Vanden Vos Reinaerde: Uitgegeven en Toegelicht
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | | | | De in het boek genoemde verbeteringen en bijvoegsels zijn | | zonder verdere vermelding doorgevoerd. | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Aan het eind van het boek volgt een overzicht | | van deze aangebrachte correcties. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven als | | cursief. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | #uitgespatieerd#; | | | | In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | | De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | | „aanhalingstekens”. | | De ganzenvoetjes(») zijn gebruikt als in het origineel. | | | | De illustratie is beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org | | | | Van VANDEN VOS REINAERDE zijn bij Project Gutenberg ook | | versies als e-boek beschikbaar in het duits en het frans: | | Goethe's Reineke Fuchs (e-boek no. 2228) en de vertaling | | Le renard (e-boek no. 17509). | | | +----------------------------------------------------------------+
VANDEN VOS REINAERDE.
[Illustratie: Van den vos reynaerde
Willem die vele bouke maecte Daer hi dicken om̄e waecte Hem vernoyde so haerde Dat die auonture van reynaerde In dietsche onghemaket bleuē Die willem niet heuet vulscreuē Dat hi die vijte van reynaerde souckē En̄ hise na dē walschē bouckē In dietsche dus heuet begonnē God moete ons ziere hulpē jonnē Nu keert hem daer toe mijn zin Dat ic bidde in dit beghin
Lith v:d: Weyer Gr:]
VANDEN VOS REINAERDE,
UITGEGEVEN EN TOEGELICHT
DOOR
W. J. A. JONCKBLOET.
TE GRONINGEN, BIJ J. B. WOLTERS.
1856.
AAN JACOB GRIMM TOEGEWIJD.
_Gij waart de eerste die onzen Reinaert leesbaar hebt gemaakt; Gij hebt ons den weg der wetenschap gewezen en de grondslagen voor onze kritiek gelegd; aan U komt van rechtswege de opdracht dezer uitgave toe, die ik het wage U aan te bieden, niet zoozeer ten bewijze, dat men ook in Nederland uwe lessen waardeert, als om U openlijk een blijk te geven mijner innige dankbaarheid voor al wat ik aan uwe werken en uwe vriendschap verplicht ben._
GRONINGEN, 1 November 1855.
JONCKBLOET.
INLEIDING.
I.
Het is een verblijdend teeken, dat in de laatste jaren de belangstelling in het uitstekendste voortbrengsel der Middennederlandsche poëzie, den uitmuntenden Reinaert, blijkbaar is toegenomen, en dat WILLEMS' voorspelling zich heeft bevestigd, »dat de geleerde Vossenjacht nog niet geheel is ten einde geloopen.”
De geschiedenis onzer letterkunde vooral moest er zich mede bezig houden, ten einde de vraag naar den oorsprong en den ouderdom van den Reinaert en de omwerking, ware het mogelijk, duidelijk te beantwoorden. Want, zoo men het eens was over de uitstekende waarde van het gedicht, omtrent al het overige was er strijd; en toch is dit vraagstuk van het grootste belang voor de geheele geschiedenis onzer middeneeuwsche letterkunde.
GRIMM stelde den oudsten dichter omstreeks 1250, en de omwerking ongeveer honderd jaar later, in de tweede helft der veertiende eeuw[1]. WILLEMS plaatste den eerste omstreeks 1170, en den tweede even vóór 1270. Dit laatste gevoelen werd hier te lande, en ook elders[2], vrij algemeen omhelsd. Ikzelf heb in mijne Geschiedenis der Mnl. Dichtkunst voor den oudsten dichter het jaar 1170 aangenomen, en den omwerker in de veertiende eeuw gesteld[3]. De jongere SERRURE is daartegen opgekomen. Volgens zijne meening »werd het eerste boek des Reinaerts tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven”[4], en aangaande den leeftijd van den omwerker en dichter van het tweede boek vindt hij de stelling van WILLEMS de meest aannemelijke[5].
Verschillende andere vraagstukken die daarmede innig samenhangen zijn nog duister of worden althans betwist.
Nu is de Reinaert in zoo vele opzichten een belangrijk verschijnsel in onze letterkundige wereld, dat ik het wel der moeite waard reken op nieuw en opzettelijk een kritisch onderzoek aangaande den oorsprong van dit dichtstuk te beproeven.
Als ik mijzelven afvroeg, waarin eigenlijk de oorzaak van zulke uiteenloopende oordeelvellingen mocht gelegen zijn, kwam ik al spoedig tot de overtuiging, dat daartoe niet weinig bijdroeg, dat wij nog geene eigenlijke kritische uitgaaf van den geheelen Reinaert bezitten; dat de eerste helft der omwerking in haren samenhang ons nog geheel onbekend is; en dat wij dus eigenlijk verstoken zijn van de bewijsstukken, waaruit het vonnis moet worden opgemaakt.
Die stelling moge vreemd klinken, als men zich herinnert, dat de oudste Reinaert reeds driemaal is gedrukt[6], tweemaal kritisch behandeld, en dus, zoo als KAUSLER zich uitdrukt[7], »durch die kritischen ausgaben.... von GRIMM und WILLEMS hinreichend bekannt” is.
Een kort overzicht der vroegere uitgaven moge mijne stelling intusschen rechtvaardigen.
De oudste Reinaert is ons slechts in één handschrift, het zoogenoemde Comburgsche, thans in de openbare boekerij te Stuttgardt, bewaard. GRIMM achtte dien tekst »wahrscheinlich im beginn des 14 jh. geschrieben”[8]; maar de nadere beschrijving van het geheele handschrift door KAUSLER leert ons, dat het gedeelte dat den Reinaert omvat, eerst omstreeks het jaar 1400 is te boek gesteld[9]. Het afschrift is dus betrekkelijk zeer jong, en uit een tijd dat men zich niet bijzonder om diplomatische naauwkeurigheid bekommerde. Het is dan ook vol fouten, zoowel misstellingen en uitlatingen[10], als willekeurige veranderingen en invoegsels van den slordigen afschrijver, die zeer dikwerf het ouder handschrift dat hij naschreef niet goed las, en daardoor de ergerlijkste, meestzinstorende fouten in zijnen tekst bracht.
Dien Reinaert liet GRÄTER voor de eerste maal in 1812 afdrukken in het vijfde deel der Braga und Hermode, en wel, naar KAUSLERS woorden, »unverändert und so weit diess bei einer mangelhaften Kenntniss der Sprache unde Paläographie möglich war, ziemlich richtig.” Die gebrekkige palaeographische kennis wil eigenlijk zeggen, dat GRÄTER ter naauwernood zijn codex lezen kon, zoo als in het oog springen zal uit het volgend proefje van leesfouten, die ik niet alle op rekening van het handschrift durf stellen, hoewel dat zeer gebrekkig is.
Vs. 113 wronghene voor wroughene; 115 ghesaet-ghesciet; 157 l'pelen-spelen; 176, 543, 767 sullren-sulken; 184 hnighe-hinghe; 198 sonde-soude; 201 landen-tanden; 202 coude-conde; 218 ret-vet; 237 ghenimt-ghemint; 269 hinit, 741 hunt-huut; 275 cene-eene; 290; 961 mi-nu (1041 omgekeerd); 292 fée-sere; 294 Thinc-Ghinc; 308 drenen-dreven; 309 dronghen-droughen; 414 zIIIIer-zuver; 947 crIIIIe-crune; 476 bruue-brune; 488 houen-honen; 494 oni-om; 671 omiroet-onvroet; 605 ghenen-gheven; 768 enme-cume; 802 abscale-abstale; 848 onner-ouver; 856 vloutte-vloucte; 993 diet-dier; 1007 niene-menne; 1023 salue-salne; 1073 nene-neve; 1081 lijue-lijne; 1091 braet-vraet; 1214 vmdise-vindise; 1220 sander hu saense-sauder hu saeuse; 1225, 1234 niet-met (1531 omgekeerd); 1344, 1376 waernen-waerven; 1355 wanc-wane; 1419 rollel-rossel; 1589 verbouden-verbonden; 1625 ghenouch-ghevouch; 1747 dien-die ic; 2032 ghenruch-ghenouch; 2157 vernaert-vervaert; 2275 vine-vive; 2302 (2298) oer-oec; [2328 hodenare-hodevare]; 2372 (2396) vore-vote; 2573 (2597) hi-bi; 2591 (2615) rijkelijn-rijkelijc; 2607 (2651) sat-scat; 2633 (2657) dier-dies; 2734 (2754) mitte-nutte; 2764 (2784) waernen-waerven; 2798, 2956 vernaert-vervaert; 2935 (2955) spacus-spaeus; 2947 (2967) dine-dinc; 3329 (3349) cumen-rumen.
Voorts wordt herhaaldelijk de kapitale L in het begin der regels als R gelezen; b.v. 165 Raetti voor Laetti; 424 Revic-Levic; 721 Riept-Liept; 791 Raghen-Laghen; 793 Rudmoer-Ludmoer; 796 Rudolf-Ludolf; 815 Ramfroit-Lamfroit; 838 Rieten-Lieten; 863 Rach-Lach; 1299 Raet-Laet; 1367 Raghen-Laghen; 1387 Rachterlike-Lachterlike.
Deze misstellingen, waarvan sommigen misschien niet aan den eersten uitgever, maar reeds aan den schrijver van den codex te wijten zijn, werden in den druk van GRIMM bijna alle verbeterd, en hij had zeer zeker recht van zijne uitgave met betrekking tot die van zijnen voorganger te zeggen: »die Comburger.... jetzt hoffentlich besser von mir herausgegebene hs.”[11]. Maar wij weten[12] dat GRÄTERS tekst GRIMM tot legger diende, waarbij slechts nu en dan »eine nachvergleichung der hs.” plaats had. Dit bewijzen ook de aan den voet van GRIMMS uitgave medegedeelde varianten, die blijkbaar die van GRÄTERS tekst zijn en niet direkt van het handschrift.
GRIMMS meerdere kennis verbeterde, gelijk wij zagen, de meeste valsche lezingen; maar het zal ons niet verwonderen dat zoo nu en dan iets aan zijne aandacht ontsnapte, waardoor enkele blijkbaar valsche lezingen in den tekst zijn blijven staan: zoo b.v. vs. 94 swighis voor swighic; 347 Riepen-Liepen; 804 houtmakigge-houtmakerigge; 1948 voden-roden; 2324 (2350) ghescoort-ghestoort.
Hoezeer GRIMM vele fouten wegnam, komen er echter in zijnen tekst nog verscheiden voor, die, hoewel van eenen anderen aard, daar zij gewoonlijk het broddelwerk zijn van den slordigen schrijver van den codex, niet minder de lezing bemoeyelijken. Overigens bepaalde hij zich om de orthographie van het stuk te verbeteren[13], zonder den versbouw te herstellen.
Twee jaren na GRIMMS uitgave zag, in 1836, die van WILLEMS het licht. Zij was het gevolg van den aankoop door het Belgische staatsbestuur van een handschrift, dat de omwerking van het eerste boek, en het bijvoegsel dat men het tweede boek noemt, bevatte. Dat handschrift was »vry gebrekkig, en zeker niet beantwoordende aan den onmatig hoogen prys, waarvoor het was verkregen,” gelijk WILLEMS zelf getuigde[14].
Hij begreep dat van dit nieuwe handschrift partij moest worden getrokken; maar in steê van de omwerking in haar geheel afzonderlijk in het licht te geven, kwam hij op het zonderlinge denkbeeld om een geheel samen te stellen uit twee zeer ongelijksoortige deelen: het eerste boek was een herdruk van den ouden tekst, met varianten uit den jongeren; het tweede boek, dat zich hieraan moest aansluiten, gaf den tekst van den, volgens den uitgever zelf, honderd jaar jonger navolger. Ziehier hoe hij daaromtrent rekenschap geeft:
»Uit eerbied en ontzag voor het oudere goede, ben ik dus te rade geworden het by GRIMM afgedrukte eerste gedeelte, 3474 versen beslaende, als grondtext te volgen, plaetsende de varianten van het handschrift onder dien text. Doch de aldus opgeteekende variae lectiones waren zoo groot, zoo talryk, dat ik my heb verplicht gezien, wilde ik geenen dubbelen text in zyn geheel leveren, daerin besnoeiïngen te maken, hierin bestaende, dat ik het min belangryke verschil van spelling en van woordplaetsing onopgemerkt liet, en slechts als variante heb laten gelden wat werkelijk verandering was, of wat my toescheen van de kennis onzer oude tael eenige oplettendheid te verdienen.
»Het gedicht is door my in twee boeken afgedeeld, waervan het eerste den ouden Reinaert der twaelfde eeuw uitmaekt, en het tweede het vervolg bevat, in de dertiende eeuw geschreven.”
Zoo ontstond eigenlijk een monster in den trant van BARNUMS Syrene; en de aesthetica, de geschiedenis der letterkunde, de taalstudie, alles eischt dat wij thans dien onnatuurlijken band ontknoopen, en thans werkelijk »eenen dubbelen text in zyn geheel leveren.”
Omtrent zijne wijze van tekstbehandeling zeî WILLEMS: »De oude prosavertaling, de fragmenten in GRÄTERS Odina und Teutona, en in GRIMMS Reinhart Fuchs medegedeeld, midsgaders de Saksische vertaling (Reineke), stelden my in staet, althans ten deele, om de boven vermelde gapingen van het handschrift aan te vullen, om de vergissingen en miszettingen des afschryvers te herstellen, om de schryfwyze meer regelmatig voor te dragen, met één woord, om eenen meer critisch behandelden text aen het publiek te leveren.”
Gelijk uit den samenhang blijkt, ziet dit alles hoofdzakelijk op het tweede boek. Maar ook betrekkelijk het oudste deel heeft WILLEMS zich niet geheel aan den tekst van GRIMM gehouden. Vooral in de spelling heeft hij zich zekere vrijheid veroorloofd en haar meer regelmatig gemaakt, terwijl hij de ontbrekende of overtollige adspiratie in de vlaamsche uitspraak herleid heeft tot het gewone spraakgebruik. Enkele malen heeft WILLEMS ook meer eigenlijke wijzigingen in GRIMMS tekst aangebracht: zelden is hij hierin gelukkig geweest, en zoowel in dit opzicht als in de tekstverklaring, ziet men de duidelijkste sporen van de overhaasting, waarmede die uitgave tot stand kwam. En geen wonder: in de maand Mei ontving WILLEMS den last om »er eene uitgave van voor te bereiden;” hij zette zich »met iever aen het werk”[15]--en het voorbericht, geschreven toen de geheele tekst was afgedrukt, is gedagteekend den 20 Augustus!
Dat er tot eigenlijke tekstkritiek, die zich iets meer ten doel stelt dan de verbetering der bloote schrijffouten van het hs., in deze uitgave geene poging werd gedaan, zal men WILLEMS allerminst tot een verwijt mogen maken: men herinnere zich slechts, dat het werk in de eerste helft van het jaar 1836 voltooid werd, en men verlieze niet uit het oog, dat men toen gewoonlijk aan diplomatischen afdruk der handschriften de voorkeur gaf, zoodat WILLEMS werkelijk meer geleverd heeft dan men van het standpunt der toenmalige--ik zeg niet wetenschap, maar--beoefenaars van het vak kon verwachten.
Had WILLEMS het geluk gehad den tijd te beleven dat eene tweede uitgave van zijn werk noodzakelijk werd, hij zou zeker niet berust hebben in zijn vroegeren arbeid. Ik kan daarom ook geen vrede hebben met den onveranderden herdruk door SNELLAERT in 1850 in het licht gegeven.
Hij ging uit van het beginsel: »Eene tweede uitgaef van deze uitmuntende bewerking is toch niet te veel”[16]. Zoo nu ontegenzeggelijk de uitgave van 1836 een werk was »waer de roem van [onzen] overleden vriend zoo innig mede verbonden is,” ik kan daarom nog niet toestemmen, dat SNELLAERT »aen de nagedachtenis van den vriend verschuldigd” was in 1850 een werk letterlijk te herhalen, waarin de voortschrijdende wetenschap van lieverlede leemten en gebreken moest doen vinden. WILLEMS zocht naar waarheid en billijkte geen stilstand: hijzelf zou zeker geen onveranderden herdruk hebben goedgekeurd na een tijdsverloop van veertien jaren, en daarom kan ik mij niet vereenigen met de stelling van onzen vriend SNELLAERT, wiens hart hier zijn hoofd heeft verschalkt.
Buitendien begrijp ik ook niet hoe de nieuwe uitgever, »zonder gevaer te loopen van een zoo gunstig beoordeeld werk een wangedrocht te maken, onmogelyk een anderen text geven kon[17].”
Ik heb integendeel beproefd een »anderen tekst” te leveren, en ik hoop toch geen »wangedrocht”; evenmin als ik geloof mij aan de letterkundige nagedachtenis van den voortreffelijken Vlaming te hebben vergrepen.
Dat ik eene nieuwe uitgave noodzakelijk rekende op den tegenwoordigen trap der wetenschap, vindt, naar ik vertrouw, zijne rechtvaardiging in het voorafgaande overzicht; thans een enkel woord over de wijze waarop ik mij van mijne taak meende te moeten kwijten.
In de eerste plaats scheiding der ongelijksoortige deelen, door eene afzonderlijke uitgave der beide teksten. Dit is een eerste vereischte; want eerst als men de omwerking in haar geheel voor oogen heeft zal eene werkelijke vergelijking mogelijk worden, en de tijdsbepaling van het ontstaan van het tweede stuk naauwkeurig kunnen worden afgebakend.
Ik vervul thans het eerste gedeelte mijner taak; ik geef in de eerste plaats een nieuwen druk van het ouder, oorspronkelijke stuk, omdat dit, wegens de meerder aesthetische waarde, de meeste belangstelling verdient en zal opwekken. Ik waag het eene nieuwe uitgave te leveren, omdat de bekende teksten tot een wetenschappelijk onderzoek onvoldoende zijn, daar zij niet zelden berusten in eene lezing die onverstaanbaar is, en geen zin hoegenaamd oplevert. Ik streefde er daarom naar een kritisch verbeterden, lees- en verstaanbaren tekst tot stand te brengen.
Ik heb daartoe naauwkeurig de varianten in GRIMMS uitgave vergeleken, en waar het mij noodig scheen, mij vergewist van de lezing van het Comburger handschrift door bemiddeling van KAUSLERS onuitputtelijke bereidvaardigheid. Niet zelden stelde mij dat in staat de echte lezing te herstellen.
Eene doorloopende vergelijking van mijn tekst met de kollatie aan den voet, zal doen zien, dat er vrij wat kaf van het koren te scheiden viel. Hier mogen een paar der treffendste voorbeelden daaromtrent allen twijfel wegnemen.
Behalve op de eerste verzen van den proloog, wier oorspronkelijke lezing eene geheele verandering moet brengen in het vraagstuk over het ontstaan des gedichts, en die ik iets later naar de oorspronkelijke lezing zal aangeven, wijs ik op de volgende plaatsen:
Als de beer Reinaert komt indagen, zegt deze hem, dat hij »den buuc so gheladen” heeft (556) met honing, dat hij kan staan noch gaan. Dan volgt later bij GRIMM en WILLEMS, 568:
versscer honichraten Hebbic commer harde groot,
dat WILLEMS verklaarde: »ik heb grooten kommer wegens.... versche honigraten.” Intusschen is kommer gebrek, waarvan hier natuurlijk geen sprake kan zijn. Maar ziet, in de kollatie bij GRIMM staat voor het commer van den tekst: coiiiier, en dat is blijkbaar couuer, couver, coever, daar in den codex steeds onze tweeklank oe door ou wordt uitgedrukt. Coever nu is een bekend woord, dat overvloed beteekent.
Als de kater in den strik van Martinet gevangen is, heet het 1208:
Tibert moeste roepen doe Ende wronghede hem selven dor den noot: Hi makede een gheroep so groot, Dat Reinaert hoorde up der straten.
Dit wronghede verklaart GRIMM, p. 274, door »drehen, schnüren,” en WILLEMS met »verwrong.” Maar wronghede veronderstelt een ww. wronghen, dat niet bestaat; aan wringen valt niet te denken, hoewel de overeenkomst van klank de vorige uitgevers schijnt misleid te hebben. Buitendien blijkt uit het voorgaande zoowel als het volgende vers, dat er een woord moet staan, dat zich verraden, of iets dergelijks beduidt. Eene kleine verandering geeft dit: men leze slechts wroughede, wroeghede.
Vs. 1222 leest GRIMM:
Tibert, ghi singhet ni lanc so bet,
hetgeen hij noemde, p. 274, »eine verderbte stelle, der ich keine hülfe weiss.”
WILLEMS veranderde je lanc so bet; maar eenvoudiger is te lezen in lanc so bet, dat het hs. wel zal hebben, en de goede oude uitdrukking is.
Vs. 1306 leest WILLEMS met GRIMM:
Doe hiefsene op met haerre cracht.
De variant bij GRIMM geeft hieffene, dat de ware lezing is, mits men voor Doe leze Soe. Dat de kapitale D en S licht te verwisselen waren leert het facsimile.
Vs. 1988 gebiedt de wolf zijne vrouw Reinaert niet te laten ontvluchten:
No dor goet, no dor miede, No dor nijt, no dor noot.
Uit nijd kon zij hem onmogelijk laten ontsnappen: dit is onzin; en buitendien weet men, dat Hersinde den vos alles behalve nijd toedroeg. De variant bij GRIMM heeft: no dor met, hetgeen blijkbaar verkeerd gelezen is voor niet, d.i. welwillendheid, genegenheid, hetgeen alleen een gezonden zin geeft.
Vs. 1947 bij Gr. en W.
Ghi sult doden Reinaert, uwen neve, den fellen voden.
WILLEMS verklaarde: »voden; nog overig in hondsvot, een obsceen woord, door velen gebezigd, maar door weinigen verstaan.” GRIMM leerde, p. 278: »vode, lump, lumpenkerl. KILIAN schreibt vodde, MAERL. 3, 418 steht vuden. Der acc. unserer stelle, wenn es ein subst. ist, forderte vode, es scheint also adj.”
In de plaats die GRIMM uit MAERLANT aanhaalt, schuilt eene drukfout, daar men blijkbaar voor vuden het bekende ruden moet lezen: dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar rasten moet gelezen worden voor vasten.
Men heeft nu waarschijnlijk reeds ontwaard, dat ook in de aangehaalde plaats uit den Reinaert dezelfde verwisseling is ingeslopen, en dat het onbekende voden moet plaats maken voor het hier zeer gewone: den fellen roden.
Vs. 2094 leest GRIMM:
Ende verbeet hanen ende hoender,
hetgeen WILLEMS willekeurig veranderde in:
Ende verbeet vogel ende hoener,
niet bedenkende, dat het den vos moeyelijk moest vallen vogelen te bespringen. De variant bij GRIMM geeft de juiste lezing aan: haenden, d. i. eenden, zoo als ons MAERLANTS Naturen Bloeme leert.
Vs. 3114 (3134) leest men bij GrW.:
Die welpkine liepen ten brase,
hetgeen GRIMM (p. 285) verklaart: »Zur mahlzeit, zum schmause: braes epulae, brassen epulari.” Intusschen is het »vermuthete” braes nergens aan te wijzen. WILLEMS zegt: »Brase, bras; om te brassen.” GRIMMS variant geeft ten base, dat hij terecht verwierp. Hoe eenvoudig is het intusschen om aan te nemen, dat dit kwalijk gelezen is voor ten hase, d. i. met de Vlaamsche adspiratie ten ase, dat ook de omwerking heeft. De h en b worden ook elders verwisseld, b.v. 2572 (2597) waar uit het hs. gelezen werd hi avonture, hetgeen blijkbaar is bi avonture, en niet, zoo als in de andere uitgaven staat, die avonture.
Enkele andere plaatsen moesten worden terecht gebracht, waarin meer dan eene verkeerde lezing van een ouden of nieuwen afschrijver stak. Zoo waren de volgende onverstaanbaar.
Tibert, de kater, den vos ten hove willende verdedigen tegen de aanklacht van den hond Cortois, zegt ten slotte van zijn pleidooi, 124:
Hets recht dat omberet si Die claghe die Cortois doet.
Daartegen verzet zich Pancer, de bever, 126:
Dinct u goet, Tibert, dat men die claghe ombere? Reinaert es een recht mordenere, enz.
En als hij dit metterdaad wil bewijzen, vervolgt hij, 135:
Wat sechdi van ere laghe? En dedi ghistren enz.
GRIMM noch WILLEMS geven hier eenige verklaring, die echter bij die plaats wel noodig kon schijnen. Wat beteekent toch die vraag? Er is immers van eene laghe (hinderlaag) niet gesproken! De omwerker heeft, volgens WILLEMS' variant, van eenre sagen, hetgeen evenmin een gezonden zin oplevert. Is het nu te stout hier, tegen de handschriften aan, te verbeteren:
Wat sechdi van omberen claghe?
Dan loopt immers de zin zoo natuurlijk mogelijk af.
Als de koning Reinaert voor de tweede maal door Tibert doet indagen zegt bij onder anderen, 1022:
En comt hi niet, hets hem quaet, Men salne drie werven daghen, Te lachtre allen sinen maghen.
Deze lezing is echter blijkbaar valsch, daar het onmogelijk Reinaerts magen tot schande kon strekken, dat hij naar wettig gebruik driemaal gedaagd werd. Buitendien zeî toch de koning, dat het reeds slecht met hem af zou loopen, als hij op deze tweede indaging niet ten hove verscheen. Bedenkt men dat Tibert later tot den beklaagde zegt, 1070:
Die coninc dreicht u an u leven Ne comdi te hove niet met mi,
dan kan het niet missen, of de natuurlijkste verbetering is deze:
Men salne hanghen sonder daghen,
gelijk de koning ook in het fransche gedicht zegt, 10447:
Dites moi le rox deputaire Qu'il me viengne en ma cort droit faire En la présence de ma gent; Si n'i aport or ne argent, Ne parole por soi deffendre, Mès la hart à sa gole pendre.
Blijkbaar bedorven is ook de volgende plaats, die intusschen aldus in het handschrift gelezen wordt. Als Reinaert gebiecht heeft geeft Grimbert hem de absolutie, en daarna, 1683:
Riet hi hem goet te wesene, .......................... Ende dat hi vort alle sine daghe Behendelike soude gheneren.
Maar Reinaert had zijn geheele leven niets anders gedaan dan zich behendelike te genéren. Wie ziet niet dat hier moet gelezen worden bescedelike, dat in het schrift des tijds bij vluchtige inzage van een slordig geschreven codex lichtelijk met behendelike kon verwisseld worden, bij de overeenkomst der letters sc en h.
Vs. 1692 leest men:
Nu moet hi pleghen siere selen,
dat WILLEMS vertaalt: »Ziedaer, hoe hy zyne ziel moet verplegen.” De lezing is door GRIMM in den tekst gebracht, daar C. heeft:
Nu moet hi siere sielen pleghen,
hetgeen GRIMM verwierp omdat pleghen niet rijmde op stelen. Beter ware echter het slechte rijmwoord dan het ondietsche woord selen. De afschrijver had hier denkelijk vs. 428 in het hoofd:
God moet haerre siele pleghen,
met het rijmwoord versleghen. Dat 692 alleen het rijmwoord te veranderen was, leert de vergelijking met 381:
Ic moet miere siele telen,
welk telen of ghetelen ook nog 2333 (2359) voorkomt. Men leze dus 1692:
Nu moet hi siere siele telen.
Deze sprekende voorbeelden mogen volstaan om te doen zien hoezeer onze Reinaert eene kritische behandeling noodig had om daarvan een verstaanbaren tekst te leveren.
Behalve soortgelijke verbeteringen heb ik mij dikwerf omzettingen van woorden veroorloofd of vervanging van den eigennaam door een voornaamwoord, waar de versbouw dat noodig maakte. Ik ben overtuigd dat een ouder handschrift die veranderingen in den regel zou schragen; maar ook zonder dien steun ben ik daarin niet angstvallig geweest, daar ik nimmer zal kunnen gelooven, dat een zoo uitstekend dichter als de auteur van den Reinaert was, niet zou voldaan hebben aan de eischen van welluidendheid en verzifikatie.
Eindelijk heb ik het gewaagd met behulp van den omwerker enkele gapingen aan te vullen, die het recht verstand in den weg stonden, b.v. achter vs. 2276, en 2634 (bij GrW. 2658); terwijl ik er zelfs niet tegen opzag om de 30 verzen na 2308 (bij GrW. 2304) uit den tekst te werpen, daar zij blijkbaar den samenhang stooren en geheel en al buiten den geest van het oorspronkelijke gedicht vallen, dat even vrij van eigenlijke fabelen is als het vervolg er mede is opgevuld.
Men zal dit waarschijnlijk te gewaagd vinden; sommigen het een onverdedigbaar vergrijp tegen de overlevering der handschriften noemen. Ik mocht mij door dit vooruitzicht niet laten weêrhouden alles aan te wenden om het meesterstuk onzer middeneeuwsche poëzie zooveel mogelijk in zijne oorspronkelijke reinheid te herstellen. Ik zeg zooveel mogelijk, want ontegenzeggelijk heeft de tekst door eigendunkelijke veranderingen der afschrijvers geleden, die jonger vormen of uitdrukkingen stelden in de plaats van wat hun verouderd of onverstaanbaar voorkwam. Ik zal slechts een paar voorbeelden aanhalen. Blijkbaar is niet zelden het meervoudige pronomen ghi, u, in de plaats getreden van het enkelvoudige du, di, zoo als schijnt te blijken uit 2856-7 (2876-7). WILLEMS noemt[18] »het woord bedi, door den auteur van het eerste boek zoo gaerne gebezigd;” nu komt dat woord in onzen tekst slechts vijf maal voor: twee maal in den zin van doordien, daarom (2892, 2975), driemaal in de beteekenis van want (2331, 3110, 3162). Overal elders leest men daarvoor: dor dat (111, 216, 884). Dit bracht mij zelfs eerst op de gedachte of het tweede gedeelte van ons gedicht ook van een andere hand kon zijn dan het eerste, te meer daar er na vs. 2170, dus juist in dat gedeelte dat, gelijk wij zien zullen, het meest van het Fransch afwijkt, ook nog andere woorden voorkomen, die niet in de eerste 2000 verzen gevonden worden, als altoos, als ende als, bedraghen, beghaen, bliken, erre, iet, indien, claren, wout enz. Maar een zeer omstandig onderzoek heeft mij van het tegendeel overtuigd.
Immers het geheele stuk door vind ik de tusschenzinnen op dezelfde wijze aangebracht, vs. 6, 103, 138, 193, 447, 453, 611, 914-5, 1404, 1440, 1470, 1593, 2162, 3161-2, 3177, 3425.
Evenzoo is het met de allitererende formulen; 13, 33, dorpren ende doren, 66 dor edelheit ende dor ere, 668 onteert ende ontervet, 1284 scade ende scande, 1563 leet ofte lief, 1606 stene ende struke, 1685 vasten ende vieren, 1970 nichten ende neven, 1989 no dor niede no dor noot, 2073 vrient no viant, 2094 haenden ende hoener, 2150 lief no leet, 2238 hout van herten, 2346 droghe ende diep, 2855 struke ende stene.
Op dezelfde wijze vindt men het geheele gedicht door tautologische uitdrukkingen waarop GRIMM de aandacht gevestigd heeft[19] als stal ende nam, pine ende onghemac, hermite oft clusenare, bejach no ghewin, owi ende wee, diefte ende roof, enz. enz., b.v. 42, 97, 103, 106, 230, 264-5, 268, 276, 306, 308, 326, 333, 350, 358, 405, 435, 484, 485, 516-7, 531, 597, 613, 666, 690, 693, 701, 743, 770, 933, 1046, 1108, 1174, 1182, 1426, 1438, 1449, 1532-3, 1591, 1597, 1678, 1691, 1787, 1816, 1842, 1878, 1894-5, 1988, 2041, 2043, 2054, 2064, 2075, 2086, 2093, 2097, 2114, 2118, 2120, 2173, 2191, 2251, 2272-3, 2308, 2309, 2315, 2336, 2342, 2362, 2462, 2485, 2496, 2507, 2512, 2588, 2697, 2860, 2894-5, 3000, 3045-6, 3071, 3079, 3205, 3345, 3366, 3420.
Voorts enjambeert de zin over den rijmregel het geheele gedicht door, b.v. 229, 359, 985, 1315, 1361, 1578, 1731, 2250, 2339, 2360, 2439, 3243, 3244, 3327, 3332, 3435.
In beide deelen vindt men onzuivere rijmen, b.v. 105 man, nam, gram, began, 451 graf, was, 795 swinghen, vingheren, 2101 Isengrijn, rijm, 2113 doe, vro, 2129 Hersinde, kindren, 3359 trac, dat(?), 3431 verbijt, dit, 2851 omberen, varen, 2913 snoeren, te voren, en misschien 3027 voeten, grote.
Van het begin tot aan het eind ontwaart men een streven om denzelfden rijmklank te vermenigvuldigen: vooreerst in de veelvuldige opvolging van vier zuivere rijmwoorden, b.v. 139 ghedede, vrede, ghelede, crede; 261 an, can, man, ban; 267 ware, clusenare, hare, jare; 367 niemare, ware, clusenare, twaren; 459 boecstave, grave, begraven, scraven; 945 prihore, ore, bescoren, verloren; 1233 ghestaen, ghevaen, wane, hane; 1307 waert, Reinaert, waert, vervaert; 1333 rade, dade, daet, raet; 1501 begheven, leven, gheven, leven; 1737 ghelaet, vraet, gaet, quaet; 2065 man, an, dan, man; 2295 vrouwe, trouwe, soude, woude; 2299 waer, haer, vare, openbare; 2725 vaert, claert, Reinaert, waert; 2761 lede, vrede, crede, mede.[20]
Voorts springt dit nog veel duidelijker in het oog als men de bloote assonnance in rekening brengt, die ontelbare malen, het geheele gedicht door, meer dan twee regels verbindt. Wij zullen slechts enkele voorbeelden bijbrengen, omdat het ons aan plaats ontbreekt de grootste helft van het gedicht hier af te schrijven.
Vs. 21 weten, heten, leven, begeven; 101 man, nam, gram, began; 155 begeven, gheheven, spele, vele; 699 dat, sat, sal, al; 711 ghevaen, staen, haest, naest; 3315 ram, quam, middach, ghesach; 3401 pine, Beline, gheliet, verriet; 3433 mesdaet, quaet, maghen, bejaghen.
Zoo worden ook meer dan vier verzen gebonden. B.v. zes: 901 verslaghen, ghedraghen, ghevaren, daren, daghe, claghe, 1275 vader, gader, jare, ware, scame, name; zoo ook 1331, 1693, 1767, 2215, 2323, 2867, 2915, 3307, 3377. Acht, b.v. 291 gaende, slaende, bare, mare, Cantaert, waert, hane, wane; 395 saghe, haghe, ondergaen, saen, ghetale, male, nakede, smakede; zoo ook 1239, 1749, 2621, 3229, 3291.
En zelfs tien: b.v. 447 lanc, sanc, las, was, graf, was, gras, was, sach, lach; 1091 vraet, ghelaet, overstaerc, maerc, bestaen, waen, dagheraet, raet, ghedaen, gaen; 1451 Reinaert, herwaert, gheraden, ghenaden, mesdaet, verstaet, mater, cater, mesdaen, dwaen.
Reeds het veelvuldige van dit opmerkelijk verschijnsel loont, dat het niet een bloot spel van het toeval kan zijn; en wij zien dat ook nog nader, als wij opmerken hoe de dichter er naar streefde weêr op denzelfden rijmklank terug te komen, ook als hij dien voor 't oogenblik had moeten opgeven. Dikwerf keert na twee regels dezelfde assonnance terug: 127 ombere, mordenere (dief, lief), here, ere; 187 angaen, ontfaen, (gherne, wernen), mesdaen, staen; Isengrijn, pijn (ghevoech, onghevoech), wijf, lijf; enz. enz.
Nog een paar voorbeelden op ietwat grooter schaal: 1407 wijf, lijf, ontgaen, gaen, hermeline, mine, nu, u, Reinaerdine, gaerdeline, al, sal, dief, lief; 3097 hermeline, pine, gram, vernam, vlien, ghescien, ondergaen, saen, mordadelike, ghenadelike, sidi, mi; 539 Reinaert, waert, haghedochte, ghedochte, raet, vraet, driven, bliven, lanc, danc, vrient, gedient, ganc, lanc, bestaen, ghegaen, gheraden, gheladen, wise, spise, gaen, ghestaen, sat, wat, have, grave, weten, eten, aten, honichraten.
Die zeer bijzondere eigenaardigheden, afwijkende van wat men in alle andere Mnl. geschriften aantreft, vindt men in het geheele gedicht, van het begin tot aan het einde terug; zoodat het wel ontwijfelbaar zijn zal, dat wij hier het werk van een en denzelfden kunstenaar voor ons hebben.
Komen er nu oneffenheden, verschilpunten van anderen, ondergeschikten aard in voor, dan zal men wel gerechtigd zijn tot het besluit, dat de afschrijvers daarvan de schuld moeten dragen.
Dat alles te veranderen bij gissing en op louter theoretische gronden, lag buiten de bevoegdheid der kritiek, zoolang geen ouder codex van het gedicht gevonden wordt, weshalve ik mij bepaal daarop alleen de aandacht te vestigen[21].
Wie nu onze veranderingen desniettegenstaande nog te gewaagd vindt, wie de voorkeur geeft aan het slordige afschrift van een onnadenkenden kopist, legge deze uitgaaf ter zijde en keere des noods tot die van GRÄTER terug.
Vooral de verwerping van de fabel na 2308 (2304) dwong mij tot eene vernummering der verzen, zoodat de telling na vs. 2274 niet meer met die der vorige uitgaven overeenkomt. Bij het doorloopende onderscheid zal dit echter geen bezwaar van eenig belang opleveren. In mijne aanhalingen heb ik echter, tot gemakkelijker vergelijking, in den regel de cijfers der vorige uitgaven tusschen haakjes geplaatst.
In de orthografie heb ik mij zoo na mogelijk aan den oud-vlaamschen schrijftrant gehouden tot zoover de duidelijkheid er niet onder leed. Terwijl in GRIMMS uitgave »das flämische anlautende h in huut, hete, hat, für uut, ete, at, umgekehrt aerde für haerde, gheoorsam für ghehoorsam, geflissentlich bewahrt” werden[22], heb ik, even als WILLEMS, dit veranderd, omdat het dikwerf voor den hedendaagschen lezer moeyelijkheden oplevert in het recht verstaan van den tekst, gelijk ik bij ondervinding weet. Buitendien is dat toch een provincialisme dat uit de beschaafde schrijftaal moest worden verbannen.
Maerghen voor morghen heb ik behouden, maar niet ou voor oe, in de woorden drouch, slouch, enz., noch ook lust voor list, daar de rijmen 2602 (2626) en 2376 (2400) juist list hebben.
Voorts heb ik er naar gestreefd de fouten van het handschrift met betrekking tot de enkele vokaalspelling en vooral de zwakke en sterke buigingen, naar den regel te herstellen. Orthografische veranderingen zijn in den regel niet aangewezen: al de overigen zijn zoo naauwkeurig mogelijk in de kollatie aan den voet der pagina opgenomen[23]. Kortheidshalve heb ik daarbij slechts in de allernoodzakelijkste gevallen van de reden der verandering rekenschap gegeven, in de overtuiging dat zij bij eenig nadenken vanzelf in het oog zal vallen.
Zoo ik er naar gestreefd heb het rhythmus te zuiveren, ik heb in den regel de aansluitingen en samentrekkingen niet aangewezen, die bij het lezen moeten worden in acht genomen, daar dit in Mnl. stukken niet regelmatig is vol te houden. Ik vertrouw dat lezers die het gedicht werkelijk willen genieten, genoegsaam met de regels der Mnl. metriek zullen bekend zijn, om zoodanige aanwijzingen te kunnen ontberen.
Thans, nu ik rekenschap van het doel en de wijze van behandeling dezer uitgave heb gegeven, kunnen wij overgaan tot de overweging van de nog niet genoegsaam opgehelderde vraagstukken over het ontstaan en den ouderdom van den Reinaert.
II.
Het oordeel over het ontstaan en den ouderdom van onzen Reinaert, hangt ten naauwste samen met deze schijnbaar eenvoudige vraag: is de proloog in den Comburger tekst het werk van den eersten schrijver of van den omwerker?
WILLEMS beweert het laatste, en wel op de volgende gronden: Hij haalt de eerste regels van den proloog aldus aan:
WILLEM, die Madock maecte, Daer hi dicke om waecte Hem jamerde seer haerde Dat die geeste van Reinaerde Niet te recht en is gescreven: Een deel is daer after gebleven: Daeromme dede hi die vite soeken Ende heeftse, uten walscen boeken In duutse aldus begonnen.
Dan gaat hij voort: WILLEM heeft niet den oudsten Vlaamschen Reinaert opgesteld; maar wat hij »in het oude gedicht niet te recht gescreven oordeelde, verbeterde hy en vulde hy aen; in dien zin versta ik het aldus begonnen van dit laetste vers; doch om geheel de vite of levensbeschryving van Reinaert te doen kennen heeft hy datgene, hetwelk after gebleven was, door middel van walsche, dat is, door fransche boeken, vervolgd en ten einde gebracht. Hy is dus de schryver van het vervolg, en slechts de verbeteraer of omwerker van het eerste boek.
»De nedersaksische vertaling van Reineke en de oude prosadrukken van Gouda 1479 en Delft 1485, die de prologe niet kennen, en met vs. 41 aenvangen, maken het zeer bedenkelyk of dit voorwerk geen byhangsel zy van lateren tyd. Men kan evenwel ook aennemen dat de eerste Reinaert begon met vs. 11.
Nu keert hem daer toe mijn sin, enz.
»Hoe men dit dan ook beschouwe, het aldus begonnen van vs. 9 steekt altoos zeer sterk af tegen vs. 40:
Nu hoort hoe ic hier beginne;
want, zie daer een dubbel begin! Er is ook eene dubbele bedoeling. WILLEM verklaert zyne taek aentevangen om dat het hem zeer jammerde dat er nog zoo veel aen de historie van Reinaert ontbrak; terwyl de oorspronglyke dichter slechts daerom de avonturen van Reinaert MAEKTE, om dat zekere dame, die in groter hovescheden gerne hare saken keert, hem daer toe bad (vs. 26-31). Deze beweegreden alleen gaf hem de pen in de hand; anders had hy stil gezwegen (vs. 26).
»Dat een vervolgschryver of interpolator soms prologen voor het werk van zynen voorganger plaetste, is niet zonder voorbeeld. In byna al de handschriften der Brabantsche Yeesten staet er een van verschillenden inhoud, en, wat meer is, van verschillenden datum.
»Indien WILLEM het eerste gedeelte naer het fransch hadde opgesteld, dan zou by voorbeeld de wolvin, gelyk in de hoogduitsche omwerking der vertaling van Heinrich der Glichsenaere, Hersant en niet Hersint of Erswinde heeten; dan zou de naem van den hond, Cortois, in de fransche branches bewaerd zyn gebleven (hy wordt er Roonel, Rooniax of Morout genoemd); dan zou het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling van het onderwerp (vs. 100, 1461-1463 enz.) niet zoo eigenaerdig, niet zoo geheel vlaemsch zyn; en dan zou men eindelyk in de fransche Renarts eenig overblyfsel, eenig spoor van zulk een voortreffelyk werk, als het origineel zyn moest, ontdekken. Wy zullen straks zien, dat de trouveres geen ouder fransch gedicht kennen, dan dat van PERROZ DE SAINT CLOUD, en dat de fransche branche, in onze bylagen bl. 302-341 opgenomen, eene navolging, ja grootendeels eene letterlyke vertaling van onzen Reinaert is.
»Beschouwt men daerentegen WILLEM voor den hermaker en vervolger van het gedicht, dan verklaert zich alles ten duidelykste; want in [zyn werk] vindt men, voor eerst, eene omdichting van het eerste boek,.... en, ten andere, een vervolg van dit oorspronglyk gedeelte, meest uit fransche poëten of uit de Fabulae extravagantes samengeraept”[24].
Tegen die redenering is het een en ander in te brengen:
Vooreerst is zij gebouwd op den aanhef der omwerking; maar in de oudste redaktie luiden de aangehaalde verzen aldus:
WILLEM die vele bouke maecte, Daer hi dicken omme waecte, Hem vernoyde so haerde, Dat die avonture van Reinaerde In Dietsche onghemaket bleven, Die WILLEM niet hevet vulscreven, Dat hi die vijte van Reynaerde soucken Ende hise naden Walschen boucken In Dietsche dus hevet begonnen[25].
Die lezing is onverstaanbaar, maar ook blijkbaar bedorven: niet slechts in GRÄTERS uitgave, maar reeds in het Comburgsche handschrift. Het is intusschen onverklaarbaar, dat GRIMM niet de minste poging heeft gedaan om dien bedorven tekst te herstellen, maar daarvoor de lezing van den omwerker in de plaats stelde. WILLEMS schijnt zich hoofdzakelijk aan den tekst van GRIMM gehouden te hebben zonder altijd veel acht te slaan op de kollatie aan den voet der bladzijden; en het kan ons niet verwonderen, dat hij hier gretig eene lezing opnam, die zijn stelsel in de hand werkte, ja er eigenlijk de basis van is. Hij had intusschen, met GRIMM, de lezing van C. moeten aangeven, die door zijne uitgaaf in Nederland geheel onbekend raakte.
Zien wij thans of die verworpen lezing niet is te recht te brengen.
De grootste zwarigheid levert zeker vs. 6 op; maar juist hier is het niet moeyelijk eene verbetering aan de hand te geven. Niet is in tegenspraak met al het overige; maar dat niet is juist bedorven. De varianten bij GRIMM doen zien, dat soms de r en t niet goed te onderscheiden waren in het Comburger handschrift; men begrijpt dat dit ook het geval kon zijn met den codex waarnaar dit werd afgeschreven. Zoo las GRÄTER, of misschien reeds het handschrift zelf, vs. 993, voor dat felle dier (:lier), dat felle diet; 2372 (2396) voere in plaats van voete. Bedenkt men daarbij dat de n lichtelijk in sommige handschriften met de h kan verwisseld worden, dan zal het wel geoorloofd zijn aan te nemen dat er oorspronkelijk gestaan hebbe hier, in steê van dat onbegrijpelijke niet. En zoo kunnen wij, met geringe verbetering van 't overige, de plaats dus herstellen:
WILLEM, die den Madoc[26] maecte, Daer hi dicke omme waecte, Hem vernoyede so haerde Dat davonturen van Reinaerde In Dietsce onghemaket bleven, (Die hi hier hevet vulscreven), Dat hi die vite [dede] soeken, Ende hise na den walscen boeken In Dietsce dus hevet begonnen.
Blijkbaar is dat de tekst van den oorspronkelijken schrijver; en daarin heet het niet, dat de historie niet te recht is geschreven, of dat er een deel van is achterwege gebleven; maar de avonturen van Reinaert (verg. vs. 31) waren in het geheel in het Dietsch ongemaakt: dit was hem zoo leed, dat hij de vite opzocht en die uit het Fransch in het Dietsch overbracht.
De tusschenzin van vs. 6 moge bij den eersten oogopslag eenigen twijfel opwekken, deze zal weldra verdwijnen als men ziet, dat er dergelijke het geheele gedicht door voorkomen, zie boven bl. XXIII. En juist daarin vinden wij een nieuw bewijs, dat de Inleiding van den schrijver van het oudste gedicht is, wiens eigenaardigheid hier zoo duidelijk in het licht treedt.
Het eerste gedeelte van WILLEMS' betoog vervalt door deze eenvoudige opmerking vanzelf[27].
Dat de vertaling of de proza-omwerking de inleiding, die geheel van persoonlijken aard is, niet hebben, bewijst niets, zoo als WILLEMS zelf reeds bevroedde, daar hij niet ongeneigd is om aan te nemen dat de eerste Reinaert met vs. 11 begon.
Steekt nu werkelijk vs. 9 zoo sterk af bij vs. 40,
Nu hoort hoe ic hier beghinne?
Is dat in den eigenlijken zin des woords een dubbel begin, dat alleen uit eene dubbele bedoeling is te verklaren?
Maar men lette wel op, dat als men met vs. 11 den ouden tekst laat aanvangen, men daar terstond leest:
Nu keert hem daer toe mijn sin, Dat ic bidde in dit begin, enz.
zoodat men toch een dubbel begin zou hebben. Trouwens men leze den geheelen proloog onbevooroordeeld, en men zal zeker geen aanstoot nemen aan de herhaalde vermelding van het begin. Wie des ondanks alleen door gelijksoortige voorbeelden is te overtuigen, verwijs ik naar JAN VAN HEELU, die zijne kronijk ook met een proloog begint, waarin hij in de eerste regels zijn boek aan MARGARETA van Engeland aanbiedt; dan heet het verder, dat hij anders wellicht zijn werk niet had ondernomen, (vs. 69)
En hadde gedaen van Ingelant Vrouwe Margriete, alsic thant Int beghin sprac overluut.
En dan wederom in het slot der inleiding, vs. 78:
Nu helpe my God, ic saels beginnen[28].
Is er voorts niet eenigen schijn overgebleven dat een fransch origineel aan ons gedicht ten grondslag ligt? Of bewijzen de Fransche eigennamen der dieren, de naam van Reinaerts kasteel Maupertuus, niet voor de ontleening? GRIMM neemt dit met betrekking tot het Mhd. gedicht als overtuigend bewijs aan[29], en ook wij behoeven er niet aan te twijfelen[30].
Want niemand zal wel met WILLEMS' betuiging tevreden zijn: »De dichter van den Reinaert schynt.... een grand clerc, zoowel in het Fransch als in het Nederduitsch geweest te zyn, en dit verklaert ons waerom hy sommige namen, als Cortois, Malpertuis, Malcrois en Pinte, uit eerstgenoemde tael ontleende”[31].
Ja maar, zegt men wellicht met WILLEMS, in het hoogduitsche gedicht heet de wolvin Hersant en niet, zoo als bij ons, Hersint!
Sedert WILLEMS schreef gelukte het GRIMM een groot fragment van den oorspronkelijken onveranderden hoogduitschen tekst op te sporen[32], en daarin heet de wolvin niet als in het gemodernizeerde, vroeger door hem uitgegeven gedicht, Hersant, maar, even als in onzen Reinaert, Hersint, zie b.v. vs. 608, 627, 870, 877, enz.--ergo.
Dat Cortois niet bij de Franschen voorkomt, dat het tooneel der gebeurtenissen en de behandeling eigenaardig Vlaamsch is, laat zich begrijpen, als men weet, dat de Reinaert niet in allen deele strikt vertaald is, maar dat de Vlaamsche dichter dikwerf zijn eigen weg ging, gelijk wij nader zullen aantoonen.
Alvorens WILLEMS' laatsten bewijsgrond te toetsen, moeten wij nog van een anderen kant doen zien, dat de proloog onmogelijk van den omwerker kan zijn.
Er is in den Comburger tekst geen spoor, dat de dichter van dien tekst het oog hebbe gehad op een vervolg zoo als de omwerker er aan toevoegde. Deze bereidt dan ook zijn tweede deel voor, door eene noodzakelijke verandering, zoo als WILLEMS zelf opmerkt[33]. In den oudsten tekst namelijk verlaat Reinaert met de zijnen zijn kasteel, om zich in de wildernis te verbergen, vs. 3311 (3331):
Si daden hem alle up die vaert: Ermeline ende here Reinaert, Ende hare jonghe welpkine, Dese anevaerden die woestine;
welk verhaal door den omwerker wordt achterwege gelaten, omdat de latere gezanten des konings Reinaert weder in zijn kasteel moesten aantreffen.
Uit dit onderscheid mag men opmaken dat de schrijver van den Comburger codex niet van eene omwerking wist.
WILLEMS is natuurlijk van eene andere meening: hij stelt »dat de afschryver van het codex Comburgensis den ouderen text van Reinaert kopyeerde, schoon hy zich voorgesteld had ook het vervolg.... te leveren”[34].
Den grond voor die meening geeft hij aldus aan[35]:
»De overgang tot de gebeurtenissen van het tweede boek schynt reeds met vs. 3395 [ons 3375] voorbereid, door het optreden van eene nieuwe personnagie, met name Firapeel, de luipaerd, die den koning tot het besluit brengt om eene vergoeding aen Isengrim en Bruin toe te staen, en om vervolgens Reinaert te gaen opzoeken en vangen:
Daerna sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vangen, Ende bi sine kele hangen;
een plan, hetwelk maer eerst in het tweede boek, vs. 3750, zyn beslag krygt, en dus in het eerste de geschiedenis onvoleindigd laet. Uit dien hoofde ben ik zeer geneigd het daervoor te houden, dat de oorspronglyke Reinaert met vs. 3394 sloot. En inderdaed, deze gedachte krygt veel gronds, wanneer men bezeft, dat er aen vs. 3395 eene groote versierde voorletter in het Comburger handschrift wordt aengetroffen, toonende dat eene nieuwe afdeeling, en geenszins een bloote paragraef begint. Dergelyke hoofdletter toch was voor de laetste 80 regels noch gevorderd, noch passend.”
Daartegen kan worden aangevoerd, dat het verhaal onmogelijk met vs. 3374 (3394) kan eindigen, daar er dan geen slot aan zou zijn, welk slot men eerst bij vs. 3454 (3474) bereikt heeft.
Dat er een nieuw personagie optreedt vindt zijne verklaring in de later te staven opmerking, dat de dichter hier het origineel, dat hij navolgde, verlaten had, en in den luipaard, »des coninx maech” een geschikt persoon vond om als middelaar tusschen den koning en de fel beleedigde baronnen, Bruun en Isegrim, op te treden. Ook in sommige fransche branches speelt de luipaard zijne rol en wordt 's konings maag genoemd, hoewel daar zijn naam niet Firapeel is, b.v. in den Renart Le Nouvel, in MÉONS vierde deel, vs. 175 en passim. De belofte dat men later Reinaert zou weten te straffen, behoefde in het gedicht niet volvoerd te worden, daar de dichter geene biografie schreef, maar een epos.
En wat de groote aanvangsletter bij vs. 3375 (3395) betreft, die kon misschien alleen aan de onhandigheid van den afschrijver te wijten zijn. Maar gesteld dat hier werkelijk eene nieuwe afdeeling begon, is het dan zoo onmogelijk hier aan iets anders te denken dan aan het vervolg van den omwerker? Is op zichzelf het denkbeeld ongerijmd, dat de oorspronkelijke schrijver zijn gedicht verder had willen voortzetten, ja werkelijk aan een beleg van Maupertuus gedacht kon hebben, dat in het origineel 't welk hij voor zich had voorkwam, zoo als wij later zullen zien? In dat geval had hij of het gedicht niet voltooid, maar was bij een geschikt rustpunt blijven stilstaan; of, hetgeen mij veel waarschijnlijker zou voorkomen, hij had zich bedacht, de eenheid van zijn verhaal niet willen in gevaar brengen, en eindigde met vs. 3454 zijn werk voor goed, terwijl hij willens en wetens, of misschien uit vergetelheid, de regels liet staan waarin van Reinaerts bestraffing gewaagd wordt. Maar ik moet bekennen dat deze uitlegging niet aannemelijk is, daar Reinaert in dat geval zijne vesting niet mocht verlaten. Ik zou daarom niet zooveel kunnen hechten aan die hoofdletter. En ziet! bovendien komt er ter gedachter plaatse in het handschrift zelfs geene hoofdletter voor, maar eenvoudig het teeken eener nieuwe alinea, gelijk eene welwillende mededeeling van KAUSLER mij verzekert; zoodat ook de argumentatie op deze vermeende hoofdletter gebouwd, in rook verdwijnt.
Dat het gedicht met vs. 3454, en eerst met dit vers, volmaakt besloten wordt, zal eene naauwkeurige lezing ontwijfelbaar doen zien; en men zal GRIMM toestemmen, die juist wat WILLEMS als overgangsregels beschouwde, genoemd heeft »den bedeutsamen und fühlbaren schluss der fabel”[36].
Ik moet intusschen nog een argument weêrleggen, dat WILLEMS op eene andere plaats aangeraakt, doch niet nader uit een gezet heeft. Van den omwerker zegt hij[37]: »Hy noemt den leeuw Lioen, in plaets van Nobel.”
Nu moet ik beginnen met te zeggen, dat in het tweede boek der omwerking de leeuw slechts één enkel maal Lioen heet, vs. 3757:
Ist dat ic coninc heet Lioen;
maar integendeel vs. 3625 van WILLEMS' uitgaaf, evenzeer genoemd wordt Nobel die coninc. Maar juist in de verzen die WILLEMS als overgangsinlapsel beschouwt lezen wij:
Hi sprac: »Here, coninc lioen, vs. 3378 Dit biet u die coninc lioen. vs. 3444
Bewijst dit niet duidelijk, dat deze regels inderdaad niet uit de pen van den oudsten schrijver vloeiden?
Als deze werkelijk nimmer dezelfde uitdrukking bezigt, is er grond tot twijfel; maar ziet, vs. 1837 lees ik dezelfde benaming:
Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen, Wien twifelt des, ghine moghet doen?
Ik zie dus ook hier geene de minste vrijheid om te beweren, dat de Comburger tekst ergens blijken bevat dat de schrijver aan een vervolg dacht of er mede bekend was; en dan kan toch ook onmogelijk de proloog het werk zijn van een omwerker, van wien in het geheele oudste gedeelte geen spoor te vinden is. Er blijft dus wel niets anders over dan die voorrede, die inleiding, aan den ouden dichter zelf toe te kennen, gelijk ook onwederlegbaar bewezen wordt door de uitdrukking in het vijfde vers volgens de echte lezing.
Ik vertrouw dat de heer C. A. SERRURE, vooral na deze tekstverbetering, mijn stelsel niet meer zoo »onaennemelyk” zal vinden[38]. Volgens hem pleit tegen mijne meening »dat het moeijelyk te veronderstellen is dat de schryver den naem zyns voorgangers behoudende, zynen eigenen verzwegen zou hebben.” Ik antwoord: hoe moeyelijk ook te veronderstellen, leert de vergelijking der beide handschriften dat het geschiedde, en dat de omwerker (die misschien ook WILLEM heette, maar zich dan toch nooit den Madoc kon toeëigenen), zijn diefstal alleen bedekte door hetgeen bij zijn voorganger nog ongemaakt kon heeten, blootelijk te veranderen in niet te recht geschreven.
Voorts zegt SERRURE, »dat het niet zeer waerschynlyk is dat de oorspronkelyke dichter, die hoogstvermoedelyk een geestelyke, een kloosterling was, zyn werk op verzoek eener edele vrouw zal volschreven hebben.”
Maar waaruit blijkt dat de schrijver een geestelijke was? Er wordt verwezen naar de inleiding van WILLEMS, bl. XXXVIII, die zich beroept op vs. 444 en 2953-2969. In het eerste vers heette het dat men begon te zingen
Dat placebo Domino;
en in de tweede plaats wordt eene spreuk van »meester Jufroet” aangehaald (dien men gewoonlijk voor Godfredus Andagavendis houdt), waarin gezegd wordt dat biecht en boete den zondaar vergiffenis verwerven.
Met de aanwijzing der plaatsen is, dunkt mij, reeds de wederlegging van WILLEMS geleverd; want wie zal in de aanhaling van den titel van een kerkelijk lied, of van eene spreuk die er machtig als een locus communis uitziet, het bewijs durven zien, dat de auteur noodzakelijk een geestelijke was? De geheele inhoud van het gedicht schijnt buitendien dat gevoelen te weêrspreken.
Maar ook al aangenomen dat de schrijver van den Reinaert een geestelijke was, is het dan onnatuurlijker dat hij zijn werk ter liefde van eene vrouw schreef, dan dat de pastoor HEIN VAN AKEN zich dit veroorloofde, die nog wel den wulpschen roman van de Roos vertaald had[39]?
Zoo het verder bij SERRURE heet: »zeker was zulk kundig en vernuftig dichter als de opsteller van het eerste boek des Reinaerts, niet in staat geweest dergelyke zoutelooze en onbeduidende inleiding te berymen,” dan beken ik de waarde van dit argument niet te vatten, daar ik noch bij SERRURE het betoog, noch uit den tekst van den proloog zelf de overtuiging kan erlangen, dat dit stuk zoo bijzonder zouteloos en onbeduidend is, tenzij men met WILLEMS malsch vs. 19 vertale door week! Ik kan deze inleiding niet zoo zeer beneden die van den Floris stellen; en ik vraag mij zelfs af, of er in dat aandringen op hoofschheid en eer niet eene satyre verborgen ligt, die de epitheta van SERRURE tegenspreekt.
Zoo WILLEMS en die hem volgen dien proloog met alle geweld den omwerker willen opdringen, het is blijkbaar uit vrees van anders de oorspronkelijkheid te moeten opgeven van een dichter, die zelf bekent dat hij »naden walscen boeken” gearbeid heeft. De waarheid heeft intusschen hooger rechten dan het vaderlandsch gevoel. Doch ook die rechtmatige fierheid kunnen wij hier reeds gerust stellen met de verzekering, waarvan later het bewijs volgt, dat, zoo WILLEM al walsche bronnen gebezigd heeft, hij toch niet slaafs vertaalde; dikwerf geheel zijn eigen weg ging; en waar hij dit niet deed, zijn voorbeeld zoo verbeterde, dat hij toch een geheel Vlaamsch gedicht heeft geleverd, dat hij geheel zijn eigendom kon noemen, niettegenstaande de aanleiding daartoe in den vreemde gevonden was.
Alzoo: daar de proloog het werk is van den oorspronkelijken ouden dichter, en niet van den omwerker, staat het ook vast 1) dat hij WILLEM geheeten was, en vroeger reeds den Madoc geschreven had; 2) dat hij naar fransche geschreven bronnen (walsce boeken) gewerkt heeft.
Het is nu maar de vraag of er mogelijkheid bestaat die bronnen op te sporen en aan te wijzen. Daartoe moeten wij onze aandacht vestigen op de fransche gedichten betreffende de dierensage.
III.
In Frankrijk is de Reinaertsage zeer oud[40]. In de Chanson des Lorrains, wier oudste branche omstreeks 1130 den vorm aannam waarin zij ons bekend is[41], heet het van BERNARD DE NAISIL, die ingesloten was in een kasteel met onderaardsche sluipwegen, waaruit hij uitvallen deed (II. 53),
Renart resenble qu'en la taisnière est mis,
hetgeen wellicht op een oud gedicht ziet, dat de belegering van Reinaerts burcht behelsde; maar in allen gevalle door het gebruik van den eigennaam in stede van het appellativum bewijst dat de sage algemeen bekend was, zoo ook hier de dichter alleen een in zijn hol bestookten vos op het oog had. GRIMM heeft eene plaats aangehaald van GUIBERT DE NOGENT, die in 1124 stierf, waaruit blijkt, dat ten jare 1112 de verhalen van Reinaert en Isengrim zoo algemeen bekend waren te Laon in Noord-Frankrijk, dat men een mensch van een woest voorkomen, »propter lupinam speciem” Isengrim kon noemen, en de beteekenis daarvan algemeen begrepen worden[42]. Daaruit volgt, dat de sage daar minstens een menschenleeftijd lang moest bekend zijn, en zeker reeds in het midden der elfde eeuw (1050) voorkwam.
Of die oudste sporen der Reinaertsage in Frankrijk op eene poëtische of prozaïsche vorm terugwijzen, is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar wij weten dat beide vormen nevens elkander bestonden. Eene der tot ons gekomen fransche gedichten uit dezen cyclus[43] zegt onder anderen:
Tout cil qui en content sans rime Ne sevent pas vers moi la dîme: Il le vous content à l'envers;
waaruit blijkt, dat er werkelijk ook prozaïsche verhalen in omloop waren[44], die waarschijnlijk wel de oudste zijn, daar zij niet zijn opgeschreven, althans niet tot ons gekomen.
Met de poëtische verhalen is dit anders, en wij bezitten eene reeks van gedichten die te samen meer dan 30,000 verzen bevatten, alle takken (branches) van den grooten stam, maar door verschillende dichters, in verschillende tijden bewerkt.
Dat die stukken gelijk wij ze bezitten in de uitgave van MÉON, slechts omwerkingen zijn van oudere gedichten, is de meening van de voortreffelijkste geleerden die zich met dit onderwerp hebben bezig gehouden, hoewel hun oordeel eenigsins uiteenloopt over de tijdsbepaling van hunne tegenwoordige vorm. Zoo zegt GRIMM[45]: »abgefasst sind die frühsten derselben [branches] wahrscheinlich von der zweiten hälfte des zwölften jahrhunderts an bis in die mitte des dreizehnten; allein in der gestalt, welche sie jetzt zeigen, mögen die altesten schon vielfach überarbeitet und verändert vorliegen, fast alle dem 13, einzelne sogar dem 14. jh. zufallen.”
Ongeveer op dezelfde wijze oordeelt ROTHE[46]: »Bien qu'il soit impossible d'indiquer nettement l'origine des divers récits, et que, dans la forme où nous les connaissons aujourd'hui, une grande partie ne soit que des versions postérieures de compositions plus anciennes, selon toute apparence la plupart des morceaux qui composent pour nous aujourd'hui le Roman de Renart datent du treizième siècle. Quelques uns pourraient bien être du douzième, d'autres semblent ne dater que du quatorzième. Tous appartiennent infailliblement et originairement au nord de la France, à la langue d'oïl, à la littérature romane-wallonne, celle des trouvères”[47].
FAURIEL erkent ook in de bestaande branches omwerkingen van ouder stukken; hij laat zich niet uit over de tijdsbepaling, maar karakterizeert met een paar woorden den invloed dien de jonger trouvères op het ouder stuk hebben uitgeoefend[48], dat zij »reprirent pour ainsi dire en sous-œuvre, la remanièrent, la refirent, l'ornèrent, l'altérèrent dans tous les sens, suivant en cela leurs nouvelles idées et leurs nouvelles fantaisies. Ce travail, qui dura plus d'un siècle, eut pour fruit le Renart, dans l'état où il nous reste en français.” Dit had twee gevolgen: »l'un fut le remaniement, la reproduction sous une forme nouvelle, des fables dont se composait le Renart primitif; l'autre fut l'invention de beaucoup de nouvelles fables.”
Zeer zeker is er geene enkele onder de 32 branches van MÉON, die niet de merkbare sporen draagt van omwerking, blijkbaar in de uitvoerige schildering van bijzonderheden, in het talent van verhalen, welk alles herinnert aan het weelderige tijdperk waarin CHRESTIENS DE TROIES bloeide, en dat sterk afsteekt bij de drooger, eenvoudiger, minder kunstmatige manier van een vroeger tijdvak. Nu is het maar de vraag of het mogelijk is, van sommigen althans, den ouderdom met eenige juistheid aan te geven. GRIMM zelfs is, gelijk wij zagen, slechts tot zeer algemeene rezultaten gekomen; en hoezeer ik de waarde van zijn uitstekend werk zoo hoog schat als iemand[49], geloof ik toch dat het plicht is te onderzoeken, of het niet mogelijk is tot een bepaalder slotsom te geraken, vooral daar deze vraag van het hoogste belang is voor de juiste beoordeeling van onzen Reinaert.
Ons onderzoek eischt eenige uitvoerigheid, daar wij door een omweg slechts tot het beoogde doel kunnen geraken, waarbij wij tevens op onzen weg enkele andere zeer belangrijke waarheden zullen vinden.
* * * * *
In de eerste plaats doet zich de vraag op, of er geen spoor meer overig is van een ouder, eenvoudiger, drooger redaktie van eenig stuk uit de verzameling van MÉON? En het antwoord is: niet in het oorspronkelijke; maar er bestaat eene Middenhoogduitsche vertaling van een ouder stuk, welks inhoud en algemeene gang grootendeels overeenkomt met de twintigste branche van MÉON[50], welke wederom in hare eerste helft zoo met onzen oudsten Reinaert overeenstemt, dat men tot de overtuiging gekomen is, dat het eene stuk uit het andere vertaald is.
Zien wij welke uitkomsten de vergelijking dezer drie stukken geeft, nadat wij eerst eenige meer algemeene beschouwingen voorop gezet hebben.
Het Mhd. gedicht dat wij bedoelen is de Reinhart van Heinrîch der Glichesære.
Dat dit gedicht uit het Fransch vertaald is, heeft GRIMM betoogd uit de onduitsche vormen van sommige eigennamen als Birtîn, Hersant, Isengrîn, Schanteklêr en Pinte; terwijl Uebelloch blijkbaar eene vertaling is van Malpertuis. Ook het woord villân, »hätte nicht leicht ein deutscher älterer dichter gebraucht[51].” Voorts haalt hij ook nog uit de oudste duitsche bewerking de woorden cous en bordûz aan om zijn gevoelen te staven[52].
ROTHE erkent dan ook[53] dat de duitsche dichter »connaissant infailliblement un poëme antérieur de Renart en français, et profitant de cette connaissance, a composé le premier un poëme de Reinhart dans l'ancienne langue allemande.”
En FAURIEL getuigt uitdrukkelijk[54]: »Le Reinhart, tel qu'il nous reste, doit être considéré au fond et dans son ensemble comme l'imitation expresse d'un original français. Cet original sans doute n'existe plus; mais tels sont, ou pour mieux dire, tels durent être les rapports avec le Renart allemand, que celui-ci peut en représenter jusqu'à un certain point la substance et la suite.”
Het duitsche gedicht bevat zeven verschillende verhalen, wier inhoud in de fransche branches wordt terug gevonden. Het laatste en uitvoerigste, vs. 1239-2248, komt overeen met onzen Reinaert en de 20e (16e) fransche branche.
Nu is het opmerkelijk, dat onze Reinaert de zes eerste verhalen niet bevat, en dat de fransche branche vs. 9659 uitdrukkelijk aanvangt met de woorden:
Ce dist l'estoire ès premiers vers.
Weêrspreekt dit niet de meening dat er samenhang tusschen deze verschillende gedichten bestaat? Niet in 't minst; want er bestond al vroeg bij de dichters een streven om verschillende kleine overleveringen uit dezen cyclus tot een grooter geheel te verwerken. Dat dit in de fransche branches het geval was, voelde ROTHE reeds[55]. FAURIEL is het met hem eens, als hij zegt[56]: »Les trouvères combinèrent de la manière la plus arbitraire, dans plus d'une des grandes branches du roman, des fables composées séparément, et faites pour rester séparées.... Il y aurait, à cette occasion, une bonne étude à faire de la licence et du caprice de ceux qui ont essayé la fusion de plusieurs des fables de Renart en une seule composition; mais on sentira que c'est un point fort délicat et fort complexe, auquel nous ne pouvons nous arrêter.”
Wellicht komen wij in den loop van ons onderzoek op dit laatste gezegde terug; zien wij eerst hoe met betrekking tot den Reinhart ook FAURIEL aanneemt[57], dat de verschillende verhalen oorspronkelijk niet tot elkander behoorden, niet als eene ondeelbare eenheid zijn te beschouwen, niet vormen »une véritable unité qui tienne à un plan primitif, mais une sorte d'unité factice et cherchée après coup; c'est un ensemble résultant d'une simple juxtaposition de récits divers.”
Of nu GLICHESÆRE de verschillende takken heeft bijeengevoegd, dan of hij die reeds zoo in zijn voorbeeld verbonden aantrof, is niet uit te maken. In de omwerking van het duitsche gedicht heet het vs. 1788:
Heinrich Der hât diu buoch zesamene geleit Von Isengrînes arbeit:
daaruit zou men wellicht mogen opmaken, dat eerst de Duitscher de verschillende branches had te samen gevoegd; maar in den ouder codex leest men die plaats aldus:
Heinrich Er hât daz buoch gedichtôt Umbe Isengrînes nôt;
zoodat dit punt wel onbeslist zal moeten blijven.
Zooveel is zeker, dat HEINRICH DER GLICHESÆRE omstreeks 1150 leefde[58], zoodat het fransche origineel waarnaar hij werkte, uiterlijk in de eerste helft der twaalfde eeuw valt; naar den geheelen toon te oordeelen moet het echter eer tot de laatste jaren der elfde dan tot de twaalfde eeuw gebracht worden, en kan zeker niet veel jonger zijn dan van omstreeks het jaar 1100[59].
Sterk steken tegen het mhd. gedicht de fransche branche 20 (16) en de mnl. Reinaert af, die jonger zijn, veel nader met elkander verwant, en niet slechts de wijze van behandeling en vele details onderling gemeen hebben, maar zelfs een aantal letterlijk gelijkluidende regels. Dat zij eene omwerking van het ouder fransche stuk, dat aan den Reinhart ten grondslag lag, vormen, valt terstond in het oog: dat het een uit het ander voortvloeide maakt reeds eene oppervlakkige beschouwing aannemelijk; maar welk van beiden is hier het oudste, waarnaar het andere werd bewerkt?
ROTHE schijnt tot eene ontleening van het vlaamsche uit het fransche gedicht over te hellen, hoewel hij zich daaromtrent niet duidelijk verklaart. Eerst zegt hij[60]: »Les deux tiers de la vingtième branche.... contiennent en entier le récit des vingts-trois premiers chapitres du premier livre du Reineke Fuchs [en dus ook van onzen Reinaert]. Pour le reste seulement, cette branche du Roman de Renart diffère entièrement de la fin du premier livre de Reineke.” En twee bladzijden verder laat hij hierop volgen: »Le poète flamand du douzième siècle.... a dû connaître les poëmes français et a pu en tirer partie.”
Men ziet, dit is zeer onbepaald en leidt tot geen rezultaat.
