← De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 (part 2 of 4)

Part 2 of 4 · Various · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #17121, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (4)

Continue:

De Aarde en haar Volken, Jaargang 1906 (part 2 of 4)

De verschillende klassen van de maatschappij vertoonen dezelfde tegenstellingen. Hier de lagere volksklasse, die zich nog niet heeft kunnen vrijmaken van de vreesachtige, beschroomde manieren uit den tijd der eindelooze slavernij; daar de klasse der rijken, die, plotseling op den trap der moderne beschaving gekomen, de zeden en de letterkunde uit het buitenland tracht na te doen en daardoor alle eigen karakter mist. Zoodra men de binnenstad betreedt, krijgt men dien indruk van plagiaat van Parijs. Het ideaal is hier Parijs, dat gecopiëerd is in zijn bouwwerken, zijn winkels, de manieren zijner bewoners. Maar al zijn dan de mooiste openbare gebouwen in parijschen stijl gebouwd, de particuliere huizen zijn niet altijd in den zuiversten stijl opgetrokken. De enkele fortuinen zijn niet bijzonder groot, en toch wil ieder graag met iets monumentaals voor den dag komen. Vandaar die oude gebouwen, geheel met een nieuwe pleisterlaag bedekt, die bij de eerste vorstige winterdagen loslaat en voortdurend herstelling behoeft.

Door zijn ligging midden in een groote, aan alle zijden open vlakte heeft Boekarest alle ongemakken te verduren van een klimaat als het siberische. De winter is er zoo lang en zoo streng, dat men er drie maanden alleen per slede het verkeer onderhoudt. In den zomer stijgt de thermometer soms tot 40° C. en de uitersten van temperatuur kunnen soms wel 70 graden verschillen. Mooie boomen zijn er dan ook zeldzaam; die uit het Noorden verdragen de brandende hitte van den zomer niet, en die uit het Zuiden en Oosten bezwijken door de strenge koude van den winter.

De huurrijtuigen, die zeer talrijk zijn en licht en gemakkelijk rijden, worden door twee vlugge, russische of moldavische paardjes getrokken; de koetsiers dragen lange fluweelen jassen met gekleurde gordels om het middel en een platte pet op het hoofd.

Boekarest heeft slechts 250.000 inwoners, en toch is de oppervlakte der stad gelijk aan die van Weenen, 30 K.M_2_. Als men dan ook van de eene of andere hoogte in de buurt op de stad neerziet, treft het groote aantal tuinen en ledige terreinen, dat zich tusschen de huizen en de straten bevindt. Gebouwen en openbare pleinen nemen slechts een vierde van de ruimte in. Aan den buitenkant der stad liggen armoedige voorsteden; de eigenlijke stad ligt het dichtst bij de Dimbovitza. Op den linkeroever heeft men de ministeries, de paleizen en de handelswijk; op den rechteroever de kerken en de inrichtingen van weldadigheid.

Wij beginnen ons bezoek aan de stad met een van haar oudste kerken, de Metropool, in neo-byzantijnschen stijl en dagteekenend van 1656. Zij ligt op een heuvel op den rechteroever en men heeft er een prachtig uitzicht over een deel der stad. De gebouwen van het oude klooster staan er nog omheen; ze zijn echter gewijzigd en verbouwd, die van links zijn nu de residentie van den metropolitaan, die van rechts het gebouw der volksvertegenwoordiging.

Aan den voet van den heuvel op den voorgrond van het panorama, dat zich vóór ons ontrolt, ligt te midden van bloeiende tuinen de kerk van Domna Balasa, de mooiste en weelderigste der kerken van Boekarest. Die kerk, welke na de kerk van Curtea de Arges voor de merkwaardigste uit Roemenië doorgaat, is een meesterstuk van neo-byzantijnschen stijl.

Domna Balasa is omringd door hospitalen, evenals de kerk gesticht door de dochter van Constantijn Brancovan, den voorlaatsten inlandschen woiwode van Walachije.

Het aantal hospitalen is zeer groot in Boekarest, en ten allen tijde hebben rijke particulieren hun fortuin bij hun dood bestemd voor het onderhoud van die liefdadigheidsinrichtingen, die de glorie van Roemenië zijn. Hun noodzakelijkheid is vooral een uitvloeisel van de aanraking, waarin Roemenië komt met de havens uit het Oosten, van waar zooveel epidemische ziekten worden ingevoerd.

Dichtbij Domna Balasa staat de kerk van Spiritoe Noe, belangrijk om haar groote afmetingen. Dat gebouw, dat van 1858 dagteekent, heeft een oude basiliek vervangen, waar de Fanarvorsten zich lieten kronen bij hun terugkeer uit Konstantinopel.

Buiten die weinige kerkelijke gebouwen biedt de rechteroever van de Dimbovitza niet veel belangrijks aan; om een goede voorstelling van het moderne Boekarest te krijgen, moet men zich naar den hoofdader der stad begeven, de Calea Victoriei, die dien naam kreeg na de russisch-roemeensche zegepraal over Turkije in 1877-78.

Hier concentreert zich alle leven, en in deze eindelooze straat ziet men achtereenvolgens het paleis van den koning, het bisschoppelijk paleis, het Athenaeum, den schouwburg, de ministeries, de gezantschapsgebouwen. De mooiste winkels liggen aan de Calea, en vóór de voornaamste hôtels zitten aan tafeltjes langs de trottoirs de heeren en dames, die ijs en likeuren van de beste qualiteit en de grootste verscheidenheid genieten. Heel aan het einde van de Calea Victoriei begint de beroemde straatweg naar Kisselef.

Die weg, om zoo te zeggen het Bois de Boulogne van Boekarest, is de meest gewilde promenade, en de mondaine wereld is bijna verplicht, er zich te vertoonen. Elken dag in den winter, als de sneeuw dik ligt op den grond, en in de lente, die met snellen overgang op den strengen winter volgt, is er in de breede lanen van twee à vier uren lengte, een ongehoorde weelde te zien van sleden en rijtuigen. In den zomer zijn de wegen geheel verlaten, en de rechte, eenzame lanen zonder schaduw, waar de zon brandt door de magere, krachtelooze boomen brengt den reiziger niet in verrukking.

Bij 't begin van den weg staat het paleis van den oud-minister Stoerdza, hoofd der liberale partij. Dit kolossale paleis, hoewel wat overladen versierd, is toch een zeer indrukwekkend gebouw. Het staat tegenover den boulevard Coltei, nog onlangs aangelegd, en men ziet er een reeks van nieuwe hôtels, alle wit en van origineelen bouwtrant. De meeste zijn het eigendom van rijke particulieren; maar net als de weg is ook die boulevard verlaten, en de bezitters van die vriendelijke paleizen zijn verspreid over de in Roemenië meest gezochte lustverblijven.

Maar al die nieuwe wijken, hoe verlokkend zij er ook mogen uitzien, hebben niets, wat aan een eigen verleden herinnert, en men moet het wel betreuren, dat de Roemeniërs in hun eerzuchtig streven om Boekarest op één hoogte te brengen met de groote, westersche steden, een ware woede van afbreken aan den dag hebben gelegd, zoodat bijna ieder spoor van vroegere tijden verdwenen is. Wat de oorlogen hebben gespaard, vernielen de menschen steeds nog in hun zucht om hun hoofdstad op te tooien.

Toch is er een juweel van een klein kerkje over, dat trots zijn vervallen voorkomen nog voor den griekschen eeredienst gebruikt wordt; dat is de Straviopolis. Dat gebouw, tweehonderd jaar oud, is opgetrokken in een byzantijnschen bastaardstijl, met een merkwaardigen arabischen voorhof, waarin men drielobbige boogvensters ziet, die aan den moorschen stijl ontleend zijn. Motieven, ontleend aan den arabischen stijl, komen trouwens zeer veelvuldig in Roemenië voor en vormen een der karakteristieke trekken van de roemeensche bouwkunst.

Laat ons het tochtje door de stad besluiten met een bezoek aan de Universiteit, die, buiten de lokalen voor de faculteit der theologie, der medicijnen enz. een groote zaal bevat, bestemd voor de vergaderingen van den roemeenschen Senaat, en dan verschillende musea. In het Oudheidkundig Museum vinden wij de prachtige oude fresco's uit de kloosters, kostbare handschriften en geborduurde tapijten. De parel van dit museum is de schat van Petrossa, anders gezegd die der Gothen. Die kostbare verzameling bestaat uit tien stukken van massief goud uit de elfde eeuw onzer jaartelling. Zij werd in 1837 ontdekt door werklieden, die haar voor lagen prijs aan voorbijtrekkende Zigeuners verkochten. Die laatsten onderzochten den aard van het metaal door met de bijl verscheiden van de voorwerpen stuk te slaan, o.a. een prachtigen schotel met reliëffiguren, nu nog in 't museum aanwezig. Onder de stukken, die aan de vernieling ontkwamen, moet genoemd een diadeem, versierd met groote granaten, een beker, met edelgesteenten opgelegd, een massieve ring en een groote lampetkan. De ontdekking van den schat was een belangrijke archaeologische vondst.

Men kan Boekarest niet verlaten, zonder Cotroceni te bezoeken, het eerste paleis van den koning van Roemenië, nu nog residentie van den erfprins Ferdinand van Hohenzollern. Het paleis, omringd door tuinen, ligt een eindje buiten de stad op een boschrijken heuvel.

Het is een oud klooster, in 1679 gesticht door een lid van het grieksche geslacht Cantacuzenos, en ofschoon het huis verbouwd en zeer verfraaid is, heeft het zijn kloosterachtig aanzien behouden; het ziet er nog koud en streng en somber uit. Men treedt er binnen door een groote gewelfde poort, die naar een eerste plein leidt, waar de cellen en kloostervertrekken in bediendenkamers zijn veranderd. Midden op een tweede plein staat de kerk, waarachter het paleis als verborgen is met zijn majolica-versiering van bloemslingers en figuren.

Het inwendige, dat wij tot in détails mochten bezien, is zeer rijk en smaakvol ingericht met alle moderne weelde en comfort. De groote hal vertoont de jachttrofeeën van den vorst, beren, wilde zwijnen, arenden, korhoenders. In de studeerkamer ziet men veel zeekaarten, doorsneden en plannen van schepen, aanwijzingen van den smaak en de bij voorkeur gevolgde studie van den erfgenaam der kroon. Op de eerste verdieping zijn de huiselijke vertrekken, boudoirs en salons, leerkamers der jeugdige prinsen, hun speelkamer met allerlei kostbaar speelgoed. Dat alles is aardig en vriendelijk en vormt een groote tegenstelling met het strenge aanzien van den gevel.

Tusschen Boekarest en Sinaïa ligt Slanic, waar men een der belangrijkste zoutmijnen van Roemenië vindt. Een zijlijn van den spoorweg, op de hoofdlijn geënt, voert er ons rechtstreeks heen.

De lagen steenzout strekken zich in onafgebroken lagen, maar op verschillende hoogten uit langs de geheele moldavische en walachijsche hellingen der Karpathen. Zoo ziet men te Rimnik Sarat in Moldavië een berg van zout in de zon schitteren; in andere streken liggen de zoutlagen op den grond; maar in de meeste gevallen moet men tot tien, twintig, zelfs dertig meter diep graven. Sommige lagen zijn niet dikker dan twee à drie meter; doch de meeste zijn veel dikker.

Het roemeensche zout vormt een der groote rijkdommen van het land, en het zou eeuwen lang in de behoeften van heel Europa kunnen voorzien. Over het algemeen is het zeer wit en doorschijnend, maar de qualiteit is niet overal dezelfde, en men vindt in de beste zoutgroeven aders met zwartblauwe strepen erin. Die strepen wijzen op de aanwezigheid van leem, en het zout uit die groeven is niet voor de consumptie bestemd; het wordt alleen voor den landbouw gebruikt. Soms ook treft men in enkele lagen petroleumhoudende gedeelten aan, die een karakteristieken geur bijzetten aan het zout, een geur, dien men zelfs terugvindt in het brood, waar dat zout in gebakken is.

Sedert 1862 heeft de staat de exploitatie van het steenzout aan zich getrokken; het is een monopolie geworden. Daar de productie in de laatste tijden te overvloedig was, heeft men het werk in de mijnen van Doftana laten rusten. Zij brachten jaarlijks 25000 ton op, maar het zout was blauwer en minder goed dan van Slanic. Dus zijn op 't oogenblik alleen in exploitatie de groeven van Slanic, van Targul. Ocna en van Ocna-Mare.

De tegenwoordige diepte van de Slanicmijn is 100 M. Bij het dalen van den bak, waarin men wordt neergelaten, ziet men op 20 à 30 M. diepte een eerste galerij, en weldra komt men beneden in de groote zaal, die uitgehouwen is tot een prachtig gewelf van 60 M. hoogte. Men meent in een marmeren kathedraal te zijn, waarvan de wanden schitteren in den bleeken schijn van groote electrische lampen. De muren gelijken verwonderlijk veel op ongepolijst marmer, en als om de illusie volkomen te maken, heeft men langs de enorme zijden der zalen gedeelten uitgespaard en laten vooruitspringen als zware vierkante zuilen.

Driehonderd arbeiders, alle in het wit gekleed, werken in die ruime zaal; enkele hebben alleen een broek aan, want de arbeid is zeer inspannend. Het zout wordt uitgegraven naar beneden uit den bodem, die daardoor steeds lager komt te liggen. Van den wand af tot het smalle paadje in het midden voor de passage van de wagentjes worden met het houweel evenwijdige groeven gemaakt op 60 cM. afstands van elkander, die 20 cM. breed en 50 cM. diep zijn. Daarna maakt men door middel van zware hefboomen, door twee of drie mannen bewogen, groote blokken los, die daarna in stukken van 25 à 50 K.G. worden verdeeld. In de zaal, die wij bezoeken, wordt het werk verricht door vrije mannen; maar in de afzonderlijke galerijen zijn dwangarbeiders bezig. Vóór 1848 mochten die ongelukkigen, als ze eenmaal in de mijn waren neergelaten, niet meer naar het daglicht terug, en zeer weinigen van hen hielden die barbaarsche behandeling meer dan drie of vier jaar uit. Tegenwoordig is hun leven dragelijk geworden, en dagelijks, in den winter na acht en in den zomer na twaalf uren werkens, keeren zij naar de gevangenis terug. Buitendien ontvangen ze een belooning van 60 à 80 bani per dag.

Het zout van Slanic heet het mooiste van Roemenië, en alleen deze groeven leveren dagelijks 300,000 KG. zout. Het wordt in tweeërlei vorm verkocht, òf in groote, vormlooze blokken òf gestampt en in zakken verpakt. Na Servië zijn Bulgarije en Rusland de voornaamste afzetgebieden.

Nauwelijks hebben wij Slanic achter ons gelaten, of we komen in het petroleumgebied. Aan alle stations staan tankwagens, die een akeligen stank verspreiden. Wij zijn in het district Prahova, dat den eersten rang inneemt onder de petroleumdistricten van het rijk.

Van Campina, waar wij stilhouden, gaan we per rijtuig naar Doftana, om de putten te bezoeken en de raffinaderijen. Als wij dicht bij het dorp komen, verkondigen zware buizen, die langs den weg liggen en een vettig, slijkig vocht uitzweeten, de nabijheid van het industriëele middelpunt aan. Wij moeten uitstappen bij de Doftana, die zoo laag is, dat er een massa rotsachtige eilandjes worden gevormd, waar het water snel tusschen doorstroomt. Een houten brug leidt over den stroom. Om die te bereiken, moeten wij vijf minuten lang loopen op den smallen rand van den muur, die langs de rivier loopt en het water in den tijd van hoogen waterstand tegenhoudt.

Maar ons rijtuig, dat natuurlijk dien acrobatenweg niet kan volgen, moet in de rivier rijden, er de doorwaadbare plaatsen zoeken en langs allerlei kronkelwegen den tegenoverliggenden oever bereiken. Hier zijn wij in het gebied der exploitatie. Rechts en links en aan alle kanten om ons heen wijzen hooge houten boortorens de putten aan, die in werking zijn. De grond is geheel doortrokken met petroleum; de lucht is verzadigd van den damp, en de boomen in de buurt zijn alle bladerloos. Evenals in den Kaukasus en in Amerika geschiedt het boren der putten door middel van den derrick. Men ziet slechts zelden in Roemenië bronnen, die onder den druk der ontwikkelde gassen de vloeistof hoog boven den grond doen opspuiten. Gewoonlijk heeft men hier te doen met onderaardsche verzamelbekkens of met leem- of leilagen, die de aardolie vasthouden bij wijze van een spons. In het laatste geval boort men op verscheiden plaatsen en de petroleum verzamelt zich door uitzweeting onder in een put, gegraven door een zuigpomp.

Maar onverschillig of men met een onderaardsch bekken heeft te doen, of dat de petroleum door filtratie samenvloeit in een kunstmatigen put, de wijze van aan het daglicht brengen is dezelfde. Men laat in de boorgaten, die vooraf van buizen voorzien zijn als bij de artesische putten in gebruik zijn, een cylinder van 4 à 5 M. lengte bij 15 à 20 cM. middellijn, voorzien van een klepje aan het ondereind. Die cylinder hangt aan een langen ketting, die om een as op den top van een boortoren is gewonden, neergelaten wordt en bevestigd aan een paal met tegenwicht. Met behulp daarvan kan één werkman het toestel bedienen; hij laat den cylinder in den put neer en brengt hem vervolgens weer naar boven. Dan opent een tweede werkman het klepje, en de olie stort zich in houten goten, die haar naar groote, ondiepe verzamelbekkens voeren.

De petroleum is bij 't verlaten van den put een dikke vloeistof, die troebel en olieachtig is en bruin-rood van kleur met groenachtigen weerschijn.

Uit de réservoirs, waarin men de olie brengt als ze uit den grond komt, wordt ze door pijpen geleid naar de raffinaderijen in het dal. De natuurlijke helling van den grond zou niet voldoende zijn om de vloeistof, waarin zich allerlei vreemde stoffen bevinden, geregeld af te voeren; ze moet worden voortgestuwd door middel van speciale pompen, die soms verbazend krachtig werken.

In de raffinaderijen wordt de petroleum blootgesteld aan zeer hooge temperaturen, tot wel 270° C. Daarna heeft de destillatie plaats, waardoor naphta, gazoline enz. worden afgescheiden.

De diepte der boorgaten verschilt aanmerkelijk, want de petroleum is door het gansche gebied der Karpathen verdeeld op zeer ongelijke diepten. Tot in het midden der 19de eeuw boorde men meestal niet dieper dan 30 M. om de aardolie te verkrijgen, die eigenlijk niet anders dan als smeerolie werd gebezigd. Tegenwoordig boort men putten, welker diepte tusschen 130 en 400 M. afwisselt, en de productie, die al in 1900 tot 247000 ton was gestegen, is later nog sterk vermeerderd, vooral door de uitbreiding aan de exploitatie gegeven door de Steana Romana, de belangrijkste roemeensche maatschappij van petroleumexploitatie.

Maar de vorderingen zijn toch nog niet evenredig aan de belangrijkheid der petroleumbronnen; en de organisatiefouten in de exploiteerende maatschappijen, het uitblijven van behoorlijke dividenden houden de vreemde kapitalen op een afstand, terwijl ze toch zoo noodig zouden zijn voor Roemenië's industriëelen vooruitgang.

De rit van Campina naar Sinaïa is een der mooiste, die zich laten denken. Een opeenvolging van prachtige landschappen gaat aan ons oog voorbij onder het gaan door het dal der Prahova. De rivier bespoelt roodachtige rotsen, beneden bedekt met magere weiden; hooger hangen bosschen van zilvergrijze wilgen in grillige schikking langs de bergen. De boerderijen zijn grooter, beter gebouwd, goed onderhouden, en de menschen zien er niet zoo slaafsch en vreesachtig uit als geslagen honden, zooals wij zooveel andere boeren hebben waargenomen.

Een belangrijke cementfabriek heeft een heel dorp van witte woningen om zich heen gegroepeerd, alle met roode daken. Zoo komt er welvaart in het dal, maar daarmee verdwijnt wel tevens de poëzie, als de mooie wegen vuil zullen geworden zijn en alles aangeslagen zal wezen door fabrieksrook.

Onder in het dal stroomt de Prahova, wier tallooze bochten en kronkelingen ten slotte doorloopen tot in de verre vlakten. Het water der rivier, verdeeld over een menigte dunne adertjes, schittert in de zon, en naast het stroompje liggen de beide glinsterende stalen lijnen van den spoorweg. Door woeste bergkloven en langs duistere afgronden komen wij in het woud, dat halverwege op den berg is gelegen en waar de weg doorheen leidt.

Daar, in het hart van het bosch, ligt aan den voet van een enorme rots van 2500 M. Sinaïa.

Sinaïa is een lustoord van nog jongen datum, dat zijn bloei te danken heeft aan het verblijf van den koning en de koningin van Roemenië, die een der sombere dalen van de Prahova uitkozen als zomerresidentie. Rondom hen schaarde zich al spoedig de aristocratie van het koninkrijk, ministers, afgevaardigden, gezanten, hofdignitarissen en hooge officieren. Tegenwoordig brengt al wat in Boekarest iets beteekent, den zomer te Sinaïa door.

Wij komen er langs een breede, heerlijke laan van prachtige villa's; dan volgt een groote, magnifieke tuin vol bloemen en groote gazons, watervalletjes en velden voor allerlei spelen. De hôtels van Sinaïa liggen in dien tuin. Er zijn er niet genoeg, want ze zijn altijd overvol; het kost ons moeite logies te vinden.

In het hôtel Sinaïa biedt men ons een paar zolderkamertjes aan, en bij onze aarzeling om ze te aanvaarden, wijst men ons een paar kamers in een bijgebouw, waar een gezant zijn intrek heeft genomen. Hier nemen wij genoegen meê.

Het hôtel is goed, maar van een oostersche zindelijkheid, die voor ons niet het rechte is. Men heeft in de vertrekken geen bedden, maar divans, die 's nachts in legersteden worden veranderd en over dag de gewone diensten bewijzen.

In het restaurant echter meent men te Parijs te zijn. Ieder spreekt Fransch; het menu is geheel fransch, ook in de bereiding; alleen het kleintje koffie na den eten is turksch; dat herinnert den gast, dat hij zich aan de poort van het Oosten bevindt.

De roemeensche wijnen zijn over 't algemeen zacht en fijn. De witte wijnen van Dragashani en Cotnar zijn dadelijk bij ons in de gunst. Wij kunnen de roode wijnen minder prijzen, hoewel ze hier veel lof inoogsten en men tracht, ze in waarde gelijk te stellen met Bordeauxwijn. Ofschoon de Roemeniërs lofwaardige pogingen in het werk hebben gesteld voor het welzijn van hun wijngaarden, ofschoon ze zelfs uit Frankrijk veel wijnbouwers hebben laten overkomen, om de roode wijnen te bereiden, toch zal de roemeensche wijn nooit met den franschen kunnen wedijveren.

Te Sinaïa is het leven weelderig en duur; trouwens de rijke Roemeniër geeft graag geld uit, hij houdt van mooie kleeding en van pleizier; hij is een beschaafd man in elken zin des woords.

De wereld in dit hôtel is een officiëele wereld. Het is het hôtel der gezanten en ministers. Er zijn hier roemeensche families, die op zeer grooten voet leven en geheel in de mondaine wereld op hun plaats zijn.

De groote namen, die men hoort, doen mij denken aan een eigenaardige bijzonderheid van den roemeenschen burgerlijken stand. Niet dat men de echtheid van hun hooge afkomst behoeft in twijfel te trekken; maar tot in den laatsten tijd bestond nog niet de erfelijkheid der familienamen. Gewoonlijk noemde men zich maar doodeenvoudig Jan, Filipszoon of Philepsco, zooals men in Servië Pavitsj zegt voor den zoon van Paul. Ieder kan naar believen bij zijn voornaam den naam van zijn buurman voegen, of zelfs dien van een vorst of een beroemd generaal en dien tot zijn eigen maken, ook voor zijn erfgenamen die hem wilden behouden. Zoodat die groote namen, die ons aan beroemde personen doen denken, niet het idee moeten wekken, dat we ons in de tegenwoordigheid bevinden van afstammelingen dier grootheden, doch alleen van afstammelingen hunner bewonderaars, die den beroemden naam hebben aangenomen.

Een verschrikkelijke storm met diluviaanschen regen heeft den geheelen nacht onze vensters geschud, en 's morgens bij het opstaan zien wij de treurig slikkerige wegen gehuld in een niets goeds voorspellenden mist. Wat te doen in Sinaïa, als het regent? Er is geen kurzaal, noch casino, en in de hôtels, die te klein zijn voor het aantal reizigers, dat zich er ophoopt, vindt men slechts een klein lees- en biljartzaaltje. Ondanks den fijnen, aanhoudenden regen besluiten wij een exploratietocht te doen.

Bij het stijgen in de boschjes achter het hôtel komen we al spoedig aan het klooster. In 1695 gesticht door Michaël Cantacuzenos, bestaat het als alle kloosters van eenige beteekenis uit twee pleinen, waar rond omheen de woningen der monniken en de bijgebouwen van het klooster zich groepeeren. Midden op ieder van de beide pleinen staat een klein byzantijnsch kerkje. Een werd op dat oogenblik gerestaureerd, en dank zij der vrijgevigheid van den koning kan de restauratie zeer goed geschieden.

Lang diende het klooster in troebele tijden als schuilplaats voor de bewoners van het laagland, die in de bergen een toevlucht zochten, terwijl het tevens gastvrijheid bood aan reizigers.

Toen koning Karel en koningin Elizabeth, aangetrokken door de machtige bekoring en de vreemde poëzie van het woud te Sinaïa, voor de eerste maal er een deel van den zomer kwamen doorbrengen, namen zij hun intrek in een der bijgebouwen van het klooster.

Eerst na eenige jaarlijksche bezoeken besloten zij in een liefelijk dal achter het klooster een paleisje te bouwen, dat door den kunstzin en den goeden smaak der koningin een der juweeltjes van Roemenië werd. Weldra werd het voorbeeld gevolgd, en midden in het bosch verrezen aan alle kanten sierlijke villa's en optrekjes. De regeering bouwde een paar hôtels voor reizigers, en het begin van Sinaïa was er.

Het koninklijk paleis, kasteel Pelesch, heet naar den berg waarop het ligt. Uit de verte gezien, treedt het naar voren uit een dicht dennebosch, dat de rooskleurige rotsen van het Bucegi-gebergte kroont. Het prachtige gebouw van steen en hout, waar gothische en byzantijnsche elementen in vereenigd zijn, is een harmonieus geheel, met sierlijke torentjes, mooie balcons en terrassen, een dichterdroom van de kunstenares Carmen Sylva. Inderdaad, wie Sinaïa noemt, roept dadelijk zich het beeld van de vorstin voor oogen, van haar, die dit lustoord in het leven riep. De koningin van Roemenië is, zooals ieder weet, een dier superieure vrouwen, die van kunst, poëzie en melancholie leven. Zij is graag in het woud, kent er alle paden, en om er naar hartelust te kunnen droomen, heeft zij zich een hoog verblijf laten inrichten, een huisje, hangend in de boomen hoog op den top van een der bergen, die Sinaïa omgeven. Het Nestje der Koningin, zoo noemt men hier die plek. Van daar overziet zij den gansenen omtrek.

Eenige jaren geleden zag men haar dikwijls met de dames van haar gevolg gekleed in de nationale kleederdracht, die zoo goed past bij haar hooge, majestueuse gestalte. Maar de poging, om het bekoorlijke costuum weer in eere te brengen onder de deftige dames, heeft niet het succes gehad, die de sierlijke witte, met byzantijnsch borduursel getooide dracht verdiende.

De roemeensche dames, minder dichterlijk van aanleg dan haar souvereine, worden bekoord door de parijsche modes, en men ziet heel zelden de nationale kleeding meer te Sinaïa. Eigenlijk treft men die alleen aan als historische merkwaardigheid en wel vooral op de markt, die des Zondagsmorgens gehouden wordt in de groote laan. Boerinnen spreiden er op het gras langs den weg en op de hekken der tuinen de mooie borduursels uit, doorschijnende sluiers, halsdoekjes en lijfjes met rijke patronen en andere fraaie toiletartikelen. Sinaïa is eigenlijk een wonderlijke badplaats! Men zou er dépendances verwachten van alle groote huizen te Boekarest en winkels, waar de elegante dames al haar luimen konden bevredigen, maar er is niets van dat alles.

Wij hebben het dorp Sinaïa bekeken. Het bestaat enkel uit een kronkelende, sterk hellende straat. Een gewone kruidenierswinkel is er, met een paar winkeltjes van visch en groenten. Te Sinaïa boven vindt ge een kapper, een photograaf en een paar banketbakkers; maar artikelen van dagelijksch gebruik kan men er niet krijgen.

Wat de bijzondere aantrekkelijkheid van de plaats uitmaakt, zijn de verrukkelijke wandelingen, die men in 't oneindige variëeren kan in de dalen en op de hellingen der bergen. Bij het verlaten van den grooten weg is men dadelijk op goed onderhouden voetpaden, die tot in het diepste van het woud voeren, en hier begrijpt men de koninklijke gril van Carmen Sylva; men kan zich niets woesters en dichterlijkers en idealers denken. Dit is het maagdelijke woud in den besten zin. Boomen van zes meters in omtrek en vijftig meter hoog staan er in grooten getale. Meest zijn het dennen en beuken, die met hun groen de bergen tot groote hoogte bedekken.

De grond is geheel bedekt met heide en mos. Hier en daar blijven omgevallen stammen op den bodem liggen, zooals de storm ze velde. De koning, tot wiens domeingoederen het bosch behoort, wil niet, dat iemand eraan raakt.

Elk voetpad leidt naar een mooi uitzicht. Het toeval voert ons naar de Promenade der H. Anna aan de grenzen van het woud. Boven ons hoofd op een kalen top van rood gesteente, die wel ontoegankelijk lijkt, staat een sierlijk paviljoentje, dat ons schijnt uit te tarten. Maar 't is al laat, en het weêr is onzeker. Wij durven ons niet verder wagen.

Op regendagen is het stil en somber te Sinaïa; maar als de zon schijnt, hoort men overal muziek in de tuinen, militaire muziek en Zigeunerliederen, die de echo's wekken van de donkere bergen.

Het kroondomein heeft overal een goeden invloed op de boerenbevolking. Door de vele scholen, die het bestuur der domeinen opricht, ook vak- en landbouwscholen, worden de boeren op de hoogte gebracht van een rationeele manier om den grond te bebouwen en gebruik te maken van machines en andere verbeteringen. Zij krijgen onderricht in de behandeling van het vee en van allerlei aanplantingen. Alle pogingen worden door de kroon in het werk gesteld voor de verheffing van den boerenstand.

In den loop zijner regeering heeft de koning veel wegen laten aanleggen, en hij heeft daarbij dikwijls een beroep gedaan op buitenlandsche ingenieurs, ook voor den aanleg van spoorwegen. Niets wordt verwaarloosd, wat den boer vooruit kan brengen en hem in staat stelt zijn woning gezonder en zijn leven rijker te maken. Maar de slavernij heeft diepe sporen nagelaten, en al zijn sommige streken, vooral die tusschen Predeal en Boekarest, krachtig ontwikkeld, aan de bergachtige randen van Roemenië is de bevolking nog niet veel verder gekomen, dan zij was onder de turksche heerschappij.

Kijkjes in een mooi werk over Chili

Marie Robinson Wright

Aan de vrouwen van Chili draagt "met waardeering en bewondering van haar uitstekende hoedanigheden van geest en hart" de schrijfster, Marie Robinson Wright van Philadelphia, haar groot werk The Republic Chile op. Het rijk uitgemonsterde en keurig uitgegeven boek is tegelijk te Philadelphia en te Londen verschenen. Het geeft geen reisverhaal, maar behandelt in een reeks van aangenaam geschreven hoofdstukken Chili's geschiedenis en zijn tegenwoordige regeering, zijn financiëelen toestand en zijn buitenlandschen handel, de hoofdstad Santiago en den heuvel Santa Lucia, de vloot, het leger, het maatschappelijk leven, kerken en liefdadigheid, de universiteit met bibliotheken en musea, het opvoedingssysteem en den stand van schilder- en van beeldhouwkunst. 't Gewaagt van de drie zones, waarin Chili natuurkundig en dus ook uit het oogpunt van zijn flora en zijn fauna te verdeelen valt, van Valparaiso, Chili's eerste handelsstad, en van het chileensch Trouville, 't mooie Vina del Mar; van 't leven op een hacienda, van de wijnproductie en de warme bronnen; van den rijkdom aan salpeter en de Lota-mijnen; van de opbrengst aan delfstoffen als goud, zilver, ijzer, koper en steenkool; van spoorwegen en stoombooten, landbouw en industrie, en ten slotte van die verre zuidelijke streken in de langgerekte republiek, Patagonië met Punta Arenas, Vuurland en het eenzame Juan Fernandez.

Wellicht zal het den nederlandschen lezer thans in 't bijzonder interesseeren, nu onze minister van Waterstaat er vertoeft om het land van zijn bekwaamheid als ingenieur te doen profiteeren volgens een reeds vroeger aanvaarde verplichting.

Wij zullen hier en daar een greep doen uit de rijke stof, die door de schrijfster degelijk wordt beheerscht, hetgeen niet behoeft te verwonderen, daar zij vijf jaren aaneen in Zuid-Amerika heeft gereisd en groote tochten ondernam van den Boven-Amazonenstroom tot Vuurland en van den Atlantischen tot den Stillen Oceaan. Driemaal deed zij de spoorreis over de Andes-keten, en Chili trok haar van alle zuid-amerikaansche republieken het meest aan. Daar bracht zij twee jaren door en leerde er land en volk grondig kennen. Beide looft en prijst zij, en het is haar een genoegen, heldere denkbeelden over de interessante republiek en hare hulpmiddelen te mogen helpen verspreiden.

"Het doet mij leed," schrijft zij, "dat ik, bij de meer uitvoerige behandeling van Chili's jongste geschiedenis, genoodzaakt ben geweest, de annalen van het roemrijke verleden kort samen te vatten. Daar toch vindt men in overvloed bewijzen van groote dapperheid en opofferende vaderlandsliefde. Dezelfde karakteristieke trekken, die het chileensche volk sterk hebben gemaakt in de verdediging zijner nationale rechten, hebben het ook de geestkracht en den ondernemingslust gegeven, die noodig zijn, om het in handel en industrie tot een flinke hoogte te brengen, en er is thans geen enkel land in Zuid-Amerika, waar de algemeene vooruitgang gestadiger en degelijker is geweest en waar men zijn betrekkingen tot buitenlandsche machten op beter en hechter grondvesten heeft kunnen bouwen. Wat intellectueele beschaving betreft, nemen de Chileenen een eereplaats in onder de meest vooruitstrevende volken, en hun geleerden, schilders en beeldhouwers hebben zich naam gemaakt in de hoogste kringen van Europa en Amerika."

De vooruitzichten zijn bijzonder gunstig voor den vooruitgang van de republiek, want de twintigste eeuw ziet den handel meer dan ooit vroeger zijn aandacht wijden aan de havens van den Stillen Oceaan.

Aan Santiago valt daarbij een eereplaats ten deel, de mooie stad met haar witte kroon van de Andesketen. De stad ligt in prachtige, schilderachtige omgeving, als een koningin in een reuzenkasteel, haar door de natuur geschonken, waar de muren van het onvergankelijke graniet der Cordillera's opgetrokken zijn, en torens tot den hemel reiken. Zij ligt open naar het Westen, als wachtte zij van daar de groote toekomst, die in dit land van belofte voor haar is weggelegd. En van de met sneeuw bedekte toppen achter haar, die scherp tegen den blauwen hemel afsteken, ligt zonder eenige begrenzing vóór haar de eindelooze Stille Oceaan, waar geen vreemde mogendheid de uitbreiding van Santiago's handel kan beperken.

Het is onmogelijk, zich een liefelijker beeld te denken, dan dat, hetwelk Santiago aanbiedt bij zonsondergang, als de stad gehuld is in het purper en het goud, dat op de Andestoppen straalt en hen in warmen gloed zet. Er is iets, dat aan Rome herinnert in deze chileensche hoofdstad met haar mooien heuvel, die als een koepel van een kerk midden uit haar straten oprijst; maar terwijl de heuvel van het Quirinaal de macht en 't aanzien van het koningschap belichaamt, is Santa Lucia, de tegenhanger in Chili, een symbool van den geest der vrijheid, heerschend in de Nieuwe Wereld. De paleizen van grooten en van souvereinen worden hier vervangen door de schouwburgen en villa's van een vrij en onafhankelijk volk.

De Alameda is wel genoemd de Via Appia van dit westersch Rome. In de dagen, toen Chili nog een spaansche kolonie was, hielden de spaansche gouverneurs langs dien weg hun luisterrijken intocht. Later, in de opwindende dagen van den vrijheidsoorlog, hadden de overwinnende legers hier het eerst de welkomstgroeten in ontvangst te nemen, die hen later zoo overvloedig op de openbare pleinen der hoofdstad te beurt vielen. Langs dezen weg, die nu de mooiste straat der stad is, treedt ook tegenwoordig de bezoeker Santiago binnen in de schaduw van statige boomen, voorbij fonteinen en standbeelden en prachtige bloemen, bekoord door het fraaie uitzicht op den Santa Lucia met de trotsche toppen der Cordillera's op den achtergrond.

Die Alameda de las Delicias is bijna drie mijlen lang en driehonderdvijftig voet breed en loopt door de stad van Santa Lucia naar het Centrale Spoorwegstation. Van een eenvoudigen straatweg naar de oude koloniale hoofdstad is het de voornaamste boulevard der moderne metropolis geworden, die zelve zich uit een plaatsje van weinig beteekenis tot een der meest bekoorlijke steden heeft ontwikkeld.

Gelegen in het dal der Mapocho, heeft de stad vroeger veel te lijden gehad van de overstroomingen der rivier, en eerst door de geheele kanalizatie van het rivierbed, die in 1891 werd voltooid, is de tegenwoordige toestand verkregen, waardoor men voor alle invloeden van storm en overstrooming veilig is.

Vóór den onafhankelijkheidsoorlog, waardoor op 18 September 1810 de republiek Chili werd geboren, was Santiago niet veel meer dan een spaansch dorp, bestaande uit huizen van één verdieping en met geen andere aantrekkelijkheid dan een paar pleinen en parken en de particuliere patio's, bekend uit alle spaansche steden. De plaats breidde zich gaandeweg uit, maar altijd naar gewone, traditioneele begrippen, zonder de moderne verbeteringen der steden van den nieuweren tijd. De Alameda de las Delicias was gedurende twee eeuwen na de verovering een gewone weg, belangrijker wordend, naarmate de stad zich uitbreidde, maar toch geen drukke verkeersweg.

Daar zij was aangelegd in de oude bedding van een tak der Mapocho, werd de Almeda met haar moerassigen grond en oneffen bestrating eerder beschouwd als een gebrek dan als een sieraad van de hoofdstad. De mooiste straat in koloniale tijden en de populaire wandelweg was de Paseo de la Piramide, die langs den zuidelijken oever van de Mapocho liep en door treurwilgen werd ingesloten.

Eerst in de laatste helft der 19de eeuw had de verandering plaats, die de hoofdstad maakte tot de tegenwoordige moderne stad met haar welonderhouden parken en pleinen, mooie huizen en breede straten. Tijdens het bestuur van Don Benjamin Vicuna Mackenna werd de stad in 1872 geplaveid en kreeg een betere verlichting, de Alameda werd verbeterd en de Santa-Luciaheuvel werd van een onoogelijke hoogte midden in de stad tot een heerlijk park. Deze verbeteringen waren noodzakelijk geworden met den nieuwen stijl en de sierlijkheid der rijke woonhuizen en der openbare gebouwen van de stad. Het vroegere verouderde voorkomen maakte plaats voor de moderniteit van heden, en de toewijding der bewoners van Santiago aan hun stad bleek uit tal van particuliere bijdragen voor de verfraaiing. Zoo is het geliefde Cousino-park genoemd naar den schenker, den millionair Don Luis Cousino, die den grond aan de gemeente afstond.

Het groote fortuin van de Cousino's werd een halve eeuw geleden gemaakt, toen de chileensche kapitalist de groote onderneming waagde van de exploitatie der steenkolenmijnen in het Lotadistrict. Lota is nu het bloeiende middelpunt van een nijverheidsgebied en ligt dichtbij Coronel in de provincie Concepcion. De geheele bevolking van 15000 zielen is afhankelijk van de mijnmaatschappij, waarin de familie Cousino den toon aangeeft. Senor Don Matias Cousino kocht in 1852 den grond en begon terstond op energieke wijze de exploitatie.

Bij zijn dood, tien jaren later, ging de bezitting over in handen van zijn zoon Senor Don Luis Cousino, die in 1869 de maatschappij Esplotadora de Lota y Coronel stichtte en 't grootste getal aandeelen zelf behield. Hij bracht de onderneming tot groote hoogte en veel andere giften aan de gemeenschap getuigen, met het Cousino-park in Santiago, van zijn mildheid. Zijn weduwe Senora Dona Isidora Goyenechea de Cousino kocht alle aandeelen op en werd eenige eigenares van de Lota-maatschappij. Zij was een tijdlang de rijkste vrouw ter wereld, toen haar vermogen op zeventig millioen dollars werd geschat. Eenige malen stak zij den oceaan over, om eenigen tijd in Europa te vertoeven, en in Parijs was zij als de door de fortuin meest begunstigde vrouw bekend, terwijl de Rue Lota naar haar werd genoemd. Met haar eigen schip deed Senora Cousino een reis naar het Oosten, bezocht de Sandwich-eilanden en werd overal als een koninklijke gast gehuldigd. Bij haar dood in 1898 werd de bezitting geërfd door haar zes kinderen, van wie vier, Don Alberto, Don Carlos, Dona Adriana en Dona Loreto, nog in leven zijn.

Het stadje Lota ligt op vijf mijlen afstands van Coronel, waarmee het door den Arauco-spoorweg is verbonden. Het is verdeeld in Lota Alta of de bovenstad en Lota Abajo, de benedenstad aan den voet van den heuvel. De bovenstad behoort aan de Compania Esplotadora de Lota, en men vindt er de kantoren der maatschappij met de woningen der beambten en werklieden, hun kerk en school en hospitaal. In een kleine dagreis per spoor bereikt men Santiago, waar de eigenaars der mijnen resideeren. Maar te Lota hebben zij ook een paleisje met een prachtig park, dat met de grootste zorg wordt onderhouden, in tegenstelling met het huis, dat na den dood van Senora Cousino onbewoond is gebleven.

Maar om op Santiago en de Alameda terug te komen, die rijweg is de bekoorlijkste van alle zuid-amerikaansche paseo's. Men ziet er niet enkel weelde en mooie equipages, maar tevens is men er als in een museum, in Chili's Ruhmeshalle, niet besloten binnen vier muren, maar in de open lucht tusschen boomen en bloemen, fonteinen en vijvers, waar de vogels zingen, en de kinderen spelen en waar de geschiedenis, verteld in brons en marmer, de menschen kan opwekken tot moed en vaderlandsliefde. Het edele voorbeeld van de vereeuwigde helden wordt er den jongen menschen voortdurend voor oogen gesteld. Niet alleen als werken van kunst wekken de standbeelden en de monumenten van de Alameda onze bewondering, maar ook als blijken van de nobele gevoelens der natie, die dit middel heeft te baat genomen, om haar dankbaarheid te toonen jegens de helden uit de bevrijdingsoorlogen.

Een trotsch monument herinnert aan den grooten generaal Don José San Martin, te paard voorgesteld met het vrijheidsvaandel in de rechterhand. Het werd onthuld op 5 April 1863, den verjaardag van Maipo. Die slag van 5 April 1818 in de vlakte van Maipo, eenige mijlen ten zuiden van de hoofdstad, was een schitterende overwinning van de republikeinen over het leger van de royalisten, tegen wie de jonge republiek zich telkens weer had te wapenen na haar onafhankelijkheidsverklaring.

Een ander ruiterstandbeeld is er verrezen voor den grootsten chileenschen generaal Bernardo O'Higgins, wiens dapperheid en vaderlandsliefde indrukwekkend gesymbolizeerd zijn in de bronzen figuur, die hem voorstelt, zooals hij Rancagua ontruimt met zijn dappere soldaten en, wijzend op Santiago, uitroept: "Wij geven noch vragen kwartier". Het standbeeld staat op een voetstuk van wit marmer met basreliefs, die de belangrijkste gevechten weergeven, waarin generaal O'Higgins zich onderscheidde.

De vader van dezen generaal was Ambrosio O'Higgins, die in 1788 door den koning van Spanje tot gouverneur van Chili benoemd was. Hij zocht niet, als zijn voorgangers, onophoudelijk zijn voldoening in den strijd tegen de Araucaniërs, de oorspronkelijke bevolking, maar hij trachtte den vrede te bevestigen en het land tot bloei te brengen. Hij was Ier van geboorte, ging naar Spanje en vestigde zich als koopman in Peru. Hij verloor zijn vermogen, stelde zich in dienst des konings en ging naar Chili. Zijn eerlijkheid en zijn scherp verstand vestigden de aandacht op hem en in een voorspoedige carrière bracht hij het tot het ambt van gouverneur van Chili. De noordelijke provincies, die over 't geheel verwaarloosd waren, bezocht hij in persoon, deed onderzoekingen in de woestijn van Atocama en keerde over Valparaiso naar Santiago terug.

Als gevolg van die reis kwamen er een groot aantal verbeteringen in den toestand der Indianen, die op het land of in de mijnen werkten, en zijn uitstekend bewind bleek ook uit de wijze, waarop hij tegenover de Araucaniërs handelde. Hij verbood, hen zonder noodzaak aan te vallen of te beleedigen, en ofschoon de troepen ten allen tijde op oorlog voorbereid moesten zijn, mocht geen poging worden verzuimd, om den vrede te handhaven. De uitslag bewees, hoe beleidvol zijn optreden was, want de Indianen, die zagen hoe de Spanjaarden op hun hoede waren, zorgden wel, dat ze geen aanval waagden, en in het veilige gevoel, dat hen geen gevaar dreigde, als zij zich rustig hielden, begonnen ze hun velden ijverig te bebouwen. Aan de openbare wegen liet gouverneur O'Higgins groote zorg besteden, en tegen de overstroomingen der Mapocho beveiligde hij de hoofdstad door doelmatig aangebrachte dammen.

In 1789 vaardigde hij een decreet uit, waarbij alle indiaansche slaven vrij werden verklaard, hoewel hij de landeigenaars daardoor tegen zich in het harnas joeg en zich den haat op den hals haalde van de eigenaars der mijnen, waarin slaven werkten. Het belastingstelsel onderging allerlei verbeteringen en altijd was hij in de weer, den weg te effenen voor handel, industrie en landbouw.

De hoogste positie, die de kroon in die dagen in Zuid-Amerika te vergeven had, viel hem als blijk van de bijzondere tevredenheid des konings in 1795 ten deel, namelijk den post van onderkoning van Peru. Het volgend jaar reisde hij naar Lima, maar hij liet in zijn geliefd Chili zijn zoon Bernardo achter, die bestemd was, zulk een groote rol te spelen in de latere politiek van Chili. Hij toch werd een der helden uit den vrijheidsoorlog, een der stichters van de republiek.

Want door de grootere ontwikkeling in staatkundig en maatschappelijk opzicht, door het betere onderwijs vooral, begonnen de Chilenen het onrecht in te zien van sommige spaansche regeeringsmaatregelen en van het dwangstelsel, dat hen in allerlei richting hinderde in den vooruitgang. Bemoeilijking van den handel, overmatige invloed van de geestelijkheid, verbod van lectuur, gemis aan vrijheid van drukpers en van vereeniging en vergadering, dat alles werd meer en meer als een belemmering gevoeld, vooral na de ontroerende voorbeelden van den vrijheidsoorlog in Noord-Amerika en van de Fransche Revolutie. De begeerte, om meer te weten te komen van de buitenwereld, was een prikkel tot het koopen der verboden lectuur en gaf tevens een verklaring van de populariteit der tertulia's of avondbijeenkomsten in de salons der personen, die in Europa hadden gereisd en op de hoogte waren der nieuwere vrijheidsbegrippen, en de boeken der bekende fransche schrijvers uit die dagen hadden meegenomen.

Tijdens de regeering van gouverneur Carrasco, van 1808 tot 1810, nam de zucht naar vrijheid een meer definitieven vorm aan; Napoleons verovering van Spanje en de gevangenneming van den spaanschen koning steunden den geest van vrijheid, en op 16 Juni 1810 moest gouverneur Carrasco afstand doen, vooral onder pressie van den cabildo of het stadsbestuur van Santiago.

Er werd een Administratieve Raad gekozen, die de regeeringsmacht zou in handen hebben tot een Nationaal Congres bijeengekomen zou zijn, om den regeeringsvorm vast te stellen. De openbare vergadering van 18 September 1810 besloot tot de instelling van de Junta Gubernativa, de eerste onafhankelijke regeering in Chili. Een dag van glorie was die geboortedag der republiek, de opwinding in de hoofdstad was buitengewoon groot en de straten waren vroolijk en luidruchtig, overstraald door de lichten der illuminatie, omgolfd door de tonen der muziek.

Enkele maanden later kwam het eerste Congres, de vergadering van afgevaardigden des volks bijeen. Onder de allereerst aangenomen wetten was er een tot volkomen afschaffing der slavernij. Tot eer van de jonge natie zij gezegd, dat nu zij zelve als volk haar vrijheid had gewonnen, zij ook begeerde, dat ieder individu op chileenschen grond de rechten van de vrijheid zou genieten. Van de republiek Chili kan evenals van Mexico worden gezegd, dat haar vrije vlag nooit boven slaven heeft gewapperd.

Toen kwam er echter, als zoo dikwijls in dergelijke omstandigheden, persoonlijke eerzucht in het spel, die dreigde, 't goed begonnen werk te storen, en bij de twisten en oneenigheden tusschen de leiders van het burgerlijk bestuur moest men gedoogen, dat een spaansch leger uit Peru een inval deed, om het land voor Spanje te heroveren.

In Januari 1813 landden de spaansche troepen onder generaal Pareja te Ancud op het eiland Chiloë en spoedig daarna te Valdivia, Talcahuano en Concepcion. In die meer afgelegen provincies waren, als indertijd in de Vendée in Frankrijk, veel royalisten, die zich nu bij de spaansche troepen voegden en op de hoofdstad Santiago aantrokken.

Doch de voortgang van Pareja's leger werd gestuit te Chillan door het patriottenleger onder generaal Carrera, die al spoedig als bevelhebber plaats maakte voor O'Higgins, wiens talenten de aandacht van de Junta hadden getrokken en die in den strijd veel steun vond bij kolonel Juan Mackenna. Er werd een wapenstilstand gesloten, dat men de legers zou kunnen reorganizeeren, en op 1 October 1814 werd de strijd hervat met het gevecht bij Rancagua, toen het spaansche leger, dat versterking uit Peru had gekregen, onder generaal Osorio tegen O'Higgins optrad met een vijfmaal zoo sterke macht als die der republiek.

Er volgde een noodlottige nederlaag na een tweedaagschen strijd en een heftige verdediging van Rancagua, waarna de spaansche generaal er zijn intocht hield en O'Higgins zijn beroemden terugtocht ondernam.

Weldra volgde de intocht der Spanjaarden in Santiago en drie jaren lang heerschten zij opnieuw over Chili.

Die jaren waren echter de voorbereiding voor nieuwen strijd, en de beide helden O'Higgins en generaal San Martin wachtten met andere naar Argentinië uitgewekenen den geschikten tijd af. In Januari 1817 begon de marsch over het Andesgebergte door den Uspallata-pas. Het was een lange en moeilijke tocht, maar de uitslag van het op 12 Februari bij Chacabuco geleverde gevecht beloonde de moeite. Daar werd opnieuw voor de vrijheid van Chili met schitterenden uitslag gestreden, en het daar gegeven voorbeeld werkte aanstekelijk in de andere zuid-amerikaansche koloniën van Spanje.

Nog eenmaal probeerde een spaansch leger de herovering. Generaal San Martin trok het tegemoet, en in de vlakte van Maipo, enkele mijlen ten zuiden van de hoofdstad, had op 5 April 1818 een beslissende slag plaats, die den royalisten alle verdere kansen ontnam.

O'Higgins was tot Opperdirecteur van den Regeeringsraad benoemd en leidde het bestuur in Chili tot 1823. Hij was met dictatoriale macht bekleed en velen verweten hem een te eigenmachtig optreden. De held van Chacabuco moest zijn gezag neerleggen en generaal Ramon Freire nam zijn plaats in. O'Higgins stierf een jaar later. Een praalgraf op het kerkhof van Santiago wijst de plaats aan, waar hij ligt begraven en, zooals wij reeds zagen, op de Alameda van Santiago staat zijn ruiterstandbeeld.

Het eigenlijk middelpunt der hoofdstad is de Plaza de la Independencia of de Plaza de Armas. Bloemen vormen het centrum van dat plein, waaromheen men fraaie gebouwen ziet als de kathedraal en het bisschoppelijk paleis, het postkantoor, 't gemeentehuis, telegraaf kantoor e.a. Twee der zijden worden door winkels ingenomen, onder hun schilderachtige booggalerijen, de portales. 's Avonds wandelt er de deftige chileensche wereld, zooals in andere spaansche landen ook de paseo of wandeling op de Plaza een dagelijksch verschijnsel is.

Een droevige gebeurtenis had op het plein plaats in 1863, toen een vreeselijke brand de Compania-kerk verwoestte, bij welke gelegenheid meer dan duizend menschen, voor het meerendeel vrouwen, omkwamen. De stad is meermalen door hevige branden geteisterd. Nog pas, op 27 Februari van dit jaar 1906, brandde de schouwburg van San Martin af, waarbij ook eenige dooden vielen te betreuren en honderden gekwetst werden.

Het nieuwe Congresgebouw, ook aan het plein, werd juist gebouwd, toen de brand der Compania-kerk voorviel; toen het in 1875 voltooid was, besloeg het mee de terreinen, die door den kerkbrand vrijgekomen waren. Het is een der fraaiste openbare gebouwen van Zuid-Amerika. Ook het Caso de Moneda, de Munt, maakt veel indruk, vooral door zijn grootte; het bevat ook de gouvernementszalen voor den ministerraad. De vele patio's of binnenpleinen, tusschen de afzonderlijke gedeelten, verminderen de strenge somberheid van het zware monumentale gebouw.

Rondom Santiago zijn allerlei aardige plaatsjes gelegen, die men per tram of trein of omnibus bereiken kan. Apoquindo is allerliefelijkst gelegen als in een nestje tusschen heuvels. San Bernardo is een schilderachtig stadje te midden van weiden en dicht genoeg bij de Cordillera's, om 't genot te hebben van den koelen bergwind. Ook Santiago, dat bijna twee duizend voet boven het niveau der zee ligt, kan zelfs midden in den zomer koel zijn, want de grootste bekoring van Santiago is niet gelegen in de mooie huizen en de statige openbare gebouwen, ook niet in de aangename omgeving, maar in de onvergelijkelijke atmosfeer. Zoowel de winters als de zomers hebben een prettige temperatuur, ondanks de dichte nabijheid van de Cordillera's, die vele maanden van het jaar een zwaren mantel van sneeuw dragen en welker hoogste toppen onder eeuwige sneeuw verscholen liggen.

Als een gulden lint omboordt Chili een groot deel van de kust van Zuid-Amerika. Het is een verwonderlijk smal land, bijna drie duizend mijlen lang en minder dan gemiddeld honderd mijlen breed. Uit natuurkundig oogpunt biedt het de grootste verscheidenheid aan. In 't Noorden de groote, woeste salpeterdistricten, in Midden Chili de prachtige, begroeide berghellingen met wijngaarden en heerlijke oofttuinen, zonnige korenvelden, en in het Zuiden de woeste fjorden aan de straat van Magellaens, met Vuurland en de verlaten eilandenwereld er omheen.

Ook het klimaat van Chili biedt groote verschillen aan, niet enkel doordien het zich over dertig breedtegraden uitstrekt, maar ook door den invloed van de winden der Cordillera's en de zeestroomingen van den Grooten Oceaan. In het Noorden wisselt de temperatuur het geheele jaar door binnen een verschil van niet meer dan tien graden Celsius. Er valt bijna geen regen ten noorden van 27° Z.B., en in de woestijn bij Tarapaca is de laatste hevige regenval bijna honderd jaar geleden. Door zwaren dauw wordt echter de grond er nu en dan bevochtigd. De koude stroom van den Zuid-Pacifischen Oceaan oefent in den zomer een verkwikkenden invloed uit op de temperatuur, zoodat de hitte nooit buitengewoon groot is.

In Midden-Chili is het klimaat gematigd en heerlijk; men kan juist even de vier jaargetijden onderscheiden, maar groote verschillen merkt men niet. Het regent alleen een weinig in den winter, en sneeuw valt zelden elders dan op de bergen. Zoowel aan de kust als in het binnenland is het land zeer gezond.

In het Zuiden regent het in iedere maand en den grootsten tijd van het jaar is de lucht bewolkt. Vooral geldt dit voor de streek rondom Valdivia en Chiloe; in de Straat van Magellaens sneeuwt het veel in den winter, die van Mei tot Augustus duurt.

Door de geheele lengte van het land strekken zich twee bergketenen uit, het Andesgebergte en het Kustgebergte, met kortere transversale ketenen daartusschen, zoodat als men het groote centrale dal volgt, dat van het Noorden naar het Zuiden loopt, men dat in een aantal kortere dalen gesplitst vindt, terwijl dwarsdalen van de Andes af de zee bereiken. Het resultaat is een groote verscheidenheid van heuvels en dalen.

De Atacama-woestijn in het Noorden is, hoe woest en verlaten ook, niet zonder schilderachtigheid. De kale rotsen en de enkele afgelegen bosschen omgeven de roodbruine vlakte, en in de nauwe kloven en dalen, waar als-het-ware een lint van groen langs de rivieren ligt, treft de frischheid door de tegenstelling met de omringende dorheid.

Slechts twee belangrijke rivieren vindt men in de provincie Tarapaca: de Camarones en de Loa met hun zijtakken, en twee in de provincie Atacama de Huasco en de Copiapo. Het landschap in de bergstreken van Coquimbo is prachtig, en waar de rivieren de Coquimbo, de Limari en de Choapa vloeien, treft men boomgaarden en schoone boerenhofsteden aan. De vruchtbaarheid van deze provincie en de rijkdom aan mineralen maken haar tot een kostbare schatkamer voor de republiek. De valleien van de Huasco en de Elqui zijn beroemd om hun edele druiven, en een groot aantal wijngaarden bedekken er de berghellingen. De provincie Coquimbo heeft voor een deel den aard van het noordelijke gebied en voor een ander deel dien van Centraal Chili, daar zij zoowel minerale producten als landbouwvoortbrengselen oplevert. Het klimaat heeft er sommige eigenaardigheden van de regenlooze streken, ofschoon met eenige wijziging. Drie of vier dagen van regen nu en dan is het allermeeste, wat er valt, en een gansche week van regen is iets ongehoords. Verder naar het Zuiden, te beginnen in de provincie Aconcagua, zoo genoemd naar den hoogsten top der Andesketen, beroemd geworden door de beklimmingen van Sir Martin Conway, den heer Fitzgerald en den heer Rankin, wordt de groote middenvallei breeder en zet zich voort over de geheele lengte van Chili tot bij den Chiloë-archipel.

Sommige geologen meenen, dat de eilanden van den archipel van Patagonië een voortzetting zijn van het kustgebergte, en dat de zee, die ze scheidt van het vaste land, een ondergeloopen voortzetting is van het centrale dal. Dat dal is nergens schooner dan bij zijn begin. Het landschap is er boven alle beschrijving prachtig. In deze provincie ligt het schilderachtige dal Llai-Llai, of "hevige wind", zooals de indiaansche naam luidt, besproeid door de rivier de Aconcagua, die langs den noordrand vloeit. Deze rivier, die op den berg van denzelfden naam ontspringt, stroomt door een groot deel der provincie. Het is een forsche stroom, snel vlietend door de hoogere Cordillera's, waar hij bewonderd wordt door alle reizigers, die van Argentinië naar Chili reizen over den Uspallata-pas.

De plantengroei is weelderig in de middenvallei, waar veel aan wijnbouw wordt gedaan en waar men tallooze hacienda's of landgoederen vindt. Sommige daarvan hebben een groote uitgestrektheid; er wordt aan veeteelt gedaan en men ziet er korenvelden en olijvengaarden, met prachtige lanen van populieren er omheen. Rivieren en meren geven hier afwisseling aan het landschap en zijn voor de vruchtbaarheid van den grond van de grootste beteekenis. Het tegenwoordige besproeiingsstelsel dateert al uit den spaanschen tijd, ja was reeds bij de Indianen in gebruik vóór de verovering. De waarde van een farm wordt berekend niet naar haar grootte, maar naar de hoeveelheid water, die voor irrigatie dienen kan.

De rivier de Maipo besproeit de provincie Santiago en over haar geheele lengte verschaft zij water aan vele der beste landerijen en wijngaarden. De groote hacienda's Puenta Alto, Santa Ines, Guindos, Buin en Hospital worden door deze rivier besproeid, die bij de kleine haven San Antonia de zee bereikt, even ten zuiden van Valparaiso. De Mapocho, een zijtak van de Maipo, stroomt door Santiago, en is door een aantal mooie bruggen overspannen.

Van de vrij groote meren in de Cordillera's is het Zwarte Meer of de Laguna Negra het best bekend als de bron der Maipo en omdat het gezien kan worden door de reizigers, die den Cumbrapas overgaan. Andere meren zijn het Yeso-meer in de hoogere Cordillera's, en het Aculeo-meer aan den voet der kustketen. Het laatste, zestien vierkante mijlen groot, wordt druk bezocht, om de goede vischgelegenheid, die het water aanbiedt, en om de rijke jachtterreinen in den omtrek.

Overal in die middenprovincies Santiago, O'Higgins, Colchagua, Curico, Talca, Maule, Linares en Nuble wordt het landschap verfraaid door heuvels, dikwijls met prachtige bosschen bedekt. Mooi is ook daar de rivier, de Maule, de eenige, die over een vrij groote lengte bevaarbaar is en den Stillen Oceaan bij de haven Constitucion bereikt. De streek, waardoor zij loopt, is een tuin gelijk, en in den zomer is over de geheele lengte van haar dal de oever bedekt met bloeiende boomen en struiken. De monding van de Maule is beroemd om de rotsen en klippen, die hooge zuilen en pilaren vormen, vreemd uitgesleten door de werking van de winden en getijden. De Piedras de las Ventana's of Vensterrotsen vertoonen de grilligste vormen, en de Iglesia of Kathedraalrots, die op een mijl afstands van de overige staat, ziet er uit als een kerk. Dit verrukkelijk plekje, waar een ruime grot midden in de rots aan het schip der kerk doet denken, is een geliefd oord voor zomeruitstapjes, en men kan het gemakkelijk per spoor of stoomboot bereiken.

Behalve de rivier, de Maule, zijn er in deze buurt een aantal dergelijke stroomen, als de Rupel met haar onstuimigen zijtak, de Cachapoal, vloeiend door de streek der beroemde warme bronnen van Cauquenes; de Mataquito en de Itata, samenkomend dichtbij de badplaats Chillan. Geen land in Zuid-Amerika heeft beter gelegenheid voor verbinding der rivieren door kanalen. De overvloed aan waterkracht, die men met weinig moeite in gebruik zal kunnen stellen, belooft het land een groote toekomst wat zijn industrie betreft. Er worden reeds plannen gemaakt voor de exploitatie van de Laja-watervallen, den Niagara van Chili, zooals men wel zegt. De val is in de provincie Concepcion in een tak van de rivier de Bio Bio.

Die provincie Concepcion is de belangrijkste van Centraal Chili; zij heeft een uitgebreiden handel en verscheiden goede zeehavens. De grootste baaien van Chili, die van Talcahuano en van Arauco, behooren er toe. De grond wordt er voldoende besproeid door de Bio Bio en haar talrijke zijtakken. Ten noorden van het dal der rivier vindt men uitstekende wijnbergen en in het Zuiden der provincie Concepcion leveren de staatsbosschen goede inkomsten. De Bio Bio is bevaarbaar tot 150 mijlen van haar monding; zij komt uit een der bergmeren van het Andesgebergte en vloeit noordwestelijk, besproeit de provincies Malleco en Concepcion op haar weg naar den Stillen Oceaan, en bereikt dat einddoel bij de stad Concepcion. Daar is de rivier bijna twee mijlen breed.

De stroom is behalve om zijn schilderachtige dalen en den weelderigen plantengroei langs zijn oevers ook bekend uit historisch oogpunt, namelijk als de scheidingslijn, die tijdens de verovering en in de koloniale periode de zuidgrens aangaf van de spaansche bezittingen in Chili en het begin van het territorium der Araucaniërs.

Aan de oevers der Bio werden groote gevechten geleverd tegen de Indianen, en haar naam is verbonden met gebeurtenissen uit de krijgsgeschiedenis vanaf den tijd, toen Pedro de Valdivia zijn dood vond in een gevecht met de Indianen in de 16de eeuw, totdat er, nog pas vijftig jaar geleden, een eind kwam aan den strijd tegen de Araucaniërs.

Van Conception af zuidwaarts houden de natuurlijke rijkdommen van het land op, zoo rijkelijk te vloeien, en de provincies Valdivia, Llanquihue en Chiloë vormen den overgang naar het leven aan de Magellaens-straat. De producten veranderen van aard, en in plaats van het zachte klimaat, dat weinig verandert in de vier jaargetijden, heerscht er een lagere gemiddelde temperatuur en worden de winters langer. Nog vindt men er goede graanvelden en rijke veestapels, terwijl de appelboomgaarden van Valdivia bewijzen, dat meer gehard fruit er uitstekend groeit.

De houtopbrengst is in deze zuidelijke provinciën overvloedig, en het landschap is bijzonder mooi, vooral door den rijkdom aan meren. Het Lajameer ligt tusschen twee hooge bergen en in de buurt van den vulkaan Antuco; het vormt de bron van de rivier de Laja met haar prachtigen waterval. Veel vulkanen verrijzen langs de zuidelijke deelen der westkust, ook werkzame, zooals die van Villa Rica. Jammer genoeg zijn de heldere dagen, waarop men de schoonheid van het landschap ten volle kan genieten, weinig in aantal.

Het eigenaardig kenmerk van de streek aan de straat van Magellaens zijn de archipels, de tallooze eilandengroepen die men er vindt en de hooge bergen. Op Vuurland en in een deel der kuststreken vindt men natuurlijk weiden, voor schapenteelt geschikt. Over 't geheel vertoont het land overeenkomst met de Schotsche hooglanden. Lange reeksen van duinen strekken zich mijlen ver uit, omzoomd door de bosschen meer binnenwaarts, waarachter de hoogere bergen oprijzen. Zeer weinig stoombooten varen tegenwoordig langs de kust aan de binnenzij der eilandengroepen, als zij de reis doen langs het chileensche Patagonië; maar wie in de gelegenheid is geweest, dien tocht te maken, dien gaat hij nooit uit de herinnering. De fjorden van Noorwegen doen in menig opzicht in schoonheid onder voor het Smythkanaal.

Aan de oevers vindt men hier en daar sporen van indiaansche woningen, maar het aantal Indianen vermindert er van jaar tot jaar. De Indiaan uit deze streken draagt niet anders dan het vel van den guanaco of van den otter als kleeding, en hij staat gemakkelijk een kleedingstuk af in ruil van een mes of eenig wapen. Otters zijn er veel bij Vuurland en in de Magellaensstraat; de vellen vormen een hoofdbron van inkomsten voor de streek. Weinig vogels ziet men er; nog 't meest den albatros en de rotsduif.

De flora en fauna zijn overigens in de drie deelen van Chili zeer verschillend. De woestijnen van het Noorden vertoonen weinig plantenleven; alleen in de oasen sieren prachtige bloemen het landschap. Het centrale gedeelte heeft een rijke flora; op de helling der Andesketen groeien fuchsia's in grooten overvloed in het wild, zooals men ze in de bosschen van Midden-Chili overal vindt. Over 't geheel is de dierenwereld niet sterk vertegenwoordigd; de opmerkelijkste vogel is wel de condor van het Andesgebergte, symbool van macht, en als zoodanig in 't chileensche wapen opgenomen.

Onder de groote handelssteden van Zuid-Amerika kan Chili bogen op 't bezit van Valparaiso, de belangrijkste zeehaven aan de westkust. Van zee uit gezien, lijkt de stad een groot amphitheater; zij is gebouwd op de helling van een berg, die het smalle strand in een kring omgeeft. Diepe kloven verdeelen den berg in afzonderlijke heuvels of cerro's, en hier en daar dringen de hoogten zoo dicht naar de zee, dat er bijna geen ruimte overblijft voor een landingsplaats. Men heeft daarom een groot, kunstmatig strand, een breed embankment aangelegd, waardoor de weg langs de baai verbreed wordt, en dat tevens bij ruw weêr de kracht der zware zeeën breekt.

Evenwijdig met het strand loopen de hoofdstraten in de lengte door de stad, talrijker, waar de cerro's nog al wat ruimte laten, weinig in aantal, waar de heuvels dicht naar de zee dringen en nauwelijks plaats bieden voor de tram, die Valparaiso met zijn voorstad Vina del Mar verbindt. Kabelspoorwegen brengen de gemeenschap tot stand tusschen de benedenstad met de cerro's, waar een groot deel der bevolking woont.

De naam Valparaiso beteekent Paradijsdal, hij moet echter uit een ver achter ons gelegen verleden afkomstig zijn, want eigenlijk past hij niet bij de drukke metropolis van thans, met haar haven vol schepen uit alle landen en haar straten, waar zich handelslui van elke nationaliteit verdringen. Toch is het een zeer liefelijke stad, zeer gezond en met de aangenaamste vormen van 't maatschappelijk leven. De koele zeewind maakt het verblijf er 't heele jaar door prettig.

De stormen, die in de baai woeden, kunnen soms groote schade in Valparaiso aanrichten en maken belangrijke havenwerken noodig, die voortdurend verbeterd en uitgebreid worden en waarvoor ons land zijn minister Kraus, den kundigen ingenieur, voor eenige maanden afstaat aan de chileensche regeering. Zijne Excellentie, die op den 3den Maart jl. ons land verliet, zal den President van advies dienen bij de gunning van de werken voor de haven, door hem in 1901 ontworpen. In 1890 had de heer Kraus de benoeming tot hoogleeraar aan de technische hoogeschool te Santiago aangenomen. Ook aan den bouw van een droogdok in de hoofdstad en aan den aanleg der havenwerken van Talcahuano had hij als ontwerper een groot aandeel.

In den zomer, dat is van Januari tot Maart wordt de zetel van het bestuur van Santiago naar Valparaiso overgebracht; de president en de ministers houden dan verblijf in Vina del Mar, terwijl hun officiëele hoofdkwartieren zich bevinden in de havenwijk van Valparaiso, waar men veel openbare gebouwen aantreft en die nu tevens de drukke handelswijk is, nu bij de uitbreiding der bevolking ook op de cerro's woonhuizen zijn gebouwd en dikwijls de allerfraaiste en rijkste. Op den Cerro Concepcion en den Cerro Alegre vindt men prachtige huizen en allerliefste châlets, die schilderachtig tusschen boomen en bloemen gelegen zijn. Een vijf minuten rijdens met de spoor, en men is van de benedenstad op de hoogten gekomen, terwijl men op den rit een steeds mooier wordend uitzicht op de haven geniet en op de geheele baai, die met haar vele schepen een prachtig panorama oplevert.

De gezelschappen zijn in Valparaiso echt kosmopolitisch en opmerkelijk is het, hoe de vreemdelingen zich met de stad en hare instellingen vereenzelvigd hebben, hoe zij in hun belangen opgaan. Als er weldadigheid moet worden beoefend, als kerkelijk werk hulp en zorg vereischt, bij nationale feesten en gedenkdagen, altijd zijn alle nationaliteiten erbij betrokken en algemeene sympathie verlicht en veraangenaamt de samenwerking.

De stad was een der eerste steden van Zuid-Amerika, die een uitstekende waterleiding bezaten; de dam, gebouwd in de hooggelegen heuvelstreek ten behoeve der watervoorziening van Valparaiso, dateert al van 1849. Onlangs is weer een groot réservoir voor regenwater te Penuelas gebouwd, omstreeks op tien mijlen afstands, en ter hoogte van duizend voet boven het niveau der zee. Honderd millioen tonnen water worden op die wijze verzameld, genoeg om de stad voor drie jaar te voorzien, als 't noodig is. De kosten van deze onderneming bedroegen zes millioen dollars.

Valparaiso is allen anderen steden in Zuid-Amerika voorgegaan in 't gebruik der nieuwe vindingen, die het leven vergemakkelijken en veraangenamen. Het was de eerste spaansch-amerikaansche stad, die telegraaflijnen aanlegde en gas gebruikte in 1856; de eerste, die drijvende dokken had voor het repareeren van schepen in 1860. Hier verschenen de eerste trams in de straten, en de onderhandelingen over den aanleg van den eersten Zuid-Amerikaanschen spoorweg begonnen in deze stad meer dan een halve eeuw geleden. De naam van een Noord-Amerikaan, William Wheelwright, is verbonden aan de inwijding dier lijn van Caldera naar Copiapo. Dezelfde ondernemende Amerikaan organizeerde in 1840 de Pacific Steam Navigation Company, en aan zijn initiatief is Chili veel verplicht voor de ontwikkeling der steenkolenexploitatie, want de eerste nationale steenkool werd door hem gebruikt op de stoombooten van die lijn.

Door Wheelwright's bemiddeling werden de eerste stappen gedaan voor den aanleg van een spoorweg, die Buenos Aires zou verbinden met Valparaiso dwars over de Andes, een werk, dat nu voltooid is op een kort eind na van den trans-andischen spoorweg, waar deze over den bergpas gaat. De concessie voor de voltooiing van de Trans-andeslijn is verleend aan een new-yorksche firma, die aan de westkust van Zuid-Amerika groote belangen heeft. Oorspronkelijk, en wel sinds 1881, was de firma te Valparaiso gevestigd met vertakkingen in Santiago, Concepcion en Iquique. De naam van den onlangs overleden stichter, Mr. W.R. Grace, zal altijd in Chili in dankbare herinnering blijven als die van een der pioniers van den buitenlandschen handel van Zuid-Amerika aan de kust der Stille Zuidzee. In de toekomst der republieken van de westkust stelde de heer Grace het volste vertrouwen.

De vreemdeling, die engelsche namen ziet op de uithangborden der meeste winkels in Valparaiso, komt op het idee, dat de handelsstand in deze stad bijna geheel uit vreemdelingen bestaat. Maar als hij zich meer met de menschen vertrouwd heeft gemaakt, bespeurt hij, dat zelfs in die inrichtingen, die een onmiskenbaar buitenlandsch karakter dragen, de plaatselijke chefs gewoonlijk Chilenen van geboorte zijn, of menschen, die zoo lang in Chili hebben gewoond, dat zij hun aangenomen vaderland geheel als het hunne beschouwen.

Een halve eeuw geleden, toen de meeste van de nu bloeiende handelshuizen pas begonnen, waren de toestanden zeer verschillend van wat ze nu zijn. De herinneringen van kooplieden uit dien tijd zijn dikwijls onderhoudend, om aan te hooren. Een van die pioniers, wijlen Stephen Williamson, die in 1903 stierf, en die vijftig jaren lang hoofd was van de firma Williamson, Balfour en Co., wist alles, wat samenhing met de geschiedenis van de kustvaart langs den Stillen Oceaan.

