vijfhonderd meter kregen wij een plateau met prachtig uitzicht; groote blauwe vogels vlogen voor ons op, in de weiden graasden talrijke kudden buffels, waarvan de Turken de haarlok op het voorhoofd met henneh kleuren, juist zooals zij de haren en de nagels hunner vrouwen graag gekleurd zien. Heldere bronnetjes spelen in het groen en vluchten weg onder de wilgen. De roode vlek van een gordel of een fez zorgt voor een fanfare, die de aandacht trekt.
Hoe verder men naar het Noorden komt, des te dichter worden de bosschen en des te meer groote boomen ontmoeten wij erin. Voor Kotel doen zich echte kloven voor tusschen de beboschte hellingen, met witte en grijze kalkrotsen. Overal bloeien in het bosch de seringen, zoodat alle vrouwen, die we op den weg ontmoeten, die bloemen in het haar dragen.
Eindelijk volgt een breed dal, dat tusschen boschrijke heuvels langzaam naar het stadje Kotel opstijgt, zooals het daar op een helling voor ons ligt.
Kotel is een oud, in de historie bekend stadje van den Balkan, een vroeger belangrijk provinciaal hoofdplaatsje, maar nu vrij ongeschikt gelegen in den bergpas. Een tiental jaren geleden is het bijna geheel afgebrand, dat was in 1895; misschien had men goed gedaan, toen van de gelegenheid te profiteeren en de plaats bij den herbouw naar elders te transporteeren. Men maakte er echter een quaestie van patriottische gevoelens van, en een nationale inschrijving werd in geheel Bulgarije geopend met het gevolg, dat ter eere der nationale herinneringen, Kotel op dezelfde plek weer werd opgebouwd, maar als een steenen in plaats van een houten stad. De huizen staan nu alle netjes in de rij, zijn alle banaal en aan elkaar gelijk en geven aan het geheel een schijntje van een industriestad.
Gelukkig bestaan er nog enkele hoekjes van het oude Kotel in de benedenstad, waar aan de rivier veel molens liggen en waar men de fabrieken van bulgaarsche tapijten vindt met hun ouderwetsche weefgetouwen. Des morgens bezochten we die wijk, om daar in de buurt de groote watervallen te zien, die als hun broeders uit Dalmatië, Bosnië en den Karst uit de kalksteenrotsen te voorschijn komen en dan in bruisende vaart diepe kommen vullen en zoo krachtig stroomen, dat de molens er lustig van draaien.
Dit was een aardig uitstapje, vooral omdat de rivier, die door de vallen wordt gevoed, zoo liefelijk door de met boomen beplante weiden stroomt onder houten bruggetjes door en langs de molens, waar de vrouwen aan het keuvelen zijn onder het ontwarren van de wol of het spinnen van het garen.
De echte kam van den Balkan, rijst vlak achter Kotel omhoog en wordt gevormd door die kalkbergen, welker spleten zooveel water absorbeeren en voedsel geven aan rijkvloeiende bronnen. Dit deel van onzen weg was geheel kaal, als de passen op de groote hoogten van de Alpen, waar men boven de grens van den boomgroei is. Beneden in de weiden ontmoetten wij een kamp van Zigeuners, vertooners van apen en beren. De mannen lagen in het gras en amuseerden zich met het oefenen van hun beesten. Hun donkere gezichten, bruine haren met roode vlekken erin en de bonte doeken en lappen, die rondom hingen, leverden een vreemd en boeiend tooneel op.
De Kasanpas is ook kaal met zijn steile kalkrotsen boven mager bosch; maar dan gaat het vlug naar beneden naar Titsja, waarbij geologisch een groote verandering intrad, waardoor ieder moet worden getroffen, ook al kent men er noch de verklaring, noch de ware beteekenis van.
Het is de plotselinge vervanging van het tafelland door het bergland. Hier zijn het horizontale kalklagen, die in de plaats komen van de verbrokkelde bergen, die wij sinds Kotel steeds voor oogen hadden gehad. Bij een rivierovergang kon men die horizontale structuur precies volgen, door de watervallen, die zich van de terrassen stortten. Toen verscheen Titsja aan den oever der rivier met de lage huizen, alle van hout en de kleine moskee.
Even namen wij den tijd, om de paarden te laten uitblazen, en gingen toen weer verder door het kreupelbosch, waar gewapende mannen met het voorkomen van roovers hier en daar de wacht hielden met het oog op den toevloed van menschen, door de groote kermis van Djoemaïa aangetrokken, waar zich de berenleiders en de goochelaars zouden vertoonen. Door de vlakheid der terreinen scheen het altijd, of wij de treden van een trap op of afgingen, want het geheele land had het karakter van een tafelland aangenomen, zooals ook eigen is aan het groote voorbalkansche plateau tot de Donau toe.
Osman Bazar ligt op een hooge vlakte met zijn roodgedaakte huizen, die op zijn turksch zeer laag zijn, en met vier of vijf minarets. Wij hielden stil op een groot, leêg plein tegenover een vierkanten toren, waarop een klokkentoren van hout, en waarnaast rechts een rij van lage huizen is te zien, terwijl links een oud bouwvallig bouwwerk waarschijnschijnlijk een overblijfsel is van een turksch bad. Er ging een weg omhoog naast onze herberg naar een grooten put met langen hefboom, een bewijs, dat we uit het gebied der bronnen zijn gekomen in dat van den eigenlijken Balkan.
Op het plein speelden kinderen vroolijk allerlei spelletjes, turksche kinderen met roode fez, roode of witte tulbanden en roode, paarse of oranje kieltjes.
Na Osman Bazar begon terstond een bosch van groote eiken, het eerste echte woud in dit deel van het gebergte, en vervolgens doet zich het land voor als een groene, golvende vlakte, met hagen en boomen in het veld en veel stroomend water.
Eindelijk gaan wij door den Dewentpas, een bergplooi in het tafelland, die een eigenaardig bergland vormt, verbrokkelde rotsen en door erosie uitgespoelde terreinen, naast steile bergen en diepe kloven.
In die kloven werden de bosschen en het kreupelhout weer bewaakt door gewapende Turken of Bulgaren, die op roovers geleken. Bloeiende seringen gaven aan de boschjes een lila tint. Daar zijn we eindelijk weer in de vlakte, volgend op het bergland, zooals dat laatste op het plateau was gevolgd. Het is, of wij van een hoog terras naar beneden zijn gedaald, en met ons doen dat de ontelbare stroompjes en wateradertjes, die door de bergen zijn gefiltreerd.
Nog enkele kilometers, en de Balkan verwijdert zich al verder van ons; tegen het vallen van den avond komen wij het volkrijk stadje Djoemaïa binnen, en treffen er de schilderachtige tooneelen, eigen aan die groote turksche markten of kermissen, die gedurende enkele dagen uit verren omtrek de menschen doen toestroomen als naar een geïmproviseerden bazar.
Malta en de Maltezer Orde.
Naar het Fransch van GASTON VUILLIER.
I.
Van Syracuse naar Malta.--La Valette en de stichting door den Grootmeester der Orde.--Aankomst in de groote haven.--Aanzien van de stad.--Koetsiers en schippers.--De witte steenen huizen.--Terrasvormige daken.--Mannen en vrouwen van Malta.--Het huiselijk leven.--Het gezelschapsleven.--De kantwerksters.--Een avond in de Barraea.--Het Hooglandersregiment en hun muziek op het plein.--De hoofdstraten.--De paleizen.
Ik was voornemens, mij van Tunis naar Malta te begeven, om er de plechtigheden van de Heilige Week bij te wonen, die mij als zeer origineel waren aanbevolen. Daar echter een onverwacht besluit van de engelsche autoriteiten de haven van La Valette gesloten had verklaard voor uit het Oosten komende schepen en voor wat van de kust van Afrika kwam, moest ik mijn reisplan veranderen. De vrees voor het overbrengen van de pest bij het bestuur van Malta leidde er dus toe, dat ik een plaats besprak op een paketboot van de Compagnie Générale Transatlantique. Deze bracht mij naar Tripoli, en ik had er geen spijt van.
Maar de toen opgedane ondervinding en een groot aantal andere omstandigheden, die zich in den loop van mijn reizen voordeden, deden mij besluiten, voor het vervolg geen vast reisplan te maken. Ik vond er meer genoegen in, mij op goed geluk te laten gaan, mijn fantasie te volgen of het toeval te laten beslissen.
Onder zulke omstandigheden nam ik plaats aan boord van een italiaansche stoomboot, die zich gereed maakte om uit te varen. De bestemming liet mij vrij koel, want een horizon vol geheimzinnigheden had toen groote aantrekkelijkheid voor mij. Het was te Syracuse, dat ik mij inscheepte, en toen ik mij op de brug bevond, zag ik om naar den grond van Sicilië, die mij zooveel rein en edel genot had geschonken, zooveel uren van bekoring in zijn toovertuinen en van angstige ontzetting op de woeste hellingen van zijn kraters. Ik moest nu misschien voor altijd dat mooie Trinakria vaarwel zeggen, en het was mij, of ik een deel van mijzelven achterliet tusschen de verre heuvels, die in de schaduw wegscholen.
De stad begaf zich ter ruste in het bleeke licht van den scheidenden dag. In den brandenden zonneschijn had ik de bergachtige omstreken doorwandeld tusschen de instortende oude muren, die resten zijn van monumenten uit een grootsch verleden. Ik had de tempels bewonderd van het antieke Ortygia, had rondgedwaald in de beruchte steengroeven van de Lautumiae en was genaderd tot dichtbij de geheimzinnige fontein, waar de nymf Arethusa, om hare liefde schreiend, eeuwig hare tranen mengt onder het water van de zee.
De avond was gekomen, en de stralen der maan, brekend door den nevel, wierpen als liefkoozend hun licht over de sombere grootschheid der oude heuvels. De duisternis roept droomen wakker; de ruimte vulde zich voor mij met gestalten, en ik zag het verleden oprijzen uit het stof en leven krijgen in die vage nachtelijke helderheid. Illusie! Alleen de asch der oude stad lag op de zwijgende hoogten en vervloog als alle glorie in het ledige, verstoven door den wind.
Weldra verdween Syracuse. Dichtbij ons trilde een vuurtorenlicht, ging weer uit om weer op te lichten en dan weer te verdwijnen, als een ironische glimlach van het lot, dat ons zelfs op zee herinnert aan zijn grilligheid en aan onze droomen, die illusies, aan onze wenschen, die bedrog zijn.
De uren glijden voort, ... het wordt dag. Wij krijgen Malta in het gezicht. De opgaande zon, die in haar maagdelijkheid rose uit het water opstijgt, werpt lichtjes op de muren van La Valette, dat in onbepaalde omtrekken zich aan het oog vertoont.
La Valette, dat ik vroeger slechts terloops had gezien onder een brandende zon, met zijn wallen en bastions en al, wat denken deed aan een heftigen strijd, die wel aanstaande scheen, dreef daar boven de zee als in een wazig spiegelbeeld. Teêr gekleurde wolken verborgen de op rijen staande kanonnen voor ons oog en verzachtten den aanblik der groote, fel dreigende, versterkte rots. Een damp dreef rustig op de oppervlakte van het water in golvende sluiers en zweefde door de lucht als een fijne wolk, die langzamerhand uiteenrafelde en zich oploste in het etherische licht van den morgen.
Naarmate wij dichterbij kwamen, ontdeed de stad zich van haar sluiers, om forsch en frisch, maar dor en koud, tevens het heldere zonlicht op te vangen. De aanblik is nog niet veranderd sinds den tijd, reeds lang geleden, toen de stad de zeeën beheerschte. Zij wekt nog altijd herinneringen aan oorlogsgeweld en krijgsmansglorie.
De beroemde stichter der stad, de Grootmeester Jean Parisot de la Valette, had als plaats voor de stad gekozen den berg Scebarras, een groote, kale rots, een soort van schiereiland tusschen twee ruime baaien, die de twee belangrijkste havens zijn geworden, Marsa en de quarantainehaven, Marsa-Muscet geheeten.
Het was in 1565 na de nederlaag van het leger van Soliman den Tweede, die het eiland had willen veroveren. De Grootmeester besloot partij te trekken van een oogenblik van rust in den strijd, om de door de Turken vernielde wallen weer te herstellen en de beide havens te verdedigen door het aanleggen van een nieuw fort op het schiereiland tusschen hen beide in. Op datzelfde schiereiland ging hij toen een stad bouwen, omringd door vestingwerken, waar het klooster en de woning der ridders veilig zouden zijn.
Met dat doel en vooral om den niet onaanzienlijken financiëelen steun te erlangen, dien hij noodig had, wendde de Grootmeester zich door tusschenkomst van de bij de hoven geaccrediteerde gezanten rechtsstreeks tot de koningen van Frankrijk, Spanje en Portugal en tot den Paus, evenals tot verschillende italiaansche vorsten. Die gezanten zetten uiteen, dat het niet voldoende was, Malta door een hardnekkigen tegenstand te hebben gered, maar dat men, nu het eiland nog door een handigen tegenstander kon veroverd worden, verplicht was, het zoo spoedig mogelijk te versterken, dat er nieuwe verdedigingswerken moesten worden aangelegd, nadat de gevolgen van het doorgestane beleg waren verholpen.
De afgevaardigden legden vooral den nadruk op die punten, welke voor de afzonderlijke regeeringen, tot wie zij zich wendden, in het bijzonder van belang waren, en toen ze melding maakten van het voornemen van den Grootmeester, om een stad te bouwen, legden zij de plannen over ter ondersteuning van het denkbeeld.
Al de vorsten, getroffen door de grootschheid en het nut van de voorstellen, beloofden, ze te steunen en La Valette bij deze onderneming te helpen. De Paus beloofde, eraan deel te nemen met vijftien duizend kronen, de koning van Frankrijk met veertig duizend livres, Filips de Tweede, met negentig duizend en de koning van Portugal met dertig duizend. De commandeurs der Orde stonden in edele belangeloosheid hun bezittingen af en gaven hun kostbaarste meubelen, om de onderneming te doen slagen.
Zonder tijd te verliezen, liet La Valette dadelijk ingenieurs, bouwmeesters en werklieden uit Italië komen, en kort daarna begaf zich de Grootmeester in plechtig ambtsgewaad, vergezeld door den Raad van Bestuur der Orde en gevolgd door al de ridders, naar den berg Scebarras, waar hij den eersten steen legde voor de nieuwe stad. Op dien steen stond gegrift het besluit van den Raad, dat wij hier vertaald uit het Latijn laten volgen.
"De zeer beroemde en vereerde broeder, Jean de la Valette, Grootmeester van de Orde der Hospitaalridders of der Ridders van Sint-Jan, die voor oogen heeft al de gevaren, waaraan zijn ridders en zijn volk van Malta hebben blootgestaan bij het jongste beleg en die in overleg met den Raad der Orde, om nieuwe ondernemingen van den kant der Barbaren tegen te gaan, het plan heeft gevormd, een stad te bouwen op den berg Scebarras, heeft heden, Donderdag 28 Maart van het tegenwoordige jaar 1566, na den heiligen naam van God te hebben ingeroepen, de tusschenkomst der Heilige Maagd te hebben gevraagd en die van den Heiligen Johannes den Dooper, den patroon der Orde, om den zegen des hemels af te smeeken op een zoo belangrijk werk, er den eersten steen van gelegd, waarop zijn wapen is gebeiteld met de gouden leeuwenmuilen. De nieuwe stad is op zijn bevel gedoopt met den naam Stad van La Valette."
Gouden en zilveren medailles, die een afbeelding der nieuwe stad droegen en liet opschrift: Melita renascens, d.i. "Het herboren Malta" met het jaar en den datum der stichting, werden in grooten getale in de fondamenten geworpen. Na die plechtigheid ging men met ijver aan het werk. Allen namen er aan deel, rijken zoowel als armen, edelen en handwerkslieden. Iedereen wilde deel hebben aan het werk, waarin het heil van allen was gelegen voor de toekomst. Een commandeur, de la Fontaine, die bekend was om zijn goed inzicht in de kunst van het aanleggen van versterkingen, had de opperste leiding der werkzaamheden op zich genomen. De ridders droegen er ook het hunne toe bij, enkelen begaven zich op de schepen der Orde naar Sicilië en Italië, om bouwmaterialen te halen, anderen gingen tot Lyon, om zich met de verbetering der inrichting van de artillerie bezig te houden. Wie bleven, hielden toezicht op de arbeiders bij de aardwerken, lieten openingen aanvullen, bressen herstellen en zorgden voor den aanleg der nieuwe versterkingen.
De Grootmeester verloor twee jaren achtereen de werkzaamheden niet uit het oog; hij woonde te midden der werklieden, nam zijn maaltijden juist als een gewoon arbeider en gaf het voorbeeld van den grootsten ijver. Daar de gelden niet alle regelmatig inkwamen, liet hij, om daarin te voorzien, kopergeld slaan, waaraan hij een verschillende waarde toekende naar zwaarte of model. Zoodra het verwachte geld inkwam, werd het andere aan de circulatie onttrokken. En daardoor kreeg het volk der werkers zooveel vertrouwen, dat het werk niet een enkelen dag stilstond.
Bij zulk een edele geestdrift, in zulk een gloed van ijver en werkkracht verrees die stad, die ik nu uit zee zag verrijzen, toen het schip naderde. Eindelijk lag ze schitterend voor ons uitgespreid.
Wij zijn juist de nieuwe invaart gepasseerd, waar de sterke batterijen van het Sint-Elmusfort zijn gevestigd, en de groote haven ligt daar als een prachtig meer met spiegelende oppervlakte, omringd door massieve bouwwerken.
Het is werkelijk een soort van binnenzee, waar kanalen en baaien op uitkomen, die de ruimte nog vergrooten, want zij vormen reeds op zich zelf veilige schuilplaatsen, waar geheele vloten zich zouden kunnen verbergen, om het juiste oogenblik af te wachten voor een aanval op den vijand.
De groote haven of de Marsa, want ze heeft haar ouden arabischen naam behouden, is zelve in twee deelen verdeeld door een schiereiland, dat als in een felle spoor uitloopt in het fort Saint-Ange op Isola Point. Op het oostelijk uiteinde staat het fort Ricasoli, genoemd naar den italiaanschen burgemeester, die het liet bouwen; in het zuidoosten en zuiden zijn het Sint-Michelsfort en het fort Salvator door zware versterkingen omgeven. Ze herinneren aan den Grootmeester Nicolaas Cotoner, die hun de verdedigingsmiddelen schonk.
Waarheen het oog zich wendt rondom den grooten plas, overal staren u in het licht de dreigende reuzenbouwwerken tegen met hun strakke profielen.
La Valette lijkt op niets wat ik reeds heb gezien; het is een eenig schouwspel, en men krijgt lust, het voor iets fabelachtigs te houden. Het is een opeenhooping van wanden van vuurmonden en vlammende rotsen, vol gaten als een honingraat. Tusschen de steilten ziet men de kanalen en grachten, en het maakt den indruk, of een steengroeve van cyclopen door de zee is overweldigd. Al de gebouwen der sterke forten gelijken op elkaar; alle hebben ze denzelfden vorm en dezelfde kleur. Wal volgt op wal met gekanteelde muren, en naast de eene rots verrijst onmiddellijk weer een andere. Hier en daar schijnen bastions in de lucht te hangen, men kijkt tegen bogen aan of tegen hooge torens met terrassen.
Dat eerste opdagen van La Valette is in mijn herinnering nog altijd even frisch gebleven als op den eersten dag toen ik er kennis mee maakte.
Als ik de oogen sluit, zie ik alles, de straten der stad met de hooge huizen, waar uit de vensters kleurig linnengoed te drogen hangt, dat door den wind wordt bewogen. Het was als op een feestdag, want het leek of de oude muren vlagden, en lompen worden zelfs mooi in het volle zonlicht. Ik kan nog telkens het vizioen vernieuwen van die eindelooze reeks vensteropeningen in die forten uit de legende, het spiegelende water en de stroomen van licht, die over de wijde ruimte vloeiden.
Ik zie weer op de kaden de drukke volksmenigte, de altijd weer bij de landingplaats aankomende booten, die koopwaren of passagiers innamen en dan wegvoeren; de uithangborden der winkels van scheepsbenoodigdheden met namen, die zoo moeilijk te begrijpen zijn, als alles wat het zeewezen aangaat.
Zoodra wij de haven binnenvoeren, waren de koetsiers uit de stad snel komen aanrijden. Zij veroorzaakten een opstopping op de kade en gesticuleerden om het hardst, om klanten te lokken, terwijl ontelbare bootjes om het schip heen draaiden en hun diensten aanboden met veelzeggende mimiek. De kleine booten zijn eigenaardig; ze gelijken wel iets op gondels, niet door hun sierlijkheid, want ze zijn kort en dik, maar door hun hoogen voorsteven. De meeste zijn groen geverfd en met bizarre teekeningen versierd. Aan weerszijden van den voorkant ziet men een oog geteekend van naïeve uitdrukking en vorm, wat het bootje er als een zeemonster doet uitzien. Over de meeste is een gekleurd zeil gespannen.
Ik volgde met belangstelling de voorvallen op de kade en bleef nog eenigen tijd aan boord. Eindelijk vertrok ik, en een kales bracht mij in snellen draf langs een helling naar de Levantstraat.
Overal hetzelfde verblindende licht, dat met het vele opdwarrelende stof aan La Valette het aanzien geeft van een brandende stad. Enkele fijne, violette schaduwen gaven in de gebouwen vormen van menschen en dingen aan. De meeste straten kwamen op de zee uit. De menigte liep af en aan even druk als aan het strand. Ernstige Arabieren, in hun burnoes gedrapeerd, vormden door hun kalmte een sterke tegenstelling met de Maltezers, de Grieken en de Levantijnen; een paar kooplieden van verkoelende dranken, met een vaatje op zij, boden hun waar aan, en van tijd tot tijd kwam een dorstige voorbijganger begeerig drinken.
Nu en dan kreeg ik op die wandeling door La Valette een vizioen van op rijen staande zwarte kanonnen, van scheepsmasten, dicht opeen gedrongen als boomen in een bosch, het wandelend bosch van Shakespere. Verscheiden straten zijn niet anders dan trappen, zoo bijvoorbeeld de Santa Luciastraat. Aan de meeste daarvan hebben de huizen platte daken met balkons met ramen erin, zeker een engelsche uitvinding.
De huizen in La Valette en op het geheele eiland Malta zijn gebouwd van een zachte, verblindend witte steensoort, afkomstig van het eiland. Langen tijd is er in dat gesteente een levendige uitvoerhandel gevoerd, omdat het zoo gemakkelijk te bewerken was, vooral naar Smyrna en de andere steden van de Levant.
Maar er zijn heel wat bezwaren aan die steensoort verbonden, want ze ondervindt sterk den invloed van het weêr, wat waarschijnlijk door de uit zee opkomende dampen bevorderd wordt. Ook geeft de verbazende witheid van de huizen aanleiding tot een terugkaatsing van het licht, die nadeelig is voor de oogen. De Maltezers kunnen aan het gesteente door polijsten een glans geven, die het op marmer gelijken doet.
De huizen hebben veelal platte daken, met buizen tot afvoer van het regenwater. Die daken, waarop bloemvazen en kuipen met planten prijken, zijn dikwijls kleine tuintjes, waar de bewoners op zomeravonden frissche lucht zoeken; ze gebruiken er ook vaak de maaltijden en ontvangen er gezelschap.
Op de hoeken van sommige straten staan heiligenbeelden in nissen, en de vrome Maltezers houden er nacht en dag de lampen brandende.
Het rijtuig hield eindelijk stil voor een hôtel. Ik rustte er uit in de schaduw, nog geheel verblind door de stroomen van licht, die langs en over mij waren gevloeid.
Nu was ik dan te La Valette, de oude hoofdstad van Malta, maar ik was er als onbekende, zonder aanbevelingsbrieven voor de enkele Franschen, die er woonden. Het beste in de gegeven omstandigheden was, mij aan te melden aan het fransche consulaat, waar ik kans had, vriendelijk te worden ontvangen. Dat was een goede gedachte; de consul was een hulpvaardig man, aangenaam in den omgang en bereidwillig gestemd ten opzichte zijner landgenooten.
Nog dienzelfden avond begaf ik mij met een brief van onzen consul naar de wijk Guardia mangia Pietà, waar een fransch koopman woonde, die sinds vele jaren op Malta gevestigd was. Hij had zich een mooie positie verworven en, naar men zeide, een aanzienlijk vermogen. Zijn naam was Ribot, en hij ontving mij met open armen.
Hij praatte veel met mij over de Maltezers. "Ik heb al sedert het begin van mijn zijn hier opgemerkt", zei ik tot hem, "dat hun gezicht een voor mij geheel nieuw karakter heeft, met die breede wangen, groote ooren, die ver naar achteren staan, de zwarte haren en de dikke bossige wenkbrauwen. Het komt mij in het geheel niet twijfelachtig voor, dat dit ras van phoenicische afkomst is. De Maltezer is levendig en bewegelijk; men voelt het, dat hij zich gelukkig voelt op zijn rots te midden der golven in een element van zonnegloed en zee."
"Ja, zoo is het inderdaad," antwoordde mij de heer Ribot, "de Maltezer is in zijn element, beter dan de anderen, die hier wonen. Morgen zult U opmerken, dat de vreemdelingen bleeke gezichten hebben met een vermoeiden trek, alsof hun bloed verdroogd was in de hitte der zon."
En op het gelaat van den spreker las ik de teekenen van neurasthenie, die hij zelf mij aanwees.
"Het komt," zei hij, "dat hier niets herinnert aan de geurige frischheid onzer kleine steden, de fluweeltint onzer heuvels en de geheimzinnige bekoring onzer dalen. Het geruisch der zee, en op dagen van boos weer het gebulder van den wind om de rotsen vervangen voor een poos de groote hitte van den zomer en de onbeschrijflijke doodschheid der in de gloeihitte der zon verpoeierende rotsen. Alleen des avonds herademt men en begint opnieuw te leven. Vaak ook zenden de winden uit de woestijnen van Afrika ons hun brandenden adem toe, en het zijn enkel de winden uit het Noordoosten, die de buitengewone warmte soms wat temperen."
De winter is gewoonlijk zeer zacht op Malta; het is een echte lente met overvloed van bloemen, die schitteren in rijke kleuren en verrukkelijk geuren. Een groot aantal engelsche familiën komen dan ook den winter op het eiland doorbrengen.
Een der gevaren van het klimaat zijn de plotselinge overgangen van hitte tot koude, die onophoudelijk terugkeeren, en waar het menschelijk lichaam zeer gevoelig voor blijft.
De vreemdeling vooral moet zich in acht nemen voor dit bezwaar, dat de Maltezers niet zoo sterk gevoelen. Als de zon brandend heet schijnt en de terugkaatsing van het licht verblindend is, krijgt men over het transpireerende lichaam bij den een of anderen hoek van een straat een ijskouden wind uit zee te voelen.
Zulke klimaatstoestanden zouden het waarschijnlijk maken, dat het leven der inboorlingen er door verkort werd; maar dat is in het geheel niet het geval. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, hier wakkere grijsaards te ontmoeten, die nog in het bezit zijn van al hun vermogens en van de betrekkelijk groote lichaamskracht, welke zij tot op zeer hoogen leeftijd behouden. De Maltezers hebben zeker aan dit klimaat, dat de zenuwen voortdurend gespannen houdt, een buitengewone bewegelijkheid te danken van gevoel en van armen en handen, waardoor zij verbazend druk gesticuleeren. Ze hebben ook heftige hartstochten. Voor handel en scheepvaart toonen ze zich intusschen zeer geschikt, en hun eiland hebben ze zeer lief; die kalkrots Malta noemen zij de bloem der wereld, "fiore del mondo."
Ik heb overal opgemerkt, dat de eilandbewoners zeer aan hun land zijn gehecht, welks natuurschoon ze met naïeve overdrijving bewonderen, zooals ze ook vol lof zijn voor wat hun soldaten en hun mannen van wetenschap praesteeren. En het is ook immers algemeen bekend, dat hoe ondankbaarder de grond is, waar iemand woont, des te meer moeite kost het hem, zich ervan te verwijderen en des te meer is hij eraan gehecht.
In de dorpen van het binnenland op Malta ondervindt het huiselijk leven nog den invloed van de oude oostersche gebruiken. De mannen hebben de geheele oostersche jaloerschheid, en de vrouwen leiden een leven van afzondering. Een oude arabische spreuk schijnt er nog in eere te worden gehouden, namelijk dat de vrouwen slechts tweemaal in haar leven in het publiek moeten verschijnen, bij haar huwelijk en bij haar dood. De schoonste lof, die haar te beurt kan vallen, is in de oogen van den Maltezer, dat er nooit over haar wordt gesproken. Te La Valette is zulk een strengheid niet op te merken; de aanhoudende aanwezigheid van vreemdelingen, die er door den handel heen worden geroepen, de invloed van het vroegere Ridderhof, de bals en de schouwburgen hebben der vrouw meer vrijheid geschonken.
Maar die vrijheid is slechts schijn, en alleen de dames der uitgaande wereld hebben er voordeel van. Tijdens mijn verblijf te La Valette wenschte ik een der vele mooie kantwerkstertjes te teekenen, die in hun fijne zijden weefsels nog het kruis der Maltezer ridders borduren, te midden van de grilligste versieringen. Ondanks alle moeite, die de heer Ribot in het werk stelde, en ofschoon hij toch al zoo lang in het land woonde, ondanks het aanbod van een hooge belooning, kon hij geen familie vinden, die bereid was, een haar vrouwelijke leden voor een schilder te laten poseeren. Het gelukte mij zelfs niet, een enkele dier kantwerksters aan het werk te zien.
Ze zijn bekoorlijk, die Maltezer vrouwen; ze schijnen van de rotsen een tint als van doorschijnend ivoor te hebben aangenomen. Meestal zijn ze niet groot en hebben fijne trekken, iets onzegbaar teêrs, en haar groote oogen hebben een zachten glans onder de faldetta. Die faldetta is een soort van zwartzijden mantel, die tot het middel reikt, om het hoofd heengaat en er in een halven kring door stijf gaas van af wordt gehouden, zoodat zij het gelaat voor zon en wind en voor onbescheiden blikken behoedt. Als in een zijden schelp met liefelijken glans rust dus het hoofd, en met de hand wordt dat omhullend kleedingstuk gracelijk vastgehouden, terwijl ze er mee kunnen manoeuvreeren juist als de mooie Spaansche met haar waaier.
Deze fijne, teêre vrouwen hebben voorbeelden van heldenmoed gegeven, waartoe men ze, op het uiterlijk afgaande, niet in staat zou hebben geacht. Bij allerlei gelegenheden hebben ze haar eiland met moed verdedigd, vooral onder het beleg door Soliman den Tweeden.
De secretaris van het fransche consulaat, dien de consul wel te mijner beschikking had willen stellen, vond er een genoegen in, mij de bezienswaardigheden en het karakteristieke van La Valette te laten zien. Hij was mij een onwaardeerbare gids, en zijn groote bereidwilligheid verloochende zich nooit een oogenblik. Altijd vond ik hem gereed, mij met zijn vrijen tijd ten dienste te wezen.
"Als u wilt," zei hij op een dag tot mij, "zullen we van avond samen naar De Barraca gaan."--De Barraca?"--"U zult het wel zien. De Barraca is een zaak, waar men hier trotsch op is, en niemand, die in La Valette is geweest, mag vertrekken zonder de beroemde Barraca te hebben leeren kennen."
Des avonds begaven wij ons naar de bovenstad, op het gebied der hooge wallen. Daar betreedt men een donkere laan, waar eenige wandelaars loopen. Wij waren aangeland onder groote bogen, toen mijn gids uitriep: "Hier zijn we er!" Ik had gedacht aan een nachtelijke excursie naar ruïnen, want de naam Barraca alleen zei zoo weinig, en ik liet mijn oog zoekend rondgaan, om brokken muur te vinden of ontmantelde vestingwerken. Maar tegen de met sterren bezaaide lucht teekende zich geen enkele vorm af.
"Nee, nee," zei mijn begeleider, "naar beneden moet u kijken, heelemaal naar beneden."
En toen, tegen een balustrade leunend, keek ik naar beneden in het ledig. In de gapende diepte, de nachtelijke geheimzinnigheid, pinkten overal lichtjes, die in de verre verte al flauwer werden. Men kon de afstanden onmogelijk met juistheid schatten; maar heel ver schenen de lichtjes zacht te verdwijnen, om zich in de sterren op te lossen. In den helderen azuren hemel raakten ze den Melkweg, die als een doorschijnend gaas tot bij het zenith aan den hemel dreef.
Toen mijn oogen langzamerhand aan het duister gewend raakten, begon de nacht mij flauw verlicht te schijnen, en de aanvankelijk niet te onderscheiden vormen teekenden zich scherper af. Beneden ons heel in de diepte kon ik de stad met de haven vóór ons uitgespreid zien liggen.
Maar het was nog meer raden dan zien in dien afgrond, waar in het bleeke maanlicht bewegelijke lichtplekken zich bij en in de haven heen en weer bewogen.
Soms gingen plotseling lichten uit, en even plotseling werden andere ontstoken, vlamden op, gingen ten halve uit, om spoedig weer op te duiken. Het waren de lichten der stad, die aan onze voeten lag, de veelkleurige seinlichten en vuurtorens in de haven, de lichten van schepen en booten, die flikkerden en beefden, nu eens nader schenen te komen, dan terugweken als vallende sterren, of aan den horizon uiteenspatten als meteoren, terwijl er ook als pijlen in de schuimende zee neervielen.
Van beneden rezen, ik weet niet van waar, groote boomen omhoog, welker donkere silhouetten zich scherp afteekenden tegen het zoo vage beeld van het nachtelijk La Valette. Toen bespeurde ik zeer dicht bij ons de donkere profielen van enkele Maltezers, die onbewegelijk als beelden op hun rots stonden; naast hen, met de band onder de kin, stijf en hoekig een paar engelsche officieren, die onbewogen schenen te blijven tegenover de met sterren bezaaide zee.
Weinig panorama's kunnen een vergelijking doorstaan met dat van de Barraca superiore. Ik heb het op alle uren van den dag en nacht gezien, en in het heldere daglicht heeft zich de indruk van den nacht verduidelijkt. Van dit hooge punt omvat men de gansche uitgestrektheid der havens, en vanaf het fort Ricasoli aan den ingang der Marsa tot aan de nieuwe haven krijgt men de enorme uitgestrektheid te aanschouwen van een nu vooruitspringende, dan terugwijkende lijn, welke aan de kust den zoom van drie afzonderlijke steden afteekent, maar die dichtbij elkaar liggen en bijna in elkander overgaan. In het midden verrijst het historisch kasteel Saint-Ange, met de vier zware, naar buiten gerichte batterijen. Hier en daar bespeurt men opeenhoopingen van huizen, reuzengroepen, die aan den eenen kant uitloopen op een langen gordel van versterkingen, de Cotonera, aan den anderen bij de groote haven.
Op grooteren afstand breidt zich het open veld uit met zijn dorpen, en de klokkenhuizen, die op groote torens gelijken. Onder de voeten van den toeschouwer, onmiddellijk beneden hen, bevinden zich de kaden, waar het altijd druk is, met rechts de huizen van La Valette, de statige paleizen uit den tijd der ridders, en de campanile's.
De indruk, dien men krijgt, is die van ver weg zich op vleugels te hebben laten dragen; zoo schijnt het over dag, en des nachts kan men niet onder woorden brengen, wat men voelt; men is als het ware heengebogen over de ijle ruimte, waarin ongekende werelden zweven. En zoo geeft dus de dorre rots van Malta nieuwe, onverwachte tooneelen te zien. Ook dingen van wonderbaar poëtischen aard had zij voor mij bewaard.
Op een avond in de schemering, toen het stadsgewoel tot rust was gekomen en een parelmoeren licht zich over de ivoren stad uitspreidde, kwam ik op de markt tegenover het paleis van den Gouverneur. Aan den horizon, dien ik aan het eind der straten onduidelijk kon waarnemen, trokken nevels op. De zee lag kleurloos en vlak als een spiegel. En toen liet zich op het eenzame plein een zeer zachte muziek hooren. Het leken de zangen, gekomen van de in nevels gehulde bergen van het Noorden, zoet en klagend; men wist niet, of zij zongen van een droevig verleden of van een hoopvolle toekomst. Muziek doet dadelijk beelden voor mijn geest verrijzen. Hier zag ik de uitgestrekte heiden der landes, zoo ver het oog reikte, onder een grijzen hemel; bergen met donkere wouden, een verlaten land, en ik voelde mij koud door een onuitsprekelijk gevoel van vereenzaming....
Het was de muziek van de pijpers, de doedelzakblazers van de Hooglanders; soldaten van dat regiment liepen op het plein heen en weer, in automatischen pas, ernstig en onverschillig. Zij droegen de kilt, het korte rokje, geruit in de kleuren der clan, de muts met wapperende veeren, de plaid in heldere kleuren, met een gesp op den rechter schouder vastgehecht, en toen ik ze daar zoo kalm en ernstig zag loopen, meende ik, dat de tonen der bekende instrumenten in hun ziel de vriendelijke herinnering wakker riepen aan hun ver vaderland, en hun intieme, innige gewaarwordingen gaf.
Het tooneel was van korten duur; zij liepen een zeker aantal malen het plein op en neer, keerden met korten zwaai om, toen ze aan het eind gekomen waren, en toen de serenade afgeloopen was, verdwenen ze. Ik bleef. De tonen, zoo klagend, die ik pas had gehoord, ruischten nog in mijn ooren, en in die op het eind loopende schemering, op dat plein, dat de Maltezers schenen te vermijden op dit uur, terwijl de muziek der veroveraars er zich liet hooren, droomde ik van de schotsche heiden, die zoo aangrijpend somber zijn, van dien laag hangenden hemel vol wolken, waar zij zich in het oneindige in voortzetten.
Thans kregen de witte straten van La Valette, straten nog lauw van de hitte van den dag, een vreemde, doorzichtige tint in die onwezenlijke schemering. Op zee was alles rustig; zij was als een bleeke afgrond, waaruit de dorre rots oprees.