GRIMM neemt aan, dat het fransche geene aanspraak kan maken het origineel van het vlaamsche stuk geweest te zijn[61]. WILLEMS gaat veel verder. Hij beweert dat de estoire, l'escrit, dat het fransche stuk als zijn origineel aangeeft (vs. 6959, 10036, 10595), »geene andere dan onze vlaemsche Reinaert [is]. De vergelyking der twee texten laet deswege geen twyfel over[62].”
Ten bewijze vestigt hij de aandacht op een aantal gelijkluidende regels.
Dit toont intusschen wel aan, dat het eene voor een groot deel naar het andere vertaald is, maar er volgt nog niet noodzakelijk uit, dat het vlaamsche gedicht juist aan het fransche ten model verstrekte, en niet omgekeerd.
Maar WILLEMS heeft een bewijs dat het pleit schijnt te voldingen. »Ja, wat meer is,” roept hij triomferend uit, »in vs. 10493 laet hy zelfs het vlaemsche woord willecome staen, op dezelfde plaets waer hy het in den Reinaert aentrof, vs. 1073.... Kan er wel een sprekender bewys van navolging gevonden worden?”
En werkelijk, als Tibert bij Reinaert komt om hem ten hove te dagen, heet het vs. 1072:
Tibert, helet vri, Neve, ghi sijt mi willecome!
En daarvoor heeft het Fransch, vs. 10493:
Tybert, fet li Renarz, villecome!
Het vraagstuk schijnt vooral door dit laatste bewijs beslist! Maar hoe, zoo dit slechts schijn ware?
Vooreerst staat het woord willekome ook in den Reinhart, vs. 1663:
Er sprach: »Willekome, sippebluot!”
waarin het wellicht reeds uit het fransche origineel overging; want zoo het woord al ontegenzeggelijk duitsch en vlaamsch is, het werd weldra ook in het Fransch opgenomen.
Vooreerst in den in Vlaanderen geschreven Renart Le Nouvel (MÉON, tom. IV), leest men:
S'irai al apostole à Roume, 1361 Et as legas, ki wilecoume, Diront à moi. Convoitise vo fille ainsnée, 1371 Ki moult sera walecoumée As cardounaus et au clergié. En flament haut le salua: 3366 „Goude jonkhiere, goudendast,” Tibiert li respont en soumat: „Goude kenape willeconme!”
In de 27e (22e) branche, waarmede MÉONS derde deel aanvangt, leest men, vs. 20026:
Ysengrins a le chief levé, Si a Renart aparcéu: „Willecome, bien veigne-tu, Renart, qar vos venez séoir!”
Ja zelfs tot in Normandië was het woord doorgedrongen, daar men immers in de Chroniques de Normandie van BENOIT (ed. FRANC. MICHEL, tom. II, pag. 112) leest, vs. 18608:
Là vunt les lices desfermer, Si receivre, si welcumier,
waar MICHEL het ww. verklaart als »accueillir, souhaiter la bonne venue à quelqu'un.”
Het is dus niet onmogelijk dat de schrijver der ons bekende branche 20 (16) dit woord t. a. pl. reeds in zijn voorbeeld vond, of anders het hier uit zichzelf invoerde, daar hij stellig een Vlaming was, gelijk men mag opmaken uit het vs. 11728 aangehaalde Arras, en uit de vlaamsche woorden die hij gebruikt.
Het betoog van WILLEMS kan dus voor ons geene bewijskracht hebben, en wij moeten trachten de zaak op nieuw te onderzoeken.
Er is werkelijk een toetssteen, en wel een die zoo voor de hand ligt, dat het ons verwondert, hem nog ongebruikt te zien. Immers als men het vlaamsche gedicht en de fransche branche doorloopend vergelijkt met den mhd. Reinhart, die het oudere fransche origineel vertegenwoordigt, dan moet er wel licht opgaan; want het stuk dat in den regel nader aan het oorspronkelijke komt, in plaatsen waar het andere er van afwijkt, moet noodzakelijk de middenterm uitmaken.
Zien wij dan tot welke uitkomsten zoodanige vergelijking leidt.
In de beschrijving van den hofdag verschillen de drie stukken aanmerkelijk van elkander. De eigenaardige aanleiding tot dien hofdag vindt men alleen in het mhd. gedicht, en wordt evenmin in het fransche als vlaamsche stuk aangetroffen, zoodat dit waarschijnlijk een toevoegsel van den GLICHESÆRE is, daar het toch niet aannemelijk schijnt dat dit in het oude fransche origineel zou hebben gestaan, als GRIMM gist[63], dewijl er nergens in de jonger fransche branches eenige toespeling op voorkomt.
Overigens staat toch ook zelfs hier de fransche branche nader aan het Mhd. dan onze Reinaert. In het Mhd. heet het, vs. 1366:
Do suochte reht her Isengrîn, Eins vorsprechen er gerte, Der künic in eines gewerte: Daz muose Brûn der bere sîn.
En Brûn doet dan ook de aanklacht namens zijn kliënt. Dat alles heeft in de beide andere stukken geen plaats, maar in het fransche mengt Bruns li Ors zich toch in het geding (9705), hetgeen wel een uitvloeisel van de vroegere voorstelling kon zijn. Buitendien vinden wij nog andere overeenkomst. In het Mhd. wendt zich Krimel, de das, in zijne verdediging van Reinhart tot Hersant, en zegt, vs. 1396:
Ver Hersant, nu seget wie Iuch iwer man bringt ze mære: Daz magiu wesen swære,
nadat hij eerst heeft aangetoond dat Reinhart haar, die veel grooter is, onmogelijk tegen haren wil heeft kunnen verkrachten.
In het Fransch zegt Grimbers li tessons evenzoo, vs. 9761:
N'i ot force fète Ne huis brisié, ne trive frète;
en ook daar wendt hij zich vervolgens tot Hersent, vs. 9779:
Haï! quel clamor et quel plet Vos a hui vostres mari fet A tantes bestes regarder! ...................... Il ne vos crient ne ne resoigne.
Als later de moord aan Coppe gepleegd, bekend raakt, wordt in het Mhd. des konings »zornege muot” (vs. 1474) uitdrukkelijk vermeld; hij sprak:
„Sam mir mîn bart, Sô muoz der fuhs Reinhart Gewislîchen rûmen diz lant, Odr er hât den tôt an der hant.”
En hij gebaarde daarbij zoo woedend, dat de haas van schrik de koorts kreeg, vs. 1484:
Vor vorhten bestuont in der rite.
Ook in de fransche branche wordt 's konings woede geschilderd, vs. 10041:
Et qant li rois vit Chantecler, Pitié li prist du bacheler, Un soupir a fait de parfont, Ne s'en tenist por l'or du mont. Par mautalent drece la teste, One n'i ot si hardie beste, Ors ne sangler qui péor n'ait Qant lor sire sospire et brait. Tel péor ot Coarz li lièvres Que il en ot deus jors les fièvres, etc.
Van dat alles vindt men nu in onzen vlaamschen Reinaert niets.
Als later Coppe begraven wordt, zegt het Mhd. vs. 1485:
Der künec hiez singen gân Hern Brûnen, sinen kapelân, Und ander sîne lêreknaben; Der tôte wart schiere begraben.
hetgeen in het Fransch, vs. 10090 aldus luidt:
„Sire Bruns, prenez une estole, Et vos, sire Bruians li tors, Commandez l'ame de cest cors; Là sus enmi cele costure Me fètes une sépouture Entre ce plain et ce jardin, Si parleron d'autre Martin.” --„Sire, fait Bruns, vostre plaisir.” Atant va l'estole saisir, Et non mie tant solement, Mès li rois el commencement, Et tuit li autre dou concile Ont commenciée la vigile. Sire Tardis, li limaçons, Chanta por cele trois leçons, Et Rooniax chanta li vers, Et il et Brichemers, li cers, Et Bruns, li ors, dist l'oroison, Que Diex gart l'ame de prison. Qant la vegile fu chantée, Et ce vint a la matinée, Le cors portèrent enterrer, etc.
Dit is blijkbaar eene uitbreiding van het Mhd. In den Reinaert leest men alleen dat Nobel aan Cantecleer zegt, vs. 431:
[Wi] sullen onse vigilien singhen: Daerna sullen wise bringhen, Den lichame, ter eerden met ere. .......................... Dat hi gheboot was sciere ghedaen. Doe mochtemen horen aneslaen Ende beghinnen, harde ho, Dat Placebo Domino, Ende die verse, die daer toe horden. _Ic seide ooc, in waren worden, Neware het ware ons te lanc, Wie daer der siele vers sanc, Ende wie die sielelesse las._ Doe die vigilie ghehent was, Doe leidemen Coppen in dat graf, enz.
Men heeft deze plaatsen maar te vergelijken, om zich te overtuigen dat de fransche branche onmogelijk naar den Reinaert kan bewerkt zijn, daar in het laatstgenoemde stuk Bruun niet genoemd wordt als zanger van den lijkdienst. Daarentegen pleiten de kursief gedrukte regels veeleer voor de tegenovergestelde opvatting.
In het Mhd. volgt dan het verhaal hoe de haas zich op het graf van Coppe te slapen legt en daar van zijne koorts genezen wordt, waaruit blijkt dat de verslagene eene heilige martelares was, hetgeen aanleiding geeft, dat allen op Reinhart woedend worden.
Der hase leit sich ûf daz grap: 1489. Ze kurzen wîlen er entswap, Als ich iu sagen muoz, Dô wart im des riten buoz. Der hase ûf erschrihte Fürn künec gienger enrihte, Und sagt im vremdiu mære, Daz daz huon wære Heilec vor gotes gesihte, etc.
Hetzelfde verhaal vindt men in het Fransch terug, hoewel het daar niet op zijne juiste plaats staat, daar Bruin reeds vertrokken is.
.... mesire Coars, li lièvres, 10149. Qui de péor trembloit les fièvres, Deus jors les avoit jà éues, Merci Dieu, or les a perdues Sor la tombe dame Copée: Car qant ele fu enterrée, Onc ne se volt d'iloc partir, Ainçois dormir sor le martir.
En dan wordt er nog bijgevoegd, dat ook Ysengrin zich op het graf legt, voorgevende kiespijn te hebben, waarvan hij ook beweert genezen te worden, hoewel niemand aan zijn zeggen geloof hecht.
Dit laatste nu is stellig een inlapsel van den franschen trouvère, die Nobel voorstelt als den vos niet ongenegen, waarom Isengrim alle middelen te baat neemt om den koning tegen zijn vijand op te zetten; misschien is het zelfs alleen het werk van een afschrijver. Maar in allen gevalle kan het geheele mirakelverhaal hier niet uit den Reinaert zijn overgenomen, omdat het daar in het geheel niet voorkomt.
Het gezantschap van Bruun wijkt in de voorstelling van de beide jongere stukken nog al af van het Mhd.; maar ook hier hebben wij twee plaatsen die bewijzen, dat het Fransch onmogelijk naar het Vlaamsch kan vertaald zijn, wel omgekeerd.
Als Bruun Reinaert uitnoodigt om met hem ten hove te gaan, zegt deze, in de fransche branche, dat hij vanzelf reeds op weg zou zijn, zoo hij niet eerst had willen eten, en wel (vs. 10204)
D'un merveilleus mengier françois;
want ten hove worden de rijke lieden goed ontvangen, en hun zet men een goed maal voor, maar den arme noodigt men niet ten disch.
„Por tel afère con ge di, 10231. Biau sire, avoie dès mardi Mon lart et mes pois aünez; Dont je me sui desjéunez, Et s'ai bien mengié deus denrées De novel miel en fresches rées.
Die lofspraak op den honing, dien hij ook later, vs. 10252 noemt »cest bon miel frès et novel”, is hier geheel op hare plaats, en dient om den beer begeerig te maken naar die lekkernij.
De Vlaming behandelt de zaak anders: hij laat Reinaert zeggen, dat hij naar het hof zou zijn gegaan indien hij niet zooveel van »ere vremder niewer spise” gegeten had, dat hij niet kon loopen; en toch was het maar eene onedele spijs, »cranke have,” want arme lieden moeten eten wat zij bij de hand hebben en niet wat zij zouden wenschen. Dien honing,
„Die moetic eten dor den noot Als ic el niet mach ghewinnen.”
Men ziet hier duidelijk het plan van den vos om de spijs te smalen, ten einde den beer des te beter om den tuin te leiden. Vandaar dat Bruin dan ook antwoordt (vs. 575):
Helpe, lieve Vos Reinaert, Hebdi honich dus onwaert?
Daarbij steekt nu sterk af dat hij ter zelfder plaatse die verachtelijke spijs noemt (vs. 568)
Goede versche honichraten.
Men kan alleen begrijpen hoe deze in den samenhang niet passende uitdrukking in den vlaamschen tekst gekomen is, als men daarin eene ondoordachte vertaling ziet van het fransche »bon miel frès et novel.”
Als verder Reinhart den beer in 't ongeluk gebracht heeft doet GLICHESÆRE hem naar zijne burcht trekken: dáár voor de deur zittende ziet hij den mishandelden Brûn voorbijloopen, dien hij zijn bijtenden spot achterna zendt.
Her Brûn vor zorne nicht ensprach 1605. Wan daz ern übellich ane sach.
Evenzoo heet het in het fransche gedicht van Renart, vs. 10402,
Qant il oï Brun de loing plaindre, Si s'est mis parmi une adrece à Malpertuis sa forterece, Où il ne crient ost ne agait. Au trespasser que Bruns a fait Li a Renarz deus gaz lanciez. ........................ Li ors estoit si adolez Qu'il ne li pot respondre mot, Fuiant s'en vet plus que le trot.
In den vlaamschen Reinaert nu raakt de beer in 't water, en aan den oever der rivier ontmoet hem de vos, die zich wilde gaan baden. GRIMM meent dat ook des beeren vlucht door de rivier in het verloren ouder fransche gedicht kan gestaan hebben[64]; maar dit is onwaarschijnlijk, daar de nieuwere branche zich geheel aan het Mhd. houdt; en waar dit het geval is kan deze branche wederom onmogelijk naar den Reinaert vertaald zijn, die zich zoo ver van het Mhd. verwijdert.
Het gezantschap van Tibert zal ons geen punt van vergelijking opleveren, omdat in het Mhd., volgens GRIMMS opmerking »der ganze vortrag hier eine leidige zusammenziehung verräth, und bedeutende abweichung von der andern recension[65].”
De biecht komt in het Mhd. niet voor. Maar als Reinaert zich opmaakt naar het hof, zegt GLICHESÆRE, vs. 1831:
Ein criuze machter für sich, Er sprach: »Got bewar nu mich Vor bœsen lügenæren, Daz si mich nicht beswæren.
En zoo ook in het Fransch, vs. 10866:
Lors se coucha adenz à terre, Et trois foiz se rendi copables, Puis se seigna por les déables, Et por dant Noble, le lion, Moult fu en grant afflicion.
En dit ontbreekt in het vlaamsche stuk.
Als Reinaert ten hove is gekomen loopen de drie stukken weder geheel uit een, zoodat hier de vergelijking ophoudt.
Uit de overweging der plaatsen die wij tegen elkander hebben gehouden blijkt dunkt mij onwedersprekelijk, dat de fransche branche onmogelijk naar onzen vlaamschen Reinaert kan zijn vertaald, zoo als WILLEMS als bewezen aannam; want herhaaldelijk troffen wij in het Fransch plaatsen aan afwijkend van het vlaamsche gedicht maar gelijkluidend met het mhd. of ouder fransche stuk.
Er is, dunkt mij, nog een ander bewijs voor den gedeeltelijken oorsprong van den Reinaert uit het Fransch. Ik druk niet op de enkele fransche woorden, als morseel, museel, enz. die er in voorkomen, ik laat zelfs hier het woord male buiten rekening, dat vs. 400 en 889 in de overdrachtelijke beteekenis van maag of muil wordt gebruikt, even als in het Fransch vs. 18004
Et Tybert differma sa male.
Maar ik moet wijzen op eene uitdrukking, die alleen door vergelijking met het Fransch verstaanbaar wordt. Vs. 130 heet het:
Hi (R) ne heeft ooc niemene so lief, No den coninc, minen here, Hine wilde dat hi lijf ende ere Verlore, mocht hire ane winnen.
Nu weet ik niet dat in eenig mnl. stuk no wordt aangetroffen in de beteekenis van zelfs, zelfs niet, die hier geëischt wordt. Alleen het fransche néis kan hier licht geven. B.v. vs. 10467 waar R. genoemd wordt:
.... beste de put conroi, Néis à Dex ne porte foi.
Of vs. 11529, waar R. alle dieren verschalkt:
Renarz a bien chascun lié Ou par la coue ou par le pié; Moult par a fet grant deablie: A chascun arbre le suen lie, Néis le roi lia par la coue (sic).
Laten wij er nog bijvoegen, dat de behandeling in den vlaamschen Reinaert veel voortreffelijker is dan in de fransche branche, zoowel wat de geheele opvatting betreft als de bijzonderheden in de enkele tafreeltjes. Is het nu te verwachten, dat de minder voortreffelijke redaktie eene navolging zou zijn van het betere? Het verschil is zoo groot, dat dit reeds genoegsaam zou zijn om de stelling van WILLEMS als onaannemelijk, als onmogelijk te doen verwerpen.
Maar volgt daaruit dat onze Reinaert naar deze branche is vertaald? De afwijkingen in beide teksten waren voor WILLEMS geen hinderpaal om aan te nemen dat het eene naar het andere werd bewerkt, omdat er in beiden zoovele regels zijn, die blijkbaar letterlijk met elkander overeenkomen; maar het zou niet onmogelijk zijn dat de Reinaert eene navolging ware van een ouder stuk dan de bekende fransche branche; aan een jonger valt wel niet te denken, daar er dan wel iets van ter onzer kennisse zou gekomen zijn.
A priori is dit echter niet waarschijnlijk, daar men zou moeten aannemen dat er drie fransche redaktiën van hetzelfde verhaal zouden hebben bestaan: 1) de oudste, wier inhoud ons GLICHESÆRE heeft bewaard, 2) de eerste omwerking, waaruit dan 3) de ons bekende, minder goede, branche en de Reinaert zouden zijn voortgevloeid.
Intusschen kan alleen eene nadere vergelijking der verschillende plaatsen van beide teksten tot eene bepaalde uitkomst leiden. Ten einde die zoo doeltreffend mogelijk te maken, moeten wij eerst iets naders trachten te weten van den franschen trouvère die de 20e (16e) branche bewerkte.
IV.
Zijn naam is ons niet bekend: wij weten echter zeer zeker dat het PIERRE DE SAINT CLOUD niet geweest is, vooreerst omdat deze in den proloog genoemd wordt als juist dit onderwerp niet hebbende behandeld, terwijl het in de tweede plaats duidelijk blijkt uit een zeer in het oog loopend onderscheid. Onze dichter geeft zijnen dieren ridderlijke zeden en laat ze b.v. altijd op paarden of muilezels rijden, hetgeen in de 11e (7e) branche die aan PIERRE wordt toegeschreven, nimmer plaats grijpt.
Zoo nu al 's dichters naam ons onbekend is, zijn geboorteland is niet twijfelachtig. Boven wezen wij reeds op het vlaamsche woord villecome; ik voeg er bij de uitdrukkingen: fère let voor leed doen, vs. 10975; eschames, 10032, voor schamels, die alle naar Fransch-Vlaanderen verwijzen, zoo als wij later nog nader zullen bevestigd zien.
GRIMM schijnt niet ongeneigd, deze branche aan twee dichters toe te schrijven, althans hij zegt[66]: »vielleicht schloss mit 11368 die ursprüngliche branche;.... nun folgen aber fortsetzungen.” ROTHE maakt ter naauwernood, en ter loops[67], gewag van dit onderscheid, dat hij in den regel uit het oog verliest; FAURIEL spreekt er in 't geheel niet van[68]; maar het komt mij ook voor, dat men moet toegeven, dat werkelijk in de laatste helft een nieuw verhaal begint, en dat dit niet aan den dichter van het eerste deel der branche kan worden toegekend, hoewel de navolger waarschijnlijk niet veel jonger dan de eerste dichter moet gesteld worden, met wien hij hetzelfde vaderland gemeen heeft.
Vooreerst zullen wij zien, dat de schrijver van den vlaamschen Reinaert ook dit gedeelte heeft gekend en gebruikt. Voorts treffen wij hier hetzelfde spraakgebruik, dezelfde zinswendingen aan als in het eerste gedeelte. Zoo wordt hier, vs. 11447, de uitdrukking gebruikt:
Qu'iroie-ge fesant lonc coute?
even als vroeger, vs. 10849:
Que vos iroie-ge disant?
vs. 11604 heet het:
Puis parleron d'autre Bernart,
waarvoor vs. 10096:
Si parleron d'autre Martin.
De taal in beide deelen is die van Fransch-Vlaanderen.
Bovendien, vs. 11728 wordt Arras genoemd, hetgeen ons, in verband met de taal, wel recht schijnt te geven beide dichters in Artois te plaatsen.
Maar uit die overeenkomst van taal- en spraakwendingen volgt nog in het geheel niet, dat beide stukken van dezelfde hand zijn; want het valt niet te ontkennen, dat er een merkbaar onderscheid in de behandeling van het eerste en laatste gedeelte is waar te nemen.
Het geheele karakter, de toon, de wijze van voorstelling en zedeschildering van beide deelen verschilt daartoe te veel. Buitendien zijn er bij naauwkeuriger vergelijking nog enkele verschilpunten, die geen twijfel overlaten.
En toch, zegt men wellicht, niet alleen in beide deelen rijden de dieren die tot de hofhouding behooren te paard, maar gelijk in het laatste gedeelte de dieren als ridderlijke strijders worden voorgesteld, zoo is dit ook reeds op het eind van de eerste helft der branche het geval. Immers, als de mannen des konings Reinaert najagen, heet het, vs. 11313:
Li limaçons porte l'enseigne, Bien les conduit par la campaigne[69],
even als wij in het laatste gedeelte vinden, vs. 11558:
.... Dans Tardis li limaçon Qui seut porter le gonfanon;
en zoo ook nog vs. 11617. Daaruit blijkt immers, dat ook den schrijver van het eerste gedeelte dezelfde wijze van voorstelling niet vreemd is.
De opmerking is juist; maar alleen in zooverre, als men met GRIMM aanneemt, dat de omwerking eerst met vs. 11368 aanvangt. Maar wanneer zij eens al bij vs. 11297 begon? of althans wanneer de regels 11297-11319 een inschuifsel waren, waarvan alleen moest blijven staan:
Renarz regarde arère soi Et voit qu'il viegnent sans deloi. Ne set conseil que fère doie etc.?
De eerste zestien regels toch, de opsomming der dieren bevattende, zijn eene bloote herhaling van de regels 10159-11070, waar grootendeels dezelfde personen worden opgenoemd: die herhaling kan onmogelijk van den eersten dichter afkomstig zijn, evenmin als de navolging van Chanteclers aanklacht op het einde van het gedicht[70].
Neemt men nu eene interpolatie aan, dan loopt het verhaal geleidelijk af, en het eind komt dan overeen met het slot der 10e branche, of der 26e b.v.; en voor die opvatting zou ook pleiten, dat nog vs. 11353 een van Reinaerts zonen Roviax genoemd wordt, even als vs. 10251 Rovel (in dativo), terwijl hij later, vs. 11729 Rousel heet (in dat.).
Neemt men niet eene interpolatie aan, maar schrijft men het geheele stuk, van vs. 11297 af, aan den navolger toe, dan ware er geen slot aan de oorspronkelijke branche.... Zou het dan zoo onmogelijk zijn, dat het oorspronkelijke slot hier was weggelaten, en bij het aanhechten van het tweede gedeelte door een ander vervangen? De vergelijking met den mnl. Reinaert schijnt dit vermoeden in de hand te werken; en niemand zal ontkennen, dat deze vergelijking zeer geschikt is om medetewerken ter verkrijging van een vasteren bodem voor de kritiek van de fransche branches, welke tot nochtoe grootendeels in de lucht zweefde.
Is nu het karakteristieke onderscheid in beide deelen der branche niet te ontkennen, wij kunnen ook nog eenige andere bewijspunten aanvoeren.
Alleen in het eerste gedeelte wordt de leeuw soms genoemd l'emperère, b.v. vs. 9693, 10059, 10081, 10137, 10663, 11021; nimmer in het laatste.
Alleen in het eerste deel vindt men de uitdrukking por le cor bieu, b.v. vs. 9945, 10243, 10986, 11231, 11293, die ook in de 10e (6e) branche, vs. 4641, 4573, en eens in 23e (18e) branche, vs. 13240, terugkeert, maar nimmer in het laatste stuk der 20e (16e).
In het eerste gedeelte wordt alleen teruggewezen op een ouder verhaal: nog vs. 10036 heet het:
Si comme en escrit le trovon,
en vs. 10595.
Si com nos trovons en l'estoire.
Later komt zoodanig beroep niet meer voor. Intusschen is dit deel toch waarschijnlijk ook eene omwerking van een ouder gedicht, waarop misschien wel eene toespeling voorkomt juist in de eerste helft van onze branche, vs. 10803-10817.
Het is daarom niet twijfelachtig of het tweede gedeelte der 20e (16e) branche is een toevoegsel van een ander dichter, die intusschen ongeveer een tijdgenoot van den eersten zal geweest zijn.
* * * * *
Op de 20e branche volgt in alle handschriften eene andere, die ten onrechte in tweeën gesplitst is[71], en die wij 21-22 zullen noemen. Zij hangt blijkbaar met de voorgaande samen, gelijk ook GRIMM opmerkte[72]; maar of dit ons recht geeft om daaruit te besluiten, dat beiden door denzelfden dichter, namelijk dien van 20_a_, zouden zijn bewerkt, blijft de vraag. Terwijl sommigen dit aannemen, heeft ROTHE het ontkend; maar op gronden die weêrlegbaar schijnen, en die wij eerst zullen onderzoeken, hetgeen ons noodzakelijk zal leiden tot eene beantwoording der vraag zelve.
Ziehier zijn betoog. »Malgré les traits de ressemblance évidents et incontestables entre cette branche et la précédente, sans doute elles sont dues à divers auteurs[73].” Vestigt men zijne aandacht op de sterke bewoordingen van het eerste gedeelte dier uitspraak, dan zal men zeker wel sprekende bewijzen verwachten om het tweede gedeelte te rechtvaardigen. Die bewijzen nu komen hier op neêr: »Le caractère général y diffère; le récit est moins piquant, moins varié, plus plat ici que dans la vingtième branche.”
Wat het laatste gedeelte dier bewijsvoering aangaat, zij rust geheel op subjektive beschouwing, en ik twijfel sterk of de zienswijs van ROTHE wel veel bijval zal vinden. Wat het verschillend karakter aangaat, hij heeft daarvoor hier slechts één bewijs aangehaald, dat echter zeer weinig afdoet.
De vos, die zich door indompeling in eene kuip met geele verw onkenbaar gemaakt heeft, geeft zich voor een bretonschen jongleur uit: hij weet het speeltuig meester te worden, dat tot zijn beroep behoort, en dan heet het, vs. 12515:
Moult s'esbaudist, moult se conforte Por la viele qu'il enporte: ...................... Tant fist Renarz denz quinze dis Fu bien de la viele apris: Sages en fu et escolez.
Dit geeft ROTHE aanleiding om te zeggen[74]: »Renart se divertit pendant quinze jours avec la vielle qui lui a été donnée. Il y a en cela quelque chose de poétique, mais aussi d'assez contraire au naturel de Renart, tel qu'il est caractérisé par le reste.”
Maar de geleerde schrijver heeft hier den tekst verkeerd opgevat. Er staat niet moult s'esbaudist DE la viele, maar POR la viele; hetgeen eenvoudig beteekent, dat hij zich verheugde over het bezit van het speeltuig. Zoo hij er zich veertien dagen meê bezig hield, het was eenvoudig om het te leeren behandelen, ten einde later zijne rol te kunnen spelen. Men ziet dus dat ROTHES opvatting, die alleen op een misverstand berust, geen gewicht in de schaal van ons oordeel kan leggen.
Pag. 262 heet het wederom: »Les branches 21 et 22 n'en forment guère qu'une; elles ont beaucoup de conformité de style et de caractère, mais sous ce rapport, elles diffèrent essentiellement de la branche 20.” Later, pag. 264-265 ontwikkelt hij zijn begrip omtrent het verschil van karakter. Ik moet duidelijkheidshalve de geheele plaats aanhalen.
»Les dix-huit premières branches (suivant l'édition et l'arrangement de Méon) se maintiennent constamment sur le ton et dans le caractère de l'apologue, de la fable proprement dite; elles conservent à tous les animaux leur naturel, les font parler et agir selon leurs individualités, leur font seulement jouer des rôles et des personnages conformes à leurs qualités physiques, et pour les hommes qui figurent avec eux comme acteurs dans ces petits drames, ce ne sont guère que quelques prêtres, quelques vilains, familiers à la sphère d'idées des poètes populaires, et qui conviennent à la simplicité ou à la rudesse des positions dans lesquelles ils se trouvent avec les animaux, leurs interlocuteurs ou leurs vainqueurs. Le caractère de simplicité et de naturel de ces dix-huit branches nous dispose à les regarder aussi comme primitives, comme appartenant de préférence aux premiers siècles des compositions de cette espèce, aux siècles de simplicité dans les mœurs et dans les idées, aux temps où le sujet n'a pas encore été épuisé, où les versificateurs et leur public n'ont pas encore été blasés sur les tours ingénieux de Renart et la naïveté de la fable.”
Alvorens verder te gaan moeten wij opmerken, dat de stelling niet opgaat, daar b.v. de 234 eerste verzen der eerste branche blijkbaar tot de jongste stukken behooren, daar hier herhaaldelijk verklaringen en toepassingen voorkomen, om te doen zien, wie al zoo door Renart en Ysengrin bedoeld worden. In de 13e (9e) branche leest men, vs. 6910:
Se il fust pris devant Halape Ne fust-il pas si adolez,
hetgeen herinnert aan Renart Le Nouvel, vs. 2884:
Ne cuit mie jusqu'en Halape Ait nul home qui le vousist.
Zoowel het eene als het andere gedicht schijnt eerst in het laatst der dertiende eeuw zijn tegenwoordige vorm erlangd te hebben.--Over de karakteristiek handelen wij weldra.
»Dans les branches 21, 22 .... les animaux acteurs agissent et parlent encore en grande partie selon leur naturel, mais ces branches ne portent plus tout-à-fait l'empreinte de la fable; ce sont plutôt des récits, des contes versifiés où les animaux des autres branches sont encore en scène, mais où le tout prend un cachet tant soit peu différent.
»Les branches 19, 20 ...., assez longues, renferment, à la vérité, des parties qui tiennent à la simple fable, et qui sont teintes d'une couleur analogue à celle qui est commune aux premières branches; mais du reste elles sont remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité, et retracent les mœurs, les usages et le langage de la chevalerie. Les animaux s'y rassemblent à la cour du roi Noble le lion, tiennent conseil, se divertissent, font le siége du château-fort de Maupertuis, montent constamment à cheval, s'arment à l'instar des chevaliers, parlent tous le même langage, agissent de la même manière, s'agitent, se battent et triomphent sans aucun égard à leur grandeur, à leurs forces, à leur naturel, à leurs qualités morales et physiques. Ces branches ne laissent pas d'être curieuses, poétiques, spirituelles et plaisantes en maint et maint endroit; mais elles ne ressemblent plus aux premières, elles forment des poëmes d'un autre style, on dirait presque d'un genre différent.”
Ik heb bij herhaling de fransche branches gelezen en herlezen alvorens ik met het boek van R. bekend werd, en ik moet zeggen, dat ik niet tot hetzelfde rezultaat als de deensche geleerde ben gekomen; en wie zich de moeite wil getroosten de drie eerste deelen van MÉON te doorbladeren, zal lichtelijk ontwaren, dat ROTHE ter gunste van een systeem een willekeurig onderscheid heeft aangenomen. Wij zagen reeds dat de achttien eerste branches van MÉON niet alle tot de oudsten behooren; het behoeft ook slechts eene oppervlakkige inzage opdat men zich overtuige, dat zij zich niet onderscheiden door die »naïveté de la fable,” maar evenzeer als de volgenden behooren tot de »récits ou contes versifiés.”
Ik verwijs b.v. naar de tweede branche, waarin Renart de aal van zekere kooplui steelt; naar de tiende, waarin de vos en de wolf een priester bedriegen; naar de elfde, die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, en die men gewoonlijk voor de oudste houdt, waarin breedvoerig geschilderd wordt hoe Renart met een boer solt en hem behendig in het water smijt; enz., enz.
Of die achttien eerste stukken ook wel minder zijn »remplies d'allusions à la chevalerie et à la féodalité”?
Vooreerst rijden ook hier de dieren te paard. In de eerste branche b.v. heet het vs. 568 van Renart:
Ainz ne fina d'esperoner.
In de tweede, vs. 893:
Car il (R.) a trop ignel cheval.
In de 13e (9), vs. 6541:
Onques ne fa ses frains tenuz.
In de branche aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven zegt de vos tot Nobel, vs. 5618:
Miex amez la grant baronie De vostre cort avecques vos, Si con est sire Bruns li ors.... N'avez cure de povre gent.
Op het slot der eerste branche lezen wij, vs. 736:
A la cort Noble le lion Tient-on les plès et les oiances De mortiez guerres et de tences, Là nos irons de lui clamer.
Vs. 516 spreekt Hersent er van zich aan een Godsoordeel te onderwerpen:
.... S'om me laissoit esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par del devise C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre.
Uit dit alles zal men gereedelijk ontwaren, dat de onderscheiding door ROTHE gemaakt, niet opgaat; en dat de meeste branches in karakter niet veel verschillen[75]. Dit kon ook niet wel, omdat zelfs niet de oudste de oorspronkelijke vorm teruggeeft. Even als onze 20e (16e) branche zich op een boek beroept, doen het ook anderen, b.v. die van PIERRE DE SAINT-CLOUD heet te zijn, vs. 4938:
Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite;
vs. 5753:
Que se l'estoire ne nos ment.
Zoo ook de 5e (3e) branche, die een verhaal bevat dat ook in het stuk van PIERRE voorkomt, maar een ouder aanzien heeft, heet het vs. 1384:
Trover le poez en l'estoire.
Nu hebben de omwerkers de zeden, denkbeelden en het spraakgebruik van hunnen tijd in hun verhaal gebracht, de een op deze, de andere op gene wijze, naarmate zij zich meer of minder streng aan hun origineel hielden. Zoo zagen wij in de 11e branche b.v. met een enkelen trek de koninklijke hofhouding aanduiden, terwijl de schrijver zich onthoudt van zijne dierhelden te paard te laten rijden.
Het verst in ridderlijke zedeschildering gaat het laatste gedeelte der 20e (16e) branche, en ook de 19e waar de dieren gewapend met lans en speer Reinaerts burcht belegeren; en alleen betrekkelijk deze gaat de onderscheiding van ROTHE op.
Uit dit alles volgt nu, zoo ik hoop, klaarblijkelijk, dat het karakteristieke onderscheid tusschen de branches 1-7, 21-22 en 20_a_ niet bestaat in dien zin waarin ROTHE het opvatte, en die hem aanleiding gaf de branches 20 en 21-22 aan verschillende dichters toe te schrijven. Wij zullen dan ook later zien, dat de 20e branche, die volgens ROTHE tot de jongste bewerkingen moest behooren, gedeeltelijk althans, waarschijnlijk tot de oudste moet gerekend worden.
Keeren wij thans tot de branche 21-22 meer bepaald terug.
FAURIEL was daaromtrent van een andere meening dan ROTHE. Hij noemt de beide branches[76]: »Renart teint en jaune et Renart jongleur .... deux productions remarquables à plus d'un titre, et surtout pour être indubitablement du même trouvère à qui l'on doit la fable du Plaid (20).”
Hoe verdienstelijk deze schrijver in vele opzichten is, hij heeft in zijn artikel over den Roman du Renard te veel misslagen begaan om hem op zijn woord te gelooven[77]; wij moeten daarom een eigen onderzoek instellen.
In deze branche nu wordt hoofdzakelijk verhaald, hoe Reinaerts vrouw op het eerste gerucht van zijnen dood zich terstond een nieuwen echtgenoot gekozen had, die echter door Reinaert in zijne bruiloftsvreugde wordt gestoord.
Nu zegt reeds in de voorgaande, 20e branche, vs. 11745 vlg., de vos tot den das:
.... Se ma fame se marie, Tolez li quanque je li lès, Et si tenez ma terre en pès, Qar moult m'aura tost oblié Puis que me saura devié; Ainz que Tibaut soit crestiens En metra un en ses liens: Qar qant li hons gist en la bière, Sa fame esgarde par derière S'ele voit home à son plaisir; Ne puet pas son voloir taisir, Con plus se pasme et vet tremblant, Qu'il ne li face aucun semblant. Tot autretel fera la moie, Jusqu'au tiers jors r'aura sa joie.
Die soort van voorspelling wordt nu in de volgende branche vervuld. Ook in deze komen herinneringen voor aan het voorgaande stuk, b.v. vs. 12165-8, waar gewezen wordt op het gebeurde op het laatst der 20e branche, vs. 11531, 11957. En nog duidelijker heet het vs. 12679:
A une liue d'iloc ot, Si que Renarz moult bien le sot, Une tombe d'une martire, Dont vos m'avez bien oï dire, De Coupée qui là gisoit: Tretoz li mondes le disoit Qu'ele fesoit apertement Vertuz à toz conmunalment. Nus hons n'i vient, tant soit enfers, Ou soit moignes, on lais ou clers, De tot le mal que il éust, Que meintenant gariz ne fust.
Dit ziet op het vroeger verhaalde geval, vs. 10147, waar men ontdekt dat Coupée, de door Renart vermoorde hen, eene heilige martelares was, op wier graf de haas door een mirakel van zijne koorts genezen wordt.
Opmerkelijk is het, dat hier vs. 12682 de dichter uitdrukkelijk zegt:
Dont vos m'avez bien oï dire,
zoodat wij hier meer hebben dan eene bloote toespeling, ja de zeer stellige verklaring dat beide branches van één en denzelfden dichter zijn. ROTHE wil dit echter niet aannemen, en om zijne opvatting te redden neemt hij zijne toevlucht tot de volgende gissing: »Si l'on osait regarder la vingtième branche, telle que nous la connaissons aujourd'hui, comme un remaniement plus récent et plus spirituel d'un original antérieur, on pourrait supposer, que les branches vingt-et-une et vingt-deux ont eu une conformité et une liaison plus complètes avec cet ancien original de la vingtième[78].”
Het valt intusschen in het oog, dat dit niets anders is dan eene hypothese, die alleen gerechtvaardigd wordt door ROTHES onkritische beschouwing der 20e branche, waarin hij geene twee verschillende handen opmerkte.
De geleerde Deen gaat daarbij ook nog van eene andere verkeerde stelling uit. Hij schijnt aan te nemen dat wij de 21-22e branche in hare oorspronkelijke, onomgewerkte vorm bezitten, en dit kan toch niet in het algemeen als waar aangenomen worden.
Er komen toespelingen in voor op het tweede gedeelte der 20e branche, in welk deel ook de aangehaalde woorden van Renart voorkomen, die ons op de 21-22e moeten voorbereiden, zoodat de aanknoopingspunten blijkbaar eerst later in dit verhaal zijn gebracht, dat overigens eene overoude overlevering schijnt te bevatten[79].
Dit alles schijnt echter juist de stelling van één en denzelfden dichter niet waarschijnlijker te maken; maar van den anderen kant pleit voor de identiteit des dichters de vermelding van de kanonisatie van Coppe in het eerste gedeelte der 20e branche, en wel te midden van het verhaal, en onder nadrukkelijke verklaring
Dont VOS M' avez bien oï dire.
ROTHE is ook op dien regel gestuit. »Le vos m'avez bien oï dire”, zegt hij[80], »semblerait à la vérité signaler le même auteur pour les deux branches; mais d'autres considérations ne permettent pas de la supposer.”
Die andere »considérations” meenen wij genoegsaam weêrlegd te hebben, zoodat ROTHES eenige grond vervalt; want niemand zal wel eenig gewicht hechten aan hetgeen hij er op laat volgen: »Du reste l'auteur de la 22e branche a pu chanter cela ailleurs, et non pas dans la 20e branche précisément.”
Het verwondert ons, dat hij niet eenen anderen uitweg heeft voorgeslagen, die trouwens ten gevolge van onze andere opmerkingen ook bij ons kan opkomen.
Daar er blijkbaar een streven zichtbaar is om de 20e en 21-22e branche aan elkander te rijgen; zou het niet onmogelijk zijn, dat de schrijver van het tweede gedeelte der 20e branche, aan wien deze aaneenhechting wel mag worden toegeschreven, hier eene kleine verandering in den tekst had gebracht, daar er oorspronkelijk wel kon gestaan hebben:
Dont vos avez bien oï dire,
zoo als men in verschillende andere gedichten aantreft.
En toch durf ik deze tekstverandering niet als een bewezen feit aannemen, daar geen enkel handschrift eene andere lezing schijnt aan te bieden dan die welke MÉON gevolgd is. Wij hebben dan hier niets anders dan eene waarschijnlijke konjektuur.
Men mag echter misschien nog verder gaan, en veronderstellen, dat de naam van Coupée hier slechts is ingevoegd om de aanknooping in de hand te werken, terwijl er vroeger alleen van een martelaar, een heilige in 't algemeen in het ouder gedicht sprake was.
De omstandigheid dat Reinaerts vrouw hem voor dood hield, verbiedt ons bepaaldelijk deze branche aan 20_a_ vast te knoopen, waar Reinaert juist bij zijne echtgenoot en kinderen gelukkig was aangekomen: om de aansluiting mogelijk te maken, was de invoering der branche 20_b_ noodzakelijk.
Dat in alle handschriften de branches 20, 21-22 terstond achter elkander volgen, bewijst niets, daar alle codices jong zijn, en uit een tijd, dat de inorganische vereeniging reeds lang had plaats gegrepen.
Opmerkelijk is het ook, dat terwijl in de 20e branche tweemaal eene onloochenbare toespeling voorkomt op de Chanson de Guillaume au cort nez, dit gedicht juist in de 21-22e branche niet vermeld wordt, waar van de Chansons de geste alleen genoemd worden, vs. 12623:
Chanson d'Ogier, Et de Rolant et d'Olivier, Et de Charlon le ber chanu,
waarbij men wel mag opmerken dat, zoo de schrijver dezer branche ook de auteur der voorgaande was, hij zeker ook hier in de eerste plaats het gedicht zou vermeld hebben dat hem zoo gedurig voor den geest had gezweefd, toen hij de 20e branche schreef.
Nu is er wel overeenkomst in taal en spraakwendingen, maar daaruit blijkt toch maar alleen, dat de schrijver in Fransch-Vlaanderen t'huis behoorde, hetgeen ons niet zal verwonderen als wij de omwerking of althans de aanhechting der 21-22e branche aan den schrijver van 20_b_ mogen toeschrijven.
Een paar voorbeelden mogen het taaleigen bewijzen.
Renart doet zich voor als een vreemde jongleur, die het Fransch râbraakt, en gebruikt daarbij soms vlaamsche woorden. Vs. 12106:
Ez-vos Renart qui le salue: „Godehelpe! fet-il, bel sire.”
Vs. 12153 vraagt hem Ysengrin:
Et sez-tu le lai Dam Iset?” --„Ja, Ja, dist-il, godistonet(?), Je fot saver, dist-il, trestouz.
Opmerkelijker is eene andere uitdrukking. Vs. 12858 verwijt Hersant aan de vossin:
Mespris avez en tel manière Qu'en vos en tient à chamberière, Qui conmunaus est à garçons: Trestuit li entrent ès arçons.
Dezelfde zeldzame overdrachtelijke spreekwijs vindt men ook terug, br. 20_a_, vs. 9734, waar aan Hersant verweten wordt:
Que dans Renars, cis fox garçons Vos entra onques ès arçons.
Is dit echter genoegsaam om beide branches aan denzelfden dichter toe te kennen, of moet men hier aan overneming denken?
Ik heb die uitdrukking nog maar in ééne andere branche terug gevonden, die tot de 20e in zeer naauwe betrekking staat, waarom wij er hier een woord van moeten zeggen. Het is namelijk de eerste.
Die eerste branche is uit twee, misschien drie, zeer verschillende stukken samengeflanst, gelijk GRIMM reeds heeft aangetoond[81]. Het eerste loopt van vs. 1 tot 233 of 335, na welk laatste vers een nieuw verhaal begint, dat tot aan het einde doorloopt.
De inhoud dier branche 1_b_ hangt ten naauwste samen met de 20e. Dáár toch wordt het feit, de misdaad, verhaald, waarover Isengrim zich in de 20e ten hove komt beklagen. Buitendien, in de laatste regels van 1_b_ geeft Hersent aan Isengrim den raad zich ten hove des konings te beklagen over den hoon hem door Reinaert aangedaan.
De laatste regels komen echter niet in alle handschriften voor. Br. 1_b_ vindt men niet in alle codices: slechts in de 1e, 2e en 6e bij ROTHE geanalyzeerd, en ook in het vatikaansche handschrift. In het laatste nu ontbreken juist de 32 laatste verzen, waarin de overgang tot de 20e branche wordt voorbereid[82], en ik weet niet of zij wel in ROTHES hss. 2 en 6 gevonden worden, daar hij slechts gewaagt van »à peu près la dernière moitié de la branche première”[83].
Daar nu slechts één enkel handschrift die voorbereidingswoorden schijnen te bevatten, behoeft men er niet veel gewicht aan te hechten. Branche 1_b_ kan echter niet als een op zichzelf staand gedicht worden beschouwd.
Verschillende uitdrukkingen wijzen op een naauwer verwantschap tusschen dit stuk en 20_a_.
De dieren rijden hier als dáár te paard. Wij vinden hier voorbereiding tot hetgeen later in 20_a_ volgt. Vs. 513 zegt Hersent tot haar echtgenoot:
„Sire, fait-ele, vos diroiz Corociez estes, n'est pas droiz Que vos mostrez ici vostre ire; Que s'om me laissait esconduire Par sairement et par joïse, Je'l feroie par tel devise, C'om me féist ardoir ou pendre Se ne m'en poïsse desfendre.”
Dit hangt samen met br. 20_a_, vs. 9790, waar Hersent zegt:
„J'amasse miex assez la pès Entre mon seignor et Renart, Voir qui en moi n'ot onques part, En tel manière n'en tel guise, Si que j'en feroie une juise, Ou de froide ève ou de fer chant. Mès mon escondire que vaut!” etc.
Ten einde ons betoog zoo eenvoudig mogelijk te maken, moeten wij hier reeds wijzen op den aard van den samenhang. Br. 1_b_ is blijkbaar après coup gemaakt, door een schrijver die meer in het breede wilde verhalen wat in de 20e branche als voorafgegane gebeurtenis en hoofdoorzaak van de veete tusschen Renart en Ysengrin, slechts wordt aangestipt. Dat dit door den schrijver van 20_a_ zelf zou geschied zijn, is a priori reeds onwaarschijnlijk. Vooreerst, omdat hij daardoor de kunsteenheid van zijn eerste werk zou hebben opgeheven; ten anderen omdat hij dan later in de 20e branche den aanhefsregel
Ce dist l'estoire ès premiers vers,
wel zou hebben veranderd; eindelijk omdat de schrijver van 1_b_ ook branche 19 voor zich had, die zeer zeker niet door den dichter van 20_a_ is bearbeid.
Vs. 636 toch zegt Renart tot den wolf:
Ne forfis rien à vostre fame, Et por moi et por lui desfandre Tot par là où le vodrez prendre, Un sairement vos aramis Au los de voz meillors amis.
Men ziet duidelijk, dat dit eene toespeling is op de eedsaflegging die in de 19e branche omstandig verhaald wordt.
Met die 19e heeft ook 1_b_ nog dat gemeen, dat in beiden Ysengrin conestable genoemd wordt[84], b.v. vs. 352 en 8255, 8363, 8521.
De branche 1_b_ kan dus niet van den dichter van 20_a_ zijn. Treffen wij dus bij beiden dezelfde opmerkelijke uitdrukkingen, dan kan er alleen aan overneming gedacht worden. Zoo geschiedt dit vs. 504, waar wij lezen:
.... Renars cix rous, cix puanz, Cix viz lechierres, cix garçons, Vos monta onques ès arçons.
Hieruit volgt dan ook, dat het gebruik dier uitdrukking in 21-22 nog niet noodzakelijk bewijst dat deze branche door den dichter van 20_a_ moet zijn bewerkt.
Br. 1_b_ schijnt nog eene uitdrukking met 20_a_ gemeen te hebben. Vs. 632 zweert Renart dat hij des wolfs vrouw niet heeft geschoffeerd:
Par Dieu, beau sire, ne'l créez, Que nules riens i aie faites, Ne dras levez, ne braies traites; Ains par cest cors ne par ceste ame! Ne forfis rien à vostre fame.”
In welke houding gij mij ook gezien hebt, dat wat gij vermoedt, heeft geen plaats kunnen hebben; want zie maar, ik heb bij haar geen dras levez, noch bij mij zelf braie traite.
In de 20e branche zegt de vos, vs. 10997, tot zijne verdediging:
„Et puis qu'i n'i ot braies traites, Ne huis brisiez, ne portes fraites, S'ele m'a chier, et ele m'aime, Cix faus jalous de coi se claime?”
Hier is intusschen de uitdrukking traire braies niet op hare plaats; zij is hier blijkbaar den afschrijver uit de pen geschoten, wien zij uit de eerste branche, die vooraan in het manuscript stond, in het hoofd lag. Waarschijnlijk moet hier gelezen worden:
Et puis que n'i ot force fète, Ne huis brisiez, ne porte frète,
even als op eene andere plaats, vs. 9761, de das zegt:
„Et puis qu'il n'i ot force fète, Ne huis brisié, ne trive frète, Se Renars le fist par amors, N'i afiert ire ne clamors.
Dat echter de eene uitdrukking de andere heeft in 't leven geroepen, is meer dan waarschijnlijk.
Nog eene bijzonderheid mag ons niet ontgaan. Reinaert had, gelijk wij van elders weten, meer dan één kasteel, even als elke goede vos meer dan één hol heeft. Behalve Malpertuis, wordt ook nog Malcrues genoemd. Zoo b.v. in de 19e branche, vs. 5972:
Et il se r'est en Malcrues mis,
en vs. 8932:
Droit à Malcrues son repère,
zoo als een der codices leest[85], maar waarvoor de uitgave van MÉON terecht leest Malpertuis, zoo als de rhythmus leert.
Die zelden voorkomende naam hoort waarschijnlijk ook in branche 20_a_ (16) t'huis; immers vs. 10803 zegt de vos in zijne biecht, van eene vorige belegering van zijne burcht sprekende,
Qant li ost[86] fu devant mon crues, ........................ Tuit furent batu et ploié.
Moest men daar in steê van het meer algemeene gezegde niet den eigennaam van Reinaerts burcht verwachten, en lezen: devant Malcrues?
Opmerkelijk is het, dat dezelfde schrijffout, natuurlijk van denzelfden afschrijver, ook in branche 1_b_, vs. 568 voorkomt, waar het heet:
Ainz ne fina d'esperoner Jusqu'a l'entrée d'un mal crues,
waar blijkbaar de Malcrues moet gelezen worden, daar weinige verzen later, vs. 577, juist van die plaats gezegd wordt:
Li chastiaus estoit auques fort.
Daar nu dezelfde naam ook in de 19e branche voorkomt, behoeft het geen betoog, dat zij in de 1e er niet toe kan leiden om deze aan den dichter der 20e toe te schrijven.
De einduitkomst van dit onderzoek moet, dunkt mij, zijn, dat branche 20_a_ eenmaal op zichzelf stond, en dat daaraan iets later door den schrijver van 20_b_ ook de branche 21-22 werd toegevoegd. Waarschijnlijk heeft wederom een jonger schrijver uit dezelfde landstreek er ook de 19e branche bijgedicht.
Zoowel ROTHE[87], als GRIMM[88] hebben reeds opgemerkt, dat het begin der 20e (16e) branche zich aan de vorige aansluit, waarin verhaald wordt, hoe Renart zich onttrok aan het afleggen van een zuiveringseed op het lijk van een martelaar, omdat hij ontdekt had, dat men hem in eene hinderlaag wilde lokken. De fransche branche 20 zegt, vs. 9689:
Quant li saint furent aporté, Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière.
En evenzoo in den mnl. Reinaert, vs. 82:
Also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontfoer in sine veste.
Zoo er al samenhang is, beide genoemde geleerden zijn het eens, dat evenwel die twee branches van verschillende dichters zijn. Ook wij nemen die stelling aan, hoewel zij ons bij ROTHE vreemd klinkt om de opvallende overeenkomst in karakter met branche 20_b_, die hij niet van 20_a_ scheidt.
Dat de 19e branche reeds op de 20e voorbereidt, bewijst slechts dat men er naar streefde om ze beiden aan een te rijgen. Daarom zegt Grimbert in het slot tot den wolf, vs. 9635:
„.... por Renart.......... Alez à cort, ne fètes noise: De rien i a de mesprison, Là vos en fera-il reson.” Dist Ysengrins: »Je m'i acort: Quel part que la parole tort, Ouen en Mai ferai mon claim: A mon seignor, que je moult aim, Me clamerai del traïteur” etc.
Maar dit geeft ons nog geen recht beide branches aan denzelfden schrijver toe te kennen; zelfs niet als wij weten, dat zij ook een Vlaming tot auteur heeft, zoo als ons uit zijne taal kan blijken.
Immers vs. 9202 zegt hij:
Anuit aurez moult bon herbert,
wat niets anders is dan eene gewijzigde uitspraak van herberc, ons herberg, en dus verschilt van het gewone héberge.
Vs. 9147 leest men nog bepaalder:
Grimbert respont: »Ja, ja.”
De schrijver kende de geheele 20e branche, zoowel het oorspronkelijke deel als het toevoegsel.
Uit het eerste nam hij, vs. 9267, de namen Goubert (br. 20_a_, vs. 10371), en vs. 9261, dame Poufile (br. 20_a_, vs. 10378).
Uit het tweede den banierdrager, daar hij, vs. 9045, schrijft:
Cel jor porta le confanon Li putoiz qui Foinez ot non.
In de 20e branche is li limaçons de banierdrager, vs. 11313, 11558, 11617; maar juist uit de bijvoeging cel jor blijkt, dat de schrijver zich van de afwijking bewust was, en dus 20_b_ kende.
In br. 20_b_ zien wij de dieren, als ware ridders, met lans en speer tegen Reinaerts burcht optrekken. In dit opzicht gaat de schrijver van br. 19 nog verder, daar hij zelfs van een hond, die niet tot de edeler dieren der hofhouding behoort, en die Reinaert najaagt, zegt, vs. 9481:
Primes i cort, ainz que li autre, Lance levée sor le fautre, Rooniax li chiens.
Dat dit alles ontleend is, blijkt nog uit kleinigheden. Zoo b.v. noemt de schrijver van branche 19 zelden de namen der edeler dieren: in den regel heet bij hem de koning slechts li lions, vs. 8346, 8383, 8476, 8876, 8907, 9021; de beer, li ors, vs. 8745, 8774, enz.
Eenmaal bestond er zeer zeker een streven om de branches 19, 20, 21-22 met elkander in verband te brengen[89]: door wien, en wanneer is nu die vereenigingsband om deze gedichten geslagen?
Mij dunkt dit heeft ongeveer in de tweede helft der dertiende eeuw moeten plaats hebben, toen wellicht de branches 1_b_, 19, 20, 21-22 als een zeker geheel werden aangemerkt.
In de veertiende eeuw schijnt deze band weêr te zijn verbroken, daar men bij de bijeenzameling van meerdere branches eene andere rangregeling moest aannemen om de gebeurtenissen elkander zoo regelmatig mogelijk te laten opvolgen.
Zoo werd b.v. de eerste branche in het handschrift, dat MÉON tot grondslag van zijne uitgave legde, geheel vooraan geplaatst, en dit hs. is het eenige waarin branche 19 onmiddellijk aan de 20e voorafgaat, terwijl zij in al de anderen verre daarvan verwijderd staat.
Die vereeniging had echter eerst plaats nadat reeds 20_a_ en b waren tesamengesmolten, en wellicht ook 21-22 daaraan toegevoegd, maar nog niet de 19e; want het is opmerkelijk, dat de schrijver van onzen Reinaert de personagie van Roonel den hond, die toch in de 20e branche voorkomt, in 't geheel niet noemt, waaruit men zou mogen opmaken, dat hij het verhaal, waarin deze eene hoofdrol speelt, niet gekend heeft.
V.
Nu wij ons eenigsins hebben bekend gemaakt met de fransche branche, die wij als de mogelijke bron van onzen Reinaert aanzien, kunnen wij er toe overgaan om door eene nadere vergelijking de waarheid van ons beweren te staven.
Wij zullen punten van overeenkomst aantreffen die treffend zijn, maar ook zeer merkwaardige afwijkingen. Om dus de verhouding van ons gedicht tot het fransche aan te wijzen, om eenig meerder licht te verspreiden over het ontstaan van den Reinaert, en een duidelijker inzicht te verkrijgen in zijne kunstwaarde, moeten wij zoowel de overeenstemming als de afwijking in bijzonderheden nagaan.
WILLEMS heeft reeds de rangnummers van vele overeenkomstige verzen van beide teksten naast elkander geplaatst[90], maar om de letterlijke overeenkomst recht duidelijk in het oog te doen vallen, om allen mogelijken twijfel weg te nemen, moeten wij de voornaamste letterlijk eensluidende plaatsen nevens elkander den lezer voor oogen stellen.
Na eene inleiding van weinige verzen begint het fransche gedicht aldus, vs. 9659:
Ce dist l'estoire ès premiers vers, Que jà estoit passez yvers, Et l'aube-espine florisoit, Et que la rose espanisoit, Et pres fu de l'Acension, Que sire Noble, le lyon, Toutes les bestes fist venir En son palès por cort tenir. Onques n'i ot beste tant ose, Qui se tardast por nule chose, Qu'ele n'i viengne hastivement, Fors dans Renars tant solement. Le mal baron, le sodoiant, Que tuit li autre vont huiant, Et encusant devant le roi, Par son engin, par son desroi.
Evenzoo vangt, na eene inleiding, onze Reinaert aan, vs. 41:
Het was in enen Sinxendaghe, Dat beide bosch ende haghe Met groenen loveren waren bevaen. Nobel, die coninc, hadde ghedaen Sijn hof craieren over al, Dat hi waende, hadde hijs gheval, Houden te wel groten love. Doe quamen tes coninx hove Alle die diere, groot ende clene, Sonder vos Reinaert allene: Hi hadde te hove so vele mesdaen, Dat hire niet ne dorste gaen. .................... Doe al dat hof versamet was Was daer niemen.......... Hine hadde te claghene over Reinaerde Den fellen, metten roden baerde.
* * * * *
Et conpissa toz mes loviax. 9685. Ende mine kindre so mesvoert, Rein. 74. Dat hise besekede.
* * * * *
Renarz prist jor de l'escondire 9687. Qu'il n'avoit pas fait l'avoutire. Quant li saint furent apporté, Ne sai qui li ot enorté, Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière. Het was sint so verre comen, Rein. 79. Datter een dach af was ghenomen, Ende Reinaert soude hebben ghedaen Sine onsculde: ende also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontvoer in sine veste.
* * * * *
Quant la vegile fu chantée 10109. Le cors portèrent enterrer; Mès ainçois le firent serrer En un moult bel vessel de plon, Ains plus riches ne vit nus hon; Puis l'enfoïrent soz un arbre, Et par desus mistrent un marbre, S'i ont escrit le non la dame. Doe die vigilie ghehent was, Rein. 450. Doe leidemen Coppen in dat graf, Dat bi engiene ghemaket was, (Onder die linde, in een gras,) Van maerberstene, die slecht was: Die letteren, die men daer ane sach, Ane den sarc, die daer up lach, Deden ane tgraf bekinnen, Wie daer lach begraven binnen[91]
* * * * *
S'estoit devant la barbaquane. 10179. Doe ghinc hi vor die barbecane Rein. 522. Sitten over sinen staert.
* * * * *
Je sui Brun, mesagier le roi. 10190. Ic bem Brune, des coninx bode. Rein. 525.
* * * * *
Renarz qui tot le mont engane, 10180. Por reposer s'est tret arière Enmi le fonz de sa tesnière. .................... Renarz set bien ce est li ors, Reconnéu l'avoit au cors (sic): Lors se commence à porpenser Conment son cors porra tenser: En grant paine est d'estudier Conment le puisse conchier. Bi der tale, die Brune heeft begonnen, Rein. 538. Bekenden altehant Reinaert, Ende tart bet te dalewaert, In sine donkerste haghedochte: Menichfout was sijn ghedochte, Hoe hi vonde sulken raet, Dat hi Brune, den fellen vraet, Te scerne mede mochte driven, Ende selve bi siere ere bliven.
* * * * *
Brun, fet Renarz, biax doz amiz, 10199. En moult grant paine vos a mis Qui çà vos a fet avaler! Ge m' en devoie là aler.... Here Bruun, wel soete vrient, Rein. 549. Hi hevet u qualike ghedient, Die u beriet desen ganc, Ende u desen berch lanc Over te lopene dede bestaen; Ic soude te hove sijn ghegaen....
* * * * *
Nomine Pastre, Christum file! 10237.
In den Reinaert komt deze uitroep niet hier voor, maar wordt later, vs. 1824, den vos in den mond gelegd:
Nomine Patrum, Christum file!
* * * * *
Cel miel, 10239. Jà est-ce la chose du monde Que je miex aim et plus desirre. Qar m'i menez, biau très doz sire! Honich es ene soete spise, Rein. 577. Die ic vore allen gherechten prise, Ende vore allen gerechten minne. Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!
* * * * *
Atant se mettent à la voie, 10276. Onques n'i ot resne tenu, De si à tant qu'il sont venu...... Ende liepen daer si lopen wilden, Rein. 1165. Dat si nie toghel uphilden Eer si quamen............
* * * * *
Un chesne ot commencié à fendre: 10282. Deus coins de chiesne toz entiers I avoit mis. Ene eke Rein. 651. Die hi ontwee clieven soude, Ende hadde twee wegghen daerin ghesleghen.
* * * * *
Or del mengier, puis irons boire. 10290. Haddi gheten, so soudi drinken. Rein. 706.
* * * * *
Et Bruns i mist lors son musel, 10292. El chesne, et les deus piez devant. (Bruun) thooft over die oren Rein. 678. Ende die verdere voete in stac.
* * * * *
De loing esta, si le ramposne. 10316. .... hi sijn oom ghine rampineren. Rein. 703.
* * * * *
Qui portent tinel, et qui hache, 10338. Qui flael, qui baston d'espine. Sulc was, die enen bessem brochte, Rein. 722. Sulc enen vleghel, sulc een rake; Sulc quam ghelopen met enen stake.
* * * * *
.... Lanfroi 10356. Qui devant vint à une hache. Vore hem allen guam gheronnen Rein. 734. Lamfroit met ere scaerper acx.
* * * * *
Onc nus ne vit si lede beste! 10364. Nie maecte God so lelic dier! Rein. 746.
* * * * *
Cil qui fet pingnes et lanternes. 10393. Ene houtmakerigge van laternen. Rein. 804.
* * * * *
De quel ordre volez-vos estre, 10414. Qui roge chaperon avez? In wat ordinen wildi u doen, Rein. 943. Dat ghi draghet root capproen?
Zie wegens de overeenkomst van vs. 10416 en Rein. 952-3 de varianten op dit vers.
Dist li rois: Bruns, qui t'a ce fet? 10429. Ai God, wie heeften so mesmaect? Rein. 987.
* * * * *
Rois, fet-il, si m'a mal-bailli 10434. Renarz, com vos povez véoir. Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet. Rein. 997.
* * * * *
A véu l'oisel Saint-Martin. 10472. Sach hi Rein. 1046. Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen
* * * * *
Assez si le hucha à destre: 10473. Et li oisiax vint a sénestre. „Vliech te miere rechter hant!” Rein. 1051. Die voghel vlooch.......... .................... Ende vlooch Tibert ter luchter siden.
* * * * *
Tybert, fet li Renarz, villecome. 10493. Neve, ghi sijt mi willecome. Rein. 1073.
* * * * *
Mès sa parole que li coste? 10498. Wat cost Reinaerde scone tale? Rein. 1077.
* * * * *
Martinet 10564. Avoit au trou deus laz tenduz, Por Renart prendre, le gorpil, ...................... Et Renarz l'enging savoit bien. Martinet Rein. 1175. ... hadde vor dat gat gheset Een strec, den vos mede te vane: .................. Dit wiste Reinaert, dat felle dier.
* * * * *
Je t'atendré au trou çà fors. 10573. Ende sal u hier buten beiden. Rein. 1187.
* * * * *
Tybert s'en eschape, li chaz, 10605. Qu'il ot as denz mengié les laz. So dat hi metten tanden sinen Rein. 1316. Die pese midden beet ontwee.
* * * * *
A tot le mains en sa paroche 10631. Ne puet soner c'à une cloche. en es gheen lachter, Rein. 1300. Dat hi ludet met ere clockn.
* * * * *
Alez donc tost, si l'amenez, 10653. Gardez sanz lui que revenez. Gaet, ende eer ghi wederkeert, Rein. 1016. Besiet, dat Reinaert met u come.
* * * * *
Qar je n'i voi prestre plus près. 10744. Hier nes ander pape bi. Rein. 1442.
* * * * *
Se je muir, si serai toz sax. 10730. Mine siele sal te claerre wesen. Rein. 1445.
* * * * *
Or s'en vont li baron à cort. 10871. Die heren hebben den wech bestaen Rein. 1696. Tote des conincs hovewaert.
* * * * *
Vers cele cort à ces gelines, 10888. Là est la voie que lessons. Te ghenen hovewaert Rein. 1706. So leghet onse rechte strate.
* * * * *
Fet-il, je l'avoie oblié. 10896. Ic hads vergheten, lieve neve. Rein. 1725.
* * * * *
Et nequedent sovent colie 10912. Vers les gelines cele part, Moult est dolent quant il s'en part; Et qui la teste li coupast, As gelines tantost alast. Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe Rein. 1730. Weder, daer die hoenre ginghen! Hine conste hem niet bedwinghen, Hine moeste siere seden pleghen: Hadde men hem thooft af gesleghen, Het ware ten hoenrewaert ghevloghen.
* * * * *
Et Bruns qui la teste ot vermeille. 10938. Brune, Rein. 1820. Dien noch bloedich es die crune
* * * * *
Rois, fet Renarz, je vos salu 10943. Con cil qui plus vos a valu Que tuit li baron de l'empire. Ic groet u, coninc, ende hebbes recht; Rein. 1777. En hadde nie coninc enen cnecht So ghetrouwe jeghen hem Als ic oit was ende bem.
* * * * *
Qar cil sont serf par nature. 10960. Die scalcheit es hem binnen gheboren. Rein. 1795.
* * * * *
Renart, Renart, dist l'emperère, 11021. .................... Bien savez parler et plaidier, Mès ce que vaut? n'i à mestier; N'en partirez en nule guise Que de vos n'en face justise. Die coninc sprac: »Owi Reinaert, Rein. 1800. Owi Reinaert, onreine quaet, Wat condi al scone ghelaet! Dat en can u ghehelpen niet een caf. Nu comt uwes smekens af: In werde bi smekene niet u vrient.
* * * * *
Se Bruns..... 10978. Et li vilains le ledenja, Et il por coi ne se venja? Was hi (Br.) teblouwen oft versproken, Rein. 1827. Waer hi goet, het ware ghewroken.
* * * * *
Et si me face ardoir ou pendre, 11015. Qar ne me puis vers lui deffendre. Wildi mi sieden, ofte braden, Rein. 1842. Ofte hanghen, ofte blenden, Ic ne mach u niet ontwenden.
* * * * *
Mès ce seroit povre venjance. 11018. Dat ware ene cranke wrake. Rein. 1849.
* * * * *
Ez-vos Renart le pelerin 11169. Escherpe au col, bordon fresnin. Nu wart Reinaert pelgrijn, Rein. 2997. .................... Scerpe ende palster omme den hals.
* * * * *
Dame, fet-il, vostre proière 11189. Devroie-ge avoir moult chière; Moult par devroit estre haitiez Por qui proier daingneriez. Bidt vor mi, edele vrouwe, Rein. 2745. Dat ic u met lieve weder scouwe.
Opmerkelijk is ook nog dat de eigenaardige fransche vocativus[92] (vs. 10445):
Où estes-vos, Tyberz li chaz?
evenzoo in den Comburger codex (vs. 421) gevonden wordt:
Die coninc sprac: Grimbert die das, U oom enz.
Al die plaatsen komen zoo letterlijk overeen, dat er geen twijfel over kan blijven, of het eene stuk is eene vertaling van het andere. Maar ziet, er komen nu zoo vele afwijkingen in beiden voor, dat men weder begint te twijfelen en naar een ander origineel omziet. Men zal daarbij echter met omzichtigheid moeten te werk gaan.
VI.
Wat zou dat andere origineel kunnen zijn? Het ouder gedicht dat aan de fransche branche ten grondslag ligt? Men zou misschien geneigd zijn dit aan te nemen, als men durfde gissen, dat de veelvuldige gelijkluidende assonancen in den Reinaert (zie boven, bl. XXV vlg.), ontstaan waren uit navolging van een fransch stuk dat in tirades monorimes geschreven was, hetgeen dan noodzakelijk ouder zou moeten zijn dan de 20e branche, die in rimes plates is geschreven. Maar vooreerst is er geen spoor over van een fransch gedicht in tiensylbige regels uit dezen cyclus[93]; en buitendien bewijst de eigenaardigheid van het vlaamsche gedicht niets, daar in geene andere vertaling van tiensylbige fransche verzen met assonnance eenig spoor van des oorspronkelijken versbouw over is. Overigens hebben wij reeds betoogd, dat juist de bekende fransche tekst veel nader aan dat origineel staat dan onze vlaamsche Reinaert[94]. Dus eene andere omwerking van dien ouderen tekst misschien? Maar is het mogelijk aan eene andere fransche omwerking te denken, daar de Reinaert juist met MÉONS branche zoo vele afwijkingen van het origineel gemeen heeft, en, gelijk wij zagen, niet slechts in het algemeen denzelfden geest als deze ademt, maar ook grootendeels denzelfden gang heeft, en daarenboven in een aantal plaatsen eene letterlijke, in een grooter aantal eene meer vrije navolging daarvan levert?
Om alle onderstellingen uit te putten vragen wij nog: kan het ook eene omwerking der branche van MÉON geweest zijn? Maar ook dit is onmogelijk; daar zeer zeker een zoo voortreffelijk stuk veeleer zou zijn bewaard, dan het minder afgewerkte, waarvoor het in de plaats trad.
Voegen wij er thans nog bij, dat de eigenaardigheid in het rijmsysteem van het vlaamsche stuk ook teruggevonden wordt in onze fransche branche, welke overeenkomst zeker geene toevallige kan zijn, en wel in rekening gebracht mag worden om de filiatie dezer twee stukken te betoogen[95].
Vestigen wij voorts onze aandacht op dat gedeelte van ons vlaamsch gedicht dat het meest van het Fransch afwijkt, dan blijkt ons dit zoo eigenaardig Vlaamsch, dat het ons reeds terstond veel waarschijnlijker moet voorkomen, dat dit een zelfstandig, onvertaald, oorspronkelijk opgevat en bewerkt stuk moet zijn, gelijk ons later nog duidelijker zal blijken.
Dit voert reeds tot het vermoeden, dat de overige afwijkingen van het Fransch ook wel een anderen grond konden hebben dan een ons onbekend ander origineel.
Trouwens, heeft de vlaamsche dichter ook wel uitsluitend willen vertalen? Slaan wij het oog op hetgeen hij zelf zegt in den aanhef van zijn werk.
Hij kende »davonturen van Reinaerde,” daar het hem immers anders niet had kunnen »vernoyen”, dat zij
In Dietsce onghemaket bleven.
Het »vernoyede” hem zoo zeer,
Dat hi die vite dede soeken,
dat hij zich de levensbeschrijving verschafte,
Ende hise na den Walschen boeken in Dietsce...... hevet begonnen.
Hij zocht dus, of deed zoeken, de geheele vite, en bewerkte zijn gedicht niet naar één boek, maar volgens DE fransche BOEKEN.
Dat hij zich hoofdzakelijk bepaalde tot dat gedeelte der sage dat, blijkens de verschillende navolgingen, reeds in 's dichters tijd voor het beste gehouden werd, en ook thans nog door alle beoordeelaars als de uitstekendste aller branches wordt aangemerkt[96], is hoogstnatuurlijk; maar slaafsche navolging hebben wij daarbij niet te wachten: verbeteringen, aanvullingen, die dan waarschijnlijk geput zullen zijn òf uit de andere fransche branches, òf uit de overlevering, die den dichter bekend was[97]. Zien wij dit in de bijzonderheden.
De grootste afwijking bestaat in het verhaal van hetgeen er ten hove gebeurde, nadat Reinaert er verschenen was. In het Fransch schenkt de koning den vos vergiffenis op bloote voorspraak van Grimbert, zonder dat die genade gemotiveerd is, en alleen op voorwaarde dat Reinaert als pelgrim het heilige land zal bezoeken. Naauwelijks heeft hij genade verworven, en is hij buiten 's konings macht, of hij ontdoet zich, vs. 11262
Et du bordon et de l'escherpe: Son cul en tert, volant les bestes, Puis si lor giete sor les testes.