"In de vijftig jaren," zei hij eens, toen hij zich op verzoek van zijn vrienden in herinneringen verdiepte, "zonden wij tarwemeel van Constitucion naar Australië, en als onze schepen terugkeerden, brachten ze betaling in goudstof en muntspecie," De heer Williamson woonde in Chili, toen groote fortuinen plotseling met de exploitatie der mijnen werden gemaakt, en zijn schepen brachten menigen armen drommel naar Copiapo en Iquique, die er in weinige jaren rijk werd. Kolonel North, de nitraatkoning, had de gelegenheid, waardoor hij zijn grooten rijkdom verwierf, te danken aan een vrijkaartje voor een reis met een van Mr. Williamson's schepen. Jaren daarna, toen kolonel North millionnair was geworden door zijn welgeslaagde ondernemingen in de Tarapacamijnen, bezocht hij zijn weldoener, om hem nog eens te danken voor die indertijd bewezen gunst.

Het groote aantal Engelschen onder de rijke kooplieden is oorzaak, dat er te Valparaiso zeer veel Engelsch wordt gesproken. Het komt maar zelden voor, dat iemand in een gezelschap die taal niet verstaat. In alle scholen wordt Engelsch onderwezen, en er zijn buiten de spaansche een aantal geheel engelsche scholen.

Elke nationaliteit is intusschen vertegenwoordigd in de clubs van Valparaiso, Engelschen, Duitschers, Franschen, Spanjaarden en Italianen. Vooral de politieke clubs zijn zeer werkzaam, en in den tijd der verkiezingen is aller belangstelling levendig. Dan is er geen dorp, zoo klein of onbeduidend, of het heeft zijn politieke vereeniging. Vrouwenclubs heeft Chili ook, maar in het politiek tournooi spelen de chileensche vrouwen nog slechts een onbeduidende rol. In den salon en in de arbeiderswoning dringen nog slechts weinig vrouwen op gelijkheid van rechten met den man aan. Zij zeggen waarschijnlijk, dat ze liever de meerderen willen blijven, dat ze er niets tegen hebben de superior sex te zijn.

Valparaiso heeft een groote beurs, zeven nationale banken en drie buitenlandsche. De stad is het handelsmiddenpunt van Chili en staat door een netwerk van telegraaflijnen, particuliere en door den staat geëxploiteerde, met alle steden van Chili in gemeenschap. De verbazend drukke zaken tusschen Valparaiso en Santiago hebben verscheiden particuliere telefoonlijnen in 't leven geroepen, daar alle groote huizen van Valparaiso afdeelingen hebben in Santiago en vice versa. Onderzeesche kabels verbinden de stad met de geheele wereld. De verschillende stoomvaartmaatschappijen, die de steden van Zuid-Amerika's westkust aandoen, hebben hun hoofdkwartieren in Valparaiso. Als het Panamakanaal eens gereed zal wezen, hoopt men op nog snelleren vooruitgang voor den handel der westkust van Zuid-Amerika, al zijn er pessimisten, die zich de verliezen door den achteruitgang van 't verkeer om Kaap Hoorn als vrij ernstig voorstellen.

Als de warme zomerzon het plaveisel van de stad gloeiend maakt, en in de mooie parken de boomen en bloemen onder een stoflaag rusten, verlaten de welvarende Chilenen de stad, om aan het strand of in de bergen verkwikking te zoeken. Chili heeft zijn Trouville in het schilderachtig stadje Vina del Mar. Ofschoon het zoo ver verwijderd is van de fashionable centra van West-Europa, weerkaatst het badplaatsje toch de laatste modes in kleeding en gebruiken even trouw als welke europeesche badplaats ook.

De dames zijn keurig gekleed, en dikwijls in parijsche toiletten, voor het Vina del Mar-seizoen besteld. Men geniet in de mooie omgeving, waar groene guirlanden zich slingeren om kleine, groene huisjes en om de stammen van de boomen in de schaduwrijke straten. De lanen hebben druk bebloemde randen en aan het strand der zee worden de rotsen beschuimd en bespat, tot ze fonkelen in een glorie van diamanten. De kleuren van den regenboog zijn 's avonds alle weer te vinden in 't gordijn van 't Westen, waar de zon zich achter ter ruste begeeft; in één woord Vina del Mar is een gezegend plekje gronds.

Het ligt op slechts vijf mijlen afstands van Valparaiso, op het punt waar de baai, zich verwijdend, overgaat in den Oceaan, zoodat het gedeeltelijk beschut is voor de open zee en toch het volle genot heeft van den zeewind. 't Riviertje, de Quilpué, op welks zuidelijken oever Vina del Mar ligt, bereikt er de zee, terwijl de lage bergen er, in een halven kring geschaard, op neerzien. De straten loopen evenwijdig aan het riviertje en worden verfraaid door veel boomen; een plein vormt het midden van de stad, en eigenaardig genoeg verrijst aan dat plein niet alleen een kerk, maar staat er ook het spoorwegstation met een promenade ervoor langs. Het is de gewoonte in Vina del Mar, zoowel als aan de meeste spoorwegstations van Midden-Chili, dat de jongelui een half uur vóór de aankomst der avondtreinen aan 't station samenkomen en op het perron heen en weer wandelen. Heele gezinnen nemen dikwijls aan die wandelingen deel, en er zijn evenveel ouden van dagen als jongen bij de groepen, die er slenteren en pratend en lachend zich amuseeren. Als de trein binnenkomt, wordt het tooneel met welkomstgroeten en afscheidswoorden nog verlevendigd. In kleine stadjes heeft dat stationsbezoek bepaald een sociale beteekenis; de mooiste japonnen worden vertoond en de gezelligheid, ook de babbelzucht, viert er hoogtij.

Vina del Mar is niet altijd het pretstadje geweest, dat het nu is, en nog niet zoo heel veel jaren geleden is het tot een afzonderlijke gemeente verheven. Tijdens de eerste dagen na de spaansche verovering was het alleen belangrijk als monding van de Rio de las Minas, de Mijnrivier, nu Quilpué geheeten, die de streek der groote Malga-Malgamijnen besproeide, waaruit zij met een rijken oogst aan goud te voorschijn kwam. De tooneelen, die toen het meest in Vina del Mar werden afgespeeld, waren dikwijls gruwelijk, want de slavernij heerschte in barbaarschen vorm, en de zweep werd ijverig gebruikt, als middel om 't gezag te handhaven, terwijl elke insubordinatie met een wreeden dood gestraft werd. Wel groot verschil dus met het heden, dat van rust en van levensgenot een beeld geeft.

Toch was de plaats toen een belangrijk bezit, en Pedro de Valdivia, Chili's veroveraar, beschouwde de toewijzing als een zeer te waardeeren gift, toen hij de rechten en titels van eigenaars schonk aan twee van zijn grootste veldheeren en intiemste vrienden, Don Juan Jufré, eerste alcalde van Santiago, en Don Francisco de Riveros. De traditie schrijft aan den zoon van Riveros de eer toe, den wijngaard te hebben geplant, die den naam aan 't stadje heeft geschonken, "wijngaard der zee".

De grond, waarop de jonge de Riveros zijn druiven plantte en waar het deel van Juan Jufré bij werd gevoegd, nadat hij het van de weduwe van zijn vaders deelgenoot gekocht had, werd met groote zorg bebouwd en was weldra een kostbaar bezit. Na den dood van de Riveros kwam hij in handen van de Jezuiëtenzendelingen, toen het hoofd der Valparaiso-zendelingen hem in 1690 kocht. De Jezuiëten bleven er eigenaars van, tot hun orde uit alle spaansche bezittingen in 1767 verbannen werd.

Na hun vertrek werd de bezitting bij openbaren verkoop verdeeld in verschillende kleinere deelen, waaruit zich langzamerhand een stadje ontwikkelde. Een familie van naam, de Carrera's, bezaten de hacienda van Vina del Mar in de eerste jaren van de 19de eeuw, en zij was toen het tooneel van veel vroolijk en luidruchtig leven. De admiraal Cochrane bezocht met zijn vrouw dikwijls het mooie landgoed, als zij in Chili vertoefden, en zij waren zeer gehecht aan de beminnelijke familie, die uit drie zoons en zeven dochters bestond. In de dagen van den onafhankelijkheidsoorlog was dit patriottisch gezinde huis punt van samenkomst voor de vrijheidsvrienden, en veel plannen van groote politieke beteekenis werden vastgesteld te midden der vonken van geest en vernuft, die op de mooie zomeravonden in dit lustverblijf de hoogte ingingen.

Al vroeg was Vina del Mar bekend om zijn producten van landbouw en veeteelt en door de voordeelen, die het trok uit de nabijheid van Valparaiso. Doch eerst bij de inwijding van den spoorweg tusschen Valparaiso en Santiago in 1855 begon men de stad te zien in het licht van schoone mogelijkheden, en niet vóór 1874, toen de voornaamste eigenaars van den grond Senor Don José Francisco Vergara en zijn vrouw den grond afstonden voor de uitbreiding der stad naar een systematisch plan van straten en openbare gebouwen, werd Vina del Mar een bloeiende en vooruitgaande gemeente.

In de laatste dertig jaren is die vooruitgang geregeld blijven vorderen, dank zij de voortvarendheid van het bestuur der stad, en zoo is het de populaire badplaats van thans geworden, met breede, rechte straten en schaduwrijke lanen, waar allerlei liefelijks te zien is, en keurige villa's in tuinen vol bloemen geschaard staan.

De prachtige villa van Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz, dochter van Don Jozé Francisco Vergara en een der schoonste vrouwen uit Chili, ligt bijzonder mooi aan den voet van den cerro; het landgoed heet Quinta Vergana en is zeer uitgestrekt. Prachtige grasvelden en bloemvelden worden door fonteinen besproeid, en schaduwrijke lanen voeren naar donkere boschplekjes, terwijl tegen den heuvel op veel paden kronkelen, omzoomd door een rijke bloemenpracht en leidend naar een uitzichtspunt, waar men den ganschen omtrek en de stad met de baai overziet. De weelderig ingerichte woning, een der rijkste uit Chili, heeft veel interessante gasten geherbergd, en de vreemdelingen van beteekenis, die Chili bezochten, waren er meestal genoodigden. Toen de hertog der Abruzzen in 1903 in Chili was, werd er te zijner eer een groot bal gegeven door Senora Dona Blanca Vergara de Errazuriz.

Veel families uit Santiago en Valparaiso hebben zich elegante zomerwoningen in Vina del Mar laten bouwen, en de gezochtheid der plaats neemt telken jare toe. Het is de gewone zomerresidentie van het diplomatieke corps, en bijna alle hooge staatsambtenaren houden er verblijf gedurende de maanden, waarin de zetel der regeering naar Valparaiso is overgebracht.

De wedrennen vormen steeds een groote aantrekkelijkheid. Zij worden op een groot veld, de Cancha, even buiten de stad gehouden en de toevloed van gasten is dan verbazend. De sportclub van Valparaiso heeft bij die gelegenheden de leiding; zij organiseert de voorjaarsraces in October en November, de herfstrennen in Februari. Geen renbaan ter wereld heeft haar tribunes mooier ingericht met bloemen en klimplanten, en als de uitgaande wereld zich er in haar volle glorie en pracht van toiletten vertoont, krijgt men een onvergetelijk schouwspel te zien.

Na de wedrennen gaat de genotzoekende menigte naar het strand, en een stroom van equipages begeeft zich zeewaarts. Van zes tot zeven uur des avonds gaat ieder van het zonnig strand genieten, en dikwijls blijft men in zijn rijtuig zitten, dat tot dicht aan zee mag rijden. Muziek geeft in dat uurtje afwisseling en dient tot verlevendiging van het tooneel. Men is voornemens, den rijweg langs het strand te verbreeden, om er een corso van te maken; de ruimte tusschen de heuvels en de zee is nu te klein.

Als men zoo langs de playa of het strand rijdt, wordt men getroffen door de groote rotsen, die bijna loodrecht oprijzen en door de blokken van allerlei vorm en grootte, die als in zee zijn gestrooid. Het is altijd het buitenleven, dat men te Vina del Mar geniet, deftige uitgangen zijn er weinig te doen, en de menschen, die gasten zien, geven aan de feesten liefst een zoo weinig mogelijk vormelijk karakter. Golf en lawntennis worden druk beoefend op de Cancha. Het beste seizoen daarvoor is Januari en Februari, ook voetbal is er dan populair en internationale wedstrijden van voetbal en cricket zijn er dikwijls gehouden, waaraan ook de club uit Buenos Aires deelnam.

Midden in 't seizoen is alles vol en druk in Vina del Mar; de hôtels hebben evenmin ruimte meer als de particuliere woningen en de menigte is steeds talrijk op Cancha, strand en bij 't lawntennisveld. Het Grand Hôtel, het ideale zomerhôtel, mag men wel zeggen, heeft een sierlijk park, groote tuinen en de uitlokkendste gelegenheid voor tuinpartijen. Ook na het seizoen keert Vina del Mar niet tot stilte en eenzaamheid terug, want als voorstad van Valparaiso heeft het zijn aandeel aan de levendigheid van die handelsplaats. Er ontbreekt alleen een mooie, breede verbindingsweg tusschen beide steden, maar daartoe moeten de rotsen van den cerro springen; zij dringen te ver naar voren naar de zee en zijn tot nu toe een beletsel geweest voor den aanleg van een der schoonste strandpromenades.

Vreemdelingen, die lang genoeg in Chili hebben gewoond, om goed bekend te raken met het land en de menschen, zijn eenstemmig van oordeel, dat de aangenaamste huizen niet in de hoofdstad of in een der andere steden worden gevonden, maar op de groote hacienda's of plantages, gelegen in de centrale vallei.

De mooiste huizen in Santiago zijn op enkele uitzonderingen na slechts tijdelijke woningen voor de eigenaars, die er verblijf houden, zoolang het uitgaande leven duurt, dus van Mei tot October, wanneer zij er kostbare partijen geven en zich in de opera en bij de races vertoonen, om zoodra de schouwburgen gesloten zijn en de hoofstad haar vroolijkheid begint te verliezen, te vluchten naar den echten hogar of huiselijken haard, op de hacienda, met haar breede lanen en grasvelden, waar het leven zoo genoegelijk is, dat de stad met haar drukke straten en talrijke sociale verplichtingen den rijke een noodzakelijk kwaad moet schijnen.

De landelijke bezittingen van de rijke chileensche families zijn soms zeer uitgestrekt; er behooren boerderijen bij en bosschen, die een rijke bron van inkomsten leveren, en voor den aesthetischen en sportlievenden smaak wordt gezorgd door bloem- en vruchtentuinen, mooie boschhoekjes, velden voor croquet en lawntennis. Iets eigenaardigs bij die hacienda's van 't centrale dal zijn de randen van populieren, waar binnen ze veelal besloten zijn. Er zijn millioenen populieren in Chili, en op sommige der grootste hacienda's staan ze in dubbele rijen en vormen mooie, schaduwrijke lanen. Het effect, van uit den spoorweg gezien, is alleraardigst, vrij wat aantrekkelijker dan de heiningen van prikkeldraad, die u van de farms in Noord-Amerika dreigend aanstaren. De chileensche eigenaar heeft echter soms ook zijn draadversperring aangebracht, maar dan tegelijk met de populierenlaan, zoodat het nuttige en het aangename samengaan. De landwegen langs den voet der Cordillera's zijn bijna alle met populieren beplant, en men kan zich geen prettiger uitspanning denken dan een rit te paard door die schaduwrijke lanen.

Een typische chileensche hacienda, in uitgestrektheid zoowel als in den aard harer ontwikkeling, is die van Santa Ana te Graneros, bezitting van Senor Don Gregorio Donoso, die er den naam aan gaf van zijn vrouw Anna Foster. Senora Donoso is de dochter van een Amerikaan, den heer Julio M. Foster, die een halve eeuw lang in Chili heeft gewoond en die er trotsch op is, dat zijn schoonzoon op de hacienda de allernieuwste en beste verbeteringen heeft aangebracht. Hij is zeer bemind bij het chileensche volk, trouwde een dame uit Chili en heeft talrijke kinderen en kleinkinderen. Hij houdt van het buitenleven en is nooit gelukkiger dan wanneer hij logeert op de hacienda van Senor Donoso.

Een bezoek aan dit mooie verblijf is een gebeurtenis, die men niet vergeet. Na twee uur rijdens van Santiago zuidwaarts door een uitstekend bebouwde en vruchtbare streek bereikt men het station Graneros, waar een break den bezoeker afhaalt, die dan langs een fraaien, met populieren omzoomden landweg en door het fraaie park van de plaats vóór het bordes van het huis wordt gebracht.

Het huis is een modern landhuis, omgeven door veranda's en overal een prachtig uitzicht biedend. Maar wat het meest hier treft, is het moderne karakter van alle onderdeelen der landbouwonderneming. De verscheidenheid van producten, die er verbouwd worden, is verrassend. Meer dan twee duizend acres (1 HA. = 2.45 acre) is de Santa-Ana-hacienda groot en men zou een halven dag werk hebben, als men om het landgoed heen wilde wandelen. Van het huis rijdt een tram over een smal spoor ongeveer drie mijlen lang door een breede laan van italiaansche populieren, midden door de bezitting loopend en een mooi uitzicht biedend op de velden links en rechts. Van het spoorlijntje gaan zijtakken naar de verschillende velden, om het transport der producten te vergemakkelijken, en het loopt uit op den oever van een rivier, die door de bezitting vloeit.

De tram of spoor sluit aan bij de staatsspoor en zoo is zij een middel, om de producten der farm naar de plaats van inscheping te brengen. Zij vervoert bovendien de arbeiders 's avonds en 's morgens naar hun werk, aldus een uur uitwinnend op den tijd van elken werkman. De tram bedient de voornaamste onderdeelen van het groote landbouwbedrijf. Daartoe behoort bij voorbeeld een groote molen; de stallen zijn keurig ingericht; één heeft o.a. ruimte voor voedering en stalling van veertienhonderd stuks vee.

De silo voor de bewaring van het wintervoêr moet de grootste ter wereld zijn; zij is twintig voet breed, twaalf voet diep en driehonderd-vijftig voet lang. Buiten schapen, varkens en kippen worden op deze hacienda 3000 stuks vee gehouden.

De melkerij is een der belangwekkendste onderdeelen. Zij is gevestigd in een schuur, die ruimte biedt voor duizend koeien. Daar wordt gemolken, en de melkkannen worden door de trams meegenomen naar de boter- en kaasfabrieken, waar het altijd druk en levendig toegaat. Ten behoeve der fabriek is er een ijsmachine, die dagelijks twee tonnen ijs levert, een voldoend bedrag voor de behoeften der hacienda en nog in den zomer voor de liefhebbers uit de stad en de hospitalen aldaar.

De talrijke gebouwen en velerlei reparaties, die telkens noodig zijn, leggen beslag op den arbeid van een timmerwinkel, een houtzaagmolen, en overal waar er machines in gebruik zijn, worden die door electriciteit gedreven. De elektriciteit wordt verkregen door waterkracht op twee mijlen afstands. Ook het huis wordt electrisch verlicht.

Bij feestelijke gelegenheden maakt het prachtige landhuis den indruk van een stadspaleis in een schitterend verlicht park. De vreemdeling, die op school heeft geleerd, dat Chili op sociaal gebied nog weinig beteekent, vindt het bijna ongeloofelijk, dat een boerderij, mijlen ver het land in, zooveel moderne gemakken en nieuwerwetsche vindingen toepast. Senor Donoso is voornemens, de geheele hacienda electrisch te verlichten, zoodat het boerenwerk, zoo noodig, onafgebroken dag en nacht kan voortgaan. Al de gebouwen zijn op dit oogenblik reeds voorzien van geleidingen, zoodat men de electriciteit er kan brengen, als het verlangd wordt.

Melken geschiedt bij electrisch licht en het is belangwekkend op te merken, hoe systematisch alles wordt verricht. Besproeiïng en bemesting van den grond hebben plaats met de grootste zorg en volgens de allernieuwste opvattingen, in de landbouwwetenschap bereikt. Uit alles blijken des eigenaars groote gaven voor den landbouw en zijn helder inzicht in de vooruitzichten, die zulk een hacienda biedt en die in geen ander bedrijf te bereiken zijn.

De pachters, zes en vijftig in getal, hebben het uitstekend; hun huizen zijn geriefelijk ingericht met een acre tuingrond erbij, terwijl buitendien ieder pachter nog twee-en-een-halve acre jaarlijks in gebruik krijgt, om voor eigen gebruik groenten te telen, waarbij de patroon, Senor Donoso, hun gereedschap en paarden ter leen geeft.

De eigenaar is niet altijd heereboer geweest, hij heeft gestudeerd aan de universiteit, verwierf den meesterstitel en is civiel-ingenieur; eenigen tijd is hij minister geweest, maar hij geeft aan het landelijke leven de voorkeur boven een politieke loopbaan en is nooit gelukkiger, dan als hij mag experimenteeren met de nieuwste vindingen in landbouwwerktuigen of de moderne ideeën over cultuur en grondbewerking.

Het landgoed Santa Ana gelijkt zooveel op andere van denzelfden aard, dat een beschrijving een juist algemeen denkbeeld geeft van het leven en werken op een typische chileensche hacienda. Niet alle dagen worden er bij harden arbeid gesleten, en er valt nog wel een andere geschiedenis van te vertellen, dan alleen die van materiëelen voorspoed. In die gelukkige landhuizen kan men tooneelen bijwonen van vroolijkheid en zorgelooze uitgelatenheid, die veel hartelijker gemeend worden opgevoerd dan eenig vermaak of wat ervoor doorgaat in de overvolle deftige salons der stad.

Het mooie landgoed Lo Aguila, dat dichtbij het spoorwegstation van Hospital gelegen is, verwierf zich naam door de prettige partijen, die er van tijd tot tijd uit verren omtrek de menschen samenbrengen. De hacienda van Senor Letelier te Aculeo is een der meest gezegende uit het oogpunt van landschappelijk schoon, en alles is er zoo goed ingericht, dat men haar wel eens de modelhoeve van Chili noemt.

Het is gebruik onder de families van deze landgoederen, samen uitstapjes te paard te maken, dikwijls om van de eene hacienda aan de andere een bezoek te brengen, en menigmaal kan men een vroolijke cavalcade de hekken der plantages zien binnenrijden. De kleeding der heeren heeft iets eigenaardigs; zij dragen namelijk buiten een manta of shawl van heldere kleur, die aan zoo'n gezelschap een levendig aanzien geeft.

Die manta is een echt chileensch kleedingstuk, kleiner en zwaarder dan de poncho uit Argentinië, en in den regel niet van franjes voorzien, zooals de reeds genoemde poncho, maar geboord met lint van een andere kleur. Enkele manta's worden gemaakt van ongeverfde vigognewol van de vicuna-lama, gesponnen tot een draad, die bijzonder fijn en toch sterk is; andere zijn geweven in vele kleuren met strepen van rood, blauw en geel.

De manta heeft geen naden; er is in 't midden een opening in voor het hoofd, en het kleedingstuk kan aan den hals nog worden bevestigd met knoopen, ofschoon het meestal zoo gedragen wordt, als het over het hoofd is aangetrokken met een open gedeelte aan den hals.

Vele der manta's zijn waterdicht, en ze moeten bij het rijden bijzonder gemakkelijk zijn. De administrateur van een groote hacienda kan vaak zijn menschen op grooten afstand aan hun manta's onderscheiden. Op enkele hacienda's is het de gewoonte, dat de administrateur op Zondagmorgen de hoofden der verschillende afdeelingen bij elkaâr roept, om hun het noodzakelijke werk voor de volgende week aan te wijzen en ook om nota te nemen van klachten of gewenschte veranderingen of eenige zaak, die met de routine der groote onderneming verband houdt. Nadat aan dien plicht is voldaan, zijn de employé's vrij en kunnen het overige van den dag doorbrengen, zooals zij willen.

De feestelijkheden van een vrijen dag worden op een hacienda bijna altijd opgeluisterd door den geliefden dans, de Zamacueca. Het groote aantal landgoederen in Centraal Chili van dezen aard bewijst wel, dat de Chileen zijn bronnen van geluk liefst zoekt in de natuur, en het pleit voor het nationale karakter, dat zooveel menschen het buitenleven aantrekkelijk en aangenaam vinden en het grootste deel van het jaar liever op hun landgoed zijn dan in hun huis in de stad.

De streek rondom Santiago, vooral zuidwaarts langs de spoorlijn, die de hoofdstad met Concepcion verbindt, vertoont overal van die mooie landhuizen op waardevolle gronden. Graneros is het spoorwegstation voor vele hacienda's, gelijkend op die van Senor Gregorio Donoso, en er zijn vele andere in de buurt der tusschenliggende stations, Hospital, Buin, Linderos, Guindos, Nos en San Bernardo.

Het is gewoonte, aan elke hacienda een eigen naam te geven: de omgeving wordt veelal bij dien naam genoemd, eerder dan bij den naam van het spoorwegstation of de nabijgelegen stad. Lo Hermida, het mooie huis van Senor Don Belisario Espinola; Santa Ines, het eigendom van Senor Don Salvador Izquierde; San Isidro, het landgoed van de familie van Senora Dona Maria Luisa Mac-clure de Edwarts; en hacienda Limache, waar Senora Dona Sofia Cox de Eastman haar uitgebreide gronden heeft, zijn namen, die even goed bekend zijn als de meest gewone adressen in de hoofdstad. Hacienda Limache wordt bestuurd door de zoons van Senora Eastman en onderscheidt zich door een melkerij met toebehooren, zoo groot als er geen andere in Chili is, waar alle moderne vindingen worden toegepast, en die dan ook voor een groot deel in de behoeften der stad Valparaiso voorziet.

Die melkerij is een onderneming van Senor Don Tomas Eastman, die een kantoor in Valparaiso heeft met depôts, van waar dagelijks bijna twee duizend gallons melk worden afgeleverd. Het tooneel, dat die hacienda in den vroegen morgen aanbiedt, is bijzonder levendig. Van twee tot zes uur wordt er bij kunstlicht gemolken, en daarna wordt de melk in kannen per spoor vervoerd naar Valparaiso op dertig mijlen afstands, om er door een staf van beambten te worden in ontvangst genomen, die de melk wegen en in de wagentjes en kannen voor de aflevering gereed maken.

Ook boter maakt men op die hacienda, maar melk is hoofdzaak, omdat het gebleken is, dat voor farms dichtbij een dichtbevolkte plaats de melkleverantie het meeste voordeel oplevert. De onderneming neemt nog steeds in bloei toe, en Senor Eastman denkt zijn zaken uit te breiden door de hacienda's San Isidro en El Cajon de San Pedro, die hij gekocht heeft, ook op dezelfde wijze te exploiteeren. Het is opmerkelijk, dat zooveel rijke menschen in Chili ernstig hun aandacht wijden aan de ontwikkeling van hun landgoederen, en het jongere geslacht vertoont minder neiging tot geldverteren door weelderig buitenlands te leven, dan het geval is in andere landen, waar het geld gemakkelijk is verdiend en van vader op zoon is overgegaan. Senor Tomas Eastman, ofschoon een jongmensch van rijkdom en aanzienlijke familie, die, zoo hij wilde, een leven van nietsdoen en amusement kon leiden, is een der energiekste werkers en tracht niet enkel zijn eigen goederen te verbeteren, maar ook den standaard van landbouw en veeteelt in Chili in 't algemeen te verheffen.

Bijna elke hacienda heeft haar specialiteit. Op de eene is het de teelt van graangewassen; op een andere de melkerij, en weer op een andere de teelt van mooie koeien en paarden. Op de hacienda's van Ucuquer en La Pena in de provincie Quillota richtte men in 1879 een farm in voor de productie van Durhamsch vee. De resultaten waren zoo gunstig, dat de tegenwoordige eigenaar van deze bezittingen, Senor Don Carlos Hopfenblatt, aan de verschillende hacienda's van het land jaarlijks honderden mooie dieren levert, en er bestaat geen enkele reden, om in het buitenland voortaan echt Durhamsch vee te koopen.

Van geheel anderen aard is de specialiteit der zeer uitgestrekte hacienda Santa Ines te Nos, eenige mijlen ten zuiden van Santiago aan den spoorweg. De bezoekers van dit prachtige landgoed stappen uit den trein; een particuliere tram, die bij de hacienda Santa Ines behoort, wacht, om hen naar hun bestemming te brengen op vele mijlen afstands. De tram rijdt door een streek vol afwisseling, langs weiden en langs het riviertje, dat het landgoed van water voorziet; dan door zware lanen van populieren tot vlak bij den ingang van het huis, waar een breede veranda, omhangen met wilden wingerd, aan ideale rust doet denken. Overal valt het oog op groote, hooge boomen, mooie struiken en velerhande bloemen. Door lanen van ceders en dennen brengt men u naar den kweektuin, waar duizenden jonge plantjes staan, gereed om vervoerd te worden, zoodra ze groot genoeg zijn voor de markt. Tuinbouw is hier hoofdzaak en op Santa Ines van Senor Don Salvador Izquierdo wordt groote aandacht gewijd aan wat de wetenschap daaromtrent leert. De hier gekweekte chrysanthemums zijn buitengewoon groot, en men kan er bijna elke bestaande variëteit bewonderen. Rozen, anjelieren, violieren groeien er in overvloed en van de edelste variëteiten.

Het drogen van vruchten is een industrie, die in Chili steeds in omvang toeneemt, en ofschoon in elke streek de methode weer verschilt, toch bewijzen de resultaten, dat het een winstgevende bron van inkomsten is. Op de hacienda's in het Elqui-dal worden druiven, perziken en andere vruchten machinaal gedroogd, en in het centrale dal, waar de zomers heet en regenloos zijn, worden de vruchten in de zon behandeld en verliezen daardoor haar vochtgehalte.

Het leven is druk op een chileensche hacienda, maar het heeft groote bekoring en aantrekkelijkheid, waartoe het heerlijke klimaat niet weinig meewerkt. De chileensche landheer is een toonbeeld van athletische mannelijkheid; hij rijdt veel paard en zou die sport niet kunnen ontberen. Dikwijls hebben jachtpartijen plaats, die soms een week duren en die in het Andesgebergte, nog ten deele ongeëxploreerd terrein, iets zeer opwekkends hebben. Vaak vergeet men het wild, om de streek zelve te onderzoeken. In het laatst van 1904 ging een jachtgezelschap in de hoogere deelen van de Andesketen een expeditie ondernemen. Men kwam van een der hacienda's bij Santiago, en na allerlei stoute klimpartijen en ongewone avonturen ontdekte een deel van het gezelschap een meer van twintig mijlen in omtrek; dertien duizend voet ongeveer hoog gelegen, een meer, waar geen enkel aardrijkskundig werk melding van maakt, en dat zich in den krater van een uitgedoofde vulkaan scheen te bevinden. Er was veel wild, ganzen en eenden in overvloed; ook zag men er flamingo's. Een der heeren nam verscheiden photografieën van de plek, en toen de expeditie huiswaarts keerde, had zij de voldoening van den gelukkigen jager, gevoegd bij die van den met succes werkenden ontdekker.

Op vele der hacienda's kan men in de riviertjes en meertjes heerlijk visschen en bootje varen; groote zwembassins met moderne geriefelijkheden zijn voor het gebruik der familie ingericht en verschaffen de prettigste gelegenheid voor een koele onderdompeling.

Veel oude spaansche namen treft men aan onder die der eigenaars van hacienda's, maar eveneens komen buitenlanders er op voor, met name vrij wat Engelschen. Een der rijkste hacienda-bezitsters, Senora Dona Juana Ross de Edwards is de dochter van engelsche ouders. Haar goederen zijn enorm winstgevend; maar een groot deel der opbrengst wordt voor liefdadige doeleinden besteed. Een familie Swinburne, nauw verwant met den engelschen dichter van dien naam, heeft al drie geslachten lang in Chili gewoond, meestal op de hacienda.

Een leger van arbeiders is op zulk een landgoed werkzaam. De administrateur leidt de geheele inrichting, en onder hem staan capataces of opzichters, die toezicht houden op de gewone landarbeiders. De guaso uit Chili is een type, dat veel gelijkt op den gaucho uit Argentinië en den cowboy van Noord-Amerika. De werklieden leven zeer eenvoudig; mote of gekookte maïs is hun hoofdvoedsel; maar op feestdagen nemen zij hun kans waar. Vooral de verjaardag van den patroon wordt luisterrijk gevierd.

Wie van het buitenleven houdt, ziet op zoo'n hacienda een aardige vereeniging van winstgevend werk en gezond levensgenot, en het is onmogelijk, zich een juist denkbeeld te maken van het chileensche volkskarakter, zonder de Chilenen te zien in de meest representatieve van alle chileensche woningen, de hacienda.

DOOR OOST-PERZIË

Reis van Majoor Percy Molesworth Sykes, Consul-Generaal van Engeland te Khorassan.

I

Aankomst te Astrabad.--Vroegere belangrijkheid der stad.--Het land der Turkomannen.--Mesjed, zijn moskee en zijn handel.--De Loetwoestijn.--Op den weg naar Kirman.

Perzië heeft altijd een groote bekoring uitgeoefend op mijn geest. Ik had lang in Indië gediend, zonder gelegenheid te hebben, er een bezoek aan te brengen. Het werd Januari 1893 eer ik, na mijn Kerstvacantie in Engeland te hebben doorgebracht, mijn plan ten uitvoer brengen kon en een reis door Perzië kon maken, om te Boesjir de boot, die mij daar wachtte, te bereiken.

Uit Engeland komend, was ik per spoor over Weenen naar Odessa gereisd, waar ik mij naar Batoem inscheepte; van Batoem naar Bakoe volgde ik de bekende transkaukasische lijn. Daarna scheepte ik mij te Bakoe in, niet voor Enzeli en Resjd, wat de gewone weg is, maar voor Bandar-Gaz.

De stoomboot op de Kaspische Zee moest eerst stoppen te Oezoen-Ada, toen nog uitgangspunt van den transkaspischen spoorweg. Na een ruwen overtocht, waar een heele dag mee heenging, voeren wij langzaam het smalle kanaal binnen, waar een voor anker liggend schip ons waarschuwde, voorzichtig te zijn, en ofschoon wij slechts negen meter diepgang hadden, moesten wij voortdurend van den oever afhouden, om niet vast te raken. De ondiepe zee was bedekt met een dun laagje ijs. In elk opzicht leek Oezoen-Ada mij een zeer slechte basis voor een spoorweg. Dus vernam ik dan ook een jaar daarna met genoegen, dat Krasowodsk, veel dichter bij de open zee en in 't bezit van een diepe haven, ten slotte gekozen was, om Oezoen-Ada te vervangen.

Wij verlieten met moeite het nauwe toegangskanaal en wendden den steven zuidwaarts, om na vijftien uren de russische grensstad Tsjitsjikar te bereiken. De aanlegplaats is bijna buiten het gezicht der stad; dus kon ik er geen bezoek aan brengen. Maar er is niet veel te zien, en zij heeft geen beste reputatie, wat betreft den bodem en het klimaat. Door Astrabad staat Tsjitsjikan met het telegraafnet van Perzië in gemeenschap; maar de transkaspische spoorweg heeft aan dezen militairen post al zijn belangrijkheid ontnomen.

Toen wij onzen weg naar het zuiden vervolgden, zagen wij al spoedig, hoe het klimaat snel veranderde. Na het dejeuner bevonden wij ons tegenover het russische marine-station Asjoer-Ada, en vóór ons lag, in dichte nevelen gehuld, Iran.

De Asjoer-Ada-eilanden maken deel uit van een zandbank, door den noordenwind gevormd, die de heerschende is in deze streken. Daarachter breidt zich een wijde lagune uit, Murdal of dood water geheeten, waarin zich veel rivieren uitstorten, die alluviale aanslibbing aanvoeren. Men treft veel van die lagunen langs de kust aan; die van Enzeli is het meest bekend; maar de baai van Astrabad, om ons te bedienen van den naam die gewoonlijk op de kaarten staat, is het diepst. De stoombooten kunnen er tot vlak aan de kust komen en zijn niet genoodzaakt te lossen vóór de zandbank, zooals te Enzeli.

Asjoer-Ada, dat een verschrikkelijk ongezonde post moet zijn, werd in 1858 door Rusland bezet, toen men besloot een eind te maken aan de zeerooverijen van de Turkomannen. De regeering van den czar is herhaaldelijk uitgenoodigd, zich terug te trekken van de plek, die, in strikten zin genomen, nog perzisch grondgebied is; maar zoo zij aan dien wensch gevolg gaf, zou de zeerooverij maar al te spoedig weer het hoofd opsteken. Daar tengevolge van het tractaat van Gerlistan de perzische vlag niet over de Kaspische Zee mag waaien, wordt alle politie daar uitgeoefend door de groote mogendheid van het Noorden.

Drie aanlegplaatsen waren bij het eiland aangebracht, 'twelk zoo smal is, dat het schuim der golven er bij slecht weer overheen vliegt. Na een langzame vaart door de stille en rustige lagune, legden wij aan bij een vuurtoren tegenover Bandar-Gaz. Wij namen onze bagage bijeen en werden in een roeiboot overgebracht naar een havenplaatsje in een treurigen staat van verval. Tegen het vallen van den avond bevonden wij ons op perzischen grond, bestaande uit dikke, glibberige modder.

Ik had geen voorkeur, waar wij zouden heengaan; maar Joessoef Abbas, een geleerde Pers, dien ik te Odessa aan mij had verbonden, en die meer gereisd moet hebben dan iemand van zijn leeftijd, zei, dat we zouden kunnen logeeren bij een ambtenaar van de telegraaf. Deze ontving ons inderdaad zeer vriendelijk en ik kon weldra ten zijnent genieten van een echten pilaw, het perzische gerecht bij uitnemendheid.

Bij dag kwam Bandar-Graz mij als een zeer melancholiek plaatsje voor. Er is zooveel slijk, dat een paar stelten van nut zouden kunnen zijn. De hutten van boomstammen zien er vuil en ellendig uit.

Mazanderan, de perzische provincie die met Ghilan de zuidkust van de Kaspische Zee inneemt, is een belangrijke provincie, al was het maar om het sprekend contrast, dat zij maakt met de andere deelen van Perzië, of zelfs met de andere districten aan de binnenzee gelegen. Als men uit de lagune komt, waar men veel rottende planten ziet, heeft men eerst een strook jungle van afwisselende breedte, dicht struikgewas, waar het van allerlei insecten, vooral muskieten, krioelt, die er in den zomer iemand het leven ondragelijk maken. Het heet ook, dat er nog veel tijgers zijn, maar het gebeurt niet dikwijls, dat er een geschoten wordt.

Als men de bergen heeft bereikt, verandert het land plotseling van aanzien, en de reiziger kan zich in Kaschmir verplaatst wanen. Hij vindt er dezelfde boomen en weiden, en hooger de kale hellingen der bergen. Een prachtig soort van hert komt, evenals daar ook hier veelvuldig voor.

De bewoners der provincie Mazanderan hebben een geelachtige, ongezonde gelaatskleur, maar ze zijn niet klein of lichamelijk slecht ontwikkeld, zooals men verwachten zou in dat arme land. Zij kleeden zich in wol en voeden zich met rijst, die ze in groote hoeveelheden tot zich nemen. Het is een gelukkig volkje, en ik ontmoette niemand, die het land zou willen verlaten; zij kunnen in andere streken van Perzië niet aarden.

In twee dagen bereikten wij Astrabad langs een zeer slechten weg. De zon ging onder; wij kwamen de stad binnen door een ingang zonder poort en zonder bewaking, en het eerste wezen, waar ons oog op viel, was een jakhals. Eindelijk zagen wij een man in de verlaten straten. Hij bracht ons op de vriendelijkste manier naar het huis van Mirza Taki, den engelschen agent, waar wij de groote voldoening smaakten, droge kleêren te kunnen aantrekken. De vereeniging van vocht en koude is zeer onaangenaam, om niet te zeggen gevaarlijk in het Oosten, nog meer dan elders, en ik gevoelde mij gelukkig, dat ik zonder slechte gevolgen de streek van de koorts was doorgekomen en een der bekendste steden van Perzië had bereikt.

Astrabad, dat in den bloemrijken stijl van het Oosten Dar-ul-Muminin, dat is de Woning der Geloovigen heet, is voor zoover men kan nagaan, geen oude stad, hoewel de plaats volgens de legende gesticht is door Nosjirevan, met geld, gegeven door Azad Mahan, gouverneur der Keronans. Voor Engeland is de stad buitendien interessant om de mislukte poging, in de 18de eeuw gedaan, om er een engelsch-perzischen handel te vestigen.

In het begin der 19de eeuw heeft men zich van het belang van Astrabad te veel voorgesteld. Napoleon en czar Paul I hadden het plan gevormd, langs dien weg een aanval te wagen op Britsch-Indië. Het werd weer opgevat door Rusland tijdens den Krim-oorlog; maar zoowel in het eene als in het andere geval zou de uitvoering zeker op een noodlottige ramp zijn uitgeloopen.

Thans heeft de transkaspische spoorweg het stadje alle gewicht ontnomen, ofschoon bij een aanval op Perzië uit het Noorden de bezetting van Sjahroed, na de verovering van Astrabad, de hoofdstad zou afscheiden van Medsjed.

Astrabad beslaat nu misschien de helft van de oorspronkelijke oppervlakte, en er wordt mij gezegd, dat de bevolking niet meer dan tien duizend zielen bedraagt. De meeste straten zijn geplaveid, waarschijnlijk door shah Abbas, en de huizen zijn van natuursteen of van gebakken steen opgetrokken met daken van roode pannen, wat een vroolijk gezicht geeft zelfs in den winter; daar op de muren overal bloemen zijn geplant, moet het er in het voorjaar aardig uitzien. Er zijn in de stad veel zeepfabrieken; potasch wordt er bereid uit planten van den oever der rivier. Ook kruit wordt bereid in Astrabad, maar dat is dan ook alle plaatselijke industrie.

Er begon veel sneeuw te vallen, een zonderling gezicht, terwijl de oranje-appels aan de boomen hingen. Ik vertrok op de jacht, hopende dat de sneeuw de herten uit de bergstreken naar beneden drijven zou. Ik zag er niet één, hoeveel moeite ik mij ook een heele week lang gaf. Daarentegen zag ik wel veel wilde zwijnen, en ik doodde er een, om mijn nieuw geweer te probeeren.

Toen ik te Astrabad terugkeerde, waren de toebereidselen voor mijn bescheiden expeditie in het turkmeensche land afgeloopen, en ik begaf mij in noordelijke richting op reis. Terwijl het woud bijna den zuidkant der stad bereikt, is het land in 't noorden vlak en open en veelal bebouwd. Na door een paar gehuchten te zijn getrokken, bereikten wij de Kara Soe of Zwart Water, een rivier met langzaam stroomend, slijkerig water. Er ligt een brug over naar het land der Turkomannen. Enkele mijlen trokken wij voort door een zeer vruchtbare vlakte en kwamen toen aan de oevers der Gurgan, een rivier, waarvan de naam denzelfden wortel heeft als het woord Hyrcanië. Een tweede brug, even stevig als de eerste, ligt bij het fort Akkala of het Witte Fort, een oude plaats van de Kadjaren, waar nog een garnizoen is en die er indrukwekkend uitziet. Wij gingen den stroom niet over, maar trokken langs den linker oever, om zoo te komen in het kamp van Moesa khan, hoofd der Ak-Atabai, voor wien ik een brief had van kolonel Stewart.

Om u een alasjoek of Turkomannen-woning voor te stellen, moet ge denken aan een kring van omgebogen takken, min of meer in den vorm van een bijenkorf en zoowat twintig voet in diameter; zwart vilt is over alles heen getrokken, en het resultaat is een beweegbaar huis, dat ten minste als het koud weêr is, de voorkeur verdient boven een tent. Binnenin wordt het hebben en houden van den eigenaar bewaard in reuzenpakken, terwijl de karabijn van den heer des huizes binnen het bereik van zijn hand is. Stukken tapijt bedekken de reten en spleten van het vilt, en als er vuur brandt op den open haard, kan men zich comfortabel voelen in zulk een verblijf. Alleen de rook blijft een groot bezwaar. Ieder kamp werd bewoond door een aantal gezinnen tusschen tien en dertig. Zij brengen zoo vijf maanden door ten zuiden van de Gurgan, halen hun oogst binnen en laten daarna weer hun kudden weiden dichtbij de Atrek.

Men kan als vaderland der Turkomannen beschouwen een strook gronds, die beginnend bij de baai van Astrabad doorloopt tot het punt, waar de drie staten Rusland, Perzië en Afghanistan samenkomen.

Hun eerste belangrijk optreden in de geschiedenis dagteekent van de 12de eeuw, toen zij sultan Sandjar van den troon stieten. In de 19de eeuw gaf Shah Abbas bij zijn troonsbestijging aan talrijke koloniën van Koerden grondgebied in die streken, wat een slag was voor de turkmeensche roovers; maar zij bleven tot hun definitieven val, na de inneming van Khiwa en van Merw, een ware plaag voor Perzië. Men kan daar goed over oordeelen, als men, zooals ik, vroegere gevangenen van hen heeft gezien en gehoord heeft wat zij hadden te verdragen, te meer daar bij de natuurlijke wreedheid der Turkomannen zich de haat voegde van de Sunnieten tegen de Sjiïeten. De heer Vambéry heeft mij verteld, dat, hoewel hijzelf tijdens zijn gevangenschap aan de Atrek heel goed werd behandeld, hij getuige moest zijn van allerlei tooneelen, die hem de Turkomannen deden verfoeien.

Zeer tegen mijn zin was Moesa khan voor den nacht naar Astrabad gegaan. Ik maakte van den dag, dien ik wachtende moest doorbrengen, gebruik, om de ruïnen van de stad Kizil-Alan te gaan zien. Er zijn ook verschillende hoogten, die verspreid in het dal der Gurgan liggen, waar door reizigers veel onderzoekingen zijn gedaan. Enkelen hebben er reeksen van seinposten in willen zien. Het is eenvoudiger, te veronderstellen, dat het ruïnen van dorpen of steden zijn. Wij kunnen er niet meer van zeggen, vóór men systematische opgravingen zal hebben gedaan. Dan zal een rijke oogst de exploratie van het oude Hyrcanië beloonen.

Zoodra hij was aangekomen, liet Moesa khan mij door Joessoef weten, dat hij het niet op zich durfde nemen, mij door het turkmeensche land te laten gaan. Ik kon er zeker van zijn, te worden gedood of bestolen, en hij zou er door de perzische regeering voor aansprakelijk worden gesteld. Het kostte mij zeer veel moeite, hem op zijn besluit te doen terugkomen. Eindelijk, na verloop van drie dagen, gaf hij toe op de bedreiging, dat zijn naam van gezaghebbend hoofdman er in Europa onder zou lijden, en zoo beloofde hij, mij een geleide te bezorgen tot de Atrek. Drie bloedverwanten van hem zouden mijn verdere reis organiseeren.

Dus scheidde ik van mijn gastheer op de plek, waar wij de Gurgan over moesten trekken, en wij trokken noordwaarts door de besneeuwde steppe. Eerst was die geheel vlak, maar bij het naderen van de Atrek gingen wij over een keten van lage bergen, bekend onder den naam Kara-tapa of Zwarte heuvels. 's Avonds bereikten wij in een sneeuwstorm een kamp van den stam der Atabaï, waar wij den nacht doorbrachten. Die stam telt ongeveer twee duizend gezinnen in Perzië en duizend in Rusland. Wij zetten toen den tocht langs de Atrek voort onder het geleide van een turkmeenschen mollah, Hak Nafas, die niet erg zeker van zijn zaak was. Ik vernam van Joessoef, dat het een roover was, die niet viel te vertrouwen.

Vóór hij van ons wegging, had hij op fluisterenden toon een gesprek gevoerd met enkele mannen van ons gevolg, 's Avonds van dien dag, toen wij de rivier waren overgegaan, kampeerden wij bij een groep van vijf tenten. Wij kregen niet als gewoonlijk een uitnoodiging om binnen te komen in de alasjoeks, en het viel niet moeilijk, uit een en ander op te maken, dat men iets tegen ons in den zin had. Ik barricadeerde dus mijn tent en bleef wakker, wat niet al te moeilijk was, aangezien ik gekweld werd door hevige kiespijn. Tegen middernacht kwamen de Turkomannen op onze tent af, kruipend en met geladen geweren. Toen ze op vijfhonderd meters afstands waren, ging Joessoef zeer beleefd naar hun gezondheid informeeren. Waarop zij, zonder een woord te zeggen, verdwenen. Wij belaadden onze muildieren vóór zonsopgang, en Joessoef, die al dien tijd zich kranig en dapper hield, sprak de dieven in partibus, die bij ons gebleven waren, krachtig toe en verweet hun de schending van de wetten der gastvrijheid, hen dreigend met allerlei verschrikkelijke straffen. Ten slotte verdwenen zij ook en lieten ons met rust. Denzelfden dag waren wij bijna overvallen door onze gidsen van den vorigen dag, die ons op den anderen oever van de Atrek volgden. Maar zij trokken zich terug, waarschijnlijk overtuigd, dat de Sahib machtige beschermers hebben moest, en dat hij anders zich ook nooit in deze streken zou hebben gewaagd.

Te Aksjanim, beneden een kloof, waar de Atrek door vloeit, kwam ik op het grondgebied van de Goklan-Turkomannen. Dit was de eerste plek, waar mij een vriendelijke ontvangst bereid werd. Mijn gastheer, Mustapha Koeli, was in 1874 verbonden geweest aan de zending van den Honorable G. Napier naar de Gurgan.

Wij passeerden daarna langs een zeer sterke helling den doorgang, die bekend is onder den naam Hanaki-pas; de top is 1020 M. hoog. Van daar deed het dal, dat wij juist waren doorgegaan, zich voor als een reliëfkaart; op den achtergrond verhief zich de Sonar Dagh. Overal om ons heen waren sneeuwvelden, en de wolken dreigden met nieuwen voorraad. Dus haastten wij ons, en toch was het maar even vóór zonsondergang, dat wij het fort Amend, waarvan niet veel meer dan een puinhoop over is, bereikten. Er waren enkele tenten der Toktimasj omheen gegroepeerd.

Den volgenden dag ging het met moeite door het dal der Insja, om daarna weer over een pas te trekken en den daarop volgenden dag bereikten wij in een bebouwde streek en op den weg van Astrabad naar Boesjnoert het dorp Semalgan, waarschijnlijk Samangan van sjah Nameh, een der talrijke dorpen, die aan de Koerden behooren. Onnoodig te zeggen, dat ik blij was, het land der Turkomannen achter mij te hebben, maar ook dat het mij aangenaam was, een blik te hebben mogen werpen op hun gewoonten en hun denkbeelden, wat mij nooit zou zijn gelukt, als ik met een uitgebreid escorte had gereisd.

De Koerden ontvingen mij vriendelijk. Zij hadden nog veel herinneringen bewaard van kolonel Napier. Maar ik werd er een weinig verlegen mee, dat ik na hem dit bezoek aflegde; hij had edelmoedig geschenken uitgedeeld en ik trok door met ledige handen.

Over den Halinurpas gaand, die door een hooge bergketen een weg opent, kwamen wij eindelijk in het stadje Boesjnoert. Ik werd er zeer vriendelijk door den gouverneur ontvangen, die mij geluk wenschte met het ongedeerd volbrengen van zulk een gevaarlijke reis. En inderdaad, nu eerst begon ik mij rekenschap te geven van de gevaren, die ik had geloopen. Kolonel Yate, die een jaar later met zeventig man door deze streek trok en een gewapend geleide bij zich had, noemt haar "het meest woeste en onafhankelijke gedeelte van het gebied der Turkomannen, waar de Perzen geen voet durven zetten."

De provincie Khorassan, die wij nu pas hadden betreden, ligt in den noord-oosthoek van Perzië; de naam beteekent Land der Zon. Zij besloeg vroeger een verbazende uitgestrektheid; ze strekte zich van de Kaspische Zee tot Samarkand uit en zuidelijk tot de grenzen van Sind. Tegenwoordig reikt zij van den transkaspischen spoorweg in het Noorden tot Seïstan in het Zuiden en van Afghanistan in het Oosten tot Astrabad in het Westen. De oppervlakte is door lord Curzon geschat op 375,000 tot 435,000 vierkante kilometers.

Op den avond van mijn aankomst legde ik een bezoek af bij den Saham-u-dola, een hoofd, dat hoog in aanzien stond. Ik zei hem eerst niet, dat ik een officier was, die voor mijn genoegen reisde; maar toen ik bemerkte, dat hij in mij een deelgenoot zag van de een of andere bijzondere zending, vertelde ik hem de waarheid. Hij geloofde mij niet, natuurlijk. Een Oosterling reist nooit anders, dan om geld te verdienen of als pelgrim.

Boesjnoert is een stadje van misschien tien duizend inwoners. Er is maar één lange straat; de plaats is door een telegraaflijn met Mesjed verbonden, en er gaat wekelijks een post tusschen beide steden. De straat is vol winkels, waar men russische samovars en manchestersch katoen ziet. Ik kocht er drie turkmeensche tapijten voor ongeveer zeven pond. Een goed gesternte had mij bij den koop geleid, want ze waren in Engeland vier- of vijfmaal die som waard.

Daar drie dagen voldoende bleken, om alle merkwaardigheden van Boesjnoert te bekijken, huurden wij versche muildieren en gingen op weg naar Koetsjan. Door de Mesjedpoort vertrokken, reisden wij langs de oude stad, waar nog slechts ruïnen van over zijn en daalden af naar de Atrek. Onder de vele dorpen, waar wij doorheen trokken, hadden enkele vierkante torens, gelijkend op die van engelsche kerken; overal was welvaart te bespeuren, veel meer dan wij hadden gevonden in het door de natuur rijker bedeelde district Astrabad. Den volgenden dag gingen wij over een in goeden staat zijnde brug, en bij Sissah betraden wij het gebied van Koetsjan. Het dal wordt breeder; de grond is zeer vruchtbaar, en de dorpen zijn even talrijk als in sommige deelen van Pendsjab.

Op onzen tocht waren wij getuigen van een nog in wezen zijnd oud gebruik, het huwelijk bij roof. Wij ontmoetten eerst het geleide van een bruid te paard; zij was gekleed in een rijk wit met rood gewaad. Iets verder vonden wij andere ruiters, die bij de nadering der dame een soort van gevecht nabootsten, tot zij een teeken had gegeven, dat zij zich overgaf.

Te Sjirwan kwam ik weer in bekende streken en wel op den weg naar Koetsjan daar, waar een levendige handel wordt gedreven met Geok Tepe, het punt, dat het dichtst bij den transkaspischen spoorweg is gelegen. De Atrek was hier niet veel meer dan een groote beek. Een tocht van 35,000 mijlen door een der vruchtbaarste dalen van Perzië bracht ons te Koetsjan. Het district, waar die plaats de hoofdstad van is, moet als het belangrijkste der drie koerdische districten worden beschouwd; tot in den jongsten tijd was het half onafhankelijk. Nadir Shah werd vermoord in 1747, toen hij een poging deed, het te onderwerpen. De ilkhani is reeds door lord Curzon op amusante manier beschreven; hij is gewoonlijk in een toestand van ontoerekenbaarheid door de uitwerking van opium of alcohol, en men moet hem altijd drie dagen van te voren, een bezoek aankondigen. Ik onthield mij van een visite, daar ik geen tijd wilde verliezen.

Ik vond te Koetsjan een brief van den engelschen consul-generaal te Mesjed, den heer Elias, die zoo vriendelijk was, mij te melden, dat hij mij op een dagreis afstands van de stad een sowar en twee paarden had tegemoet gezonden. Wij namen een wagen, om ons met onze bagage naar de stad te brengen.

Het land was vruchtbaar maar eentonig. Door de strenge vorst was de weg hard en vlak. In den namiddag van den derden dag ontdekte ik een man in de verte, die de sowar bleek te zijn, en in minder dan vijf minuten draafde ik in de richting van Mesjed, terwijl Joessoef in het rijtuig volgde. Vóór ons schitterde op vele mijlen afstands de prachtige vergulde koepel als een vuurzee in de stralen van de ondergaande zon.

Een nieuwsgierige menigte wachtte ons af op de pleinen der stad. Door de Khiaban, de hoofdstraat, iets als het Unter den Linden der plaats, daarna door de kronkelende straatjes, kwamen wij aan het Consulaat-generaal, waar wij hartelijk werden ontvangen. Nu ik twee maanden lang buiten de beschaafde wereld had verkeerd, was ik onuitsprekelijk gelukkig, mij weer in een bevriende omgeving te bevinden.

Mesjed, welks naam beteekent "Graf eens Martelaars", heet zoo, omdat men er het graf vindt van een heilige Reza, den achtsten iman. Zijn monument behoort tot de rijkste en meest bezochte van Azië. De schatten, die er bewaard worden, bestaan niet alleen uit ruime jaarlijksche schenkingen van geld en kostbaarheden, maar het graf ontvangt ook giften en legaten in grond en tuinen, en wel van alle klassen der bevolking. Het is niet toegankelijk voor christelijke bezoekers, een regel, waaraan men zich in Perzië bij vele instellingen houdt. Toch is hij niet steeds in acht genomen, en de spaansche gezant aan het hof van Timoer, Ruy Gonzalez de Clavyo, vertelt, dat hij de moskee te Mesjed heeft bezocht.

Het tegenwoordige heiligdom ligt, naar ik hoor, in het midden tusschen drie groote pleinen. De bouwtrant, de opengewerkte lantaarn en het gouden traliewerk geven er van buiten een ernstige schoonheid aan, geschikt om een diepen indruk op vrome gemoederen te maken.

Mesjed is tegenwoordig een belangrijke stad uit het oogpunt van den handel en de politiek. Van engelsch standpunt gezien, zou het een goede post zijn ter bewaking van westelijk Afghanistan en een bruikbaar entrepôt voor den engelsch-indischen handel. Maar voor Rusland is de post van nog veel grooter beteekenis, daar Mesjed de hoofdstad is van de provincie Khorassan, waarvan Askhabad voor zijn onderhoud afhankelijk is. Zooals men wel kan begrijpen, zijn de bazars voor 't meerendeel gevuld met russische goederen, maar de voorwerpen van engelsche herkomst worden op niet minder hoogen prijs gesteld. Men kan hier een beeld vinden van den strijd tusschen de beide mogendheden, die elkaâr den invloed in Perzië betwisten.

Ten tijde van mijn bezoek werd het ambt van britsch consul-generaal waargenomen door den sedert overleden heer Ney Elias, den deken van een reeks van bekende reizigers in Centraal-Azië. De belangen van Rusland waren toevertrouwd aan den heer Vlassof, die nu een ruimer arbeidsveld gevonden heeft in Abessynië. Zooals dat dikwijls het geval is, hadden hij en zijn secretaris engelsche vrouwen getrouwd, wat voor mij de genoegens van het samenzijn nog grooter maakte. Ik ben nooit ergens vriendelijker ontvangen dan in die kleine maatschappij, de europeesche kolonie van Mesjed. En toen ik dan ook na verloop van een week vertrok, om mij naar Kirman te begeven door de Loetwoestijn, deed het mij innig leed de vrienden te verlaten, van wie ik een week te voren geen enkele kende.

Na het verlaten van Mesjed volgden wij den weg van Teheran naar Sjerifabad. Hij loopt door een golvend terrein en maakt een bocht op het punt, waar de uit het Zuiden komende pelgrims voor de eerste maal den heiligen koepel der groote moskee aanschouwen.

Den tweeden dag na ons vertrek ging het over den Bidarpas, waar wij tot onze groote verbazing een dikke sneeuwlaag vonden. Van dien pas, die bijna 2000 M. hoog is, daalden wij naar een rivierdal. De benedenloop van den stroom heet Kal-i-Sala. Er ligt een pas gebouwde brug over, een vreemd verschijnsel in Perzië.

Na weer door heuvelachtige streken te zijn getrokken, kwamen wij te Turbat, stad van 15000 inwoners, nog op ouderwetsche manier Turbat-i-Haidari genoemd, naar het graf van rooden steen van een beroemd heilige, Kutb-u-Din-Haider. Tegenwoordig gebruikt men meestal den naam Turbat-i-Ichak-Khan, naar een hoofd van de Karaï's, die ter dood gebracht werd nadat hij beproefd had, Mesjed te veroveren aan de spits van een vereeniging van stammen.

Turbat, dat te midden van tuinen ligt, is sinds 1901 een belangrijk russisch centrum geworden; een russisch dokter is er gevestigd onder bescherming van Kozakken voor de gevallen van pest- en cholera-epidemieën. Zijde was oudtijds het hoofdproduct van deze streek, en tegenwoordig begint men weer meer aan die cultuur te doen, hoewel de nawerking der ziekte van de zijderupsen zich nog doet gevoelen.

Na Turbat volgden wij den loop der Kal-i-Sala en moesten dikwijls van richting veranderen. Het was belangrijk op te merken, hoe alle op de kaart aangegeven dorpen verwoest waren, terwijl er in de nabijheid nieuwe gehuchten waren ontstaan, en tot onze nog grootere verbazing was de rivier, die zich naar het Westen wendt, voorgesteld als naar het Zuidoosten stroomend.

Vervolgens reden wij naar Djangal, Bimurgh, Beidukht. Het laatste dorp is bekend als de woning van den groot-murschid van Perzië, een man, die zeer grooten invloed uitoefent, vooral op de kooplieden van Teheran. Zijn naam is Hadji Mullah sultan Alé, hij heeft een mooie school of mederssch laten bouwen, waar hij dagelijksch lessen geeft en preekt. Hij moet ongeveer zestig jaar zijn.

Djouvein, de hoofdstad van het district Gunabad, bestuurd door den gouverneur van Turbat, heeft een bevolking van 8000 inwoners en een kleinen bazar. Men maakt er een soort van aardewerk, zoo grof en zoo leelijk, dat ik geen enkel stuk ervan kon koopen.

De vlakte van Gunabad ligt aan den voet van een bergketen, die van het Zuidoosten naar het Noordwesten loopt, en hier het betrekkelijke hooggelegen land, dat ik doorreisd had, scheidt van de sombere Loetwoestijn, die ik weldra zou betreden. Verder naar het Westen sluit het terrein zich aan bij het noordelijk deel van die woestijn. Na die keten te zijn doorgetrokken, kwamen wij te Toen, een ommuurde stad van 4000 inwoners. Binnen de stad zelf waren veel tuinen, en het algemeene aanzien van de plaats was niet onbehagelijk.

Zoo had ik dan de noordgrens bereikt van de groote woestijn, die ik voor de eerste maal zou doorgaan, en waar ik nog dikwijls zou terugkeeren. Laat ik er een korte beschrijving van geven. Eerst moet ik meedeelen, dat verschillende aardrijkskundigen zonder voldoende reden de groote perzische woestijn verdeeld hebben in twee deelen, een noordelijk, het Dasjt-i-Kavir, en een zuidelijk, het Dasjt-i-Loet. Lord Curzon, die drie afleidingen mogelijk acht van het woord havir, kiest terecht het arabische hafr, dat beteekent "zoutmoeras". Dat woord is nog voortdurend in gebruik in Zuid-Perzië. Wat de uitdrukking Loet betreft, die is stellig afgeleid van Lot, en de gidsen wijzen nog dikwijls in de groote woestijn de Sjahr-i-Loet of "steden van Lot". Zij leggen dan uit, dat de Almachtige ze door hemelvuur verwoestte, juist als de plaatsen, die nu bedolven liggen in de Doode Zee.

Na langdurige onderzoekingen ben ik tot het besluit gekomen, dat de geheele woestijn van Perzië niet anders heet dan Loet (Dasjt-i-Loet is een weinig gebruikte uitbreiding), en dat zij een aantal kavirs bevat, die alle eenzelfde karakter hebben. Ik geef intusschen toe, dat zij talrijker zijn in het Noorden, waar nog het meeste water wordt aangetroffen. Een Pers, in Engeland opgevoed, heeft mij gezegd, dat hij wel den weg Yezd-Pabas had aangewezen gezien op de kaart als het punt, waar twee woestijnen bij elkander komen, maar dat al zijn pogingen, om op de plaats zelve zich te overtuigen van het bestaan eener woestijn Dasjt-i-Kavir, mislukt waren. Dat had zijn eerbied voor de europeesche kaarten aan het wankelen gebracht.

De groote Loetwoestijn breidt zich van de buurt van Teheran tot de grens van britsch Beloetsjistan uit over een lengte van meer dan 100 KM. Het is de oostelijke afhelling van die groote uitgestrektheid, die het dorp Basiran draagt, het hoogste punt op 1400 M. Ik heb het dorp in 1899 bezocht. De gemiddelde hoogte der woestijn is ongeveer 600 M.; de laagste punten bij Khabis liggen ter hoogte van 300 M. Het slechtste gedeelte van de Loetwoestijn is dat tusschen oostelijk Perzië en Khabis, dat in het midden der 19de eeuw door Khemikoff doorreisd werd.

Ziehier wat hij schrijft: "Men zal zich gemakkelijk ons genoegen kunnen voorstellen, dat wij veilig en ongedeerd waren, nadat wij een woestijn waren doorgetrokken, die in dorheid door geen andere in Azië overtroffen wordt; vergeleken bij den Loet, zijn de Gobi en de Kizel-Koem inderdaad vruchtbare weiden. Ik heb den troosteloozen aanblik van de landengte van Suez gezien. Veel gedeelten van die dorre streek schijnen getroffen door dezelfde onvruchtbaarheid als de Loetwoestijn; maar dit karakter is dan nooit over zoo groote uitgestrektheden heerschend."

Gemeenlijk neemt men aan, dat de Loet een oude binnenzee is geweest. Die meening is onder anderen gegrond op het bestaan van een werkzamen vulkaan, te Sarhad, van den uitgedoofden vulkaan Koeh-i-Bazamn, en op veel legenden.

Ik ben ook van oordeel, dat door de moordende oorlogen, waar Perzië onder heeft geleden, de grenzen der woestijnachtige streken uitgebreid zijn. Perzië is een woestijn met dorpen, waartusschen zich enkele bebouwde mijlen uitstrekken en die met moeite door middel van irrigatie worden in stand gehouden. Als er geen water meer is, gaan de dorpelingen heen, en omgekeerd, als de dorpsbewoners gedood zijn, raken de kanalen en waterleidingen verstopt, en de woestijn wordt grooter.

Buiten de Loetwoestijn zijn er gebieden in Perzië, waar men drie of vier dagreizen lang geen enkel dorp ziet. Al die kleine woestijntjes lijken op de groote. Ik moet er bijvoegen, dat, zooals uit alles blijkt, de regenhoeveelheid verminderd is. Oorzaak en gevolg van dat feit is, dat het land zoo goed als in 't geheel geen boomen heeft. De twee groote zaken, waaraan Perzië behoefte heeft, om materiëel een herleving te ondergaan, zijn het water en het woud.

Ik heb de pretentie, die ik meen dat gerechtvaardigd is, dat ik de eerste Europeaan ben, die dit deel van de Loetwoestijn doorkruist heb, hoewel ik op het oogenblik dat ik de zaak in studie nam, meende, dat ik de sporen van Marco Polo volgde. Buitendien biedt de weg, als men de noodige voorzorgen neemt, geen groote moeilijkheden aan, ten minste gedurende zeven maanden van het jaar. Het is de hoofdweg van Kirman naar Mesjed, en bij gevolg wordt hij nu door duizenden reizigers, vooral pelgrims, betreden.

Voorbij Toen sloegen wij de richting van het Zuiden in, en nadat wij de bebouwde streken achter ons hadden gelaten, kwamen we in een district van lage, door de zon verbrande, zwarte heuvels. Alle vier mijlen troffen wij waterreservoirs, bekend onder den naam van hauz en bestaande uit onderaardsche gewelven, waarin men langs trappen neerdaalt. Het water, dat erin is, smaakt gewoonlijk slecht en in droge jaren vindt men er vaak niets in.

Gedurende den tweeden dag zagen wij, terwijl we met moeite door de vlakte voortsukkelden, een keten met besneeuwde bergen, die op geen enkele kaart stond aangeduid. Den dag daarna waren we bij het dorp Dahuk in een inzinking van dat gebergte, dat wel 2700 M. hoog moet zijn en Moer Koesj heet.

De inwoners vertoonden een verbazende nieuwsgierigheid, en geen wonder, want zij zagen voor het eerst Europeanen in hun land. Die belangstelling was nog grooter geworden, daar ze, naar hun zeggen, van pelgrims hadden gehoord, wat voor wonderen de Farangi's konden verrichten en tot stand hadden gebracht, vooral te Bombay.

Dit deel van de Loetwoestijn was veel dichter bevolkt, dan wij gedacht hadden. Wij gingen door de dorpen Arababad en Zenagoen, van waar een vijftig mijlen lange weg ons naar Naïband voerde. Wij hielden stil te Ab-i-Garm, een echte havir maar van een abnormaal type. Het omliggend district werd gedraineerd door het moeras, waarin zich brak water bevond. Er waren veel tamarinden, enkele stuks hoornvee aten van het harde gras en wij schoten eenige eenden.

In den avond verloren wij in een storm het paadje, dat onzen weg verbeeldde. Toen ik bespeurde dat we geen water meer hadden, en daar wij niet wisten hoe ver Naïband nog verwijderd was, ging ik den volgenden morgen bij het aanbreken van den dag er alleen op uit te paard, om mijn gezelschap water te kunnen toevoeren.

Bij een bocht van den weg had ik eensklaps een vizioen van een feeënland. De bergen aan de overzijde waren bedekt met palmboomen, die hun kruinen wiegden op de lucht en waarmee het groene koren de liefelijkste tegenstelling vormde. Op een hoogte stond schilderachtig een oud rood fort. In het bosch van palmen binnentredend, zag ik in alle richtingen waterstroomen. Ruime grotten maakten de omgeving nog aantrekkelijker en mooier.

Ik zond mijn reisgezellen een hoeveelheid water, en weldra kwamen zij ook zelf. Wij sloegen ons kamp op bij den top van den berg, waar wij tusschen de groene palmen de gele woestijn zagen liggen, de brandende Loetwoestijn, die zich tot den horizon uitbreidde. Ik hoorde, dat het dorp Naïband twee eeuwen geleden als vooruitgeschoven post tegen de Beloetsjen gebouwd werd. Wij kwamen nu in het gebied der strooptochten van dat volk.

Daar de muildieren rust behoefden, bracht ik twee dagen door met een onderzoek van het naburig gebergte, dat bijna 2800 M. hoog was. Water vond men er zoo goed als niet.

Onze volgende etappe zou veertig mijlen bedragen. Zij voerde ons door echte steden van Lot, heuvels met steile hellingen, die vizioenen wekten van torens en huizen en menschelijke gedaanten in een schitterenden maneschijn. Wij bereikten dien dag de karavanseraï Darband, bewaakt door een eenzamen soldaat, die zijn kost verdient met het verkoopen van proviand tegen hongersnoodprijzen. Den volgenden dag kwamen we in 't stadje Rawar, dat 8000 inwoners telt en beroemd is om zijn vijgen en granaatappels, terwijl het tevens een middelpunt is van de tapijtindustrie. Te Ab-Bid zagen wij ons plotseling omringd door een bende Arabieren, die, nadat ze bij ons tevergeefs om geld hadden aangeklopt, besloten de karavanseraï te plunderen. Twee mannen kwamen ons dat vertellen en smeekten ons hen te helpen, om hun bezit terug te krijgen. "Heel graag," was ons antwoord, en het was een waar genoegen de bandieten te dwingen het gestolene terug te geven. In het begin trokken ze hun messen, maar het zien van onze revolvers joeg hun schrik aan en ten slotte gaven ze alles af wat ze gestolen hadden.

Ons volgend kamp lag te Hur, een gehuchtje, waar oorspronkelijk enkele soldatengezinnen woonden, die daar waren geplaatst om het land te bewaren voor de invallen en strooptochten der Beloetsjen. Vervolgens kwamen onze etapen van Gwark en Tejen. Vóór we Khabis bereikten, ging de weg door den beroemden pas Kar-i-Sjikan of pas van den Dood der ezels. Een enorme rots sluit hier den weg af, zoodat men alle lastdieren moet ontlasten en hun lichte vrachten moet laten dragen. Een weinig dynamiet zou voldoende zijn, om dadelijk dat euvel te verhelpen.

Het stadje Khabis, waar wij toen aankwamen, heeft ongeveer 8000 inwoners; het brengt uitnemende dadels voort, oranjes, henneh, de veelgebruikte verfstof, en is een druk bezocht winterstation. Het stadje was vele malen in handen der Afghanen, voor de Kadjaren-dynastie in Perzië stevig gevestigd was. De reverend A.R. Blackett van de Church Missionary Society, die als predikant en zendeling Khabis in 1900 heeft bezocht, vertelt mij, dat hij er de ruïnen heeft gevonden van wat waarschijnlijk een christelijke kerk was, onder een groep gebouwen een mijl ten oosten van de plaats.

Vóór wij te Kirman kwamen, moesten wij nog de Koehpara-keten passeeren over een hoogen pas; we kampeerden in het dorpje Amarestan en bereikten den volgenden morgen de Kirman-vlakte. Het aanzien der oude, perzische stad is niet zeer indrukwekkend, alles is er khaki-kleurig. Langs enkele tuinen en huizen buiten de muren, traden wij voor 't eerst Kirman binnen, zonder dat ik vermoedde later zooveel met die stad uit te staan te zullen krijgen.

II

De provincie Kirman.--Aardrijkskunde: de flora, de fauna, het bestuur, het leger.--Geschiedenis: invallen en verwoestingen.--De stad Kirman, de hoofdstad der provincie.--Een seizoen op het Sardoe-plateau.

De provincie Kirman is altijd belangrijk geweest sedert haar eerste optreden in de geschiedenis. Waarschijnlijk is, in aanmerking genomen de physieke gesteldheid van het land, hare uitgebreidheid zoo ongeveer dezelfde als voor twee duizend jaar. Aan den anderen kant is ook het verschil uiterst gering tusschen den naam der klassieke oudheid Kermania en dien van Kirman.

Uit aardrijkskundig oogpunt is de provincie, bijna even groot als Frankrijk, van veel belang, al was het alleen om de klimaatsverschillen, de natuurlijke voortbrengselen en de volksstammen, die men er aantreft. Over een groote uitgestrektheid is het land vlak; de palmen groeien er goed; tarwe en gerst rijpen in den winter en worden geoogst in het begin der lente. In sommige streken, in Djiruft bij voorbeeld, vormen mooie plateaux, die tot 2700 M. hoog worden, het zuidelijkste gedeelte van het perzische bergstelsel, waarin de bergketenen zoo ongeveer in noordwestelijke richting loopen. In het Zuiden van Kirman treft men toppen aan, die bijna tot 5000 M. reiken. In het Noorden en Oosten der provincie vermindert de hoogte geleidelijk, maar de bergen dicht bij de hoofdstad zijn hoog, om echter al spoedig voor de lage, eenzame vlakte van de Loetwoestijn plaats te maken.

De beste beschrijving, die men van de geheele provincie kan geven, is, dat zij voor een deel zuiver woestijnachtig is en voor een ander deel verscheiden oasen vertoont. Zoo breidt zich de woestijn wel ten westen, ten zuiden en ten oosten van Kirman uit, maar op een afstand van eenige mijlen vindt men kleine dorpen en hier en daar grootere nederzettingen, in stand gehouden door bronnen, die in 't bergland opborrelen en welker water door kanats naar de vlakte wordt geleid.

In sommige gevallen kan de eerste bron zich wel op 120 M. diepte bevinden, en nieuwe putten moeten dan gegraven worden op kleine onderlinge afstanden. Het is onmogelijk, de geduldige vlijt der boeren niet te bewonderen, die erin slagen hun bestaan te verzekeren met zoo groote inspanning. Dikwijls kan een hevige regen of een zandhoos de kanalen verstoppen.

Natuurlijk zijn de rivieren van geen beteekenis. Alleen de Halil Roed verdient te worden genoemd. Zij ontspringt ten zuiden van de groote keten, die ik noemde, loopt door het district Djiruft en stort zich in de Bampoer. Er is tot heden geen poging gedaan, om het water voor besproeiïng te gebruiken.

Ook heeft men geen voordeel weten te trekken van den regenval. Daar die te Teheran ongeveer 25 cM. bedraagt, mag men voor Kirman een gemiddelde hoeveelheid van 17 cM. aannemen of iets minder. Maar er zijn op dat punt groote verschillen tusschen de districten. Dat van Djiruft is het meest begunstigd.