Welk een roerend denkbeeld voor een volk van zaken, om elken dag op deze rots, waar zooveel bloed gevloeid heeft, die muziek te doen hooren, die aan het afwezige vaderland herinnert! Herinnering en hoop gemengd, aan de zee toevertrouwd, vóór men zich ter ruste begeeft.
La Valette is, zooals wij reeds hebben gezien, amphitheatersgewijze gebouwd op een schiereiland, dat de beide voornaamste havens van Malta van elkander scheidt. De stad heeft een treffend, zeer bijzonder aanzien.
Drie hoofdpoorten geven toegang tot de stad, de Koningspoort, de Marinepoort en de poort van Marsa-Muscet. Twintig straten loopen door de stad, acht in de lengte, twaalf in de breedte. Ze zijn geplaveid met een zeer hard gesteente, zoncol genoemd, dat wel wat op Portland gelijkt en op den romeinschen travertino.
Onder de mooiste en breedste straten van La Valette heeft men eerst de Strada Reale, die over den top gaat van het schiereiland, waar de stad op is gebouwd en dien in de geheele lengte doorsnijdt van het Sint-Elmusfort tot aan de Koningspoort, voerend naar de voorstad Floriana, Als men er door gaat, heeft men eerst het Giorgio- of Raadhuisplein, dan het Bankplein, en verder draagt de straat verschillende namen.
Enkele particuliere paleizen zijn een bezoek overwaard in La Valette, hetzij om hun architectorale beteekenis, hetzij om de historische herinneringen, die ze wekken. In het paleis van de familie Spinola woonden in 1808 de prinsen uit het Huis van Orleans. Het hôtel gaat door voor het mooiste van alle, en terecht. De bouwtrant is bekoorlijk, de versieringen zijn zeer rijk en toch niet overdadig. Het plan voor dit schoone gebouw is afkomstig van den bouwmeester Peruzzi. Het gebouw werd door een bisschop opgericht, aartsdiaken van de kathedraal; het werd door Bonaparte bewoond tijdens zijn verblijf op het eiland in 1798. Hij had er zijn hoofdkwartier gevestigd. Sinds dien hebben achtereenvolgens de engelsche generaals Stuart, Fox en Abercromby er geresideerd.
De dwarsstraten, die sterk hellen, en die dikwijls in trappen zijn veranderd, zijn evenals de andere zeer zindelijk, daar de onderaardsche afvoerbuizen voor den afloop van het water zorgen en voor dien van het vuil. De stad is zeer druk door veel beweging op straat en een levendig vervoer van goederen. De openbare gebouwen zijn regelmatig en wat koud van aanzien, opgetrokken van het maltezer gesteente, dat zeer zacht is en het nadeel bezit, spoedig te verweeren. De buitengewone witheid, doet, zooals we reeds zeiden, de weerkaatsing onaangenaam zijn. Trots die bezwaren is de steen lang een gewild uitvoerartikel geweest naar de Levant en vooral naar Smyrna.
De voorsteden van La Valette, Floriana, Burmole, Senglea en Borgo, zijn even druk als de stad. Men vindt er overal mooie gebouwen en openbare inrichtingen. Achter Senglea staat een groot gebouw, dat het huis wordt genoemd van Francisco da Cunha. Daar had de baljuw van Suffren een fabriek opgericht van katoenen stoffen, op het voorbeeld van die van Voor-Indië. Hij zou zelfs uit Mysore arbeiders hebben meegenomen, inlandsche mannen en vrouwen, om in zijn fabriek te werken. Ik weet niet, hoe het met die poging is gegaan.
II.
Malta in de oudheid als phoenicische kolonie.--Stichting van de orde der Hospitaalridders van Sint Jan te Jeruzalem, later geworden tot de orde der Maltezer Ridders.--Uit Jeruzalem verdreven, wijken ze eerst uit naar Saint Jean d'Acre, dan naar Cyprus, en nog later naar Rhodus.--Sultan Soliman verjaagt hen van Rhodus.--Karel de Vijfde geeft hun het eiland Malta in 1530.--De organisatie der Orde.--Haar lotgevallen ten tijde van de bezetting door de Franschen in 1798.--Nog altijd houdt de Orde der Maltezer Ridders zich in stand.--De schilderachtige voorstad Manderaggio.
Het eiland Malta, welks kusten door een menigte van kreken, baaien en golven ingesneden zijn, zou het oude, door Homerus bezongen Ogygia zijn. Daar werd Ulysses, na door den storm aan land geworpen te zijn, zeven jaren lang in zijn betooverde grot door de nymf Calypso vastgehouden. Er wordt nog een naar de nymf genoemde grot aangewezen, en het heet, dat het de grot was die zij bewoonde. Al zeer vroeg werd Malta door de Phoeniciërs gekolonizeerd, die te Krendi en op andere plaatsen van het eiland bouwwerken oprichtten, waarvan nog ruïnen over zijn.
De kolonie, die de Phoeniciërs op Malta stichtten, was een van hun meest welvarende stichtingen; spoedig werd ze beroemd om haar handel, haar rijkdom en de pracht harer tempels. Daar werden, evenals in Phoenicië aangebeden de goden Mytharas, Isis en Osiris. Twee tempels vooral waren beroemd, die van Juno of Isis en die van den Tyrischen Hercules, door de Grieken Alexicacos genoemd, dien de volken uit het Oosten op dit eiland kwamen aanbidden.
Men kan in het Museum van La Valette verscheiden punische gedenkpenningen zien. Onder de voorwerpen van dezelfde herkomst waren vroeger twee prachtige marmeren kandelabers met een phoenicisch en een grieksch opschrift. Een van die kandelabers werd door den Grootmeester Rohan aan Lodewijk den Zestienden ten geschenke gegeven. Het Journal de Trévoux, dat in 1786 van die beide voorwerpen gewag maakt, noemt ze zeer zeldzame en schoone kunstwerken, schatten, die de oudheid ons heeft nagelaten. Ziehier de vertaling van het opschrift, dat ze droegen.
"Abdassar en Asseremor, zoon van Asseremor, zoon van Abdassar, hebben de gelofte afgelegd voor onzen Heer Melkart, beschermheilige van Tyrus; moge hij hen beschermen op hun onzekeren weg. Denys en Serapion uit de stad Tyrus, beiden zonen van Serapion, voor Hercules bijgenaamd Archegetes."
Dit opschrift leert ons, dat de Hercules, die op Malta werd aangebeden, er ook wel Archegetes werd genoemd, dat hoofd of leider beteekent, en Melkarthos of Melkart, dat is "machtig koning."
In het jaar 736 v.C. werden de Phoeniciërs van het eiland verdreven door de van Sicilië gekomen Grieken. Dezen gaven aan het eiland den naam van Melita. Zou die naam Melita de bedoeling hebben gehad, te herinneren aan den uitstekenden honig, welke op Malta werd ingezameld, of is hij geschonken ter eere van de nymf Melita, dochter van Doris en Nereus? Het is onbekend.
Toen de Karthagers op Malta de plaats der Grieken innamen, en de Romeinen op hun beurt de Karthagers hadden verdreven, werd Malta een zelfstandige kolonie, en onder romeinsch bestuur behielden de Maltezers hun wetten en vrijheden.
In de negende eeuw van onze jaartelling kwam het eiland in de handen der Arabieren en werd de opslagplaats van hun handelsgoederen en schuilplaats voor hun vloten. Omstreeks het jaar 1190 werd het land veroverd door den Noorman Roger, en van dien tijd af deelde het eiland in de lotgevallen van Sicilië, tot op het oogenblik dat de Ridders van Sint Jan er zich kwamen vestigen.
De orde dier vermaarde ridders was gedurende de meer dan twee eeuwen durende souvereiniteit, die zij over het eiland uitoefende, een weldaad voor de bevolking. Zij bracht het land tot bloei en tot roem, terwijl ze voor geheel Europa van groote beteekenis was door den verwoeden oorlog, dien zij voerde tegen de barbarijsche zeeroovers en door de bescherming, die ze aan den zeehandel der christelijke staten bood. Het is wel de moeite waard een overzicht te geven van haar geschiedenis en van haar werk.
De orde der Hospitaalridders van Sint Jan van Jeruzalem, die later, zooals wij in het vervolg zullen zien, de Orde der Ridders van Malta werd, was gesticht door den Franschman Reymond du Puis tegen het eind der elfde eeuw met het doel, behoeftige pelgrims, die zich naar de heilige plaatsen begaven, te helpen en hun een onderkomen te bezorgen. De orde liet gewapende mannen de bedevaartgangers begeleiden en zorgde, dat de laatsten beschermd werden tegen de mohammedaansche benden, die het land afliepen. Zoo werden de ridders ertoe gebracht, hun organisatie tegelijk een militair en een godsdienstig karakter te geven.
In de twaalfde eeuw wijdde paus Paschalis de Tweede de orde bij kanoniek besluit in en gaf hun de roode banier met het witte kruis. Door de christelijke wereld ruim van geld voorzien, voerden de Broeders van Sint Jan voortaan den strijd tegen de ongeloovige Mohammedanen. Maar de overwinningen van Saladin verjoegen hen uit Jeruzalem. Zij verschansten zich in Saint-Jean d'Acre, daarna op Cyprus en eindelijk op Rhodus, waar ze zich twee eeuwen lang handhaafden tegen de onvermoeide pogingen der Turken, en waar ze den naam van Ridders van Rhodus aannemen.
Doch Soliman kwam aan de spits van een leger van 200.000 soldaten en sloot het fort in, dat door nauwelijks 600 ridders en 4000 man werd verdedigd. Na wonderen van dapperheid te hebben verricht, capituleerde de stad, wier hulpmiddelen uitgeput waren, in 1522. Des nachts verlieten de Grootmeester en de Ridders Rhodus in volslagen wanorde. Het was een bedroevende exodus van heldhaftige krijgers, vluchtend uit een land, dat twee eeuwen lang door hun roem bestraald was geworden. Toen de zieken, de kinderen en de vrouwen in de schepen in veiligheid waren gebracht, begaven ook de mannen zich scheep. Villiers de l'Isle Adam, de Grootmeester, scheepte zich het laatst in. De vloot, bestaande uit vijftig schepen, galeien, galjoten, brigantijnen, feloeken en het groote schip, waar zich de Grootmeester, de Commandeurs en de Ridders op bevonden, trok weg. Zoo werden al de goederen der Orde mee aan de zee toevertrouwd.
En zie, alsof de woede der elementen zich wilde paren aan de woede van de vijanden, dreef een storm in den Griekschen Archipel de vloot uiteen, die zooveel kostbaars herbergde. Maar volgens een dikwijls waargenomen verschijnsel, dat zoowel in het leven der volken als in dat der enkele menschen optreedt, kwam in den tijd van den hoogsten nood een onverwachte lichtstraal den schijnbaar hopeloozen toestand verhelderen. De verstrooide vloot kon zich weer aaneensluiten; de ontredderde schepen vonden een haven, en in goeden staat teruggebracht, konden ze weer zee kiezen en hun zwerftocht vervolgen.
... Op een lentedag verscheen vóór Messina een vaartuig, welks onbekende vlag in het licht schitterde. Het was een schip van kolossale afmetingen, en van den mast wapperde een banier met het beeld der Heilige Maagd, die in haar armen den gekruisigden Heer droeg. Er omheen stond het opschrift: "Afflictis spes unica rebus". Dat was als een verschijning van leed en ongeluk, een beeld van het uitgestooten geloof, dat eindelijk hulp kwam vragen in een christelijk land.
Het groote schip, de koningin der zeeën, zooals de Sarracenen het noemden toen het nog aan hen behoorde, was een vaartuig, dat om zijn afmetingen iets legendarisch had gekregen. Er werd verteld, dat de top van de hoogste masten der grootste galeien nog niet tot de hoogte van zijn voorsteven reikte. Zes menschen konden nauwelijks den grootsten mast omspannen. Het schip had zeven verdiepingen, waarvan twee onder de waterlijn. Buiten de lading en de bemanning kon het duizend soldaten bergen, en honderd kanonnen bewapenden de drijvende vesting.
Van Messina gingen L'Isle Adam en de zijnen naar Viterbo in den Kerkelijken Staat. Daar bleven ze, tot Karel de Vijfde hun het eiland Malta tot residentie schonk. De acte van schenking werd te Castelfranco, bij Bologna, opgesteld in 1530. Er werd in gezegd, dat de keizer in zijn hoedanigheid van koning van Sicilië aan de Orde van Jeruzalem de eilanden, kasteelen en dorpen Malta, Gozzo, Commino en West-Tripoli afstond met alle souvereiniteitsrechten. De schenking geschiedde op de volgende voorwaarden: Ten eerste zou de Orde jaarlijks een valk leveren aan den koning van Sicilië; ten tweede zou de bisschop van Malta altijd door den koning worden benoemd; ten derde zou de admiraal der Orde altijd een Italiaan wezen, en ten vierde zouden de inwoners van Malta en de overige eilanden hun rechten en privileges behouden.
Toen Karel de Vijfde het eiland Malta aan de Ridders van Sint Jan van Jeruzalem gaf, zond de Raad der Orde, vóór hij de gift aanvaardde, acht ridder-commissarissen er heen, om er den staat van zaken op te nemen en te onderzoeken, of het eiland geschikt was voor den zetel der Orde en voor haar bedoelingen. Ziehier de voornaamste punten uit het rapport der afgevaardigden. Het resultaat was niet zeer hoopvol:
"Het eiland is buitengewoon dor, ontbloot van alle bosch, en het hout, dat er gebrand wordt, moet van Sicilië worden aangebracht. De inwoners maken, om hun ovens te stoken gebruik van een soort van doornige distels, die ze op de onvruchtbaarste plaatsen inzamelen. Zij gebruiken ook wel voor het koken van hun zeer eenvoudig potje den mest der ezels en runderen, die ze in de zon laten drogen, welker stralen zoo krachtig door de rotsen worden weerkaatst, dat de hitte in den zomer sterk genoeg is, om die stoffen zoo droog te maken, dat ze als brandstof bruikbaar zijn.
"Het eiland is vrij goed bevolkt. De inwoners zijn gevestigd in verspreide en open liggende dorpen. Hun taal is de moorsche, en ze leven in uiterst bekrompen omstandigheden. Het koren, dat ze verbouwen kan hen niet langer voeden dan voor een derde van het jaar, en voor de rest moeten zij het van Sicilië laten komen. Het bedoelde eiland is daarbij onophoudelijk blootgesteld aan de rooftochten der ongeloovige zeeroovers, die, zonder eenige vrees te toonen voor het kasteel, vrij in de havens binnenvaren en zeer dikwijls een groot aantal arme Maltezers in ballingschap meevoeren."
Toen de commissarissen van hun zending en hun rapport bij den Grootmeester en den Raad rekenschap moesten komen afleggen, antwoordden zij nog, dat het verblijf op Malta zeer onaangenaam was, ja in den zomer zoo goed als ondragelijk; maar dat zij bij de gebleken moeilijkheid, om een betere plaats ter vestiging te erlangen, toch van oordeel waren, dat men de gift van den keizer moest aanvaarden. De Grootmeester gaf aan dien wenk gehoor en nam het geschenk aan.
De Grootmeester nam bezit van Malta op 26 October 1530. Hem vergezelden de voornaamste officieren der Orde en een groot aantal grieksche en rhodische familiën, die de Ridders gevolgd waren en zich met hen op Malta vestigden. Van dien tijd af zijn de ridders bekend geworden onder den naam van Maltezer Ridders.
Uit het boven aangehaalde rapport blijkt, dat het lot der Maltezers in dien tijd zeer onzeker was, daar ze zich in het geheel niet verdedigen konden tegen de invallen der barbarijsche zeeroovers. Steeds hing hun het gevaar boven het hoofd, dat hun huizen werden vernield en dat ze zelf in slavernij werden weggevoerd. De opperheerschappij der Orde beschermde hen onmiddellijk tegen die steeds dreigende gevaren, want de eerste zorg van den Grootmeester was, het fort Saint-Ange te laten herstellen, en La Sangle te versterken, om de galeienhaven te beschermen. Een nieuw fort, het Sint-Elmusfort, werd op het schiereiland opgericht, daar waar zich in het vervolg de stad La Valette verhief; het beschutte tegen een overval de beide voornaamste havens, die door het schiereiland werden gescheiden.
De Ridders van Sint Jan van Jeruzalem brachten, door op Malta den zetel van hun bestuur te vestigen, er een aanzienlijke geldswaarde in omloop. Zij beliep zelfs een minimum van vier millioen francs, wat een enorme som was voor dien tijd. Men rekent daar dan ook onder de uitgaven van de vele leden der Orde, die geregeld in grooten getale het eiland bewoonden.
De welstand nam te meer toe, daar de bewoners geen enkele directe belasting betaalden, en alleen aan vrij matige douanerechten waren onderworpen.
Men zal begrijpen, hoe groote voorrechten de Maltezers genoten onder het bestuur der Ridders, als men hun lot vergelijkt met dat der Sicilianen in dien tijd. Die laatsten waren, ofschoon ze een buitengewoon vruchtbaar land bewoonden, tot de diepste armoede gebracht door de zorgeloosheid en het despotisme hunner regeering. Op Malta daarentegen was de op zich zelf dorre grond vruchtbaar gemaakt door zorg en inspanning. Het eiland werd overdekt met een groot aantal kleine stadjes en ten gevolge van de veiligheid, die door de nieuwe regeering werd gewaarborgd, nam de bevolking van Malta en Gozzo, die in den aanvang van het bestuur der Ridders slechts 25.000 inwoners bedroeg, zoo toe, dat men er weldra meer dan 100.000 telde, terwijl Sicilië met zijn vruchtbaren grond niet anders te zien gaf dan tooneelen van ellende en een betrekkelijk veel kleiner aantal inwoners.
L'Isle Adam hield zich, nadat hij de verschillende punten van het eiland, waar de vijand een verrassing kon beproeven, had versterkt, ook bezig met de versterking van de vloot der Orde.
Alle inspanning had ten doel de bescherming van den handel der christelijke naties, die voortdurend werd bedreigd door de zeeroovers. Na zeer korten tijd werd de vlag der Ridderorde gevreesd door de zeeschuimers van de Middellandsche Zee.
Het komt mij wel belangwekkend voor, in het kort samen te vatten hoe de Maltezer Orde was georganiseerd, zij, aan wie de volken van Europa zoo langen tijd de veiligheid van hun handel op de Middellandsche Zee te danken hadden. De Hospitaalridders waren, voor zoo ver ze godsdienstige ridders waren, verdeeld in drie volkomen van elkander verschillende klassen; geboorte, rang en functies liepen uiteen.
De eerste klasse bestond uit de Ridders van het recht, die dezen eeretitel droegen op grond van hun edele afkomst. Alleen zij konden het brengen tot de waardigheid van Baljuw, tot die van Prior, Grootkruis geheeten, en tot die van Grootmeester. Later werden ook de Ridders der Genade ertoe gerekend, die, van een adellijken vader en niet adellijke moeder afkomstig, dispensatie van den paus noodig hadden, om tot die waardigheden te worden toegelaten. Een bepaling van de statuten hield in, dat zij, wier vader of die zelf den een of anderen handel hadden gedreven, die bankiers of wisselagenten, boekhouders of boeren waren geweest, die een winkel of magazijn hadden gehad, ook al waren zij van edelen bloede, nooit tot broeders-ridder konden worden toegelaten.
De tweede klasse omvatte de dienstdoende geestelijken in de kerken van Sint Jan, die aalmoezeniers konden worden op de schepen of galeien.
Een derde klasse omvatte de broeders-zieleherders, leden der Orde, die, zonder broeders of ridders te zijn, onder de bevelen der ridders dienden in den oorlog of in de hospitalen.
Daarna kwamen, niet de minst belangrijke, de priesters en dienstdoende broeders in de lagere ambten van klooster en hospitaal. En eindelijk had men nog de dames religieuses van de Maltezer Orde, wier kloosters in Frankrijk, Italië en Spanje waren gevestigd. Er werden voor hare toelating dezelfde eischen van adeldom gesteld als voor de Ridders.
De orde van Sint Jan van Jeruzalem was gesticht in denzelfden geest en naar hetzelfde model als de oude ridderschap. In het begin nam men enkel leden aan te Jeruzalem of ten minste op gewijden grond. Altijd werd als hoofdeisch voor de toelating gesteld, dat men authentieke bewijzen moest kunnen bijbrengen voor adellijke afkomst. Allen moesten adellijke krijgers tot voorvaderen hebben gehad. Later had men behoefte aan aanvulling der gelederen, die gedund waren in de oorlogen tegen de ongeloovigen, en de Hooge Raden der Orde stonden toe, dat na het onderzoek van de titels van adeldom men als nieuwelingen leden mocht opnemen uit de groote priorkloosters van Europa.
In het jaar 1355, waarin de oudste registers beginnen van de fransche grootprioraten, nam men enkel edellieden aan, wier namen en geslachten in hun provincie bekend en beroemd waren. En die gestrengheid werd niet alleen volgehouden, maar werd nog verscherpt, toen soms lieden van ouden adel rijke niet-adellijken huwden. Van dien tijd af werd een proces-verbaal gevorderd, dat de legimitatie en de afkomst van den candidaat boven allen twijfel stelde. Buitendien moest dit proces-verbaal formeel bewijzen, dat zijn ouders, grootouders, overgrootouders, tot meer dan een eeuw in de geschiedenis terug, edellieden waren geweest.
Drie bewijzen werden gevorderd, door getuigen, door brieven, door plaatselijke en geheime inlichtingen.
Het eerste vereischte het getuigenis van vier adellijke getuigen. De commissarissen, die meestal oud-commandeurs waren, deden hen, vóór ze werden gehoord, een plechtigen eed zweren. Het tweede bewijs bestond in een nauwkeurig onderzoek van de titels en aanspraken, door den candidaat ingeleverd. Om het derde bewijs te erlangen, waren de commissarissen genoodzaakt, zich te begeven naar de geboorteplaats van den candidaat, daar een zeer bescheiden, maar niettemin zeer nauwkeurig onderzoek in te stellen, en wel niet alleen waar de candidaat zelf was geboren, maar ook op de plaats, van waar de familie afkomstig was.
Waren zij in het bezit van al die bewijzen, dan maakten de commissarissen een proces-verbaal op, dat naar den Grootmeester op Malta werd gezonden, die, na den Raad der Orde te hebben gehoord, het godsdienstig gewaad aan den aanvrager liet uitreiken.
Men ziet dus, met hoe groote zorg de nieuwelingen onder de Ridders werden opgenomen, ten einde toch maar in die godsdienstige militie een hoogen en volkomen authentieken adel te behouden.
Als er niets mankeerde aan de bewijzen ten gunste van een candidaat, kon hij worden aangenomen op drie tijden of op drie verschillende leeftijden. Hij trad als mondig lid tot de Orde toe op zestienjarigen leeftijd, ofschoon hij zich eerst op 21-jarigen leeftijd naar Malta behoefde te begeven; hij betaalde als intreêgeld ongeveer 260 gouden kronen. De aangenomen candidaat kon ook als page van den Grootmeester al op twaalfjarigen leeftijd toetreden en mocht dat blijven tot zijn vijftiende jaar. En eindelijk, in de laatste jaren van het bestaan der Orde maakte men ook minderjarigen tot lid, namelijk kinderen in de wieg.
De Ridders, die in het Kapittel waren opgenomen, nadat ze de bewijzen van ouden adel hadden geleverd, welke wij hebben opgenoemd, huwden niet en kregen eerst stem in het Kapittel, als ze hun "karavaantocht" hadden meegemaakt, dat is, als ze aan de gewapende expedities hadden deelgenomen.
De Orde, die bestond uit Ridders van wel acht verschillende volken, werd verdeeld in acht "Tongen", namelijk Provence, Auvergne, Frankrijk, Italië, Castilië, Aragon, Engeland en Duitschland.
De "tong" Italië was bijzonder streng in de toelating, want ze eischte van elk der candidaten tweehonderd jaren van erkenden adel voor elk der vier kwartieren, terwijl die vier kwartieren reeds een onmisbare voorwaarde waren voor de toelating. Overeenkomstige eischen werden in de afdeelingen Aragon en Castilië gesteld. Maar er was op Malta geen volk, waarvoor de bewijzen nauwkeuriger werden onderzocht dan voor Duitschland.
De Ridders waren bijzonder gevoelig op het punt van eer, en tweegevechten kwamen veelvuldig te La Valette voor. Die duels waren echter aan zekere beperkingen gebonden. Zoo moesten de tegenstanders, wilden zij niet de zwaarste straffen over zich zien gebracht, den degen in de schede steken, onmiddellijk als een vrouw, een priester of een ridder het hun beval. Men zou geneigd zijn te denken, dat de duels in zulke omstandigheden zelden bloedig zouden zijn. Dat is echter een dwaling. Wanneer een Ridder in een duel was gedood, werd er altijd een kruis geteekend op den muur tegenover de plaats, waar hij gevallen was. Er waren veel van die kruisen te zien in de straten van La Valette.
Twee Ridders kregen eens twist bij het biljartspel. Een van hen, die den ander reeds veel beleedigingen had toegeslingerd, vergat zich ten slotte zoozeer, dat hij tot handtastelijkheden overging en den tegenstander sloeg. Daarna weigerde hij zijn verontschuldigingen aan te bieden of den degen te kruisen. Dat was een schandaal voor het geheele eiland Malta, waar geen voorbeeld bekend was van een dergelijke lafheid. De op zoo grove wijze beleedigde officier riep herhaalde malen zijn tegenstander op en liet hem telkens den tijd, na te denken over de gevolgen van een weigering. Maar alles was vergeefsch; de beleediger bleef zich onttrekken aan de gevolgen zijner daad.
Hij werd veroordeeld, gedurende vijf-en-veertig achtereenvolgende dagen boete te doen in de kathedraal van Sint Jan, daarna vijf jaren in een gevangenis door te brengen en zijn leven in gevangenschap in een fort te besluiten. Naar men meent is door geen maatregel van genade dit strenge vonnis verzacht.
De Orde was, zooals wij boven hebben gezien, verdeeld in "Tongen", en aan elk van die was een paleis toegewezen voor haar vergaderingen. De Ridders gebruikten er hun maaltijden; vandaar dat die paleizen wel herbergen werden genoemd. Die acht "herbergen" bestaan nog onder dezelfde namen van vroeger, dus herbergen van Provence, van Auvergne, van Frankrijk, van Italië, van Aragon, van Duitschland, van Castilië en van Engeland.
Frankrijk had drie herbergen. Daaruit kwamen de meeste Grootmeesters der Orde voort; zij leverde de meeste ridders en droeg het meeste bij tot den roem en de grootheid der Orde. Door een zonderlingen loop van zaken, die onverklaarbaar moet heeten, was het voor Frankrijk weggelegd, de grootsche instelling op Malta te vernietigen, welke het eeuwenlang toch zoo krachtig had gesteund.
Toen het leger, dat Bonaparte naar Egypte bracht, in 1798 Malta voorbijging, bezat de Orde ondanks den achteruitgang in haar financiën er toch nog een voorraad van 1500 kanonnen, mortieren en houwitsers, 35.000 geweren, 12.000 vaten kruit, twee schepen van groote afmetingen, een fregat, drie galeien enz. Het personeel bestond uit een effectief van 17.000 man, onder wie 332 Ridders. Die hulpbronnen, die toch werkelijk niet te versmaden waren, werden ongebruikt gelaten door den Grootmeester; hij liet, zonder weerstand te bieden, Bonaparte zich van La Valette meester maken en ook van de oude stad. Den 13den Juni werd er een overeenkomst gesloten, waarbij de heerschappij over Malta en onderhoorigheden overging aan de Fransche Republiek. Die verovering van Malta door de Franschen maakte een einde aan het politiek bestaan der Ridders van St. Jan.
De ontruiming van het eiland door den Grootmeester en de Ridders berokkende den bewoners onberekenbare verliezen. Vooreerst was de Grootmeester hun schuldenaar voor ongeveer een millioen francs, en de op Malta wonende Ridders ten getale van meer dan 600, lieten aanmerkelijke schulden na. Aan den anderen kant waren vele familiën, waarvan de leden ambten op het eiland bekleedden, geruïneerd.
De verplichting, die hun werd opgelegd, om officieren te herbergen, werd als een zeer hinderlijke maatregel beschouwd. De zeden der Maltezers werden gekrenkt door het feit, dat de menschen vreemdelingen tot hun huiselijken kring moesten toelaten. Eindelijk werkte ook de belasting, die er moest worden opgebracht, om in de onkosten van de kazerneering der soldaten te voorzien, de ontevredenheid in de hand. Deze openbaarde zich in heviger mate te La Valette dan op het platteland.
Zoodra het eiland onder fransch bestuur was gekomen, werd het door Sicilië op den index geplaatst, en dat eiland weigerde den toegang tot zijn havens aan de verschillende maltezer schepen, die er zich van levensmiddelen kwamen voorzien. De verschijning van enkele engelsche fregatten in de wateren van Malta, kort na de bezetting door de Franschen, belette het uitgaan der koopvaardijschepen, geladen met katoen voor Spanje uit de haven van La Valette. Daar zoo de katoenhandel geknakt was, waren de vrouwen, die over het algemeen geen andere hulpmiddelen hadden dan het spinnen, tot den bedelstaf gebracht.
Alles scheen buitendien samen te werken, om de Maltezers ontevreden te stemmen. Men had het grootste gedeelte van het zilver, dat zich in de schatkist van de oude stad bevond, weggehaald, om er geld van te munten. De kloosters, behoorende tot dezelfde Orde, moesten tot een enkel worden vereenigd, en de acten van den Burgerlijken Stand moesten in orde worden gemaakt als in Frankrijk. Velen meenden daaruit te moeten opmaken, dat de doop was afgeschaft en dat voortaan het huwelijk als sacrament opgehouden had te bestaan, enz. enz.
Al die verschillende redenen van ontevredenheid, gevoegd bij de vooroordeelen, die men in den geest der Maltezers had doen ontstaan in zake de Fransche Revolutie, hadden het terrein uitstekend voorbereid voor den opstand, welke plotseling uitbrak tegen de fransche overheersching. De aanhangers van het hof van Napels en de Engelschen waren er mogelijk niet geheel vreemd aan....
Waarschijnlijk zal men met verbazing vernemen, dat de Orde der Maltezer Ridders nog bestaat. Evenals vroeger is zij in "Tongen" verdeeld, dat wil zeggen in verschillende nationaliteiten. Men heeft de italiaansche afdeeling, die tegenwoordig omvat het Groot-Prioraat van Rome, het lombardisch-venetiaansch Groot-Prioraat en dat der Beide Siciliën, dan de duitsche afdeeling, die het boheemsche Groot-Prioraat bezit en de spaansche afdeeling. Buiten die vier "Tongen" vormen takken der Orde geregelde genootschappen, dat der rijnsch-westfaalsche Ridders, dat der silezische Ridders, dat der engelsche Ridders en dat der fransche Ridders.
De Orde is vaak door de europeesche mogendheden erkend. Zij is diplomatiek vertegenwoordigd geweest op het Weener Congres in 1813 door twee gemachtigden, verder op het congres van Aken in 1818 en eindelijk op het congres van Verona in 1822.
In 1844 stelde de hertog de Broglie voor, de Orde af te vaardigen als gemachtigde van alle beschaafde volken naar een internationale conferentie tot afschaffing der slavernij in Afrika. Bij de nog niet lang geleden gehouden Conferentie van Genève werd de Orde van Malta officiëel opgeroepen, en zij nam door haar afgevaardigde aan de debatten deel, waaruit de beroemde Conventie van het Roode Kruis voortvloeide.
De heer L. de la Brière heeft een zeer belangrijk werk uitgegeven over de Orde der Maltezer Ridders. Ik heb er de gegevens aan ontleend, die ik hier heb gebruikt.
De Orde is erkend door den Pauselijken Stoel; ze heeft een officiëelen gezant op het Vaticaan, die er aan alle plechtigheden deelneemt. "De katholieke mogendheden", zegt de heer de la Brière, "houden de Orde in eere, al zijn ze nog niet tot een diplomatieke uitwisseling van vertegenwoordigers overgegaan. De uniform van Malta wordt altijd aan de hoven van Europa met onderscheiding behandeld, en alle vorsten dragen in persoon de eereteekenen der Orde."
De schrijver verhaalt een zeer belangwekkend feit, waarvan de graaf Chandon de Briailles de held was. Tijdens den fransch-duitschen oorlog onderhield de graaf te Epernay op zijn eigen kosten een ambulance van zeshonderd bedden. De Duitschers maakten zich van de stad en van de ambulance meester. De graaf de Briailles wordt verwijderd, bijna uit het bezit gestooten van zijn eigen ambulance. Daar komt hij op het denkbeeld, zijn costuum van Maltezer Ridder aan te trekken en zoo te midden van zijn zieken te verschijnen; dadelijk bewijzen de Duitschers hem alle eer, groeten hem beleefd, laten hem vrij, om zijn liefdadig werk te vervolgen, en toonen voor zijn persoon den grootsten eerbied. Dus is het Maltezer kruis het voorwerp van algemeene vereering.
De Orde bezit ondanks de beroovingen, waaraan zij dikwijls heeft blootgestaan, nog haar plaatselijke inkomsten, vooral in Boheme, Tyrol en Italië. Het zijn schenkingen, die voor hun geheele leven aan enkele leden der Orde zijn gedaan. De begiftigden deden echter afstand van hun eigendom, om zich aan werken van liefdadigheid te wijden. Te Rome heeft de Orde in de deftigste wijk, in de Condottistraat, een groot paleis, waar de Grootmeester en de kanselarij wonen; op den Aventijn bezit ze een kerk en een klooster van Maria met een villa en uitgestrekte tuinen.
In Italië, Oostenrijk en Boheme bezit de Orde een honderdtal Commandementen, o.a. te Pérouse, Ferentino, Osimo, Viterbo, Orvieto, Pontecorvo, Parma, Sorrento, Beneventum, Palermo, Reggio, Weenen en Brünn.
De Orde werkt op hospitaalgebied, dat haar oorspronkelijk terrein was. Ze heeft haar hospitalen in Europa en in het Heilige Land; ze houdt haar oorlogsambulances in goeden staat, dat ze dadelijk in functie kunnen treden, evenals de treinen voor de ambulances. Haar leden hebben vooral in Westfalen en Silezië de hulp aan de gewonden op het slagveld in hun handen gecentraliseerd, en bezitten er een machtige organisatie.
De tegenwoordige staat der Orde omvat twee soorten van leden, die scherp onderscheiden categorieën vormen.
De eersten, de Broeders, in de Orde Ridders van het Recht genoemd, zijn zij die, na hun bewijzen te hebben geleverd, dus na door authentieke stukken hun acht kwartieren van adeldom te hebben bewezen zonder een enkele mésalliance, toegelaten zijn met een noviciaat van tien jaren, en die de kloostergelofte in den traditioneelen vorm hebben afgelegd met het oude ceremoniëel. Zij blijven in de wereld leven, maar zijn streng gehouden aan het godsdienstig celibaat. Er zijn van die broeders tien in geheel Europa.
De leden van de tweede categorie, of leden van eer en devotie, zijn veel talrijker, hun aantal bedraagt meer dan duizend. Zij leggen geen enkele gelofte af en behouden den adellijken titel hunner geboorte.
Bij uitzondering kan de Grootmeester vanwege belangrijke diensten, aan de Orde bewezen, onder den naam van Ridders der Genade, enkele begunstigde leden toelaten, van wie geen bewijzen worden gevorderd. Zoo iemand was de beroemde kardinaal Berryer, was ook kardinaal Lavigerie en dan ook het Academielid Michaud, die de geschiedenis der kruistochten schreef.
In Frankrijk heeft men alleen Ridders van eer en devotie, en dat aantal is nog vrij gering. Op den uitdrukkelijken wensch van den Grootmeester en op initiatief van baron de Montaignac hebben die Ridders zich vereenigd tot een genootschap van liefdadigheid, zooals dat ook reeds hadden gedaan de Maltezer Ridders van sommige andere landen. Wijlen de hertog de Sabran en wijlen de hertog de Mortemart zijn successievelijk voorzitter geweest van de groep der fransche ridders, wier hoofd op dit oogenblik de graaf de Rohan-Chabot is. Twee fransche geestelijken behooren ook tot het genootschap, de abt Pascal, kapelaan, en de abt Gonon, pastoor van Sint Jan van Malta, te Aix in Provence.
Elk jaar houdt het Genootschap een vergadering, waar over de werkzaamheden beraadslaagd wordt en waarbij door den kapelaan een mis wordt voorgediend voor de overleden broeders in de kapel van de basiliek van Montmartre, die aan Johannes den Dooper is gewijd. Aan het slot van dien dienst vereenigen de Maltezer Ridders zich gewoonlijk aan een vriendschappelijken maaltijd.
Te Parijs hebben ze het Sint-Janshospitaal met consultatiekamer, een huis op de hellingen van Montmartre in de schaduw van de kerk van het Heilige Hart; er is niets schitterends aan, en men ziet er enkel een vriendelijke villa, die vroolijk en eenvoudig in het groen is gelegen. Bij de algemeene armenzorg van Montmartre is een deel van het werk aan de Ridders opgedragen, en verscheiden keeren roept op den heuvel van het Heilige Hart het hospitaal van Sint Jan onder de troepen hongerigen diegenen tot zich, die het meest te beklagen zijn, om ze te troosten, te helpen en hun wonden en kwalen te genezen.
Het witte kruis met de acht punten is op de poorten aangebracht en ook op de meubels in de consultatiekamer. Een der ridders, graaf Gaston Chandon de Briailles, houdt persoonlijk toezicht op het werk en geeft zijn krachten en zijn hart aan de zaak.
Een ander lid van de Orde, tevens medicus, doet het geneeskundig en chirurgisch werk, graaf Churchill. Nadat hij in de Orde van Malta was opgenomen, en nadat de gewone jaren der academische studiën voor hem voorbij waren, heeft deze met ambitie naar het goede strevende man zich met allen ernst op de studie toegelegd en heeft den graad van doctor in de medicijnen verworven, alleen met het doel, zich volgens de wet aan de zorg voor de armen te mogen wijden in den geest der Orde.