Nu stormt het geheele gevolg des konings hem na en jaagt hem binnen Malpertuis, waar hij veilig is,
Où il ne crient ost ne asaut.
Dan volgt een toevoegsel. Reinaerts burcht wordt belegerd: van zijne tinnen beschimpt de vos zijne belagers, en schoffeert zelfs op zekeren nacht de koningin. Maar bij die gelegenheid wordt de bedrieger gevangen genomen, die nu zou worden gehangen. Ter goeder ure kwamen echter Reinaerts echtgenoot en kinderen, en brachten
Un somier tot chargié d'avoir,
dat zij den koning aanboden.
Rois Nobles choisi le tresor, Vs. 11817. Qu'est devant li, d'argent et d'or; De l'avoir fu moult covoitos.
Geen wonder dan ook, dat hij gaarne voor dien schat Reinaert op nieuw genade schonk.
En dan volgt er (vs. 11853) waarschijnlijk een nieuw toevoegsel, waarbij wij ons niet zullen ophouden.
Nu behoeft men den Reinaert van vs. 1873 af tot aan het einde slechts vluchtig te doorloopen, om zich van de meerdere voortreffelijkheid van het vlaamsche stuk boven zijn origineel te overtuigen. Alles is hier met uitnemende kunst behandeld: eenheid en samenhang zijn treffend behouden, omdat elke bijzonderheid goed en natuurlijk is gemotiveerd.
En toch vond de dichter de aanleiding tot zijne hoofdmomenten in het fransche stuk. Reeds bij de derde indaging van Renart doet de koning hem daar weten dat hij met den strop zal gestraft worden; hij moet zich ten hove komen verantwoorden, en behoeft geld noch goede woorden meê te brengen (vs. 10724),
Si n'i aport or ne argent[98];
Als Reinaert voorts van de koningin een ring erlangt, zegt hij haar, vs. 11197:
Redonrai vos de mes joiax Tant que vaura bien cent aniax;
en later wordt hij werkelijk, onder bemiddeling der koningin, door een grooten schat van den dood vrijgekocht. Dit laatste heeft ook in den Reinaert plaats, maar onder zeer gewijzigde omstandigheden; en ROTHE heeft er reeds op gewezen, dat de schat, waardoor in het Fransch 's konings toorn gestild wordt, »rappelle l'idée générale d'un trésor qui influe sur la résolution du souverain. Mais”--voegt hij er bij--»il y a fort loin de là au trésor imaginaire de Reineke”[99]. Hoe groot het onderscheid ook zij, de overeenkomst van het gronddenkbeeld is onloochenbaar, gelijk wij ook later onder het frissche vleesch van onzen Reinaert het gebeente der fransche branche zullen kunnen tasten.
De schat van koning Hermelinc wordt in het vlaamsche stuk zoo natuurlijk mogelijk in het verhaal gebracht, en heeft het dubbele voordeel, dat Reinaert daardoor niet alleen 's konings gunst verwerft, maar ook dat hij, vs. 2175,
Brune ende Isengrijn bede In veten ende in ongheval Jeghen den coninc bringhen sal.
Maar hoe kwam de dichter op de gedachte om op die wijze zijn voorbeeld te wijzigen? Blijkbaar putte hij die uit de traditie: »Dass Ermenrich in die erzählung gemengt ist,” zegt GRIMM[100], »verräth einen uralten Deutschen zug; wahrscheinlich ist eine flandrische tradition mit dabei im spiel.” En hij haalt daarbij eene plaats aan uit de Miracula Sti Bavonis, in de tiende eeuw geschreven, waaruit blijkt, dat men koning Hermenrijk voor den stichter der burcht te Gent hield, waar hij groote schatten vergaderd had[101].
Het geheele denkbeeld van eene biecht kon hij uit de fransche 20e (16e) branche ontleend hebben, waarin zij althans met een woord wordt aangestipt; vs. 11717 raadt Grimbert den vos, die op 't punt stond van gehangen te worden,
Or vos déussiez confesser,
en wat later, vs. 11807, komt zijne vrouw met den schat aan
Ançois qu'il ait dit sa confesse.
Het denkbeeld om zich op den beer en den wolf te wreken, en hen van een deel van hunne huid te berooven, is niet aan de 20e branche ontleend; maar het was blijkbaar oud. In het Fransch zoowel als in de latijnsche gedichten[102] vindt men dit incident in de verhalen waarin de kranke leeuw door den vos genezen wordt[103]. En hetgeen merkwaardiger is, is dit, dat zoowel in den Isengrimus, den mhd. Reinhart, als in de 26e (21e) fransche branche, die wraakoefening voorafgegaan wordt van den hofdag waar Reinaert wordt aangeklaagd.
Blijkbaar schijnt intusschen op den hofdag bij den kranken koning de aanklacht tegen den vos maar weinig plaats te hebben beslagen, gelijk de Isengrimus leert. Of dit tafreel van lieverlede meer in het breede is uitgewerkt, om eindelijk als zelfstandig verhaal te worden behandeld, dan of de afzonderlijke ding-dag aanleiding gaf tot meerder uitbreiding van soortgelijk verhaal in het eerste deel der branche van de genezing des konings, is niet licht uit te maken. Ik zou intusschen niet ongeneigd zijn het eerste aan te nemen. Daarvoor pleit, dunkt mij, vooreerst de samenvoeging in den mhd. Reinhart; maar ten anderen ook de 26e (21e) fransche branche.
Zij begint ook met een hofdag op den Pinksterdag.
Ce fu entor la Pantecoste, Vs. 17885. Que dant Nobles tenoit sa feste: Asanblée i ot mainte beste; .................... Mais li chastelains de Val-gris, Dans Renarz, de qui toz max sort, N'ert pas adonc venu a cort.
Isengrim begint ook hier de aanklacht tegen zijnen vijand, die echter door Tybert verdedigd wordt. Hoewel hij reeds herhaaldelijk gedaagd is,
Plus de dis foiz, voire de vint,
wordt hij opnieuw opgeroepen, eerst door den hond Roonel, wiens vrouw hem echter waarschuwt, zeggende, vs. 18172:
Manbre-vos de Tybert le chat, A qui fist panre tant mal mors. Et de Belin, et de Brun l'ors, A qui il fist perdre la pel Des orailles dusc'au musel.
Roonel volbrengt intusschen zijne boodschap, maar wordt door den vos in 't ongeluk gestort. Dan volbrengt het hert de tweede indaging, en ook deze bode komt slecht van de reis. De koning wordt daardoor zoo vertoornd, dat hij de koorts krijgt. Daarop begeeft Grimbert zich naar Reinaert om hem deze boodschap te brengen; waarop dan de geschiedenis der genezing des konings door den vos begint.
Men ziet duidelijk, dat dit eene navolging is van de driedubbele daging uit onzen Reinaert, gelijk reeds door GRIMM is opgemerkt[104], die er echter op laat volgen: »gewis gab es ein älteres, mehr zu dem deutschen stimmendes franz. gedicht.” Hij zegt dit vooral met betrekking tot het laatste gedeelte der branche; maar wellicht geldt het evenzeer van het eerste stuk, dat zeer zeker »einen spätern umarbeiter verräth.”
Daar hij nu een ouder gedicht omwerkte, kan zijne inleiding daarin niet voorhanden geweest zijn: hij heeft dus hier zijn voorbeeld veranderd. Hoe kwam hij daartoe? en waarom deed hij het juist zoo? Mij dunkt, het ligt voor de hand om aan te nemen, dat hij dat ouder eerste gedeelte niet opnam, omdat dit tot een zelfstandig gedicht verwerkt was. En dat dit juist het onze is geweest, is niet onwaarschijnlijk, omdat dit juist het best verklaart hoe hij juist eene blijkbare navolging van dit stuk voor het oorspronkelijke in de plaats schoof.
Waarschijnlijk kende de dichter van den Reinaert dien ouderen vorm, hetzij dan uit een der latijnsche stukken, den Isengrimus of Reinardus, hetzij uit de mondelinge overlevering, daar hij waarschijnlijk het ouder fransche gedicht niet gekend heeft; en zoo kwam hij misschien op het denkbeeld om tot op eene zekere hoogte den draad weder op te vatten die zijn fransch voorbeeld had laten schieten.
De mishandeling, het dooden van Cuwaert, hoewel in het Vlaamsch geheel anders verhaald, moet ook uit het Fransch ontleend zijn, en wel uit de 20e branche. Daar heet het, vs. 11209 vlg., dat Renart na zijne begenadiging den haas, die zich in eene haag verborgen had, overweldigt en hem meêsleept:
En quide bien livroison fère Vs. 11246. A ses faonz sans demorance.
Maar het gelukte Couart den moordenaar te ontsnappen (vs. 11272), en zoo gewond en mishandeld als hij was
(Les costez a toz pertuisiez, Vs. 11279. Que li bordons i fu fichiez; Et la pel des piez et des mains A rompue, n'est mie sains.)
zich voor 's konings voeten te werpen en om hulp te smeeken, waarop Noble, verontwaardigd over het verraad van Renart, beveelt hem na te zetten.
Dat er werkelijk ontleening uit de fransche branche plaats had, mag ook daaruit worden opgemaakt, dat in 't Vlaamsch de misdaad aan Cuwaert gepleegd, niet gemotiveerd is; daar deze integendeel den vos, hoewel door angst gedreven, nog een dienst had gedaan, zie vs. 2628 vlg.
Daarentegen had in 't Fransch de haas zich zijn ongeval op den hals gehaald; want toen men Renart ter galg voerde, en alle dieren hem te lijf gingen, had Couart hem van verre,
De loing, que pas ne l'aprochoit, Vs. 11106.
met een steen geworpen; en juist omdat
En a crollé le chief Renart,
had de lafaard zich weggemaakt,
Que onques puis ne fu véuz.
en in de haag, waar hij zich verscholen had, ontdekt hem later Renart, die zich nu over den hoon hem aangedaan wil wreken.
Eindelijk komen wij tot het slottafreel van onzen Reinaert, dat WILLEMS als een overgang tot het tweede boek beschouwde[105]. Over de optreding van Firapeel hebben wij reeds gesproken[106]: het is hier de plaats om een enkel woord te zeggen over de regels die hoofdzakelijk den grondslag van WILLEMS' argument uitmaken; namelijk dat Firapeel zegt, vs. 3406:
Ende daer na sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vanghen, Ende bi siere kelen hanghen.
Zijn deze woorden uit de fransche branche ontleend, dan vervalt natuurlijk de stelling van WILLEMS zonder eenige tegenspraak. Welnu, als Cuwaert den koning Reinaerts nieuw verraad ontdekt heeft, roept Nobel uit, vs. 11290:
Or sai bien q'à mavès me tient. Seignor, fet-il, or après tuit! Que je le voi où il s'enfuit: Par le cuer bé, s'il vos estort, Vos estes tuit pendu u mort, Et cil de vos qui le prendra, Toz ses lignages frans sera.
De aanhaling zal genoegsaam zijn om te overtuigen, dat werkelijk de aangetogen woorden van onzen Reinaert uit de pen vloeiden van den oudsten schrijver, en niet van den omwerker.
In het origineel geven de mannen des konings gehoor aan zijne stem en jagen den verrader na, die zich eindelijk op zijne burcht bergt. In onze navolging kon dit niet, omdat Reinaert zich reeds te Malpertuis bevond, vanwaar hij zich buitendien met al de zijnen in de woestijn terug trok (vs. 3310-4).
De laatst aangewezen plaats snijdt de mogelijkheid af om te denken aan een plan om later in het gedicht uitvoering te geven aan Firapeels belofte om Reinaert te vangen en te hangen.
Heeft intusschen de dichter van den Reinaert het laatste gedeelte der branche waarin het beleg van Maupertuis beschreven wordt gekend?
Het antwoord op die vraag kan niet anders dan bevestigend uitvallen.
Het eerste gedeelte van het verhaal der gebeurtenissen na Reinaerts komst ten hove, tot aan zijne veroordeeling ter dood, Rein. vs. 1756-1890 stemt volmaakt overeen met vs. 10931-11094 van branche 20_a_; maar dan verlaat ons gedicht dit eerste gedeelte om zich nader aan 20_b_ aan te sluiten.
Rein. vs. 1892 ziet men Grimbert met Reinaerts magen het hof verlaten, want
Sine consten niet verdraghen No sine consten niet ghedoghen, Dat men Reinaert vor haren oghen Soude hanghen alse een dief.
Zoo iets wordt in 20_a_ niet gevonden; maar later wordt in 20_b_ Grimberts smart aangestipt, vs. 11635:
Por Dant Renart que l'en devoure Ploure Grinbert et prie et oure: Ses parenz ert et ses amis, Liez le voit et entrepris, Ne set conment il le reqoe. Que la force n'est mie soe.
Reinaert vs. 1908 zegt de koning, die verlangt een einde aan de zaak te maken:
Twi sidi traech, Isengrijn ende here Bruun? .................... Salmen hanghen, twine doetment dan?
En ook 20_b_ zegt Nobel tot Isengrin, vs. 11787:
Ce dist li rois, pensez del pendre, Que je ne voil mès plus atendre.
In den Reinaert bereiden zich zijne drie vijanden, de wolf, de beer en de kater toe om zelf den valschen moordenaar te hangen. In 20_a_ heet het alleen, vs. 11095:
Sor un haut mont en un rochier Fet li rois les forches drecier Por Renart pendre, le gorpil;
zonder dat er gezegd wordt wie zich met de strafoefening belastte. Maar bij de tweede veroordeeling, in 20_b_, worden de dieren genoemd die zich van hem meester maakten, vs. 11605:
Lors Isengrin en piez se drece, S'aert Renart par la chevesce; Dou poing li done tel bufet, Del cul li fait saillir un pet. Et Brun l'aert par le chaignon, Les denz li met dusqu'au braon; .................... Tybert li chaz giete les denz Et les ongles, qu'il ot poignanz, Saisist Renart au peliçon, Bien li valut une friçon.
En vs. 11705 wordt er zelfs bijgevoegd:
Si anemi La hart li ont ja el col mise.
Eerst in 20_b_ wordt van de nieuwe biecht gewaagd, die in den Reinaert zoo breedvoerig wordt uitgewerkt; immers vs. 11716 eerst zegt Grimbert:
Or vos déussiez confesser.
Bovendien wordt eerst in dit tweede gedeelte de schat vermeld, waarvoor Renart werd losgekocht, dien onze vlaamsche dichter tot koning Hermelinx schat maakte, en waarvan hij op veel geschikter wijze wist partij te trekken.
Reinaert vs. 1851 vlg. worden de dieren opgenoemd die bij des aangeklaagden komst ten hove hunne stem tegen hem verheffen: die plaats is ontleend aan 20_a_, vs. 10159 vlg. Maar onder de daar genoemde dieren komt ook voor, vs. 1868:
Dat foret, Clene-bejach.
welk diertje niet in 20_a_ genoemd wordt, maar in de navolging der eerste plaats, die op het einde van dat oudste deel is geïnterpoleerd, vs. 11297 vlg., waar wij ook vermeld vinden
Et Petit-porchaz li Fuirons.
Reinaerts zoon heet in het mnl. gedicht, vs. 1419 Rosseel: in 20_a_ Rouviel, maar eerst vs. 11729, dus in 20_b_, Rousel.
Hieruit blijkt, dunkt mij, ontwijfelbaar, dat de samensmelting van 20_a_ en -b reeds had plaats gehad vóór dat onze Reinaert werd geschreven, welks schrijver blijkbaar zoowel met het tweede als het eerste deel dier branche is bekend geweest.
Zagen wij, dat ondanks het groote verschil 'twelk is waar te nemen in de laatste helft der beide gedichten, toch het fransche nog tusschen de beter uitgewerkte en levendiger gedachte tafreelen van het vlaamsche doorschemert, wij kunnen daarmede het pleit voldongen rekenen, en stellen, dat werkelijk het bewijs geleverd is, dat de Reinaert naar de ons bekende fransche branche 20, zoo al niet vertaald, dan toch nagevolgd is.
De vlaamsche schrijver heeft dan tot grondslag van zijn werk de uitstekendste der fransche branches genomen, en hoewel hij dit stuk voor een groot deel op den voet volgde, moet men erkennen dat hij door zijne zelfstandige toevoegsels, door zijne eigenaardige wijzigingen, door de meesterlijke wendingen die hij er aan heeft gegeven, een kunstwerk heeft in het leven geroepen, dat zijn origineel bijna in ieder opzicht overtreft, het geheel in de schaduw stelt, en dat zoowel aanspraak heeft op den naam van zelfstandig, origineel gewrocht, als op dien van meesterlijk kunstprodukt.
VII.
Wij mogen intusschen onze vergelijking niet als afgedaan beschouwen voor dat wij ook de overige afwijkingen in beide gedichten kortelijk hebben beschouwd.
Even als in het slot, is er ook verschil in het begin. De klacht van Isengrim is in beide gedichten dezelfde, maar daarop volgt bij den Vlaming terstond een toevoegsel, vs. 16-97, waaruit blijkt, dat hij zeer vrij zal navolgen, en daarbij soms zijn eigen weg gaan. Dit gebeurt dan ook dadelijk.
De klacht van Cortois, vs. 97-106, komt niet in br. 20_a_ voor: waarschijnlijk is zij echter ook geene uitvinding van den vlaamschen dichter, maar uit de volksoverlevering geput; ten minste CHABAILLE heeft in zijn Supplément een klein gedicht uitgegeven, waarin eene worst voorkomt die aan Tibert op eene behendige wijze ontstolen wordt[107], gelijk ook hier, vs. 107-125, blijkt, dat deze eigenlijk eerst in 't bezit dier worst was geweest. Voorts maakt eene worst, waarvan juist Tibert den vos berooft, het onderwerp uit van het grootste gedeelte der 6e branche van MÉON, vs. 2219 vlg.
Merkwaardig is het, dat Tibert Reinaert verdedigt, vs. 107-125. Dit heeft in de fransche branche geen plaats; maar het denkbeeld zelf om Reinaerts zaak door den kater te laten bepleiten, is in de fransche gedichten niet onbekend. In de 20e branche zelve heet het iets later nadat men ontdekt heeft dat Coupée eene heilige was, vs. 10169:
.... Grimbert Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat;
en nog duidelijker in de »branche de Renart si come il fu mires,” waar Tibert Reinaert bepaaldelijk tegen zijne aanklagers verdedigt, vs. 17999-18080, hoewel op andere gronden dan in ons gedicht.
Wij zagen boven, dat er eenige betrekking bestaat tusschen het verhaal van den hofdag, en de branche waarin Reinaert als geneesheer optreedt: door de merkwaardige overeenkomst die zich hier tusschen ons gedicht en die branche opdoet, vinden wij onze opmerking op nieuw gestaafd; maar juist hier betreuren wij het geene kritische uitgaaf der fransche branches te bezitten, niet bekend te zijn met alle grootere varianten, daar wij nu niet kunnen bepalen vanwaar onze vlaamsche dichter den eigenaardigen trek ontleende, die stellig niet van zijne vinding is. Dat hij dien uit de 26e (21e) branche nam is niet waarschijnlijk, daar deze alle kenmerken draagt van jonger te zijn: zoo er overneming plaats had, zou men eer tot het omgekeerde moeten besluiten.
Pancers beschuldiging, vs. 126-169, weet ik nergens aan vast te knoopen, wij schijnen hier eene toespeling op eene verlorene branche te hebben.
Grimberts verdediging van zijn oom komt gedeeltelijk met br. 20_a_ overeen, waar men echter de goed aangebrachte wending niet vindt, dat Grimbert, het veld der verdediging verlatende, zich plotselings ten aanval keert. Isengrim, zegt hij, heeft Reinaert veel kwaad gedaan: vooreerst heeft hij hem bedrogen, toen de vos de »pladisen” van de kar afwierp, waaraan de wolf zich verzadigde zonder voor zijn makker iets anders over te laten
sonder allene een pladisengraet,
dien hijzelf niet mocht (vs. 208-216).
De das verdraait hier een geval, waarbij juist het tegendeel plaats had, en de wolf de bedrogene was. Tweemaal wordt dit feit in de fransche gedichten verteld, br. 2, vs. 749-916 en br. 10, vs. 3919 vlg. Waarschijnlijk had onze dichter de laatste branche op het oog, waar de visschen op de kar ook »pladisen” genoemd worden, vs. 3941:
De poisson chargiez estoient, Si comme harenz et plaïz.
Wij zullen later zien, dat onze dichter nog een ander feit uit dezelfde branche aanvoert, en wel op dezelfde verdraaide wijze. En het zal ons niet verwonderen dat hij er meê bekend was, daar zij, blijkens vs. 3827, te Arras of in Artois geschreven was.
Het tweede beschuldigingspunt van Grimbert is, dat Isengrim den vos bedrogen had betrekkelijk »enen bake,” waarvan hij hem tot zijn deel alleen
Die wisse daer die bake an hinc
overgelaten had (vs. 217-225). Ook het aventuur waarop hier gedoeld wordt, komt in de fransche branche 18 voor, vs. 7698-7970. Maar noch in het Fransch noch in den Reinardus, I, 186 sqq., waarmeê de fransche branche de grootste overeenkomst heeft, leest men hetgeen Grimbert er op laat volgen:
Reinarde was lettel te bet, Dat hi den goeden bake ghewan, In sulker sorghe, dattene een man Vinc, ende warp in sinen sac.
Waarschijnlijk is dit echter slechts een toevoegsel van den loozen advokaat om zijn kliënt des te meer als eene gemartelde onschuld te doen voorkomen.
Heeft onze Vlaming dit avontuur uit het Fransch of uit het Latijn? Ik zou eer meenen uit het Latijn, althans uit eene bron, die nader aan den Reinardus staat. In het Fransch worden wolf en vos als oom en neef voorgesteld, vs. 7713, 7731, 7763 enz., zonder dat er iets gezegd wordt of die bloedverwantschap echt of geveinsd zij. In den Reinardus daarentegen heet het I, vs. 11:
Dicebat patruum falso Reinardus, ut ille Tamquam cognato crederet usque suo.
En juist deze plaats schijnt nu de vlaamsche dichter op het oog te hebben, als hij den vos later, in zijne biecht, ook dit feit laat verdraayen, vs. 2101:
Daer na quam ic ende Isengrijn; .................... Hi rekende dat hi ware mijn oom, Ende began ene sibbe tellen.
Ook betrekkelijk het tooneel waarin Cantecleer wraak eischt over zijne vermoorde dochter Coppe, hebben wij eenige opmerkingen mede te deelen.
Ik zwijg er hier van, dat dit tooneel met veel meer talent is ingeleid dan in het Mhd. of Fransch het geval is: ik wijs slechts op twee afwijkingen van den tekst der 20e branche.
Vooreerst is het geheele tooneel iets vrijer bewerkt: de haan geeft eene schildering van zijn gelukkig huishouden, hoe hij met vijftien kinderen leefde, die door waakzame honden voor Reinaert beschermd werden. In het Fransch is het niet Chantecler, maar Pinte, die het weegeklag voor den koning aanheft, vs. 9989; een spoor daarvan vindt men nog in het vlaamsche gedicht, waar vs. 320 in C. gelezen wordt:
Ende minen sustren die hier staen,
hetgeen GRIMM terecht veranderde in minen kindren. Eindelijk was de vos als pelgrim tot Cantecleer gekomen, en had hem misleid door hem een vredebrief des konings te toonen. Deze bijzonderheid ontbreekt in de fransche 20e branche, maar is overigens in de sage niet onbekend. Reinardus III, vs. 1181, tracht de vos den haan een stuk beukenschors in de handen te stoppen en dat voor een vredebrief te doen doorgaan; maar de list mislukt[108]. In de 6e fransche branche daarentegen, getiteld: Le desputement de la mesange avec Renart (MÉON, I, pag. 66), tracht Reinaert de mees te verlokken, wel niet door de aanbieding van den vredebrief, maar toch door zich te beroepen op den afgekondigden rijksvrede, vs. 1748:
Si a danz Nobles li lions Novelement la pès jurée, Se Diex plaist, qui aura durée. Par sa terre l'a fait jurer, Et a ses barons afier, Qu'ele ert gardée et maintenue.
In den mhd. Reinhart, waar dezelfde gebeurtenis verhaald wordt, vs. 177-216, komt deze bijzonderheid niet voor.
Dus ook hier schijnt ons gedicht nader aan den latijnschen Renardus, of misschien de vlaamsche overlevering te staan dan aan de fransche branches.
Zagen wij hier een toevoegsel, er ontbreekt in dit avontuur in het Vlaamsch ook eene bijzonderheid. Zoowel in den mhd. Reinhart, dus in het oudere fransche gedicht, als in de 20e branche bij MÉON, heeft er op het graf van Coppe een mirakel plaats, daar de haas, die zich op dat graf had neêrgevleid om te slapen, plotselings van zijne koorts genezen werd. Die trek is blijkbaar oud en echt[109], en er moet eene reden zijn waarom de mnl. dichter dien trek juist weglaat.
Het kan onmogelijk zijn omdat hij niet met het heilige durfde spelen; want hij verhaalt wel Reinaerts biecht en aflaat, en de vigilie die voor Coppe zelve gezongen werd; er moet dus een dieper grond voor zijn.
Wanneer men het vlaamsche gedicht ontstaan kon rekenen in de eerste jaren na den moord van den vlaamschen graaf KAREL DEN GOEDE (1126), dan zou men kunnen meenen, dat de dichter het mirakel op Coppens graf had achterwege gelaten uit eerbiedige herinnering aan »der aermer vader”[110], die ook na zijn dood een martelaar werd genoemd, en op wiens graf terstond mirakelen plaats grepen[111]. Maar wij zullen zien, dat de ouderdom des gedichts onmogelijk zoo hoog is op te voeren.
Er moeten dus andere oorzaken aanwezig zijn, want de samenhang van den tekst verbiedt aan een hiaat in het handschrift te denken. En die oorzaak meen ik te mogen zoeken in het gezond verstand en den logischen zin van den vlaamschen dichter, die waarschijnlijk het mirakel wegliet omdat het in zijn voorbeeld te onpas was aangebracht en den geleidelijken gang van het verhaal stoorde. Eene vergelijking van het duitsche met het fransche gedicht zal ons doen zien, dat dit werkelijk het geval is.
Bij GLICHESÆRE wordt de koning zoo vertoornd over de ondaad die Reinhart aan Schanteclêrs dochter gepleegd heeft, dat de haas van schrik de koorts kreeg,
(Von vorhten bestuont in der rite. Vs. 1483)
Als dan de doode begraven is, legt zich de haas op het graf te slapen en geneest terstond van zijne kwaal. Hij schrikt op, en gaat terstond den koning de »vremdiu mære” verkondigen, er bij voegende, vs. 1496:
Daz daz huon wære Heilec vor gotes gesihte.
Nu ging er eene algemeene kreet aan het hof op, dat God een teeken gedaan had; en allen ontstaken in gramschap jegens den moordenaar, roepende, vs. 1508:
„Reinhart soldez vermiten hân, Daz er âan alle missetât Disen heiligen gemartirt hât.
En nu eerst gebood de koning zijnen kappellaan Brûne naar Reinhart te gaan om hem voor het gerecht te dagen.
Geheel anders is de toedracht der zaak in MÉONS 20e branche. Als Copée begraven is verzoeken al de aanwezige baronnen den koning wraak te nemen over
„Cel gloton, Qui tantes guiles nos a fetes Et tantes pès nos a enfrètes.” (vs. 10134.)
De koning zendt daarop Brun uit om den vos te dagen, en (vs. 10143)
Atant se met en l'ambléure Parmi le val d'une costure, Que il ne siet ne ne repose.
En nu eerst volgt het verhaal van hetgeen op het graf van Copée gebeurde (vs. 10146):
Lors avint à cort une chose: Endementiers que Bruns s'en vet Renart empira moult son plot: Quar mesire Coars li lièvres, Qui de péor trembloit les fièvres, (Deus jors les avoit ja éues,)
maar er is vroeger niet gezegd waarom hij zoo bevreesd was, dat hij zich de koorts op den hals had gehaald;--
Merci Dieu, or les a perdues Sor la tombe dame Copée. Car qant ele fu enterrée, Onc ne se volt d'iloc partir, Ainçois dormi sor le martir. ...................... Qant à la cort vint la novele, A tiex i ot qu'ele fu bele; Mès à Grinbert fut-ele lède, Qui por Renart parole et plaide Entre lui et Tybert le chat. S'or ne set Renarz de barat, Mar est bailliz, s'il est tenuz, Qar Bruns li ors est jà venuz A Malpertuis etc.
't Behoeft geen betoog, dat hier dit geheele verhaal geene de minste beteekenis heeft. In 't Duitsch blijkt de hen juist eene heilige martelares te zijn door het mirakel dat op haar graf gebeurde, en dit geeft aanleiding tot het gezantschap aan Reinhart. In het Fransch daarentegen heet Copée reeds martir vóór dat er iets op het graf had plaats gehad, en terwijl de bode reeds was uitgezonden, van wiens tocht het verhaal door deze episode, die hier een hors-d'œuvre is, ter kwader ure wordt afgebroken.
De fransche omwerker heeft hier, zoo als in dergelijke gevallen zoo dikwerf plaats heeft[112], de feiten uit zijn origineel dooreen gehaspeld; en dus de logische orde, het zinverband en de geleidelijke voordracht des verhaals verbroken. Kan het ons verwonderen, dat de vlaamsche dichter, die blijkbaar steeds met bewustheid en takt te werk ging, dit hors-d'œuvre, waarvan hij de strekking niet kon bevroeden, uit zijne omwerking verwierp?
Van den anderen kant zien wij hierin een nieuw bewijs, dat hij werkelijk de branche van MÉON tot voorbeeld had en het oorspronkelijke ouder fransche gedicht niet gekend heeft.
Ik heb boven (bl. LIX-LX) reeds gewezen op het onderscheid in de beide teksten in het verhaal hoe de beer van Lamfroits werf wegkomt; hoe kwam onze Vlaming aan het denkbeeld om Bruun te water te laten? Mij dunkt wij mogen hier vrijwerkende fantazie aannemen. Wij hebben hier in 't Vlaamsch nog eene andere bijzonderheid, die ook in de fransche 20e branche niet wordt aangetroffen.
Bruun, door angst gedreven, springt, vs. 821,
In enen trop van ouden wiven,
waarvan hij er eenige, en daar onder »des papen wijf” in de rivier werpt. Nu hield de pastoor op met slaan, en beloofde zijnen parochianen jaar en dag aflaat als vrouw Julocke gered werd: de geheele gemeente ijlde ter hulp en zoo kreeg Bruun gelegenheid te ontkomen.
Dit uitmuntend geschetste tooneel is den Vlaming geheel eigen; misschien heeft hem intusschen een soortgelijk, hoewel veel flaauwer geval, op het denkbeeld zijner schilderij gebracht. In de branche 21-22 is Isengrijn door Reinaert ook in eene hinderlaag gelokt. Een dorper, vs. 12339,
Et ses parenz et ses cosins,
zetten den wolf na, vs. 12345,
A cuinnies et à maçues,
waarop, vs. 12347,
Entre la porte et le vilein Fet Ysengrin un saut à plein: Si fort le hurte qu'il l'abat En une fange trestot plat. .................... Par les vileins s'en va fuiant, Et cil le vont après huiant. Le vilein trovent en la boë Grant et parfonde, si qu'il noë; Fors l'en ont tret a moult grant paine;
en dit geeft Isengrim gelegenheid te ontkomen.
Bij zoo oppervlakkige overeenkomst is het natuurlijk onmogelijk bepaald te zeggen, of er hier ontleening van het denkbeeld plaats had. Kon men aanwijzen, dat onze WILLEM deze branche gekend had, dan werd het reeds waarschijnlijk; maar daarvoor heb ik geen volstrekt afdoend bewijs.
Reinaert vs. 1290 lezen wij, dat toen Reinaert het ongeval vernam, dat Tibert in zijne angst den priester had toegebracht,
Hi loech, dat hem bachten scorde, Ende hem crakede die taverne.
De platte uitdrukking moet herkomstig zijn uit het Fransch, waar soortgelijke zaken veelvuldig voorkomen[113].
WILLEMS zegt in de aanteekening op die plaats: »Taverne, kroeg; doch hier figuurlijk raeskamer.” Die verklaring is niet heel en al bevredigend, waarschijnlijk omdat de dichter een oneigenlijk woord gebruikte. Taverne is eene kroeg, dat is eene plaats, die voor jan en alle man open staat. Zoo gebruikt de dichter der branche 21-22 het woord. De wolvin verwijt aan Hermeline hare weinig ingetogen levenswijze, en zegt, vs. 12903:
„Moult par estes de mavès estre: De poior ne poiez-vos estre, Qar plus estes pute que moche Qui en esté la gent entoche: Qui que viegne ne qui que aut, Vostre taverne ne li faut.”
Kon deze plaats onzen Vlaming niet in het hoofd hebben gelegen, en hem verleid hebben hetzelfde woord, hoewel min eigenlijk voor een aangrenzend ligchaamsdeel te bezigen? Mij komt dit niet alleen niet onmogelijk, maar zelfs niet onwaarschijnlijk voor.
In de biecht aan Grimbert vindt men mede in het Vlaamsch eenige toevoegsels. In de fransche branche bekent de vos dat hij des wolfs wijf geschonden heeft, voorts, vs. 10759:
Ysengrin ai-je tant forfet, Que nel' puis nier à nul plet: Trois foiz l'ai fet metre en prison.”
(1) Hij heeft hem in een wolfsval (lovière) gelokt, waar hij danig is afgerost.
(2) Hij heeft hem in een »lardier” gebracht, waar drie baken lagen, waarvan hij hem zooveel deed eten dat hij er niet meer uit kon:
N'en pot issir, tant fu ventrez, Par le pertuis où fu entrez.
Verder, vs. 10777:
(3) Gel' fis séoir en la gelée Tant qu'il ot la qeue engelée; (4) Gel' fis peschier en la fontaine Par nuit quant la lune estoit plaine: De l'ombre de la blanche image Cuida, por voir, ce fust fromage; (5) Et si refu par moi traïz Devant la charete as plaïz. ................ (6) Par fine force de barat Li fis-ge tant que il fu moines. Pais dist que il seroit chanoines: Qant on li vit la char mengier, Fox fu qui de lui fist berchier.
Dan biecht hij het leed dat hij Tibert, het geheele geslacht van Pinte, en eindelijk den dieren die hem onder aanvoering van Isengrijn eens belegerden, had aangedaan.
Zien wij nu hoe de Vlaming dit weêrgeeft: Reinaert zegt, dat hij jegens alle dieren misdaan heeft: in de eerste plaats jegens Bruun, Tibert en Cantecleer; zelfs de koning, zegt bij, vs. 1477,
Die coninc en es mi niet ontgaen: Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, Ende mesprijs der coninghinne,
hetgeen wel eene toespeling schijnt op hetgeen in branche 20_b_ eerst verhaald wordt.
Vooral den wolf heeft hij misdaan: om hem beter te bedriegen had hij hem oom genoemd, en hem monnik doen worden »ter Elmare;” daar had hij hem aan de klokzelen gebonden, zoodat hij zooveel geraas maakte, dat men meende dat de duivel daar te werk ging, waarop alles te hoop liep en men den wolf bijna van het leven beroofde.
Men ziet dat er hier uitbreiding van het fransche verhaal (no. 6) plaats heeft. De fransche branche schijnt te zinspelen op de gebeurtenis ongeveer zoo als zij in den Reinardus verhaald wordt[114]. Daar is van klokkengelui geene spraak: wel in de 9e fransche branche Comme Renart fist Primaut prestre, die den vlaamschen dichter bekend schijnt geweest te zijn, doch waarschijnlijk in ouder vorm[115], want er bestaat afwijking in de détails[116], hoewel het niet onmogelijk is dat dit verschil voortvloeide uit eene bewuste verandering der overlevering door den vlaamschen dichter, die in dit geval eer een mondeling verhaal dan een afgewerkt geschreven gedicht moet gekend hebben. Ook de 10e branche, die eigenlijk het tweede deel der 9e is, was hem bekend, althans haar inhoud.
In zijne biecht voortgaande, betreurt Reinhart dat hij zijnen oom bij de kruinscheering met heet water bijna het geheele hoofd verbrand had, hetgeen herinnert aan de 3e fransche branche: si comme Renart fist Ysengrin moine.
Dan volgt de toespeling op de vischvangst op het ijs even als in het Fransch (no. 3), en dan in het breede het verhaal van hetgeen de 20e branche slechts even aanstipt (no. 2). In de 9-10e branche wordt dit geval ook in het breede verhaald, vs. 4333-4555, maar met afwijkende omstandigheden. Het Fransch maakt geen melding van het land van Vermendois[117] (Rein., vs. 1514), noch van het kapoen dat de vos den priester ontsteelt. Het geheele geval heeft in 't Fransch zelfs niet bij een priester plaats. Nadat de wolf uit zijne gevangenis verlost is, beduidt de vos hem »d'aller prendre des oies chez un prêtre,” zoo als ROTHE zegt[118]. Dit rust op een misverstand: de ganzen zijn onder de hoede van een man, die vs. 4630 le pastor genoemd wordt, welke uitdrukking waarschijnlijk aanleiding gaf tot de misvatting van ROTHE, die toch vs. 4606 had kunnen zien, dat er sprake was van »un païsan.” Zou de vlaamsche dichter ook door dezelfde vergissing op het denkbeeld van zijn priester gekomen zijn? In het Fransch eindigt de vos ook met eene gans te stelen en daarmeê huiswaarts te trekken.
In de 18e branche, vs. 9269 vlg., komt eene epizode voor, welke veel overeenkomst heeft met het mnl. verhaal.
Daarna deelt de vlaamsche dichter nog een soortgelijk geval mede, dat ik mij echter niet herinner in eenige fransche branche gevonden te hebben; en eindelijk komt ook de verkrachting van Isengrijns wijf te berde.
Uit dit alles blijkt vrij duidelijk, dat de Vlaming zijn origineel, dat hij ontegenzeggelijk voor zich had, niet angstvallig vertaalde, maar veeleer vrij navolgde, daarbij gebruik makende van zoodanige karakteristieke situatiën als hem, of uit de vlaamsche overlevering, of misschien ook uit andere fransche branches bekend waren. Onder de laatste mag men hoogstwaarschijnlijk rangschikken het origineel waarnaar de 26e branche werd omgewerkt en de 9-10e branche, hetzij dan in haar tegenwoordige vorm, hetzij naar het ouder stuk dat daaraan ten grondslag lag[119].
Zelfs in de afwijkingen vonden wij sprekende trekken die ons altijd weêr terugbrachten tot de 20e branche, zoodat daardoor het vermoeden geheel en al wordt uit den weg geruimd, dat een ander, ons onbekend fransch stuk, het origineel zou zijn waarnaar onze Reinaert werd bewerkt.
En zoo vinden wij dan genoegsame reden om in den Reinaert, ondanks het fransche schema dat er gedeeltelijk in gevolgd is, maar dat overal, zoowel in de eigenlijke navolging, als in de meer vrije deelen, door het vlaamsche gedicht verre overtroffen wordt,--een echt nationaal kunstprodukt te aanschouwen, waarop Vlaanderen ten eeuwigen dage roem mag dragen.
Zien wij thans in hoeverre onze nieuwgewonnen rezultaten van invloed zijn op de vraag omtrent den ouderdom van het gedicht.
VIII.
Van wanneer dagteekent het origineel waarnaar onze Reinaert werd bewerkt? Ziedaar de eerste vraag, die wij op te lossen hebben. Bleek de 20e (16e) branche eerst in de laatste helft der dertiende eeuw geschreven te zijn, of zelfs in de eerste der veertiende, dan zouden innerlijke bewijzen die aan het nederlandsche gedicht een stempel van hooger ouderdom schenen op te drukken, natuurlijk niets beteekenen. Die innerlijke bewijzen zijn gedeeltelijk aan het laatste, het oorspronkelijke gedeelte van den Reinaert te ontleenen, en wij zullen er daarom veel gewicht aan mogen hechten, omdat zij, als onze beschouwing over den oorsprong des gedichts opgaat, noodwendig licht moeten werpen op den tijd der vervaardiging, daar zij niet meer, zoo als GRIMM dacht[120], »schon in WILLEMS quelle gestanden haben, folglich nichts zur ermittlung seiner lebenszeit beitragen.”
Zien wij dus eerst hoe oud het fransche voorbeeld, de 20e branche van MÉON, mag zijn.
GAUTIER DE COINSI, die eene verzameling van Maria-mirakelen schreef, en in 1236 stierf, getuigt herhaaldelijk hoe verbreid en bemind de Reinart-sage in Frankrijk was[121]; ja hij maakt eene toespeling waaruit blijkt, dat hij onze branche 20 (16) gekend heeft.
Plus volontiers oient un conte, Ou une trufe, c'on lor conte, Si con Tardius li limeçons Lut et chanta les trois leçons Sor la bière dame Coupée, Que Renarz avoit escoupée[122];
nagenoeg letterlijk hetgeen wij in de 20e branche, vs. 10103 lezen:
Sire Tardis li limaçons Chanta por cele trois leçons,
namelijk voor Copée, die begraven werd.
Onze branche is dus blijkbaar vóór 1236 geschreven. Zien wij nu of wij haar ouderdom niet nader kunnen bepalen.
De proloog van dat stuk luidt aldus:
Perroz qui son engin et s'art Mist en vers fère de Renart Et d'Ysengrin son chier conpère, Lessa le miex de sa matère, Quant il entr'oblia les plez Et le jugement qui fu fez En la cort Noble, le lion, De la grant fornication Que Renarz fist, qui toz max cove, Envers dame Hersent, la love.
Uit die regels schijnt men te mogen opmaken, dat de dichter met geene andere branche bekend was dan die, welke PIERRE DE SAINT-CLOUD bewerkt had. Hij kan daarom niet veel jonger dan deze dichter zijn, hoewel men uit de eerste regels zou kunnen opmaken, dat PIERRE reeds gestorven was toen de 20e branche in zijn trant werd omgewerkt.
Omtrent PIERRE DE SAINT-CLOUD is weinig bekend. GRIMM schrijft: »über seine lebensumstande fehlen genaue nachrichten, er wird in den beginn des 13 jh. gesetzt, und soll auch eine branche des Roman d'Alexandre, nemlich das testament, verfasst haben[123].”
WILLEMS zegt bepaalder dat hij »omtrent 1230 leefde[124].”
FAURIEL, de jongste schrijver over den Roman du Renart, in Frankrijk, laat zich daaromtrent aldus uit[125]:
»Il serait de la plus grande importance pour l'histoire de la fiction du Renart d'avoir quelques anciennes notions, mêmes vagues, sur le temps où vécut PIERRE DE SAINT-CLOUD; et l'on n'en a aucune. A s'en tenir la-dessus aux conjectures les plus vraisemblables et les mieux liées avec les textes qui paraissent se rapporter à sa vie et à sa renommée, on peut admettre qu'il naquit dans le cours de la seconde moitié du XIIe siècle, et se fit connaître par ses ouvrages vers les commencements du XIIIe. La première mention qui semble concerner, sinon sa personne, du moins le genre de poésie qu'il remit en vogue, est le témoignage fréquemment cité de GAUTIER DE COINSI, prieur de Victor-Sur-Aisne. Or, une telle mention, qui ne peut être antérieure à l'an 1233, ne nous apprend rien de précis relativement à la date des premières productions de PIERRE DE SAINT-CLOUD sur le sujet de Renart. Il n'est pas impossible qu'elles remontent jusqu'à la fin du XIIe siècle; mais elles ne sauraient remonter beaucoup au delà. Toujours est-il que PIERRE DE SAINT-CLOUD est le plus ancien des trouvères connus pour avoir travaillé au Renart français, celui que l'on en désigne généralement comme l'inventeur.”
Wij hebben de geheele plaats uitgeschreven om te doen zien hoe nevelachtig het geheele vraagstuk, zelfs in Frankrijk, nog is; en toch komt het mij voor, dat er ten minste iets kan worden vastgesteld.
Tusschen 1150 en 1160 zag de Roman du Rou het licht, en daarin heet het:
Alisandres fu rois poissans, Doze règnes prist en doze ans: Mult out terres, mult ot aveir, Et rois fu de mult grant poeir; Mez cil cunquest poi li valu, Enveminez fu, si moru.
Dat die regels, in verband met hetgeen er op volgt, de Alexander-gedichten der fransche trouvères bedoelen, is blijkbaar en wordt ook algemeen aangenomen[126].
Op het Latijnsche gedicht van GAUTIER DE CHATILLON kunnen zij onmogelijk doelen, daar dit eerst na 1170 werd geschreven[127].
Een der branches der chanson d'Alexandre, en wel zoo als PARIS zegt[128], »l'une des meilleures branches de tout le récit,” heeft tot titel: Signification de la mort d'Alexandre, waarvan de inhoud aldus door denzelfden geleerde wordt opgegeven[129]:
Elle raconte la trahison de Dimnuspater et Antipater, le couronnement du héros, le grand festin royal dans lequel Alexandre est empoisonné.” Dit komt, zoo als men ziet, ongeveer overeen met het tiende boek van MAERLANTS Alexander[130].
Nu moet het verwonderen, dat PAULIN PARIS ook deze branche rangschikt onder de »continuations plus récentes d'un siècle ou d'un siècle et demi,” van het oorspronkelijke werk van LAMBERT LI CORS en ALEXANDRE DE PARIS, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw plaatst[131], zoodat deze branche eerst tusschen 1250 en 1300 zou zijn geschreven[132]. Dit oordeel is vreemd, zeiden wij; want blijkbaar wordt deze branche, de eenige waarin de vergiftiging van ALEXANDER wordt verhaald, in de aangehaalde verzen van den Roman du Rou bedoeld, en valt dus stellig vóór 1150.
De schrijver nu dier branche was PIERRE DE SAINT-CLOUD, die dus reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw heeft geschreven, en derhalve niet veel later dan omstreeks het jaar 1100 kan geboren zijn.
Had hij reeds vóór de branche van den Alexander een gedeelte der Reinaertsage bewerkt? In den Alexander immers leest men:
Li Grezois les engignent, com Renart fist le gal, Qu'il saisi par la gorge, quant il chantoit clinal[133].
In de 11e (17e) branche bij MÉON, waarin PIERRE als de schrijver genoemd staat, wordt vs. 4935-5492 juist verhaald, hoe de vos zich van den haan meester maakt....
Het zou echter gevaarlijk zijn daaruit een besluit op te maken. Vooreerst heet daar de haan nimmer li gal, maar altijd li cos, le coc, b.v. vs. 5036, 5308, 5319, 5328, 5340, 5415 enz.; en zoo daar al gewaagd wordt, vs. 4988,
De Chantecler qui cline l'ueil;
zoo de vos den boer beduidt dat hij hem den haan overlevere, vs. 5311,
Si le me baille par le col;
toch vindt men daar het verhaal niet zoo als het volgens de toespeling in den Alexander moet geluid hebben.
Maar ook de 5e (3e) branche van MÉON behandelt hetzelfde onderwerp als de 11e, maar met belangrijke afwijkingen in de détails. Hier beduidt Reinaert aan Chantecler, die ook hier nimmer li gals, maar li cos heet, dat zij »cosin germain” zijn: hij weidt uit in den lof van Chanteclers vader, die kraaide zoo als nooit een haan gekraaid had, en die daarbij de beide oogen sloot. En dan volgt een tooneel, dat wij geheel moeten afschrijven om te doen zien, dat het werkelijk alle bijzonderheden bevat waarop de Alexander zinspeelt:
Dist Chanteclers: »Renart, cosin, 1571. Volez me prendre par engin.” --„Certes, ce dist Renars, non voil, Mès or chantez, si clingniez l'oil; D'une char somes et d'un sanc, Miex vodroie estre d'un pié manc Que vos mesface tant ne qant, Que tu es trop près mon parent.” Dist Chanteclers: »Pas ne te croi: Un poi detrai en sus de moi, 1580. Et je dirai une chançon; N'aura voisin ci environ Qui bien n'entende mon fauset.” Lors s'en est souriz Renardet, Et dist Renars: »Chante, cousins: Je sauré bien se Chanteclins, Mes oncles, s'il vos fu noient.” Lors encommence hautement, Lors chanta Chanteclers un vers: L'un oil ot clos et lautre overs, 1590. Car moult forment cremoit Renart; Sovent regarde cele part. Ce dist Renars: »Ce n'est noient. Chanteclins chantoit autrement, A un lonc tret, à eulz cligniez, C'on l'ooit d'outre les plessiez.” Chanteclers cuide que voir die: Lors commence sa melodie, Les eulz cligniez par grant aïr. Lors ne volt plus Renart soffrir, 1600. Par de desus un rouge chol Le prent Renart parmi le col.
Vergelijkt men de lezingen van branche 11 en 5 met den mhd. Reinhart, vs. 11-176, dan ziet men terstond, dat de laatste branche zich het naast aan het oude gedicht houdt[134], waarop het zich dan ook beroept,
Trover le poez en l'estoire, 1384.
evenzeer als branche 11, waar wij, vs. 4038, lezen:
Que se li livres nos dit voir Où je trouve l'estoire escrite.
Het schijnt dus, dat de toespeling uit den Alexander niet op het gedicht van PIERRE DE SAINT-CLOUD ziet. Maar is werkelijk die 11e branche van gemelden dichter? Het is waar, zijn naam wordt in 't begin en het slot genoemd, maar altijd in den derden persoon.
Pierres qui de Saint-Clost fu nez, 4851. S'est tant traveilliez et penez Par proière de ses amis, Que il nos a en rime mis Une risée et un gabet De Renart, qui tant set d'abet, Le puant nain, le descréu, Par qui out esté decéu Tant baron que n'en sai le conte, Dès or commencerai le conte: Se il est qui i voille entendre, Sachiez moult i porra aprendre, Si com je cuit et com je pens, Se à escouter met son sens.
het slot luidt:
Ici fait Pierres remanoir Le conte où se volt traveillier, Et lesse Renart conseillier.
Of in een ander handschrift:
Chi fait Perrins remanoir Le livre de Renart pour voir Duquel s'est volus travillier: Ysengrin laist à conseillier (sic); Se par ce meschiet Ysengrin Li blames en ert sus Perrin.
Uit de laatste regels ziet men, dat de schrijver, d. i. hier de afschrijver, ook nog andere branches kende, waarin de wolf het kortste eind trok; maar dewijl zij niet in den anderen tekst voorkomen, laten wij dit buiten rekening. Wij mogen echter niet achterlaten op te merken, dat van PIERRE steeds in den derden persoon, en in den verleden tijd gesproken wordt, fu nez, volt traveillier, terwijl terstond daarop de eerste persoon gebruikt wordt, hetgeen wel eene tegenstelling schijnt aan te duiden.
ROTHE zegt[135]: »D'abord, à la vérité, l'auteur semble parler de PIERRE DE SAINT-CLOUD à la troisième personne; mais le reste prouve assez que cette onzième branche est précisément le poëme entier et isolé de ce même PIERRE DE SAINT-CLOUD, fort souvent(?) mentionné ailleurs comme auteur principal ou unique du poëme de Renart.”
Dat wij hier den inhoud van PIERRES gedicht hebben, geef ik gereedelijk toe; maar dat wij het niet juist in eene omwerking bezitten, zou moeten bewezen worden. De geheele proloog toch schijnt ons juist het werk van dien omwerker, die van zichzelf in den eersten, van zijn voorganger in den derden persoon spreekt. De geheele toon der inleiding is die van een later jongleur of kopist, die wijst op het nut, dat men uit de geschiedenis kan trekken, hetgeen zeker geen oorspronkelijk gezichtspunt is. Zoo luidt ook de inleiding tot de 29e branche (MÉON, III, pag. 82):
Une estoire vueil commencier. Qui durement fet à prisier; Et grant bien i porriez aprendre Se il vos i plest à entendre. Or m'escotez sanz noise fère, Que nus contes ne porroit plère A home qui est trop noisous, Mès de l'oïr soit covoitous: Celi qui oïr le vorra, Sachiez, grant profit i penra.
En dit kan ook niet wel anders, nu wij weten dat PIERRE DE SAINT-CLOUD zijn gedicht stellig eene geheele eeuw vroeger heeft geschreven dan WILLEMS het stelde. Dat de 11e branche een werk van de eerste helft der twaalfde eeuw zou zijn, kan niemand gelooven, en de vergelijking met br. 5 en het Mhd. leert duidelijk het tegendeel; terwijl wij daaruit ook ontwaren hoe overvrij de omwerker zijn origineel behandeld heeft. Waarschijnlijk heeft juist le livre, dat in de slotvariant genoemd wordt, dat ook vs. 4938 voorkomt, het oorspronkelijke werk van PIERRE bevat, en daar zal het aventuur van den haan zeker zóó behandeld zijn, dat wij mogen aannemen dat de toespeling uit den Alexander op PIERRES gedicht zag, waarin ook de haan met den ouder naam van le gal zal zijn genoemd.
Of PIERRE meer deelen der Reinaertsage bewerkt heeft dan deze verlorene branche, is niet uitgemaakt. Men zou het evenwel mogen opmaken uit de inleiding tot de 20e branche, waar gezegd wordt, dat Perroz, hetgeen dezelfde naam is met den verkleiningsuitgang,
Son engin et s'art Mist en vers fère de Renart Et d'Ysengrin,
welke laatste in de besproken branche geene rol vervult.
Misschien is die vermelding van Ysengrin slechts eene onnaauwkeurigheid, die haar aanwezen alleen verschuldigd is aan de behoefte om een rijmwoord te vinden. Hoe het ook zij, nergens vinden wij eenige andere branche uitdrukkelijk aan PIERRE DE SAINT-CLOUD toegeschreven. In de plaats bij CHABAILLE[136] voorkomende, wordt geen bepaald werk genoemd. LE GRAND D'AUSSY en RAYNOUARD kennen hem ook nog, volgens GRIMM[137], de branches 1, 2, 3, 4 en 5 toe; FAURIEL meent dat hij buiten de 11e alleen nog de 1e branche geschreven heeft[138]. Van de eerste en de vijfde is het stellig te bewijzen dat PIERRE die niet kan geschreven hebben. De 5e is misschien eene omwerking van zijn vroeger gedicht, gelijk wij reeds zagen. De eerste draagt alle blijken van jonger oorsprong in hare beide deelen. Buitendien is er eene plaats in br. 11, die geheel en al 1_b_ weêrspreekt. Dáár zegt toch de koning dat Isengrim niet moet gelooven dat Reinaert zijne vrouw heeft beleedigd, vs. 5668:
Que vos ice que ne savez, Fors seulement par oï dire, Li portez ne corroz ne ire.
In branche 1 ziet juist de wolf dat gebeuren, waarover hij zich in br. 11 beklaagt.
De geheele redenering van FAURIEL berust op het niet goed begrijpen van de inleiding tot de eerste branche.
Al wat wij dus van PIERRE DE SAINT-CLOUD weten, is, dat hij in de eerste helft der twaalfde eeuw, vóór 1150, schreef; en dat zijn werk voor ons is verloren gegaan. Maar dit is voor ons onderzoek reeds veel.
Een schrijver die onmiddellijk op hem volgt, kan niet veel jonger zijn dan de helft dier zelfde eeuw, en zal omstreeks 1150 moeten geschreven hebben. Zien wij, of wij de 20e branche zoo hoog kunnen opvoeren.
GRIMM zegt van al de fransche branches[139]: »Sprache und ausdrucksweise tragen insgemein die färbung anderer franz. gedichte des 13 jh.” Intusschen leert de vergelijking met de werken van CHRESTIEN DE TROIES, dat het niet onmogelijk is enkele branches tot de tweede helft der twaalfde eeuw, ja misschien nog wat vroeger, te brengen. Dit is het geval met de 20e, hetgeen door de volgende bijzonderheden wordt ondersteund.
Als Renart aan 's konings hof komt, zegt hij tot Noble, vs. 10953:
„Or ont tant fet li losengier, Qui de moi se volent vengier, Que vos m'avoz jugié à mort; Mès puis, sire, que rois s'amort A croire les mauvès larrons, Et il lesse les bons barons, Et gerpist le chief por la qeue Lors vet la terre à male veue.”
Buiten twijfel hebben wij hier eene toespeling op den Guillaume d'Orange. In de nog onuitgegeven branche, die tot titel heeft Li Moniages Guillaume, doet een ridder aan koning Lodewijk, die alle deugdelijke edellieden van zijn hof verwijderd had, het volgende verwijt, vs. 5159:
„Rois, nus frans homs ne vos devroit amer, Ne hennor fère, ne homage porter, Quar les prodomes avez toz adosez Et fors de France et chaciez et gitez, Tolu lor terres et toz deshéritez: Foui s'en sont de la terre esgarez, Et lor enfant chétis et désertez; Cil vos séussent le bon conseil doner, Quar li preudome font lor seignor douter. Mès li glouton, li losengier prové, Li pautonnier, cil sont à vos remés, Por lor losange les tenez en chierté; Li losangier font les rois décliner Et les hauz homes par lor bordes blasmer. Rois, tu les as montez et alevez, Or es por euls honiz et vergondez, Ne jà por euls ne seroiz amontez. Ne doit rois estre, ne corone porter, Qui à garçon fet son conseil privé, Mès les preudomes i doit-en apeler.”
En wat later, vs. 5399, wordt den koning op nieuw toegevoegd:
„Tu as la terre empirée forment Des gentix homes, des sages, des vaillanz, Qu'ensus de toi as chacié laidement: Désertez as les pères des enfanz. Par les frans homes est li sires poissanz: Tu n'en as nul de gentix ne de frans, Perduz les as tot par ton malvès sens, Dont tote France est tornée à torment.”
Voorts wordt hem verweten, dat hij zich alleen omringt met
„Les losangiers et les faus médisanz, Les traïteurs et les glouz malcuidanz, Ceus qui te servent de mençonges contant, Que entor toi as tenu longuement. Tu as doné t'onor et ton argent: Por lor conseil seras-tu recréant, Se Dex ne'l fet par son digne comment. Qui bordes croit et losangier sovent Au chief de tor, par mon chief, s'en repent.”
De vergelijking van de uitdrukkingen in den Renard en de aangehaalde regels uit den Moniage zullen wel geen twijfel overlaten, of er heeft in de branche van het dieren-epos eene toespeling op het heldendicht plaats. Zien wij, welke aanwijzing ons dit geeft aangaande den datum van den Renard.
Van den Moniage Guillaume bestaan twee redaktiën, waarvan de oudste tusschen 1050 en 1150, waarschijnlijk nog vóór 1100 valt[140]. De jongere is eerst na 1150 ontstaan, maar zeker niet lang; wij mogen stellen omstreeks 1160[141]. De schrijver van de 20e branche van den Renard had stellig de jongste redaktie op het oog, zoo als de daaruit aangehaalde plaatsen leeren, daar deze veel nader bij den tekst van den Renard komen dan het daarmeê overeenstemmende uit de oudste lezing[142]. Buitendien is de omwerking geschreven in of omstreeks hetzelfde landschap, waar de dichter der 20e branche leefde, zoo als de vergelijking van beider taal leert. Zoo vinden wij, om maar één voorbeeld te noemen, bij beiden dezelfde spreekwijs terug, Moniage, vs. 5672:
D'autre Martin lor convendra chanter[143]
en Renard, vs. 10096,
Si parleron d'autre Martin.
Veel jonger dan deze redaktie van den Moniage, schijnt zelfs het tweede gedeelte niet te zijn, als mede uit de taal kan worden opgemaakt. Ook hier sta één voorbeeld. In de dertiende eeuw was het woord geste in de beteekenis van familie, geslacht, reeds minder gebruikelijk[144], en toch vinden wij het nog aldus gebezigd, Renard, vs. 11781:
Qui larron de pendre areste, Toz jors het mès lui et sa jeste.
Ook in dit tweede deel der branche komt eene toespeling op dezelfde chanson de geste voor, vs. 11751:
Ainz que Tibaut soit crestiens,
waarbij natuurlijk niet aan eene herinnering aan den historischen Thibaut van Champagne kan gedacht worden, die in 1253 stierf, en die in eene andere branche, vs. 16136, voorkomt[145].
Blijkbaar is hier die Tiebaut d'Orange bedoeld, die als de hevigste tegenstander van Guillaume en van het Christendom bekend is uit de fransche gedichten, die tot de tiende eeuw opklimmen.
Veel merkwaardiger nog is intusschen hetgeen Renard op het einde van br. 20_a_ zegt, als hij den koning toeroept, vs. 11267:
Saluz te mande Noradins Par moi qui sui bons pelerins, Si te criément li paien tuit, A pou que chascuns ne s'en fuit.
Sultan Noureddin bloeide van 1149-1171, en stierf in 1173[146]. Mag men nu uit de aangehaalde verzen niet besluiten, dat het gedicht, dat eene satyrieke toespeling maakt op de reeks van verliezen die de Christenen in het Oosten leden bij en na den tweeden kruistocht, 1147-1149, kort daarna, althans vóór den derden tocht, 1189-1193, geschreven werd, toen Saladijns naam dien van Noureddin geheel in de schaduw stelde? Bij de groote vermaardheid die de ridderlijke Saladijn weldra in Europa verwierf, dien onze kronijkschrijvers den bijnaam geven van »domitor Orientis, ac nostrorum terror,”[147] is het ondenkbaar, dat men zijn naam niet in de plaats zou gesteld hebben van den minder vermaarden; en onmogelijk kan daarom onze 20e branche na Saladijns optreden het licht hebben gezien. Het gedicht moet dus stellig tusschen 1150 en 1190 zijn tegenwoordige vorm hebben aangenomen. Maar zeer zeker valt het, ook om de boven opgegeven gronden, eer in de eerste dan in de laatste helft van dat tijdperk, waarschijnlijk vóór 1173, toen Noureddin stierf. Ja, als men de betrekking tot PIERRE DE SAINT-CLOUD in het oog houdt, en het verband met den Guillaume d'Orange, dan zal het niet te gewaagd zijn de periode van wording nog nader te bepalen tusschen 1160 en 1170. En meent men den schrijver van 20_b_ nog zekere tijdruimte te moeten gunnen voor de samenlijming der verschillende deelen van zijne redaktie, dan zal men ten minste niet later kunnen afdalen dan tot op omstreeks 1175 of 1180, toen de dood van Noureddin hier algemeen bekend moest zijn.
Zoo meenen wij dan den bewerker van branche 20_a_ in het derde, den schrijver van 20_b_, die de laatste hand aan het gedicht leî, in het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te moeten plaatsen. 't Is waar, de grond waarop dit oordeel steunt, bezit niet de onomstootbare hechtheid van het historisch bewijs, en is uit eene reeks van gevolgtrekkingen en veronderstellingen opgerezen; maar ik vertrouw, dat men daaraan eene hooge mate van waarschijnlijkheid niet zal ontzeggen; en ik aarzel niet de hoop te uiten, dat mijne uitkomsten, die bij eene bloote lezing van mijn betoog wellicht voor eene subjektive opvatting kunnen worden aangezien, bij eigen aanschouwing en naauwkeurige toetsing der bronnen ook door anderen niet zullen worden gewraakt.
Zien wij thans, wat wij omtrent den ouderdom der vlaamsche navolging van het fransche gedicht kunnen vaststellen.
IX.
Als de fransche branche, die kennelijk den vlaamschen Reinaert tot model diende, eerst omstreeks het jaar 1180 is ontstaan, dan kan de navolging natuurlijk niet »omtrent den jare 1170” zijn geschreven, zoo als WILLEMS aannam[148], en ik vroeger op zijn voetspoor zocht te betoogen[149].
WILLEMS zelf had die stelling eigenlijk al moeten opgeven, daar zij in strijd is met eene andere gissing door hem geopperd, en die veel waarschijnlijkheid heeft. De dichter van den Reinaert had vroeger reeds den Madoc geschreven, en WILLEMS vraagt, of men daarbij »niet zou mogen denken aen de zonderlinge lotgevallen van Madoc, zoon van Owen Guynnedd, prins van Wallis, die omtrent den jare 1170 America ontdekte?” en wiens wonderlijk verhaal van eene andere wereld men wellicht voor droomerijen hield[150].
Maar zoo wij al het jaar 1170 moeten opgeven, het blijft de vraag, of wij thans geene andere tijdsbepaling kunnen vaststellen?
SERRURE meent dat ons gedicht »tusschen de jaren 1200 en 1220 geschreven” werd[151], maar geeft geene bepaalde reden op, waarom hij juist dit tijdperk aanneemt.
Zoo ons ergens een licht kan opgaan omtrent den leeftijd van den vlaamschen dichter, dan moet het vooral zijn in de eigenaardige toevoegsels waarmede hij zijn origineel verrijkte. Toetsen wij daarom nogmaals de gronden die daaraan te ontleenen zijn.
De namen van den deken Herman, die vs. 2717 (2737) voorkomt, of van meester Jufroet, vs. 2937 (2957), laat ik buiten rekening. WILLEMS ziet in den laatsten »ongetwyfeld Godfredus Andegavensis, die in de eerste jaren der twaelfde eeuw leefde[152];” maar dat ongetwijfeld is toch wat sterk, daar de woorden die Jufroet worden toegeschreven, niet in de werken van den genoemden Godfridus worden aangetroffen[153]. En wat den eersten betreft, zegt WILLEMS zelf[154] alleen maar dat »GRIMM vermoedt dat hier kan bedoeld zijn Herman, abt van St. Marten te Doornik, een beroemd schryver van den aenvang der twaelfde eeuw.” Hoe dit vermoeden »veel waerschynlykheid” kan hebben, »daer paus Innocentius II met dezen Herman meermaels in onderhandeling geweest is”[155], verklaar ik niet te begrijpen. Ik meen, dat het verstandiger is GRIMMS slotopmerking[156] in het oog te houden: »aber es kann viele geistliche und decane dieses namens gegeben haben;” te gereeder, daar het vreemd zou zijn, dat de dichter, die zich, volgens WILLEMS' eigen opmerking[157], steeds binnen de grenzen van Vlaanderen beweegt, hier zou gedacht hebben aan een Doorniksch prelaat.
De toespeling op een valschen munter, Reinout de Vries, vs. 2652 (2672) is te onbepaald om er bij stil te staan[158], hetgeen te meer is te betreuren, omdat wij hier waarschijnlijk eene kostbare aanwijzing zouden mogen vermoeden.
In navolging van WILLEMS[159] heb ik[160] groot gewicht gelegd op de vermelding van Hulsterloo als gelegen in zoo groot eene wildernis, dat men in zes maanden er geen schepsel ontmoette, vs. 2565 (2589). SERRURE meent, dat er dit in den tekst ook niet staat, maar alleen »dat er by Hulsterloo een bosch was[161].” Intusschen staat er duidelijk, vs. 2553 (2578),
Int oostende van Vlaendren staet Een bosch, ende heet Hulsterlo. .................... Een borne, heet Kriekepit, Gaet suutwest niet verre dane; .................... Dats een die meeste wildernesse, Die men hevet in enich rike. Ic segghe u ooc ghewaerlike, Dat somwilen es een half jaer, Dat toten borne comet daer No weder man nochte wijf, No creature die hevet lijf.
Wat beteekent dit nu? Er is een bosch dat Hulsterloo heet, d.i. het Hulster bosch; niet ver van daar staat eene bron: dat is de grootste wildernis, welke laatste woorden natuurlijk niet op de bron van toepassing zijn, maar op de streek niet verre dane. Met die opvatting strijdt ook niet, dat er later, vs. 2644 (2664), van dien Kriekepit gezegd wordt:
Ne staet hi niet bi Hulsterlo, Up dien moer, in die woestine!
Men ziet, hier is nog geene spraak van »een dorp,” waarvan ook in den giftbrief van Dirk van den Elzas van 1136 geen gewag gemaakt wordt, waar alleen staat »illum locum qui dicitur Hulsterloe[162],” en in een document van 1139 wordt dit zelfs alleen genoemd »nonnulla terra in circuitu” van Saleghem[163]. Eerst in een brief van paus Innocentius II van 1141 wordt gewaagd van de »curtes et villas.... Hulst et Hulsterloe[164].” Blijkbaar was dus omstreeks 1141 Hulsterloo bewoond, en in 1156 wordt er kerkelijke dienst gedaan en begraven[165]. Daar het nu niemand zal invallen den Reinaert ouder dan 1140 te maken, daar hij minstens veertig jaren jonger is, blijkt het, dat de dichter, die van Hulsterloo spreekt als van een onbewoond, woest oord, hier geen toestand uit zijn eigen tijd heeft geschilderd. Waarschijnlijk maakte hij hier gebruik van eene bekende overlevering, die gewaagde van de woestenij van Hulsterloo ten tijde dat de valsche munter Reinout er huisde. Hoe lang kan zoodanige lokale overlevering, die minstens in het eerste kwart der twaalfde eeuw ontstaan schijnt[166], in levendig aandenken zijn gebleven? Dat is natuurlijk zelfs niet te gissen; maar toch meen ik uit haar voortbestaan te mogen opmaken, dat de vlaamsche dichter niet zeer lang na de bekendwording van de fransche branche zijne navolging heeft vervaardigd.
Tot dezelfde uitkomst schijnt men ook te geraken door de overweging, die WILLEMS het eerst bekend maakte[167], dat in den Reinaert Vermandois tot Vlaanderen gerekend wordt, hetgeen eene waarheid was van 1163 tot 1186, daar in dat tijdvak Filips van den Elsas gehuwd was met Isabella, erfdochter van Vermandois, waardoor dit laatste graafschap met Vlaanderen vereenigd werd tot op Isabella's dood.
SERRURE merkt daarbij op[168]: »Indien die vereeniging der twee landen tot deze aenspeling (sic) aenleiding gaf, dan kon dit zoo wel by herinnering twintig of dertig jaren later, dan 1186 (tydstip der scheiding) geschieden.” Dit komt mij echter niet zeer waarschijnlijk voor. Ik geef toe, dat de herinnering aan het feit nog eenigen tijd kon voortduren; maar toch kon dit, dunkt mij, niet wel meer na den dood van Filips, die in 1191 voorviel, plaats grijpen; te minder, daar terstond daarop juist eene drieledige splitsing van Filips' nalatenschap plaats had[169]; waarbij het zuidelijk gedeelte van het graafschap, Atrecht, enz., van het noordelijke afgescheurd werd.
Die vermelding dus van het land van Vermandois als binnen de grenzen van Vlaanderen gelegen, schijnt recht te geven om het ontstaan van onzen Reinaert niet na 1191 te stellen; zoodat wij, in verband met het tijdperk waarin de fransche 20e branche in het licht verscheen, dat ontstaan tusschen de jaren 1180 en 1190 meenen te mogen stellen.
Ik heb met WILLEMS[170] een bewijs voor de oudheid van onzen Reinaert meenen te vinden in de omstandigheid, dat een priester er als wettig gehuwd in wordt voorgesteld, welk gebruik omstreeks de helft der twaalfde eeuw verboden werd. SERRURE meent dat dit »geen stellig bewys” oplevert; »want,” zegt hij[171], »al is het waer, dat dit gebruik rond 1150 eindigde, dan bestaet er toch een fransche fabliau, Constant du Hamel, welk men aen ENGUERRAND D'OISY toeschryft, en in allen gevalle tot de XIIIe eeuw behoort, waerin insgelyks van het wyf eens priesters gewaegd wordt.”
De juiste ouderdom van dat fablel had moeten worden betoogd; want eene eenvoudige verwijzing naar DINAUX' Trouvères Artésiens is niet voldoende.
De eenige reden waarom DINAUX vermoedt dat het fablel van Constant du Hamel aan ENGUERRAND D'OISY kon worden toegeschreven, is deze, dat hij overeenkomst van onderwerp, denkbeelden en stijl meent gevonden te hebben in dit gedicht en het aan gemelden trouvère toegekende stuk getiteld: Le meunier d'Arleux[172]. Die meening wordt echter door niets gestaafd, en er bestaat geen reden, om het oordeel en de naauwkeurigheid van DINAUX zonder nader bewijs te vertrouwen[173].
Maar behoort dan werkelijk dat gedicht »in allen gevalle tot de XIIIe eeuw”? Hoe stellig die verzekering ook moge klinken, zij mist toch allen grond. Zoowel de inhoud als de stijl van het stuk[174] schijnt eer naar het laatste vierendeel der twaalfde eeuw te verwijzen. Als ik mij niet bedrieg, heeft het verschillende familietrekken gemeen met sommige branches van den Roman du Renard, vooral met br. 20_a_. De overeenkomst van taal b.v. springt vooral in het oog, en ik wijs hier slechts op de uitdrukking »por le cor bieu,” vs. 354, 860, 863, die wij ook in br. 20_a_ aantroffen[175].
Dat de schrijver met de dierensage bekend was, mag men opmaken uit de omstandigheid, dat hij aan een zijner personaadjes laat toevoegen, vs. 355:
Tu sambles miex leu qu'autre beste, De bras, de jambes et de teste;
hetgeen op eene merkwaardige wijze herinnert aan de plaats uit GUIBERT DE NOGENT, vroeger aangehaald[176].
Voor die bekendheid pleit ook de naam van den vilain naar wien het geheele fablel genoemd is, Constant, met den bijnaam du Hamel. Constant toch is de generieke naam voor de dorpers die eene rol in den franschen Renart spelen.
In de 5e (3e) branche heet hij Constant des Noes, vs. 1274, en evenzoo in de 19e (15e), vs. 8623; en de persoon zoowel als zijn rijkdom schijnt algemeen bekend geweest te zijn, daar er in de 26e (20e) branche, vs. 15328 gesproken wordt van
Un vilain Plus que Constanz des Noes riches.