Op de hooge plateaux wordt het begin van 't voorjaar bedorven door aanhoudende hevige winden en stormen, die uit het zuidwesten geweldige massa's stof aanvoeren. De onweersbuien zijn in goede jaren talrijk. Te Kirman zijn de dagen in het midden van den zomer warm, maar de nachten zijn aangenaam, en er is in den namiddag meestal wat wind. De hitte is voorbij tegen het einde van September. Na de herfstnachtevening is er meestal eenige dagen lang mist en nevel. Dat zal wel de mist zijn, waarvan Marco Polo zegt: "En gij moet weten, dat als de Caraona's een strooptocht willen doen, zij sommige tooverspreuken bezitten, waardoor ze duisternis kunnen brengen over het aangezicht van den dag, zóó dat ge nauwelijks uw buurman, die naast u rijdt kunt herkennen, en zij kunnen die verduistering tot zeven dagen doen duren."

Op deze uitzondering na is de herfst verrukkelijk, ofschoon de Perzen de temperatuur te laag vinden en er koorts van krijgen. Dat laat zich verklaren, daar zij teveel vruchten eten. In den winter vriest het sterk en meestal is de lucht volkomen helder. Gewoonlijk valt er eenige regen tegen het eind van November en een weinig sneeuw valt in December. In Januari heeft men, als het een goed jaar is, drie of vier dagen van zwaren sneeuwval; maar de sneeuw smelt spoedig in de vlakte. Zoo zingt de dichter Omar Khaygam: "De hoop der wereld, waar de menschen hun hart op stellen, wordt asch of wordt werkelijkheid; maar dan, evenals de sneeuw op de stoffige woestijnoppervlakte, schittert zij een kort oogenblik en verdwijnt."

Maar toch zou zonder de bergen, die de schatten aan sneeuw bewaren voor de tijden van nood, zuidoostelijk Perzië volkomen onbewoonbaar zijn. In Garmsir zijn de wintermaanden zeer aangenaam, maar zelfs in Maart wordt een tent verbazend warm, en de zomer is drukkend en ongezond, ofschoon op vele plaatsen gemakkelijk bestijgbare bergen koelte bieden.

De bevolking van deze groote provincie telt misschien 750,000 inwoners, die men kan verdeelen in lieden met vaste woonplaatsen en in nomaden; de laatsten zijn zeer talrijk. De menschen uit de steden en dorpen zijn voor het meerendeel Iraniërs. De horden der overweldigers, die achtereenvolgens kwamen opdagen, hebben bijna altijd een zwervend leven geleid, een leven zoo ongeveer als ons in het Boek Job wordt beschreven.

De reiziger, die uit Europa komt, vindt de onvruchtbaarheid van het land verschrikkelijk, en wat treurig mag heeten, zij is bezig toe te nemen. Naarmate de bevolking zich meer aan vaste woonplaatsen gewent, raakt de voorraad hout meer uitgeput, vooral door het werk der kolenbranders. Steenkolen zijn er in het land niet, en op bijna geen enkelen berg vindt men een echt bosch. Meestal treft men min of meer verspreide boschjes aan van struiken; die de gomsoort tragacanth leveren of de assa foetida, die in de apotheek gebruikt wordt. Op de bergen groeien, naar men mij zeide, allerlei Alpenplanten.

Reizen in Zuid-Perzië beteekent gewoonlijk gaan over een grond, die een verblindend licht terugkaatst tusschen steenachtige hoogten. De vermoeide reiziger begroet met geestdrift elk klein beekje, zelfs een stumperige wilg lijkt hem een bewonderenswaardig ding bij zoo groote uitgestrektheden zonder boomen.

Tegenwoordig wordt nog, als in de oudste tijden der perzische monarchie, elke provincie bestuurd door een gouverneur-generaal, die voor de inning der belastingen aansprakelijk is en zich verplicht, aan den shah een pikasj of officieel geschenk aan te bieden. De ministers ontvangen daarbij ook gratificaties. Dank zij der gewoonte, om salarissen uit te betalen aan de afstammelingen van bijna alle ambtenaren en aan elken khan, kan het gebeuren, dat alle inkomsten eener provincie op de plaats zelve worden opgebruikt. Er is mij verzekerd, dat een der ambtenaren 172 jaargelden genoot voor zich en zijn bloedverwanten.

Om in de provincies de orde te bewaren, zijn in elk twee regimenten infanterie geplaatst, waarvan vier compagnieën ongeveer altijd onder de wapens zijn. Er zijn ook een klein aantal artilleristen met enkele veldbatterijen. Bam en Narmasjir hebben te zamen één regiment, waarvan de helft in garnizoen is in Beloetsjistan. De soldaten zien er over 't algemeen goed uit en zijn flink gehard. Maar hun wapens laten te wenschen over, terwijl de roovers meestal Martini-geweren bezitten.

Volgens Herodotus vormden de Kermanii een der twaalf stammen van Perzië, en de provincie Kirman maakte deel uit van de veertiende satrapie. Strabo beschrijft ze reeds als vruchtbaar. Zooals wij zoo aanstonds zullen zien trok Alexander er doorheen van 't Oosten naar het Westen. Ik heb in 't geheel geen melding zien maken van Kirman in den tijd der Parthen; maar de provincie werd beroemd, toen na de verovering van Fars zij vermeesterd werd door Ardechis, zoon van Papak, stichter van de nationale dynastie der Sassaniden, die stand hield tot den tijd der arabische overheersching. Gedurende de regeering van dit vorstengeslacht genoot deze provincie, die van de west- en de noordgrens verwijderd lag, een volkomen vrede.

Op het tijdstip, toen de Nestorianen in Perzië veel aanhang kregen, werd Kirman een diocees, dat afhankelijk was van den metropolitaan van Fars. Merkwaardig genoeg, was Perzië zoozeer één geworden met het christendom, dat in China een decreet van keizer Iwentsoeng de kerken aanduidt met den naam van "perzische tempels".

De laatste der sassanidische koningen, de ongelukkige Yezdigerd, terug moetende trekken voor de soldaten van Omar, hield eenigen tijd te Kirman verblijf, vóór hij naar de woestijn vluchtte.

De opstand, die in Perzië plaats had na Omars dood, hechtte de banden, door de verovering door de Arabieren gelegd, nog steviger vast, vooral voor de provincies, die het dichtst bij het centrum van het bestuur lagen, zooals met Kirman het geval was. Er werden forten gebouwd en arabische kolonies gesticht, met name in de warmste deelen van het land, daar de aanhangers van Zoroaster nog de hooge plateaux bezet hielden, die te koud waren voor de Arabieren.

Wij zullen de geschiedenis van Kirman niet vervolgen gedurende de twee eeuwen van arabische overheersching en na de stichting van nationale dynastieën, onafhankelijk van het kalifaat. Dat zou de geheele historie van Perzië uit dien tijd moeten zijn. Kirman zelf had enkele onafhankelijke bestuurders, Aboe Ali, een rooverhoofdman en de dynastie der Deïlamiten. En dan in den tijd der veroveringen door de Seldsjukken, die op den dood van sultan Mahmoed de Ghazna volgden, stichtte Malik Kaward, zoon van Sjaker-Beg, zich een rijk uit de provincie Kirman; zijn dynastie hield anderhalve eeuw stand. Deze periode heeft twee historie-schrijvers zien geboren worden, wier werken niet in een europeesche taal zijn vertaald. De twee belangrijkste souvereinen van deze dynastie waren Malik Shah en Arslan Sjah. Die laatste bracht gedurende een regeering van veertig jaren veel verbeteringen in Kirman aan, zoodat men die provincie best bij Khorassan kon vergelijken en bij Iran. Karavanen kwamen er heen uit alle richtingen en trokken door het land, terwijl Fars en Oman aan Kirman onderworpen waren. Togroe Shah volgde hem op; maar bij zijn dood bracht de oneenigheid tusschen zijn drie broeders de provincie tot een staat van verval.

Zij werd toen vermeesterd door den stam der Ghazzen, die Merw hadden geplunderd en de streek binnen korten tijd tot een woestijn maakten. Deze stam werd ten slotte ten onder gebracht door het leger van den atabeg Sed-bin-Zangi, en van dien tijd af herstelde zij zich niet weer van de geleden rampen. Thans wonen er de Raï's, een onbelangrijke nomadenstam.

Kirman had het zeldzame voorrecht te ontsnappen aan de verwoestingen van een verovering door Mongolen, het ergste lot, waarvan de geschiedenis gewaagt. Maar toch bleef de inval van Gengis-Khan niet zonder indirecten invloed op zijn lot. Een officier van den khan der Kara-Kitaï, namelijk Borak Hadjib, die door de provincie trok en zich verbeeldde haar gouverneur te zijn, vroeg en verkreeg de erkenning van Gengis-Khan. Hij stierf in 1234. Hij werd vervangen door zijn neef en schoonzoon Koet-boe-din, die, nadat hem het gezag betwist was door zijn schoonbroeder, de nieuwe gouverneur werd en in 1258 stierf aan de gevolgen van een wond, hem door den stoot van een bok toegebracht in de Djoeparketen in hetzelfde jaar, waarin khalief Mostasim-Billa ter dood was gebracht door Hoelagoe, zoon van Gengis-Khan.

Op Koet-boe-din volgde zijn vrouw, onder wie het land tot bloei kwam. Zij stichtte dorpen en liet putten graven, en zij zetelde op den troon, toen Marco Polo door het land reisde op zijn terugweg. Zij stierf in het jaar 1282. Een andere vrouw, die over Kirman regeerde, was Padsjah Katoem, een merkwaardige vorstin, die een goeden naam had als dichteres. In deze periode werd het eiland Ormoezd schatplichtig aan Kirman. In 1470 werd de provincie Kain vereenigd met Kirman, en drie jaar later werden beide bij Fars gevoegd onder het gouverneurschap van Shah Kalib. Zij deelden in het lot van het overige rijk.

In October 1894 kreeg ik de opdracht een consulaat te vestigen te Kirman en in Perzisch Beloetsjistan. Ik nam die met genoegen aan, ofschoon er geen groote financiëele voordeelen aan verbonden waren, en ik begaf mij erheen in gezelschap van mijn zuster, die haar reisindrukken heeft weergegeven in haar werk, dat den titel draagt Through Persia on a side saddle. Wij begaven ons naar onzen post over Enzeli, Teheran, waar wij eenigen tijd bleven, Koem, Kasjan, Yezd en Bahramabad.

Op vier mijlen afstands van Kirman kwam een generaal mij welkom heeten en bood mij thee aan in zijn tent. De omstreken der stad hebben buitendien ook eenige theehuizen. Tot mijn groote verbazing zag ik een microscopisch paardje aankomen, met schitterend fluweelen dekkleed en gouden tuig. Op dat beestje moest ik mijn entree maken in de stad. De Sahib Dwan had het speciaal voor mij gezonden. Gelukkig kon ik die moeilijke verplichting van de hand wijzen, door te zeggen, dat, daar ik in uniform gekleed was, ik genoodzaakt was, mij te bedienen van een militair zadel, en dat mijn zadel natuurlijk niet paste voor zulk een kleinen pony.

Toen wij het daaromtrent eens waren geworden, ging het in optocht naar de stad met wanhopige langzaamheid en voorafgegaan door een troep van ongeveer tweehonderd ruiters en talrijke bij den teugel geleide paarden. De hindoesche kooplieden en de zoroastrische gemeente heetten ons welkom. Bij de westelijke poort klonk een fanfare, en een honderdtal menschen liep mee met den stoet, die langzaam door de nauwe bazars ging, waar alle handel stilstond.

De tuin, die voor het consulaat gehuurd was, lag een mijl buiten de wallen, maar ten slotte bereikten wij dien toch. Wij werden een trap opgeleid en weer werd ons thee gepresenteerd. Daarna vertrokken tot mijn groote verlichting allen, die aan de istikbal of receptie luister hadden trachten bij te zetten.

De hoofdstad van de provincie Kirman is reeds van den aanvang af een belangrijk middelpunt geweest; maar het is zeker, dat het oude Karmana niet op dezelfde plek lag als de tegenwoordige stad. Zooals met zooveel steden in Perzië het geval is, hangt ook Kirman van de putten of kanats af voor zijn watervoorziening. De plaats ligt in een inzinking, nog altijd 1730 M. boven het niveau der zee, aan den voet van een kalkgebergte, dat geheel door woestijnen omgeven is; maar daar er veel wegen samenkomen, is er een middelpunt voor den handel ontstaan.

Als men van het Oosten te Kirman komt, lijkt de stad een vrij verwarde opeenhooping van minarets en moskeeën, met bijna overal ruïnen eromheen. De beide forten, die de stad beheerschen, waren vroeger middelpunten van verkeer. Aan de westzij ligt een mooier gedeelte, de Bag-i-Ziriss, waar veel tuinen zijn, een soort van uitspanningsoord, dat een oppervlakte van 250 hectaren beslaat. De tegenwoordige stad Kirman is omgeven door een muur in goeden staat, met zes poorten, waarvan één, bekend onder den naam Sultani, het werk moet zijn van Sjah Roek. De vorm der stad is onregelmatig; de middellijn van oost naar west bedraagt juist een engelsche mijl of 1609 M., die van noord naar zuid is een paar honderd meters langer. Er zijn vijf wijken, met de namen Sjahr, Khodja-Khizr, Koetbabad, Meidan-i-Kala en Sjah-Actil; men kan er de drie buitenwijken Gabri, Mahoeni en Yoe-Moedi nog bijvoegen.

Aan den westelijken muur grenst het Fort, waar de gouverneur-generaal resideert. Daar zijn ook het telegraafkantoor, de kazernen en het arsenaal. Die gebouwen zijn voor het meerendeel modern; ze zijn mooi en goed onderhouden. Een groote tuin omgeeft de particuliere vertrekken van Zijne Excellentie.

Tot 1896, het jaar toen het door een aardbeving verwoest werd, was het merkwaardigste gebouw van Kirman de Koeba Sabz of Groene Dom. Het was het graf van de dynastie der Karakhiten; het was een eigenaardig cylindrisch monument, bijna 16 M. hoog met groenachtige mozaieken, terwijl de vloer van binnen sporen van veel goud vertoonde.

Niet ver van daar is een steen, die prachtig gebeeldhouwd is en waarop verzen van den Koran staan. Hij is gevoegd in den muur van een vierkant gebouw, gedekt door een koepel en op dezelfde wijze versierd als de Koeba Sabz. Een gewelf eronder schijnt er op te wijzen, dat het ook een graf is geweest, maar de eenige inlichting, die ik op dit punt te Kirman krijgen kon, was dat het gebouw der Khodja-Atabeg of Sang-i-Atabeg heette.

Kirman, dat in de oostersche talen Das-ul-Aman heet, dat is "Woning des Vredes" kan met de voorsteden een bevolking van een weinig minder dan 50,000 zielen tellen. Uit godsdienstig oogpunt is zij aldus over de verschillende secten verdeeld: sjiiëtische Mohammedanen 37,000, sunnietische 70, Babi's Behaï 3000, Babi's Ezeli 60, Sjeikhi's 6000, Soefi's 1200, Joden 70, Zoroastriërs of Persen 1700, Hindoes 20.

De Babi's, aanhangers van Mirza-Ali-Mohammed van Sjiraz, in 1848 ter dood gebracht, maken in 't geheim tal van proselieten. Zij hebben verheven principes, willen vriendschappelijke betrekkingen tusschen alle menschen, afschaffing van godsdienstoorlogen, studie van nuttige wetenschappen enz. De uitbreiding van de leer der Babi's zou voor de wedergeboorte van Perzië veel goed kunnen doen. Zij zijn verdeeld in Ezeli's of Behaï's, al naarmate zij de leer van Mirza-Yahia, sub-i-Ezel, den opvolger door den stichter der leer zelf aangewezen, zijn toegedaan of volgelingen van Mirza-Husein-Ali, Beha Ulla, zijn ouderen broeder, die zich in 1866 tot hoofd der sectie opwierp.

De secte van de Sjeikhi's heeft, ofschoon men het tegendeel heeft beweerd, veel overeenkomst met die der Babi's. Zij is gesticht door Sjeik Ahmad, d'Ahsa of Lahsa op de Bahreineilanden, die ongeveer 1750 werd geboren. De secte telt 7000 volgelingen in de provincie Kirman en 50,000 in Perzië. Het tegenwoordige hoofd is Hadji Mohammed Khan, een man met vriendelijke, wellevende manieren, die een uitgebreide wereld- en menschenkennis bezit, aangenaam is in den omgang en vrij blijkt van alle dweepzucht.

De Joden uit Kirman zijn er ongelukkig aan toe. Het zijn kleine kooplui, bespottelijk inhalig en op hun voordeel uit. 't Is een tak van een grootere kolonie, te Yezd gevestigd en die uit Bagdad gekomen moet zijn.

De Zoroastriërs, interessant omdat zij aanhangers zijn van zulk een ouden eeredienst, zijn ook belangwekkend om de zuiverheid van hun bloed. Het zijn echte Iraniërs zonder die mengeling van arabisch bloed of van mongoolsche en turksche elementen, door achtereenvolgende invallen in Perzië ingevoerd. Zij vormen een schooner en gezonder ras dan hun muzelmansche geloofsgenooten. Hun broeders in den geloove uit Bombay geven een voorbeeld van physieken achteruitgang, waarschijnlijk teweeggebracht door het klimaat van Indië.

Uit industriëel oogpunt was Kirman tot voor weinige jaren uitsluitend bekend om zijn sjaals, maar tegenwoordig nog meer om de tapijten. Die weergaloos mooie producten van zijn weefstoelen worden geweven uit zijde en wol, en de fijnheid, de schitterende kleuren maken ze inderdaad tot de schoonste ter wereld; alle andere weefsels schijnen daarnaast banaal. De modellen zijn zeer oud en dagteekenen blijkbaar uit den vóór-mohammedaanschen tijd. Er komen dikwijls menschenfiguren op voor, maar meer gestyliseerde bloemen, alles met een prachtige mengeling van kleuren.

Te Kirman zelf telt men ongeveer een duizendtal van die weefstoelen. Elk tapijt wordt gemaakt door een meester-wever en twee of drie kleine jongens, die naar een formule werken, welke zij opzeggen en die veel verouderde woorden bevat. Het wordt beweerd, dat die formules van mond tot mond zijn gegaan, overgeleverd van den vader op den zoon, eeuwen en eeuwen lang. Er worden geen vrouwen, noch meisjes aan dit werk gezet.

Anilineverfstoffen, die de tapijtindustrie onder de nomaden bijna onmogelijk hebben gemaakt, worden zorgvuldig vermeden.

De sjaal wordt geweven uit geitehaar of wol. Evenals bij de tapijten, worden de modellen van buiten geleerd; maar het werk is veel fijner en kan alleen door kinderhanden worden verricht.

Andere industrieën van minder beteekenis zijn de fabrieken van vilt, van abba's, dat zijn overkleeden van arabischen oorsprong en veel door de Perzen gedragen, van voorwerpen uit brons gemaakt, enz.

Mijn verblijf te Kirman is altijd zeer aangenaam geweest; nergens ter wereld zouden wij met meer achting behandeld hebben kunnen worden, en naar mijne meening zijn de beleedigingen, die Europeanen zoo dikwijls den Perzen naar het hoofd slingeren, volkomen onverdiend. De Perzen zijn over 't algemeen bijzonder beleefd en geestig, en hun vlugheid van begrip en repartie zijn spreekwoordelijk. Ze zijn als Franschen door hun beleefdheid en hun zin voor complimentjes, en als Engelschen in zoo ver zij het 't beste gebruik van geld achten, als ze het aan voedsel en aan kleêren besteden.

De opvoeding der jeugd is tot hiertoe schandelijk verwaarloosd; maar men kan tegenwoordig daaromtrent een heilzame ontevredenheid opmerken, waardoor men later aan de kinderen nog wat anders zal onderwijzen dan spreuken uit den Koran, die, daar ze in 't arabisch vervat zijn, niet eens door hen begrepen worden. Thans is de positie van een schoolmeester er even slecht als in het Engeland der 17de eeuw, en de betaling gelijkt op die van een huisbediende. Het is dus niet verwonderlijk, als men meesters ontmoet, die leeren, dat Londen de naam is van een land, waarvan een der steden de Atlantische Oceaan is!

In Juni begonnen de nachten warm te worden, en mijn zuster leed veel onder de aanvallen der muskieten. Dus besloten wij van verblijfplaats te veranderen. Men had ons een koeler streek aangeraden. Daar ik er zeer op gesteld was, den weg van Marco Polo terug te vinden, besloten wij, ons eerst naar Koeh-i-Hazar te begeven of den "berg der tulpen", daarna Sardoe een bezoek te brengen, waar ik zeker was, dat de groote Venetiaan vertoefd had.

In vier étapes waren wij aan het dorp Hazar gekomen, en wij kampeerden middenin de bergen op een hoogte van 3300 M. Ik kon er heerlijk jagen; de bergstreek was bewaard gebleven voor den gouverneur-generaal, en er was in verscheiden jaren geen jachtgeweer afgeschoten.

Op een dag volbrachten wij met mijn zuster de bestijging van den berg met den langen oosterschen naam die "Heiligenberg" beduidt. Het was de tweede in hoogte van de toppen van Zuidoostelijk Perzië, 4180 M. hoog. Op den top was een kapelletje, waarin een collectie munten werd bewaard, waaronder één met het beeld van koningin Victoria en het jaartal 1837.

De lucht was volkomen helder, en het panorama verrukkelijk mooi. In het Noorden zagen wij de hoekige keten, aan welker voet Kirman ligt; in het Oosten de reusachtige Koeh-i-Hazar, die hooger is dan 4000 M. Het is een prachtige berg, op den weg naar Beloetsjistan op meer dan 100 mijlen afstands zichtbaar en in staat om de oogen van meer dan één Kermani van trots te doen stralen. In het Zuiden liggen Sardoe en de reeks groote ketenen, die onder verschillende namen het plateau van Iran dragen. Bijna naar elke richting van den horizon hadden wij een inderdaad nooit door Europeanen betreden land voor ons; op de kaarten zijn enkel hoofdwegen aangegeven, en aan beide kanten ervan heeft men op korten afstand totaal onbekende streken.

Van daar gingen wij naar het plateau van Sardoe. Te Rahboer brachten wij een bezoek aan den gouverneur, en we ontmoetten ten zijnent een grijsaard van den stam der Mehni, die beweerde 125 jaar oud te wezen. Zijn gelaat had de kleur van was; zijn haren geleken zilverdraad.

Bij het verlaten van Rahboer hielden wij bij benadering een oostelijke richting en gingen over verschillende armen der Halil Roed, waarvan één vrijwat dieper was, dan wij hadden gewenscht. Des nachts hielden we stil bij een tuin, waaromheen een vijftigtal gezinnen kampeerden. Het was de maand Moharram, en uren aaneen moesten wij het klaaglied uit de Lijdensweek aanhooren. Toch kwam er tot onze groote voldoening een eind aan, en het had wel iets van een grappige vertooning, toen wij de opvoeringen overal weer aantroffen. Dit was eigenlijk de eenige maal, dat ik in Perzië iets anders dan echte vroomheid bij de godsdienstige plechtigheden zag; maar de nomaden zijn over 't algemeen minder stipt in de opvolging der voorschriften van den godsdienst dan de menschen met vaste woonplaatsen.

De volgende dagreis voerde ons door het vruchtbare district Herza, waar de vele boomen een aangename tegenstelling vormden met de gewone kaalheid der velden. Over een pas van 2700 M. gaande, bereikten wij geleidelijk door golvende tarwevelden Dar-i-Mazar, hoofdstad van Sardoe. Men ziet er een goed onderhouden heiligdom ter eere van sultan Sejid-Ahmad-Saghis, die van den imam Moesa afstamt. Het omringende terrein is eigendom van het heilige gebouw, en boeren, die zich sjeiks noemen, zijn zoo goed als de eenige vaste bewoners van het district, daar de nomaden, ten getale van vierhonderd gezinnen ruim, in deze streken slechts de weinige zomermaanden doorbrengen. Rondom het heiligdom ziet men een twaalftal winkels, en een badhuis is er onlangs verrezen. Eenige Kermani waren er van het heerlijk koele klimaat komen genieten.

Wij kampeerden verderop bij den pas van Sarbizan, waar men de ruïnen van een karavanseraï vindt, gebouwd door den zevenden Seldsjukkensultan Malik Mohammed. Het was er best jagen, en wij zouden er wel een maand hebben willen blijven. Maar de Sahib Dwan was teruggeroepen, en zijn opvolger werd plechtig geïnstalleerd, en dus moesten wij te Kirman terugkeeren vóór de aankomst van Zijne Hoogheid.

Een weinig vóór Kerstmis 1895 kwamen twee Duitschers, die gewed hadden een reis om de wereld te doen en daarbij hun eigen kost te verdienen, te Kirman aan. Het zou voor onze kolonie een slechten indruk hebben gemaakt, dat Europeanen bedelden, dus achtte ik mij verplicht den reizigers zooveel mogelijk hulp te bieden. Maar ik kan niet zeggen, dat het mij gespeten heeft te hebben vernomen, dat hun onderneming ten slotte mislukt was; zulke zonderlinge, excentrieke menschen doen niets dan kwaad, vooral in het Oosten. De inlichtingen, die zij geven, hebben meestal geen waarde en kunnen gevaarlijk worden. Bovendien is er geen enkele oosterling, die geen minderwaardige voorstelling van Europeanen krijgt, als hij er ziet, die zonder bedienden reizen en in de eerste de beste plaats hun logies goed genoeg vinden.

III

In Beloetsjistan.--Makran, geschiedenis en aardrijkskunde van de streek.--Sachad.

Op zijn eerste reis in 1893 vertrok majoor Sykes van Kirman, om zich naar Boesjir te begeven aan de Perzische Golf. Van daar volgde hij de kust tot Karatsji, welken post hij verliet, om zijn tweede reis te ondernemen. Toen werd hij vergezeld door majoor Brazier Creagh van den gezondheidsdienst bij 't leger, door sultan Soekhroe, officier van een cavalerie-regiment uit Pendsjab, door twee sowars van het corps gidsen en door twee hindoesche bedienden. Hij vertelt het volgende van die tweede reis.

Uit Karatsji vertrokken, was onze eerste tocht naar Gwadoer, een bezitting van den sultan van Mascate, waar zich veel ontvluchte perzische slaven ophouden. Den volgenden dag voer onze stoomboot bij mooi, stil weêr de baai van Sjahbar binnen, de veiligste en best toegankelijke haven aan de kust. Voor den zuidwestmoesson is men er beschut door het land van Oman, waar zich het lange voorgebergte Ras Koelab uitstrekt, terwijl in het westen een lange klip een natuurlijken golfbreker vormt. Maar bij de breedte van twaalf KM. en de diepte van wel twintig KM. is het toch nog geen volkomen veilige ankerplaats.

Onze ontscheping ging niet zonder moeite door middel van een inlandsche boot of baggala. Toen we aan land waren, brachten we al onze impedimenta naar 't naastbij zijnde postkantoor.

Beloetsjistan is de gewoonlijk gebruikte naam van een uitgestrekt gebied, dat maar dun bevolkt is en verdeeld is tusschen Engeland en Perzië. De afgelegen provincie beantwoordt zoo ongeveer aan de zeventiende satrapie van Darius, waarvan Herodotus gewaagt. De groote koning vermeesterde Hapta Sindoe of Pendsjab, waarschijnlijk langs den weg van Beloetsjistan, terwijl een vloot onder bevel van den griekschen admiraal Scylax den Indus afzakte en, zonder zich om de gevaren ter zee te bekommeren, de kusten van Gedrosië en Arabië exploreerde. Die expeditie had plaats in 512 vóór Jezus Christus, en in zekeren zin vermindert zij den roem van Alexander, die zeker niet wist, dat de Grieken al in de zee van Erythrea hadden gevaren, verondersteld, dat zij het hebben gedaan, wat niet bewezen is.

In den tijd van Alexander was de Makrankust bekend als 't land der Ichthyophagen, en het binnenland heette Gedrosië. Sir Thomas Holdich ziet in het woord Makran een samentrekking van de beide perzische woorden Mahi en Khoeran, vischeters of ichtyophagen beteekenend. Maar ik geloof, dat het woord veel ouder is en ik zou de volgende etymologie voorslaan. De Assyriologen verschillen van meening op het punt of de naam Magan beteekent het Sinaï-schiereiland of de kust van Arabië achter de Bahrein-eilanden met Oman er in begrepen; in elk geval hebben wij het Maka der opschriften, een vorm, die met weinig verandering terug te vinden is in de Mykians of Mekians van Herodotus. Nu was Makran in 't bijzonder bekend om zijn wortelboomen of mangroven, want het land was gelijk aan de naburige kust, die men de Ran van Katsj noemt, een woord, dat afkomt van het Sanskriet aranya of irina en dat een woestijn of een moeras beteekent. Is het dus niet aan te nemen, dat de oorsprong van dit welbesproken woord Maka irina zal zijn, wat beteekent "de woestijn van Maka"? In Sind is de uitspraak thans Makaran, juist de vorm, dien de beide woorden vereenigd moesten aannemen.

Uit natuurkundig oogpunt breidt Makran zich uit tot de eerste belangrijke keten, die een waterscheiding is. Tot op een dertigtal kilometers van de kust vindt men een zandige vlakte, waar verschillende waterloopen door gaan en die op vele plaatsen met tamarinden is begroeid. Behalve na den regen loopen die rivieren maar voor een deel aan de oppervlakte van den grond. Haar loop wordt dan onderaardsch, 't geen intusschen het voordeel heeft het water aan de verdamping te onttrekken. Het district moest minder arm zijn dan het is, want de grond is vruchtbaar en wordt voldoende besproeid, terwijl men er uitstekende weiden voor kameelen vindt. Daarachter strekt zich een reeks heuvels uit, laag en afgerond, die meer landwaarts in voor ruwe kalksteenbergen plaats maken, de waterscheiding van Makran.

Sir Thomas Holdich beschrijft het landschap Makran uitstekend in zijn werk The Indian Borderland aldus: "Een eentonige reeks van ketenen, de eene achter de andere als de ribben van een walvisch, zich verheffend boven lage slijkheuvels met hier en daar een zoutige plas en, als eenig versiersel, wat tamarinden met neutrale tinten en gele stengels van vergeten gras van 't vorig jaar, zoo zag het landschap er uit, dat wij maar al te dikwijls onder de oogen hadden".

De noordelijke hellingen van het kalkgebergte dalen af naar de rivieren Bampoer en Mesjkil, die geen van beide de zee bereiken. In het Noordwesten loopt de Loetwoestijn tot de rivier Bampoer, terwijl in het Oosten van de Fahradsjvlakte de perzische bergketenen, die van het Noordwesten naar 't Zuidwesten liepen, eene oost-westelijke richting nemen, die zoo karakteristiek is in Zuid-Beloetsjistan en die voor een deel den achterlijken toestand van die streek verklaart door van de kust den toegang erheen zeer moeilijk maken. Meer naar het Noorden eindelijk ligt het district Sarhad, waar twee naar het Noordwesten gerichte evenwijdige ketenen deze hooge streek afscheiden van de Loetwoestijn in 't Westen en van de eveneens lage Kharanwoestijn in het Oosten.

Het centrale gedeelte van Beloetsjistan is zeer bergachtig; maar er zijn geen maatregelen genomen, om van den aanwezigen watervoorraad partij te trekken, en het land bestaat uit niet veel anders dan magere weiden. De rivier, de Bampoer, zou tegen een geringe uitgaaf voor irrigatiewerken met gemak een aanzienlijk aantal inwoners kunnen voeden.

Sarhad, dat enkele jaren geleden nog een echt rooversnest was en nu nog niet veel beters is geworden, heeft veel latente hulpmiddelen op zijn hooge vlakten, die tot Koeh-i-Taftan loopen. Toch is het district bijna niet bevolkt, ofschoon het graven van kanats reeds eenige resultaten heeft gehad en men in het land veel overblijfselen vindt van vroegere cultures. De opening van de spoorlijn van Quettah naar Seïstan zal wel haar werking uitoefenen, langzaam maar zeker. De Engelsche regeering kan niet meer zooals vroeger onverschillig blijven voor de razzia's. Buitendien begint Perzië zelf er ook de orde te herstellen, en de razzia's zijn al niet meer, wat ze vroeger waren, toen de Beloetsjen allen doodden, die zij gevangen namen of bij uitzondering hen hielden als slaven en hen verminkten, om hen de lust te benemen, naar hun vroegere woonplaats terug te keeren.

Wij weten niets zekers omtrent den oorsprong der Beloetsjen, want zij hebben geen oude boeken, zijn zeer onwetend en zijn daar trotsch op, zooals de baronnen uit de Middeleeuwen het waren. Sir Henry Pottinger schrijft hun een turkmeensche afkomst toe; maar volgens professor Rawlinson is het woord Beloetsje afgeleid van den naam Belus, dien van een koning van Babylonië, dien men beschouwt als den Nimrod, zoon van den Koesj uit de Schrift. Het woord koesj komt ook wel onder den vorm koessoen voor. In Sjah Nameh van Firdoesi worden de Beloetsjen genoemd als een stam, in Ghilan gevestigd onder de regeering van Nosjirwan. Van daar zijn ze geëmigreerd naar Beloetsjistan door Seïstan. Zeer waarschijnlijk zijn ze van arische afkomst; maar het ras is veranderd door kruising met arabische immigranten, vluchtelingen voor de vervolgingen, die na Hussein's dood plaats hadden. De hoofden beweren, dat zij van arabische voorouders afstammen, en zij maken ook den indruk te behooren tot een menschensoort, verschillend van die der boeren. De Brahoeïs, die er dan nog zijn, hebben een eigen type; ze zijn klein en hebben een rood gelaat, terwijl de Beloetsjen lang en slank zijn met een langen vorm van hoofd. Die Brahoeïs spreken een taal aan het Tamoel verwant en moeten van dravictischen oorsprong zijn.

Het is belangrijk op te merken, dat verscheiden duizenden Beloetsjen wonen buiten Beloetsjistan, men treft ze veel aan in de grensprovincies van Indië.

De eenige voorislamietische ruïnen, die ik ontmoet heb, zijn de Gorbasta, dikwijls vergeleken bij de Cyclopenmuren van de Grieken. Ze zijn gewoonlijk gebouwd bij den uitgang van een pas en dikwijls moesten zij stuwen zijn voor het water, dat ter irrigatie dient. In sommige gevallen vindt men ze op hellingen, en in vorstelijk Beloetsjistan schijnt een talrijke bevolking voor haar levensonderhoud afhankelijk te zijn geweest van deze dammen.

Maar kolonel Mockler heeft, toen hij een zestigtal kilometers ten noordwesten van Gwadoer reisde, enkele oude steenen gebouwen opgegraven en heeft ook steenen stuwwerken gevonden. Hij heeft mede beenderen ontdekt en aardewerk en steenen messen. In andere gedeelten van Makran heeft hij steenen graven gevonden, maar hij trekt geen enkel besluit uit die ontdekkingen, evenmin als uit de opgravingen, door hem verricht te Bahrein, waar ook gemetselde graven aan het licht zijn gekomen.

Beloetsjistan was schatplichtig aan het oude perzische rijk. Het is zeker, dat Alexander de Groote het van het Oosten naar het Westen doortrok, maar daarna heeft men het eenige honderdtallen van jaren uit het oog verloren. Er is eerst weer sprake van, als men onder de regeering van Nosjirwan besluit, de Beloetsjen voor hun strooptochten te straffen en er groote moordpartijen aanrichtte. Zij hielden zich toen rustig, ten minste gedurende één geslacht, hernamen daarna echter weer hun roofzuchtige gewoonten, en hun onafhankelijkheid is nooit duurzaam bedreigd geworden.

Toen de Mohammedanen kwamen opdagen, werd de provincie Kirman veroverd in de eerste jaren na de Hedsjra, en Beloetsjistan trof weldra hetzelfde lot. Maar het is twijfelachtig, dat het land permanent door de Muzelmannen bestuurd is, vóór het veroverd werd door Yakoeb bin Lais van de Saffaren-dynastie. Deze regeerde over een rijk, dat zich uitstrekte van den Indus tot den Sjat el Arab, maar de voorspoed duurde niet lang, want zijn broeder Amz werd gevangen genomen door Ismaël van het geslacht der Samaniden en te Bagdad ter dood gebracht.

Intusschen bleven de Saffaren nog verscheiden eeuwen in het bezit van Beloetsjistan, en zij vormden in den loop der tijden een vereeniging van opperhoofden. Verschillende arabische reizigers, Masoedi, Istakhri en Ibn Hankal bij voorbeeld, hebbens ons Makran in dien tijd als een bloeiend land geschilderd.

Ten tijde van den inval der Mongolen kwam Djelaleddin van Kheiva uit Indië naar Makran, om zich met de overweldigers te meten, en in 1223 zond Gengis-Khan, toen hij Herat had verwoest, Dehagataï erheen, om Makran te verwoesten, ten einde de verbindingslijnen met Djelaleddin af te snijden.

Op het einde van de 13de eeuw voer Marco Polo op zijn terugweg van China langs Makran; maar het is niet zeer waarschijnlijk, dat de groote Venetiaan op eenige plaats de kust heeft aangedaan.

In 1839 spreekt een intelligent reiziger Hadji Abdoel Nali van de verschillende beloetsjistansche hoofden, die razzia's houden in Perzië en lachen om de bedreigingen van den gouverneur-generaal van Kirman.

Maar sedert 1844 begint Beloetsjistan zijn vrijheid te verliezen. Twee leden van den stam der Kadjaren werden aangewezen, om het woelige district te besturen, maar zij slaagden niet in hun pogen, en het was de verdienste van Ibrahim Khan, de verovering te voltooien van wat tegenwoordig perzisch Beloetsjistan is. Hij wordt van wreedheid beschuldigd, en hij had inderdaad een zekere neiging om de slaven te exploiteeren; maar men moet rekening houden met alle geschenken, die van hem gevorderd werden en alle geldsommen, die hij moest opbrengen.

Ibrahim Khan ontving de grensregelingscommissie onder bevel van Sir Frederick Goldsmith niet al te vriendelijk, en pas was de commissie, die de perzisch-beloetsjistansche grens geregeld had, vertrokken, of hij maakte zich van Koehak meester, dat niet aan hem was toegewezen. Hij stierf in 1884, na dertig jaren in dezen hoek van Perzië het bestuur te hebben gevoerd. Zijn zoon stierf eenige maanden na hem, en zijn schoonzoon werd gouverneur, maar werd in 1887 vervangen door een Turk, Aboel Fath Khan, om echter weldra weer tot gouverneur te worden uitgeroepen. Deze Zein ul Abidin Khan regeerde, toen ik er in 1893 kwam, en hij had later twee opstanden der Beloetsjen te onderdrukken, één na den moord op den Sjah in 1896, en den anderen in het daarna volgende jaar.

Tegenwoordig, nu de britsche regeering den verkoop van geweren verboden heeft, is Beloetsjistan afhankelijker dan ooit; maar het vooruitzicht is niet schitterend. De luiheid en onverschilligheid van dit volk zijn zoodanig, dat ik meen te kunnen voorspellen, dat binnen honderd jaar na dezen hun leven niet meer dan thans van dat der patriarchen zal verschillen.

Voor onze reis waren, dank zij den heer Lovell, de kameelen gereed. Maar de Beloetsjen hadden geen touwen, en buitendien bleek het uiterst moeilijk, de lasten te verdeelen. Zij beklaagden zich buitendien over de zwaarte der vrachten, die een perzisch muilezeldrijver licht zou hebben gevonden. Wij deden hierbij de belangwekkende waarneming, dat ieder kameel een eigenaar had, en dat er soms een viertal aanspraak maakte op hetzelfde dier.

Wij besloten eindelijk onszelven met de verdeeling der vrachten te belasten, en wij vertrokken laat in den namiddag, om tot Tiz te gaan op twaalf kilometer afstands. Eerst gingen wij door het dorp Sjahbar, waar veel hindoesche kooplieden woonden en waar alles vuil en leelijk was, behalve de enkele boomen, die er stonden; vervolgens bestegen wij geleidelijk het rotsachtige gebergte, dat het dorp scheidt van Tiz. Die laatste plaats is veel beter gelegen dan Sjahbar, daar zij zich bevindt aan den uitgang van den hoofdweg naar het binnenland over Kasakand, die volkomen den weg langs de kust beheerscht, welke oostwaarts in zigzag van het gebergte daalt en naar het Westen door een opening tusschen de rotsen de zee bereikt.

Het was te laat, om de ruïnen te gaan zien, die trouwens nu uit niet anders bestaan dan een duizendtal graven. Wij hadden nog juist den tijd een blik te slaan op het oude perzische fort, twintig jaar geleden gebouwd, om Sjahbar, door de Perzen veroverd op een arabischen sjeik, te beschermen; kort daarna werd het reeds door het garnizoen verlaten.

In 1188 van onze jaartelling was Tiz blijkbaar een groote haven; de karavanen, die van het Westen kwamen, volgden dien weg, toen tengevolge van plaatselijke troebelen de haven van Ormoezd geblokkeerd was. Hun weg leidde blijkbaar van Irak naar Kirman en van daar naar Bampoer, Kasakand en Tiz; de andere weg, die mogelijk was, namelijk over Geh bood teveel moeilijkheden voor de karavanen. De belangrijkheid van Tiz lag ook hierin, dat de plaats het middelpunt was van den suikerhandel in Makran en misschien de uitvoerplaats van het graan uit Seïstan; stellig was het de zetel der kooplieden, die niet tot Ormoezd wilden gaan.

Daar wij ons kamp hadden moeten opslaan in een nauw dal, waar alleen wat water was in een paar vuile poelen, vertrokken wij den volgenden dag in gloeiende hitte en richtten ons naar Parag, een vuil dorpje. Daar wendden we onzen rug naar de zee en naar de telegraaflijn, die dicht langs het strand loopt en veel van vocht te lijden heeft. Daar onze paarden vermoeid waren door hun reis per spoor en per boot, rustten wij eenigen tijd uit in de schaduw der tamarinden, en wij zetten onze reis eerst voort in den koelen avond, waarbij we over een lavavlakte gingen, waar enkele magere katoenvelden te zien waren.

Ons kamp voor dien dag werd opgeslagen in het gehuchtje Noer-Moehamedi. Den volgenden dag dwongen onze Beloetsjen onder voorwendsel, dat hun kameelen, die 's avonds laat waren aangekomen, rust behoefden, om stil te houden.

Een nieuwe marsch van 25 KM. bracht ons te Pich-Mant, welke naam beduidt "plaats van den dwergpalm". De bladeren van dien daar veel voorkomenden boom worden voor verschillende doeleinden gebruikt; men maakt er sandalen van, matwerk en manden, daken, touwen enz. "en", zegt de schrijver van Eastern Persia, "ook mutsen, sabelscheeden, zweepen enz. De gedroogde bessen dienen voor het maken van rozenkransen; de jonge spruiten worden gegeten, en de wortels zijn een uitstekende brandstof, wat een groot voordeel is in het aan hout zoo arme land".

Toen wij de vlakte achter ons lieten, kwamen wij in een steenachtig dal en van daar over een lagen pas op een plateau. Dien dag streek een zwerm horzels op ons ontbijt neer en at het voor ons op.

De volgende dag bracht ons tot Ziarat, een gelukkig oord, omdat wij er stroomend water vonden, waar onze paarden zich heerlijk aan te goed deden.

De eenige Europeaan, die vóór ons in deze streek is geweest, is kapitein Grant, een van de wetenschappelijke onderzoekers, op aandrang van Sir John Malcolm naar Perzië gezonden in het eerste tiental jaren van de 19_de_ eeuw. Zijn mededeelingen beteekenen niet veel.

Te Ziarat hadden wij de noordgrens bereikt van het kustdistrict, waarvan de versterking, naar ons gezegd werd, voor ongeveer 5000 francs per jaar is toegezegd. Het water der rivier, die een paar mijlen geheel verdwenen was, kwam wat hoogerop weer te voorschijn, en wij gingen door een reeks kleine gehuchtjes en dadelboschjes, om ten slotte te Nokinja stil te houden, waar wij ons bundels groene rijst konden aanschaffen voor de paarden en eieren en melk voor onszelven.

Wij waren nu eindelijk buiten het gebied van de afgeronde heuvels, en de bergketens, waardoor onze weg leidde, eindigden in spitse kapen boven de bedding der rivier. Onmiddellijk boven Nokinja volgt de samenvloeiing met de Sirha. Hooger nog was het ons een genoegen, Geh te bereiken, de hoofdplaats van het district. Ik heb honderden beloetsjische dorpen gezien, maar Geh, het Bih van den reiziger uit Arabië, blijft in mijn herinnering gegrift als het mooiste. Een prachtig boschje van dadelpalmen verrijst bij de bron van twee rivieren, de Gung en de Kisji; een oud schilderachtig fort staat op een rots, en alleenstaande, kale heuvels in den omtrek verhoogen den indruk, dien de frischgroene rijstvelden maken.

Het dorp ligt ongeveer 450 M. hoog. Hoewel wij op het einde van October waren, wees de thermometer 's middags bij de 38° C.

Geh met Kasakand ten oosten en Bint ten westen vormen de drie steden van perzisch Makran, waar de reiziger aankomt, als hij van de kust het land in gaat. Ze moeten alle drie hetzelfde aantal inwoners hebben, dat de twee duizend niet te boven gaat, naar het ons scheen.

Wij kregen een bezoek van Sjakar Khan, oudsten broeder van Sardar Hussein Khan, die den ouden staat van zaken in de provincie vertegenwoordigt en zich Beloetsjistan herinnert op den tijd, toen het onafhankelijk was van Perzië; natuurlijk keurt hij de opgetreden verandering af. Enkele inwoners spraken het Hindostansch, en wij hoorden, dat zij een weinig handel dreven met de kust. Visch was een der handelsartikelen; zij wordt nog verkocht, als ze reeds vrij oud is geworden. De toestand der bevolking was er treurig, want de gouverneur, die niet als in Perzië wordt in bedwang gehouden door de openbare meening, noch de telegraaf heeft te vreezen, onderdrukte de menschen, en veel inwoners verhuisden naar Karatsji, Maskate of Zanzibar.

Wij vertrokken, na onze kameelen te hebben weggezonden en eenige gidsen uit Lasjar te hebben gehuurd, de sterkste en beste geleiders voor reizen in het bergland. Wij moesten nu door het nog onbekende district, dat ons van Fanoch scheidde. Wij volgden de steenachtige bedding van de Gung stroomop en kwamen daarna in het gebied van de Sirha, op welker beide oevers veel dorpen liggen. Wij hielden stil te Maloeran aan een zijtak van de Rapsj. De bewoners, die blijkbaar nooit van Europeanen hadden hooren spreken, keken ons achterdochtig aan. Toen zij binnen het bereik van onze stem waren, beproefden wij het middel, dat ons gewoonlijk gelukte en dat bestond in het geven van een roepij aan een man, om hem te toonen, dat wij wenschten te betalen voor wat wij zouden noodig hebben.

Dezen keer gelukte het niet. Een levendig gesprek begon; ik trachtte van mijn kant duidelijk te maken, dat wij zouden betalen en dat wij hun vrienden waren; maar het hoofd der bende, een schelm met een bijzonder ongunstig uiterlijk, bleef bij zijn weigering. Ten slotte vloog een der onzen op hem af en duwde hem in de rivier, waaruit de schurk weer opdook met den mond vol slijk. Maar dadelijk daarna arriveerden de gevraagde levensmiddelen. Men kan de tegenwerping maken, dat wij geen recht hadden, tot geweld onze toevlucht te nemen; maar ik zou mijn bedillers wel eens in een dergelijk geval geplaatst willen zien en zou dan eens kijken, hoe zij te werk gingen. Bij slot van rekening werden de menschen uit Maloeran onze beste vrienden en wij brachten een geheelen dag onder hen door. Wij merkten de eigenaardige bijzonderheid op, dat zij konden fluiten, een talent, dat in het Oosten zeldzaam is, waar fluiten gemeenlijk voor een "taal des duivels" doorgaat.

Een moeilijke tocht was het naar de rivier Fanoch of Rapsj. In de plaats van dien naam werden wij zeer vriendschappelijk ontvangen; de zoons van Sjakar Khan waren er gouverneurs, en zij toonden zich bijzonder geïnteresseerd bij het zien van onze geweren.

Begeerig, om het onbekende land in het Westen althans eenigszins te leeren kennen, beklommen wij den Koeh-i-Fanoch, een lastige bestijging, die vier uren duurde. De laatste 150 M. worden gevormd door een rots van witten kalksteen, die bijna loodrecht is. Van den top konden wij met gemak de vijf afzonderlijke stroomen volgen, die te zamen de Fanoch vormen. Het was een prachtig panorama, en het gaf ons, wat wij zoo vurig verlangden, een denkbeeld van de formatie van het land. Naar het Westen werd het uitzicht voor een gedeelte beperkt door hooge bergen; maar naar het Noorden zagen wij den prachtigen Koeh-i-Bogman, die eenzaam tot 2700 M. boven de vlakte oprijst. Naar het Oosten breiden zich het Azabadbergland uit en het district Lasjar.

Fanoch, waar wij een dag bleven rusten, om over onze vermoeienis heen te komen, ziet er veel welvarender uit dan Geh, en verscheiden huizen waren er van steen gebouwd. Er is een fort, dat zeer oud schijnt te zijn; maar zooals gewoonlijk in Beloetsjistan konden wij volstrekt geen inlichtingen krijgen over de geschiedenis van het gebouw.

Er waren in Fanoch schapen en gevogelte, eieren, melk, gerst, rijst en tarwe in overvloed, en de dadels uit Beloetsjistan zijn beroemd; maar het eenige industrie-artikel, dat er gemaakt wordt, zijn kleine, met roode zijde geborduurde petten. Ik vroeg of Fanoch in Makran lag. Er werd mij gezegd, dat de grens gevormd wordt door den kam van den Band-i-Linag, ten noorden waarvan zich de stad bevindt; Basjkird ten westen ervan wordt niet meer beschouwd als tot Beloetsjistan te behooren.

Wij keerden terug langs denzelfden weg, dien wij gekomen waren, maar voorbij Sartab sloegen wij een meer noordelijke richting in naar Tehan, een welvarend dorp van wel duizend inwoners.

Te Geh terug zijnde, vonden we ons reisgezelschap goed uitgerust, en toen wij twee dagen na onze terugkomst ons gereed maakten om naar Fahradsj te vertrekken, werden wij aangenaam verrast door de aankomst van twee Beloetsjen, die de gouverneur van perzisch Beloetsjistan gezonden had, om ons tot gidsen te dienen, Mir khan Mohammed en Moellah Basjan.

Eerst volgden wij een zijtak van de Sirha en daarna bereikten we den hoofdstroom, aan welks oevers een weinig aan landbouw werd gedaan. Wij kampeerden in de bedding zelve der rivier, en den volgenden dag hadden wij den ellendigsten weg, dien ik ooit heb gezien. Een mijl stroomop wordt het rivierdal nauwer, tot het niet veel meer dan 30 M. breed is en wij kwamen bij rotsachtige trappen, waar de rivier in een waterval bij neer viel. Iets verder weer een ander pretje, namelijk in de bedding blokken rots van allerlei afmeting, van de grootte van een omnibus tot die van een voetbal. Toen eindelijk verscheen een diepe plas, die de gansche breedte van het dal vulde. Daarlangs liep een smal pad, als voor geiten gemaakt, waar het ons onmogelijk leek voor onze beladen beesten om zich op voort te bewegen. Maar tot mijn groote verbazing liep alles zonder ongelukken af.

Onze paarden waren doodop, toen we bij de bron van de rivier kwamen, in het dadelbosch van de Sirha, een groot, maar geheel verwaarloosd terrein. Wij kampeerden ter hoogte van 990 M., en dit was de eerste dag, waarop wij een temperatuur hadden van onder de 30° C. Den volgenden dag was het ook betrekkelijk koel; wij stegen tot de waterscheiding in Makran, op ongeveer 1100 M., en van daar begonnen we te dalen rondom de hellingen van de groote massa van den Azbag, dien wij gezien hadden vanaf den top Koeh-i-Fanoch. 's Avonds kampeerden wij te Pip, de hoofdstad van Lasjar.

De gouverneur kwam ons begroeten. Hij was eerst zeer beschroomd. Zijn gezicht klaarde echter op, toen wij hem naar de geschiedenis van zijn geslacht vroegen. Hij was een jongen van zestien jaar. Pip is een dorp van tweehonderd huizen, die rondom een versterkte vesting gegroepeerd staan, op een zekeren afstand van een mooi dadelbosch. In Beloetsjistan zijn de dorpen altijd gebouwd op boomlooze terreinen, waaromheen koren verbouwd wordt. De verandering van lucht, van de droge warmte der woestijn naar de betrekkelijk koele vochtigheid van het dadelbosch, was zeer aangenaam, maar misschien gevaarlijk voor hen, die vatbaar zijn voor koorts. Maar als men uren aaneen in den brandenden zonnegloed heeft gereden, is de schaduw zoo welkom, dat wij altijd zoo dicht mogelijk bij boomen kampeerden, en voor zoo ver ik weet, heeft niemand onzer er leed van ondervonden.

Mijn reisgezel en ik waren van oordeel, dat de Lasjaren boven alle andere Beloetsjen, die wij hadden ontmoet, uitmuntten. Physiek waren het krachtige staaltjes van het menschenras en daarbij waren ze altijd vroolijk en opgewekt, wat niet het geval is met de meeste Beloetsjen, die begeerig en ijdel en niet zeer hulpvaardig zijn, en daarbij stug en koppig als kameelen. Maar het is billijk er bij te voegen, dat de Beloetsjen buitengewoon eerlijk zijn, en dat als men hun brieven of dingen van waarde toevertrouwt, zij ze met gevaar van eigen leven zullen verdedigen. Uit zedelijkheidsoogpunt staan ze ook niet laag en hun vrouwen behandelen ze bijna als huns gelijken. Men kan als voorbeeld van hun eerlijkheid het feit noemen, dat, om de telegraafbeambten te betalen, men gewoon was een zak met roepijen van den eenen post naar den anderen langs de lijn te verzenden, waar ieder op zijn beurt zijn soldij uit nam. Een enkele maal maakte een ambtenaar misbruik van dit vertrouwen, en hij moest zijn land verlaten, wat voor een Beloetsje de zwaarste straf is.

Na een dag van welverdiende rust daalden wij verder langs het vruchtbare dal der Pip. Te Ispaka waren we aangekomen in het district Fahradsj, en wij ontdekten de eerste vertegenwoordigers van het perzische element, in de gedaante van twee of drie soldaten en een sergeant. Daar de Beloetsjen nooit met andere Perzen in aanraking komen, dan met menschen, die belasting komen innen, zijn de Perzen er zeer gehaat. Ze worden Gagars genoemd, verbastering van Kadjaren, de naam der regeerende dynastie.

Den volgenden dag kwamen we op onzen tocht naar de rivier, de Bampoer, in het dorp Kasimabad en daarna te Bampoer, het vroegere stadje, dat de oude hoofdstad van Beloetsjistan is en waar nu niet meer dan een paar honderd vuile hutten staan; een dadelbosch was er niet en wij moesten kampeeren in een slordige omgeving, die oudtijds een tuin zal zijn geweest.

Zein ul Abidin Khan, de gouverneur, had mij geschreven, dat hij mij te Fahradsj wachtte, dat op vier mijlen afstands lag en veel belangrijker is, daar het ongeveer twee duizend zielen telt, het garnizoen erin begrepen. Zein ul Abidin Khan ontving ons vrij koel; onze belangstelling kwam hem blijkbaar wat verdacht voor, zooals zij dat veel Oosterlingen doet, maar na enkele moeilijkheden werden wij ten slotte goede vrienden.

Ons doel was nu eerst het district Sarhad, waarvan nog zoo weinig bekend is en waarheen wij den eersten December 1895 ons op weg begaven. Een der eerste dagen, toen wij, na het dal der Konar Rud te zijn doorgegaan, te Sonar waren, werden wij eenige dagen opgehouden door een aanval van dysenterie van Brazier Creagh. Met twee kameeldrijvers deed ik de volgende dagen de bestijging van den Hamant, om het land te verkennen. Die berg is 2320 M. hoog, hij is ten onrechte voor een vulkaan gehouden. De tocht was moeilijk, vooral het dalen ging bezwaarlijk. Van den top hadden wij een ruim uitzicht over het zuiderdistrict, dat een eentonig veld van lage bergen geleek; maar in alle richtingen was het panorama prachtig, al konden wij tot onze spijt den grooten vulkaan Sahrad niet zien.

Twee dagen later overschreden wij op 1680 M. hoogte de waterscheiding tusschen de Bampoer en de Mesjkil, en daalden af naar het dorp Magaz, dat ongeveer 2000 inwoners telt en 't beste klimaat heeft van heel Beloetsjistan. Den weg naar het Noorden inslaand, trof onze blik den Koeh-i-Taftan, die op den afstand van honderd mijlen ongeveer, waarop wij hem zagen, op een witten kegel geleek.

Het district Sarhad deed zich het eerst aan ons voor van een pas, van waar het ons voorkwam, niets dan kale bergen te bezitten, zonder eenig dorp, zelfs zonder een tent van nomaden. Toch vonden wij er het fort Kïvasj met een garnizoen van ongeveer 450 soldaten, infanterie en cavalerie. Met enkele zwarte tenten was dat fort de hoofdstad van het district. Landbouw werd er niet beoefend.

De verwaarloozing van Sarhad is droevig, want het is de eenige streek tusschen Quettah en Kirman, die koel mag worden genoemd. In vroegeren tijd woonde er een dichtere bevolking, zooals ook uit de overblijfselen van putten of kanats blijkt, en men mag de hoop koesteren, dat het land later een belangrijke weg zal zijn tusschen Quettah en Zuid-Perzië.

Van Kivasj uit wilde ik den Koeh-i-Taftan bestijgen, ofschoon de gouverneur het mij afried. Twee dagen later echter kampeerden wij op bijna 2000 M. hoogte in het kleine dorp Waradji, en den volgenden dag klauterde ik tegen den top op, ongelukkig zonder Bazier Creagh, die een zweer aan zijn voet had. De laatste uren der bestijging waren lastig en onaangenaam. Eerst moest men over groote rotsblokken klimmen, en daarna ging het door een dikke laag witte asch, die uit de verte aan den berg het voorkomen had gegeven, alsof hij met eeuwige sneeuw bedekt was. Wij bereikten den top eerst om twee uur in den namiddag, na acht uren bijna aanhoudend te hebben geklommen. De Koeh-i-Taftan eindigt in twee toppen, den noordelijken of hoogsten en den zuidelijken, den vulkaan, dien wij wenschten te bezoeken.

De krater, waaruit verblindende zuilen van zwavelachtigen damp opstegen, heeft twee openingen, ieder ongeveer drie meter in omtrek en van boven gescheiden door een afstand van één meter. Er was geen enkele versche lavastroom te zien, en er wordt van geen enkele uitbarsting melding gemaakt. Het gezicht, dat men van den top had, was 't mooiste, dat ik ooit in Perzië heb gezien; alle bergtoppen waren duidelijk zichtbaar. Zooveel ik heb kunnen nagaan, vereeren de bewoners van het dal den vulkaan al sinds overoude tijden.

Bij het dorp Bagman voegde zich onze colonne weer bij de bagage en de reis door Sarhad leerde ons, dat het district water genoeg heeft, om bij een goed bestuur een welvarend land te worden.

IV

Grensregeling tusschen Perzië en Beloetsjistan.--Van Kirman naar de grensstad Koeak--De grensregelingscommissie.--Vraag naar den voorrang.--Het werk der commissie.--Van Koeak naar Kelat.

Ik was in Kirman in December 1895. Sinds eenige maanden hadden onderhandelingen plaats met de perzische regeering ter zake van de grenslijn tusschen Malik Sia en Koeak, die nog niet juist was afgebakend, maar de winter was begonnen, zonder dat men tot een beslissing was gekomen. Toen reisde in de laatste dagen van December de perzische commissaris Ali Achraf Khan door Kirman, en enkele dagen na zijn vertrek werd mij uit Teheran getelegrafeerd, dat ik benoemd was tot de post van assistent-commissaris. Mijn zuster gaf er de voorkeur aan, mijn reis, die vermoeiend en oncomfortabel was, met mij mee te maken, liever dan de vriendelijke aanbieding van lady Durand aan te nemen, bij haar te komen logeeren.

De toebereidselen voor den tocht waren nog al omslachtig, het was een lange reis en wij moesten vooraf zorgen, hier en daar proviand te vinden en daarbij hulpkameelen, als de andere vermoeid waren; onderzoeken, waar water te krijgen was enz. enz. Bovendien waren onze bedienden niet ingenomen met het denkbeeld van de reis door Beloetsjistan en moesten telkens aangemoedigd worden.

Het was reeds zeer koud te Mahoen, onze pleisterplaats; te Hanaka, waar de karavanseraï op een hoogte van bij de 2400 M. ligt, was het werkelijk arctisch koud, maar te Rain, op de zuidelijke helling van den Djoeparketen, werd het weêr gelukkig minder ijzig. Langs de rivier, de Sandoe, ging het naar Abarik een moeilijk eindweegs door het geaccidenteerde terrein. In de warmere streken gekomen, voelden wij ons vermoeid en niet in staat tot eenige inspanning. Wij waren in het district Fehroed, en Abarik en Fehroed zijn in Perzië berucht om den hevigen wind die er veelal heerscht. In een gedicht heet het dat, den wind wordt gevraagd, waar hij woont en dat hij antwoordt: "Mijn armzalige woning is in Fehroed en ik bezoek dikwijls Abarik en Sarbistan." Dit laatste dorp ligt aan den rechteroever van de rivier, waar ik in 1894 bij hevigen storm kampeerde.

Een nog al vervelende rit langs de droge rivierbedding bracht ons te Darzin. Het dorp is bekend om zijn vroegeren rijkdom. In de 12de eeuw zegt een schrijver: "Wij stonden op het dak van het paleis te Darzin, en wij zagen een groot aantal dorpen, die bijna elkander raakten en heerlijke geuren verspreidden. Zein ed Din maakte de opmerking, dat Fars een groot en vruchtbaar land was en dat hij het geheel had doorreisd, maar dat hij zweren kon in heel Fars niet zulk een mooi plekje te hebben gezien."

Helaas, hoe is alles veranderd! Darzin ligt in een ellendige woestijn. Toch is er eenige vooruitgang, want een der oude kanats of putten is hersteld, en daardoor zal het bebouwbare land toenemen.

Te Bam vonden wij een onderkomen in een nieuw gebouwd huis, dat uitzag op een schaduwrijken tuin vol palmen. Bam is al sinds de oudste tijden in Perzië een beroemde stad; een mijl van het tegenwoordige fort, liggen de ruïnen van de oude stad. Ten tijde van de verovering door de Arabieren was de stad zeer belangrijk en hoofdplaats der provincie. Bam is herhaaldelijk belegerd en de moderne stad dateert van den jongsten tijd. Het is nu het middelpunt van een rijk district, ligt op een hoogte van 1100 M, heeft een bevolking van 13.000 inwoners, een vruchtbaren bodem en een klimaat, dat even gunstig is voor de cultuur van palmboomen als voor die van de producten der hoogere streken.

De zomerwarmte is er gematigd, want er waait dan een koele wind uit het Noorden, en de belangrijkheid der stad wordt nog grooter door het feit, dat zij in Oost-Perzië het laatste handelscentrum is vóór Quettah. De bloei der plaats vloeit voort uit de productie van henneh, want bijna de geheele opbrengst van die kostbare verfstof wordt in dat district verkregen. De garnizoenen in Beloetsjistan bestaan gewoonlijk uit soldaten uit die provincie, en de gouverneur is meestal een Bami.

Een reiziger verhaalt, dat Bam op een indische stad gelijkt. Die opmerking heb ik niet gemaakt. Misschien zag men er dertig jaar geleden op het tijdstip van die reis nog geen palmen, en zoo zou dan die indruk zijn te verklaren. Ingevolge een bijzondere uitnoodiging bezochten wij het beroemde fort, en wij constateerden, dat de oude stad nog stond, omgeven door een hoogen muur en een gracht. Boven was de woning van den gouverneur. Men heeft er een prachtig uitzicht. Achter ons werden onze blikken getrokken door den Koeh-i-Hazar met zijn mantel van versch gevallen sneeuw, en aan beide kanten van het dal teekenden de bergen zich scherp af op den turkooizen hemel. Boven ons wuifden de bouquetten van de dadelpalmen van Bam, en wij konden de rivier van dien naam naar het Noordoosten volgen.

Vier mijlen van Bam verwijderd, bracht een steile daling ons tusschen de gehuchten, die het dorp Bora samenstellen; er is een bevolking van 5000 inwoners en het voert jaarlijks 120,000 pond henneh uit, behalve granen en dadels.

Te Vakilabad, waar wij aankwamen, na langs een mooi, beschaduwd riviertje te zijn gegaan, hadden wij het district Narmasjir bereikt. Met zijn sierlijke tamarinden en mimosa's schijnt het land een losgeraakt stukje van Sind. Het is er veel warmer dan in Bam. Tot in het midden der 19_de_ eeuw was het in 't bezit van de Afghanen, en tegenwoordig begint het eerst weer een weinig vooruit te gaan.

Ook verder bleef de streek goed besproeid, en er groeiden echte boomen, tot we bij een reuzenuitgestrektheid jungle kwamen en van daar in de woestijn, die weer door jungle gevolgd werd, te midden waarvan het dorp Rigan is gelegen. Het lijkt nog al wat op de kaart, maar het bestaat in werkelijkheid slechts uit een fort van gebakken leem, waar een garnizoen ligt van tien soldaten, en uit eenige huizen voor een bevolking van niet meer dan tweehonderd zielen. Te Rigan vonden wij een wanhoopsboodschap van den perzischen commissaris, dien wij bijna overvallen hadden, met verzoek onze komst uit te stellen. Wij hielden met die smeekbede geen rekening.

Tusschen ons en Bampoer strekken zich 250 K.M. van de Loetwoestijn uit. Maar daar het de beide vorige dagen zwaar geregend had, konden wij over meer en beter water beschikken dan meestal de reizigers kunnen doen, en wij legden den weg in negen dagen, bijna zonder ophouden, af.

Te Grazak, ongeveer op twee derden van den weg, verbaasde het ons, eenige tenten van nomaden te zien en een boschje van palmen. Ten slotte bereikten wij de rivier Bampoer bij Koesjgardan, waar ik reeds geweest was. Daar ontmoetten wij eene afdeeling gewapende kameeldrijvers, en ik heb zelden een woester en ongeregelder troep aanschouwd. Beschermd door dat escorte en door onze cavalerie van kleine pony's, bereikten wij Bampoer en van daar Fahradsj.

Op die plaats werden wij met groote staatsie ontvangen; het garnizoen stond langs den weg geschaard, en de muziek speelde het volkslied. De commissaris kwam kort na ons aan.

Wij huurden hier dertig beloetsjistansche kameelen, en kwamen overeen, dat ik een dagreis vooruit zou gaan, om aan de grens tegenwoordig te zijn, als de Perzen kwamen. De dagen begonnen zeer warm te worden. Te Soran meldde een bericht van kolonel Holdich mij, dat zij Pandsjgoer naderde, en dat hij de grens in het midden van Februari hoopte te bereiken.

Te Isfandak vonden wij een bekoorlijk bosch van dadelpalmen, een rivier met kristalhelder water, maar geen bewoners. Het dorpshoofd had zich niet op zijn gemak gevoeld bij het idee, den commissaris te ontmoeten, want hij was in verschillende plunderingen en andere wandaden betrokken geweest. Bij gevolg bivouakkeerden hij en zijn dorpelingen nu in de bergen, afwachtend, wat er zou gebeuren, en ongetwijfeld der Commissie de schuld gevend van hun ballingschap.

Wij waren nu op den linkeroever van de rivier Mesjked of Mesjkil. Men kan nog aan haar breede bedding en steile oevers zien, dat het vroeger een groote waterloop geweest is, terwijl men nu, zelfs in den tijd van hoog water, er gemakkelijk door kan waden. De wateren van de rivier worden door de woestijn ingedronken, en ten oosten van Djalsk voeden zij een gedeelte van de dadelboschjes.

Wij waren slechts twee uren nog verwijderd van ons doel, toen een boodschapper ons kwam berichten, dat de britsche commissie aangekomen was, en weldra konden wij de hand van landgenooten drukken na een reis van meer dan 1000 KM., voor 't meerendeel door woestijnen, met zeer weinig comfort te onzer beschikking, hetgeen wel een heldenstuk mag heeten voor een per karavaan reizende dame.

Ik wil hier eenige bijzonderheden meedeelen over de grenscommissie, die tusschen Perzië en Beloetsjistan werkte, of zooals zij wel genoemd wordt, de perzisch-kelatsche commissie.

Het is nu meer dan dertig jaar geleden, dat toen er sprake was van een telegraaflijn van Britsch-Indië over land, Sir Frederick Goldsmith dat afgelegen gebied bereisde, en het eindresultaat was toen, dat er een grenslijn getraceerd werd van Koeak naar de zee. Koeak, dat toen als een sterke vesting werd beschouwd, was te dien tijde onafhankelijk en bleef dat ook. In het Noorden tot Seïstan was het land nog onbekend, en men wist eigenlijk niet, aan wien het behoorde, zoodat men daar geen moeite deed voor de vaststelling der grens. Perzië had toen het geluk, er een uitmuntende gouverneur te hebben in den persoon van Ibrahim Khan. Hij deed al wat hij kon, opdat men zich van de vaststelling der grens zou onthouden; maar toen hij het niet kon verhinderen, maakte hij zich van Koeak meester, zoodra de engelsche commissaris vertrokken was. Die daad werd niet erkend door onzen minister van Buitenlandsche Zaken; maar daar wij nog tien jaren lang geen notitie namen van ons protectoraat over Kelat, bleef alles bij het oude.

Maar toen wij troepen te Pandsjgoer hadden liggen, en de razzia's ondragelijk werden, gaven wij Zijner Majesteit Nasr ed Din in overweging, het nog onbepaalde gedeelte der grens definitief vast te stellen, terwijl wij terzelfdertijd de quaestie van Koeak zouden oplossen. Er had op die punten een drukke briefwisseling plaats; een oogenblik dreigden de onderhandelingen te zullen worden afgebroken, daar de shah er tegen opzag, zich de kosten te getroosten voor een commissie, die niet ten doel had, zijn inkomsten te vergrooten, toen plotseling Naoroz, khan van Kharan, de palmboschjes van Mesjkil bezette. Dit nieuws bereikte Kirman, waarna de gouverneur mij een officiëelen brief schreef, om mij te verzoeken, de indringers van den perzischen bodem te verdrijven. In mijn antwoord deed ik hem opmerken, dat dergelijke incidenten onvermijdelijk waren, zoolang de grens niet vastgesteld was, en dat het mij onmogelijk was, in dien tusschentijd handelend op te treden. Een copie van dien brief werd door den gouverneur naar Teheran gezonden, en Zijne Majesteit kon zich dus rekenschap geven van de gevaren zijner onverschilligheid. Toen besloot de shah toe te geven en de commissie te benoemen, die op het einde van Februari te Koeah bijeenkwam.

Onze commissie was niet zeer talrijk; voorzitter was kolonel, thans Sir Thomas Holdich, de commissieleden waren kapitein A.C. Kemball en mijn persoon. Luitenant-kolonel R. Wahab leidde de topografische expeditie, en luitenant C.V. Price voerde het bevel over het escorte, dat uit twee compagnieën fuseliers en eenige sowars bestond.

Wij waren te Koeak aangekomen vier dagen na de engelsche commissie en het perzische commissielid kwam den volgenden dag, doch als wij geen haast hadden gemaakt, zouden we ons werk niet voltooid hebben in het koude seizoen. Zelfs op dat oogenblik was de zon om ruim tien uur reeds te brandend heet, om niet gevaarlijk te zijn, en de tijd van helderen hemel, zoo noodig voor topografische opnemingen, duurt slechts tot einde Maart en wordt gevolgd door zes maanden nevel.

Toen allen bijeen waren, deed zich de moeilijke vraag voor, wie het eerste bezoek moest brengen. Onze meening was, dat omdat wij het eerst waren aangekomen, het de Perzen waren; maar dezen, zich op hun etiquette beroepend, hielden een redeneering in tegengestelden zin. Kolonel Holdich, beweerden ze, was slechts een afgevaardigde van den onderkoning van Indië, terwijl de perzische afgevaardigde den koning der koningen zelven vertegenwoordigde. Het debat zou zich dagen aaneen hebben kunnen voortzetten; het liep hierop uit, dat, daar de perzische commissaris en de gouverneur van Beloetsjistan mij te Kirman een bezoek hadden gebracht en te Fahradsj, zij niet konden nalaten, nu hun opwachting bij mijn superieur te maken.

Toen de Perzen kwamen, bewezen wij hun alle mogelijke eer. Maar wij hadden samen slechts een zeer kort gesprek, wat voor een deel het gevolg was van het feit, dat het Perzisch, 't welk in Indië wordt gesproken en dat van Iran twee geheel verschillende talen zijn. Men had in Indië niet genoeg met dat verschil rekening gehouden, zoodat onze tolk, die voor zijn bemoeiïngen een zeer hoog salaris kreeg, zelfs niet in staat was een brief te vertalen, en dat de geheele taak der vertolking op mij neerkwam.

Het uitgangspunt voor het werk der commissie lag aan de Mesjkil tegenover Koeak; een kunstmatige heuvel werd op den linkeroever opgericht, niet zonder eenigen tegenstand. Maar voor de plaatsing van den tweeden grenspaal was langere discussie noodig. Als mijn zuster den heuvel niet beklommen had, waar wij den hoop steenen opstapelden, zou nooit de dikke gouverneur van Beloetsjistan in de beklimming hebben toegestemd. Eenmaal boven, werd hij, na op adem te zijn gekomen, weerspannig en verklaarde, dat wij hem een kostelijke en vruchtbare provincie afnamen; feitelijk was het een lapje van twintig aren. Het feit, dat de grenzen reeds zóó te Teheran waren getraceerd, beteekende voor hem niets; wij lieten zijn vrienden hem kalmeeren.

De onvermoeide kolonel Wahab verliet ons hier, om de Siaharketen te bestijgen, en wij gaven hem het denkbeeld aan de hand, zich te doen vergezellen door Soliman Mirza, vertegenwoordiger van den gouverneur van Kirman. Deze stemde daar slechts noode in toe; maar hij besteeg toch piek na piek met zijn engelschen collega, die een volleerd bergbestijger was.

De beide commissies begaven zich toen in twee étapes naar Isfandak en van daar naar Djalsk over den Bonsazpas, aan welks begin wij kampeerden. Daar deed zich een nieuw incident voor, want de perzische commissaris had laten rondstrooien, dat een grenspaal ten westen van den pas was geplaatst, hetgeen de gemoederen ten hoogste verontrustte. Wij gingen ons overtuigen, dat het niets anders was dan een paal voor de triangulatie, en wij drukten er onze spijt over uit, dat men ons van zulk een daad verdacht had, waarover de Perzen zich op hun beurt teleurgesteld toonden.

De beide commissies waren uit de meest verschillende elementen samengesteld, Engelschen, Perzen, Beloetsjen, soldaten der geregelde en ongeregelde troepen. Wij hadden veel kameelen bij ons en ezels en muildieren, alsook een kudde schapen en geiten.

Wij bleven veertien dagen te Djalsk, gedurende welken tijd men de grenspalen zette, die de palmboschjes van Mesjkil bij Kelat voegden, zooals te Teheran was afgesproken. Het meer noordelijk gelegen district was slechts woestijn, en kolonel Holdich stelde, om een nieuwe wintercampagne te vermijden, voor, als grens de ketenen aan te nemen, die naar 't Zuidoosten liepen van den Koeh-i-Malik-Sia af en dan alleen een vliegende colonne uit te zenden voor de exploratie.