Er was op Malta zelf ook altijd voor de Ridders werk in overvloed, want in de aardige stad La Valette met haar interessante herinneringen kent men donkere en ellendig armoedige straatjes. Bij een wandeling met den secretaris van het fransche consulaat kwamen we toevallig onverwachts in de wijk Manderaggio, het treurigste hoekje op Malta.
Uit de zindelijke en lichte straten waren we plotseling zonder overgang in een wirwar van steegjes verzeild geraakt, smalle nauwe doorgangen tusschen hemelhooge huizen, alle oud en vervallen. Het was als een doolhof en telkens liepen we stomp en moesten omkeeren, om ons eindelijk weer bij het begin terug te vinden.
Bogen hangen hier en daar over de straatjes heen en geven, naar het schijnt, stevigheid aan de oude muren, die vol spleten zitten, afgeschilferd zijn en waar door vuile buizen onwelriekend vocht stroomt. De bodem wordt gevormd door groote, platte steenen, die glibberig zijn door vuil, kleverig vocht. Overal ligt afval te verrotten en vergiftigt de lucht, terwijl keukengeuren uit de donkere holen opstijgen en door hun scherpte den voorbijganger de keel als toeschroeven.
Wie echter veel houdt van schilderachtige dingen, niet al te hevig gehinderd wordt door onaangename geuren, kan met de levendigste belangstelling een wandeling doen door Manderaggio. De bevolking, die in die ongenoemde steegjes woont, in dien wirwar van zonderlinge huizen, biedt veel belangwekkends aan. Nu en dan valt er een vreemd en grillig licht op groepjes kinderen, die er, o wonder, frisch en gezond uitzien op dien mesthoop; zij zingen en spelen, en de huisvrouwen gaan heen en weer op onbezorgde en vroolijke manier, maken groenten klaar, bereiden visch, en onder het knetteren van het bakken mengt zich gelach en vroolijk geroep, maar ook het geklok van het vuile water, dat van de bovenverdiepingen haastig door de afvoerbuizen naar beneden loopt.
In Manderaggio ziet men in de donkere gangen van de zoo oude huizen en het weerzinwekkende vuil van eindelooze ellende het intense leven even goed of beter dan in de rijke wijken van La Valette.
Die armoedige bevolking is overigens vol eerbied en hulpvaardigheid voor den vreemdeling, die zich onder haar waagt. Het kwam mij zelfs voor, dat ik er oneindig veiliger was dan in de straten van Palermo en Grenada, of, om kort te gaan, in alle groote steden van Spanje en Italië, waar men ook die groote tegenstellingen aantreft van rijkdom en armoede.
Ik wil daarmee niet zeggen dat het onveilig zou zijn, in die steden bij dag door de volkswijken te gaan, maar men krijgt toch een gevoel, of men op zijn hoede moet wezen. Te Palermo bij voorbeeld zal men, als men met aandacht een of ander belangwekkend type bekijkt, al gauw aangezien worden op een manier, die u uw schreden doet verhaasten, zonder dat men lust krijgt zich er langer op te houden. Hier ondervond ik niets dergelijks. Men beweegt zich overal zonder eenig gevaar.
III.
De monumenten van La Valette.--De Sint Jans-kathedraal en haar achttien kapellen met de graven der Grootmeesters.--Geschiedenis der voornaamste Grootmeesters.--Het verlies van de schatten uit de Sint Janskerk.--Het paleis der Grootmeesters.--De bibliotheek.--Het Paleis van Justitie, de oude herberg van Frankrijk.--Het arsenaal.--Een met beenderen behangen zaal in een hospitaal.--De kerkhoven.--Bezoek aan Città Vecchia, de oude hoofdstad van Malta.--Aanzien van het land.--De Sint Paulsgrot.--De Maltezers en de engelsche overheersching.
De groote Sint Janskerk der Ridders, waar alle graven der Grootmeesters zijn te vinden, is het merkwaardigste bouwwerk van La Valette. Ik bedoel hier niet zoozeer uit het oogpunt van het uiterlijk, van de architectonische beteekenis, want het gebouw is zwaar, massief en streng, eerder een fort dan een kerk, maar uit historisch oogpunt. Twee kortdikke klokkentorens, een voorhal, een balcon of terras, waar de Grootmeester zich voor de eerste maal na zijn verkiezing aan het volk vertoonde, als het Conclave hem had aangewezen, dat is eigenlijk alles, wat het uitwendige van het heiligdom ornamenteels vertoont. Op den top van den gevel stond oudtijds een reusachtig borstbeeld van den Heiland, een bronzen beeld, dat de galeien der Orde bij het verlaten van de groote haven begroetten, wanneer ze uitgingen op een kruistocht tegen de Muzelmannen.
De Sint Janskathedraal is, afgezien van de rijke versieringen aan de wanden, in het inwendige van bijzonder eenvoudige conceptie. Het is een groot parallelogram, dat een gewelf met dubbele bogen draagt. Aan dat gewelf is in achttien afdeelingen of kaders de geschiedenis voorgesteld van den heilige, naar wien de kerk genoemd is. Het forsche, krachtige werk is men verschuldigd aan het penseel van den Ridder Matthias Préti, bijgenaamd de Calabrees, leerling van du Guerchin en vriend van Rubens. Maar ongelukkig zijn die schilderijen slecht gerestaureerd en hebben veel van hun oorspronkelijke bekoring verloren.
Achttien kapellen, die in elkander loopen en zoodoende een soort van galerij vormen, bevinden zich in elk der zijvleugels. Zeven ervan waren gewijd aan de zeven "Tongen", waaruit de Orde bestond. De wanden, versierd met houtsnijwerk, dat verguld en in houtreliëf is aangebracht, stellen symbolen en godsdienstige plechtigheden voor van de volken, waartoe leden der Orde behoorden, met de prachtige graven der Grootmeesters van elke afdeeling.
Al die graven, behalve die van de duitsche kapel, zijn met marmer bekleed, en erboven prijkt het borstbeeld of het beeld ten voeten uit van den overledene, terwijl er gebeeldhouwde medaillons en schilderwerk omheen zijn aangebracht. Verscheiden van die kunstwerken werden door Matthias Préti uitgevoerd. Die van de duitsche kapel zijn van een maltezer kunstenaar.
Als men de basiliek betreedt, die er van buiten zoo eenvoudig uitziet, wordt men allereerst getroffen door de rijke versiering. Men moet daarbij echter niet vergeten, dat meer dan drie eeuwen lang het heiligdom der Ridders voortdurend verfraaid kon worden door de groote mildheid der Orde, Boven het hoofdaltaar, dat druk bewerkt is, schittert op een breed voetstuk een groote marmeren groep, den doop van Christus door Johannes den Dooper voorstellend. Dat prachtige, witte kunstwerk is van den maltezer kunstenaar Melchior Gaffa, die het plan ontwierp en nog een begin maakte met de uitvoering. Na zijn dood werd het voltooid door den beroemden beeldhouwer Bernini.
Zilveren pilaren scheiden het koor van de rest der kerk. Het plaveisel der kerk bestaat geheel uit groote marmeren grafsteenen van verschillende kleur, waarin kostbare gesteenten mozaïeken vormen. Een reuzenbladzijde met necrologieën ontrolt zich voor onze voeten. Daar staan de groote heldenfeiten te lezen uit het leven der roemrijke strijders. De geheele hooge aristocratie van Europa kan er de eene of andere herinnering vinden van een voorvader of vriend.
Het graf van den Grootmeester Nicolaas Cottoner maakt vooral een diepen indruk. Op een voetstuk, door twee karyatiden gedragen, ziet men twee overwonnenen, een Muzelman en een neger in ketenen, verder het bronzen borstbeeld van den Grootmeester met den kraag der geestelijken en het harnas van den krijgsman, en dat alles op een hoop aan den vijand ontnomen vlaggen. Ook kan men er de halve maan der Mohammedanen op vinden met helmen, kanonnen en wapens van allerlei soort. Alles is in wit marmer uitgevoerd. Achter het borstbeeld verheft zich een pyramide met het wapenschild en de Faam, die op een bazuin blaast, terwijl een engel op de groep wijst. Die figuren, het schild en de pyramide zijn ook van marmer. Het geheel is van zeer decoratieve werking en maakt een rijken indruk.
De Orde had aan Nicolaas Cottoner den aanleg van verscheiden versterkingen te danken. Een ervan draagt nog zijn naam. Hij droeg veel bij tot de weerbaarmaking van Floriana en Marsa Muscet. Om de verdediging van den ingang tot de groote haven te voltooien, liet hij het fort Ricasoli of het Koningsfort aanleggen van de dertig duizend kronen, die een Ridder voor dat doel afstond. Paus Clemens de Tiende wenschte in een pauselijken brief den Grootmeester Nicolaas Cottoner geluk met zijn pogingen om Malta te versterken, Malta, dat het bolwerk was voor alle staten der christelijke wereld.
Het grafmonument, dat opgericht werd voor Raymond Perellos de Roccafoull van de "Tong" Aragon, baljuw van Negropont, vóór hij tot het grootmeesterschap werd verheven, is zeer rijk versierd en van groote uitwerking. Zijn bronzen buste komt naar voren uit een uitgehold marmeren medaillon. Erboven prijken zijn wapens, door vlaggen omgeven. Aan den voet staat een engel, leunend op de attributen der lictoren. Het Recht, voorgesteld door een vrouw, houdt de weegschaal; een vrouw zoogt een kind. Die beide vrouwenfiguren van wit marmer zijn gezeten aan weerszijden van het monument. Het voetstuk vertoont een bundel wapens en schilden, op het een waarvan men de halve maan ziet, terwijl op het andere een Gorgonenhoofd is afgebeeld.
De Grootmeester Raymond Perellos had een lange en aan feiten rijke regeering. Hij onderscheidde zich door zijne groote vrijgevigheid voor de gezinnen, wier leden in den dienst der Orde stierven; hij bracht veel nieuwe versterkingen aan en verwaarloosde niets van wat hij meende dat geschikt kon wezen om den glans en den roem der Orde te verhoogen. Tweemaal per jaar worden aan de muren van de kathedraal prachtige tapijten opgehangen, die het leven van den Verlosser voorstellen, en den Triomf van het Christendom. Ze zijn een legaat van den Grootmeester Perellos.
Het monument, dat gebouwd is voor den Grootmeester Marcus Antonius Zondodari, die uit Siena geboortig was, is ook zeer prachtig; het onderscheidt zich door een gelukkige vereeniging van marmer en brons. Als bij al die grafmonumenten in de Sint-Janskerk der Ridders van Malta, brengt een legende, in het voetstuk gebeeldhouwd, de deugden en weldaden van den Grootmeester in herinnering. Hier ziet men hem, liggend op zijn doodkist, die door naakte kinderen wordt gedragen. De Oorlog, voorgesteld door een vrouw, schijnt met behulp van een kind bezig, de plooien te leggen van de vlag, waarin hij zal begraven worden.
Antoine Manuel de Vilhena, Portugees van de afdeeling Castilië, werd tot Grootmeester gekozen bij den dood van Zondodari. Het voor hem opgerichte monument behoort tot de mooiste, die de prachtige Sint-Janskathedraal der Maltezer Ridders sieren. Altijd bewondert men de harmonieuse rangschikking der onderdeelen, die al die graven kenmerkt, den overvloed van motieven en symbolen, die er levendigheid aan geven, en den rijkdom en de verscheidenheid der gebruikte materialen.
Bij dit laatste wordt het borstbeeld, gevat in een medaillon, door een krans van laurierbladen gevormd, door engelen aangeboden. Op de voorzijde heeft de Faam naast de wapens met een kroon er boven de bazuin aan den mond gebracht. Op de sarcofaag, door bronzen leeuwen gedragen, houdt een kind het zwaard opgeheven, den enormen eeredegen van den Grootmeester. Andere kinderen storten tranen.
Antoine Manuel de Vilhena had alle rangen der Orde doorloopen. Hij was gewond geworden bij een aanval op twee tripolitaansche schepen, die generaal Antoine Corea de Souza in 1680 buit maakte. Hij werd achtereenvolgens benoemd tot majoor, kolonel en commandant van een galei, tot commissaris der bewapening, groot-kanselier der Orde, baljuw van Acre en eindelijk tot schatmeester der Orde. In zijn qualiteit van Grootmeester liet hij het fort Manuel oprichten op het eilandje Marsa-Muscet.
Wij mogen bij deze beknopte opnoeming niet vergeten het graf van Jean de la Valette, die in 1586 stierf. Een lang opschrift telt zijn heldendaden op, zijn overwinningen op de Turken, de beroemde belegering, die hij van het leger van Soliman had te doorstaan, en vooral de stichting van de groote stad, die door zijn toedoen zoo gevreesd werd. Soliman de Tweede zag met de grootste bezorgdheid de toenemende macht, welke de Ridders in de Middellandsche Zee kregen, en waarvan hij de duidelijkste blijken kreeg door de vernieling van de meeste zijner vloten. Hij besloot Malta aan te vallen en er de Ridders uit te verdrijven, die hij te voren reeds van Rhodus had verjaagd. In den loop van het jaar 1565 drongen honderd-vijftig turksche schepen in de haven van Marsa Scirocco binnen, en zetten er zestig duizend gewapende mannen aan land, onder bevel van den pacha Mustapha, van Dragut, en van den dey van Algiers.
De gedenkwaardige belegering van La Valette deed de dapperheid der Ridders duidelijk uitkomen. De Grootmeester van Malta, Jean Parisot de la Valette, bewees in die moeilijke omstandigheden, dat hij waardig was de opvolger van L'Isle Adam te zijn. Zijn stoutmoedigheid en zijn militaire talenten gaven hem daar recht op.
De resultaten van de toen op de Turken behaalde overwinning waren niet gering. Malta was bevrijd; Italië was weer veilig en Europa kon gerust zijn. Twintig duizend Turken waren op het slagveld gebleven, en generaal Mustapha, hun aanvoerder, had met het overschot van zijn leger een toevlucht gezocht aan boord van zijn schepen en ging heen van Malta. Keizer Soliman kreeg een zeer diepen indruk van deze nederlaag. Hij dacht er over, een nieuwe expeditie te organiseeren, die hij zelf wilde leiden en waarover hij in persoon het bevel dacht te voeren, toen de dood hem overviel te midden van zijn plannen van wraak en vernieling.
Na die roemrijke zegepraal liet de Grootmeester La Valette, ondanks zijn hoogen leeftijd en zijn wonden altijd even onvermoeid, de versterkingen, die de Turken hadden verwoest, herstellen. Hij beloonde op edelmoedige wijze zijn bondgenooten en de bewoners van het eiland, die hem met zelfverloochening hadden bijgestaan, en die bij dit beleg meer dan zeven duizend van hun landgenooten hadden verloren.
Toen was het, dat met den materiëelen steun, dien Frankrijk, Spanje, Portugal en de italiaansche vorsten hem verleenden, hij in 1566 de fondamenten legde van de naar hem genoemde stad.
Wij hebben nog niet van de oneenigheid gesproken, die er ontstond tusschen hem en den paus en die de laatste jaren van het roemrijk bestaan van Jean Parisot de La Valette verbitterden. Om de droefgeestigheid te verjagen, die zich van hem had meester gemaakt ten gevolge van die moeilijkheden, steeg hij te paard, gevolgd door zijn jachtgezelschap, en begaf zich naar de vlakte aan de golf van Sint Paul, om er patrijzen te jagen. De zeer groote hitte van dien dag hinderde hem; hij kreeg een zonnesteek en kwam met koorts in de stad terug. Na den dood van de La Valette vermeerderden de Grootmeesters, zijn opvolgers, de versterkingen der door hem gebouwde stad.
Zij bouwden ook nieuwe forten in het binnenland van het eiland en stelden de kusten beter in staat van verdediging. Maar deze maatregelen bleken nog niet voldoende, om aan de sultans van Turkije alle hoop te ontnemen, zich eenmaal weer van dat eiland meester te maken, dat hun handel steeds maar weer afbreuk deed. Zij deden van tijd tot tijd landingen, maar ze werden telkens verslagen en met groot verlies teruggeslagen. Eindelijk maakten de Maltezers zich meester van een turksch schip, dat met aanzienlijke rijkdommen beladen was. Het had prins Osman en prinses Fatima aan boord, kinderen van keizer Ibrahim, die op weg waren naar Alexandrië met het plan naar Mekka te reizen.
Op Malta werden de doorluchtige reizigers met de grootste onderscheiding behandeld en men bewees hun alle eer, die men aan hun rang verschuldigd was. En wat als bewijs kan dienen voor de groote edelmoedigheid der Ridders, prinses Fatima werd, met geschenken overladen, op haar eigen schip teruggezonden naar Konstantinopel. Prins Osman, die getroffen was door zooveel edelmoedigheid, wilde Malta niet weer verlaten. Hij ging tot het Christendom over en werd monnik op Sint-Dominicus, waarvoor hij afstand deed van de kroon van een groot rijk, zonder zelfs de waardigheid te willen aannemen van kardinaal, welke de paus hem aanbood. Ibrahim, die ten diepste gegriefd was in zijn hart en in zijn politiek, besloot zich te wreken door de verwoesting van Malta. Hij maakte reeds verbazende toebereidselen voor dat doel, toen de dood hem verraste, zooals hij het Soliman had gedaan, vóór de wraakplannen tot uitvoering waren gekomen.
In de kapel, aan de "tong" van Frankrijk gewijd, herinnert het graf van graaf du Beaujolais aan het lijden van een ongelukkigen prins uit het huis Bourbon, die in 1808 op Malta stierf, waar hij om gezondheidsredenen was heengegaan. Men vindt er ook het graf van den Grootmeester Emmanuel de Rohan, welke graftombe een schoon kunstwerk te zien geeft, de onthoofding van Johannes den Dooper voorstellend, van de hand van Michel Angelo van Caravaggio.
In de krypt bevinden zich de graven van verscheiden andere Grootmeesters, o.a. dat van Villiers de l'Isle Adam. De onderaardsche kapel van het Heilige Kruis bevat ook de graven van Pierre du Pont, gestorven in 1535, dat van Jean d'Omèdes, die de Sint-Elmus- en Sint-Michielforten liet bouwen en vele bastions liet aanleggen. Hij overleed in 1533. Dan is er het graf van Claude de La Sangle, aan wien de verdedigingswerken van de naar hem genoemde voorstad veel te danken hebben; verder de graven van Guidalotti de Monte en van Jean Lévèque de le Cassière, in 1581 overleden. Aan dien Grootmeester heeft men ook den bouw van de Sint-Janskathedraal te danken, en hij zorgde ervoor, dat de stoffelijke overblijfselen van zijn doorluchtige voorgangers daarheen werden overgebracht.
De schatkamer der Sint-Janskerk was in den tijd der Ridders door geheel Europa beroemd, zoo groot was het aantal zeer kostbare voorwerpen, dat ze bevatte.
Men kon er als reliek een hand van Johannes den Dooper zien, in goud gevat en ingelegd met diamanten, robijnen en andere kostbare steenen. Zij was door Bajazet geschonken aan Pierre d'Aubusson, Grootmeester van Rhodus. Er wordt ook melding gemaakt van een kruis van edelgesteenten, dat een stukje van het echte kruis zou bevatten, dan van een gouden lampetkan, gevuld met kostbare steenen, die Hendrik de Achtste van Engeland aan Villiers de l'Isle Adam had aangeboden na het verlies van Rhodus; dan van een prachtigen degen en van een dolk, door Filips den Tweeden, koning van Spanje ten geschenke gegeven aan den Grootmeester La Valette na zijn roemrijke verdediging tegen de Turken. In grooten getale waren er verder de voorwerpen van goud, zilver en diamanten, die de Grootmeesters en Groot-Priors van iedere "tong" der Orde verplicht waren elke vijf jaar, aan de kerk aan te bieden. Geen enkele basiliek bezat zooveel kostbare voorwerpen, zooveel lampen en kandelabers van zilver en van die hoogte en zwaarte, dat twee mannen ze slechts met moeite konden dragen. Van al die rijkdommen is er niets meer over. Men beschuldigt het Directoire ervan, ze te hebben geroofd.
De vlag der Orde, en de kostbare schatten van de Sint-Janskerk, welker waarde verscheiden millioenen bedroeg, werden meegevoerd op het fregat La Sensible. De commandant van het schip, die tusschen Malta en Toulon door de Engelschen werd aangevallen, liet, vóór hij zich overgaf, alles over boord werpen. Zoo werden de schatten van de Sint-Janskerk op Malta vernietigd; alleen de staatsiedegen, dien de Grootmeester der Orde bij plechtige gelegenheden droeg, ontkwam aan de algemeene ramp. Bij de capitulatie van het eiland werd het staatsiewapen ter hand gesteld aan Napoleon, die het toevertrouwde aan markies de Dolomieu, door wien het Directoire ervan in het bezit werd gesteld. En zoo dient die degen nu tot opluistering van een vitrine in de Nationale Bibliotheek, afdeeling medailles.
Midden in La Valette, op het plein Saint-Georges, staat het Regeeringspaleis, oude residentie der Grootmeesters, gebouwd door Hyacinthe del Monte. Dat is een groot en zwaar bouwwerk, meer op een vesting dan op een paleis gelijkend. Twee overdekte terrassen en balkons versieren den voorgevel; maar dat zijn toevoegsels van betrekkelijk nog jongen datum. Onder Grootmeester de Pinto werden beide poorten, die uitkomen op het plein Sint-Georges, verfraaid met enkele versieringen, waarvan de stijl slecht past bij het overige gebouw.
Er is een opschrift, dat mij, als ik den muur, waarop het is aangebracht, aanzie, aan het droomen brengt. Het luidt: "Magnae et invictae Britanniae-Melitensium amor et Europae vox--has insulas confirmant--A.D., 1814" d.w.z.: "Aan het groote en onoverwinnelijke Brittannië--de liefde van de Maltezers en de stem van Europa--wordt het bezit van deze eilanden gewaarborgd."
Maar daar de waarheid is, dat het Congres van Weenen in 1814 aan de Engelschen Malta liet behouden met de eilanden in de buurt, kan men moeilijk beweren, dat het de liefde der Maltezers is geweest, waardoor dat bezit werd gewettigd.
Het Regeeringspaleis, de oude verblijfplaats der Grootmeesters, wordt tegenwoordig bewoond door den gouverneur van Malta, en de administratie is er met haar kantoren gevestigd. Op een binnenplein staat een bronzen beeld van Neptunus, een werk van Jean de Boulogne, dat eertijds in het Marinegebouw stond.
Nadat men een breede, witmarmeren trap is opgegaan, komt men door galerijen, waarvan één versierd is met de portretten van de Grootmeesters der Orde, en de andere met schilderijen, voorstellende de wapenfeiten en de heldendaden der Ridders.
Die laatste galerij leidt naar de feestzaal, waar een vorstelijke troon staat met de wapens van Engeland, en in de tapisseriezaal, waar vroeger de Raad der Orde bijeenkwam voor zijn beraadslagingen.
De leunstoel van den Grootmeester is er nog. De gobelins, die de wanden bedekken, personifiëeren de vier werelddeelen. Enkele schilderijen van veldslagen dragen tot de versiering bij. Op de galerij komt ook uit de groote wapenzaal met de bijzonder mooie en rijke verzameling wapens uit de Middeleeuwen, maliënkolders, dijharnassen en armstukken, kurassen, helmen, schilden en hellebaarden, de eerste vuurwapenen, vuursteen- en andere geweren, in het geheel veertig duizend, en eindelijk het zwaard van den beruchten zeeroover Dragut. Tusschen al dat moordtuig hangt het portret van den Grootmeester Wignacourt, door Caravaggio geschilderd.
De bibliotheek van La Valette is ondergebracht in een sierlijk gebouw, dat onder den Grootmeester de Rohan tot stand is gekomen. Zij is gesticht in 1760 door den franschen baljuw Louis Guérin de Tencin en ze werd eerst overgebracht naar het gebouw, waar zij zich thans in bevindt, enkele jaren voor de verspreiding der Orde door Bonaparte.
De boekenschat werd samengesteld uit de particuliere boekenverzamelingen der Ridders, die gehouden waren hun boeken na te laten aan die openbare instelling. Het gebouw staat in een tuin, en is in ionischen stijl opgetrokken, sober van versieringen en toch bijzonder mooi.
Een breede laan leidt erheen. Een trap, die zich bovenaan in tweeën splitst, geeft aan de eene zijde toegang tot de administratiekamer en aan de andere tot de bibliotheek met haar 60.000 deelen. Er zijn daar kostbare manuscripten, oude drukwerken en zeer interessante archieven, die betrekking hebben op de oudste tijden der beschaving van het eiland Malta. Opmerkelijk is ook, in een klein museum naast de bibliotheek, een rijke collectie van voorwerpen der natuurlijke historie van het eiland en vooral van de mineralogie. Met belangstelling zal men er kennis nemen van oude dingen van phoenicische en grieksche afkomst, op Malta en Gozzo aangetroffen.
Onder de interessante gebouwen van La Valette moet het Justitiegebouw worden genoemd, dat oudtijds een geheel andere bestemming had, want het was de herberg van de "tong" Frankrijk. Genoemd moeten ook worden de beide schouwburgen, de eene, die reeds oud is, werd opgericht onder den Grootmeester Manuel de Vilhena. De andere, van jongen datum, is grooter en weeldiger ingericht. Het is het Massimo- of Koningstheater. In 1873 werd het door brand verwoest, waarbij alleen de muren bleven staan; het is sedert dien tijd weer opgebouwd, maar het heeft nooit de schoone versieringen teruggekregen, die de zaal vóór den brand opluisterden.
Het Marine-arsenaal, dat men niet zonder speciaal verlof mag bezoeken, is hoogst belangwekkend. Men kan er alle moderne verbeteringen aanschouwen ter zake van zeevaart en den oorlog ter zee, en het geeft te denken naar aanleiding van de macht der britsche marine. Alle machines ziet men er in beweging; alle instrumenten zijn gereed of kunnen dadelijk in werking worden gesteld, als er iets aan eenig schip moet worden gerepareerd. Voorraadmagazijnen grenzen aan het arsenaal en kunnen de vloot en het leger van het noodige voorzien, zoowel in tijd van oorlog als in dien van vrede. In de buurt zijn de dokken, die de grootste pantserschepen van de engelsche zeemacht kunnen bergen.
Er zijn te La Valette verscheiden hospitalen, waarvan één in het westelijk deel van de voorstad Floriana. Er zou niets bijzonders zijn te zeggen over die laatste inrichting, als zij niet de allervreemdste zaal bevatte, die men maar met mogelijkheid kan zien, en ik betwijfel het, of er wel ergens een dergelijke te vinden is. Het is werkelijk niet te begrijpen, hoe men op het zonderlinge en lugubere denkbeeld is gekomen, de wanden dier zaal geheel uit beenderen te doen bestaan. Bovendien is in een hooge nis een symbool van den tijd geplaatst, een skelet met een zeis in de hand, omgeven door de begrafenisattributen van den sombersten aard.
Van beenderen heeft men er allerwonderlijkste wapenrustingen gemaakt, voorts teekeningen, guirlanden en allerlei versieringsmotieven. Op enkele plaatsen zijn symmetrisch en op bepaalde afstanden hoopen schedels neergelegd; elders heup- en dijbeenderen, die als degens elkander kruisen. Het is griezelig en belachelijk tevens, en men kan zich geen voorstelling maken van het denkbeeld, dat bij die decoratie heeft voorgezeten.
Op korten afstand van La Valette zijn twee kerkhoven, de turksche begraafplaats met opengewerkte koepels en witte minarets, die het kerkhof in de verte op een kleine oostersche stad doen gelijken, en het stadskerkhof op een plateau, waar een gothische kerk staat met een slanken klokkentoren.
Op een dag verliet ik La Valette, om mij naar Città Vecchia te begeven of Città Notabile, de oude hoofdstad van het eiland. Bij het verlaten van de stad door de massieve poort aan de wallen, die den naam draagt van de Città-Vecchiapoort, lag er een in verblindend zonlicht badende weg voor mij. Ik zag de reusachtige waterleiding, die de Grootmeester Aloys de Wignacourt had laten aanleggen in 1616, en die nu nog La Valette van water voorziet. Altijd bleef het een verblindende zon, waarin ik slechts met moeite de voorwerpen herkende, een terugkaatsing van het licht, die pijnlijk was, zoodat ik met half gesloten oogen liep.
Nu en dan verrees er in de verte een witte massa en draaide in spiralen rond, werd grooter en steeg op naar de lucht, om dan met verwonderlijke snelheid ons te naderen en te omhullen. Het was een stofwolk, door den wind voortgedreven, en een tweede wolk volgde nog op de eerste.
Dan plotseling lag weer het land onder de schitterende zonnestralen te branden, dor en droog en als verkalkt door de hitte, neerdalend van den donkerblauwen hemel.
Alles was verblindend, de grond, de boomen, de verre gebouwen. Het leek op sneeuw of op ongrijpbaar wit poeder, dat alles overdekte. De lucht zelve was er door verduisterd.
Meer op een afstand teekende, op een hoogte, een stad zich af tegen den horizon, een mooie stad met een middeleeuwsch silhouet en palmen, uitstekend boven de muren; dat was Città Vecchia. Op de golvende vlakte links zag men dorpjes met alleenstaande klokkentorens.
Steenen muren, waarop enkele vijgeboomen met hun stoffige bladeren groeiden, omgaven de tuinen en sloten den weg in. Nu en dan ging mij een voetganger voorbij, gebogen onder den storm van zon en stof, of een arme vrouw, die een half naakt kind aan de hand had, en dan was de stilte weer daar.
Wij beklommen den heuvel, gingen over een ophaalbrug, en waren in een smalle straat, die bochtig was, maar ons toch naar de kathedraal zou brengen, het eenige bouwwerk, dat wij te Città Vecchia hebben te bezoeken.
Die oude hoofdstad van Malta, welker stichting nog tot vroegeren tijd moet opklimmen dan de stichting van Rome, was in den aanvang van betrekkelijk weinig belang; er wordt zelfs gezegd, dat het slechts een gewoon versterkt kamp was. Er werden vele grieksche en romeinsche oudheden gevonden, ook overblijfselen van tempels, gewijd aan Juno en Proserpina. Op den top van den heuvel, waar de oude stad ligt, heeft men de sporen van een prachtig romeinsch paleis ontdekt. Twee-en-twintig eeuwen gingen over deze ruïnen heen, gedurende welke de Arabieren, meesters van Malta, er de graven van gebruikten, want men vindt er tegenwoordig nog de beenderen van hun dooden in. Men zou gezegd hebben, dat de stad voortaan niet anders dan een doodenstad moest zijn. Men heeft de fondamenten van de zuilengang van dit paleis blootgelegd, verder prachtige mozaïeken, vazen en tal van merkwaardigheden, die den oudheidkundige belang inboezemen. De overblijfselen leggen getuigenis af van een vergevorderde beschaving in den tijd dat barbaarschheid nog heerschte in een groot deel van Europa.
Vóór de kathedraal van Città Vecchia ligt een steenen trap met twee oude kanonnen, die door ik weet niet welken souverein aan de Ridders werden aangeboden. Alleen om deze reden hechtten de Maltezers er aan. De kathedraal verrijst op een pleintje en wel op dezelfde plaats, waar het paleis van Publius lag, den prefect van Malta, die Paulus opnam, toen deze apostel op reis van Palestina naar Rome, schipbreuk leed op de kust. Publius, tot het Christendom bekeerd, werd tot bisschop benoemd door Paulus en werd later als martelaar gedood te Athene. De kathedraal dagteekent van 1702 en werd gebouwd volgens de plannen van den maltezer architekt Lorenzo Gaffa. Aan elke zijde van het altaar zijn twee tronen opgericht, die van den bisschop en die van de koningin. Het gewelf van de kerk werd versierd met schilderwerk van Vincent Manno. Het schilderwerk van het inwendige der kerk is afkomstig van den Calabrees, wiens leerlingen de wanden der kapellen versierden. Er zijn ook enkele moderne kunstwerken te bewonderen in de kerk, o.a. de inlegwerken van het koor en twee mozaïekmedaillons, voorstellend de apostelen Petrus en Paulus.
Niet ver van de oude kathedraal herinnert een onderaardsche galerij, die nog slechts voor een klein deel onderzocht is, aan de tijden van vervolging, toen de Christenen zich moesten verbergen. Er zijn nergens zulke uitgestrekte catacomben, en men weet nog volstrekt niet, hoe groot ze wel zijn. De gedeelten, waar de mysteriën gehouden werden, zijn nog aan te wijzen, en men vindt er eveneens een aantal kleine holen, waar de eerste Christenen hun dooden begroeven.
Het is interessant, de grot van den H. Paulus te bezoeken, in de rots uitgehouwen, waar de apostel een schuilplaaats vond en waar hij gevangen werd gehouden gedurende zijn verblijf op het eiland, dat drie maanden duurde.
Die crypt is in de zachte rots gemaakt. Enorme hoeveelheden van het gesteente werden er langen tijd uitgehaald en naar alle deelen der wereld verzonden, waar Christenen woonden. Er werd een koortswerende kracht aan toegeschreven, en het werd genaamd pietra della grazia, steen der genade.
Monseigneur Lavigerie had te Carthago een pelgrimstocht in het leven geroepen, die de in zoo grooten getale in Tunis wonende Maltezers moest herinneren aan de Madonna van Melleha, welk beeld het hoogst vereerde heiligdom in hun geboorteland versiert, de Paulusgrot. Het was een der redenen waarom de kardinaal bij de Maltezers zoo bemind was. Die Madonna zou door den apostel Lucas zelven op de wanden der grot geschilderd zijn, toen hij er met den apostel Paulus een toevlucht had gezocht na hun schipbreuk. De kardinaal had het schilderij te Carthago laten reproduceeren.
De Paulusgrot is een heilige plaats gebleven. Op een altaar staat een beeld van den heilige van wit marmer. Het is het werk van den maltezer beeldhouwer Melchiore Gaffa. Aan den voet van het beeld brandt altijd een lamp.
Volgens de Handelingen der Apostelen maakte Paulus na zijn schipbreuk een vuur van takken aan, om zich te verwarmen. Een adder, die zich in het hout bevond, beet hem in de hand en bleef eraan hangen. De bewoners, die om hem heen stonden, zeiden onder elkaar: "Stellig heeft die man een moord begaan, want pas is hij aan de woede der golven ontkomen, of nog vervolgt hem de goddelijke wraak." Maar Paulus schudde zijn hand en liet er het reptiel afglijden, dat hij in het vuur wierp. De omstanders waren overtuigd, dat het venijn van de adder zijn uitwerking niet zou missen, dat de hand zwellen, en dat de zwelling zich weldra aan het geheele lichaam zou meedeelen, zooals gewoonlijk gebeurt.
Maar Paulus scheen in het geheel geen pijn te hebben, en de beet had geen enkel nadeelig gevolg. Toen waren de Maltezers door het wonder getroffen en vereerden Paulus voortaan als een god.
Publius, gouverneur van het eiland, die hem bij zich ontving en zijn goede zorgen aan hem wijdde, bracht hem aan het bed van zijn vader, die door een hevige koorts was aangetast. Paulus legde hem de handen op, begon te bidden en genas hem. Dat bericht verspreidde zich snel over het eiland, en dadelijk stroomden de zieken in massa toe. De apostel genas ze en bracht drie maanden op Malta door, voor hij naar Rome ging.
Dichtbij de grot, op de plek waar een standbeeld Paulus voorstelt de menigte toesprekend, is een holte in den grond, waar veel beroemde personen der Christenheid begraven wilden worden als op gewijden grond. De dooden zouden er rusten in volkomen vrede onder de hoede van den apostel, die schipbreuk had geleden op de noordkust van het eiland.
Van de hoogten van Città Vecchia had ik een groot deel van Malta aan mijn voeten zien liggen in doodsche eentonigheid. Men zag er slechts kale, boomlooze golvingen van den bodem, zonder groen, en overal steenen en nog eens weer steenen met enkele dorpen, kloosters en woonhuizen. Steden en dorpjes waren trouwens op deze plek dichtbij, en de vrije natuur was eigenlijk ver te zoeken, zoodat het den indruk maakte, dat een enkele stad de geheele oppervlakte van het eiland overdekte.
Hoezeer bewonderde ik toen de groote werkzaamheid der Maltezers, die met geduld en volharding erin geslaagd zijn, hun rots prachtige oogsten te doen voortbrengen. Want die droge en steenachtige terreinen, waar bijna overal de rots aan de oppervlakte komt, geven een opbrengst van veertig ten honderd. En de aarde, waar krijgen ze die vandaan? Er is mij verteld, dat ze dikwijls de rotsen afgeschraapt hebben, om grond te maken, en het is zeker, dat zeer vaak aarde op menschenruggen naar de tuinen wordt gevoerd. Geen duimbreed rotsgrond wordt ongebruikt gelaten; de bewoners hechten hun groenten vast aan elk uitstekend punt van de rotsen; zij maken overal terrasjes en profiteeren zelfs van natuurlijke spleten en holten.
Men ziet geheele gezinnen van Maltezers volijverig boerenwerk verrichten, wieden en spitten en onvermoeid gieten.... Maar het gaat vaak lastig, want er is niet zelden gebrek aan water.
Uit het oogpunt van schilderachtigheid zijn er weinig plekken te roemen; maar al is het natuurschoon schaarsch, toch moet men niet verzuimen een bezoek te brengen aan de Makluba in het Zuiden van het eiland, aan de grens van het gebied van Krendi. Het is een zeer diepe inzinking van den grond, een donkere kuil tusschen steile rotswanden, waartusschen men in de diepte een tuin ziet liggen.
Op korten afstand van dien afgrond, te Gebel-Kim, vindt men de reusachtige ruïnen van een phoenicischen tempel, tegenwoordig aangeduid met den naam Pietra della Venerazione. Opgravingen, die men vroeger in die ruïnen heeft gedaan, hebben beenderen van dieren aan het licht gebracht en een menschelijken schedel van ongewonen vorm. Een geleerde bibliothecaris van La Valette beeft bewezen, dat de tempel aan den phoenicischen Hercules was gewijd. Niet ver van dit heiligdom was er een andere tempel, aan Esculapius gewijd. Er zijn daar steenen van reusachtige afmetingen, die in hun behouwen toestand uitstekend zijn bewaard gebleven.