In de 4e (2e) branche, vs. 1190, heet hij:
Mesire Constans des Granges, Uns vavasors bien aaisiez.
Ook in het fablel La vache au prestre, bij MÉON, tom. III, Pag. 25, vs. 31, komt die naam voor[177].
Meestal houdt men het er voor, dat de toenaam ontleend is aan den naam van het dorp waar die Constant leefde. Zoo denkt GRIMM aan »les Noes, ein alter ort in Champagne”[178]. DINAUX zoekt evenzoo in den naam du Hamel dien van »une ancienne commune sur les confins de l'Artois et du Cambrésis”[179].
Hier is het tegendeel duidelijk te bewijzen, daar het vs. 497 heet:
Tant qu'il entra enz où hamel.
Uit den samenhang blijkt duidelijk, dat hier niet gedacht kan worden aan een »village, hameau bâti au milieu des champs,” zoo als ROQUEFORT het woord vertaalde; maar wel aan eene »habitation, petite ferme, maison de campagne seule dans les champs”[180]. Ik kies deze woorden, omdat het die zijn, waarmede ROQUEFORT het woord mesnil verklaart, en dat woord in de 5e (3e) branche gebezigd wordt ter nadere aanduiding van Constants vrouw, die aldaar heet, vs. 1621:
La bone dame del mesnil.
Wat nu den toenaam Des Noes aangaat, ook die behoeft niet noodzakelijk aan een plaatsnaam ontleend te zijn. Noes of noue vertaalt ROQUEFORT door »eaux stagnantes, terrain bas et creux où l'eau séjourne; terres nouvellement mises en prés, pâturage ou prairie marécageuse.” Het komt dus geheel overeen met ons Maerlant[181], en Constant kan even goed naar het terrein dat hij bewoonde zijn genoemd, als naar zijne woning. En blijkbaar is er slechts één persoon gemeend, die beurtelings heet des Noes (du Mesnil), des Granges of du Hamel, van welke namen de drie laatste in beteekenis niet veel verschillen.
Men ziet daaruit, dat het fablel door SERRURE als bewijs aangehaald, geschreven schijnt in den tijd waarin verschillende, en daaronder van de oudste, branches van den Renart vallen, hetgeen veeleer naar de laatste helft der twaalfde dan naar de dertiende eeuw verwijst.
Ook het gedicht Du provoire qui menga les mores (LE GRAND D'AUSSY, tom. I, pag. 26*), waar in vs. 62 »la feme au prestre” voorkomt, is van geen jonger oorsprong, daar de dichter zelf verklaart dat hij het aan een voorganger, GUERINS, ontleent.
Dit alles te samen trekkende, komt het ons nog altijd voor, dat de vlaamsche Reinaert tot de laatste jaren der twaalfde eeuw mag en moet gebracht worden.
Wij mogen intusschen geene vraag achterwege laten, wier beantwoording licht over ons onderwerp kan verspreiden.
Reinaert vs. 3347 (3367) wordt gewaagd van
Botsaerde, sconinx clerc: Dat was hi, die hantwerc Bet conste dan iemen die daer was. Botsaert plach emmer dat hi las Die lettren, die te hove quamen.
GRIMM gist, dat »damit vielleicht auf einen Bochard von Avesnes gezielt wird, der um 1218 starb”[182].
't Is waar, Bouchard van Avesnes was clerc, en in zijne jeugd beroemd om zijne geleerdheid[183], en toch is 't niet mogelijk dat hij bedoeld kan zijn; want niemand zijner vrienden zelfs wist dat hij te Orleans tot den geestelijken stand was overgegaan; en toen dit omstreeks 1214 bekend werd, had hij te veel roem als wereldlijk ridder verworven, en bleek hij een te groot zondaar, daar hij den geestelijken stand ontloopen was, om nog als een wijze en geleerde klerk te worden voorgesteld.
Bij het vermelden van Bouchards naam mocht iemand wellicht eenige overeenkomst vermoeden tusschen zijne geschiedenis en enkele trekken uit het laatste gedeelte van den Reinaert; maar bij eenige oplettendheid zal die overeenkomst in rook verdwijnen.
Bouchard had den geestelijken stand verzaakt, en was met de vlaamsche gravendochter gehuwd. Paus INNOCENTIUS III leî hem tot boete op een pelgrimstocht naar Jerusalem te doen, en de gravin weêr aan hare bloedverwanten terug te geven. Bouchard volbracht het eerste deel van dat bevel; maar toen hij zijne vrouw en twee zonen terugzag, zegt men dat hij uitriep, zich liever in stukken te laten houwen dan het offer te volbrengen. Door den paus in den ban gedaan, kwam hij later in handen der wereldlijke macht, en werd in 1218 te Rupelmonde onthoofd.
Ook Reinaert geeft althans voor »in vollen seende” gebannen te zijn, vs. 2718 (2738) omdat hij Isengrijn geholpen had in het vaarwel zeggen van den geestelijken stand, bij zijne vlucht uit het klooster: daarom is hij »in spaeus ban,” vs. 2700 (2720), en hij wil naar Rome en »over see” om aflaat. Ook het terugzien van zijne vrouw en twee zonen schijnt hem van het opgevatte voornemen af te brengen, en hij besluit 's konings wraak te trotseren.
Moet men niet erkennen, dat de overeenkomst tusschen het gedicht en de geschiedenis van Bouchard van Avennes hoogst gering is, waar de schijn van overeenkomst alleen geboren wordt als men alle karakteristieke bijzonderheden over het hoofd ziet? Ik voor mij aarzel geen oogenblik, alle toespeling op Bouchard van Avennes als hersenschimmig terug te wijzen, en als het meest waarschijnlijk aan te nemen, dat de vlaamsche Reinaert tusschen de jaren 1180 en 1190 is ontstaan, gedurende de regering van Filips van den Elzas, aan wiens tijd de geheele toon van het stuk over het algemeen herinnert.
Wil men volstrekt in den kapellaan Botsaert een historischen naam zien, dan vraag ik, of het niet de bisschop van Kamerijk van dien naam kan wezen, die tot op het jaar 1133 den bisschoppelijken zetel bekleedde, en herhaaldelijk in de diplomata bij MIRÆUS voorkomt?
* * * * *
Thans moeten wij nog kortelijk onderzoeken, of uit het gedicht zelf geene aanwijzing te putten is, waar het werd geschreven. GRIMM was reeds getroffen door de »ganz flandrische färbung”[184] die er de eigenaardigheid van uitmaakt; op zijne vraag, of de mnl. dichter »die schon in seinem original vorfand, oder aus einheimischer tradition der thiersage hineinbrachte”? hebben, zoo ik hoop, de voorgaande bladzijden het antwoord gegeven.
Maar in welk gedeelte van Vlaanderen ontstond dat uitstekend kunstwerk? SNELLAERT zegt: »Geheel het gedicht, zoowel het eerste als het tweede boek, moet in West-Vlaenderen zyn opgesteld”[185]. Met betrekking tot het gedeelte dat ons hier bezig houdt, haalt hij ten bewijze van den west-vlaamschen tongval aan de woorden eeke, wulf, ghi dinct en vroet[186]. Maar is die uitspraak alleen aan West-Vlaanderen eigen? Mij dunkt, de oude schrijvers beantwoorden die vraag ontkennend. Er is echter meer. Zou een West-Vlaming het tooneel van zijn gedicht zoo bij voorkeur in Oost-Vlaanderen gelegd hebben? Zou hij met zulke voorliefde van het »soete lant van Waes” (vs. 2263) gesproken hebben? Hulsterloo, Absdal, Besele[187] liggen alle in dit »oostende van Vlaendren;” Hyfte, »thans geen dorp meer maer een gehucht by Desteldonk en Loochristy,” dat met Gent genoemd wordt, pleit evenzeer voor Oost- en niet voor West-Vlaanderen, zoowel als de abdij van Elmare, waar de wolf monnik zou worden. Is dit alles niet veel eer geschikt om de stelling aannemelijk te maken, dat ons gedicht op dien bodem is ontstaan?
Wie de schrijver was, zal wel immer een geheim voor ons blijven, tenzij eenmaal de Madoc werd terug gevonden, waaruit ons misschien eenig licht over zijn persoon mocht opgaan. Thans weten wij alleen, dat hij WILLEM heette, vroeger nog een gedicht had vervaardigd, wellicht »vele boeke,” en dat hij den Reinaert op verzoek eener hoofsche vrouwe heeft gedicht.
Het is te betreuren, dat er niet meer licht over zijne persoonlijkheid kan worden verspreid, daar hij zeker de voortreffelijkste dichter mag genoemd worden, die het graafschap Vlaanderen heeft opgeleverd; een dichter, begaafd met eene scheppende fantazie, en toegerust met een smaak zoo als maar zelden in de middeneeuwen, althans op het gebied van onze letterkunde, gevonden wordt.
__________
VOETNOTEN
[1] Reinhart Fuchs, p. CL en CLXIII.
[2] Zie ROTHE, Les Romans du Renard examinés, analysés et comparés, pag. 62 suiv.
[3] I Dl., bl. 185-189. Verg. ook III Dl., bl. 584.
[4] Geschiedenis der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, bl. 143.
[5] T. a. p. bl. 148-149.
[6] Ik reken hier de uitgave van SNELLAERT niet eens meê, die slechts een herdruk van dien van WILLEMS is.
[7] Denkmäler altniederl. Sprache und Litteratur, I, XXIX.
[8] R. F., pag. CLIV.
[9] Denkmäler, I, XLII in verband met XXXIV.
[10] Over de uitlatingen zie men de kollatie bij onzen tekst. GRIMM neemt er ook achter 2470 (2494) eene aan (R. F., p. CLIV en 281), en werkelijk vindt men in de omwerking vier regels meer; maar het is niet waarschijnlijk dat zij ook in het ouder gedicht gestaan hebben, waar aan den zin niets ontbreekt.
[11] R. F., bl. CXLIX.
[12] R. F., bl. CLIV.
[13] R. F., bl. CLIV: „Die vocalverhältnisse, womit es kaum eine mnl. hs. genau nimmt, habe ich nach grammatik und reimen festgesetzt.”
[14] Reinaert de Vos, Voorbericht, bl. VIII.
[15] Voorbericht, bl. VII.
[16] Tweede uitgave, Nabericht, bl. 353.
[17] „De drukfouten en verbeteringen, door W. aangegeven, zyn, op de behoorlyke plaetsen, de eenen geweerd, de anderen tusschen de noten ingevoegd. Hier en daer heb ik gemeend voor W. te moeten handelen namelyk.... op de vs. 1123, 1965, 3078.” Zoo leest men t. a. pl. (Ik bepaal mij tot den tekst van het oudste gedeelte.) Maar ook SNELLAERT schijnt niet zonder overhaasting te werk gegaan te zijn, want de verbetering op vs. 2091 door WILLEMS zelf aangegeven, „bockine, lees hoekine, dat is bokjens, en vergelyk MEYER'S Leven van Jesus, bl. 336,” is vergeten op te nemen in de nieuwe uitgave. Zoo had ik gewild dat ook verbeterd waren de volgende stootende drukfouten: 1187 leiden (beiden), 1377 vermerrende, 1449 en allen, 1965 dine[n] oge, om van andere minder in het oog vallende niet te spreken. Stilzwijgend heeft SNELLAERT nog verbeterd 2252 bi in hi, 2548 wancost in wanconst; maar ook 861 Dar in Daer, hetgeen blijkbaar Dat had moeten zijn.
[18] Reinaert, Inleiding, bl. XXXI.
[19] Rechts Alterthümer, bl. 14 vlgg. Zie ook NOORDEWIER, Nederd. Regtsoudheden, bl. 4-5.
[20] Daaruit zou men mogen opmaken dat ook in de volgende plaatsen werkelijk een regel is uitgevallen: 1075 wale, (....), tale, wale; 1085 daghe, saghe, (....), maghe; 1161 Reinaert, (....), vaert, Reinaert; 1861 Bruneel, (....), butseel, Rosseel; en dat het niet zijn „blykbaer drieregelige rymen, dergelyke men by onze ouden op meer plaetsen ontmoet,” zoo als WILLEMS aannam in het voorbericht op den Reinaert, bl. IX en ikzelf ook vroeger beaamde, Mnl. Versbouw, bl. 170.
[21] Slechts op één punt ben ik daarvan afgeweken, namelijk in plaats van het pleonastische aanwijzend voornaamwoord die achter het zelfstandig naamwoord, heb ik naar den mnl. regel het persoonlijke voornaamwoord gesteld, b.v. 107 Tibert die [hi] wart gram; 1079 sine herte die [soe] es; 1914, 1964, 2628 (2652), 2732 (2772), 2795 (2815), 2999 (3019), 3093 (3113), 3352 (3372). Zoo heeft het hs. naar den regel: 1246 hi was gheraect; 1644 si riepen.
[22] R. F., pag. CLV.
[23] Waar geen letter voor de lezing staat komt zij zoowel in het Comburgsche hs. (C) of bij GRÄTER, als in de uitgaven van GRIMM en WILLEMS voor. Gr. beteekent de uitgave van GRIMM, W. die van WILLEMS. Waar des laatsten voorletter ontbreekt is de verbetering reeds door hem aangebracht.
[24] Reinaert, Inleiding, bl. XXVI-XXVIII.
[25] Zie het facsimile, dat KAUSLER met de wellevendste bereidwilligheid voor mij deed vervaardigen.
[26] C. heeft, gelijk wij zagen: die vele bouke maecte; maar KAUSLER zegt, Altniederl. Denkm., Th. I, s. XLII: „Die Worte vele bouke sind von einer spätern Hand an die Stelle eines ausgekratzten Wortes gesetzt, das, wie deutlich zu erkennen ist, kürzer war als die Interpolation, weshalb auch der Raum für diese nicht ganz reichen wollte.” Men ziet dit ook duidelijk in ons facsimile. Ik geef daarom in mijn tekst de voorkeur aan de lezing van den omwerker, waarvoor ook andere redenen pleiten; zie mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 189. In plaats van het die Madock maecte van den omwerker, heb ik gesteld die den Madoc maecte, nadat ik naauwkeurig op het handschrift had uitgemeten dat het enkele woord Madoc de plaats van het uitgewischte niet aanvulde, die juist wordt ingenomen door de woorden dē Madoc, in het schrift van den codex.
[27] Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik herroep de geheele redenering die ik vroeger op den tekst van GRIMM en WILLEMS bouwde, Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 191; gelijk ik alles terug neem wat daar over dit onderwerp staat, voor zoover het in strijd is met de rezultaten van mijn vernieuwd, dieper onderzoek, die ik in deze inleiding heb neêrgelegd.
[28] Evenzoo heeft men een dubbel begin Floris ende Blanc. vs. 1 en 28; maar de eerste 34 verzen van dat gedicht zijn waarschijnlijk het werk van een afschrijver.
[29] R. F., pag. CVIII.
[30] Verg. ROTHE, Les Romans du Renard, pag. 63.
[31] Inleiding, bl. XLVI.
[32] Uitgegeven onder den titel: Sendschreiben an KARL LACHMANN, ueber Reinhart Fuchs, Leipzig 1840.
[33] Inleiding, bl. XXXV.
[34] Inleiding, bl. XXXV.
[35] Bl. XXXIV. Vergelijk ook zijn Voorbericht, bl. VIII.
[36] R. F., pag. CLI.
[37] Inleiding, bl. XXXI.
[38] Zie zijne Geschiedenis der Letterkunde in het graefschap Vlaenderen, bl. 147.
[39] Verg. mijne Gesch. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 358-359, in verband met bl. 361-363.
[40] GRIMM heeft uit de beteekenis van den naam Reinaert (Raginohard), het vermoeden afgeleid, „dass die thierfabel vom fuchs und wolf den Franken bereits im 4. 5. 6. jh. bekannt war” (R. F., pag. CCXLII). Komt dit vermoeden niet te goede, dat reeds in de Salische wet de vossennaam als scheldwoord vermeld staat? In den XXX titel (bij MERKEL, pag. 17), de conviciis, heet het: „Si quis alterum vulpe clamaverit, 120 dinarios, qui faciunt solidos 3, culpabilis iudicetur.”
[41] Zie mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 61.
[42] R. F., pag. CXCV-CXCVI.
[43] Bij CHABAILLE, Supplément au Roman du Renart, pag. 1; zie ook ROTHE, Les Romans du Renard, pag. 150.
[44] FAURIEL trekt ook uit de aangehaalde regels het natuurlijk besluit, dat „on traitait en prose des parties du cycle poétique de Renart.” Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 941. Verg. ook GRIMM, R. F., pag. CXXXVIII.
[45] R. F., pag. CXXI.
[46] Les Romans du Renard, pag. 109-110.
[47] Later, pag. 268-269 heet het nog sterker: „Il n'est guère douteux qu'il n'y ait eu des branches perdues entièrement et dont l'existence ne nous est révélée que par les allusions qui se trouvent dans ce que nous connaissons; il n'est guère douteux non plus que plusieurs des branches, ou des parties de quelques unes des branches du Roman de Renart ne soient que des reproductions, des réminiscences de compositions analogues antérieures, négligées et perdues dès qu'elles ont été remplacées par les versions plus récentes. Quoique nous soyons dans l'impossibilité de préciser exactement la date d'aucune des branches, quelques indices nous font cependant regarder les unes comme plus anciennes que les autres, et certes il y en a un bon nombre qui remontent au douzième siècle.”
[48] Hist. Litt., tom. XXII, pag. 906-907.
[49] FAURIEL zegt er van, Hist. Litt., tom. XXII, pag. 891, dat het bevat: „des recherches qui n'ont laissé à désirer que ce qu'il était impossible de découvrir,...... une sagacité de critique qu'il est plus facile d'admirer que d'égaler.”
[50] GRIMM volgt eene andere verdeeling: bij hem is de 20e branche de 16e. Ik zal in het vervolg steeds de indeeling van MÉON en ROTHE volgen en de nummers van GRIMM er tusschen haakjes bijvoegen.
[51] R. F., pag. CVIII.
[52] Sendschreiben an KARL LACHMANN, pag. 64.
[53] Les Romans du Renard, pag. 61.
[54] Hist. Litt., tom. XXII, pag. 905.
[55] Les Romans du Renard, pag. 260: „Parmi ces morceaux quelques uns se composent distinctement de deux parties, ce qui peut faire supposer qu'ils n'ont pas été faits d'un seul jet ni par un seul auteur, qu'une partie a pu être écrite antérieurement à l'autre, et que le dernier auteur n'a fait qu'une continuation, ou bien qu'il s'est borné à lier ensemble deux compositions antérieures.” Verg. ook GRIMMS R. F., pag. CL, in fine.
[56] Hist. Litt., tom. XXII, pag. 940.
[57] L. l., pag. 903.
[58] GRIMM, R. F., pag. CIX.
[59] GRIMM stelt, R. F., pag. CXL, het oude fransche origineel „bald nach der mitte des 12 jh.,” maar ik ben overtuigd dat het veeleer ouder is, zoo als ons ook later nog zal blijken. GRIMM zelf stelt het Mhd. gedicht elders, R. F., pag. CCLV, iets ouder en wel „in das zweite, oder doch dritte viertel des 12 jh.”
[60] Les Romans du Renard, pag. 70.
[61] R. F., pag. CLI: „Wenigstens hat keins der jetzt erhaltenen franz. gedichte ansprüche darauf zu machen sein original zu sein.” En pag. CLVI zegt hij: „WILLAM schöpfte..... eingeständig aus franz. quelle, die uns untergegangen ist, selbst aber in der nähe des flämischen dichters, vielleicht in franz. Flandern und Artois entsprungen sein könnte.”
[62] Reinaert, Inleiding, bl. XLII.
[63] R. F., pag. CXXXIX.
[64] R. F., pag. CXXXIX.
[65] R. F., pag. CXLV.
[66] R. F., pag. CXXVII.
[67] Les Romans du Renard, pag. 261, cf. 173 suiv.
[68] Hist. Litter. de la France, tom. XXII, pag. 917.
[69] Een paar regels later heet het ook dat „Tardif les chadele.” Men ziet dat de vaandeldrager de aanvoerder is. Dit moge een nieuw bewijs zijn voor mijne stelling voorgedragen Guillaume d'Orange, tom. II, pag. 23, noot 4.
[70] GRIMM noemde dit reeds: „nachahmung der todten henne,” R. F., pag. CXXVII.
[71] Verg. ROTHE, pag. 183.
[72] R. F., pag. CXXVIII. Verg. ook pag. CXXXVIII.
[73] Les Romans du Renard, pag. 179-180. Verg. ook pag. 183.
[74] L. c., pag. 184.
[75] De grondfout van ROTHE bestaat daarin, dat hij geen onderscheid maakt tusschen de twee deelen der 20e (16e) branche; vandaar, dat hij tot een geheel verkeerd rezultaat kwam, omdat hij een verkeerden maatstaf aanlegde bij zijne redenering.
[76] Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 926.
[77] Ziehier een paar staaltjes, die later nog met een sterksprekend zullen vermeerderd worden.
Pag. 898 zegt hij van onzen oudsten Reinaert: „Cette rédaction.... ne paroît être que du XIVe siècle.... et elle ne peut guère avoir été fondée que sur des traditions orales venues d'ailleurs.”
Pag. 899 heet het van den oudsten mhd. tekst van GLICHESÆRE, door GRIMM in zijn Sendschreiben an LACHMANN uitgegeven: „Si ce fragment appartient à l'ouvrage perdu de GLICHESÆRE, ou à quelque autre, c'est un point que l'éditeur laisse dans l'incertitude(!!). Il ne dit rien non plus de l'époque où l'on peut en supposer la rédaction(!!).”
Wellicht was hij in de war gebracht door de noot op pag. 61 van ROTHES werk, maar dat hij het Sendschreiben zelf gelezen had durf ik stellig ontkennen.
Hij geeft dikwerf ROTHES opmerkingen als zijne eigene beschouwingen. Zoo b.v. doet hij pag. 943 zien, dat het paard niet als handelende persoon in de gedichten over Renart voorkomt, omdat de andere dieren in den regel te paard rijden. Hetzelfde had ROTHE reeds gezegd, pag. 266.
Over den Couronnement handelende, doet hij pag. 936 zien, dat slechts eene verkeerde opvatting dit werk aan MARIE DE FRANCE toeschrijft, maar ROTHE had dit reeds duidelijk gemaakt, pag. 348.
Dat de graaf van Vlaanderen, ter eere van wien de Couronnement werd geschreven, WILLEM VAN DAMPIERRE is geweest, lijdt geen twijfel, en ook dit had ROTHE aangetoond vóór FAURIEL; maar als de laatste zegt, pag. 936, dat op het punt van zijn dood in een steekspel, de dichter „nous en apprend quelque chose de plus que l'histoire,” dan heeft hij zijn voorganger niet goed ingezien, die pag. 340 de plaatsen der historici aanhaalt, waar van zijn ongelukkigen dood in een tornooi wordt gewaagd. Hetzelfde had hij kunnen vinden in WARNKŒNIGS Hist. de la Flandre, tom. I, pag. 252. En reeds de Vlaamsche Kronijk door KAUSLER uitgegeven, zegt vs. 5845:
Dese Willem was vul der edelheden, Ende bleeft antierende twapenspel; Maer harde curt het hem mesvel: Want te Trengis in den tornoy Waert doot ghedroomt die rudder moy, Dies menich adde zwaer verdriet, Dat hi dus vander weerelt sciet.
[78] Les Romans du Renard, pag. 183.
[79] GRIMM zegt, R. F., pag. CXXVIII: „Diese ganze branche von dem gelben fuchs und der gestörten hochzeit scheint mir uralt.”
[80] Les Romans du Renard, pag. 182, note.
[81] R. F., pag. CXXI. GRIMMS onderscheiding rust hoofdzakelijk op de opmerking, dat in het eerste gedeelte vos en wolf als oom en neef voorkomen: in het tweede heeten zij elkander „compère.” Ik voeg er bij, dat 353-4 Renart Isengrins hol niet kent, terwijl hij 241-336 herhaaldelijk des wolfs woning bezocht had.
[82] Zie GRIMM, R. F., pag. CXXI.
[83] Les Romans du Renard, pag. 297, note 1; cf. pag. 284, note 4.
[84] Ook nog in eene jongere branche komt deze titel voor, vs. 13939.
[85] Zie GRIMM, R. F., pag. CLVIII, in fine.
[86] Bij MÉON staat li ors, dat klinkklare onzin is.
[87] Les Romans du Renard, pag. 174-175.
[88] R. F., pag. CXXVI.
[89] In een enkel handschrift is ook de 19e nog door eenige overgangsregels aan de 18e verbonden, zie ROTHE, pag. 285, note 1.
[90] Reinaert, Inleiding, bl. XLII-XLIII.
[91] De overeenkomst is niet geheel letterlijk, maar 't schijnt ontwijfelbaar dat de afschrijver hier knoeide, zoo als de rijmen en onze varianten uitwijzen.
[92] Zoo b.v. ook GARIN, II, pag. 26:
Plévissez-moi, li Allemans Oris, Et vous Girars etc.
Pag. 69:
Venez avant, li fis au duc Hervin, Tenez ma nièce.
[93] GRIMM, R. F., pag. CXLI.
[94] Boven, bl. LIII-LXI.
[95] Dezelfde eigenaardigheid treft men aan in de branches 20_a_-b en 21-22; niet in 19.
Hetzelfde verschijnsel heeft ook ALF. ROCHAT opgemerkt in den Percheval van CHRESTIENS DE TROIES; zie zijn boek getiteld: Ueber einen bisher unbekannten Percheval li Galois, pag. 179.
[96] ROTHE, les Romans du Renard, zegt pag. 184: „Plusieurs considérations portent à faire regarder la vingtième branche comme la principale de toutes les rapsodies sur le sujet du Renard, comme le noyau du cycle, pour ainsi dire.”
[97] Men lette op vers 648, waar het heet: so men mi seide.
[98] Wellicht is echter dit en het voorgaande vers een inschuifsel.
[99] Les Romans du Renard, pag. 176.
[100] R. F., pag. CLII.
[101] L. l. Zie ook WILLEMS, Reinaert, bl. 90, in de noot op vs. 2247.
[102] Zie mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I D., bl. 139.
[103] Ook in de branche die het derde deel van MÉON opent, komt hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.
[104] R. F., pag. CXXXII.
[105] Boven, bl. XXXVII.
[106] Boven, bl. XXXVIII.
[107] Verg. ROTHE, l. l., pag. 122.
[108] Verg. GRIMM, R. F., pag. LXXIV.
[109] Het gebeurde met den wolf, vs. 10157-10166, houd ik voor een jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet met GRIMM, R. F., pag. CXXXIX, onder de „treffenden zügen” rekenen.
[110] Rijmkronijk van Vlaenderen, uitg. door KAUSLER, vs. 3384.
[111] Zie de aangehaalde Rijmkronijk, pag. 137 volg.
[112] Verg. Dr. C. HOFMAN, Ueber ein Fragment des Guillaume d'Orange, pag. 42.
[113] Zoo b.v. branche 20_b_, vs. 11607:
Dou poing li done tel bufet, Del cul li fet saillir un pet.
[114] Verg. GRIMM, R. F., pag. LXXIV-LXXV.
[115] Dat de 9e branche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het heet:
Si con nos trovons en l'estoire.
[116] Vs. 1498 echter, waarin gezegd wordt dat men
Waende dat die duvel ware,
herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het klokkenzeel herinnert aan de 28e branche, waar Reinaert hetzelfde met Tibert doet.
[117] In de 28e branche zegt R., vs. 20504:
Ge vois ou bois de veneroi,
dat is, zoo als ROTHE (p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté d'aunes, autrefois appelés vernes.” Zou ons Vermendois ook aan eene verwisseling met veneroi kunnen doen denken? Ik acht dit noch aannemelijk noch waarschijnlijk.
[118] Les Romans du Renard, pag. 137.
[119] De 9-10e branche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst met 20_a_. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter zweert bij le cuer bé, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar niet Ysengrin, maar Primaut. Dat in het oudere stuk, waarop vs. 3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersent ma fame, waarmeê ROTHE (pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs. 4555 heet het bij MÉON:
Vers la forez s'en va le cors:
de daarop volgende regel,
Si a trouvé Renart le rous,
leert dat het eerste rijmwoord moet zijn niet le cors, maar li cous; en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:
Sire Ysengrin............ Or te pués vengier de ton pié,
en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9-10e branche. Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen wij boven (bl. LXVI).
[120] R. F., pag. CLIX-CLX.
[121] Zie de plaatsen bij MÉON, tom. I, pag. V, en bij GRIMM R. F., pag. CXCVII-CXCVIII.
[122] Bij GRIMM, R. F., pag. CXCVIII.
[123] R. F., pag. CXXXIX.
[124] Reinaert, Inleiding, bl. XL.
[125] Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 907.
[126] PAULIN PARIS, Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 95-96.
[127] Zie Hist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 100.
[128] Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 102.
[129] L. l., pag. 107.
[130] Verg. mijne Geschied, der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 427-432.
[131] Onmogelijk kan de Alexander eerst tusschen 1180 en 1184 geschreven zijn, zoo als dit heet in de Hist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 121, 122, 163. Als met de Isabella, die in dat gedicht een verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking of interpolatie te verraden.
[132] Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 101.
[133] Aangehaald bij GRIMM, R. F., pag. CXCVII.
[134] GRIMM noemt de 5e (3e) branche terecht „vortreflich erzählt,” (_R. F._, pag. CXXII), en ik begrijp niet hoe ROTHE kon zeggen (pag. 127): „Le récit est un peu traînant.”
[135] Les Romans du Renard, pag. 140.
[136] Supplément au Roman de Renart, pag. 1; verg. ROTHE, pag. 150.
[137] R. F., pag. CXXXIX.
[138] Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.
[139] R. F., pag. CXLI.
[140] Zie mijn Guillaume d'Orange, tom. II, pag. 178.
[141] T. a. p., pag. 160.
[142] Daar heet het, vs. 892, bij HOFFMANN, Ueber ein fragment des Guillaume d'Orange, s. 36:
Loeys fu à Paris sa maison: Là se deduist à guise de bricon. N'ot aveuc lui ne conte ne baron, Ne duc ne prince, chevalier ne garson Qui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton. ........................ Les frans linages ot arrière boutés, Et de sa terre et de sa cort osté, Et des estranges ot-il fait ses privés: Malvais conseil li ont tous jors doné, Et son avoir et tolu et emblé; Et si baron l'ont trestout adossé, Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel, Et sor tout chou li est mal encontré.
[143] Ook in de Chanson d'Herviz de Metz komt dezelfde uitdrukking voor, zie Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 596.
[144] Guillaume d'Orange, tom. II, pag. 185.
[145] Verg. GRIMM, R. F., pag. CXLI.
[146] VON RAUMER, Gesch. der Hohenstaufen, II, pag. 319.
[147] MEYERUS, Annal. Flandriae, Lib. VII, pag. 60.
[148] Reinaert, Inleiding, pag. XVI.
[149] Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192-198.
[150] Reinaert, Inleiding, pag. XXXIII-XXXIV.
[151] Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.
[152] Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.
[153] Zie GRIMM, R. F., pag. CLIX.
[154] Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.
[155] T. l. a. pl.
[156] R. F., pag. CLIX.
[157] Reinaert, Inleiding, pag. XXXV.
[158] Zie overigens GRIMM, R. F., pag. CLX.
[159] Reinaert, Inleiding, pag. XXXVI-XXXVII.
[160] Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193 vlg.
[161] Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 142.
[162] Zie mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193, noot 2.
[163] Corpus Chronicorum Flandriae, tom. I, pag. 709.
[164] L. l., pag. 709.
[165] Zie het verlof daartoe in mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194, noot 1.
[166] Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters. MEYERUS verhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers strafte, onder anderen ook „adolescens quidam nobilis,” die beesten gestolen had; „hunc arreptum una cum duobus falsis monetariis in ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem.”
[167] Reinaert, Inleiding, bl. XXXV-XXXVI. Verg. mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192-193.
[168] Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 141.
[169] WARNKÖNIG, Histoire de la Flandre, tom. I, pag. 203-204.
[170] Reinaert, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194.
[171] Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.
[172] Trouvères Artésiens, pag. 150 en 154.
[173] Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag. 293-299, schrijft hij, op voorgang van BARBAZAN en LE GRAND D'AUSSY, acht gedichten toe aan zekeren JEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijver niet van was.
In het fablel des deux Chevaux, bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, lezen wij:
Cil qui trova de Morteruel, Et del mort vilain de Bailleul,
en dan volgt de verdere opsomming der stukken aan JEHAN DE BOVES toegekend, waarop het dan verder heet:
(Cil) D'un autre fablel s'entremet, Qu'il ne cuida jà entreprendre; Ne por mestre Jehan reprendre De Boves, qui dist bien et bel, N'entreprent-il pas cest fablel, Quar assez sont si dit resnable; Mès qui de fablel fet grant fable N'a pas de trover sens legier.
Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het meester JEHAN DE BOVES te verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (dit) zijn vol pit; maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden (trover).”
DINAUX haalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding vermelde gedichten te gewagen.
Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met voordacht uit den codex door MÉON gevolgd schijnt te zijn weggelaten, zoo als blijkt uit den aanhef van het stuk Dou lou et de l'oue, l. l., pag. 55, en evenzeer uit dien van Brunain la vache au prestre, l. l., pag. 25.
DINAUX' geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uit LE GRAND D'AUSSY overgenomen, Fabliaux ou Contes, 3 éd., tom. IV, pag. 256, en wel met overhaasting. LE GRAND zegt van de vrouw des priesters: »Dans le fabliau du curé qui mangea des mûres, il a été fait mention aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in den Constant du Hamel), quelques vers plus bas, est nommée la prêtresse.” DINAUX zegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui intitulé, le curé qui mangea des mûres, cette même singularité se représente, et comme ici, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” Intusschen komt in 't stuk du Curé etc., in de Choix et extraits achter LE GRANDS eerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit kennen.
[174] Bij BARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296-326.
[175] Zie boven, bl. LXVI.
[176] Boven, bl. XLIV.
[177] Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld. Dezelfde dichter kende ook den naam Gombert, die in de 19e en 20e branche van Renart voorkomt, zie boven, pag. LXXXVI.
[178] R. F., pag. CXLV.
[179] Les Trouvères Artésiens, pag. 149.
[180] Het is duidelijk ons ham, bij KILIAEN: domus, habitatio, maar dat ook, even als het fransche hameau, de beteekenis van dorp of gehucht gekregen heeft; verg. NOORDEWIER, Regtsoudheden, bl. 210.
[181] Zie mijne Geschied. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 9-10.
[182] R. F., pag. CCLVIII.
[183] Verg. WARNKÖNIG, Hist. de la Flandre, tom. I, pag. 240.
[184] R. F., pag. CLVI.
[185] Reinaert, 2e druk, Nabericht, bl. 356.
[186] Vroet, vs. 1899, verklaart hij door verwoed, dol; maar hoe zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt onbegrijpelijk.
[187] GRIMM meende, R. F., pag. CLVII, ten onrechte, dat STOKE, II Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaats Barsele noemde: de hollandsche schrijver heeft blijkbaar Borselen op 't oog.
VANDEN VOS REINAERDE.
VANDEN VOS REINAERDE.
WILLEM, die den Madoc maecte, Daer hi dicke omme waecte, Hem vernoyede so haerde, Dat davonturen van Reinaerde In Dietsce onghemaket bleven, 5 (Die hi hier hevet vulscreven) Dat hi die vite dede soeken, Ende hise naden walscen boeken In Dietsce dus hevet begonnen. God moete ons siere hulpe onnen! 10 Nu keret hem daer toe mijn sin, Dat ic bidde in dit beghin, Beide den dorpren enten doren, Oft si comen daer si horen Dese rime ende dese wort, 15 Die hem onnutte sijn ghehort, Dat sise laten ombescaven. Te vele slachten si den raven, Die emmer es al even malsc: Si maken sulke rime valsc, 20 Daer si niet meer af en weten Dan ic doe, hoe dat si heten, Die nu in Babilonien leven. Daetsi wel, si souts begheven. Dan segghic niet dor minen wille; 25 Mijns dichtens ware een ghestille, Ne hads mi ene niet ghebeden, Die in groter hoveschede Gherne keret hare saken: Soe bat mi, dat ic soude maken 30 Dese avonture van Reinaerde. Al begripic die grongaerde Ende die dorpren entie doren, Ic wille dat die ghene horen, Die gherne pleghen der ere, 35 Ende haren sin daer toe keren, Dat si leven hoofschelike, Sijn si arem, sijn si rike, Diet verstaen met goeden sinne. Nu hort, hoe ic hier beghinne. 40 Het was in enen Sinxendaghe Dat beide bosch ende haghe Met groenen loveren waren bevaen: Nobel, die coninc, hadde ghedaen Sijn hof craieren over al, 45 Dat hi waende, hadde hijs gheval, Houden te wel groten love. Doe quamen tes coninx hove Alle die diere, groot ende clene, Sonder vos Reinaert allene. 50 Hi hadde te hove so vele mesdaen, Dat hire niet ne dorste gaen: Die hem besculdich kent ontsiet. Also was Reinaerde ghesciet; Ende hier omme scuwedi sconinx hof, 55 Daer hi in hadde cranken lof. Doe al dat hof versamet was, Was daer niemen, sonder die das, Hine hadde te claghene over Reinaerde, Den fellen metten roden baerde. 60 Nu gaet hier up ene claghe. Isengrijn ende sine maghe Ghinghen vor den coninc staen. Isengrijn begonste saen Ende sprac: »Coninc here, 65 Dor edelheit ende dor ere, Dor recht, ende dor ghenade, Ontfermt u miere scade, Die mi Reinaert heeft ghedaen, Daer ic af dicke hebbe ontfaen 70 Groten lachter ende verlies. Vor al dandre ontferme u dies, Dat hi mijn wijf hevet verhoert, Ende mine kindre so mesvoert, Dat hise besekede, daer si laghen, 75 Datter twee noint meer ne saghen, Ende si worden staerblint: Nochtan honedi mi sint. Het was sint so verre comen, Datter een dach af was ghenomen, 80 Ende Reinaert soude hebben ghedaen Sine onsculde: ende also saen Alse die heleghe waren brocht, Was hi andersins bedocht, Ende ontvoer in sine veste. 85 Here, dit kennen noch die beste Die te hove sijn comen hier: Mi hevet Reinaert, dat felle dier, So vele te lede gedaen, Ic weet wel, al sonder waen, 90 Ware al tlaken perkement, Dat men maket nu te Ghent, Inne ghescreeft niet daer an. Dies swijghic nochtan; Neware mijns wives lachter 95 Ne mach niet bliven achter Onghebetert, no onghewroken.” Doe Isengrijn dit hadde ghesproken, Stont op een hondekijn, hiet Cortois, Ende claghede den coninc in Fransois, 100 Hoet so aerm was, wilen ere, Dat alles goets en hadde mere, In enen wintre, in enen vorst, Dan allene ene worst, Ende hem Reinaert, die felle man, 105 Die selve worst stal ende nam. Tibert, die cater, hi wart gram: Aldus hi sine tale began, Ende spranc midden in den rinc, Ende seide: »Here coninc, 110 Dor dat ghi Reinaerde sijt onhout, So en es hier jonc no out, Hine hebbe te wroeghene jeghen u. Dat Cortois claghet nu, Dats over menich jaer ghesciet: 115 Die worst was mine, al en claghic niet. Ic hadse bi miere list ghewonnen, Daer ic bi nachte quam gheronnen Omme bejach in ene molen, Daer ic die worst in hadde ghestolen 120 Enen slapenden molenman. Hadder Cortois iewet an, Dat was bi niemene dan bi mi. Hets recht dat omberet si Die claghe, die Cortois doet.” 125 Pancer sprac: »Dinct u goet, Tibert, dat men die claghe ombere? Reinaert es een recht mordenere, Ende een trekere, ende een dief: Hine heeft ooc niemene so lief, 130 No den coninc, minen here, Hine wilde dat hi lijf ende ere Verlore, mocht hire ane winnen Een vet morseel van ere hinnen. Wat sechdi van omberen claghe? 135 En dedi ghistren in den daghe Ene die meeste overdaet An Cuwaerde, die hier staet, Die noit enich dier ghedede? Want hine, binnen sconinx vrede 140 Ende binnen sconinx ghelede, Ghelovede te leerne sinen crede, Ende soudene maken capelaen. Doe dedine sitten gaen Vaste tusschen sine been: 145 Doe begonstsi over een Spellen ende lesen bede, Ende lude singhen crede. Mi gheviel, dat ic tien tiden Ter selver stede soude liden. 150 Doe hoordic haerre beider sanc, Ende maecte daerwaert minen ganc Met ere harde snelre vaert: Doe vandic daer meester Reinaert, Die siere lesse hadde begheven, 155 Die hi te voren up hadde gheheven, Ende diende van sinen ouden spele, Ende hadde Cuwaerde bi der kelen, Ende soude hem thooft hebben ghenomen, Waer ic hem niet te hulpe comen 160 Bi aventure in dien stonden. Siet hier noch die verssce wonden Ende die tekine, her coninc, Die Cuwaert van hem ontfinc. Laetti dit bliven onghewroken, 165 Dat u verde es dus tebroken, Ghine wreket, alse u manne wisen, Men salt uwen kindren noch mesprisen Hier naer, over wel menich jaer.” --»Bi Gode, Pancer, ghi secht waer! 170 Sprac Isengrijn, daer hi stoet: Waer Reinaert doot, het waer ons goet, Also behoude mi God mijn leven! Neware, wert hem dit vergheven, Hi sal noch honen binder maent 175 Sulken, dies niet ne bewaent.” Doe spranc up Grimbert, die das, Die Reinaerts broeder sone was, Met ere verbolghenlike tale: »Here Isengrijn, men weet dat wale, 180 Ende hets een out bispel: Viants mont seit selden wel. Verstaet, nemt miere tale goom: Ic wilde, hi hinghe an enen boom Bi siere kelen, alse een dief, 185 Die andren heeft ghedaen meest grief. Here Isengrijn, wildi anegaen Soendinc, ende dat ontfaen, Daer toe willic helpen gherne: Mijn oom en salt ooc niet wernen; 190 Entie meest andren heeft mesdaen Sal den andren in bate staen, Van minen oom ende van u. Al ne comt hi niet claghen nu, Ware mijn oom wel te hove, 195 Ende stonde in sconincx love, Here Isengrijn, als ghi doet, En soude niemen dinken goet, Ende ghine bleves onbegrepen, Dat ghi sijn vel so hebt ghenepen 200 Dicwile met uwen scerpen tanden, Dat hi niet ne conde gheanden.” Isengrijn sprac: »Hebdi gheleert An uwen oom dus lieghen apeert?” --»In hebbe daer an niet gheloghen. 205 Ghi hebt minen oom bedroghen Harde dicke in menegher wise: Ghi misleettene vanden pladisen, Die hi u warp vander kerren, Doe ghi hem volghedet van verre, 210 Ende ghi die pladise uplaset; Doe ghi u daer ane hadt versadet, Ghine gaeft hem no goet no quaet, Sonder allene een pladisengraet, Die ghi hem te jeghen brochtet, 215 Dor dat ghine niet ne mochtet. Sint hoondine van enen bake, Die vet was, ende van goeder smake, Dien ghi leit in uwen museel. Doe Reinaert eschede sijn deel, 220 Antwordi hem in scerne: »U deel willic u gheven gherne, Reinaert, scone jonghelinc: Die wisse, daer die bake an hinc, Becnause, soe es so vet.” 225 Reinaerde was lettel te bet, Dat hi den goeden bake ghewan, In sulker sorghe dattene een man Vinc, ende warp in sinen sac: Dese pine ende dit onghemac 230 Hevet hi leden dor Isengrine, Ende hondert werven mere pine. Ghi heren, dinct u dit ghevoech Nochtan, oft meer onghevoech, Dat hi claghet om sijn wijf, 235 Die Reinaert hevet al haer lijf Ghemint? so doet hi hare; Al ne maecten sijt niet mare, Ic dart wel segghen over waer, Dat langher es dan VII jaer, 240 Dat Reinaert hevet hare trouwe. Om dat Hersint, die scone vrouwe, Dor minne ende dor quade sede Reinaerde sinen wille dede, Wattan? soe was sciere ghenesen: 245 Wat talen mach daer omme wesen! Nu maket hier Cuwaert, die hase, Ene claghe van ere blase; Oft hi den Crede niet wel en las, Reinaert, die sijn meester was, 250 Mochte in sinen clerc niet blouwen? Dat ware onrecht, entrouwen! Cortois claghet om ene worst, Die hi verloos in enen vorst: Die claghe ware bet verholen. 255 En hoordi dat soe was ghestolen? Male quesite male perdite: Om recht wert men qualic quite Dat men hevet qualic ghewonnen. Wie sal Reinaerde dat veronnen, 260 Dat hi ghestolen goet ghinc an? Niemen die recht versceden can. Reinaert es een gherecht man: Sint dat die coninc sinen ban Hevet gheboden, ende sinen vrede, 265 So wetic wel, dat hine dede Dinc neghene, dan oft hi ware Hermite ofte clusenare. Naest siere huut draecht hi die hare. Binnen desen naesten jare 270 Sone at hi vleesc, no wilt no tam; Dat seide die ghistren dane quam. Malcrois hevet hi begheven Sijn casteel, ende hevet up heven Ene cluse, daer hi leghet in. 275 Ander bejach, no ander ghewin So wanic wel dat hine hevet, Dan caritate, die men hem ghevet. Hijs bleec ende magher vander pine; Hongher, dorst, scerpe carine 280 Doghet hi vor sinen sonden Recht te desen selven stonden.” Doe Grimbert stont in deser tale, Saghen si van berghe te dale Canticleer comen ghevaren, 285 Ende brochte up ere bare Ene dode hinne, hiet Coppe, Dier Reinaert hadde bi den croppe Hooft ende hals af ghebeten. Dit moeste nu die coninc weten. 290 Cantecleer quam vore gaende, Sine vederen sere slaende. In wedersiden vander bare Ghinc ene hane wide mare: Die een hiet Cantaert, 295 Daer wilen na gheheten waert Vrouwe Alenten goede hane; Die ander hiet, na minen wane, Die goede hane Craiant, Die scoonste diemen vant 300 Tusschen Portaengen ende Polanen. Elkerlijc van desen hanen Droech een bernende stallecht, Dat lanc was ende recht. Daer waren Coppen broeders twee, 305 Die riepen owi ende wee. Om haerre suster Coppen doot Dreven si claghe ende jamer groot. Pinte ende Sproete droeghen die bare: Hem was te moede harde sware 310 Vander suster, die si hadden verloren. Men mocht harde verre horen Haerre tweer caerminghe. Dus sijn si comen int ghedinghe. Cantecleer spranc in den rinc, 315 Ende seide: »Here coninc, Dor God ende dor ghenade, Nu ontfarmet miere scade, Die mi Reinaert heeft ghedaen, Ende minen kindren, die hier staen 320 Sere tharen onwille. Ten ingane van Aprille, Doe die winter was vergaen, Ende men sach die bloemen staen Over al die velde groene, 325 Doe was ic fier ende coene Van minen groten gheslachte: Ic hadde jongher sonen achte, Ende jongher dochtren sevene, Dien wel luste te levene, 330 Die mi Rode die vroede Hadde brocht tenen broede. Si waren alle vet ende starc, Ende ghinghen in een sconen parc, Dat was beloken in ere mure; 335 Hier binnen stoet ene scure, Daer vele honden toe horden. Dat si menich dier fel scorden, Dies waren mine kindre onvervaert. Dit benijdde dus Reinaert, 340 Dat sire waren so vaste binnen, Dat hire negheen ne conste ghewinnen. Want Reinaert, die felle ghebure, Hoe dicke ghinc hi om die mure Ende leide ons sine laghen! 345 Alsene dan die honde saghen, Liepen si na met haerre cracht. Ene warf wart hi uptie gracht Bi avonture daer belopen, Dat ic hem sach een deel becopen 350 Sine diefte ende sinen roof, Dat hem die pelse sere stoof. Nochtan quam hi bi barate Dane; dattene God verwate! Doe waerwi sijns langhe quijt. 355 Sint quam hi als een hermijt, Die moordadeghe dief, Ende brochte mi seghele ende brief Te lesene, here coninc, Daer u seghele ane hinc. 360 Doe ic die letteren lesen began. Dochte mi ghescreven daer an, Dat ghi haddet coninclike Over al uwen rike Allen dieren gheboden vrede, 365 Ende ooc allen voghelen mede. Ooc brochte hi ander niemare, Ende seide, dat hi ware Een begheven clusenare, Ende hadde ghedoghet, twaren, 370 Vor sinen sonden meneghe pine; Hi toochde mi palster ende slavine, Die hi brochte vander Elmare, Daer onder ene scerpe hare. Doe sprac hi: »Here Cantecleer, 375 Nu moghedi wel vorwaertmeer Van mi sonder hoede leven: Ic hebbe bi der scole vergheven Al vleesc ende vleeschsmout. Ic bem vortmeer so out, 380 Ic moet miere siele telen. Gode willic u bevelen! Ic ga daer ic hebbe te doene: Ic hebbe middach ende noene Ende prime te segghene vanden daghe.” 385 Doe nam hi neven ere haghe Sinen wech, ende tien ghescede Ghinc hi lesen sinen crede. Ic wart blide ende onvervaert, Ende ghinc te minen kindrenwaert, 390 Ende was so wel al sonder hoede, Dat ic ghinc met minen broede Sonder sorghe al buten mure: Daer gheviel mi quade avonture; Want Reinaert, die felle saghe, 395 Was ghecropen dor die haghe, Ende hadde die porte ondergaen: Doe waert miere kindre saen Een ghepronden uten ghetale, Dat leide Reinaert in sine male. 400 Mesval mi doe nakede: Want sint dat hise smakede In sinen ghiereghen mont, Ne conste ons wachtre nochte hont No bewachten, no bescaermen. 405 Here, des laet u ontfaermen! Reinaert leide sine laghe Beide bi nachte ende bi daghe, Ende roofde emmer mine kindre; So vele es tghetal nu mindre, 410 Dant ghewone was te sine, Dat die XV kindre mine Sijn ghedeghen al tote viere, So suver heeftse die onghiere Reinaert in sinen mont verslonden: 415 Noch ghistren wart hem metten honden Ontjaghet Coppe, die hinne mare, Die hier leghet up deser bare. Dit claghic u met groten sere: Ontfaermt u mijns, wel soete here!” 420 Die coninc sprac: »Grimbaert U oom, die clusenare waert, Hi hevet ghedaen so goede carine! Levic een jaer, het sal hem scinen. Nu hort hier, Cantecleer, 425 Wat sal der talen meer? U dochter leghet alhier verslegen: (God moet haerre siele pleghen!) Wine moghense niet langher houden, (God moeter af ghewouden!) 430 Ende sullen onse vigilien singhen; Daerna sullen wise bringhen, Den lichame, ter eerden met ere. Dan sullen wi met desen heren Ons beraden ende bespreken, 435 Hoe wi ons best ghewreken An Reinaerde van deser mort.” Doe hi ghesprac dese wort, Beval hi jonghen ende ouden, Dat si vigilien singhen souden. 440 Dat hi gheboot was sciere ghedaen. Doe mochtemen horen ane slaen Ende beghinnen, harde ho, Dat placebo Domino, Ende die verse die daer toe horden. 445 Ic seide ooc, in waren worden, Neware het ware ons te lanc, Wie daer der siele vers sanc, Ende wie die sielelesse las. Doe die vigilie ghehent was, 450 Doe leidemen Coppen in dat graf, Dat bi engiene ghemaket was, (Onder die linde in een gras,) Van marberstene, die slecht was: Die letteren, die men daer ane sach, 455 Ane den sarc, die daer up lach, Deden ane tgraf bekinnen, Wie daer lach begraven binnen. Dus spraken die boecstave Anden sarc upten grave: 460 »Hier leghet Coppe begraven, Die so wale conste scraven, Die die vos Reinaert verbeet, Ende haren gheslachte was te wreet.” Nu leghet Coppe onder moude. 465 Die coninc sprac te sinen ouden, Dat si hem alle bespraken, Hoe si alrebest ghewraken Dese grote overdade. Doe wartsi alle te rade 470 Dat si den coninc rieden, Dat hine soude ombieden, Dat hi te hove soude comen; No dor scade, no dor vrome Ne liete, hine quame int ghedinghe, 475 Ende men Brunen van dien dinghe Die bodscap soude laden. Dies was hi sciere beraden, Dat hi dus sprac te Bruun den bere: »Here Bruun, dit segghic vor dit here, 480 Dat ghi dese bodscap doet: Ooc biddic u, dat ghi sijt vroet, Dat ghi u wacht van baraet; Reinaert es fel ende quaet: Hi sal u smeken ende lieghen, 485 Mach hi, hi sal u bedrieghen Met valscen worden ende met sconen; Mach hi, bi Gode, hi sal u honen.” --»Here, seit hi, laet u castien! So moete mi God vermalendien, 490 Oft mi Reinaert so sal honen, Inne salt hem wederlonen, Dat hijs an den dulsten si; Nu ne sorghet niet om mi!” Nu nemt hi orlof, ende sal naken 495 Daer hi sere sal mesraken. Nu es Brune uptie vaert, Ende hevet in siere herten onwaert, Ende het dochte hem overdaet, Dat iemen soude sijn so quaet, 500 Ende hem Reinaert honen soude. Dor den keer van enen woude Quam hi ghelopen in ene woestine, Daer Reinaert hadde die pade sine Ghesleghen crom ende menichfoude, 505 Also als hi uten woude Hadde ghelopen om sijn bejach. Beneden der woestinen lach Een berch, hooch ende lanc, Daer moeste Brune sinen ganc 510 Te middewaerde over maken, Sal hi te Maupertuus gheraken. Reinaert hadde so menich huus; Maer die casteel van Maupertuus Was die beste van sinen borghen: 515 Daer trac hi in, als hi in sorghe Ende in node was bevaen. Nu es Brune die bere ghegaen Dat hi te Maupertuus es comen. Doe hi die porte hevet vernomen, 520 Daer Reinaert ute plach te gane, Doe ghinc hi vor die barbecane Sitten over sinen staert, Ende sprac: »Sidi in huus, Reinaert? Ic bem Brune, des coninx bode, 525 Die hevet ghesworen bi sinen goden, Ne comdi niet ten ghedinghe, Ende ic u niet vor mi bringhe, Recht te nemene ende te ghevene, Ende in vrede vort te levene, 530 Hi doet u breken ende raden. Reinaert, doet dat ic u rade, Ende gaet met mi te hovewaert.” Dit verhorde al nu Reinaert, Die vor sine porte lach, 535 Daer hi vele te ligghene plach Dor warmhede vander sonnen. Bi der tale, die Brune heeft begonnen, Bekenden altehant Reinaert, Ende tart bet te dalewaert, 540 In sine donkerste haghedochte: Menichfout was sijn ghedochte, Hoe hi vonde sulken raet, Daer hi Brune, den fellen vraet, Te scerne mede mochte driven, 545 Ende selve bi siere ere bliven. Doe sprac Reinaert over lanc: »Uus goets raets hebbet danc, Here Bruun, wel soete vrient; Hi hevet u qualike ghedient, 550 Die u beriet desen ganc, Ende u desen berch lanc Over te lopene dede bestaen; Ic soude te hove sijn ghegaen, Al haddet ghi mi niet gheraden; 555 Maer mi es die buuc so gheladen In so utermaten wise, Met ere vremder niewer spise, Ic vruchte, in sal niet moghen gaen: Inne mach sitten no ghestaen, 560 Ic bem so utermaten sat.” --»Reinaert, wat aetstu? wat?” --»Here Brune, ic at cranke have, Arem man dannes gheen grave: Dat moghedi bi mi wel weten. 565 Wi arme liede, wi moeten eten, Hadden wijs raet, dat wi node aten: Goeder versscer honichraten Hebbic coever harde groot: Die moetic eten, dor den noot, 570 Als ic el niet mach ghewinnen. Nochtan als icse hebbe binnen Hebbicker af pine ende onghemac.” Dit horde Brune, ende sprac: »Helpe, lieve vos Reinaert, 575 Hebdi honich dus onwaert? Honich es ene soete spise, Die ic vore allen gherechten prise, Ende vore allen gherechten minne. Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne! 580 Edele Reinaert, soete neve, Also langhe als ic sal leven Willic u daer omme minnen: Reinaert, helpt mi, dat ics ghewinne!” --»Ghewinnen, Bruun? ghi hout u spot!” 585 --»In doe, Reinaert; so waric sot, Hildic spot; neen ic niet.” Reinaert sprac: »Bruun, mochtijs iet? Oft ghi honich moghet eten, Bi uwer trouwe, laet mi weten; 590 Mochtijs iet, ic souts u saden. Ic sals u also vele beraden, Ghine atet niet met u tiene, Waendic u hulde daer met verdienen.” --»Met mi tiene? hoe mach dat wesen? 595 Reinaert, hout uwen mont van desen; Ende sijts seker ende ghewes, Haddic al thonich, dat nu es Tusscen hier ende Portegale, Ic aet al up, tenen male.” 600 Reinaert sprac: »Wat sechdi? Een dorper, heet Lamfroit, woont hier bi, Hevet honich so vele, te waren, Ghine atet niet in VII jaren. Dat soudic gheven in u ghewout, 605 Here Bruun, wildi mi wesen hout, Ende vor mi dinghen te hove.” Doe quam Brune, ende ghinc gheloven Ende sekerde Reinaerde dat, Wildine honichs maken sat, 610 (Des hi cume ombiten sal) Hi wilde wesen over al Ghestade vrient ende goet gheselle. Hier omme loech Reinaert, die felle, Ende sprac: »Bruun, helet mare, 615 Vergave God, dat mi nu ware Also bereit een goet gheval, Alse u dit honich wesen sal, Al wildijs hebben VII amen!” Dese wort sijn hem bequame, 620 Bruun, ende daden hem so sochte! Hi loech, dat hi nemmee ne mochte. Doe peinsde Reinaert, daer hi stoet: Bruun, es mi davonture goet, Ic wane u daer noch heden laten, 625 Daer ghi lachen sult te maten.” Na dit peinsen ghinc hi uut, Ende sprac al overluut: »Oom Bruun, gheselle, willecome! Het staet so, suldi hebben vrome, 630 Hier ne mach sijn gheen langher staen. Volghet mi, ic sal vore gaen: Wi houden desen crommen pat. Ghi sult noch heden werden sat: Salt na minen wille gaen, 635 Ghi sult noch hebben, sonder waen, Also vele alse ghi moghet ghedraghen.” Reinaert meende van groten slaghen: Dit was dat hi hem beriet. Die keitijf ne wiste niet 640 Waer hem Reinaerts tale keerde, Die hem honich stelen leerde, Dat hi wel sere sal becopen. Al sprekende quam dus ghelopen Reinaert met sinen gheselle Brunen, 645 Tote Lamfroits, bi den tune. Wildi horen van Lamfreide? Dat was, eist waer so men mi seide, Een temmerman van goeden love, Ende hadde bi sinen hove 650 Ene eke brocht uten woude, Die hi ontwee clieven soude, Ende hadde twee wegghen daer in ghesleghen Also temmermans noch pleghen. Die eke was ontaen wel wide, 655 Dies was Reinaert harde blide. Te Brunen sprac hi, ende loech: »Siet hier u grote ghevoech, Brune, ende nemt wel goom! Hier in desen selven boom 660 Es honichs utermaten vele; Proeft, oft ghijs in uwe kele Ende in uwen buuc moghet bringhen. Nochtan suldi u selven dwinghen, Al dinket u goet die honichrate; 665 Etet te seden, ende te maten, Dat ghi u selven niene verdervet: Ic ware onteert ende ontervet, Wel soete oom, mesquame u iet.” Bruun sprac: »Reinaert, ne sorghet niet. 670 Waendi dat ic bem onvroet? Mate es tallen spelen goet.” --»Ghi secht waer, sprac Reinaert, Waer omme bem ic ooc vervaert? Gaet toe, ende cruupter in!” 675 Bruun peinsde om sijn ghewin, Ende liet hem so verdoren, Dat hire thooft over die oren Ende die vordere voete in stac. Reinaert poghede, dat hi brac 680 Die wegghen beide uter eken. Dien hi te voren ghinc so smeken, Hi bleef ghevanghen in den boom. Nu hevet die neve sinen oom Met looshede brocht in sulker achte, 685 Dat hi met liste, no met crachte, In ghere wijs ne can ontgaen, Ende bi den hoofde staet ghevaen. Wat raeddi Brunen te doene? Dat hi was sterc ende coene 690 Sal hem niet ghehelpen moghen. Hi sach wel, hi was bedroghen: Hi began briesscen ende dulen; Hi was begrepen bi siere mulen So vaste, ende bi den voeten vore, 695 Al dat hi pijnde was verloren; Hine waende nemmermeer ontgaen. Van verre was Reinaert ghestaen Ende sach Lamfroit comen onsochte, Die up sinen hals brochte 700 Een scarpe aex, ene baerde. Hier moghedi horen van Reinaerde, Hoe hi sijn oom ghinc rampineren: »Oom Brune, vaste gaet mineren! Hier comt Lamfroit, ende sal u scinken; 705 Haddi gheten, so soudi drinken.” Na der tale so ghinc Reinaert Weder te sinen castelewaert, Sonder orlof; ende mettien Hevet Lamfroit den bere versien, 710 Ende vernam, dat hi was ghevaen. Doe ne was daer gheen langer staen, Hine liep wech metter haest Daer hi die hulpe wiste naest, Daer dat naeste dorp stont, 715 Ende dede hem allen cont, Dat daer stont ghevaen een bere. Doe volchde hem een mekel here. Int dorp ne bleef man no wijf: Den bere te nemene sijn lijf 720 Liept al dat lopen mochte. Sulc was, die enen bessem brochte, Sulc enen vleghel, sulc een rake; Sulc quam ghelopen met enen stake, So si quamen van haren werke. 725 Selve die pape vander kerken Brochte enen cruusstaf, Die hem die coster node gaf. Die coster droech ene vane, Mede te stekene ende te slane. 730 Des papen wijf, vrouwe Julocke, Quam ghelopen met haren rocke, Daer soe omme hadde ghesponnen. Vore hem allen quam gheronnen Lamfroit met ere scarper aex. 735 Al hadde Brune lettel ghemaex, Hi ontsach meer ongheval, Ende sette al jeghen al Doe hi dat geruchte horde. Hi spranc up, so dat hem scorde 740 Van sinen ansichte al die huut. Al brochte Brune dat hooft uut Met arbeide ende met pine, Nochtan liet hire vanden sinen Een ore, ende beide sine lier. 745 Nie maecte God so lelic dier! Hoe mochte hi seerre sijn mesrocht? Al haddi thooft ute brocht, Eer hi die voete conste ghewinnen, Blever al die claeuwen binnen, 750 Ende sine hanscoen bede: Dus gherochte hi uut met lede. Hoe mochte hi sijn onteert meer? Die voete waren hem so seer, Dat hi tlopen niene conste ghedoghen. 755 Dat bloet liep hem over die oghen, Dat hi niet wel ne conste ghesien: Hine dorste bliven nochte vlien. Hi sach, suut onder die sonne, Lamfroit comen gheronnen; 760 Daer na die priester, die here, Hi quam ghelopen vele sere; Daer na die coster metter vane, Daer na alle die prochiane, Die oude liede metten jonghen. 765 Daer quam up haren stap ghespronghen Sulke quene, die van oude Cume een tant hadde behouden. Wie so wille wachte hem dies; Die scade hevet oft verlies 770 Ende groot ongheval, Over hem so willet al. Dit sceen aerm man Brunen wel: Sulc dreichden nu an sijn vel, Die des ghesweghen hadde stille, 775 Hadde Brune ghestaen tsinen wille. Dit was beneden ere rivieren, Dat Brune, onsalichst alre diere, Van meneghen dorper was beringhet. Doe was daer lettel ghedinghet. 780 Hem naecte groot onghemac: Die een sloech, die ander stac, Die een sloech, die ander warp: Lamfroit was hem alte scarp. Een, hiet Lottram lancvoet, 785 Hi droech enen verboorden cloet, Ende stacken emmer na dat oghe; Vrouwe Vulmaerte scerpe loghe Ghinken koken met enen stave; Abel Quac ende vrouwe Bave 790 Laghen beide onder voete, Ende streden beide om enen cloete. Ludmoer metter langer nese Droech een loodwapper an een pese, Ende ghincker met al omme swinghen. 795 Ludolf metten crommen vingheren Dede hem allen te voren; Want hi was best gheboren, Sonder Lamfroit allene; Hughe metten crommen benen 800 Was sijn vader, wet men wale, Ende was gheboren van Absdale, Ende was sone vrouwe Oghernen, Ere houtmakerigge van lanternen. Ander wijf ende ander man, 805 Meer dan ic ghenoemen can, Daden Bruun groot onghemac, So dat hem dbloet uut lac. Brune ontfinc al sulc paiment Als hem elc gaf daer omtrent. 810 Die pape liet den cruusstaf Ghedichte gaen, slach in slach; Ende die coster metter vane Ghinc hem vastelike ane. Lamfroit quam ter selver wile 815 Met ere scerper bilen, Ende sloechene tusscen hals ende hooft, Dat Brune wart sere verdooft, Dat hi verspranc vanden slaghe Tusscen der rivieren enter haghe, 820 In enen trop van ouden wiven, Ende warper een ghetal van vive In die riviere, die daer liep, Die wel wijt was ende diep. Des papen wijf wasser ene: 825 Des was spapen bliscap clene. Doe hij sijn wijf sach in die vliet, Doene luste hem langher niet Brune te stekene no te slane. Hi riep: »Siet, edele prochiane, 830 Ghinder vlot vrouwe Julocke, Beide met spillen ende met rocke. Nu toe! die haer helpen mach, Ic gheve hem jaer ende dach Vul pardoen ende aflaet 835 Van alre sondeliker daet.” Beide man ende wijf Lieten den armen keitijf Brune ligghen over doot, Ende ghinghen daer die pape gheboot, 840 Beide met stringhen ende met haken. Die wile si die vrouwe uuttraken, So quam Brune in die riviere Ende ontswam hem allen sciere. Die dorperen waren alle gram: 845 Si saghen, dat hem Brune ontswam, Dat si hem niene mochten volghen; Upt oever stonden si verbolghen, Ende ghinghen na hem rampinieren. Bruun, die lach in der rivieren, 850 Daer hi vant den meesten stroom, Al drivende bat, dat God den boom Moeste verdoemen ende verwaten, Daer hi sijn ore in hadde ghelaten, Ende beide sine lier. 855 Vort vloecte hi dat felle dier, Den bosen vos Reinaerde, Diene met sinen brunen baerde So diepe in die eke dede crupen; Daer na Lamfroit, vanden stupen, 860 Dat hi hem so lede dede. In aldustanen ghebede Lach Brune also langhe wile, Dat hi wel ene halve mile Vander stede was ghedreven, 865 Daer die dorpers waren bleven. Hi was verpinet ende moede, Ende ondercomen vanden bloede, So dat hi hadde cranke vaert. Doe swam hi te landewaert, 870 Ende croop ligghen in dat oever. Ghine saghet noint droever Negheen dier, no ghenen man. Hi lach jammerlike ende stan, Ende sloech met beiden sinen lanken: 875 Des mochte hi al Reinaerde danken. Nu hort wat Reinaert heeft ghedaen: Hi hadde een vet hoen ghevaen, Bi Lamfroits, ander heiden, Eer hi danen was versceiden: 880 Hi hadt up enen berch ghedreghen, Verre uut allen weghen, Daer het eenlic was ghenoech. Dat was wel sijn ghevoech, Dor dat daer was niemens ganc, 885 Ende hi dor niemens bedwanc Sine proie dorste rumen. Doe hi dat hoen toten plumen Hadde gheleit in sine male, Doe ghinc hi nederwaert te dale 890 Enen verholenliken pat. Hi was utermaten sat; Dat weder was scone ende heet: Hi hadde ghelopen, dat hem tsweet Neder seep neven die liere: 895 Daer omme liep hi ter rivieren, Dor dat hi hem vercoelen soude. In bliscap harde menichfoude Was sine herte doe bevaen: Hi hopede wel, al sonder waen, 900 Dat Lamfroit hadde den bere versleghen, Ende hine thuuswaert hadde ghedreghen. Doe sprac hi: »Hets mi wel ghevaren: Die mi te hove meest soude daren, Dien hebbic doot in desen daghe; 905 Nochtan wanic sonder claghe Ende sonder wanconst bliven: Ic mach te rechte bliscap driven.” Doe Reinaert was in deser tale, Sach hi nederwaert te dale, 910 Ende vernam Brune, daer hi lach; Ende teerst, als hine sach, Hadde hijs rouwe ende toren (Daer die bliscap was te voren Daer sach men toren ende nijt), 915 Ende sprac: »Vermalendijt, Lamfroit, moet dine herte sijn: Du best dulre dan een swijn, Lamfroit, erger puten sone, Lettel ere bistu ghewone. 920 Hoe es di dese bere ontgaen, Die di te voren was ghevaen? Hoe menich morseel leghet daer an, Dat gherne etet menich man! Owi, Lamfroit, verscroven druut, 925 Hoe rikelike een berehuut Heefstu heden verloren, Die di ghewonnen was te voren!” Dit scelden hevet Reinaert ghelaten, Ende ghinc neder bi der strate, 930 Dor te siene hoet Brunen stoet. Doe hine sach ligghen, al een bloet, Ende siec ende onghesont, Den armen bere, te dier stont, (Dat sach Reinaert harde gherne) 935 Doe bescalt hine te sinen scerne: »Sire priester, dieu vo saut! Kendi Reinaert, den ribaut? Wildine scouwen? Sieten hier, Den roden scalc, den fellen ghier! 940 Secht mi, priester, soete vrient, Bi den here, dien ghi dient, In wat ordinen wildi u doen, Dat ghi draghet root capproen? Sidi abt, so prihore? 945 Hi ghinc u harde na den oren, Die u die crune hevet bescoren! Ghi hebt uwen top verloren; Ghi hebt u hanscoen af ghedaen: Ic wane, ghi wilt singhen gaen 950 Van uwen complete dat ghetide.” Dit horde Brune, ende wart onblide, Want hine conste hem niet ghewreken Hem dochte sine herte breken, Ende sloech weder in die riviere. 955 Hine wilde vanden fellen diere Nemmee horen tale. Hi liet hem neder te dale Metten strome driven te hant, Ende ghinc ligghen up dat sant. 960 Hoe sal nu Brune te hove comen? Al mocht hem al die werelt vromen, Hine ghinghe niet over sinen voeten. Hi was ghenoopt so onsoete In die eke, daer hi te voren 965 Van tween voeten hadde verloren Alle die claeuwen, ende dat vel, Hine conste niet ghepeinsen wel, Hoe hi best ten coninc gaet. Nu hort hoe hi die vaert bestaet. 970 Hi sat over sinen hamen, Ende began, met groter scame, Rutsen over sinen staert; Ende als hi dus moede waert, So wentelde hi dan ene wile. 975 Dus dreef hi meer dan ene mile, Eer hi tes coninx hove quam. Doe men Brune daer vernam In derre wijs van verre comen, Wart getwifelt van hem somen 980 Wat daer quam ghewentelt so. Dien coninc wart die herte onvro, Die Brune bekende te hant, Ende sprac: »Dits mijn seriant Brune, hem es dat hooft so root, 985 Hi es ghewont toter doot; Ai God, wie heeften so mesmaect?” Bindesen so was Brune ghenaect, Dat hi den coninc claghen mochte. Hi stan, ende versuchte onsochte, 990 Ende sprac: »Coninc, edel here, Wreket mi dor uus selves ere Over Reinaert, dat felle dier, Die mi mine scone lier Met siere list verliesen dede, 995 Ende daer toe mine oren mede, Ende hevet mi ghemaect alse ghi siet!” Die coninc sprac: »Oft ic dit niet Ne wreke so moetic sijn verdoemt!” Ende hier na so hevet hi ghenoemt 1000 Alle die hogheste bi namen, Ende omboot, dat si quamen Alle gader an sinen raet, Ende rieden hem hoe dese daet Best werde gherecht, tes coninx ere. 1005 Doe rieden daer die meeste heren, Dat menne twee waerf daghen soude, Reinaert, oft die coninc woude, Ende horen tale ende wedertale. Ooc seiden si, si wilden wale 1010 Dat Tibert soude van desen Te Reinaerde bode wesen: Al ware hi cranc, hi ware vroet. Dese raet dinct den coninc goet. Doe sprac die coninc: »Here Tibeert, 1015 Gaet; ende eer ghi weder keert, Besiet, dat Reinaert met u come! Dese heren segghen some, Al es Reinaert andren dieren fel, Hi ghelovet u so wel, 1020 Dat hi gherne doet u raet. En comt hi niet, hets hem quaet: Men salne hanghen sonder daghen, Te lachtre allen sinen maghen. Gaet Tibert, dit secht hem!” 1025 --»Ai here, sprac Tibert, ic bem Een arem wicht, een clene dier. Here Brune, die sterc was ende fier, Ne conste Reinaert niet ghewinnen: In welker wijs sal ics beghinnen?” 1030 Doe sprac die coninc: »Here Tibeert, Ghi sijt wijs, ende wel gheleert; Al sidi niet groot, wattan? Hets menich, die met liste can Dat werken, ende met goeden rade, 1035 Dat hi met crachte niet ne dade. Gaet, doet sciere mijn ghebod.” Tibert sprac: »Nu helpe God, Dat het mi moete wel vergaen! Ic sal ene vaert bestaen, 1040 Die mi doet swaer in minen moet: God ghevere mi af al goet!” Nu moet Tibert doen die vaert, Die sere es droeve ende vervaert. Ende als hi upten wech quam, 1045 Sach hi van verre ende vernam Sente Martins voghel, ende quam ghevloghen. Doe wart hi vro, ende in hoghen, Ende riep: »Al heil! edel voghel! Kere herwaert dine vloghel, 1050 Ende vliech te miere rechter hant!” Die voghel vlooch daer hi vant Ene haghe, daer hi in wilde liden, Ende vlooch Tibert ter luchter siden. Dit tekin ende dit ghemoet 1055 Dochte Tibert niet wesen goet. Hadde hi ghesien den voghel liden Scone tsiere rechter siden, So waendi hebben goet gheval; Nu was hi dies onthopet al. 1060 Nochtan maecte hi hem selven moet, Ende gheliet hem, alse menich doet, Bet dan hem te moede was. Dus liep hi henen sinen pas, Tes hi quam te Maupertuus, 1065 Ende vant Reinaert in sijn huus Allene staen, verwendelike. Tibert sprac: »God, die rike, Moete u goeden avont gheven! Die coninc dreicht u an u leven, 1070 Ne comedi te hove niet met mi!” Reinaert sprac: »Tibert, helet vri, Neve, ghi sijt mi willecome; God gheve u ere ende vrome: Bi Gode, ic ans u harde wale! 1075 .................... Wat cost Reinaerde scone tale? Al seghet sine tonghe wale, Sine herte soe es binnen fel. Dit wert Tibert ghetoghet wel, 1080 Eer die line wert ghelesen Tende; ende met desen Sprac Reinaert: »Neve, ic wille dat ghi Tavont herberghe hebt met mi, Ende maerghen wilwi metten daghe 1085 Te hovewaert, sonder saghe. .................... In hebbe onder allen minen maghen Niemen, Tibert, daer ic mi nu Bet up verlate, dan up u 1090 Hier was comen Bruun, die vraet, Hi toochde mi so fel gelaet, Ende dochte mi so overstarc, Dat ic omme dusent marc Den wech met hem niet hadde bestaen: 1095 Dat sal ic met u, al sonder waen, Maerghin metter dagheraet.” Tibert sprac: »Hets beter raet, Ende het dinct mi bet ghedaen, Dat wi noch tavont te hove gaen, 1100 Dan wi tote maerghin beiden. Die mane scinet ander heiden Also claer alse die dach: Ic wane niemen noint ne sach Beteren tijt tote onser vaert.” 1105 --»Neen, lieve neve, sprac Reinaert, Sulc mochte ons bi daghe ghemoeten, Hi soude ons quedden ende groeten, Die ons nemmer dade goet, Quame hi snachts in ons ghemoet. 1110 Herberghet tameer met mi.” Tibert sprac: »Wat souden wi Eten, Reinaert, oft ic bleve?” --»Daer omme sorghe ic, lieve neve. Hets der spisen quade tijt: 1115 Ghi moghet eten, begheerdijt, Een stic van ere honichraten, Die bequamelic es te mate; Wat sechdi, moghedi shonichs iet?” Tibert sprac: »Mi ne roekes niet. 1120 Hebdi el niet in huus? Gavedi mi ene vette muus, Daer mede lietic u ghewaert.” --»Ene vette muus? sprac Reinaert, Soete neve, wat sechdi? 1125 Hier woont noch een pape bi, Een scure staet an sijn huus, Daer in es meneghe vette muus: Ic waense niet ghedroeghe een waghen. So dicke hordic den pape claghen, 1130 Dat sine driven uten huse.” --»Reinaert, sijn daer so vette muse? Vergave God, waer ic nu daer!” --»Tibert (seit hi) sechdi waer? Wildi muse?”--»Oft icse wille? 1135 Reinaert, doet dies een ghestille! Ic minne muse vor allen saken. Wetti niet, dat muse smaken Bet dan enich venisoen? Wildi minen wille doen, 1140 Dat ghi mi leet daer si sijn, Daer mede mochti die hulde mijn Hebben, al haddi minen vader Doot, ende mijn gheslachte algader!” --»Neve, houdi uwen spot?” 1145 --»Nenic, also helpe mi God!” --»Weet God, Tibert, wistic dat, Ghi soutter sijn noch tavont sat.” --»Sat, Reinaert? Dat ware vele.” --»Tibert, dat sechdi tuwen spele!” 1150 --»In doe, Reinaert, bi miere wet! Haddic een muus, ende waer soe vet, In gaefse niet omme een bisant!” --»Tibert, gaet met mi te hant, Ic leide u daer, ter selver stat, 1155 Daer icker u sal maken sat, Eer ic nemmer van u sceide!” --»Jaic, Reinaert, up die gheleide Ghinghe ic met u te Mompelier.” --»So gawi dan; wi sijn hier 1160 Al te langhe,” sprac Reinaert. .............. Doe so namen si up die vaert, Tibert ende sijn oom Reinaert, Ende liepen daer si lopen wilden, 1165 Dat si nic toghel up hilden Eer si quamen tes papen scure, Dic met cen erdinen mure Al omme ende omme was beloken, Daer Reinaert in was ghebroken 1170 Des ander daghes daer te voren, Doe die pape hadde verloren Enen hane, die hi hem nam. Hier omme was tornich ende gram Des papen sone Martinet, 1175 Ende hadde vor dat gat gheset Een strec, den vos mede te vane: Dus gherne wrake hi den hane. Dit wiste Reinaert, dat felle dier, Ende sprac: »Neve Tibert, hier 1180 Crupet in dit selve gat: Ne weset traghe nochte lat; Gaet al omme ende omme gripen. Hort, hoe die muse pipen. Keert weder uut als ghi sijt sat: 1185 Ic sal hier bliven vor dit gat, Ende sal u hier buten beiden; Wine moghen niet tavont sceiden: Maerghin gaen wi te hovewaert. Siet, dat ghi niet en spaert, 1190 Gaet eten, ende laet ons keren Te miere herberghen met ere: Mijn wijf sal ons wel ontfaen.” --»Willic te desen gate ingaen? Wat sechdi, Reinaert, eist u raet? 1195 Die papen connen vele baraet: Ic besteecse harde node.” --»Owi, Tibert, twi sidi blode? Waen quam uwer herten dese wanc?” Tibert scaemde hem, ende spranc 1200 Daer hi vant groot ongherec; Want eer hijt wiste was hem tstrec Omme sinen hals, harde vast. Dus hoonde Reinaert sinen gast. Alse Tibert gheware waert 1205 Des strecs, wart hi vervaert, Ende spranc vort; dat strec liep toe. Tibert moeste roepen doe, Ende wroeghede hem selven, dor den noot: Hi makede een gheroep so groot, 1210 Met enen jamerliken ghelate, Dat Reinaert horde upter strate, Buten, daer hi allene stoet, Ende riep: »Vindise goet, Die muse, Tibert, ende vet? 1215 Wiste nu dat Martinet, Dat ghi ter taflen satet, Ende dit wiltbraet atet, Dat ghi verteert, in weet hoe, Hi souder u saeuse maken toe: 1220 So hovesc een cnape es Martinet. Tibert, ghi singhet inlanc so bet: Pleecht men tes coninx hove des? Vergave God, die gheweldich es, Dat Isengrijn daer met u ware, 1225 Die felle dief, die mordenare, In sulker bliscap als ghi sijt!” Dus heeft Reinaert groot delijt Dor Tiberts ongheval; Ende Tibert stont ende gal 1230 So lude, dat Martinet ontspranc, Ende riep: »Ha ha, God danc! Ter goeder tijt heeft nu ghestaen Mijn strec: ic hebber met ghevaen Den hoenredief, na minen wane. 1235 Nu toe! gelden wi hem den hane!” Mettesen wart hi toten viere, Ende ontstac enen stroewisc sciere, Ende wecte moeder ende vader, Ende die kindre allegader, 1240 Ende riep: »Nu toe! hi es ghevaen!” Doe mochtemen sien porren saen Alle die in den huse waren; Selve die pape ne wilde niet sparen, 1245 Quam uten bedde moedernaect. Martinet, hi was gheraect Tote Tibert, ende riep: »Hijs hier!” Die pape spranc an dat vier Ende ghegreep sijns wijfs rocke; Een offerkersse nam vrouwe Julocke 1250 Ende ontstacse metter haest. Die pape liep Tibert naest, Ende ghinken metten rocke slaen. Doe moeste Tibert daer ontfaen Wel meneghen slach, al in een. 1255 Die pape stont, als hem wel sceen, Al naect, ende sloech slach in slach Up Tibert, die vor hem lach. Daer ne spaerde haer negheen. Martinet ghegreep een steen, 1260 Ende warp Tibert een oghe uut; Die pape stont al bloter huut, Ende hief up een groten slach. Alse Tibert dat ghesach, Dat hi emmer sterven soude, 1265 Doe dedi een deel als die boude, Dat dien pape verghinc te scande: Beide met claeuwen ende met tanden Dedi hem pant, alsoet wel sceen, Ende spranc dien pape tusschen die been, 1270 In die burse al sonder naet, Daermen dien beiaert mede slaet. Dat dinc viel neder up den vloer. Die vrouwe was serich, ende swoer Bi der siele van haren vader, 1275 Soe wilde wel, om algader Die offerande van enen jare, Dat niet den pape ghevallen ware Dit vernoi ende dese scame. Soe sprac: »In sleets duvels name 1280 Moeste dit strec sijn gheset! Siet, lieve sone Martinet, Dit was van uwes vader ghewande; Siet hier mijn scade ende mine scande Emmervort, in allen stonden. 