Toen de Pers dat goed had gevonden, bleef er niet anders te doen dan te beschikken over enkele niet belangrijke palmbosschen. Daar ik er in 1893 in Sarhad over had hooren spreken en ik enkele aanteekeningen over die quaestie had gemaakt, ging de zaak gemakkelijk.

De oase van Djalsk is zeer groot, zij beslaat een tiental vierkante kilometers. Men vindt er overal dadelpalmen, waaronder gerst en tarwe en boonen groeien, en in de tuinen treft men granaatappelen, vijgenboomen en wijnstokken aan. Een moerassige plas ligt midden in de oase, die acht verspreid liggende dorpen telt.

In de oase zijn een zeker aantal bouwwerken in het bezit van koepels; zij bevatten de graven van een oud vorstengeslacht, dat over Beloetsjistan heeft geregeerd.

Op het perzische Nieuwjaar 21 Maart, even vóór wij uiteen zouden gaan, onstonden nog weer quaesties over den voorrang tusschen den gouverneur van Beloetsjistan en den vertegenwoordiger van den Shah, maar door wat schikken en plooien liep alles goed af.

Den volgenden dag vertrokken wij vroeg van Koeak na een allerhartelijkst afscheid. Zoo eindigde het werk van de perzisch-beloetsjistansche commissie.

Wij moesten nu tot Quettah door Britsch Beloetsjistan reizen. Dat land heeft nog geen historieschrijver gevonden tot heden, ofschoon het materiaal voor zijn historie gereed ligt. Aardrijkskundig breidt het westelijk deel zich als woestijn naar het Noorden uit tot de woestijn Helmand en bestaat in het midden en het Zuiden uit lange, smalle dalen, die met de grootste regelmaat van het Noordoosten naar het Zuidwesten loopen. Meer oostwaarts komt men in de beloetsjistansche bergen, takken van den machtigen Hindoekoesj en op die groote hoogvlakte liggen Kelat en Quettah. Zooals men kan begrijpen, is het klimaat van het westelijk deel des lands bijna gelijk aan dat van perzisch Beloetsjistan, en men vindt te Pandsjgoer dadels, die tot de beste der wereld behooren; maar tusschen Kelat en Quettah is de koude soms vrij hevig, en ik herinner mij, dat de kolonel Wahab mij een plek wees, waar zijn expeditie door een storm was overvallen. In de duisternis hadden zij hun tenten geplaatst achter een heuvel, naar zij meenden, en den volgenden dag bleek het, dat het een hoop ossen waren, die door de vorst waren omgekomen.

De bevolking van britsch Beloetsjistan is zeer gemengd, en zij is nog in 't geheel niet gewend aan de beperkingen die het leven in de beschaafde maatschappij meebrengt. Men vergeet echter wel eens, dat de eerste vertegenwoordiger van Groot-Brittannië pas voor nog geen twintig jaar te Pandsjgoer verscheen in den persoon van Sir Robert Sandeman. Daar de Indische regeering niet graag noodeloos groote uitgaven wilde doen, begon zij gedurende vele winters alleen een officier op expeditie naar het land te zenden. De Beloetsjen wachtten dan slechts op zijn vertrek, om hun onderlinge twisten te hervatten.

In 1891 beval majoor Muir, die de rechtspraak in handen had, de gevangenneming van Mir Sjahdad, een bekend roover. Deze verzette zich met zijn aanhangers; een ongewapende bediende werd gedood, en de majoor zelf ernstig gewond, terwijl Shahdad er in slaagde, zich uit de voeten te maken. Toen hij daarna op de hoogte was gebracht van mijne aanwezigheid te Kirman, gaf hij zich ten laatste over aan Kemball, toen deze zijn reis ondernam in 1894 en 1895. Er werd toen een paar jaar lang een klein garnizoen te Pandsjgoer onderhouden; maar dat werd in 1896 ingetrokken, daar het land tot rust gebracht scheen.

Eenige kilometers van Koeak verwijderd, werd de eentonigheid van de reis op aangename wijze verbroken door de verschijning van twee beren, de eerste, die ik in Beloetsjistan onder de oogen kreeg; zij joegen Tumbull, die hen had ontmoet, op de vlucht. Wij gingen ze achtervolgen, maar konden ze niet onder schot krijgen. Beren moeten er zeer zeldzaam zijn, en ik heb buiten dezen eenen keer nog slechts een enkele maal hun sporen gezien.

Wij gingen over de Mesjkil, die ongeveer een voet diep was en koffiekleurig water had en betraden toen het Raksjandal. Die rivier is breed en ondiep, maar had ziltig water, dat ook de minst verwende onzer soldaten ondrinkbaar vonden, en het speet ons zeer, dat wij een vat bier aan onze perzische collega's hadden afgestaan en dat ons meel beschimmeld en oneetbaar was.

Wij stegen intusschen aanhoudend, zooals ook onze aneroïde barometers aanwezen. De tochten waren uiterst eentonig; de eene dag volgde den anderen, zonder dat men ergens een teeken van leven te zien kreeg. Intusschen waagden wij ons aan gissingen omtrent de oorzaken, die de bevolking uit het dal hadden doen vluchten. Wij zagen op de terrasvormige hellingen hier en daar nog hoopen aardewerk en gereedschap. Natuurlijk had de krijg velen verdreven; maar buitendien had in dit district, zoowel als in de naburige provincies, de vernieling der bosschen een vermindering in de hoeveelheid regen, die er viel, teweeggebracht, had de bronnen doen opdrogen en had ten laatste de bevolking op de vlucht gedreven.

Toch kan men zich hier wel water verschaffen, en artesische putten zouden zeker uitstekende diensten kunnen bewijzen; maar wat mij vooral trof, was de geschiktheid van het land voor de teelt van kameelen. Overal was de grond dicht bedekt met kreupelhout, terwijl het klimaat deed denken aan dat van een groot deel van Afghanistan. Kameelen, die daar werden grootgebracht, zouden zeker den dienst over de grenzen kunnen waarnemen, wat niet het geval is met de kameelen uit de vlakte. Zelfs in den jongsten afghaanschen oorlog heeft, zegt men, de miskenning van deze waarheid den dood van zes-en-dertig duizend kameelen veroorzaakt, en niet alleen bracht dat verlies den geheelen transportdienst in de war, maar het veroorzaakte ook veel ziekten. Het blijft in elk geval te betreuren, dat men geen gebruik maakt van deze woeste streek, waar wij 320 K.M. ver geen teeken van leven zagen.

Te Nagha Kelat, waar wij twee dagen bleven, om onze kameelen te laten uitrusten, maakten wij van het oponthoud gebruik, om de reusachtige ruïnen, die er zich bevinden, te gaan zien; vooral die van groote waterréservoirs of gobasta's waren interessant.

Het werd einde April, toen we Kelat bereikten, de hoofdstad van Beloetsjistan, op de aanzienlijke hoogte van 2100 M. gelegen. De stad heeft een bevolking van bij de 50,000 inwoners, die in aantal wisselt met de seizoenen; midden in den winter is de stad zoo goed als verlaten. De bazars zijn zeer middelmatig, en men ziet aan alles, dat de hier wonende menschen ver beneden de Perzen staan in de vorderingen der beschaving.

In 1838, in den eersten oorlog met Afghanistan, werden britsche officieren naar Kelat gezonden, om de medewerking van den khan te krijgen bij het noodzakelijk reizen door zijn land op den tocht naar Kandahar. Men kreeg eenig wantrouwen, dacht aan verraad, en in November 1839 viel een britsche krijgsmacht Kelat aan en maakte er zich bij verrassing van meester.

In 1877 kochten de Engelschen Quettah, en in den volgenden oorlog met Afghanistan bewees Khoedabad, khan van Kelat, ons groote diensten. Zijn zoon Mahmoed Khan is hem opgevolgd en regeert thans over Kelat.

Maar om mijn verhaal te vervolgen. Wij trokken over een niet zeer hoogen pas in de bergen en kwamen tegenover een schilderachtig gelegen fort, waar zich de broeder van den khan bij de britsche commissarissen aansloot met eenige juist aangeworven lansiers. Ons bivak werd dichtbij de armoedige gebouwen opgeslagen, waar de politieke agent woont; maar wij hadden geen reden tot klagen, want de tuin leverde ons de beste groenten, die wij sinds we te Djalsk waren, hadden geproefd. Daar had men ons een heerlijken schotel linzen voorgezet. Wij waren nu weer aan de telegraaflijn, die wij te Kharan hadden verlaten, en twee étapes verder, na door het heerlijke Mastangdal te zijn gegaan, bereikten wij den weg van Kelat, die toen in aanleg was en die nooit geheel voltooid is geworden.

In ons laatste kamp konden we den spoorweg zien over den Bolanpas, zoo goed als geheel voltooid. Onze perzische bedienden kwamen zeggen, wat het was, blij dat ze ons wat nieuws konden vertellen. Onze paarden namen hier met niet veel genoegen de noodige rust en gingen bijna op hol, toen ze eerst een spoorwaggon en toen het station zagen. Wijzelven waren verrukt van de frischgroene omgeving en de mooie lanen, en toen wij eindelijk het consulaat van Quettah hadden bereikt, voelden wij neiging, om uit te roepen: "Hier moet werkelijk het paradijs zijn geweest!"

De vriendelijke ontvangst van Sir James Brown, zijn mooi huis met het echt engelsche aanzien en vol van smaakvolle weelde, besloten op aangename wijze deze reis, en mijn zuster kon voortaan aanspraak maken op de eer, de eerste vrouw te zijn geweest, die te paard van de Kaspische Zee naar Indië reed over een afstand van meer dan 3000 K.M.

V

Seïstan.--Zijn geschiedenis.--De delta van de Helmand.--Vergelijking van Seïstan met Egypte.--Uitstapjes in Helmand.--Terugkeer van Yezd naar Kirman.

Een nieuwe tocht ter grensvaststelling was noodig, om het werk te voltooien van de engelsch-perzische commissie, tusschen Afghanistan, Beloetsjistan en Perzië. Op 2 Januari 1899 waren wij te Robat-Kelat aangekomen, dichtbij den zuidwesthoek van Afghanistan, en we zouden Seïstan binnentreden. Zonder weer het werk der grensregeling te beschrijven, wil ik een en ander meedeelen over de aardrijkskundige gesteldheid van dit land, dat tot nu toe zoo onvoldoende bestudeerd is.

Seïstan is het land der roemrijke geslachten van krijgers, waar Rustem uit is voortgekomen, de held van Firdoesi's heldendicht, die nu nog, als vóór duizend jaren, de nationale held der Perzen is. Al wat men niet begrijpt, wordt aan hem toegeschreven, zelfs bij voorbeeld de sassanidische beeldhouwwerken op de rotsen te Persepolis.

De tijd der dynastieën van Parthen en Sassaniden wordt in die provincie door geen merkwaardige gebeurtenissen gekenmerkt; maar de arabische veroveraars zijn er misschien verantwoordelijk voor, dat de zeer oude steden Keikobad en Garsjap totaal verwoest zijn, en dat op die plekken arabische steden zijn verrezen.

In 1363 maakte hij, die later de beroemde Timoer worden zou, zich van verscheiden dorpen meester; maar hij werd verslagen en moest zich in Makran terugtrekken. In dezen veldtocht deed hij de wonde op aan den voet, die hem den bijnaam lang, den kreupele, bezorgde, waardoor hij Timoerlang of Tamerlan werd. Hij verscheen weer één-en-twintig jaren later, maar als veroveraar en moordenaar en maakte zich van Zirra, daarna van Zalidan meester, dat toen waarschijnlijk de hoofdstad der provincie was. Het garnizoen der stad werd aan zijn degen geregen, en de ruïnen bleven aan de jakhalzen overgelaten, die er nog leven. Tot overmaat van ramp vernielde Timoer het groote afdammingswerk, dat den naam van Band-i-Rustem droeg.

Door zulke rampen veranderde geheel het voorkomen der provincie. Seïstan, bestaande uit het meer en de delta, door de Helmand gevormd, was op dat oogenblik door aanslibbing der rivieren aan de noordzij van het meer ontstaan, terwijl het latere bewoonde Seïstan op de plaats lag van het verdwenen en uitgedroogde meer.

Dat Alexander de Groote op zijn tocht deze streken passeerde, bewijst, dat zij toen niet zoo droog waren als tegenwoordig, en op een groot deel van Azië is ditzelfde van toepassing.

Het tegenwoordige Seïstan heeft de Helmand of Hilmend tot oostgrens, terwijl zich in het Noorden en Westen de hamoen uitstrekt, de lagune. In het Zuidoosten van het bewoonde Seïstan bevindt zich de Gand i Zirra of het Zirrahol, waarin het water der lagune gebracht wordt door den Sjelag, een waterloop van 350 M. breedte met 15 M. hooge oevers, waar ik er overheen trok. Het groote bekken zelf is minstens 160 KM. lang en 50 KM. breed; het heeft zeker al het water opgenomen, dat men nu in het meer vindt, of ten minste al het overvloedige van de hooge waterstanden, anders kan men zich onmogelijk de groote uitgestrektheid verklaren. Als het meer veel water heeft, is de Sjelag een rivier met zout water, die met de Helmand evenwijdig loopt maar in tegengestelde richting en daarvan gescheiden is door zandduinen. In 't algemeen is er niet anders dan een moeras in de laagste inzinking, en zelfs in het voorjaar bedekken de wateren geen tiende deel van zijn oppervlakte. Volgens Istakhri liep de Helmand uit in het meer Zirra. Vóór de aankomst van Tamerlan was de rivier afgedamd en van dien dam, de Band-i-Aok of Akoa ging een breed kanaal uit, dat diep was en waaruit het district in het Zuiden werd besproeid. Men vindt er nu niet anders dan de resten van groote steden. De grootste was Hauzdar, waar volgens de legende de zoon van Rustem gedood werd.

De hoofdarm van de delta vloeide toen naar het Noordwesten, maar toen na den inval der Tartaren en de verwoesting der kanalen Hauzdar zijn toevoer van water verloor, werd Sekoeba de hoofdstad van Seïstan.

Voor zoo ver wij weten, hadden er geen groote veranderingen plaats, tot een zestigtal jaren geleden volgens Conolly, die er kort daarna een reis ondernam, de nieuwe afdammingen door het water weggesleurd werden en Seïstan tot droogte veroordeelden. Tusschen 1840 en 1850 heeft men weer nieuwe leidingen aangelegd.

Toen Sir Frederick Goldsmith als scheidsrechter was benoemd tusschen Perzië en Afghanistan, plaatste hij de grens aan de rivier, waarvan de loop niet was veranderd. Maar acht jaren geleden baande zij zich, door de alluviale aanslibbingen waarschijnlijk, een doorgang naar het Westen, en op den tijd van ons bezoek stroomde de hoofdarm van de Helmand onder den naam van Roed Perian naar het Oosten en evenwijdig met de Roed Nasroe, die Djahanabad, Ibrahimbad en Djalalabad had verwoest, de wieg der kejanische dynastie. Men begrijpt, dat de rivier, die geen tegenstand meer ontmoette, haar oorspronkelijken loop hernam, en van toen af konden de Afghanen zich terecht beklagen, dat zij op een droogje werden gelaten, daar de arm de Nad-i-Ali slechts weinig water had.

Om op de geschiedenis terug te komen, het land werd na Tamerlan bestuurd door den stam der Kejaniërs, die voorgeeft, af te stammen van de koninklijke familie der Achemeniden. Het hoofd was nu en dan onafhankelijk, maar toen de dynastie der Saffaren haar hoogtepunt van macht had bereikt, moest hij zich onderwerpen en erkende het oppergezag van Perzië.

Toen Isfahan belegerd was geworden door de Afghanen, kwam Malik Mahmoed, de regeerende vorst, te hulp met 10,000 soldaten, maar daar de overweldigers hem het bezit van Khorassan hadden beloofd, liet hij de koningsstad aan haar lot over. Kort daarna werd hij te Mesjed door Nadir gevangen genomen, die zich op de eerste plaats begon te dringen, en zijn erfgenamen, twee broeders, hielden een beleg van zeven jaren uit op den Koeh-i-Khoya; maar zij verzoenden zich ten laatste met den overheerscher en onderwierpen zich.

Bij den dood van Nadir Sjah werd het koninkrijk Afghanistan gesticht door shah Ahmed, die geheel Oost-Perzië in bezit had, met Kain en Seïstan erin begrepen, provincies, die van Herat uit bestuurd werden. De stam van de Kejani's verdween langzamerhand; op het eind der 18de eeuw werd de stam der Nahrveï's uit Beloetsjistan uitgenoodigd, zich in Seïstan te vestigen, om een tegenwicht te vormen tegen de Sjahreki's en Sarbandi's.

Tegen 1850 werd Ali khan, het hoofd der Sarbandi's, schatplichtig aan Perzië en verkreeg de hand der dochter van Bahram Mirza, een bloedverwant van den shah. Doch deze werd overwonnen en gedood door een van zijn neven Tadsj Mohammed, die eerst erkend werd, doch later in de gevangenis geworpen, toen ontsnapte en verder een zwervend leven leidde, dat hij te Quettah eindigde.

Daarna nam de perzische regeering geleidelijk Seïstan in bezit en begon de forten aan de overzij van de Helmand weer te bezetten. Maar Sjïr Ali, de beheerscher van Afghanistan trachtte dat te beletten, en om een oorlog tusschen Perzië en Afghanistan te voorkomen, stemde de britsche regeering erin toe, scheidsrechterlijk op te treden, volgens het tractaat van Parijs.

Het was een moeilijk geval. De scheidsrechter had niet alleen tusschen tegenstrijdige eischen te kiezen, maar moest ook den waren status quo vaststellen. Toen generaal Goldsmith echter inzag, dat een volledige enquête onmogelijk was, kwam hij naar Teheran terug en liet van daar zijn beslissing vallen, waardoor de Helmand de grens werd, en Perzië het geheele gedeelte kreeg, waar eenige opbrengst van was te verwachten. Toch kwamen beide partijen in hooger beroep, en de beslissing werd uitgesteld.

Seïstan werd een weinig uit het oog verloren. Maar de openstelling van den weg Quettah-Noesjki-Khorassan, een der resultaten van de perzisch-afghaansche onderneming tot vaststelling der grens, vestigde er weer de aandacht op, en kapitein Webb Ware bracht er een bezoek aan in 1897. Er werd een russische vice-consul benoemd in den herfst van 1898, en in datzelfde jaar kreeg ik de opdracht, er een britsch consulaat te vestigen.

Intusschen waren wij aangekomen bij de zwarte, lage bergketen Koeh-i-Malik-Sia, die alleen belangrijk is, omdat daar de drie rijken, Groot-Brittannië, Perzië en Afghanistan aan elkander grenzen.

Ik ontmoette Wood en zijn expeditie bij het station Hoermak, het laatste waar wij vóór Helmand nog versch water zouden vinden. Dan zou een eindelooze, dorre vlakte volgen, die een troosteloozen aanblik opleverde.

Den volgenden morgen kwamen wij aan den oever der Sjelag, die groote zoutwaterplassen vormde, waar eenige eenden in rondzwommen. In een diagonaal passeerden wij de breede, diepe bedding der rivier, en na den linkeroever te hebben bereikt, zagen wij de eerste ruïnen. Wij sloegen ons kamp op te Girdi-Sjah, waar ik mijn post moest vestigen niet ver van de Ramroed-ruïnen, waar de huizen, van leem opgetrokken en reeds zoo lang verlaten, nog zoo goed als bewoonbaar waren. Girdi-Sjah, de eenige plaats, die mijlen ver in 't rond drinkbaar water had aan te bieden, wordt altijd aangedaan door de karavanen, die uit Perzië of uit Afghanistan komen. Mijn sowars hebben er wat koren gezaaid en hebben de putten en bronnen schoon gemaakt, zoodat daar later een dorp zal kunnen ontstaan, wat een groote weldaad voor de karavanen zal zijn.

De volgende etape bracht ons door een gebied van verlaten steden en dorpen. We passeerden de ruïnen van Koendar en Hauzdar, en we kampeerden te Asak-Sjah, waar wij eenige bronnen met vrij goed water aantroffen, in de buurt waarvan groote kudden schapen graasden. We waren nu dicht bij het bewoonde Seïstan.

Over een grasvlakte rijdend, kregen wij weldra het eerste besproeiïngskanaal te zien, dat wel 5 M. diep was. Onze paarden waren overgelukkig, en zij dronken zoo begeerig, dat wij hen wel tot hun eigen heil moesten weghalen. Langs door het water afgesleten rotsen kwamen we bij Varmal, een groot dorp, bevolkt met een duizendtal inwoners. In ons kamp aangekomen, genoten we van de verrassing, daar zakken met gerst en meel te vinden; we waren nu weer in een land van overvloed.

Ik ben getroffen geworden door de overeenkomst, die er bestaat tusschen Seïstan en Egypte aan den eenen kant, en Sarhad en Palestina aan den anderen. Seïstan is even afhankelijk van de rivier de Helmand of Hilmend als Egypte van den Nijl, en de beide districten zijn de korenschuren voor de omringende gebieden. Eveneens maakt de droogte juist als in Palestina het land in Sarhad onbewoonbaar; de kudden schapen en geiten sterven door gebrek aan voedsel. Als ik in Sarhad onderzoek deed naar een stam, die er vroeger had gewoond, luidde onveranderlijk het antwoord, dat hij naar Seïstan was gegaan.

Zooals Abraham en Jacob genoodzaakt waren naar Egypte te gaan, om het bestaan van hun gezinnen te verzekeren, zoo vereenigen de nomaden zich in Seïstan en in de buurt. Om de vergelijking te voltooien nog dit, dat, zooals de reiziger in Egypte door de arabische woestijn trok met het oog gericht op de Middellandsche Zee, zoo sleepen zich de herders, die van hongersnood te lijden hebben, met moeite door de woestijn naar Seïstan en zien daar de breede Helmand en de moerassen, het vochtige land, dat herders en kudden van den dood zal redden.

Ons eerste bezoek aan het meer vertoonde ons een groote uitgestrektheid water, volkomen open en bedekt met myriaden wilde vogels. Als ze opvlogen maakte dat hetzelfde geluid als de zee kan maken, als de golven breken op de kust. Zij waren buiten het bereik van onze geweren, en wij hadden geen boot om erbij te komen.

In het kamp teruggekeerd, vonden wij er een ambtenaar, dien de gouverneur gezonden had, om ons naar zijn residentie te geleiden. Gedurende den tocht naar Nasratabad vielen velen onzer kameelen met hun lasten neer, soms in de irrigatie-kanalen. Er is geen treuriger aanblik, dan zoo'n arm schip der woestijn in het water te zien.

Op zes kilometer afstands van Nasratabad voegde zich de gouverneur, Mir Masoem Khan, bij ons. Maar na enkele begroetingen en wat muziek ter eere van den avond, die aan den Ramadan voorafgaat, liet men ons in ons kamp met rust.

Het fort van Nasratabad, vroeger Nasirabad, is gebouwd door den emir van Kain, nu zoowat dertig jaar geleden, in den tijd toen Perzië zich in Seïstan vestigde, in de onmiddellijke nabijheid van Husseinabad, een belangrijk dorp van twintig duizend zielen. Het bestaat in een omsloten ruimte van een weinig meer dan 50 HA. oppervlakte, omringd door negen meter hooge muren van aanzienlijke dikte, waar torens op zijn geplaatst dicht bij elkaâr. Daaromheen een overdekte weg met schietgaten en een diepe gracht, die soms vol water is.

In het inwendige ziet men van vijftig tot honderd winkels, waar soldaten zich met den handel bezig houden tijdens hun verblijf in Seïstan. Ook treft men hier en daar enkele kleine, bebouwde velden aan en overal ontmoet men ezels als rij- en lastdieren. Het garnizoen van Nasratabad bestaat uit twee regimenten.

Mir Masoen Khan, de gouverneur, is een jonge man van negentien jaren, wien ik op 't eerste gezicht vijf-en-twintig zou hebben gegeven, misschien gedeeltelijk omdat hij een blauwen bril droeg. Wij brachten hem den dag na onze aankomst een bezoek. Hij had een bleeke, ongezonde tint, en ik vond hem zeer onwetend en lichtelijk ijdel, wat in die omgeving van perzische hovelingen niet te verwonderen was.

Van Nasratabad keerden wij naar Varmal terug, waar ik samen zou komen met de expeditie Webb Ware. Twee dagen later verliet zij ons, en om het gevoel van eenzaamheid te overwinnen, besloot ik den Koeh-i-Khoya te gaan bezoeken.

Het is de eenige berg van Seïstan, en hij speelt een groote rol in de oude heldengeschiedenis van het land. De berg is niet hoog en vlak, en men zou hem zeker den Tafelberg hebben genoemd, als de Perzen tafels hadden. Alleen van het zuiden en zuidoosten was de berg toegankelijk. De geheele oppervlakte was overdekt met openingen, resten van mijnen en grachten, van waterleidingen en réservoirs van het regenwater, of men vond er gesloten graven, waar ruw opeengestapelde steenblokken op lagen of een koepeltje van leem was gebouwd.

Van den Koeh-i-Khoya ging ik naar Band-i-Seïstan aan de Helmand. Te Dolatabad, stond de omgeving onder water en het dorp was een eiland geworden. De huizen zijn ellendige leemen hutten met modderpoelen ervoor en een ezel ernaast. Zoo is het heel Seïstan, ook te Sehkoeba, het volgende dorp, dat doorgaat voor de hoofdstad van Seïstan.

Wij brachten meer dan één bezoek aan de Helmand, de Etymander uit de oude aardrijkskunde. Het is een mooie rivier, even breed als de Theems vóór den Tower van Londen, en na vele maanden reizens door de woestijnen, was voor ons de aanblik bijzonder verkwikkend.

De dam bij Band-i-Seïstan scheen zeer weinig soliede. Maar misschien ligt zijn kracht in zijn zwakheid, want hij kan gemakkelijk hersteld worden, terwijl een steenen dam, op die plek aangelegd, een verandering zou kunnen teweegbrengen in den loop der rivier.

Ten tijde van de expeditie naar Seïstan had hij de volgende afmetingen. De totale lengte was 220 M. de grootste breedte 33 M., de hoogte 5 1/2 M. Op den tijd van mijn bezoek waren breedte en hoogte van den dam sterk verminderd, en ofschoon het laag water was, vloeide de stroom erdoor of er overheen. Het eenige hout, dat erbij gebruikt was geworden, was dat der tamarinde; palen van geringe dikte waren in de bedding der rivier geslagen en dunne takken waren er doorheen gevlochten. Om de constructie steviger te maken, worden er takkebossen aan toegevoegd, die ieder jaar vernieuwd moeten worden. Zoo is Seïstan feitelijk zonder water, als de toevloed, teweeggebracht door het smelten der sneeuw op de Berberbergen opgehouden heeft, en duizenden dorpelingen moeten dan aan het werk gaan, om den dam te herstellen.

Er wordt beweerd, dat de Helmand uitstekende visch levert; maar die wij vingen, was altijd flauw en smakeloos. De oevers van het kanaal, dat Madar Ab of Moeder der wateren wordt genoemd, zijn bedekt met een dichten plantengroei van lage tamarinde, een der weinige jungles, die ik in Perzië heb gezien.

Wij gingen in den omtrek op snippen en eenden jagen. Het was geen kwaad jachtterrein; maar wij liepen onophoudelijk door het water, en zoo werd het zwaar werk. Al dit land, dat nu met tamarindestruiken en hoog riet bedekt is, was nog slechts enkele jaren bebouwd.

Men vindt er ook nog ruïnen van oude steden, als Sjahristan en Zahidan. De belangwekkendste waren die van een toren van gebakken steen, omstreeks twintig meter hoog. Een breede bres aan de zuidzijde bedreigt hem met verval en instorting, welke ramp niet lang meer kan uitblijven. De toren, waarop koefische opschriften zijn te lezen, was blijkbaar de minaret van een verdwenen moskee.

Nadat wij weer eenige dagen in het kamp te Nasratabad hadden doorgebracht, toog ik er op uit voor eene nieuwe excursie, waarbij ik mij voorstelde, de lagune te bezoeken. Rondom het dorp Haldimi woont aan de oevers der lagune de stam der Sajaden, die mij belang inboezemden, omdat ze waarschijnlijk tot de oorspronkelijke bevolking van het land behoorden. Dat beweren ze ten minste, en hun uiterlijk schijnt het te bevestigen.

Dichtbij hen wonen de Gaudars, wier kudden zich te goed doen aan het jonge riet van de lagune. De koeien van Seïstan genieten een goede reputatie.

De Sajaden zijn volgens hun zeggen de eenige echte Seïstani's, en dat is mogelijk, want zij alleen hebben kunnen ontkomen aan de mongoolsche horden, door voorraden mee te nemen aan boord van de groote vlotten en zich ermee in het riet te verbergen. De stam telt ongeveer vierhonderd gezinnen.

Wij gingen door Djalalabad, vroegere bezitting van den stam der Kejans, nu een onbeteekenend plaatsje. De nieuwe loop van de rivier heeft het dorp gespaard, maar 't bouwland vernield. Wij bezochten de ruïnen aan de Roed Nasroe. Men vindt daar overblijfselen van steenen huizen, die op een beteren bouwtrant wijzen dan de gewone leemen verblijven. Zeker hebben Timoer en shah Roek aan de perzische beschaving een zwaren slag toegebracht, waardoor de loop der geschiedenis een wijziging heeft ondergaan.

Mian Kangi bleek een dichte jungle van tamarindestruiken tusschen die Roed Persian en de Helmand, waar op de open plekken dorpen lagen. De rivier, de Helmand, is er zeer ondiep; de bedding was bijna droog, toen wij erdoor trokken. Daar wij niet door de dichte struiken konden marcheeren, moesten wij wel de rivier volgen, en in de weinige dorpen hoorden wij telkens verhalen over de onderdrukking door de Afghanen.

De uit Europa gekomen schrijvers zijn naar mijn bescheiden meening veel te streng, als zij over toestanden in Perzië oordeelen. Om alleen maar over deze provincie Seïstan te spreken, vóór de perzische regeering er bezit van nam, was het leven van geen enkel reiziger er veilig. En ten tijde van de eerste zending naar Seïstan was daarin reeds veel verbetering gekomen, terwijl men nu in het district even veilig is als in de meeste landen van Europa. Een geregelde immigratie heeft er plaats uit Afghanistan, en zoo neemt het bebouwde deel van het land steeds toe; het is wel verviervoudigd onder de regeering van Nasr ed Din.

Mijn beide excursies hadden mij Seïstan goed doen zien, en ik kan er nu met kennis van zaken over oordeelen. Het wordt, zooals ik heb gezegd, in twee deelen verdeeld, de boomlooze streek en de jungle. In beide is de grond dezelfde en bestaat in hoofdzaak uit een lichte leemsoort. Op sommige einden treft men veel vierkante kilometers van zandheuvels, die toch wel voor bebouwing geschikt zouden zijn. Rondom Nasratabad bevat de grond veel zout en men vindt er veel gaten en kuilen en ondiepe plassen, die een opperbeste kweekplaats opleveren voor schadelijke muskieten. Gelukkig dat er van April tot Juni in Seïstan een nog al krachtige wind waait, die het district bewoonbaar maakt en, hoewel warm en niet aangenaam, toch de malariadampen wegvoert.

Lord Curzon behandelt in zijn boek over Perzië uitvoerig de quaestie van Seïstan uit politiek oogpunt. Ik heb haar slechts beschouwd met het oog van den geograaf. Er is reeds opgemerkt, dat het een klein Egypte was, een korenschuur voor de omliggende streken. Dat karakter wordt nog meer in het oog vallend door de ligging van het land halfweg tusschen de russische bezittingen en de Perzische Golf, met aan beide zijden zeer weinig bevolkte landstreken. Daarbij is het 't eenige bebouwde district tusschen Quettah en de provincie Kirman. Aan den anderen kant bestaat het bebouwbare Seïstan met een bevolking van nauwelijks 100,000 inwoners, 7000 nomaden daaronder begrepen, uit niet veel meer dan de delta der Helmand. Ik geloof niet, dat de groote hoeveelheden water, die tegenwoordig ongebruikt worden gelaten door een andere mogendheid dan die, welke den bovenloop der rivier in haar bezit heeft, kunnen worden gebruikt, en in die omstandigheden kan men niet verwachten, dat de bebouwde gronden sterk zullen toenemen in den eersten tijd.

Auvergne.

(Puy de Dôme en Cantal).

Door G. Bosch.

In den afgeloopen winter speelde het toeval mij kort na elkaar boeken en tijdschriften in de hand, die den geologischen toestand van het hoogland van Auvergne behandelden.

Het gelezene wekte zoo zeer de belangstelling op, dat uitgebreider lektuur over dit onderwep gezocht en gevonden werd, en langzamerhand het plan tot rijpheid kwam om in den zomer die streken eens te gaan bezoeken.

De eerste bronnen, die voor de reis geraadpleegd werden, waren natuurlijk reisgidsen en onder deze bijzonder die van Ioanne "Auvergne et Centre", omdat voor eene streek in Frankrijk een fransche reisgids het beste geacht moest worden. Toch bleek later dat dit niet geheel uitkomt. De schrijver toch van dien gids is niet kunnen ontsnappen van het algemeen gebrek zijner landgenooten. De Franschen houden namelijk zoo verbazend veel van hun land, dat zij niet kunnen nalaten zich aan overdrijving schuldig te maken, als zij er over spreken of schrijven. Wat bekoorlijk en lief is, wordt prachtig; wat minder goed en minder fraai is, wordt verzwegen. Mijn indruk van het land, in korte woorden saâmgevat, is, dat de vorming van het land, bijna aan alle zijden en bij elken stap herinnerende aan zijnen vulkanischen oorsprong, zoo hoogst belangwekkend is, en dat daarnaast de historische gebouwen, zoowel de nog in hun geheel aanwezige als de bouwvallen, zóó mooi en zóó belangrijk zijn, dat de reiziger niet eens de inderdaad fraaie natuurtafereelen, die niet zelden naast en dikwijls boven het andere de aandacht trekken, noodig heeft om zich schadeloos te stellen voor het minder aangename dat eene minder bereisde streek hem soms bieden kan.

Wanneer de fransche gids (uitgave van 1904) zegt, dat men, buiten de meer bezochte streken komende, verstandig zal doen een inwoner mede te nemen als gids, omdat de bevolking in opschudding zou komen indien een toerist zich alleen vertoonde, en omdat de politie zich verontrusten zou en hij zich aan vervelende onaangenaamheden zou blootstellen,--waarom men in elk geval van een soort van paspoort of ander officieel stuk voorzien dient te zijn,--dan maakt die fransche schrijver zich, ten koste van zijn eigen volk, schuldig aan eene flauwe overdrijving. Gedurende een veertiendaagschen tocht heen en weer door 't gansche land, alléén en als toerist, met den ransel op den rug, afgelegd, had ik mij nergens minder over te beklagen, dan over de plattelandsbevolking. De menschen waren overal even vriendelijk en beleefd. Bij het maken van een praatje in eene herberg of op eene boerderij,--langs den weg ontmoet men er weinig menschen,--deed zich echter een ander, minder prettig verschijnsel voor. De menschen verstonden mij wel, maar konden dikwijls niet in het fransch antwoorden. Kinderen en jongelieden, die ik bijv. naar den weg vroeg, gaven altijd vlug, nauwkeurig en beleefd antwoord in een benijdenswaardig zuiver fransch; zij leeren dat op de school; maar de Auvergnaten hebben van ouds hunne eigene taal, de "langue d'Oc". Zoo lang zij in de steden of op de buitenplaatsen als dienstboden verkeeren, of zoo lang de mannen hunnen dienstplicht vervullen, onderhouden zij hun fransch; maar in de dorpen teruggekeerd, vergeten zij het op lateren leeftijd en spreken onderling alléén de eigen taal. Het is mij meermalen voorgekomen, dat men mij in een gesprek, dat al dadelijk niet vlotten wilde, zeide: "ik heb mijn fransch vergeten". Misschien hebben zij aan dat onbeholpene den naam van stuursch en teruggetrokken te zijn te danken.

"De guide Ioanne" overdrijft nog aan eene andere zijde. Opzettelijk prijst hij de hotels, zelfs op de kleine plaatsen, en noemt maar een paar dorpen op, waar de zindelijkheid twijfelachtig zoude zijn. Nu is mijne ondervinding wel eenigzins anders. Op het platteland en in de kleinere steden krijgt men overal in de herbergen goede maaltijden. Heerlijk grappig waren de zelden ontbrekende menu's, met onbeholpen hand geschreven en, met minachting van alle taalregels, zuiver naar den klank gespeld! De bedden zijn ook in den regel goed; maar de netheid der vertrekken laat wel eens te wenschen over. De wijze van ontvangst is evenwel overal zoo echt fransch beleefd en aangenaam; de gesprekken waarin men door waard of waardin gewikkeld wordt zijn zoo gezellig, dat men ongemerkt veel over 't hoofd ziet. Als heer alléén kan men zich overal redden, en er is aan alle zaken ook een vroolijken kant,--maar aan dames zoude ik niet aanraden in Auvergne op andere plaatsen te logeeren, dan in de grootere badplaatsen en verder te Clermont Ferrand, te Vic-sur-Cère en te Lioran. In deze beide laatste plaatsen vindt men hotels van den Orleans-spoorweg, die niets te wenschen overlaten. Gelukkig kunnen de belangrijkste punten van die plaatsen uit bezocht, en kunnen van daar uit prachtige bergtoeren ondernomen worden, zoodat Auvergne met glans op de lijst der pleizier-reizigers gehandhaafd blijft.

Naast deze opmerkingen nog eenige algemeene zaken.

Wat gaat men in Auvergne zien?--De vulkanische vormingen en de monumenten van middeneeuwsche bouwkunde.

In de eerste plaats de vulkanische vorming van het land. Ik geloof niet dat er een streek in Europa is, die den leek na eenige voorloopige lectuur over vulkanen, zoo goed op de hoogte kan stellen van de vervormingsgeschiedenis der aarde. Ik wil niet verbergen, dat toen Auvergne op mijn reisprogram kwam, mijne vulkanische wetenschap niet van aanbelang was. Vesuvius en Krakatau, met Gruadaloupe, ziedaar de voornaamste punten; eene duidelijke voorstelling van wat ik er moest gaan zien, had ik niet. Gelukkig kwam ik in aanraking met een geoloog, die zoo vriendelijk was, mij in algemeene en zeer juiste trekken een en ander mede te deelen. De lezer houde mij eenige vreemd klinkende woorden ten goede, de toelichting is zonder die lastige namen niet te geven; ze zijn trouwens niet talrijk.

De vulkanen, zoo zeide mijn deskundige, worden verdeeld in massa-vulkanen, en in strato-vulkanen. De massa-vulkanen voeren in hunne gloeiende lava geene gassen en dampen mede; ze breiden zich rustig uit en de lava bouwt de kegels op. De strato-vulkanen voeren daarentegen in de lava vele dampen en ontploffende gassen mede. Het gevolg daarvan is onverhoedsche en heftige uitbarstingen, waarbij steenen, asch en waterdampen de lucht ingeslingerd worden. Bij het terugvallen der vaste stoffen, bouwen deze dan ook weder de kegels op. De meeste vulkanen van den tegenwoordigen tijd zijn strato-vulkanen, en hiertoe behooren ook de nu uitgedoofde in Auvergne. De plotselinge uitbarstingen der strato-vulkanen hebben eene voortdurende verandering der kegels ten gevolge, en dikwijls vernielen zij de bestaande. Bij de massa-vulkanen is de voortdurend betrekkelijk rustig uitvloeiende lava oorzaak, dat de kegels steeds hooger op gebouwd worden. De meeste vulkanen hebben meer dan één krater, of eene reeks er van, die om den hoofdkrater zijn geschaard. De Vesuvius bijv. heeft ongeveer 900 van die bijkraters. Soms ook is er geen hoofdkrater, en vloeit de lava uit spleten naar buiten.

De kegel van een strato-vulkaan is dus opgebouwd uit eene onzamenhangende massa asch en steenen. Komt er aandrang van binnen, dan zijn de wanden van den kegel dikwijls niet stevig genoeg om weerstand te bieden tot de lava zich boven ontlasten kan, en men krijgt dan zijdelingsche ontladingen, die instorting der kegels tengevolge hebben. De kegels krijgen dan den vorm van een hoefijzer, dat op het overblijvende deel van den kegel rust. Dergelijken heb ik in Auvergne veel gezien.

Strato-vulkanen staan altijd langs de zeekust of bij groote binnenmeren; over den geheelen aardbodem vindt men daar voorbeelden van, zooals Japan, Formosa, de Sunda-eilanden. In Auvergne treft men als 't ware twee reeksen van vulkanen aan, en die hebben dan ook vroeger aan de kust gestaan. Door de nabijheid van water worden de massa-vulkanen strato-vulkanen; de waterdampen hebben dan spoedig heftige uitbarstingen tengevolge. De vulkanen in Auvergne werkten toen Noord-Frankrijk, België en Nederland nog niet bestonden en Auvergne een kustland was. Zij werkten--nu komen een paar erg vreemde woorden--in het jonge tertiaire tijdvak. Nederland is in 't opvolgende tijdperk, het quaternaire, ontstaan.

Ziedaar wat ik vernam, en wat voldoende was, om 't geen ik later zag te begrijpen. Eene verdere vraag, aangaande de kenteekenen der verschillende voorkomende gesteenten, als daar zijn graniet, basalt, lava en nog heel veel andere, kan voor een leek niet voldoende beantwoord worden. In het algemeen is lava niet zoo vast van vorm; het heeft poriën, dikwijls grootere holten en gaten, en ziet er soms ook weer glasachtig uit; maar er zijn tal van soorten, wier bijzondere kenmerken alleen door den deskundige te vatten zijn. De overige vulkanische gesteenten zijn niet zoo eenvoudig aan te duiden; zij gaan buitendien te veel in elkander over; de kleuren zijn ook niet vast, maar wijzigen zich naar den warmtegraad waaronder zij gevormd werden, en later onder den invloed der lucht.

De ouderdom der vulkanen; de tijd waarin zij werkten en sinds wanneer zij rusten, laat zich niet anders dan bij duizendtallen eeuwen meten.

Wat nu aangaat 't geen men in Auvergne in de tweede plaats gaat zien, de monumenten der middeneeuwsche bouwkunde, daarover kan beter gesproken worden bij het bezoeken der monumenten zelve.

Zijn deze aanduidingen omtrent de vulkanen wellicht te algemeen, bij latere bespreking der landstreek valt er wellicht nog meer ter toelichting te zeggen. Van harte hoop ik dat de lezer aan 't gegevene genoeg heeft;--zoo niet, dan helpe hem verdere studie en een onderzoek ter plaatse!

Ik noodig u thans uit, de reis met mij te aanvaarden,--zonder paspoort en zonder zorg voor onaangename ontmoetingen, als gevolg van dien. Nog eene aangename mededeeling vooraf. Het reizen in Auvergne is zeer goedkoop, en gidsen zijn overal overbodig; men komt er wel.

En nu van Amsterdam met den morgentrein naar Parijs, denzelfden avond nog van het P.L.M. station naar Clermont-Ferrand, om daar tegen 4 uur in den ochtend aan te komen en nog een aangename nachtrust te genieten eer we de stad gaan bezichtigen. In het Hôtel de la Poste, op de Place de Jaude, vinden we alles wat we wenschen kunnen.

Clermont-Ferrand is eene aangename, ruim gebouwde stad met 52000 inwoners. Het oude gedeelte, dat tegen en over de hoogte gebouwd is, heeft zeer schilderachtige hoekjes, en hier en daar mooie oude huizen, een enkel in romaanschen, meest alle in renaissance-stijl. 't Zijn echter gewoonlijk maar enkele deelen die de aandacht trekken: eene fraai gebeeldhouwde deur, eenige mooie vensters, eene binnenplaats met een wenteltrap. Want er is in Clermont maar weinig geheel onaangeroerd gebleven; 't meeste is sterk vernieuwd of geheel nieuw.

De stad is gebouwd ter plaatse van eene oude gallische nederzetting, en zelfs in de latere tijden gaven enkele opgedolven voorwerpen recht tot de onderstelling, dat er vóór de Galliërs reeds een ouder oorspronkelijk volk woonde. De Romeinen noemden het Augusta Nimetum; de tegenwoordige naam komt eerst in de achtste eeuw voor. Spoedig na de stichting werd het de zetel van een bisdom, en niettegenstaande de inwoners zich in den loop der tijden herhaaldelijk eenige zelfregeering trachtten te verschaffen, is hun dit eigenlijk nooit voor in den nieuwen tijd gelukt. Zij kregen eerst een eigen bestuur tijdens de groote omwenteling, en zijn daar toen wel wat ruw bij te werk gegaan. Een zelfde geschiedenis is die van geheel Auvergne; bij de verwisseling van de overmacht der geestelijken heeren tegen die van den adel kwam de bevolking altijd van den regen in den drop; dat dit tot het einde der 18de eeuw heeft kunnen duren, mag ons eenige verwondering baren, omdat het bij ons meer geleidelijk is gegaan, en daarom bij ons dan ook het overgangstijdperk niet zoo heftig is geweest.

Museums zijn er te keur in Clermont, maar er worden geene groote merkwaardigheden in bewaard, en daarom ging ik ze voorbij. Op den Cours Sablon bewonderde ik de fontein van Amboise, een keurig monument uit de 16de eeuw, bestaande uit een achthoekigen staander, die in een kleine gotische lantaarn uitloopt. Zij heeft twee bassins boven elkaar, keurig in steen gebeeldhouwd. Het is een sierlijk stuk werk.

Het middenpunt van verkeer is de Place de Jaude, een ruim plein, versierd met een ruiterstandbeeld van Vercingetorix in steen en een bronzen standbeeld van generaal Dessaix. Het uitzicht op den Puy de Dôme, dat men van dit plein heeft is opmerkelijk mooi. Behalve het monument "du Centenaire", dat men bijna in elke fransche stad van eenige beteekenis heeft, is er nog een standbeeld van Blaise Pascal: de beroemde schrijver is geplaatst in een bloemrijk parkje, in smaakvolle omgeving.

De cathedraal, in 1248 begonnen, is in zuiver gothischen stijl, maar maakt geen indruk; ze werd gerestaureerd door Violet le Duc en is van buiten geheel in donkere Auvergne-steen. 't Inwendige is kaal; de mannen der revolutie hebben ook daar huisgehouden. Het beeldhouwwerk is ook niet bijzonder. De gothische stijl is in Auvergne nooit gewild geweest, wellicht omdat hij opkwam toen het land in oorlogen gewikkeld was. De romaansche stijl kwam er vroeger, in voorspoedige dagen, tot hoogen bloei, en een keurig voorbeeld is de Nôtre Dame du Port, een juweel van bouwkunst, thans verscholen in onaanzienlijke straten en staande in eene diepte,--en met alle juwelen dit gemeen hebbend, dat de leek in de bouwkunst het schoone er van begrijpen en genieten kan.

Wat is nu het bijzondere dier romaansche bouwkunst? Natuurlijk zou daar niet zoo bijzonder bij stilgestaan worden, indien de schrijver niet eene bijzondere voorliefde voor dien bouwstijl had. Eene voorliefde te omschrijven is moeielijk, maar 't kwam mij altijd voor, dat die uiting der kunst in de middeneeuwen zoo beminnelijk eenvoudig was; dat zij alles gaf wat men toen kon daarstellen, en nooit naar kunstmiddelen van verdacht gehalte zocht, om 't geen men zich toch wel bewust was dat er aan ontbrak te bedekken. Dat werd in latere tijden wel eens over 't hoofd gezien, en men verkreeg daardoor gebouwen die niet bevredigen. De romaansche bouwstijl uitte zich het meest volkomen in de kerken, en werd daarin ook het best bewaard. In den eersten tijd van het Christendom was de grondvorm van alle kerken een langwerpig vierkant [1]; de binnenruimte werd door twee of meer rijen van pijlers in drie of meer afdeelingen (beuken) overlangs verdeeld. De wanden werden versierd met kleuren en figuren; het dak was een gewoon schuin dak, zooals men zich dat in den eenvoudigsten vorm op ieder huis denkt; de dakgebinten waren gewoonlijk geheel zichtbaar. Van die monumentale kerken--men noemde ze "basilica"--zijn nog enkelen uit dien vroegeren tijd over in Klein-Azië, maar vooral in Italië; te Rome nog uit den tijd van keizer Constantijn. Later in de middeneeuwen, en wel tijdens en onmiddellijk na Karel den Grooten, ontwikkelde zich voor de kerken een nieuwe bouwstijl; hij had de oud-romeinsche kunst tot grondslag en ontleende daaraan zijn naam "romaansch". Een zijner voornaamste kenmerken, de ronde bogen, werd uit de romeinsche bouwkunst overgenomen.

In plaats van het langwerpig vierkant kreeg nu de kerk den vorm van een kruis. De korte bovenarm werd het koor; de zijarmen heetten het transept; de lange arm het schip. Aan weêrszijden van het schip waren zijgangen, evenals in de basilica, alleen er van afgescheiden door kolommen. Langs het transept en het koor werden spoedig kapellen bijgebouwd; later werden de zijgangen ook om het koor heen gebouwd, en nog weêr later ook om de zij-armen van het transept heen; overal kwam daardoor langs die zijbeuken gelegenheid tot het aanbrengen van kapellen. De ronde bogen werden niet alleen aangebracht boven ramen en deuren, maar ook tusschen de pijlers; en de gewelven die schip en koor en zijbeuken bedekten, in afwijking van het vroegere schuine dak, waren ook rond; aanvankelijk zoogenaamde tongewelven, later kruisgewelven, maar alles altijd half cirkelvormig.

De krypten of onderkerken, die zich aanvankelijk alleen onder het koor, later onder de geheele kerk uitstrekken, werden algemeen. De ingangen tot die onderkerken zijn meestal naast het koor. De krypten zijn allen overwelfd; zij zijn zeer eenvoudig gehouden, met wel de soberste versiering die men zich denken kan: een enkel gebeeldhouwd kapiteel aan eene kolom. Maar dat is dan ook alles.

De torens waren aanvankelijk achthoekig en laag, geplaatst boven de vierkante ruimte waar de armen van het kruis elkander snijden. Bij latere kerken komen ook torens voor aan weerszijden van den ingang, en die ingang was dikwijls uitgebouwd en daksgewijze afgedekt, of tot een karakteristiek klokkentorentje opgetrokken. Was eene romaansche kerk inwendig arm aan versieringen, des te meer werk werd er gewoonlijk van den ingang gemaakt.

We hebben dus, in afwijking van het vroegere, een kerk in kruisvorm en eene overspanning door gemetselde gewelven, waar in de vroegere kerken de bedekking eenvoudig uit een gewoon schuin dak bestond, iets dat trouwens bij de romaansche kerk als buitenste afdekking bleef bestaan, 't Spreekt van zelf dat bij de uitsluitende toepassing van halfronde bogen en gewelven, de kerken altijd wat lager bleven; zoodra men in later tijd voor goed had bevonden, dat een gemetselde boog ook spits kon toeloopen en dientengevolge ook spitsbooggewelven gebouwd konden worden, werd de vorm der gebouwen ook slanker; en toen er eenmaal slankere kerken ontstonden, maakten de vroegere den indruk van plomp en gedrukt te zijn. De bouwmeesters in Auvergne hebben dat niet kunnen overwinnen; langs den Rijn en in Engeland waren ze in dat opzicht wat gelukkiger.

Er zijn nog meer bijzonderheden aan den toenmaligen bouwstijl eigen. Bijv. de kolommen, die de zijbeuken van het schip scheiden, zijn nooit allen gelijk, maar om den anderen werd eene doorloopende zuil geplaatst. De versieringen aan de kapiteelen en den voet der kolommen waren allen hoogst eenvoudig en steeds weinig uitspringend, de groote muurpanden die ontstonden boven de halfronde bogen waren vlak en later dikwijls beschilderd. Na de 12_de_ eeuw kwam de tijd der spitsbogen; de bouworde bleef in hoofdzaak romaansch, maar de nieuwe bogen kwamen steeds meer op den voorgrond en de wijze van constructie der gebouwen moest dientengevolge gewijzigd worden; gedurende een betrekkelijk lang tijdperk kreeg men een gemengden stijl. De bouwmeesters zochten naar verbetering en brachten allerlei versieringen aan, waaruit ten laatste de gothische stijl ontstond; deze ontwikkelde zich uit het romaansch, zooals het romaansch zich uit het romeinsch ontwikkeld had, maar nam weer van zijnen voorganger over.

In Auvergne waren weinig overblijfselen van romeinsche bouwkunst; in het naburige Provence en elders juist veel; de Auvergnaten konden dus minder van de romeinsche voorbeelden overnemen, en zoodoende kregen hunne gebouwen een bijzonder karakter; en dit te meer omdat zij, arm aan voorbeelden, rijk waren aan goede bouwstoffen en daardoor een anderen weg opgingen bij het versieren van hunne gebouwen. Al dadelijk door verschillende steensoorten te gebruiken, sommige glad, sommige poreus, dan weer van verschillende kleuren, die zij alle in hunne bergen voor het nemen hadden. Het bijzonder karakter der monumenten in Auvergne moet dus meer beschouwd worden als een gevolg van bestaande toestanden, dan wel als de gewilde uitkomst van eene kunstschool.

De Notre-Dame-du-Port beantwoordt geheel aan de gegeven algemeene trekken van den romaanschen bouwstijl. De geheele kerk is overwelfd, de zijbeuken zijn door halve tongewelven gedekt. De kapiteelen der zuilen dragen als versiering bloemen, fantastische voorstellingen van dieren; enkele dragen menschelijke figuren met opschriften. Prachtig is dit beeldhouwwerk niet; de beeldhouwers in Auvergne stonden niet zoo hoog in kunstvaardigheid als de bouwmeesters; maar de kinderlijke eenvoud der voorstelling houdt gelijken tred met de wijze van uitvoering, en maakt een zeer aangenamen indruk. De muurvakken zijn alle wit; hier en daar zijn met zachtgekleurde steenen figuren aangebracht, geen van alle buiten het vlak der muur uittredende. Eene ruit, een vierkant, een cirkel, een kruis, een klaverblad, alles in heerlijken eenvoud, maar aardig doende in die stemmige omgeving. De buitenmuren van het schip vertoonen kleurige figuren, verkregen door het inmetselen van verschillende steensoorten. De kerk is gebouwd in de 11de en begin der 12de eeuw. De hoofdingang is eene dubbele deur, door een gebeeldhouwden stijl gescheiden. Aan de zuidzijde is nog een ingang, met aan weerszijden groote figuren in laag relief; het halfcirkelvormige boogschild boven de deur (het tympaan) is rijk met kleine figuren voorzien; jammer genoeg zijn deze wat geschonden.

De Notre-Dame-du-Port te Clermont, de kerk te Issoire en die te Orcival zijn de fraaiste typen van den romaanschen stijl in deze streken.

Er zijn te Clermont twee versteenende bronnen, die de moeite van een bezoek overwaard zijn. Het bronwater bevat veel koolzuur en kan daardoor eene groote hoeveelheid ijzer- en kalkverbindingen opgelost houden. Zoodra het koolzuur aan de lucht ontsnapt, slaan de ijzer- en kalkzouten neer; van deze eigenschappen heeft men gebruik gemaakt tot het vervaardigen van aardige voorwerpen. Men voert het water door buizen, waarin men er eerst zoo veel mogelijk het ijzer aan ontneemt, en laat het dan als regen neerkomen op de voorwerpen die men versteenen of, beter gezegd, met eene kalklaag overdekken wil, zooals mandjes met vruchten, druiventrossen, vogelnestjes met eieren, enz. De uitkomst is inderdaad verrassend. In de tuinen om de bronnen heen zijn allerlei versteende wonderen tentoongesteld; menschen, vee, paarden; natuurlijk waren het poppen of opgezette exemplaren, en daar nu het verkalken van dergelijke voorwerpen langen tijd vordert en op de eene plaats al wat dikker uitvalt dan op de andere, winnen de voorwerpen niet in losheid en natuurlijkheid, 't Kwam mij voor, dat deze reeds van af de straat zichtbare lokvogels wel wat al te veel van een boerenkermis hadden.

Eene andere merkwaardigheid van Clermont-Ferrand is niet daar, maar te Mont-Ferrand te vinden, dat ongeveer drie kwartier van de stad ligt. De tramrit er heen geeft weder een verrassend mooi uitzicht op den Puy de Dôme. Mont-Ferrand is een stadje van 3500 inwoners, dat men alleen bezoekt om enkele oude huizen te zien. Het huis l'Elephant, aldus genaamd naar een geschilderden dikhuid boven een der ramen, dagteekent waarschijnlijk uit de 12_de_ eeuw. Het huis Adam en Eva, naar een gevelsteen. Het huis van den apotheker is, evenals het vorige, uit de 16_de_ eeuw; de eerste verdieping is in steen, de twee volgende in houten vakwerk, telkens boven elkaar vooruitspringend; boven in den topgevel zijn een paar beeldjes aangebracht, die aan het huis zijn naam gaven. Er zijn nog verscheidene andere merkwaardige huizen, 't eene bekend om een deur met keurig smeedwerk, 't andere om eene aardig versierde binnenplaats; dan weer een met een fraaie wenteltrap. Jammer is het dat van instandhouding geen sprake is. Die huizen zijn thans alle in gedeelten door kleine neringdoenden bewoond, en inzonderheid de binnenplaatsen en wenteltrappen van eene ongeëvenaarde onzindelijkheid en in diep verval.

Met het bezichtigen van dit alles bracht ik den eersten dag door. Den volgenden ochtend vroeg zou ik uitgaan op eene wandeling in den omtrek en de bestijging van den Puy de Dôme. Daartoe wenschte ik, gelijk ook voor de verdere reis, eenige nadere inlichtingen te hebben en begaf me naar het kantoor van het "Syndicat" (Vereeniging ter bevordering van het vreemdenverkeer) van Clermont. Al mijne vragen werden voorkomend en beleefd beantwoord, en de inlichtingen bleken naderhand geheel juist te zijn. Kaarten kon ik niet koopen, maar men gaf mij 't adres van den besten winkel voor die zaken op. Doch eene fout mag ik niet onvermeld laten. Men ontraadde mij een diligence-rit over Beaumont naar Montdore, en beval mij aan om per spoor tot Issoire en van daar per diligence naar Montdore te gaan. De beide routen zijn goed, maar 't bleek me later op de diligence, onder een vriendschappelijk gesprek met den koetsier, dat de aanbevolen rit eene onderneming van het Syndicat was, en de rit over Beaumont eene van een mededinger te Montdore. 't Is te betreuren dat zulke syndicaten zich niet buiten dergelijke ondernemingen houden; zij verliezen daardoor het zoo hoog noodige onzijdig karakter. Onder het gesprek met den beambte van het syndicat bleek mij ook, dat voetreizigers hier tot de uitzonderingen behooren; in den tijd der auto's krijgen ze een al te sterke ouderwetsche tint. Ik ontmoette dan ook op den geheelen tocht geen collega's en in de meeste hotels (herbergen) werd ik duidelijkshalve als "le Touriste" aangeduid.

Behoorlijk uitgerust met eene kaart, uitgave van het Ministère de l'Intérieur, toog ik er den volgenden ochtend op uit; van Clermont den weg naar Royat op, naar Chamalières en van daar langs voetpaden naar Villars. De omgeving was mooi, maar de wegen waren ongemakkelijk en hier en daar bitter slecht onderhouden. Gunstig stak daarbij af een deel van eene oud-romeinsche heerbaan, die me tot Villars bracht; het is een stuk van den ouden weg van Clermont naar Limoges. Aan weêrskanten een flink verhoogd voetpad; de rijweg belegd met regelmatig behakte, langwerpig vierkante lavablokken, trots de eeuwen van zijn bestaan nog een voorbeeld hoe wegen gelegd moeten worden. Van Villars loopt het pad verder over La Baraque, maar men kan ook door het dorpje Cheix gaan, al naar dat de vele kronkelingen er u heenleiden. Ik trof onderweg een vriendelijk oud vrouwtje uit Cheix aan, die mij in de hitte niet verder wilde laten gaan, eer ik bij haar eene verfrissching had gebruikt. Na Cheix heeft men nog een aardig kijkje op het dorp Orcines en gaat dan over den straatweg voorbij het kruispunt Le Font de l'Arbre naar den Col de Ceyssat. Gedurende die wandeling heeft men den Puy de Dôme steeds rechts voor zich en begint het hoe langer hoe duidelijker te vinden hoe hij aan dien naam kwam. Op den Col de Ceyssat staan een drietal herbergen, die zich alle drie met den naam van hotel tooien, en waar men u keur van maaltijden aanbiedt. Men heeft dan nog 432 M. te klimmen, en hoe de meeste reizigers er toe komen om daar eerst een dejeuner te gebruiken voor men met klimmen begint, wilde mij niet recht duidelijk worden.

Het pad naar den top (1465 M.) is vol afwisseling en een aangenaam bergpad. Eerst door weiden, spoedig in dennenbosch, om later wat steiler, over en langs rotspartijen, boven te komen. De uitzichten worden bij elke kronkeling in het pad mooier, en hier en daar is voor eene bank gezorgd. Men krijgt spoedig den indruk dat geen der bergen daar hoog is, het uitzicht gelijkt meer op eene vlakte met heuvels.

Bij Villars was ik reeds langs eene cheire gekomen; dat zijn oude lavastroomen, die, nog onverweerd, volkomen onvruchtbaar bleven. Wanneer men er zoo van boven opziet en de kronkelingen waarneemt,--de gladde, bruinroode oppervlakte spiegelt zelfs hier en daar in de zon,--dan krijgt men eerst voor goed den indruk van zoo'n lavastroom, en heeft men een voorproef van de vele overblijfselen van het vulkanisch tijdperk in Auvergne. Hier en daar langs het pad ziet men ook rotsblokken op en door elkaar, die u doen denken aan uitgebrande steenkoolslakken. In deze omgeving maken ze echter meer den indruk van merkwaardig grillige vormen, dan van vulkanische overblijfselen.

Boven op den Dôme is ook eene cantine, waar het eenvoudige maal zeer goed smaakt.

Op het hoogste punt staat het meteorologisch observatorium, dat als eerste plaats van waarneming van dien aard in Europa, in 1876 ingewijd werd. In 1648 had de Puy de Dôme reeds gediend om uit het verschil in hoogte van eene kwikkolom den druk der atmosferische lucht aan te toonen. Périer nam de proef op verzoek van Pascal. Nu bevindt er zich, in ruime gebouwen, de meest volkomen inrichting tot het doen van allerlei weerkundige waarnemingen. Het merkwaardigste van den Puy de Dôme is echter de tempel van Mercurius, helaas wat te veel een bouwval. Hij werd in 1874 ontdekt, toen men begon te bouwen aan het observatorium. Eene heerlijke plek hebben die romeinsche bouwheeren uitgezocht; het moet een treffend gezicht zijn geweest van uit de vlakte, toen die gebouwenmassa zich daar verhief. Mij dunkt, de bewoners van het dal hadden in de oude dagen grootscher uitzicht op dien heidentempel daarboven, dan wij nu hebben van de hoogte af op de cathedraal van Clermont, wier fijne omtrekken door den afstand geheel verdwijnen, en wier twee slanke torens maar een onbeduidenden indruk maken.

Van den Puy de Dôme heeft men een prachtig uitzicht op het hoogland van Auvergne; de Franschen noemen het met groote ingenomenheid "une des plus curieuses du monde". Zonder hen dit na te zeggen, want de heele wereld heb ik niet gezien, geef ik hun gaarne toe dat het bijzonder mooi is. 't Geen er vooral aantrekkelijk van is, is het neerzien op de uitgebrande vulkanen van de bergketen, met hunne kraters, zoo duidelijk zichtbaar, en op de zoo even reeds besproken lavastroomen. De geheele vlakte van Limoges ligt voor ons, noordwaarts schijnt zij onbegrensd; naar het oosten toe loopt ze op tegen de hoogten van Forez. Men zegt dat bij gunstig weder de Mont-Blanc van hier zichtbaar is,--maar ik had het genoegen niet. In het Zuid-oosten de bergen van Livradois en de ketens van Velay. Zuidelijk de omtrekken van de Mont-dores en westelijk de granietruggen van Limousin. Noordwaarts omlaag ziende, heeft men vlak aan zijne voeten een ouden krater, de Nid de la Poule; rechts den Puy de Dôme, de groote en de kleine Suchet, en weêr meer links den Puy Pariou en den Puy des Gaules, waarvan men duidelijk de vroegere krateropeningen waarneemt. Men denke zich echter daarbij geen woest tafereel en geene wildernis; de vulkanen zijn allen met gras begroeid, hier en daar met boschpartijen; de valleien zijn akkers en de kraters vruchtbare weiden. Dat men aan een dier kraters den naam van het hoendernest gaf, komt zeer begrijpelijk voor. De wetenschap kan hier van vulkanen en kraters spreken; de toerist heeft voorloopig nog het geloovig toekijken.

Ik bleef nog lang boven, om goed thuis te komen in de verschillende toppen en hunne onderlinge ligging.

Bergafwaarts volgde ik denzelfden weg tot aan Le Font de l'Arbre, maar stak daar den straatweg over in de richting van Fontanat, een schilderachtig dorpje, waar ik geene levende ziel tegenkwam en daarom met te meer aandacht de aankondigingen van het gemeentebestuur las, voorschrijvende dat men rechts moest loopen en dat rij- en voertuigen niet draven mochten. Waarschijnlijk maakte die gemeente zich weerbaar tegen auto's. Voorbij Fontanat werd de weg zeer lommerrijk en in de nabijheid van Royat, langs de oevers der Tiretaine, zeer schilderachtig; hier en daar watervalletjes, prachtige boomgroepen, kastanjes vooral, frissche boomgaarden, heerlijk groen en diepe schaduw.

Royat is een der sierlijkste badplaatsen van hoog-Auvergne. Van Fontanat afdalende, komt men eerst in de oude stad, beroemd om zijne vestingkerk. Omstreeks de 13de eeuw werd zij tot eene versterking omgebouwd, iets dat men toen meer deed. Een zonderling gezicht zoo'n kerk met schietgaten en kanteelen boven het dak uit. Men had vooral die versterkingen geheel gerestaureerd, en nam daartoe de steensoort waaruit de kerk indertijd opgetrokken was, een materiaal dat men in den naasten omtrek nog voor 't grijpen had. Mij scheen het toe, dat de ligging der kerk haar weinig tot verdedigingspunt eigende, en ik voelde de booze verdenking bovenkomen, dat hierbij meer aan de fantasie van den bouwmeester gedacht moest worden, dan aan den drang der omstandigheden. Ook de steenen der restauratie waren fantastisch, want ze waren nog niet met het stof der eeuwen overtogen, en vertoonden nog de grillige vlammen van pas uitgehakte lava. Dat ontnam aan 't geheel de stemming. Het nieuwe Royat, de badplaats, is zeer sierlijk en vol levendig en weelderig gedoe, maar heeft geen bijzonder karakter. Ik keerde per tram van Royat naar Clermont terug.

De volgende dag was bestemd voor den tocht naar Montdore; eerst per trein tot Issoire, en dan per diligence (car alpin)naar Montdore. De reis was te ver om te voet te worden afgelegd.

Van plaatsbeschrijvingen van streken die men per spoor doorvliegt, ben ik geen vriend. De snelheid waarmede 't eene 't andere opvolgt kan in den regel niet dan verwarde algemeene indrukken geven. Daarom slechts de vluchtige opmerking, dat de weg schilderachtig is, vooral wanneer men de rivier de Allier kruist of op korten afstand de oevers volgt. Bij de stadjes, die men langs komt, heeft men nog eene sierlijke hangbrug over de rivier. Men komt voorbij Vic-le-Comte, voorheen de hoofdplaats van Auvergne, waar de bloedigste tafereelen uit zijne middeneeuwsche geschiedenis afgespeeld werden. Dan voorbij Coudes, met bouwvallen van abdijen en kasteelen, verlaat dan de Allier weder en komt in de vlakte van Issoire. 't Speet me zeer, dat ik geen tijd had om te Issoire de groote kerk te gaan zien, die veel overeenkomst heeft met de Notre Dame du Port te Clermont, doch deze in afmeting en versiering overtreft, maar de car alpin waarmede ik naar Montdore zoude rijden, staat aan 't station klaar, en hoewel de postillon op de vraag of er plaats was, antwoordde dat er alleen gebrek aan reizigers was, werd de reis met groote overhaasting aanvaard.

Een plaatsje naast den postillon werd door mij ingenomen, en spoedig vernam ik van hem, dat ik maar 10 K.G. bagage vrij had, en dat mijn handkoffer wel meer zoude wegen, maar dat hij zoo onheusch niet was, om daar dadelijk op 't kantoor over te spreken. Alweder het oude type, door dezen jongen man ten tooneele gevoerd; in één opzicht evenwel verschillen die heeren daar, van het bij ons inheemsche soort. Zij staan in de eerste plaats op den titel van postillon; koetsier is hun wat min. En dan, ze zijn wondergraag met monsieur aangesproken. Dat was me al meer opgevallen, een tramconducteur hoort ook gaarne monsieur, ze laten dit spoedig merken; en wanneer men den koetsier van eene car alpin of gewone diligence maar altijd met monsieur aanspreekt, dan behoeft de fooi later nog niet eens zoo heel ruim te zijn, om op voorkomendheid, ook aangaande het overwicht van den koffer te kunnen rekenen. Niet dat die vrienden hooger geacht willen worden dan zij zijn, maar ze zijn gaarne even hoog als ieder ander.

Bij het verlaten van Issoire stijgt de weg westwaarts langs den linkeroever van de Causse d'Issoire. In 't verschiet teekenen zich de omtrekken der Dore-bergen tegen den gezichteinder; rechts verheffen zich de wanden der hoogvlakte van Pradines als muren steil omhoog. Links enkele bergspitsen. Die steile wanden der hoogvlakte van Pradines vertoonen op den rand de eerste vulkanische vorming van eenigen omvang die ik nog zag; die bovenranden bestaan alle uit rotsblokken, blijkbaar in vuurgloed gevormd; het zijn uitgedoofde slakken in de grilligste gedaanten en van reusachtige afmetingen. Wat verder, voorbij het dorpje Perrier, ziet men in de wanden vierkant gehakte gaten; het zijn de overblijfselen van vóórhistorische woningen, waarvan eenige nog bewoond worden door de gezinnen der bewakers van de wijnbergen. Daar is ook eene pyramidaal omhoog gaande rots, die te meer de aandacht trekt omdat er een torentje op gebouwd is; 't is thans een bouwval, die toren van Maurifolet, en men kan hem volgens de inlichtingen van mijnheer den postillon alleen bereiken door een inwendig in de rots uitgebroken wenteltrap. De weg loopt overigens tot St. Nectaire door eene zeer welvarende streek. De gedeeltelijk ingehaalde oogst was van goede hoedanigheid en meestal tarwe. Ik zag er verscheidene kweektuinen voor druiven, met opschriften dat er puike gezonde stekken uit Californië, Australië en meer afgelegen oorden te krijgen waren. De druivenziekte schijnt daar dus onder de inheemsche boomen sterk huis te houden. Er werd veel geploegd, eene zeer ondiepe voor, en 't trok mijn aandacht dat op dien vetten grond de ploeg altijd maar met ééne koe--en 't vee is er niet zwaar--bespannen was. Waarschijnlijk kon dit, omdat de grond sterk gemengd was met lavagruis, en daardoor wat losser. Eigenaardig was het hanteeren van den ploeg. Bij den kop der koe eene vrouw met een langen staak, waaraan een platte beitel; daarmede stak zij voortdurend de vette klei van de eene zijde der ploegschaar af en maakte daartoe met den staak steeds een zwaai boven haar hoofd. De man die den ploeg stuurde, verrichte bovendien dezelfde zwaai-beweging, om met zijn staakbeitel de ploegschaar aan de andere zijde te bevrijden. Wanneer men dat werk zoo aan den gang ziet, kan men zich aanvankelijk dat zotte gezwaai met die staken niet verklaren.

Na een rit van 4 uur kwamen we te St. Nectaire, waar twee uur stil gehouden werd voor het middagmaal. Ik liet mijn koffer doorgaan naar Montdore en besloot het overige van den weg, nog 28 kilometer te voet af te leggen en tevens St. Nectaire wat nader te bezien. We waren te St. Nectaire-le-bas aangekomen, dat geen dorp is maar alleen eene bad-inrichting, waaromheen hotels. Zijne bijzondere merkwaardigheid is een dolmen, een steen van 4 M. lang en ruim 2 M. breed en 70 cM. dik, rustende op drie steenbrokken; eenige schreden van daar vindt men nog eene verzameling geplante steenen, die geheel den indruk geven van een verwoest hunebed.

Men vindt er verder ook eene grot met versteenend water, en verder doorgaande, steeds langzaam stijgend, ziet men spoedig St. Nectaire-le-haut sierlijk tegen een berg aangeleund, en op den top van dien berg de fraaie kerk, een merkwaardig monument uit de 11de en 12de eeuw, in 1878 geheel gerestaureerd, met twee stompe torens aan de voorzijde en een achthoekigen op het kruis. De gewelven rusten ook hier niet alleen op gemetselde pijlers, maar bij afwisseling op kolommen, en de versiering der kapiteelen is zeer opvallend; op een er van komt de kerk zelf voor. In de sacristij bewaart men een allermerkwaardigst beeld van St. Bauduin, van eikenhout, bekleed met verguld koper; het hoofd en de hals van gedreven koper, met beweegbare oogen van ivoor en hoorn. Al verder stijgende komt men te Boissières, gebouwd op vulkanische gesteenten, waarin men hier en daar ook weder holenwoningen ziet; dan weder afdalend in het dal der Couze, met een zeer kale Cheire, zoo troosteloos als ik er nog geene zag, en dan Murols, een smerig dorp, bekend om de prachtige bouwvallen van zijn kasteel, thans eigendom van het departement. Sommigen schrijven deze bouwvallen een zeer hoogen ouderdom toe, anderen gaan niet verder terug dan de 15de eeuw. Ze staan op een bazaltheuvel van 729 m. hoogte, en zijn een der merkwaardigste overblijfselen van den franschen vestingbouw in deze streken. Een bewaarder vraagt u 50 centimes toegang, maar laat u overigens vrij. Eerst komt men in een kring van vestingwerken op eene ruimte, die het geheele kasteel omringt, dan leidt een steil pad omhoog, en ziet men bij eene poort naast den grooten toren twee romaansche kapelletjes, één uit de 11de en een uit de 12de eeuw, tegen elkaar gebouwd. Het kasteel is dus om die bestaande kapelletjes heen gebouwd, of het is zelf van nog ouderen datum. De eigenlijke kasteelpoort is uit de 15de eeuw, en uit dien tijd stammen ook de vestingwerken. Er is nog een klein gebouw, dat er wat vroolijker uitziet en uit lateren tijd dagteekent. Het beklimmen van den toren is zeer aan te raden, om het goede overzicht over het geheel der gebouwen en om het prachtige uitzicht op den omtrek.

Voorbij Murols krijgt men een boschrijk dal, zoo bezaaid met vulkanische brokken, dat men haast zou gaan denken aan eene vóórhistorische verzameling van slakken-steenen; dan bereikt men spoedig het verrukkelijk gelegen meer van Chambon, een waterplas van ongeveer 60 hect. ter diepte van bijna 6 M., op 880 M. hoogte. Men beweert dat dit meer gevormd is door een lavastroom, neerkomende van den Tartaret, die de Couse afdamde. De oppervlakte vermindert voortdurend; naar men zegt ontsnapt het water door spleten die in den lavadam ontstaan. Spoedig zal dat meer echter nog wel niet verdwijnen, en nog menigeen zal zich in de allerbekoorlijkste ligging kunnen verheugen. Op den achtergrond ontwaart men de allergrilligst gevormde rotsen van den Dent du Marais. Voorbij het meer krijgt men een prachtig uitzicht op het dal van Chaudefour, en het dorp Chambon naderende, ziet men eerst op het kerkhof eene kleine romaansche grafkapel, zoo eerlijk en zuiver van stijl en zoo goed bewaard gebleven als maar mogelijk is; zij dateert uit de 11de eeuw en wordt in de wandeling zeer oneigenlijk het Baptistère genoemd.