Op Malta bestaan nog andere ruïnen van deze soort, vooral in het oostelijk deel van het eiland. Malta was inderdaad in de Middellandsche Zee een punt van al te groot belang, dan dat het de aandacht niet zou hebben getrokken van de Phoeniciërs en de andere zeevaarders der Oudheid. Vooral de Phoeniciërs waren gewoon, alle kusten met hun handelskantoren te overdekken.
Het grootste aantal monumenten, dat ze er hebben nagelaten, bevindt zich op de zuid- en de oostkust. Ik heb ze gezien aan zee te Marsa Scirocco, te Krendi en op het eiland Gozzo.
Al die resten van bouwwerken hebben in hun reusachtige afmetingen geheel het karakter van de monumenten, die aan de Cyclopen worden toegeschreven.
Om kort te gaan, dit eiland Malta, geteisterd door den wind, verbrand door de zon, treft nu nog de verbeelding van den reiziger, nadat het een glorieuse rol in de geschiedenis heeft gespeeld. Niet enkel getuigen de ruïnen van verleden grootheid, maar er zweeft om het eiland een aureool door de dapperheid en offervaardigheid van de edele Ridders, die de barre rots, verloren te midden der golven, tot een wal hebben gemaakt voor de veiligheid van de christelijke volken.
De tegenwoordige heerschers blijven er altijd vreemdelingen; hun invloed is gering, omdat zij de ziel der Maltezers niet kunnen winnen, die ziel, die trouw blijft aan het oude geloof en aan haar vrome herinneringen. Nog onlangs heeft men daar een bewijs van gekregen. De heer Chamberlain kondigde in een trotsche rede, die hij tijdens een reis over Malta hield, aan, dat er maatregelen zouden worden genomen, om het eiland sneller te verengelschen en de engelsche taal als officiëele taal verplicht te stellen als gelijke van de landstaal en met uitsluiting van het Italiaansch.
Dat gaf groote ontroering op het eiland, en de hevigste protesten werden vernomen. Toch werden de maatregelen genomen. De Wetgevende Raad van de kolonie ging toen tot obstructie over, terwijl de bevolking al duidelijker hare verontwaardiging toonde. Deze was van dien aard, dat Engeland de besluiten omtrent de talen gedeeltelijk moest herroepen.
In Oostenrijk.--Stiermarken.
Naar het Fransch van Edme Vielliard.
I.
De Neumarktpas.--De Minnesänger.--Het Murdal.--Gratz en zijn omstreken.--Geschiedenis van Stiermarken.--Stiermarken een Slavonisch land.--De stiermarkensche bergbewoner.
Waarde medereizigers. Wij zullen Stiermarken binnengaan langs den weg, dien in 1797 het roemvol fransch leger volgde, nadat het lauweren geoogst had in den schitterenden italiaanschen veldtocht. Nadat Bonaparte zonder resultaat aan aartshertog Karel den "philosofischen" brief had geschreven, waarin hij den vrede aanbood op grond van zachtmoedige en menschlievende overwegingen, nam hij het besluit, dieper het bergland der Alpen binnen te dringen en den marsch naar Weenen voort te zetten met zijn klein, uit Italië meegebracht leger, dat nauwelijks 40.000 man telde. De stoutmoedige onderneming werd, zooals bekend is, met succes bekroond, en na de bezetting van den Neumarktpas en het verwoede gevecht van Unzmarkt werden de vredespreliminairen te Leoben geteekend.
Die Neumarktpas, een diepe insnijding in den hier slechts 890 meter hoogen kam der Centraal-Alpen, die als een onderstreping zijn getrokken ten zuiden van het langgerekte dal der Mur, is ten allen tijde een der meest gezochte overgangen geweest, dien de veroveraars en ook de kooplieden volgden. Langs die route zijn waarschijnlijk de Kimbren in Italië binnengedrongen in het jaar 118 vóór onze jaartelling, toen zij, als het ware, een voorspel leverden van de latere invallen der barbaren, waardoor later een eind zou worden gemaakt aan de macht van het romeinsche rijk.
Daarover liep de romeinsche weg van Aquilegia naar Ovilava, dat nu Wels is, en in de Middeleeuwen, voordat de handel onder Karel den Zesde den weg van Triëst en Gratz insloeg was het de drukst gevolgde weg tusschen Weenen en Venetië. De aanleg van de nieuwe spoorweglijn van Venetië naar Weenen over Pontebba heeft aan dezen overgang zijn oude belangrijkheid teruggegeven.
Naar den kant van Karinthië werd de pas verdedigd door de vesting Friesach, waar men nu nog op schilderachtige rotsen overblijfselen van vroeger dreigende muren kan vinden. Meer vooraan in den naar Stiermarken leidenden pas ligt het kasteel Dürrenstein, waarvan niets dan een oude vierkante toren over is, reeds aan den overkant der grens. Bosschen en weiden liggen op verschillende hoogten langs den weg door de schilderachtige kloof en vormen er allerlei tinten van groen, waar slechts enkele pannen daken andere kleuren tusschen leggen.
Hier worden wij door het lachende, groene Stiermarken ontvangen, bekleed met het vriendelijk plantenkleed, en wij houden er onzen intocht te midden van een uitgezocht frisch landschap. Het is een veel aangenamer streek, dan men aan de karinthische zijde vindt. Zelfs de burchten, die de wegen bewaken, zien er gemoedelijk uit en hebben alle pretensie afgelegd.
Natuurlijk kon het niet missen, of zulk een liefelijke streek werd gekozen als plaats van vestiging voor een van de vele kloosters, die de Alpen als hebben gekolonizeerd, en inderdaad verrijst in een verborgen dal in de omstreken het Sint Lambrechtsklooster, in 1103 gesticht door hertog Hendrik van Karinthië, wiens land in de Middeleeuwen een schitterend middelpunt van letterkunde en beschaving was. Achter het spoorwegstation, dat uit de verte het klooster bedient, daalt de weg in een diepe kloof, waardoor de lijn het dal der Mur bereikt. Dit dal is het grootste der beide hoofdverkeersaderen van Boven Stiermarken; de tweede, ermee evenwijdig, maar meer naar het Noorden gelegen, is het dal der Enns.
Men kan er nog kennis maken met oude gewoonten, en een der origineelste is de Austragung der Freiung, een feest, dat in October te Nieder-Wölz gevierd wordt. Er wordt dan aan een met bloemen versierden stok in een plechtige processie een arm rondgeleid, met een zwaard in de hand, symbool van rechtszekerheid; vóór den stoet uit gaan de muzikanten, voorafgegaan door een straatveger. Na verschillende halten, waarbij er in winkels en hotels hartsterkingen worden gebruikt, wordt de Freiung op de hoofdmarkt opgesteld, terwijl er de wacht bij wordt gehouden, want indien het iemand gelukte, het symbool door geweld of list te stelen, zouden de dorpsrechten alleen door dat feit aan de overweldigers ten deel vallen.
De herinneringen aan de Middeleeuwen zijn in deze streken overvloedig. Unzmarkt bezit de hoog gelegen ruïnen van den Frauenburg, de oude woonplaats van den Minnesänger Ulrich von Lichtenstein. In de Oostenrijksche Alpen hebben verscheiden dier ridderlijke dichters geleefd of ze zijn er geboren, zooals met een der beroemdste het geval was, namelijk met Walter von der Vogelweide, die niet enkel de liefde heeft bezongen, maar zich ook heeft laten meesleepen door de politieke hartstochten van zijn tijd; dan Oswald von Wolkenstein, dien men den laatsten Minnesänger heeft genoemd, en nog anderen.
Hij, die in Frankrijk het meest bekend is geworden, Tannhäuser was, naar men meent, geboortig uit het hooge dal der Mur. Wat Ulrich von Lichtenstein aangaat, die omstreeks 1275 gestorven moet zijn, het naar hem genoemde slot, welks ruïnen wij hier vóór ons hebben, draagt terecht den naam van den Damesburcht. Hij was een vurig vereerder van de schoone sekse. Op zijn portret, waar hij te paard is voorgesteld, en dat in een oud handschrift is bewaard, staat op zijn helm een vrouwenbuste met een pijl in de hand. Zijn werk, dat in een gelikten stijl is vervat, is vooral bekend door "De dienst der vrouwen" en het "Damesboek". Doch hij is tevens bekend geworden door zijn stoutmoedig paardrijden en hij mengde zich in de politiek. Van hoogverraad beschuldigd, werd hij lang gevangen gehouden door koning Ottokar van Boheme, die op Stiermarken aanspraken meende te kunnen doen gelden en ten slotte zijn wenschen met succes bekroond zag.
Leoben, de oude ijzerstad, waar de gesloten huizen van rijkdom getuigen, en dat te midden van een bekoorlijk landschap ligt, roept een minder ver verwijderd verleden in de herinnering terug. Daar teekende in de Eggenwaldtuinen keizer Napoleon de vredespreliminaire van Campo Formio. De voorbereidende besprekingen hadden plaats gehad in het klooster van Göss, op een half uur afstands ten zuiden van Leoben. Het was een klooster voor adellijke dames, gesticht in 1002; de abdissen van het klooster zaten in den stiermarkschen landdag en stemden mee van de bank der prelaten.
Het landschap, dat, het moet erkend, tot hier geen grootsch karakter had bezeten, wordt indrukwekkend, als men nader bij Bruck komt. Bruck aan de Mur heeft een krijgshaftig voorkomen met de rots, waarboven de hier en daar doorschoten muren van de vesting Landskron uitsteken. Het is de sleutel tot Midden-Stiermarken, en het fort werd op het eind der dertiende eeuw met succes verdedigd tegen de Salzburgers en de Beierschen, die door den oproerigen adel te hulp geroepen waren tegen hertog Albert den Eerste. Ook was de plaats in de Middeleeuwen een belangrijke handelsstad op den weg van Weenen naar Venetië, en de bouwtrant van een der huizen, waaraan een venetiaansche loggia is aangebracht, toont duidelijk den artistieken invloed van de stad der lagunen.
Te Bruck overleed in 1424 hertog Ernst der Eiserne, de ijzeren hertog, wiens tweede vrouw Cimburge, dochter van den vorst van Masovië (een deel van het tegenwoordige Polen), niet minder van ijzer was dan haar man. Zij kon een hoefijzer met haar blanke handen in tweeën breken, en door een duw met haar schouder een zwaar beladen wagen in beweging brengen. Zulk een sterke vrouw was waard, de stammoeder te worden van den tak der Habsburgers, die opnieuw in de handen van haar kleinzoon Maximiliaan de verspreide bezittingen van het geslacht vereenigde, en tevens tot achterkleinzoon te hebben dien Filips den Schoone, over wiens reusachtig rijk de zon nooit onderging.
Te Bruck wendt zich de Mur, die, van het Zuidwesten naar het Noordoosten stroomend, een aan de Alpen evenwijdige richting volgde, plotseling naar het Zuiden en gaat door een smalle kloof, aan welker uiteinde zich opeens een wijde vlakte voordoet, de "baai" van Gratz. Dat ruime landestuarium breidt aan den rand van het bergland zijn bekoorlijk groen tapijt uit, waarop aardige, witte gebouwen afwisseling brengen en de voorsteden van een stad van beteekenis laten vermoeden.
Gratz is de voornaamste stad op de zuidhelling der Alpen in Oostenrijk; ook is het de laatste uitlooper van het germaansche element in deze streken. Naast deze plaats slaan al hoog de golven van de zee der slavische stammen, die in Karinthië en Krain de meerderheid vormen en die oudtijds zich verspreidden tot op den drempel van Toblach in het Pusterthal, zooals uit de namen van allerlei plaatsen blijkt. Ten tijde van de kolonizeering der Alpen door de Beierschen is het terugdringen van die stammen begonnen en de slavische bevolking heeft eerst weer stand gehouden even vóór Gratz, welke stad uit het Slavisch den naam van haar vesting, Grad, heeft behouden. Toen de stad heroverd was, nam ze den naam van Bairisch-Gratz aan in tegenstelling van Windisch-Gratz, dat is Slavisch-Gratz, een stadje dicht bij de Drave.
De met bosschen bedekte heuvel bij die vesting, die als een eiland uit de vlakte verrijst, en zich wel honderd meter boven de stad verheft, is een sprekend uithangbord voor de stad. Hij zag er vrijwat indrukwekkender uit, toen hij nog de torens en bastions droeg, waar oude gravures de glorie van hebben bewaard en die door de Franschen in 1809 zijn geslecht. De kanonnen, die in de open lucht dicht bij het restaurant hun lange monden rekken, en die wij te zien krijgen, nadat de kabelspoorweg ons boven heeft gebracht, hebben alleen vreedzame bedoelingen, en de schitterende officier, die zijn paard mooie kunstjes laat verrichten in de buurt, geeft slechts bevelen voor de salvo's van den volgenden dag, den verjaardag van den keizer. Op den feestavond vooraf zagen wij door het donkere dal een fakkeloptocht langzaam retireeren, en terwijl de lichtende punten weken, klonk de verzwakte nagalm der muziek tot ons op.
Toch heeft de Schlossberg nog wel iets karakteristieks, als men er van het voornaamste plein naar opziet, en dat wel dank zij den klokketoren met de reuzenwijzerplaat, het spitse dak met een houten galerij eromheen en de overblijfselen van de bastions, waar nu bloemperken zijn aangelegd. Op den top staat nog een ander monument, dat aan de stelselmatige verwoesting is ontkomen, ook een toren in renaissancestijl, door de inwoners teruggekocht na de algemeene vernieling. De hellingen van den berg, die voorheen terugstootend waren, zijn thans met groen bekleed door het initiatief van baron Welden, en de idylle is nu heerscheres op het pantser van het ontwapende monster.
Er zingen heele koloniën van vogels, naar het heet wel 26 soorten, die door de goede zorgen van den Bund der Vogelfreunde getracteerd worden op maaltijden van lekkere zaden, voorgediend in kleine houten huisjes, een soort van open kooien, die hier en daar op palen zijn neergezet. Dichterfiguren lachen u uit de boschjes tegen, een buste van Schiller bijvoorbeeld, van Anastasius Grün of wel graaf Auersperg, en Rosegger's heldin de Woudlelie leidt er onder het groen haar lievelingshinde.
Een klein terras ten zuidoosten van den Schlossberg vertoont rondom een onregelmatig pleintje drie der oudste gebouwen van Gratz, den Burcht, den Dom en de oude Universiteit, gezag, godsdienst en wetenschap. Er is niets overgebleven van de gebouwen die tot den vroegeren burcht behoorden en dagteekenen uit het eind der elfde eeuw, toen de markgraven van Traungau het slot bouwden. Zij waren de grondleggers van de eerste eigenlijke stiermarksche dynastie. Dit gedeelte van het romeinsche Noricum, dat na den val van het romeinsche rijk een tijd lang een slavisch koninkrijk was, werd een mark of grensprovincie van het rijk van Karel den Groote, toen deze de Avaren had onderworpen.
Karinthië, de mark der Karantanen, een slavischen stam, had ten doel, Germanië te beschermen tegen invallen der Magyaren, die door keizer Otto den Eerste afdoend teruggeslagen werden in den slag aan de Lech in 955. Wat later verschenen de markgraven van Traungau, die aan het land den naam van Stiermarken gaven, Steiermark, naar de stad Steir of Steyer in Boven-Oostenrijk, waar zij de heeren van waren. Frederik Barbarossa verhief Stiermarken tot den rang van hertogdom; maar toen het huis Traungau uitgestorven was, werd Stiermarken bij Oostenrijk ingelijfd als de Ostmark, later Oostenrijk onder de dynastie van Babenberg, en zoo ontstond in de moedervloeistof der historie de eerste kern van die kristallisatie, die de oostenrijksche monarchie zou opleveren. Die kristallisatie zou nog heel wat troebelingen moeten doormaken.
Het huis Babenberg stierf op zijn beurt uit, en toen volgde de tijd van het groote interregnum. Hongaren en Bohemers betwistten elkander Stiermarken. De koning van Boheme droeg de zege weg in den slag van Kessenbrunn in 1260, en men zag er de banier van Stiermarken wapperen, "groen als de kleur des velds, waar als levend een witte panther op voortijlt". De heerschappij der Tsjechen breidde zich toen uit van Boheme tot de Adriatische Zee.
Op dat oogenblik viel de beslissing, welke der drie rassen in Midden-Europa het overheerschende zou zijn, het slavische, het duitsche of het magyaarsche. Rudolf van Habsburg besliste de quaestie ten voordeele van de Duitschers, toen hij koning Ottokar in 1278 bij Bürrenkraut versloeg. De slavische macht stort ineen, en de overwinnaar gaf Oostenrijk aan zijn zoon Albert, die hem opvolgde. Zij waren daarna gedurende meer dan een eeuw van den keizerstroon uitgesloten, maar hun afstammelingen herwonnen dien weer in 1438, om er bijna niet weer van te worden verdreven. Gratz werd een keizerlijke hoofdstad onder Frederik III (Frederik V van Stiermarken), die in 1608 er geboren was; hij was de laatste keizer, die zich te Rome liet kronen, de meester en beschermer van Aeneas Sylvius, die Paus werd onder den naam van Pius II.
Het slot heeft uit dien ver verleden tijd niets anders overgehouden dan een wenteltrap van 1500; van de restauratie, door Maximiliaan I begonnen en eerst na zijn dood voltooid, in 1523, is niets over dan een bronzen gedenkplaat. De afbraak in 1854 van een vleugel, aan Frederik III toegeschreven, die met instorting dreigde, heeft een monumentale trap doen verdwijnen, in 1570 door een italiaanschen architect gebouwd, zoodat het slot, waar nu kantoren van de administratie zijn gevestigd, geen andere belangrijkheid aanbiedt, dan dat het de herinneringen oproept, die wij juist hebben gememoreerd, en die wij willen besluiten door de toevoeging, dat Stiermarken zijn autonome regeering verloor onder Jozef den Tweede, die den hertogshoed naar Weenen liet overbrengen. Die hoed was toen allang niet anders dan een embleem, en de Staten waren het laatst in 1728 samengekomen.
De oude, in 1586 gestichte universiteit, die eertijds onder het bestuur der Jezuïeten stond, is onlangs verlaten geworden, en men heeft de inrichting naar moderner gebouwen overgebracht, die in een andere wijk der stad opgericht waren.
Het uitwendige van den Dom, die onder Frederik den Derde gebouwd is, heeft niets aantrekkelijks. Een oude frescoschildering, die veel geleden heeft onder de ongunst van het weder en boven een der poorten is aangebracht, verhoogt volstrekt niet het vroolijk aanzien van het gebouw, want zij schildert de plagen, die in 1480 de stad teisterden, zooals de pest, de turksche horden, de sprinkhanen en dergelijke. Het inwendige van het gebouw, dat gewit is, en alleen wat afwisseling vertoont doordat er om de pilaren een nabootsing van tapijten is aangebracht, is streng gehouden, en alleen de gekruiste balken van de zoldering geven een idee van sierlijkheid. Op dit eenvoudige gothische bouwwerk heeft men aanhangsels in rococo-stijl geplakt, en zoo zijn de preekstoel, de gangen en het altaar toonbeelden van wansmaak geworden als voor een kermistheater.
De mooie ijzeren hekken van de kapellen zijn veel beter; dat ijzerwerk is een succes van de echte stiermarksche kunst. Aan elken kant van het koor, dat smaller is dan het schip der kerk, volgens een in die streken veel gevolgde gewoonte, staan twee groote reliekenkasten van Italiaansch maaksel, die allegorieën voorstellen uit de "Trionfi" van Petrarca, van ivoor gemaakt op ebbenhouten grond. Behalve op het groote altaar, dat beschilderd is door Ignatius Flurer, is het inlandsche schilderwerk alleen door italiaansche kunstenaars behoorlijk vertegenwoordigd. Zij werden op het eind der zestiende eeuw in het land geroepen door aartshertog Karel den Tweede en later door diens weduwe, om bij gebrek aan inlandsche kunstenaars de kerk te versieren. Het waren Giulio Licinio, leerling en neef van Pordenone, en Peter de Pomis, waarschijnlijk een leerling van Tintoretto.
Indien de barokstijl zich ertoe heeft bepaald, op de strenge lijnen van den gothischen dom wat versieringen aan te brengen, hij heeft zich vrij kunnen laten gaan in het naburige monument, dat den naam draagt van het Mausoleum. Dit is een werk van Peter de Pomis, dien we als schilder hebben genoemd, maar die, zooals veel kunstenaars uit dien tijd, ook bouwmeester was en zelfs militair ingenieur. Het Mausoleum is een klein gebouw in den vorm van een latijnsch kruis, met koperen koepels erop; de jonische gevel, die aardig versierd is, vertoont goede proporties, maar die schuil gaan onder een verwarrende menigte driehoekige en ronde frontons. Het inwendige, waar men fijn stucwerk kan bewonderen, bevat in een onderaardsche kapel het graf van keizer Ferdinand den Tweede van Stiermarken, den leerling van de Jezuïeten van Ingolstadt, die in de geschiedenis van zijn land bekend is, omdat hij er radikaal de hervorming uit heeft verdreven, wat hem echter niet zeer moeilijk viel, daar de overtuiging van zijn landgenooten niet bijzonder vast was.
Van het Franzensplein, door historische gebouwen omgeven, komt men door hellende, kronkelende straten, waar nog eenige houten huizen zijn te vinden van den stiermarkschen adel met in italiaanschen stijl gebeeldhouwde portieken, op het hoofdplein, waar men den karakteristieksten indruk van de stad krijgt door de vele oude huizen, die beschilderd zijn of versierd met arabesken in gips. Daarop ziet uit de hoogte de steile rots van den Schlossberg neer, waar de lijnen van de nog gespaarde bastions verdwijnen onder het groen bij den origineelen klokketoren, dien wij reeds als een kenmerkende aanwijzing van Gratz hebben genoemd.
Midden op dit plein staat het monument voor aartshertog Johan, die in 1859 overleden is, den zoon van keizer Leopold den Tweede. Hij had zich in het land gevestigd en riep er allerlei wetenschappelijke, economische en weldadige instellingen in het leven. Daarbij was hij een hartstochtelijk liefhebber van muziek en litteratuur, hield de oude nationale gebruiken in eere en leeft in de herinnering van de Stiermarkers voort als een nationale held, omgeven door een aureool, die aan de legende schijnt ontleend.
In een der liederen heet het: "Zie daar staat hij op een steile rots in stiermarksch costuum, daar staat aartshertog Johan nog altijd; ze zeggen, dat hij gestorven is, o God; maar voor ons, Stiermarkers leeft hij nog, zal hij altijd leven."
Hij staat hier op de markt een weinig pompeus, gedrapeerd in den mantel met lange plooien, op het hooge voetstuk, omgeven door de beelden die de vier rivieren voorstellen, de Mur, de Enns, de Save en de Drave, van waar hij neerziet op de groote regenschermen der kooplieden van fruit en groenten, met wie hij vroeger vertrouwelijk een praatje hield. Hoeveel gemoedelijker is zijn houding als peinzend Alpenjager op de schilderij van P. Krafft, die door Höffel's gravure in het geheele land zoo verspreid is geworden.
Een groot modern raadhuis, vol regelmaat en ernst, in den stijl der duitsche Renaissance sluit het plein af aan den hoek van de grootste, drukste straat in Gratz, de Heerenstraat, waar de deftige paleizen in den trant der voorname woningen aan den Ring te Weenen, meer en meer de overhand krijgen. De Groote Kerk staat aan het einde der straat met haar veel te drukke versieringen, die haar op een nogataart doen gelijken, vooral door den klokketoren, maar tevens vindt men in de Heerenstraat het interessantste huis van Gratz, het Landhaus, het gebouw der provinciale regeering.
De eenvoudige, slechts in bescheiden mate versierde gevel doet denken aan de strenge paleizen der Renaissance, met hun groote vakken, door weinige gepaarde openingen afgebroken. Al het effect wordt bereikt door de groote lijnen en door den indruk van kracht, dien de gewilde bescheidenheid maakt. De achterzijde, die aan de Schmiedgasse grenst, werd in 1531 voltooid en vertoont in de behandeling der klassieke vormen sporen van duitsch werk; maar de hoofdgevel aan de Herrengasse, in 1558 door Domenico de Lalio begonnen, toont met de grootste duidelijkheid, dat de kunstenaar te Venetië heeft gestudeerd. Het hoofdportaal, waarboven men een loggia ziet, gevormd door de groepeering van tegenoverliggende vensters, door een klein zuiltje gescheiden, is blijkbaar een herinnering aan het Canal Grande.
Vóór wij er binnentreden, zullen wij onze wapens in de vestiaire moeten afgeven, zelfs ons broodmes, want een plakkaat van 1588 bedreigt diegenen met de doodstraf, die gewapend in het Landhaus zullen binnengaan, en er rumoer of herrie maken. De binnenpleinen met booggalerijen zijn zeer interessant, klassiek, maar ietwat theatraal met hun dorische galerijen, rustend op pilaren met obelisken; dat alles doet aan decoraties denken; de bouwmeester heeft stellig aan die op linnen geschilderde werken gedacht, die de italiaansche kunstenaars deden verrijzen op feesten ter eere van hun Maecenen.
In een hoek bespeuren wij echter iets meer origineels. Dat is de overdekking van een put, een soort van bronzen zomerhuisje, als die woorden, waarvan het eene aan lichtheid en het andere aan kracht doet denken, te zamen genoemd mogen worden. Hier voorzeker gaan ze samen, zoo gewillig heeft het brons zich geschikt naar alle luimen van den kunstenaar, zoo fijn en teer zijn de verbingen en de spijltjes van het opengewerkte koepeltje, waar de liefdegodjes op dolfijnen spelen in de krullen van het lofwerk, zoo dun zijn de zuiltjes, door satyrs gedragen, waarop éénarmige nimfjes balanceeren.
Dit merkwaardige stuk werd in 1590 uitgevoerd door de burgers van Gratz, Thomas Auer en Max Wening, en doet de inlandsche kunst alle eer aan. Terecht laat een geharnast ruiter de panthervlag van Stiermarken boven zijn hoofd vrij uit waaien. Op den muur naast den put herinnert een gedenkplaat eraan, dat de groote sterrenkundige Kepler te Gratz verblijf hield van 1594 tot 1606. Hij was uit Tübingen erheen geroepen, om wiskunde te onderwijzen, trouwde in het land, maar moest, daar hij de leer der Hervormden was toegedaan en men dien godsdienst in Stiermarken niet gunstig gezind was, het land verlaten, dat hem als een nieuw vaderland lief was geworden.
Aan het Landhaus grenst een smal zeer typisch gebouw, het Arsenaal of Tuighuis. Het is van 1642 tot 1644 gebouwd door Adam Wundegger en heeft een belangwekkenden hoofdingang, geflankeerd door twee nissen, waar de eenigszins gemaniëreerde beelden van Mars en Bellone staan in decoratieve houdingen, die van den italiaanschen invloed getuigen. Wat van het arsenaal in Gratz iets eenigs maakt in zijn soort is, dat het geen museum is, geen kunstmatige opeenhooping van ongelijksoortige voorwerpen, onttrokken aan hun natuurlijke omgeving, maar dat het 't wapenmagazijn der stad is, juist zooals het op het eind der zestiende eeuw in gebruik was, toen de Staten er de noodige wapens bijeenbrachten, die benoodigd waren voor het contingent, dat zij in den strijd tegen de Turken hadden op te brengen. Er zijn daar meer dan 28.000 voorname nommers, methodisch gerangschikt in lange zalen.
Hoewel het hoogst interessant is, zoo de merkwaardigheden op hun eigen plaats te zien, toch moet men niet verzuimen, het museum een bezoek te brengen, namelijk het Johanneum, zoo genoemd ter herinnering aan aartshertog Johan, en gehuisvest in een elegant gebouw, dat in 1895 werd ingewijd. De belangrijkheid van dit museum is vooral gelegen in zijn verzamelingen van cultuurhistorischen aard en in wat het aan voortbrengselen van kunstnijverheid bezit.
Men vindt er kamers met prachtige lambrizeeringen, als in de eerezaal van het kasteel Radmannsdorf in Weiz, van 1564; of bescheidenlijk gestoffeerd, als dat boereninterieur, waarvan de groote kachel met een bank eromheen het hoofdmeubel is en dat 's avonds alleen verlicht wordt door een brandend stuk hout aan een ijzeren staaf gebonden; of gemaniëreerd, als het rococosalon met japansch schilderwerk op de paneelen. Verder zijn er reuzenkachels van porselein; fijne clavecimbalen, die de voorloopers onzer piano's waren; allerlei ander huisraad van onze vernuftige voorvaderen, zooals bij voorbeeld dat braadspit, dat bewogen wordt door den rook uit den schoorsteen. En dan historische merkwaardigheden, als de koets van keizer Frederik den Derde, een lange karos met gotische bogen, gebeeldhouwd, verguld en beschilderd; merkwaardige voorwerpen van goud en zilver, zooals een vrouwehaarvlecht van zilver, afkomstig uit de veertiende eeuw, die als zwaarwichtige herinnering door den weduwnaar om den hals werd gedragen; de beker van den Landschadenbund, een meesterstuk van augsburgsche goudsmeedkunst uit het einde der zestiende eeuw; de zegelpers van de Landhausvergadering met den panther van Stiermarken erop en versierd met geëmailleerde schilden en fijn filigraanwerk.
De heuvels en bergen rondom Gratz, die het dal der Mur omsluiten, vormen een aantrekkelijk kader voor de mooie stad. De Franschman, altijd galant, heeft haar eens genoemd, la ville des Grâces a la rivière de l'Amour. Rondom de vlakte van het Gratzer Feld, die in het Noorden afgesloten wordt door de hooge Alpenketenen, licht een dichte opeenhooping van heuvels en dalen, vol schilderachtige hoekjes tusschen weiden en bosschen, die als een mantel de hellingen bedekken, bezaaid met witte kerkjes, pelgrimsoorden, als Maria Trost en Maria Grün. Het zijn ook alle geschikte plaatsen voor uitstapjes, een aantrekkelijkheid dus voor de vele burgerlijke en militaire gepensionneerden van de Oostenrijksch-Hongaarsche monarchie, die deze stad bewonen en haar den schertsenden naam Pensionopolis hebben bezorgd.
Onder de vele kasteelen, die om Gratz verspreid zijn, is het belangrijkste het slot Eggenberg, met de stad verbonden door een prachtige kastanjelaan. Het is een zwaar bouwwerk uit de zeventiende eeuw, met roode daken en een menigte vensters, juist zooveel, heet het, als het jaar dagen heeft. De groene luiken dier vensters steken scherp af tegen de gele pleisterkalk. De familie van Eggenberg, een der oudste van Stiermarken, maar die thans is uitgestorven nadat zij uit in den adelstand verheven kooplieden der vijftiende eeuw was ontstaan, heeft aan Oostenrijk een heele reeks staatslieden en veldheeren geleverd. De bekendste is Ruprecht von Eggenberg, die in 1503 den bloedigen slag bij Sissek won op de Turken, toen dezen viermaal talrijker waren dan hun tegenstanders, terwijl de veldheer van Oostenrijk hen tot den laatsten man in de Kulpa dreef. Toen de Franschen Gratz in 1809 belegerden, vestigde Macdonald zijn hoofdkwartier op het slot Eggenberg.
Boven Gratz loopt de Mur nog eenigen tijd in Stiermarken door een breed dal tusschen met wijnbergen begroeide heuvels. Dichtbij het punt, waar zij Hongarije bereikt, verheft zich boven op een hooge, steile bazaltrots het kasteel Riegersburg, een wonderlijk complex van bastions, binnenpleinen en geheime poorten, alles bedoeld als verdediging tegen Turken en Hongaren. Het gebouw kreeg zijn uitgebreidheid pas in de zestiende eeuw tijdens het beheer van een vrouw, die een merkwaardigen zin voor bouwen had.
Dat gedeelte van Stiermarken, dat ten zuiden van het Murdal is gelegen, omvat hoeken van de dalen der Drave en der Save, welke laatste het van Krain scheidt. Daar de groote inhammen van de hongaarsche vlakte er diep in doordringen, is het, zoowel uit natuurkundig oogpunt als wat de bevolking aangaat, zeer verschillend van Boven-Stiermarken, waaraan het alleen door het toeval der staatkundige grensregelingen is verbonden en dat duitsch, niet, zooals het Zuiden, slavonisch is.
Marburg, waar admiraal Tegetthof, de held van Lissa geboren werd, is er feitelijk de voornaamste stad van; maar Cilli is het centrum van de slavonische politieke verlangens. Die stad, waar, toen zij nog Celeja heette, de proconsuls Pertinax, Septimius Severus, Valerianus en Aurelianus resideerden, voor ze keizers werden, heeft nog andere dan romeinsche herinneringen.
De macht der graven van Cilli groeide in de veertiende eeuw snel aan en ging echter spoedig te niet in de vijftiende. Herman de Eerste huwde de dochter van den koning van Bosnië; zijn neef Wilhelm trouwde met de dochter van den koning van Polen, Casimir den Groote, en zijn dochter besteeg den troon van Polen als echtgenoot van den eersten der Jagellonen, Wladislaw. Diens zoon, Herman de Tweede, was de gunsteling van den hongaarschen koning Sigismund, in 1410 tot koning gekozen, die met zijn dochter Barbara trouwde en haar met voorrechten overlaadde.
Maar daarna neemt de geschiedenis een tragische wending. De oudste zoon van Herman den Tweede, Frederik, doodde zijn vrouw, om een adellijke jonkvrouw uit Kroatië, Veronica, te trouwen. Zijn vader liet hem in de gevangenis werpen en was voornemens hem te onterven. Intusschen stierf zijn tweede zoon door een val van zijn paard, en daar de koning van Bosnië hem zijn kroon had nagelaten, moest hij zich met zijn oudsten zoon verzoenen. Maar eerst wilde hij zich van Veronica ontdoen. De jonge vrouw ontvluchtte en leidde in de bosschen een zwervend leven. Men maakte zich van haar meester en trachtte haar als toovenares veroordeeld te krijgen onder beschuldiging, dat zij den graaf behekst had. Toen de rechters geen bewijzen tegen haar in handen konden krijgen, liet graaf Herman haar in het bad verdrinken. Nadat dit bezwaar uit den weg was geruimd, verzoende hij zich met zijn zoon Frederik, die bij zijn dood door keizer Sigismund tot den rang van rijksvorst werd verheven. De zoon van Frederik, Ulrich de Tweede, die ertoe had bijgedragen, dat de jonge Ladislas tot koning van Hongarije was verkozen, een zoon van keizer Albert den Tweede, zette het kind geheel naar zijn hand en nam de eerste plaats in het rijk in. Hij werd te Belgrado vermoord door een zoon van zijn doodsvijand, Johan Hunyados. De heraut riep op zijn graf driemaal uit: "Vandaag nog graaf van Cilli en voortaan nooit meer!" Hij brak het schild met het wapen, en het huis Cilli had opgehouden te bestaan.
Laat ons op onze schreden terugkeeren en naar Boven-Stiermarken gaan, waar we minder historische herinneringen zullen aantreffen, maar een schilderachtiger natuur, ook grootscher landschappen, en waar we ons in het echte hart van Stiermarken bevinden. Wij hebben bij Bruck het dal verlaten, waarin tot nu toe de Mur vloeide, om met de rivier ons te begeven naar de kloven, leidend naar Midden- en Beneden-Stiermarken. Daarna komen wij in dat dal terug, als we de oevers van de Mürz volgen, die er dan door stroomt.
Het landschap vervult nog niet de gedane beloften. Het dal is breed, bebouwd, omgeven door middelmatig hooge bergen en wordt door talrijke dalen, die een eentonige reeks beboschte driehoeken vormen op de hellingen, doorsneden. Men krijgt nog geen vermoeden van de schoonheden van het hooge bergland, want om die te vinden, moest men de dalen aan den linkerkant hoogerop volgen.
De streek, waar wij nu zijn, is rijk aan legenden. Daar ligt op een bergtop het pelgrimsoord Rehkogel, waar een herder in het bosch geiten geknield vond liggen voor een beeld van de Moeder Gods. Te Krieglach dreef er eens een kruikje met het portret van den H. Jacobus op het meer, dat toen nog het dal vulde, en op de plek, waar het kruikje aan land spoelde, werd een kapel gebouwd. In een naburigen berg hoort men steeds een kindje schreien, dat door de moeder verlaten werd. Deze had in een grot hoopen goud en kostbare steenen gevonden, waardoor ze haar kind vergat en de plaats niet kon terugvinden, waar ze het gelaten had. Ginds is een rots, genaamd de Teufelstein, basis van een toren, dien de duivel eens wilde bouwen in den Kerstnacht en die tot den hemel reiken zou, een onderneming, die jammerlijk mislukte.
Hier in de buurt zijn ook nog overblijfselen te vinden van versterkingen tegen de Turken. De Fischbacher Alpen zijn inderdaad de kam van het naar Hongarije afdalende bergland; de Raab en zijn zijtakken dalen ervan af naar de vlakte. Men vond er vroeger een reeks kasteelen en "tabors". Men noemde tabor een kring van huizen rondom een kerk, en ingesloten door een muur met schietgaten en door een gracht. De bevolking zocht daarbinnen een schuilplaats, als de ottomaansche benden aanrukten.
In dit land van de Raab verrijst ook het oude klooster Vorau, gesticht in 1163, waarop de aandacht der paleografen is gevestigd door de vondst van de Keizerkroniek, een rijmkroniek uit de twaalfde eeuw, en waar men nog veel andere documenten vindt, die van waarde zijn voor de geschiedenis van het land.
Dichtbij Krieglach staat de Kluppeneggerhof, waar Rosegger in 1843 geboren werd, de nationale stiermarksche dichter en schrijver, die met fijne opmerkingsgave den bergbewoner van zijn land heeft geschilderd en daardoor gelegenheid heeft gevonden voor het teekenen van zooveel aardige, typische tooneeltjes, vol karakteristieke trekjes, nog interessanter gemaakt door het dialect, waardoor hij een der origineelste schrijvers van Oostenrijk is geworden. Dat dialect is door hem tot den rang van schrijftaal gerezen en er verschijnt daarin sedert 1876 ook een maandblad "Der Heimgarten", waarvan Rosegger redacteur is.