1285 Al ghenase hi vander wonde, Hi blivet ten soeten spele mat!” Reinaert stont nochtoe vor tgat: Doe hi dese tale horde, Hi loech, dat hem bachten scorde, 1290 Ende hem crakede die taverne. Doe sprac hi te haren scerne: »Swighet, Julocke, soete vrouwe, Ende laet sinken desen rouwe, Ende laet bliven uwen toren. 1295 Wattan? al hevet u here verloren Enen vanden clippelen sinen, Al te mere so sal hi pinen. Laet bliven dese tale achter; Gheneset die pape, en es gheen lachter 1300 Dat hi ludet met ere clocken.” Dus trooste Reinaert vrouwe Julocken, Die haer harde sere mesliet. Die pape ne mochte langher niet Ghestaen; hi viel in onmacht. 1305 Soe hieffene up met haerre cracht, Ende droechene recht te beddewaert. Hier binnen keerde Reinaert Allene ter herberghewaert, Ende liet Tibert sere vervaert, 1310 Ende in sorghe vander doot. Al was Tiberts sorghe groot, Doe hise alle onledich sach Over dien pape, die daer lach Ghewont, doe ghinc hi hem pinen, 1315 So dat hi metten tanden sinen Die pese midden beet ontwee. Doe ne wildi letten nemmee Ende spranc weder uten gate, Ende dede hem uptie rechte strate, 1320 Die tes coninxwaert ghelach. Eer hi daer quam so waest dach, Ende die sonne begonste risen. In eens arems siecs wise Quam Tibert in thof gheronnen, 1325 Die tes papen hadde ghewonnen Dat hi langhe claghen mach. Alse die coninc dit versach, Dat hi hadde dat oghe verloren, Doe mochte men vreselike horen 1330 Dreighen den dief Reinaert. Die coninc doe niet langher ne spaert, Hine riep sine baroene te rade, Ende vraechde, wat hi best dade Jeghen Reinaerts overdaet? 1335 Doe wart ghindre menich raet, Hoe men te reden brochte, Die dese overdaet wrochte. Doe sprac Grimbert die das, Die Reinaerts broeder sone was: 1340 »Ghi heren, ghi hebt meneghen raet; Al ware mijn oom noch also quaet, Sal men vri recht vort draghen, Men salne drie waerve daghen, Also men doet een vrien man; 1345 Ende en comt hi niet dan, So es hi sculdech alre dinc, Daer af hi vor den coninc Van desen heren es beclaghet.” --»Wie wildi, Grimbert, datten daghet? 1350 Sprac die coninc, wie es hier Die sijn oghe, ofte sijn lier Wille setten in avonture Omme ene felle creature? Ic wane, hier niemen nes so sot.” 1355 Grimbert sprac: »Selp mi God! Siet mi hier, ic bem so coene, Dat ic wel dar bestaen te doene Dese bodscap, ghebiedijt.” --»Grimbert, gaet, ende sijt 1360 Vroet, ende wacht u jeghen mesval!” Hi sprac: »Coninc here, ic sal.” Dus gaet Grimbert te Maupertuus. Als hire quam, vant hi in huus Sinen oom, ende vrouwe Ermelinen, 1365 Die bi haren welpekinen Laghen in die haghedochte; Ende teerst dat Grimbert mochte Groete hi sijn oom, ende siere moien. Hi sprac: »En sal u niet vernoien 1370 Des onrechts, daer ghi in sijt? Dinket u noch niet wesen tijt, Dat ghi trect, oom Reinaert, Tote des coninx hovewaert, Daer ghi wel sere sijt beclaghet 1375 Ghi sijt drie waerve ghedaghet. Vermerredi maerghin den dach, So sorghic, dat u ne mach Neghene ghenade mee ghescien. Ghi sult ten derden daghe sien 1380 U casteel bestormen, Maupertuus; Ghi sult gherecht sien vor u huus Ene galghe ofte een rat. Over waer segghic u dat, Beide u kindre ende u wijf 1385 Sullen verliesen haren lijf, Lachterlike, al sonder waen; Ghine moghet selve niet ontgaen. Daer omme es u die beste raet, Dat ghi met mi te hove gaet: 1390 Hets messelic, hoet ghevallen mach. U es dicke up enen dach Vremder avonture ghevallen, Dat ghi noch quite van hem allen Met des coninx orlove 1395 Nochtan sciet uten hove.” Reinaert seide: »Ghi secht waer. Nochtan, Grimbert, come ic daer, Onder des coninx ghesinde, Dat ic binden hove vinde, 1400 Es up mi verbolghen al; Quame ic dane, het ware gheval. Nochtan dinct mi beter wesen (Ghenese oft ic mach ghenesen,) Dat ic met u te hove vare, 1405 Dan het al verloren ware, Casteel, kindre ende wijf, Ende daer toe mijns selves lijf. In mach den coninc niet ontgaen; Alse ghi wilt, so willic gaen. 1410 Hort, vrouwe Hermeline, Ic bevele u die kindre mine, Dat ghire wale pleghet nu: Vor allen dandren bevelic u Minen sone Reinaerdine: 1415 Hem staen wel die gaerdeline An sijn muulkijn over al: Ic hope, dat hi mi slachten sal. Hier es Rosseel, een scone dief, Die hebbic nochtan alse lief, 1420 Als iemen sine kindre doet; Al eist, dat ic nu henen moet, Ic salt mi nemen harde na, Up dat ic mach, dat ic ontga. Grimbert, neve, God moet u lonen.” 1425 Met hoofscen worden ende met sconen Nam Reinaert an den sinen orlof, Ende rumede sijns selves hof. Ai hoe droeve bleef vrouwe Hermeline, Ende hare clene welpekine, 1430 Doe Reinaert sciet uut Maupertuus, Ende hi hof liet ende huus Aldus omberaden staen! Nu horet, wat hi heeft ghedaen. Teerst dat hi quam ander heiden, 1435 Hi sprac te Grimbert, ende seide: »Grimbert, scone wel soete neve, Van sorghe suchtic ende beve. Lieve neve, ic wille gaen (Nu hort mine redene saen,) 1440 Te biechte hier te di: Hier nes ander pape bi. Hebbic mine biechte ghedaen, Hoe so die saken mijn vergaen, Mine siele sal te claerre wesen.” 1445 Grimbert antworde na desen: »Oom, wildi te biechte gaen, So moetti dan verloven saen Alle diefte ende allen roof; Oft en diet u niet een loof!” 1450 --»Dat wetic wel, sprac Reinaert, Grimbert, nu hort haerwaert, Ende vandet mi gheraden; Siet, ic come u te ghenade, Van algader miere mesdaet: 1455 Nu hort, Grimbert, ende verstaet: Confiteor pater, mater, Dat ic den otter ende den cater Ende allen dieren hebbe mesdaen; Daer af willic mi in biechte dwaen.” 1460 Grimbert sprac: »Oom, walschedi? Oft ghi wilt, sprect jeghen mi In Dietsche, dat ict mach verstaen.” Doe sprac Reinaert: »Ic hebbe mesdaen Jeghen allen dieren, die nu leven; 1465 Bidt Gode, dat hijt mi vergheve! Ic dede minen oom Brunen Al bloedich maken sine crune. Tibert dede ic muse vaen (Daer ickene sere dede slaen,) 1470 Tes papen, daer hi spranc int strec. Ic hebbe ghedaen groot ongherec Cantecleer, ende sinen kindren, Waren si meerre ofte mindre, Dicke makedicse los: 1475 Dor recht beclaghet hi den vos. Die coninc en es mi niet ontgaen; Ic hebbe hem toren ooc ghedaen, Ende mesprijs der coninghinne, Dat si spade sullen verwinnen 1480 Also vele ere van mi. Ooc hebbic, dat segghic di, Grimbert, liede mee bedroghen, Dan ic di soude ghesegghen moghen. Ende Isengrijn, dat verstaet, 1485 Hiet ic oom, dor baraet; Ic maecten monc ter Elmare: Dat wi beide begheven waren, Dat wart hem al te siere pine. Ic dede hem an dien clockelinen 1490 Binden beide sine voete: Dat luden wart hem doe so soete, Dat hijt emmer wilde leren: Dat verghinc hem tonnere: Want hi luudde so utermaten, 1495 Dat alle die ghinghen bi der strate, Ende waren binder Elmare, Waenden dat die duvel ware, Ende liepen daer si luden horden. Eer hi doe conste in corten worden 1500 Ghespreken: »Ic wille mi begheven,” Hadsi hem na ghenomen tleven. Sint dedic hem die crune gheven: Hem machs ghedinken al sijn leven, Dat wetic wel over waer. 1505 Ic dede hem bernen af dat haer, So dat hem die swaerde cramp. Sint dedic hem meerren scamp Upt ijs, daer icken leerde visscen, Daer hi niene conste ontwisscen: 1510 Hi ontfinker meneghen slach. Sint leiddicken up enen dach Tote des papen van ... blois. In al dat lant van Vermendois Sone woonde gheen pape riker. 1515 Die selve pape hadde enen spiker, Daer menich vet bake in lach; Des haddic dicke goet ghelach. Onder dien spiker haddic een gat Verhohenlike ghemaect: in dat 1520 Dedic Isengrijn incrupen; Daer vant hi rentvleesc in cupen, Ende baken hanghende vele. Daer dedi dor sine kele So vele gheliden utermaten, 1525 Als hi weder uten gate Waende keren, uter noot, Hem was die lede buuc so groot, Dat hi beclaghede sijn ghewin. Daer hi was comen hongherich in, 1530 Ne condi sat niet comen uut. Ic liep, ic maecte groot gheluut Int dorp, ende maecte groot gherochte; Nu hort, wat ic daer toebrochte. Ic liep al daer die pape sat 1535 Te siere taflen ende at. Die pape hadde een cappoen: Dat was dat alrebeste hoen Dat men in al dat lant vant: Hi was ghewent al toter hant. 1540 Dien prandic in minen mont Vor die tafle, daer hi stont, Al daert die pape toesach. Doe riep die pape: »Nu vanc! slach! Helpe, wie sach dit wonder nie? 1545 Die vos comt, daer ic toesie, Ende rooft mi in mijns selves huus; So helpe mi sancta spiritus! Te wers hem, dat hire quam!” Dat tafelmes hi upnam, 1550 Ende stac die tafle, dat soe vlooch Verre boven mi harde hooch, In middewaerde upten vloer. Hi vloecte sere ende swoer, Ende riep lude: »Slach ende va!” 1555 Ende ic vore, ende hi na. Sijn tafelmes haddi verheven, Ende brochte mi ghedreven Up Isengrijn, daer hi stont: Ic hadde dat hoen in minen mont, 1560 Dat harde groot was ende swaer; Dat so moestic laten daer, Wast mi leet ofte lief. Doe riep die pape: »Ai, here dief, Ghi moet den roof laten!” 1565 Ende ic ghinc miere strate Dane, daer ic wesen woude. Alse die pape upheffen soude Dat hoen, sach hi Isengrine. Doe naecte hem ene grote pine; 1570 Hi warpene int oghe metten messe. Den pape volgheden si sesse, Die alle met groten staven quamen: Ende als si Isengrijn vernamen Doe maecten si een groot gheluut, 1575 Ende die ghebure quamen uut, Ende maecten grote niemare Manlic andren, dat daer ware In spapen spiker een wulf ghevaen, Die hem selven hadde ghedaen 1580 Bi den buke in dat gat. Als die ghebure ghevreischten dat, Liepen si dat wonder bescouwen. Aldaer wart Isengrijn teblouwen, So dat hem ghinc al uten spele; 1585 Want hi ontfinker harde vele Groter slaghe, ende groter worpe. Daer quamen die kindre vanden dorpe, Ende verbonden hem die oghen: Het stont hem so, hi moest ghedoghen. 1590 So sere sloechsi ende staken, Dat sine uten gate traken, (Doe ghedoghedi vele onghevals) Ende bonden hem an sinen hals Enen steen, ende lieten gaen, 1595 Ende lietene dien honden saen, Diene ghinghen bassen ende jaghen. Ooc diende men hem met groten slaghen So langhe, dat hi ghelove was. Doe viel hi neder up dat gras 1600 Oft hi ware al steendoot. Doe was dier kindre bliscap groot. Ghindre was grote niemare. Si leidene up ene bare, Ende droeghene met groten ghehuke 1605 Over stene ende over struke. Buten dorpe, in ene gracht, Bleef hi ligghende al dien nacht: Inne weet hoe hi dane voer. Sint verwarvic, dat hi mi swoer 1610 Sine hulde een jaer al omtrent. Dat dede hi up sulc convent, Dat icken soude maken hoenre sat. Doe leiddicken in ene stat, Daer ic hem dede te verstane, 1615 Datter hinnen ende een hane In een groot huus, an ere strate, Up enen haenbalke saten. Recht ere valdore bi, Daer dedic Isengrijn bi mi 1620 Up dat huus clemmen boven: Ic seide, ic wilde hem gheloven, Wildi crupen in die valdore, Dat hire soude vinden vore Van vetten hoenren sijn ghevoech. 1625 Ter valdore ghinc hi ende loech, Ende croop daer in met vare, Ende began tasten harentare. Hi taste, ende als hi niet en vant Sprac hi: »Neve, hets hier bewant 1630 Te sorghe: ic ne vinder niet.” Ic sprac: »Oom, wats ghesciet, Cruupter een lettel bet in: Men moet wel pinen omme ghewin; Ic hebse wech, diere saten vore.” 1635 Dus so liet hi hem verdoren, Dat hi die hoenre te verre sochte. Ic sach, dat icken honen mochte, Ende hoonden so, dat hi voer Vant dac boven upten vloer, 1640 Ende gaf enen groten val, Dat si ontspronghen overal, Die daer in den huse sliepen. Die bi den viere laghen, si riepen Dat ware in huus, sine wisten wat, 1645 Ghevallen dor dat viwergat. Si worden up, ende ontstaken lecht: Doe sine daer saghen, echt Wart hi ghewont toter doot. Ic hebben brocht in menegher noot, 1650 Meer dan ic ghesegghen mochte. Nochtan, al dat ic nie ghewrochte Jeghen hem, so ne roeke ic niet So sere, als dat ic verriet Vrouwe Hersinde, sijn scone wijf, 1655 Die hi liever dan sijns selfs lijf Hadde: God moet mi vergheven! Haer dedic, dat mi liever bleven Ware te doene, dant es ghedaen.” Grimbert sprac: »Oft ghi wilt gaen 1660 Claerlike te biechte tote mi, Ende sijn van uwen sonden vri, So suldi spreken ombedect. In weet, werwaert ghi dit trect: »Ic hebbe jeghen sijn wijf mesdaen.” 1665 Oom, dat en can ic niet verstaen, Waer ghi dese tale keert.” Reinaert sprac: »Neve Grimbeert, Ware dat hoofschede groot, Oft ic hadde gheseit al bloot: 1670 Ic hebbe gheslapen bi miere moien? Ghi sijt mijn maech, u souts vernoien, Seidic eneghe dorperheit. Grimbert, nu hebbic gheseit Al dat mi mach ghedinken nu: 1675 Geeft mi aflaet, biddic u, Ende settet mi dat u dinct goet.” Grimbert was wijs ende vroet: Hi brac een rijs van ere haghe, Ende gaffer hem mede XL slaghe 1680 Over alle sine mesdade. Daerna, in gherechten rade, Riet hi hem goet te wesene, Te wakene, ende te lesene, Te vastene, ende te vierne, 1685 Ende te weghe waert te stierne Die hi buten weghe saghe: Ende hi vort alle sine daghe Bescedenlike hem soude gheneren. Hierna so dedi hem versweren 1690 Beide roven ende stelen. Nu moet hi siere siele telen, Reinaert, bi Grimberts rade, Ende ghinc te hove, up ghenade. Nu es die biechte daer ghedaen. 1695 Die heren hebben den wech bestaen Tote des conincs hovewaert. Nu was, buter rechter vaert, Die si te gane hadden begonnen, Een prioreit van swarten nonnen, 1700 Daer meneghe gans ende menich hoen, Meneghe hinne, menich cappoen, Plaghen te wedene, buten mure. Dit wiste die felle creature, Die onghetrouwe Reinaert, 1705 Ende sprac: »Te ghenen hovewaert So leghet onse rechte strate.” Met dusdanen barate Leidde hi Grimbert bi der scure, Daer die hoenre buten mure 1710 Ghinghen weden harentare. Der hoenre wart Reinaert gheware: Sine oghen begonsten omme te gane. Buten den andren ghinc een hane, Die harde vet was ende jonc: 1715 Daerna gaf Reinaert enen spronc, So dat dien hane die plume stoven. Grimbert sprac: »Ghi dinct mi doven, Onsalich man, wat wildi doen? Wildi noch om een hoen 1720 In alle die grote sonden slaen, Daer ghi te biechte af sijt ghegaen? Dat moet u wel sere rouwen!” Reinaert sprac: »Bi rechter trouwe, Ic hads vergheten, lieve neve; 1725 Bit Gode, dat hijt mi vergheve. Het ne ghesciet mi nemmermeer.” Doe daden si enen wederkeer Over ene smale brugghe. Hoe dicke sach Reinaert achter rugghe 1730 Weder, daer die hoenre ghinghen! Hine conste hem niet bedwinghen, Hine moeste siere seden pleghen: Hadde men hem thooft af ghesleghen, Het ware ten hoenrenwaert ghevloghen, 1735 Also verre alst hadde ghemoghen. Grimbert sach dit ghelaet Ende seide: »Onreine vraet, Dat u dat oghe so omme gaet!” Reinaert andworde: »Ghi doet quaet, 1740 Dat ghi mine herte so becoort, Ende mine bede dus verstoort: Laet mi doch lesen een pater nooster, Der hoenre sielen vanden clooster, Ende den gansen te ghenade, 1745 Die ic dicke hebbe verraden, Die ic desen heleghen nonnen Met miere list hebbe af ghewonnen.” Grimbert balch, newaer Reinaert Hadde emmer doghen achterwaert, 1750 Tes si quamen ter rechter strate. Doe began hem droeve ghelaten, Ende harde sere beefde Reinaert, Dat si keerden te hove waert, Daer hi waende sere mesraken. 1755 Doe hi began den hove naken, Ende in sconinx hof was vernomen, Dat Reinaert ware te hove comen, Met Grimbert den das, Ic wane daer niemen was 1760 So aerm, no van so cranken maghen, Hine gherede hem up een claghen: Dit was al jeghen Reinaerde. Nochtan dedi als donvervaerde, Hoe so hem te moede was; 1765 Ende sprac te Grimbeert den das: »Leidet ons die hoochste strate!” Reinaert ghinc in dien ghelate, Ende in al so bouden ghebare, Oft hi sconinx sone ware, 1770 Ende hi niet en hadde mesdaen. Boudelike ghinc hi staen Vor Nobele, dien coninc, Ende sprac: »God, die alle dinc Gheboot, hi gheve u, coninc here, 1775 Langhe bliscap ende ere. Ic groet u, coninc, ende hebbes recht: En hadde nie coninc enen cnecht So ghetrouwe jeghen hem, Als ic oit was ende bem: 1780 Dat es dicke worden anscijn: Nochtan die sulke, die hier sijn, Souden mi herde gherne roven Uwer hulde, wildi hem gheloven; Maer neen ghi niet; God moet u lonen! 1785 Het ne betaemt niet der crone, Dat soe den scalken ende den fellen Te lichte ghelove dat si vertellen. Nochtan willics Gode claghen: Dier es te vele in onsen daghen, 1790 Der scalke, die wroeghen connen, Die die vorder hant hebben ghewonnen Over al, in riken hoven, Dien sal men niet gheloven: Die scalcheit es hem binnen gheboren; 1795 Dat si den goeden beraden toren, Dat wreke God up haer leven, Ende moete hem ewelike gheven Al sulken loon, als si sijn waert!” Die coninc sprac: »Owi Reinaert, 1800 Owi Reinaert, onreine quaet, Wat condi al scone ghelaet! Dat en can u ghehelpen niet een caf. Nu comt uwes smekens af: In werde bi smekene niet u vrient. 1805 Hets waer, ghi sout mi hebben ghedient Van ere sake in den woude, Daer ghi qualic in hebt ghehouden Die vrede, die ic hadde ghesworen.” --»Owi, wat hebbic al verloren!” 1810 Riep Canticleer, die daer stont. Die coninc sprac: »Hout uwen mont, Here Canticleer, nu laet mi spreken: Laet mi antworden sinen treken. Ai, here dief, Reinaert, 1815 Dat ghi mi lief hebt ende waert, Dat hebdi, sonder uwe pine, Minen boden laten scinen, Aerm man Tibert, here Brunen, Dien noch bloedich es die crune! 1820 Ic ne sal u niet vele scelden: Ic waent u kele sal ontghelden Noch heden, al up ene wile.” --»Nomine Patrum, Christum File! Sprac Reinaert, oft mijn here Brunen 1825 Noch al bloedich es die crune, Was hi teblouwen, oft versproken, Waer hi goet, het ware ghewroken, Eer hi noint vlo int water. Banderside Tibert die cater, 1830 Dien ic herberghede ende ontfinc, Oft hi ute om stelen ghinc Tes papen, sonder minen raet, Ende hem die pape dede quaet, Bi Gode, soudic dat ontghelden, 1835 So mochtic mijn gheluc wel scelden!” Vort sprac Reinaert: »Coninc lioen, Wien twifelt des, ghine moghet doen Dat ghi ghebiet over mi? Hoe goet mine sake si, 1840 Ghi moghet mi vromen ende scaden; Wildi mi sieden, ofte braden, Ofte hanghen, ofte blenden, Ic ne mach u niet ontwenden; Alle diere sijn in u bedwanc. 1845 Ghi sijt groot, ende ic bem cranc; Mine hulp es clene, ende duwe groot: Bi Gode, al sloeghedi mi doot, Dat ware ene cranke wrake; Lichte men daer ave hilde sprake.” 1850 Doe spranc up Belijn, die ram, Ende sine hie, die met hem quam, Dat was dame Hawi: Belijn sprac: »Gawi Alle vort met onser claghe!” 1855 Brune spranc up, met sinen maghen, Ende Tibeert die felle, Ende Isengrijn sijn gheselle, Forcondet dat everswijn, Ende die raven Tiecelijn, 1860 Pancer die bever, ooc Bruneel, .............. Dat watervar, dat butseel, Ende dat eencoren, here Rosseel, Dieweline, die vrouwe fine, 1865 Cantecleer ende die kindre sine, Makende groten vederslach, Dat foret, Clenebejach, Liepen alle in dese scare: Alle dese ghinghen openbare 1870 Vor haren here, den coninc, staen, Ende daden Reinaert vaen. Nu ghinct ghindre up een plaidieren. Nie horde man van dieren So scone tale als nu es hier 1875 Tusscen Reinaerde ende dandre dier; Vort bringhen dat men seide daer, Het ware mi pijnlic ende swaer; Daer omme corte ic u die wort. Die beste reden ghinghen vort. 1880 Die claghen, die die diere ontbonden, Proefden si met orconden, Als si sculdich waren te doene. Die coninc dreef die hoghe baroene Te vonnesse, van Reinaerts sake. 1885 Doe wijstsi, dat men soude maken Ene galghe, sterc ende vast, Ende men Reinaert, den fellen gast, Daer an hinghe, bi siere kele. Nu gaet Reinaerde al uten spele. 1890 Doe Reinaert verordeelt was, Orlof nam Grimbert die das, Met Reinaerts naesten maghen: Sine consten niet verdraghen, No sine consten niet ghedoghen, 1895 Dat men Reinaert vor haren oghen Soude hanghen alse enen dief. Nochtan wast hem somen lief. Die coninc, die was harde vroet, Doe hi mercte ende verstoet, 1900 Dat so menich jonghelinc Met Grimbert uten hove ghinc, Die Reinaerde na bestoet, Doe peinsdi in sinen moet: Hier mach in lopen ander raet. 1905 Al es Reinaert selve quaet, Hi hevet meneghen goeden maech. Doe sprac hi: »Twi sidi traech, Isengrijn ende here Bruun? Reinaerde es cont menich tuun, 1910 Ende hets den avonde bi; Hier es Reinaert, ontsprinct hi, Comt hi III voete uter noot, Sine list soe es so groot, Ende hi weet so meneghen keer, 1915 Hine wert ghevanghen saermeer. Salmen hanghen, twine doet ment dan? Eer men nu ghereden can Ene galge, so eist nacht.” Isengrijn was wel bedacht, 1920 Ende sprac: »Hier es een galghe bi.” Ende met dien worde versuchte hi. Doe sprac die cater, here Tibeert: »Here Isengrijn, u es verseert U herte, in wancans u niet; 1925 Nochtan Reinaert di tal beriet, Ende selve mede ghinc, Daermen u twee broeders hinc, Rume ende Widelanke. Hets tijt, wildijs hem danken. 1930 Waerdi goet, het ware ghedaen; Hine ware niet noch onverdaen.” Isengrijn sprac tote Tibeert: »Wat ghi ons al gader leert! Ne ghebrake ons niet een strop, 1935 Langhe heden wiste sijn crop Wat sijn achterende mochte weghen.” Reinaert, die langhe hadde ghesweghen, Sprac: »Ghi heren, cort mine pine. Tibert heeft ene vaste line, 1940 Die hi bejaghede an sine kele Daer hi vernois hadde vele, Int huus daer hi den pape beet, Die vor hem stont al sonder cleet. Here Isengrijn, nu maect u vore! 1945 En sidi niet daertoe vercoren, Ende ghi Brune, dat ghi sult doden Reinaert, uwen neve, den fellen roden?” Doe sprac hi ten coninc saen; »Doet Tibert mede gaen; 1950 Hi mach clemmen, hi mach die line Updraghen, sonder uwe pine. Tibert, gaet, ende maect ghereet! Dat ghi iet let, dats mi leet.” Doe sprac Isengrijn tote Brunen: 1955 »So helpe mi die cloostercrune, Die boven up mijn hoofd staet! In horde nie so goeden raet, Alse Reinaert selve ghevet hier. Hem langhet omme cloosterbier: 1960 Nu gawi ende bruwen hem!” Brune sprac: »Neve Tibert, nem Die line; du sels mede lopen. Reinaert hi sal nu becopen, Mijn scone liere, ende dijn oghe! 1965 Gawi, ende hanghene so hoghe Dats lachter hebben al sine vrient!” --»Gawi, hi hevets wel verdient,” Sprac Tibert, ende nam die line, »Inne dede nie so lieve pine.” 1970 Nu waren die drie heren ghereet. .............. Dats Isengrijn ende Tibeert Ende her Bruun, die hadde gheleert Honich stelen tsiere scade. 1975 Isengrijn was so beraden, Eer hi vanden hove sciet, Hine wilde des laten niet, Hine vermaende nichten ende neven, Ende alle die binden hove bleven, 1980 Beide ghebure ende gaste, Dat si Reinaert hilden vaste. Vrouwe Hersinde sinen wive Beval hi, bi haren live, Dat soe stonde bi Reinaerde, 1985 Ende soene name biden baerde, Ende van hem niet ne sciede, No dor goet, no dor miede, No dor niede, no dor noot, No dor sorghe vander doot. 1990 Reinaert antworde in corten worden, Dat alle die daer waren horden: »Here Isengrijn, half ghenade! Al ware u lief mijn grote scade, Ende al brincti mi in vernoie, 1995 Ic weet wel, soude miere moien, Te rechte ghedinken ouder daet, Soene dade mi nemmer quaet. Her Isengrijn, soete oom, Ghi nemt uwes neven cranken goom, 2000 Ende here Brune ende here Tibeert, Dat ghi mi dus hebt onneert. Ghi drie ghi hebbet ghedaen al, Dat men mi ontliven sal. Daer toe hebdi ghemaket, 2005 Dat so wie mi ghenaket, Sceldet mi dief, oft hevet leet. Daer omme moetti, God weet, Geonneert werden alle drie, Ghine haest, dat ghescie 2010 Al dat ghi begheert te doene. Mi es die herte noch also coene: Ic dar wel sterven ene warf. Ne wart mijn vader, doe hi starf, Van allen sinen sonden vri? 2015 Gaet, ghereet die galghe hier bi: Een twint mi langher niet ne spaert (Oft varen moetti hinderwaert) Alle uwe voete ende uwe been!” Doe sprac Isengrijn: »Ameen! 2020 Amen, ende hinderwaert Moet hi varen, die langher spaert!” Tibert sprac: »Nu haestewi!” Ende met dien worden spronghen si, Ende liepen vort harde blide, 2025 Ende pijnden hem te stride Te springhene over meneghen tuun, Isengrijn ende here Bruun. Tibert volghede hem naer: Hem was die voet een lettel swaer 2030 Vander linen, die hi droech; Nochtan was hi rasch ghenoech: Dat dede hem al die goede wille. Reinaert stont ende sweech al stille, Ende sach sine viande lopen, 2035 Die hem dat strec an waenden cnopen. --»Maer het sal bliven,” sprac Reinaert, Die stoet ende scouwede derwaert Hoe si springhen ende keren. Hi peinsde: »Deus, wat joncheren! 2040 Nu laetse springhen ende lopen: Levic, si sullent noch becopen, Hare overdaet ende hare scampie, Mine ghebreke reinaerdie; Nochtanne sijn si mi 2045 Liever verre danne bi, Die ghene die ic meest ontsach. Nu willic proeven, dat ic mach Te hove bringhen een baraet, Dat ic, vor die dagheraet, 2050 In groter sorghe vant te nacht. Hevet mine list sulke cracht Als ic noch hope dat soe doet, Al es hi listich ende vroet, Ic wane den coninc noch verdoren.” 2055 Die coninc dede blasen enen horen, Ende hiet Reinaert uutwaert leden Reinaert sprac: »Laet teerst ghereden Die galghe, daer ic an hanghen sal; Ende daer binnen so salic al 2060 Den volke mine biechte conden, In verlanesse van minen sonden. Hets beter, dat al tfolc verstaet Mine diefte ende mine ondaet, Dan si namaels eneghen man 2065 Mine overdaet teghen an.” Die coninc sprac: »Nu segghet dan!” Reinaert stont als een droeve man, Ende sach al omme, harentare. Dus so sprac hi al openbare: 2070 »Helpe, seit hi, Dominus! Nu nes hier niemen in dit huus, No vrient no viant, ic ne bem Een deel mesdadich jeghen hem. Nochtan, horet alle, ghi heren: 2075 Laet u wisen ende leren, Hoe ic Reinaert, aerminc, Eerst die boosheit anevinc. In allen tiden, spade ende vroe, Was ic een hovesc kint nochtoe. 2080 Doe men mi spaende vander mammen, Ghinc ic spelen metten lammen, Dor te horne dat ghebleet; So langhe, dat ic een verbeet: Ten eersten lapedic dat bloet: 2085 Het smaecte so wel, het was so goet, Dat ic dat vleesc mede ontgan. Daer leerdic leckernie an So vele, dat ic ghinc ten gheten Int wout, daer icse horde bleten: 2090 Daer verbetic hoekine twee. So dedic derdes daghes mee, Ende ic wart bouder ende coener, Ende verbeet haenden ende hoener, Ende gansen, daer icse vant. 2095 Doe mi bloedich wart mijn tant, Was ic so fel ende so wreet, Dat ic suver up verbeet Al dat ic vant, ende wat mi dochte Dat mi bequam, ende ic vermochte. 2100 Daer na quam ic ende Isengrijn, Te wintre in enen couden rijm, Bi Besele onder enen boom: Hi rekende hi ware mijn oom, Ende began ene sibbe tellen. 2105 Aldaer worden wi ghesellen. Dat mach mi te rechte rouwen! Daer gheloofden wi, bi trouwe, Recht gheselscap manlic andren. Doe begonsten wi te gader wandren. 2110 Hi stal tgrote, ende ic dat clene: Dat wi bejaechden wart ghemene; Ende als wi delen souden doe, Ic was in hoghen ende vro Mochtic mijn deel hebben half. 2115 Alse Isengrijn bejaghede een calf Oft een weder, oft een ram, So grongierdi, ende maecte hem gram, Ende toochde mi ghelaet, Dat so suur was ende quaet, 2120 Dat hi mi met van hem verdreef, Ende hem mijn deel al gader bleef; Nochtan achtic niet van dien. So menich warve hebbic versien, Alse wi een grote proie lagheden, 2125 Die ic ende mijn oom bejagheden, Enen osse, oft enen bake, So ghinc hi sitten met ghemake Met sinen wive, vrouwe Harsinde, Ende met sinen VII kindren; 2130 Sone mocht ic cume dene hebben Vanden alreminsten rebben, Die sine kindre en wouden cnaghen. Dus nauwe hebbic mi bedraghen. Nochtan dat was mi lettel noot; 2135 Ne waer dat mijn sin so groot Die lieve droech te minen oom, Die mijns nemet cranken goom, Ic hadde wel ghewonnen tetene. Coninc, dit doe ic u te wetene: 2140 Ic hebbe noch selver ende gout, Dat al es in miere ghewout, So vele, dat cume een waghen Te VII werven soude ghedraghen.” Alse die coninc dit verhorde, 2145 Gaf hi Reinaerde selke andworde: »Reinaert, waen quam u dese scat?” Reinaert andworde: »Ic segghe u dat, Wildijt weten, alse ict weet: No dor lief, no dor leet 2150 Sone salt danne bliven verholen. Coninc, die scat was bestolen: Ne waer hi ooc ghestolen niet, Daer ware die mort bi ghesciet Ane u lijf, in rechter trouwe, 2155 Dat uwen vrienden mochte rouwen.” Die coninghinne wart vervaert Ende sprac: »Owi, Reinaert! Owi, Reinaert! owi! owi! Owi, Reinaert, wat sechdi? 2160 Ic mane u bi der selver vaert, Dat ghi ons secht, Reinaert, Die u siele varen sal, Dat ghi ons secht die waerheit al Openbare, ende bringhet vort: 2165 Oft ghi weet van enegher mort, Oft enen mordeliken raet, Die jeghen minen here gaet, Dat laet hier openbare horen!” Nu hort, hoe Reinaert sal verdoren 2170 Den coninc entie coninghinne, Ende hi bewerven sal met sinne Des coninx vrientscap ende hulde; Ende hoe hi buten haerre sculde Brune en Isengrijn bede 2175 Up hief in groten ongherede, Ende in veten ende in ongheval Jeghen den coninc bringhen sal. Dien heren, die nu waren so fier, Dat si Reinaerde waenden bier 2180 Te sinen lachter hebben ghebrouwen, Ic wane wel, in rechter trouwe, Dat hi sal weder mede blanden, Dien si drinken sullen met scande. In enen ghelate van droeven sinne 2185 Sprac Reinaert: »Edele coninghinne, Al haddi mi nu niet ghemaent, Ic bem een die sterven waent: In laet niet ligghen up mine siele; Ende waert so, dat mi gheviele, 2190 Mi stonder omme in der helle te sine, Daer torment es ende pine. Indien dat die coninc milde Een ghestille maken wilde, Ic soude segghen, met ghenade, 2195 Hoe jammerlike hi was verraden, Te mordene van sinen lieden. Nochtan, diet alre meest berieden, Sijn som van minen liefsten maghen, Die ic node soude bedraghen, 2200 Ne daet die sorghe vander helle, Daer men seit, dat si in quellen, Die hier sterven, ende mort Weten, sine brincse vort.” Dien coninc wart die herte swaer, 2205 Ende sprac: »Reinaert, sechstu mi waer!” --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi des? Jane weet ghi niet hoet met mi es? Ne bewaent niet, edel coninc, Al bem ic een aerminc, 2210 Hoe mochtic sulke mort ghetemen? Waendi, dat ic wille nemen Ene loghene uptie langhe vaert? In trouwe neenic,” sprac Reinaert. Bi der coninghinne rade, 2215 Die sere ontsach des coninx scade, Gheboot die coninc openbare, Dat niemen daer so coene en ware, Dat hi een wordekijn iet sprake, Tottien, dat Reinaert met ghemake 2220 Hadde volseit al sinen wille. Doe sweghen si alle gader stille. Die coninc hiet Reinaerde spreken. Reinaert was van fellen treken: Hem dochte scone sijn gheval, 2225 Hi sprac: »Nu swighet over al, Na dien dat es den coninc lief: Ic sal u lesen, sonder brief, Die verradenesse openbare, So dat ic niemene en spare, 2230 Dien ic te wroeghene sculdich bem. Dies lachter hevet, scaems hem!” Nu vernemt alle gader, Hoe Reinaert sinen ertscen vader Met verradenesse sal bedraghen, 2235 Ende een van sinen liefsten maghen, (Dat was Grimbert, die das,) Die hem hout van herten was. Dat dede Reinaert omme dat, Dat hi wilde, dat men te bat 2240 Sinen worden gheloven soude, Van sinen vianden, oft hi woude Dien verranesse tien an. Nu hort, hoe hi dies began: »Wilen tere stonde 2245 Hadde mijn here vonden Des coninx Hermelinx scat, In ere verholenre stat. Doe mijn vader hadde vonden Den scat, wart hi in corten stonden 2250 So overdadich, ende so fier, Dat hi veronwerde alle dier, Die sine ghenote te voren waren. Hi dede Tibert, den cater, varen In Ardennen, dat wilde lant, 2255 Aldaer hi Brune den bere vant: Hi ontboot Brunen Gods houde, Ende in Vlaendren comen soude, Oft hi coninc wilde wesen. Brune wart vro van desen, 2260 Hi hadt meneghen dach begheert: Doe maecte hi hem te Vlaendrenweert Ende quam in Waes, int soete lant, Daer hi minen vader vant. Mijn vader omboot Grimberte, den wisen, 2265 Ende Isengrine, den grisen, (Tibert, die cater, was die vijfte) Ende quamen tenen dorpe, hiet Hijfte. Tusscen Hijfte ende Ghent Hilden si haer parlement, 2270 In ere belokenre nacht; Daer quamen si bi sduvels cracht Ende bi des duvels ghewelt, Ende swoeren daer an twoeste velt Alle vive, des coninx doot. 2275 Nu horet wonder harde groot: [Si swoeren up Isengrijns crune, Alle vive, datsi Brune Coninc ende here souden maken, Ende settene in den stoele tAken,] 2280 Ende hi crone soude draghen. Wilde iemen van des coninx maghen Dat wedersegghen, mijn vader soude Met sinen selvere ende sinen goude So den ghenen steken achter, 2285 Dat sijs souden hebben lachter. Dit wetic, ende segghe u hoe. Eens maerghins harde vroe Gheviel, dat mijn neve, die das, Van wine een lettel dronken was, 2290 Ende dien verholnen raet minen Wive, vrouwe Harmelinen, Al van pointe te pointe seide, Daer si liepen an der heiden. Mijn wijf es ene vremde vrouwe, 2295 Ende gaf Grimberte hare trouwe, Dat verholen bliven soude. Ten eersten dat soe quam te woude, Daer ic was, ende soe mi vant, So telde soet mi te hant: 2300 Newaer het was al stillekine. Ooc seide soe mi sulke lijctekine, Die ic kende al so waer, Dat mi alle mine haer Upwaert stonden, van groten vare. 2305 Mine herte wart mi openbare Also cout alse een ijs. Dies sijt seker ende wijs, Ic kinde Brune valsc ende quaet, Ende vul van alre overdaet. 2310 Ic peinsde: worde hi onse here, Dat ontvruchtic harde sere, Dat wi alle waren verloren. Ic kinde den coninc so wel gheboren, Ende soete, ende goedertiere, 2315 Ende ghenadich allen dieren. Het dochte mi bi allen dinghen Eene quade manghelinghe, Die ons ne mochte comen No tere, no te vrome; 2320 Mine herte grote sorghe doghede. Hier omme pijndic ende poghede Hoe so erge ene sake, Testoret worde, ende ic brake Mijns vader bosen raet, 2325 Die een dorper, enen vraet, Coninc ende here maken waende. Emmer badic Gode, ende maende, Dat hi den coninc, minen here, Behilde sine wareltere. 2330 Bedi ic kinde wale dat, Behilde mijn vader sinen scat, Si souden wel des raets ghetelen, Onder hem ende sinen ghespelen, Dat die coninc worde verstoten. 2335 In diepen ghepeinsen ende in groten Was ic dicke, hoe ic die stat Soude vinden, waer die scat Lach, die hi hadde vonden. Ic wachte nauwe tallen stonden 2340 Minen vader, ende leiden laghen In meneghen bosch, in menegher haghe, Beide in velde ende in woude, Waer mijn vader, die listighe oude, Henen trac ende henen liep: 2345 Was het droghe, was het diep, Wast bi nachte, wast bi daghe, Ic was emmer in die laghe; Wast bi daghe, wast bi nachte, Ic was emmer in die wachte. 2350 Up ene stont gheviel daer nare, Dat ic mi decte met groten vare, Ende lach ghestrect neven derde, Ende vanden scatte, die ic begherde, Gherne iewet hadde vernomen: 2355 Doe saghic minen vader comen Ute enen hole ghelopen. Doe began ic ten scatte hopen Bi den barate die ic hem sach Driven, als ic u segghen mach: 2360 Want doe hi uten holen quam, Sach ic wel, ende vernam, Dat hi omme sach. Doe merkedi, Oft hem iemene ware bi; Ende als hi niemene en sach, 2365 Doe queddi den sconen dach, Ende stoppede dat hol met sande, Ende maectet ghelijc den andren lande. Dat ic dat sach ne wiste hi niet. Doe saghic, eer hi dane sciet, 2370 Dat hi den steert liet nedergaen Daer sine voete hadden ghestaen, Ende decte sijn spore metter moude. Daer leerdic an den vroeden ouden Een lettel meesterliker liste, 2375 Die ic te voren niet ne wiste. Aldus voer mijn vader dane Ten dorpewaert, daer die hanen Ende die vette hinnen waren. Teerst dat ic mi dorste baren, 2380 Spranc ic up, en liep ten hole: Ic wilde niet langher sijn in dole, Ende ic gheraecter toe te hant. Sciere scraefdic up dat sant Met minen voeten, ende croop in 2385 Aldaer ic vant groot ghewin; Daer vandic selver ende gout: Hier nes niemen nu so out, Dies nie so vele te gader sach. Doe ne spaerdic nacht no dach, 2390 In ghinc trecken ende draghen, Sonder kerre ende sonder waghen, Over dach ende over nacht, Met algader miere cracht. Mi halp mijn wijf, vrouwe Hermeline: 2395 Des dogheden wi grote pine, Eer wi den overgroten scat Brochten in een ander gat, Daer hi bet lach tonsen ghelaghe. Wi droeghene onder ene haghe 2400 In een hol verholenlike: Doe was ic van scatte rike. Nu hort, wat si hier binnen daden, Die den coninc hadden verraden. Brune, die bere, sendde uut 2405 Verholenlike sijn saluut Achter lande, ende omboot Al den ghenen rijcheit groot, Die dienen wilden omme tsout: Hi beloofde hem selver ende gout 2410 Te ghevene met milder hant. Mijn vader liep in al dat lant, Ende droech des Brunen brieve: Hoe lettel wiste hi, dat die dieve Te sinen scatte waren gheraect, 2415 Dies hem quite hadden ghemaect. En ware die scat niet ontgonnen, Hi hadder met die stat van Lonnen Al te gader moghen copen. Dus wan hi an sijn omme lopen. 2420 Doe mijn vader, al omme ende omme, Tusscen dier Elve entier Somme Hadde ghelopen al dat lant, Ende hi meneghen seriant Hadde ghewonnen met sinen goude, 2425 Die hem te hulpe comen soude, Alse die somer quame int lant, Keerde mijn vader daer hi vant Brune entie ghesellen sine. Doe teldi die grote pine 2430 Ende die menichfoude sorghe, Die hi vor den hoghen borghen Int lant van Sassen hadde leden, Daer die jagheren na hem reden Alle daghe met haren honden, 2435 Die hem vervaerden te menegher stonde. Dit telde hi te spele al gader. Daer na so toghede mijn vader Brieve, die Brunen wel bequamen, Daer XII.c al bi namen 2440 Ser Isengrijns maghe in stonden, Met scerpen claeuwen, met diepen monden; Sonder die catten, ende die baren, Die alle in Bruuns soude waren, Ende die vosse metten dassen 2445 Van Doringen ende van Sassen. Dese hadden alle ghesworen, Indien dat men hem te voren Van XX daghen gave haer sout, Si souden Brunen met ghewout 2450 Seker wesen tsinen ghebode. Dit benam ic al, danc Gode! Doe mijn vader hadde ghedaen Sine bodscap, soude hi gaen Ende scouwen sinen scat; 2455 Ende als hi quam ter selver stat, Daer hine ghelaten hadde te voren, Was die scat al verloren, Ende sijn hol was uptebroken. Wat holpe vele hier af ghesproken? 2460 Doe mijn vader dat vernam, Wart hi serich ende gram, Dat hi van torne hem selven hinc. Dus bleef achter Brunen dinc Bi miere behendichede al. 2465 Nu merct hier mijn ongheval: Here Isengrijn ende Brune, die vraet, Hebben nu den nauwen raet Metten coninc openbare, Ende arm man Reinaert es die blare!” 2470 Die coninc ende die coninghinne, Die beide hopeden ten ghewinne, Si leden Reinaert buten te rade, Ende baden hem, dat hi wel dade, Ende hi hem wijsde sinen scat. 2475 Ende alse Reinaert hoorde dat Sprac hi: »Wijsdic u mijn goet, Here coninc, die mi hanghen doet, So waer ic ute minen sinne.” --»Neen Reinaert, sprac die coninghinne, 2480 Mijn here sal u laten leven, Ende sal u vriendelike vergheven Algader sinen evelen moet; Ende ghi sult vortmeer sijn vroet Ende goet, ende ghetrouwe.” 2485 Reinaert sprac: »Dit doe ic, vrouwe, Indien dat mi die coninc nu Vaste ghelove, hier vore u, Dat hi mi gheve sine hulde, Ende Brune alle mine sculde 2490 Wille vergheven; ende omme dat So willic hem wisen minen scat, Den coninc, al daer hi leghet.” Die coninc sprac: »Ic ware ontweghet, Wildic Reinaerde vele gheloven: 2495 Hem es dat stelen ende dat roven Ende dat lieghen gheboren int been.” Die coninghinne sprac: »Here, neen, Ghi moghet Reinaerde gheloven wel: Al was hi hier te voren fel, 2500 Hi nes nu niet dat hi was. Ghi hebt ghehort, hoe hi den das Ende sinen vader hevet bedreghen Met morde, die hi wel beteghen Mochte hebben andren dieren, 2505 Wildi meer sijn arghertiere Ofte fel, ofte onghetrouwe.” Doe sprac die coninc: »Gentel vrouwe, Al waendic dat mi soude scaden, Eist dat ghijt mi dorret raden, 2510 So willict laten up u ghenent, Dese vorworde ende dit covent, Up Reinaerts trouwe staen: Newaer, ic segghe hem, sonder waen, Doet hi meer archede, 2515 Alle die hem ten tienden lede Sijn belanc, sullent becopen!” Reinaert sach den coninc belopen, Ende wart blide in sinen moet, Ende sprac: »Here, ic ware onvroet, 2520 Ne gheloofdic niet also.” Doe nam die coninc een stro Ende vergaf Reinaerde algader Die wanconst van sinen vader, Ende sijns selves mesdaet toe. 2525 Al was Reinaert blide doe, Dan dinct mi gheen wonder wesen: Jane was hi vander doot ghenesen! Doe Reinaert quite was ghelaten, Was hi blide utermaten, 2530 Ende sprac: »Coninc, edel here, God moete u lonen al der ere Die ghi mi doet, ende mine vrouwe. Ic secht u wel, bi miere trouwe, Dat ghi mi vele ere doet: 2535 So grote ere, ende so groot goet, Dat niemen nes onder die sonne, Dien ic alse wale soude onnen Mijns scats ende miere trouwe, Als ic u doe, ende miere vrouwe.” 2540 Reinaert nam een stro vor hem Ende sprac: »Here coninc, nem, Hier geve ic di up den scat Die wilen Ermelinc besat.” Die coninc ontfinc dat stro, 2545 Ende dancte Reinaerde so, Als quansijs: »Dese maect mi here!” Reinarts herte loech so sere, Dat ment wel na an hem vernam, Doe die coninc so gehorsam 2550 Algader was te sinen wille. Hi sprac: »Here, swighet stille; Merket, waer mine redene gaet: Int oostende van Vlaendren staet Een bosch, ende heet Hulsterlo. 2555 Coninc, ghi moghet wesen vro, Mochti onthouden dit: Een borne, heet Kriekepit, Gaet suutwest niet verre dane; Here coninc, ghine dorft niet wanen, 2560 Dat ic u der waerheit iet messe: Dats een die meeste wildernesse, Die men hevet in enich rike. Ic segghe u ooc ghewaerlike, Dat somwilen es een half jaer, 2565 Dat toten borne comet daer No weder man nochte wijf, No creature die hevet lijf, Sonder die ule entie scuvuut, Die daer nestelen in dat cruut, 2570 Oft enich ander voghelijn Dat daerwaert gherne wilde sijn, Ende daer bi avonture lidet: Daer in leghet mijn scat ghehidet. Verstaet wel ditte, hets u nutte: 2575 Die stede hetet Kriekeputte. Ghi sult daer gaen, ende mine vrouwe; Ne weset ooc niemene so ghetrouwe, Die ghi sult laten wesen u bode, Verstaet mi wel, coninc, dor Gode, 2580 Maer gaet daer selve. Ende alse ghi Dien selven putte comet bi, Ghi sult vinden jonghe berken. Here coninc, dit suldi merken: Die alrenaest den putte staet, 2585 Coninc, tote dier berken gaet: Daer leghet die scat onder begraven. Daer suldi delven ende scraven Een lettel mos an ene side: Daer suldi vinden menich ghesmide 2590 Van goude, rikelijc ende scone: Daer suldi vinden ooc die crone, Die Ermelinc die coninc droech, Ende ander chierheit ghenoech, Edele stene, guldijn werc: 2595 Men cocht niet omme dusent merc. Ai coninc, als ghi hebt dat goet, Hoe suldi peinsen in uwen moet: Ai, Reinaert, ghetrouwe vos, Die hier groeves in dit mos, 2600 Desen scat bi dijnre list, God gheve di goet, waer du bist!” Doe andworde die coninc saen: »Reinaert, sal ic die vaert bestaen, Ghi moet sijn mede in die vaert, 2605 Ende ghi moet ons, Reinaert, Helpen den scat ontdelven. Ic ne wane bi mi selven Aldaer nemmermeer gheraken; Ic hebbe ghehort noemen Aken 2610 Ende Parijs, eist daer iet na? Ende also als ic versta, So smekedi, Reinaert, ende roemt; Kriekeputte, dat ghi hier noemt, Wanic, es een gheveinsde name.” 2615 Dit was Reinaerde ombequame, Ende verbalch hem, ende seide: »Ja, Coninc, ghi sijter also na, Alse van Colne tote Meie; Waendi, dat ic u die Leie 2620 Wille wisen in dien flume Jordane? Ic sal u wel toghen, dat ic wane, Orconde ghenoech, al openbare.” Lude riep hi: »Cuwaert, comt hare, Comet vor den coninc, Cuwaert!” 2625 Die diere saghen dese vaert: Hem allen wonderde, wat daer ware, Cuwaert hi ghinc met vare: Hem wonderde, wat die coninc woude. Reinaert sprac: »Cuwaert, hebdi coude? 2630 Ghi bevet; sijt blide al sonder vaer, Ende secht minen here den coninc waer, Dies mane ic u, bi der trouwe Die ghi sijt sculdich miere vrouwe, [Van al dat ic u sal vraghen.” 2635 --»Al sout mi gaen an mine craghe, Sprac Cuwaert, ic u niet en loghe; Ghi hebt mi ghemaent also hoghe, Dat ict te segghene sculdich bem.”] Doe sprac Reinaert: »So secht hem: 2640 Weetstu waer Kriekeputte steet?” Cuwaert sprac: »Oft ict weet? Jaic, hoene sout wesen so? Ne staet hi niet bi Hulsterlo, Up dien moer, in die woestine! 2645 Ic hebber ghedoget grote pine, Ende meneghen hongher, menich coude, Ende armoede so menichfoude, Up Kriekeputte, so menighen dach, Dat ics vergheten niet ne mach. 2650 Hoe mochte ic vergheten dies, Dat aldaer Reinout die Vries Die valsche penninghe sloech, Daer hi hem mede bedroech Entie ghesellen sine? 2655 Dat was eer ic met Rine Mijn gheselscap makede vast, Die mi gequijtte meneghen last.” --»Owi, sprac Reinaert, soete Rijn, Lieve gheselle, scoon hondekijn, 2660 Vergave God, waerdi nu hier, Ghi sout toghen weder dese dier, Met uwen sone, waers te doene, Dat ic noint wart so coene, Dat ic eneghe sake dede, 2665 Daer ic den coninc mochte mede Te miwaert belghen doen met rechte. Gaet weder onder ghene cnechte, (Sprac Reinaert) haestelic, Cuwaert; Mijn here die coninc ne heeft tuwaert 2670 Neghene sake te sprekene meer.” Cuwaert dede een wederkeer, Ende ghinc van sconinx rade daer. Reinaert sprac: »Coninc, eist waer Dat ic seide?”--»Reinaert, jaet, 2675 Verghevet mi, ic dede quaet, Dat ic u mestroude iet: Reinaert, goede vrient, nu siet Den raet, dat ghi met ons gaet Ten putte, al daer die berke staet, 2680 Daer die scat leghet begraven onder.” Reinaert sprac: »Ghi secht wonder: Waendi in waers harde vro, Coninc, oft mi stonde also, Dat ic met u wandelen mochte, 2685 Also als ons beiden dochte, Ende ghi waert al sonder sonde? Neent, hets alse ic u orconde, Ende ict u segghe, al eist scame: Doe Isengrijn in sduvels name 2690 In dordine ghinc hier te voren, Ende hi te monke wart bescoren, Doene conste hem niet ghenoeghen, Daer VI monke hem bi bedroeghen. Hi claghede ende kermede 2695 So sere, dats mi ontfermede. Doe hi cranc wart ende traech, Doe haddics rouwe, als een sijn maech, Ende gaf hem raet, dat hi ontran: Daer omme bem ic in spaeus ban. 2700 Maerghin, als die sonne up gaet, Willic te Rome om aflaet; Van Rome willic over see: Dane en keric nemmermee, Eer ic so vele hebbe ghedaen, 2705 Coninc, dat ic met u mach gaen, Tuwer ere, ende tuwer vrome, Oft ic te lande weder come. Het ware een onscone dinc, Soudi, here coninc, 2710 Maken uwe wandelinghe Met enen verwaten ballinghe, Als ic nu bem, God betere mi!” Die coninc sprac: »Reinaert, sidi Iet langhe verbannen?” Doe sprac Reinaert: 2715 »Jaic, hets III jaer, dat ic waert Vor den deken Hermanne In vollen seende tebannen.” Die coninc sprac: »Nadat ghi sijt Tebannen, men souts mi doen verwijt 2720 Lietic u met mi wanderen: Ic sal Cuwaert ofte enen andren Toten scatte doen gaen met mi; Ende ic rade u, Reinaert, dat ghi Niet ne laet, ghine vaert, 2725 Dat ghi u vanden banne claert.” --»Sone doe ic, sprac Reinaert, Ic ga maerghin te Romewaert, Gaet na den wille mijn!” Die coninc sprac: »Ghi dinct mi sijn 2730 Bevaen in harde goeden dinghen; God onne u, dat ghijt moet vulbringhen, Reinaert, alse u ende mi Ende ons allen nutte si!” Doe dese redene was ghedaen, 2735 Doe ghinc Nobel, die coninc, staen Up ene hoghe staghe van stene, Daer hi up plach te stane allene Als hi sat int hof te dinghe. Die diere saten tenen ringhe 2740 Al omme ende omme in dat gras, Nadien dat elc gheboren was. Reinaert stont bi der coninghinne, Ende sprac met enen bliden sinne: »Bidt vor mi, edele vrouwe, 2745 Dat ic u met lieve weder scouwe.” Soe sprac: »Die here, daert al an staet, Doe u van sonden vul aflaet!” Die coninc entie coninghinne Ghinghen met enen bliden sinne 2750 Vor haer diere, arme ende rike. Die coninc hi sprac vriendelike: »Reinaert es hier comen te hove, Ende wille, dies ic Gode love, Hem betren met al sinen sinne; 2755 Ende mijn vrouwe die coninghinne Hevet so vele ghedaen dor hem, Dat ic sijn vrient worden bem, Ende hi versoent es jeghen mi, Ende ic hem hebbe ghegheven vri 2760 Beide lijf ende lede: Reinaerde ghebiedic vullen vrede; Anderwaerf ghebiedic hem vrede; Ende derde waerve mede: Ende ghebiede u allen, bi uwen live, 2765 Dat ghi Reinaerde, ende sinen wive Ende sinen kindren ere doet, Waer si comen in u ghemoet, Sijt bi nachte, sijt bi daghe; In wille meer neghene claghe 2770 Van Reinaerts dinghen horen. Al was hi roekeloos hier vore Hi wille hem betren, ic segghe u hoe: Reinaert wille maerghin vroe Palster ende scerpe ontfaen, 2775 Ende wille te Rome gaen, Ende van Rome wille hi over see, Ende dane comen nemmermee, Eer hi heeft vul aflaet Van alre sondeliker daet.” 2780 Dese tale hevet Ticcelijn vernomen Ende vlooch, dane hi es comen, Ende hi vant die III ghesellen; Nu hort, wat hi hem sal tellen: Hi sprac: »Keitive, wat doedi hier? 2785 Reinaert es meester bottelgier Int hof, ende moghende utermaten; Die coninc heeftene quite ghelaten Van allen sinen mesdaden, Ende ghi sijt alle III verraden.” 2790 Isengrijn began andworden Ticeline met corten worden: »Ic wane, ghi lieghet, here raven!” Mettien worde began hi scaven, Ende Brune, hi volchde mede: 2795 Si ghinghen recken hare lede Lopende ten conincwaert. Tibert was sere vervaert, Ende bleef sittende up die galghe. Hi was van sinen ruwen balghe 2800 In sorghe groot, so utermaten, Dat hi gherne wilde laten Sijn oghe varen over niet, Dat hi in spapen scure liet, Indien dat hi versoent ware. 2805 Hine wiste wat doen van vare Dan hi ghinc sitten up die micke. Hi claechde vele ende harde dicke, Dat hi Reinaert nie bekinde. Isengrijn quam met gheninde 2810 Ghedronghen vore die coninghinne, Ende sprac met enen fellen sinne Te Reinaertwaert, so verre, Dat die coninc wart al erre, Ende hiet Isengrijn vaen, 2815 Ende Brune. Also saen Wortsi ghevanghen ende ghebonden: Ghine saghet nie verwoeden honden Doen meer lachters dan men dede Isengrine ende Brunen mede. 2820 Men voerese alse lede gaste, Men bantse beide daer so vaste, Dat si binder nacht Met gheenrande cracht Een let niet en mochten roeren. 2825 Nu hort, hoe hise vort sal voeren, Reinaert, die hem was te wreet: Hi dede, dat men Brunen sneet Van sinen rugghe een velspot af, Dat men hem tere scerpen gaf, 2830 Voets lanc ende voets breet. Nu ware Reinaert al ghereet, Haddi versce scoen. Nu hort wat hi sal doen, Hoe hi sal scoen ghewinnen. 2835 Hi ruunde toter coninghinne: »Vrouwe, ic hem u pelgrijn: Hier es mijn oom Isengrijn, Hi hevet II vaste scoen, Helpt mi, dat icse an mach doen. 2840 Ic neme u siele in mine plecht: Het es pelgrijns recht, Dat hi ghedenke in sinen ghebeden Al tgoet dat men hem noit dede; Ghi moghet u siele an mi scoien. 2845 Doet Harsinde miere moien Gheven twee van haren scoen. Dit moghedi wel met ere doen: Soe blivet thuus in haer ghemac.” --»Gherne (die coninghinne sprac); 2850 Reinaert, ghine mochtes niet omberen Ghine hebt scoen; ghi moet varen Uten lande in Gods ghewout, Over berghe ende int wout, Ende terden struke ende stene: 2855 Dine arbeit wert niet clene, Hets di noot dattu hebs scoen; Ic wilre mine macht toe doen. Die Isengrijns waren u ghemicke, Si sijn so vaste ende so dicke 2860 Die hi draghet ende sijn wijf: Al sout hem gaen an haer lijf, Elkerlijc moet u gheven scoen, Daer ghi mede u vaert moet doen.” Dus hevet die valsce pelgrijn 2865 Beworven, dat der Isengrijn Al toten cnien hevet verloren Van beiden sinen voeten voren Dat vel al gader toten claeuwen. Ghine saecht noint voghel braeuwen, 2870 Die stilre hilt al sine lede, Dan Isengrijn die sine dede, Doe men so jamerlike ontscoeide, Dat hem dat bloet ten teen af vloeide. Doe Isengrijn ontscoeit was, 2875 Moeste gaen ligghen up dat gras Vrouwe Hersint, die wulvinne, Met enen wel droeven sinne; Ende liet haer afdoen dat vel, Ende die claeuwen also wel, 2880 Van beiden haren voeten bachten. Dese daet dede wale sachten Reinaerde sinen droeven moet. Nu hort, wat claghen hi noch doet: »Moie, seit hi, lieve moie, 2885 In hoe meneghen vernoie Hebdi dor minen wille ghewesen! Dats mi al leet; sonder van desen Eist mi lief, ic segghe u twi: Ghi sijt, des ghelovet mi, 2890 Een die liefste van minen maghen, Bedi sal ic u scoen an draghen. God weet, dats al uwe bate! Ghi sult an hoghen aflate Delen, ende an alt pardoen, 2895 Lieve moie, dat ic in u scoen Sal bejaghen over see.” Vrouwe Hersinde was so wee, Dat soe cume mochte spreken. --»Ai Reinaert, God moete wreken, 2900 Dat ghi over ons siet uwen wille!” Isengrijn balch, ende sweech stille, Ende sijn gheselle Brune; neware Hem was te moede harde sware; Si laghen ghebonden ende ghewont. 2905 Hadde ooc doe ter selver stont Tibert die cater ghewesen daer, Ic dar wel segghen, over waer, Hi hadde so vele ghedaen te voren, Hine waers niet bleven sonder toren. 2910 Wat halpt, dat ict u maecte lanc? Des anderdaghes vor sonnenupganc Dede Reinaert sine scoen snoeren, Die Isengrijns waren te voren, Ende sijns wijfs vrouwe Hersinden, 2915 Ende hadse vaste ghedaen binden Om sine voete, ende ghinc Daer hi vant den coninc, Ende sijn wijf, die coninghinne. Hi sprac met enen soeten sinne: 2920 »Here, God gheve u goeden dach, Ende miere vrouwe, die ic mach Prijs gheven wel met rechte: Nu doet gheven uwen cnechte, Palster ende scerpe, ende laet mi gaen.” 2925 Doe dede die coninc haesten saen Den capelaen, Belijn den ram; Ende als hi bi den coninc quam Sprac die coninc: »Hier es Dese pelgrijn; leest hem een gheles, 2930 Ende ghevet hem scerpe ende staf!” Belijn den coninc antworde gaf: »Here, in dar des doen niet: Reinaert hevet selve begiet, Dat hi es in spaeus ban.” 2935 Die coninc sprac: »Belijn, wattan? Meester Jufroet doet ons verstaen: »Hadde een man allene ghedaen Also vele sonden alse alle die leven, Ende wildi archeit al begheven, 2940 Ende daer af te biechte gaen, Ende penitencie ooc ontfaen, Dat hi over see wille varen, Hi mochte wel hem selve claren.” Belijn sprac ten coninc echt: 2945 »Ic en doere toe crom no recht, Van gheesteliker dinc altoos, Ghine wilt mi quiten scadeloos Jeghen den bisscop, ende den deken.” Die coninc sprac: »In VIII weken 2950 Sone wane ic u bidden so vele; Ooc haddic liever, dat uwe kele Hinghe, dan ic u heden bat!” Ende alse Belijn horde dat, Dat die coninc balch te hemwaert, 2955 Wart Belijn so vervaert, Dat hi bevede van vare, Ende ghinc ghereden sinen autare, Ende beghan singhen ende lesen Al dat hem goed dochte wesen. 2960 Doe Belijn die capelaen Omoedelike hadde ghedaen Dat ghetide vanden daghe, Doe hinc hi an Reinaerts craghe Ene scerpe van Bruuns velle; 2965 Ooc gaf hi den fellen gheselle Den palster in die hant daer bi, Te sinen ghevoeghe. Doe was hi Al ghereet te siere vaert. Doe sach hi ten conincwaert: 2970 Hem liepen die gheveinsde trane Neder neven sine granen, Alse oft hi jammer in siere herte Van rouwe hadde ende grote smerte! Dit was bedi, ende anders niet, 2975 Dat hi hem allen, die hi daer liet, Niet hadde beraden al sulke pine, Alse Brunen ende Isengrine Van hem hadde moghen ghevallen. Nochtan stont hi, ende bat hem allen, 2980 Dat si over hem bidden souden, Also ghetrouwelike als si wouden Dat hi over hem allen bade. Dat orlof nemen dochte hem spade, Want hi gherne dane ware: 2985 Hi was altoos sere in vare, Als die hem selven sculdich weet. Doe sprac die coninc: »Mi es leet, Reinaert, dat ghi dus haestich sijt.” --»Neen, here, het es tijt: 2990 Men sal neghene weldaet sparen. Uwen orlof: ic wille varen.” Die coninc sprac: »Gods orlof.” Doe gheboot hi al dat hof Met Reinaerde uut te gane, 2995 Sonder allene die ghevane. Nu wart Reinaert pelgrijn, Ende sijn oom Isengrijn Ende Brune si ligghen ghebonden, Ende siec van seren wonden. 3000 Mi dinct, ende ic wane das, Dat niemen so onspellic was Tusscen Pollanen ende Scouden, Die hem van lachene hadde onthouden, Sowat rouwe so hem mochte ghescien, 3005 Hadde hi Reinaert doe ghesien, Hoe wonderlijc hi henen ghinc, Ende hoe ghemackelijc dat hem hinc Scerpe ende palster omme den hals, Ende die scoen als ende als, 3010 Die hi droech an sinen been Ghebonden, so dat hi sceen Een pelgrijn licht ghenoech. Reinaerts herte binnen loech, Dor dat si alle met hem ghinghen 3015 Met so groter sameninghe, Die hem te voren waren wreet. Doe sprac hi: »Coninc, mi es leet, Dat ghi so verre met mi gaet: Ic vruchte, het mach u wesen quaet! 3020 Ghi hebt ghevaen II mordenaren: Ghevalt, dat si u ontfaren, Ghi hebt u te wachtene meer Dan ghi noint hadt eer. Blijft ghesont, ende laet mi gaen.” 3025 Na deser tale ghinc hi staen Up sinen achtersten benen, Ende maende grote ende clene, Dat si alle vor hem baden, Oft si van allen weldaden 3030 Recht deel nemen wouden. Si seiden alle, dat si souden Sijns ghedinken in haer ghebeden. Nu hort vort wat Reinaert dede: Daer hi vanden coninc sciet, 3035 So droevelic hi hem gheliet, Dat hem somen sere ontfaremde. Cuwaert den hase hi becaremde: »Owi, Cuwaert, sullen wi sceiden! Oft ghi wilt, ghi sult mi gheleiden, 3040 Ende mijn vrient Belijn die ram: Ghi twee, ghine daet mi noint gram. Ghi moet mi bet vort bringhen! Ghi sijt van soeter wandelinghe, Ende omberocht, ende goedertiere, 3045 Ende ombeclaghet van allen dieren. Ghestade es uwer beider sede, Als ic doe ten tiden dede. Als ic clusenare was; Hebdi lovere ende gras, 3050 Ghine doet neghenen eesch Nochte om broot nochte om vleesch, Nochte om sonderlingher spise.” Met aldus ghedanen prise Hevet Reinaert dese II verdoort, 3055 Dat si met hem ghinghen voort, Tote dat hi quam vor sijn huus, Ende vor die porte van Maupertuus. Alse Reinaert vor die porte quam, Hi sprac: »Belijn, neve ram, 3060 Ghi moet allene buten staen: Ic moet in mine veste gaen. Cuwaert sal in gaen met mi. Here Belijn, bidt hem, dat hi Trooste wel vrouwe Hermelinen, 3065 Met haren clenen welpkinen, Als ic orlof an hem neme.” Belijn sprac: »Ic bids heme, Dat hise alle trooste wale.” Reinaert ghinc met scoonre tale 3070 So smeken ende losengieren In so menegher maniere, Dat hi bi barate brochte Cuwaert in sine haghedochte. Als si in dat hol quamen, 3075 Cuwaert ende Reinaert tsamen, Doe vontsi vrouwe Hermelinen Met haren clenen welpkinen, Die was in sorghe ende in vare; Want soe waent, dat Reinaert ware 3080 Verhanghen. Ende als soe vernam, Dat hi weder thuuswaert quam, Ende palster ende scerpe droech, Dit dochte haer wonders ghenoech. Soe was blide ende sprac saen: 3085 »Reinaert, hoe sidi ontgaen?” --»Ic bem worden pelgrijn. Here Brune ende here Isengrijn Sijn worden ghisele over mi: Die coninc hevet, danc hebbe hi, 3090 Cuwaert ghegheven in rechter soene, Al onsen wille mede te doene. Die coninc hi liede das, Dat Cuwaert die eerste was, Die ons verriet jeghen hem: 3095 Ende bi der trouwe, die ic bem Sculdich u, vrouwe Hermeline! Cuwaerde naket grote pine; Ic bem up hem met rechte gram.” Ende alse dat Cuwaert vernam, 3100 Keerdi hem omme, ende waende vlien; Maer dat ne conste niet ghescien; Want Reinaert hadde hem ondergaen Die porte, ende ghegrepene saen Bi der kelen mordelike. 3105 Ende Cuwaert riep ghenadelike: »Helpt mi, Belijn, waer sidi? Dese pelgrijn verbijt mi!” Dat roepen sciere was ghedaen, Bedi Reinaert hadde saen 3110 Sine kele ontwee ghebeten. Doe sprac hi: »Nu gawi eten Desen goeden vetten hase!” Die welpkine liepen ten ase: Ende ghinghen eten al ghemene. 3115 Hare rouwe was wel clene, Dat Cuwaert hadde verloren tlijf: Ermeline, Reinaerts wijf, At dat vleesch, ende dranc dat bloet. Ai, hoe dicke bat soe goet 3120 Den coninc, die dor sine doghet Die clene welpkine hadde verhoghet So wel met enen goeden male. Reinaert sprac: »Hi ans u wale: Ic weet wel, moet die coninc leven, 3125 Hi soude ons gherne ghiften gheven, Die hi selve niet ne woude Hebben, om VII mare van goude.” --»Wat ghiften es dat?” sprac Hermeline. Reinaert sprac: »Hets ene line, 3130 Ende ene vorst, ende twee micken; Maer maghic, ic sals ontscricken, Hopic, eer liden daghe twee, Dat ic omme sijn dreighen mee Ne gave, dan hi omme tmijn.” 3135 Soe sprac: »Reinaert, wat mach dat sijn?” Reinaert sprac: »Vrouwe, ic secht u. Ic weet een wildernesse nu Van langhen haghen, ende van heiden, Ende dier so nes niet onghereide, 3140 Van goeden ligghene ende van spisen; Daer wonen hoenre ende partrisen, Ende menegherande vogheline. Wildi doen, vrouwe Ermeline, Dat ghi gaen wilt met mi daer, 3145 Wi moghen daer wel VII jaer, Willen wi, wandelen onder die scade, Ende hebben grote ghenade, Eer wi worden daer bespiet. Al seidic meer, in loghe niet.” 3150 --»Ai, Reinaert, sprac vrouwe Hermeline, Dit dinct mi wesen ene pine, Die al gader ware verloren: Ne hebdi dit lant versworen In te wonen nemmermee, 3155 Eer ghi comt van over see? En hebdi palster ende scerpe ontfaen?” Reinaert antworde vele saen: »So meer ghesworen, so meer verloren, Mi seide een goet man hier te voren, 3160 (In rade dat hijt mi riet, Bedi neghene trouwe diet) Al vuldade ic dese vaert, En holpe mi niet (sprac Reinaert); In waers een ei niet te bat: 3165 Ic hebbe den coninc enen scat Belovet, die mi es onghereet; Ende als hi des die waerheit weet, Dat ic hem al hebbe gheloghen, Ende hi bi mi es bedroghen, 3170 Sal hi mi haten vele mere, Dan hi noint dede ere. Daer bi peinsic in minen moet, Dat varen es mi also goet Alse dat bliven (sprac Reinaert); 3175 Ende Godsat hebbe mijn rode baert, (Ghedoe hoe ic ghedoe) Oft mi troostet mee daer toe No die cater no die das, No Bruun, die na mijn oom was, 3180 Dat ic in des coninx ghenade No dor ghewin, no dor scade, Ne come; dat ic leve lancst, Ic hebbe leden so meneghen anxt!” So sere balch die ram Belijn, 3185 Dat Cuwaert, die gheselle sijn, In dat hol so langhe merrede, Hi riep, als die hem sere errede: »Cuwaert, laets den duvel wouden! Hoe langhe sal u Reinaert houden? 3190 Twine comdi uut, ende laet ons gaen?” Alse Reinaert dit hadde verstaen, Doe ghinc hi ute, tote Beline, Ende sprac al stillekine: »Ai here, twi so belghedi? 3195 Al sprac Cuwaert jeghen mi Ende jeghen sire moien, Waer omme mach di des vernoien? Cuwaert dede mi verstaen, Ghi moghet wel sachte vore gaen, 3200 Ne wildi hier niet langher sijn; Hi moet hier merren een lettelkijn Met siere moien Hermelinen, Ende met haren welpkinen, Die sere wenen ende mesbaren, 3205 Om dat ic hem sal ontfaren.” Belijn sprac: »Nu secht mi, Her Reinaert, wat hebdi Cuwaerde te lede ghedaen? Also als ic conste verstaen 3210 So riep hi harde hulpe up mi.” Reinaert sprac: »Wat sechdi! Belijn, God moete u beraden! Ic segghe u, wat wi daden: Doe ic in huus gheganghen quam, 3215 Ende Ermeline an mi vernam, Dat ic wilde varen over see, Ten eersten wart haer so wee, Dat soe langhe in onmacht lach: Ende alse Cuwaert dat ghesach, 3220 Doe riep hi lude: »Helet vri, Comt hare, ende helpet mi! Mine moie soes in ommacht.” So riep hi met groter cracht: Dit waren die worde, ende niet el.” 3225 --»Entrouwe, ic verstont ooc wel, Dat Cuwaert dreef groot mesbare: Ic waende hem iet mesvallen ware.” Reinaert sprac: »Belijn, neent niet: Mi ware liever, mesquame hier iet 3230 Minen kindren ofte minen wive, Dan mijns neven Cuwaerts live!” Reinaert sprac: »Vernaemdi iet, Dat mi die coninc ghistren hiet Vor harde vele hogher liede, 3235 Als ic uten lande sciede, Dat ic hem een paer lettren screve? Suldijt hem draghen, Belijn neve? Hets ghescreven ende al ghereet.” Belijn sprac: »Ic ne weet; 3240 Reinaert, wistic u ghedichte, Dat ghetrouwe ware, ghi mochtet lichte Ghebieden, dat iet ten coninc Droeghe, haddic eneghe dinc, Daer ict mochte in steken.” 3245 Hi sprac: »U ne sal niet ghebreken; Eer des coninx lettren bleven, Ic soude u dese scerpe gheven, Here Belijn, die ic draghe, Ende hanghense an uwe craghe, 3250 Ende des coninx lettren daer in. Ghi sulter af hebben groot ghewin, Des conincs danc, ende groot ere! Ghi sult den coninc minen here Harde willecome sijn.” 3255 Dit lovede mijn here Belijn. Reinaert ghinc in die haghedochte, Ende keerde weder, ende brochte Sinen vrient Beline jeghen Dat hovet van Cuwaerde ghedreghen: 3260 In die scerpe haddijt ghesteken, Ende hinc bi sinen quaden treken Die scerpe Beline an den hals, Ende beval hem als ende als, Dat hi die lettren niet ne soude 3265 Besien, oft hi gherne woude Den coninc tenen vriende maken; Ende seide hem, dat die lettren staken In die scerpe verholenlike; Ende oft hi wesen wilde rike, 3270 Ende sine ere hadde lief, Dat hi seide, dat dese brief Bi hem allene ware ghescreven, Ende hiere raet toe hadde ghegheven: Die coninc souts hem weten danc. 3275 Dat horde Belijn, ende spranc Vander stede up, daer hi stoet, Meer dan enen halven voet, So blide was hi vander dinc, Die hem te torne sint verghinc. 3280 Doe sprac Belijn: »Reinaert, here, Nu wetic wel, dat ghi doet ere Mi selven, ende die sijn int hof! Men sals mi spreken groten lof, Als men weet, dat ic can dichten 3285 Met sconen worden ende met lichten; Al si dat ics niet ne can. Men seit, hets dicke menich man Grote ere ghesciet, dat hem God onste, Van dinghen, die hi lettel conste.” 3290 Hier na sprac Belijn: »Reinaert, Wats u raet? wille Cuwaert Met mi weder te hove gaen?” --»Neen hi (sprac Reinaert); hi sal saen Volghen bi dien selven pade: 3295 Hine hevet noch neghene stade. Nu gaet vore met ghemake! Ic sal Cuwaerde sulke sake Ontdecken, die noch es verholen.” --»Reinaert, so blivet Gode volen!” 3300 Mettien hi dede hem up die vaert. Nu hort, wat hi doet, Reinaert: Hi keerde in sine haghedochte Ende sprac: »Hier naect ons groot gherochte, Bliven wi hier, ende grote pine: 3305 Ghereet u, vrouwe Hermeline, Ende mine kindre also algader; Volghet mi, ic bem u vader, Ende pinewi ons, dat wi ontfaren.” Doene was daer gheen langher sparen: 3310 Si daden hem alle up die vaert: Ermeline ende here Reinaert, Ende hare jonghe welpkine, Dese anevaerden die woestine. Nu hevet Belijn, die ram, 3315 So ghelopen, dat hi quam Te hove, een lettel na middach. Als die coninc Belijn ghesach, Die die scerpe weder brochte, Daer Brune die bere so onsochte 3320 Te voren omme was ghedaen, Doe sprac hi te Beline saen: »Here Belijn, waen comedi? Waer es Reinaert? hoe comt, dat hi Dese scerpe niet en draghet?” 3325 Belijn sprac: »Coninc, ic maghet U segghen also alse ict weet. Doe Reinaert al was ghereet, Ende hi tcasteel rumen soude, Doe seide hi mi, dat hi u woude 3330 Een paer lettren, coninc vri, Senden; ende doe bat hi mi, Dat icse droeghe dor uwe lieve. Ic seide, meer dan VII brieve Soudic dor uwen wille draghen. 3335 Doe ne conste Reinaert niet bejaghen Daer ic die brieve in draghen mochte: Dese scerpe hi mi brochte Ende die lettren daer in ghesteken. Coninc, ghine horet noint spreken 3340 Van betren dichtre dan ic bem: Dese lettren dichte ic hem, Gaet mi te goede, oft te quade; Dese lettren sijn bi minen rade Aldus ghemaect ende ghescreven.” 3345 Doe hiet hem dien coninc gheven Den brief Botsaerde, sinen clerc: Dat was hi, die hantwerc Bet conste dan iemen die daer was. Botsaert plach emmer dat hi las 3350 Die lettren, die te hove quamen. Bruneel ende hi si namen Die scerpe vanden halse Beline, Die bi der dompheit sine Hier toe hadde gheseit so verre, 3355 Des hi snieme sal worden erre. Die scerpe ontfinc Botsaert, die clerc. Doe moeste bliken Reinaerts werc. Alse hi dat hovet vort trac, Botsaert, ontsach dat, ende sprac: 3360 »Helpe, wat lettren sijn dit! Here coninc, bi miere wit, Dit es dat hovet van Cuwaerde! Owach, dat ghi noint Reinaerde, Coninc, ghetrouwedet so verre!” 3365 Doe mochtemen droeve sien ende erre Dien coninc entie coninghinne. Die coninc stont in droeven sinne, Ende sloech sijn hovet neder. Over lanc verhief hijt weder 3370 Ende begonste werpen uut Een dat vreselijcste gheluut, Dat noint van diere ghehort waert. Ghene diere waren vervaert. Doe spranc vort Firapeel, 3375 Die lupaert: hi was een deel Des coninx maech, hi mocht wel doen; Hi sprac: »Here, coninc lioen Twi drijfdi dus groot onghevoech? Ghi mesliet u ghenoech 3380 Al ware die coninghinne doot. Doet wel ende wijsheit groot, Ende slaect uwen rouwe een deel.” Die coninc sprac: »Her Firapeel, Mi hevet een quaet wicht so verre 3385 Bedroghen, dat ics bem erre, Ende int strec gheleet bi barate, Dat ic recht mi selven hate, Ende ic mine ere hebbe verloren. Die mine vriende waren te voren, 3390 Die stoute Brune, ende Isengrijn, Die rovet mi een valse pelgrijn: Dat gaet miere herten na so sere, Dat het gaen sal an mine ere, Ende an mijn leven: het es recht!” 3395 Doe sprac Firapeel echt: »Es daer mesdaen, men salt soenen. Men sal den wulf ende Bruun den coenen, Ende vrouwe Hersinde also wel, Betren hare mesdaet snel; 3400 Ende haren toren, ende hare pine Versoenen met den ram Beline, Na dat hi selve heeft gheliet, Dat hi Cuwaerde verriet; Hi heeft mesdaen, hi moet becopen. 3405 Ende daer na sullen wi alle lopen Na Reinaerde, ende sulne vanghen, Ende bi siere kelen hanghen, Sonder vonnesse, hets recht.” Doe andworde die coninc echt: 3410 »Owi, here Firapeel, Mochte dit ghescien, so ware een deel Ghesocht die rouwe, die mi slaet!” Firapeel sprac: »Here, jaet, Ic wille maken gaen die soene.” 3415 Doe ghinc Firapeel, die coene, Daer hi die ghevane vant: Ic wane dat hise eerst ontbant, Ende daer na sprac: »Ghi heren beide, Ic bringhe u vrede ende vast gheleide: 3420 Mijn here die coninc groet u, Ende hem berouwet sere nu, Dat hi jeghen u heeft mesdaen. Hi biet u, wildijt ontfaen, (Wie so blide si ofte gram,) 3425 Hi wille u gheven Belijn den ram, Ende alle ser Belijns maghe, Van nu toten doemsdaghe: Eist int velt, eist int wout, Hebse alle in u ghewout, 3430 Ende ghise gheweldelike verbit: Die coninc ombiet u vor al dit, Dat ghi moghet sonder mesdaet, Reinaerde toren ende quaet Doen, ende allen sinen maghen, 3435 Waer so ghise moghet belaghen. Dese grote vriheden Wille u die coninc gheven heden Te vrien lene, ewelike; Ende hier binnen wilt die coninc rike, 3440 Dat ghi hem sweret vaste hulde. Hine wille ooc bi sinen sculden Nemmer jeghen u mesdoen. Dit biet u die coninc lioen. Dit nemt, ende leeft mit ghenade: 3445 Bi Gode, ic dart u wel raden!” Isengrijn sprac toten bere: »Wat sechdire toe, Brune here?” --»Ic hebbe liever in die risere, Dan hier te ligghene int isere: 3450 Laet ons toten coninc gaen, Ende sinen pais daer ontfaen.” Met Firapeel dat si ghinghen, Ende maecten pais van allen dinghen.