Chambon is niet groot en niet zindelijk, maar aan de samenvloeiing der Couze en der Surain zoo schilderachtig gebouwd, en zoo allerliefst tusschen de boomen gelegen, dat men de onzindelijkheid spoedig vergeet en besluit den maaltijd maar elders te nemen, om hier zijne oogen met toenemenden lust te gast laat gaan. Alles is bij het bouwen aan het toeval overgelaten, maar daaruit is een geheel ontstaan, dat de bouwers niet droomden en niet bedoelden. De huizen op zichzelf hebben niets bijzonders, maar het geheel aan de beide stroompjes en onder het hout is bekoorlijk.

Van Chambon gaat het verder door het diepe dal van de Surain, overal met dennenbosschen bedekt, met groote slingers omhoog tot aan het gehucht Bressouleille. Ditmaal is het een gelukkig verschijnsel als de wandelaar wat moede wordt, want bij het rusten is de klimmer altijd geneigd om eens achteruit te zien hoe hoog hij al gekomen is; en juist achteruit zijn hier de heerlijkste vergezichten. Een kleine bergstroom, de Diane, ziet men van val tot val vooruit springen, en zijnen loop volgende krijgt het oog een prachtig rustpunt in het meer van Chambon en op zijne mooie omgeving. Het is van deze hoogte bijna nog mooier, dan wanneer men aan de oevers staat! Van Bressouleille gaat het al maar met groote slingers over eene hoogvlakte, dan door weiden, dan door bosschen omhoog; verderop is de weg uitgekapt in de wanden van den Puy de la Croix Morand; 't landschap wordt eentonig en somber, tot men op den bergrug komende, den Col de Diane (1360 M.) bereikt en, na zich eene korte wijle verheugd te hebben in een effen weg, op eenmaal het prachtige dal der Dordogne voor zich heeft. Men ziet de badplaats Bourboule in de verte, de meren Guéry en La Roche-Tuillière, hoewel op grooten afstand, bijna aan zijne voeten. Nu met korte slingers snel omlaag; in de weiden, voor 't eerst op deze reis, tal van bloemen; om een rotsachtig voorgebergte heen, en daar ligt het vriendelijke Mont-Dore voor u.

De wandeling was aangenaam geweest; de afwisseling groot en de laatste verrassing: het uitzicht op het dal der Dordogne, zette de kroon op het werk. Daar kon wel een tegenvaller op overschieten, en die kwam ook. Ik vraag u, wat heeft een voetreiziger met den ransel op den rug te verwachten, wanneer hij daar zoo om licht en donker in eene fransche modebadplaats aankomt? Ik stapte naar het Hôtel des Etrangers, waarvoor ik eene aanbeveling had van het Syndicat te Clermont,--maar 't was precies of men dacht dat ik niet eerlijk aan die aanbeveling gekomen was; ik kon ternauwernood eene kamer krijgen, en toen mij die niet beviel, was 't nagenoeg heel en al mis. Niet prettig in eene plaats die ik wist dat overvol was! 't Is mij eerst aan 't einde van mijn verblijf aldaar mogen gelukken, de madame een anderen indruk te geven; een reiziger die, met zijne spoorwegbiljetten in den zak, toch te voet het land doorkruist, is iets dat buiten den gedachtenkring van die menschen ligt.

Le Montdore is een plaatsje met slechts 1866 inwoners, maar een zeer druk bezochte badplaats; het ligt aan het einde van het dal der Dordogne, die niet ver van de plaats haar oorsprong neemt. Twee beekjes vloeien uit de bergen, de Dore en de Dogne en vereenigen zich ongeveer een uur boven de plaats. De achtergrond van het dal wordt gevormd door de donkere spitse uitloopers van den Puy de Sancy. De omgeving van het bad is weelderig; groote, rijke hotels, een aardig park en een casino, dat voor iedereen toegankelijk is; maar de weelderige omgeving is klein, en wat verder Montdore uitmaakt is meer dan eenvoudig. De omstreken zijn mooi, maar alléén gezonden kunnen ze bereiken; de fraaiste punten zijn slechts met inspanning toegankelijk. Een bergspoorbaantje komt hier aan tegemoet. Intusschen, men behoeft slechts een avondbezoek aan het Casino te brengen om te zien, dat er ook gezonden te Montdore verblijven, die langs allerlei wegen hun tijdverdrijf zoeken.

's Morgens vroeg ging ik er weer op uit, en had het genot de badgasten in de onmogelijkste costumes naar de thermes te zien gaan; 't is grappig om te zien hoe men in badmantels nog mode kan hebben! Versieringen aan die kleedij schijnen ook al een punt van studie te zijn en aanleiding te geven tot eene "dernière création". Een oude heer op klompen, in een badmantel met een sleep, naast eene jonge dame met een mantel die heelemaal geen sleep had, terwijl zij zich overigens vreemd toegetakeld had met eene prachtige badmuts en zich een zeker cachet verschafte door in het vroege morgenuur eene cigarette te rooken,--was wel 't koddigste van wat er zooal over de Grande Place kwam. Ik ging met het bergspoortje als eenige passagier naar boven, naar het Salon du Capucin, eene aardige uitspanning onder prachtig hout; daar kocht ik van een kellner een courant van den vorigen dag, en las daarin met alleraardigste schrijffouten de namen van ons nieuwe ministerie. De kellner begreep er niets van, dat ik in die oude courant zoo'n schik had. Van het Salon du Capucin ging de weg, door een prachtig eiken- en mastbosch, langzaam omhoog tot aan den voet van den Capucin, een rotsgevaarte dat daar steil omhoog rees. Een pad er om heen brengt u aan de andere zijde, waar een zachte helling het bestijgen gemakkelijk maakt. Van den top (1463 m.) heeft men een goed uitzicht op Montdore, den Sancy en de bergen van Bozat. Men vraagt u aan een herbergje aan den voet van den Capucin 25 centimes voor het beklimmen. De meeste dier bergtoppen hier zijn particulier eigendom, en worden aan kasteleins verpacht. Van de herberg ging ik verder door in de richting van den Puy de Clièrgue, die men voor zich ziet liggen en zoo over de kammen der bergen, die doorloopen tot den Puy de Sancy, tot aan het Val de la Cour en het Val de l'Enfer. Voor wandelaars, die niet gesteld zijn op een paadje langs de diepte, is er nog een aangename weg om den top van den Clièrgue heen,--maar hij is wat langer.

De Val de la Cour ligt tusschen een kring van bergkammen; de bodem is een keurig gebloemd grastapijt. De Val de l'Enfer is van de eerste gescheiden door een scherpen bergkam; het dal is als 't ware uitgehold in vulkanische gesteenten, niet altijd rotsblokken, maar soms ook wanden van los op elkaar gestapelde vulkanische overblijfselen. De wanden zijn bijna geheel ontdaan van plantengroei; het zijn naakte rotsen, die den vulkanischen stempel op het aangezicht dragen. Dit dal schijnt een der oudste kraters van den grooten vulkaan der Dore-groep te zijn; uit den bodem steken hier en daar soms geheele muren op; men noemt ze hier dykes. Dit landschap, dat den Val del Bove van den Etna moet evenaren, is zeer schilderachtig, maar tevens buitengewoon somber en draagt zijn naam met eere. Plantenkenners kunnen hier een rijken oogst vergaren. Van uit den Val de l'Enfer kwam ik weêr in het dal der Dordogne en zoo, langzaam aan, terug te Mont Dore.

Langzaam aan, want het was drukkend warm dien dag, en in die enge rotsdalen was geen schaduw en geen 't minste tochtje. 't Was daarom eene aangename verrassing, 's avonds aan tafel te hooren vertellen dat 't begon te regenen. Die regen hield aan en werd een wilde donderbui, en verstoorde den dampkring dermate, dat ik er nog een dag later pleizier van had. De volgende dag toch was bestemd om den Puy de Sancy te beklimmen en langs de andere zijde over Vassivières af te dalen tot Besse.

Daar hadt ge 't alweêr: iemand die 's morgens vroeg uit zoo'n nette badplaats per allereersten langzamen trein vertrekt, beteekent niet veel; en ik moest naar het station om mijn koffer naar Bort te verzenden. De hotelomnibus kon ik niet krijgen, en ik was al heel blijde een der hotelknechts eene fooi vooruit te kunnen betalen, waarvoor hij mijn koffer wel naar 't station wilde brengen.

De regen had opgehouden, maar 't weêr was zoo zoel gebleven, dat ik mij op allen tegenspoed voorbereidde. De wandeling ging aanvankelijk langs den zelfden weg, die me gister terugbracht van den Val de l'Enfer, maar ik had nu het genoegen van een waterval te zien, la cascade du Serpent, een der waarteekens van Montdore, maar die den vorigen dag droog was. Spoedig kwam ik onder hoog masthout; sierlijke boomen die bijna allen den eigenaardigen woekervorm vertoonden van doorgeschoten takjes, die als miniatuurboompjes loodrecht op de grootere takken stonden.

Op 1200 M. hoogte houdt de straatweg op, en begint het gemakkelijke slingerpad, dat tot bijna aan den top brengt. De bestijging was weinig vroolijk, want o jammer! er kwam een dikke mist opzetten; ik liep in eene wolk en bleef daarin tot bijna boven, toen het zachtjes begon te regenen. Achter mij aan kwam een gezelschap, dat er erger aan toe was; de lieden haddend en Puy de Sancy voor hunnen laatsten dag bewaard, en moesten nu den zoo hoog geprezen weg, ten tweede-male afleggen, zonder ook maar vijfentwintig pas van zich af te kunnen zien. Hoewel we allen wisten dat het op den top niets beter zou zijn, bestegen we toch moedig de spits (1886 M.); een slecht en door den regen glibberig pad, waarvan de eenige deugd was, dat 't maar een kwartier ver was. Spijtig! want van den top van den Puy de Sancy, den hoogsten berg van midden-Frankrijk, moet men bij helder weder een wondermooi uitzicht hebben, te aanlokkelijker voor mij, omdat daar de geheele streek zichtbaar was, die ik van St. Nectaire af doorloopen had.

Onder de treurigste voorteekenen zette ik aan de andere zijde van den berg de reis voort. Er was langs de verschillende hellingen maar één bergpad, en dat had ik te volgen. Aanvankelijk teekende dat pad zich duidelijk, maar spoedig begon het in 't gras te verloopen, en het regende zoo hard, dat elk spoor van een pad een beekje werd, en dus geen weg meer te onderkennen was. Eerst had ik nog een paar bergtoppen waar ik koers op kon houden, maar die gingen ook schuil achter de regenwolken. Geen geluid van mensch of dier was te vernemen; van tijd tot tijd meende ik de bellen van grazend vee te hooren, maar dat geluid kwam ook al uit dat grauwe voorhangsel, dat evenveel achteruit ging als ik vooruit. Dank zij de voortreffelijke kaarten, die ik te Clermont gekocht had, en dank zij mijn zakkompas, kwam ik echter goed terecht. Na een paar uur geloopen te hebben zag ik rechts beneden mij een meer, volgens de kaart dat van Chauvet; toen moest ik links van mij een alleen staanden berg, den Puy de Pailleret krijgen; en dat kwam ook uit, en daar midden tusschen lag het dorp Vassivières, maar dat kwam niet uit, en ik was dankbaar eene kleine schapenhoedster te treffen, die mij vertelde dat het onnoozele kleine kerkje met die drie kleine huizen er om heen, daar beneden ons, de beroemde bedevaartsplaats Notre Dame de Vassivières was. Ik kwam ongeveer 600 M. meer oostelijk uit, dan 't behoorde, en vergat onder dat geluk, dat ik doornat was geworden.

Hooger in de bergen waren de weiden, waardoor het pad heette te gaan, nog al flink, maar lager werden zij van minder gehalte en waren daarentegen sierlijk doorstreept met bloeiende heide; deze vriendelijke plantjes zag ik daarna overal in Auvergne weer. Behalve dat waren er opvallend veel donkere viooltjes en wilde anjers van een heldere kleur; zij stonden in die armoedige omgeving zoo vriendelijk te bloeien, dat ik een der dichters van het land begon te begrijpen, die zegt: "men kan mij naar hartelust uitlachen, maar ik trap er nooit op ... 't lijkt me of hun dat pijn zoude doen!"

Zoo kwam ik dan te Vassivières. Het wonderdoende beeldje staat in een bouwvallig kapelletje langs een voetpad; het is eene zoogenaamde zwarte maagd. De hoogere waarde van dat zwarte heeft me niemand kunnen of willen verklaren; het beeldje was van hout, en scheen me toe zwart van ouderdom te zijn. De beeldsnijders uit die vroegere dagen in Auvergne waren menschen van eenvoudige opvatting, en beeldden de moedermaagd af als eene vrouw uit hunne omgeving, zoodat men de evenbeelden nog overal en dagelijks ontmoet.

Voor vele jaren had men zich verstout dat beeldje van Vassivières, waar nooit voldoende gelegenheid was om de bedevaartgangers te herbergen, tot hun meerder gemak naar Besse over te brengen. De overlevering zegt, dat het beeld echter telkens weder des nachts naar Vassivières terugkeerde. Om aan de daaruit ontstaande beroeringen een einde te maken, besloten de gezaghebbenden het beeld des winters in Besse te plaatsen en des zomers te Vassivières. De rust was hersteld, en zoo geschiedt nog tot op heden.

De herberg waar ik dien dag te Vassivières middagmalen moest, was het huis van een kaaskoopman, wiens vrouw in den zomer de kaaspakhuizen ontruimde en voor gelagkamers voor de bedevaartgangers inrichtte. Alle kaas heet daar "St. Nectaire", en de gelagkamers getuigden van zijn bijzonderen geur. De waardin had medelijden met mijn natte pak; dadelijk werd het vuur opgestookt en werden mijn kleêren zooveel als 't kon te drogen gehangen, terwijl ik achter den gloeienden kachel plaats nam en mij, onder de bedrijven door, met woord en daad zag aangetoond, hoe heerlijk mijn maal toebereid werd.

Zoo'n huis daar is aardig ingericht, en bij veel grooter afmetingen herinnerde het mij sterk aan de oud-saksische boerderijen in sommige deelen van ons land. De stal voor 't vee is altijd klein; het vee wordt gefokt of jong gekocht, in het voorjaar de bergen ingezonden en in 't najaar verkocht. Men komt met de buitendeur in een ruim vierkant vertrek; de voorkant, waarin de deur is, heeft ook de ramen. De zijde, waar de kachel tegen staat, ook de provisiekamers, de beide andere zijden bestaan geheel uit deuren, die ten deele bedsteden of kasten zijn en de toegangen tot verdere ruimten, hier de kaasbewaarplaatsen, of tijdelijk de gelagkamers voor de bedevaartgangers. Toen de waardin de tafel gedekt had, vroeg ze mij of ik mineraalwater uit flesschen, of bronwater wilde drinken; ze kon mij het "eau de la Vierge" zeer aanbevelen, eensdeels om zijn goeden smaak en anderdeels om zijne wonderdoende kracht. Twee der kinderen werden uitgezonden om eene frissche kruik aan de bron te halen, en 't kwam mij voor dat de bijzondere aanbeveling steunde op het fooitje dat de kinderen voor dat dienstbetoon ontvingen. Het maal smaakte, niettegenstaande de opvallend rustieke samenstelling, na den bergtocht heerlijk, en toen de regen wat op begon te trekken, talmde ik nog wat om te zien of er soms nog een zonnestraaltje doorkwam. En zie, het kwam! Eerste gevolg aan mijn dronk "eau de la Vierge".

Nog twee uur wandelens bracht mij te Besse, in het Hôtel de la Providence. Na eene korte rust besloot ik dien avond nog de grotten van Jonas te bezoeken. 't Werd wel een vermoeiende dag, maar den volgenden dag had ik een gemakkelijke reis, en bij ongunstig weêr was er eene diligence.

De weg naar Cheix, waar die grotten zijn, gaat van Besse in een eng dal omlaag; in de diepte heeft de Couse de Besse zich een weg gebaand; zij dringt onstuimig met vele aardige watervallen tusschen hare rotsachtige oevers voort. De overzijde is vooral dicht hij de beek prachtig begroeid; de andere zijde levert een geheel verschillenden aanblik. De eerste indruk is die van verbazing; de steile berghelling is ontzettend ruw; groote en kleine rotsblokken betwisten elkander hunne plaats; hier en daar bergpuin, waarin men getracht heeft op aangelegde terrassen wijn aan te planten; maar alles is verdord, en gedeeltelijk weer onder nastortend bergpuin begraven. De kleur der rotsen is donker roodbruin; ze zijn allen in den vorm van uitgesmolten slakken; er staan ruggen van steen uit de berghelling op als reuzenhanenkammen, en die ruggen dragen ook de kenteekenen van in vuurgloed gevormd te zijn. 't Is ontzagwekkend en somber. Men gelooft in een heksen brouwketel beland te zijn en geen wonder, want we hebben hier te doen met een lavastroom, die uit een der omringende Puys, of misschien uit een verdwenen vulkaan naar dit dal vloeide. Het verloop van eeuwen heeft hier nog weinig doen verweeren; wat hoogerop wel, waar men tal van dorpen vindt in zeer vruchtbare omgeving. Bij een draai in den straatweg heeft men een aardig kijkje op het dorpje Cheix met zijn landelijk torentje en op het gehucht St. Pierre Colamme; iets verder verheft zich op eens uit het groen de helling van den Puy St. Pierre, waarin men dadelijk de grottenwoningen ontdekt. Deze woningen zijn uitgekapt in de bazalttuf, waaruit de berg gedeeltelijk bestaat; ze zijn tot 30 en 40 m. boven elkaar aangebracht; thans zijn er nog 60 holen; door het voortdurend afstorten van den bergwand zijn er echter veel verwoest en nog meer begraven. De holen zijn in een moeielijk aan te wijzen tijdperk door menschenhanden gemaakt,--misschien zijn ze wel uit het vóór-historische tijdperk,--en zij werden eeuwen lang bewoond. De uitgekapte paden, die de verdiepingen onderling verbinden, dagteekenen waarschijnlijk uit de middeneeuwen. In de rots ziet men hier en daar nog sporen van leuningen, die ook in de rots uitgehouwen zijn; in dienzelfden tijd werd er ook een soort van ridderburcht uitgekapt, met een kapel (de muurschilderingen komen mij verdacht voor), een keurige wenteltrap is vooral merkwaardig. In de grotten en in de omgeving heeft men eenige oudheden gevonden, vooral munten en enkele beeldjes. De grotten zijn nu staatseigendom en worden sedert een twintigtal jaren wetenschappelijk onderzocht, tot nu toe zonder belangrijke uitkomsten; men begint er wel achter te komen wat het niet geweest is, maar verder is men nog niet. Sommigen zeggen dat de ridderburcht met de wenteltrap en de kapel het werk zijn van tempelridders, die na de vernietiging hunner orde hierheen vluchtten.

Op de terugwandeling heb ik mijne oogen nog eens te gast laten gaan aan den ouden lavastroom. De indruk van woestheid werd vergroot, en 't was inderdaad eene opluchting toen ik, hooger in het dal komende, het vriendelijke Besse weder voor mij zag. Besse--'t heet eigenlijk "Besse en Chandesse"--is een bijzonder plaatsje, dat nog al door zomergasten bezocht wordt. Er was dan ook een goed bezette tafel in de eetzaal. Een der gasten trok mijne aandacht; naar zijne vrouw te oordeelen was hij een gegoed werkman of klein fabrikant; maar zijne handen waren zóó net van vorm, dat daar toch ook weêr niet aan te denken viel. Hij nam de leiding van een deel der tafel op zich, diende soep, sneed voor, voerde onder de bedrijven door een luidruchtig algemeen gesprek; de man bleef mij een raadsel; zou hij soms een kellner met verlof zijn? Maar het raadsel werd spoedig opgelost; er werd eene ommelette binnengebracht op een grooten schotel, te midden van brandenden rum, tot groot ongerief der dienstmeisjes, die de vlam ten laatste niet meer meester waren. Al de gasten waren opgetogen--de schrijver telt niet mede--en madame nam de hulde over dien prachtigen schotel met koninklijke bescheidenheid aan. De raadselachtige gast diende weêr, en toen hij eindelijk wat van zijn eigen portie proefde, sprong hij op, liep naar het dienstmeisje en riep vol ongeveinsde geestdrift uit: "Zeg aan den kok, dat hij mij overtroffen heeft, ik heb nooit zoo iets heerlijks gemaakt." De man was kok en liet er zich bij de omgeving op voorstaan, dat hij chef was in een der groote hotels te Parijs!

Ik deel dit mede, niet om met mijn gebrek aan kokkennis te pralen, ook niet om uwe bewondering op te wekken voor de ommelette in haren waarlijk helschen vuurgloed, maar om u het gehalte der zomergasten daar te leeren kennen.

Na dezen langen en aan gebeurtenissen rijken dag, als: het beklimmen van den Puy de Sancy in den nevel; het afdalen in den regen; de maaltijd te Vassevières met het "eau de la Vierge", het doorkruisen van een dal der verschrikking op den weg naar Cheix; het bezoeken van eene vóór-historische kazerne-woning, en het gebruiken van eene ommelette brulée onder de leiding van een kok en villeggiatura, genoot ik een welverdiende rust.

's Ochtends vroeg de stad in; 't is maar een stedeke van 1800 inwoners, met eenige kronkelige straten, maar in deze vele eigenaardige fraaie gevels. Eén huis, gezegd dat van Koningin Margaretha, munt vooral uit; op de markt zag ik een betrekkelijk laag huis--ze zijn allen uit de 15de en 16de eeuw--met eenvoudige, allerkeurigste versieringen, eene deur om te stelen, zwaar eikenhout met gesmeed ijzeren beslag. Een zonderlingen indruk maakte voor die deftige fraaie vensters de uitstalling eener slagerij. De stad heeft nog ééne poort met klokkentoren, een aardig gebouwtje uit de 16de eeuw. Zeer mooi was de kerk, of liever zeer merkwaardig. Het oudste deel, het schip, natuurlijk romaansch; de zuilen waren aardig versierd, zoo opvallend eenvoudig en lief, men zou haast zeggen kinderlijk. Aan de eene zijde der kerk zijn later kapellen aangebouwd in gothischen stijl. De beschildering der muren in de kerk wordt zeer geroemd. Ze was kleurig en druk. De eenvoudige versieringen in de kerken te Clermont en te St. Nectaire vond ik echter veel mooier. De andere buitenzijde der kerk had uitstaande muren, beneden ongeveer 3 M. dikker dan boven.

Besse is een middenpunt voor bergtochten; dien naar de grotten van Jonas maakten wij reeds; de richting naar Vassivières had ik afgewandeld, die naar het noorden met Murols als eindpunt had ook niets bijzonders. Bleef nog die naar Condat en Feniers, juist de reisweg dien ik mij voorgenomen had. Ik verliet het stadje door de oude poort met den klokkentoren en had aanvankelijk den weg terug, waarlangs ik den dag tevoren gekomen was. Een breed dal; de weg liep aan de eene zijde ter halver hoogte van den bergrug; in de diepte een riviertje, maar met zoo weinig water, dat 't gehoopte aangename gezelschap van zoo'n druk bergstroompje ditmaal ontbrak. Aan de wegzijde enkele zeer fraaie boschpartijen, en voorts langs bebouwde akkers; eene overoude landhoeve, door esschen omringd, met prachtige roode vruchten, kwam tegen den achtergrond van donker eikenloof mooi uit. Beneden in het dal weidevelden, ook tegen de hellingen aan de andere zijde, zoo ver men van berg tot berg zien kan; maar ditmaal magere, natte weiden; de boerderijen lagen daarom ook ver uit elkaar; hier en daar een kaashuis, "burons" worden die hier genoemd. Na een drie kwartier loopens een mooi uitzicht op den Puy de Chambourget en den Puy de Montchal; langs een voetpad de helling op, spoedig weder hout, en dan een der lieflijkste landschappen die ik nog ooit zag: het meer Pavin (1197 M.) Dit meer is bijna cirkelrond, en heeft 750 M. middellijn; de diepte bedraagt 97 M. en de oevers loopen bijna loodrecht omlaag. Langs de oevers gaan de dicht begroeide hellingen omhoog. Aangaande het ontstaan van dit meer, en van vele andere in Auvergne, geven de geleerden verschillende verklaringen, die te ingewikkeld zijn voor den leek en ook voor hem hare waarde verliezen, omdat ze met elkaar in strijd zijn; met de wonderlijke volksoverleveringen komt men ook tot geene bevredigende uitkomst, en daarom noodig ik u uit, alle wetenschappelijk geknutsel op zijde te stellen en u te verkneuteren aan 't heerlijke natuur tafereel. Het weêr was buiig, de waterplas, donkergroen van kleur, was gewoonlijk sterk beschaduwd, en stak statig af tegen de dartele lijnen van het veelsoortig groen langs de oevers; de zon brak door en overgoot alles met haar heerlijk licht, om in een anderen vorm nog mooier te geven. Er staat een visschershuisje, oud en schilderachtig; daarlangs een pad onder hooge boomen, om het meer heen; we volgen dat, aldoor genietende van de bevallige lijnen en keurige licht- en kleurschakeeringen, tot we komen op een punt tegenover het bergpad dat ons aan het meer bracht. Daar was de oever open; eene beek voerde het water af en sprong met vervaarlijke sprongen van den eenen steen op den anderen naar beneden, om onder in het dal de beek te gaan versterken. De in het licht schitterende waterband vereenigt zich met de sierlijke oploopende lijnen van den Puy de Chambourget. 't Is heerlijk mooi; nog eens links het pad op, en nog weêr eens rechts, en dan weêr eens onder de boomen gaan liggen; 't is en blijft mooi.

Langs de beek ging ik, of liever klauterde ik omlaag en toog verder den straatweg op naar Condat. Het landschap werd boschrijker, de weg loopt omlaag langs eene beek. Men komt door het dorpje Eglise neuve d'Entraignies. De rivier verandert van naam en heet nu Rhue; in den omtrek zijn vele minerale bronnen; naar aanleiding daarvan zij in 't voorbijgaan gemeld, dat zich in de omgeving van die minerale bronnen altijd eene zoutwaterflora ontwikkelt: vreemd is het dezelfde planten als aan de zeekust, hier op eene beperkte plek midden in het land te zien! De bewoners van dit Eglise Neuve hebben eene bijzondere manier om hunne dooden te eeren; zij bouwen boven de graven kapelletjes in den vorm van kleine huizen met kruisen er op; het kerkhof maakt daardoor den onwillekeurigen indruk van eene verzameling poppenhuisjes.

De weg wordt al mooier en mooier; prachtig opgaand hout, vooral eiken; de rivier door toevloeiing van beken krachtiger geworden, wringt zich hier en daar door rotskloven en biedt een reeks van schitterende landschappen. Na eenigen tijd wordt het dal ruimer en ziet men "Condat en Feniers" in een breed bekken voor zich liggen. Op zichzelf biedt de plaats niets bijzonders aan, 't is een stadje van 2600 inwoners, en het ligt in Cantal; er is veel handel in hout; maar de ligging is tooverachtig mooi, drie berggroepen loopen daar in een groot dal samen, 't Was heerlijk weêr, stil en niet te warm; eene avondwandeling om de plaats heen gaf eene heerlijke ontspanning.

Met boos humeur trok ik er den volgenden ochtend op uit; de menschen zijn zeer ijverig te Condat, maar ze hebben er geen spoorwegen en daarom geen haast. Men kan zich in dat goede land geen goed begrip vormen van iemand die 's morgens om 4 uur op wil staan, om dan voor zijn genoegen te gaan wandelen, en laat hem daarom ook maar kalmpjes slapen; en ik moest dien dag naar Bort (32 K.M.), zoodat het er op aankwam om den dag goed te verdeelen. Eenmaal op marsch, kwam de goede stemming spoedig terug; de omgeving was prachtig! De weg loopt bij het verlaten van Condat hoog boven de rivier, maar altijd naast haar; eerst heeft men prachtige uitzichten op het bekken van Condat, dat afwisselt bij elke kronkeling van den weg. Eindelijk wordt het dal enger en komt men onder hoog geboomte langs prachtige rotspartijen; aan de zijde der rivier ook steeds hoog opgaand hout, zoodat men over de toppen der boomen de andere zijde van het dal ziet, geheel bedekt met statige dennenbosschen, hier en daar onderbroken door grillig gevormde rotspartijen. Bij Cornilloux heeft men de eerste houtzagerijen, die altijd eene schilderachtige groep aan de rivier vormen. De rotsen stapelen zich aan weerszijden hooger en hooger op; dan slingert de weg van de rivier af tusschen woeste rotsvormingen door, om haar weder te naderen waar ze bij een bocht opnieuw een schilderachtige beek opneemt. Bij de "Pont de Soutre" nog weer houtzagerijen; eene tweede Rhue, die van Cheylade, vereenigt zich met de Rhue, die ik nu reeds, van Eglise Neuve volgde. Dit punt is wel het schoonste van den geheelen weg, en alles was zoo heerlijk mooi! Bij herhaling kruist men de rivier. Nog een prachtig punt ontmoet men bij de "Rocher des Faux monnayeurs", een grot waarin volgens de overlevering eens eene bende valsche munters langen tijd haar bedrijf straffeloos uitoefende. Nu wordt het dal ruimer; nog een paar beken komen de Rhue versterken en men ziet het gehucht Embort door de boomen schemeren. Te Embort rustte ik wat en trof er een jongen kastelein, die verzot was op photografeeren; hij maakte aardige dingen, die hij altijd kwijt kon raken aan de fabrikanten van prentbriefkaarten. Maar, vreemd, er waren in den omtrek zijner woning zulke allermerkwaardigste vulkanische overblijfselen, en geen enkel dier punten werd door hem genomen. Hij zeide mij telkens, als ik er op terugkwam: "maar mijnheer, dat is toch leelijk, niemand wil dat koopen. Maar zie daar eens die beek, en daar dat watervalletje, en dat groepje forellenvisschers! Dat is mooi! en dat is mijn land!" Ik wilde hem vooruit betalen, als hij kiekjes wilde nemen van de plaatsen, die ik hem aanwees; maar hij liet zich met de dwaasheden van zoo'n tourist niet in.

Voorbij Embort, waar men aan alle zijden van uit het breede, vlakke dal statige berguitzichten heeft, hielden de bosschen langzamerhand op; de rivier kronkelde door sappig groene weiden; hoogerop werd alles veel schraler, er staken in de velden overal rotsbrokken omhoog, en hier en daar zag het er zelfs woest uit; vooral bij het hooger gelegen gehucht Sarrau. Het was Zondag en de kerkgangers gaven eenige gelegenheid tot een praatje. De zomer was er zeer droog geweest, de oogst was tegengevallen en vooral de weiden waren treurig verbrand; de laag teelaarde op den rotsbodem was hier nog te dun en dientengevolge zeer gevoelig voor de uitersten van het weêrgetij. Daar waar ik meende dat men de tweede snede maaide,--men werkt daar ook des Zondags in het veld--bleek het de eerste te zijn; er zou van eene tweede snede wel niets komen.

Toen ik Champs de Bort naderde, trok het klokgelui mijn aandacht. Dat klonk opgewekt en gaf stemming aan de omgeving. De Guide Ioanne gaf hier het Hôtel des Voyageurs aan als de plaats waar men verblijven kon. Ik wenschte er mijn twaalfuurtje te nemen en minstens tot 3 uur stil te zijn, om de grootste middaghitte te laten voorbijgaan. Daarom naar de herberg des Voyageurs, eene niet al te weidsche kroeg; ik kreeg tot bescheid dat ik tot na kerk moest wachten, en dat ik dan aan de table d'hôte mede kon eten; onderwijl gebruikte ik een glas vruchtensap en wachtte gelaten, maar niet zonder zorg, op de dingen die komen zouden. De kastelein had ook een winkel van ellegoederen en kruidenierswaren; na kerk stroomden de menschen er heen, mannen, vrouwen en kinderen allen in 't zwart. De vrouwen eerst in den winkel, later ook in de gelagkamer, waar de heeren dadelijk plaats namen. Eerst een flesch wijn van het vat; dan brood en kaas en bier, en dan nog eens, als de vrouwen en kinderen kwamen, afgetapte wijn in oude champagne-flesschen, met harst of pik over den kurk en den hals gesloten. Onder het genot van de tweede portie wijn werd het gesprek levendiger en bereikte later, toen ik reeds aan tafel zat, eene onrustbarende hoogte. De kastelein, die voorzat aan tafel, verzekerde mij echter dat er nooit ongenoegen kwam, zoolang ze maar geen spiritualiën dronken, en die waren alleen te verkrijgen in kroegen van mindere soort.

Dat verblijf in die gelagkamer was wel interessant maar niet amusant; te meer indruk maakte de nette eenvoudige kamer, waar een vrij talrijk gezelschap heeren en dames de komst wachtte van den laatsten gast. Het was een goed en allergezelligst maal; de gasten waren eenvoudige menschen en gaven zich geheel zooals zij waren. Drie jonge onderwijzeressen onder de hoede van eene oudere dame; de ontvanger der registratie met zijne vrouw; de griffier van het kantongerecht, nog twee ongenummerde paren; de kastelein en ik, ziedaar het gezelschap.

Het was nog drie uur ver, en 't was broeiend heet; van schaduw was geen spraak meer. Aanvankelijk golfde de weg; op een der hooge punten een prachtig uitzicht op de bazaltruggen van Bort; vervaarlijke rotsblokken liggen langs den weg verspreid; dan het dal der Dordogne. Een heerlijk landschap: het bekken van Bort, de bazaltruggen, het orgel van Bort genoemd, en de diepe rotsbedding der Rhue, vragen om strijd de aandacht. Naar de zijde van het dal der Dordogne fraaie lijnen, afgeronde heuvels dikwijls met prachtig bosch getooid, een heerlijk golvend landschap. Aan de andere zijde van alles het tegendeel. Het was langs dien kant dat in den voorhistorischen tijd de gletschers zich bewogen; men ziet niets dan strakke lijnen, scherpe rotskanten, hoekige en loodrechtige wanden. Niet ver af, bij een wilde rotspartij een merkwaardig voorbeeld van rotsen door het ijs afgevlakt en gestriemd, de diepe gleuven zijn duidelijk zichtbaar. Wat verder naar de Rhue afdalende, eene woestenij van bergpuin, in 't oog vallend woest en kaal. Op deze plaats hebben de natuurkrachten een ontzettenden strijd gevoerd, en het slagveld is sinds dien in denzelfden desolaten toestand gebleven. Het uitzicht op de Orgues de Bort trekt bij toeneming de aandacht, tot men, neergedaald tot aan de rivier, in het stadje aankomt. Ik sloeg mijne tent op in het hotel Amblart, waar ik eene aardige kamer kreeg, met een prettig uitzicht op de Dordogne en op het oude stadje. De avond en morgen te Bort waren allergezelligst; aan de middagtafel maakte ik aangename kennissen en besloot den dag in hun gezelschap en met eene avondwandeling door de stad en langs de Dordogne; in een café maakte ik onder anderen kennis met een fabrikant van vilten hoeden, die mij uitnoodigde den volgenden morgen zijn fabriek te komen zien.

Bort heeft 4000 inwoners, een paar flinke fabrieken en veel handel; de uitzichten langs de rivier zijn zeer mooi, en die op de bazaltruggen, de Orgues, zijn van zeer bijzonderen aard. 's Morgens vroeg trok ik er reeds op uit; het is, na eene korte wandeling buiten de stad, een flinke klim van ongeveer een uur, waarbij men des voormiddags alles heeft, behalve het eenige noodige: schaduw. De boomen aan den voet van de bazaltmuren zijn daarom dubbel welkom, en men heeft daar reeds fraaie uitzichten, een voorproefje van 't geen men boven zien zal. De bazaltzuilen te Bort--en er zijn er zoo meer in Auvergne--zijn ontzagwekkend van afmeting. Men kent de stukken van bazaltzuilen, die hier van den Rijn aangevoerd worden tot het maken van sluismuren, zeeweringen en dergelijken. De kristalvorm is dezelfde; maar wanneer zoo'n zuil van den Rijn eene grootste doorsnede heeft van 40 centim. dan is het al een zwaar stuk. Hier zijn ze 8 tot 10 meter in doorsnede, die van 4 meter zijn stroohalmpjes. De lengte is gemiddeld 90 meter, en men kan zich ter nauwernood den indruk voorstellen, wanneer men dergelijke wanden ziet, die zich voor u opheffen en zich verder uitstrekken dan men zien kan. De geologie leert ons, dat die zuilen bij afkoeling gekristalliseerd worden uit een gloeiende, vloeibare massa; wat moet dat voor een gloed geweest zijn, toen zich daar kristallen vormden van die afmetingen! Hier en daar zijn er enkele zuilen ingestort en de brokken, waar men tusschen door klauteren kan, geven nog beter denkbeeld van de reuzenafmetingen. Na eene korte rust in de lommer volgde ik het voetpad naar boven en kwam op den top der kolommen (760 m.). Langs de kanten komen die koppen bloot, maar op eenige meters van den kant bestaat de bodem reeds uit goed bouwland, hier en daar afgewisseld met weiden en bosch. Van den rand der bergvlakte geniet men een der prachtigste uitzichten van midden-Frankrijk; men staat in het middenpunt van een groot halfrond, gevormd door drie berggroepen, van den Mont-Dore, van de Cezallier en van de Cantalgroep. Aan de andere zijde van Bort, waar men 350 M. boven verheven is, over de Dordogne heen en over het spiegelgladde, schitterende meer van Madic, eene opeenvolging van heuvelruggen met diepe insnijdingen, die aan den horizon afgesloten worden door de genoemde berggroepen. Bosschen, heidevlakten in prachtig paarsen tooi; weidevelden en bebouwde akkers versieren de heuvelen in allergelukkigste afwisseling. Enkele witte vlekken, dorpen en stadjes, eene helle weêrkaatsing van een waterval, schijnen kunstmatig aangebracht om dien fraaien tuin nog grooter bekoorlijkheid te verleenen. Het kost den wandelaar meer dan een uur, eer hij zich van dat vergezicht kan afwenden! De terugwegen naar Bort zijn talrijk en men kan op goed geluk af elk pad kiezen; onder het afdalen is de toren van Bort een onfeilbare wegwijzer.

Na het dejeuner toog ik naar de hoedenfabriek. Ik zal u niet vermoeien met eene uitgebreide omschrijving van dit fabrikaat, dat we allen, oud en jong, op het hoofd hebben of gehad hebben. Het meerendeel van de fransche hazenhuidjes wordt te Bort verwerkt, dat wil zeggen alléén het haar; maar de millioenen konijnenvellen, die jaarlijks uit Australië naar Europa verscheept worden, komen allen in de fabrieken van vilten hoeden terecht. Is het haar eenmaal gesorteerd, dan wordt de hoed gemaakt uit water en haar, dat op een koperen vlechtwerk gespoten wordt; dat vlechtwerk is in den vorm van een suikerbrood en zoowat 75 c.M. hoog en 40 c.M. doorsnede aan het grondvlak. De eerste vorm van een hoed is dus een reuzenhoed; nu wordt hij door behandeling met heeten stoom, door pletten en vouwen en hameren inéén gewerkt en verkrijgt zoo de vereischte vastheid, terwijl hij hoe langer hoe kleiner wordt. Verder zullen we de fabrikatie maar niet volgen; er wordt nog geverfd; er wordt nog gewasschen; er worden zachte fijne vilten gemaakt; er komen dikke en minder plooibare te voorschijn; het einde van alles is een opgemaakte hoed, dien men zoo maar dragen kan. Door het bezichtigen van dat alles ben ik dan ook tot het medeweten van een groot geheim gekomen; namelijk welk model van hoeden in 1906 gedragen zal worden, zoowel door dames als door heeren. De fabrikant legde mij echter daaromtrent het zwijgen op; moeielijk te bewaren is dit niet, want waarschijnlijk hebben bij 't lezen dezer regelen de meesten het nieuwe model reeds gezien of in gebruik. Als algemeene indruk der vilten hoedenfabrikaten, kan men zeggen dat zij volkomen in strijd is met den gewonen loop van zaken. Hoe grooter de hoed is bij zijn geboorte en hoe kleiner hij is wanneer hij in gebruik genomen wordt, hoe beter hij aan de gestelde eischen zal beantwoorden.

Het bleef dien dag broeiend heet, en ik had na de wandeling over het "orgel" geen lust om nog meer te loopen; dus per spoor naar Mauriac. Een genotvol ritje, want dat gedeelte van 't net der Orleans-spoorwegmaatschappij is zeer bergachtig en wordt dientengevolge uiterst langzaam bereden; het is een merkwaardig staaltje van spoorwegbouw. Tal van heuvels, dikwijls door viaducten onderling verbonden, hebben de ingenieurs niet afgeschrikt; op twee punten hadden ze zelfs de lijn met slingers tegen de berghelling op moeten brengen, en zag men de sporen die men bereden had, weder naast en onder zich. Eene verbazend groote omnibus bracht mij van 't station naar het hotel l'Ecu de France, een echt ouderwetsch plattelands-logement: eenvoudig maar in de puntjes, en eene eerwaardige waardin, met een vriendelijk praatje. Terwijl ik mij verfrischte, zuiverde eene heftige droge donderbui de lucht, en woei het stof uit de straten, zoodat ik voor donker nog eene wandeling door het stadje maken kon. Mauriac is met Salers, dat ik den volgenden dag bezoeken zoude, het merkwaardigste stadje van Auvergne; het ligt op 900 M., heeft 3500 inwoners, en bezit belangrijke overblijfselen van vroeger aanzien; gesticht werd het als klooster, omstreeks het jaar 560, door een kleindochter van Clovis, op eene plaats van oudsher door de Gallo-Romeinen bewoond; in de stad zelf en in hare omgeving werden tal van voorwerpen uit dien tijd opgedolven; van de kloosterkerk van 't jaar 560 werden de laatste overblijfselen in 1825 opgeruimd;--het was niet alléén in Nederland dat in die dagen eene verwoestingswoede heerschte; maar in de kerk Notre-Dame des Miracles bezit de stad nog een schitterend overblijfsel van eenvoudige romaansche bouwkunde. De achthoekige toren werd in de vorige eeuw nog al eerlijk hersteld. Het beeldhouwwerk aan den hoofdingang is bijzonder merkwaardig; de gebeeldhouwde deuren van 1582 zijn prachtige voorbeelden van de houtsnijkunst dier dagen, al zijn ze wat geschonden. Inwendig trekt een doopvont de aandacht, en eene zwarte madonna is ook hier weder het brandpunt der vereering in wijden omtrek. Hier en daar trekken nog andere oude gebouwen de aandacht, en de algemeene indruk is prettig; kronkelende straatjes; huizen met terrassen, dikwijls alleraardigst begroeid of met planten versierd; een stadje waar men zich dadelijk thuis gevoelt, en dat den indruk geeft alsof de bouwmeesters van toen bedoeld hadden om, zonder overdadige versiering en zonder in het oog-vallende middelen, eens een keurig klein geheel te vormen.

Men kan van hier aangename uitstapjes maken naar de kloven der Dordogne, naar St. Projet le Desert; mijn plan echter lag nu eenmaal een anderen weg uit, en zoo liet ik die plaatsen onbezocht; andere reizigers zullen echter wèl doen, ze in hun reisplan op te nemen. Ik wandelde over Anglards-de-Salers naar Salers, eene wandeling die ik om hare groote eentonigheid niemand aanbevelen kan; men doet beter van Mauriac per spoor naar Drugeac te gaan en vandaar naar Salers te wandelen. Na, buiten Mauriac, onder den spoorweg door te zijn gegaan, komt men in eene kale, onvruchtbare glooiende vlakte; magere weiden met veel rotsblokken; geen boomen; gelukkig veel bloeiende heide; hier en daar eene kleine woning en eene verlaten kaashut. Anglards ligt aardig op eene hoogte onder boomen; toevallig trof ik er eene kerkelijke processie, een treurig streven om iets indrukwekkends te vertoonen; te veel tooi om van eenvoudige onbeholpenheid te spreken. Het beste gedeelte der bevolking woonde den optocht als toeschouwer bij en verbaasde mij, voor zoover ik het verstaan kon, door zijne scherpe opmerkingen; de vrouwen vertegenwoordigden daarbij het radicale beginsel. Trouwens de bevolking dezer streek is van oudsher bekend om haar stuggen onafhankelijkheidszin; als voorbeeld daarvan in den nieuweren tijd dient, dat na den laatsten Fransch-Duitschen oorlog, 1870-71, te Bort als hoofdplaats, de republiek 24 uur eerder werd afgekondigd dan te Parijs.

Naar Salers toe wordt de omgeving vruchtbaarder, er staan meer en flinke boerderijen, men komt zelfs van tijd tot tijd iemand tegen en het landschap trekt weder de aandacht. De uitzichten op de omliggende bergen worden mooi. Salers ligt in een bekken, waar de dalen der Maronne en der Aspre tezamen komen, op eene hoogte. Vreemd is de indruk, dien het stadje--het heeft niet voluit 1000 inwoners--maakt met zijne vele poorten, zware logge wallen en de grillige omtrekken der daken, aanhoudend afgebroken door kleine torens. De bevreemding stijgt met elken stap, wanneer men, door een der poorten binnengetreden, die smalle straatjes doorloopt tusschen die oude hooge gebouwen.

Ik zocht het hotel Faure Serre; bij de kerk gekomen op de "Grande place," een zeer beperkt pleintje, moest ik het opgeven en den weg vragen, want niets duidde aan, dat ik nog een hotel zoude vinden; een inwoner was zoo vriendelijk met mij mede te gaan, en bracht mij in een achterbuurtje voor een oud, vervallen gebouw, waar met groote vergulde letters in den voorgevel stond Faure Serre. Die gulden letters waren het eenige frissche dat ik in Salers zag, en toch was het er prachtig. Het hotel was donker en somber; uit eene herberg-gelagkamer werd ik trapop, trapaf gebracht in een groote ruime gang met booggewelven, om te komen aan een vroeger stellig prachtige wenteltrap; na eenige treden geklommen te zijn,stond ik in eens in de open lucht op een terrasje, en daar kwam de deur der voor mij bestemde kamer op uit, een ruim vertrek met mooi uitzicht op tal van tuintjes en binnenplaatsjes in Salers. Na eenige rust genomen te hebben verliet ik mijne kamer weêr, naar ik meende langs denzelfden weg, dien ik gekomen was, maar ik had op de wenteltrap een verkeerd bordes genomen, kwam weer in een lange gang en voor eene zware houten deur, die gelukkig niet op slot was. Buiten komende, stond ik in eene andere stadsbuurt, en bespeurde dat de deur waardoor ik het hôtel verliet, ook al eene merkwaardigheid was, fraai getimmerd en geheel met eenvoudig maar keurig snijwerk versierd. Op goed geluk door een steegje verder gaande, kwam ik op een ruim grasveld; dit was de Promenade de Barrouge, op den top van eene steile bazaltrots met een verrukkelijk uitzicht in de omringende dalen. Het plein was met fraaie boomen beplant en omringd door een muurtje en was aan drie zijden vrij. De jeugd van Salers vermaakte zich daar met kegelen; van de ongevraagde verklaring van hun spel kon ik bijna niets verstaan. Verder gaande stond ik bijna bij elken stap voor een ander monument van bouwkunde. Al die huizen zijn uit de 15de en 16de eeuw; Auvergne leefde toen, met bijna geheel Frankrijk op, na het eindigen van den honderdjarigen oorlog met Engeland en werd aan zichzelven teruggegeven. Die oorlog had ook de macht van adel en geestelijkheid gebroken, en de ontwakende volksgeest gaf ook hier de hand aan de hervorming; de steden en het platteland namen hunne belangen in eigen beheer; het land leefde op en bloeide, en de welvaart uitte zich spoedig in prachtige woonhuizen. De hervormingsoorlogen maakten verweer noodzakelijk, en door zijne natuurlijke ligging was Salers aangewezen tot een middenpunt van aanval en verdediging. Vandaar die gordel van oude vestingwallen, nu in bloem- en groententuinen herschapen; vandaar die versterkte poorten, zooals die van l'Horloge en der Martille, vestingen op zichzelf. Maar zoolang men nog de kracht bezat om zich tegen de booze machten van vroeger te verzetten, bleef de voorspoed bestaan en met dien voorspoed de weelde in het bouwen. Het zoogenaamde Maison Lizet, met een mooi portaal van jonger dagteekening, op de markt het Maison du Notaire, en vlak daarbij het Maison des Templiers, en nog tal van andere prachtige gebouwen zijn de bewijzen van dat korte tijdvak van bloei. De kerk is uit de 15de eeuw en dus reeds uit het tijdperk van den overgang van de romaansche tot de gothische bouworde; zij is gedeeltelijk gerestaureerd, zeer fraai, maar door de restauratie te nieuw in die omgeving. De ingang der kerk is een flink voorbeeld van wijziging van den bouwstijl. Waren de deuren der romaansche kerken aanvankelijk klein, zoodat men ze gemakkelijk openen en sluiten kon, later werden die aan de hoofdingangen grooter en door een middenstijl in tweeën verdeeld; ook liet men de portaalwanden schuins uitloopen, zoodat er voor de binnentredenden meer ruimte ontstond. De daardoor ontstaande vergroote zijvleugels werden hoe langer hoe kunstiger versierd, nu eens met kolommen in verschillenden vorm, dan eens met beelden in nissen; ook de middenstijl der deuren werd veelal een beeld.

Ik bleef aan 't ronddolen in dat allermerkwaardigste stadje; liep hier en daar eene poort in, om op ruime binnenplaatsen te komen, die overal de resten vertoonden van keurige bouwkundige versieringen. Treurig echter was het, den diepen staat van verval te zien, waarin al dat schoons gekomen was. Geen dier groote prachtige gebouwen werd nog in zijn geheel bewoond, en hoewel ik niet mag beweren dat er armoede heerschte, zoo was de levensstandaard zoo laag, en 't gebrek aan orde en zindelijkheid zoo groot, dat men toch aan volslagen armoede moest denken.

's Avonds aan tafel--want te Salers komen veel reizigers--maakte ik kennis met een aangename familie, en zette na tafel het gesprek voort; tot mijne verbazing vernam ik dat er geene plaatselijke verzameling van oudheden of kunst was, en dat de overblijfselen van zulk een schitterend verleden eerst sedert een veertigtal jaren de aandacht hadden getrokken, om bijna allen hunnen weg te vinden naar Parijs, in handen der oudheid-handelaren. Geen der merkwaardige gebouwen, ook niet de oude kasteeltjes in den omtrek, waren nog in handen van de oorspronkelijke families, en inwendig was er ook niets meer te vinden. De prachtige betimmeringen waren uitgebroken en verkocht; hen volgden de schoorsteenen, de trapleuningen, de versieringen van deuren en vensters, het ijzer- en koper smeedwerk, tot er niets overbleef dan bijna onbewoonbare vertrekken, die dan bij gedeelten verhuurd werden. Men zeide, dat in vele gevallen de tegenwoordige bewoners, door 't langdurig bewonen, eigenaars werden en dat van vroegere eigenaren dikwijls niets bekend was. Men verklaarde deze vreemde feiten altijd door het tooverwoord "La grande Revolution". Ik werd in het levendig gesprek met de pas gemaakte kennissen verrast door de waardin, die ons tegen negen uur de brandende blakers bracht; het duurde haar te lang en we moesten maar naar bed. Maar ook wij maakten "une grande revolution" en onttrokken ons aan den druk der over ons gestelde machten; we ontsnapten met de brandende blakers in de hand naar buiten. 't Was heerlijk maanlicht; de blakers werden uitgeblazen en op de groote markt in een der raamkozijnen van het maison du Notaire neêrgezet, en we maakten een wandeling door de reeds in diepe rust gedompelde stad. Niet licht zal ik die heerlijke avondwandeling vergeten, en vooral dat prachtige uitzicht van de Promenade de Barrouze; tegen half elf bereikte ons de arm der hoogste macht; de nachtwacht kwam opdagen, en wij begrepen dat verder verzet onmogelijk werd; we zochten onze blakers weder op, en sloopen door de zijdeur, die ik 's middags gevonden had, het hotel weer binnen.

Den volgenden dag stond mij eene inspannende wandeling te wachten. De tocht van Salers naar den Puy Mary, en van dezen naar Murat, staat bekend als de schoonste in Cantal, maar hij heeft het groote gebrek van 43 K.M. lang te zijn. Dat was een marsch van 11 uren! Zeer vroeg op; vroeger dan het hotelpersoneel; met aanvankelijk treurige gevolgen. Ik werd voor 't ontbijt in eene binnenkamer gelaten maar dit vertrek--de woonkamer van het gezin--was erg bedompt en waarschijnlijk sedert de grondvesting van het gebouw niet meer bijgeveegd; het was mij ondoenlijk het ontbijt daar te voltooien, en ik was blijde, na mijne rekening betaald te hebben, weder naar buiten te kunnen.

Er was een dikke mist; de weg loopt langs de berghelling boven het dal der Maronne; van al de prachtige vergezichten en het heerlijke landschap zag ik niets, dan van tijd tot tijd een kijkje door eene opening in den nevel, maar dat was ook voldoende om mij te doen beseffen wat ik door het slechte weer verloor. Op den Col hetzelfde; de nevel begon regen te worden. Nu kwam ik, afdalende, in prachtige bosschen; de weg kronkelde steeds voort; eenige vage omtrekken en het luiden van klokken bewezen de nabijheid van dorpen; ik was in de kloof van Falgoux. Gelukkig veroorloofde mij een flauw zonnetje ter hoogte van den Roc des Ombres en den Roc du Merle, de fraaie omtrekken dezer rotsgevaarten waar te nemen. Daar kwam ik aan den voet van den Puy Mary, bij den Pas de Peyrol. Nu zou ik, behalve een prachtig uitzicht, een der merkwaardigste punten van de reis zien; van af den Puy Mary ziet men neer in een der grootste kratervormingen van Europa. Wel te verstaan, buiten den mist en den regen gerekend, die mij het beklimmen van den top vrijwel onmogelijk maakten en mij in den vollen zin des woords druipstaartend naar beneden dreven. Ik zag het beloofde land, maar mocht het niet betreden.

Bij den Col de l'Eglac was eene herberg, waar ik hoopte de schade van mijn verzuimd ontbijt in te halen; maar 't ongeluk vervolgde mij, men had daar niet op gasten gerekend. Als de kippen ook daar niet de heilzame gewoonte hadden gehad van eieren te leggen, dan had ik mij, na 21 K.M. geloopen te hebben, met een stuk oud brood en een brokje kaas tevreden moeten stellen.

Over steeds terugkeerende kronkelingen ging de weg over den Col de Serres; altijd door regen, maar nu onbetwistbaren stortregen; door het gehucht Lauvegirie naar het dorp Dienne. Bij goed weder moet in deze boomrijke streek het landschap mooi zijn--nu droop alles. Te Dienne--ik was toen nog 10 K.M. van Murat--moest gemiddagmaald worden, en ik zocht daartoe de best uitziende herberg uit; maar de maat der tegenspoeden was nog niet volgemeten! Stellig kon men mij een warm dejeuner geven, er kwamen veel menschen en allen waren altijd tevreden! Nu, ik heb bij 't heengaan ook maar zoo gedaan, maar 't was een allerwonderlijkste maaltijd; de gerechten, die men mij voordiende, kende ik noch op 't uiterlijk noch naar den smaak.

Eindelijk klaarde het weêr wat op en ik stapte door naar Murat; een mooie weg. Te Murat trof ik in het Hotel des Messageries een aangenaam onderkomen. De stad is tegen eene hoogte aan gebouwd, op den top waarvan vroeger een kasteel stond; in de plaats daarvan nu een reusachtig Mariabeeld, als kunst van geen waarde; de wandeling er heen loont echter zeer, omdat langs de hoogte weder zoo'n bazalt-orgel te zien is. Hoe dikwijls men die vreemde vormingen ook ziet, ze maken altijd denzelfden diepen indruk.

In de stad zelf--zij heeft 3000 inw.--heeft men de oude O.L. Vrouwekerk, uit de 15de eeuw, maar herhaaldelijk gerestaureerd en bijgebouwd, en een aantal mooie huizen in renaissance-stijl; de straten zijn meestal glooiend, en de stad maakt een aangenamen indruk. 's Morgens vroeg trof ik er de weekmarkt. Allerlei land- en tuinbouwproducten werden er door de boeren en boerinnen te koop aangeboden, en al de dames uit de stad schenen wel tegenwoordig te zijn, om hare inkoopen te doen. Onder dat gewoel en gedrang viel me een geestelijke op, die zelf zijne inkoopen deed; hij scheen een goede bekende van de buitenlui te zijn en was volstrekt niet verlegen om een kwinkslag met gelijke munt te betalen, die opgewekte oude heer! Op de kaasmarkt was niet anders aangevoerd dan de soort, genaamd St. Nectaire en kleine platte geitenkaasjes. Zooveel van die kaas was mijn reukorgaan te machtig in die half natgeregende menschenmenigte; hun beider kracht vereenigd verdreef mij uit die overigens schilderachtige omgeving.

Dien namiddag trok ik per spoor naar Vic sur Cère, eene aardig gelegen en druk bezochte badplaats; het groote hotel der Orleans-spoorwegmaatschappij is aardig tusschen de heuvels gelegen en eene eerste-klasse inrichting. Vic bestaat uit een oud en een nieuw gedeelte; in het oude vindt men weêr enkele fraaie huizen, maar de doorgaande reiziger komt te Vic om den Pas de la Serre te zien. De weg er heen is overal door bordjes aangegeven; het is een alleraardigst pad, dat u na een half uur in een weideveld brengt, om dan spoedig in de kloof te komen. Het riviertje de Cère heeft zich daar door rotsmassa's heen een moeielijken weg gebaand. De rotsen zijn gedeeltelijk met mos bedekt en op de kammen weelderig begroeid. Het geheel is allerliefst, 't maakt geen woesten, maar, bij het kalm stroomen van 't riviertje door de eenmaal gevormde bedding, een indruk van bevalligheid; jammer dat men vlak bij de kloof den stroom afgedamd heeft ten behoeve van eene lichtfabriek. Men kan door de kloof heen klauteren en komt dan door een steeds aanvalliger wordend dal bij de kasteelen Tremoulet en Espinasse, beiden verrukkelijk gelegen.

Des namiddags maakte ik nog een wandeling naar de Mongudo, een klein bergvlak, vermaard om de planten-fossielen die men er vindt. Die overblijfselen der plantenwereld zijn uit een vroeger tijdperk der aardvorming; de meeste soorten zijn sinds dien terplaatse uitgestorven. Men vindt er prachtige afdruksels van beuken, van esschen en van wijngaardloof, en van verscheiden bamboes-rietsoorten; men vindt er zelfs veel afdrukken van pas ontloken knoppen, die recht geven tot de onderstelling dat de vernielende vulkanische uitbarsting in de lente plaats had; men ziet nog staande verkoolde stammen, die groeiend begraven werden; ook aardige brokken versteend hout komen voor. De wandeling terug naar Cère is weêr van zeldzame schoonheid; de lijnen der bergen loopen van alle zijden op naar het hoogste punt, den Plomb du Cantal, die den volgenden morgen beklommen zoude worden.

't Was weer regenachtig toen ik, voor dag en dauw, de wandeling begon; 't ging langs den straatweg naar Lioran, met verrukkelijke uitzichten op het dal der Cère; een heerlijke wandeling die eindigt in den tunnel van Lioran, een fraai bouwstuk van 1410 M. lengte, door den Puy van Lioran heen; vlak bij den uitgang is het Hôtel des Touristes, ook van de Orleans-spoorwegmaatschappij en een zeer aanbevelenswaardig verblijf.

Denzelfden dag beklom ik nog den Plomb de Cantal (1858 M.). Een keurig bergpad zonder bezwarend klimmen; aanvankelijk door fraaie dichte bosschen, met hier en daar open plaatsen, van waar men dan goede uitzichten heeft op den Puy de Griou en den Puy Mary. Tal van beekjes stroomen u te gemoet, en voortdurend hoort men onder 't loover het kabbelend geluid van de vele kleine watervallen. Op de hooger gelegen punten, die een ruimer uitzicht geven, zijn banken geplaatst. Men komt, al wandelend en al rustend, langs dat fraaie pad onder die prachtige boomen, ongemerkt op een uitgestrekt weidevlak, waar twee groote kaashutten staan. Van hier uit heeft men een bijzonder goed uitzicht op een ruim en diep bekken, begrensd door hoogere toppen en onregelmatig rond van omtrek; 't is een oude krater, waarover later meer. Voorbij de kaashutten, de burons van den Rambarter, gaat men verder door weiden een smal bergpad op, dat hooger en hooger eindelijk op een bergrug uitloopt, dien men al geruimen tijd als een steilen wand voor zich zag. Die rug is weder de rand van eene niet zeer uitgestrekte bergvlakte, aan 't einde waarvan de Plomb du Cantal zich verheft. 't Is een zonderlinge bergvorm, een plompe heuvel van bazalt, met gras bedekt. De Plomb is op één na de hoogste top van midden-Frankrijk, en wordt van al de bergen daar het meest bezocht. Er was dan ook een talrijk gezelschap en wij wedijverden met elkander in het aanwijzen van de fraaiste punten van 't fraaie panorama. Midden op den top stond een zwaar ijzeren geraamte van een huis, met een opschrift, meldend dat het daar gebracht was door die en die transportonderneming. Stellig een moeielijk werk en eene goede reclame, maar 't was een schreeuwende wanklank in die omgeving.

Na in den ochtend wat regen te hebben gehad, was het in den voormiddag iets helderder geworden, om in den namiddag weer aan 't pruilen te geraken; onderweg raadde een herder mij nog aan, om maar niet door te gaan, want 't zou boven niet helder zijn. Maar ik had het uitzicht van den Puy de Sancy gemist, den Puy Mary had ik niet eens kunnen beklimmen; ik wilde nu een laatste kans wagen. Gelukkig, want boven was het helder tot de kimmen toe! Maar op eens begon het hard te waaien, een paar tellens later te stormen, en die luchtstroom was ijskoud. Men had haast geen tijd om te bedenken wat dat worden moest; onder den wind bleef alles helder en mooi, maar in den wind was in een oogenblik alles grauw en zwart geworden; 't volgende oogenblik waren we in een dikken nevel gehuld, en een ieder zocht een goed heenkomen. De wolk die ons bedekte was zóó dik, dat ik al spoedig mijn gezelschap kwijt was en we elkaar eerst halverweg beneden weder ontmoetten. Toen ik weer bij de burons van den Rambarter terugkwam, werd het weer helder. Dat verrukkelijke uitzicht met den Puy Mary en den Puy Griou aan de overzijde, deed mij watertanden. 'k Moest nog naar den Puy Mary, om de hellingen waarop ik nu liep, in haar geheel waar te kunnen nemen en mij eene duidelijke voorstelling van den ouden krater te kunnen vormen. In dat bekken waren ontzettende vulkanische bedrijven afgespeeld. Dat moest ik toch in zijn geheel gezien hebben, en mijn laatsten dag wilde ik aan dat zware werk besteden. Het inderdaad prachtige en zoo hoogst belangwekkende landschap, dat zich voor mijne voeten ontplooide, was er de schuld van dat ik besloot, als het den volgenden ochtend om 4 uur droog was, nog van Lioran uit den Puy Mary te beklimmen.

In het hotel teruggekeerd, moesten de kleederen gedroogd worden. Gelukkig had men in 't hotel de uittrekkende schapen geteld, en bij 't lieve regenweer een flink houtvuur aangelegd, om de kleederen spoedig weer draagbaar te maken. Die geen tweede pak bij zich had, moest in zijn kamer verblijven tot na het drogen.

Gezelschap kon ik niet mede krijgen; niemand vertrouwde het weer nog, zoodat ik den volgenden ochtend de reis alleen aanvaardde, en met helder weer. Aanvankelijk ging het door bosschen en weiden met indrukwekkende bergpanorama's aan alle zijden, over den Col de Rombières tot aan den voet van de Roc de Bataillouze (1686 M.), dan afdalen naar den Col de Cabre (1539 M.) waar men een merkwaardig uitzicht heeft op het bekken van Mandailles, een halfrond en een deel van den ouden krater. De bodem en de wanden bestaan uit verschillende lavasoorten, die als 't ware eene staalkaart vormen van wat de vulkaan gedurende eene reeks van tijden uitbraakte. Dat bekken heeft eene doorsnede van 4 à 5 KM., de diepte wisselt af van 1787 tot 860 M. De omringende rotswanden zijn ongeveer 1600 M. hoog. Tal van beken spoelen van den bergwand omlaag, de grootste, de Jordanne, ontspringt op den Col de Cabre; de wanden zijn overigens afwisselend bedekt met weiden en bosschen; de plantengroei is rijk, dank zij die vele beken; de vele verspreide boerderijen getuigen van een vruchtbaren bodem. Van den Col de Cabre loopt het pad naar den top van den Peyre-Arse, een kalen top, dan langs een betrekkelijk smalle bergkam tot aan den Puy Mary. Daar was ik er, en nu met goed helder weer; zonder te aarzelen, had ik gewaagd en gewonnen!

De Puy Mary (1787 M.) heeft eene driehoekige spits, de beken vloeien in drie richtingen af. Het uitzicht op de verschillende berggroepen was schoon, mooier dan dat van den Puy de Dôme, of dat van den Plomb du Cantal. Vlakten en bergen wisselen steeds af, en hier en daar ziet men de rechte, horizontale lijnen der bazaltruggen, waaronder de orgels van Bort duidelijk te onderkennen zijn. Aan zijne voeten heeft men echter het mooiste uitzicht, de van den berg uitstralende dalen zijn rijk in afwisseling; aan het einde van elk dal dichte dennenbosschen, waarop dan helder gekleurde weiden volgen, met woningen bezaaid.

De geologen deelen ons mede, dat de verschillende bekkens of bergkommen, waarin we van den top van den Puy Mary neêrzien, de plaatsen zijn geweest waarboven zich vroeger de reuzenvulkaan verhief. De toppen, die zich aan den rand verheffen, zijn oude bijkraters, aan de zijwanden doorgebroken, ver beneden den top. De eerste uitwerpselen van den vulkaan werden langzamerhand om den hoofdkrater opgestapeld, en vormden het reusachtig omhulsel van den kegel, een koek van ongeveer 80 KM. middellijn, waarvan de gezamenlijke Cantalbergen nu de overblijfselen zijn. De koek is ongeveer 1000 meter dik en bestaat uit eene groote verscheidenheid van lavagesteenten.

Dat alles was niet het werk van één dag; de vulkaan had langdurige tijden van rust, gedurende welke zich een weelderige plantengroei op zijne hellingen ontwikkelde. We bespraken dat reeds bij het bezoek aan de bergvlakte van Mongudo. Dergelijke overblijfselen worden op tal van plaatsen in Cantal gevonden. Daarna volgden de uitbarstingen, die als vaste rotsen op de hellingen afkoelden: het zijn de tegenwoordige Puy's, waarvan we enkele beklommen. Eene derde reeks van uitbarstingen volgde, om weder andere rotsgevaarten te vormen, tot eindelijk de vulkanische werking zich in eene vierde reeks van uitbarstingen uitputte, en de licht vloeibare bazalt langs alle zijden af deed stroomen; deze laag bazalt bedekte niet alleen de vroegere lavagesteenten, maar ook de voor deze bestaande terreinen, zoomede de heuvelen in wijden omtrek. Daaraan hebben de vlakten in Cantal, bijv. de Planèze, haren oorsprong te danken.

Nadat de vulkanische werkingen opgehouden hadden, stortte de hoofdkrater in en was de woeste massa verder aan de invloeden van den dampkring onderworpen. De vervorming ging toen langzaam maar even zeker voort. Groote sneeuwvelden bleven op de bergtoppen liggen en stortten neer langs de hellingen, alles hullende in een vervaarlijk ijskleed, dat aan geheel Cantal en Auvergne een aanzien gaf als nu bijv. in Alaska. Men vindt overal onbetwistbare sporen van een ijstijdperk; afgeronde heuvelbulten, ijsgleuven in de rotsen; opeenhoopingen van bergpuin aan weêrszijden van vroegere gletscherbanen; ontzettende zoogenaamde zwervende rotsblokken. De gletschers moesten echter ook hunne heerschappij opgeven; hun gebied werd steeds kleiner, en wilde waterstroomen ploegden de tegenwoordige dalen in de berghellingen. Nog eens behaalde het ijs de overhand en verzamelde zich nu meer in de dalen; van dit laatste gletscher-tijdperk was de mensch getuige, en het land nam langzamerhand de vormen aan, die het nu ongeveer nog heeft.

Toen ik daar op den Puy Mary stond en in de berg- en dalvormingen om mij heen zoo duidelijk voor mij zag wat de geologen leeren, stond het bij mij vast, dat ik zou trachten eene korte beschrijving te geven van de wordingsgeschiedenis dezer streek, tevens de algemeene type van andere bergvormen, die zich vroeger en later evenzoo ontwikkelden. Zooveel mogelijk vermeed ik het gebruik van vreemde uitdrukkingen, en ik hoop dat mijn relaas den lezer van eenige nut moge zijn, al zal de geoloog er de schouders bij ophalen.

Met deze laatste wandeling van Lioran naar den Puy Mary en terug, was mijne voetreis in Auvergne afgeloopen. Langs den kortsten weg, over Arvant en Clermont-Ferrand, spoorde ik terug naar Parijs en naar Nederland.

Nog ten slotte een paar voorbeelden van de oude taal van Auvergne, in zegswijzen, die nog al eens gebruikt worden.

De taal zelf is eene vertakking der "langue d'Oc", die tot in de 15_de_ eeuw in alle officieele stukken gebruikt werd, en eene niet onbelangrijke litteratuur heeft; toen zij ophield de officieele taal te zijn, geraakte ze naast het fransch in vergetelheid, men hoorde er weinig meer van, tot in de 19_de_ eeuw, toen er wat nieuw leven ontstond. Thans hebben de vrienden dier taal een eigen orgaan: "Lo Cobreto"; zij werken krachtig samen met de Félibres van Provence, en hun dichter Arsène Vermenouze schrijft verzen, die elke letterkunde eer aan zouden doen.

En nu: fransch: Rien aussi bien reparti que l'esprit et les impôts; chacun trouve qu'il en a assez.

Oud Auvergne'sch: N'ya re de si bhin parthi couma l'aima et la tailla. Tsaum troba que n'a prou.

Fransch: Une chèvre et deux femmes, il y en a assez pour tenir une foire.

Oud-Auvergne'sch: Na tsobra et dua feinnas, ni za prou pour tene na feira.

Deze zegswijzen bewijzen u tevens dat de Auvergnaten toegerust zijn, met wat men wel eens galgenhumor noemt; en de vreemdheid der taal maakt het ook duidelijk, dat pogingen om gesprekken aan te knoopen met Auvergnaten, die hun fransch vergeten hadden,--op niets uit moesten loopen.

AANTEEKENING

[1] De gegevens omtrent de bouwkunde zijn ontleend aan Professor Gugel's geschiedenis der bouwstijlen.

Abydos

Naar het Fransch van E. Amelineau.

De legende van Osiris.--Geschiedenis van Abydos in den tijd der egyptische dynastieën en in den christelijken tijd.--De monumenten der stad en hun berooving.--De tegenwoordige inwoners en hunne zeden.

Allereerst wil ik een woord van dankbare herinnering wijden aan het stadje, waar ik vier jaren van mijn leven heb doorgebracht en dat mij belangrijke gegevens heeft verschaft, welker gewicht plotseling voor de oogen der minst helderzienden een tijdvak heeft onthuld, waarvan men tot nu toe weinig wist en waaromtrent nu veel onwrikbaar vaststaat. Ik ga dus van het stadje Abydos in Egypte vertellen, om de herinneringen op te halen, die mij gebleven zijn uit dat deel van mijn leven en die den lezer van dienst kunnen zijn.

Zoo er ergens ter wereld een stad is, welker overlevering en geschiedenis tot die primitieve tijden opklimmen, waarin de gedachte van den nog kinderlijken mensch haar eerste levende stapjes deed op den weg van de beschaving, dan is die stad Abydos. Ten minste vijf duizend jaren vóór onze jaartelling was de plaats reeds van voldoende beteekenis, dat er de meeste kunsten bloeiden die te zamen het leven der menschen mooier maken, en reeds hadden zij een groote en zeldzame volmaking bereikt.

Sedert dien zoo ver achter ons liggenden tijd hebben heilige bedevaarten op een bepaalden tijd van het jaar, en wel den dag van den winterzonnestand, er een massa vreemden heen gevoerd, die de hulp kwamen inroepen van den weldadigen, in het bezit van Abydos zijnden, God of hem kwamen danken voor verleende gunsten; want als alle zeer oude steden en met hetzelfde recht had Abydos zijn gansche verleden met de legende van Osiris in verband gebracht, die zoo bekend is wat de gebeurtenissen in het groot betreft, en zoo onbekend is gebleven in de bijzonderheden.

Volgens de legende regeerde, op een tijdstip dat niet nader is vast te stellen, over Egypte een geslacht, waarvan het hoofd Seb was en de moeder Noet; later zouden de Egyptenaren van Seb den aardgod en Noet de hemelgodin maken. In dien tijd lieten de plichten van het koningschap den dragers veel vrijen tijd en verhinderden hen evenmin als in onze dagen, zorg te dragen voor een voldoende nakomelingschap. Seb en Noet hadden vier kinderen, twee zoons en twee dochters, die volgens het gebruik met elkander moesten trouwen, Osiris met Isis, Set met Nephthys; maar het waren ongelukkige huwelijken, en er kwamen burgeroorlogen uit voort, die lang zouden duren en droevige moordtooneelen zouden veroorzaken.

Osiris en Set zijn inderdaad de vertegenwoordigers van twee uiteenloopende systemen van het koningschap. Osiris is de god, die door zachte middelen wil beschaven, door den landbouw en door kunst en wetenschap; hij is een tegenstander van geweld, van oorlogdienende uitvindingen en strenge wetten, het tegendeel van Set, dien de Grieken Typhon noemden, om zijn boosaardige rol aan te duiden.

Osiris is Abel, Set is Kaïn en tegelijk Tubalkaïn uit Egypte, de god der krijgers, der metaalzuiveraars en van al die industrieën, die de menschen de diensten, die ze hun hebben bewezen, duur hebben laten betalen. Twee zulke verschillende naturen, twee geesten, zoo vol tegenstellingen, moesten elkander wel vijandig zijn. Eerst heerschte er vrede; maar toen Osiris, terugkeerend van zijn glorierijke overwinningen door de verspreiding van de kennis van den landbouw en der kunsten, die de menschelijke ziel tot zachtheid stemmen, gevierd en toegejuicht werd, brak de noodlottige strijd uit.

Tijdens een feest, dat aan zijn broeder en zijn zusters door hem werd aangeboden, verscheen te midden van een talrijk gezelschap vreedzame en krijgshaftige goden Set, die, zijn duistere plannen verbergend, een kist vertoonde, waar hij al zijn kunst op had aangewend. Hij stelde den verbaasden goden voor, het kunstwerk te willen vereeren aan dengene, die de kist precies zou vullen. De goden beproefden het bij beurten, maar niemand slaagde erin. Toen de beurt aan Osiris was gekomen, ging hij in de kist liggen en, wonderlijk geval, hij vulde die geheel. Reeds meende hij er heer en meester van te wezen; maar Set, de listige en wraakgierige, sloeg onmiddellijk het deksel dicht en sloot de kist. Osiris werd gestikt. Dat had zijn broeder Set voorzien en gewild, want hij kon het niet verdragen, dat Osiris de stervelingen beschermde, hun middelen aangaf, die hun leven vroolijker konden maken; hij wilde integendeel oorlog en vernieling. Hij had allerlei middelen bedacht, om tot zijn doel te geraken en de eerste plaats in te nemen in de gedachten en het leven der menschen. Zijn plan gelukte, en van dat oogenblik af heeft de mensch, al te trouw die eerste dwaasheid aanhangend, maar al te goed zijn lessen gevolgd. De kunsten des vredes zijn daarom in den steek gelaten, ten minste ondergeschikt gemaakt aan de kunsten van den oorlog; het leven is een prooi geworden van verwoestende machten, en aan alle zijden overstemt het geluid der hamers, die ketenen smeden en het ijzer bewerken dat vernietigen moet, de vreedzame klanken van het werk des landbouwers, die de aarde vrucht doet dragen en de menschheid voedt. Overal hoort men oorlogsklanken en nauwelijks durft het lied des vredes schroomvallig, klagelijk zich doen hooren.