Stiermarken is door aartshertog Johan, die het land goed kende, genoemd het land van hartelijkheid en gemoedelijkheid. Het is ook een land van dans en vroolijkheid, waar de paren zwieren bij de muziek van het "Hackbrett" een snaarinstrument, dat met twee hamers bespeeld wordt, en de stiermarksche volksdans heeft ver de grenzen van zijn vaderland overschreden en is in de internationale opera's te huis. De dans voert den zang in zijn gevolg, en Rosegger heeft eens aldus de prijzen uitgereikt aan de landen der Oostenrijksche Alpen: Stiermarken gaat voorop met de dichtkunst, dan volgt Karinthië met muziek en daarna Tirol met beeldende kunst. Het bergland trilt van de liedjes van de Alm, die houthakker, jager en strooper zingen en die tot tal van nabootsingen hebben aanleiding gegeven, zoodat Rosegger, die het beroemdst is geworden, niet alleen staat.
Maar zullen die originaliteit en die eenvoudige gevoelens lang bestand zijn tegen de invasie van toeristen en Zondagsgasten?
Hoewel wij nog 130 kilometer van Weenen verwijderd zijn, begint de groote stad toch al haar makers van uitstapjes hierheen te zenden, en tal van treinen brengen massa's toeristen naar Mürzzuschlag. Des winters is het een centrum voor de skisport, die er zachte, bijzonder geschikte hellingen vindt, en jaarlijks hebben er wedstrijden plaats, internationale zelfs, die een aantal mededingers lokken, tot zelfs uit Noorwegen.
Te Mürzzuschlag verlaten wij de Mur, maar volgen toch nog steeds de inzinking in het bergland, die we bij het begin der reis gekozen hebben. Nu vloeit er de heldere beek, de Fröschnitz, door een landschap, dat met weiden en bosschen een echt Alpenkarakter heeft. De bedoelde kloof loopt stijgend voort tot aan den Semmering, waar het bergland zich verbrokkelt in Beneden Oostenrijk, maar men kan haar dan nog volgen door het dal der Leitha. De Alpen zijn er ten einde, want zij zenden slechts een zeer onbeduidend takje als Wienerwald tot aan de poorten der hoofdstad en de oevers der Donau.
De Semmering, die zooals wij zeiden tot het gebied van Weenen behoort, is te cosmopolitisch geworden, dan dat wij er ons lang behoeven op te houden, en als wij dan ook op onze schreden terugkeeren, vinden we in het bovendal der Mürz een echt stiermarksche streek met het dorp Neuberg, welks huizen gedrukt worden door de aanwezigheid van een hooge kerk zonder toren, oprijzend uit een groep gebouwen van kloosterachtig aanzien.
Dat is inderdaad een Cistercienser klooster, gesticht in 1327 door Otto den Vroolijke, wiens naam een droevige tegenstelling vormt met het treurig lot van zijn broeder Frederik den Schoone, hertog van Stiermarken. Deze was eerst voor de keizerlijke waardigheid bestemd, maar hij werd verslagen en gevangen genomen bij Mühldorf door zijn mededinger Lodewijk van Beieren. Ten gevolge van dien tegenslag werden zijn haren plotseling grijs, zegt de kroniek, en zijn vrouw werd blind van het vele schreien. Het klooster werd in 1783 geseculariseerd door Jozef den Tweeden, en de binnenpleinen, die openbare doorgangen zijn geworden, zoowel als de groote gewitte gangen, waarop de deuren uitkomen van woningen en kantoren, zien er verwaarloosd uit als dingen, die niet meer voor hun ware bestemming worden gebruikt.
Die indruk van verwaarloozing blijft iemand ook bij onder de hooge gewelven van de kerk, die tegen het einde van de vijftiende eeuw voltooid werd onder keizer Frederik den Derde. Alles is er vervallen en koud en vochtig. De proporties zijn mooi, en aan de onderdeelen is indertijd veel zorg besteed. In stoffige hoeken ziet men resten van oude pracht, bij voorbeeld een prachtig gothisch doopvont, een merkwaardigen stoel met troonhemel, de portretten van de stichters der kerk, maar alles dooreen en ongeordend in het ruime schip der kerk zonder koor of zijbeuken.
II.
Jacht in Stiermarken.--De bedevaart van Maria Zell.--De Hochschwab.--Metalen in Stiermarken.--IJzererts.--Het Gesäuse.--De Admont-abdij.
Wij zullen nu een der wegen volgen van de bedevaartgangers van Maria Zell en in dat deel van Stiermarken, waar nog geen spoorwegen zijn, een bezoek brengen aan het beroemde heiligdom. Wij willen intusschen niet zoo trouw de pelgrims volgen, dat we te voet gaan, als die lange slierten bergbewoners op bloote voeten, die, naar het heet, soms als penitentie erwten of stukjes glas in de schoenen hebben en een zwaren zak op den rug of op het hoofd, en die wij langs den geheelen weg zullen zien, onder het zingen van liederen langzaam hun doel naderend, zonder zich om het weder te bekommeren, terwijl ze aan de twijfelzieke moderne wereld den roerenden en troostenden aanblik van het geloof aanbieden.
Wij hebben meer haast dan die pelgrims, en het stortregent. Dus huren we een stevige stiermarksche kales, en daar gaat het voort op den weg naar Mürzsteg. Een gedenkplaat op de rots van den Calvariënberg roept ons den populairen aartshertog Johan in de herinnering. De rook van de hoogovens van Neuberg is niet te onderscheiden achter het gordijn van regen, en wij rijden snel het Stiermarken der jagers binnen. Te Mürzsteg ontmoet men een keizerlijk jachtslot met in den gevel den verplichten hertekop. De herbergen, zelfs de meest bescheidene, hebben dat teeken, en als men in de "mooie" kamer komt, vindt men die onveranderlijk versierd met jachttrofeeën, welke gegroepeerd zijn om het portret van aartshertog Johan. Te Krampen reden we over een met moeite aangelegden weg, die naar een zeer hoog gelegen jachtslot voerde te midden der ondoordringbare bosschen van Nassköhr. Herten, gemzen, korhoenders hebben een veilige schuilplaats gevonden in die van de wereld verafgelegen kloven, en het jachtgebied of Revier van Mürzsteg is overrijk aan groot en klein wild.
Stiermarken is het echte land der groote jachtpartijen. De eigenaars der terreinen zenden heinde en ver uitnoodigingen voor de gemzen- en de hertenjacht. Zij vragen de ambtenaren, den predikant, den schoolmeester en de welgestelde boeren. De overige bewoners der streek doen als drijvers dienst, en zoo begrijpt men, dat de liefde voor de jacht den Stiermarker in het bloed zit en dat de volksliederen er vol zijn van den gemzenjager, die opklimt naar den Gemsberg. De aanzienlijken geven het voorbeeld, en de keizer zelf verzuimt nooit zijn jaarlijksch bezoek aan Stiermarken voor de jacht.
Het regent nog steeds, en de Hohe Veitsch verbergt zich in den nevel, waardoor wij alleen het naastbijzijnde zien. Het Scheiterbodendal, dat wij nu volgen, wordt smaller en smaller en is eindelijk niet meer dan een kloof met prachtig begroeide rotsen. Midden op den weg komt een breede waterstraal uit een spleet in den rotswand op ongeveer vijftig meter boven het dal, en stort zich in de Mürz onder schuimend uiteenspatten op de rotsen. Een houten trap met treden, die door het slijk glibberig zijn geworden, voert een eindje in de geheimzinnige duisternis van de spleet. Een grafkruis geeft iets lugubers aan deze plek, waar het donderend geraas van den waterval nooit ophoudt. Enkele passen verder had een ongeluk met haar paard bijna het leven gekost aan keizerin Elisabeth in 1883. De edele vrouw bleef toen bewaard, om later onder het mes van een moordenaar te vallen.
De donkere vallei, waar eens zeker een spoorweg door zal loopen, om de scharen pelgrims naar Maria Zell te brengen, loopt uit in een diepte, waar alles groen is en waar de kleine protestantsche gemeente Frein aan den voet van den Hohen Proles en den Hohen Student is gelegen. Bemodderde voetgangers, allen bedevaartgangers, de vrouwen met hoog opgeschorte rokken, stappen over de vuile dorpsstraat. De bosschen rooken, en de wolken hangen laag op de hellingen. Groen Stiermarken wordt al groener en groener, ook door den regen, die zijn deel heeft aan de frissche tinten.
Het dal, waardoor wij langzaam stijgen naar een pas, is geheel met een groen tapijt bekleed. Geen veld, geen rots, geen stukje grond, of het is een deel van de groote symphonie in groen. Alleen de hemel, die met grijze wolken is bedekt, steekt af bij de algemeene hoofdkleur.
Nu hebben wij den weg bereikt, die van het station Kernhof, het dichtst bij Maria Zell gelegen, naar de bedevaartplaats leidt. Het uithangbord van een herberg leert ons, dat wij de grens van Beneden-Oostenrijk naderen, en toen we stilhielden, kuste een oude bedelaar ons de hand met zijn zwaren, natten knevel. Dit is hier het dal der Salza, waardoor wij in enkele dagen dat der Enns zullen bereiken, de tweede hoofdader van Stiermarken naast de Mur.
Nog één steile helling, waar telegraafpalen aantoonen dat we beschaafder streken naderen, en we zijn boven Maria Zell, dat over de berghelling verspreid ligt en een prachtig ruim uitzicht geniet over wijde, groene golvingen. De kerk trekt dadelijk de aandacht, ofschoon groote moderne hotels er rondom heen verrijzen, zoodat zij niet meer als vroeger boven nederige hutten troont.
Die kerk, die zoo eerbiedwaardig is uit het oogpunt van het geloof, is zeer leelijk uit aesthetisch oogpunt. Men is op het crimineele denkbeeld gekomen, haar gothische spits te omlijsten met twee vierkante torens met toscaansche pilaartjes en leelijke rococo-daken, en daarachter verrijst een soort van duiventil in cilindervorm, waaruit men ieder oogenblik de vluchten witte duiven denkt te zullen zien uitvliegen.
Er blijft ons slechts één troost, namelijk een prachtig paneel in het hoofdportaal, het eenige voorbeeld van naïeve kunst, dat ontsnapt is aan de beeldstormers van de Renaissance. Het stelt voor den slag aan de Maritza, waarin koning Lodewijk van Hongarije de Turken, of liever de Hongaren, hun bondgenooten, versloeg. Het onderwerp is met een merkwaardige levendigheid behandeld, en boven een verwoed gevecht waait de standaard met het kruis van Hongarije. Naast dit tooneel van strijd troont de Heilige Maagd rustig in den hemel, terwijl de koning in geknielde houding haar het beeld overreikt, dat zijn wensch symboliseert. En daar er iets fantastisch moet wezen bij een voorstelling uit de Middeleeuwen, iets, dat aan magie herinnert, wordt een hoek van het paneel ingenomen door een onbegrijpelijke nabootsing van den duivel.
Al zijn er buiten aan de kerk nog sporen overgebleven van de gothische kerk uit het eind der veertiende eeuw, toen de zegevierende koning van Hongarije haar liet bouwen, wiens standbeeld vóór den ingang tegenover dat van markgraaf Hendrik van Moravië staat, van binnen is al het oude geheel verdwenen, zoo zelfs, dat men meende, dat alleen de middentoren van den gevel van het oude gebouw was overgebleven, totdat een kundig archaeoloog, professor Petschnigg, bewees, dat de oude kerk opgenomen was in de kerk van de zeventiende eeuw.
De slanke gothische pijlers zijn in de zware moderne pilaren opgenomen en het oude schip is verbreed en langer gemaakt. Wel heeft het inwendige van de kerk, waarvan de Italiaan Sciassia in 1644 de herstelling begon, iets grootsch en indrukwekkends door de wijde ruimten, de breede lijnen en de goede proporties; maar men moet zich wel met smart te binnen brengen, dat de arme, oude gothische kerk, die al het verledene heeft bijgewoond en die zoo luid tot onze verbeelding zou hebben gesproken, ingemetseld is als de personnages uit sommige legenden in de pilaren van deze pompeuse kerk, die wit en crême is als een salon, en vol geschilderde medaillons als aan den wand hangende schilderijen. Zoo wij er al geen pleizier aan hebben, deze weelde van slecht allooi boeit de goede bergbewoners, wier onder tucht staande groepen, blootsvoets en met hun bagage op den rug in alle richtingen door het kerkgebouw schrijden, terwijl de beelden van de Moeder Gods voor de processie uit gedragen worden.
Het middelpunt van de processies en de gebeden is de Gnadenkapelle, een gothisch gebouwtje, waarvan de kolommen zonder twijfel vroeger, behalve aan den voorgevel, door wanden van echt marmer verbonden waren. Over den voorgevel loopt een traliewerk van zilver, een gift van keizer Frans den Eerste van Lotharingen en zijn vrouw Maria Theresia. Daarboven ziet men een versiering van schelpwerk, waar borstbeelden tegen uitkomen, die men houdt voor die van koning Lodewijk van Hongarije en zijn vrouw. Achter in dit heiligdom van een barbaarsche pracht staat op een zilveren altaar, in een met goudborduursel en zilveren pailletten getooid kleed, de wonderdoende Maagd, die door de kracht van het geloof, dat bergen verzet, maar hier bergen doet overschrijden, de vrome menigten aantrekt uit alle vier hoeken van de Oostenrijksche monarchie. En in onze gedachten zien we hen allen door regen en sneeuw, over de moeilijkste bergpaden naar dit lichtend punt, deze ster der wijzen samenkomen. Het middelpunt dier machtige aantrekking is een beeld, uit lindenhout gesneden, slechts 47 centimeter hoog, op gouden grond geverfd in bonte kleuren. Volgens de legende is het beeld afkomstig uit de cel (Zelle) van een kluizenaar-priester, die met nog vier anderen omstreeks 1147 door de abdij van Sint Lambrecht was uitgezonden, om aan de herders van deze bergen het Evangelie te verkondigen.
De kerk zelve heeft niets bijzonders dan enkele mooi bewerkte ijzeren hekken en het groote altaar, waarboven men een wereldbol ziet van zilver, waaromheen zich de symbolische slang slingert. Ook is er een hoog ebbenhouten kruis met de zilveren beelden, in natuurlijke grootte, van den Vader en den Zoon, geschonken door keizer Karel den Zesde. Voor het altaar staat een zuil met het beeld der Maagd, waar de bedevaartgangers op de knieën omheen moeten gaan. Op de bovengalerijen zijn de muren behangen met ex-voto's en schilderwerk, dat de wonderen voorstelt.
In de schatkamer zijn, als in een soort van museum, allerlei interessante zaken bijeen gebracht, bijvoorbeeld een schilderij van Maria, gegeven door koning Lodewijk van Hongarije, dat, naar men meent, op zijn huisaltaar stond. Het schilderwerk van dit beeld doet denken aan de school van Giotto; de achtergrond is van blauw émail, met gouden leliën bezaaid, en de zilveren lijst is een mooi stuk zilversmidswerk. Er zijn ook kerkelijke gewaden, waarvan enkele aan Matthias Corvinus worden toegeschreven, dan een ivoren diptiek uit de veertiende eeuw, ook van dien vorst ontvangen.
Geheel Maria Zell is maar een aanhangsel van de kerk; de hotels en herbergen zijn er slechts om de pelgrims te logeeren, en in de winkels spelen vrome prenten en beelden de hoofdrol. Lange rijen winkeltjes, waarvan de nieuwste van ijzer, vormen een echte markt van kerkelijke voorwerpen. De oude houten winkeltjes waren in 1827 de aanleiding tot een brand, die bijna het geheele dorp verwoestte.
Het is een curieus gezicht, de boerinnen met haar wijde rokken en bonte doekjes, vol eerbied met gevouwen handen en wijd geopende oogen, kijkend naar al die vrome pracht van goedkoop klatergoud, en ze dan even daarna waar te nemen, al dingend om de prijzen wat lager te krijgen, terwijl men in de verte de liederen der processie hoort, die onophoudelijk met wapperende banieren door het dorp trekt.
Wij zullen, om weer in de buurt van den spoorweg te komen, nog lange einden te voet en per rijtuig moeten afleggen, maar het gaat door een streek, welker schoonheid ons de lengte van den weg zal doen vergeten.
We gaan langs den voet van den Hochschwab, een interessant kalkgebergte, waar men een modelhoeve kan zien, die daar aan den oostelijken voet werd opgericht door aartshertog Johan, om in deze achterlijke streek de menschen op de hoogte te brengen van de verbeteringen in den landbouw.
Ook is dit de klassieke streek van de gemzenjacht. Het is een moeilijk bedrijf; dat blijkt al uit de uitrusting van hen, die wij ontmoeten. Zooals zij daar gaan met den Alpenstok in de eene hand, het geweer in de andere, om de schouders een lap vilt met een gat erin voor het hoofd, de kuiten in kousen van grove wol en schoenen met enorme spijkers, lijken ze meer op roovers dan op ordentelijke jagers. Ze vertellen ons niettemin zeer vriendelijk, dat er morgen een groote jacht zal zijn, en dat als wij op die en die plaats gaan staan, wij de gemzen zullen kunnen zien voorbijkomen.
De gems is hier geen legendarisch dier zooals in Zwitserland; integendeel, men ontmoet er soms troepen van 50 tot 100 stuks, en als ze niet gejaagd worden, kan men ze wel eens tot op vijftig pas naderen.
De jachtverblijven van den hertog van Parma, van prins Hohenlohe en anderen volgen elkander op in het dal der Salza, en hertengeweien zijn het sieraad van elke herberg.
Uit het dal der Salza gaan we over den pas van de Eisenerzer Höhe te voet naar Eisenerz. De aankomst te Eisenerz, dat zeer hoog boven het dal is gelegen, is treffend. Een nieuw Stiermarken doet zich daar aan ons voor, het metaalhoudende Stiermarken. Beneden in het dal verrijzen de hooge schoorsteenen van de fabrieken en de kolossale forten, waarop de hoogovens gelijken, terwijl de met erts beladen treinen onophoudelijk langs de hellingen rijden. Maar boven die drukte in de diepte liggen de groene weiden, en weer hooger de zone van dichte wouden, terwijl op dat alles neerzien de hooge, edele bergreuzen, de Kaiserschild, de Wildfold, die een bekroning zijn, waarvan de majesteit al het rumoerige en vuile werk der menschen doet vergeten. Men komt hier tot het besluit, dat de industrie alleen de middelmatige landschappen kan bederven, maar dat zij niet vermag, de grootsche aspecten der natuur te ontsieren.
Een hooge, roodgekleurde berg met afgeronde vormen en gestreept als door treden, die donkerder schijnen in het licht der ondergaande zon, steekt af bij al het groen van het landschap, het is de Erzberg, symbool van den metaalrijkdom van het land. Die waardevolle berg bestaat geheel uit mineralen, en reeds sinds eeuwen zijn de menschelijke mieren op zijn flanken aan het graven en wroeten, knagen den berg methodisch af, en zoo de menschheid, zooals waarschijnlijk is, voortgaat ijzer noodig te hebben, zal de berg ten slotte geheel zijn opgebruikt. Aan den voet liggen, dicht opeengehoopt, de oude huizen van het ouderwetsche stadje Eisenerz onder bescherming van de kerk, die op een fort gelijkt.
Dat antieke stadje is herhaaldelijk door plagen geteisterd, door branden, pest, godsdienstoorlogen; maar het stond altijd in groote gunst bij de vorsten, die de economische beteekenis ervan begrepen. Maximiliaan de Eerste gaf het plaatsje zijn privileges, die verbrand waren bij den grooten brand van 1492; Jozef de Tweede kwam zelf in een der mijnen de mijnboor hanteeren. Toen de Franschen er viermaal doorgetrokken waren tusschen 1800 en 1809, en er aan de bevolking zware belastingen hadden opgelegd, waarvan de onaangename herinnering nog bewaard gebleven is in den naam van een berg, die Franzosenbüchel heet, ging Frans de Eerste zijn volk troosten bij die nieuwe beproeving. De overlevering van die vorstelijke bezoeken leeft nog in onze dagen, en de oude residentie van de graven van Eisenerz, de Kammerhof, is in een keizerlijk jachtslot veranderd.
De oude gemeentekerk van Sint-Oswald heeft al die gebeurtenissen overleefd, die zij van hoog standpunt heeft zien gebeuren; zij staat op een vooruitspringend gedeelte van den Erzberg boven de oude boomen van het door haar behoede stadje. Er hiermee wordt niet alleen bedoeld de moreele bescherming, waarvan Luther zingt in zijn Eine feste Burg ist unser Gott; maar feitelijk is de kerk omgeven door een muur met groote, ronde torens, zoodat het een echt fort is, waar alle bewoners geborgen konden worden bij de eerste verschijning der turksche horden. Het oude heiligdom, reeds in 1190 vermeld, herbouwd onder Rudolf van Habsburg, vergroot onder Frederik den Derde, en versterkt in 1482, is nog eens gerestaureerd onder Maximiliaan den Eerste, zoodat het een zeer geavanceerd gothisch karakter heeft. De orgeltribune en de gewelven waarop zij rust, herinneren zelfs aan de Renaissance.
Een andere toren, op vierkanten voet en met een puntig dak, beheerscht het dorp aan den anderen kant van het dal. Dat is de Schichtthurm, welks klok vroeger de uren van de Schicht sloeg, dus de tijd van het neerdalen in de mijn. Van daar heeft men een goeden kijk op de eigenaardige ligging van Eisenerz, en men staat er vlak tegenover den berg, die in trappen is uitgehouwen en met welks vernieling steeds legioenen van arbeiders bezig zijn.
Boven op den berg staat een kolossaal kruis, aan welks voet een groot medaillonportret is te zien van ... ik behoef het wel nauwelijks te zeggen ... aartshertog Johan. Het is een eigenaardige tocht van daar naar beneden naar Eisenerz langs de reuzentrap van de mijnwerken, te midden van het rollen der treinen met erts, die in alle richtingen den berg doorkruisen, het klinken der signalen, het geluid der houweelen en hamers, het gedonder der ontploffingen, dat door de echo's wordt herhaald, en het gegons van den menschelijken bijenkorf, met de vernieling van den ijzerberg bezig.
Nu en dan brengt een bosch, een weide of een dichterlijk kapelletje wat afwisseling. Zoo is er de kapel van Sint Barbara, waar men u de Wonderstufe laat zien, een stuk mineraal, waarin bereidwillige oogen een beeld van de H. Maagd aanschouwen in een stralenkrans.
Op een uur afstands van die drukte van de industrie kan men, ook wel per spoor, het meer Leopoldstein bereiken, een juweeltje, dat omsloten wordt door het Münichdal, rechts van het dal der Erzbach, waarvan het gescheiden is door een lagen heuvel, die het middeleeuwsch kasteel draagt van hertog Arnoud van Beieren. De oevers van het meer zijn een heerlijk rustoord in een prachtige omlijsting. Het water is in den zonneschijn blauw als dat van de Middellandsche Zee, en het weerkaatst een zwaren muur van rotsen, de Seemauer, en den trotschen top van den Pfaffenstein. Men kan een aangename wandeling doen, als men den oever van het meer ziet glanzen onder het zachte zuchten van den wind. Laat echter de wind eens tot storm opsteken, en zwarte wolken hangen boven het diepe meer, dan verdwijnt alle vroolijkheid uit het landschap en als sinistere reuzen staan de rotsmuren in het rond; het geheel krijgt een tragisch aanzien, en de schipper, die met zijn boot door den storm wordt overvallen, is ver van veilig op dit watervlak van vijftig hectaren, waar de stormen vreeselijk kunnen woeden, maar dat in een volgend oogenblik weer lacht in den zonneschijn.
Als wij de Erzbach stroomaf volgen, komen we in het dal der Enns, waar nog indrukwekkender natuurtooneelen ons wachten. Over een lengte van vier mijlen wringt zich die stroom door een diepe kloof in het kalkgebergte; al springend doet hij hoog het schuim opspatten en laat een klagenden toon hooren, als het snelstroomende water zich voortspoedt tusschen de van de rotswanden neergestorte blokken. Vandaar de naam Gesäuse.
De gewone weg en de spoorweg hebben toch kans gezien, binnen te dringen in de diepe, smalle kloof, al moeten zij telkens van de eene naar de andere zijde overspringen. Na elke tunnel krijgt men een nieuw en altijd imposant landschap te zien, en het zou heiligschennis zijn, zich tevreden te stellen met wat men ervan uit de raampjes van den spoorwagen kan bespeuren. Ieder, die de mooie natuur weet te waardeeren, is verplicht, bij het station Gstatterboden, dat halfweg de mooie route is gelegen, den trein te verlaten.
Daar verheft zich in zijn onmiddellijke nabijheid een steile berg, zooals hij er nooit een op het perron van een spoorweg zoo dichtbij zal hebben aanschouwd. De gezichtslijn vormt, als men naar den top kijkt, een hoek van 35 graden, 50 minuten, wat op een respectabele steilte wijst.
Die top, de Planspitze, die in het kalkgebergte is uitgespaard, rijst wit omhoog uit een dicht groen plantenkleed en beheerscht de rivier, waarboven hij zich 1500 meter verheft. Hij schijnt onbestijgbaar en het heeft dan ook lang geduurd, eer men hem had vermeesterd. Wanneer men echter zeer nauwkeurig let op een richel, die aan den linkerkant van den reus er langs loopt, en waar zich langs den trotschen muur een waterval naar beneden stort, zal men met goede oogen een heel smal paadje ontdekken, dat den formidabelen top beklimt, en welke verschrikkelijke steilte den eenvoudigen toeschouwer beneden in het dal al duizelig maakt. Hier herkent men het stoutmoedige werk van de Alpinisten. En inderdaad is dat pad in het leven geroepen door de Alpenvereeniging "Ennsthaler", en het voert na een klimpartij langs touwen, ijzeren koorden en in de rots geslagen haken naar de schuilhut, genaamd de Hesshütte, naam van den beroemden Alpinist H. Hess, die met Purtschellen geschreven heeft het boekje, "De Hochtourist", handboek der bergbestijgers en een lijst bevattend van die toppen in de Oost-Alpen, die bijna ontoegankelijk zijn, met nauwkeurige aanwijzingen hoe ze te overweldigen zijn, terwijl de gemakkelijk toegankelijke toppen in het geheel niet genoemd worden.
Van de Hesshütte kan men dan de Planspitze bereiken en met nog meer inspanning den Hochtor, den vorst der Alpen van het Ennsdal, hoog 2372 Meter. Als men op het station Gstatterboden den blik naar het Westen wendt, kan men daar een tooneel aanschouwen, minder afschrikwekkend, maar dat het oog weldadig aandoet. De Enns, die wat rustiger is geworden, kronkelt zich met de sierlijkste slingeringen door het boschrijke dal over een bedding van witte steenen. Overal op de hoogten staan de prachtige wouden, iets dunner wordend hooger op de bergen, en samen een heerlijke omlijsting vormend voor den Reichenstein, dien men niet moet verwarren met den berg van dien naam bij Eisenerz.
De gemakkelijke weg door het dal is zeer gezocht bij de wandelaars; men ontmoet er jonge meisjes, die Alpenbloemen plukken, jongelui, die hun rijwiel in zijn gang vertragen, om het spel van licht en schaduw te volgen, dat zich voltrekt op het groene watervlak van den bergstroom, en Alpinisten met den langen bergstok, die moeilijke steilten gaan vermeesteren. Er ontbreken nog maar de heeren automobilisten aan met hun apocalyptische voertuigen, die even gauw verdwijnen als ze zijn verschenen, maar welker nagelaten geur een alleronaangenaamste herinnering achter zich werpt; ze zouden hier geen wolken stof kunnen opjagen, waarin ze zich zoo gaarne als de goden hullen, om zich aan het oog der gewone stervelingen te onttrekken.
Een weg, die op den grooten weg uitkomt, wenkt ons met een door groen omslingerde poort, waarboven het woord "Willkommen" prijkt. Zoo stappen wij het Johnsbachdal binnen en verdiepen ons al meer en meer in de bergen, waar telkens de heerlijkste kijkjes ons worden gegund in smalle kloven, terwijl we plotseling worden verplaatst uit de schaduw der bosschen op groote vlakten, die met witte steenen zijn bezaaid. De zon zendt steil haar stralen op ons neer, en wij begroeten daarom met genoegen de groene oase van Johnsbach, waar het dal van aard en van richting verandert. De dorre kloof wordt een breed dal, de rotsmuren maken plaats voor groene, golvende terreinen, en uit het kalkgebergte komen we in de streken van de afgeronde, ijzerhoudende bergen.
Gezeten in de schaduw bij de herberg Donnerwirth, bewonderen wij de andere zijde van de Alpen van het Ennsdal en de onmiddellijker omgeving, die een bekoorlijk hoekje is met een klein wit kerkje, dat al van 1310 dagteekent en in een nestje van groen is gelegen onder rotsen, gelijk aan ruïnen van oude kasteelen. De wolken, die voor de zon langs trekken, wijzigen ieder oogenblik het landschap en geven er een soort van leven aan; wij worden er door geboeid, zooals men aan het strand nooit moe wordt op het spel der golfjes te letten.
Wij vreesden dat onze dichterlijke stemming verstoord zou worden door een gezelschap, dat er zeer epicuristisch uitzag, iets als de Cent-Kilos met korte broeken en bloote knieën boven grove wollen kousen en bock na bock verorberend. Maar daar staat een van hen op, en ondanks het aanplakbiljet, waarop verzocht wordt alle rumoer te vermijden, om het wild niet te verschrikken, begint hij met zuivere stem geen bacchantenliedje of een mopje uit een café-concert aan te heffen, zooals men verwacht zou hebben, afgaande op zijn uiterlijk en manieren, maar een ernstig lied, waarin van de bergen en het vaderland en van Duitschland sprake is. De moeilijk verteerbare grappen hebben opgehouden, de luisteraars hebben allen ernstige gezichten en luisteren naar den zanger met een soort van vromen eerbied. Die wonderlijke mengeling van lyrische sentimentaliteit en zeer prozaïsche neigingen geeft wel een goed denkbeeld van de tegenstellingen, waarop men altijd stuit bij de germaansche rassen.
Een klimpartij tusschen dennen door brengt ons naar de Treffner Alm, van waar wij ons gemakkelijker kunnen oriënteeren in den doolhof van de Alpen van het Ennsdal. Die hooge weide ligt op een pas, die over den Reichenstein leidt en den Sparafeld en het mogelijk maakt, om uit het Johnsbachdal te komen bij de Kaiserau, de herberg van de Admont-abdij, waar een klein kasteeltje het zomerverblijf is der abten.
Van de Treffner Alm overziet men het Johnsbachdal, dat overal groen is, waar men geen enkel roodgekleurd spleetje van den bodem te zien krijgt, en waar boerenhoeven zich uitstrekken tot aan den Neuburger Alp. Maar wat het meest hier de aandacht trekt, is de zuidkant van de kalkbergen en vooral op het eerste plan de scherpe pyramide van Idstein, welks kale top door de natuur als palet wordt gebruikt, om er steeds weer nieuwe verven op te strijken. Wij keken lang naar de afwisselende verlichting, die ook de vormen schijnt te veranderen, tot in fellen gloed de zon onderging en den piek verguldde, hem eerst grooter makend tegen den zwarten achtergrond der kloof, en hem ten laatste uitdoovend in de opstijgende geuren uit het dal, waar het versch gemaaide gras het grootste deel aan heeft.
Aan den uitgang van het Gesäuse, waar wij den spoorweg weer vinden, wijken de bergen ver van het dal terug, en zoo doet zich het vriendelijke Admontbekken voor. Hier is alles anders, een kleine vlakte, bedekt met bebouwde velden, afgewisseld door boschjes en weiden en nette huizen, die van welvaart getuigen. Maar daarom is het nog geen prozaïsch landschap, want een kring van hooge bergen geeft er stijl aan.
Het Benedictijnerklooster van Admont is gesticht door den aartsbisschop Gebhard van Salzburg in 1074, dus later dan het klooster van Göss, dat het oudste uit de streek is, maar vroeger dan die van Sint Lambrecht, Rein en Verau. De stichtingsdata van die groote kloosters, die zooveel hebben gedaan voor de beschaving in de Oost-Alpen, liggen meestal tusschen het begin der elfde eeuw en de tweede helft der dertiende.
Admont was van het begin af een centrum van intellectueele ontwikkeling. De latijnsche geschriften van de eerste en geleerdste abten, Gottfried, Irembert en Isenrik hebben groote dichterlijke bekoorlijkheid. Men deed in het klooster ook aan muziek, en abt Engelbert heeft in de dertiende eeuw een geschrift gemaakt, waarin hij samenvat wat er in zijn tijd aan muzikale kennis in de wereld bestond, een werk van groote waarde voor onze geschiedschrijvers der muziek.
Doch kunst en wetenschap waren niet altijd voldoende voor de abten van Admont. Abt Hendrik de Tweede, die keizer Rudolf van Habsburg in het klooster geherbergd had, werd in 1286 benoemd tot Landeshauptmann van Stiermarken, een waardigheid, die den woeligen adel van het land tegen hem in het harnas joeg. Hij had een tragisch einde, want een van zijn bloedverwanten vermoordde hem in de buurt van het klooster. Na dien onrustigen tijd wijdde men zich weer aan de studie; er werden scholen opgericht en zelfs een gymnasium en een hoogeschool behoorden bij het Admontklooster.
Van de in 1074 gestichte kerk is niets meer over; zij is in 1152 een prooi der vlammen geworden. De nieuwe kerk, die terstond weer werd gebouwd, is alleen terug te vinden in een portaal en in een gebeeldhouwden leeuw. Admont is dikwijls door de plaag van brand geteisterd, het laatst in 1865. De vlammen in het dorp door een misdadige hand ontstoken, bereikten ook de abdij en richtten er enorme schade aan. De brand duurde vier volle dagen, en een maand later brak het vuur nog weer uit de puinhoopen, toen ze opgeruimd werden. De kerk stortte in, de klokken stortten neer als een gesmolten massa, en alleen eenige gewijde voorwerpen ontsnapten aan de algemeene vernieling op een werkelijk wonderdadige wijze. De tegenwoordige kerk, de Blasienmünster, dadelijk opgebouwd na de ramp, zal dus weinig belang inboezemen aan hen, die graag luisteren naar wat oude dingen te vertellen hebben. Haar twee scherpe spitsen maken een goed effect in het landschap.
De gebouwen, die bij het klooster hebben behoord, besloegen een groote ruimte; er wordt gesproken van zes binnenpleinen en 1180 vensters. Na den brand van 1865, waar de bibliotheek gelukkig aan ontkomen is, heeft men alleen drie vleugels weer opgebouwd om een plein. Zij maken nog een treffenden indruk en geven een denkbeeld van wat het oude klooster moet zijn geweest
De door den brand vernielde gedeelten waren in 1734 gebouwd en moesten volgens de eerste plannen de afmetingen van het Vaticaan hebben, dus van het grootste paleis ter wereld, maar die plannen zijn nooit tot uitvoering gekomen in hun geheel.
Bij een bezoek aan het klooster verzuimt men gewoonlijk niet het Kellerstübel, een klein gewelfd zaaltje met betimmering van dennenhout, waar men tusschen de worst en de kaas den Lüttenberger kan proeven, die in de wijngaarden van de abdij is gegroeid. Het is een eigenaardige omgeving in dat lage zaaltje met de geschilderde zoldering, waarop de wapens van het klooster prijken, een crucifix tusschen twee hertehoorns naast een aan den muur hangende guitaar, terwijl men door een oud renaissancepoortje het uitzicht op een park met allerlei klassieke versierselen heeft.
Dat was ons afscheid van Stiermarken, van dat schoone land, waarop de Dachstein neerziet, die hooge berg, dien Stiermarken, Salzburg en Boven-Oostenrijk met elkander deelen.
Hij staat, als 't ware aan Stiermarkens begin en in het bekende gedicht van J. Dirnböck, dat door L.C. Seydler op muziek is gezet, zingt de Stiermarker:
Hoch vom Dachstein an, wo der Aar noch haust, Bis zum Wendenland am Bett der Sav', Und vom Alpthal an, das die Mürz durchbraust, Bis ins Rebenland im Thal der Drav': Dieses schöne land ist der Steirer Land Ist mein liebes, theures Heimathland.
En daarna vervolgt hij, zijn land met vaderlandslievenden trots omschrijvend en telkens met de beide laatste bovenstaande regels besluitend:
Wo die Gemse keck von der Felswand springt, Und der Jäger kühn sein Leben wagt; Wo die Sennerin frohe Jodler singt Am Gebirg, das hoch in Wolken ragt:
Wo durch Kohlengluth und des Hammers Kraft, Starker Hände Fleiss das Eisen zeugt; Wo noch Eichen stehn, voll und grün von Saft Die kein Sturmwind je noch hat gebeugt:
Wo der Mais und Haid'n herbstlich duftend blüh'n Und des Obstes Füll' so lachend keimt; Wo im Unterland süsse Trauben glüh'n, Deren edles Blut wie Perlen schaumt:
Wo am Kirchweihfest noch nach alter Weis' Sanfter Zither Ton und Hackbrett klingt. Und der wack're Bursch rasch und flink im Kreis' Holde Dirnen froh im Tanze schwingt:
Wo noch deutsches Wort und ein Handschlag gilt, Frommer Sinn noch herrscht und Tugend währt, Wo auf Mädchenwang' noch das Schaamroth spielt Und die Hausfrau klug den Segen mehrt:
Wo's im schlichten Rock wie im Fürstgewand Edle Männer giebt voll weisem Rath; Die ein Schutz und Schirm für das treue Land Rüstig vorwärts geh'n in reger That:
Wo in jedem Arm die geerbte Kraft Habsburgs Enkeln blüht voll alter Treu, Für den Kaiser gern Jeder auf sich rafft Und dann eisern steht in Schlachtenreih:
Van Toledo naar Granada.
Naar het Fransch van Mevr. JANE DIEULAFOY.
I.
De aanblik van Castilië.--De rondtrekkende kudden.--De Mesta.--De Taag en haar dichters.--De Cuesta del Carmel.--De Cristo de la Luz.--De hydraulische machine van Juanilo Turriano.--De Zocodover.--Oude paleizen en antieke synagogen.--De Joden van Toledo.--Een herinnering aan de overstrooming van de Taag.