__________
VERSNOTEN
Vs. 1-9: Zie de Inleiding, § II.
Vs. 2: Dicken, en zoo gewoonlijk, b.v. 70, 344, 1130, 1392, 1475, 1518, 1730, 1746, 1781, 2337, 3288.
Vs. 10: hulpen jonnen
Vs. 11: keert
Vs. 14: Ofte
Vs. 24: Daden si wel si soudens b. Mijne verandering rust op Mnl. Versbouw, bl. 120 en 138.
Vs. 25: Dat en s.
Vs. 28: hovescheden
Vs. 29: keert
Vs. 35: eren
Vs. 36: L. Ende haer daer toe keren? Opdat even als het voorgaande vs. ook dit slechts drie verheffingen hebbe?
Vs. 39: C. sinnen
Vs. 41: C. tsinxen, Gr. pinxen
Vs. 47: ten wel gr. l. Moet men dit en het volgende vers ook met drie arses lezen? aldus: Houden te groten love. Doe quam tes coninx hove?
Vs. 52: ne invoegsel van mij
Vs. 60: C. metten grisen b.; doch zie 3176, en verg. 940, 3745, 3771. Grijs daarentegen heet de wolf, 2266.
Vs. 66: Dor u ed. ende dor u ere
Vs. 67: Ende dor r. e. d. ghenaden
Vs. 68: miere, dus CGr.; W. verandert: der groter; maar verg. 318.
Vs. 74: W. minen kindren.
Vs. 76: meer, invoegsel van WILLEMS.
Vs. 78: hoondi
Vs. 79: CGr. sint, dat W. blootelijk wegwerpt.
Vs. 80: enen
Vs. 85: ontvoer ons in. Maar het Fr. heeft 9691: Il se retraist mout tost arière, Si se féri en sa taisnière.
Vs. 93: Inne, dus C. bij GrW. Ine. Zoo ook 492, 560, 1609.
Vs. 97: Onghebetert no onghewroken. CGrW. No onverswegen, no ongewr., hetgeen met den voorgaanden regel geen zin oplevert. De omwerking gaf de verbetering aan de hand. Bij het lezen moet no ongewr. samenvloeyen. Zoo vs. 404 no onse; doch zie mijne verbetering aldaar.
Vs. 100: Moet men lezen: Ende claghede in Fr.?
Vs. 101: arem
Vs. 107: die wart gram
Vs. 119: W. enen.
Vs. 124: omberet C. Gr. omberecht; maar zie 127.
Vs. 126: Pancer de bever sprac; mijne uitlating, door den versbouw gevorderd, steunt op de omwerking. Men leest intusschen vs. 107: Tibert die cater; 138: Cuwaerde den hase, en 177: Grimbert die das in het rijm; evenzoo vs. 247, 479, enz.
Vs. 133: CGr. mochtire. CGrW. an.
Vs. 135: Wat sechdi van omberen claghe; ik meen aldus den onzin van het hs. te moeten herstellen, waar men leest: Wat sechdi van eere lage. Tibert had immers van geene lage gesproken; wel van eene claghe, en bepaaldelijk van het omberen (achterlaten) der clage van Cortois. De verbetering van den omwerker (van eenre sagen) was niet gelukkig.
Vs. 136: in W. aen.
Vs. 138: An Cuwaerde den hase d. h. st.; doch zie op vs. 126.
Vs. 139-140: Moet men ook lezen: ghederde: verde? Dan zou die slaan op overdaet en niet op Cuwaerde. Ook vs. 166 leest men verde voor vrede; maar wederom 266 vrede in 't rijm.
Vs. 140: hi hem
Vs. 141: des coninx
Vs. 145-6: sine beene: over eene; doch been in 't meervoud is naar den regel.
Vs. 146: begonsten si
Vs. 149: te dien
Vs. 153-4: vaerde: Reinaerde
Vs. 155: lessen
Vs. 158: kele
Vs. 159: thooft af hebben genomen, in strijd met rhythmus en oud spraakgebruik.
Vs. 160: te hulpen
Vs. 161: aventuren
Vs. 163: here
Vs. 166: dus es; GrW. vrede
Vs. 167: als uwe mannen
Vs. 168: noch invoegsel van mij.
Vs. 172: Here, waer R. doot; de vocativus is hier echter geheel ongepast, daar niemand in 't bijzonder wordt toegesproken; hij bederft slechts het vers.
Vs. 175: binnen eere. De zin zoowel als de versmaat eischt de verbetering; binnen de, binnen deze maand is krachtiger en gepaster.
Vs. 183: talen
Vs. 185: als
Vs. 187: angaen. Moet men naar de hedendaagsche vlaamsche uitspraak lezen: wilde anegaen?
Vs. 191-4: Men konstruere aldus: Entie, van minen oom ende van u, meest andren heeft mesdaen, sal den andren in bate staen.
Vs. 192: baten
Vs. 194: ne invoegsel van mij.
Vs. 198: En soude den coninc niet d. g.
Vs. 199: bleves heden onb. Blijkbaar een inlapsel, dat zelfs de omwerker niet heeft. Gr. en W. veranderen blevets, maar hoewel duidelijker, is de invoeging der t onnoodig.
Vs. 201: Moet Dicwile niet worden veranderd in Dicke, wegens den valschen klemtoon? Verg. 207.
Vs. 207: wisen
Vs. 210: volghedet, C. volghet; bij Gr. en W. volchdet--van verren.
Vs. 211: die beste pladise; maar vs. 213 leert dat hij niet alleen de beste, maar alle visschen opslokte.
Vs. 212: Daer ghi u ane h. vers.
Vs. 214: een l. eens?
Vs. 215: Dat ghi, doch 216 leest men dat ghine, bij Gr W. verandert in ghijt. In de taal van 't dagelijksch leven is in Holland grat (graat) echter nog onzijdig.
Vs. 225: L. soe's so
Vs. 228: sorghe
Vs. 229: warpene
Vs. 231: dor Isengrijm
Vs. 232: meer dan ic u rijm. De omwerking wees de verbetering aan.
Vs. 233: genoegh; maar ook 1625 leest CGr. ghenoech voor ghevoech, gelijk GRÄTER ontelbare malen de n en de v verwart.
Vs. 234: C. Nochtan ō meer; GrW. Nochtan om meer.
Vs. 236: Reinaerde
Vs. 238: makedent
Vs. 244: Reinaert
Vs. 246: talen; bij W. tale, maar achter wat volgt meestal een genit. plur. Zie Walewein II D., bl. 239, en voeg er bij Ferg. 2036 wat saken; en hier 2884 wat claghen, 3129 wat ghiften.
Vs. 247: maket here Cuwaert
Vs. 249: C. Credo
Vs. 252: W. in trouwen
Vs. 256: CGr. Ende hoordi
Vs. 258: qualike. C. heeft Onrecht: de verbetering is van Gr., die haar verklaart »jure, mit recht”. Reineke heeft ook 262 mit rechte.
Vs. 260: verjonnen; ik kies hier de ouder vorm.
Vs. 269: een hare.
Vs. 272: danen; CGr. seidi
Vs. 274: Sinen
Vs. 279: Bleec es hi ende mager van pinen
Vs. 280: carinen
Vs. 281: sine
Vs. 283: dese
Vs. 286: ene
Vs. 287: C. ende hiet Coppe
Vs. 288: Dier: W. leest met C. Die; en Gr. Der
Vs. 291: voor die bare; maar dat dit eene interpolatie is leert de versmaat en de omwerking.
Vs. 293: Gr. ieweder siden; C. baren.
Vs. 295: Die een hane hiet Cr.; doch verg. 298.
Vs. 296: na ontbr. in C.; reeds door Gr. ingevoegd.
Vs. 297: goeden
Vs. 300: Die scoonste hane diemen v.
Vs. 301: Tusschen Portaengen ende Polanen. WILLEMS vertaalde: »tusschen Britanje en Polen.” De omwerker heeft: Tusschen Hollant ende Ordanen. Vs. 3023 Tusschen Pollanen ende Scouden; 599 Tusschen hier ende Portugale.
Vs. 303: C. berrende De verandering is van Gr.
Vs. 307: sustre
Vs. 311: Van haerre suster
Vs. 318: C. scaden
Vs. 320: C. mine sustren
Vs. 321: Ende sere hebben haren onwille.
Vs. 324: CGr. men siet
Vs. 332: te dien broede
Vs. 334: scone
Vs. 335: W. eenen, CGr. ene
Vs. 337: honden
Vs. 338: CGr. dierfel l. dier-vel?
Vs. 342: ne ontbreekt.
Vs. 344: om de mure l. ombe mure? verg. VELTH, bl. 55, en zie hier vs. 393, 1710
Vs. 345: om ons
Vs. 347: Riepen si maar uit 349 blijkt dat er liepen moet staan. Herhaaldelijk is uit C. de kapitale L kwalijk als R gelezen: b.v. 721 ook Riept voor Liept, en verder 165, 424, 791, 793, 796, 815, 838, 863, 1299, 1367, 1387. Zie GRIMMS Kollatie.--si l. siere (Liepsiere)?
Vs. 349: avonturen
Vs. 353: baraten
Vs. 354: Dattene God moete verwaten. De omwerking gaf de verbetering aan de hand.
Vs. 357: Reinaert die m. d. Blijkbaar is de eigennaam een glosseem van een afschrijver, die terugdeinsde voor de betooning: Dié mordádège diéf, waarover zie Mnl. Vsb. bl. 76-78 en 69.
Vs. 361-2: began lesen, Dochte mi daer an ghescreven wesen; doch wesen ontbr. in C. door Gr. aangevuld.
Vs. 364: alle
Vs. 365: C. Alle
Vs. 367: hi mi ander. Men zou ook kunnen lezen: mi and'r niemáre, maar ook vs. 1577, 1603 is de betooning niémáre.
Vs. 370: Ende hi hadde ghedaen vele sware, hetgeen met het volgende vers geen zin oplevert. De stoplap te waren vindt men ook 603.
Vs. 371: sine
Vs. 376: moogdi
Vs. 381: sielen
Vs. 385: C. priemen GrW. primen
Vs. 387: te dien
Vs. 392: Dat ic al met m. br.
Vs. 393: Sonder s. ginc b.
Vs. 397: hadde ons die p.
Vs. 398: W. kindren
Vs. 401: Mesval mi doe nakede. Het eerste woord is aan de omwerking ontleend, CGrW. Quade avonture mi d. n., hetgeen vijf voeten aan het vers geeft, dat er, om het volgende, maar drie duldt.
Vs. 404: no onse hont; maar het voorgaande ons is de acc.; buitendien waren er meer honden, zie 346.
Vs. 406: dat laet, doch zie vs. 318, 420.
Vs. 413: vieren
Vs. 417: hinne ontbreekt bij CGrW.
Vs. 418: dese
Vs. 421-2: Die c. spr. Grimbert die das (:was), hetgeen in voc. onmogelijk is. Dat dit echter de oude lezing is, leert de omwerking. Evenzoo heeft het Fr. 10445: »Où estes-vos, Tyber li chaz?”
Vs. 425: hier, W. heer
Vs. 428: sielen
Vs. 430: moeter al gh.
Vs. 432: wise, beter wine? Dit slaat dan niet op dochter (427), maar op lichame.
Vs. 437: dese
Vs. 439: C. jonghe
Vs. 445: C. horen.
Vs. 447: Neware, met C. en Gr., bij W. Ne mare; doch zie vs. 95, 174, 1749.
Vs. 448 en 9: sielen
Vs. 451: Coppen, dus C., maar Gr. en W. veranderen Coppe.
Vs. 455: CGr. daer an sach; W. daer sach
Vs. 456: CGr. Die saerc; W. An den s.
Vs. 457: Dede an
Vs. 463: Reinaert die vos
Vs. 465: mouden.
Vs. 466: te sinen dus GrW., C. heeft tsinen.
Vs. 470: waren si
Vs. 471: si daar den
Vs. 472: hine dan soude
Vs. 474-5: No dor scade ... ne liete. Zie over de elliptische spreekwijs DE VRIES, Brief over Karel den Gr., bl. 17. Voor liete heeft C. lette. GRIMM gaf de aanvankelijke verbetering aan de hand, lezende lete, waarschijnlijk naar Reineke 454.
Vs. 474: vromen
Vs. 476: Brunen, CGrW. lezen Brune, maar zijn in het gebruik van dezen eigennaam zeer onregelmatig. Ik vind: N. Bruun, vs. 510, 525, 776, 850. G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, vs. 476, 645, 2257. A. Bruun, vs. 544, 911. Maar ook volgens GRIMMS paradigma, Gram. I, 772-773: N. Brune, vs. 497, 518, 574, 608, 809, 818, 839, 843, 863, 952, 961, 988, 3391. G. Brunen, vs. 2413. D. Brunen, vs. 657, 773, 807, 2439, 2450, 2820; Bruun, 479, 931. A. Brune, vs. 978, 983, 2256, 2309, 2816. Ik heb de zwakke vorm voorgetrokken.
Vs. 478: was die coninc sc. b.
Vs. 480: vor dit here. Ook het Fr. heeft 10450 En la presence de ma gent.
Vs. 483: Gr. waecht
Vs. 495: ende hi sal naken
Vs. 501: Ende dat hem
Vs. 503: in CGrW. dor
Vs. 514: van ontbr.
Vs. 516: sorghen
Vs. 520: CGr. Daer hi
Vs. 526: bi sinen goden, CGrW. gode
Vs. 528: vor mi bringhe. Bij den eersten opslag zou men twijfelen of er ook moet gelezen worden: vor hem, n.l. den koning. De omwerking heeft: myt mi. De lezing schijnt echter echt, en te beteekenen: voor mij uit;
Vs. 529: te nemen
Vs. 530: vreden
Vs. 546: eren
Vs. 550: qualic
Vs. 556: den buuc so gh.
Vs. 557: Ende in so ut. w.
Vs. 561: L. Ic bem so ute sat?
Vs. 565: C. mooghdi, GrW. moogdi.
Vs. 566: wie moeten
Vs. 567: CGr. wie node
Vs. 568: Goeder levert geen gezonden zin, daar uit het voorgaande blijkt, dat Reinaert met die versche honichraten niet veel ophad. Zie over den oorsprong dezer onoverdachte lezing de inleiding, § III.
Vs. 569: Gr. en W. beiden lezen hier: Hebbic commer harde groot, dat W. trachtte te verklaren door: »Ik heb grooten kommer wegens goede versche honigraten”; hetgeen evenwel niet veel opheldert, daar R. blijkbaar geen kommer had, maar overvloed. Trouwens, commer, staat ook niet in C. Men leest daar, volgens de kollatie van GRIMM, coiiiier, dat blijkbaar slecht gelezen is voor couuer. Nu drukt het hs. overal den tweeklank oe uit door ou. Zoo b.v. 233 ghenouch, 234 onghevouch, 324 bloumen, 459 bouc, 614 louch, 658 ghevouch, 662 prouft, 848 ouuer (oever), 1429 drouve. Blijkbaar is dus couuer het bekende coever, dat voorraad, overvloed, copia beteekent, en Flor. 1843, Limb. I, 2674 voorkomt. Verg. DE VRIES, Woordenlijst, op den Lsp. i. v. vercoeveren. Zoo wordt de zin zeer verstaanbaar.
Vs. 574: De nieuwe alinea begint bij CGrW. eerst een vers later.
Vs. 578: voor alle
Vs. 579: Ende icse voor alle g. m.
Vs. 585: W. Gewinne
Vs. 587: spot met u, neen
Vs. 590: trouwen
Vs. 592: u so vele
Vs. 593, 5: tienen
Vs. 594: daer met l. daer an?
Vs. 601: R. sp.: Bruun wat sechdi
Vs. 605: soudic u g.
Vs. 615: helt
Vs. 618: Also; Zoo ook later dikwerf.
Vs. 622: nemmee, dus C. bij GrW. nemmeer
Vs. 624: es mine avonture g.
Vs. 626: sult lachen
Vs. 627: ghinc Reinaert; doch zie Mnl. Versbouw, bl. 153.
Vs. 632: CGrW. voeren gaen
Vs. 636: Gi sult noch heden hebben, s. w.
Vs. 637: als ghi
Vs. 640: Die keitijf Bruun n. w. n.; maar zie alweder Mnl. Vsb., bl. 152
Vs. 641: Waer hem Reinaert die tale keerde
Vs. 645: Brune
Vs. 646: Tote, W. Tot
Vs. 648: C. Dat waer was eist so. De omzetting is van GRIMM.
Vs. 654: Also, l. Alse?--temmermans, het gewone meervoud.
Vs. 655: ontdaen
Vs. 659: nemet
Vs. 667: niet verdervet
Vs. 670: Brune sprac: R. ne. s. niet
Vs. 672: spele
Vs. 675: crupet daer in
Vs. 678: Dat hi th.
Vs. 679: die twee voordere v.; maar verg. 695, en zie het Fransch 10293.
Vs. 682-3: Die daer te voren ginc so smeken, Bruun bleef enz. Maar niet Bruun, wel Reinaert had den ander gesmeekt, d. i. gefleemd. Bruun heb ik wegens de maat in Hi veranderd; zie Mnl. Vsb., bl. 153.
Vs. 685: brocht (GrW.), C. bracht
Vs. 685: In boosheden brocht met sulker achte. De omwerking heeft: Gebrocht myt loosheit in sulker achten
Vs. 693: dulen, door SNELLAERT in de tweede uitgave bl. 353 ten onrechte veranderd in hulen; het komt evenzoo voor Wal. 9714, waar ik verkeerdelijk schreef huulde. Zoo ook Lanc. 3, 3805.
Vs. 694: ghegrepen bi sier mulen
Vs. 699-700: Ende sach comen Lamfreide, Die up sinen hals brochte beide. Maar Lamfreide in acc. is niet te dulden, verg. 860; ook beide kan de ware lezing niet zijn, want in 701: Een scarpe haex ende ene baerde (CGrW.) is ende blijkbaar geïnterpoleerd, daar het woord baerde alleen de verklaring is van haex, waarvoor vs. 716 gelezen wordt bile. De timmerman droeg geen twee aexen, zoo als ook blijkt uit vs. 735.--Het onzochte, dat ik in den tekst bracht, vindt men ook 990 en 3320.
Vs. 702: moogdi
Vs. 703: sinen oom
Vs. 705: Dit herinnert aan het Lodewijkslied, waar het heet: Her skancta ce hanton Sinan fianton Bitteres lides.
Vs. 707: talen
Vs. 713: Hi liep, maar verg. 1333.
Vs. 725: quamen, lees quam, zie op vs. 48.
Vs. 726: kerke
Vs. 734: Voor
Vs. 738: al jeghen al, W. alle jegen al.
Vs. 740: De nieuwe alinea heb ik een regel lager geplaatst.
Vs. 741: al werpt W. uit
Vs. 744: hi daer van den
Vs. 750: alle
Vs. 751: Ende sine twee h. b.
Vs. 755: niet conste
Vs. 757: ne is door mij ingevoegd.
Vs. 758: no vlien.
Vs. 765: lieden
Vs. 766: Daer na quam
Vs. 767: ouden
Vs. 768: enen
Vs. 773: arem
Vs. 777: riviere
Vs. 784: al te scarp, CGrW. alre scarpst. Het rijm eischt de verandering. Al te in de beteekenis van zeer, bijzonder, is bekend. Zoo b.v. Wal. 10711.
Vs. 788: scerpe loghe, niet in één woord zoo als in de vorige uitgaven. KAUSLER heeft het eerst die plaats terecht gebracht in zijne Altniederl. Denkm. II, bl. XXII.
Vs. 789: Ghinkene
Vs. 790: ende mijn vrouwe Bave; maar mijn vrouwe is een jonger vorm: mijn ontbreekt ook in de omwerking.
Vs. 791: onder die voete; wij kiezen de meest gebruikelijke vorm, zie GRIMMS D. Gramm., IV, 427 en 413.
Vs. 792: ene cloete
Vs. 795: ghinc met
Vs. 797: hem alles te voren
Vs. 800: Huge CGrW. Hugelin; maar ook de omwerking heeft Huge.--beene
Vs. 801: dat weet men wale
Vs. 803: W. vrouwen
Vs. 804: Eens houtmakigge; maar blijkbaar is het teeken voor er over het hoofd gezien. Zoo leest men ook Ferg. 74 scepsterigge; Rose 6319 tavernierigghe.
Vs. 808: sijn bloet
Vs. 811-12: liet.... ghedichte gaen, C. l. ghestichte slaen; maar ghestichte heeft Gr. reeds verbeterd.
Vs. 815: wilen
Vs. 819: verspranc Gr. wil ten onrechte lezen ver spranc
Vs. 820: riviere
Vs. 822: viven
Vs. 823: W. rivier
Vs. 842: Die wile dat si... uuttraken; maar achter die wile kan dat ontbreken. Zie b.v. Gloss. Lsp. op Wile; Kar. Gr. I, 1055.
Vs. 847: niet mochten
Vs. 850: in die riviere
Vs. 852: bat hi dat
Vs. 853: verdoemen (Gr.), verdrouven (C.)
Vs. 860: vander
Vs. 861: Dat, CGrW. Dar (?)
Vs. 864: een
Vs. 873: Gheen dier
Vs. 874: jamerlik
Vs. 880: danen, C. dannen
Vs. 887: (rumen GZ?)
Vs. 890: nederwaert, CGrW. neder; maar verg. 910.
Vs. 894: dat sweet
Vs. 895: Neder liep
Vs. 896: riviere
Vs. 899: sijn herte
Vs. 905: Die hebbic
Vs. 909: in dese
Vs. 912: CGr. Enten eersten; W. Ende ten eersten
Vs. 915: Daer lach in (m̄?) toren
Vs. 917: dijn
Vs. 920: eren
Vs. 930: straten
Vs. 932: al een bloet, niet met den klemtoon op een, als thans.
Vs. 934: bere, dus C. waarvoor GrW. beren.
Vs. 939: so siettene
Vs. 944: roden
Vs. 945: So weder sidi abd
Vs. 946: ore
Vs. 947: dese crune
Vs. 953: hem, C. const doe; GrW. conste doe. Moet men lezen: Dat hine conste niet ghespreken? Verg. de var. bij WILLEMS, en het Fransch, 10416: L'ors estoit si asolez qu'il ne li pot respondre mot.
Vs. 954: hem so d. sijn herte
Vs. 957: nemmeer horen die tale
Vs. 958: neder daer te d.
Vs. 963: sine voete
Vs. 971: sine
Vs. 972: scamen
Vs. 978: daer door mij ingevoegd.
Vs. 982: die, W. dat
Vs. 983: L. hadde bekent?
Vs. 984: Ende seide dit es
Vs. 988: Binnen desen
Vs. 992: u selves.
Vs. 997: als
Vs. 1001: hoechste. Moet men ook lezen hoochste baroene? verg. 1005, 1333.
Vs. 1004: Doe rieden si hoe d. d. schrijffout ontstaan uit verzien van vs. 1006.
Vs. 1006: daer, invoegsel van mij; meesten.
Vs. 1007: Dat menne (C. niene; W. men) twee werven
Vs. 1011: Dat Tibert die cater van desen
Vs. 1012: Tote R. bode soude wesen
Vs. 1016: Gaet wech eer; maar blijkbaar moet wech hier worden verworpen, (verg. 1025, 1037) even als vs. 1360, waar het tegen de maat strijdt, en ook niet in de omwerking gevonden wordt.
Vs. 1021: uwen
Vs. 1023: Men salne drie werven dagen. Blijkbaar valsche lezing; want vooreerst kon het zijnen magen niet tot schande strekken (vs. 1024) als hij naar de wet driemaal werd ingedaagd. Bovendien had de Koning gezegd (1022): komt hij op deze tweede indaging niet, het zal niet goed met hem afloopen. De gemaakte verandering is nu ook in overeenstemming met 1070, en met het Fransch 10452.
Vs. 1024: alle
Vs. 1033: groot nochtan. De omwerking, die wats dan heeft, gaf de verbetering aan de hand. Wattan leest men ook vs. 245, 1296.
Vs. 1038: helpe mi God;
Vs. 1039: het nu moete
Vs. 1042: CGr. nu af
Vs. 1047: ende quam, dus C., bij GrW. die quam
Vs. 1048: wart Tibert vro
Vs. 1049: GrW. Ende riep al heil! wil God edel vogel. Deze en de volgende regel worden in C. vervangen door dezen eenen: Ende riep an sinte Martins voghel. GRIMM herstelde den tekst naar den prozadruk. Ik heb niet geaarzeld de woorden wil God weg te werpen, die ook Reineke 943 niet heeft.
Vs. 1051: C. Nu vliech, de verand. is van Gr.
Vs. 1058: ter rechter
Vs. 1059: C. waende hi
Vs. 1062: als
Vs. 1066: Reinaerde
Vs. 1069: W. moet
Vs. 1071: niet te hove
Vs. 1075: Ik mistrouw dezen geheelen regel; maar in allen gevalle kan men niet lezen met CGrW.: Bi Gode dat jan ic u wale. Het ww. onnen regeert den GZ.
Vs. 1077: coste
Vs. 1079: die es
Vs. 1082: Ten ende
Vs. 1085: willen wi
Vs. 1088: ooc onder alle mine mage
Vs. 1097: C. Maerghin, zoo ook 1377, 1396.
Vs. 1098: beteren raet.
Vs. 1099: beter ghedaen
Vs. 1104: noint door mij ingevoegd.
Vs. 1105: beter
Vs. 1107: bi daghe, verbetering van WILLEMS; CGr. daer
Vs. 1109: CGr. nemmermee; W. nemmermeer
Vs. 1111: Gi moet herbergen tavont met mi, dat mij voor geene scansie vatbaar schijnt. Távont in taméer te veranderen scheen de klemtoon te eischen: het woord is goed vlaamsch, en komt b.v. in den Ferguut voor vs. 744 en 751, waar de uitgaaf leest te meer. Zie overigens mijn artikel in den K. en L.bode, 1845, no. 36.
Vs. 1113: of ic hier bleve
Vs. 1115: Hier es d. sp. quaden t.
Vs. 1116: mocht
Vs. 1118: utermaten, maar te mate is beter in de maat, en meer overeenkomstig met vs. 1115.
Vs. 1119: moochdi
Vs. 1121: el ontbreekt in 't hs., waar men leest: Reinaert hebdi mi i. h., hetgeen Gr. behield; maar W. wierp den eigennaam uit en laschte in anders; maar verg. vs. 571, 3225.
Vs. 1123: lietic, zoo als GRIMM met C. heeft. WILLEMS veranderde het in lictic, dat wel geen drukfout is, zoo als men uit zijne verklaring van gewaerd mag afleiden.
Vs. 1125: Soete Tibert
Vs. 1130: hordic, C. hoere ic, GrW. hore ic
Vs. 1137: alle
Vs. 1143: al haddi minen vader doot; Epische uitdrukking, zie Wal. II, 281.
Vs. 1145: Reinaert sprac: neve h. uwen spot
Vs. 1146: Neenic, Reinaert a. h. m. G.
Vs. 1153: enen
Vs. 1157: nemmer meer
Vs. 1160: gaen wi
Vs. 1168: enen
Vs. 1182: no lat
Vs. 1187: beiden, W. leiden
Vs. 1190: Tibert siet
Vs. 1192: eren
Vs. 1199: Wanen ---- desen wanc
Vs. 1202: een strec, maar er was vs. 1177 reeds van gesproken.
Vs. 1209: wroeghede, C. wronghede, dat WILLEMS verklaarde verwrong, en GRIMM evenzoo; maar uit den voorgaanden en volgenden regel blijkt, dat er een woord moet staan, dat zich verraden, aanklagen, beteekent. Nu is het vreemd, dat Gr. noch W. hier de verbetering aanbrachten, die toch 113 was aangewend, waar men in het hs. had gelezen wronghene, voor wroughene, d.i. wroeghene. Evenzoo 1605 las Gr. terecht droeghene, waar zijne kollatie heeft dronghene, d.i. droughene. Over het gebruik van ou voor oe zie op 569.--In denzelfden zin wordt overigens wroeghen wel meer gebruikt.
Vs. 1218: dus atet
Vs. 1222: inlanc so bet. Zoo leest C., waarvoor bij Gr. ni lanc, waarmede hij natuurlijk geen weg wist. W. verbeterde je lanc, maar inlanc is de oorspronkelijke vorm
Vs. 1225-6: De lezing is van W. die dus het blijkbaar bedorven hs. herstelde, dat heeft: Dat, Tibert, daer m. u ware, Isengrijn die m.
Vs. 1232: Martinet riep
Vs. 1243: W. in huus
Vs. 1245: ute sinen bedde
Vs. 1253: W. rocken
Vs. 1259: spaerdene; maar sparen beteekent hier niet parcere, maar morari. Zoo vs. 1244. Verg. verder Car. en Eleg. gloss.
Vs. 1260: enen. Zoo ook 1263.
Vs. 1267: scanden
Vs. 1275: sielen
Vs. 1276: sine wilde
Vs. 1280: Int sleets
Vs. 1282: sone, dus W.; bij CGr. neve.
Vs. 1284: mijn scande
Vs. 1285: Emmermeer voort in a. st.
Vs. 1286: wonden
Vs. 1287: ten C. den, reeds verbeterd door Gr.
Vs. 1288: noch doe
Vs. 1292: sinen scerne
Vs. 1298: te mere, CGrW. te min
Vs. 1304: ne ontbr.
Vs. 1306: GrW. Doe hiefsene; maar C. heeft duidelijk hieffene: Doe is blijkbaar bedorven uit Soe.
Vs. 1311, 12: sorghen
Vs. 1316: C. sine
Vs. 1319: ute ten
Vs. 1324: wisen
Vs. 1331: Den coninc dreigen; maar twee verzen achter elkander met hetzelfde appellatief te laten aanvangen, ging niet; blijkbaar staat men in vs. 1330 voor menne. Of dreigen wel het echte woord is?
Vs. 1337: Hoe men Reinaert ter redenen brochte
Vs. 1344: waerven
Vs. 1345: enen
Vs. 1348: Daer hi af
Vs. 1350: dattene
Vs. 1355: niemene en es
Vs. 1356: So helpe
Vs. 1360: gaet wech ende sijt
Vs. 1362: Grimbert sprac
Vs. 1368: ten eersten. Doch zie hier vs. 1435, 2058, en verg. Wal. 1533 eerst; 8875 van eerst.
Vs. 1369: sinen. Groeten met DP.? Verg. Gram. IV, 606. Of ellipt. genit.?
Vs. 1376: waerven
Vs. 1377: vermerrendi
Vs. 1380: inden derden
Vs. 1381: Uwen casteel
Vs. 1386: C. haer l. hare?
Vs. 1390: W. ten hove
Vs. 1393: avonturen
Vs. 1396: Maerghin (W. Morgen) sciet; doch verg. Reineke 1308.
Vs. 1400: binnen den
Vs. 1411: Hoort, seit hi
Vs. 1414: alle dandre
Vs. 1417: sine muulkine
Vs. 1420: harde lief; doch verg. Reineke 1362.
Vs. 1421: Ja als
Vs. 1422: van hier moet
Vs. 1427: de sine
Vs. 1428: ruumde
Vs. 1434: hoort
Vs. 1436: met Grimberte
Vs. 1436: seide, dus C.; GrW. seiden
Vs. 1438: sorghen
Vs. 1441: te biechten
Vs. 1444: sijn vergaen; doch zie Reineke 1382.
Vs. 1447: te biechten
Vs. 1449: W. Alle de diefte en a. r.
Vs. 1454: te ghenaden
Vs. 1455: algader, C. allegader minen mesdaden, de twee laatste woorden reeds door Gr. verbeterd.
Vs. 1459: CGr. alle diere
Vs. 1462: Of gi iet wilt
Vs. 1465: alle diere die leven
Vs. 1466: mi moete vergheven
Vs. 1467: Brune
Vs. 1471: Tes papen huus, daer hi spranc int net. De uitlating van huus behoeft geene verdediging. Dat net door strec moet worden vervangen, bewijst zoowel het rijmwoord, als de vergelijking met vs. 1177, 1202, 1234, 1281.
Vs. 1472: ongherec. Zoo ook 1201. Bij WILLEMS ongeret, en in de verklarende aant. ongerect. In C. werd kwalijk gelezen ongeret, dat Gr. verbeterde.
Vs. 1473: sine kindre
Vs. 1477: mi ooc niet. Het middelste woord schijnt hier uit den volgenden regel ingeslopen.
Vs. 1479: GrW. coninghinnen
Vs. 1480: C. verwinne
Vs. 1481: eren
Vs. 1483: C. mee liede; GrW. meer liede
Vs. 1487: maectene--Elmaren
Vs. 1488: Daer wi b.
Vs. 1489: al te sere te pinen
Vs. 1490: die (l. der clocke-line?)
Vs. 1494: GrW. toneren, C. tonneeren
Vs. 1496: straten
Vs. 1497: binnen der
Vs. 1503: die is een invoegsel van mij; verg. 947.
Vs. 1506: af bernen
Vs. 1510: CGr. Daer hi nu [mi] conste; W. hi niet conste
Vs. 1512: leeddickene.
Vs. 1513: Ik volg de lezing van GRIMM, waarvoor W. Vianois stelt, dat hij voor een »uitgedachte naem” houdt. Ik weet niet met zekerheid waarop die verandering steunt; waarschijnlijk op de omwerking, maar in de variant is die plaats niet opgenomen.
Vs. 1515: Sone woonde. Gr. Son en woonde. W. Son woonde
Vs. 1521: Daer dedic I. in crupen; doch daer is overtollig, wegens het voorgaande in dat. Voor incrupen wellicht beter doe crupen.
Vs. 1523: l. hanghen vele?
Vs. 1524: Des vleesch dedi. Het vers eischt slechts drie verheffingen. Misschien kon men ook lezen: Des dedi, hoewel ik de voorkeur geef aan daer.
Vs. 1528: dien leden b.
Vs. 1531: sat, invoegsel van WILLEMS; niet C. met.
Vs. 1537: enen
Vs. 1540: W. wast
Vs. 1544: CGr. nu vant slach, blijkbaar min juist gelezen, want de verklaring vant = va ende, (bl. 276) gaat niet op. W. wilde lezen: vanc ende slach.--Of zou men mogen verstaan: nu vant slach = slaghen? Volgens Mnl. Vsb. p. 129
Vs. 1547: selves ontbr. in C.
Vs. 1565: roof hier laten
Vs. 1566: Hi riep, ende ic ginc m. straten. Maar het vorige vers heeft ook maar drie verheffingen.
Vs. 1570: De nieuwe alinea begint eerst hij den volgenden regel.
Vs. 1572: volchden
Vs. 1582: gevreesscheden
Vs. 1587: Grote -- grote
Vs. 1588: Dus quamen. Hoe licht men _d_9 voor d' las is bekend.
Vs. 1595: lietene
Vs. 1596: C. diene
Vs. 1599: ghelove, door WILLEMS ten onrechte veranderd in gelovet. Verg. Wal. II, D. bl. 333 vlgg.
Vs. 1604: Si namene ende leidene
Vs. 1607: Buten den; maar dit wordt samengetrokken tot buten
Vs. 1609: GrW. Ine
Vs. 1610: C. verwervic
Vs. 1612: dedi
Vs. 1614: leiddickene
Vs. 1616: Dat twee h. ende enen hane; maar nergens is sprake van slechts twee hennen.
Vs. 1617: stralen
Vs. 1619: teere, maar te wordt door bi uitgesloten. Wellicht stond in 't oorspronkelijk: Rechte ere
Vs. 1625: W. vette; CGr. ghenoech, door W. verbeterd.
Vs. 1628: C. taste; W. begon
Vs. 1631: Te sorgen; maar het is geen ww., en het zstnw. is stvr.
Vs. 1632: wats u ghesciet
Vs. 1634: om
Vs. 1639: hoondene
Vs. 1640: W. van daer boven; CGr. von dat boven
Vs. 1643: daer is een invoegsel van mij.
Vs. 1644: lagen moet eensylbig gelezen worden, tenzij men si zou willen delgen.
Vs. 1646: C. vijvergat. De verandering is van Gr. Zoo heeft ook het mhd. viwerstat, b.v. Nib. 884,4, 885,2.
Vs. 1647: worden. Lees int metrum Si wort up
Vs. 1652: nie met C., bij GrW. ie
Vs. 1655: Harswenden. Maar de nom. luidt 242 Harsint, en 2877 Hersunt. De acc. 3399 Hersinde. De zwakke vormen in dat. 1983, 2129, 2846, 2898 en hier ter plaatse zijn fouten.
Vs. 1656: liever hadde dan
Vs. 1657: God die moet mi
Vs. 1658: liever ware bleven
Vs. 1659: Te doene dan
Vs. 1661: te biechten
Vs. 1676: dat biddic u
Vs. 1680: hem invoegsel van W.
Vs. 1681: C. mesdaden
Vs. 1682: C. raden
Vs. 1684 en 1685: Ende te wakene (vastene); maar het vers eischt hier drie arses zonder voorslag.
Vs. 1687: Alle die hi, maar Alle is blijkbaar te ontberen.
Vs. 1688: Ende dat hi voort
Vs. 1689: Behendelike soude generen. Behendicheit gold niet slechts voor sagacitas, ars, sollertia, maar ook voor fraus, dolus, machinatio; men zie CLIGNETTS Bijdrage, bl. 311-312. Dat men Reinaerts behendigheid natuurlijk in geen goeden zin opvatte, leert de 13 fabel uit den Esopet, vs. 16-17. Onmogelijk kon daarom hier in den tekst behendelike geduld worden, hoewel dit zeer duidelijk in het handschrift staat. Behendelike kon licht uit Bescedelike gelezen worden. Dat dit het juiste woord moet zijn, leert de vergelijking met Flor. 187; zie vooral ook de woordenlijst op den Lsp.
Vs. 1692: C. Nu moet hi siere stelen pleghen, bij WGr. Nu moet hi plegen siere selen. De ware lezing gaf 381 aan de hand. Vs. 428 leest men pleghen, dat den afschrijver in de war bracht.
Vs. 1695: daer is een invoegsel van mijne hand.
Vs. 1713: begonden
Vs. 1717: plumen
Vs. 1718: Gr. sp. Oom gi d. m. d.
Vs. 1720: een
Vs. 1722: te biechten
Vs. 1724: trouwen
Vs. 1734: Al hadde men, dat onzin is; verg. Reineke 1663.
Vs. 1741: verdoort, C. versmaet
Vs. 1742: verstoort, C. verstorbeert. De verbetering is van Gr.
Vs. 1743: II pater
Vs. 1745: ghenaden
Vs. 1748: af hebbe
Vs. 1750: sine ogen
Vs. 1752-4: C. leest:
Doe began hem drouve ghelaten ende arde zeere beefde Reynaert doe keerde si te hove waert doe hi began den hove naken daer hi waende seere mesraken Doe in sconinx hof was vernomen, enz. GRIMM zegt, p. 276: »Die sichtbar vom nachhelfenden schreiber her rührende verwirrung der hs. ist nach der prosa und nach Reinke beseitigt worden.” Hij leest namelijk, en met hem W.:
Die si te voren hadden ghelaten: Daer keerden si ten hove waert. Aerde (W. Harde) sere beefde Reinaert Doe hi began den hove naken, Daer hi waende sere mesraken. Doe in sconinx hof was vernomen, enz.
Er is blijkbaar in het hs. geknoeid, maar minder dan Gr. vermoedde. Vs. 1752 is stellig echt: ghelaten in dien zin is geheel overeenkomstig met gelaet toonen, enz. dat men hier herhaaldelijk aantreft, b.v. 1737, 1768, 1802, 2119, 2185. En de verandering van GRIMM is lam.--Dat ik midden tusschen twee rijmen eene nieuwe periode laat aanvangen, is geheel overeenkomstig met de manier des dichters. Zie b.v. 107, 263, 998, 1288 (waar de afschrijver echter de nieuwe afdeeling eerst met 1289 begon, evenzoo 1850, 2048, zoo als hij die ook 777 een regel te laat begonnen was), 1692, 2048, 2067, 2498, 2518, 3396.
Vs. 1759: Grimberde
Vs. 1760: niemene ne was
Vs. 1764: die onvervaerde
Vs. 1766: Ende hi sprac
Vs. 1770: Gelijc of hi
Vs. 1772: boudeliken
Vs. 1777: CGr. hebbe; W. veranderde naar de omwerk.
Vs. 1783: CGr. mi nochtan gherne; W. mi gerne
Vs. 1784: hulden wilde gi
Vs. 1785-6: lonen: crone. Men zou kunnen vragen of crone niet eene te moderne figuur is; te meer, daar C. verder leest dat si..... gheloven, welk laatste woord GRIMM veranderde in ghelove, WILLEMS in ghelovet. Wellicht zou men wenschen te verbeteren: hoeden, vroeden, gedachtig aan Reineke, 1711: »Juwe rât is vrôt.... gy loven nicht draden.... wat ju dessen valschen alle vorelesen.” Ook hier 1899 wordt de koning vroet genoemd.
Maar het Fransch heeft, 10956:
»Mès puis, sire, que rois s'amort à croire les mauvès larrons, ................. lors vet la terre à male veue.”
Het zal dus het zekerst zijn de lezing van C. te behouden, en 1787 si in soe, 1788 gheloven in ghelove te veranderen, tenzij men voor der crone zou willen stellen den cronen.--Moet het ook zijn den conen (coenen)?
Vs. 1787: Dat si
Vs. 1788: C. gheloven; W. ghelovet
Vs. 1792: Die niet te rechter h. h. g. De omwerking gaf de verbetering aan.
Vs. 1793: rike hove
Vs. 1796: Den goeden lieden doen t. Ik heb de lezing van den omwerker voorgetrokken.
Vs. 1802: condi l. toondi?
Vs. 1803: niet ghehelpen
Vs. 1807: saken
Vs. 1808: qualic in. Dus C. door GrW. veranderd in qualiken.
Vs. 1809: C. leest: Die eede die ic hadde gesworen. Gr. veranderde eede in vrede, waarschijnlijk volgens Reineke, 1720, die de omwerking volgt, welke ironisch den koning veel beter de volgende woorden in den mond legt:
Dat gi my dicwijl hebt gedient, Dat wart u nu te recht gegouden. Gy hebt den vrede wel gehouden, Dien ic geboot ende had gesworen.
Vs. 1818: laten aenscinen
Vs. 1820: es sijn crune, doch verg. 1827.
Vs. 1821: vele is een invoegsel van WILLEMS.
Vs. 1828: CGr. hi ware gewroken, dat W. veranderde in: haddet gew.; doch verg. 1931.
Vs. 1830: C. Rander side, door GrW. veranderd in Tander side
Vs. 1840: groot mine saken
Vs. 1848: sloechdi
Vs. 1850: Recht in dese selve sprake. In C. vangt het volgende vers met eene kapitale letter aan, intusschen laten GRIMM en W., die overigens de lezing van C. behouden, de nieuwe alinea met 1850 beginnen. In de aant. p. 276 zegt GRIMM: »Wenn dieser vers noch von Reinaert gesprochen wird (vgl. Reineke 1762,63), wozu der grosse buchstabe der hs. bei 1851 stimmen konnte; so fehlen zwei verse vorher. die prosa ist für die gewahlte abteilung.”
De zin schijnt intusschen gewrongen, als men wil lezen:
Recht in dese selve sprake Doe spranc up Belijn, die ram.
1850 moet wel degelijk tot de vorige periode behooren. Dat er in geknoeid is valt terstond in 't oog; maar is het zoo noodzakelijk met GRIMM aan te nemen, dat er twee verzen zijn uitgevallen? Het Fransch geeft hier licht. Er is de grootste overeenstemming tusschen onze verzen 1837-1850 en Br. 20 11014-20, waar men leest:
Or sui devant lui [mesire], si me tiegne, Et si me face ardoir ou pendre, Qar ne me puis vers lui deffendre. Ge ne suis pas de grant puissance, Mès ce seroit povre venjance, _S'en parleroient meinte gent Se l'en sanz jugement me pent._
Het woord sprake in C. 1850 wijst duidelijk aan, dat er iets moet gestaan hebben overeenkomende met de twee laatste Fransche verzen. Recht ontstond uit de verwisseling van de kapitale L en R (zie op 347), en in kan eene vergissing zijn voor m̄, verg. 915.
Vs. 1862: Dit vers is door WILLEMS uit de omwerking aldus ingevuld: Die gans, dat tijtsel ende tlampreel
Vs. 1867: CGr. Makeden
Vs. 1872: Reinaerde
Vs. 1874: man dus CGr., WILLEMS las men
Vs. 1875: W. werpt es uit, dat CGr. hebben.
Vs. 1877: CGr. Vort bringen die men brochte daer. WILLEMS heeft die in dan veranderd. Dat hij met die plaats geen weg wist, blijkt uit de zonderlinge interpunctie. Ook GRIMM was er meê verlegen. Zie zijne aant. p. 277.
Vs. 1880: besten redenen g. daer voort
Vs. 1881: C. dieren
Vs. 1882: met goeden orconden
Vs. 1885: saken
Vs. 1886: wijstsi voor wijsden si, dat men in C. leest. GrW. veranderden: wijsten si
Vs. 1888: Reinaerde
Vs. 1893: naeste
Vs. 1896: Reinaerde
Vs. 1905: andren
Vs. 1906: CGr. Reinaerde
Vs. 1908: W. vond »verkieslijker” te lezen: Tibert sprac; maar de woorden zijn blijkbaar den koning in den mond gelegd.
Vs. 1914: Sinen l. die es
Vs. 1916: Gr. en W. stellen tjaer meer, terwijl C. heeft tsiaer meer. Doch zie mijn artikel over saermeer in den K. en L.bode, van 1845, no. 35.
Vs. 1925: wancans, verbetering van Gr. voor wanconst, dat C. heeft.
Vs. 1926: Nochtan eist R. diet al b. zoo lezen GrW., maar eist vindt men niet in C. Eenvoudiger verandere men die in di; in allen gevalle had men niet mogen stellen eist, maar dan ten minste wast.
Vs. 1928: uwe
Vs. 1929: C. Rumen ende wijde lancken. Verg. GRIMMS aant. p. 277.
Vs. 1932: noch niet
Vs. 1936: W. Langeleden
Vs. 1942: W. vernois om hadde
Vs. 1943: W. papen
Vs. 1946: CGr. Ende sidi nu daer toe, l. En sidi mi?
Vs. 1948: fellen voden, doch verg. 3745 en 3771 der uitg. van WILLEMS. GRIMM haalt p. 278 uit MAERL. 3, 318 een vuden aan, dat echter blijkbaar bedorven is uit ruden. Dezelfde letters worden daar meer verwisseld, b.v. bl. 138, vs. 80, waar rasten moet gelezen worden voor vasten.--Ook de woorden uwen neve komen mij verdacht voor; maar ik heb ze behouden, omdat ook de omwerking u neve heeft.
Vs. 1949: Doe so sprac die coninc saen; maar de verbetering volgt uit vs. 1958-9. Door GRIMMS aant. p. 278, wordt de lezing van C. kwalijk verdedigd of verklaard.
Vs. 1950: Tiberte
Vs. 1953: gaet voren
Vs. 1961: Nu gaen wi voren ende b. h.
Vs. 1963: du selt
Vs. 1964: die salt, W. sal
Vs. 1965: CGr. dine W. en dine
Vs. 1970: Hine dede
Vs. 1973: Dat was de wulf ende T.
Vs. 1975: te sinen scaden, dat blijkbaar alleen om 't zuivere rijm scaden dus staat.
Vs. 1980: binnen den
Vs. 1982: Reinaerde
Vs. 1989: dor niede, C. dor met, dat blijkbaar slecht gelezen is voor niet, zoo als ook 1531 het geval was. Gr. en W. stellen daarvoor nijt; maar de wolf had geen reden te veronderstellen, dat nijt (haat) Hersinde jegens Reinaert bezielde, verg. 243, terwijl buitendien nijt geen reden kon zijn om hem te doen ontsnappen, maar juist het tegendeel. Niet, in dat. niede is een bekend woord, dat hier juist aan zijne plaats is: Ohd. niot, door GRAFF, II, 1048, terecht door desiderium vertaald. Verg. vooral de woordenlijst op den Lsp.
Vs. 1995: brincdi
Vs. 1996: mijn moie; doch verg. 1504, 1675.
Vs. 1998: nemmermeer
Vs. 1999: Maer her
Vs. 2002, 2009: onneert, dus C.; Gr. en W. oneert.
Vs. 2006: wie die mi
Vs. 2012: dat herte
Vs. 2015: alle
Vs. 2016: galge of gi
Vs. 2019: W. Met uwe v. De geheele plaats 2015-19 komt mij verdacht voor.
Vs. 2021: Amen, sprac Brune, ende h.; het inlapsel vloeide voort uit het niet verstaan der herhaling Amen, Amen! Dit blijkt ook uit de omwerking.
Vs. 2023: haesten wi
Vs. 2024: woorde
Vs. 2026: ten stride; maar te stride beteekent om strijd.
Vs. 2029: volchde
Vs. 2031: GrW. line
Vs. 2036: strec, GrW. strop, maar C. heeft stroc, dat slecht gelezen is.
Vs. 2038: CGr. scauwet
Vs. 2039: Ende si spr. CGr. heeft buitendien: ende si keren, dat W. stilzwijgend veranderde.
Vs. 2042: W. sullen
Vs. 2051: sorghen
Vs. 2055: Gr. Ic ware, drukf.
Vs. 2057: Reinaerde
Vs. 2062: verlanessen
Vs. 2068: De nieuwe alinea begint bij CGrW. reeds bij het voorgaande vers.
Vs. 2070: W. Dan so; CGr. Daer so; C. heeft waarschijnlijk d' voor _d_9 gelezen.
Vs. 2073: Nu en es
Vs. 2076: u ontbr. in C., de invoeging is van Gr.
Vs. 2080: noch doe
Vs. 2081: C. mannen
Vs. 2091: hoekine; dus C.; bij Gr. bockine; doch zie MEIJERS Aanteek. op het Leven van Jesus, p. 356.
Vs. 2092: derdes, dus C.; bij GrW. des derdes.
Vs. 2094: C. heeft haenden, waarvoor Gr. gaf hanen, dat W. weder verving door vogel. Dat C. de ware lezing geeft blijkt uit de Nat. Bloeme, aangeh. Gesch. der Mnl. Dk., III, 17.
Vs. 2100: ende dat ic vermochte. Bij dit vers teekent Gr. aan: »lücke.” Er schijnt echter in den zamenhang niets te ontbreken.
Vs. 2101: ende, dus C., en ook beter dan de verandering (met) door Gr. in den tekst gebracht; want zij kwamen niet samen, maar ontmoetten elkander. Hij zelf gaf p. 278 de ware lezing aan, maar verkoos met omdat C. heeft Isengrine (: rime).
Vs. 2103: Besele, zoo C. en GRIMM; WILLEMS verbeterde Basele (»by Dendermonde”). Moet men ook lezen Belsele? Zie het Charter van 1139, uit het Corpus Chron. Flandriae aangehaald in mijne Gesch. der Mnl. Dk. I, 193, noot 2. Doch verg. GRIMM p. CLVII.
Vs. 2104: dat hi ware
Vs. 2108: trouwen
Vs. 2110: C. wandelen
Vs. 2114: vroe
Vs. 2117: Of enen w. of enen r.
Vs. 2119: mi een g.
Vs. 2120: ende so qu.
Vs. 2121: mi daer met van hem
Vs. 2124: warven
Vs. 2127: CGrW. ene bake
Vs. 2128: Doe ginc
Vs. 2130: W. kinden
Vs. 2133: Die sine k. en wouden cnaghen, omdat zij de »alreminste” was. CGrW.: Die sine k. hadden gecnaget; maar in den volgenden regel, die in het hs. luidt: Dus nauwe hebbic mi bejaget, moet het laatste woord blijkbaar veranderd worden in bedraghen (verg. 2654, 2694), en ik durfde daarop niet laten rijmen het part. gecnagen, zoo als de omwerking doet, die leest:
Nochtan eer ic dat mochte hebben, Hadden sy tvleysch al off geknagen: Hier op most ic my doe gedragen.
Buitendien komt onze lezing beter overeen met het voorgaande vers.
Vs. 2139: gewonnen wel
Vs. 2146: Gaf hi R. felle antw.; maar waartoe dat felle, bij de bloote nieuwsgierige vraag?
Vs. 2147: wanen.... die sc.
Vs. 2149: also
Vs. 2152: dien scat
Vs. 2155: An.... trouwen
Vs. 2156: alle uwe
Vs. 2158: owi lieve R.
Vs. 2162: C. ghi mi ons s.; GrW. ghi mi s.
Vs. 2165: brinct
Vs. 2173: ende sine hulde
Vs. 2176: W. groote
Vs. 2177: W. Ende die in v.
Vs. 2179: Die heren
Vs. 2182: trouwen
Vs. 2184: sullen drinken met scanden
Vs. 2185: gelate met droeven sinne
Vs. 2189: mijn
Vs. 2191: de helle
Vs. 2192: Daer die t. es entie p.
Vs. 2193: Indien dat. Ik zou wenschen te lezen: Ocht hier
Vs. 2195: ghenaden
Vs. 2201: daet, dus C.; bij Gr. doet; W. deedt
Vs. 2205: W. dat herte, doch zie 1079, 1741, 2306; en verg. Gram. I, 693.
Vs. 2204: bringhene
Vs. 2207: vraechdi mi des
Vs. 2208: gi wel hoet
Vs. 2213: up mine
Vs. 2214: trouwen
Vs. 2215: coninghinnen
Vs. 2218: daer niemen
Vs. 2220: Tote dien
Vs. 2229: CGr. verraderen; doch zie 2243. Moet men ook lezen verranesse (verg. 2243), en in het volgende vs. niemen spare, beiden met drie toonverheffingen?
Vs. 2235: Met verradenessen sal bedrieghen; doch verg. 2200, 2503.
Vs. 2236: enen.... maghen lieghen
Vs. 2237: C. Grimberte den d.
Vs. 2242: W. Van s. v. waer af hi woude
Vs. 2243: Die
Vs. 2245: Reinaert sprac wilen teer st.
Vs. 2246: m. h. mijn vader v.