Maar Osiris liet zijn vrouw en zuster Isis na, die hem zou wreken. Isis, die haar man geen zoon geschonken had, aan wien de wraak kon worden toevertrouwd, stelde zich ten plicht het lichaam van Osiris op te zoeken en, als zij het teruggevonden had, het te doen herleven, opdat hij zijn werk kon hervatten. Set had, nadat hij zijn mededinger overweldigd had, de kist in den Nijl geworpen onder de toejuichingen van zijn helpers, de lachende geesten. De Nijl had de kist naar zee gevoerd en de golven hadden haar teruggeworpen op het strand van Byblos, waar een boom was opgeschoten, die de kist geheel omsloot en haar in zijn stam opnam. Isis, die het lijk van haar man zocht, kwam te Byblos, werd door een gelukkig toeval eigenares van den boom en de kist, en keerde naar Egypte terug met den kostbaren last. Doch op een avond, dat Set bij maneschijn op de jacht was, ontdekte hij de kist tusschen het riet in Beneden-Egypte, maakte zich ervan meester, en om te beletten dat Isis haar weer krijgen zou, sneed hij het lijk van zijn broeder in stukken en verspreidde de deelen over de provincies van Egypte. Isis vond ze terug, begroef elk der veertien fragmenten op de plek, waar zij het ontdekte, nadat zij ze eerst aan elkaâr had gepast. Op elk gedeelte van het heilige lijk liet zij een graf oprichten, en Abydos stelde er een eer in, dat het een stuk van het goddelijk opperhoofd bezat, en wel de doos met het hoofd van Osiris.

De plek, waar het stadje was gelegen,--want Abydos was altijd een kleine plaats,--zal niet veel verschillen van die, waar tegenwoordig de arme dorpjes liggen, ontstaan op de puinhoopen der oude stad. De Nijl stroomde op vrij grooten afstand van het graf van Osiris, maar zocht dan verder al meer de nabijheid van het arabisch bergland en verwijderde zich van de Lybische bergen, zooals nu nog altijd het geval is tengevolge van den aard van het terrein.

Tusschen de rivier en de heilige stad van Osiris lag toen al een wijde vlakte, doorsneden door enkele kanalen, en vijf of zes maanden van het jaar groen en bloeiend en welriekend door de geuren, die uit bloemen opstegen. Er werden veel boonen verbouwd en linzen en andere planten, die men er nu nog kweekt. Jaarlijks kwamen er menschen en dieren in dien tijd van overvloed. De menschen bouwden er, te midden van hun voedende gewassen, ezbehs en andere primitieve gebouwen, waarin zij met de dieren samen genoten van het leven in de open lucht bij betrekkelijken overvloed, beschenen door de weldadige zonnestralen en met geen andere taak dan te genieten van de warmte, het zich voeden met de producten van den grond, het opsnuiven der geuren uit de lucht, en het aan niets anders denken dan aan spel en vreugd; dus juist te leven als het stomme dier, alleen met dit verschil, dat de fellah met de spraak begiftigd is. En dan is die taal nog zoo primitief; ze bestaat slechts uit een luttel aantal woorden, zoodat men haast geneigd zou zijn, de stilte en het zwijgen van de dieren te verkiezen, die de mooie dingen, die zij denken, althans vóór zich houden.

Dicht bij de dorpen groeien boomen en boompjes, acacia's en tamarisken, palmen en die vruchtboomen, die de achterlijke bewoners hebben leeren kennen. Achter een gordijn van die boomen en geheel ingesloten door hun gebladerte, heeft Abydos nu zoo goed als in den ouden tijd een armoedig voorkomen met zijn huizen van ruwe steenen of van aarde, staande op heuvels van puin. Het ligt ten westen van den Nijl dicht bij 't onvruchtbare gebergte, altijd binnen het bereik van rooversbenden, geneigd om op de onverdedigde plaats neer te strijken.

Misschien dat de gezeten bevolking der heilige plaats uit die rooverbenden is voortgekomen, die ook eens de genoegens van het bezit eener vaste woonplaats wilden smaken; de nomaden gaven daarom de vermaken van roof en plundering niet op en maakten zich tot heeren van de ongelukkige fellahs, die het dal bebouwden. Set heeft opnieuw zijn broeder Osiris op deze plaats overmeesterd. Dit alles klinkt des te meer waarschijnlijk, daar in alle tijdperken der geschiedenis, van de oudste tijden tot op onze dagen, de bewoners der heilige stad weerstand hebben geboden aan de eerste regelen der moraal van de gewone maatschappijen. Zij hebben altijd slechts middelmatigen eerbied gehad voor den eigendom, hebben altijd gemeend dat andermans goed een zeer bijzondere bekoorlijkheid bezat en hebben nooit verzuimd, zich er van meester te maken, als zij het maar even konden doen.

Voor hen is een man eigenlijk eerst een man, als hij ook een dief is; diefstal is de toetssteen van eerbiedwaardigheid, en hij alleen is braaf mensch, die proeven van bekwaamheid heeft afgelegd door in eigen handen te doen overgaan wat in die van zijn buurman zich bevond. Dus kan men licht begrijpen, dat de godin Isis dacht, dat zij in den geest van Osiris handelde, als zij dien wilden eenige begrippen bijbracht, thuis behoorend in beschaafde maatschappijen. Wie niet gelooft, dat de groote godenmoeder Isis zulk een gedachte heeft gehad, moet dan maar denken aan de scheppers der legende, aan de priesters, die zich den zegen van het bijgeloof der menschen ten nutte maakten, door datzelfde bijgeloof te doen strekken tot den algemeenen vooruitgang der maatschappij.

Abydos was dus nooit een groote stad, de resten van de oude plaats, die nog ten deele door de moderne dorpen worden ingenomen, toonen dat voldoende aan. De stad strekte zich in de lengte van het Noorden naar het Zuiden uit langs de zandige strook naast het gebergte, die dat laatste volgt in zijn bochten en krommingen, over een afstand van één of anderhalven kilometer, ter breedte van niet meer dan 300 of 400 M. Er was deze bijzonderheid, dat de stad der dooden en die der levenden één waren. De kleine huizen, opgetrokken van ruwe steenen of van aarde, drongen zich tegen elkander aan, als om in elkanders schaduw te staan en de warmte te ontvlieden.

Enkele weinige tuinen met hun naar den hemel strevende palmen en de andere in het land te huis behoorende boomen waren het eigendom van de gelukkigen, die in de gunst waren van den regeerenden vorst. In de stad Abydos, juist als in alle egyptische steden, kende men een adel met klinkende namen, zonneschermdragers, die rechts van den koning gingen, groote profeten van de verschillende hoogvereerde goden uit de stad en uit de hoofdstad der provincie, namelijk uit Thinis, hoofden ook van alle werken, die de Pharao's ondernamen, koninklijke goudsmeden, graveurs en beeldhouwers, die groote verdiensten heetten te hebben; maar al die titels hielden geen gelijken tred met de rijkdommen der personen, en de menschen uit Abydos leefden zoo goed zij konden, hoofdzakelijk van roof. Ofschoon verwoesting en plundering van bijna alle monumenten, door de egyptische kunst gebouwd en versierd, ten allen tijde een endemische ziekte zijn geweest en overal voorkwamen, kan geen andere plaats er zich op beroemen, Abydos in dat opzicht te zijn vóór geweest.

De doodenstad is daar, om het te bewijzen; de plunderaars hebben er in alle tijden weggehaald, wat vorige geslachten er met de grootste zorg hadden verborgen, en de fout kwam voor, zoo wel boven als beneden aan de maatschappelijke ladder. Hooge officieren van den koning, priesters van Osiris, waren er niet voor teruggedeinsd, de dooden ten eigen bate te berooven, en menig graf heeft twee- of driemaal voor verschillende familiën gediend, of wel, als men de fijnheid van geweten tot waarlijk buitengewone hoogte wilde opvoeren, nam men de steenen, keerde ze om en graveerde op de vrijgelaten zijde de titels, waar de nakomelingschap prijs op kon stellen. Indien in 't vagevuur vóór den heiligen rechterstoel van Osiris de twee-en-veertig assessoren van den god en de god zelf onverbiddelijk zijn gebleven voor diegenen, die de misdaad van gravenschennis hadden begaan, zullen zeer weinig inwoners van de heilige stad genade hebben gevonden voor den Heer van het heelal, of zij moeten een middel hebben geweten, om den Onomkoopbare om te koopen, wat niet verbazingwekkend zijn zou in het Nijldal.

De groote godsdienstige gebouwen, die te Abydos de vroomheid der beroemde Pharao's had opgericht, zooals de tempel van Osiris, die van Seti I, van Ramses II, om slechts de bekendste te noemen, waren zelf niet veilig voor de roofzucht, die als een ziekte rondging, en, wat eerst verrassend schijnen zal, maar wat toch niet behoeft te verbazen, zij, die de eersten waren om 't verkeerde voorbeeld te geven, waren de opvolgers der Pharao's-oprichters. De tempel van Seti I bijvoorbeeld werd voor een deel geplunderd door Ramses II, den eigen zoon van Seti, en daar hij het werk niet volledig genoeg had volbracht, deden zijn opvolger en anderen, zooals hij gedaan had, zoodat de tempel, die nooit geheel voltooid werd, platen vertoont van drie of vier koningen, die zich de een na den ander de eer toeëigenen, hem onvoltooid te hebben gelaten.

In de jaren, die volgden toen de plechtigheden van den eeredienst nog slechts voor een gedeelte werden uitgevoerd, oordeelden de priesters het goed, zoo dicht mogelijk bij de plaats, waar zij hun werk uitoefenden, zich te vestigen en in den heiligen tempel te gaan wonen. Het was ook op zulk een heilige plek, dat de dweepzieke monniken, die het egyptisch christendom beleden, hen vonden, toen zij het vorstelijke, gewijde gebouw vernielden, en drie-en-twintig priesters onder het puin begraven werden. Het kan dus niet verwonderen, dat de lagere volksklasse, het voorbeeld volgend van de geestelijken, er haar leemen hutten bouwde en de heilige plaatsen op alle mogelijke manieren ontwijdde, zoodat deze ten slotte nog voor een deel gespaard zijn gebleven door de vuilheid en de onverschilligheid der bewoners.

Toen dan ook Mariette in 1859 de ontgraving begon van de gebouwen van Abydos, moest hij eerst de bewoners uitdrijven, die er sinds onheuglijke tijden woonden, en hij heeft nog niet eens alles gedaan, wat er te doen was, want de eerste groote zaal van den tempel van Seti I ligt onder een puinheuvel, waar nog steeds de woningen op staan, die men er gebouwd heeft.

Abydos nam zonder eenigen twijfel deel aan het eerste ontluiken van het Egyptische rijk in den historischen tijd; maar vóór dien van wel zestig eeuwen vóór onze jaartelling dagteekenenden tijd, was de plaats reeds bevolkt, zooals ik heb gezegd, en ook reeds eenigszins gevorderd op den weg van de beschaving. Daar kan men niet langer aan twijfelen, na wat ik er heb voor den dag gebracht en na wat anderen er later hebben gewerkt.

Zoo men van die alleroudste tijden zeer weinig weet, een tijd nog vijftien à twintig eeuwen den vroeger genoemden voorafgaand, toch weet men reeds veel over de vreedzame of oorlogszuchtige gewoonten van de menschen, die in Abydos leefden. Aan de kunst werd er met merkwaardig succes gedaan; de industrie maakte er prachtige vorderingen. De voorwerpen, die de opgravingen hebben aan het licht gebracht, pleiten daar sterk voor en toonen aan, dat men reeds in dien zeer vroegen tijd het hieroglyphenschrift had uitgevonden. Dezelfde onzekerheid bestaat ook thans nog omtrent de gebeurtenissen, die men historisch noemt onder de eerste dynastieën; men weet intusschen, dat de dienst van Osiris er reeds gevestigd was en er werd uitgeoefend, dat men een groote rechthoekige vesting had moeten maken, die nog bestaat en die men tegenwoordig de Schoenet-eg-Zibib noemt.

Toch moet men tot de 6_de_ dynastie opklimmen, om in de historie van Abydos namen te vinden, die tot ons gekomen zijn en die een waardige plaats hebben ingenomen in wat men de geschiedenis der menschheid noemt. Dank zij den talrijken zuilen, die Mariette bij zijn opgravingen vond, kennen wij enkele gebeurtenissen uit de geschiedenis van Abydos, en enkele hooge ambten, toevertrouwd aan leden der bevolking van het stadje. De talrijke egyptische bureaucratie had er zich als overal elders ontwikkeld, en men vereenigde er ook reeds burgerlijke en geestelijke ambten, alsof de brave geloovigen van dien tijd reeds hadden overwogen, dat God te dienen wel iets is, maar dat den Pharao zijn diensten te bewijzen, hem, het beeld van den onzichtbaren god, echten afstammeling van den in het niet der tijden teruggezonken heer, nog veel beter was, want de een kon niets geven, en de andere daarentegen gaf zeer veel, daar de tempels, ofschoon ze rijk begiftigd werden en met tijdelijke goederen werden gezegend, van den Pharao afhankelijk waren.

Onder de 6_de_ dynastie wist een der inwoners van Abydos, Oena genaamd, iemand, die op een der laagste sporten stond van de ladder der eere, zich op te werken tot den hoogsten post, die ooit aan een eenvoudig sterveling was toevertrouwd. Onder de sprekendste feiten van zijn bestuur noemt die gelukkige sterveling, die eerste minister werd, de omstandigheid, dat een der Pepi's van de zesde dynastie het bevel gaf, een leger bijeen te brengen, waarover hij bevel zou voeren, om de volksstammen te gaan bestrijden, die reeds vaste woonplaatsen hadden, die steden bezaten, velden, waar de oogst rijpte, en tuinen met wijngaarden en olijfboomen. Oena, aan de spits van zijn leger, drong binnen in het land der Heroesjaïtoe, de "meesters van het zand", verwoestte het, vernielde de steden en het menschenwerk, velde vijgenboomen en wijndruiven, verbrandde wat hij niet op andere manier vernietigen kon, lichtte mannen, vrouwen en kinderen op, "wat zijn meester nog meer genoegen deed dan al het andere", en in den zegezang, dien hij op zijn grafzuil liet graveeren, werd al het ongeluk, dat hij had gebracht over den weerspannigen en onwilligen volksstam, zooveel geluk voor hemzelven, wat hij uitdrukt in deze woorden: "Dit leger ging in vrede heen", terwijl het verwoestte en doodde en in slavernij wegvoerde alles, wat door het zwaard was ontzien.

Als belooning voor zooveel geluk en succes werd de roemrijke Oena benoemd tot gouverneur van Boven-Egypte en genoot de groote eer, van voor den Pharao te mogen verschijnen met sandalen aan zijn voeten. Hij had zijn tijd en zijn kracht vrijwillig gegeven, had zijn leven bij honderden gelegenheden in de waagschaal gesteld en achtte zich voldoende beloond! Als de menschen uit onze dagen niet anders dan die eer tot belooning kregen, zouden zij zich stellig niet zooveel moeite geven als de oude Oena.

Na die overmaat van eer voor een bewoner van Abydos daalt er nog eens stilte neer op de geschiedenis van de stad van Osiris, en men moet tot de 12de dynastie gaan onder het middelste egyptische keizerrijk, om de stad Abydos weer in bloeienden staat aan te treffen. Te dien tijde had het gezins -en familiegevoel een groote ontwikkeling gekregen; een behoefte aan rechtvaardigheid en gelijkheid scheen zich van alle weldenkenden te hebben meester gemaakt.

Inderdaad begonnen de bewoners van Abydos toen, evenals nog heden ten dage het geval is, groote clans te vormen, door het hoofd der familie met vaste hand en met liefde bestierd, maar zóó, dat die liefde niet de grenzen overschreed van eigen woonplaats, en tegenover de andere familiën van de maatschappij was zulk een hoofd bezield met de gevoelens, die Robert Macaire in zijn land had voor de menschen uit zijn tijd.

Onder de regeering van de 12de en 13de dynastie had Abydos veel rijkdommen en een hoogen rang verkregen. Dat viel terstond in het oog, want veertig jaren later kon men in de doodenstad de mastaba's zien met kleine, witte pyramiden erboven als tenten van het leger van den dood, waar deze domicilie had gekozen in de buurt der stad van Osiris.

Men moet dan voortschrijden tot de 19de dynastie, om Abydos weer tot een periode van bloei te zien komen. Het is niet uit te maken, of de stad vóór Seti I geen tempels en andere groote monumenten bezat; er waren er zeker wel. De tempel van Osiris, heer van Abydos, bestond reeds bij den heuvel zooals tegenwoordig, onder den naam Kom-es-soeltan, dat is "de heuvel van den Sultan", waaruit ik meen te moeten begrijpen: den heuvel van den heer van Abydos, Osiris. Maar die tempels waren zeker niet van natuursteenen gebouwd, want steenen, die voor architectorale gebouwen gebruikt kunnen worden, zijn schaarsch in het bergland van Abydos. Men heeft daar niet anders dan losse zandsteen, die zich niet goed voor versiering leent, en om andere materialen van grooten afstand te laten komen, moest men nog iets meer dan welwillendheid voor Abydos gevoelen.

Wel natuurlijk dus, dat alle bouwwerken, die men te Abydos tot den eersten of tweeden keizertijd moet rekenen, van gebakken steenen zijn. Seti I liet voor het allereerst een tempel oprichten geheel van zandsteen of van kalkgesteente. Het gebouw, dat verrees ter eere van de goden en de vorsten, die hem waren voorafgegaan op den dubbelen troon van het dubbele Egypte, is niet alleen een wonder van bouwkunst en inrichting, maar ook van echte kunst van allerlei aard.

De Pharao had er alle schatten van Egypte aan ten koste gelegd, kunstschatten en materiëele schatten. Niet enkel verblindde het goud het oog, zooals het in overvloed was aangebracht in de gouden zaal, waarvan de muren, de zuilen, de zoldering elkander den matten glans van het kostbare metaal toezonden, doch bovendien straalde het geheele gebouw in kunstglans door de schoone basreliefs, die alle muren bedekten en die tot de schoonste voorbeelden der decoratieve kunst in Egypte behooren.

Het is niet waarschijnlijk, dat de inwoners van Abydos ooit hebben begrepen, hoe groot de eer was, door den Pharao Seti I hun stad bewezen door den bouw van dien tempel op hun gebied; maar wat zij wel duidelijk inzagen, was het voordeel, dat zij zouden hebben van de pelgrims, door het wonder naar hun stad gelokt, en van de prachtige feesten, die binnen het rijke gebouw zouden worden gehouden.

Toen de leidende gedachte, die bij den bouw van den tempel had voorgezeten, verloren was gegaan met den dood van Seti I, was het gebouw nog niet voltooid. Ramses II was, zooals ik reeds gezegd heb, de eerste, die aan het werk van zijn vader roof pleegde, die het zonder schaamte bedierf, zooveel hij kon, door het onvoltooid te laten in die gedeelten, die men niet bij den eersten aanblik bemerkte, en waar alleen de hooge personnages van hof en geestelijkheid binnentraden, meestal dezelfde personen.

De tempel van Seti I is niet de eenige uit Abydos; Ramses II moest er wel uiting geven aan zijn bouwmanie. Hij heeft er inderdaad een tempel doen verrijzen, die zijn naam draagt, en die ondanks de historische tooneelen, op de muren aangebracht, een duidelijk getuigenis aflegt van de minderwaardigheid der kunstenaars, aan wie de versiering werd opgedragen.

Hij beperkte zijn eerzucht niet tot een bleeke navolging van het vaderlijk paleis, hij liet ten zuiden van den Kom-es-Soeltan een tweeden tempel bouwen ten westen van den tempel van Osiris; maar hij had de onvoorzichtigheid, die beide gebouwen van kalksteen te laten optrekken, en nu is er bijna niets meer van overgebleven, daar de kalkbranderijen er bruikbaar materiaal in vonden voor hun industrie.

Buitendien bouwde hij te Abydos een kleine kapel dichtbij het westelijke gebergte, middenin de doodenstad. Daarvan is nu niets meer over dan het gebroken voetstuk van een kolossaal beeld van Nekhao. Abydos is dus uit het oogpunt van monumenten in 't geheel niet te vergelijken met enkele andere steden, zooals Thebe bij voorbeeld, omdat Memphis is verwoest; wat dit betreft, kan men de stad niet op één lijn stellen met de beide hoofdsteden van het oude Egypte; maar van het standpunt der decoratieve kunst, der intieme kunst, die tot het hart meer spreekt dan tot het verstand, is Abydos zonder weêrga in geheel Egypte, en alle reizigers, die den tempel van Seti I hebben bezocht, zijn onder de bekoring gekomen en hebben van daar de levendigste herinnering aan hun reis in Egypte medegenomen.

Doch wat het meest bewonderenswaardig was in Abydos, was zijn reusachtige doodenstad, necropool van meer dan twee mijlen lengte bij een gemiddelde breedte van ongeveer een kilometer. Daar zijn, het eene na het andere, alle geslachten ter ruste gegaan, die sinds het ontstaan der stad in Abydos hebben geleefd. Mariette heeft er negentien jaren aaneen opgravingen gedaan; hij hield ermee op, omdat het werk hem tegenstond, juist op een plek, waar het bijzonder interessant werd; maar de doodenstad had hem bij de vijftienhonderd gedenkzuilen opgeleverd, die op hun manier de geschiedenis van de stad bevatten. En toch, hetgeen Mariette vond in de negentien jaar, door zijn opgravingen ingenomen, gevoegd bij hetgeen men onlangs heeft gevonden, is slechts een zeer klein, ongelukkig gedeelte van de rijkdommen, die er begraven waren. De inboorlingen zijn, van den ouden keizertijd af tot op onze dagen, de grootste vernielers der monumenten geweest; er is geen enkel graf in deze doodenstad, dat niet geschonden is, zoo het niet twee keer aan roof heeft blootgestaan.

Maar het is recht en billijk, naast die eerste oorzaak van verwoesting, die terstond moet opvallen, een tweede te stellen, namelijk de dweepzucht der christenen, die even ruw en dom en bijgeloovig te werk gingen, en vooral van die christenen, die reikhalzend naar een leven, dat volmaakter moest zijn dan dat van andere stervelingen, schitterende daden wilden doen, waardoor ze op eenmaal zouden uitmunten boven hun gewone medemenschen. Wat de christelijke monniken al kwaads hebben gedaan in Egypte en vooral te Abydos, is eenvoudig onberekenbaar, en ik wil nu nog alleen spreken van den roof, gepleegd aan de grootsche bouwwerken, door het genie van 't oude Egypte nagelaten aan de bewonderende nakomelingschap. Hun domme woede keerde zich vooral tegen de groote beelden der groote goden, alsof die kunstwerken den nieuwen god, in wien zij geloofden, op zijn troon zouden hebben kunnen doen beven.

Tot de zesde eeuw van onze jaartelling was Abydos zoo goed als bevrijd gebleven van den ijver der christenen, ofschoon de monumenten niet voltooid waren en niemand acht sloeg op hun verval en ofschoon de inboorlingen, die behoefte hadden aan goud en zilver, en de geslachten, die elkander rijkdommen betwistten, vernield hadden wat zij konden. Toch werd er in de tempels, vooral in dien van Seti I nog dienst gehouden, en een deel der pracht was in stand gebleven. Vreemdelingen kwamen van heinde en ver de wonderen zien, en ten bewijze van hun bewondering namen ze de toevlucht tot kleineering van wat zij bewonderden, door te schrijven op de muren, op de voorstellingen der godentafereelen, zelfs in de geheimste kapellen. Daar prijkten dan hun aanmatigende, onbeduidende namen als schitterende blijken van hun dwaasheid. Ondanks die parasietische vereering, die altijd toenam, was de tempel van Seti I nog zetel van den pharaonischen eeredienst, dat is van den dienst, dien heel Egypte voor zijn grootste koningen hield en die hier vooral den vader van Ramses II betrof; de plechtigheden legden nog op veel personeel beslag, toen tegen de eerste jaren van de zesde eeuw een monnik, die zijn klooster ten noordwesten van de stad gebouwd had en die Mozes heette, met één slag èn den tempel èn den eeredienst, dien men den ouden koningen van Egypte wijdde, wilde vernietigen, zoowel als den invloed, dien de aan den tempel verbonden geestelijkheid nog bezat. Het was een grootsche strijd, en de dweepzieke monnik wist de zege te behalen. Op een dag van bloed en tranen ging de schijnheilige Mozes bidden, riep den toorn van zijn god in over den tempel en de priesters van den tempel, en even daarna schudde een aardbeving het huis tot in zijn diepste diepten, en alles stortte in, waarbij drie-en-twintig gewone en zes hooge offerpriesters omkwamen.

Als men dat zoo vertelt, lijkt het een wonder; maar de werkelijkheid is anders geweest. De monniken, geleid door hun opperhoofd Mozes, kwamen uit het Noordwesten; zij openden een bres, wat betrekkelijk gemakkelijk was, en, gewapend met zware ijzeren staven, beproefden zij, in grooten getale opgekomen en gerecruteerd uit alle aanhangers der nieuwe leer, die zich in de stad bevonden, een aanval. Op de stevige steenen van het gebouw vermocht de brand niet veel, maar de schilderingen op de muren werden een gemakkelijke prooi van het vuur, en al wat zij verder konden vernielen, bezweek onder de slagen.

Toch stieten zij op weerstand, en hoewel de tegenstanders een gruwelijken dood stierven, ook de dweepzieke bende had veel verliezen te lijden. Als men nog maar kon denken, dat het vernielingswerk plaats had in een oogenblik van toorn en opgewekte volkswoede! Maar de vernielingsarbeid duurde een heelen tijd, de woede was al lang bekoeld, toen nog de dweepzucht bleef gelden.

Te midden van de oude pracht, die zooveel herinneringen wekt, doorleefde ik een viertal winters. Het moderne leven der bewoners van Abydos was niet zoo begeerlijk voor mij, dat het mij weg kon lokken van de oude ruïnen. Elken dag en ieder oogenblik werd mijn aandacht getrokken door tooneelen uit de oudheid, die hun stempel hebben gedrukt op de tegenwoordige geslachten.

De dorpen, die thans verrijzen op de plek der oude stad van Osiris, zijn altijd in twee kampen verdeeld, dat der heftigen en dat der vreedzamen. Set heeft zelfs nog meer aanhangers dan de goede god, Osiris. De heftigen zijn goed georganiseerd onder leiders, die even slim zijn als geveinsd. Er bevond zich tijdens mijn verblijf in Abydos een bende boosdoeners, die werkte onder eene bij allen bekende leiding. Zij verwoestten het land tien mijlen in den omtrek, en de plaatselijke autoriteit onderhandelde met die menschen, blij, dat ze er met weinig kosten af was en daarbij nog haar deel ontvangend van den buit, door nachtelijke expedities opgebracht.

Als de leden van de bende van iemand in den omtrek hoorden spreken, die door slimmen handel en groote spaarzaamheid eenig geld had gewonnen en het zoo goed mogelijk had verborgen, en hun spionnen waren daarvan spoedig op de hoogte, dan begaven zich zestig of tachtig man, met goede geweren gewapend, naar de plek, sloten de huizen in, verwekten schrik en angst in de nabuurschap, traden overal binnen, zonder verlof te vragen en maakten zich van de begeerde schatten meester, alsof dat de eenvoudigste en billijkste zaak ter wereld was. Tijdens mijn derde verblijf plunderde die schrikwekkende bende een huis in een dorp, ten noorden van Abydos gelegen, en dreigde den oudsten zoon van het gezin, hem in stukken te snijden, als hij niet aanwees, waar zijn vader zijn geld bewaarde. De zoon hechtte meer aan zijn leven dan aan het geld, zooals te begrijpen is; hij wees den boosdoeners wat zij zochten, en de schurken trokken af met hun buit.

Zij gingen toen hun plunderingen zuidelijker vervolgen, en toen daar de man, op wiens geld zij het voorzien hadden, erin slaagde te ontvluchten, doodden zij hem den volgenden dag. Deze beide voorvallen hadden plaats in een tijdsbestek van veertien dagen. De plaatselijke autoriteit, ik bedoel den provincialen gouverneur, werd opgeschrikt door deze voorvallen en schreef een enquête uit, terwijl hij een bezoek ter plaatse bracht. De justitie kwam in beweging; er werd geschreven aan het hoofd der politie van het district, die op zijn beurt den magistraat van Abydos interpelleerde; en deze waardige man had niets haastigers te doen, dan de misdadigers te waarschuwen, dat zij al, wat tegen hen kon pleiten, moesten opruimen. Den volgenden dag kwam de politie, en de dieven en moordenaars hadden de volledigste ontkenningen klaar en de duidelijkste muzelmansche onschuld, in hun vuistje lachend om het gek figuur, dat de ambtenaren der regeering maakten.

Naast deze aanhangers van Set staan dan de aanhangers van Osiris, waar de eersten altijd mee lachen, nu zoowel als vroeger. Die vreedzame luidjes leverden het hoofdcontingent der werklieden bij de door mij geleide werken; maar ook zij zijn aangestoken door de leer van Osiris' tegenstander, zij hebben slechts matigen eerbied voor eens anders eigendom. Zij betoonden mij grooten eerbied, dankbaar dat ik hun iets liet verdienen, en soms noodigden ze mij uit, om enkele voorstellingen bij te wonen, gelijk aan die, welke op de graven waren afgebeeld, zoodat ik mij kon voorstellen, dat de godin Isis, de groote toovenares, nog altijd zooveel macht had als haar in 't verleden werd toegeschreven.

Wanneer ik des avonds thuis kwam, en hun dagtaak was volbracht, vergezelden ze mij al zingend, en als ik mijn verbeelding den vrijen loop liet, kon ik mij een zegevierenden intocht voorstellen in mijn goede stad Abydos. Indien bij het werk dien dag een goede vondst was gedaan van een of ander forsch steenen monument, brachten ze dat in mijn huis en trokken het met zestig of honderd man op een slede aan een touw voort, hun schreden afpassend naar de maat eener oude melodie, tevreden en gelukkig in hun armoedig bestaan. Bij het werk zag ik de opzichters nog dezelfde slagen toedienen met dezelfde zweepen, als er op de oude basreliefs te zien waren.

De zwarte aarde van Egypte heeft maar één gebrek: dat zij haar eigen bewoners zoo slecht voedt; maar overigens is dat land een aardsch paradijs. De natuur schenkt er, wat men maar wenschen kan. Zij biedt de allerschoonste tooneelen aan, en als des avonds de zon achter de bergen was verdwenen, was de stille rust van den schoonen nacht heerlijke balsem voor de ziel. Men zou hier eeuwig hebben willen leven.

Een kijkje op de Tentoonstelling te Milaan

Door PH. J. KETNER.

Settimana di gloria!--Wie had vóór eenige weken, toen de geweldenaar aan de golf van Napels dood en verschrikking bracht over het land; toen de Natuur, die Italië zoo mild heeft bedacht, die er zoo veel in schoonheid heeft hersteld en geheeld, wat door den Tijd was getroffen, met wreede hand in weinige uren in een woestenij verkeerde de velden en gaarden die de menschen door jarenlangen noesten arbeid in het zweet huns aanschijns tot vruchtbare landouwen hadden weten te maken; toen 1906 óók voor Italië een rampjaar dreigde te worden,... wie had toen durven denken, dat zóó kort daarop in datzelfde land een week van glorie zou aanbreken als inzet van een jubelfeest ter eere van de overwinning van den mensch op de natuur!?

Maar Italië is altijd het land van scherpe contrasten en snelle overgangen geweest, en geen natie ter wereld die zich zoo spoedig over leed en ellende heenzet als dit lachende volk onder zijn lachenden hemel!

En zóó kwam het, dat, terwijl in het zuiden van het land de nood- en doodsklokken nog luidden en rouwwaden werden gespreid in kerken en huizen, in het noorden al weêr de beiaard jubelklanken deed trillen door de lucht en het rood-wit-groen met het witte kruis van Savoye werd ontplooid ten teeken van nationale vreugde.

Ginds de mensch stil, nietig, verslagen, machteloos tegenover de vreeselijke, ontembare werking der natuurkrachten; hier de trotsche overwinnaar, zich van zijn genie en heerschappij over de stof bewust, met bazuingeschal de gansche wereld toegalmend: Milano a nome d'Italia chiama le genti a le pacifiche gare del lavore; "Milaan roept in naam van Italië de volkeren op tot den vreedzamen wedstrijd van den arbeid".

Wèl mocht Milaan die eer voor zich opeischen!

Want meer dan in eenige andere stad van Italië treden in deze metropolis de mensch en das Gebild der Menschenhand op den voorgrond. En altijd zal den reiziger die van over de Alpen Italië binnenkomt treffen de tegenstelling tusschen de gewijde stilte en de majesteit van het hooggebergte, waar de Natuur heerschappij voert en de wufte, wereldsche drukte, inhaerent aan den eeredienst van den mensch, in de stad, waar alle groote volkerenstraten, die Noord en Zuid verbinden, hun eindpunt vinden.

In Milaan klopt het hart van het herboren Italië; noemde Plinius de stad, waarover Cicero, de groote redenaar, eens als stedehouder regeerde, reeds "het nieuwe Athene", thans mag zij de geestelijke en zedelijke hoofdstad van Italië genoemd worden. Na de overwinning der Fransch-Piëmontsche wapenen op de Oostenrijkers bij Magenta in 1859--vereeuwigd in het prachtige ruiterstandbeeld op het reusachtige Domplein, een der schoonste van Europa, dat Victor Emanuel II voorstelt midden in het gevecht, zijn paard inhoudend om bevelen uit te deelen--heeft de stad, bevrijd van het vreemde juk, zich snel ontwikkeld tot een centrum van handel en nijverheid.

Milaan is de _werk_stad van Italië; drie machtige bondgenooten hebben haar daarbij geholpen om de positie te veroveren, die zij thans onder de eerste steden van het Apenijnsche schiereiland inneemt. Deze "triple alliantie" bestaat uit: het verstand, de werkzaamheid en het geluk.

Aan die drie elementen dankt Milaan zijn enorme uitbreiding en zijn toenemende welvaart.

De stad telt nu meer dan een half millioen inwoners en is het middelpunt van het intellectueele en artistieke leven van dit begaafde volk; de verzamelplaats van tal van zangers, toonkunstenaars en tooneelspelers uit alle landen der wereld; hier is de markt voor impressario's en operadirecties. Maar boven alles verheugt zich de industrie hier in hoogen bloei. Milaan is het middelpunt van de Lombardijsche zijdeweverijen, die haar grondstof te danken hebben aan de duizenden moerbeiboomen in deze vruchtbaarste laagvlakte van Europa met wier bladeren de zijdewormen zich voeden. Ook fluweel, tapijten, papier en gummi vormen hier belangrijke export-artikelen, terwijl uitgevers als de gebr. Treves en de firma Sonzogno een Europeesche vermaardheid genieten.

Moet men niet toegeven dat alle omstandigheden Milaan hebben voorbeschikt om binnen zijn muren (in letterlijken zin, want de oude wallen met hun trotsche poorten zijn, schoon tot lommerrijke plantsoenen aangelegd, nog in stand gehouden), temidden van zijn eeuwenoude palazza's, zijn indrukwekkende baselieken en prachtige monumenten, en in de schaduw van zijn machtigen Dom--kostelijkste nalatenschap van de christelijke kunst!--de eerste internationale tentoonstelling aan deze zijde der Alpen te herbergen?...

Trouwens, de aanleiding tot het houden der tentoonstelling knoopt zich onmiddellijk vast aan de commercieele belangen van Milaan.

In 1881 opende het, onder de auspiciën van den beminden Umberto I, de nationale tentoonstelling ter viering van de voltooiing van het reuzenwerk van den St. Gotthard-tunnel en thans, na 25 jaren, is het op nieuw het tooneel van een uitgebreider en grootscher feest van den arbeid, met medewerking van de bevriende natiën tot stand gebracht, ter eere van de opening van den nog belangrijker Simplon-tunnel.

Naast de steden van West-Zwitserland (vooral Genève) zal Milaan toch de meeste vruchten plukken van de totstandkoming van dezen tweeden tunnel tusschen Zwitserland en Italië, want het groote vervoer langs dezen nieuwen en hoogst noodigen verkeersweg, die het spoorwegtraject Parijs-Milaan b.v. met 83 K.M. zal verkorten, zal ten slotte op Milaan uitloopen, zoo goed als het de terminus is van het enorm-drukke vervoer langs den St. Gotthard-spoorweg van alles wat via Basel-Luzern naar het zuiden stroomt.

Het feest van den Simplontunnel mag dan ook het feest van de stad Milaan genoemd worden, maar tevens jubelt Italië, dat van den nieuwen verkeersweg een belangrijke uitbreiding zijner handelsbetrekkingen, vooral met Frankrijk, verwacht, daarmeê ten aanhoore van heel de wereld uit zijn vooruitgang en zijn bloei, zijn gevoel van verjongd leven, zijn geloof in de toekomst onder de bezielende leuze: Sempre avanti l'Italia!

Het tentoonstellingsplan dateert eigenlijk reeds van 1901. De werken van den Simplontunnel, in Augustus 1898 aangevangen, zouden in 5 jaar gereedkomen, dus in begin 1904. Voor een goede voorbereiding was men dan ook niets te vroeg. De ondernemers van den tunnelbouw--omtrent welk werk indertijd een geïllustreerde beschrijving in deze kolommen is opgenomen--de heeren Brand, Brandon en Co., hebben echter met reusachtige moeilijkheden te worstelen gehad, waardoor de arbeid telkens werd vertraagd en de opening herhaaldelijk moest worden uitgesteld.

Het tentoonstellingsplan ondervond daarvan den terugslag en zoo werd het daarmee een ware lijdensgeschiedenis, die het, zoo al niet verschoonbaar, dan toch verklaarbaar maakt, dat er allengs een stadium van verslapping aanbrak, dat zich, toen de solemneele ure naderde, begon te wreken in eindelooze verwarring en hopeloozen achterstand. De uitbarsting van den Vesuvius werd aangegrepen als een welkom voorwendsel om de opening nog een 8 dagen uit te stellen, maar eindelijk begrepen de Italiaansche leiders toch, dat zij er met een: "Fortuna, e dormi!", "heb geluk en slaap maar!" niet komen zouden. En zoo zag ik, in die dagen van de barensweeën der tentoonstelling reeds hier aanwezig, bevestigd wat een landgenoot, die hier reeds jaren woont en het volkskarakter uitnemend kent, mij voorspeld had: "In de laatste dagen, als 't er op aankomt, zult gij de Italianen wonderen zien doen."

Inderdaad, toen de dag der plechtige opening dáár was, scheen het of goede feeën in de stilte en de duisternis van den nacht rondgezweefd hadden over de terreinen en met tooverstaven in het leven hadden geroepen, wat luierende werklieden die liever in het zonnetje lagen te slapen en soldaten die wel onder tucht werkten maar wier handen verkeerd stonden voor dezen ongewonen arbeid, maar niet klaar konden krijgen, al stonden de commissieleden er ook handenwringend bij.

Het Uitvoerend Comité mocht van geluk spreken, dat het zóó ... den schijn wist te redden!

Trouwens, de kunst om het uiterlijk op te houden verstaan de Italianen uitnemend!

En wie zou niet gaarne veel vergeven aan een volk, dat, bij al zijn gebreken, zoo nauw verband houdend met zijn aard en opvoeding, aan den anderen kant zulke voortreffelijke eigenschappen toont!?...

Want te ontkennen valt het niet dat de tentoonstelling, zooals zij zich daar nu voordoet, getuigt van het scheppingsgenie en den hoog-ontwikkelden smaak der Italianen.

Zoowel in uitgebreidheid als in conceptie maakt de tentoonstelling een grootschen indruk. Indien men voor haar een ligging had kunnen vinden, zoo schilderachtig als de oevers van de Seine in Parijs en van de Maas in Luik, dan ware het panorama van deze tooverstad, marmerwit als het Lipara, dat Couperus' kunstenaarsoog zag, onder Italië's diepblauwen hemelkoepel met de intense lichtschittering van de zuidelijke zon onvergelijkelijk heerlijk geweest.

Het oorspronkelijk tentoonstellingsplan omvatte alleen het transportwezen: spoorwegen, scheepvaart, rijwielen en automobielen, luchtballons enz. Maar als gewoonlijk groeide het spoedig den ontwerpers boven het hoofd en kreeg het een omvang als men nimmer had vermoed of bedoeld. Decoratieve kunst, schilder- en beeldhouwkunst, kunstnijverheid, landbouw en vischteelt, telegrafie en telefonie, hygiëne, coöperatie en verzekeringswezen, dat alles werd in het definitieve plan opgenomen, welks uitvoering ruim 12 millioen lire heeft gekost. En naast die permanente tentoonstelling zullen nog tijdelijke tentoonstellingen gedurende de zomermaanden worden gehouden van voedingsmiddelen, chemische en pharmaceutisehe producten, fotografie, muziek-instrumenten, jachtwapenen enz.

Het eenige, wat deze internationale tentoonstelling dan nu ook onderscheidt van een wereld-tentoonstelling, dat is haar niet algemeen karakter; de groot-industrie bv. is tot veler teleurstelling buitengesloten, daar slechts machines van een beperkt aantal paardenkrachten in gebruik bij de kunstnijverheid mochten ingezonden worden, terwijl in eenige afdeelingen, o.a. in die van schilder- en beeldhouwkunst, geen internationale mededinging is toegelaten, een maatregel die de beteekenis dezer sectie niet heeft verhoogd.

In uitgestrektheid doet de Milaansche tentoonstelling echter niet onder voor die van Luik en Düsseldorf, welke wereldtentoonstellingen werden genoemd; zij heeft een grootte van 980,000 M_2_, terwijl de overdekte hallen tezamen een oppervlakte beslaan van 245,000 M_2_, verdeeld over 125 groote gebouwen en kleinere paviljoenen.

Teneinde den lezers eenigszins een maatstaf ter vergelijking te geven, wil ik er hier aan herinneren, dat de Luiksche wereldtentoonstelling van 1905 een terrein van 11 H.A. besloeg met een overdekte ruimte van 110,000 M_2_; het aantal gebouwen en paviljoenen bedroeg in Luik 98.

In een stad, geheel in de vlakte gelegen en met oude vestingmuren omringd, viel het niet gemakkelijk voor een zóó groote tentoonstelling een geschikt terrein te vinden. De ruimte van het binnen de enceinte gelegen Park bood nauwelijks een derde van de oppervlakte die men noodig had. De aandacht viel toen op het buiten de bastions gelegen exercitieterrein van Milaan's groote garnizoen, de Piazza d'Armi, maar ook dit was nog te klein. Toen kwamen de ingenieurs op het lumineuze denkbeeld om de beide terreinen, door een nieuwe stadswijk van niet geringen omvang van elkander gescheiden, in gebruik te nemen en ze onderling te verbinden door een electrischen spoorweg over een viaduct, bijna lijnrecht loopend van het midden van het eene naar dat van het andere.

Met medewerking van de militaire en burgerlijke autoriteiten slaagde dit plan volkomen. En daaraan is het nu te danken, dat de hoofdingang van de tentoonstelling op nog geen 20 minuten afstands van het centrum der stad is gelegen.

Wanneer men van het Cordusioplein, waar het monumentale Beursgebouw en het paleis van de "Algemeene Verzekerings-Maatschappij" in elliptischen vorm rondgebouwd zijn, en dat vlak achter de noordwestelijke zijde van het Domplein, het centrum der oude stad, gelegen is, de Via Dante ingaat, een der breedste en fraaiste hoofdstraten van Milaan, dan ziet men aan het einde daarvan op het Foro Bonaparte, dat een halven cirkel vormt, recht voor zich het beroemde en indrukwekkende Castello Sforzesca met zijn massieve torens en heerlijke versieringen van Leonardo da Vinci en Bramante, de voormalige woonplaats der Visconti's, meermalen in den loop der eeuwen verwoest en weer opgebouwd, telkens weer verwaarloosd maar nu weer bijna geheel gerestaureerd tot een grootsch historisch monument en inwendig ingericht tot archeologisch en kunst-museum, verrijzen. Door de hoofdpoort, de Torre del Filarete, het Castello binnentredende en recht overstekende door den eersten en tweeden binnenhof (Piazza d'Armi en Corte Ducale) bereikt men door de tegenoverliggende poort aan de achterzijde het fraai aangelegde Parco, dat geheel beheerscht wordt door den ver op den achtergrond verrijzenden triomfboog met zijn mooie bas-reliefs, de Arco della Pace, oorspronkelijk bestemd om de heldendaden van Napoleon te eeren, maar later gewijd aan een herdenking van de nederlagen van den grooten Keizer, die bekroond wordt door het wonder-mooie werk van den beeldhouwer Sangiorgio, in brons gegoten door de gebroeders Manfredini en voorstellende de godin des vredes staande op haar met zes vurige paarden bespannen zegekar.

In dit park, begrensd door die beide monumenten en omringd door een voornaam kwartier van patricische huizen en villa's, ligt, schuilgaande grootendeels onder donkere cypressen en ander zwaar geboomte, het eene gedeelte der tentoonstelling en vandaar leidt de electrische spoorweg naar het grootere terrein, dat ruim 20 minuten loopens verder is gelegen.

Links van het Castello, aan het einde van het breede Foro Bonaparte, ligt de hoofdingang der tentoonstelling, een architectonisch goed gelukt bouwwerk, waarvan onze foto een duidelijk beeld geeft.

In dit ranke bouwwerk met zijn zuilengalerij, zijn sprekende versieringen en beelden, hebben de architecten--aan wier hoofd de bekwame Besana staat--veel vergoed van het gemis van een monumentaal hoofdgebouw en een panorama over heel de tentoonstelling. Toch ligt de beteekenis van deze rijke façade die 's avonds met duizenden gloeilampjes wordt verlicht meer in de beide Simplontunnels, waarvan zij de omlijsting vormt.

Aardiger clou ware voor deze tentoonstelling wel niet uit te vinden geweest dan de bezoekers te doen binnengaan door een tunnel, waarmeê op bedriegelijke wijze de Simplontunnel nagebootst is. Dat is dan ook de groote attractie, het nieuwe en wonderbare. Het is dan ook aardig gedaan; de illusie is volkomen. Men schuift het zwarte gordijn even op zij en treedt de onbekende duisternis in; in de verte gloeien kleine lichtjes tegen den van kristallen glinsterenden rotswand; bij hun zwak schijnsel ziet men op den bodem de vage evenwijdige lijnen van de rails. Men hoort het gekletter van water en het snorren en stampen van machines. Het zijn de boormachine en de luchtververschingsinstallatie die hier in werking worden getoond. Door nauwe zijgangen, waarin men de scherven van rotsblokken onder de voeten hoort kraken, komt men in den tweeden tunnel, evenwijdig aan den eersten loopende, die, evenals in de werkelijkheid, met den eersten halverwege een punt van samenkomst heeft. In dezen tweeden tunnel heeft men kans gezien op vernuftige wijze duidelijk te maken, hoeveel last men bij den bouw gehad heeft met het van boven door de aderen in den bergwand doorsijpelende water, dat menigmaal de gangen blank zette. Uit den rotswand springt hier met geweldige kracht het heldere water van den bergstroom dat bruisend en schuimspattend zich neerstort temidden van de rotsblokken, juist zooals men dat in het hooggebergte ziet.

Men behoeft thans niet naar Iselle te reizen om zich een begrip te kunnen vormen van het grootsche werk, dat daar is geschied en welks voltooiing hier wordt gevierd. De kunst van nabootsen tracht de wezenlijke techniek in haar hooge vlucht te achterhalen. Alles toch is zoo natuurgetrouw, dat men werkelijk meent in het hart van de Hoog-Alpen te verkeeren.

Tusschen de beide tunnelingangen heeft de gevierde beeldhouwer Butti een beeldengroep aangebracht, die den moeizamen tunnel-arbeid voorstelt. Een mooi afgietsel in brons van deze sprekende groep is door het Uitvoerend Comité aan Z.M. den Koning als een aandenken aan de plechtige opening aangeboden.

De beide tunnelpoorten worden bekroond door een eleganten toren, dragende een Mercurius-beeld, en welks versieringen de beteekenis van het werk des vredes, door de samenwerking van Zwitserland en Italië tot stand gebracht, symboliseeren.

Aan weerszijden van den hoofdingang sluiten langwerpige vleugels zich aan dit smaakvolle bouwwerk aan. Rechts is de afdeeling "Visscherij", waarin Duitschland schitterend voor den dag is gekomen, ondergebracht, waarbij zich weer aansluit een zeer interessant aquarium; links vindt men een reeks van ineenloopende zalen, waar bijeengebracht is een hoogst belangwekkende verzameling oudheidkundige voorwerpen die betrekking hebben op het transportwezen te water en te land. Aan de medewerking zoowel van het Quirinaal als van het Vaticaan is het te danken, dat het een waar genot is deze retrospectieve afdeeling te doorwandelen, waaraan bovendien prof. Fumagalli door een methodische groepeering zekere wetenschappelijke waarde gegeven heeft. Men vindt er zoowel de draagstoel van Leopold II, Groot-hertog van Toscane als de staatsiekaros waarmee Paus Pius VII in 1814 zijn intocht hield in Modena; de berlina met koperen paneelen, rijk met zilver beslagen, van Ferdinand II van Bourbon (Corte di Napoli: 1839) als de rijk-gebeeldhouwde gala-koets, die gediend heeft in den begrafenisstoet van Victor Emanuel II in 1878 bij de overbrenging van het stoffelijk overschot van het Quirinaal naar het Panthéon; vergulde kardinaalskarossen en met acht paarden bespannen trouwkoetsen met beschilderde paneelen en van binnen met satijn bekleed van het Huis van Savoye.

Niet minder de moeite waard zijn de modellen van oude schepen; o.a. van de galjoen, waarmeê Maria de Medici in 1600 van Livorno naar Frankrijk is gevaren.

Ook het "voorheen en thans" op het gebied van de rijwielen wordt in een apart zaaltje vrij volledig te zien gegeven, terwijl de Italiaansche Posterijen en de Duitsche Rijkspost een belangrijke historische inzending hebben samengebracht, bestaande in modellen van oude postkoetsen, uniformen, gereedschappen, documenten enz.

Men kan gerust zeggen, dat deze afdeeling tot de best-geslaagde van de tentoonstelling behoort.

Na deze uitstapjes rechts en links van den hoofdingang gaan we nu het Park in, waarvan de aanleg getuigt van den smaak der Milaneesche tuinbouwkundigen; frisch en fleurig ziet er alles uit en de breed-uitgespreide waaierpalmen en bloeiende camelia's zouden wij wel zoo naar ons land willen meênemen! De stoomwals heeft de breede wegen geëffend, waarin de zware vrachtwagens diepe voren hadden getrokken; aan den rechterkant krijgen we nu de voornaamste tentoonstellingsgebouwen in het oog; zij rijzen geen van alle hoog op tusschen het geboomte en hun hagelwitte kleur zal bij den fellen Italiaanschen zonnebrand verblindend zijn voor de oogen, al helpt zij de hitte buiten de zalen houden, maar overigens ... wat een superieuren smaak hebben de Italiaansche architecten getoond bij het ontwerpen dezer paleizen en paviljoenen! Schoon ook hier in hoofdzaak het onduurzaam tentoonstellingsmateriaal slechts dienst kon doen, wint Milaan het in dit opzicht verre van Luik en Düsseldorf en wordt Parijs van 1900 naar de kroon gestoken.

De liefde voor de schoone klassieke vormen was hier de leidstar van mannen als Besana, Bongi en Locati, meestere in hun vak. Hier wordt men herinnerd aan het Parthenon met zijn zuilen en bogen, daar aan Romeinsche thermen; ginds aan de Byzantijnsche bouwkunst, elders weer aan het Arabische Alhambra. Aan de Italiaansche en Fransche renaissance wordt recht gedaan; kortom, de historische architectuur viert hier hoogtij! En toch, hoe frisch, hoe oorspronkelijk bleven de ontwerpers daarbij; hoe gelukkig wisten zij in bouworde en versieringen uitdrukking te geven aan de bestemming van de verschillende gebouwen! Zeker, dat alles is klein tegenover dien machtigen kolossus, den Dom, dien de christelijke kunst, als een prediking in marmer, midden in deze stad heeft gebouwd; en te druk tegenover den stroeven ernst der middeleeuwsche kunst die spreekt uit de palazza's, welke de eeuwen hier hebben nagelaten en die thans de omlijsting vormen van deze onwezenlijke droomstad, waar alles klatergoud en namaak is en die straks weer zal verdwijnen, even spoedig als zij gekomen is.

Maar ... wie ontkomt aan de machtige bekoring die van dit alles uitgaat!? Die mengeling van architectuur en sculptuur, zij is een weelde voor het oog en spreekt tot de verbeelding van oorden, waar de schoonheid godheid is, waar het ideaal triumfeert in marmerwit en kronegoud!

Van het beeldhouwwerk gesproken: Al heeft de Italiaansche plastiek de schoone traditiën van het verleden niet weten hoog te houden, men mocht toch bij deze gelegenheid van de beeldhouwers in het land van Michel Angelo en Canova iets goeds verwachten.

In qualiteit hebben zij dan ook niet teleurgesteld, maar in de quantiteit hadden zij meer matiging kunnen betrachten. Overlading schaadt overal, zelfs op een tentoonstelling. Alle Olympische goden zijn er aan te pas gekomen. Het is of men een concurrentie heeft willen ondernemen met de permanente beelden-uitstalling op het beroemde, maar mij en velen, die onder een andere dan de zuidelijke zon zijn geboren, weinig sympathieke Campo Santo.

Maar zonder nu alles op gezag mooi te vinden, alleen omdat het van kunstenaars als Butti en Brivio, die op dit oogenblik in de gunst staan, afkomstig is, moet ik toch erkennen, dat er kracht en realiteit zit in menig beeld en in meer dan één groep.

Ga natuurlijk zoo'n compositiebeeld niet van nabij bekijken, dan is alle illusie weg! Maar een tentoonstelling hangt nu eenmaal van bedriegelijk decoratief aan elkaar. En niemand zal aan zoo'n Victoria of Mercurius, die straks op een electrisch verlicht voetstuk zullen staan, hooge kunsteischen stellen!

Het is al veel waard, wanneer het gevoel niet wordt gekwetst door groven wansmaak of jammerlijke banaliteit. En daartegen hebben de artistieke en technische leiders der tentoonstelling met veel zorg gewaakt. Binnen die grenzen heeft men echter het eigen initiatief zooveel mogelijk vrijheid gelaten en zoo is er tusschen al die groote paleizen en paviljoenen een aardige afwisseling van Zwitsersche châlets, Schwartzwalder huisjes; Oostersche kiosken enz. Telkens wordt het oog weer geboeid door iets eigens en karakteristieks. Hoe jammer, dat ook Nederland, als te St.-Louis, niet met iets eigens, met een pittigen oud-hollandschen trapjesgevel bv., is kunnen komen! Maar de Milaneesche aannemers vroegen fabelachtige prijzen en de middelen waren gering. Nu heeft het Nederlandsch comité zich tevreden moeten stellen met 800 M_2_ in de gemengde afdeeling der decoratieve kunst, waar het Japan tot buurman heeft, en 200 M_2_ elders voor op zichzelf staande inzendingen als die van den baggermolen-fabrikant Smulders uit Schiedam. Het is nu maar te hopen, dat het inwendige (de versiering is bij den heer Kromhout uit Amsterdam zeker in goede handen) en de inzendingen goed zullen maken wat aan het uiterlijk ontbreekt. Maar daarvoor is nog wat geduld noodig. Niet vóór half Juni zal de Nederlandsche afdeeling geopend kunnen worden. Met dit wat achteraf gelegen gebouw schenen de heeren van de bouw-commissie het minste haast te hebben. En toen de gedelegeerde commissaris van Nederland herhaaldelijk aandrong op meer spoed, wijzende op het ergerlijk luieren der Italiaansche werklieden, die, als 't koud is, zich rond een houtvuurtje gaan warmen en als 't warm is, in 't zonnetje liggen te slapen, antwoordde men zoo philosophisch-laconiek als Italianen dat alleen kunnen: "Laat dan Nederlandsche werklieden komen om het gebouw af te maken. Zwitserland heeft ook eigen werklieden ontboden!"

Biedt een tentoonstelling kans van welslagen, al geeft ze ook nog zooveel interessants te zien, waar de leiders dergelijke luchthartige opvattingen koesteren?... De vertegenwoordigers van het buitenland, die ervaring hebben op dit gebied twijfelen er wel eens aan. Maar de Italianen zijn onverbeterlijke optimisten; zij kloppen de mopperaars gemoedelijk op den schouder en zeggen glimlachend: "Al levar della tende si vedra", of te wel: als de boel weer afgebroken wordt, zal alles je duidelijk zijn. Een troost!?...

Wij zijn nu in de groote middenlaan van het Park, die dit gedeelte der toonstelling in twee groepen scheidt: rechts wetenschap en kunst; links de vermakelijkheden. Even wippen we binnen in het gebouw der "Schoone Kunsten". Dat was inwendig het eerst gereed omdat de Koning er doorheen wandelen zou op den openingsdag. Een openbaring is deze zuiver-nationale afdeeling niet; ook zijn vele doeken verkeerd of veel te sterk belicht. Er is in 't algemeen te veel gelegenheidswerk zoowel van schilders als beeldhouwers.

Eén zaal is geheel gereserveerd voor de productieve familie Ciardi, bestaande uit vader en twee zoons, die 32 werken heeft ingezonden, een andere zaal bevat alleen 28 stukken van den grooten Venetiaanschen meester, Ettore Tito. Ook Carcano heeft een zaal voor zich, terwijl Carlandi, bekend door zijn fijne zeegezichten, 84 aquarellen heeft ingezonden.

Onder het beeldhouwwerk is meer knappe copie dan oorspronkelijk werk. De Unione artisti romani leverde hier het leeuwendeel, o.a. een reusachtige groep van Lazio.

Het paleis van de Belle Arti bestaat uit twee vleugels in hoefijzervorm die samenkomen in een koepelvormige zaal. In deze feestzaal, waarvan wij een reproductie geven, had de plechtige opening der tentoonstelling plaats. Jammer genoeg mochten er toen geen photografische opnamen worden gemaakt--een maatregel die als vele andere verband hield met de veiligheid van den Vorst. Want toen langs alle lijnen electrische lichtjes fonkelden, ook in de lauwerkransen door de engelenfiguurtjes omhoog gehouden, en heel de zaal bezet met schitterende uniformen en galagewaden, waartusschen de bekoorlijkste damestoiletten in teere kleuren,--allen omringend de met bloemenguirlandes versierde estrade, waarop de Vorstelijke stoet had plaats genomen--toen bood dat geheel een betooverend gezicht, hoe weinig indrukwekkend de ceremonie ook overigens was, die onder een geestdriftige ovatie aan het Koninklijk Paar eindigde met een symbolische opening van de tentoonstelling door Koningin Elene, die een rood lint losmaakte, dat de estrade had afgesloten van den uitgang.

Uit den rechtervleugel de feestzaal binnengekomen treden wij nu door den hoofdingang, door zinrijke beeldengroepen geflankeerd, weer naar buiten. Aan de overzijde van de breede allée zien wij, verscholen in het frissche groen, drie kleine gebouwen liggen, evenveel verschillend van stijl als van bestemming; voornaam en mooi is de façade van het kleine paleis der stad Milaan, in Italiaansche renaissancestijl gebouwd, waarin het gemeentebestuur, dat een ruim aandeel genomen heeft in de totstandkoming der tentoonstelling en bij feestelijke gelegenheden de honneurs tegenover de gasten uit den vreemde waarneemt, een volledig overzicht geeft van de inrichting zijner model-bedrijven en van het vele wat Milaan doet op het gebied van onderwijs, armenzorg, hygiène en volkswelvaart. Zij die ook om iets te leeren de tentoonstelling bezoeken zullen hier een nuttig uurtje kunnen vertoeven in deze rustige omgeving.

Van een heel ander karakter is het Zwitsersche paviljoen dat natuurlijk van wege "de onverbrekelijke vriendschapsbanden" op deze tentoonstelling een eereplaats kreeg.

Het is een echt Zwitsersch châlet, in wit rood en bruin geschilderd hout met balcons en een luifeldak en pittig torentje; een juweeltje van dien karakteristieken bouwstijl van het Alpenland. "Een bescheiden huisje" noemde de Zwitsersche commissaris-generaal Siemen het, toen hij er uit naam van de Bondsregeering den Koning van Italië begroette, maar de jonge Vorst die zijn oogen altijd goed den kost geeft had het bij het rechte eind, toen hij den bescheiden Zwitser warme hulde bracht voor dat smaakvol paviljoen, een sieraad van de tentoonstelling.

Natuurlijk is de inhoud van het gebouw grootendeels gewijd aan de werken van St. Gotthard en Simplon, gesymboliseerd in een groot fresco in den voorgevel, en de vermaarde Zwitsersche kunstnijverheid.

Een honderd schreden verder ligt op een heuveltje, gelijk in hoogte aan de viaduct, het Park-station van den electrischen spoorweg, ook een aardig, luchtig gebouwtje, waaraan veel zorg is besteed.

Vóór wij uitstappen echter nog even een kijkje genomen aan het uiterste einde van het Park bij den Vredesboog in het complex van gebouwen, dat gewijd is aan een der belangrijkste afdeelingen van de tentoonstelling: de versieringskunst; het zijn eigenlijk twee reeksen van gebouwen, door binnenhoven met zuilengalerijen, aardige beelden en fonteintjes, onderling met elkaâr in gemeenschap, gescheiden door een smal laantje; het is hier, dat ook Nederland zijn beste beentje voor zal zetten. Maar de strijd zal zwaar zijn. Op dit oogenblik zijn de gebouwen nog nauwelijks onder dak en is de chaotische toestand nergens zoo wanhopig als hier in dit hoekje; van étaleeren kan dus nog geen sprake zijn. Maar de ingenieur die hier de leiding heeft, de heer Gatti-Casazza, weet schitterende dingen van deze afdeeling te vertellen. Na de welgeslaagde proefneming in Turijn met de tentoonstelling van versieringskunst in 1902 zal Italië hier nu eens met 500 van zijn eerste architecten en artisten (grootendeels uit Lombardije) uitkomen; een ruimte van maar eventjes 12000 M_2_ heeft het daarvoor noodig; Hongarije, dat in de laatste jaren een reusachtige vlucht nam op het gebied der kunstnijverheid, zal 3500 M_2_ innemen; Engeland 1000; Zwitserland, Japan en Nederland elk 800; Duitschland 500; Turkije 350 en Noorwegen 100. Nederland maakt dus quantitatief geen slecht figuur. Jammer echter, dat onze eerste firma's op dit gebied geen lust tot deelneming gevoelden.

Frankrijk, Oostenrijk, Rusland en België hebben ook hun afdeeling versieringskunst ondergebracht in hun eigen gebouwen op de Piazza d'Armi. Ofschoon de Commissie van toelating lang niet gemakkelijk is geweest, hebben de aanbiedingen zóó de verwachting overtroffen, dat zij heeft moeten laten varen het denkbeeld om ook een retrospectieve tentoonstelling van de ontwikkeling der toegepaste kunst in den loop der eeuwen te geven. Een eereplaats zal echter gegeven worden aan den vrouwenarbeid, waarvan, onder de auspiciën van de Hertogin Maria Anna Visconti di Modrone Gropallo, presidente van het damescomité, evenals te Luik, veel belangwekkends zal te zien gegeven worden.

Een zware taak wacht de jury maar ook een aangename, want de Koning heeft een eereprijs van 10,000 lire uitgeloofd voor de fraaiste "complete moderne inrichting".

Aan den anderen kant van het park, nog een groote uitgestrektheid met mooie gazons en waterpartijen, zetelt het Vermaak. Daar kan men een reis naar het hooge noorden maken en zich verbeelden op de ijsberenjacht te zijn, of de geneugten smaken van een montagne russe; daar kan men zich in aardige bars en kiosken door gebronsde zuidelijke schoonen met uitdagende, donkere oogen champagne en vruchtenijs laten bedienen; daar kan men voor een halve lire heel Tyrol of het Berner Oberland doorreizen onder 't genot van Münchener Hofbräu, Chianti of Capri, Marsala of Vermouth van fratelli Cora; daar kan men 's avonds tusschen de donkere cypressen in den maneschijn zitten mijmeren bij "American drinks", zoo echt als in de eerste Broadway-bars; daar kan men zich van een helling in een bootje met duizelingwekkende vaart in een meer laten storten of, wanneer men 't op dit ondermaansche te benauwd krijgt, hoog in de lucht rondvliegen in een Aëroplan en in jolige pret lachen om dat Castello en dien Dom die daar zoo eigenwijs en roerloos staan te droomen midden in dat wereldsche, lawaaierige Milaan; daar klinken muziek en zang; daar raakt men de zilverstukjes kwijt....

Daar mist men alleen Lucas Bols of Wynand Fockink, anders trouwe comparanten op groote tentoonstellingen, die hier met een "Oude Schiedammer" en een jonge Zeeuwsche boerendeern toch zeker al even veel succes zouden hebben als overal elders in de wereld.

Maar het wordt tijd, dat wij het Park verlaten en naar de Piazza d'Armi trekken, waar wij in vogelvlucht hebben te overzien veel dat nog niet àf is en heel weinig dat wèl gereed is. Konden wij maar werkelijk in een luchtballon er over heen zweven! Dan liepen we geen kans overreden te worden door zwaargeladen goederentreinen en in dolle vaart rondsnorrende auto's, die voor de snelle verplaatsing van comité-leden zorgen als zij lastige reclamanten uit de voeten willen blijven.

Het electrische treintje, comfortabel ingericht--een voorbeeld voor de directie der Italiaansche spoorwegen die, sedert de staatsexploitatie in vollen gang is, nog niet veel gedaan heeft om het spoorwegverkeer uit zijn achterlijkheid te verlossen--brengt ons, hoog over straten en lanen en pleinen, over de ranke en sierlijke viaduct in een paar minuten daar.

Ook deze terminus doet ons kennismaken met een aardig, rustiek station met bloemperken en heesters omgeven; ruim, ongevaarlijk en met zacht-glooiende op- en afgangen. De maatschappij die dat goedkoope lijntje van 5 cent per rit exploiteert heeft eer van haar werk en succes; het aantal abonnés loopt al in de tienduizenden.

Recht voor ons ligt in het midden van het vierkante terrein, dat een omtrek heeft van ruim drie kwartier loopen en doorsneden is van lange rechte lanen, waartusschen nu de vakken tot weelderig plantsoen met rotsen en vijvertjes, fonteinen en bloembedden zijn aangelegd, het groote paleis van het "Transport te water" met den reusachtigen vuurtoren op natuurlijke grootte, die 's avonds een intens licht over tentoonstelling en stad verspreidt, op den voorgrond. Handelsvloot en passagiersschepen worden in deze afdeeling wel erg op den achtergrond gedrongen door de Marine, die toch eigenlijk slechts in verwijderd verband staat met "transport te water." Maar hiermeê kon Italië meer geuren dan met zijn scheepvaart, die niet sterk vooruitgaat, hoewel, na de jongste Marine-rapporten, deze tentoonstelling van model-materiaal een bitter bijsmaakje voor de Italianen heeft gekregen.

Ook het buitenland heeft in deze afdeeling acte de présence gegeven. Krupp en Armstrong vervullen u hier met bewondering voor hun werken maar ook met een tikje wrevel; die onheilspellende kanonnen storen de vredes-gedachten, die de ideëele achtergrond vormen van dit jubelfeest van den arbeid, waar de natiën komen getuigen van hun grootheid en hun kracht ... in de werken der beschaving en des vredes.

Enkele modellen van Oceanflyers, van moderne luxe-schepen, van reusachtige vrachtbooten, zeesleepbooten en baggermolens gaan hier bijna verloren voor 't oog tusschen de vernielingswerktuigen, torpedobooten, torpedo's, pantsertorens enz.

Trouwens, hier en daar verspreid over het terrein vindt men nog onderdeelen van deze sectie. Zoo heeft de groote Italiaansche Stoomvaart-Maatschappij, die ook de dagelijksche diensten tusschen het vasteland en Sicilië verzorgt, haar eigen, kranig gebouw en is er een zeer bezienswaardige inzending van motorvaartuigen, elegante gondeltjes, waarmeê men lust zou gevoelen zich te laten voortglijden over de smaragden golfjes van de Zwitsersche en Italiaansche bergmeren.

Links van "Marine" ligt het grootste tentoonstellingspaleis, de "Galerij van den Arbeid", een complex van reusachtige hallen met drie koepelvormige ingangen. In de voornaamste daarvan was een prachtig plaatsje gereserveerd voor een inzending van de Amsterdamsche diamantindustrie, waarop men aanvankelijk scheen te mogen rekenen. Jammer, want die zou hier furore gemaakt hebben! Over de inzendingen in deze afdeeling valt nog zoo goed als niets te zeggen; behalve een paar mooie kleurendrukpersen en een reusachtige rotatiepers, waarop een tentoonstellingsuitgave van het grootste dagblad van Milaan, de uitnemend geredigeerde en snel-ingelichte Corriere della Sera, tot stomme verbazing der toeschouwers wordt gedrukt en gevouwen, staan er slechts rijen van onopengemaakte kisten, waarin de schatten van de machinale kunstnijverheid verborgen zijn. Meer dan een schoone belofte is dit Arbeidspaleis dus nog niet.

Wij naderen nu bekend en bevriend terrein. Een gebouw met frisschen vriendelijken baksteengevel zegt ons terstond, dat wij hier te doen hebben met iets uit gewesten, dichter bij Nederland; het doet zelfs vreemd in deze omgeving van witte paleizen met blauwe koepels en veel verguld. Het verwondert ons dan ook niet uit het dak de Belgische vlag te zien wapperen. Wij zijn thuis; die rustige lijnen van de Vlaamsche renaissance, die symmetrie welke geen oogenblik stijf wordt, zij doen ons Nederlandsch hart goed. Onze naburen zijn hier schitterend voor den dag gekomen, om jaloersch van te worden. Ook de Italianen, die wel eens meenen het monopolie van stijl en smaak te hebben, kunnen hun bewondering niet verbergen.

Inderdaad, dit gebouw--werk van den Brusselschen architect Henry Vaes--is opgericht à la gloire de la patrie, zooals op een gedenksteen in den muur van een der torens is gebeiteld. Maar ... de Belgische regeering, zich dankbaar herinnerend de ruime deelneming van Italië aan de wereldtentoonstelling te Luik, stelde dan ook een bedrag van fr. 300.000 ter beschikking van de commissie van dat land. Met zoo'n sommetje kan men wat beginnen!

Ook de inzendingen der Belgische kunstnijverheid die het gebouw en een daarnaast gelegen hal zullen vullen, beloven het beste te geven wat het nijvere land kan voortbrengen, vooral kant en smedewerk.

Langs de achterzijde van het terrein liggen drie groote gebouwen, die samen één reuzenstation vormen met uitgestrekte overkappingen.

Wij hebben hier te doen met de kern der tentoonstelling, de wortel van de reuzenplant: het spoorwegwezen. Vier landen domineeren hier; Duitschland, Oostenrijk, Hongarije en Italië zelf, dat zeker, al komt het hier met mooie dingen uit, op dit gebied eenige bescheidenheid mag in acht nemen. Reusachtige locomotieven en prachtig-ingerichte slaap- en salonwagens vormen het hoofdbestanddeel dezer afdeeling, terwijl Italië zeer interessante nieuwe uitvindingen op het gebied van seinwezen en veiligheidsinrichtingen in werking te aanschouwen geeft.

Van groot practisch belang voor berglanden zijn o.a. de optische en gehoor-signalen voor tunnels en de nieuwste tandradbaan-locomotieven.

Een zeer sympathieken indruk maakt de iets verder onder hangars geherbergde inzending van het Italiaansche Roode Kruis, waarvan vooral de aandacht verdienen de met veel zorg ingerichte transportwaggons en booten voor gewonden. Ook Duitschland's Sanitätswesen komt hier schitterend voor den dag met ziekenbarakken, vervoerbare barakken en vriendelijke paviljoentjes.

Van de ziekenverpleging naar de hygiène il n'y a qu'un pas. Hier óók in letterlijken zin. Heerlijk is weer die frontgevel van den architect Bongi, aan het paviljoen, waar Aesculapius' vriendelijke dochter troont, gegeven. Van het zinnebeeld der gezondheid, de slang, heeft hij bij de versieringen een gelukkig gebruik gemaakt.

Welke schatten Hygieia in haar tempel tentoonspreidt is nog een geheim. Alleen is mij bekend, dat onder de inzenders ook een Nederlander is. Onze consul te Milaan, de ingenieur H.J. Van der Schalk, exposeert er modellen van hygiënisch ingerichte boerenwoningen en veestallen volgens een nieuw systeem.

Uit het gebied waar de godin der gezondheid heerscht, over te gaan naar Caïro is nog al een sprong. De oosterlingen staan gewoonlijk met Hygieia op een gespannen voet. Maar het tentoonstellings-Caïro in miniatuur is nog al onschuldig! 't Ziet er alles zelfs te onnatuurlijk zindelijk uit, het ruikt er te frisch om de illusie volkomen te doen zijn. Maar aardig is die exotische omgeving voor ons, westerlingen, toch altijd. Hoe verrukkelijk doen die glanzende koepel en die fijne minaret van de Hasinin-moskee tegen het zuidelijk azuur! Hoe schilderachtig zijn die kleine straatjes en de bazar, waar de oosterlingen bezig zijn hun snuisterijen uit te pakken! Nu is 't nog rustig en leeg hier, maar weldra zal de moslem zijn gebeden prevelen in den toren; zal er vreemdsoortige, lawaaierige muziek klinken bij de Arabische danseres, die de Italianen zal laten genieten van een nerveusen danse du ventre; dan zullen de kooplieden met hun roode fez u met een "bon marché, monsieur!" naloopen om u hun waren aan te prijzen en bruine jongens op bloote voeten u trachten over te halen om op een witten ezel of een hoogen kameelenrug rond te rijden. En nog lang daarna zal de geur van de rozenolie u herinneren aan die oostersche atmosfeer van de nagebootste Nijlstad hier midden in Lombardije.

Langs Bulgarije, dat zich de weelde van een eigen fraai paviljoen kon veroorloven evenals vorig jaar te Luik, keeren we weer naar Midden- en West-Europa terug. We hebben nu het langwerpige paleis van Frankrijks decoratieve kunst met de 4 smaakvolle ingangen vóór ons liggen. Uitwendig en inwendig viert de Fransche kunst hier weer haar triomfen. Wie kan zich daarmeê meten!? Een glans van voornaamheid ligt over al dat werk.

In een boog om dit gebouw heen liggen drie afdeelingen die, eenmaal gereed, tot de belangrijkste der tentoonstelling zullen behooren. Het zijn: "Automobilisme en Cyclisme", "Rijtuigfabricage" en "Landbouw"; rococostijl was hier wel de meest aangewezene, maar toch hebben de architecten de bestemming van de gebouwen gelukkig uitgedrukt in attributen, symbolische fresco's enz.

Over den inhoud valt nog weinig te zeggen; de automobiel-fabricage heeft in Italië groote vlucht genomen en schijnt dan ook kranig te zullen uitkomen, vooral met luxe-auto's en omnibussen, zooals er hier thans reeds verscheidene in dienst zijn.