"Van Madrid naar Toledo," schrijft een spaansch schrijver uit de 18de eeuw, "leidt een volkomen vlakke weg."
Hoe waar is dat nog steeds, en wat is die weg somber en eentonig, die zich tusschen de hoofdstad van het moderne Spanje en de oude hoofdstad van het westgothisch rijk uitstrekt! Nauwelijks heeft men de huizen van Madrid, die amphitheatersgewijs gerangschikt zijn boven den blauwen halven cirkel van de Guadarramaketen, uit het gezicht verloren, of men betreedt een streek zoo verlaten, dat ze iemand een huivering bezorgt.
Boven zich ziet men den hemel onverstoorbaar blauw, en beneden strekt zich eene eentonige, grijze vlakte uit, bezaaid met sprieten van een harde grassoort, en hier en daar de asch van het stroo, dat terstond na den oogst verbrand wordt. De zeer weinige dorpen, waarvan de hutten gebouwd zijn van aarde of van steenen, die de kleur van den grond hebben, zijn haast niet te onderscheiden. Men zou ze heelemaal niet zien, wanneer niet enkele boomen een mager bouquetje van groen deden oprijzen rondom de armoedige plaatsjes. Als men door de kale vlakte gaat, komt men tot de overtuiging, dat de bevelen van den Raad van Castilië, waarbij aan elken dorpsbewoner de plicht werd opgelegd, minstens vijf boomen per jaar te planten, wel slecht werden opgevolgd.
De oorsprong van die antieke verordening klimt seker wel op tot een periode uit het grijs verleden. Zou zij mogelijk nog in verband staan met zekere oude wetten van den godsdienst, waarbij het aanplanten van boomen, het ontginnen van woeste gronden en het telen van vee behoorden tot de vrome werken, door Ormuzd, den god van het oude Perzië, bevolen en gezegend? De Arabieren hadden zich in hun omzwervingen te zeer gemengd onder de volken, die ze onderworpen hadden, en de Perzen hadden door hun wetenschap, hun intelligentie en hun kunstzin te veel indruk op hen gemaakt, dan dat zij aan dien invloed konden zijn ontsnapt. Moet men zich erover verbazen, als ze aan dat volk hun wetten ontleenden en de daar heerschende overleveringen meebrachten naar Spanje, wetten, die de Christenen na de verdrijving van den erfvijand wijs genoeg waren te behouden? Wat zou het te wenschen zijn geweest, dat ze de bepalingen onveranderd hadden gelaten, die den akkerbouw regelden; de helft van Spanje zou niet onvruchtbaar en dor zijn zooals tegenwoordig.
Hoe het zij, men behoeft geen moeite te doen, boomen te zoeken tusschen Madrid en Toledo. Men zou er zijn oogen vruchteloos bij inspannen en er zijn geduld bij verliezen.
Zeker, de Castiliaan houdt wel van schaduw, die de hitte van de gloeiende zon tempert; maar hij houdt meer van de graankorrels, die opgegeten zouden worden door de vogels, nestelend in het gebladerte der boomen. Wat kan den landman het gekweel der vogels schelen, van die beeldige bouquetjes van vederen, zooals Calderon ze zoo aardig noemt, als hij denkt aan den oogst, dien hij heeft gezaaid, gewied en ingehaald met zwaren, noesten arbeid! Enkel de nachtegaal en de zwaluw vinden genade in zijn oogen, maar alleen omdat ze insecten verdelgen en de insecten verderfelijk zijn voor den oogst. De Castiliaan is arm; hij heeft slechts te kiezen tusschen het eene of het andere kwaad!
Als vergoeding mogelijk is Castilië rijk aan historische en legendarische herinneringen.
Te Esquivias zal men niet nalaten, zich het huwelijk en het langdurige verblijf van Cervantes ter plaatse te herinneren; iets verder zal men zich de schaduw van den ridder van de droevige figuur voor den geest roepen, die van Sancho Pansa en zelfs die van Dulcinea, wier geboortedorp het in de onmiddellijke nabijheid gelegen Toboso was. Al wat in die geschiedenis voorkomt, heeft sporen nagelaten in het land, en tot Rossinante toe, tot het rijdier van Sancho Pansa, tot de kudden; waar de Ridder op aan viel, hebben een talrijke nakomelingschap gekregen in magere paarden, domme ezels en langharige merinosschapen. Wie zou eraan durven twijfelen? Om zoo'n ongeloovigen Thomas te straffen, zou het nog niet eens voldoende zijn, dat men de Inquisitie weer in het leven riep.
Het is niet de eerste keer, dat ik die rondzwervende kudden aantref, die al sedert oude tijden van de eene naar de andere weide trekken van het eene eind van Spanje naar het andere, al naar de wisselende seizoenen. Ze zijn niet van heden of gisteren, die zwervende kolonies, geleid door herders te paard en gehoed door halfwilde honden, alle planten wegvretend van den grond en dien daardoor onvruchtbaar houdend, terwijl ze hem onder hun voeten treden.
Millioenen schapen in het bezit van een soort van genootschap, bekend onder den naam van Mesta en waartoe de grootste heeren en de abten van de rijkste kloosters behoorden, lieten zich in de lente en den herfst in sommige streken neer, waar hun korte, gretige tanden weldra elk grassprietje hadden afgegraasd. Er waren bepaalde privileges aan het genootschap toegekend, waardoor de omzwervingen begunstigd werden, en de Mesta werd zelfs zoo machtig, en kon zoo autoritair optreden, dat het durfde verbieden, bepaalde vruchtbare landen te bebouwen, om er overvloedige weidegronden te behouden.
En terwijl de herders, die zoo in bescherming werden genomen, al stoutmoediger werden, verloor de onderdrukte boer allen moed, want niets beschermde hem tegen een gevreesden inval van den vijand. Het zou hem niets geholpen hebben, had hij zich beklaagd over de door de kudden aangerichte verwoestingen, kudden, die toebehoorden aan de edele heeren van Santiago of Calatrava, of dat hij zich verdedigde tegen de veertig duizend tot den ongehuwden staat veroordeelde herders, daar de eischen van het nomadenleven hun niet toestonden te trouwen, en die vaak nog veel woester en boosaardiger waren dan hun honden! Zonder hoop en zonder ergens een toevlucht te kunnen vinden, liet de boer zijn ploeg in den steek en verliet het ouderlijk dak. Het was dan nog beter tot landverhuizing zijn toevlucht te nemen, naar de Nieuwe Wereld te gaan, die fabelachtige streken op te zoeken, waar men het goud met de spade opschepte; waar men niets wist van de onderdrukking door de groote grondbezitters, van den dwang tot arbeid, uitgaande van de kloosterorden, en vooral niet van de schapen! In de Middeleeuwen was het zachte, lieve schaapje een plaag, nog veel erger dan de sprinkhanen; het moderne Spanje gaat nog onder de gevolgen gebukt. De boer keert nooit terug naar den grond, die hem is lief geweest, als hij eenmaal zijn hart en zijn krachtige armen ervan heeft losgemaakt. Bij hem is een dergelijk besluit onherroepelijk.
Zoodat terwijl oudtijds de oevers van de Guadiana bezaaid waren met steden en groote dorpen, die een bloeiend aanzien hadden, men er tegenwoordig slechts ruïnen ziet of armoedige dorpjes, gebouwd rondom een kerk, die driemaal te groot is voor de luie en verarmde bevolking. Van eeuw tot eeuw zijn de moedigsten en sterksten van elke generatie heengegaan, om Zuid-Amerika of de Philippijnen te bevolken, en de beste qualiteiten zijn erdoor in de verdrukking gekomen.
Sedert 1835 zijn de voorrechten van de Mesta afgeschaft, en de rondtrekkende kudden mogen zich nu slechts bewegen over een oppervlakte ter breedte van tachtig meter; maar het gaat niet in een paar dagen, dat een zoo ingewortelde kwaal wijkt voor een zoo laat toegediend geneesmiddel, en er zullen nog eeuwen verloopen, eer de Castiliaan weer smaak krijgt in den landbouw. Ernstig, statig en somber en onverschillig, zal hij nog langen tijd de zorg voor het bebouwen van zijn velden overlaten aan de Galiciërs, de bewoners der Balearen, of van de Baskische Provinciën, die op zijn kosten leven. Hij zal er de voorkeur aan geven, honger te lijden in alle vormen, door de etiquette gewild, dan van de gewoonte af te wijken, door werk te doen, dat voor dienenden is en dat een hidalgo onwaardig is.
Dat alles komt van dat domme schaap; het is niet te ontkennen, dat het beest wat op zijn rekening heeft! Zijn wol alleen pleit voor hem en bezorgt hem mogelijk vergiffenis; maar zijn côteletten! O wee, men moet eens in Spanje hebben gereisd, om voor eeuwig er genoeg van te hebben.
Daar is de Taag; een krans van donker groen wijst aan, waar de rivier stroomt. Het is een kalme rivier tusschen groene populieren, en zij vloeit zoo slaperig, dat noch de boomen haar hooren passeeren, noch het zand iets van haar voorbijgaan bespeurt. In haar stille rust waarschuwen haar de vroolijke nachtegalen met luider stem, dat de zon is opgegaan, en dat zij ook wakker worden moet. Tusschen het riet aan de oevers zegt de zoet voortvloeiende stroom niet, dat het water is ontwaakt, maar dat het althans bewegelijk is.
Om strijd hebben de dichters haar bezongen. Garcilaso de la Vega roept de grillige nimfen aan, die aan de oevers spelen, en zingt van de vier stroomgodinnen, door de Taag bemind, die te zamen er op uit gingen. Op deze nimfen doelt ook Cervantes, als hij gewaagt van de schoonheden, die het kristalheldere water tot woning hebben gekozen en zich op de groene weide neerzetten, om met haar vlugge vingers kostbare stoffen te weven, waarin zijde, parelen en goud gemengd zijn.
Op zijn beurt ondergaat Moratin de bekoring van de golfjes der Taag en hij viert ze in idyllen, waar Theocritus, noch Virgilius zich voor zouden moeten schamen; maar niemand heeft beter den statigen stroom gehuldigd, zooals hij aan het einde van zijn tocht is gekomen dan de onsterfelijke dichter van de Lusiade. De Taag is niet enkel voor hem de klare stroom, waarmee de helden uit zijn herderszangen dwepen, neen, zij is de epische, de heilige rivier, een soort van bezielende godin.
"Muzen van de Taag," zegt hij "die mij van mijn prille jonkheid af met uw adem hebt bezield, indien ik altijd in landelijke zangen de schoonheid van uw rivier heb gevierd, wilt mij dezen keer een verheven stijl verleenen, een statigen, indrukwekkenden toon.... Verleent mij de kracht tot het vinden van klanken, wier grootschheid, zoo mogelijk, evenaart de heldendaden, door uw krijgshaftig volk verricht."
De Taag, die al lang geblaseerd is door den hyperbolischen lof der dichters, zet traag haar loop voort als een verouderde rivier, terwijl de spoorweg zich er van verwijdert en recht op Toledo aan rijdt. Gelukkig komt hij niet dicht bij de wallen der oude stad. Toen hij den spoorweg aanlegde, is de ingenieur daarvoor als voor iets heiligs teruggedeinsd. De reis wordt voortgezet of in een of ander ouderwetsch voertuig, van niet te beschrijven aard of in een grooten wagen met vele banken, al naar gelang er meer of minder reizigers zijn of dat ze meer of minder eerbied afdwingen. De zweepen klappen, de muildieren schoppen achteruit, de koetsiers vloeken en de stijging naar de stad der zeven heuvelen begint te midden van wolken stof, zoo dicht, dat de goden van den Olympus ze vurig zouden hebben begeerd, als het hun lustte, op de aarde neer te dalen. Helaas, wat zouden ze hier nu nog te doen hebben, nu ze zooveel reden hebben, om boos op ons te zijn!
Nog wat knarsend wielgeratel, en links verschijnt op de rotsen, waar ook niet het kleinste mosplantje groeit, de allerdecoratiefste ruïne, die men zich kan denken, juist geschikt, om de etsnaald van den kunstenaar aan het werk te zetten. Het is het oude kasteel van San Cervantes met zijn zware, onvriendelijke muren, waar de zon van tallooze zomers op heeft gebrand.
Nu rijst het nog boven de Taag op, maar vroeger verdedigde het de rivier. Een vertooning van oorlog en machtsbesef is het gebouw geweest, thans door den tijd gebroken.
Ook San Cervantes is door dichters bezongen.
"Gij, die u naast Toledo verheft, koning Alfonsus stichtte u aan de Taag. Er wordt verteld, dat gij ijzer steldet tegenover de houten oorlogswerktuigen van uwe vijanden.... En nu, nu staat gij daar veracht op die kale rots; uwe kasteelen, die u eertijds tot een kroon dienden, zijn thans zitplaatsen voor troepen kraaien en zien er uit als eenzame tanden in den mond van een grijsaard, zeggend, hoe oud hij wel is.
"Luister naar mij, gij stout kasteel, en volbreng, wat ik van u vraag, hoewel twee dozijn verzen juist geen belooning verdienen. Indien mijn geliefde, die boos is als de hel en schoon als de hemel, of beter nog gezegd, die trotsch is als de stad Toledo, uitgaat, om van de bloeiende amandelboomen te genieten, als zij dan van het water van de Taag een spiegel maakt voor haar schoonheid, stel haar dan uw ruïnen tot voorbeeld en vertel haar, zonder te spreken al die duizend dingen, die gij zoo goed weet...."
Het oude kasteel is niet alleen door dichters bezongen; zijn legenden en zijn histories van strijd en liefde, vol van ridderlijkheid, zijn gewijd door den romancero.
Koning Alfonsus had zich verwijderd aan de spits van een dapper leger en liet het opperbevel over Toledo over aan Bérangère, die door afkomst een der edelste vrouwen uit het rijk was, door huwelijk tot koningin was verheven en om hare schoonheid toch reeds souvereine was.
De Mooren, die er van onderricht waren, dat de stad door haar verdedigers verlaten was, snelden toe; maar vóór ze over de Taag trokken, moesten ze het kasteel veroveren, dat aan den ingang zich verhief.
Toen beklom de koningin een der torens van het Alcazar, en met verwoede oogen zag ze, welk gevaar het handjevol dapperen liep, dat in het fort was opgesloten en dat weldra onder de slagen der opdringende ongeloovigen zou bezwijken.
En daar komt tot de Mooren de heraut van koningin Bérangère. Zij laat op een toon van verwijt zeggen:
"Is het niet laf van u, een zoo zwakken vijand aan te vallen? Indien gij zoo dapper zijt, als gij de menschen wilt doen gelooven, gaat dan heen en valt koning Alfonsus aan, zijn echtgenoot en zijn christenen onder de muren van Carelië."
De bevelhebber der Mooren was door dit verwijt vernederd, en hij wist, dat de koningin zeer schoon was.
"Laat dan boven van het meest nabijzijnde bolwerk Donna Bérangère ons haar gelaat ongesluierd vertoonen, en ik zal het beleg opheffen."
Tegen zonsondergang verscheen de koningin en stond op het muurwerk met ongesluierd gelaat, omringd door haar jonkvrouwen in prachtige gewaden, schooner dan de opkomende maan te midden der eerste sterren, die aan den hemel schitteren.
De Moorenvorst zag haar lang aan, en groette haar met de teekenen van den grootsten eerbied.
Bij het aanbreken van den morgen brak hij met de zijnen het beleg op van het kasteel en sloeg den weg naar Carelië in.
In den tijd van Lope de Vega was het oude kasteel, dat ongebruikt stond, zoo verlaten en eenzaam, dat personen van hoogen rang, die om eerezaken genoodzaakt waren te duelleeren, elkaar onder zijn muren rendez-vous geven. In het aardige blijspel, getiteld "Beminnen, zonder dat men weet wie", moet de held van het stuk er tot getuige dienen in een van die duels, die in dien tijd zoo veelvuldig waren. Als het niet uit de mode was, zou men er nu nog wel, zonder vrees voor stoornis te moeten hebben, zulke tragische conflicten kunnen uitvechten.
Nadat wij een kudde buffels waren tegengekomen van zeer mooien bouw en zwart als de duivel, wel te verstaan, als de duivel zeer zwart is, reed mijn rijtuig over de brug van Alcantara, die aan beide zijden is afgesloten door twee versterkte poorten met het wapen van het huis Oostenrijk.
Van dit punt gezien, ziet de Taag er zeer dreigend uit, en in de diepte der kloof, waarin ze stroomt, schijnt de rivier de stad Toledo te omstrengelen, als om haar te verstikken, eerder dan om haar in liefhebbende armen op te nemen. Zonder twijfel heeft de eene of andere hemelsche Durandal die bedding in de rotsen uitgehold dwars door den berg heen en de steile rotsen boven het slijkerige water afgeslepen. Ik hef de oogen op, en daar omhoog staat op den top der rotsen, als een kostbaar juweel, gevat in ijzer, de stad der gothische concilies, de oude hoofdstad van Nieuw-Castilië. Onder de lompen van haar aziatische kleêren slaapt de sombere, kloosterachtige stad, juist als in de Middeleeuwen en dat op slechts twee uren afstands van het levende, vroolijke Madrid. Zulk een snelle reis door veertien eeuwen heen is verwarrend voor den geest, en een langdurig verblijf is noodig, om iemand van den schok te doen bekomen.
Als men de tweede poort is doorgegaan, en onder de waakzame oogen der douaneambtenaren is gepasseerd, komt men op een weg, die sterk helt en den naam draagt van Cuesta del Carmel. Het is de ontaarde zoon van een nog steileren weg, die dicht langs de kerk Cristo de la Luz, een zeer oud en eerwaardig monument, voorbij ging.
Het is ongeveer zeven eeuwen geleden, dat Alfonsus de dappere binnen Toledo verscheen, dat hij juist had bevrijd van het juk der ongeloovigen, en dat hij naast zich had den Cid Campeador. Toen werden de blikken der beide helden plotseling aangetrokken door een zacht licht. De wanden van het oude heiligdom hadden zich geopend, een hemelsche muziek liet zich hooren, en de lamp der christelijke kapel, die sedert 369 jaren niet opgehouden heeft te branden, ofschoon niemand zorg er voor heeft gedragen, schittert voor de verrukte oogen der zegevierende krijgers.
Alfonsus en de Cid stegen van hun paarden, knielden neer en gaven bevel, dat men in het aan den eeredienst teruggegeven heiligdom een heilige mis zou opdragen.
Bekoorlijke droom van vrome zielen. Daaraan heeft dit kleine gebouw zijn naam te danken van El Cristo de la Luz.
De bouwmeesters hebben druk beraadslaagd over de vraag, tot welken tijd men moet opklimmen om den datum vast te stellen van het oudste deel van de kapel. Enkelen van hen hebben er een uiting in willen zien van arabische kunst uit een zeer primitieve periode, ongeveer vallend in den tijd der sarraceensche verovering. Zij wilden er ook een prototype in zien van de vermaarde moskee van Cordova. Het vierkante grondplan, de zijbeuken met de ijzeren bogen en de zuilen van zeer grove bewerking kunnen wel tot steun dienen van hun theorie, maar geven daaromtrent toch geen zekerheid.
Er zijn nog zoo laat als 1871 frescoschilderingen ontdekt, voorstellend de heilige martelaren van Toledo, en waarschijnlijk afkomstig uit de twaalfde eeuw. Zij kwamen voor den dag door het vallen van brokken der kalklaag, die ze bedekte. Zij behooren thuis in een tijd, toen de Ridders van Sint-Jan op die door een wonder aangewezen plek een afdeeling van hun Orde stichtten. Ter aanvulling dient ook nog gesproken van de tweede kapel, gebouwd in 1842 door kardinaal Mendoza, en die eigenlijk zou moeten worden weggenomen, om aan het oude gebouw zijn oorspronkelijk karakter terug te geven.
Een weinig hooger dan Cristo de la Luz staat, trotsch en eenzaam als een triomfboog, de wondermooie Puerta del Sol. De steenen van die poort, die zoo lang door de zonnestralen zijn gebrand en verguld, lachen den reiziger toe. Wat is zij vaak in proza geprezen, in verzen bezongen en op allerlei manieren verheerlijkt! Zelfs de Taag zou reden kunnen hebben, daarop jaloersch te zijn.
Ik herinner mij, dat ik vroeger eens onder hare bogen ben doorgegaan. Tegenwoordig loopt de rijweg er langs, zeker opdat men de poort beter zou kunnen bewonderen, en mogelijk ook om een zachtere helling te geven aan een weg met een zeer druk karrenvervoer. Het is inderdaad altijd vol op de Cuesta del Carmel, en soms heeft men moeite, zich een weg te banen door de troepen ezels, die aan de rivier water gaan halen, want Toledo, dat op een rots is gebouwd, schijnt bijna even dorstig als de Manzanares zelf.
Het is niet sinds gisteren, dat men er van droomt, de zoete wateren van de geliefde Taag omhoog te voeren tot aan de lippen der stedelingen. Het gelukte reeds aan Karel IV. Daar hij altijd veel belang stelde in mechanica, en, zooals men zich zal herinneren, langen tijd ontstemd was, doordat een zeker aantal klokken niet juist gelijktijdig wilden slaan, belastte hij een ingenieur uit Cremona, Juanilo Turriano geheeten, met het oplossen van de vraag der watervoorziening. De Italiaan stelde een hydraulisch toestel samen, dat door de tijdgenooten met meer geestdrift wordt verheerlijkt, dan dat het met juistheid wordt beschreven. Alvarez de Colmenar, die in de vorige eeuw leefde, spreekt er over naar hooren zeggen, want het bestond niet meer in zijn tijd. Het schijnt een soort van besproeier te zijn geweest.
"De Machine van Juanilo bestond uit groote ijzeren vaten, die aan elkander bevestigd waren en een soort van ketting vormden, die van het kasteel naar de Taag afdaalde; het water kwam in den eersten binnen, werd dan in den tweeden gedreven door raderen en zoo achtereenvolgens in de andere tot bij het slot, waar het in een vergaarbekken werd opgevangen en zich door de geheele stad verspreidde door een kanaal, hetgeen een groot gemak opleverde."
Juanilo stierf in 1585, en zijn machine, door een joodschen werktuigkundige verbeterd, werkte nog vier en twintig jaren, maar toen ook die man was gestorven, stond ze voor altijd stil.
Buiten enkele bogen van het metselwerk vindt men niets terug van het werk van den ingenieur; maar de italiaansche vervaardiger gaat nog tegenwoordig in de stad door voor een toovenaar, in staat, de natuur en de bovennatuurlijke wereld aan zijn wil dienstbaar te maken.
Juanilo, die onderhouden werd op kosten van het kapittel der kathedraal, had een automaat vervaardigd, die elken dag op een vooraf vastgesteld uur uit zijn huisje trad, zich dan met onverstoorbare kalmte naar de keuken der kanunniken begaf, daar in een mandje den maaltijd voor zijn meester ontving, den kok eerbiedig groette, dan op zijn hielen omdraaide en zonder de minste onbescheidenheid of de allergeringste gulzigheid dadelijk naar de woning van zijn heer terugkeerde. De straat, waar hij door moest, heet nog de Straat van den Houten Man.
Eindelijk is de hoogte bereikt, en mijn rijtuig houdt zijn plechtigen intocht op het Zocodoverplein. Zocodover! Welk een deftige en verheven naam, ofschoon hij eenvoudig beteekent de Paardenmarkt, en wat schijnt hij goed te passen bij de heldenherinneringen van de keizerlijke stad! Op dit plateau was het wapenplein, waar de krijgers samenkwamen, vóór ze uittogen op een veldtocht; hier speelden de ridders bij de plechtige intochten der katholieke koningen; hier vereenigden zich de Communero's, die aangevuurd werden door de groote Maria de Padilla; hier werd de rechtbank opgeslagen, waarvan de aartsbisschop van Toledo, primaat van Spanje, rechtens Groot-Inquisiteur was. Alle souvereinen van Spanje, alle beroemde mannen, moesten hun beeld vinden op den Zocodover, want bijna allen hebben dien grond betreden.
Als men thans het plein aanschouwt, vervliegen alle wonderbaarlijke of tragische herinneringen! Het Zocodover is niet anders dan een banaal, onregelmatig plein, waar de armoedige en karakterlooze huizen door ruwe zuilen worden gesteund. Onder de zoo gevormde portieken verkoopen bescheiden kooplui meloenen, sandalen en couranten.
Op een ronde steenen bank liggen, slapend of rookend, bedelaars, die onbeschrijfelijk vuil zijn en fier schijnen te wezen op hun lompen. Ze doen maar hazeslaapjes, want ze kijken uit naar elken vreemdeling, die op het plein verschijnt of aan den ingang van de Handelsstraat, die naar de kathedraal voert. Deze fraaie gewoonte dateert niet van gisteren.
In een van zijn verhalen vertelt Cervantes van de ontelbare menigte bedelaars, valsche gebrekkigen en zakkenrollers, die dezen uitverkoren observatiepost innemen. Hij kon ze naar het leven schilderen uit zijn nabijzijnde woning. Er verandert niets in dien mooien zonneschijn van Spanje, die een mensch tot luiheid geneigd maakt en den geest verstompt.
Indien men eenige dagen te Toledo blijft, doet zich het moeilijke probleem voor, of men al of niet aalmoezen moet geven, waar er met zooveel aandrang om gevraagd wordt. Zult ge een klein beetje goeden wil toonen? Goed, maar onmiddellijk zijt ge bekend, en ge zult niet kunnen uitgaan, of dadelijk hechten zich vijftig vuile handen met haakvingers aan uw kleêren, zien u onderzoekend honderden oogen aan en waagt men het, den onderzoekingstocht tot in uw zakken voort te zetten, om daar ... pikante herinneringen achter te laten.
Houdt ge u doof, dan wordt ge toch gevolgd, bedrongen en met scheldwoorden bovendien overladen onder het vaderlijk oog van een politieagent, wiens hart de bedelaars hebben weten te verteederen.
Dus is het probleem onoplosbaar. Is men eenmaal tot dat besluit gekomen dan gaat men de dieven te slim af worden en men doet een wandeling door den dichten doolhof van straatjes en steegjes, die de stad doorsnijden, en waar het stil en rustig is. Soms loopt men op die smalle verkeerswegen, waar een beladen muilezel beide muren raakt, gevaar, verpletterd te worden, en er moet vlug een schuilplaats worden gezocht in een inspringend gedeelte van een huis, om niet te worden platgedrukt. Maar welk gevaar zou men niet willen loopen, om maar niet de Handelsstraat binnen te gaan en in handen der bedelaars te vallen!
Het gebeurt wel eens, dat men in die bochtige straten antieke koetsen tegenkomt, verschijnend uit de monumentale ingangen van oude paleizen, en de zaak krijgt een tragischen kant, als twee rijtuigen zonder elkaar op te merken, van beide einden dezelfde straat inrijden. Het eenige redmiddel is dan af te spannen en den wagen met de handen terug te schuiven.
Maar wie moet uitspannen? Wie zal achteruitgaan? Ernstige vraag in een land, waar het gevoel van eer een eeredienst is geworden, en waar de bewustheid van eigen waardigheid nog eerder dan het geloof bergen zou verzetten.
Het is ... een zeker aantal jaren geleden, dat er een beroemd geworden ontmoeting plaats had tusschen de koets van de echtgenoote van den President van den Raad van Castilië en die der vrouw van den President van den Raad van Indië. Door bemiddeling van de palfreniers hadden de dames de onderhandelingen gevoerd, zonder dat ze elkaar konden overtuigen. Geen van beide wilde teruggaan. Al meer dan drie uur stonden de paarden neus aan neus, en de koetsiers scholden op elkaar. Bij gebrek aan een Salomo, die al eenige jaren dood was, en bij ontstentenis van de scheidsrechters in den Haag, die nog niet waren geboren, stelde een goede ziel, die zich het ernstige geval aantrok, voor, haar te onderwerpen aan het oordeel van den Kardinaal en zich aan diens beslissing te onderwerpen.
"Hier bestaat in het geheel geen moeilijkheid," zeide de prelaat, volkomen op de hoogte van vraagstukken van étiquette, "de jongste van de dames moet aan de andere den doorgang vrij laten."
Nauwelijks was deze beslissing aan de partijen meegedeeld, of uit de beide koetsen hoorde men terzelfdertijd het formeele bevel:
"Span de paarden uit en ga terug; ik wijk voor de Presidente van den Raad van Castilië. Zooals Zijne Eminentie terecht zegt, geeft haar leeftijd haar daar recht op."
"Ga zoo spoedig mogelijk achteruit; ik laat den voorrang aan de Presidente van den Raad van Indië; zooals Zijne Eminentie terecht heeft beslist geven haar jaren haar aanspraak op die eer."
Ik heb geen dergelijke ervaring opgedaan, want ik stapte af in een echt spaansche herberg, een fonda, waarvan de deur in prachtig snijwerk allerlei wapens vertoonde en uitkwam aan de breede straat, die van het Zocodover naar het Alcazar voert, 't Is een paleis, dat er heel mooi moet hebben uitgezien, vóór het voorplein of de patio ter hoogte van de eerste étage overdekt is geworden, om er een eetzaal van te maken.
Magnifieke deuren, zwaar en massief als die van een kathedraal, voorzien van sleutels van een armslengte, gaven toegang tot de kamers. De mijne was dubbel, dat wil zeggen, voorzien van een alkoof, die zeer groot en zorgvuldig afgesloten was, en waar niet alleen twee reuzenbedden stonden, maar buitendien alles, wat tot de waschbenoodigdheden behoort, te vinden was. Noch geluid, noch licht, noch warmte zouden daar kunnen binnendringen, zelfs al zouden er honderd menschen zich op de patio bevinden, en al zond de zon van het zenith haar stralen naar omlaag. En hier besteeg weldra mijn geest zijn geliefd ros, dat mij dezen keer snel wegvoerde naar Sjiras en Zasjan. Want is ook niet aldus in de rijke perzische huizen elke kamer samengesteld uit drie achter elkaar gelegen vertrekken, waar het al koeler en geheimzinniger wordt, en die men al of niet bewoont naar het seizoen of zelfs naar het uur van den dag?
Ik was ongeveer twintig jaren geleden in Toledo geweest en sinds dien tijd had ik er altijd spijt van gehad, dat ik de stad alleen als toeriste had gezien. Nu moest ik mijn verzuim goed maken.
Maar hoe zou ik methodisch kunnen te werk gaan in deze stad van helden, waar alle beschavingen van Spanje vertegenwoordigd zijn geweest en waar elk van haar sporen heeft nagelaten? Toledo in wijken verdeelen, zou dat niet zijn, alles door elkander mengen en alles tegelijk overhoop halen? Daar zij op een niet zeer groot plateau is gebouwd, heeft de stad zich niet ver kunnen uitbreiden of verplaatsen, zoodat zoowel in het Noorden als in het Zuiden, in het Oosten als in het Westen de heerschers hun paleizen en hun tempels hebben gebouwd. Zal het niet beter wezen, door de eeuwen heen, van stap tot stap het zedelijk en godsdienstig leven en de kunstuitingen te volgen, dan zonder overgang tot de bestudeering over te gaan van monumenten, die soms vier of vijf eeuwen van elkander in leeftijd verschillen?
Ik heb een besluit genomen in laatstbedoelden zin, ook al op raad van mijn geleerden vriend, professor Ventura Prosper y Reyes, dien geheel Toledo hoog vereert om zijn talenten en zijn ongeëvenaarde goedheid. Geen deur blijft voor hem gesloten, als hij vraagt om te worden binnen gelaten en den magischen groet uitbrengt, die nooit uit een zondigen mond wordt gehoord, "Ave Maria purissima", waarop geantwoord wordt met een "Sin pecado concebida" en een vriendelijken glimlach.
Na het bezoek aan de kapel van Cristo de la Luz en aan de in een winkel veranderde overblijfselen van de oude moskee der Torneria moest volgen het bekijken van de oude synagogen, bekend onder den naam van Santa Maria la Blanca en Transito. Als men de israëlietische families mag gelooven, door de vervolging al sinds vijf eeuwen naar de overzijde der straat van Gibraltar teruggedreven, zouden de Hebreeërs in Spanje zijn gekomen na de vernietiging van Jeruzalem door Titus. Allen, die aan de gevangenschap konden ontkomen, volgden de kusten der Middellandsche Zee en aarzelden niet, om de zee over te steken, ten einde zich in het vruchtbare Andaluzië te vestigen. Men is niet gehouden, deze overlevering als een geloofsartikel aan te nemen. De eerste vermelding van de spaansche joden klimt op tot de vierde eeuw en komt voor in een zeer onvrijzinnig besluit. Daar er onder de joden een krachtige geest van initiatief was te vinden en groote werkzaamheid, namen zij toe in rijkdom en daar zij zich sterk vermenigvuldigden, kregen zij een voorsprong op de Westgothen, die lui en zorgeloos waren. Maar toen de arische heerschers tot het orthodoxe geloof waren overgegaan, begon de geest van vervolging vaardig over hen te worden. Een wreede wet veroordeelde het gansche jodenvolk tot slavernij. Montesquieu kon zonder veel overdrijving de opmerking maken, dat het gothisch wetboek in principe alle voorwendsels bevatte, waarvan later de Inquisitie en de vorsten uit de veertiende eeuw gebruik maakten in hun strijd tegen de Israëlieten.
De verovering van Spanje door de Mohammedanen was een weldaad voor de Joden. Zij muntten uit in kunst en wetenschap; zij monopoliseerden het bankwezen en waren zoowat de eenigen, die aan geneeskunde deden en medicijnen verkochten. De scholen van Cordova, Toledo en Barcelona telden hen onder hun beste leerlingen. Zelfs verkregen ze in dien tijd zulke hooge betrekkingen, dat men ze na de bevrijding der Mooren er niet weer uit durfde ontzetten.
Men ontmoet een menigte joodsche namen onder die van geleerden en financiers uit den tijd en aan de hoven van Alfonsus X, Alfonsus XI, Hendrik IV en vele andere christelijke vorsten. Alfonsus de Wijze gebruikte hen voor de samenstelling van zijn beroemde astronomische tabellen; Jacobus I van Arragon had een Israëliet tot leermeester; Johan II, vader van Isabella de Katholieke, droeg een van hen op, de liederen te verzamelen, die het Cancionero nacional vormen.
In dezen tijd richtten de Joden uit Toledo de beide synagogen op, die een zoo gunstig getuigenis afleggen voor hun smaak en voor hun rijkdom. De kerk, die den naam draagt van Santa Maria la Blanca is de oudste van de beide heiligdommen. Zij heeft tot 1405 haar oorspronkelijke bestemming behouden. Maar op dat tijdstip kwam Vincentius Ferrer, wiens heftige bekeersijver zooveel Israëlieten tot het Christendom had bekeerd, in Toledo het Evangelie prediken. Hij preekte verscheiden malen per dag in Santiago de Arabal, een kerk dichtbij de Visagrapoort, waar men u nog zijn preekstoel kan laten zien, die een wonder is van fijn smeedwerk. Maar de joden van Toledo gingen naar de preek, doch werden niet bekeerd. Gewend aan de zachtheid en meegaandheid der Andaluziërs, werd Vincentius Ferrer boos om de mislukking van zijn pogingen. Op een avond, toen het christelijk gehoor talrijk was en vol geestdrift, kwam de monnik, die door zijn eigen woorden buiten zichzelven was geraakt, van den preekstoel naar beneden, greep een kruis, sleepte zijn geheele schare mee, die aangroeide bij het trekken door de stad, trad met geweld in de synagoge binnen, dreef de rabbijnen eruit, en wijdde het gebouw voor den christelijken eeredienst onder het aanroepen van Santa Maria la Blanca, ter herinnering aan een wonder, dat in Rome was voorgevallen in 152 onder het pontificaat van den H. Liberius.
Sedert die transformatie heeft de oude synagoge nog menige lotwisseling beleefd. In 1550 werd het gebouw door den kardinaal aartsbisschop Johan Siliceo vergroot, en er werden enkele gebouwen bijgevoegd. Hij maakte er vervolgens een soort van Bagijnenhofje van voor boetvaardige vrouwen en meisjes. Maar hetzij dat de toledo'sche vrouwen alle deugdzaam waren, of dat ze, zooals een sceptisch schrijver opmerkt, zelden zich berouwvol voelden, het Bagijnenhof kwam nooit tot bloei en moest eindelijk worden gesloten bij gebrek aan Bagijntjes. Santa Maria la Blanca, nu verlaten en ongebruikt, zou afgebroken zijn geworden, als men niet besloten had er troepen te herbergen en er later een militair magazijn van te maken.
Nog slechts even dertig jaren geleden is dat wonder van bouwkunst door de Commissie voor de historische Monumenten opgeëischt. Sinds dien tijd heeft men het gebouw een belangrijke restauratie kunnen doen ondergaan, dank zij een jaarlijksche subsidie der regeering en den inkomsten, gevormd door de entrées van de vreemdelingen.
Het uitwendige heeft niet veel bekoorlijks of sierlijks, maar pas is de deur geopend of men ziet in hun geheel vijf kerkbeuken, verdeeld door drie rijen achthoekige pilaren, waar bogen op rusten. De kapiteelen, met gebeeldhouwd stuc versierd, herinneren door hun prachtige fijnheid en door den aard van het ornament aan hun prototypen, nog bewaard in sommige oude perzische moskeeën. In de boogruimten zijn rijke rozetten aangebracht, terwijl langs het astragaal zich een slinger windt van ineengevlochten bladeren met pijnappels er tusschen, zooals men ook vindt in de versieringen van het Alhambra en die opklimmen tot den tijd van het Kalifaat. Een rijk houten plafond, ingelegd met parelmoer en ivoor, bedekt het hoofdschip en geeft aan dit gedeelte van het gebouw groote sierlijkheid.
De Joden konden niet protesteeren tegen den roof aan hen gepleegd; zij onderwierpen zich en kwamen later samen in een grootere en mooiere synagoge, gebouwd door Samuel Levy, den beroemden schatmeester van Peter den Wreede, volgens de plannen van den rabbijn Don Meir Abdeli, en voltooid in 1336. Zij hielden er hun godsdienstoefeningen tot 1492, het jaar, dat tegelijk zoo roemvol en zoo verschrikkelijk was, waarin Isabella Granada innam, waarin de Nieuwe Wereld werd ontdekt, en door een hand in onbedachtzaamheid het decreet werd geteekend, dat Spanje beroofde van 120,000 ijverige, intelligente en welvarende Joden.