Vs. 2247: Hermelinx, C. heymeliken; doch zie vs. 2544-5
Vs. 2248: C. eene; CGrW. verholnen; doch verg. 2271.
Vs. 2249: C. Die mijn v.
Vs. 2254: Tiberte
Vs. 2255: C. arttinen, Gr. Aertinen
Vs. 2256: C. Brunen
Vs. 2257: Brune grote Gods h.
Vs. 2258: W. Ende dat hi in Vl.; CGr. Ende hi in. Maar verg. over den ellips. DE VRIES, Brief over Kar. Gr., bl. 17-18, waar op vs. 2268 wordt gewezen, waar hetzelfde is waar te nemen.
Vs. 2260: CGrW. Bruun
Vs. 2262: Doe, CGrW. Daer
Vs. 2266: Isingrijn
Vs. 2273: sduvels
Vs. 2276: alle gr. voor arde gr.
Vs. 2277: De vier tusschen teksthaken geplaatste regels vindt men niet in C., waar men leest:
Nu hoort wonder alle groot Wat si noch over een draghen Wilde iemen van sconinx maghen Dat wedersegghen enz.
GRIMM, die deze lezing behield, en daarin door WILLEMS gevolgd werd, merkt echter op, dat er achter den tweeden dezer regels iets ontbreekt (p. 280), gelijk hem de vergelijking met den ouden prozadruk leerde. Blijkbaar is tot den samenhang noodig, dat Reinaert niet alleen zegt dat de saamgezworenen den koning wilden vermoorden; maar ook, dat zij Bruin in zijne plaats wilden kroonen. Van 's konings magen toch behoefde men niet te vreezen dat zij zich zouden verzetten tegen Nobels dood, die wel zonder hunne voorkennis zou plaats grijpen; maar zij konden »wedersegghen” dat hij door den beer werd opgevolgd. Ik heb daarom die vier regels uit de omwerking overgenomen, waar dan deze regel volgt:
Op sijn hooft die croon van goude,
waarvoor ik heb in de plaats gesteld:
Ende hi crone soude draghen,
waaruit denkelijk in C. de regel verbasterd is:
Wat si noch over een draghen.
Dat deze verzen werkelijk in den ouden tekst behoorden, mag men ook opmaken uit de vergelijking van 2327.
Vs. 2282: sconinx
Vs. 2284: ende met sinen goude
Vs. 2291-3:
Ende liet in verholnen rade minen Wive, miere vrouwe Harmelinen, Ende al van pointe te pointe seide
W. las alleen den laatsten regel: Die hijt al v. p. Dat die verzen gebrekkig zijn springt in het oog, en zoo als GRIMM zegt (p. 280), »auch hier verrathen ungefüge worte und mangelhafter sinn den zusammenziehenden abschreiber.” Hij neemt aan, dat hier, even als in de omwerking, de das het verhaal eerst aan zijne eigene vrouw deed, die het wederom aan de vossin verried; hij stelt daarom als waarschijnlijk, dat die tirade aldus begon:
Ende in verholnen rade Sinen wive Slopecade.
Daar intusschen vrouw Slupecade nergens in het oudere gedicht terugkeert, is het niet onmogelijk dat zij hier eerst door den omwerker zij ingevoegd, gelijk men ook uit vs. 2296 mag opmaken. Ik heb mij daarom bepaald tot die veranderingen die een verstaanbaren zin opleveren. Het enjambement minen.... wive kan geene zwarigheid maken, zie de inleiding § I. Misschien moet men ook lezen:
Ende dien verholnen raet sinen minen wive, vrouwe Harmelinen,
Wegens die konstruktie zie men 412, 1297, 1316, 1866, 2655, 2729, 3186. De vergelijking van 2325 schijnt mede onze lezing te bevestigen.
Vs. 2302: Ooc s. soet bi sulken l. Doch verg. Reineke 2397. Moet men ook lezen: Ooc proefde soet bi lyctekinen?
Vs. 2303: al, invoegsel van mij.
Vs. 2305: stonden, l. stoet?
Vs. 2308: Achter dit vers volgen in C. 30 regels die blijkbaar een inlapsel zijn. Het is de fabel die ook elders afzonderlijk voorkomt, b.v. Esopet, fab. XXV, bij CLIGNETT bl. 146. Het inlasschen van fabelen is geheel en al in strijd met den geest van het oude gedicht, en de gerekte vergelijking is in de omstandigheden waarin Reinaert zich bevindt geheel en al te onpas aangebracht. Deze wil ook in 't geheel niet werken op de »heren arme ende rike,” zoo als op het slot der interpolatie, maar alleen op het vorstelijk echtpaar. Dit reeds is genoegsaam om de inlassching uit te monsteren. Overigens loopt de zin veel geleidelijker door, als men die 30 verzen wegwerpt, gelijk ik heb gewaagd te doen. Dat de interpolatie intusschen oud is, leert de vergelijking met de lezing in den Esopet, terwijl ook de omwerker haar in zijn voorbeeld vond. Ik geef het uit den tekst weggeworpene hier naar de uitgave van GRIMM (GrW. 2305):
Die pude wilen waren vri ende ooc so beclaechden hem si datsi waren sonder bedwanc: ende si maecten een ghemanc, ende so groot ghecrai up Gode, dat hi hem gave, bi sinen ghebode enen coninc, diese dwonghe. Dies baden die oude entie jonghe met groten ghecraie, met groten ghelude. God ghehorede die pude tenen tide vanden jare, ende sende hem den coninc Odevare, diese verbeet ende verslant in allen landen, daer hise vant. Beide in water ende in velt, daer hise vant in sine ghewelt, hi dede hem emmer onghenade. Doe claechden si: het was te spade. Het was te spade, ic segghe u twi: Si die voren waren vri, sullen sonder wederkeer sijn eighin bliven emmermeer, ende leven ewelike in vare vanden coninc Odevare. Ghi heren, arme ende rike, ic vruchte ooc dies ghelike, dat nu van u soude ghevallen. Doe droeghic sorghe vor ons allen. Dus hebbic ghesorghet vor u: dies dancti mi lettel nu.
Men lette nog op de herhaling in vs. 19, die geheel van de schrijfwijze van onzen dichter afwijkt, zoo ook vs. 2 beclaechden hem si, dat niet overeenstemt met merkedi vs. 2363 (2387).
Vs. 2309: Ic kenne; C. Brunen
Vs. 2312: W. Dan
Vs. 2314: C. Ic kennen so w. g. GRIMM verbeterde: Ic kenne den coninc; maar ook hier wordt het imperf. geëischt.
Vs. 2320: Noch theeren noch te vromen
Vs. 2321: doghede, bij Gr. gedoghede, C. ende ghedoghede. Dit en het volg. vers in verkeerde volgorde.
Vs. 2322: pijndic door W. uit de omwerking opgenomen. CGr. peinsdic
Vs. 2324: Datso gescoort worde. De uitwerping van Datso gebood de samenhang. In gescoort is blijkbaar eene c kwalijk gelezen voor t, zoo als meermalen. De invulling van ic gaf de omwerking aan de hand.
Vs. 2326: enen dorper
Vs. 2331: wel
Vs. 2336: ghepeinse
Vs. 2337: hoe ic dat
Vs. 2339: die mijn vader hadde
Vs. 2341: C. leide laghen; GrW. leide lage
Vs. 2342: C. meneghe haghen; GrW. meneghe haghe
Vs. 2351: W. enen st.
Vs. 2355: C. yewer
Vs. 2357: l. gheslopen?
Vs. 2358: te sc., doch verg. 2472.
Vs. 2359: als ic hem
Vs. 2360: W. Driven dat ic
Vs. 2361: doe ingevoegd door W.
Vs. 2363: CGrW. sach ende merkedi
Vs. 2371: mede gaen; Reineke 2265 heeft: lêt overgân
Vs. 2373: mouden
Vs. 2374: GrW. vroeden bouden, maar blijkbaar moet het hs. hebben houden. Verg. 2344.
Vs. 2375: meesterlike
Vs. 2383: CGr. gheraecte doe; bij W. genaecte doe
Vs. 2386: Aldaer vandic
Vs. 2389: nie, dus C.; bij GrW. ie
Vs. 2391: Ic en
Vs. 2392: het tweede sonder, invoegsel van W.
Vs. 2400: enen
Vs. 2416: hem so quite
Vs. 2424: m. coenen s.
Vs. 2426: hulpen
Vs. 2427: quame, dus C.; bij GrW. quam. Gr. veranderde hier, omdat in C. met dat vers eene nieuwe afdeeling begint, die echter blijkbaar met 2421 moet aanvangen, verg. Reineke vs. 2305.
Vs. 2431: menechfoudeghe, doch verg. 505, 542, 898.
Vs. 2434: na hem reden uit de omwerking, in plaats van: hadden geleden
Vs. 2435: daghen
Vs. 2436: meneghen stonden
Vs. 2441: C. Sheere, GrW. Sheren. Zie over de apocope HUYD. op Stoke, 2 D., bl. 150.
Vs. 2443: catte
Vs. 2452: danct
Vs. 2454: hi soude
Vs. 2473: leedden Reinaerde. WILLEMS werpt te weg; doch verg. 2673.
Vs. 2475: wijsde met C., GrW. wijste
Vs. 2477: soudic u wisen
Vs. 2479: uut
Vs. 2481: C. Mine
Vs. 2483: Allegader
Vs. 2485: ghetrouwe, dus CGr. W. las willekeurig gehouwe.
Vs. 2488: voor
Vs. 2489: C. ghi mi
Vs. 2490: C. Ende Bruun alle mine onsculde. GrW. lezen met Reineke: Ende alle mine broke ende sculde; maar uit 2493 blijkt dat Bruun hier op zijne plaats is.
Vs. 2506: C. argentieren; GrW. argertieren
Vs. 2512: W. Ende dese v.
Vs. 2517: belanct, doch zie de voorbeelden bijgebracht Heim. bl. 369.
Vs. 2521: Ne gh. u niet
Vs. 2524: wancost bij W. is drukfout.
Vs. 2527: Dat en d.
Vs. 2532: die ere
Vs. 2533: mijn
Vs. 2535: eren
Vs. 2536: groot
Vs. 2538: wale jonne; maar dan behoorde het te zijn anne. Blijkbaar heeft de afschrijver den infinitivus verworpen om een schijnbaar zuiverder rijm te verkrijgen; doch zie Mnl. Vsb. bl. 113 en 168-9.
Vs. 2539: trouwen
Vs. 2540: vrouwen
Vs. 2550: W. Hoe die coninc
Vs. 2552: Reinaert spr.
Vs. 2561: de waerheit
Vs. 2567: no wijf
Vs. 2573: GrW. die avonture. Die bracht Gr. in den tekst omdat men in C. gelezen had hi avonture, waar echter wel bi zal staan, dat den natuurlijksten zin geeft.
Vs. 2574: C. ghehidelt
Vs. 2575: W. tes, CGr. es
Vs. 2577: mijn
Vs. 2578: weset, W. wetic, Gr. wetet, zoo als men meende in C. te lezen. Merkwaardig is de uitdrukking getrouwe wesen, voor het gewone ww. ghetrouwen, dat b.v. 3365 staat. Moet men ook lezen: Ne wilt ooc niemen so ghetrouwen? als Wal. 8584? Verg. dan aldaar 2 D. bl. 207.
Vs. 2579: W. sout laten
Vs. 2589: in dene side; maar de beteek. zal toch wel zijn: aan kant, wegdoen. Zie daarover Wal. 2 D. bl. 205.
Vs. 2592: ooc door mij ingevoegd uit Reineke 2468.
Vs. 2598: Hoe dicken suldi
Vs. 2608: CGr. wanen
Vs. 2617: ja, ja
Vs. 2621: die
Vs. 2633: Dies maent hi u bi der trouwen (:vrouwen)
Vs. 2635: De vijf tusschen teksthaken geplaatste verzen, gedeeltelijk uit de omwerking genomen, vervangen dit enkele, dat C. heeft: Ende die ic den coninc sculdich bem. Dat er hier iets ontbrak was duidelijk, en ook reeds door GRIMM aangewezen, bl. 283.
Vs. 2647: ende menich coude
Vs. 2652: die ries, doch zie GRIMM, pag. CLX.
Vs. 2656: was te voren eer
Vs. 2658: last, dus W. naar de omwerking; CGr. past
Vs. 2660: scone
Vs. 2662: C. wee desen
Vs. 2663: sone (WILLEMS: tone), Rijn, waers te d.
Vs. 2665: saken
Vs. 2671: Ghene
Vs. 2672: enen
Vs. 2680: berke, C. burne, Gr. borne. De verbetering is van WILLEMS.
Vs. 2683: ine
Vs. 2687: ghi here waert
Vs. 2688: het es also
Vs. 2689: WILLEMS wilde lezen: al eist mijn scame
Vs. 2693: hem de provende niet ghenoegen
Vs. 2695: Hi cl. van hongere ende k.; maar het rhythmus van het volgende vers leert dat van hongere hier niets dan een glosseem is.
Vs. 2697: Doe hi kermede ende wart traech. Ik heb de voorkeur gegeven aan de lezing van de omwerking.
Vs. 2707: eren.... vromen
Vs. 2712: verwatenen; doch zie Mnl. Vsb., bl. 132-3
Vs. 2718: en 20 GrW. te banne
Vs. 2719: sp. Reinaert nadat g. s.
Vs. 2721: Reinaert lietic u
Vs. 2722: Cuwaerde.... enen, dus CGr. bij W. een
Vs. 2726: W. Daer gi
Vs. 2732: jonne
Vs. 2733: C. hi ende mi
Vs. 2735: rede
Vs. 2739: in sijn hof
Vs. 2743: alleen bij W. coninghinnen
Vs. 2744: Deze regel ontbreekt in het hs. en is van mijne vinding. WILLEMS laschte in: Die hi te recht wel mochte minnen, en in het volgende vers, achter mi de woorden: sprac hi.
Vs. 2746: L. met live?
Vs. 2755: sinnen
Vs. 2757: vele ghebeden vor hem
Vs. 2764: waerven
Vs. 2770: ghene
Vs. 2777: W. Ende dan wille hi; CGr. Ende v. R. danen wille hi
Vs. 2780: W. sonderliker, drukfout.
Vs. 2789: alle
Vs. 2792: Te Tic.
Vs. 2797: tes coninx waert
Vs. 2798: Tib. bleef sere
Vs. 2799: Ende hi bleef
Vs. 2801: sorgen so groot
Vs. 2803: sine
Vs. 2804: Die hi
Vs. 2809: Reinaerde ie
Vs. 2810: met groten gheninde
Vs. 2811: voor
Vs. 2817: Worden si
Vs. 2818: verwoede
Vs. 2819: dan men hem dede
Vs. 2821: voerese, dus C. bij GrW. voerdese. CGrW. als
Vs. 2823: binnen ere nacht
Vs. 2826: De alinea begint eerst bij het volg. vers.
Vs. 2833: Hadd. IIII v. sc.
Vs. 2835: sal IIII scoen
Vs. 2836: coninghinnen
Vs. 2839: IIII
Vs. 2840: CGr. Helpt nu
Vs. 2843: sine
Vs. 2848: eren
Vs. 2852: moetet
Vs. 2853: des Gods
Vs. 2856: Dinen
Vs. 2857: Hets dijn n.
Vs. 2858: wilre gherne mijn m.
Vs. 2859: u wel ghem.
Vs. 2861: Isengrijn dr.
Vs. 2863: gheven twee soen
Vs. 2864: u vaert mede
Vs. 2866: dher
Vs. 2868: beide sine
Vs. 2871: W. hielt; C. leden
Vs. 2881: Bachten van beide haren voeten
Vs. 2882: wel soeten; doch verg. 621, 3413
Vs. 2885: lieve, invoegsel van W. uit de omw.
Vs. 2895: al dat
Vs. 2900: moete mi wr.
Vs. 2903: neware, dus C.; bij GrW. te ware
Vs. 2911: helpt.... ic
Vs. 2912: vor de sonne
Vs. 2913: sijn
Vs. 2917: voeten
Vs. 2922: vrouwen
Vs. 2923: wel is een invoegsel van mijne hand.
Vs. 2924: Nu doet Reinaert g. u. cn.
Vs. 2926: W. naesten, dat ik nimmer aantrof.
Vs. 2936: wats dan
Vs. 2941: daer af, invoegsel van mij.
Vs. 2942: pen. daer af ontfaen
Vs. 2944: hem wel
Vs. 2947: W. geesterliker
Vs. 2949: Jeghen bisscop ende jeghen den deken--CGr. dat ic u
Vs. 2954: also
Vs. 2957: beefde
Vs. 2958: sine autare
Vs. 2964: Reinaerts, CGr. sine
Vs. 2971: tranen
Vs. 2973: jammerlike in sine herte; doch verg. Reineke 2753.
Vs. 2974: Van rouwe hadde grote sm.
Vs. 2979: Haddet m. g.
Vs. 2982: C. hi woude
Vs. 2984: hem, C. hi
Vs. 2991: ghene
Vs. 2992: Uwen, W. Geeft mi
Vs. 2994: gheboot die coninc; doch zie de omwerking.
Vs. 2995: uut CGrW. uutwaert
Vs. 3005: W. Wat rouwe hem; CGr. Die rauwe die hem
Vs. 3006: Reinaerde
Vs. 3011: sine
Vs. 3016: sameninghen
Vs. 3026: dese
Vs. 3027: sine II achterste voeten
Vs. 3028: maende die diere cl. ende gr.
Vs. 3030: alle; in C. ontbr. van
Vs. 3033: ghebede
Vs. 3040: ghi CGrW. God
Vs. 3044: wandelinghen
Vs. 3045: onberoepen ende goedertieren. Verg. wegens _onberocht v. d. Houte_, Gloss. op berocht, en DE VRIES, Brief over Kar. Gr., bl. 6.
Vs. 3048: W. tide
Vs. 3050: W. loveren
Vs. 3053: sonderlinghe
Vs. 3058: W. Aen dat casteel van M.
Vs. 3060: Doe sprac hi
Vs. 3072: manieren; W. menegen
Vs. 3077: vonden si
Vs. 3079: sorghen
Vs. 3081: als is een invoegsel van mij.
Vs. 3084: W. wonder
Vs. 3091: Cuwaerde
Vs. 3093: C. lyende
Vs. 3096: trouwen
Vs. 3098: ene gr. p.
Vs. 3105: mordadelike
Vs. 3106: W. C. riep doe g.
Vs. 3107: W. Help
Vs. 3109: was sciere
Vs. 3112: gaen wi
Vs. 3114: GrW. ten brase, van welk woord ik geen tweede voorbeeld weet. C. heet te lezen base, maar er zal wel staan hase, d.i. zonder de Vlaamsche adspiratie, die in dat hs. voorkomt, ase, van aes. Dat h en b te verwisselen zijn, blijkt, daar b.v. 2577 (2597) door GRAETER hi voor bi gelezen werd.
Vs. 3116: Haren
Vs. 3120: dancte, waarvoor ik bat uit de omwerking nam; CGr. goets
Vs. 3124: jans
Vs. 3132: sal
Vs. 3133: daghen
Vs. 3134: sijn daghen mee
Vs. 3139: hede
Vs. 3140: Ende die
Vs. 3146: daer wonen VII
Vs. 3147: l. wand. sonder sc.?
Vs. 3148: hebben daer gr.
Vs. 3150: C. en loghe
Vs. 3154: Nu hebdi
Vs. 3156: van, invoegsel van mij.
Vs. 3157: Ende hebt p.
Vs. 3160: W. seidet
Vs. 3161: dat hi mi
Vs. 3162: diedet niet
Vs. 3169-70: staan in C. in omgekeerde orde.
Vs. 3175: Alse dit
Vs. 3181-2: in omgekeerde volgorde.
Vs. 3189: lates
Vs. 3190: u daer R. h.
Vs. 3191: W. comdi niet
Vs. 3198: di des; CGr. hi dus; W. hi di
Vs. 3208: Here
Vs. 3214: CGr. wi doe daden
Vs. 3220: also
Vs. 3222: helpt
Vs. 3223: Miere moien
Vs. 3224: CGr. Doe riep
Vs. 3230: liever, C. leet; CGrW. hem iet
Vs. 3231: W. Dattet minen k.
Vs. 3235: hoghe
Vs. 3239: Het es
Vs. 3240: CGr. ende ic ne w.
Vs. 3242: C. waret
Vs. 3243: CGr. Ghebidden; W. ic; CGrW. den c.
Vs. 3246: Reinaert sprac. W. werpt ne uit.
Vs. 3247: hier bleven
Vs. 3256: loofde
Vs. 3260: CGrW. hooft; zoo ook 3359.
Vs. 3261: haddijt, invoegsel van mij.
Vs. 3263: Belijn
Vs. 3271: Ende sinen here die coninc h. l.
Vs. 3272: desen
Vs. 3277: stede daer hi up stoet
Vs. 3280: W. Dat hem
Vs. 3281: Reinaert Belijn, doch zie de omwerking. Uit 3287 blijkt duidelijk dat Belijn spreekt
Vs. 3283: U selven
Vs. 3284: CGr. sals hu sp.
Vs. 3285: CGr. dat ghi cont d.
Vs. 3288: dicke hets
Vs. 3289: jonste
Vs. 3294: sal u saen
Vs. 3295: desen selven
Vs. 3300: W. bevolen
Vs. 3301: Sprac Belijn ende dede h.
Vs. 3304: groot ontbr.
Vs. 3309: pinen wi
Vs. 3310: CGr. daer doe gheen
Vs. 3321: W. om
Vs. 3322: Belijn
Vs. 3323: wanen
Vs. 3327: alse, invoegsel van mij
Vs. 3329: GrW. ten casteel comen; C. den casteel cumen, welk laatste woord stellig slecht gelezen is, zoo als ook blijkt uit de omwerking, die heeft: Ende hi henen sceiden soude
Vs. 3337: W. brieven
Vs. 3338: W. De sc.
Vs. 3344: letteren dichte ic bi m. r.
Vs. 3348: C. ant werc
Vs. 3353-4: Belijns (: sijns)
Vs. 3356: Dat hi sn.
Vs. 3360: CGr. B. ende sach dat [hi sprac (W.)]
Vs. 3365: CGr. ghetrauwet
Vs. 3366: sien, invoegsel van GRIMM
Vs. 3367: Die coninc
Vs. 3370: hief
Vs. 3371: Up ende
Vs. 3374: GrW. Alle dieren
Vs. 3376: lubaert
Vs. 3377: W. mochtet
Vs. 3382: ende met C., bij GrW. een
Vs. 3384: Here
Vs. 3391: Die st. here Br. ende here I. Doch verg. Reineke 3157
Vs. 3397: Es ghedaen mesdaet, gewijzigd naar Reineke 3171
Vs. 3398: CW. wulf enten bere doen comen, Gr. doen coenen. Reineke 3173 gaf de verbetering aan de hand
Vs. 3400: Ende betren hem h. m. s.
Vs. 3401: Ende over h. t. ende over h. p.
Vs. 3408: CGr. Ende sullen sine k. W. Ende bi sine kele.
Vs. 3413: den rouwe
Vs. 3415: gaen maken
Vs. 3417: ghevanghene, doch verg. 2996.
Vs. 3418: teerst
Vs. 3419: sprac hi
Vs. 3420: vast ontbr. en is door mij uit Reineke 3207 ontleend.
Vs. 3421: C. Mine
Vs. 3427: CGr. shere, W. sheren
Vs. 3431: ghewilleclike
Vs. 3433-4: Dat gi sonder eneghe mesdaet R. moghet t. ende q.
Vs. 3435: alle
Vs. 3436: belaghen l. bejaghen? met omw.
Vs. 3437: Dese twee gr. vreden. Ik volg de omw.
Vs. 3441: sweert
Vs. 3443: Nemmermeer
Vs. 3445: ghenaden
Vs. 3449: Brune sprac ic
VERKLARENDE WOORDENLIJST.
VERKLARENDE WOORDENLIJST.
A.
#Achte#, 685, gevangenschap, hechtenis, beklemming.
#Achter bliven#, 96, 2464, achterwege blijven. Zie Lsp. gloss.
#Achter lande#, 2407, door het land heen. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 20; Lsp. gloss. Ferg., 1423. Zoo ook achter straten, aldaar 727.
#Achter rugghe#, 1730, achterwaarts. Zie HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 219.
#Aerminc#, 2077, 2210, arm man, ongelukkige. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 418.
#Aes#, 3114, spijs. Zie KIL. en verg. Velthem, bl. 268, 279.
#Aex#, 701, 735, bijl, akst. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 178-180. Lanc. 21632 heeft hache.
#Af#, 21, 1042, 1348, van.
#Afbernen#, 1506, afbranden.
#Al#, 741, 932, 1257, geheel.
#Al in een#, 1255, aanhoudend, voortdurend. Zie Lsp. gloss.
#Al te#, 784; 2827 alleen #te#; zeer. Zie Lsp. gloss.
#Altehant#, 539, terstond.
#Aldusghedaen#, 3054; #aldustaen#, 862, zoodanig.
#Algader#, 1276, 1455, geheel en al.
#Alghemene#, 3115, te samen.
#Alnaect#, 1257, moedernaakt.
#Als ende als#, 3010, 3264, geheel en al; in de tweede plaats zooveel als dringend.
#Also#, of #noch also#, bij een adject. meer, b.v. 1342, #noch also quaet#, boozer. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 169.
#Also#, 1345, als, zoo als.
#Altoos#, 2947, 2986, altijd. Zie Floris, gloss. In de eerste plaats meer in den zin van immers, zoo als wij het nog wel gebruiken.
#An#, zie #Onnen#.
#An#, duidt in 't algemeen de betrekking aan, die wij nu eens door aan, dan door op, in, tot, bij, naar, nabij uitdrukken; 93, 1003, 1102, 1127, 1248, 1435, 2274. De werkwoorden die op een of andere wijze eene ontleening van elders aanduiden, hebben in 't Mnl. den persoon van wien ontleend wordt met an verbonden bij zich: b.v. 204, 1427. Verg. Lsp. gloss. Daarmeê komt overeen het delen an hoghen aflate, 2894; en versaden ane, 212.
#Andersins#, 84, in anderen zin, anders. Ietwat afwijkend is de beteekenis Floris 1374, 3947.
#Aneslaen#, 442, beginnen te zingen. Zie Lsp. gloss. Nog van het zingen der vogels en het bassen der honden in gebruik.
#Anevaerden#, 3314, de vaart ergens heen ondernemen; aggredi (KIL.).
#Angaen#, 187, ondernemen, aanvangen, suscipere.
#Angaen#, 814, aanvallen; 261, tot zich nemen, zich meester maken van iets, aanvaarden.
#Anscijn worden#, 1781, blijken. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 168-170.
#Antien#, 2066, aantijgen. Zie Lsp. gloss. op Tien. Zie ook hier op dat woord.
#Apeert#, 204, openlijk, blijkbaar, onbeschaamd.
#Arbeit#, 743, 2856, moeite.
#Archede#, 2515, #Archeit#, 2940, kwaad, boosheid, ondeugd. Zie Lsp. gloss.
#Arghertiere#, 2506, boos, ondeugend.
#Avonture#, 624, de fortuin, het geluk (als persoon voorgesteld). #Bi aventure#, 161, 349, 2573, bij toeval. 1393, 401 var., ongeval. 4, 31, verhaal van gebeurde zaken, geschiedenis. #In avonture setten#, 1353, in de waagschaal stellen, op het spel zetten. Verg. GRIMMS uitstekende monografie over dit woord in de verschillende beteekenissen die het doorloopen heeft.
B.
#Bachten#, 1290, 2881, van achter, aan den achterkant. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 374-375.
#Baerde#, 701, bijl. Nog over in hellebaard.
#Bake#, 217, 227, 1517, 1523, 2127, varken.
#Balch#, 2800, ligchaam, buik, eigenl. een huidenzak.
#Balch#, zie #Belghen#.
#Ban#, 264, KIL.: proclamatio, edictum publicum.
#Ban#, 2700, banvloek, KIL.: Dira proscriptio, anathema. Zie nog andere beteekenissen van dit woord in de woordenlijsten op de Doctrinale en de Mnlp.
#Banderside#, 1830, ter andere zijde. Zie het gloss. op de Lorreinen.
#Baraet#, 353, 483, 1196, 1486, 1708, 2049, 2359, 3073, 3387, bedrog. Het is het fransche barat, en komt veel voor; zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 210-211, en CLIGNETT, Bijdr., bl. 349-350.
#Barbecane#, 522, voorwerk eener vesting; fransch woord, bij vlaamsche schrijvers niet ongewoon, b.v. Troj. Orl. (O. Vl. Ged. I), 3003. Rose, 3784, vindt men het ww. barbelcanen, in de beteekenis van: met een voormuur omgeven.
#Baren#, 2380, zich vertoonen. Verg. Lorreinen gloss.
#Bassen#, 1597, aanblaffen. Gewoonlijk wordt het intrans. gebruikt; zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 157-159.
#Bat#, in 't rijm voor #Bet#.
#Bate#, 2893, voordeel. Maar bate is eigenlijk betering, herstel, vandaar in bate staen, 192, beteren, boeten. Zie Lorreinen gloss.
#Bedi#, 2975, 3162, omdat; 2331, 2892, 3110, want. Eigenlijk een oude instrumentaalvorm. Zie voorbeelden in de plaatsen aangehaald Doctr. gloss.
#Bedocht sijn#, 84, bedacht zijn, besluiten.
#Bedraghen# (#Hem#), 2134, 2654, 2694, zich onderhouden, zich (met iets) behelpen. Zie Lsp. gloss.
#Bedraghen#, 2200, 2235; part. #bedreghen#, 2503, beschuldigen, aanklagen. Zie DE JAGER, Nalezing op 't gloss. van Prof. LULOFS, bl. 14-16.
#Bedwanc#, 886, 1845, dwang, overmacht. Zie Floris, 345, 2848. Car. en Eleg., 372, 1187.
#Begheven#, 24, 155, 2940, nalaten; 273, verlaten.
#Begheven#, 1501, de wereld voor het klooster verlaten; het part. #begheven#, 369, 1488, van de wereld afgezonderd, geordend.
#Beghien#, part. #beghiet#, 2934, erkennen. MAERL., Sp. Hist., 3 Dl., bl. 257. Zie DE JAGER, Verscheidenheden, bl. 278-282.
#Beghinnen#, 3 p. sing. praet. #begonste#, 64, 146, 1323 (2110). MAERL., Sp. Hist., 3 Dl., bl. 186, 286. Zie ook Lsp. gloss. op began; HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 41, 97; 2 Dl., bl. 487.
#Begripen#, 32, berispen. Zie gloss. op Doctr. en Lsp.
#Behendichede#, 2465, beleid, slimheid. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 311-312.
#Beiaert#, 1272, frequentamentum tintinnabulorum (KIL.). #Den beiaert slaen#, de klok luiden.
#Beide#, 681, 745, 1491, beide, alle twee. Maar als beide voorop staat, en gevolgd wordt door twee of drie verschillende zelfst. nw. beteekent het zoowel -- als, b.v. 13, 42, 151, 408, 837, 1268, 1385, 1691, 1981, 2308*, 2761, 2881. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 65. De eigenlijke schrijfwijs in ons dichtstuk schijnt bede geweest te zijn, dat 147 in 't rijm voorkomt. Zoo ook Ferg., 4947; Stoke, 1 B., 607.
#Beiden#, 1101, 1187, wachten.
#Bejach#, 119, 276, 507, prooi, wat men door najagen verkrijgt.
#Bejaghen#, 1941, 2112, 2897, 3336, (door jagen) bemachtigen, verwerven. Verg. Lsp. gloss.
#Becarmen#, 3038, weeklagen over iets.
#Bekinnen#, #bekennen#, 2809, kennen; 457, 539, kennen, erkennen; 983, herkennen. Zie Lsp. gloss.
#Beclaghen#, 1349, 1375, aanklagen, verklagen; 1529, beklagen in de tegenwoordige beteekenis.
#Becnouwen#, 225, beknagen, afknagen.
#Becomen#, 2100, 2439, behagen, aangenaam zijn. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 400.
#Belanc sijn#, 2517, verwant zijn. Zie over de grondbeteekenis van het woord Lsp. gloss.
#Belghen# (#Hem#), praet. #balch#, 1749, 2902, 2955, 3185, boos worden, zich vertoornen. Zie Lsp. gloss.
#Beloken#, 335, 1169, 2271, besloten; eigenlijk part. van beluken.
#Belopen#, 349, achterhalen; 2518, overwonnen (ingepakt).
#Bem# (#Ic#), 525, 1026, 1357, 1780, 2073, 2188, 3096, regelmatige 1 pers. sing. praes. van sijn.
#Beneden#, 777; moet men niet lezen beneven? Vs. 820 vlg. schijnt dit vermoeden in de hand te werken. Beneven vindt men o. a. Troj. Orl., bij BLOMMAERT, OVl. Ged., 2 Dl., bl. 88, vs. 1154.
#Benemen#, 2452, verhinderen, beletten. Zie Lorreinen gloss.
#Beniden#, 340, ergens nijd, afgunst over gevoelen. Verg. Tr. Orl. (BLOMMAERT I, bl. 18) vs. 1460.
#Bequame#, 620, aangenaam. Verg. #becomen#.
#Bequamelic#, 1118, aangenaam, wel smakend.
#Beraden#, #beriet#, #beraden#. Beraden is eigenlijk den raad tot iets geven, hetzij aan zichzelven of anderen. Vandaar het initiatief tot iets nemen, iets bewerken, in verschillende schakeringen van beteekenis, afhankelijk van het doel waarmede iets beraden wordt. Ten goede gaat de beteekenis licht over in die van helpen, verzorgen, iets verschaffen; ten kwade, in die van berokkenen, op den hals halen. De persoon ten wiens behoeve, ten wiens voor- of nadeel dit geschiedt, staat in den dat., die beraden wordt in acc. Zoo komt dit ww. in dit gedicht voor: 435, 551, 592, 639, 1926, 2198, 2977, 3213. Het part. #beraden#, 478, 1976, is eigenlijk: tot een besluit gekomen, besloten, en wordt met den genit. gekonstr. of door so, also, nader bepaald.--Verg. hier #raet#.
#Beringhen#, 779, omringen, insluiten. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 453.
#Bernen#, 303, 1506, branden; nog over in ons barnen.
#Bescedenlike#, 1689, met maat en ingetogenheid. Zie Lsp. gloss. de geheele bl. 377.
#Bescelden#, praet. #bescalt#, 936, schelden, hoonen. Verg. #scelden#.
#Besceren#, part. #bescoren#, 2692, (de kruin) scheeren.
#Bescouwen#, 1583, aanschouwen, bezien.
#Besculdich#, 53, schuldig. In den Lanc. leest men besculdicht in denzelfden zin.
#Beseken#, praet. #besekede#, 75, bepissen.
#Besien#, 1017, toezien.
#Bespreken# (#Hem#), 435, 467, overleggen, beraadslagen. Zie Mnlp. gloss.
#Bessem#, 722, bezem. Dezelfde uitspraak van het woord hoort men nog in sommige provinciale dialekten, b.v. in Overijssel.
#Best# (#Du#), #du bist#, 920, 2602, tweede pers sing. van ic bem.
#Best#, 969, 1005, 1334, adverb. op de beste, de geschiktste wijze.
#Beste# (#Die#), 86, de edelste, de voornaamste. Verg. Mnlp. gloss.
#Bestgheboren#, 798, de voornaamste door geboorte. Zoo ook MAERL., Sp. Hist., 1 Dl., bl. 383; Lanc. 4485. Verg. hier 2742.
#Bestaen#, intr. met DP., 1903, vermaagschapt zijn. Zie Lorreinen, I, 615; Ferg., 343, en niet 1413, zoo als Lorr. gloss. verkeerd wordt opgegeven.
#Bestaen#, trans. met den acc., 553, 970, 1040, 1095, 1696, 2604, ondernemen, aanvaarden; eigenlijk aanvallen (verg. aggredi).
#Besteken#, 1197, aanranden; KIL. machinari, moliri.
#Bestolen#, 2152, part. van #bestelen#, gestolen.
#Bet#, #Bat#, 255, 540, 1063, 1633, 2240, 2399, 3043, 3349, adverb. beter. #Te bat sijn#, 226, 3165, voordeel, nut van iets hebben, met den DP. en GZ. Verg. Lsp. gloss. in bat.
#Betegen#, part. van #betien#, 2504, aantijgen, met den DP. en AZ. Verg. Belg. Mus., IV, 330.
#Betren#, 3400, vergoeden, boeten. Zie Lorreinen en Doctr. gloss.
#Bevaen#, 2731, bevangen; #met node bev.#, 517; #in bliscap bev.#, 899; #bevaen in goeden dinghen#, 2731; #met loveren bevaen#, 43 (omgeven, bedekt). Verg. Lsp. gloss. en Ferg. 1546.
#Bevelen#, 382, 1412, aanbevelen in de hoede van iemand, met DP. en AZ. Verg. Lsp. gloss.
#Bewachten#, 405, bewaken.
#Bewanen#, 2209, wanen, meenen; 176, verwachten. Ferg. 2004.
#Bewant sijn#, 1630 van #bewenden#, wenden, keeren, in eenigen toestand of gesteldheid zijn. Zie Mnlp. gloss.
#Bewerven#, 2172, 2866, verwerven. Flor. 1202, 2862; Doctr. II, 3293. Verg. HUYD., Proeve, 1 Dl., bl. 139.
#Bi#, 117, 123, 378, 2154, 2573, 2608, 3170, door; 565, #bi mi#, door mijn voorbeeld.
#Bi#, bij, in, tot, met; #bi der siele#, 1275; #bi siere eren#, 546; #bi name#, 1001; #bi den buke#, 1581.
#Bi#, 694, 1889, aan, met.
#Bi#, 602, 650, 879, 1366, 1620, 1671, 1709, 1911, 2046, 2364, bij, nabij.
#Bi#, 646, 1496, 3295, bij, langs.
#Bile#, 816, bijl.
#Bindesen#, 988, vul aan: bin desen worden, dus: intusschen, inmiddels. #Bin# ook buiten samenstelling is niet ongewoon, b.v. Wal. 121, 202, 995.
#Binnen# (#Hier)#, 1308, 2403, 3440, intusschen, inmiddels.
#Binnen gheboren#, 1795, aangeboren. Mnlp. heeft ingeboren.
#Bisant#, 1153, bysantijnsch goudstuk. Flor. 2614, 2620, 2698, 2734, enz. Velth. bl. 256.
#Bispel#, 181, spreekwoord. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 107. Flor. 2147.
#Blanden#, 2183, mengen. Het mede blanden staat tegenover het bier brouwen vs. 2180-1, verg. 1960-1. De deensche liederen op Grimhilde beginnen met: hun lader miöden blande, hun lader baade brygge og blande. Zie GRIMM, R. F., bl. 279-280. KIL. kent het woord blanden alleen in de beteekenis van smeeken, blandiri; maar het Eng. heeft nog to blend.
#Blare#, 2470, de blare koe, de bonte koe, de bête noire, de zondebok. Zie Lsp. gloss. op blaer.
#Blenden#, 1843, de oogen uitsteken. Mnlp. I, 213.
#Bleten#, 2090, blaten, van geiten en lammeren. Esopet, Fab. 30, vs. 2.
#Bleven# voor #ghebleven#, zie #Bliven#.
#Bliken#, 3358, blijken, aan den dag komen, zich vertoonen. Flor. 1795.
#Bliven#, #bleef#, (#ghe#)#bleven#, 866, 1658, 2037, 3247, achterblijven. Zie HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 26.
#Bliven laten#, 1295, 1299, laten varen, nalaten.
#Bloet# (#Al een#), 932, een bloed en al.
#Bloot# (#Al#), 1670, openlijk, onbedekt. Verg. Lsp. gloss.
#Bloterhuut#, 1262, in (zijne) bloote huid, naakt. Verg. bloots hoofds, ghetrects swerts (HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 352).
#Blouwen#, part. #ghe-# of #teblouwen#, 251, 1584, 1827, slaan. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 172, en CLIGNETT, Bijdr., bl. 118-19.
#Bodscap#, 477, 481, 1359, 2454, boodschap. Troj. Orl., in BLOMMAERTS OudVl. Ged., I, bl. 43, vs. 37.
#Boecstaef#, 459, letter. Zie KILIAEN, en verg. GRIMM, Deutsches Wörterbuch II, bl. 479.
#Borch#, 515, kasteel, burcht.
#Borne#, 2558, 2566, bron.
#Bottelgier#, 2786, schenker; Flor. 663, 3893; #meester bottelgier#, opperschenker, eene der voornaamste bedieningen ook aan het vlaamsche hof, zie WARNKOENIG, Hist. de la Flandre, tom. II, pag. 89. De toespeling op het bijbelsch verhaal van bakker en schenker behoeft geene nadere aanwijzing.
#Boudelike#, 1772, stoutmoedig, Flor. 2653, waar HOFFMANN het ten onrechte vertaalt schnell.
#Bout#, 1266, 1769, stoutmoedig.
#Braeuwen#, 2870, breeuwen, eigenlijk van het kalfateren van schepen gebruikt, en door KIL. ook vertaald: infarcire. Hier gebezigd voor het opstoppen van den vogel die gemest wordt, en die onbewegelijk is omdat hij op een plank wordt vastgespijkerd.
#Breken#, 2324, verbreken, te niet doen. #Breken ende raden#, 531, radbraken. Breken in dien zin leest men ook Stoke, 5 B., 480; gewoonlijk heet het radebraken; verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 378-379.
#Brief#, elk geschreven dokument, zie Wal. 2 Dl., bl. 127, 339. #Lesen sonder brief#, 2228 beteekent: uit het hoofd mededeelen, maar zoo naauwkeurig als of ik het geschreven voor mij had. Evenzoo leest men Troj. Orl. (Oudvl. Ged., I, bl. 44), vs. 123:
Vare ende brinc dinen here te voren Van minen monde, sonder brief: In haten niet.
Verg. ook Mnlp. gloss.
#Briesscen#, 693, brullen. KIL. vertaalt het Rugire et Hinnire; wij gebruiken het alleen in de laatste beteekenis.
#Brocht#, 83, 651, 748, 1650, voor #ghebrocht#, part. van #bringhen#, brengen.
#Broet#, 332, broedsel; 392, gebroed, kroost. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 80.
#Bruwen#, 1961, brouwen.
#Buten#, 1714, (verwijderd van).
#Butseel#, 1863, GRIMM, R. F., bl. 277, denkt aan den bunsing; WILLEMS meent er een busaert, accipitris genus (KIL.) in te mogen zien.
#Buuc#, 1581, buik; #bi den buke#, (kruipende) op den buik.
C. zie K.
D.
#Dach nemen#, 80, een dag bepalen.
#Daertoe#, 996, 1408, daarbij, daarenboven. Verg. #Toe#.
#Daet#, 3042, tweede pers. plur. imperf. van #doen#.
#Daghen#, 1007, 1344, 1350, 1376, indagen, voor 't gerecht dagen. Zie Lorreinen gloss.
#Daghen#, 1023, verdagen, uitstellen. Velth., bl. 116.
#Dale# (#Te#), 540, 890, 910, 958, nederwaarts.
#Dame#, 1853, vrouwe.
#Dane#, 272, 880, 1402, 1567, 1609, 2370, 2377, 2559, 2704, 2985, vandaar.
#Dar# (#Ic#), 239, 1358, 2013, 2908, 2933, 1 pers. praes. ind. van het ww. #dorren#, durven; #Dorret#, 2510, tweede pers. plur. praes. ind.; praet. #dorste#, 52, 758, 2380.
#Daren#, 904, deren. Verg. Lsp. gloss.
#Dat#, 861, omdat.
#Dat#, 350, 352, 519, zoodat.
#Deel# (#Een#), 1266, 2074, 3376, 3383, 3412, voor een gedeelte, ongeveer. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 129.
#Delijt#, 1228, vermaak, genoegen. Ferg. 3171.
#Derre#, 979, dezer. Zie Lorreinen gloss.
#Des#, 1223, tweede naamval van #dat#, afhangende van pleghen.
#Deus#, 2040, God. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 259, Ferg. gloss.
#Di#, 1441, 2543, derde naamval van 't pron. du.
#Dic#, (#Dicke#), 2, 70, 1392, 1518, 1730, 1746, 3288, dikmaals.
#Dichten#, 3285, 3342, een geschrift opstellen. Verg. V. WIJN, op Heelu, bl. 1.
#Dichter#, 3341, schrijver. Zie Lsp. gloss.
#Dieden#, 1450, 3162, helpen, baten, van nut zijn. Ferg. 3152; Wal. 1394, 2772; Stoke 7 B., vs. 1134. Verg. Doct. gloss.
#Dief#, 1419, „in der alten guten bedeutung von tyro, juvenis,” GRIMM, R. F., bl. 275.
#Dief#, 129, 357, 1815, 2007, boosdoener, deugniet. Wal. 8304, 9221. Zie vooral CLIGNETT, Bijdr., bl. 176-177.
#Diefte#, 351, 1449, 2064, diefstal. Ferg. 2951. Flor. 3517. Lanc. 2, 15433. Lsp. gloss.
#Dienen#, in de spreekwijze: Hi diende van sinen ouden spele, vs. 157; of, Ooc diende men hem met groten slaghen, vs. 1598. GRIMM verklaart de eerste plaats aldus, R. F., bl. 269: „bediente sich seines alten spiels, aber es ist wol zu lesen: diendem = diende hem.” Niet geheel juist. Iemand dienen met iets, is nog iemand iets aanbieden dat hem aangenaam is; maar zoo absoluut als in de eerstaangehaalde plaats wordt het niet meer gebruikt. De spreekwijs was in Vlaanderen niet ongewoon. Zoo Troj. Orl. (Ovl. Ged. 1 Dl., bl. 20), vs. 1701: Hi heeft hem metten scachte ghedient; 2 Dl., bl. 88, vs. 1201: Men diendem van groten slaghen; bl. 89, vs. 1283: Daer diendi hem van groten slaghen.
#Dietse#, 9, 1463, Nederlandsch; eigenl. de volkstaal. Verg. GRIMM, D. Gramm., I3, bl. 12-20.
#Dighen#, #deech#, #ghedeghen#, 413, verminderen, vergaan. Zoo Stoke, 1 B., vs. 1275: Grave Philips, die deech te niete, hetgeen HUYD. vertaalt: „Graaf Philips storf zonder kinderen.”
#Dinc#, 476, 2464, 2771, 3244, zaak, aangelegenheid. Verg. gloss. op Flor. en Mnlp.
#Dinc#, 2739, geding, in de spreekwijs: sitten te dinghe. Zoo Ferg. 4286.
#Dinghen#, 607, 780, pleiten. Wal. 3871. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 40.
#Dinken#, 126, 198, 665, 1014, 1099, 1718; met DP. praet. #dochte#, 362, 499, 954, 1056, 2225, dunken.
#Doe#, passim, toen.
#Doemsdach#, 3428, oordeelsdag. Wal. 3844, 8893.
#Doen#, 2828, bewerken. Verg. Mnlp. gloss.
#Doen die vaert#, 1043, varen, gaan. Zoo pongijs doen voor pongieren, HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 504-505.
#Doen hem up die strate# (#up die vaert#), 1320, 3301, 3311, zich op weg enz. begeven.
#Doen te verstane#, 1615, te verstaan geven.
#Doen te voren#, zie #Voren#.
#Doere#, 2946, samentrekking voor: #doe er#.
#Doghen#, 281, 2321, 2396, 2646, trans. lijden.
#Doghet#, 3121, goedheid.
#Dole#, 2382, onzekerheid. Dit schijnt de echte oude beteekenis te zijn. Zoo ook Esopet, Fab. 12, vs. 14.
#Doot#, vr., 1311, 1990. Zoo gewoonlijk, b.v. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 13), vs. 1067.
#Doot hebben#, 905, 1144, „niet geheel hetzelfde als gedood hebben, maer veeleer ziende op het gelukken van den wensch naar iemands dood” (Lsp. gloss.). Zoo Ferg. 3620, 3849. Met betrekking tot vs. 1144 vergelijke men Wal. 2 Dl., bl. 281, de aant. op vs. 5270.
#Dor#, 231, 1209, 1486, 3121, door; 25, 66, 243, 317, 474, 931, 992, 1229, 1476, 2083, 2150, 2580, 2887, om, wegens; #dor dat#, 111, 216, 885, 3015, omdat; #dor dat#, 897, opdat.
#Dore#, 13, 33, dwaas. Flor. 66, 1010. Doctr. III, 1127. Verg. Lsp. gloss.
#Dorft#, ww. #dorven#, #derven#, 2560, noodig hebben, behoeven. Ferg. 3802. Flor. 82. Lsp. en Lorr. gloss.--Praet. #dorste#, 887.
#Dorper#, 602, 779, 845, 866, dorpeling; 13, 33, 2326, onbeschaafd, slecht mensch; met denzelfden overgang van beteekenis die in villanus (van villa), vilain is op te merken. Verg. ook scalc.
#Dorperheit#, 1673, onkieschheid, onbetamelijkheid, „wat tegen de eerbaarheid strijdt.” Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 532-535.
#Dorste#, zie #Dar# en #Dorft#.
#Doven#, 1718, razen. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 428-430.
#Draghen lieve#, 2137, liefde toedragen, beminnen; #Draghen sorghe#, 2308*, bezorgd zijn, vreezen.
#Driven#, bedrijven; met een subst. verbonden meestal te samen door één ww. te vertalen. #Dr. claghe#, 308; #bliscap#, 908; #baraet#, 2360; #mesbare#, 3227; #onghevoech#, 3379. Verg. Flor. en Mnlp. gloss.
#Driven#, 1558, voor zich heen drijven; #driven te vonnesse#, 1884, aansporen om het vonnis te vellen; #driven te scerne#, 545, te schande brengen; zie op #sceren#.
#Driven uut#, 1131, verdrijven.
#Druut#, 925, deugniet. Zie Wap. Mart. K. 52; Mnlp. II, 4105. Verg. GRIMM, D. M., bl. 586.
#Dul#, comp. #dulre#, 918, dom, dwaas. #Sijn an den dulsten#, 493, aan het kortste eind zijn. In de beteekenis van: gering, arm, leest men dul, Troj. Orl. (Ovl. Ged. 1 Dl., bl. 11), vs. 932.
#Dulen#, 693, brullen (Het Fr. uller). Wal. 9714. Lanc. 3, 3805.
#Dusdaen#, 1708, zoodanig. Ferg. 3427, 3573. Flor. 560, 581, 3512. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 215.
#Dwaen#, 1460, wasschen. Zie Lsp. gloss.
#Dwinghen#, 664, 2308*, bedwingen (verg. 1732).
E.
#Echt#, 1648, 2945, 3396, 3410, wederom, andermaal. Flor. 2718. Ferg. 106, 1669. Zie Lsp. ploss.
#Edelheit#, 66, edelmoedigheid. Verg. Flor. gloss.
#Eencoren#, onz., 1864, eekhoren.
#Eenlic#, 883, eenzaam.
#Eerden# (#Bringhen ter#), 433, begraven.
#Eesch#, 3051, eisch.
#Eighin#, 2308*, eigenhoorig, slaafs onderworpen.
#Eke#, zw. 651, 681, 859, eikeboom.
#El#, 571, 1121, 3225, ander(s).
#Elkerlijc#, 302, 2863, elk. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 189.
#Emmer#, 1265, 1493 (2308*), in 't vervolg, nu.
#Emmervort#, 1285, voortaan.
#Engien#, 452, kunst; waarvoor Flor. 935, 1542, 2372, meestrie heeft.
#Entie#, 191, samengetr. voor Ende die.
#Entrouwen#, 252, 3226, #in trouwe#, 2214, voorwaar.
#Erch#, 919, 2323, boos, slecht.
#Ere#, 134, 1301, samengetr. voor eenre, ener.
#Erre#, 2814, 3356, 3366, 3386, gram, boos. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 240.
#Erren#, 3188, gram worden.
#Evele moet#, 2483, gramschap. Men verg. omtrent de spreekwijs Wal. 10009. Lanc. II, 5506, 9277, 15321, 31622; IV, 5827, 6798. Theoph. 692, 1607. Rijmkr. bij KAUSLER, 3419. v. d. Feeste, 99, 375. Wap. Mart. 69, vs. 7. Ferg. 2855, 4867. Rose 6244. Doct. II, 3698. Esopet bl. 181. Zie ook de keur bij KLUIT, Hist. Crit., II, 2, 656.
#Everswijn#, 1859, wild zwijn. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 95-97.
F.
#Fel#, 60, 88, 105, 343, 484, 544, 614, 856, 940, 993, 1019, 1079, 1704, 1787, 2500, 2507, 2812, wreed, nijdig, boosaardig.
#Fijn#, 1865, schoon, bevallig. Zie Lorr. gloss. en vooral Lsp. gloss.
#Flume#, 2621, rivier. Verg. Flor. gloss.
#Fransois#, 100, fransch; #in fransois#, in het Fr.
G.
#Gaen ant lijf#, met DP., 2862, het leven kosten.
#Gaerdelijn#, 1416. Ik mistrouw dat woord: gaerde beteekent een rijs, een takje, maar wordt, zoover ik weet, nooit voor baardhaar, knevelbaard aangetroffen. Daarvoor is zeer gewoon granen, het Fr. guernon, dat hier 2972; MAERL., Sp. Hist., 3 Dl., bl. 266, Rose 764, Lanc. II, 36969, voorkomt, en nog bij KIL. bekend is. Moet nu in vs. 1416 niet gelezen worden granekijn, of granelijn?
#Gal#, 1230, praet. van #gellen#, gillen.
#Ganc#, 551, 885, gang, liet gaan. #Ganc maken#, 152, gaan.
#Gast#, 1981, vreemdeling; 1204, gastvriend, hospes; voorts beteekent dit woord in 't algemeen, een onbekend en dus onbemind persoon, terwijl de juiste beteekenis nader door het adject. wordt bepaald, b.v. 1888, #felle g.#, 2821, lede g. Zoo Troj. Orl. (Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 85), vs. 869, wrede gast.
#Gheanden#, 202, wreken. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 453-454.
#Ghebare#, 1769, uiterlijk voorkomen. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 33-34.
#Ghebieden#, 840, 2217, 2762, 3243, bevelen; 1839, lusten, willen. Zoo Lorr., I, 611; Wal. 2771. In de elliptische spreekwijs, God, die alle dinc gheboot, 1774, moet men aanvullen: te leven, te zijn. Zie Wal. 2 Dl., bl. 292.
#Ghebleet#, 2083, geblaat. Verg. #Bleten#.
#Gheboren int been# (#Sijn#), 2497, sedert de geboorte in merg en been zitten. Verg. #Binnen gheboren#.
#Ghebreken#, 1935, intr. met DP. ontbreken. Verg. Lsp. gloss.
#Ghebure#, 1981, buurman; 343, in meer algemeenen zin, die felle ghebure. Verg. het fransche spreekwoord aangehaald Doctr. II, 919. Zie ook Lorr. gloss., pag. 333.
#Ghedeghen#, zie #Dighen#.
#Ghedichte#, 3241, opstel, geschrift. Verg. #dichten#, #dichter#.
#Ghedichte#, 812, adv. dicht op een. Ferg. 4227. Wal. 2139, 3119, 3706, 3784. Verg. Lsp. gloss.
#Ghedinghe#, 314, 475, 527, geding, terechtzitting.
#Ghedinken#, 1504, 1675, 1997, impers. DP. GZ., zich herinneren, gedenken.
#Ghedochte#, 542, gedachte, de daad van het denken. Ferg. 1198. Flor. 207 (?), 1654.
#Ghedoen#, 139, doen; 3177, #Ghedoe hoe ic ghedoe#, het ga mij zoo het wil. Bekend is de spreekwijs: #Wat doedi?# Hoe vaart gij? (how do you do?) b.v. Lanc. II, 11415, 14097, 14223, 12545, 30702, 30828. Limb. IV, 305; VI, 493. Velth., bl. 363. Verg. Lsp. gloss. i. v. doen.
#Ghedoghen#, 755, 1590, 1593, 1895, verdragen, lijden, doorstaan. Verg. Flor. gloss.
#Ghedraghen#, 637, 1129, dragen.
#Gheganghen#, part. van #ganghen#, 3215, gegaan. Verg. MAERL. I, 100. Ferg. 1650. Stoke 7 B., vs. 466, en HUYD. aldaar 2 Dl., bl. 347.
#Ghegripen#, praet. #ghegreep#, 1249, 1260, 3104, grijpen, aangrijpen. Ferg. 1213.
#Ghehelpen#, 691, helpen, baten.
#Ghehent#, 450, geëindigd; part. van #enden#, eindigen.
#Ghehidet#, 2574, verborgen. Verg. het Eng. to hide.
#Ghehorsam#, 2550, gehoorzaam. Verg. Lsp. gloss. op ghehoren.
#Ghehuuc#, 1605, geschreeuw. Wal. 10601, 10631, 10721. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 382.
#Ghecrai#, 2308* (bis), geschreeuw.
#Ghelach#, 1518, gelag, spijs of drank, waarmeê men zich vrolijk maakt.
#Ghelach#, 2399, gemak (eigenl. wat goed gelegen is). Zoo heeft KIL. nog het adj. ghelaeghsaem, dat hij een Vlaamsch woord noemt, en verklaart wel gheleghen.
#Ghelaet#, 1092, 1211, 1737, 1768, 1802, 2119, 2185, uiterlijk voorkomen. Verg. Lsp. gloss.
#Ghelaten# (#Hem#). 1062, 3036, zich aanstellen, zich voordoen. Verg. Flor. gloss. MAERL., Sp. Hist., 3 Dl., bl. 294, 312. Ferg. 4209.
#Ghelden#, 1236, betalen, vergelden.
#Gheles#, 2930, gebed, zegenspreuk. Verg. MAERL., Sp. Hist., 3 Dl., bl. 241, vs. 50, 63.
#Gheliden#, 1525, glijden.
#Gheliet#, part. van #lien#, 3403, bekennen. Zie Lorr. gloss. op liet.
#Gheligghen#, praet. #ghelach#, 1321, liggen, zich uitstrekken.
#Ghelove#, 1599, geheel afgefoold. Zie Wal. 2 Dl., bl. 332-7.
#Gheloven#, 1020, 1784, 2495, gelooven, vertrouwen. Zie Lorr. gloss.
#Gheloven#, 142, 608, 1622, 2488, beloven, verzekeren. Lsp. gloss.
#Gheloven#, 2521, goedkeuren, toestemmen. Zie Lorr. gloss. i. v. loven. Zoo gebruikten ook de Franschen louer, b.v. GARIN, I, 116; II, 42.
#Gheluut#, 1532, 1575, 2308*, 3372, geschreeuw, geraas, gebrul. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 15), vs. 1268.
#Ghemac#, 736, 2128, 2220, 2849, 3297, rust, genoegen, tevredenheid.
#Ghemackelijc#, 3008, rustig. In den zin van bedaard, gerust, komt het herhaaldelijk voor. Flor. 2018. Lanc. II, 29519, 31255, 35886, 36854. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 95), vs. 211.
#Ghemanc#, 2308*, oploop. Verg. Lsp. gloss.
#Ghemene#, 2112, gemeenschappelijk.
#Ghemick#, 2859, van pas, passend. Verg. Lsp. gloss.
#Ghemoet#, 1055, 1110, 2768, ontmoeting.
#Ghemoeten#, 1107, ontmoeten. Zie over dit en het voorgaande woord, Lorr. gloss.; CLIGNETT, Bijdr., bl. 228.
#Ghenade#, 67, 317, 1745, genade, gunst; #leven mit ghenade#, 3445, onder Gods bescherming leven; #met ghenade#, 2195, met (uwe) toestemming; #grote ghenade hebben#, 3148, gerustheid hebben, gerust leven. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 528 en 512.
#Ghenadich#, 2316, welwillend, toegenegen.
#Ghenaken#, 2006, in iemands nabijheid komen.
#Ghenent#, #gheninde#, 2511, vertrouwen, moed; #met gheninde#, 2810, met drift, haastig. Zie Lsp. gloss.
#Gheneren# (#Hem#), 1689, zich voeden, den kost winnen. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 13), vs. 1109. Wal. 326. Verg. Mnlp. en Lsp. gloss.
#Ghenesen#, 1404, intr. behouden blijven. Verg. Lsp. gloss.
#Ghenesen#, 245, (van een kind) bevallen, verlost worden. Zie t. l. a. p.
#Ghenoopt#, part. van #nopen#, 964, eigenlijk aanraken, slaan (zie Lsp. gloss.), hier pijnigen.
#Ghenoot#, 2253, gelijke, pair. Zie Lorr. gloss.
#Gentel#, 2508, beminnelijk, gentille. Zie KIL. op Ghent.
#Gheonneert#, 2009, te schande gebracht, Fr. honni. Lorr. II, 3813.
#Ghepronden#, zie #Prenden#.
#Ghequiten#, 2658, vrij maken van iets.
#Gheraden#, 1453, raden, raad geven.
#Gheraect sijn tot iemen#, 1246, tot iemand genaderd, doorgedrongen zijn. Verg. Mnlp. gloss.
#Ghereden#, 1918, 2958, bereiden, toebereiden; 1762, #hem ghereden up#, iets beginnen.
#Ghere#, 687, samentr. van #ghener#.
#Gherochte#, 1533, gerucht, geraas; 3304, „tumultus, murmur, turbatio,” KIL.
#Gherocht uut#, praet. van #gheraken uut#, 752.
#Gheronnen comen#, 118, 734, 760, 1325, komen aangeloopen. #Gheronnen# is het part. van #rennen#, waarover zie Lsp. gloss.
#Ghesegghen#, 1651, zeggen, verhalen.
#Gheselle#, 613, 629, 645, 2106, gezel, wapenbroeder, vriend. Over de compagnons of frères d'armes, zie vooral DU CANGE op JOINVILLE.
#Gheselscap#, 2109, trouwe hulp en vriendschap.
#Ghesien#, 1264, zien.
#Ghesinde#, 1399, gezin, hofgezin, gevolg. Carl. El. 1174. Mnlp. gloss.
#Ghesceet#, 387, scheiding. Flor. 1582, 3111.
#Ghescriven#, 93, schrijven.
#Ghesleghen#, part. van #slaen#, 653; #pade slaen#, 505, door heen en weêr loopen paden vormen. Vandaar #slaghe#, #voetslaghe#, in den zin van voetstapgen, voetspoor, spoor.
#Ghesmide#, 2590, allerlei cieraad, dat van eenig metaal gesmeed wordt; CLIGNETT, Bijdr., bl. 224-225.
#Ghesocht#, zie #Sochten#.
#Ghespreken#, 438, spreken. Het imperf. ghesprac staat hier als dikwerf in het Mnl. en Oud- en Mhd. voor het plusquamperf.
#Ghestade#, 613, standvastig, getrouw; 3047, ingetogen, niet door hartstochten hèen en weêr geslingerd. Verg. Lsp. gloss.
#Ghestaen#, 560, 1305, staan; zoo ook #ghestaen sijn#, 698, waarover zie Lsp. Gloss. op ghestaen.
#Ghesteken#, part. van #steken#, 3261, 3339.
#Ghestille#, 26, 1136, 2194, stilzwijgen, stilte. Ferg. 681, 5556; Flor. gloss.
#Ghetelen#, zie op #Telen#.
#Ghetemen#, 2211, gedoogen. Zie vooral HUYD. op Stoke, 2 Dl. bl. 432-433; en verg. MAERL. III, 149; Wal. 8566, 9426, 7740; Lanc. 3 B., vs. 14983, 23149; Rose, 3365; Mnlp. 3 B., vs. 593. Zie ook Limb. gloss.
#Ghetide#, 951, „ghetyd-ghebeden; horariae preces, preces canonicae” (KIL.); de gebeden die elk priester op bepaalde tijden van den dag moest lezen, en waarvan de complete het laatste is.
#Ghetoghet#, 1080, part. van #toghen#, aantoonen, toonen. Wat ghetoghet is, blijkt, is duidelijk.
#Ghetrouwe#, 2485, 3242, eerlijk, oprecht.
#Ghetrouwe sijn# (?), 2578, vertrouwen.
#Ghetrouwen#, 3365, vertrouwen, betrouwen. Verg. Mnlp. gloss.
#Ghevaen#, zie #Vaen#.
#Gheval#, 46, 2225, geluk; maar die beteekenis is er slechts bij toepassing aan gegeven, daarom 617, 1059, vol-uit #goet gheval#.
#Ghevallen#, intr. DP., 149, 1278, 1393, 2190, 2289, 2308*, 2351, gebeuren; 1391, uitvallen.
#Ghevane#, 2996, 3417, de gevangenen. Eigenl. part. van vaen.
#Ghevaren#, zie #Varen#.
#Gheven een val#, 1641, #enen spronc#, 1716, vallen, springen.
#Ghevoech#, 233, 658, 884, 1625, 2968, eigenlijk wat voegt, of te pas komt (dus 233); wat dienstig of nuttig is. Vandaar: voordeel, gemak, enz. Zie Lsp. gloss.
#Ghevreiscen#, 1582, vernemen. Verg. Flor. gloss.
#Ghewaerlike#, 2564, waarlijk, waarachtig.
#Ghewaert laten#, 1123. WILLEMS verklaart #ghewaert# als verzekerd, vrij, d. i. waerschap of genoegdoening verstrekt hebbende; maar die verklaring zal wel niemand bevredigen. Blijkbaar beteekent het met rust laten, van het goth. gavairthi, d. i. vrede, rust. Verg. HOLTZMANN, Unters. über das Nibelungenlied, bl. 85. Vanhier het bekende #ghew(a)erden#.
#Ghewande#, 1283, ingewand. De omwerking heeft ghewade: scade; is dat ook de ware lezing? Stoke, 2 B., vs. 963, heeft ghewade.
#Gheware worden#, met GZ., 1712.
#Gheweldelike#, 3431, met geweld, overmachtig.
#Gheweldich#, 1224, machtig.
#Ghewelt#, 2308*, macht. Verg. Lsp. gloss.
#Ghewent#, 1540, gekeerd.
#Ghewin#, 1634, 3182, 3252, winst.
#Ghewinnen#, #ghewan#, #ghewonnen#, 227, 342, 571, 580, 1326, verkrijgen, verwerven, machtig worden; 749, de vrije beschikking krijgen; 1029, overhalen. Verg. Lsp. gloss.
#Ghewouden#, 430; ook alleen #wouden#, 3189, macht oefenen, beschikken over iets, beschermen. Wal. 3298, 3895, 5221; Limb., Mnlp. gloss.
#Ghewout#, 605, 2142, 2450, 2853, 3430, macht. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 361.
#Ghewreken#, #ghewrac#, 436, 468, wreken.
#Ghewrochte#, imperf. van #ghewerken#, 1652, werken, bewerken. Zie Lsp. gloss.
#Ghier#, 940, vraet, slokop. Eigenlijk een adj. begeerig, hebzuchtig. Verg. Lsp. en Mnlp. gloss.
#Ghierech#, 403, begeerig, inhalig, gulzig.
#Ghendre#, 831, 1336, 1603, gints, ginder.
#Ghisel#, 3089, gijzelaar.
#Godevolen#, 3300, Gode bevolen. Zie Beatrijs gloss.
#Godsat hebben#, 3176, gevloekt zijn; eigenlijk Gods haat hebben. MAERL. I, p. 62. Ferg. 2304, 4702, waar het hs. Godsat heeft. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 350-351.
#God gheve u goedendach!# 2921, gewone zegenwensch, God zegene, bescherme u! Ferg. 4572. Het tegenovergestelde, een quaden dach wenschen, vindt men evenzeer, b.v. Velth. bl. 42; Ferg. 3214, 3492.
#Goedertiere#, 2315, 3045, goedaardig. Wal. 9172, 9238, 9346. Verg. Flor. gloss.
#Goet#, 1988, goed, (geschenk).
#Goom nemen#, 183, 659, 2000, 2138, met GZ., acht geven. Ferg. 734, 1202; Velth. bl. 182, 184, 186, enz. Verg. Flor. en Mnlp. gloss.
#Gram#, 2462, verdrietig; 3099; toornig. In de eerste beteek. Ferg. 103, 1528; Flor. 550; in de tweede Ferg. 1925. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 264.
#Gram doen#, 3042, verdrietig maken, leed aandoen.
#Granen#, 2972, knevels. Flor. 3284; Lanc. II, 36969; Rose 764.
#Graven#, #groef#, 2600, begraven. Lorr. gloss.
#Grief doen#, 186, leed doen, van het fransche grief.
#Grongaert#, 32, het fr. grognard.
#Grongieren#, 2118, brommen, 't fr. grogner.
H.
#Haenbalc#, 1618, hanebalk, bovenste balk van 't dak.
#Haerwaert#, 1452, herwaarts.
#Haghe#, 42, 386, 396, 820, 1053, 2400, 3139, heg, kreupelhout.
#Haghedochte#, 541, 1367, 3074, 3257, krocht, hol. Zie Lsp. gloss.
#Half ghenade#, 1993, (spottende uitdrukking).
#Hame#, 971, ons ham, eigenlijk de buiging der achterbeenen. KIL. poples. In den Ferg. heet het van twee ridders, die op elkander inrenden, 2347:
So sere si te gadere quamen, Dien orsen boghen die hamen.
#Hant# (#Te#), zie op #Te#.
#Hantwerc#, 3348, schrijfkunst, eigenlijk handwerk.
#Harde#, #haerde#, 3, 153, 207, 312, 569, 656, enz. Adv. zeer.
#Hare#, 269, 374, haren kleed, fr. haire. Zie Beatrijs gloss.
#Hare#, #Haer#, 2624, 3222, hier. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 22.
#Harentare#, 1628, 1711, 2069, hier en daar. Zie Lsp. gloss. op haer.
#Have#, 563, zaak, eigenl. bezitting, van hebben. Verg. Lsp. 3 Dl., bl. 139, vs. 113; Ferg. 1068; Flor. gloss.
#Hebben ghedaen#, met een infin. 44, 2916, gewone spraakvorm.
#Heleghe#, 83, reliquien der heiligen. Lorr. II, 161. Verg. ZIEMANN op heilic.
#Helet#, 615, 1072, 3221, held. De Oud-Saksische vorm is Helith, Helid. Zie Heliand, 3650, 6270 (ed. KÖNE).
#Helpe#, 575, 1545, 2071, 3361, uitroeping van verbazing, God helpe mij! MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 84, 255.
#Hem#, 716, hun; 769, 958, zich.
#Henen#, 2345, van hier, weg.
#Here#, 2246, vader. Lanc. 3 B., vs. 26460. Limb. X, 310.
#Herte#, vr. subst. 899, 917, 982, 1079, 1199, 1741, 1925, hart.
#Heten#, #hiet#, #gheheten#, 2223, 2815, 3234, 3346, bevelen.
#Hie#, 1852, echtgenoot; Ohd. hiwa, GRAFF, IV, 1066. Verg. KÖNES Heliand, bl. 369.
#Hinderwaert#, 2018, 2021, achterwaarts. Hinderwaert varen, hier, abire in malam partem. Wal. 1600.
#Hine#, 963, samentr. van hi ne = hi en.
#Hinne#, 134, 287, hen.
#Hire#, 52, hij er.
#Ho#, 443, hard op, met luider stemme, eigenlijk hoog. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 142.
#Hoe so#, 1444, 1765, hoe.
#Hoede# (#Sonder#), 377, 391, „onbekommerd, zonder telkens op zijne hoede te moeten zijn”. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 381.
#Hoekijn#, 2091, bokje.
#Hoen#, plur. #hoener#, 1538, 1560, 1613, 1637, 1701, 2094, „Etsi hoen pro gallina fere usurpetur, tamen commune est nomen ad omne gallinaceorum genus.” KIL.
#Hof#, 45, 48, 51, 55, 554, hofdag, cour plénière; 650, hofstede.
#Hoghen# (#Sijn in#), 1048, 2114, verheugd zijn. Zie HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 263-264.
#Hondekijn#, 99, hondje.
#Honen#, 78, 175, 217, 488, 491, 501, 1204, 1638, bedriegen. Zie Doct. gloss.
#Hoofschelike#, 37, fatsoenlijk, op hoofsche wijze. Verg. Beatrijs, bl. 38.
#Hopen ten ghewinne#, 2472, verlangen naar de winst, het voordeel.
#Houden#, 633, volgen. Verg. Ferg. 179.
#Hout#, 606, 2238, genegen. Zie Doct. gloss.
#Houtmakerigghe#, 804, houtwerkster. Zie over den vorm HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 72.
#Hovesc#, 1221, heusch, beleefd. Verg. Beatrijs, bl. 38.
#Hoveschede#, 28, 1669, beleefdheid, welopgevoedheid.
#Hulde#, 594, 1142, 1784, 2173, 2489, welwillendheid, genegenheid, gunst. Zie Doct. en Lorr. gloss.
#Hulde#, 1611, 3441, trouw.
I. J.
#Jamer#, 308, jammerklacht. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 13 of 387.
#Jane#, 2208, 2528, ei (Ja en), bij eene vraag. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 358.
#Iemen#, 500, iemand.
#Iet#, 2219, 2611, 2715, eenigsins. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 379.
#Iewet#, 122, 2355, iets, ietwat.
#Jeghen#, 113, 1335, 1361, 1653, 1763, 3095, tegen. Verg. Lsp. gloss.
#Jeghen# (#Brenghen te#), 215, 3259, geven, ter hand stellen, eigenlijk toevoeren.
#In#, 136, op; #in den daghe#, gewoonlijk an d. d.
#Indien#, steeds gevolgd door dat, 2193, 2448, 2487, 2805, wanneer.
#Inne#, 93, enz., ic en.