De Landbouw beschikt over uitgestrekte hallen van groote wijdte. Juist nu het ideaal van den Koning: "een internationaal Landbouw-instituut te Rome" het eerste stadium van verwezenlijking is ingetreden, wil Italië eens laten zien hoe ver het op dit gebied is. Dat had misschien ook op den weg van Nederland gelegen, maar onze landbouw zal in deze afdeeling slechts vertegenwoordigd worden door een magere inzending van zuivelproducten en ... een Turksche sigarettenfabriek uit Amsterdam. Verkeerde indrukken worden op die wijze wèl bevorderd! Te leeren zal er in deze afdeeling veel zijn, want vooral in Lombardije staat de landbouw op een hoogen trap. De Italiaansche landbouwer is een zorgzaam arbeider; dat kan men, door deze vruchtbare laagvlakte reizende, overal waarnemen.

Wij zijn nu weêr bij het punt van uitgang: het station, teruggekeerd. Overal stilstaan konden wij natuurlijk niet; men zal mij de opsomming van reclame-inzendingen, van azuren grotten en een Afrikaansch dorp, wel willen schenken. Dat alles is schon dagewesen op iedere wereldkermis.

Maar wij mogen toch geen afscheid nemen van de Piazza d'Armi zonder even binnengeloopen te zijn in het mooie, sprekende paviljoen van de latijnsche staten van Zuid-Amerika. Deze staten: Peru, Chili, Uruguay, Guatemala, San Domingo, Brazilië en Argentinië hebben van praktischen zin blijk gegeven. Hoe ook onderling steeds verdeeld, heeft ditmaal een zeker ras-instinct hen er toe gedreven om de handen ineen te slaan tot het verrichten van datgene, waartoe elk op zichzelf niet krachtig genoeg zou zijn. Elke van de regeeringen dezer landsn heeft 6000 francs beschikbaar gesteld voor een collectieve inzending, die er van getuigt, dat men op het zuid-westelijk halfrond nog iets anders verstaat dan staatsgrepen en omwentelingen op touw te zetten.

De in Italië gevestigde consuls van deze staten, aan wie het voornamelijk te danken is, dat Zuid-Amerika hier meer op den voorgrond treedt dan op de laatste wereldtentoonstellingen in Europa, hebben eer van hun werk, zoo goed als de beeldhouwer Laforet, auteur van het standbeeld van Christoforus Columbus in de vestibule van het paviljoen en reeds bekend door het mooie Verdi-monument te Triëst. De 400-jarige sterfdag van den koenen ontdekker van Amerika wordt op 21 Mei bij dat standbeeld plechtig herdacht, o.a. met een redevoering van Edmond de Amicis.

Op onzen weg naar den uitgang van het terrein passeeren wij de afdeelingen luchtscheepvaart en meteorologie, die zeker in nauwe betrekking tot elkaar staan, al is het den vernuftigsten en stoutmoedigsten luchtschipper nooit gelukt in letterlijken zin "naar de maan" te gaan. Van tijd tot tijd worden hier op een met tribunes omringd terrein luchtballons opgelaten, zoowel bestuurbare als vrij in het luchtruim zwevende; ook het Duitsche militaire luchtscheepvaartcorps doet daaraan meê met zijn sigaarvormige uitkijkballons; deze zeer vreedzame verkenning van Lombardije vindt bij het publiek wegens de bewonderenswaardige vlugheid en nauwkeurigheid der exercitiën grooten bijval. Geen wonder; de kleine, weinig gespierde Italiaansche officieren en soldaten missen dat stramme en stroeve!

Milaan heeft zijn "settimana di gloria" gehad! De feesten, waarmede de blijde begroeting van de jong-geborene is gevierd, zijn nu weer voorbij, de Koning en de Koningin naar Rome teruggekeerd; ook de vertegenwoordigers van de buitenlandsche dagbladen en tijdschriften pakken hun koffers; de tentoonstelling wordt verder afgewerkt en Milaan bereidt zich voor op de ontvangst der duizenden vreemdelingen uit het zuiden en van over de Alpen.

Veel reclame in het buitenland maakt het Propaganda-comité van de tentoonstelling niet; het is waarschijnlijk overtuigd, dat de 120 internationale congressen, ingezet met het groote en luidruchtige studentencongres, de automobielen-wedstrijden en gymnastiek-feesten, de wedrennen en andere hippische feesten, de concerten en historische optochten, de vuurwerken en illuminaties, de diner's en recepties onder de auspiciën van Milaan's gastvrije en royale vroedschap, genoeg aantrekkingskracht zullen oefenen op de duizenden, die een gelegenheid zoeken om hun zomervacantie aangenaam door te brengen.

"Naar Milaan!" zal het parool zijn van alle toeristen en toeristenbureaux in het komend seizoen.

De lezer make, na mijn indrukken van de eerste levensdagen der tentoonstelling, die ik getracht heb zoo objectief mogelijk weer te geven, gelezen te hebben, voor zichzelf uit of er aanleiding is om aan dat wachtwoord te gehoorzamen ook voor dengene die geen modeslaaf wil zijn.

Maar ik ben er zóó zeker van, dat wie het voorrecht zal hebben deze tentoonstelling in een later stadium van ontwikkeling of wèl, eerlang tot vollen wasdom gekomen, te aanschouwen, hier rijke schatten van leering en genieting zal vergaren, dat ik straks mijn laatsten groet van de toppen der Alpen aan de tegen den horizont vervagende spitsen van den Dom niet zal brengen zonder een: "A rivederci, Milano!"

Milaan, Mei 1906.

Een vliegreisje in het Land der Rijzende Zon

Door T. TJ. DE BOER.

Onlangs gaf een mijner collega's een' al te enthousiasten aspirant-zeeman den raad: "Als je wat van de wereld wilt zien, ga dan niet naar zee."

Dit nu klinkt paradoxaal, maar er ligt toch een grond van waarheid in. Weliswaar bezoeken wij vele plaatsen, doch de zeehavens der wereld zijn tot op zekere hoogte allen gelijk.

Eerstens is er altijd een groote categorie van menschen, met wie wij niet in aanraking komen, omdat wij meestal geene introductie hebben. Dan zijn er de kooplui, die, zoowel aan wal als aan boord, den armen zeeman steeds trachten af te zetten, hetgeen hij zich met werkelijk verwonderlijke onverschilligheid laat welgevallen. Verder zijn er de koelie's, die onder ons toezicht het schip moeten lossen en laden, en evenmin een hoog als een juist denkbeeld geven van het volk waartoe zij behooren. En ten slotte is er de buurt waar de zeeman op de meest ergerlijke wijze wordt geplukt, en die het maar het best is te mijden.

Bovendien hebben wij vaak weinig tijd en blijft de gelegenheid om aan land iets te zien wat de moeite loont, gewoonlijk beperkt tot des avonds of tot een enkelen vrijen Zondag; juist genoeg om ons te doen wenschen er meer van te kunnen genieten.

Stoomen wij b.v. van Aboji (straat van Simonoseki) naar Kobe door de Binnenzee van Japan, eene reis van één etmaal, dan valt er veel te bewonderen. Het kalme, spiegelgladde water, de honderden groene eilanden en eilandjes, de witte dorpjes, die soms als een vlucht rustende vogels aan den rotswand schijnen te hangen, en 's avonds het glanzende maanlicht, de blauw-lichtende zee en de ontelbare lichtjes der vreemdsoortig gevormde visschersvaartuigen ... dat alles vormt een bekoorlijk geheel, en wekt in ons het verlangen op, dieper in het onbekende land door te dringen, een verlangen, dat slechts zelden bevredigd wordt en, gevoegd bij de kleine ongemakken, aan ons beroep onvermijdelijk verbonden, een zekere onvoldaanheid teweegbrengt, die aanleiding geeft tot overdreven verzuchtingen. Want hoe vroolijk de zeeman ook aan land moge zijn, aan boord is hij een onverbeterlijke mopperaar.

Slechts aan een geluksvogel, zooals ik was, is het soms gegeven, land en volk beter te leeren kennen.

Ik lag nl. in September j.l. met mijn schip te Kobe. Wij hadden één passagier aan boord, een jongmensch, die voor zijn genoegen een reis met ons meemaakte. Deze wilde eenige dagen in Japan reizen en door de goedheid van den gezagvoerder kreeg ik verlof, met hem mee te gaan. Het schip moest nog naar Yokohama en daarna weer terug naar Kobe. Tot zoolang mocht ik wegblijven.

Door dezen samenloop van omstandigheden ben ik in staat gesteld, mijnen lezers eene beschrijving te geven van mijn reis door Japan, het land, dat door zijn ongekend aanpassingsvermogen de geheele wereld heeft verbaasd en vooral in dezen tijd ieders belangstelling opwekt. Uit den aard der zaak is deze beschrijving vluchtig en onvolkomen; zij maakt volstrekt geen aanspraak op volledigheid, want om een goed denkbeeld te kunnen geven van dit vreemde en unieke land, moet men er veel langer vertoeven.

Wij vertrokken 's morgens om 8 uur van boord en lieten ons met een bootje naar den wal roeien. Een ambtenaar van de douane visiteerde onze koffers en liet, toen ik mijn kwaliteit bekend maakte, ons met een ongewoon groote hoeveelheid sigaren ongehinderd door.

Kobe is de drukste havenstad van het land en ligt heel mooi tegen de bergen aan. Doch wij konden ons hier niet ophouden, lieten ons per "jinrickisja" naar een kennis brengen, die ons eenige waardevolle inlichtingen verstrekte, en daarna naar het station.

De jinrickisja (letterlijk: man-kracht-rijtuig), kortweg genoemd "ricksja", is een hoog, tweewielig voertuig, voorzien van een opzetbare kap, dat door een man getrokken wordt met een vrij groote snelheid. Het is het vervoermiddel bij uitnemendheid in Japan, tenminste over niet te groote afstanden, en heeft van hier zijn weg gevonden naar bijna alle plaatsen in Oost-Azië. Wij namen een biljet 1ste klasse naar Tokyo en vertrokken om 10 uur van Kobe.

Het land is over 't algemeen bergachtig en ziet er vruchtbaar uit. Eigenaardig zijn de vele reclames, op groote borden overal langs den spoorweg geplaatst. Soms zijn het meer dan levensgroote menschenfiguren, dan weer enorme flesschen of theepotten of rijwielen, niet altijd even artistiek, ook ziet men wel hoog tegen de groene bergen geweldig groote, witte Japansche karakters afsteken, die den roem van de eene of andere bier- of theesoort mijlen ver verkondigen. Ten 12.25 verlieten wij te Kyoto den trein. Dat gaat in Japan zeer gemakkelijk: zoo'n biljet is nl. vijf dagen geldig, het te laten afteekenen onnoodig. Ook hebben de reizigers 50 kilo bagage vrij.

Kyoto is een groote stad met ± 350000 inwoners. Bijna elf eeuwen lang was het de hoofdstad van het rijk, totdat in 1869 de zetel der regeering naar Tokyo verlegd werd.

Wij reden, natuurlijk weder per ricksja, de geheele stad door naar het Kyoto-hôtel. Dit is zeer mooi gelegen, en biedt een ruim uitzicht aan over de stad met hare ontelbare, grillig gevormde daken, en met de bergen tot achtergrond.

Na de lunch gingen wij er op uit, om wat van Kyoto te zien. Het eerst naar de Hongan-ji, een Boeddha-tempel.

Het Boeddhisme, in de 6de eeuw uit Voor-Indië via China in Japan ingevoerd, is heden ten dage de meest populaire godsdienst. Het is verdeeld in 12 secten, die tezamen meer dan 70000 tempels bezitten, met 60000 bonzen (priesters).

Een vlucht van drie breede, steenen trappen bracht ons bij den eigenlijken tempel, waaromheen weer kleinere gebouwen zijn, die tezamen eene groote uitgestrektheid beslaan met tuinen er rondom, waarin vijvers, bloemperken, enz. Vóór wij binnengingen, werden ons een paar rood-linnen overschoenen aangetrokken met vervaarlijke punten (zoo ongeveer als de hofnar van Lodewijk XIV moet hebben gehad), en daarna werden we in het binnenste van den tempel toegelaten.

Het daglicht drong slechts getemperd tot hier door en het was er doodstil. Bewonderend keken wij rond. Een altaar, schitterende van goud, zilver, koper en lakwerk in alle kleuren, een prachtige troonhemel voor den opperpriester, groote bronzen stellages met tal van koperen klokjes behangen, vreemdsoortig snij- en lofwerk, nooit geziene muziekinstrumenten ... dat alles bracht ons in verwarring.

Ter zijde van het altaar een groot, koperen beeld van Boeddha, de beenen gekruist onder het lijf en de handen in den schoot met de palmen naar boven en de knokkels tegen elkaar, den indruk gevende van intense, passieve, passielooze rust.

Doch daar werd de stilte verbroken. Een op de hurken zittende bonze sloeg met een stok met dikken knop op een trom van zeer bijzonderen vorm; met dezelfde regelmatigheid als de balans eener machine ging zijn arm op en neer, terwijl hij met eentonige stem uit een voor hem liggend boek half zong, half las. Dof en somber weerklonken de slagen in de hooge gewelven. Wij haalden diep adem toen wij weer buiten kwamen, het contrast was ook zeer groot. Een vroolijk zonnetje scheen, vogels zongen in de boomen en bloemen geurden langs groenomzoomde vijvers, vol dartelende goudvischjes.

In een afzonderlijk gebouw hing een enorme bronzen klok, wegende 60000 kilo's. Een dikke, horizontale paal, op halver hoogte der klok opgehangen, kan er door middel van een touw tegenaan gerammeid worden. Het geluid moet zeer sterk zijn.

We reden voorts nog door een mooi park en daarna naar het station, teneinde een uitstapje te maken naar Kameoka, een klein plaatsje, een uur sporens van Kyoto gelegen.

De weg was steeds stijgende en we bevonden ons spoedig te midden der bergen. Prachtig was het uitzicht. Langs de spoorlijn stroomde de Hodzu-gawa, een woeste bergstroom, die, vooral waar steenen en rotsblokken zijn weg willen belemmeren, bruisend opstuift en schuimend verder gaat. Achtereenvolgens passeerden we acht tunnels, enkele zeer lang, en een brug over bovengenoemde rivier, die uit een enkele 85 Meter lange spanning bestaat. Ons plan was, van Kameoka met een bootje de Hodzu af te varen, een terecht vermaarde tocht, die geen enkel toerist mag verzuimen.

Om halfzes staken wij van wal in een platboôm-vaartuig, met vier Japs bemand. Twee roeiden langs de meer kalme gedeelten, één stond voorin met een stok, en één achterin, sturende met een riem. In 't begin was er weinig stroom, maar weldra begonnen de stroomversnellingen, en wanneer wij dan met vliegende vaart langs de overal verspreide rotsblokken schoten, terwijl het water onder ons en om ons kookte en ziedde en spatte, had de stuurman al zijne kalmte en koelbloedigheid noodig, om geen ongelukken te veroorzaken. Soms leek het ons toe, dat er geen uitweg was, als zouden wij te pletter slaan tegen een' grooten steen, die dreigend den weg versperde. Doch juist op het kritieke moment gaf een duw van den man vóór in de boot, of een behendige draai van den stuurman den steven eene andere wending, dadelijk gevolgd door dezelfde manoeuvre den tegenovergestelden kant uit, en het volgende oogenblik--rakelings langs de scherpe granietmassa's schietende, terwijl de platte bodem op en neer golfde door de aanraking met de bedding der rivier en het melkwitte schuim ons bespatte--waren wij de gevaarlijke bocht reeds gepasseerd.

Het was heerlijk, een nieuwe, geheel eenige emotie! En bij de kronkelingen van den stroom telkens een ander uitzicht, telkens een nieuw panorama van bergen. In de lente, als de oevers bezaaid zijn met roode azalea's, moet het bovenal mooi zijn.

Intusschen werd het reeds duister, doch nog geenszins verveelde ons de tocht. En toen spoedig daarna de volle maan boven de bergen rees en met zilveren licht en fluweelen schaduw speelde, werd het tooneel tooverachtig en maakte een diepen indruk op ons.

Eindelijk waren de stroomversnellingen achter den rug en dreven wij over den zich verbreedenden vloed kalm voort. Uit de theehuizen aan den waterkant klonk zang en dans van "geisja's", en bootjes vol jongelui voeren ons voorbij met muziek, die zachte, droomerige muziek der Japanners.

Het was zeven uur toen wij te Saga weer aan wal stapten en naar Kyoto terugspoorden. Wij aten in een Japansch restaurant, gelegen op een zeer druk punt, uitgebouwd boven de rivier en verlicht door kleurige lampions, waar wij door jonge meisjes in nationaal kostuum bediend werden--zooals trouwens in alle hôtels, restaurants, logementen en theehuizen in Japan;--daarna wandelden wij de stad eens door.

Indien het mooi weer is--en dat is het bijna altijd in dit bloemenland--heerscht er tot diep in den nacht voortdurend een vroolijke drukte op straat. Alles is uniek en zonderling en oefent eene ongewone bekoring uit op den vreemdeling, die hier voor het eerst komt.

Krijgt men van de koelies aan boord, met hunne half brutale, half bevreesde houding en eene mengeling van arrogantie en nieuwsgierigheid, geen gunstigen indruk, die indruk verdwijnt spoedig, indien men nader met het volk in aanraking komt. Hunne beleefdheid, ook jegens elkander, is spreekwoordelijk; nergens heb ik zóóveel zien buigen; zelfs wanneer twee ricksjakoelies elkander iets mededeelen, gaat zulks met vele strijkages gepaard; en het is werkelijk een typisch gezicht, als men eene familie eenige kennissen van den trein ziet halen. Waarlijk, in dit opzicht kunnen wij met onze westersche beschaving veel van hen leeren. En die beleefdheid gaat hen zoo natuurlijk af, dat men voelt dat zij uit het hart komt.

Het levendige gewoel door de meestal nauwe straten, de vreemde kleeding en typen die men ziet, de rijk voorziene winkels, waar zooveel moois uitgestald wordt dat men in Europa zelden of nooit tegenkomt,... dat alles maakte ons het scheiden moeilijk; eindelijk zochten wij toch ons hôtel op en begaven ons ter ruste.

De tweede dag was bestemd voor een bezoek aan Nara, een aardig stadje, 2 uren sporens van Kyoto. De weg er heen biedt mooie vergezichten aan; men vindt er uitgestrekte theeplantages.

Midden in het stadje is een groote vijver, die wemelt van schildpadden en roode en bruine karpers. Klapt men in de handen, dan komen zij allen aanzwemmen, en werpt men ze brood toe, dan is het een leuk gewemel van pooten en koppen en schilden en vinnen; en 't is geen ongewoon gezicht, een karper boven op een kluwen van schildpadden te zien spartelen, één voet boven het water. De visschen, met hun grooteren bek, zijn er het best aan toe; men zou dus gevoegelijk van karper-aandeel kunnen spreken. Na hier lang genoeg vertoefd te hebben, lieten wij ons naar den Kasuga-Miya brengen, een Shinto-tempel.

De Shinto-dienst is een inlandsche godsdienst en bestaat in de vereering der keizerlijke voorvaderen, helden of geleerde mannen, die veel voor het rijk opgeofferd hebben. Er zijn bijna 200.000 altaren en tempels, over geheel Japan verspreid, waarin meer dan 800 goden, halfgoden en heroën worden gehuldigd.

Men kan een Shinto-tempel altijd gemakkelijk van een Boeddha-tempel onderscheiden door de "Torii", een poort van bijzonderen vorm en van hout of steen vervaardigd; terwijl men tot de laatste toegang verkrijgt door de "Sanmon", een poort van twee verdiepingen. Ook zijn de eerste gewoonlijk veel eenvoudiger van constructie en minder mooi versierd.

Onder de rood-verlakte Torii doorgaande, voert een smalle weg, aan weerskanten beplant met eeuwenoude denneboomen, naar den tempel. Honderden tamme, heilige herten loopen hier vrij rond en eten uit onze hand de koekjes, die in kraampjes te koop worden aangeboden. Overal langs de lanen van het park, waarin deze tempel met nog eenige andere gelegen is, staan ijzeren of steenen lantarens van drie voet tot drie meter hoogte, die tezamen het respectabel aantal van 3000 bereiken, welke ééns per jaar van lampjes voorzien en aangestoken worden, het park herscheppende in een feeëntuin. Verder vindt men er gansche straten van winkels, waarin alleen voorwerpen worden verkocht, vervaardigd uit de geweien der heilige herten.

Geheele scharen bezoekers dwaalden door de kronkelende laantjes en bleven soms voor een of ander altaar staan, ten einde een kort gebed te doen of een handjevol rijst te offeren.

Het merkwaardigste was wel een stal met een heilig paard er in, dat men voor een paar centen een zekere hoeveelheid boonen te eten kon geven, benevens eenige gepoederde dansmeisjes, die, ook al weer voor geld, een heiligen dans uitvoerden.

Vervolgens reden wij naar het eigenlijke doel van den tocht: de Daibutsu of groote Boeddha, die zich bevindt in den tempel genaamd Todai-ji, gesticht in de 8ste eeuw. Deze tempel is 50 meter hoog, 90 meter lang en 55 meter breed en bevat weinig meer dan het enorme beeld, het grootste in geheel Japan. Met de beenen gekruist onder het lijf, zit de Boeddha op een lotus-bloem, die eveneens van koper is. In drie jaren tijds is men er, na herhaalde mislukkingen, in geslaagd dit beeld te gieten.

Wederom trof mij die massale rust, die glimlach van absolute onpersoonlijkheid; hier echter is de rechterhand waarschuwend opgeheven. De oogen staren oneindig ver weg, als om aan te duiden, dat de ziel van den Boeddha in het Nirwâna vertoeft.

Overweldigend moet de indruk van het beeld zijn op den eenvoudigen geloovige, die opziet naar zijn Meester. Niet de vrees van den wilden heiden, die slechts aarzelend zijn angstaanjagend afgodsbeeld nadert en door allerlei formules diens toorn en wraak zoekt te bezweren, maar eerbied en bewondering vervullen hem voor den mensch, voor Gautama, den Boeddha, den Indischen prins, die vóór vierentwintig eeuwen vrouw en kind, rijkdom en macht, troon en vaderland verliet om de Waarheid te zoeken, en Haar eindelijk, na lange jaren van lijden en ontbering, twijfel en dwaling, vallen en opstaan, vond in zijn eigen hart....

Niet ver van dezen tempel staat een pagode van vijf verdiepingen (er zijn er wel met tien), waarvan de fraaie lijnen onze bewondering afdwongen. De spits is zeer eigenaardig en doet denken aan een kurketrekker.

Daar hiermede het voornaamste van Nara was gezien, zochten wij een Japansch restaurant op. Hier vroeg men ons, zooals trouwens bijna overal, of wij Amerikanen waren; niet, omdat wij er zoo echt Yankee-achtig uitzagen, maar, naar ik veronderstel, omdat van de touristen de Amerikanen het grootste percentage vormen. Ze kenden echter allen Holland, ook al hadden ze dikwijls nooit van Amsterdam gehoord.

Doch niet alleen uit het Oosten, ook uit het Westen komen jaarlijks vele vreemdelingen Japan bezoeken. Het verwonderde mij daarom, dat wij altijd nog de aandacht trokken. Vaak merkte ik op, dat moeders ons hunnen kinderen aanwezen. Of dat steeds met even vleiende woorden gepaard ging, durf ik betwijfelen. Misschien vertelden zij de kleinen wel, dat dat nu "die blanke barbaren met hunne leelijke, ronde oogen" waren, of dat zoo ongeveer de groote Russen er uitzagen, die van de kleine Japanners zoo leelijk op hun gezicht kregen.

Stonden wij b.v. in een winkel, die veelal over dag aan de straatzijde geheel open is, dan verzamelde zich al spoedig een groepje menschen er voor en keek nieuwsgierig naar ons, maar week beleefd op zijde, als wij weer op straat kwamen. Was de winkelier soms aan het einde van zijn Engelsch gekomen, dan trad gewoonlijk iemand uit het publiek, die zich daartoe bekwaam achtte, naar voren en deed dienst als tolk. Hij glom dan van genoegen, zeker evenveel door het toonen van zijn kennis als het believen van den vreemdeling.

Over het algemeen spreken in Japan de lieden, die met Europeanen in aanraking komen, vrij goed Engelsch en dat is maar goed ook. Want hunne taal leert men niet spoedig, vooral omdat zij vreemde karakters gebruiken. In de havenplaatsen worden op uithangborden, naamplaatjes enz. wel altijd de gewone letters er onder gezet--waarbij soms vermakelijke fouten worden gemaakt--doch in het binnenland ziet men zulks zelden. En met gebarentaal ondervond ik altijd moeilijkheden. Niemand heeft die taal geleerd, hoewel elk haar kent, maar ieder kent blijkbaar een verschillende. Wanneer ik iets duidelijk meende uitgelegd te hebben, zoodat mijns inziens geen vergissing mogelijk was, bleek de andere iets geheel anders te hebben begrepen. En beiden vonden wij het erg dom en onbegrijpelijk van elkaar.

Om half vijf waren wij weer in Kyoto terug en gingen eten in het reeds genoemde restaurant, waar men een zeer goede, europeesche tafel krijgt voor niet veel geld.

Daarna bezochten wij een "Shibai" (theater). Kyoto is de bakermat der Japansche tooneelkunst. Een zijner inwoners verzamelde eeuwen geleden jongens en meisjes, die dansen konden, en deed hen opkomen op een stellage te midden van een grasveld. Vandaar de naam Shibai, d.i. "zittende op het gras".

In de zoogenaamde Theater-straat, die men hier in alle groote steden aantreft, is het dag en nacht een vroolijk gewoel, een kleurengewemel van prachtige zijden vlaggen, die, zeer lang en zeer smal, van hooge staken neerhangen of de geheele breedte der straat overkronkelen, en een geschitter van kleurige, papieren lampions, alsof het altijd feest ware.

Aan de gevels ziet men niet onverdienstelijk geschilderde dramatische scène's of komische tooneelen--de eerste het meest--afgebeeld, en van alle kanten hoort men de tonen der muziek, die voor bioscoop of acrobaten-troep het publiek moeten lokken. Kermisphotografen vindt men er in menigte, waarzeggers eveneens; theehuizen, curiositeitenwinkels en café-chantant's wisselen elkander af. Hier zitten in een winkel een zestal jonge meisjes met vaardige hand en veel smaak prentbriefkaarten te kleuren; daar is een wassenbeeldenspel, waarin men steeds dezelfde woeste krijgers in oud-nationaal kostuum met korte haarvlecht en wreede gelaatstrekken opmerkt, terwijl vóór den voorhang een kleine doch griezelige groep de aandacht moet trekken; ginds weer hoort men van de bovenzaal van een restaurant de banjo klinken.

En de ricksja's voeren geen lantarens, maar lampions; de krantenjongens roepen niet, maar hebben een bel rond hun middel gebonden; ieder loopt met een waaier; de vrouwen en meisjes dragen geen hoed, maar hebben allen bloemen in het donkere haar, dat bij de ongetrouwden op een bijzondere manier is opgemaakt, bij de getrouwden glad naar achteren weggestreken; zij dragen, evenals de mannen, klompjes, bestaande uit een plat stuk hout met twee verticale plankjes er onder--hoe vuiler de straat des te hooger de plankjes--, welke klompjes worden vastgehouden door bandjes, die tusschen de van een teen voorziene kous doorgaan. Bij het loopen hoort men een eigenaardig, klapperend geluid.

Wij traden het voornaamste theater binnen en ontvingen een programma, waarop in het Engelsch de naam van het drama en de prijzen der plaatsen vermeld stonden. De rest was geschreven met die kabalistische teekens, die, bij alle onaangename herinneringen aan evenwijdige streepjes, die nooit evenwijdig, en puthaakjes, waarvan er nooit twee gelijk waren, ons toch onszelven gelukkig doen prijzen, dat we geen Japansche schooljongens geweest zijn.

Als men in Japan een theater binnenkomt, merkt men altijd in het portaal, dat de geheele breedte van het gebouw beslaat, een ontzaglijke hoeveelheid klompjes op, die aan den wand hangen, allen genummerd. Behalve de Europeanen gaat n.l. ieder op zijne sokken binnen.

Het geheele gebouw is electrisch verlicht en het zacht glooiende parterre verdeeld in vierkante hokjes, slechts gescheiden door latten en met matten belegd, waarin vier personen kunnen plaats nemen, hetgeen zij doen hurkende of zittende op hunne knieën op een kussen. Het is dus wel werkelijk "par terre".

Twee gangen--feitelijk breede, onbelegde planken--die iets hooger zijn dan de zitplaatsen, loopen van den achterkant regelrecht naar het tooneel, dat op de gewone wijze is ingericht. Boven, aan den achterkant, zijn de zitplaatsen evenzoo, doch op zijde zijn het een soort van loges met schuifdeuren--alle deuren schuiven in een Japansch huis--en een iets hoogere afscheiding, welke echter nog niet tot de knieën reikt. Dat is de 1ste rang, waarop wij plaats namen, nadat men ons een laag bankje gebracht had. Achter de loges is een gang, van waar men bij de buren in huis of in een zijstraat kijkt.

Het eerste wat opvalt is een ontelbaar aantal waaiers, zoowel door ruwe knuisten als door poezele handjes in beweging gebracht, hetgeen een eigenaardig effect maakt, daar deze, soms schitterend gekleurde, in September hier nog onmisbare instrumenten nu in het licht, dan in de schaduw zijn. Verder is het opmerkelijk hoeveel kleine kinderen met hunne ouders meegaan, en hoe elke familie voorzien is van theeservies, gebak- en vruchtenschaal en aschbakje.

Ook wij bestelden thee--van groene, ongedroogde bladen, waaraan men eerst moet wennen--en bepaalden daarna onze aandacht bij het tooneel.

Het drama was reeds in vollen gang; er werd veel gepraat, handen gewrongen en geweend, alles met begeleiding van muziek, maar naar ons oordeel zat er niet veel actie in. Het midden van het tooneel was een draaibare schijf, zoodat onder het spel de mise-en-scène soms geheel veranderde. Na het vallen van het gordijn snelden vele bezoekers naar voren, gluurden er onder door of begaven zich er zelfs achter. Nu en dan kwamen de acteurs en actrices op, niet van achter de coulissen, maar over de zooeven genoemde gang, dus midden uit het publiek.

Wij snapten er natuurlijk niets van. Er was evenwel eene verrassing voor ons weggelegd. Blijkbaar was het een modern stuk, want op een gegeven oogenblik kwam een Europeaan op, een Japansch meisje medevoerende, aan wie hij in een mengelmoes van Engelsch en gebroken Japansch zijne liefde verklaarde op westersche wijze, hetgeen zeer den lachlust scheen op te wekken. Zij wilde echter niets van hem weten, waarop hij, vertoornd, een revolver nam en haar daarmede eenige malen over het tooneel achterna liep, herhaaldelijk uitroepende: "Stop! I will kill you". Voor hij evenwel aan zijn voornemen gevolg gaf,--gekund had hij het al lang--verscheen er een krantenjongen op het tooneel, beschermde het meisje en ontrukte den woestaard zijn wapen, die toen z'n jas uittrok en z'n tegenstander te lijf wilde, totdat deze hem in de knie schoot. Daarna kwam een andere Engelschman op. Deze wenkte een ricksja, welks bestuurder in zijn zenuwachtigheid heelemaal den gewonde niet hielp, doch ouder gewoonte eerst 'n voertuig afstofte en, nadat de wonde over alles heen met een zakdoek verbonden was, den snooden belager der onschuld langzaam wegvoerde, terwijl het meisje met haren bevrijder verdween.

Verscheidene blikken wendden zich naar boven om te zien, hoe wij die scène opnamen. Natuurlijk schaterden wij het uit.

Intusschen was het al laat geworden. Wij reden naar het station en namen te kwart na twaalf den nachttrein naar Nagoya.

Daar de beide banken van het rijtuig overlangs stonden en er slechts één passagier was, hadden wij ruimte genoeg. Een trein-beambte trok onze schoenen uit en bracht ons een paar sandalen benevens een waaier, en weldra staken wij de wacht op, n.l. de wacht te kooi, na den man order te hebben gegeven, ons een half uur voor aankomst te "porren". En terwijl de trein in den helderen maannacht met ons voortsnelde, voorbij Baba, Kusatsu, Osaki en Gifu, sliepen wij gerust.

's Morgens om 5 uur waren wij te Nagoya, een stad met ongeveer 1/4. millioen inwoners en bekend om hare porcelein-fabrieken en zijde-weverijen. Ons eerste bezoek gold het Kasteel, hetwelk dagteekent uit het begin der 17de eeuw. Het bestaat uit vijf verdiepingen, opgetrokken in den interessanten Japanschen bouwstijl, en is omringd door breede, hoewel droge grachten en enorm dikke steenen wallen.

Boven op de nok staan twee gouden dolfijnen, die nog heden ten dage met dezelfde glorieuse pracht in het zonlicht glinsteren als voorheen. Hunne hoogte is 2,5 Meter; zij zijn gemaakt van oude, Japansche goudstukken en worden gezegd eene waarde te vertegenwoordigen van f 4.000.000. Eén er van is in 1873 op de tentoonstelling te Weenen te zien geweest.

Daar wij geen permissie hadden het Kasteel te betreden,--waarvoor eene aanbeveling van den gezant te Tokyo noodig is--moesten wij ons met den buitenkant vergenoegen en onze fantazie te hulp roepen om eene voorstelling te krijgen van de pracht, die er binnen moet heerschen. Het behoort aan de keizerlijke familie.

Vervolgens bezochten wij de vermaarde oudheidwinkel van Asahina. Nooit heb ik zooveel antiquiteiten bij elkaar gezien. Harnassen, maliënkolders, helmen, zwaarden, dolken, speren, pijlen, bogen, lansen, beschermplaten voor paarden, stijgbeugels van wel 10 kilo gewicht, maskers, heidensche goden, altaren, reliquien, potten en pannen,... dat alles lag dooreengestapeld op de beide verdiepingen van het huis, zoodat men zich nauwelijks kon roeren. Afgodsbeelden om van te droomen, vaasjes om te stelen, porceleinen borden om van te watertanden, beschilderde waaiers van eeuwen her, soms half tot stof vergaan, en ik weet niet wat nog al meer. En ze gooien er met honderdtallen van jaren en tientallen van yen's (1 yen = ± f 1.25), dat men er wee van wordt. Men kan echter afdingen, maar dat is eigenlijk niet eens prettig, want na er b.v. 20% te hebben afgekregen, heeft men per slot van rekening later toch altijd het idée, minstens nog den dubbelen prijs te hebben betaald.

Buiten op het uithangbord staat: 800.000 curios. Of ze dat getal ook met zes verminderd hebben na ons vertrek? Ik denk, dat het altijd wel 800.000 zal blijven.

De ricksja-koelies, die al dien tijd getroost op ons hadden gewacht en zich den tijd gekort met het rooken van een onnoemelijk aantal pijpjes, brachten ons daarna op een plein, alwaar een gedenkteeken staat, opgericht ter eere van de gevallenen in den oorlog met China, 1894/95.

Het oude Japan stichtte tempels en altaren en feestdagen ter nagedachtenis zijner helden; het moderne Japan richt monumenten op, gekroond door een nieuwerwetsch projectiel, dat 's avonds omgeven wordt door een krans van electrische lampjes.

Het was inmiddels middag geworden, de scholen gingen uit en wij hadden gelegenheid, het jeugdige Nippon eens goed op te nemen. De meisjes, zonder hoed, maar allen gewapend met een zwarte parasol, hadden in zóóverre aan de westersche mode geofferd, dat haar kleeding van boven op een kimono en van onderen meer op een damesrok geleek, die dan bijna altijd donkerrood was. Ook droegen enkelen schoenen.

Bij de jongens kon men de verschillende scholen onderkennen. Sommigen liepen in de nationale kimono, met een grooten hoed op, terwijl van een andere school allen een wit pak aan hadden, met een pet. Er waren verscheidene intelligente gezichten bij.

Na in ons hotel geluncht te hebben, namen wij onze siësta totdat de grootste hitte ietwat geweken zou zijn.

Klokke vijf vond ons staande op de electrische tram, die van het station door de lange, breede en drukke hoofdstraat geheel Nagoya doorkruist en een half uur verder ergens buiten de stad eindigt. De conducteur verstond geen Engelsch en begreep er niets van toen wij, aan den terminus gekomen, slechts van balcon verwisselden en weer mee teruggingen. Het was evenwel een gemakkelijke en prettige manier, het leven in die drukke straat vol winkels, bazaar's, restaurants en theaters eens goed op te nemen.

Japan is het land der contrasten!

Welk een zonderlingen indruk maakt het niet, wanneer men in een kapperswinkel, slechts door een gordijn van kralen van het trottoir gescheiden, den barbier in zwembroekje en lang hemd het hoofd van een even ongekleeden bezoeker ziet behandelen, edoch met de allernieuwste tondeuse, terwijl de klant bij het electrisch licht in de courant de allerlaatste telegrammen uit de geheele wereld leest en een electrische waaier hem intusschen een heerlijk koeltje toewuift! Of wanneer men in een nauwe straat een warnet van telegraaf- en telefoon-draden ziet, terwijl de huizen van gloeilampjes zijn voorzien en de straatverlichting uit booglampen bestaat! Of ook, als men in een steeg eenige onaanzienlijke winkels binnentreedt en daar verrast wordt door de nieuwste snufjes op elk gebied! En in de haven! Bijna overal zijn het vrouwen, die de schepen met steenkolen beladen. Moeders dragen onder dat werk haar zuigelingen op den rug, en deze blijven rustig doorslapen onder het doorgeven der mandjes kolen. Wordt er even gerust, dan krijgt de kleine de borst, en ondertusschen stopt mama een pijpje en dampt en spuwt er lustig op los.

Daarentegen wordt men b.v. in het post- en telegraafkantoor te Tokyo geholpen door allerliefste jonge dames, die, gekleed naar de voorlaatste Parijsche mode, den vreemdeling vriendelijk en in onberispelijk Engelsch te woord staan.

Een koelie, in meergemeld zwembroekje en met of zonder hemd, trekt een kar voort. Hij rust even uit, vuil en bezweet. Maar in plaats van een roode katoenen zakdoek, neemt hij van zijn kar een keurigen waaier en gebruikt dezen niet geheel zonder gratie.

En zoo zou ik nog veel meer kunnen opnoemen.

Toen het donker werd, gingen wij naar het hôtel terug en gebruikten na het diner de thee op het balcon, waar Sjiso en Nóbo, de dochters van den hôtelhouder, ons gezelschap hielden.

Wij spraken over allerlei dingen, en natuurlijk ook over den oorlog. Tegen de Kussen waren zij bitter gestemd, hetgeen wij des te beter konden begrijpen, toen zij ons vertelden dat een broer van haar in den slag aan de Yaloe gesneuveld was.

Het lawaai der stad klonk als het ruischen eener rusteloos deinende zee in de verte; aan den helderen sterrenhemel straalde de maan, en beneden in den tuin klaagde een banjo....

Dit alles was zeer poëtisch, maar aan alles komt een einde, en vier minuten na middernacht zaten wij weder in den sneltrein naar Tokyo. Sayonara (vaarwel), Nagoya! Sayonara, Sjiso! Sayonara, Nobo!

Wij troffen het minder goed dan den vorigen nacht. De banken waren bijna geheel ingenomen door slapende reizigers, allen in meer of minder bekoorlijk négligé, en wij moesten ons met een zitplaats vergenoegen. Van slapen was dus voor mij geen sprake. Ik deed maar net alsof ik de "hondewacht" had en trachtte rookende en lezende den tijd te dooden.

Spookachtig gleed het landschap ons in het blauwe maanlicht voorbij; soms ging het vlak langs de kust en zagen wij den Grooten Oceaan glinsteren. Mijn reisgenoot was weldra ingeslapen; wat mij betreft, een zachte plank om op te liggen is mij voldoende, doch zittende kan ik niet slapen. Er was wel een slaapwaggon, maar dat was ons te duur.

Mijn buurman, een roode Ier, bood mij zeer vriendelijk eenige malen zijn whisky-flesch aan, met het gezegde: "a small drip in the morning is better than a lot in the day". Ik bedankte echter en verdacht hem, van ook "a lot in the day" niet afkeerig te zijn. Gelukkig brak om 5 uur de dag aan; het werd levendig in den waggon, van die ongegeneerde levendigheid, welke ontwakenden personen eigen is. Van toilet-maken was evenwel pas sprake toen wij Tokyo naderden.

Japan is dicht bevolkt en volgt daarin op België en Nederland. Wij snelden langs steden en dorpen, over rivieren en door tunnels, voorbij heuvels en valleien, met voortdurend de Fuji-Yama in de blauwe verte, de heilige berg van Japan, 12.400 voet hoog, welke men overal afgebeeld ziet: op waaiers en photo's, op porcelein en lakwerk, en die, als een oude, trouwe waker, met zijn besneeuwde kruin de wacht schijnt te houden over gansch Nippon, en zoowel de Japansche Zee als den Stillen Oceaan domineert.

Half tien arriveerden wij te Tokyo. De stad heeft ruim 1.400.000 inwoners en beslaat de enorme uitgestrektheid van honderd vierkante mijlen, wat niet te verwonderen is, als men bedenkt dat de huizen over 't algemeen laag zijn en zelden meer dan ééne verdieping hebben. De ministeries en andere gouvernementsgebouwen, de vreemde legaties en paleizen maken hierop natuurlijk eene uitzondering. Deze zijn alle gebouwd in westerschen stijl.

Het paleis van den Mikado daarentegen is echt Japansch. Het staat in het centrum der stad, omringd door wallen en grachten. Oorspronkelijk was het een fort, de sterkte der Tokagawa-regenten, gebouwd in de 13de eeuw, toen Yeddo nog slechts een klein dorpje was. In 1868 werd deze naam veranderd in Tokyo, hetgeen beteekent: "Oostelijke hoofdstad", om het te onderscheiden van Saikyo of "Westelijke hoofdstad", den naam, ter zelfder tijd aan Kyoto gegeven. Verscheidene malen door brand vernield, dateert het tegenwoordige gebouw slechts van 1889.

Wij besloten, voor de curiositeit eens in een Japansch logement te overnachten. Ook voor de deur van zoo'n logement staat het vol klompjes. Binnenshuis draagt de Japanner sandalen van gevlochten stroo, zonder de vroeger vermelde verhoogingen er onder. Het loopen op die klompjes--waarbij wij gevaar zouden loopen onze enkels te verstuiken--is nu juist niet elegant, daar de voeten binnenwaarts gekeerd zijn. Ook geeft het een eenigzins hulpeloos idée, vooral bij vrouwen, ofschoon ze er toch vrij vlug op voort kunnen en het nog een zeer groot verschil maakt met de hulpeloosheid hunner Chineesche zusteren, die zonder steun bijna niet kunnen loopen op haar walgelijk verminkte voetstompjes. Alles wijst er echter op, in den tegenwoordigen tijd, dat China ontwaakt, en zoo is er ook pas eene vereeniging opgericht tegen die gruwelijke misvorming. Les idées marchent!

In het eerste logement, waar wij afstapten, sprak men bijna geen Engelsch, in het tweede kon men ons geen europeesche tafel verstrekken. Bovendien zag de kamer, waarin ik een kijkje nam, na mijne schoenen te hebben uitgetrokken, er wel netjes, maar zeer ongezellig uit, doordat zoowel stoelen als tafel ontbraken. Bedden waren er ook niet; men slaapt op den grond op matten en kussens, en eet op zijn kamer met houten of beenen stokjes, terwijl men daarbij zijne houding voor 't kiezen heeft. Het leek ons minder aangenaam toe, en ten slotte kwamen wij toch weer in het Hôtel Métropole terecht, alwaar wij onze vermoeide ledematen op een behoorlijk bed uitstrekten en vervolgens lunchten in een vroolijke zaal, uitzicht gevende op de haven, onder tal van slingerende "poenka's", door bedienden buiten de zaal in beweging gebracht.

Een kleine lofrede op de hôtels in Japan is hier wellicht op hare plaats. En eene lofrede moet het zijn, want, hetzij onder Europeesch, hetzij onder Japansch beheer, de bediening is er uitstekend, de keuken uitmuntend, het menu uitvoerig en het bed uitlokkend. Ze zijn van de nieuwste gemakken voorzien, het personeel is zeer attent, men behoeft nooit iets tweemaal te vragen en slechts te zinspelen op het een of ander om het te krijgen, als het ten minste mogelijk is.

Na den middag spoorden wij naar Yokohama, waar het schip lag, gingen even aan boord, ontdeden ons van de overtollige bagage en spoorden daarna weer terug naar Tokyo.

In beide steden zag men overal voor openbare gebouwen, legaties, consulaten, hôtels, enz. politie geposteerd, versterkt door soldaten. Het was juist in de historische dagen na het bekend worden der vredesvoorwaarden, die de beruchte troebelen ten gevolge hadden. Opmerkelijk, dat het volk tot gewelddadigheden overging alleen in die plaatsen, waar vele vreemdelingen wonen, n.l. Tokyo, Yokohama, Osaka en Kobé. Toch merkten wij nergens iets van eene anti-vreemdelingen-stemming, niemand veroorzaakte ons ooit eenigen last, integendeel, men kwam ons vaak tegemoet met den Japanschen groet: "Ohayo" (eigenlijk: goeden morgen), en was steeds beleefd en hulpvaardig.

Ook voor ons hôtel in Tokyo was een tent opgeslagen en liep een gewapende schildwacht heen en weer. Toen wij 's avonds langs de haven wandelden, door haar geringe diepte slechts bereikbaar voor kleine schepen, en door de opening der tent de soldaten zagen rooken en praten bij het flauwe licht van een olielamp, werden onze gedachten als vanzelf gevoerd naar de doodenvelden van Manchourije.

Voor de poort, die toegang gaf tot den tuin, had de schildwacht het geheele bediendenpersoneel om zich heen verzameld, dat aandachtig naar hem luisterde. Waarschijnlijk vertelde hij hen van de slagvelden aan gindsche zijde der Japansche Zee, van den moed der Russen, de nog grootere doodsverachting hunner tegenstanders, en van de overwinningen, die altijd waren aan de zijde van het grootste intellect, den onverzettelijksten wil en de vurigste vaderlandsliefde.

Wij begaven ons vroeg ter ruste, want een lange dag wachtte ons.

Den volgenden morgen zaten wij om 4 uur reeds in de ricksja, daar de trein een uur later van het Uyeno-station vertrok, gelegen aan het andere einde van Tokyo. Het begon pas te schemeren en de stad lag nog in diepe rust. Hier en daar een enkele voetganger, een patrouilleerende agent of soldaat, of een ricksja-koelie, die in zijn voertuig zat te slapen, door een deken beschermd tegen de ochtendkoelte, was het eenige, dat de egale grauwheid van den September-morgen verstoorde. De lage, houten huizen met hunne oploopende dakvorsten staken grijs af tegen de heldere sterrenlucht, die wederom een prachtigen dag beloofde; achter hunne gesloten luiken, van waar geen enkel lichtje uitstraalde, leken zij wel gepantserde blokhuizen.

En zoo draafden onze koelies door een warnet van straten drie kwartier lang voort, rechts-om, links-om, rechts-om, links-om ... zonder ooit een oogenblik te aarzelen.

Aan het station vroeg ik aan de jonge dame achter het loket--aan de groote stations vindt men hier veel dames-employées--in het Japansch twee kaartjes naar Nikko [1], maar dat bekwam mij slecht. Zij vroeg mij op haar beurt iets in dezelfde taal en toen bleek mijne onkunde en moest ik wel terugkrabbelen en Engelsch spreken.

Wij reisden tweede klasse, een zuinigheidsmaatregel, want het geld is in Japan minstens even rond als ergens anders en de winkels zijn er verleidelijker. De tweede klasse is echter zeer netjes; even goed als in Europa.

Vrouwen en meisjes schijnen in Japan tamelijk veel vrijheid te genieten, maar van de galanterie der mannen heb ik geen zeer hoogen dunk. Ten minste, wij zaten naast een echtpaar, waarvan zij last had van de zon. Hij dacht er blijkbaar niet aan, met haar van plaats te verwisselen, en nadat onze pogingen, de jalouzie op te trekken, gefaald hadden, stonden wij haar onze plaats af en kwamen zoodoende tusschen hen in te zitten. De echtgenoot vond zulks waarschijnlijk geheel overbodig, want toen zij een half uur later uitstapten, deed hij zulks zonder boe of ba te zeggen of ons met een blik te verwaardigen, terwijl zij dankend boog. Dit kleine lesje in westersche beleefdheid jegens het schoone geslacht viel schijnbaar niet in goede aarde.

Krijgt een burgerman eenigszins aanzienlijk bezoek, dan zitten vrouw en dochters niet mede aan, doch bedienen en bewaaieren den gastheer en zijne gasten. Na afloop van den maaltijd mogen zij gaan eten. En toch is er te Tokyo eene universiteit voor vrouwen!

Tegenover ons zat eene dame in een keurige kimono. Het zitten op de gewone manier verveelde haar zeker na eenigen tijd, zoodat zij hare sandalen uittrok en met de knieën onder het lichaam plaats nam. Dit bewerkstelligde zij op haar nauwe plaats door eerst met het gezicht naar den wand te gaan zitten, in welke houding zij zich in den korst mogelijken tijd op de kleinst mogelijke ruimte wist om te draaien.

Even later nam zij uit haar wijde, afhangende ondermouw, welke voor zak dient, een keurig zijden doekje en ontrolde dit, waarna te voorschijn kwamen een keurig zijden foudraaltje, waarin een tabakspijpje met klein, koperen kopje, een keurig zijden tabakszakje en een doosje lucifers. Zij stopte het pijpje en stak het aan. Na eenige trekjes was het al leeg; deze manoeuvre nu werd een keer of vier herhaald, waarna alles weer werd opgeborgen. Het maakte een wonderlijk effect.

De weg was eenigszins eentonig: het ging voortdurend door vlak en vruchtbaar bouwland. Doch in de verte vertoonden zich als een belofte de bergen, die wij naderden. Ten 8 uur moesten wij overstappen te Utsunomiya en hadden daar ruim een half uur tijd. Daarna duurde de rit nog zeven kwartier.

Wij hadden eene afdeeling van twee coupé's geheel voor ons alleen. Weldra begon de weg sterk te stijgen, de natuur veranderde en het duurde niet lang of wij hadden geen oogen genoeg. Wij liepen van 't eene raampje naar het andere, keken nu voor-, dan achteruit en werden niet moede, elkaar op de prachtige vergezichten opmerkzaam te maken.

Nu eens boeiden ons de trotsche bergen, bedekt met donkergroene pijnboomwouden, afgewisseld door het lichtere groen der eiken; dan weer rustte het oog met niet te beschrijven verrukking op glanzende valleien met blinkende meren; soms werd onze aandacht gevangen door een enkel boschje glinsterende berken, als een fijn grijs-groen getinte schilderij, gevat in bruin-fluweelen omlijsting van beuken, of een idyllisch dorpje, half verscholen achter teer sparregroen; even later omvatte onze blik een golvende vlakte, bekoorlijk door de oneindige kleurschakeeringen van duizenden veldbloemen.

En waar af en toe de flanken der bergen elkander naderden en slechts luttele ruimte overlieten voor de ijzeren baan, die door het puffende, achtwielige monster slechts langzaam veroverd werd, den blik begrenzende, de zon verbergende, daar was het uitzicht des te verrassender, als zich wederom de gansche omtrek aan ons oog vertoonde, badende in het gouden zonnelicht, dat de dalen vulde en de bergen streelde, dat de wouden kuste en op de watervlakten danste, dat minnen moest dit zijn land, dit land der zonne, der rijzende zonne.... Het was onvergelijkelijk schoon.

De temperatuur was zeer aangenaam en een heerlijke dennengeur vervulde de lucht. Een prachtige weg, aan weerszijden beplant met eene dubbele rij eeuwenoude dennen, voerde van Utsunomiya naar Nikko en liep het laatste gedeelte vlak langs den spoorweg.

Half elf arriveerden wij op onze bestemmingsplaats, waarvan een Japansch spreekwoord zegt: "Nikko minai uchi wa, kikko to iuna", hetgeen beteekent: "Totdat gij Nikko gezien hebt, zeg niet kikko", d.i. magnifiek.

Nikko ligt op eene hoogte van 2000 voet te midden der bergen en wouden, heeft een koel klimaat en is dan ook een druk bezocht zomerverblijf. In den omtrek wemelt het van watervallen, warme bronnen en kopermijnen.

Wij lieten ons naar het prachtig gelegen Kanaya-hôtel brengen, waar nog juist twee kamers disponibel waren. Overigens was het geheel bezet, zeker wel eenigszins het gevolg van de groote, jaarlijksche processie, die den volgenden dag zou gehouden worden.

Wij lunchten in de eetzaal en ik wenschte wel, dat ik daarvan een goed idée kon geven. Het was een ruime, lichte zaal, voorzien van een vroolijk beschilderd plafond en met tal van typische, japansche schilderijen aan den muur. Aan de overal verspreide tafeltjes, bedekt met flonkerend kristal en veelkleurige bloemen, zat een opgewekt, internationaal gezelschap, en daartusschen bewogen zich een twaalftal lieve japansche meisjes met haar eigenaardige dribbelpasjes, gekleed in lichte kimono en kleurige, zijden obi, een breede ceintuur, die eenige malen om de middel gewonden wordt en van achteren zóódanig opgenomen, dat het net lijkt, alsof zij een kussentje op den rug hebben; met een frisschen, door de gezonde berglucht veroorzaakten blos op de wangen, en bloemen in de glanzend zwarte lokken; welke meisjes met sympathieken blik, zachte stem en gracieus gebaar de gasten bedienden.

Rondom de geheele zaal liep een glazen veranda, die een prachtig uitzicht vergunde op de bergen, terwijl beneden in de diepte een wilde bergstroom zijn eeuwigdurend lied zong....

Daar wij den volgenden morgen weer terug moesten, wilden wij dienzelfden dag nog de Kegon-waterval bezoeken, den hoogsten van Nippon. Het is een vrij verre tocht, dien men doet te paard, per ricksja of in een draagstoel. Wij kozen het eerste en stegen om half twee in het zadel. Een groom werd ons meegegeven om den weg te wijzen.

Een hulpbrug bracht ons aan de andere zijde der rivier. De rood-verlakte heilige brug, welke anders daarvoor dienst doet, was kort geleden door de golven meegesleurd, hetgeen bewijst dat voor de elementen niets heilig is. De tocht ging eerst langs de rivierbedding en soms een eind er door. Het landschap was buitengewoon mooi. De weelderige, afwisselende plantengroei op de hellingen der ons aan alle zijden omringende bergreuzen, helaas nog geen sterk geprononceerde herfsttinten vertoonende; de steile rotsen, soms in woeste wanorde langs het pad oprijzende; de overhangende boomen, hun grillige kronkelvormen afteekenende tegen de blauwe lucht; de diepe kloven, waarlangs de paarden met rustige zekerheid voortdraafden; de schitterende bloemen, tegen de met mos en varens begroeide granietwanden opklimmende tot onbereikbare hoogten; het vogelenheir, zingende in het geboomte ... dat alles maakte op ons een onvergetelijken indruk.

Op sommige mooie punten, een magnifieke kiek biedende op een waterval of rotspartij, stonden theehuizen. Wij hadden echter haast en hielden ons nergens op. De weg werd steil en zigzagwijze ging het naar boven. Onze groom was, naar wij meenden, achtergebleven, maar op een zeker punt zagen wij hem in een theehuis zitten rooken en drinken, terwijl hij op ons wachtte. Hij had n.l. het veel kortere, voor paarden onbegaanbare voetpad gevolgd.

Om 4 uur waren wij bij den beroemden waterval, die van eene hoogte van 250 voet naar beneden stort. Wij daalden langs een smal paadje naar beneden en bevonden er ons vlak tegenover, aan den anderen kant van het ravijn, waaruit een fijne mist opsteeg, die den bodem geheel verborg. Het was een grootsch gezicht. Uit het donkere oerbosch te voorschijn snellende viel de breede waterkolom met donderend geraas naar beneden; door een sluier van duizende in het zonlicht glinsterende waterdroppels zagen wij den mozaïekwand der rots, op vreemde manier met scherpe, naar beneden wijzende punten uitgesleten en begroeid met bloemen, varens en rood, bruin en groen mos.

Slechts noode verwijderden wij ons van dit schouwspel. Een ritje van 5 minuten bracht ons bij het bergmeer van Chuzenji, 4400 voet boven den zeespiegel gelegen, 12 K.M. lang en 4 K.M. breed. Het voedt den grooten waterval.

Op de brug, die naar het Lake-Side-hôtel voert en waaronder het water slechts langzaam voortstroomt, om echter spoedig te versnellen, bleven wij vol bewondering staan. De zon had zich achter een donkere wolk verborgen, welks gekartelde randen zij gouden kleurde, en hare stralen vielen heel in de verte op het kalme meer, op den achtergrond van bergen en op den 8800 voet hoogen vulkaan Shirane-San.

Het contrast met het even te voren geziene was groot. Hier de liefelijke kalmte der uitgestrekte watervlakte, daar de woeste grootschheid der ontbonden natuurkrachten; hier de zachtkens kabbelende golfjes aan den oever, daar de vrijgelaten bruisende watermassa's.

Kinderen speelden aan den kant, zwaluwen scheerden langs de oppervlakte, witte zeilen gleden over den vloed en jonge menschen waren aan 't spelevaren in slanke roeibootjes.

Het was een ideaal plekje, een Eden op aarde!

Wij rustten wat uit in het hôtel, welks uitgestrekte tuin een pracht van lelies en een kleurenweelde van chrysanthen vertoonde, en stegen toen weder te paard.

De lucht betrok en weldra reden wij in een vochtigen nevel, waarin het gebergte dreigende, spookachtige gedaanten aannam. Onder het zware geboomte werd het spoedig duister, zoodat wij stapvoets moesten gaan. De paarden schenen bij voorkeur vlak langs den kant van het ravijn te loopen, waar één misstap den dood beteekende. Doch waar is de jeugd, voor wie het gevaar geen aantrekkingskracht bezit?

Bovendien zijn zij zeer vertrouwd en zóózeer op hun eigen veiligheid bedacht, dat wij ze gewoon hun gang lieten gaan.

Spoedig werd de weg minder steil en konden wij draven. Mijn paard had blijkbaar zwakke voorpooten, het was al een paar malen gestruikeld en juist toen wij in de schemering met flinke snelheid eene helling afgingen, viel het op zijne knieën en wierp mij af. Wat doet ook een zeeman boven op een biek!

Gelukkig had ik mij heelemaal niet bezeerd; erger was evenwel, dat wij ons allebei al zoo ongeveer doorgereden hadden. Of het kwam door het Japansche zadel, of door den hoogen gang der dieren, ik weet het niet, maar het was met opeengeklemde tanden,--hoewel in sierlijken draf, daar wij niet konden vergeten, dat wij in dit cosmopolitisch gezelschap "Nederland" vertegenwoordigden--dat wij om 7 uur voor ons hôtel aankwamen, waarna de marteling van het laatste uur een einde nam.

Aan tafel veroorzaakte het eenige hilariteit, toen ik de lieftallige Hebe, die ons bediende, met gebaren duidelijk maakte, dat ik gaarne een kussen op mijn stoel wenschte te hebben. Mijn reisgenoot versmaadde dit verzachtingsmiddel, doch trok dan ook onder het eten van de soep gezichten, die veel te denken gaven, echter niet omtrent de soep.

Nog lang bleven wij rooken en praten in de heerlijk koele avondlucht, totdat vermoeidheid ons naar bed dreef.

En zoo brak dan de laatste dag van mijn verlof aan, een donkere, trieste morgen. Het motregende af en toe. Wij lieten ons daardoor evenwel niet afschrikken en zaten om half zeven al weer in de ricksja, teneinde nog zooveel mogelijk te kunnen zien. Daar we naar boven moesten, hadden we aan één koelie niet genoeg en kwam er nog een tweede bij, die genoemd wordt "ato-oshi", d.i.: duwer. Hortend en stootend hobbelden de ricksja's over den weg, wat in onze omstandigheden nu juist niet bijster aangenaam was.

Millioenen regendruppels schitterden in ontelbare spinnewebben tusschen het lage hout; tegen de bergen lag een blauw waas, waarin de dennen kleurloos stonden, als op het punt van te vervluchtigen. Na een half uur stapten we af bij een theehuis en daarna bracht eene wandeling van tien minuten, nu eens stijgende, dan weer dalende, over een smal pad langs den rand eener kloof ons bij een rustiek bruggetje op den bodem van een ravijn, vlak onder den Urami-waterval, die 50 voet hoog is. Het was een woest brokje natuur.

Wild dooreengeworpen rotsblokken rondom, waaruit overal groote en kleine waterkolommen te voorschijn kwamen, die zich beneden vereenigden en zich daar, bruisend en spattend, een weg baanden over den steenigen bodem; hoog boven ons een stukje grauwe hemel, waarin langzaam overdrijvende nevels van hunnen last afgaven aan de takken der boomen, welke dien weder druppelend op ons deden nederstorten; en nergens eenig teeken van leven te bespeuren. Langs denzelfden weg wandelden wij terug, dronken een kopje thee, kochten als souvenir eenige photo's en stukken kopererts van de mijnen daar in de buurt, en waren ten 8 uur bij den Yasu-tempel, den mooisten Shinto-tempel van Japan.

Eene beschrijving van dit complex van gebouwen zou boekdeelen vullen, en eveneens de verklaring der beteekenis van al hetgeen men hier ziet. Er is misschien geen enkele Europeaan, die dit laatste zou kunnen.

Wij hadden slechts tijd voor een vluchtig bezoek. Allereerst viel onze aandacht op een stal met een heilig paard, dat opgetuigd was als voor een steekspel en eenige uren later aan den optocht zou deelnemen. In de andere helft van dit gebouwtje zaten twee dansmeisjes in lange roode en witte gewaden, die voor een paar koperen muntstukken een heiligen dans uitvoerden. Met zedig neergeslagen oogen en langzamen cadans bewogen zij zich voor- en achterwaarts en vormden vreemde figuren, in de eene hand een waaier houdende en in de andere een handvat met koperen belletjes. Dan hurkten zij weer neder, bogen ten dank eenige malen diep met het hoofd op den grond, en zaten verder zwijgend en bewegingloos te wachten.

In het mausoleum van Iyeyasu, een beroemden "Shogun", bewonderden wij het prachtige snijwerk van deuren en plafonds, voorstellingen van beesten, vogels--waarbij de ibis een groote rol speelt--bloemen, vruchten, enz.

Onze schoenen moesten wij buiten de deur uittrekken; binnen heerschte een doodsche stilte en een mystiek halfduister, waarin het goud en koper van altaren en beelden een vreemden glans verkreeg.

Nog meer uitgesneden en beschilderde paneelen, elk weer een andere teekening vertoonende; nog meer begraafplaatsen van vermaarde "Daimyo's"; nog meer beelden van vroegere oorlogshelden, half naakt en nu eens groen, dan blauw van kleur, met woeste, grijnzende trekken en gespannen boog of getrokken zwaard. In één gebouw hing zelfs een schilderij van een modern slagschip en zat een symbolieke adelaar op den mond van een snelvuurkanon. Is het wonder, dat de Japanner slechts overwinnen of sterven kent, ondanks de leer van Boeddha, die verbiedt te dooden?

En langs de grijze, verweerde steenen trappen, waarop mos van eeuwen her, opklimmende naar weer andere poorten, naar weer fraaie torens, heeft men het oerwoud rondom.

Er waren vele bezoekers en de pleinen en gangen begonnen zich al te vullen met de deelnemers aan de jaarlijksche processie, gehouden ter nagedachtenis van Iyeyasu. Kleurige altaren en banieren, wonderlijke kleedingstukken en hoofddeksels, antieke wapens en wapenrustingen,... het beloofde een interessant schouwspel te zullen geven. Wij konden er helaas niet van genieten, daar de tijd van vertrek naderde. Alras waren wij op weg naar het station, na onze bagage te hebben gehaald van het Kanaya-hôtel, dat ik niet licht zal vergeten.

En dat niet wegens zijn onovertrefbare tomatensoep, niet om zijn overheerlijke zalm uit het bergmeer, noch om zijn delicieus pijnappelijs, zelfs niet wegens de donkere amandel-oogen zijner bekoorlijke, dienende geesten, die der volmaaktheid nabij komen en den onuitgesproken wensch gehoorzamen, maar enkel om het onvergelijkelijk natuurschoon in zijne nabijheid, om den zorgen-bannenden invloed zijner paradijsachtige omgeving.

En gij, globe-trotter, die geluisterd hebt naar het zoet-vloeiende "Dormi o bella" van den gondelier in den Venetiaanschen toovernacht en bij maanlicht den Nijl zijt afgevaren, terwijl uw bootje schuurde langs het papyrus-riet en een bruine gestalte op de voorplecht op zangerigen toon zijnen makkers verhalen deed uit de "Duizend-en-een-nacht"; die evengoed bekend zijt in den Harz als in de Ardennen; die het weemoedvolle lied van de Lorelei gezongen hebt aan den Rijn en de tintelende Marseillaise aan de boorden van de Seine; die gezworven hebt zoowel in de Schotsche hooglanden als in het Zwarte Woud; die de Alpen hebt beklommen en op een drijvend hôtel naar de Nieuwe Wereld zijt overgestoken; die het land der middernachtzon hebt leeren liefhebben en ook uw eigen vaderland hebt leeren waardeeren; die den zonsondergang hebt aanschouwd onder de linie ergens op den Oceaan en den zonsopgang aan het Vierwaldstädtermeer; die Napels hebt gezien zonder te sterven en Monte-Carlo zonder te spelen ... voor u herhaal ik:

"Nikko minai uchi wa, kikko to iuna!"

Ten 11 uur van Nikko vertrekkende, waren wij 4.15 te Tokyo en gingen precies 6 uur door met den nachttrein naar Kobe. We konden dus niets meer zien van Tokyo, zijne straten en paleizen, zijne schouwburgen en bazaars, zijne tempels en museums, zijne parken en vijvers. Dat was wel jammer, doch kon niet verholpen worden. De plicht gebood ons terug te keeren.

Wij hadden trouwens al veel meer ongezien moeten laten, zelfs in de plaatsen die wij bezochten.

In den trein was eene restauratie-wagen, waar men zeer smakelijk kon eten. Overal electrisch licht en dito waaiers.

Wat de spoorwegen aangaat is alles hier uitstekend in orde. Op alle stations vindt men duidelijke aanwijzingen in de Japansche en Engelsche taal aangaande den loop der treinen. Bordjes vermelden het eerstvolgende station aan beide kanten, en den afstand tot begin- en eindpunt der lijn. Nergens behoeft men de rails over te steken, want zelfs op de kleinste stations leidt een ruime brug, geheel overdekt, naar het 2de perron. Blijkbaar zijn de zaken hier van het begin af goed aangepakt en was er een ruime beurs voorhanden. Maar de Japanners konden ook dadelijk van de nieuwste uitvindingen gebruik maken en zoo den langen lijdensweg vermijden, dien men vaak in andere landen bewandelt, waar men, met primitief materiaal begonnen, slechts langzaam en geleidelijk verbeteringen invoert en nieuw materiaal aanschaft.

Rook- en dames-coupé's mist men hier, maar die zijn eigenlijk ook overbodig; immers de dames rooken ook.

Wat de reden is, dat wij gedurende onzen zesdaagschen tocht geen enkele japansche dame in de 1ste klasse zagen, weet ik niet.

De trein was vrij vol. Maar mij in een flauwe bocht opschietende, kon ik toch heel goed slapen, wat ik dan ook bijna den geheelen nacht deed. Tegenover mij zat een cavalerie-officier, die op een gegeven oogenblik zijn gespoorde laarzen uittrok, zijn sabel afgespte en toen als een kleermaker op de bank ging zitten. En wij vonden het niet eens vreemd meer!

We hadden dezelfde route als op de heenreis, passeerden midden in den nacht Nagoya zonder wakker te worden en kregen, toen het licht werd, af en toe een mooi gezicht op het Bima-meer, nabij Kyoto, dat wij gaarne hadden bezocht.

Gedurende het korte oponthoud te Kyoto maakten de japansche reizigers hun toilet op het perron, waartoe een tiental kranen met bassins gelegenheid gaven. Broederlijk stonden de passagiers der drie klassen naast elkaar, wieschen gelaat en handen en poetsten hunne tanden. Wij echter verkozen de toiletkamer in den trein boven deze openbaarheid.

Weldra ging het weer verder, en het was niet zonder weemoed, dat ik het einde der reis zag naderen, ofschoon toch vol dankbaarheid voor al het genotene.

Eene waarschuwing van mijn reisgenoot maakte een einde aan mijne overpeinzingen; want daar roldonderde reeds de trein het station te Kobe binnen, precies op tijd, 15 uren en 20 minuten na zijn vertrek uit Tokyo, en een half uur later roeide een sampang ons aan boord, alwaar de dienst mij onmiddellijk in beslag nam.

Terwijl ik dit schrijf, ben ik reeds weder duizenden mijlen van Japan verwijderd. Doch nogmaals doorleef ik in den geest die onvergetelijke dagen in het Land der Rijzende Zon, en zie opnieuw dat merkwaardig volk, waarvan Percival Lowell zegt:

"De Japanner is verliefd op de Natuur, en het schijnt bijna alsof Natuur zijn stil gebed hoorde en hem goedgunstig tegenlachte; alsof het liefdelicht aan haar gelaat de verhoogde schoonheid verleende, die het geeft aan dat der vrouw.

"Want nergens ter wereld waarschijnlijk is zij beminnelijker dan in Japan: een klimaat van lange, gelukkige gemiddelden en korte uitersten; maanden van lente en maanden van herfst met slechts weinig weken van winter er tusschen; een land van bloemen, waar de lotus en de kers, de pruim en de wisteria welig groeien zij aan zij; een land, waar het bamboe-gras den ahornboom omstrengelt, waar de pijnboom eindelijk zijn palm gevonden heeft, en de tropische en gematigde zone hun scheidende eenzelvigheid vergeten in een langen, zelfverloochenenden kus".

AANTEEKENING

[1] Spreek uit: Niko.

Reis naar de Nieuwe Hebriden en de Salomons-eilanden.

Naar het Fransch van

Dr. A. Hagen.

Officier van Gezondheid.

De ontwikkeling van de kolonisatie op het fransche eiland Nieuw-Caledonië heeft er sinds lang den invoer noodzakelijk gemaakt van vreemde arbeiders. De exploitatie der nikkelmijnen, de verbouw van koffie, tabak en maïs dwingen den europeeschen kolonist, gebruik te maken van werkkrachten uit Oceanië.

De reeders uit Nouméa, de hoofdstad van Nieuw-Caledonië rustten dus vaak schepen uit, die naar de Nieuwe Hebriden en de Salomonseilanden gingen, om inboorlingen mee terug te brengen, voor zwaren arbeid geschikt. Ongelukkig hadden er daarbij misbruiken plaats; er werd met geweld opgetreden tegen weerspannige Kanaken, die niet gezind waren, hun geboorteland te verlaten en het dolce far niente op te geven, waaraan ze bij zich te huis waren gewend.

Het werd noodig, orde te stellen op die handelingen van zoogenaamde recruteering. Ik vervulde toen mijn kolonialen diensttijd op Nieuw-Caledonië. De heer Pardon, gouverneur der kolonie, wilde mij wel het toezicht op de genoemde emigratie toevertrouwen en benoemde mij tot regeeringscommissaris aan boord van de Lady Saint Aubyn en de Mary Anderson. Zoo heb ik verschillende reizen door den Stillen Oceaan gedaan en won daarbij allerlei inlichtingen in over de verschillende eilanden, die samen vormen de eilandengroepen der Nieuwe Hebriden en der Salomonseilanden.

Den 4en April 1891 ging ik aan boord van de Lady Saint Aubyn, een zeilschip van 150 ton.

Wij vertrokken op een reis van vele maanden naar weinig bekende landen, die zeer belangwekkend waren, en waarvan de bewoners nog boosaardige, woeste menscheneters heetten, die een zekere beruchtheid hadden gekregen door veel aanvallen op Europeanen. Maar dat zijn gevaren, waaraan men pas gaat denken op den dag, als ze zich juist voordoen; op het oogenblik van ons vertrek kenden we geen andere zorg dan de richting van den wind, want ons scheepje was niet voor stoom ingericht en onze grootste vijand was de tegenwind.

Wat dreigementen van de inboorlingen betreft, daartegen waren wij genoegzaam gewapend; de 200 geweren en 3000 patronen, die de Lady Saint Aubyn meevoerde, zouden ons in staat stellen, het antwoord niet schuldig te blijven, als wij werden aangevallen, en ons leven duur te verkoopen.

Zoodra we uit de haven van Nouméa waren, voeren we vlug voorbij het eilandje Porc-Epic, dat wel zijn naam van Stekelvarkeneiland verdient om de vele pijnboomen, waarmee het bezet is en zetten onzen tocht voort langs het Zuiden der westkust van Nieuw-Caledonië. Er was daar niet veel plantengroei, en het aantal bewoners was gering sedert den opstand van 1878; maar deze kust bezit veel minerale rijkdommen, want nikkel en kobalt vindt men er in groote hoeveelheid, en van het dek van ons schip konden wij sporen ontdekken van oude en van nieuwe ontginningen.

Enkele inboorlingen voeren op zee rond, vroegen ons, waarheen wij gingen en wenschten ons goede reis. Zij kwamen van het Pijneiland met hun dubbele prauwen en waren op weg naar den zendingspost Saint-Louis, waar ze de mis zouden hooren. Vroeger was altijd de piloe-piloe met de gruwelijkste tooneelen van kannibalisme de reden van hunne bijeenkomsten en gaf aan hun feesten zulk een woest en afgrijselijk karakter.

De beschaving heeft hun zeden verzacht; maar dat is gegaan ten koste van het ras, dat meer en meer de neiging vertoont, om uit te sterven. "Er zijn geen Kanaken meer," zei Pila, een groote, forsche en intelligente inboorling. "Vóór de blanken hier kwamen, hadden wij aardappelen en knollen in overvloed; nu worden wij van ons land verjaagd, of men doodt ons door middel van sterken drank."

Tegen zes uur 's avonds kwamen we in de Yré-baai.

De richting van den wind liet niet toe, het kanaal over te steken en in open zee te komen. Wij wierpen het anker in die baai uit, dichtbij het eiland Wen. Het eiland ziet er zeer bijzonder uit, en in de verte lijkt het, alsof het overal met den ploeg is bewerkt van boven tot beneden, ja tot op den top der hoogste heuvels. Doch weldra ziet men, dat niemand lust heeft gehad, daar te zaaien of te oogsten. De prospectors, de goudzoekers, hebben er den grond zoo omgewoeld bij hun zoeken naar nikkel in den bodem. Hoeveel slachtoffers heeft die mijnkoorts al niet op hare rekening, en hoeveel maakt zij er nog steeds, ook nu op Nieuw-Caledonië!

Het schijnt trouwens wel, of het eiland niets anders bevat dan steenen van chroom en kobalt; en men vraagt zich af, hoe de weinige inboorlingen leven, die er heen zijn gedeporteerd ten gevolge van den opstand van 1878. Gelukkig is de zee dichtbij, en de Kanaak is een goed visscher, zoodat de uitstekende visch hem voldoende schadeloos stelt voor 't gemis van knollen en aardappels.

Op de ankerplaats aan de Yré-baai, toen niemand meer dacht aan de ellende van de zeereis, hadden wij ruimschoots gelegenheid, met elkander kennis te maken. Dus kan ik aan de lezers voorstellen, ten eerste B., onzen kapitein, een ouden zeerot, die al twintig jaren ongeveer in deze wateren vaart, een ervaren zeeman, maar een al te trouw dienaar van Bacchus; ten tweede Mac D., een Engelschman van iersche afkomst. Men kan zijns gelijke niet vinden in het winnen van het vertrouwen der Kanaken; hij kan hun de mooiste voorspiegelingen doen en hun 't heerlijkst leventje voorspellen, als ze naar Nouméa mee willen gaan. Dat is het Beloofde Land, wordt hun gezegd, waar men nooit werkt en altijd eet, wat voor een inboorling de hoogste zaligheid is.