De synagoge van Samuel Levy onderging op haar beurt het lot van haar voorgangster en werd een christenkerk onder den naam van Transito de Nuestra Senora. Het gebouw vertoont de weelde, die in harmonie was met den rijkdom van den stichter en is een der mooiste voorbeelden van de arabische kunst in Andaluzië. Het bestaat uit één enkel schip, overdekt ter hoogte van veertien meter door een merkwaardig schoone zoldering van lorkenhout, ingelegd met ivoor en parelmoer, als die van Santa Maria la Blanca. Op de muren ziet men zeer fijne stucornamenten, zoo sierlijk en elegant, dat men ze op het eerste gezicht voor teedere venetiaansche kant zou houden, die sinds eeuwen daar was blijven hangen. In het bovengedeelte, waar fraaie vensters zijn aangebracht, leest men tusschen bloemen en lofwerk een prachtig opschrift in hebreeuwsche letters. Daarin wordt de lof gezongen van den stichter der synagoge, Samuel Levy en van Don Pedro, den regeerenden vorst. Toen de waardige schatbewaarder ter dood veroordeeld werd door een meester, die inhalig en afgunstig was, moest hij uit den grond van zijn hart het geld betreuren, dat hij besteed had aan het koopen van zijn beul. Het opschrift heeft intusschen weerstand geboden aan den tijd, en aan zijn hooge plaatsing is het toe te schrijven, dat het de woede der Christenen heeft kunnen tarten en hen heeft kunnen uitdagen in den tijd, toen ze de synagoge tot Christenkerk wijdden.
Thans wordt het schip der kerk door een reusachtig steigerwerk met opeenvolgende zolderingen, waarheen trappen toegang verleenen, verdeeld in verscheiden verdiepingen, zoodat het moeilijk wordt, de schoonheid van het geheel te waardeeren. Toch is het mogelijk, enkele prachtige fragmenten te bewonderen, den tempel in zijn groote lijnen te reconstrueeren, en in te zien dat, als de ondernomen restauratie op de nu begonnen wijze wordt voortgezet zij mogelijk wel een halve eeuw kan duren, maar dat ze tenminste wordt uitgevoerd met echte kennis van zaken en een onvergelijkelijk helder inzicht in wat aan zulk een kunstwerk toekomt.
Rondom het Transito, waar het paleis van Samuel Levy dichtbij was, en in de buurt van Santa Maria la Blanca. is de oude jodenwijk geweest. Helaas, op die plek, waar het volk van Israël een toevlucht voor goed had hopen te vinden, ziet men nu slechts puin en stof. Welk een droeve uittocht is dat geweest van dat ongelukkige volk, dat den grond moest verlaten, waar het sedert eeuwen woonde, en binnen enkele maanden al zijn goederen te gelde maken, zonder dat het de kleine hoeveelheid goud mee mocht nemen, die er de belachelijk lage prijs voor was!
Aan den voet van de beide synagogen daalt de bodem af naar een vlakte aan de Taag, die soms door de rivier wordt overstroomd, als ze buiten haar bedding treedt. De woningen zijn er weinige; maar een huis, dat hooger was dan de andere en er wat welvarender uitzag, trok mijn aandacht. Op den voorgevel en op meer dan acht meter hoogte was er een groote steen in aangebracht, waarop een in zwart gegraveerd opschrift te lezen was, dat mij vertelde, dat de Taag tot hier gestegen was bij een hoogen vloed, die beroemd was gebleven.
Verbaasd, vroeg ik aan een vrouw om inlichting, die op de stoep van haar huisje haar kind het haar kamde.
"Wel, wel! Komt het water der rivier soms tot zulk een hoogte?"
"O, neen!... De hoogste vloeden zijn nooit hooger gekomen dan een paar meter, en dat is waarlijk al hoog genoeg!... Maar toen de kinderen altijd met ballen tegen het opschrift gooiden en het dreigden te bederven, heeft de alcade ons bevolen, het buiten hun bereik te plaatsen."
Nadenkend over de wijsheid en voorzichtigheid van dien uitgezochten ambtenaar, wandelde ik voort tot aan de Visagrapoort, een massief bouwwerk, dat tot den tijd van Karel V opklimt, en door zijn nauwheid een groote last is voor de muilezeldrijvers.
Ergens anders zou men zulk een sta-in-den-weg opruimen, maar te Toledo heeft men eerbied voor het verleden, zooals de voorzorg bewijst, die er genomen wordt om de herinnering aan een overstrooming te bewaren.
II.
De Taller del Moro en de salon van het Casa de Mesa.--De pupillen van bisschop Siliceo.--Santo Tomé en het werk van Green. De moskee van Toledo en koningin Constantia.--Juan Guaz, de eerste bouwmeester van de kathedraal.--Wat er veranderd en aan toegevoegd is.--Herinnering aan den slag van las Navas.--Het graf van kardinaal Mendoza.--Isabella de Katholieke en haar testamentaire beschikking.--Ximenes.--Alvaro de Luna.--De vaandeldrager van Isabella in den slag van Toro.
"Ik heb veel huizen gezien, veel leêgloopers en, in de straten, de rijke zoowel als de arme, hoopen vuil. Ik heb den hemel aanschouwd door venstertjes, zoo klein als schietgaten, en er is mij verteld, dat een vriendelijk gezicht dikwijls het masker is van den snoodaard, dat de perziken in den zomer rijp worden en dat er in den herfst muskieten zijn."
Deze beschrijving van Toledo, die in het midden van de zeventiende eeuw gegeven is door den hoofschen Garcia de la Chataigneraie in het beroemde drama Francisco de Rojas, past nog volkomen, en als men bij het vuil ook nog allerlei puin voegde, zou men er geen tittel of jota aan behoeven te veranderen.
De monumenten, die opgericht zijn in den loop der drie eerste eeuwen, volgend op de herovering, en die den mudejarstijl of den mozarabischen vertoonden, hebben het meest geleden, of doordat de booze mode het zoo heeft gewild, of doordat de versieringen onsterk en niet duurzaam waren. Ik heb dien stijl in Saragossa bestudeerd, met zijn moorsche en gothische motieven dooreengemengd.
Zoo staat het met het prachtige paleis aan de Calle del Moro. Men stapt een poort binnen en komt in een verwilderden tuin, waaromheen vele arbeidersgezinnen wonen. Zij hebben hun schamele woningen aangeleund tegen de nog sterke muren, en den rijkdom afgebroken om de armoede plaats te geven. Van dit groote gebouw is slechts een zaal van mooie afmetingen over, met een prachtige zoldering, gelijk aan die van het Transito. Het bovengedeelte der muren, dat niet bereikbaar was, noch voor den hamer van den werkman, noch voor het speeltuig van de kinderen, is versierd met zeer lijn pleisterwerk.
Die schoone zaal, waaraan ter weerszijden twee kleiner vertrekken grenzen, heeft langen tijd gediend tot bergplaats voor de steenen, die voor het onderhoud der kathedraal noodig waren, en heeft naar die bestemming den naam gekregen van Taller del Moro, dat is werkplaats van den Moor. In de laatste jaren is het een gewone remise geworden.
En toch is eenmaal dit paleis bewoond geweest door Karel V. Er wordt verteld, dat de erbij behoorende tuinen ineen liepen met die, welke de woning omgaven van graaf Fuensaline, waar de echtgenoot van den grooten keizer stierf, die sombere Isabella van Portugal, de moeder van Filips II, wier door Titiaan geschilderd portret ons haar zachte trekken heeft bewaard onder de fijne, zijdeachtige blonde haren.
Een ander voorbeeld van den eigenaardigen stijl, die ontstond uit de vereeniging van de kunst van het Oosten met die van het Westen, maar een dat veel kleiner is en in uitstekenden staat is gebleven, is het salon van de Casa de Mesa. Ook dat heeft den mudejarstijl.
Het pleisterwerk, bij de bekleeding aangebracht, heeft veel overeenkomst met de versieringen van het Transito, dat in 1366 werd opgericht, maar het gelijkt nog meer op de ornamenteering van het paleis van Ayala, dat van 1440 dagteekent. Het is dus niet gewaagd, te veronderstellen dat het gebouw tot stand kwam in de XVde eeuw.
In 1551 vestigde de aartsbisschop Don Juan Martinez Siliceo er een inrichting van onderwijs onder den naam van Collegio de las Doncellas virgineas. De jonge meisjes, honderd in getal, werden er slechts toegelaten, nadat ze bewijzen hadden bijgebracht, niet alleen van haar kwartieren van adel, zooals men bij vergissing wel heeft gezegd, maar van volkomen zuiverheid van bloed, wat nog heel iets anders is. Om zuiver bloed te hebben of oud christenbloed, moest men onder zijn verst verwijderde voorouders noch een jood, noch een Arabier, noch een door de Inquisitie veroordeelde hebben van vaders- zoo min als van moederszijde. Cervantes voegt er zelfs bij, en dat is logisch, dat er een onafgebroken en bewezen wettige afstamming moest bestaan. Natuurlijk was men niet zoo streng in zake het laatste punt als in zake het eerste.
De pupillen van den aartsbisschop Siliceo werden tusschen zeven en tien jaar in zijn school toegelaten. Zes plaatsen werden open gehouden voor kinderen van de familie van den stichter. Zeer belangrijke sommen werden haar levenslang uitgekeerd, als ze in de inrichting bleven. In geval van een huwelijk ontvingen ze een bruidschat van 5535 realen; maar geen enkel gunstbewijs viel haar ten deel, als ze de school verlieten om in een klooster te gaan, daar het hoofddoel van den stichter was, goede en flinke huismoeders op te voeden, die bekwaam waren in huishoudelijke zaken en in staat, een huishouding goed te besturen.
In 1810 ging de Casa de Mesa over in het bezit van de Karmelieters, die van den grooten salon hun kapel maakten. Aan hen is het uitstekend behoud van die zaal toe te schrijven. Zij behoort thans aan iemand, die ervoor zal zorgen, dat het interessante gebouw veilig en ongeschonden blijft.
Behalve de bekende gebouwen zijn er nog een groot aantal arme woningen, waar men interessante fragmenten van den ouden bouwstijl vindt. Om die te zien te krijgen, moet men zich niet wenden tot de gepatenteerde en zoogenaamd officiëele gidsen; liever moet men een bewonderaar van de ruïnen van Toledo volgen, en met hem doordringen tot de patio's en stallen, welker eigenaars de opvolgers zijn van Peter den Wreede en der groote heeren van diens hof.
Terwijl de mozarabische metselaars en bouwmeesters in de verschillende wijken der stad Toledo paleizen van den adel deden verrijzen, droeg de geestelijkheid hun den bouw van kerken op. De meeste zijn verwoest geworden door den ijver der priesters, die ontijdig smaak kregen in een nieuwen stijl. San Justo, San Juan de la Penitencia, San Roman, San Pedro Martyr, San Miguel, Santa Leocadia, het klooster van de Ontvangenis en Santo Tomé hebben er nog een en ander van bewaard. Hier is nog een toren in den vorm van een minaret te zien als een protest tegen de verandering der kerken, die oudtijds onder hun hoede waren geplaatst, daar is een fries of een plafond te bewonderen, waar de technische bekwaamheid en de wetenschap der bouwmeesters uit blijken. Al die kerken zijn een bezoek overwaard; maar Santo Tomé bevat twee meesterwerken, die haar een eereplaats doen innemen, namelijk het veelkleurig standbeeld van den profeet Elia, waarvan de draperieën ongelukkigerwijze gerestaureerd zijn en de begrafenis van graaf Orgaz, het bewonderenswaardigste kunstwerk, dat de wereld aan het penseel van den realist Greco heeft te danken.
De olympische schoonheid van het hoofd van Elia, de krachtige modelleering van de handen en de voeten, die uit het wollen gewaad te voorschijn komen, doen dadelijk denken aan de spaansche leerlingen van Michel Angelo. En daar men niet aan Berruguete wordt herinnerd, moet het werk worden toegeschreven aan Tordesillas of misschien eerder aan Bercera.
Domenico Greco of Theotocopuli, om hem zijn waren naam te geven, is een van die langen tijd miskende kunstenaars, die een glorie zijn voor de steden, waar ze verblijf hebben gehouden. De strenge en forsche kleuren, de compositie vol harmonie, de magistrale teekening en de uitdrukking der gezichten zijn treffend. Deze waardige afstammeling van de groote kunstenaars uit Hellas was in Griekenland geboren, zooals zijn naam en zijn bijnaam aanduiden, en daarna was hij, na Italië te hebben doorreisd en daar een leerling van Titiaan te zijn geweest, naar Spanje gekomen en had zich te Toledo gevestigd. Buiten deze begrafenis van graaf Orgaz, dagteekenend van 1584, bezit de stad nog eenige prachtige portretten door dien grooten meester gemaakt en geschilderd in de grijze tinten, welke aan de manier van Frans Hals herinneren.
De kathedraal is nog tegenwoordig wel het middelpunt van Toledo. Van alle trekt zij het meest de aandacht. Nu eens ziet men haar boven de huizen verrijzen, dan weer vult ze open hoeken in het uitzicht tusschen de straatjes, die alle op dat kerkgebouw uitloopen. Aan beide zijden heeft zij zware contreforten, rondom zijn open galerijen, en boven steken dikke torens en spitse torentjes hun punten in de blauwe lucht op. Aan haar voeten dringen zich huizen samen en paleizen; maar men let daar niet op, zoo overheerschend is de kathedraal voor den geest en voor het oog.
Men vindt niets anders in de ruimte, en als men, gelijk opeenvolgende geologische lagen, de bijgebouwen, de sacristieën en de kapellen uit allerlei tijden naast en in het primitieve gebouw vindt, gaan die zaken, die al zoo langen tijd met elkaar in aanraking zijn geweest, zoo goed te zamen, dat de eeuwen er als ineensmelten, zonder dat men haar grenzen uit elkander houden kan. De kathedraal is de Sint-Pieterskerk van dit andere Rome, van die stad der zeven heuvelen; maar dan een zeer mystieke Pieterskerk, een zeer vrome, die ernstige gedachten wekt en niet de herinnering aan de fiere pracht van het Keizerrijk. Ik neem het Mariana kwalijk, dat hij haar de Rijke heeft genoemd, terwijl door de eeuwen heen Jupiter, Jezus, Allah en toen weer Jezus eerbiedig werden aangebeden op die plaats. De plek, waar zooveel menschelijke wezens hun geest tot de hoogte eener ideale wereld verhieven, zou een andere aanduiding verdienen.
De geschiedenis der kathedraal is niet alleen die van de stad Toledo, maar zij is die van geheel Spanje. De eerste christenkerk, die op de heidensche tijden volgde, moet opgericht zijn in de 4de eeuw. Zonder twijfel werd voor dat primitieve gebouw de kerk in de plaats gesteld, die gesticht was door Recarede, dien gothischen koning, die het Arianisme afzwoer en, het kerkgebouw onder de bescherming stellend van de H. Maagd, het den 12den April 587 inwijdde. Het moet een eenvoudig huis zijn geweest; maar binnen zijn muren werden de heilige bisschoppen van Toledo tot het pontificaat verheven. Dat geschiedde met Eugenius, Eladio, Ildefonso en Julianus; onder de gewelven der kerk kwamen de conciliën samen, waar de gothische monarchie haar wetten gaf en zich in theologische haarkloverijen verdiepte, terwijl de Arabier in den galop van zijn snel en vurig paard al meer naar het westen den teugel wendde.
De Halve Maan werd geplant op den grond, dien Viriathes zoo lang aan de Romeinen had betwist. De kerk werd omvergehaald en vervangen door een schitterende moskee, met kostbaar marmer bekleed. En toen na drie eeuwen de stad door de Christenen heroverd werd, was zij zoo schoon, dat de Mooren erdoor een afzonderlijk artikel van de capitulatie beslag op legden en van den overwinnaar de belofte kregen, dat zij er vrij hun godsdienstoefeningen zouden mogen houden. Koning Alfonsus beloofde onder eede, altijd aan deze plechtige overeenkomst trouw te zullen blijven.
De Mooren hadden met den koning onderhandeld, maar niet met koningin Constantia. In overleg met bisschop Bernard maakte zij van de afwezigheid van den vorst, die in verre landen oorlog voerde, gebruik, om te komen tot wat zij de kostbaarste der overwinningen noemde. Op een nacht vereenigden zich drieduizend goed gewapende Christenen onder haar bevelen en, door den bisschop aangevoerd, stormden zij op de moskee los. De deur bezweek onder hun slagen, en de verraste bewakers konden geen weerstand bieden. San Vincentius Ferrer moest het voorbeeld van overgave twee eeuwen later volgen.
Den dag na de inneming werd de moskee voor den christelijken eeredienst gewijd, en gesteld in het bezit van de kanonnieke rechten der kerk, die zij had vervangen, in spijt van de protesten van Aboe Valid, die met verontwaardiging eischte, dat het verdrag der capitulatie zou worden nageleefd.
Dadelijk zonden de Mooren een bode naar den koning met de opdracht, hun beklag te doen en naast de vervulling der belofte van den vorst ook de bestraffing te eischen van de koningin en den bisschop.
Alfonsus, in woede ontstoken, beloofde de schuldigen te straffen en sloeg in groote haast den weg naar Toledo in.
Toen ze den haastigen terugkeer van den koning vernamen, waren de koningin en de bisschop zeer verschrikt en vol vrees. Nu was er onder de Mooren een wijs en voorzichtig man, die niet te vergeefs zielkunde had bestudeerd.
"Wat zult gij lieden nu beginnen?" vroeg hij zijn geloofsgenooten. "Koning Alfonsus is eerlijk; hij zal zijn woord houden en hij zal, naar ze verdienen, straffen de koningin, die hij liefheeft en den bisschop, die zijn geheele vertrouwen bezit. Gij zult voor een oogenblik getriomfeerd hebben, maar weest er zeker van, dat, als er recht is gedaan, de rechter een wrok tegen u zal behouden. Om in het bezit te blijven van een moskee, die voortaan te groot voor ons zal zijn, zoudt gij de goede gezindheid van uwen souverein jegens u verspelen. Neemt u in acht voor de gevolgen, waardoor hij ons de strengheid zal doen berouwen, die wij van hem hebben gevorderd."
Deze alfaqui of wetgeleerde wist zijn gehoor te overtuigen, en nog dienzelfden avond reisde hij, door zijn geloofsgenooten afgevaardigd, den koning te gemoet, om zijn goedertierenheid ten gunste der schuldigen in te roepen.
Alfonsus gaf zijn groote ontevredenheid aan de koningin te kennen en aan den bisschop; maar in den grond van zijn hart gelukkig, dat hij niet de strengheid behoefde uit te oefenen, die de eer van hem eischte, toonde hij voortaan aan de in Toledo gebleven Arabieren zijn goeden wil en een welgezindheid, die slechts een rechtvaardige vergoeding waren voor het geweld, in zijn afwezigheid gepleegd.
Toledo behield gedurende meer dan anderhalve eeuw, de arabische moskee als kathedraal en eerst onder de regeering van Ferdinand III, den heiligen veroveraar van Sevilla, werd ze afgebroken. De eerste steen van de tegenwoordige kerk werd door dien monarch gelegd, bijgestaan door bisschop Dom Jimenez de Rada, op 4 Augustus 1227. Met den bouw is men bezig geweest tot op het einde van de 16de eeuw. De mozarabische kapel, die der laatste koningen, die van Sagrario, van Ochavo, de Sacristie, het huis van den Schatmeester, de Zaal der Onderhandelingen, de Leeuwenpoort en die der Voorstelling, het snijwerk van het koor en een menigte andere toevoegsels dateeren van nog lateren tijd.
De naam van den eersten bouwmeester is ons bewaard gebleven. Hij heette Pedro Perez, zooals men kan lezen op zijn grafschrift, dat in de kapel van Santa Maria gevonden is, toen die kapel werd afgebroken bij den aanleg van het Sagrario. Hij stierf op hoogen leeftijd in 1285. Onder zijn talrijke opvolgers moeten wij niet vergeten den beroemden Juan Guaz, wien de Katholieke koningen den bouw opdroegen van het klooster San Juan de los Reyes.
Het zou vervelend zijn de optelling te hooren van het aantal pilaren, die het schip van de kathedraal van Toledo dragen; van de vensters, die er licht geven; van de vierkante meters gewelven, die het overdekken; van haar kapellen, vensterruiten, deuren en binnenpleinen. De kanunniken zelf zouden u geen completen inventaris kunnen geven van de schatten van allerlei aard, die men er vindt. Ik wil mij er dus toe bepalen, de hoofddeelen te bespreken en allereerst mijn aandacht wijden aan drie groote figuren, die scherp uitkomen tegen de groepen van koningen, ministers, krijgslieden en bisschoppen, die allen te rusten gelegd zijn in de kathedraal of haar iets van hun eigen roem hebben meegedeeld. Ik zal namelijk spreken over Alvaro de Luna, den beroemden en ongelukkigen minister van Juan II, van den grooten kardinaal Mendoza, minister van Isabella de Katholieke, en van den niet minder grooten Ximenes de Cisneros, die, bekleed met koninklijke macht op het eind van het leven der groote koningin, ze behield in de eerste jaren der regeering van haar dochter, Johanna de Krankzinnige.
Zooals in bijna alle gothische kerken van Spanje, wordt de schoonheid van het centrale schip bedorven door de zware massa van het koor, dat onvermijdelijk voor de kanunniken moest gereserveerd. Maar toch, omdat het koor zoo mooi is, kan men het veel vergeven. Nadat men het prachtige hek van verguld koper en verzilverd ijzer heeft bekeken, waarin men de karakteristieke ornamenten aantreft van den platereskenstijl of dien der spaansche vroeg-renaissance; nadat men daarboven de wapens heeft herkend van kardinaal Siliceo, primaat van Spanje in den tijd toen de beroemde meester van het smeewerk, Domingo Cespedes, dit kunststuk voltooide in 1548; nadat men het opschrift heeft ontcijferd, dat vertelt, hoe dit wonder werd gewrocht onder de regeering van Karel V en onder het pontificaat van Paulus III, begint men de grieven te vergeten, die voor een opmerkzaam beschouwer van het schip der kerk geheel verdwijnen.
Langs de muren, die zich tot halver hoogte de zuilen verheffen, staan twee verdiepingen van koorstoelen van rijkgebeeldhouwd notenhout, maar van verschillende stijlen. De benedenste rij is niet de schoonste; maar wel is ze de oudste en de interessantste. Elk basrelief stelt een gebeurtenis voor uit den strijd, ter verovering van het koninkrijk Granada, door de Katholieke koningen gevoerd, en de daarna volgende inneming van de talrijke versterkte plaatsen, waardoor de tien jaren van den oorlog gekenmerkt waren. Die koorstoelen, die in 1495 werden voltooid, dateeren uit den tijd van kardinaal Mendoza en zijn het werk van den meester-beeldhouwer Rodriguez. Ze zijn in den bloemrijken gothischen stijl gemaakt en vloeien over van curieuse en aardige bijzonderheden over de vestingen, de kleederdrachten, de wapens, de gewoonten der Christenen en der Mooren op het tijdstip der verovering.
De stoelen van de bovenste rij zijn afkomstig uit de 16de eeuw en dragen alle den duidelijken stempel der Renaissance. Marmermozaïeken en inlegsels van jaspis en albast zijn ingevoegd in het notenhout van een mooie, warme tint, om de versieringen mee aan te brengen.
Filips Vigarni, genaamd van Bourgondië, heeft de linker koorstoelen gemaakt, terwijl Berruguete die aan den rechter kant vervaardigde. De figuren, die bijna levensgroot boven de leuningen zijn aangebracht, zijn ontleend aan het Oude en het Nieuwe Testament. De stoel van den aartsbisschop, die zoo bijzonder mooi is, was voor Berruguete bewaard gebleven. De dood overviel hem, en zijn medewerker had de eer het kunstwerk te snijden. Er staat het schild op van kardinaal Siliceo, onder wiens bestuur het werk werd voltooid in plaats van dat van den aartsbisschop Talavera, dat men op de andere stoelen vindt.
De bronzen zuilen, die het koepeltje steunen, dat zich er boven uitbreidt, zijn wonderlijk mooi gesneden. Op de leuning stelt een basrelief van albast, dat wij aan de beitel van Gregorio Vagarni verschuldigd zijn, broeder van Filips, genaamd van Bourgondië, de H. Maagd voor, zooals zij een kasuifel om de schouders van den H. Ildefonsus hangt. De bevalligheid en de schoonheid der heilige kunnen slechts vergeleken worden bij de verheven en verrukte uitdrukking van dengene, die haar aanschouwt. Een belangrijke groep is aangebracht boven het koepeltje en stelt de transfiguratie van Jezus voor, die tusschen Elia en Mozes staat. Berruguete had den tijd het werk te voltooien en zelfs om oneenigheid te krijgen met het kapittel over de betaling van zijn arbeid. De bouwmeester van het Alhambra, Pedro Machuca, werd als deskundige gekozen en stelde den prijs vast op 82628 realen, een zeer belangrijke som voor dien tijd, want ze staat gelijk met 13000 hollandsche guldens.
Boven de koorstoelen vindt men rechts en links orgels, die om de schoonheid der registers en de voortreffelijkheid van het mechanisme terecht beroemd zijn. Het eene is van 1756, het andere van 1796, en beide zijn vervaardigd door bekende orgelbouwers. De overige meubels van het koor kunnen wedijveren met de stoelen. In het midden draagt een arend met ontplooide vleugels, de klauwen rustend op een gothisch voetstuk van ouderen stijl, de enorme en zware boeken van de liturgieën. Die schoone vogel is zeker uit Duitschland gekomen in den tijd der Renaissance. Twee andere lessenaars van verguld brons van verschillenden vorm, staan een weinig lager, gelijk met de stoelen. Zeer mooie basreliefs, die den doortocht door de Roode Zee en David, dansend vóór de ark, voorstellen, versieren de vlakke deelen van die lessenaars. Ze zijn zoo stevig verguld, dat men ze het gebruik niet kan aanzien, ofschoon ze van 1750 moeten dagteekenen. Indien dan al het kapittel veel van kunst hield, het hield ook veel van zuinigheid, want er rezen nog moeilijkheden met den vervaardiger Nicolaas de Vergara, den Oude. Er volgde een twist, maar ten slotte werd men het toch eens.
Tusschen het koor en de Capilla Mayor van tegenwoordig, die afgesloten wordt door een hek, waar een prachtige Christus aan het kruis boven hangt, ligt een vrij groote ruimte. Zij werd tot de 15de eeuw ingenomen door de oude Capilla Mayor, terwijl aan de achterzijde zich de kapel der Oude Koningen verhief, gesticht door koning Dom Sancho den Dappere, om als begraafplaats voor zijn familie te dienen. Toen Ximenes de Cisneros kardinaal en primaat van Spanje was geworden, verkreeg hij van de Katholieke koningen vergunning, om de stoffelijke overblijfselen hunner voorgangers naar elders over te brengen, en tevens om van de beide kapellen een enkele te maken van grooter afmetingen en dus meer in overeenstemming met de belangrijkheid van het gebouw. Zulk een optreden heeft natuurlijk meer sporen nagelaten. De Capilla Mayor ziet er, nadat ze de beelden en sieraden uit de beide heiligdommen heeft geërfd, overladen en vol en niet in harmonie met het andere uit. Onder de beelden van koningen en koninginnen is ook een binnengedrongen van een boer.
Toen de beroemde slag van las Navas aan den gang was, en het leger der Christenen door de ongeloovigen in het nauw was gebracht, en dreigde vernietigd te worden, verscheen er een herder voor koning Alfonsus VIII en bood hem aan, hem langs een onbekenden, maar volkomen veiligen weg buiten den pas te brengen, waar de troepen ingesloten waren. Toen hij zijn woord had gehouden, verdween de herder, zonder op den dank des konings te wachten of om een belooning te vragen. Dadelijk liep het gerucht, dat de redder van het leger der Christenen een afgezant van den hemel was. Ten bewijze van zijn dankbaarheid gaf Alfonsus bevel, een standbeeld op te richten voor den hemelschen gids en beschreef hem aan den kunstenaar, zooals hij hem had gezien.
Tegenover dien Pastor de las Navas staat de waardige gestalte van den alfaqui Aboe Valid, die door zijn beleid koningin Constantia redde van de straf, die zij wel een weinig verdiend had. Voorbij de koninklijke standbeelden dichterbij het altaar vindt men boven elkaar een rij van graven, waar de leden der koninklijke familiën rusten, die niet zijn overgebracht naar de kapel der Nieuwe Koningen. Daar heeft zich op een echt koninklijke plaats een persoon ingedrongen, die door zijn geboorte niet voor zulk een eer bestemd was. Het is niemand minder dan de beroemde Dom Pedro Gonzales de Mendoza, kardinaal, primaat van Spanje en eerste minister der Katholieke koningen.
Het heeft moeite gekost, om het stoffelijk overschot te plaatsen in een graf, dat meer op een kapel gelijkt, en waar een altaar staat. Op dat altaar moesten volgens de laatste wilsbeschikking van den prelaat drie missen per dag worden gelezen. Toen de kardinaal gestorven was, haastten zich de kanunniken, die hem misschien tijdens zijn leven wel eens lastig hadden gevonden, tegen de bepalingen van zijn testament te protesteeren.
De plaats, die de overledene had aangewezen, om er zijn graf te graven, kon, zoo zeiden zij in den aanvang, slechts aan een vorst of een prins van koninklijken bloede worden afgestaan. Toen Isabella, die door den slimmen Mendoza tot zijn executrice testamentaire was aangewezen, hoorde van den tegenstand, zond zij aan het kapittel het bevel, zich naar den laatsten wensch van den kardinaal te voegen. Toen men zich niet haastte om te gehoorzamen, dacht zij aan koningin Constantia. Door metselaars vergezeld, begaf zij zich des nachts naar de kathedraal en beval den werklieden, in haar tegenwoordigheid den dikken muur door te breken. Toen de kanunniken den volgenden morgen in de kerk kwamen, vonden ze de doorboring zoo goed als voltooid. Het gaf toen niets, nog langer te protesteeren.
De kapel, het graf en het mooie beeld, dat op de sarcofaag is geplaatst, zijn het werk van den meester Alonso de Covarrubias. Zeven-en-twintig beeldhouwers hielpen hem bij zijn arbeid. In vier jaren was die voltooid, en in 1504 werd het monument ingewijd, na den dood van Isabella.
Door aan het stoffelijk overschot van Mendoza een plaats af te staan tusschen die van koningen en prinsen van Castilië, had de koningin den trouwen dienaar willen beloonen, en den dapperen krijgsman, den grooten staatsman, die na den slag van Toro er toe had meegewerkt, haar den troon te verzekeren, en die vóór Granada haar zoo krachtig hielp in het winnen van een koninkrijk. Hij was het, die, zich stellende boven de vooroordeelen van zijn tijd, en van zijn Orde, het oor leende aan de smeekbeden van Columbus, voor diens inzichten gewonnen werd en hem den nog wel wat weifelenden steun van de koningin bezorgde. Zonder Mendoza zou Isabella misschien nooit vorstin over een Nieuwe Wereld zijn geworden.
Daar zij edelmoedig van aard en dankbaar was, nam zij het hem niet kwalijk, dat hij bij zijn leven zich den bijnaam had verworven van "den derden beheerscher van Spanje", en na zijn dood voerde zij gewetensvol zijn laatste wilsbeschikking uit. De kloosterschool van Santa Cruz te Valladolid en het hospitaal van denzelfden naam, waarvan zij den eersten steen te Toledo legde, zijn ook een uitvloeisel van die gevoelens.
De groote kardinaal was juist een man, zooals men zich de groote vorsten van dien tijd kan denken. Eens maakte een geestelijke, die op een dag in de tegenwoordigheid van den kardinaal preekte, van de gelegenheid gebruik, om uit te varen tegen de verslapping van den godsdienst in de tijden, die hij beleefde, en deed dat in zulke bewoordingen, dat het onmogelijk was, zich in zijn bedoeling te vergissen.
Het gevolg van den prelaat kookte van ongeduld en wilde zich op den overmoedige wreken. Maar wel verre van zich beleedigd te toonen, beval Mendoza den prediker een schotel wild te brengen, dien men hem nog denzelfden dag moest voorzetten, en hij liet het geschenk vergezeld gaan van een beurs, gevuld met dubloenen bij wijze van specerij.
Ter verontschuldiging van den wereldschen zin van Mendoza moet men bedenken, dat aan het celibaat der geestelijken niet de hand werd gehouden en dat het in Arragon zelfs aan afstammelingen van priesters geoorloofd was te erven van hun overleden ouders, ook al hadden dezen geen testament gemaakt. Dit zijn gebruiken, die men mudejarisch of mozarabisch zou kunnen noemen en die tot de westersche zeden in dezelfde betrekking staan en er op dezelfde wijze van verschillen als de architectuur der paleizen van Toledo, voor de Christenen gebouwd, van die der in denzelfden tijd in Frankrijk opgerichte gebouwen.
Bij een der laatste bezoeken, die Isabella bracht aan haar stervenden minister, vroeg de koningin hem, zijn opvolger aan te wijzen, een keuze, die van bijzonder groot belang was, daar de aartsbisschop uit den aard der zaak president was van den Raad van Castilië. Gedrongen, om den naam te noemen van dengene, die het meest waardig was deze dubbele functie te vervullen, beval Mendoza haar den broeder Francisco Ximenes de Cisneros, van de orde der Franciscanen aan, die reeds haar biechtvader was, ofschoon dan zeer tegen zijn zin. Nooit heeft Mendoza zijn vaderland een grooteren dienst bewezen, want hij vertrouwde den staat toe aan reiner handen dan de zijne, en stelde de leiding onder de hoede van een veelomvattenden geest, die in staat was Spanje verder te voeren op den weg der eenheid en de unificatie tot een goed einde te brengen.
Ximenes rust niet als zijn voorganger in de kathedraal van Toledo. Hij had als plaats om zijn laatsten slaap te slapen een bescheidener hoekje gekozen, namelijk in de universiteit van Alcala, die hij had laten bouwen; maar toch leeft de herinnering aan hem in zijn kerk en vooral in de mozarabische kapel, waar allerlei oude en de eeuwen trotseerende herinneringen opleven.
Wat is dat eigenlijk, die mozarabische eeredienst?
Toen de Mohammedanen Toledo hadden ingenomen, oefenden zij er zulk een gematigde heerschappij uit, dat de Christenen vergunning kregen, er hun eeredienst uit te oefenen. Drie eeuwen later vond Alfonsus VI, bij het heroveren der stad er een christelijke bevolking, die alle vormen van den ouden gothischen eeredienst had behouden, terwijl ze zich sterk hadden gewijzigd in landen, die christelijk waren gebleven. De toledaansche ritus werd dus bewaard in de zes kerken, waar hij in stand was gebleven tijdens de vreemde overheersching; maar langzamerhand nam het aantal Mozarabieren af, en die dienst zou onherroepelijk verloren zijn geweest, als Ximenes er niet een kapel aan had gewijd, die in directe gemeenschap werd gesteld met de kathedraal. De mis, die er dagelijks met groote praal wordt voorgediend, verschilt van de zoogenaamd romeinsche mis. Ofschoon er hier slechts sprake is van bloote vormquaesties, zooals van het breken der hostie in negen stukken, de volgorde der gebeden, de weglating van het laatste Evangelie enz. toch was er vroeger een hevige strijd tusschen de aanhangers der twee richtingen. Er werden formeele gevechten voor geleverd; ieder had zijn ridders, die voor haar in het strijdperk traden, en als de kamp onbeslist bleef, ging men tot de vuurproef over, om des hemels wil te vernemen. Er werd een brandstapel ontstoken, en in tegenwoordigheid van een angstig wachtende menigte werden de boeken van den eeredienst van Toledo en de latijnsche richting er tegelijk op geworpen. De eerste bleven ongedeerd, terwijl de andere verteerd werden. De stem des hemels had gesproken; de toledaansche ritus of die van den H. Isidorus werd behouden.
Tegenwoordig wordt de mozarabische mis min of meer als een curiositeit beschouwd; zij behoort tot het gebied der christelijke archaeologie. Hoewel de vreemdelingen er in grooten getale heen stroomen, kan men dat zelfde niet zeggen van de stadgenooten, die enkel door de ceremoniën der groote kerkfeesten er nog eens worden heengelokt. Het steeds afnemend aantal van de Mozarabieren behoeft geen verwondering te baren, als men bedenkt, dat bij de gemengde huwelijken de echtgenoot, die den latijnschen ritus aanhangt, meer voorrechten heeft dan hij, die den toledaanschen ritus volgt. Zoo ook moet in het eerste geval de vrouw terugkeeren in den schoot der latijnsche kerk, terwijl in het tweede zij niet mozarabisch wordt.
Het is zeer moeilijk te begrijpen, aan welk gevoel een hervormer als Ximenes gehoorzaamt, als hij door den bouw van een eigen kapel het voortbestaan waarborgt van een eeredienst, die bezig is te verdwijnen. Hoe het zij, het gebouw, dat in 1504 werd begonnen naar de plannen van Enriques de Egas en gebouwd door mohammedaansche meesters, Faraux en Mahomet genaamd, heeft niets opmerkelijks. Maar op den muur tegenover den ingang is een mooie fresco te zien van Jan van Bourgondië, gedagteekend 1514. De schildering stelt voor de episoden der ontscheping van het spaansche leger onder aanvoering van den grooten kardinaal vóór de stad Oran, en beslaat drie prachtig bewaarde groote schilderijen. De gebeurtenis had plaats in 1509 en de inneming van Oran, nog in denzelfden avond van den dag der ontscheping, was de groote triomf in het leven van Ximenes. Na zijn gebed had de hemel, volgens het zeggen der soldaten, het wonder van Jozua vernieuwd en de zon doen stilstaan tot de Christenen de muren van de muzelmansche vesting hadden vermeesterd.