Ons verblijf op het eiland Wen duurde maar kort, en den volgenden morgen zette de Lady Saint Aubyn koers naar het Havannakanaal. Wij passeerden de Zuiderbaai, waar in zoete rust en in de verzekerdheid van een goede woning en goeden kost eenige honderden dwangarbeiders leefden, voor wie de regeering op moederlijke wijze zorgt. Als houthakkers werden zij aan het werk gezet bij het exploiteeren van de bosschen aan de Pronybaai, en hun arbeid zou den nijd kunnen opwekken van onze boeren uit de bosschen der Vogezen, wier leven zoo moeilijk is, en wier arbeid zoo slecht wordt betaald.

Toch zijn er eenige ontevredenen, en op het eiland Santa-Anna van de groep der Salomonseilanden, zullen wij drie van hen ontmoeten, die op deze afgelegen eilanden een schuilplaats zijn gaan zoeken, om tegen dwangarbeid beveiligd te zijn en voor de straffen van de bewakers. Zij hebben bij den ruil niet gewonnen.

Tegen den middag waren wij buiten den gordel van riffen, die Nieuw-Caledonië omgeeft. Nadat we het eiland Maré, een der Logally-eilanden, hadden verkend, wendden wij den steven naar de Nieuwe Hebriden, waarvan 300 mijlen ons scheidden.

Twee dagen hadden wij noodig, om dien afstand af te leggen; vier dagen na ons vertrek van Nouméa, lagen wij tegenover het eiland Tanna. Het werd ons al in de verte gewezen om zijn vulkaan, welks lichtend schijnsel wij wel 20 mijlen ver op zee konden waarnemen.

Wij gingen aan wal op de oostkust van het eiland. Op eenigen afstand gezien, bood het een zonderlingen aanblik aan. Rondom den vulkaan was de grond dor, volkomen kaal; noch plant, noch gras, noch boom kon men er bespeuren; maar op de noordelijke helft van het eiland groeide een prachtige plantengroei; er werd van alles door de inboorlingen verbouwd, en allerlei edele houtsoorten waren er in ruimen overvloed te vinden.

Onze eerste aanlegplaats moest Port Resolution zijn. Op den vastgestelden tijd, tien uur 's morgens, ankerden wij bij den ingang der haven; rotsen beletten ons, er binnen te varen, want er was slechts een nauwe doorgang, bijna niet bruikbaar voor zeer kleine vaartuigen. Dit was oudtijds de eenige haven van het eiland; een schip vond er een veilige schuilplaats gedurende hevige stormen of cyclonen, die in den archipel zoo veelvuldig voorkomen in de maanden December, Januari en Februari. Maar in 1878 is ten gevolge van hevige aardbevingen de zeebodem opgehoogd, en de diepte bedraagt nu niet meer dan 1.5 à 2 M., terwijl er acht M. stond, toen Cook er een eeuw ongeveer geleden kwam. Nu kwamen de inboorlingen, die ons op grooten afstand hadden gezien, naar de Lady Saint Aubyn toe, om ons te waarschuwen tegen de gevaren, die elk schip bedreigen, dat zou willen binnenvaren.

Zoodra wij het anker hadden laten vallen, bracht een boot van het schip ons naar den wal; wij konden zien, welke wijzigingen de vulkaan achtereenvolgens aan de kust had teweeggebracht; een moerasje aan den linkerkant der haven was plotseling droog geworden, en wij zagen alleen de bedding; het had nu een zeer duidelijk in 't oog vallende helling, en al het water was weggevloeid naar de zee.

De inboorlingen, die in Port Resolution wonen, zijn ongeveer 300 in aantal, zij stonden spoedig allen om ons heen en vroegen ons zonder eenige schaamte of verlegenheid dadelijk om tabak en vooral om patronen, daar zij in oorlog zijn met de naburige stammen. Maar niemand van hen had lust, een verbintenis aan te gaan, ten einde in Nouméa te werken. Zij waren trouwens reeds tot het Christendom overgegaan en wel tot het protestantsche geloof, en de engelsche zendeling, die hier resideerde, overreedde hen niet te emigreeren, daar hij zijn kuddeke gaarne bijeen wilde houden.

Die herder was afwezig bij mijn bezoek; hij bracht in Engeland een zesmaandsch verlof door, dus kon ik aan zijn sierlijk woonhuis een bezoek brengen, dat, aan de linkerzijde der haven op een kleinen heuvel gelegen, groot en ruim van steen was opgetrokken en omringd was met een veranda en een grooten tuin, door de schaapjes van de kudde in orde gehouden. Van binnen was het huis deftig en geriefelijk gemeubeld, en ik vond er een welvoorziene bibliotheek, die den leeraar zeker in staat stelde, op amusante wijze zijn vrijen tijd te besteden. In het kort, de installatie liet niets te wenschen over, en ik kon niet laten, vergelijkingen te maken tusschen deze inrichting en die van onze fransche zendelingen, die in inboorlingenhutten wonen en wien het vaak hun prestige kost, dat zij hetzelfde leven moeten leiden als de inboorlingen.

Wij trokken door het Kanakendorp, dat aan den oever lag en wij konden er kennis maken met de zeden en gewoonten der bewoners. Bij onze aankomst lag een van hen op den grond en had zijn hoofd op een klein houten bankje gelegd; hij liet zich het haar vlechten door een anderen inboorling in kleine vlechtjes, die in den nek neerhingen. Dit is een bewerking, die een groote rol speelt in het leven van een inwoner van Tanna; het duurt een eindeloozen tijd en vereischt een geduld, als wij in ons oud Europa alleen aantreffen bij de zeer elegante dames, die zich zoo mooi mogelijk wenschen te maken voor een bal.

Die wilden besteden niet dezelfde zorg aan de bereiding van hun voedsel. Toen ik er was, zag ik hen op heetgemaakte steenen een grooten, achtarmigen zeepoliep braden; maar zonder te wachten, tot hij gaar was geworden, nam één van hen het dier en zette er zijn tanden in, terwijl een ander er ook naar greep, om zijn deel te krijgen; op een gegeven oogenblik scheurden de vijf om het vuur gezeten inboorlingen elkaâr het dier uit de handen en hapten er allen tegelijk in, als honden, die vechten om een been.

Zij eten ook aardknollen en bananen, en ik zag herhaaldelijk vrouwen, met die vruchten beladen, zich begeven naar den rechtschen kant der baai, ze laten de knollen namelijk gaar worden in de heetwaterbronnen, die er in menigte in het naburig gebergte worden aangetroffen, op welks top zich de krater bevindt. Die berg vertoont overal veel spleten, waardoor golven van stoom ontsnappen, gemengd met zwaveldampen. Men moet zeer voorzichtig zijn bij de bestijging; elk oogenblik loopt men gevaar te struikelen en in een dier spleten te vallen in onberekenbare diepte.

Wij gingen met een boot naar de Zwavelbaai, eenige mijlen van onze ankerplaats verwijderd en zoo genoemd naar de groote hoeveelheid zwavel, die men er vindt, en die eenige jaren geleden geleid heeft tot een poging ter ontginning van die terreinen. De baai is gewoonlijk uitgangspunt van de excursionnisten, die den vulkaan willen bestijgen, maar de herhaalde aanvallen van de inboorlingen dringen de toeristen, een talrijk gewapend geleide mee te nemen.

Het was ons niet mogelijk, voor den tocht tijd te vinden en wij stelden ons ermee tevreden, den vulkaan van het dek van ons schip te bewonderen. Op de ankerplaats van Port Resolution gevoelden wij zonder ophouden de schokken door de beving van de zeebedding aan ons anker meegedeeld of liever aan zijn ketting, en gedurende de vaart van Port Resolution naar Wassissi, die wij in één nacht volbrachten, konden we het schitterende licht waarnemen, dat uit den vulkaan uitstraalde en vele mijlen ver zichtbaar was. Ik genoot van een verheven schouwspel, toen ik eenige uren leunende tegen de verschansing, enorme steenen zag uitwerpen, die verscheiden honderden meters hoog werden opgeworpen, terwijl de gesmolten lava in stroomen langs de helling van den berg vloeide. Ik kreeg nog vrij wat stof over van het door den vulkaan uitgeworpen gesteente, en fijne stofdeeltjes drongen zelfs tot in de scheepshut door.

Wij legden te Wassissi aan in de diepte van een kleine, goed tegen den zuidoostenwind beschutte baai; twee honderd-vijftig inboorlingen wonen op deze plaats en leven geheel in wilden toestand. Ofschoon er zich een engelsche zendeling heeft gevestigd, blijven de inboorlingen weerspannig tegen zijn leer en nemen zijn raadgevingen niet aan. Van eenige beschaving is er bij hen nog geen sprake; daarvan is nog niets tot hen doorgedrongen; men bespeurt dat dadelijk, als men hun rudimentaire kleeding ziet, zooals zij naar de heerschende mode daar wordt gedragen. De mannen zijn zoo goed als geheel naakt. De vrouwen hebben enkel een gordel van pandanusbladeren, die om de lenden is geslagen bij de vrouwen, die moeders zijn, en de heupen onbedekt laat bij maagdelijke vrouwen.

Deze inboorlingen, die flink van bouw en zeer sterk zijn, zouden goede modellen zijn voor een beeldhouwer, sierlijkheid van vormen op prijs stellend en plastische schoonheid waardeerend. Men ziet zeer zelden zieken, en lepralijders, zooals er op deze eilanden zooveel voorkomen, treft men bij hen bijna niet aan; allen zijn ze gespierd en lenig.

Ons verblijf viel samen met den bananenoogst; deze is een voorwendsel voor openbare feestelijkheden. Wij vonden hier een mast om in te klimmen, behangen met geschenken, juist als bij nationale feesten in Europa. Men kiest daarvoor een vrij hoogen boom, aan welks takken op verschillende hoogten trossen bananen zijn opgehangen. Ieder inboorling moet tot den top erin klimmen en mag behouden, wat hij mee weet te nemen.

Ook voor het dansen bieden die feesten eene gelegenheid. Ik kon tegenwoordig zijn bij de dansen, waarin de schoone sekse in Tanna zooveel behagen schept. Alle leeftijden nemen er aan deel, van het kleine kind af, dat nog op de heupen der moeder wordt gedragen, tot het tandelooze oudje, dat zich zóó de genoegens harer jeugd herinnert. De dames dragen lappen van alle mogelijke kleuren en vormen een kring, waarbij bij beurten een vrouw zich afzondert. Zij heft een lied aan, en de andere danseressen antwoorden, nu eens op haar toe tredend, dan met sierlijke bewegingen achteruit wijkend. Zoo doen zij een muziek hooren, die ver van harmonieus is, en waar iemand, die ze voor 't eerst hoort, bijna doof van zou worden.

Ik bleef niet lang in het gezelschap van die nieuw-hebridische schoonheden, en ik begaf mij naar het strand der zee langs een voetpad, dat door de aanplantingen van den stam leidde. De velden waren goed onderhouden; er was geen onkruid te zien, en ze waren door rijen opgehoopte steenen beveiligd tegen de invallen van wilde varkens. Midden in het veld vond ik een kleine hoogte, waar voedingsmiddelen op waren neergelegd, aardappels, knollen, bananen en visschen. Mijn gids vertelde mij, dat die voorraad bestemd was voor de godin Teapolo, die den landbouw beschermde. Elke inboorling zorgt, dat zij hem gunstig is gezind, niet door te bidden, maar door haar geschenken aan te bieden, dan is hij er van verzekerd, dat zijn oogst goed zal zijn.

Op het strand aangekomen, ging ik voorbij een klein huis, waarin ik mannen op matten zag liggen; hun heftig schitterende oogen en karakteristiek dronkemansuiterlijk deden mij zien, dat zij te veel hadden genoten van het brouwsel, dat de inboorlingen vervaardigen, de kawa. Elken avond tegen vier uur moet een jongen van ongeveer vijftien jaren de wortels van die plant kauwen; hij spuwt het sap uit in een daarvoor bestemden bak, waar hij het laat gisten. Dat is de inlandsche drank; ieder dorpeling, die den mannelijken leeftijd heeft bereikt, mag uit den voorraad drinken en hij heeft het recht, om in het gemeenschappelijke huis de gevolgen te laten voorbijgaan van dien sterk bedwelmenden drank, die op de Zuidzee-eilanden zoo algemeen wordt gedronken. Om de kawa klaar te maken, kiezen ze bij voorkeur een knaap, wiens gebit volmaakt in orde is; en ik heb hen een allernauwkeurigst onderzoek zien instellen naar zijn kaken, om te zien, of geen zijner tanden was aangestoken.

Te Wassissi heb ik voor de eerste maal gebruik moeten maken van het gezag, dat mij mijn functie als commissaris der regeering verschafte, om het nieuwe reglement, betreffende de emigratie, tot uitvoering te brengen. Ziehier, in welke omstandigheden. De super-cargo van ons schip had twee vrouwen gerecruteerd. Maar pas was ik aan boord teruggekeerd, of een Kanaak kwam een van haar, Yamé genaamd, opeischen. Hij beweerde, dat zij zijn vrouw was, en dat hij haar niet mee wilde laten gaan naar Nouméa, terwijl hij aanbood, den prijs voor haar ontvangen, terug te betalen. Ik ondervroeg Yamé, die mij antwoordde, dat die man haar echtgenoot niet was; zij weigerde categorisch weer aan wal te gaan.

Ondanks de smeekingen van den Kanaak en de tranen, die hij in massa stortte, ondanks de ontroering, die den man overweldigde, bleef Yamé onverbiddelijk en hield hare ontkenning vol. Toch vertrouwde ik haar woorden niet recht en ging informeeren bij de andere Kanaken. Zij vertelden mij, dat zij wèl zijn vrouw was, en dat zij zijn toestemming, om te mogen vertrekken, niet had gevraagd. Ik heb toen haar engagement moeten schrappen en moest haar teruggeven aan haar heer en meester. Ik vrees zeer, dat de ontvangen stokslagen haar niet zullen hebben genezen van haar zucht naar vrijheid en onafhankelijkheid. Maar de meest elementaire voorzichtigheid eischte, dat die vrouw aan haren man werd teruggegeven; maar al te dikwijls hebben de aanvallen op Europeanen tot oorzaak gehad een roof van weggevoerde Kanaken, zonder toestemming van den stam ontvoerd; onze opvolgers aan deze kusten zouden aan weerwraak hebben blootgestaan, en ons gedrag zou die dan hebben uitgelokt.

Na Wassissi te hebben verlaten, voeren wij langs de noordelijke helft der oostkust van Tanna en om kaap Lamtahim heen, die bewoond werd door een onrustigen stam; wij hadden het voornemen, op de westkust het anker te laten vallen bij Sangalli. De invloed van den vulkaan is in dit deel van het eiland minder merkbaar; men bespeurt nog in de verte de wolk van rook, die Tanna steeds bedekt houdt en in niet onbelangrijke mate de meteorologische toestanden er wijzigt; alle voorspellingen der zeelui omtrent het te verwachten weder brengt die rook in de war. Maar het stof, dat uit de opening naar buiten komt, vliegt niet tot deze plek en verbrandt er de planten niet, terwijl de plantengroei er inderdaad vrij weelderig is en den top der heuvels zelfs bedekt.

Aan deze kust waren niet veel menschen; men moet tot aan het Zwarte Strand gaan op de westkust, om eenigszins belangrijke volksstammen te ontmoeten. Ik ging hier aan wal op den oever van een rivier, waar zoet water in overvloed te krijgen was; de gelegenheid was gunstig, om een uitstapje in het binnenland te doen. Een kronkelend pad volgend, dat door den regen van de voorafgaande dagen glibberig was geworden, ging ik door een dicht bosch, waar geen zonnestraal doordrong; de grond was er zeer vruchtbaar en humus was er in een laag van aanmerkelijke diepte afgezet. In een meer of minder ver verwijderde toekomst zal dit plekje een geschikt punt van uitgang zijn voor een proef met een landbouwkolonie; de uitstekende ankerplaats, de betrekkelijke gezondheid van de plaats, het goede rivierwater, dat men er heeft, en eindelijk de rijkdom van het land, al die omstandigheden zijn bij uitstek gunstig voor het welslagen van een europeesche kolonie.

Weldra naderden wij Sangalli, waar wij eenige dagen dachten te blijven. De ankerplaats was er niet uitstekend; van het dek van ons schip konden wij de overblijfselen zien van de engelsche stoomboot Fijian, die in 1887 schipbreuk heeft geleden; de passagiers hebben zich kunnen redden, maar het schip was geheel verloren en de lading werd door de inboorlingen geplunderd. Onze reeder verschaft zich er tegen lage prijzen voorwerpen van europeesch maaksel, als messen, couverts, groote en kleine lantaarns en allerlei levensmiddelen.

Zoodra de Lady Saint Aubyn het anker had uitgeworpen, zagen wij het hoofd Gemmy aankomen, wel bekend bij de kooplieden. Met een in flarden gescheurd hemd aan, zonder broek, met een pijp in den mond en op het hoofd een gibus, stapte hij aan boord, om ons zijn diensten aan te bieden tegen betaling. Het gezicht van een flesch jenever bracht een glimlach op zijn dikke lippen, en 't ontvangen van een geweer zette zijn blijdschap de kroon op.

Wij hebben ons over zijn gedrag niet te beklagen gehad, en uit zijn stam konden wij enkele arbeiders tot meegaan bewegen. Maar hij had zich ons verblijf ten nutte weten te maken, en de herinnering aan onze goedgeefschheid zal lang levendig bij hem blijven. Zoolang wij daar bleven, werd hij aan onze tafel toegelaten, en hij trok er de aandacht, zoo niet door uitgezochte zindelijkheid, dan toch door een onverzadelijken eetlust en onleschbaren dorst. Hij zag ons met leedwezen vertrekken en gaf ons zelfs de plechtige belofte, schitterend wraak te zullen nemen op een van zijn buren, een aanzienlijk hoofd, Maki geheeten, wiens onverwachte aanval ons haastig tot vertrek had doen besluiten.

Ziehier, wat er gebeurd was. In den namiddag tegen 4 uur, terwijl een onzer walvischsloepen bezig was te recruteeren op de zuidwestkust van het eiland Tanna beneden Sangalli, had de andere sloep zich naar de noordwestkust begeven. Deze laatste was aan land gegaan juist op de plek, waar de Fijian schipbreuk had geleden. Plotseling werden verscheiden geweerschoten gelost door de inboorlingen op het strand; een matroos kreeg een kogel in het linkerbeen, zoodat hij drie dagen later aan tetanus stierf. De boot keerde dadelijk naar boord terug, na eenige geweerschoten te hebben gewisseld met de aanvallers. Ik stelde een onderzoek in. Het hoofd van den vijandelijken stam beweerde, dat een vrouw uit zijn dorp was gevlucht en zich op ons schip had verborgen. Hij was in den morgen er geweest, om haar te zoeken, en toen hij haar niet had kunnen vinden, vertrok hij in de overtuiging, dat wij haar hadden verborgen.

Hij was weer naar den wal gegaan en had ons aangevallen, om zich te wreken over een roof, dien wij niet hadden gepleegd. Overigens werd deze kust altijd als hoogst gevaarlijk aangewezen; de Nouméa, de Télégraphe en nog een schip uit Queensland hadden herhaaldelijk zich over de inboorlingen te beklagen.

Bij zulk een reis ter afsluiting van huurcontracten met inboorlingen is het voorzichtig, zoo gauw mogelijk te vertrekken, als dergelijke gevallen zich voordoen, want dat zijn slechte voorteekenen. Het schijnt, dat er dan dadelijk een teeken wordt gegeven, dat het geheele eiland over wordt verstaan en dat het consigne blijkt, om alle verkeer tusschen de vreemdelingen en den vasten wal te breken.

Wij maakten ons dadelijk zeilklaar en verlieten Tanna, na even Kwamera te hebben aangedaan in het Zuiden van het eiland. De inboorlingen zijn er rustig, en zijn bekeerd tot het protestantisme. Zij doen aan landbouw, dus konden wij er allerlei voorraad opdoen, oranjes en bananen, suikerriet en knollen.

Wij wendden ons naar het eiland Erromango, dat 35 mijlen ongeveer van Tanna was verwijderd. Een krachtige zuidoostenwind bracht ons weldra in het gezicht der westkust, en om elf uur 's avonds voeren wij de Cooksbaai binnen, na om de Verraderskaap te zijn heengezeild, zoo genoemd door den beroemden engelschen zeevaarder, die er door de inboorlingen werd aangevallen. Wij bleven den geheelen nacht onder zeil; de baai is zeer weinig beschut en men kan er dus enkel bij windstilte landen, terwijl men ieder oogenblik gereed moet zijn, weer zee te kiezen.

Om zeven uur 's morgens zette een boot ons in de buurt van het dorp aan land; die kust is nog al bevolkt en wij merkten drie stammen op, aan de baai gevestigd. Eertijds waren de bewoners zeer gevaarlijk en zonder op te klimmen tot den aanval, waaraan Cook indertijd blootstond, zou ik kunnen herinneren aan den zendeling Gordon, die er in 1869 gedood werd met knotsslagen, en nog korter geleden aan de bemanning van een engelsch schip, die er in 1875 vermoord en opgegeten werd.

Bij ons bezoek liepen vreemdelingen niet meer zooveel gevaar; de invloed van den zendeling, aan de oostkust gevestigd in de Dillonbaai, heeft zich tot hier doen gevoelen; hij heeft in de dorpen enkele scholen gesticht, en de onderwijzers brengen den inboorlingen beschavingsdenkbeelden bij. Wij kunnen dus onbevreesd aan land gaan en met hen betrekkingen aanknoopen.

Wij kwamen op een Zondag in de Cooksbaai; de inboorlingen, al half bekeerd, hadden hun mooiste kleederen aangetrokken; mannen en vrouwen hadden de nationale kleeding, bestaande uit een lapje of gordel van pandanenbladeren, vaarwel gezegd. Nu dragen beide seksen hemden en broeken, en de jonge dames van Erromango zijn hoogelijk ingenomen met gekleurde jurken, hoeden met veêren en zelfs met het corset. Ik geloof, dat de winkels van Nouméa hier al hun overtolligheden slijten. Zoo dan al het schaamtegevoel bij deze transformatie der zeden heeft gewonnen, in schilderachtigheid zijn die menschen er niet op vooruitgegaan. De originaliteit dezer eilanden gaat langzamerhand te niet, en weldra zal de beschaving den eigenaardigen stempel hebben doen verdwijnen, die hen nog onder de aandacht deed vallen.

Onze werving had er niet veel succes; een enkele inboorling wilde meegaan naar Nouméa; maar hij vroeg, of het schip voor anker wilde blijven liggen, want hij kon geen contract sluiten op Zondag; hij mocht geen betaling aannemen op een dag, die geheel en al moet zijn gewijd aan overdenking en godsdienstoefening.

Weldra verlieten wij deze streken, die reeds al te beschaafd waren, en in de richting van de Dillonbaai varend, volgden wij de noordkust van het eiland en een gedeelte van de westkust.

Erromango zag er meer begroeid uit dan Tanna, het eiland is boschrijker en niet zoo vulkanisch en bergachtig als het andere, er zijn wel enkele heuvels in het binnenland; maar men heeft er ook vlakten waar aan veeteelt zou kunnen worden gedaan. Daarbij is het eiland goed besproeid, en de kust is gemakkelijk toegankelijk.

Als men bij de Dillonbaai komt, ontdekt men aan den oever der rivier de prachtige installatie van den protestantschen zendeling R., die sedert 1872 op het eiland woont; in de buurt is een kerk gebouwd, waar men op een houten bord kan lezen, welke feiten Engelands aandacht op dit eiland hebben gevestigd en het zoo bekend hebben gemaakt. Sedert 1839 zijn vijf anglicaansche zendelingen gedood door inboorlingen uit Erromango.

Langen tijd ging dit eiland door voor het gevaarlijkste van de groep der Nieuwe Hebriden. De Kanaken werden voorgesteld als de bloeddorstigste en gevaarlijkste wilden uit den geheelen archipel. Vijftig jaren geleden ongeveer kwamen op Erromango veel Europeanen; in de Dillonbaai kan men nog de overblijfselen vinden van eene belangrijke vestiging, bestemd voor de exploitatie van sandelhoutaanplantingen. Die werkte er van 1855 tot 1864, en van dien tijd dagteekent de vijandige gezindheid, bij de bewoners opgemerkt, waardoor niet alleen onder de zendelingen, maar ook onder de toevallig aankomende zeevaarders zooveel slachtoffers zijn gemaakt.

Inderdaad werpen de handelingen, door de houtinzamelaars volbracht, om arbeiders te krijgen, hun blijkbaar kwade trouw bij het sluiten van handelsovereenkomsten, de moord op veel inboorlingen voldoende licht op de daden van geweld, door de inboorlingen begaan, en op de weerwraak, door hen genomen op onschuldigen, met hun leven boetend voor de misdaden van anderen.

Aan boord van ons schip luisterde ik naar de mededeelingen van onzen werver F., die vroeger ambtenaar was in een exploitatiezaak van sandelhout, en hij zei tot mij: "Als dit eiland Erromango spreken kon, zou het dingen kunnen vertellen, die iemand de haren zouden doen te berge rijzen".

Het scheen mij toe, dat de bevolking er minder dicht was dan op Tanna; volgens ter plaatse ingewonnen inlichtingen heeft men er ongeveer 2500 inwoners, waarvan 1200 tot het Christendom bekeerd zijn en 1300 nog heidenen zouden wezen. Maar de vorderingen, die de zendeling R. maakt, zijn niet weg te cijferen, en langzamerhand dringt zijn invloed door tot in de afgelegenste gedeelten van het eiland. Zoo heeft hij drie-en-dertig kleine zendingsposten in 't leven kunnen roepen, geleid door een dergelijk aantal vermaners, en toen ik er was, had hij reeds 150 kinderen gedoopt.

Ik hoop, dat deze pogingen tot het maken van proselieten volkomen slagen; zij zullen mogelijk de ontvolking van het eiland tegengaan, waar sinds dertig jaren het aantal bewoners van 3000 tot 2000 is gedaald. Ik heb kunnen waarnemen, dat de inboorlingen van Erromango minder forsch zijn dan die uit Tanna. Hun gestalte is kleiner, hun kleur donkerder; ze zijn magerder en hebben een minder gezond gestel dan hun buren; de wapens, die zij gebruiken, als bogen en pijlen en knotsen, zijn kleiner en geheel in overeenstemming met den tengerder lichaamsbouw, die bij alle bewoners valt op te merken.

Uit het oogpunt van het intellect, komt dit ras mij het minst ontwikkeld voor van die, welke ik nog in den archipel heb ontmoet. De inboorlingen beoefenen in 't geheel geen industrie, en hun verstand is niet ontwikkeld. Men bemerkt, dat zij den invloed niet hebben ondervonden van de Polynesiërs, die op de andere eilanden de autochthone bevolking hebben opgeheven, haar nieuw bloed hebben bijgebracht en haar in alle opzichten hebben vooruitgeholpen. De Kanaak uit Erromango is nog de zuivere Negrito of wel de Papoea, die nog in niets is veranderd, die vrij gebleven is van elken vreemden invloed en een der laagst staande rassen vormt van de groote menschenfamilie.

De gezondheid van 't klimaat op het eiland is verschillend op de oost- en de westkust; de Cooksbaai lijkt gezond en wel geschikt voor eene europeesche vestiging; maar daarentegen hebben mijn tochten in en om de Dillonbaai mij overtuigd van de ongunstige ligging dier plaats. Het dal is vruchtbaar, en de rivier brengt zoet water aan in overvloed, maar miasmen worden ontwikkeld op de moerassige oevers der rivier, en de baai ligt te zeer beschut voor de heerschende zuidoostenwinden. Het verbaasde mij niet, dat de heer R. en zijn gezin ziek waren tijdens ons bezoek en zich genoodzaakt hadden gezien, tot herstel van gezondheid de australische koloniën op te zoeken.

Van Erromango voeren wij naar het Noordwesten en stevenden naar het eiland Vaté of Sandwich, waarvan wij ongeveer 70 mijlen verwijderd waren. Het deed mij genoegen, dit eiland nogmaals aan te doen; vier jaren geleden was ik er een half jaar gestationneerd geweest met nog een luitenant en vijftig soldaten. Dat was in den tijd, toen Frankrijk den archipel in bezit had genomen en posten had gevestigd te Vaté en te Mallicolo. Maar het verzet van Engeland en van de presbyteriaansche zendelingen leidden tot de ontruiming van het land door onze troepen, en ik had met leedwezen moeten aanzien, hoe onze driekleur er was verdwenen.

Twee dagen, nadat wij Erromango hadden verlaten, verkenden wij het Sandwicheiland. Cook beschouwde het als de parel van de groep der Nieuwe Hebriden en het verdient dien naam, terwijl de beschrijving, die hij ervan geeft, zich niet aan overdrijving schuldig maakt. Dit is het voor den landbouw 't best geschikte eiland; men vindt er breede, goed besproeide dalen, waar de grond verrassend rijk en vruchtbaar is; de heuvels dragen niet veel bosschen, maar er zijn weidenrijke plateaux, en op veel plaatsen wacht de grond er maar op, in cultuur te worden gebracht, om de overvloedigste oogsten te leveren. De kolonist behoeft hier geen voorbereidenden arbeid te doen, hij vindt een ontgonnen terrein en dadelijk na zijn aankomst kan hij er maïs en koffie gaan planten. De noordwestkust is rijk aan zeer goede, veilige havens; alleen voor de oostkust ligt een gevaarlijke klip, maar die is best te vermijden.

Wij voeren de Pangobaai binnen en zouden bij Port Vila voor anker gaan, een haven, zoo ruim, dat er wel een vloot in geborgen kon worden. Het is 't belangrijkste punt van de groep der Nieuwe Hebriden, bestemd voor eene groote toekomst, en nu reeds neemt het een eerste plaats in, wat handel en landbouw betreft.

Port-Vila is dan ook de hoofdstad der Nieuwe-Hebriden, centrum van de kleine, fransche kolonie, die de natuurlijke schatten van den grond exploiteert en deze eilanden, die zoo rijk en productief zijn, voor Frankrijk wil trachten te winnen. De naam Franceville, die der plaats ook wel wordt gegeven, herinnert aan het moederland en aan de gevoelens, die onze landgenooten koesteren voor Frankrijk, waarvan zij door 6000 à 7000 mijlen land en zee gescheiden zijn.

Ondanks hunne grootere getalsterkte zijn de inboorlingen als verloren onder de blanken, die Port-Vila bewonen; zij zijn voor 't grootste deel verwezen naar de twee eilanden Vila en Mélé, die wij tijdens ons verblijf alhier nog willen bezoeken.

Vijftig Europeanen ongeveer wonen te Franceville; zij behooren tot verschillende nationaliteiten; men ziet er Franschen, Zweden, Engelschen, Noren, Amerikanen en Duitschers. Allen doen aan landbouw en drijven handel.

Ons eerste bezoek gold den agent van de Compagnie Calédonienne, die te Anabroe woont. Die maatschappij, in 1882 opgericht, heeft veel grondgebied verworven in den Archipel; zij heeft kantoren ingesteld op de verschillende eilanden en houdt zich ernstig bezig met het stichten van landbouwkoloniën.

De vertegenwoordiger van de maatschappij, de heer A., stelde vriendelijk een paard te mijner beschikking, en zoo kon ik een prettig wandelritje doen door de aanplantingen; er gingen verscheiden uren met een rit over de plantages heen. Tegenwoordig zijn reeds 30000 H.A. in cultuur; 120000 koffieboomen geven een jaarlijksche opbrengst van 40 tonnen en 1000 kokospalmen zullen het volgend jaar voor 't eerst vruchten leveren.

Het was een waar genoegen, het binnenland van Vaté of het Sandwich-eiland in te gaan, dat vroeger geheel aan de inboorlingen was overgelaten en nu bijna uitsluitend door Europeanen is bezet, die de natuurlijke hulpbronnen er exploiteeren; daar zijn er onder hen, die zich met geduld en volharding een zoo niet schitterende, dan toch zeer dragelijke positie hebben veroverd.

Zoo kwamen wij te Freshwater, reden door bananenaanplantingen, die zeer winstgevend zullen zijn, zoodra de kolonisten de vruchten ter markt zullen kunnen brengen te Sydney en te Melbourne en dus met voordeel zullen kunnen wedijveren met de voortbrengers op de Fidsji-eilanden. Na de Freshwaterrivier te zijn overgegaan, bereikten wij het dorp Tagabé, door onze landgenooten bewoond. Zes jaren geleden ongeveer liet een fransche kolonisatie-maatschappij naar Port-Vila een groep kolonisten uitgaan, die lust hadden in landverhuizing en die elders eens hun fortuin wilden beproeven. Sommigen werden al gauw ontmoedigd en keerden naar het moederland terug; anderen, die zich niet lieten afschrikken door tegenspoed en inspanning, bleven en hebben ten laatste het welvarende dorp gesticht, dat er nu is verrezen.

Elk van hen heeft een kleine bezitting, waarop hij een huisje heeft gebouwd met bijgebouwtjes voor varkens en kippen; enkele woningen waren artistiek versierd; er was een engelsche tuin aangelegd met nette paden, grasvelden en keur van bloemperken.

Allen leefden van de opbrengst van hun land; hun koffieaanplantingen, en de bouw van bananen en maïs leverden hun een welstand, die hun in Frankrijk niet zou zijn te beurt gevallen; hun bestaan is vrij en onafhankelijk en kent geen dwang van conventie of mode, waardoor in Europa zooveel individueel initiatief wordt tegengehouden.

Ik kwam te Franceville terug en begaf mij naar de woning van den ouden maire dier plaats, den heer C. De blanken te Port-Vila vormen inderdaad een afzonderlijke groep, met een burgemeester en verdere ambtenaren, die de aangelegenheden van openbaar belang behartigen; de quaesties omtrent de wegen, de reiniging, de haven worden bestudeerd, en binnen korten tijd zal men goede rijwegen te Port-Vila hebben, leidend naar andere centra van kolonisatie.

Er is zelfs sprake van, een weg te leggen naar den anderen kant van het eiland, naar Port-Havannah, en het zal een weg zijn voor allerlei vervoermiddelen geschikt. Zoo vertelt mij de heer C., dien ik reeds had leeren kennen op een vorige reis. Hij noodigde mij uit, zijn bezitting te gaan zien, die in de laatste jaren aanmerkelijk was vergroot, en stelde mij voor, den volgenden dag met hem een uitstapje naar het inlandsche dorp Mélé te maken. Ik nam het aanbod gretig aan, was precies op tijd op de afgesproken plaats, namelijk om zes uur 's morgens voor den winkel van de Maatschappij der Nieuwe-Hebriden.

Wij deden den tocht te paard. Port-Vila is het eenige punt op de Hebriden, waar men van die beweegkracht gebruik kan maken; er zijn sinds eenige jaren paarden ingevoerd van het eiland Norfolk. Zij bewijzen er groote diensten, want nu kunnen de kolonisten te paard hunne uitgebreide plantages bezoeken. Bij 't verlaten van Port-Vila kwamen wij in een bosch, waarvan de dichte boomen den mooien weg, die naar het dorp Mélé leidde, heerlijk tegen de brandende zonnestralen beschutten.

Na een half uur verlieten wij het bosch en kwamen uit vlak bij de Pangobaai, waar rustig ons schip, de Lady Saint Aubyn lag. Wij volgden het strand, en na nog een paar plantages te hebben bezichtigd van zweedsche families, die er reeds vijf-en-twintig jaren woonden, kwamen we bij een open ruimte, waar vijf- of zeshonderd inboorlingen schreeuwden en gesticuleerden en zich aan allerlei lichaamsverdraaiingen te buiten gingen.

Dat waren de bewoners van het dorp Mélé, die door hun dansen den aardknollenoogst vierden. In rood en in wit katoen gekleed, met veêren in het haar en een rood en zwart beschilderd gezicht, ieder met een knots en een paar messen gewapend, stonden ze in vier of vijf gelederen en kwamen al zingend naar voren, met de voeten trappend op de maat van inlandsche trommels.

Hun muziekinstrumenten zijn allermerkwaardigst; 't zijn holle boomstronken, vastgezet in den grond, met gaten er in geboord, die onderling verbonden zijn door verticale spleten; van boven zijn ze versierd met allerlei snijwerk, dat een voorstelling geeft van vogels en andere dieren, schepen enz. Door op die trommels te slaan met stevige stokken, weten ze vrij afwisselende geluiden in de maat voort te brengen.

Die dansen en die muziek zijn zeer gewild bij de inboorlingen der Nieuwe-Hebriden; bij elken stam zijn er, evenals in onze fransche dorpen, enkele jongelui, die den boel aan den gang maken en de feesten geanimeerd houden; zij zijn ongevoelig voor vermoeienis en warmte, en altijd gereed, om opnieuw te beginnen.

Alleen over dag houden zij zich met die genoegens bezig, en een uur na onze aankomst hielden de dansen op en de inboorlingen keerden naar hun hutten terug. De dansen werden telkens aangemoedigd door grijsaards, die op den grond zaten en nu en dan opstonden, om de vermoeiden te laten drinken en de drukst dansenden te complimenteeren.

Zij, die op het eiland Mélé zich met die dansen bezighielden, woonden niet op het hoofdeiland maar op een klein dor eilandje in de baai, waar bijna geen water en geen groen te vinden waren. Daar vertoeven zij en gaan alleen aan wal, om hun velden te bebouwen. Wat zou de oorsprong van dit gebruik zijn? Waarom hebben zij zich afgezonderd? Ik zou het niet kunnen zeggen, en ik denk, dat zij in vroeger tijden in strijd zijn geraakt met de naburige stammen en dat ze zich op het eilandje moesten verschuilen voor de aanvallen van hunne tegenstanders.

Wij volgden hen, en door een bootje overgebracht, gingen we bij hun woningen aan wal. De bevolking van het eiland Mélé schijnt nog niet spoedig te zullen uitsterven; wij werden omringd door kinderen van elken leeftijd, jongens en meisjes, die elkander duwden en stieten, om ons beter te zien. De kleine kinderen waren geheel naakt en betrekkelijk vrij zindelijk, als wij ze vergeleken met de bewoners van Tanna en vooral van Erromango. Overigens verschilt dit ras van dat der andere eilanden, zoodat ik er wel toe geneigd ben, voor waar aan te nemen de traditie, die wil, dat Mélé bevolkt is geworden tachtig jaren geleden door een schip, dat van Nieuw-Zeeland kwam en schipbreuk leed in de Pangobaai. Hun physieke eigenschappen, hun taal en ook hun gewoonten herinneren sterk aan die der Polynesiërs.

Wij verlieten die eilandbewoners en kwamen op het groote eiland terug, waar wij onze paarden terugvonden, rustig grazend onder de hoede van een paar Kanaken. Een vlugge galop bracht ons in anderhalf uur naar Franceville terug.

Zoodra ik aan boord was, maakte ons schip zich voor het vertrek gereed, nadat wij afscheid hadden genomen van de beminnelijke kolonisten van Port-Vila, en de Lady Saint Aubyn zette koers naar Port-Havannah, de belangrijkste plaats van het eiland Vaté na Port-Vila. Wij zeilden met moeite om de Duivelskaap heen, die de noordwestelijke begrenzing van de Pangobaai vormt; het was nog al een gevaarlijk punt vanwege een klip, die ver in zee vooruitstak. Op die klip was kort te voren een schip van de Nieuw-Hebridische Compagnie vergaan.

We voeren voorbij kaap Tu-ku-tu, bewoond door een fransche familie, die een landbouwkolonie bestuurt; koffieboomen en kokospalmen en bananen waren in de laatste jaren daar aangeplant, zoodat die bezitting een der belangrijkste van de Nieuwe-Hebriden belooft te zullen worden. Het is een doel voor uitstapjes van toeristen uit Port-Havannah, die zeker zijn, door den heer H. goed te worden ontvangen.

Uit wat ik hier heb meegedeeld, kan de lezer wel afleiden, dat een reis naar het eiland Vaté niet lastig of moeilijk is; de Europeanen, die er wonen, zijn blij, eens gastvrijheid te kunnen bewijzen aan iemand, die hun een bezoek brengt. De inboorlingen zijn er zachtzinnig en vreedzaam en beschouwen de Europeanen volstrekt niet met een wantrouwend oog. Ongelukkig kan deze beschrijving alleen voor het eiland Vaté gelden. Op de andere eilanden der groep, bij voorbeeld op Tanna en Erromango, ontmoetten wij slechts wilde, gevaarlijke inboorlingen, en men moet dan uiterst voorzichtig zijn bij de betrekkingen, die men wel genoodzaakt is met hen aan te knoopen, want elk oogenblik kan er een moeilijkheid ontstaan, die den reiziger herinnert aan de waarheid, dat deze archipel, dien hij bezoekt, gelegen is aan den anderen kant van de beschaafde wereld.

Zoodra men Tu-ku-tu voorbij is, bemerkt men het eiland, dat het Hoedeiland wordt genoemd naar den vorm, dien het met zijn laag gebergte vertoont, of dat ook wel het Entrée-eiland heet, omdat het den weg aangeeft, welken men heeft te volgen naar Port-Havannah,

Wij voeren de Zuiderstraat of de Groote Straat binnen, en na enkele oogenblikken bemerkten wij aan het kalme water en den getemperden wind, dat we in een goed beschutte haven waren binnengekomen. Port-Havannah was nog niet duidelijk te zien. Wij ontdekten de eilanden Déception en Protection, die aan alle zijden de haven omsluiten, maar de huizen der kolonisten en hun winkels waren nog niet te zien. Die gebouwen werden verborgen door de kaap, die Kaap van het Witte Zand heette. Daar woonde de engelsche presbyteriaansche zendeling Mac., wiens geest zoo weinig evangelisch is gestemd en die een zoo krachtigen haat tegen Frankrijk koestert.

Wij lieten aan stuurboord die kaap liggen, waar de engelsche vlag boven wapperde, en bemerkten weldra de eerste huizen van Port-Havannah. Wij ankerden tegenover de magazijnen van de Caledonische Maatschappij. Ik zag deze plaats met genoegen terug, waar ik zes maanden van mijn leven had gesleten met dappere soldaten, die door moeraskoortsen gekweld werden, maar die trotsch waren, het eerst de driekleur op deze eilanden te hebben geplant.

Onze nationale vlag heeft er echter slechts eenige maanden gewapperd; zij heeft zich moeten terugtrekken voor britsche aanmatiging, en wij hebben het moeten bijwonen, dat de huizen verwoest werden, waar onze matrozen hadden verblijf gehouden. Nu zag ik er geen spoor meer van.

De groote vlakte, waar Port-Havannah was gelegen, zag er niet meer zoo druk en levendig uit als vroeger; de belangrijkheid van het punt was sterk verminderd in de laatste jaren, en de handels- en landbouwinrichtingen zijn nu alle geconcentreerd te Port-Vila.

Toch scheen deze haven eens een groote toekomst te gemoet te gaan. De reede is veilig; de vlakte wordt bespoeld door twee rivieren, die zoet water van uitstekende hoedanigheid leveren; er zijn weiden, die voldoende voedsel geven voor de honderd-vijftig stuks vee, welke er grazen onder de hoede van eenige inboorlingen.

Ik ontmoette te Port-Havannah mijn ouden vriend Mackintosh, hoofd van het Déception-eiland; hij vertelde mij eenige van zijn gouvernementeele rampen. Hij stond oudtijds aan het hoofd van een belangrijken stam, waarover hij een volstrekt en onbeperkt gezag uitoefende; sedert de engelsche zendeling is aangekomen, hebben zijn onderdanen hem langzamerhand in den steek gelaten en ze zijn gaan wonen in het dorp bij het huis van den heer Mac.

Wij konden niet hopen, veel contracten te sluiten met de inboorlingen van Vaté; ze zijn tot het Christendom bekeerd en wel tot de denkbeelden der presbyteriaansche zendelingen; die laatsten beletten hen het landverhuizen en houden het op alle manieren tegen, dat de jonge lieden van daar gaan. Zij vreezen, dat het reizen hen onafhankelijker zal maken en den invloed zal verkleinen van de predikers der christelijke leer. Alleen de bewoners van Lélépa op het Protection-eiland bleven ongevoelig voor de vermaningen van den anglicaanschen zendeling en behielden ondanks alles het geloof hunner voorouders.

Het werk der zendelingen, de invloed der Europeanen en de herhaalde aanraking der inboorlingen met de blanken hebben het moreele en intellectueele peil der bewoners van het Sandwich-eiland doen stijgen. Hun materieele leven is er niet weinig op vooruitgegaan en hun maatschappelijke verhoudingen zijn tevens verbeterd. Toch zien wij hier, evenals op Nieuw-Caledonië, een geleidelijke vermindering van het ras der Kanaken; stammen, die ik in 1887 had ontmoet, bestonden niet meer, en het blijkt maar al te duidelijk, dat deze Zuidzeevolken onvermijdelijk ten ondergang zijn gedoemd. In acht-en-twintig jaren is het bevolkingscijfer van 8000 op 3500 gedaald.

Mijn bezoek bij het hoofd Mackintosh van het Déception-eiland heeft mij in die meening niet weinig versterkt; die vervallen grootheid bracht mij naar de plek, waar zijn stam had gewoond, op den top van den hoogsten heuvel van het eiland. Wij kwamen er langs een lastig voetpad, dat naar een nu verlaten dorp geleidde, waar vroeger een volkrijke vestiging was. We zagen er een twintigtal verlaten en in puin vallende hutten. Een enkel huis had weerstand geboden aan den tijd, en merkwaardig genoeg was dat juist het huis, dat het meest iemand moest interesseeren, begeerig om de zeden der inboorlingen te leeren kennen, nu die zeden en gewoonten langzaam, maar zeker, te loor gaan bij de aanraking met de blanken.

In dit huis toch hadden vroeger de tooneelen plaats, die dit eiland om zijn kannibalisme zoo berucht maakten. Mackintosh diende mij tot gids en wees mij op de balken, die het dak steunden. Zij waren gebeeldhouwd aan hun uiteinde en vertoonden de vormen van vogels, bijlen, messen en andere figuren. Het hoofd vertelde mij, dat aan elk dier figuren de herinnering aan een kannibalenfeest verbonden was.

Sedert de komst der Europeanen zijn die treurige gewoonten geheel verdwenen; maar ik zou bijna durven beweren, dat Mackintosh, zoo afkeerig van vreemden invloed, dien goeden, ouden tijd betreurt en met genoegen den tijd zou zien terugkeeren, toen zijne onderdanen nog niet hun culinaire gewoonten hadden veranderd.

In 1872 werd op het eiland Hinchinbrock, niet ver van het Sandwicheiland, nog een Maleier gedood en opgegeten.

Wij verlieten het Déceptioneiland, om den Lélé-Pastam te bezoeken, die op de zuidelijke punt van het Protectioneiland woont; wij zagen er inboorlingen, die wenschten scheep te gaan bij ons, om het werk van matrozen te verrichten; het zeemansleven behaagde hun zeer, maar zij weigerden hun land te verlaten, om bij den landbouw of bij het werk in de mijnen te worden gebruikt. Men ziet er dus niet velen in Australië of Nieuw-Caledonië.

Zij hebben hun plantages op het Sandwicheiland tegenover het Protectioneiland en drijven handel in aardvruchten met de kolonisten van Port-Vila en Port-Havannah; wij kochten er eenige matten en armbanden van hout en schelpen. De kleeding der bewoners bestond slechts uit een gordel van pandanusbladeren; als versiering droegen ze een varkenstand, met een touwtje om den hals vastgebonden, of ook wel een oesterschelp.

Zij leefden in vrede met de naburige stammen, stonden ons met genoegen de wapens af, die hun voorvaderen hadden gebruikt en verkochten ons een voorraad messen en pijlen met in het vuur geharde punten.

Gedurende onzen terugkeer naar Port-Havannah bezochten wij het Rahni-station. Het was vroeger een belangrijke bezitting, waar veel koffie en maïs werd verbouwd; er waren vruchtboomen geplant en ondanks verwaarloozing gaven ze nog heerlijke vruchten. Het Sandwicheiland is inderdaad in 't bijzonder bedeeld met natuurschoon, en de grond brengt er mildelijk allerlei tropische producten voort.

Er zou niet veel inspanning worden vereischt, om aan Rahni zijn oorspronkelijken bloei terug te bezorgen; de grond is ontgonnen en men zou zonder veel moeite het huis, dat nu vervallen is, kunnen herstellen; een gezin van jonge, werkkrachtige menschen zou er zich kunnen vestigen en er een landbouwkolonie stichten. Men zou dan het eerste pionierswerk niet meer behoeven te doen, dat het budget van den kolonist vaak al te zeer drukt en geen onmiddellijk voordeel aanbrengt.

Wij gingen de woning van den engelschen zendeling voorbij en bespeurden weldra het huis, dat ik in 1887 bewoonde en dat langen tijd het eenige bewoonde verblijf op het eiland Vaté was. Vroeger waren er geïnstalleerd geweest een familie uit Australië deze menschen wilden beproeven, er katoen en indigo te verbouwen.

Er werden groote werken uitgevoerd en zelfs werden met enorme kosten stoommachines overgebracht uit Sydney. Eenige jaren lang scheen het, of Port-Havannah eene groote toekomst te gemoet ging. Ongelukkig bleek het klimaat te ongezond, en de amerikaansche concurrentie maakte, dat er van de mooie plannen weinig terecht kwam; de onderneming liep op eene liquidatie uit.

Wij zouden nog wel langer daar hebben willen blijven en een bezoek hebben willen brengen aan den heer G., die op de oostkust de eerste koffieaanplanting heeft aangelegd, niet enkel de eerste op Vaté, maar in den geheelen archipel. Zijn voorbeeld is gevolgd door de andere Europeanen, want spoedig leerden de planters inzien, dat die cultuur zeer winstgevend was vanwege de nabijheid der groote centra Sydney, Melbourne en Adelaïde. De verkoop der koffie is altijd verzekerd in die groote plaatsen en aan den anderen kant vereischt de koffie, als zij eenmaal geplant is, niets dan wat onderhoud en geeft reeds van het vierde jaar af een overvloedigen oogst.

Ons bezoek aan het Sandwicheiland was afgeloopen. Ik was er lang genoeg geweest, om mij te overtuigen van het gewicht, dat Franschen en Engelschen aan het bezit van het eiland hechten. Herhaalde malen was er sprake van een verdeeling van den archipel der Nieuwe-Hebriden tusschen de beide volken, maar altijd werd het eiland Vaté of het Sandwicheiland door beide mogendheden opgeëischt, waarbij Groot-Britannië zijn recht grondde op de aanwezigheid zijner zendelingen, Frankrijk op die zijner kolonisten.

Ik geloof geen onjuistheid te zeggen, als ik beweer, dat mijn landgenooten het meest er toe hebben bijgebracht, om de natuurlijke hulpbronnen van het eiland te ontginnen en dat zij drie vierden van het grondgebied in bezit hebben.

De degelijke exploitatie van Vaté dateert pas van den dag, waarop de Nieuw-Caledonische maatschappij, te Nouméa opgericht, haren arbeid begon op de Nieuwe-Hebriden. De zending der kolonisten vanwege die Maatschappij heeft misschien niet al die resultaten opgeleverd, die men het recht had, er van te verwachten met het oog op de opofferingen, die men zich had getroost, maar alles is toch niet verloren moeite geweest, en enkelen van die uitgezonden kolonisten hebben zich tot een aardigen welstand opgewerkt.

Onze belangen dateeren dus van vóór die der Engelschen.

Port-Vila heeft, wat de beteekenis van den handel betreft, Port-Havannah vervangen, maar toch zal dit laatste punt in de toekomst altijd belangrijk zijn om de haven, die groote veiligheid aanbiedt en om de rivieren met zoet water, die men er in de buurt vindt. Of die rivieren ook later als beweegkracht te gebruiken zouden zijn, moet nog nader worden onderzocht.

Van Port-Havannah sloegen wij eene noordwestelijke richting in en verlieten de reede door den nauwen doorgang tusschen het Deception- en het Protectioneiland. Wij waren voornemens, het noordelijk deel van de groep der Nieuwe-Hebriden te bezoeken en stevenden naar het eiland Api. De zuidoostenwind blies voor ons in gunstige richting; de Lady Saint Aubyn legde met gemak acht knoopen in het uur af, en 36 uren na ons vertrek uit Port-Havannah kregen wij het eiland Api in het gezicht. Gedurende dien korten overtocht konden wij op een afstand de eilanden der Twee Heuvels waarnemen, het Maï-eiland, waar drie stammen woonden, die ieder een eigen dialect spraken, en het eiland Muna. Er is daar niet veel te zien; de bevolking vermindert gestadig; de eilanden leveren zoo goed als niets op en ze zijn zoo klein, dat men hun ook geen betere toekomst mag voorspellen.

Wij lieten het anker vallen in de Diamantbaai, aan de zuidwestkust van Api; de engelsche boot Hector, uit Maryborough in Queensland, lag in dezelfde baai voor anker; zij bracht een zeker aantal Kanaken van verschillende eilanden uit den archipel naar hun respectieve woonplaatsen terug. In deze baai moest het schip een inboorling en zijn vrouw afzetten, die drie jaar te voren aangenomen waren bij een stam in het binnenland; het paar had intusschen een baby veroverd, op engelschen grond geboren.

Alle drie gingen aan land, in hun mooiste spullen uitgedost; de man droeg een deftige jas uit een of ander australisch modemagazijn, hij droeg een horloge met vergulden ketting op een smetteloos wit vest; maar hij had bloote voeten. De vrouw liep onder een vuurroode parasol en zag er met haar kanten japon met sleep en strooken uit als een danseres uit een paardenspel, altijd met bloote voeten, wel te verstaan.

Maar pas waren ze aan wal gegaan in hun geboorteland, of de inboorlingen aan de kust verzameld, maakten zich meester van hun koffers en deelden den inhoud onder elkander, en binnen eenige minuten waren de stumpers beroofd van de opbrengst van hun arbeid van drie jaren; de australische jas en de roode parasol wekten de begeerigheid op van het hoofd van den stam, die er zich krachtens het recht van den sterkste van meester maakte. Zóó is nu eenmaal de ontvangst, die de inboorlingen wacht, wanneer ze na kortere of langere afwezigheid in hun land terugkeeren. Wat zij hebben overgespaard in den vreemde en de waren, die zij meebrengen, worden aan de plundering van de landgenooten prijs gegeven. Behooren ze tot een stam uit het binnenland, dan moeten ze zich gelukkig achten, wanneer de inboorlingen van de zeekust hun het leven laten en hen rustig laten vertrekken naar hun geboorteland.

De tegenwoordigheid van de Hector was hinderlijk voor onze wervingsbezigheid; wij maakten ons zeilreê, om bij kaap Foreland weer het anker te laten vallen in een door die kaap beschutte baai. Een klein zoetwaterstroompje liep er door een vruchtbaar dal, dat echter nog weinig bebouwd was; de bevolking is er echter vrij talrijk en drijft een drukken handel in kokosnoten met een handelaar uit Jersey, die sinds eenige jaren op het eiland woont; een engelsche zendeling woont er dichtbij en beproeft, maar met slechts matig succes, den inboorlingen zijne geloofsovertuiging bij te brengen.

Wij recruteerden een paar jongelingen en een kleinen jongen van een jaar of zes, die zijn vader en zijn moeder had verloren en opgedragen was aan de zorg van een oom. Deze kon hem niet langer te eten geven en wenschte hem te verhuren voor den arbeid te Nouméa. Het was een goed werk, dat aanbod aan te nemen, want het stond te vreezen, dat die oom, dien het verveelde den knaap te onderhouden, hem op een goeden dag een gewelddadigen dood zou doen sterven.

De kleine Kanakenjongen ging met genoegen mee; zijn vroolijk, intelligent gezichtje straalde van blijdschap, en ieder had plezier in hem. Onze reeder hield hem later bij zich en wilde er een jockey van maken, bestemd te schitteren op de nieuw-caledonische renbaan.

's Nachts wist een onzer pas aangeworven arbeiders te ontsnappen; hij zwom naar den wal, maar was niet zoo beleefd geweest, ons het handgeld terug te geven. Er zal nauwlettender toezicht moeten worden gehouden, en de inboorlingen zullen bij zonsondergang in het tusschendek worden opgesloten.

Wij zeilden nu naar Pané op dezelfde kust; maar terstond bij aankomst zagen we aan het strand in den grond gestoken palen, taboes, die vrouwen en jongelieden moesten waarschuwen, niet mee te gaan met de schepen der fransche wervers. Ziehier, welke reden ons voor dat verbod of die waarschuwing werd opgegeven. Twee maanden te voren had een engelsch schip Alice and Mary veertig inboorlingen, tot den stam uit Pané behoorend, aangeworven. Het had schipbreuk geleden op de kust van Mallicolo, en de Kanaken waren verdronken. Nu mocht voor een vastgestelden tijd geen inboorling zijn dorp verlaten; zóó hadden het de toovenaars van den stam beslist.

Onmiddellijk zetten wij koers naar de Yémubaai tegenover het eilandje Lamenu; een vrij aardig huis werd zichtbaar aan de kust; het was de woning van een nieuw-caledonischen kleurling, die een belangrijke aanplanting van maïs en koffie had aangelegd. Hij gebruikte als arbeidskrachten Kanaken van de naburige eilanden. Zijn plantages lagen in een zeer vruchtbaar dal, besproeid door een rivier, die steeds voldoende water had.

Mijn tochtjes over het eiland in verschillende richtingen deden mij tot het besluit komen, dat het eiland Api het vruchtbaarste van den archipel was. De grond is er rijk; de humuslaag op den rotsgrond heeft eene aanmerkelijke dikte bereikt, en zoo is er een weelderige plantengroei ontstaan, en de rivieren zetten aan hun oevers een groote hoeveelheid slijk af, die nieuwe vruchtbaarheid brengt. Het eiland Api wordt goed besproeid en heeft vrijwat stroomende watertjes, want eveneens is het gesteld te Foreland, Pané, Yému; maar ongelukkig is er geen enkele haven, wel heeft men aan deze kust bruikbare ankerplaatsen.

De geheele bevolking van het eiland kan op 18.000 zielen worden geschat. Zij zijn tenger en klein, en velen van hen hadden wonden op het lichaam, die zij door bepaalde planten er op te leggen, trachten te genezen. Zij hebben den naam van erg wraakzuchtig te zijn en hebben zich berucht gemaakt door herhaalde aanvallen op Europeanen. Zoo is er bijna geen enkel punt op Api, waar men met vertrouwen kan landen, en men moet de grootste waakzaamheid in acht nemen. Vele nachten heb ik aan den wal geslapen, altijd met revolver en patronen binnen mijn bereik.

In de Yémubaai zag ik de inboorlingen op een dag vereenigd bij gelegenheid van een hunner feesten of sinn-sinn. De mannen hadden om het middel een enkel touw, waaraan een koker van schors was bevestigd; enkelen van hen hadden het tot een wollen hemd of vest gebracht. De vrouwen uit het binnenland hadden niet anders aan of om, dan een gordel van bananenbladeren, maar die van de kust waren in een lap katoen gehuld.

Elke inboorling was gewapend met een knots of met een rond mes. Hoewel de bewoners van Api niet zoo beslist oorlogszuchtig zijn als die van Tanna, voeren ze dikwijls strijd tegen elkander. Het is dan een oorlog met hinderlagen; er worden diepe kuilen in den grond gegraven en een inboorling, door den hoofdman van den stam aangewezen, moet er in gaan liggen en den vijand afwachten, als hij voorbijgaat.

Hun instinct is tot menscheneten maar al te zeer geneigd, en als ze die kannabalistische> neiging kunnen bevredigen, gaan ze daarbij aldus te werk. Van een gevangene wordt de romp aan de jonge lieden afgestaan; de ingewanden zijn bestemd voor de varkens en de honden; de mannen krijgen de ledematen. Vrouwen mogen aan dergelijke barbaarsche maaltijden niet deelnemen.

Altijd gaan die maaltijden met feesten en dansen gepaard. Een koopman, die reeds lange jaren op Api woont, gaf mij een beschrijving van de dansen. Het costuum van het hoofd bestaat dan uit een groote bloem, in ieder oor gestoken, een veêr in de haren, een tak in den gordel, een laag verf op iedere wang en op het puntje van den neus. Hij houdt in zijn linkerhand een zeker aantal lansen vast en in de rechter zwaait hij een knots. Dan loopt hij rondom de inlandsche trommelslagers, en danst en springt, terwijl de muzikanten met behulp van twee stukken hout hun trommels slaan en een helsch rumoer maken.

De hoofden hebben veel autoriteit; het heet, dat zij alleen de kunst verstaan, de pijlpunten te vergiftigen.

Ons verblijf te Yému was nog al gunstig voor onze werving; we konden een tiental Kanaken recruteeren. De Lady Saint Aubyn wendde zich daarna naar de westkust en wij voeren door de straat, die het eiland van Ambryn scheidt. Daar zagen wij een bezitting van een Europeaan, die kort te voren door de bewoners van het eiland Paama vermoord was geworden. Wij ankerden in de Groote Baai.

Onder de stammen van Mangliao, Apwe en Baap hoopten wij velen te werven; maar zoodra wij waren aangekomen, kwam er een boot van den wal, en de inboorlingen, die er in zaten, vertelden ons, dat sedert de komst van de onderwijzers of vermaners, door den zendeling van Foreland gezonden, de stammen van Mangliao en Apwe zich aan zijn gezag hadden onderworpen. Dus hadden ze besloten, geen verbintenissen naar buiten meer aan te gaan, en men gaf ons den raad, zoodra mogelijk den terugtocht te aanvaarden. Toch bleven wij een paar dagen, en het gelukte ons, drie inboorlingen mee te krijgen, afkomstig uit het dorp Baap.

De Groote Baai van Api zou gunstig gelegen zijn voor eene europeesche vestiging; er is een zeer mooie plantengroei; de bosschen hebben veel bruikbaar hout, en de Kanaken hebben reeds goede bananenaanplantingen aangelegd. Wat het klimaat en de gezondheid betreft, deze verschillen naarmate men aan de eene of aan de andere kust van het eiland is. De noordkust en de noordwestkust, blootgesteld aan de uit zee komende winden, schijnen in een uitstekende conditie te verkeeren; maar de zuidkust en die in het Zuidwesten, die de luchtstroomen opvangen, nadat deze gestreken zijn over Paama, Lopévi, May, Tongoa, Shepherd, zouden voor een Europeaan, die er langen tijd moest vertoeven, allerverderfelijkst kunnen worden. Dit is echter slechts mijn persoonlijk gevoelen; de ervaring kan later misschien tot een ander oordeel leiden.

Ons bezoek aan Api was afgeloopen. Wij zouden nu het eiland Paama aandoen en voeren voorbij het eilandje Lopévi, waarvan de suikerbroodvorm zeer opmerkelijk was. Het is van vulkanischen oorsprong en bereikt wel een hoogte van 1650 M.

Van tijd tot tijd kwam er uit den top van den berg rook; maar wij konden in 't voorbijgaan de omtrekken verder niet nauwkeurig onderscheiden. Het bestaan van dien vulkaan bevestigt een vrij zonderlinge opmerking, die in dit deel van Oceanië is gemaakt, namelijk dat de werkzame vulkanen in een lijn zouden liggen, die, van Tanna uitgaande, een noordwestelijke richting zou inslaan en zich dan zou aansluiten bij Lopévi en Ambrym op de Nieuwe-Hebriden, bij de zwavelbronnen van Vanua-Lava en de kraters van Urépara-pasa en Tinakula op de Bankseilanden. Die lijn zou eene lengte hebben van een duizendtal K.M. ongeveer.

Het oude vulkanische karakter van Lopévi verklaart de weinige vruchtbaarheid van het eilandje; er wonen niet veel menschen. Tachtig à honderd inboorlingen verbouwen een en ander op een kleine landtong in 't Noordwesten. Zij onderhouden geregelde betrekkingen met de Kanaken van het eiland Api, wier taal zij spreken.

We hadden niet veel tijd noodig, om de westkust van Paama te bereiken en het anker te Liro uit te werpen, een eiland, dat 10 K.M. lang en ongeveer 4 K.M. breed is. Het is dus niet zeer groot, maar wel is het dicht bevolkt; na enkele oogenblikken was het dek van ons schip overstroomd door een massa luidruchtige Kanaken, blij, dat ze ons hun producten konden verkoopen in ruil voor tabak, pijpen en lucifers. Die beleefdheid, ons zoo spoedig te bezoeken, voorspelde wat goeds; zij verdreef onze achterdocht ten opzichte van deze inboorlingen, die in den ganschen archipel geen al te besten naam hebben. Sedert langen tijd kon geen schip Paama naderen, of het werd met geweerschoten ontvangen. Het zou mij misschien gemakkelijk vallen, een verklaring voor die vijandige gezindheid te vinden in het volgende feit. Een tiental jaren geleden beproefden bewoners van het eiland, die met geweld waren aangeworven, hun vrijheid terug te krijgen aan boord van het schip, dat hen meevoerde naar Australië. De bemanning sloot hen toen op in het ruim en doodde hen allen; "ze werden als ratten vermoord", zei bij gelegenheid van de rechtzaak de advocaat-generaal van Nieuw Zuid-Wales.

Het verbaast mij dus niet, dat er herhaaldelijk aanvallen zijn gedaan door de Kanaken op Europeanen en dat zij zich krachtig verzetten tegen een vaste vestiging van vreemdelingen op hun eiland; oorlogsschepen hebben de dorpen daarbij wel eens gebombardeerd, en bij mijn bezoek heb ik voor een pak tabak een bom kunnen koopen, die afgeschoten was door het fransche adviesjacht D'Estrées. Van een Man oui oui, zei de inboorling, die het voorwerp mij bracht. Wij, Franschen, worden namelijk door de bewoners van de Nieuwe-Hebriden als de Man oui oui aangeduid, en zoo werd mij bekend gemaakt, dat een fransch schip het schot had gelost.

Wij voeren vlug om het eiland heen en bleven op onze hoede, want ieder inboorling is gewapend met zijn Snidersgeweer en zou niet aarzelen, ons een poets te bakken, als onze waakzaamheid ook maar even verflauwde.

Het land was goed bebouwd; aanplantingen liepen tot aan de zee voort, en men zamelde er in grooten getale de vruchten van den broodboom in. Al is er dus een dichte bevolking, gebrek wordt er niet geleden, en deze inboorlingen zijn forsch en krachtig. Het is waarschijnlijk, dat men hier niet veel sympathie zal hebben voor de vreemde koloniën. Geen der inboorlingen wilde tot landverhuizing besluiten; allen bleven bestand tegen de velerlei aanlokking, hun door ons voorgehouden, als ze te Nouméa wilden komen werken.

Wij verlieten het eiland Paama om zeven uur 's morgens. Terwijl ons schip onder zeil bleef, trachtten de kleine booten de oostkust van Ambrym te naderen bij den stam Pemedial, maar de toestand der zee belette het aan wal gaan; daarbij was de kust steil, en onder den invloed van de heftig blazende zuidoostenwinden sloegen de golven met kracht tegen de loodrechte rotsen. Het was nutteloos, een poging te wagen, om met het land gemeenschap te onderhouden. Wij voeren langs de zuidkust en ankerden daar tegenover het station van Dick A.

Dat personnage is een Engelschman, die al lange jaren in den archipel woont en alle eilanden bereisd heeft. Hij kent uitstekend de havens der Nieuwe-Hebriden en ook die der Salomonseilanden. Daar het ons plan was, aan die laatste groep een bezoek te brengen, was onze kapitein er op gesteld, aan boord van de Lady Saint Aubyn iemand te hebben, die ervaring had van de streek en ons van goeden raad kon dienen. Hij vond dien in den persoon van Dick A., die snel zijn bagage inpakte en met zijn trouwe levensgezellin, een Kanakenvrouw van het Pinkstereiland, aan boord kwam. Zij was door elephantiasis aangetast, miste alle uiterlijk schoon, maar was vol toewijding voor haren meester.

Toen ik naar boord terugkeerde, was ik aan het strand tegenwoordig bij de werving van twee vrouwen, die, zooals zij zeiden, blij waren het eiland te kunnen verlaten, om aan de slechte behandeling van hunne echtgenooten te ontkomen. Die laatsten, verlokt door het gezicht van de goederen, die wij hadden aan te bieden, gaven hunne toestemming, en de beide vrouwen zwommen naar ons schip toe; één van haar nam een kindje van een paar maanden mee; zij verliet haar dorp, zonder zich te laten verteederen door de tranen van hare oudste dochter, die bij haar vertrek tegenwoordig was en haar wilde terughouden.

De inboorlingen van dit eiland zijn klein en welgevormd; zij hebben een opgewekt, vrij intelligent uiterlijk, maar hebben den naam van korte metten te maken met lastige blanken, niet door geweerschoten te lossen, maar door middel van vergif. Ik geef die laatste bewering slechts onder voorbehoud, en geloof dat de vele sterfgevallen aan het klimaat moesten worden toegeschreven en niet aan misdadige handelingen. Hoe het zij, men heeft deze inboorlingen te Nouméa graag als werkkrachten, ze worden uitnemende arbeiders.

Ze wonen hier in kleine dorpen aan het strand der zee of in het binnenland op de berghellingen. Hun woningen zijn nog uiterst primitief, maar toch voldoende om hen te beschermen tegen de ongunst van het weder. Het binnenland is zeer schaars bevolkt, een gevolg van de aanwezigheid van den vulkaan. Op den top van een der bergen heeft men een krater, die rook laat ontsnappen; maar de uitbarstingen zijn niet aanhoudend zooals op Tanna, en ik passeerde het eiland menigmaal, zonder het minste of geringste teeken te bespeuren, dat van de werkzaamheid van het onderaardsche vuur getuigde.

De geologische gesteldheid van Ambrym verklaart de geringe vruchtbaarheid; de grond is poreus, zandig en dor, en er is weinig water op het eiland; zoet water is er alleen in gegraven plassen, en er stroomt geen enkele rivier; dus is de plantengroei schraal, gelijkend op dien van Tanna in de buurt van Port Resolution en Wassissi. Toch wonen er nog zeven of acht Europeanen; ik ontmoette hen op de verschillende plaatsen, waar wij stilhielden, bij Malo, Creig Cove, Dip Point, Rhanone; ze dreven allen handel in copra, door middel van schepen die op Nieuw-Caledonië of Australië voeren. Enkelen worden er rijk, en ik hoorde dikwijls spreken van F., die alleen op de noordwestkust woonde en schitterende zaken deed.

Te Dip Point bezocht ik de inrichting van zulk een copramaker, een industrie, zeer algemeen in den archipel der Stille Zuidzee en die wel even nader mag worden beschreven.

Men vindt die copramakers op alle eilanden, maar vooral op Ambrym en Aoba. Waar komen zij vandaan? Dat weten ze vaak zelf niet of ze houden het zorgvuldig geheim. Nu eens is het een Portugees, die er voor altijd van heeft afgezien, ooit naar de oevers van de Taag terug te keeren; dan een voorzichtige Engelschman, wien een bezoek aan de Theems voor altijd is verboden, of wel een Franschman, die het eiland Nou van nabij kent en al te compromitteerende betrekkingen heeft te Nouméa; soms ook is het een gouvernementsambtenaar, die niet snel genoeg carrière heeft gemaakt en uit den dienst is gegaan, en men ziet er ook wel jongelui, die door de familie in den steek zijn gelaten. Voor al dezulken zijn de Nieuwe-Hebriden het beloofde land; ze vinden er geen wetten, geen gezag en geen regeering; gendarmen en politie zijn er nog niet ingevoerd; ieder leeft er zooals het hem behaagt, regelt zelf zijn zaken zooals hij wil, en behoeft zich nooit te ergeren over de langzaamheid van de rechtsspraak.

Levend in een hut, door de inboorlingen gebouwd, koopt zoo iemand alle kokosnoten die hem worden gebracht en zoekt voor de eenzaamheid troost bij de flesch. Veel heeft hij niet te doen; het blijft bij eenig toezicht op de beide Kanaken, die hij gewoonlijk in dienst heeft, om de noten in tweeën te splijten. Elke helft wordt aan de zon blootgesteld of aan de hitte van een vuur en het gedroogde vleesch wordt daarna uit de noot gehaald en heet copra. Dat product wordt naar Marseille vervoerd en doet er dienst bij de zeepfabricatie.

Vanaf de kust van Ambrym bespeurt men in het Westen een vrij lang, bergachtig eiland, Mallicolo, welbekend op het oogenblik der bezetting, omdat daar een zekere J. woonde, die door de inboorlingen werd gedood. Zijn dood diende tot voorwendsel voor het zenden van soldaten, die de veiligheid van onze landgenooten moesten waarborgen. Er werd te Port Sandwich een post gevestigd. Nu wendden wij ons naar die plaats, na op Ambrym onze taak te hebben volbracht.

Dick A. diende ons tot loods en leidde ons zonder aarzeling in de straat, die uitkwam in de ruime baai van Port-Sandwich. Eerst voeren wij langs de Maskelyne-eilanden, ten zuiden van Mallicolo gelegen. Men deed er aan vischvangst, en de Europeanen die er woonden, met name de heer Mac L., vonden daarin zelfs een bestaan. Wie in deze streken vertoeft hoort vaak van den laatste spreken; zijn naam komt telkens weer voor in de gesprekken, niet alleen van blanken, doch ook van Kanaken. Hij is een der laatste vertegenwoordigers van die groep handelaars, die onder de namen van walvischvaarders, sandelhoutinzamelaars, houders van slavenschepen oudtijds in dezen archipel berucht werden en door hun zeeschuimerij en hun willekeurig optreden de vijandige gevoelens tegen de blanken deden ontstaan, die nu nog bij de inboorlingen worden opgemerkt.

Hij was dertig jaren geleden zonder een cent in den archipel gekomen en bezit nu een vermogen van eenige millioenen, verkregen door den handel met de inboorlingen, toen er nog in 't minst geen regel daarin was gebracht; en gelukkige speculaties met grond hadden het hunne tot zijn fortuin bijgedragen. Uit staatkundig oogpunt was hij een verbitterd vijand van den franschen invloed, en hij streed daartegen al lange jaren met de grootste geestkracht; van zedelijkheidsstandpunt kende hij geen scrupules, zooals gebleken is uit de quaesties, die hij had met de Caledonische Maatschappij. Zóó is de heer Mac L., wiens naam door elken reiziger dadelijk nadat hij aan wal stapt wordt vernomen; ik moest hem wel met een paar woorden teekenen, en ik heb hem dikwijls ontmoet.

Maar om terug te komen op de Maskelyne-eilanden, er zijn er daarvan drie. Oudtijds waren ze bewoond door een talrijke bevolking, maar nu zijn ze zoo goed als verlaten, en we zagen slechts nu en dan eens een boot langs de kust varen. De weinig teergevoelige wervers hebben menigmaal gewapende expedities naar den wal gezonden, die de inboorlingen met geweld meevoerden, de dorpen verbrandden en zelfs vóór hun komst overal schrik en angst verspreidden in de bewoonde oorden. Aan die daden van zeeroof moet de ontvolking van vele eilanden worden toegeschreven.

Wij kwamen te Port-Sandwich en legden aan in een prachtige, goed beschutte haven. Wij waren daar in een betrekkelijk beschaafd land; 't is de hoofdstad van den archipel, de stad der pretjes op de Nieuwe-Hebriden; daar ontmoeten elkander de coprahandelaars van de naburige eilanden en komen er hun opgespaard geld verteren. Men kan er waarnemen, hoe zakken copra omgezet worden in kisten jenever, tot groot genoegen van die echte drinkers van den Stillen Oceaan.

Wat is Port-Sandwich? Enkele huizen aan weerskanten van de baai, één winkel van de Caledonische Maatschappij, een kolendepôt, een kade, dat is het eenige, wat er nog te zien is in die veiligste haven van de geheele eilandengroep. Maar men moet niet op den schijn afgaan; feitelijk wordt daar veel handel gedreven, schepen van alle nationaliteiten laten er het anker vallen en brengen er leven en beweging; zij laten er koopwaren achter, nemen de producten van het land in en brengen die naar Nouméa, Sydney, Queensland of de Fidsji-eilanden.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us