Het is niet te verwonderen, dat de kardinaal, in spijt van zijn vurig geloof en zijn nederigheid, die algemeen bekend zijn, bezweken is voor de verzoeking, om voor het nageslacht de herinnering te bewaren aan den grooten dienst, welken hij aan zijn vaderland had bewezen, een dienst, die hem op de afgunst van Ferdinand kwam te staan, en hem voor verscheiden jaren veroordeelde tot een soort van ballingschap in zijn universiteit van Alcala.
De mozarabische kapel heeft niet alleen het voorrecht, het getrouw weergegeven portret van den grooten kardinaal te mogen bewaren. Men vindt ook zijn ascetengezicht onder de portretten der primaten van Spanje aan de wanden der Capitulatiezaal, en eveneens op een fresco boven de deur van die zaal. Dat schilderij stelt het Jongste Oordeel voor en de eindbestemming van den mensch. Toen de kunstenaar den kardinaal onder de uitverkorenen wilde plaatsen in de glorie des hemels, zei de prelaat: "Dat is te veel eer!"
"Moet ik dan Uwe Eminentie in de hel doen plaats nemen?"
"Dat zou een te groote vernedering zijn!"
Er werd een gemiddelde gevonden, en de kardinaal werd in het vagevuur gezet, maar geheel gereed om het te verlaten en van zijn kleederen ontheven, ten einde zoo snel mogelijk naar de oorden der gelukzaligen te kunnen verhuizen.
Een andere groote figuur, maar deze onderworpen aan een bloedig en tragisch lot, had vóór Mendoza gepreekt onder de gewelven van het oude gebouw. Ik bedoel Alvaro de Luna, den gunsteling en minister van Juan II, vader van Isabella de Katholieke, wiens troon en hoofd in de kapel van Santiago rusten, welke hij bij zijn leven had laten bouwen en die een der schoonste is gebleven van de kathedraal. Nooit is een leven zonderlinger geweest dan dat van dezen laaggeboren man, tot macht verheven door de gunst van zijn heer, over Spanje regeerend gedurende twee-en-dertig jaren, stervend op een schavot, ten slotte in de kathedraal een bijna vorstelijk graf vindend en eerst langen tijd gerust hebbend in een graf op het kerkhof der terechtgestelden. Alleen het lot van kardinaal Wolseley kan met het zijne worden vergeleken.
Omstreeks 1437, toen hij op het toppunt van zijn macht was, had Alvaro de Luna de kapel van Santo Tomé gekocht, die in 1177 gesticht was door graaf Dom Muno de Lara. Hij had er naburige terreinen bijgevoegd en had de prachtige kapel laten bouwen, die aan den H. Jacobus was gewijd ter herinnering aan de Orde, waarvan hij tot Grootmeester was benoemd. Op de plaats, die hij voor zijn graf had bestemd, had hij een automaat van brons laten zetten, bezet met émail en verguldsel en op hemzelven gelijkend, die op kon staan en bij de zegenspreking kon knielen.
Volgens sommige kronieken werd de automaat vernield nog bij het leven van den Grootmeester door Dom Erique van Arragon in den oorlog, dien deze vorst tegen Castilië voerde in 1440. Een van die kronieken laat Dom Alvaro tot Dom Enrique zeggen:
"Waarom hebt gij mijn beeltenis niet geëerbiedigd en waarom hebt gij ze vernield, gij, die op het slagveld voor mij zijt gevlucht?"
Volgens andere schrijvers werd het beeld weggenomen op bevel van Isabella, de Katholieke, die gehinderd werd door de afleiding voor de geloovigen, als het zijn bewegingen uitvoerde. Het is waarschijnlijk, dat de eerste lezing de goede is, want het standbeeld van den Connétable zal zijn schande niet hebben overleefd, om tot de regeering van Isabella te wachten, eer het van zijn voetstuk neerdaalde. Hoe het zij, het brons van den automaat was niet verloren, en men meent er de overblijfselen van terug te vinden in de twee gebeeldhouwde preekstoelen, die links en rechts in de Capilla Mayor staan.
Op de beide sarcofagen, midden in de kapel geplaatst, liggen de marmeren beelden van Alvaro de Luna, gekleed in de wapenrusting en den mantel van de Grootmeesters der Orde van Santiago, en van zijn vrouw, Donna Juana de Pimentel. Een opschrift geeft niet anders dan den datum van den dood van den Connétable, die plaats had in 1453. De trekken van den beroemden gunsteling van Juan II doen denken aan die van het kleine portret, dat op het altaarblad is geschilderd, een portret, dat zeker naar een origineel is gecopiëerd, want het altaarblad werd ten geschenke gegeven en op zijn plaats gebracht in 1498, op bevel van Donna Maria de Luna, dochter van den Connétable. De sarcofagen, beide zeer mooi, zijn het werk van Pedro Ortiz.
Niet ver van de kapel van Santiago, en gekenmerkt door de veelkleurige standbeelden van de wapenherauten van Leon en van Castilië, vindt men de poort van de kapel der Nieuwe koningen, gebouwd door Alonzo Covarrubias, op bevel van Karel V. Zij is in den platereskenstijl opgetrokken, dat is de spaansche vroegrenaissance, en geeft daarvan een zeer schoon voorbeeld. Trots de betrekkelijke nieuwheid van het gebouw en vooral van de altaren, die van het einde der 18de eeuw zijn, leeft men er nog te midden van oude herinneringen. Onder de sierlijke ornamenteering van de Renaissance liggen in hun strenge heiligheid op hun graftomben de beelden der stichters van de eerste kapel, die op deze plaats werd opgericht, Dom Enrique van Castilië en zijn vrouw Donna Juana, gestorven, de eerste in 1378 en de tweede in 1381. Verderop die van Enrique III en zijn vrouw, Donna Catalina, gestorven in 1418.
In den hoek van de kapel hangt een zeer belangwekkend en zeer goed portret van Dom Juan II, den eerst te zwakken en later te strengen meester van den ongelukkigen Alvaro de Luna; het is het werk van Juan van Bourgondië.
De kunstenaar moet zich hebben laten inspireeren door het een of ander getrouw portret, want in die blauwe oogen, die frissche tint, de gevulde wangen en het ronde hoofd vindt men al de trekken terug, die op de meest authentieke portretten van Isabella, de Katholieke, werden aangetroffen. De blik van de dochter is alleen dieper en vaster dan die van den vader.
Aan het zeer hooge gewelf van de vestibule hangen aan den ingang van de kapel twee beroemde trofeeën, die Isabella zelve had laten plaatsen boven het graf van haar voorouders en die werden overgebracht naar de nieuwe kapel, gebouwd door haar kleinzoon, Karel V. De eene is een portugeesche vlag, buitgemaakt in den slag van Toro, die in 1476 is geleverd door de Katholieke koningen, en ten gevolge waarvan Isabella onbetwist meesteres bleef van Castilië; de andere is de volledige wapenrusting van den aferez Dom Duarte de Almaïda, die, toen hij in dienzelfden slag ernstig aan den arm gewond was, den koninklijken standaard bleef dragen tusschen zijn tanden tot aan het einde van het gevecht.
De historie zal het voorbeeld van de Katholieke koningen volgen en zal den vaandeldrager van Toro zich blijven herinneren.
Als men een bezoek heeft gebracht aan het groote schip der kathedraal van Toledo, en aan de tallooze kapellen, die erbij behooren, kent men nog slechts een deel van het monument. Er blijven nog over de sacristieën en magazijnen, de archieven en de bibliotheek, waar men sinds eeuwen bezig is de giften der koningen, prinsen en primaten van Spanje te rangschikken en behoorlijk te verzamelen. De omhulling is den inhoud waardig. De lambrizeeringen, de deuren, de kasten zijn voor het meerendeel meesterwerken van houtsnijwerk. Het plafond der groote sacristie met de ster- en kruisvormige vakken, rood of blauw, met goud ingelegd, is een wonder van de mudejarsche of mozarabische kunst. De bronzen, die er talrijk zijn, kunnen wedijveren met de bekleeding van de Leeuwenpoort.
Verscheiden boekdeelen zouden nauwelijks voldoende zijn, om een beschrijving te geven van de kostbaarheden, de tapisserieën, de banieren, de sieraden, de meubels en de historische herinneringen, waaronder men allereerst de tent van goudlaken aanwijst, die Isabella de Katholieke, vóór Granada liet opslaan. Dan zijn er beeldhouwwerken en schilderijen, het portret van kardinaal Borgia, geschilderd door Velasquez, alleen bekend bij enkele ingewijden, en de H. Antonio d'Alonso Cano, een beroemd beeldje, dat in werkelijkheid van Pedro de Mena is, een der leerlingen van den meester uit Granada.
En wat te zeggen van den schat der bibliotheek en der archieven, die nog zoo goed als ondoorzocht is? Wat zou het een genot zijn voor den onderzoeker, daar in de afdeeling voor muziek de werken terug te vinden, waarvan de meeste onuitgegeven, van de beroemde kapelmeesters uit de 15de en 16de eeuw, Francisco Penalosa, Bernardio Ribera, Andres Torrentes, Morales, Escovedo, Pedro Fernandes, Antonio Bernal, Navarro. Als men de bladzijden van enkele dier beroemde meesters inziet, moet men dan niet verbaasd zijn te constateeren, dat die in cijfers zijn geschreven, en in hun aanteekeningen de grondbeginselen aan te treffen van de methode Galin-Paris-Chevé, die dertig jaar geleden zooveel opgang maakte?
Maar diep binnen te dringen in de geheimzinnige schuilhoeken van de antieke kathedraal en haar inwendig leven grondig te leeren kennen is den stervelingen niet gegeven. Drie duizend sleutels zijn, naar het schijnt, noodig, om al haar deuren te sluiten; ik geloof, dat er nog veel meer vereischt worden, om ze te openen. Den H. Petrus zou dat niet gelukken, en wijs is hij, die zijn wenschen binnen de grenzen van het mogelijke weet te houden. Al peinzend over dat oude voorschrift, nam ik afscheid van mijn gidsen en verliet de kathedraal.
III.
Intocht van Isabella en Ferdinand volgens de kronieken.--San Juan de los Reyes.--Het hospitaal van Santa Cruz.--De zusters van Sint Vincentius a Paulo.--De beroemde portretten van de universiteit.--De engel en de pest.--De heilige Leocadia.
De groote naam van Isabella, de Katholieke, heeft vele malen in de kathedraal weerklonken, en in den loop van mijn herhaalde bezoeken heb ik hem door alle echo's hooren herhalen. In dit schoone heiligdom, vroom juweel aan de kroon van Castilië, kwam de bewonderenswaardige koningin God danken, toen de overwinning in den slag van Toro haar in het bezit had gesteld van den schepter, dien zij met zoo grooten roem zou voeren. De verhalen uit dien tijd hebben een trouwe herinnering bewaard van dien beroemden intocht. Hij had plaats op 31 Januari 1476.
De straten en het Zocodover waren reeds van zonsopgang af gevuld met een luidruchtige, zeer opgewonden menigte. De rechters en de wethouders waren op straat gekomen, dezen in costumes van schitterende kleuren; genen in lange, prachtige zijden gewaden. Aan de deuren en aan de weinige buitenopeningen van de huizen had men fijne geweven stoffen opgehangen, oostersche tapijten, heerlijke stoffen uit Venetië of geweven door bekwame weefkunstenaren uit Toledo. Langzamerhand was het in de stad leeg geworden, en de menigte, die de aanwijzingen van de hoofden der aanzienlijke families volgde, had zich verspreid naar den kant van de hermitage van Sint Eugenius, waar men reeds jongleurs, zangers, dichters, muzikanten, en danseressen had bijeengebracht, die alle rijk gekleed waren.
Weldra verscheen, aangekondigd door fanfares en begroet met gezang, dat de vereeniging van Castilië met Arragon blij begroette, de koninklijke stoet; de hoofden gingen omhoog en de halzen rekten zich uit, om de souvereinen beter te kunnen zien, wier overwinning den vrede verzekerde aan de twee koninkrijken, en wier glorie op aller lippen was. Ferdinand, nog zeer jong, met goed figuur, donkere oogen en haren, intelligent gezicht, bereed al uitstekend een prachtigen klepper. De koningin was gezeten op een muildier, dat rijk was opgetuigd, en geleid werd door twee pages uit de edelste geslachten van het land. Zij was niet groot, maar er sprak uit haar houding en haar trekken een fiere majesteit. Haar hoogblonde haren waren bijna geheel verborgen onder de sluiers, die om haar hoofd waren geslagen; haar zeer blanke huid, de grijsblauwe oogen herinnerden er aan, dat van vaderszijde zij vermaagschapt was aan het huis van Lancaster. Een uitnemende gratie en een engelachtige glimlach maakten de strengheid van het voorhoofd en de vastheid van den blik zachter. Isabella was zes-en-twintig jaar, twee jaar ouder dan haar echtgenoot, en reeds had ze een rijk onderworpen, dat haar betwist werd door vreemdelingen en oproerlingen.
Na den eed te hebben afgelegd, dat zij de privileges zouden handhaven, die aan de stad geschonken waren, en na de wallen overgetrokken te zijn, begaf het koningspaar zich naar de kathedraal. Zij traden er binnen door de poort der Vergeving, terwijl jeugdige kinderen, die engelen voorstelden, hun met muziek welkom heetten. En geknield aan den voet van het altaar, dankten zij den Eeuwige, die hun had vergund, den vreemdeling uit Castilië te verdrijven en hem had gedwongen, zich over de grens terug te trekken naar Portugal. Misschien plantte de onvergelijkelijke vorstin op dien dag in den tuin van het klooster den nu veel honderden jaren ouden taxisboom, waarvan elk eenigszins begunstigd reiziger eenige bladeren ontvangt bij wijze van souvenir.
Onder de regeering van Juan II, den vader der koningin, had de beroemde gunsteling, Alvaro de Luna, eenige vertrekken van het Alcazar ter beschikking van zijn heer laten stellen. Daarheen begaven zich de vorstelijke personen. Er was een eenvoudig ontbijt gereed gezet, want zij vastten dien dag; maar in spijt van de berooidheid der schatkist werden de armen niet vergeten.
Den tweeden Februari kwamen de koning en de koningin weer in de kathedraal met nog grooter luister.
Isabella straalde in verheven schoonheid; men had alleen oogen voor haar, want alles verbleekte naast de lelie van het koningschap. Op haar kleed van wit brocaat waren in goudborduursel de kasteelen en de leeuwen, als symbolen van haar erfelijke rijken aangebracht; een lange mantel van hermelijn viel neer van haar schouders en vormde een lange sleep, door twee jonge pages opgehouden. Op haar hoofd, door lichte sluiers omgeven, schitterde een gouden kroon, bezet met edelgesteenten; om haar hals hing een prachtige collier van bleeke robijnen. Het edelgesteente, dat op haar borst fonkelde, trok aller blikken tot zich, niet enkel om zijn buitengewone grootte, en den onvergelijkelijken glans, maar omdat het, naar men zeide, toebehoord had aan Salomo. Het bewijs daarvoor vond men in het hebreeuwsche opschrift, dat er op was gegraveerd.
Vóór het koningspaar uit wapperden hoog en fier de vlaggen van Leon, Castilië en Arragon, terwijl de vlaggen van Lusitanië, die door den vijand achtergelaten waren in de wanorde, die op den slag van Toro was gevolgd, omgekeerd en in vernedering in den stoet werden meegedragen. De triumphators, die na een gelukkig ten einde gebrachten oorlog in de stad van Romulus binnentrokken, boden met geen grooteren trots de op den vijand buitgemaakte eereteekenen aan het romeinsche volk aan.
Na de mis te hehben gehoord, en na boven het graf van haar voorvaderen, wien zoo vaak door de Portugeezen ontzag was ingeboezemd, de getuigenissen van de zegepraal te hebben laten ophangen, wilde Isabella in Toledo een duurzamer herinnering van de overwinning achterlaten. Dat denkbeeld leidde tot de oprichting van het beroemde klooster van Juan de los Reyes.
Het gebouw, dat aan den rand van het plateau is gelegen boven het groene, bloeiende dal van de Taag, als de rivier zich van de stad verwijdert, is aangelegd in den vorm van een latijnsch kruis, en opgetrokken van witte kalksteen, die zeer fijn en hard is en daardoor zich uitstekend leent voor de meest grillige fantazieën der beeldhouwers. Midden tusschen de verschillende onderdeelen verrijst tot op groote hoogte een zware en mooie koepel. De steunsels der bogen rusten op twee sierlijke tribunes, die voor het koningshuis waren gereserveerd, terwijl een gebeeldhouwd fries, rondom de beuken der kerk loopend, een prachtig opschrift droeg in gothische letters, verheerlijkend de roemrijke namen der stichters.
Aardige kleine onderdeelen trekken telkens de aandacht, zonder den indruk van grootschheid en strengheid weg te nemen, die door het geheel wordt gemaakt. Hier ziet men bloemen, kransen, vogels; ginds een aap, als monnik gekleed, met een kap over het hoofd, in diepe aandacht zijn brevier bestudeerend. Welk een zonderlinge oneerbiedigheid, die men toeliet in die tijden van innige vroomheid!
Toen Isabella aan de Franciscaners het klooster en de kerk San Juan de los Reyes gaf, waar zij haar laatsten slaap wilde slapen, begiftigde ze hen tevens met een inkomen van 7000 maravedi's, (een koperen spaansche munt van nog geen nederlandsche cent waarde) die genomen moesten worden uit de koninklijke schatkist, zonder dat de inkomsten in geld en in natuurproducten, die van het land geheven werden, ervoor behoefden te verminderen. Buitendien verrijkte zij hen met kunstwerken, met miniaturen, juweelen en kostbare manuscripten, in Duitschland gekocht en in Italië. Inderdaad meende de groote koningin van Castilië, dat zulk een mildheid haar volk ten goede kwam. Met het doel, haar volk te beschaven, wist zij de oprichting van twee leerstoelen voor de theologie door te zetten voor de studenten, en voor kinderen uit de provincie werden scholen gebouwd; zij stond erop, dat men er de christelijke leer duidelijk uiteenzette op een wijze, die deze leer begrijpelijk en bemind maakte. Nu was geen enkele orde van geestelijken aard meer het vertrouwen van Isabella waardig dan die der Franciscaners; geen godsdienstig genootschap verdiende zoozeer om zijn talenten en deugden te worden uitverkoren door de vorstin.
Na de verovering van het koninkrijk Granada wijzigden zich Isabella's denkbeelden, en in haar testament, een voorbeeld van wijsheid en voorzichtigheid, beval zij, dat men haar stoffelijk overschot zou bijzetten in de stad, die met zooveel opofferingen was vermeesterd.
De gunst, waarin zich het klooster van Toledo mocht verheugen, verminderde niet onder de volgende regeeringen; Karel V voltooide het werk van zijn bloedverwante; Filips II schonk er groote giften aan, en deed het de verheven eer aan, het kapittel-generaal van alle groote militaire orden van Spanje te mogen bewaren, en eindelijk bedekte Filips III er de wanden met schilderijen en logeerde bij voorkeur in het Alcazar bij de verkiezing van den Generaal der Franciscanen, bij welke gelegenheid de vorst er feesten gaf en luisterrijke maaltijden.
Toen Mevrouw d'Aulnoy Spanje bezocht, was zij zeer getroffen door de pracht van de kerk. "Zij is groot en schoon," schreef zij, "en staat vol met oranjeboomen, granaatboomen, jasmijn en zeer hooge myrten, die in hun bakken heele lanen vormen tot aan het hoofdaltaar, dat met een zeer rijke versiering is getooid. Zoodat met al die groene bladeren en al die bloemen van verschillende kleuren, en als men er het goud en het zilver ziet fonkelen tusschen de borduurwerken en de aangestoken waskaarsen, waarmee het altaar is overdekt, het is, of men de zonnestralen zelve ziet. Er zijn ook kooien, mooi geschilderd en verguld, waarin nachtegalen, sijsjes en andere vogels een bekoorlijk concert geven."
De kerk en vooral het klooster hebben verschrikkelijk geleden van den oorlog en van den brand, die in 1809 veel onheil stichtte en een deel van het altaar, de geschilderde glazen, de bibliotheek en de helft van het klooster verwoestte. In 1835, ten tijde van de Revolutie en van de afschaffing der godsdienstige orden, werd het gebouw in een kruitmagazijn veranderd.
Het zou geheel ten onder zijn gegaan, indien niet in 1844 de Commissie voor de historische Monumenten er de beschermende hand over had uitgebreid, door de gemeente van San Martino erheen over te brengen. Aan den dienst teruggegeven, en voor de bedelaars gesloten zoowel als voor de plunderaars, is de kerk bewaard gebleven voor de verwoesting, waarmee ze werd bedreigd.
Wat het klooster betreft, dat heeft sinds 1858 een restauratie ondergaan, die even talentvol wordt uitgevoerd als ze langzaam tot stand komt, en het is tegenwoordig het kostbaarste en schitterendste voorbeeld van den gothischen bouwtrant in Spanje. De bogen, die een lengte van 26 meter innemen aan elk der vier zijden, zijn versierd met een menigte beelden, sieraden, vogels, vruchten en bloemen, uitgelezen kunstig bewerkt. Op den binnenmuur, die ook met beelden is versierd, gedragen door elegante caryatiden, onder de fijne kroonlijst, ziet men een lang opschrift in de castiliaansche taal. De mooie gothische letters, die het vormen, zijn gelijk aan die, welke binnen in de kerk zijn gebruikt, al zijn ze minder groot. Ferdinand en vooral Isabella worden er uitbundig maar niet overdreven geprezen.
Dit klooster en de kerk werden opgericht op bevel van de katholieke en zeer uitnemende vorsten Ferdinand en Donna Isabella, koningen van Castilië, Arragon en Jeruzalem, vanaf de eerste fondamenten, voor de eer en de glorie van den Koning der Hemelen en zijn gelukzalige Moeder en tevens van den H. Johannes den Dooper en den H. Franciscus, hun ijverige bemiddelaars. En na den bouw van dit huis veroverden zij het koninkrijk Granada, roeiden de ketterij uit en verdreven alle ongeloovigen, verkregen alle rijken in Spanje en Indië, en voerden hervormingen in bij alle kerken en gemeenten van monniken en nonnen, die in hun gebied hervorming van noode hadden; en na zoo groote en voortreffelijke werken stierf de koningin te Medina del Campo, gekleed in het gewaad van den H. Franciscus, den 5den November van het jaar 1503.
Evenals de kerk is het klooster gebouwd naar de plannen van een der beroemdste bouwmeesters van de kathedraal, Juan Guaz, een Vlaming, naar men meent, en wiens trekken voor ons bewaard zijn gebleven op een fresco, dat behoort in San Justo y Pastor. Om tusschen de beide verdiepingen van het klooster een verbinding tot stand te brengen, die het gebouw waardig was, beval Karel V later aan Covarrubias, een prachtige trap te maken, die overdekt is met een koepel in den vorm van een schelp, waarop het wapen van den grooten keizer voorkomt naast dat van zijn voorvaderen. Op de bovenste galerij komt ook uit de cel van Ximenes, die er met eerbied wordt vertoond. De latere groote staatsman was de eerste nieuweling, die te San Juan het kleed der Franciscanen aannam.
Nog in de allerlaatste jaren is San Juan de los Reyes bedreigd geworden met een groot verlies. Na de inneming van Malaga had Isabella als krijgstrofeeën de ketenen van de door haar in vrijheid gestelde christelijke gevangenen erheen gezonden en had bevolen, ze te hangen aan de buitenmuren der kerk. Sinds vier eeuwen beschreven die donkere ringen hun kringen op het witte gesteente, toen een alcade met veel practischen zin ze liet loshaken en bevel gaf ze om te smeden tot deelen van banken en tot een slot voor den openbaren tuin. Gelukkig had men den tijd, de volvoering van zulk een heiligschennend plan te voorkomen, en de ketenen hernamen de zoo lang ingenomen plaats.
In een der lage zalen van het klooster, misschien een ruime sacristie, heeft men een massa ongelijksoortige voorwerpen bijeengebracht, die meer of minder droevige of merkwaardige gebeurtenissen in de herinnering terugroepen, zooals schilderijen, stukken gebeeldhouwden steen of houtsnijwerk, émails en eerwaardig ijzerwerk. Te zamen heet het min of meer pompeus het Provinciaal Museum. Men kan er een bezoek brengen, als de portier zoo vriendelijk is op het schellen aan de deur te letten. Indien zijn bezigheden hem in zijn vertrekken vasthouden, mag men wachten; maar als men niet wordt binnen gelaten, behoeft men daar niet al te rouwig om te zijn; alle voorwerpen, die werkelijk eenige waarde hadden, zijn naar Madrid gebracht.
Isabella liet het niet bij die vrijgevigheid jegens de oude hoofdkerk van Castilië. In de laatste jaren van haar leven begiftigde zij haar nog met het toevluchtsoord van Santa Cruz voor vondelingen. Toen zij den bouw van dit schoone gebouw ondernam, trad zij op als uitvoerster van den uitersten wil van haar getrouwen minister, kardinaal Mendoza, denzelfden staatsman, wien zij met geweld een laatste rustplaats schonk in de Capilla Mayor van de kathedraal.
De kardinaal was gestorven in 1495, vóór de eerste steen was gelegd. De koningin kwam dadelijk tusschen beide, hief de moeilijkheden op, die rezen naar aanleiding van de verwerving van terreinen, in handen van kloosterorden, en toen zij op haar beurt stierf, in 1503, waren alle schikkingen zoo goed getroffen, dat de bouwmeester Enrique de Egas op geen enkelen hinderpaal stuitte. Tien jaren later was het gesticht gereed. Het is gebouwd in den vorm van een grieksch kruis of het kruis van Jeruzalem. De kerk bevond zich vroeger bij het snijpunt van de armen van het kruis; de gebruiksverandering tot Kadettenschool heeft ertoe geleid, dat het altaar verplaatst werd naar het uiteinde van een der armen.
Ofschoon het vondelingenhuis van Santa Cruz zeer weinige jaren na San Juan de los Reyes gebouwd is, lijken de stijlen niets op elkaar. De velerlei aanraking met Italië had Spanje de oogen geopend voor nieuwe richtingen. Dadelijk had het die met geestdrift aanvaard, vergetend zijn eigen verleden en de overleveringen, die uit Bourgondië en Vlaanderen in vroeger eeuwen waren overgekomen. Alleen de prachtige houtbetimmeringen met de houtmozaïeken in de vier zijbeuken zijn van die mozarabische kunst, waarvan Toledo zooveel kostelijke voorbeelden bezit.
Rechts van de ruimte, die tegenwoordig tot ingang dient, is een kloostergang met zuilen in klassieken stijl. Men komt op de bovenverdieping langs een zeer fraaie trap, die begint onder een portiek, gevormd door drie zuilen met verrukkelijk fijn snijwerk. Groote treden uit één stuk fijn, wit marmer voeren naar galerijen, waar bedelaars en plunderaars de houtbekleeding van hebben weggeroofd, zoodat men nu van balk op balk moet springen op gevaar af in de spleten te vallen en door het dunne plafond terecht te komen op de steenen van de lager gelegen gang.
Deze gang staat in verbinding met een andere kleinere, die zware zuilen en kapiteelen heeft, afkomstig uit de antieke kapel van de H. Leocadia. Uit de weinige vensters, die een paar cellen van die kloostergangen verlichten, ziet men neer in de kloof, waar de Taag door stroomt, op de brug van Alcantara en het kasteel van San Cervantes, dien mooien, strengen toegang tot Toledo. Men kan zich zeer goed voorstellen, dat de overlevering op de terreinen, nu door het hospitium ingenomen, het oude Alcazar heeft geplaatst, dat zich in 1085 aan koning Alfonsus VI overgaf, gedwongen door een hongersnood, dien een streng en langdurig beleg had veroorzaakt. Op geen enkele plaats kon men een betere positie innemen ter verdediging van de rivier. Wat is er van die vesting overgebleven? Niets dan een vervallen en half ingestorte toevlucht, die er uitziet of ze een beleg heeft doorstaan, en dan de diepe melancholie van de dingen die niet worden gebruikt.
Het werk van Karel V is niet enkel vertegenwoordigd door de Visagrapoort, Toledo is ook aan hem verschuldigd het mooie binnenplein van het Alcazar, en bovendien dateert uit zijn regeering het hospitaal van San Juan a Fuera, gebouwd door den kardinaal-aartsbisschop Dom Juan Tavera. In 1541 begonnen, werd het eerst in 1624 voltooid. De indrukwekkende gevel van uitstekenden smaak strekt zich uit over een lengte van ongeveer honderd meter. Uit de kerkpoort zagen wij de zusters van Sint Vincentius a Paulo komen met haar witte mutsjes, die alleen al door haar tegenwoordigheid den indruk van orde en netheid geven, die ieder moet treffen zoodra hij den drempel overschrijdt.
Welk een verrassing is het, de steenen van de gangen zonder vlekken te zien, de hoeken zonder vuil en de oude mannen gewasschen en gekamd, terwijl er geen bewakers rondloopen, die bedelen met een dreigement in den blik! Men gevoelt, dat Frankrijks goede engelen over de bergen zijn gevlogen, en dat voor haar goede werken de wereld nooit groot genoeg zal zijn.
Bij de kruising van het schip der kerk met de armen van het kruispand welft zich een zeer hooge en wijde koepel over het graf van den stichter van het liefdehuis. Dat is het laatste werk van Alonso Berruguete. Mogelijk is de koepel zelfs wel afgemaakt door zijn zoon, in 1561. De jaren hadden de hooge vlucht van den kunstenaar wat getemperd, want hij heeft nooit beter de zachte kalmte van den dood van den rechtvaardige weergegeven. De versieringen van de sarcofaag zijn van een lateren tijd dan het beeld van den doode, en hoewel in goeden italiaanschen stijl, zijn ze veel minder waard. Zij zijn het werk van een inlandschen kunstenaar; maar in dien tijd, en als ze zich aan het marmer waagden, waren de spaansche beeldhouwers zoo gewend aan de italiaansche manier, dat het moeielijk wordt, hun werk te onderscheiden van wat uit de werkplaatsen in Genua en Florence kwam.
De burgers van Toledo mogen graag hun stad vergelijken bij de hoofdstad der Christenheid. De parallel valt dan geheel in hun voordeel uit. Men oordeele:
Toledo en Rome hebben zeven heuvels, Toledo en Rome hebben een tarpeïsche rots; Toledo en Rome zijn beide vol kloosters; Toledo en Rome hebben beroemde prelaten zien geboren worden; maar het Rome van Italië heeft ernstige fouten begaan en dwaasheden, waarvoor het Rome van Spanje zich heeft weten te behoeden. En eindelijk steekt Toledo haar mededingster de loef af door de algemeene vermaardheid, die haar marsepein heeft verkregen, het marsepein met amandels; op dat gebied behoeft niet te worden gestreden, daar komt de eerepalm toe aan het Roma del Marzapan.
Ik geloof, dat geen vreemdeling Toledo beter heeft gezien dan ik onder het geleide van mijn uitstekenden vriend, professor Ventura y Reyes. Er is geen stukje van de oude stad, of hij heeft het onderzocht met een talent, dat alleen te vergelijken is met zijn bescheidenheid. Daar vandaag, Zondag, het provinciaal museum gesloten was, had de doctor mij ten zijnent geïnviteerd, om dan samen een wandeling buiten de stad te doen.
"Wij hebben daar," had hij tot mij gezegd met een zekere geheimzinnigheid, "twee vrouweportretten, die u zeer zullen interesseeren".
"Uit welken tijd?"
"Uit den tijd van Filips IV."
"Een Velasquez, een Greco?"
"Wie weet?"
Ik ging heen in groote spanning. Wat een rijkdommen heeft toch dat Spanje, dat zoo geheimzinnig is en zoo bescheiden! De ontroering deed mijn hart sneller kloppen, toen wij in de bibliotheek binnen gingen. Achter in de zaal, in een soort van afgesloten hoekje bij den katheder van den professor, hingen twee doeken van vrij groote afmeting tegenover elkander. Ik liep er snel op toe; mijn oogen doorboorden de duisternis, en ik zie een prachtige vrouw met een baard, omringd door haar man en kinderen. Een roode sluier bedekte het gelaat, terwijl het laag uitgesneden corsage de borst van de kleur van leliën en rozen liet zien.
Natuurlijk heeft Velasquez niets met dit portret uit te staan.
"Wat zegt u ervan?" vraagt mij lachend mijn gids.
"Dat moet een reclame wezen van een fabrikant van schoonheidsmiddelen of van een middel voor den haargroei."
"U vergist zich; het is het authentieke portret van een dochter van het blonde Germanië. Geboren in Duitschland, in 1620, kwam zij in 1664 in Spanje, en zoowel om haar baard als om haar talent als organist wist zij belangstelling te wekken. Dit portret en het uitvoerige opschrift dat het draagt, zijn er de onmiskenbare blijken van. En nu, keer u eens om."
't Is, of het om een weddenschap te doen is! Daar sta ik weer tegenover een vrouw met een baard!
"Meent u dan, dat Spanje bij Duitschland achter heeft willen blijven?"
De eerste vrouw was hoogblond en zag er vroolijk uit; deze tweede met witten baard heeft een zeer streng uiterlijk. Hier geen laag uitgesneden kleed; een hooge guipure en een stijve kraag omsluiten hals en borst en het gezicht kon dat zijn van een uit China teruggekeerden zendeling. Onder dit beeld zocht ik te vergeefs naar een opschrift, en ik vond er slechts een cijfer. Deze tijdgenoote van Filips IV was vijf-en-vijftig jaar, toen men haar weinig aantrekkelijk uiterlijk vereeuwigde.
Neen, de jeugdige leerlingen van het provinciale lyceum worden niet op de proef gesteld door wat men hun te zien geeft!
Maar wat is de aanleiding geweest tot de dwaasheid, dat deze dochteren Eva's er zoo op gesteld waren, aan de wereld den rijkdom van haar baard te vertoonen? De methodische exploitatie en het winstgevend bedrijf om phenomenen te laten zien, was nog niet in de zeden doorgedrongen.... Een paar eeuwen later zou Barnum haar fortuin en het zijne hebben gemaakt.
De dag, die onder zoo gelukkige voorteekenen was begonnen, was als een vergoeding voor de ernstige studiën van de vorige week. Sedert mijn aankomst had ik vertoefd in de geheimzinnige schaduw der kerken, onder kloostergewelven, bij graven en tot ruïnen vervallen paleizen; had ik dan niet verdiend, ook eens naar buiten te gaan?
Zoodra we de stad hadden verlaten, was het alles een schittering van licht en vreugde; de herfstzon glimlachte met haar vriendelijkste gezicht. Toch keerde ik mij even om, en keek naar de versterkte poort, die ik was doorgegaan. Een engel stond daar met een zwaard in de hand, streng en toornig tusschen twee zware torens. En de bewoners van Toledo, de jongen en de ouden hebben zich afgevraagd, waarom die godsgezant hun een zoo donker gezicht liet zien. Er moest een verklaring wezen, en er is een legende ontstaan.
De engel des Heeren waakt over Toledo en verbiedt de rampen en ellenden de stad te naderen; zij, die zooveel leed over de arme menschheid brengen.
Eens verscheen de afschuwelijke pest en vroeg om te worden toegelaten.
"Wat komt gij hier doen?" vroeg de engel in woede ontstoken.
"Ik ben een gezant van God, gij hebt niet het recht mij te weren."
"Mijn volk is vroom; als God in zijn ontevredenheid enkele armzalige visschers wil tuchtigen, dat hij er ten minste rekening mee houde, dat Toledo trouw de Heilige Maagd heeft gediend. Beloof mij, dat gij u met twintig slachtoffers zult tevreden stellen."
De engel bad en smeekte; maar de pest vond dat niet genoeg en wilde niet met minder dan tweehonderd tevreden zijn.
Toen moest de vreeselijke schatting, die gevraagd werd, worden toegestaan. De pest ging binnen, en gedurende drie maanden richtte zij vreeselijke verwoestingen aan en deed de bewoners van Toledo bij duizenden sterven.
"Ellendeling, leugenaarster, meineedige!" schreeuwde de engel, toen de ziekte eindelijk vertrok. "Ik zal u bij den hemel aanklagen."
"Waarom die woede? Gij hadt mij de levens van tweehonderd slachtoffers afgestaan. Die heb ik genomen. De anderen zijn allen van vrees gestorven. Daar heb ik geen schuld aan!"
Van de vlakte, waarop men uitkomt, als men de wallen achter zich heeft gelaten, rust het oog eerst op de meer dan middelmatige beelden van eenige koningen van Spanje, om daarna in het dal af te dalen naar de ruïnen van een romeinsch circus, dat systematisch verwoest werd, toen Abd el Rahman, gouverneur van Tolestane, zich onafhankelijk trachtte te maken.
Langzaam dalend, komt men bij het heiligdom van Cristo de la Vega. Het kerkgebouw is opgericht op de plek, waar de heilige Leocadia den marteldood onderging.
Leocadia was schoon en werd bemind. Toen men van haar eischte, dat zij het Christendom zou afzweren, was zij bang, niet sterk te zullen zijn en door de pijn te zullen worden overwonnen en haar God te verraden. Daarom riep zij hem te hulp en smeekte hem, haar tot zich te roepen en haar de smadelijke ontrouw aan het geloof te besparen. En terwijl zij met haar hand een kruis op den grond teekende en dat eerbiedig kuste, stierf zij met den naam van Jezus op de lippen.
Er verloopen eeuwen. Pas tot het Christendom bekeerd, heeft koning Sisebuth een prachtigen tempel laten oprichten op de plek, waar de martelares gestorven is. In de nabijheid van haar hoogvereerd graf werden conciliën gehouden. Monarchen en bisschoppen hebben naast haar willen rusten, en daar op eens doet een nieuw wonder de vroomheid van het volk en de koningen nog stijgen.
Het was op 9 December 666. Bisschop Ildefonsus vierde in het heiligdom den jaardag van den dood der heilige. Plotseling verdween de grafsteen in den glans eener lichtende verschijning. Een engelengedaante gehuld in witte sluiers, vertoonde zich voor de blikken der aanwezigen. Leocadia leeft, zij glimlacht, zij spreekt, zij prijst Ildefonsus, dat hij op het Concilie de maagdelijkheid van de Moeder Gods heeft verdedigd.