#Ingaen#, 322, beginnen. Verg. Lsp. gloss.
#In lanc so bet#, 1222, hoe langer zoo beter. MAERL. Sp. Hist., 1 Dl., bl. 93. Verg. Lsp. gloss.
#Inlopen#, 1905, beginnen, gebeuren.
#Inslaen#, 955, 1721, zich driftig in iets werpen.
C. K.
#Caerminghe#, 313, gekerm, weegeklag.
#Caf#, 1803, het allerminste, zoo goed als niets. Zie Lsp. gloss. Verg. #Loof#.
#Capproen#, 944, hoofdbedeksel, kapje. Zie Lsp. gloss.
#Carine# (#toghen#, #doen#), 280, 423, straf, boete, vooral die men zich door vasten en ligchaamskastijding opleî. Verder in 't algemeen smart. Het woord komt dikwerf voor: Wal. 2115, 7699; Ferg. 2167; Lanc. II, 45605; III, 17621; Brandaen II, 688; Kausler I, 7575; Stoke 3 B., vs. 463. Ook in de fragm. van Aubry de borg. Evenzoo in 't Mhd., b.v. Werner v. Niederr., bl. 7, 75. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 146-147. Het Ohd. heeft chara, passio, poenitentia (GRAFF IV, 164), het Oudsaks. kara (KÖNES Heliand, bl. 387) in dezelfde beteekenis; waarschijnlijk stamt daarvan af het mlat. carena, dat ZIEMANN verklaart door „quadragena, busze durch vierzigtägiges fasten oder 40 geiszelhiebe.”
#Caritate#, 278, hier aalmoes in den zin van het fr. faire la charité. Het is het Lat. caritas.
#Castien#, 489, vermanen, terecht wijzen. Verg. Flor. 1231. Lsp. gloss.
#Keer#, 502, 1915, wending, draai.
#Keitijf#, 640, 838, 2785, arm, ongelukkig, ellendig. Verg. cativo en chétif, en zie Lsp. en Beatr. gloss.
#Keren# (#in# of #tot iets#), 11, 29, 36, streven naar iets; #die tale keren#, trans. en intr. 641, 1667, bedoelen. Zie Lsp. gloss.
#Kennen#, 86, weten. Zie t. a. p.
#Kerre#, 209, kar.
#Chierheit#, 2594, kostbaarheid. Zie Doct. gloss.
#Claer#, 1103, helder; #claerre#, 1445, is de compar., ons klaerder, waar #claer#, onbesmet beteekent.
#Claerlike#, 1661, verstaanbaar, openhartig.
#Claghe#, 61, 125, 135, 248, 2770, aanklacht.
#Claghen#, 2695, klachten uiten, jammeren; #claghen over#, #om#, 59, 235, zich beklagen over iemand; 100, 114, 194, 1762, 1789, eene aanklacht doen, aanklagen.
#Claren#, 2726, 2944, zuiveren.
#Clerc#, 3357, geestelijke, geleerde; 251, leerling. „Clerke als si eerst ter schole gaan,” zoo als het heet D. Catoen, 24-25, zijn natuurlijk schooljongens. Verg. Flor. gloss.
#Clippel#, 1297, klepel.
#Clockelijn#, 1490, klokje; doch zie de aanteekening aldaar.
#Cloet#, 786, 792, lange stok, polsstok. Zie KIL.
#Cluse#, 275, kluis.
#Coever#, 569, overvloed. Zie Lsp. gloss. op vercoeveren.
#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, R. F., bl. XCII, „Scherzhaft wird örtliche und zeitliche bestimmung gemischt; noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen pfingsten und Strassburg.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das 12 jh. hinauf. „Inter pascha Remisque,” Reinardus II, 690; „inter Cluniacum et sancti festa Johannis obit”, IV, 970...... In den Niederlanden: „van Aken tot paschen (TUINMAN, Spreekw., I, 334); wahrscheinlich ist auch „van Colne tote Meie” so zu nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est passé entre Maubeuge et la Pentecôte.”
#Comen#, part. van #comen#, 87, 314, 1091, gekomen.
#Complete#, 951, de laatste kerkdienst van den dag, „met welke alle de diensten van den dag vervuld en besloten werden.” Zie Lsp. gloss. en den daar aangehaalden HUYDECOPER.
#Conden#, 2061, verkondigen, bekend maken.
#Conste#, praet. van #connen#, kunnen, 462, 757, 953, 1500, 1510, 1894, 3349.
#Cont#, 1910, bekend. Zie Doctr. gloss.
#Convent#, #covent#, 1612, 2512, voorwaarde.
#Corten#, 1879, 1939, kort maken, bekorten.
#Coude#, 2647, koude; 2630, koortskoû, koorts. Verg. WILLEMS, Inleid. op Reinaert, bl. LXIV, en zie KIL.
#Cracht#, 347, #met haerre cracht#, uit al hunne macht.
#Craghe#, 2636, 2964, 3250, hals (welk woord intusschen ook, 1594, 3263 voorkomt). Ferg. 2657; verg. KIL.
#Craieren#, 45, uitroepen; Flor. 166; Ferg. (2502), 5067, 5129.
#Cramp#, praet. van #crimpen#, 1507.
#Cranc#, 56, 563, 869, 1013, 1761, 1846, 2000, 2138, zwak.
#Creature#, 1354, 1704, 2568, schepsel; met het bijvoegsel fel, meest in verachtelijken zin.
#Crede#, 142, 148, 249, 388, het Credo, de belijdenis des geloofs.
#Crone#, 1786, de kroon, voor den kroondrager. Doch zie de aanteek. aldaar. Terecht wordt MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 12, vs. 2, crone verbeterd in coninc, zoo als blijkt uit vs. 6. Crone voor regering, is bij MAERLANT niet ongewoon, zie 3 Dl., bl. 13, 314.
#Crop#, 1936, strot, keel. Verg. KIL.
#Crune#, 947, 1468, 1503, 1820, het geschoren bovenste gedeelte van 't hoofd bij de geestelijken, waardoor slechts eene corona van haren werd overgelaten; de kruin. Ferg. 2405; MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 49, 71, 185, 227.
#Cruusstaf#, 727, 811, geestelijke herderstaf, van boven met een kruis voorzien.
#Cume#, 611, 768, 2131, 2143, 2899, naauwelijks. Ferg. 471, 561, 2509. Flor. gloss.
L.
#Lachter#, 71, 95, 1024, 1300, 1967, 2181, 2232, 2286, schande.
#Lachterlike#, 1387, schandelijk.
#Laden#, 477, opladen, belasten met iets. Verg. Lorr. gloss. MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 192.
#Laghen#, 2125, belagen, beloeren.
#Lac#, 808, praet. van #leken#, vloeyen. Lsp. gloss.
#Langhen#, 1960, impers. DP. verlangen. Wal. 5448, 5773. Lanc. II, 11059, 28142; III, 3823. Rose 2256. Limb. V, 1768, 1823.
#Lanc# (#Over#), zie #Over#.
#Lanc# (#Den berch --#), 552, over de geheele lengte van den berg.
#Lanken#, 875, de zijden. Flor. 216; Ferg. 326.
#Lapen#, 2085, lekken. Velth. bl. 256. Limb. VIII, 70.
#Lat#, 1182, traag. Zie Doct. gloss.; Beatr. 31; Wal. 5502, 7756, 8606.
#Laten#, 958, 1595, 2802, laten, toelaten, steeds met een daarop volgend werkwoord. #Gedichte laten gaen#, 812, is bij herhaling op en neder laten (doen) gaan.
#Laten#, 1596, AZ. en DP. overlaten; 489, 625, 929, 1310, 2804, nalaten, achterlaten; 1432, verlaten.
#Leden#, praet. van #liden#, 231, 2433, geleden.
#Leet#, 89, 752, onaangenaamheid, verdriet. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 117.
#Leet#, 1280, 1528, 2821, adj. het tegenovergestelde van lief, dus onaangenaam, gehaat, verwenscht. Verg. Lsp. gloss.
#Leet hebben#, 2007, haten. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 198-201.
#Leie#, 2620, de rivier de Leye. De spreekwijs beteekent: „Meent gij dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?”
#Leckernie#, 2088, slechtheid. Rose, 3852, waarvoor Lanc. II, 7619, leckeringhe.
#Lesen#, 147, lezen; maar 1684, bidden. Verg. Beatr. gloss.
#Lesse#, 155, les; 449, gebed. Verg. #gheles#.
#Lettel#, 226, 736, 780, 920, 1633, 2375, adv. en adj. het laatste met GZ., weinig, luttel.
#Lettelkijn#, 3202, een weinigje.
#Letten#, 1318, 1954, intr. vertoeven, verwijlen, vertragen. Verg. Lsp. gloss.; Wal. 6922, 9471, 9492; Lanc. II, 13190; Stoke VII, 698; IX, 212, 888.
#Licht#, 3013, vlug, KIL.: „licht, locht, velox.”
#Liden#, 150, 1053, 1057, 2573, 3133, langsgaan, voorbijgaan, het Fr. passer. Verg. Lsp. gloss.
#Liden#, zie #Leden#.
#Lief#, 1970, 2227, aangenaam.
#Lieghen#, 485, met AP., beliegen.
#Lien#, #liede#, #gheliet#, 3093, 3403, erkennen, bekennen. Verg. Lorr. en Lsp. gloss.
#Lier#, 745, 855, 994, 1352, 1965, wang; Flor. gloss.; CLIGNETT, Bijdr., bl. 74-78.
#Lieve#, 2137, 2746, 3333, liefde; Lsp. gloss.
#Ligghen#, 1707, zich uitstrekken, loopen. Verg. #Gheligghen#.
#Lijf#, 132, 236, 720, 1386, 1408, 1984, 2568, leven. Zie Lsp. gloss.
#Lijcteken#, 2302, merkteeken, herkenningsteeken. Wal. 2687, 6424, 6487, enz.; Lanc. II, 16443; MAERL. Sp. Hist., 1 Dl., bl. 397. Verg. CLARISSE op de Natuurkunde, bl. 409.
#Line# (1490), 1940, 1951, 2031, 3130, touw. Verg. MAERL. III, 315, 321; Stoke IX, 874; Limb. VI, 275.
#Line#, 1081, lijn, regel. Eer die line wert ghelesen tende, bet. in den kortst mogelijken tijd. In gelijken zin leest men, Lanc. III, 22574:
Maer _eer die rime (line?) wert ghelesen_, So sal hi ondervinden wel, Oft hem iet beteren sal sijn spel.
De redenering van prof. BORMANS, Christina de Wonderb., bl. 235, behoeft geene wederlegging.
#Lof#, prijs, eer; #te love#, 47, tot zijne eer; #lof hebben#, 56, geprezen, geacht worden; #in iemens love staen#, 196, door iemand geacht, geëerd worden; #van goeden love#, 649, goed befaamd.
#Loghe#, 788, loog.
#Lonen#, 1425, beloonen.
#Loodwapper#, 794. Een wapper is een wapentuig dat men om zich heen zwaaide; zie Velthem bl. 159; Heelu 5462; de laatste schrijver noemt het ook cluppel, waarvoor ik Lanc. II, 29802 lees: loetcloppel, d. i. een cluppel of knuppel met lood beslagen.
#Loof#, 1450, de minste kleinigheid. Verg. #caf#. Eigenl. is #loof# een blad (zie Car. El. 403), welks meerv. #lover#, 43 voorkomt.
#Lopen#, 2423, met acc. in den zin van beloopen.
#Losengieren#, 3071, loos bedriegen, het Fr. losengier. Het adj. losengier vindt men Rose 2521, en Rijmkr. bij KAUSLER, 6361, 7009.
#Los maken#, 1475, wegnemen, verlossen? #Los# in den zin van kwijt, verloren, vermeldt HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 301. Men verg. ons lozen, verlossen, en het Eng. to lose.
#Loven#, 3256, goedkeuren, toestemmen. Zie Lorr. gloss.
#Luchter#, 1054, linker. MAERL. III, 171, 207; Ferg. 1084, 3601; Flor. gloss.
#Lude#, 148, luide, hard op.
#Lusten#, 330, 828, met DP. lust hebben.
M.
#Maerghen#, 1085, 1377, 2774, morgen. MAERL. 3 Dl., bl. 62, 91.
#Maken#, 30, vervaardigen; #los maken#, 1475, verlossen; #valsc maken#, 20, voor onwaar uitkrijten.
#Maken hem te....#, 1945, 2262, zich ergens heen begeven.
#Male#, 400, 889, maag, eigenl. zak, reiszak, koffer, zie MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 68, vs. 93. Verg. Flor. gloss.
#Male#, 600, 3123, maaltijd.
#Malsc#, 19. WILLEMS vertaalde dit week, en zelfs schijnt GRIMM die verklaring niet geheel te verwerpen (R. F. bl. 268), hoewel hij, Gram. I2, 499 er de beteekenis van vorax, in de derde uitgave, bl. 264, er die van superbus aan geeft. Ziehier een paar voorbeelden. Ferg. 108:
Die jaghers waren herde ghemalsch.
Wal. 2152:
Hi deder sulken over hals Tumen, die hem herde mals Maecte, eer dat Walewein quam.
Parthen. (ed. MASSMANN), bl. 73, vs. 23:
Al sidi hier nu soe ghemalsch, Ende segghet al dat ghi beghert.
Men ziet uit die voorbeelden, dat noch de verklaring van WILLEMS, noch die van Prof. VISSCHER, opgaat, „zacht, week, bedaard.” Blijkbaar beduidt het woord: overmoedig, trotsch, laatdunkend, in welken zin reeds het Oud-Saks. malsc in den Heiland voorkomt. Verg. GRIMM R. F., bl. 268, en Parthen. gloss.
#Mamme#, 2081, borst.
#Man#, 167, leenman.
#Manen#, 2161, 2187, 2328, 2633, 3028, toespreken, verzoeken, bidden.
#Manghelinghe#, 2318, verandering, wisseling. Zie KIL. Verg. Rose, 2194.
#Manlic andren#, 1578, 2109, elk den ander. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 60.
#Mare#, 294, 417, 615, bekend, vermaard; #mare maken#, 238, bekend maken. Verg. Lsp. gloss.
#St. Martins voghel#, 1047, de kraai. Verg. GRIMM D. Sp., bl. 984.
#Mat#, 1287, zwak; KIL. pauper, miser.
#Mate#, 672, matiging, matigheid.
#Maten# (#Te#), 626, naar de juiste maat, niet te veel, matig. Verg. Lsp. gloss.
#Mede#, 2183, meê, jonge wijn.
#Mee#, 1379, 2092, 3178, meer. Verg. Lsp. gloss.
#Meeste#, 2562, grootste. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 266-268.
#Mekel#, 718, groot. Verg. MAERL. Sp. Hist., 2 Dl., bl. 176; aant. bl. 87. Wal. 3931.
#Menechfout#, 505, 542, 898, 2431, menigvuldig, veelvuldig.
#Menen#, 638, bedoelen.
#Merken#, 2363, 2466, 2553, 2584, oplettend gadeslaan, opmerken.
#Merren#, 3187, 3202, dralen, verwijlen. Verg. Lsp. gloss.
#Mesbaer#, 3227, het uiterlijk rouwbetoon, gejammer. Ferg. 4309, 4403; Wal. 9165.
#Mesbaren#, 3205, jammeren. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 403.
#Mesdaet#, 3400, misdaad, kwade handeling die iemand aangedaan wordt.
#Mescomen#, praet. #mesquam#, 669, 3230, intr. met den dat. iets kwaads overkomen. Verg. Lsp. gloss.
#Meslaten#, 1303, 3380, jammeren, zich bedroefd aanstellen. Ferg. 497, 1127; Flor. 825, 2292.
#Mesleden#, 208, misleiden, bedriegen.
#Mesmaken#, 987, kwalijk toerichten, toetakelen.
#Mesprijs#, 1479, schande.
#Mesprisen#, 168, tot schande aanrekenen.
#Mesraken#, 496, 1755, part. #mesrocht#, 747 (verg. #gherocht#), in 't ongeluk raken, te schande komen.
#Messen#, 2561, achterwege laten, delinquere (KIL.).
#Mesval#, 1361, ongeval.
#Mesvallen#, 3228, impers. met DP. een ongeluk overkomen. Verg. Lsp. gloss.
#Mesvoeren#, 74, mishandelen. Ferg. 2403; Wal. 5625; Rose 3903.
#Met#, 1234, 2121, mede.
#Mettien#, 709, terstond; eigenl. #mettien worde# of #worden#. Verg. 1922, 2024.
#Micke#, 2807, 3131, eigenl. een vork die tot rustpunt dient voor iets dat er over gelegd wordt; hier de rechtopgaande stijl van de galg.
#Middewaert#, 511, 1553, midden. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 35-36.
#Miede#, 1988, gift, belooning. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 52-55.
#Miere#, 117, 318, 1051, mijner.
#Mineren#, 704, terecht door GRIMM, bl. 270 vertaald: „eingraben, minieren,” en niet „verminderen” gelijk WILLEMS dacht, die het geheele vers verklaarde: „_Houw (sic) toch wat op._” Zoo leest men ook, MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 120, van een man die zekeren „tempel soude breken”, die
stoet in vaster stat, Viercante, ende adde vier pilaren In viere ziden oec te waren, Met colummen scone ende groot. Elc portael hem selven sloot Vaste in des tempels masieren. Daer ginc die man onder minieren, Ende nam hem haer fundament.
Voorts beteekende het, zoo als hier, zich verbergen in eene gegraven opening. Zoo b.v. Destructie van Jerus., cap. 120:
Hi was in enen pit ghevloen .......................... Daer waende hi hem in minieren Ende ontslupen onder die erde.
#Minne#, 243, liefde, min.
#Misselic#, 1391, eigenl. wat missen of falen kan, dus onzeker, twijfelachtig. Zie DE JAGER, Taalk. Mag., IV, bl. 353.
#Moedernaect#, 1245. Over de middeneeuwsche gewoonte om naakt te slapen, zie Beatr., bl. 50. Verg. over het woord HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 113.
#Moer#, 2645, moeras. Verg. Ferg. 3554.
#Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, 2883, 3173, gemoed, het binnenste; 1061, moed (courage). #Te moede#, 1063, 1765, 2904, in zijn binnenste, in het gemoed.
#Moeten#, 566, 570, moeten, genoodzaakt zijn.
#Moeten#, 490, 999, 1069, 1657, 1798, 2900, 3125, mogen, vooral bij wenschen. Verg. Lsp. gloss.
#Moghen#, 486, 488, 559, 560, 595, 622, 637, 663, 691, 702, 721, 747, 753, 876, 989, 1107, 1327, 1368, 1388, 1391, 1484, 1638, 1651, 1675, 1844, 1937, 2360, 2840, 2851, vermogen, kunnen. Part. #ghemoghen#, 1736.
#Moghen#, 1951, licere.
#Moghen#, 588, 1119, lusten. Verg. Ferg. 5041.
#Moghende#, 2787, machtig, vermogend.
#Molenman#, 121, molenaar.
#Monc#, 1487, 2692, monnik.
#Mordadich#, 357, misdadig. Flor. 1178. Verg. #Mort#.
#Mordelike#, 3105, moorddadig; 2167, misdadig.
#Morseel#, 134, 923, stuk (morceau). Ferg. 2644, 4786; Wal. 8050.
#Mort#, 2166, doodschuldige, zware misdaad. Zie Lsp. gloss.
#Moude#, 465, 2373, stof, zand, aarde. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 418-20; CLIGNETT, Bijdr., bl. 38.
#Mule#, 694, muil.
#Museel#, 219, muil; 't Fr. museau.
#Muulkijn#, 1417, muiltje, snoetje.
N.
#Na#, 1502, bijna, welna. Zoo ook Wal. 8670, 10747.
#Na#, 946, 1903, nabij.
#Na# (#Gaen#), 3393, treffen, leed doen. Ferg. 4310. Verg. 942. Vanhier het adj. naghinghel, Ferg. 664.
#Na#, in de spreekw. #hem nemen harde na#, 1423, ter harte nemen.
#Naest#, 269, 714, zoo nabij mogelijk. #Naest lopen#, met DP., 1252, dicht op de hielen zitten.
#Naken#, met DP., 781, 1570, 3098, genaken, overkomen. Flor. 3005.--495, 988, ergens heenkomen.
#Namaels#, 2065, later, naderhand. Lsp. gloss.
#Nauw#, adj. 2468, innig (intiem).
#Nauwe#, adv. 2340, naauwkeurig. Lsp. gloss.
#Negheen#, 1259, geen (nullus).
#Nemmee#, 1318; #Nemmeer#, 622, 957, niet meer. Verg. Lsp. gloss.
#Nes#, 1442, samentr. voor #ne es#, #en es#. Zoo 564 #dannes#, voor #dat en es#. Verg. Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 78, vs. 293, #ennes#, en bl. 83, vs. 695: #hennes#.
#Nese#, 793, neus. Vanwaar #neselocken#, Ferg. 2226; #nesebant#, Wal. 1632, 2088.
#Neven#, 386, 2353, naast, langs.
#Neware#, #newaer#, 95, 174, 447, 1749, 2301, 2514, 2903, maar. Wal. 9357, 9465. Verg. hier 2136, en zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 193.
#Nie#, 746, 1778, 1874, nooit. „Ook als negatie, waar wij het bevestigende ooit gebruiken.” (Lsp. gloss.) 1545, 2389, 2809. Zoo b.v. Flor. 523, 657. Verg. hier #Noint#.
#Niemare#, 367, 1577, 1603, nieuws, tijding, gerucht. Lsp. gloss.
#Niemen#, 58, 123, 130, 885, 1089, 1355, enz., niemand.
#Niet#, 1989, genegenheid. Zie vooral over dit woord Lsp. gloss. op #niede#. Bij de daar aangehaalde voorbeelden uit den Ferg. is nog te voegen 3408, waar #nide# voor #niede# staat om het rijm; zoo ook Troj. Orl. (bij BLOMMAERT, Ovl. Ged., 1 Dl.) vs. 1460, 1525, en Lanc. IV, 11768.
#No#, 112, 2568, noch.
#No#, 131, zelfs niet, het Fr. neis; zie de Inleiding, bl. LXI.
#No weder -- noch#, 2567, geen van beiden. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 25. Flor., 985; Troj. Oorl. (1 Dl., bl. 15), vs. 1255.
#Nochtan#, 78, 94, 234, 353, 572, 664, enz., nochtans, evenwel.
#Nochtoe#, 1288, 2080, nog, toen nog. Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 78, vs. 272; bl. 89, vs. 1270. Wal. 9850, 10021; Lanc. III, 879; en IV passim. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 140, 364.
#Node#, 567, 728, 1197, 2200, ongaarne, eigenl. niet gemakkelijk. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 290.
#Noene#, 384, „eigenl. (hora) nona.... de benaming van de dienst die in de R. C. Kerk, op dat uur verrigt werd.” Lsp. gloss., waar het geheele artikel verdient nageslagen te worden.
#Noint#, 76, 872, 2664, 3024, nimmer, nooit. Ook als negatie waar wij ooit gebruiken (verg. #Nie#), 1829, 2844, 3172. Zie over den vorm GRIMM D.Gr., III, 225.
#Noot#, 517, 570, 1527, 1650, 1913, nood, dwang. #Noot sijn#, met DP., 2857, noodzakelijk zijn.
#Nopen#, 964, raken, aanraken, stooten, kwetsen. Verg. Lsp. gloss.
#Nu toe#, 833, 1236, 1241, voort (allons). Wal. 9470. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 30-31.
O.
#Odevare#, 2308*, ooijevaar. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 191-192.
#Oft#, #Ofte#, 14, 491, 998, 1008, 3030, 3040, indien.
#Oit#, 1780, immer, altijd.
#Om recht#, 258, terecht.
#Ombe#, 344(?), om; zie de var. op bl. 14.
#Ombeclaghet#, 3046, onaangeklaagd.
#Ombequame#, 2616, onaangenaam. Ferg. 568.
#Omberaden#, 1433, onverzorgd. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 213.
#Omberen#, 124, 127, 135, eigenl. ontberen, achterlaten. Zie over de uitlating der t, HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 254.
#Omberocht#, 3045, eigenl. niet aangeklaagd, ter goeder naam staande. Zie de var. op bl. 116.
#Ombescaven#, 17, onaangevochten.
#Ombieden#, 472, aanzeggen, doen weten. Zie Lsp. gloss.
#Ombiten#, 611, nuttigen, gebruiken. Lsp. gloss.
#Omme gaen#, 1713, 1739, zich omkeeren.
#Omtrent#, 810, rondom, in de rondte. Verg. Lsp. gloss. Lanc. II, 15248, 15252, 15400.
#Onbegrepen#, 199, onberispt. Verg. #Begripen#.
#Onblide#, 952, treurig. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 42.
#Ondaet#, 2064, misdaad. Wal. 3712.
#Onder -- ende#, 2334, beide -- en, zoowel -- als. Zie DE VRIES, Lsp. gloss. en vooral DE JAGER'S Archief, 1 Dl., bl. 69-72.
#Onder die sonne#, 759, van den kant daar de zon stond. Zoo zeggen wij nog, onder den wind.
#Onder voete#, 791, onder den voet, op den grond.
#Ondergaen#, 397, 3103, den toegang afsnijden. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 92-93; 2 Dl., bl. 503.
#Ondercomen#, intr., 868, verzwakken. Het act. #is ondergaen#, dat Ferg. 2055 voorkomt, of #onderdoen#, waarover zie Lorr. gloss.
#Onghebetert#, 97, onhersteld, onvergoed, ongeboet.
#Onghemac#, 230, 573, 781, 807, leed, last. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 99-100.
#Onghenade doen#, 2308*, slecht behandelen.
#Ongherede#, 2176, ongeluk.
#Onghereet sijn#, 3140, 3167, niet voorhanden zijn. Verg. de plaatsen aangehaald Lsp. gloss.
#Ongherec#, 1201, 1472, ongeluk. Verg. Lsp. en Flor. gloss.
#Onghetrouw#, 1705, 2507, trouwloos, slecht.
#Ongheval#, 737, 771, 1593, 2177, 2466, ongeluk, ramp.
#Onghevoech#, 234, 3379, wat niet past, niet betaamt. #Onghevoech driven#, zich onbehoorlijk aanstellen. Verg. Lsp. gloss.
#Onghier#, 414, wreedaard; eigenl. de vreesselijke, de schrikwekkende. Zie Lsp. gloss.
#Onhout#, 111, ongenegen, vijandig. Verg. #Hout#.
#Onledich#, 1313, drok bezig. Verg. Lsp. gloss. in #Onlede#.
#Onnen#, #ic an#, met GZ., 10, 1075, 3124, gunnen. Zie Lsp. gloss.
#Onnéren#, part. #onneert#, 2002, #gheonneert#, 2009, schande aandoen, onteeren (honnir).
#Onrein#, 1738, 1801, besmet (met zonden).
#Onsalech#, 778, 1719, ongelukkig, ellendig.
#Onscone#, 2709, schandelijk (onbetamelijk). Stoke, 1 B., vs. 803. Verg. Lsp. gloss.
#Onsculde doen#, 82, zijne onschuld bewijzen. Verg. Lsp. gloss.
#Onsochte#, 990, jammerlijk, op hevige wijze.
#Onsoete#, 964, op onzachte, harde wijze.
#Onspellic#, 3002, ernstig.
#Ontaen# (#ontdaen#), part. van #ont(d)oen#, 655, geopend. Zie Lsp. gloss.
#Ontbieden#, zie #Ombieden#.
#Ontbinden#, 1881, ontvouwen, openbaren. Ferg. 3166; Flor. 384.
#Ontdelven#, 2607, opgraven.
#Ontervet werden#, 668, zijn erf verliezen (hier door een vonnis).
#Ontfaen#, 70, 188, 1193, 1254, ontvangen.
#Ontfaren#, 85, 3022, 3206, 3309, haastig ontgaan, ontvluchten.
#Ontfermen#, 68, 72, 318, 406, 2696, met GZ. zich erbarmen, medelijden hebben.
#Ontgaen#, 697, 921, 1388, 1409, 1424, 1477, ontgaan, vrijkomen.
#Ontghelden#, 1822, 1835, betalen, boeten.
#Ontghinnen#, 2087, 2417, eigenl. openen; in de eerste plaats verbijten, in de tweede opdelven. Verg. Ferg. 3461, 3565; Limb. 6 B., vs. 2007.
#Onthopet sijn#, met GZ., 1060, de hoop opgegeven hebben, hopeloos zijn, wanhopen. Zie Lsp. gloss.
#Ontliven#, 2004, dooden, van het leven (lijf) berooven.
#Ontrennen#, 2699, ontvluchten.
#Ontsien#, intr. 53; trans. 737, 2047, 2216, vreezen. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 406, 503.
#Ontscricken#, 3132, ontloopen. #Scricken# vertaalt CLIGNETT, Bijdr., bl. 103, terecht door met wijde schreden voortgaan. Zie Ferg. 3544.
#Ontspringhen#, 1912, ontvluchten.
#Ontspringhen#, 1231, 1642, ontwaken, eigenl. uit den slaap opspringen. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 392.
#Ontvruchten#, 2312, vreezen. Flor. 3259; Lanc. 4 B., vs. 8476.
#Ontwee#, 652, 1317, 3111, in stukken, kapot. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 123, en Lsp. gloss.
#Ontweghet#, 2494, van den weg af, het spoor bijster. Verg. Lsp. gloss., en zie Lanc. II, 13331, 13718.
#Ontwenden#, 1844, ontgaan (met moeite, hoe men zich ook wendt).
#Ontwisschen#, 1510, ontvluchten; Hoogd. entwisschen. Van wisschen, dat men b.v. vindt Lanc. II, 22024, 22368, 24855, 29819. Zie ook N. Werken der Leidsche Maatsch., VI, bl. 169.
#Onverdaen#, 1932, ongedood, onvermoord; van #verdoen#, waarover zie mijn Specimen.
#Onvervaert#, 389, moedig.
#Onvro#, 982, treurig. Zie Lsp. gloss.
#Onvroet#, 671, onverstandig, dwaas.
#Onwaert hebben#, 498, 576, verachten. CLIGNETT, Bijdr., bl. 145.
#Onwille# (#Sijn te sinen#), 321, in 't verdriet zijn. Verg. Lsp. gloss.
#Ordine#, 943, 2691, orde, kloosterorde.
#Orlof#, 495, 709, 1395, 1427, 1892, 2984, eigenl. verlof om te vertrekken, afscheid.
#Orconde#, 1882, 2623, getuigenis. Zie Lsp. en Doct. gloss.
#Orconden#, 2688, betuigen, vermelden.
#Oude#, 767, ouderdom. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 173, en verg. Lsp. gloss.
#Over#, in de beteekenis van ons voor, het Lat. pro, 839, 2803, #over niet# = om niet; 1681, 2981, 3089; en in de adverb. uitdr. #over waer#, 239, 1384, 1505, 2908.--In de beteekenis van op, over, super, 523, 963, 971, 973, 993. Zoo ook in de spreekwijs, #over hem so willet# al, 772, op hem wil alles neêrploffen; #over iemen onledich sijn#, 1314, met iemand bezig zijn. Verg. vooral Lsp. gloss.
#Over een#, 146, met elkander, te samen. Zie Lsp. gloss.
#Over lanc#, 547, 3370, na langen tijd (van beraad). Verg. Lanc. II, 44029; III, 4633; Flor. 2723; Franc. 2835. Limb. VI, 1576, leest men: #over iet lanc#.
#Overdadich#, 2251, trotsch, eigenl. die meer doet dan een ander, of ook, dan betamelijk is. Verg. Ferg. 4295, 4779.
#Overdaet#, 137, 469, 499, 2043, 2066, 2310, ondaad, misdaad. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 281. Verg. Lsp. gloss.
#Overgroot#, 2397, zeer groot.
#Overstarc#, 1093, zeer sterk. Zoo komt #over# dikwerf in samenstelling met adjectiva voor: b. v. #overveel#, Lanc. II, 34030; #overhovesch#, Lanc. II, 38309; #oversoet#, Rose 71; #overscoon#, Rose 615; #overmoghen#, Rose 628; #overmoedich#, Rose 1385; #overgroot#, Rose 1641; #overvast#, Rose 4662; enz. enz.
#Owach#, 3364, helaas.
#Owi#, 306, 925, 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, helaas.
P.
#Paer#, drukt de vereeniging uit van verschillende deelen tot een geheel, als #een paer letteren#, 3237, 3331, een brief. Zie Wal. 2 Dl., bl. 221-222.
#Paiment#, 809, betaling.
#Palster#, 372, 2775, 2925, 2967, pelgrimsstaf, staf. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 173.
#Pant doen#, 1269, leed doen, schade toebrengen. Zie Lsp. gloss.
#Pape#, 726, 811, 825, 1126, priester.
#Pardoen#, 2895, vergiffenis.
#Parc#, 334, afgesloten ruimte. Verg. Wal. 9927, 8703; Lanc. II, 45094; IV, 4637.
#Parlement#, 2270, samenspreking, bijeenkomst. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 80, 387; 3 Dl., bl. 103, 395.
#Partrijs#, 3142, patrijs. Men behoort dus t. a. pl. te lezen: partrise (: spise).
#Pat#, manl., 633, 3295, pad, voetpad.
#Pelgrijn#, 2837, 2842, 2865, pelgrim.
#Pelse#, 352, het haar van het vel. (Verg. Ferg. 3599, 3911). Zoo heet het ook in de voorrede tot Heelu, vs. 545, van vogels: dat hen die plume stoven. Verg. hier 1717.
#Pese#, 794, 1317, touw.
#Pijnlic#, 1878, moeyelijk. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 475-476.
#Pine#, 230, 371, 573, 743, 1817, 1939, 1952, 1970, 2646, 2977, moeite, overlast, ongemak.
#Pinen#, 696, 1298, 1315, 1634, 2322, moeite doen, arbeiden.
#Pladijs#, 208, 211, 214, platvisch. De vorm is uit het Fr. overgenomen. Zie Inleid. bl. CXII.
#Plaidieren#, 1873, pleiten, over en weêr praten.
#Plecht#, 2841, voorspraak, bescherming. Verg. Theoph. 932; Vander Sielen, 134. KIL. kent nog plechten in den zin van lites agere. Verg. daarbij V. WIJN op Heelu, bl. 30 en 11.
#Pleghen#, intr., 521, 536, 1223, 2738, 3350, gewoon zijn.
#Pleghen#, trans. met GZ. #Der ere pleghen#, 35, zich op de eer toeleggen, de eer ter harte nemen. #Der siele pleghen#, 428, de ziel verzorgen. #Der kindre pleghen#, 1413, de kinderen verzorgen. #Siere seden pleghen#, 1733, zijne gewoonte in acht nemen, opvolgen. Zie V. WIJN op Heelu, bl. 8-13.
#Plume#, 1717, pluimen, veêren. Zie op #Pelse#.
#Poghen#, 680, 2322, zijn best doen. Verg. Wal. 2 Dl., bl. 253 in fine, en Lsp. gloss.
#Point#, 2293, punt. #Van pointe te pointe#, van stukje tot beetje, geheel en al.
#Porren#, 1242, zich in beweging stellen. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 397-399 en 585, of V. WIJN op Heelu, bl. 200.
#Prenden#, part. #ghepronden#, 399, 1541, aangrijpen, rooven. Zie Lsp. gloss.
#Prijs#, 2923, 3054, lof, lofspraak. Zie Lsp. gloss.
#Prihore#, 945, prior van een klooster.
#Prioreit#, 1700, klooster (prieuré).
#Prime#, 385, morgengebed. Verg. #Noene#, en zie Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 95, vs. 220.
#Prisen#, 578, schatten, achten. Zie KILIAEN.
#Prochiaen#, 764, 830, die tot eene parochie behoort, leek.
#Proeven#, 1882, probare, bewijzen.
#Proeven#, 662, 2048, beproeven. Verg. Lsp. gloss.
#Pute#, 919, hoer. #Putensone#, zeer gebruikelijk scheldwoord; zoo ook in het Oud-Fransch.
#Puut#, plur. #Pude#, 2308*, kikvorsch. CLIGNETT, Bijdr., bl. 174.
QU.
#Quaet#, adj., 484, 500, 1906, slecht, verdorven, misdadig.
#Quaet#, subst., 1801, booswicht. Zie Lsp. gloss., waar echter ten onrechte wordt beweerd, dat het plur. #quadien# is. Verg. LEENDERTZ' beoordeeling van mijn Epische Versb., bl. 59-62.
#Qualic#, adv., 259, 550, op slechte wijze.
#Quansijs# (#Alse#), 2547, „als dacht hij bij zich selven, als wilde hij zeggen.” Zie de breedvoerige verklaring van DE VRIES in DE JAGERS Archief, 1 Dl., bl. 72-76.
#Quedden#, 1108, 2366, groeten, „ahd. #quetian#; alts. #queddian#; eigentlich anreden, und von #quëden# (loqui) abgeleitet” (GRIMM, R. F., bl. 273). Zoo ook Flor. 2064: „van al den goden quedde hine overluut,” waar het Fransch, vs. 1579, heeft: „De tous les Diex l'a salué.” Zoo begint ook het charter van 1249, bij SERRURE, Geschied. der Letterk. in het Graefsch. Vlaenderen, bl. 88: „De scepenen van Bochouta quedden alle degene die dese lettren siyn (sic) selen in onsen Here.”
#Quellen#, 2202, in kwelling zijn, lijden. Zoo Ferg. 4464. Verg. Lsp. gloss.
#Quene#, 767, oude vrouw.
#Quite#, met #van# of den gen., 1394, vrij, ontslagen van. #Quite worden#, 258, kwijt worden, verliezen. #Quite sijn#, 355, ontslagen, verlost zijn van. #Quite maken#, 2416, ontrooven. #Quite laten#, 2529, 2788, ontslaan, vrij spreken. Zie Lsp. gloss.
#Quiten scadeloos#, 2948, vrijmaken van schade.
R.
#Raden#, 531, radbraken.
#Raden#, #riet#, #gheraden#, 471, 332, 555, 689, aanraden.
#Raet#, doorloopt verschillende beteekenissen. 548, 1195, raad, raadgeving. #In gherechten rade#, 1682, in goeden gemoede. 2325, de vrucht der beraadslaging, voornemen, opzet. #Raet vinden#, 543, iets bedenken (Ferg. 4254). #Te rade worden#, 470, besluiten. #Raet hebben#, met GZ., 567, in zijne keus hebben. #Hets beter raet#, 1098, het is beter. #U es die beste raet#, 1389, het is 't best voor u. #Hier mach in lopen ander raet#, 1905, hier kan iets anders gebeuren. Maar #Raet# is ook de daad van het raadgeven. Vandaar: #te rade roepen#, 1333, ter beraadslaging bijeen roepen; #te rade leden#, 2473, ter beraadslaging heenleiden. Verg. 2673. Dit geschiedt in afzondering, in 't geheim, vandaar: #in rade#, 3161, in 't geheim. Verg. hier #Beraden#, en verg. Flor. gloss. in #raet#.
#Rake#, 723, hark. KIL. vertaalt het woord door Rastrum et Rutabulum, Sarculum. Het Eng. heeft rake in dezelfde bet.
#Rampineren#, 703, 849, bespotten; het Fr. ramposner. MAERL. Sp. Hist., 3 Dl., bl. 141, 314; Lanc. II, 39273.
#Rasch#, 2032, sterk (verg. het Eng. harsh). Wal. 10090; Lanc. IV, 9592, 10056; Troj. Orl. (BLOMMAERT, 2 Dl., bl. 95) vs. 194.
#Raven#, 18, 1860, 2793, raaf. Wal. 9689.
#Recht#, adj., 1698, 1707, 1751, recht (van een weg gebezigd: de naaste); 128, 3031, waar, eigenlijk, juist.
#Recht#, adv., 282, juist; 1307, regelrecht (direkt).
#Recht nemen ende gheven#, 529, zich onderwerpen aan de uitspraak des regters.
#Rechten#, 1382, oprichten. Verg. Lsp. gloss.
#Reden# (#Brenghen te#), 1337, eigenl. tot redelijkheid, billijkheid brengen.
#Reinardie#, 2044, sluwheid. Zoo ook in 't Fr. Renart, 11032, 17035.
#Rekenen#, 2104, voorrekenen, vertellen. MAERL. 3 Dl., bl. 158, 182. Reeds in den Heliand: reckian.
#Rentvleesc#, 1522, rundvleesch.
#Ribaut#, 938, deugniet. Wal. 8141, 9211; Ferg. 519. CLIGNETT, Bijdr., bl. 162, en mijn Specimen, bl. 126.
#Rijc#, 1068, machtig. Gewoon epitheton van God, zie Ferg. 4010, 4400, 4855, 4869. Verg. D. Gram. II, 297.
#Rijcheit#, 2408, rijkdom, schatten. Verg. Lsp. gloss.
#Rijm#, 2102, vorst. Esopet, fab. 10, vs. 1; Rose 10274.
#Rijs#, pl. #risere#, 1679, 3449, takje, in 't meervoud het woud. Zie Lorr. gloss. of Specimen, bl. 124.
#Rikelijc#, 926, kostbaar, prachtig. Verg. Flor. gloss.
#Rinc#, 109, 315, 2740, kring. Ferg. 5307, 5342.
#Rocke#, 732, 832, 1249, spinrokken.
#Roekeloos#, 2772, roekeloos is hij, die zich om niets bekreunt, gewetenloos.
#Roeken#, 1120, 1653, zich om iets bekommeren, bekreunen.
#Roemen#, 2613, bluffen. Zoo heet de winderige hopman bij BREÊROO nog Roemer.
#Rumen#, 887, 1428, ontruimen, verlaten, laten varen. Ferg. 1148; Flor. 705.
#Runen#, 2836, fluisteren. Zie Lsp. gloss.
#Rutsen#, 973, voortschuiven; het Hoogd. rutschen.
S.
#Sachten#, 2882, verzachten, temperen. MAERL. 3 Dl., bl. 316.
#Saden#, 591, verzadigen, van #sat#.
#Saen#, 64, 82, 398, 1242, 1440, 1448, 1596, 1949, 2603, 3085, spoedig.
#Saermeer#, 1916, in 't vervolg. Zie mijn art. in den Konst- en Letterbode van 1845, no. 35.
#Saghe# (#Sonder#), 1086, voorzeker. #Saghe# is een sprookje, en de geheele spreekwijs een der in dit gedicht zoo zeldzaam voorkomende stoplappen. Verg. Lsp. gloss.
#Saghe#, 395; zoo wordt REINAERT ook genoemd in het Mhd. gedicht, vs. 1482: dô wand der zage sîn verlorn. #Saghe# is koorts, zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 46. WILLEMS neemt het hier in den zin van booze pest, maar blijkbaar staat het in dien van lafaard, verachtelijk wezen, in welke beteekenis het ook in het Mhd. gebruikelijk is, b.v. Nib. (L.), 225, 4; 930, 1; 1523, 2; 1785, 2; 2080, 1.
#Sake#, 2323, 2665, 2671, zaak; 1840, 1885, rechtszaak.
#Saluut#, 2406, groet.
#Sameninghe#, 3016, verzameling, menigte. Verg. Lsp. gloss.
#Sat#, 561, 610, 634, 1531, 1613, verzadigd. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 369.
#Scade#, 3147, schaduw. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 30.
#Scade#, 68, 318, 474, 770, 1284, 1975, schade, verlies.
#Scaden#, 1841, schade veroorzaken, benadeelen.
#Scalc#, 940, 1787, loos, bedriegelijk, slecht; in beide plaatsen substantive gebruikt. Zie Lsp. gloss.
#Scalcheit#, 1795, ondeugd. B. van Vergi, vs. 70.
#Scame#, 972, 1279, 2689, schaamte, schande.
#Scamp#, 1508, smaad, schandelijke bejegening. Wal. 1459, 1468, 2710, 9001. Hetzelfde beteekent
#Scampie#, 2043. Zie over beiden Lorr. gloss.
#Scare#, 1869, verzameling.
#Scaven#, 2794, in stilte wegsluipen. Stoke, 2 B, vs. 222; MAERL. 1 Dl., bl. 285; 3 Dl., bl. 236.
#Scelden#, 1821, berispen; 929, smaden; 1836, verwenschen; 2007, uitschelden. Zie Lsp. gloss.
#Sceren#, schertsen, spotten, doorgaans als substantivum, gewoonlijk in den dat. #in# of #te scerne#, in scherts, tot spot, 221, 545, 936, 1292. Verg. Lsp. gloss.
#Scerp#, 735, 816, scherpsnijdend; 374, 788, prikkelend, ruw; 784, nijdig. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 217, 218, 227.
#Scerpe#, 2775, 2830, 2925, 2931, 2965, reiszak. Zie MEYER, Leven van Jezus, bl. 378, en verg. MAERL. 3 Dl., bl. 333.
#Sciere#, 245, 441, 478, 844, 1037, 1238, 2384, 3109, spoedig.
#Sciet#, praet. van #Sceden# (scheiden), vertrekken, 1431, 1977, 1987. Ferg. 702, 1557, 1970, 5312, 5396. Het praesens aldaar 2511. Flor. 3731.
#Scinen#, 424, 773, 1256, 1269, 1818, blijken. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 168.
#Scoien#, 2845, schoeyen. WILLEMS noemt dit hier terecht „eene stoute maer fraeie figuer.”
#Scole#, 378, bedorven lezing. Misschien binder sc., hoewel ik meen, dat de fout in scole steekt.
#Scoren#, 338, 740, trans. en intr. scheuren. Verg. Lsp. gloss.
#Scouwen#, 939, 2038, 2455, zien, bezien, aanschouwen. Verg. Lsp. gloss.
#Scraven#, 462, 2384, 2588, krabben. CLIGNETT, Bijdr., bl. 336.
#Sculdich#, 1347, schuldig (strafbaar); 1883, schuldig (verplicht).
#Scuvuut#, 2569, nachtuil. MAERL. 2 Dl., bl. 323, 348.
#Scuwen#, 55, schuwen, ontwijken.
#Sede#, 243, 3047, gewoonte. Ferg. 905, 2098. #Te seden#, 666, eigenl. naar gewoonte, dus niet buiten de maat, matig.
#Seent#, 2718, synode. MAERL. 3 Dl., bl. 57. Zie Lsp. gloss.
#Seep#, 895, praet. van #sipen#, druipen, dat ook Ferg. 731 voorkomt. Ik meen echter thans de voorkeur te moeten geven aan de lezing van C. #Liep#.
#Seer#, 419, droefheid.
#Seer#, adj., 754, 3000, smartelijk.
#Seer#, #sere#, adv. 1375, zeer. De compar. is #seerre#, 747. Bij werkw. van beweging bet. het hard, snel, b.v. 762. Verg. Ferg. 1756, 2341, 2782, 3714, 3807.
#Seker#, 2451, eigenl. vast verbonden, getrouw. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 416, en VAN WIJN op Heelu, bl. 65.
#Sekeren#, 609, toezeggen, zweeren.
#Selp mij#, 1356, zoo helpe mij! Gewone samensmelting. In het 4 B. van den Lanc.: als hulpe mi, 1291; alsulp mi, 1685, 3723, 4708.
#Selves# (#Mijns#, #sijns#), 1408, 1428, 1547, 1656, 2525. Versterking van het possessivum #mijn#, #dijn#. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 112, 212.
#Seriant#, 984, 2424, dienaar. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 314.
#Serich#, 1274, 2462, bedroefd.
#Setten#, met DP. 1677, opleggen.
#Setten al jeghen al#, 738, het uiterste wagen, alle krachten inspannen; Fr. mettre le tout pour le tout.
#Sibbe#, 2105, bloedverwantschap. Zie Teuthonista, Voorr. bl. 33 en Mnlp. gloss.
#Side# (#An ene#), 2589, aan kant, weg. Verg. Wal. 2 Dl., bl. 205.
#Siec ende onghesont#, 933. Zie nog andere zoodanige tautologische uitdrukkingen aangewezen, Inleiding, bl. XXIV.
#Sien den raet#, 2678, schikken, overleggen. Verg. #Raet#.
#Siere#, 10, zijner.
#Sin#, 11, 36, 39, 2136, 2172, 2185, 2479, 2750, 2755, 2812, 2878, 2920, 3368. Een woord van ruime beteekenis, gebruikt voor „den zetel van het denken zoowel als van het gevoelen, van het weten, zoowel als van het willen, dus hoofd en hart beiden.” Lsp. gloss.
#Sinken laten#, 1294, laten vallen, laten varen.
#Sint#, 78, 264, 356, 1503, sedert.
#Sinxendach#, 41, Pinksterdag.
#Sire priester, Dieu vo saut#, 937; Sire prestre, Diex vos saut; Heer priester, dat God u behoede!
#Slach in slach#, 812, 1257, slag op slag. Verg. Lorr. gloss.
#Slachten#, 18, 1418, eigenl. van hetzelfde geslacht zijn, gelijken van gemoed. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 110.
#Slaen#, 3413, treffen, neêrdrukken.
#Slaen in#, zie #Inslaen#.
#Slaken#, 3383, terecht door GRIMM, R. F., bl. 286, vertaald door „remittere, laxare.” Wij gebruiken 't alleen nog van banden en boeyen.
#Slavine#, 372, pelgrimskleed. WILLEMS haalt uit DU CANGE het volgende citaat aan: „Pedes incedens in habitu peregrini, qui vulgo dicitur slavina.” Het woord komt ook voor Lorr. I, 1017, 1257; MAERL. 1 Dl., bl. 340.
#Slecht#, 454, effen, vlak, glad. Ferg. 1185, 1571, 1574. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 128.
#Sleets#, 1280, samentr. van #des leets#, zie op #Leet#.
#Smeken#, 485, 682, 1804, 2613, 3071, goede woorden geven, fleemen, fraai praten. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 312.
#Snieme#, 3356, spoedig, weldra. Ferg. 4670, waar het hs. snieme heeft, zonder n; Flor. 1203; Wal. 8205, 9496, 10250. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 309-310; MAERL. Sp. Hist., 1 Dl., aant. bl. 40.
#Snoeren#, 2913, toesnoeren, toerijgen.
#So#, 648, 725, alzoo, gelijk; 682, aldus.
#So#, 945, bij eene vraag, of; gewoonlijk herhaald: #so -- so#, ook wel #weder -- so#, en denkelijk ook, zoo als C. heeft, #so weder -- so#. Verg. HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 24-25, 44; Flor. gloss. op #so# en #weder#; en Lsp. gloss. op weder.
#Sochte doen#, 621, streelen. #Sochte# is de vlaamsche vorm voor #sacht#. Zie b.v. Flor. gloss. en MAERL. 3 Dl., bl. 147, 156.
#Sochten#, part. #ghesocht#, 3413, bedaren, verzachten. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 316. Intrans. komt het voor Stoke, IX, vs. 634.
#Soe#, 30, 225, 733, 2747, 2849, 3080, zij. Ferg. 1523, 1526, 1529, 2124. Verg. Flor. gloss.
#Soendinc#, 188, plechtige verzoening. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 261.
#Soenen#, 3397, verzoenen, vergoeden.
#Soet#, 2300, samentr. van #soe dat#, zij het.
#Soet#, 577, 1287, 3044, lief en aangenaam, lekker, in verschillende nuances; 2263, #tsoete lant van Waes#, even als in de Oudfr. gedichten doulce France; 2315, vriendelijk. Hoe ruim de beteekenis van #soet# was, zie men bij CLIGNETT, Bijdr., bl. 369. Zoo wordt het bij toespraak van personen gebruikt, waar wij lieve gebruiken: #soete vrient#, #neve#, #oom#, enz., b. v. 549, 581, 941, 1125, 1293, 1999; of nog sterker: #wel soete#, 669, 1437. Verg. het Eng. sweet.
#Soete werden#, met DP., 1492, aangenaam worden, bevallen.
#Some#, #som#, 980, 1018, 1898, 2199, sommige.
#Sondelijc#, 836, 2780, zondig.
#Sonder#, adv. 1833, 1944, zonder; 50, 214, 799, 2569, 2996, uitgezonderd; conj. 2888 het Hd. sondern. Verg. Lsp. gloss.
#Sonderlingh#, 3053, bijzonder.
#Sone#, 1515, 2727, #so en#, d. i. aldus niet.
#Sorghe#, 228, 393, 516, 1311, 1438, 1631, 1990, 2201, vrees.
#Sorghen#, 494, 670, 1114, 1378, bezorgd zijn, vreezen. Verg. Lsp. gloss.
#Sorghe# en #sorghen# komen in het slot der na 2308 uitgeworpen plaats voor in den zin van voorzorg en verzorgen.
#Sout#, 2409, 2444, soldij. Ferg. 543, 1424. Verg. VAN WIJN op Heelu, bl. 46-48.
#Spade#, 1480, 2079, 2308*, 2984, laat.
#Spanen#, 2081, spenen.
#Sparen#, 2017, 2991, sparen, achterwege houden of laten; 1190, 1244, 1332, 2022, 2390, 3310, waar tijd onder verstaan wordt, dralen, wachten. Verg. Ferg. 2002, 4154.
#Spel#, spel, jokkernij. #Te spele tellen#, 2437, voor eene kleinigheid achten. #Uten spele gaen#, met DP., 1585, 1890, ernst worden, ophouden gekheid te zijn, slecht afloopen, er erg aan toe zijn. Verg. Lsp. gloss.
#Spiker#, 1516, 1519, 1579, voorraadschuur.
#Spille#, 832, spil van het spintoestel. Zie St. Franciscus, 10054.
#Spot#, zie #Velspot#.
#Stade#, zie #Stat#.
#Staen# in verschillende spreekwijzen, als: #Het staet so#, 630, 1590, het is zooverre gekomen; #Mi staet#, 2191, 2684, ik moet, ik mag; #Staen ghevaen#, 688, 717, gevangen zijn; #Staen in bate#, 192, boeten, vergoeden; #Staen in love#, 196, geacht worden; #Staen in tale#, 283, spreken, waarvoor 909, #Sijn in tale#.--Voorts met het bijdenkbeeld van voortduring: 631, 712, staan blijven, stand houden. Verg. Lsp. gloss. Zie verder #Stoet# en #Stont#.
#Staerblint#, 77, stekeblind. Zie Lsp. gloss.
#Staf#, 789, 1573, 2931, stok. Wal. 9235; Heelu, 9247; Velth. bl. 248, 249, 251, 254, 257, enz.
#Stage#, 2737, staanplaats.
#Stac#, praet. van #steken#, 1551, stooten. Zie Lsp. gloss.
#Stallecht#, 303, toorts, waschkaars (eigenl. standlicht). Wal. 4511, 4761; Lanc. II, 29470; III, 2677, 10384, waar het vs. 10393 verwisseld wordt met kersse.
#Stan#, praet. van #stenen#, 874, 990, steunen, kermen. Verg. Lsp. gloss. Het ww. wordt ook zwak verbogen Lanc. II, 40919.
#Stap#, 766, kruk.
#Starc#, #sterc#, 690, 1028, sterk, krachtig; 333, vet? zoo als nog in het Hd.
#Stat#, in gebogen naamv. #stede#, 150, 1614, 2248, plaats. #Stade hebben#, 3296, gelegenheid hebben.
#Steendoot#, 1601, morsdood. Zie Lsp. gloss.
#Steken achter#, 2285, eigenl. achteruit stooten, dus overwinnen. Verg. Lsp. gloss. op #Steken#.
#Stieren#, 1686, sturen, richten. Vandaar #stierman#, Wal. 9509. Zie ook #Stieren#, Parthen. gloss.
#Stic#, 1117, stuk, brok.
#Stoel#, 2280, troon. Verg. Lodewijks lied, vs. 6: stual hier in Vrankon.
#Stoet#, praet. van #staen#, 171, 336, 623, 1213, 2038, stond. Impers. met DP. 931, gesteld zijn. Men vindt echter ook het praet.:
#Stont#, 1256, 1559, 2034. Men lette op de uitdrukking: #hi stont ende sweech; ende scouwede# (2034, 2038), voor hij zweeg, hij zag.
#Strec#, onz. 1202, 1207, 1281, 3387. Verg. Rose 4859, en zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 228.
#Stringhe#, 841, touw, koord. MAERL. 3 Dl., bl. 253.
#Stupe#, 860, slag. Zie KIL.
#Stuven#, (#stoof#, #ghestoven#) 352, 1717, uit een stuiven. Zie op #Pelse# en #Plume#.
#Sulc# (beter #selc#?), 176, 722, 1107, zoodanig een, deze -- gene, het Fr. tel. Gewoonlijk wordt het door sommige vertaald, zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 68-69, en Lsp. gloss.
#Sullen#, praet. #soude#, 706, moeten.
#Suver op#, 2098, geheel en al, zoodat er niets overblijft.
#Swaer sijn#, 2030, smerten. Verg. KIL. op #swaren#; zoo ook in de uitdr. #mi es die herte swaer#, 2205, ik heb harteleed, verdriet. Zoo de spreekwijs #mi es sware te moede#, 310, 2904, ik heb verdriet; evenzoo #swaer doen#, 1041, verdrieten. #Pijnlic ende swaer#, 1878, is in één woord moeyelijk.
#Swaerde#, 1507, zwoerd, de huid van een varken. Zie KIL. De verachtelijke uitdrukking door R. gebezigd, is geheel in overeenstemming met het feit dat hij herinnert; hij had immers den wolf de haren laten wegschroeyen door middel van kokend water, even als met de varkens geschiedt. Verg. omtrent de geheele uitdr. MAERL. 3 Dl., bl. 212.
#Sweren#, 1610, 2274, zweeren; 1809, bezweeren. #Sweren ende vloeken#, 1554, vloeken.
#Swinghen#, 795, slingeren. Verg. Mnlp. gloss. en Lanc. II, 13397.
T.
#Tale#, 108, 179, 183, 246, 283, 426, 538, 641, 707, 909, 957, 1009, 1289, 1875, 2781, spraak, gezegde, verhaal. Verg. Ferg. 607, 1276, 2132; Flor. 20, enz.
#Tam#, 271, het vleesch van huisdieren, in tegenoverstelling van wild. Zoo Lanc. II, 44214. Wal. 8784, heeft them.
#Tameer#, 1111, heden. Zoo Ferg. 744, 751 (waar de uitgave beide malen #te meer# leest); Wal. 1984, 8783, 8785, 10175. Verg. mijn artikel over #Saermeer#, in den Letterbode van 1845, no. 35.
#Taverne#, 1291, herberg. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 20; en zie de beschrijving bij MAERLANT, Sp. Hist., 3 Dl., bl. 117.
#Te#, bij participia met de kracht van ons #ge# of #ver#. #Teblouwen#, 1584, 1827, geslagen; #tebroken#, 166, ge- of verbroken; #testoort#, 2324, verstoord, vernietigd.
#Te hant#, 959, 983, 2300, terstond. Zie KIL.
#Teerst#, 2058, 2380, terstond, zoodra.
#Teken#, 163, litteeken.
#Telen# of #Ghetelen#. Het Gothisch kent reeds een ww. gatilon, dat verkrijgen τυγχἁνειν beteekent, en het AS. heeft het zw. ww. tilian, dat BOSWORTH in de eerste beteekenis verklaart als: to prepare, procure, obtain, supply, seek. Het grondwoord is in het Goth. tils, dat DIEFENBACH (Vergleich. Wörterb., II, 666) verklaart: „passend, geschickt,” zoo als BOSWORTH het AS. til vertaalt: „good,.... leading to an end;” wier verwantschap met het HD. ziel in het oog valt. GRAFF, V, 556 heeft zilên, zilôn, gazilôn, in de beteekenis van: niti, studere, curare, parare, procurare, quaerere, petere. Ook in het Mnl. beteekent #ghetelen# vooreerst: bedoelen, zoeken; dan: bereiken, verwerven, vinden. Zoo hier 2333: #des raets ghetelen#, d.i. het zoo overleggen (verg. #Raet vinden#). Zoo Wal. 6533:
Weten alle den raet ghesien Ende ghetelen dat wi ontvlien.
Met raet, hoewel in den acc., staat het ook verbonden, Mnlp. II, 3572:
(Si) teelden enen corten raet.
Ziehier nog eenige voorbeelden, waaruit deze beteekenis van #ghetelen# duidelijk in het oog springt. Franciscus, 767:
Dus es hi metter cruce bewaert, Datti zine siele ter langer vaert Sonde der crucen bevelen, Ende hi daerbi soude getelen Datti uter werelt scame Seker sceide, ende zonder blame.
Lanc. II, 16485:
Ic soude gerne des getelen, Dat ic ten tornoye mochte wesen,
Lanc. III, 8375 (van Adam en Eva):
Ene stemme henlieden (sprac) toe, Dat si vergaderen souden doe Beidegadere alse wijf ende man: Ende hen quam so grote scamenesse an, Sine wisten hoe dat getelen, Datsi alsoe daer souden spelen, Daer elc anderen soude sien an.
De overgang tot de beteekenis van voortbrengen is niet moeyelijk, zoo gebruiken wij het ww. nog, en reeds Mnlp. II, 352, heet het:
Als dat die juffrou heeft vernomen, Die yammerscrey, die sy daer teelde, Ende dien rouw, dien sy daer dreef.
KILIAEN kent het ww. #telen#, niet alleen in de laatste beteekenis, maar ook in die van colere agrum, exercere tellurem. De toepassing op den akker schijnt willekeurig, want in den zin van verzorgen komt #telen# in den Reinaert voor, en wel met den genit., even als in de voorbeelden bij GRAFF, b.v. 381, 1692, #miere siele telen#, hetgeen geheel overeenkomt met 428; #God moet haerre siele pleghen#.--Nog in eene andere beteekenis vindt men het woord bij Velthem, bl. 125:
Daer ombe onse gepense groet En bescieten ons niet jeghen die doot. Wi pensen vore, dit selewi doen, Ende geven ons daertoe ocsoen, Dat wi dat volbringen selen; Dan comt daventure, die niet getelen En wilt dat die dinc gescie.
Hier schijnt het gehengen te beteekenen, tenzij men meene, dat #wilt# in #laet# moet worden veranderd.
#Tellen#, 2784, zeggen, vertellen. Verg. Lsp. gloss.
#Temmermans#, 654, timmerlieden. Hetzelfde plur. leest men ook Lanc. III, 8623.
#Terden#, praet. #tart#, 540, 2855, treden, in de laatste pl. betreden, welke active beteek. de werkw. die gaan enz. beteekenen alle aannemen.
#Tere#, 2245, samentr. voor #te ere#, #te eenre#, #te ener#.
#Tes#, 1065, 1751, conj. #te des#, totdat.
#Tes papen#, 1833, #te des p.# (#huse#), in des priesters huis.
#Tien# (#teech#, #gheteghen#) #an#, 2066, 2243, aantijgen, te laste leggen. Zie Lsp. gloss.; Wal. 5583, 5813.
#Toe#, 2383, (ergens) heen; #daer toe gheraken#, er heen komen.
#Toe#, 2525, daarenboven. KAUSLER, I, 1119.
#Toebringhen#, 1534, tot stand brengen, verrichten, veroorzaken. Zie Lsp. gloss.
#Toegaen#, 675, ergens op los gaan. Verg. #Nu toe#.
#Toghel#, 1166, teugel. Ferg. 333, 2473. De uitdrukking hier gebruikt is eene epische formule, in de Oudfransche gedichten dikwerf voorkomende: Onques n'i ot resne tenu.
#Toghen#, 372, 1092, 2119, 2622, toonen. Vs. 2662 moet wellicht #tughen# gelezen worden, dat men b.v. in den Mnlp. leest voor getuigen.
#Top#, 948, eigenl. het bovenste gedeelte van iets, KIL. fastigium, cacumen, hier de kruin. Verg. Lsp. gloss.
#Toren#, 913, 915, 1295, 1796, 2910, verdriet, leed. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 16.
#Torment#, 2192, pijniging.
#Treke#, 1814, 2224, 3262, booze streek, bedriegelijke handelwijs. Verg. CLIGNETT, Bijdr., bl. 309, en Flor. gloss.
#Trekere#, 129, bedrieger.
#Trecken#, 1664, #In weet werwaert ghi dit trect#, ik weet niet waar gij daarmeê heen wilt. Zie verschillende spreekwijzen waarin #trecken# gebruikt wordt, Lsp. gloss.
#Troosten#, 3178, vertrouwen inboezemen. Zie Lorr. gloss.
#Trouwe#. #Bi uwer trouwe#, 590, bij het vertrouwen dat gij in mij stellen moogt; 1724, 2155, #Bi (in) rechter trouwe#, in waarheid; ongeveer hetzelfde als #entrouwen#, 252.
#Tuun#, 646, 2027, heg. Verg. Heelu, 2078.
#Tuun#, 1910, zangwijs (Eng. tune). Hier spreekwoordelijk gebruikt, even als Reinhart 1979: Reinhart kunde manegen dôn.
#Tuwaert#, 2670, tot u.
#Tweer#, 313, gen. van #twee#.
#Twi#, 1198, 1908, 1917, 2308*, 2889, 3191, waarom. Zie Lsp. gloss.
#Twifelen#, impers. met DP. en GZ., 1838. Verg. Doct. gloss.
#Twint niet#, 2017, in 't geheel niet. Zie DE JAGER, Verscheid., bl. 251-259.
U.
#Up#, op, als plaats- en tijdsbepaling: 1621, 1640; #up ene wile#, 1823, op het oogenblik; #up Isengrijn#, 1559, tot bij Is.--2o. Als betrekking tusschen personen of zaken: #hem ghereden up een claghen#, 1762, zich gereed maken tot klagen; #wreken up haer leven#, 1797; #up ghenade#, 1694, in hope van genade. Zie Lsp. gloss. in #Op#.
#Up dat#, 1424, indien maar. Zie Lsp. gloss. in #Op dat#.
#Upgaen#, 61, beginnen.
#Upgheven#, 2543, overleveren, opgeven.
#Upheffen#, 1568, opheffen; 156, 274, 1263, verheffen, beginnen. Verg. Wal. 2 Dl., bl. 189, en zie Rose 38; Lanc. III, 6452, 6603. Het #uphief# vs. 2176, komt mij te verdacht voor om eene verklaring er van te beproeven.
#Uplesen#, 211, eigenl. opzoeken, vandaar wegnemen. Zie Flor. 2259.
#Up werden#, 1647, haastig opschieten. Ferg. 247, 253, 1536, 2259. Zoo #worden jeghen#. MAERL. 3 Dl., bl. 222.
#Uutleken# (#uutlac#), 808, uitlekken, uitvloeyen. Zie op #Lac#.
V.
#Va#, imperat. van #vaen#, 1555; waarvoor 1544 #vanc#, over welke laatste vorm zie DE JAGER, Taalk. Mag., IV, 691.
#Vaen# (#vinc#, #ghevaen#), 688, 711, 878, 922, 1234, 1469, 1579, 1872, vangen.
#Vaer#, #vare#, 1627, 2305, 2308*, 2631, 2957, vrees. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 166.
#Vaert#, 153, 869, 970, 1040, 1043, 1105, 2161, 2604, 2626, gang, beweging, reis; 1698, weg; #uptie vaert#, 497, 3301, op weg. Verg. Lsp. gloss.
#Vandet mi gheraden#, 1453, raad mij, geef mij raad. Zoo wordt de imperat. van #vanden# dikwerf bij een infinitivus gevoegd om den optativus of imperativus aan te duiden. B. v. Wal. 1527, 1530, 2185, 2758, 4024, 4243, 4246, 4691, 4838, 4900. 5574. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 557-558, en Lsp. gloss. Het ww. #vanden# is afgeleid van #vinden#, en komt gewoonlijk voor in den zin van #gaen vinden#, d. i. #bezoeken#, zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 137-140. Zoo wordt het reeds gebruikt in het Oud-Saksisch, zie KÖNES Heliand, bl. 430. ZIEMANN wijst op een Mhd. #vanten#, Oud-Hd. #fanton#, in de beteek. van tentare, gelijk ook BOSWORTH het AS. #fandian# verklaart: to try, tempt. Dit is de eigenlijke kracht van ons #vant#, #vandet#. De conjunct, #hi vande# komt voor Wal. 5613 en 5617, in welk gedicht ook de infinit. wordt aangetroffen, 5019:
Ic sal over al Vanden proeven mijn gheval.
#Vane#, 729, 763, 813, vaan, vaandel.
#Varen# (#voer#, #ghevaren#), 285, 1609, 1639, 2018, 2022, 2254, 3174, gaan. #Hets mi wel ghevaren#, 903, het is mij goed gegaan, ik heb geluk.
#Vast#, adj. en adv., 145, 695, 1203, 1887, 1940, 2657, 2839, 2860, 3441, stevig; 341, gedurig, zonder van plaats te veranderen.
#Vaste#, adv., 704, spoedig. Verg. Wal. 9495, 9751.
#Vastelike#, adv., 814, snel, en dus met kracht.
#Vederslach#, 1867, het slaan met de vederen. Van menschen heet het #hantgheslach#. Zie b.v. MAERL. 1 Dl., bl. 300; Wal. 9835, 10822.
#Veel#, met GZ., 1942.
#Vele#, bij adv. in de bet. van ons zeer (admodum), #vele sere#, 762; #vele saen#, 3158.
#Velspot#, 2829, stuk van het vel. Verg. het Eng. spot of ground.
#Verbelghen# (#Hem#), (#verbalch#, #verbolghen#), 2617, zich belgen, opstuiven. Francisc. 5455.
#Verbolghenlike#, 179, verbolgen, driftig.
#Verbiten#, 463, 2091, 2098, 2308*, 3108, 3431, dood bijten. Zie Lsp. gloss.
#Verboort#, 786, verbeurd, verboden.
#Verderven#, 667, bederven, in 't verderf brengen, hier ziek maken.
#Verdooft#, 818, bedwelmd, verbijsterd. Verg. Lsp. gloss.
#Verdoren#, 677, 1636, 2055, 2170, 3055, begekken. 1741 is de lezing #verdoort#, door GR. in den tekst gebracht, stellig af te keuren. Moet men daar ook lezen #becoort#? van #becoren#, in verzoeking brengen.
#Vergaen#, impers. met DP., geschieden, in de spreekw. #wel#, #te scande#, #tonnere vergaen#, 1039, 1267, 1494, 3280. Verg. Flor. 168, 835.
#Vergaen#, 323, te niet gaan.
#Vergheten#, met GZ., 2650.
#Vergheven#, 616, 1224, 2661, vooral in den wensch: #vergave God!# geven. Verg. Lsp. gloss.
#Vergheven#, 378, afstand van iets doen. Verg. #Begheven#, en zie ZIEMANN op #Vergeben#.
#Vergheven#, met DP. en AZ., 2523, vergiffenis schenken.
#Verhanghen#, 3081, door ophanging ter dood brengen.
#Verheven#, 1557, praet. van #verheffen#, opheffen.
#Verhoeren#, 73, tot hoer maken. Theoph. 1432.
#Verhoghen#, 3122, verheugd maken. Zie Lsp. gloss.
#Verhelen# (#verhal#, #verholen#), 255, verzwijgen, geheim houden. Vandaar:
#Verholen#, 2151, 2248, 2291, heimelijk, geheim.
#Verholenlike#, adj. en adv., 891, 1520, 2401, 2406, 3269, heimelijk.
#Verhoren#, 534, 2145, hooren, vernemen. Zie Lsp. gloss.
#Verlanesse#, 2062, samentr. van #verlatenesse#, vergiffenis. Verg. Lsp. gloss. Het ww. #verlaten# in den zin van kwijtschelden, MAERL. 3 Dl., bl. 8.
#Verloos#, 254, praet. van #verliesen#.
#Verloren#, 696, verloren, in den zin van te vergeefs.
#Verloven#, 1448, eigenl. het tegenovergestelde van #beloven#, dus belooven niet te doen, en zoo komt het ook voor Lorr. II, 2988; verg. ook ZIEMANN op #Verloben#. Vandaar met eede belooven iets niet te doen, afzweeren. Zoo is het hier gebezigd, en zoo komt het ook voor Limb. V, 152.
#Vermalendien#, 490, part. #vermalendijt#, 916, vervloeken, verdoemen. Verg. MAERL. 3 Dl., bl. 175, 229; Ferg. 3164; en zie Lsp. gloss.
#Vermanen#, 1979, verzoeken, aanmanen. Verg. Lorr. gloss.
#Vermerren#, 1377, met marren, toeven, laten voorbijgaan.
#Vermoghen#, 2100, aan kunnen, sterker zijn dan iemand. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 18), vs. 1524; Lorr. II, 4263.
#Vernemen# (#vernam#, #vernomen#), 520, 711, 911, 978, 1046, 1574, 2362, 2461, 2549, 3233, waarnemen (met de oogen), zien; 3081, 3216, vernemen, hooren.
#Vernoi#, 1279, 1942, 1995, 2886, verdriet. Zie Lsp. gloss.
#Vernoien#, 3, 1370, 1672, verdrieten, leed doen; 3198 meer in den zin van beangstigen. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 467.
#Veronnen#, 260, ten kwade duiden. Lorr. I, 2032. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 310.
#Veronwerden#, 2252, verachten. St. Franc. 8214.
#Verpinen#, 867, afmatten, tot het uiterste vermoeyen. Zie Flor. 1853.
#Verraden#, 1654, 1746, 2196, 2790, 3095, arglistig ten val brengen. Ferg. 2944. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 312.
#Verre#, 2813, 3355, 3365, 3385, lang, veel. Verg. KIL.
#Versaden#, 212, verzadigen. Verg. #Sat#.
#Versamet#, 57, praet. van #versamen#, zich verzamelen. Zie Lsp. gloss., en verg. Mnl. Versb., bl. 132-133.
#Versach#, zie #Versien#.
#Verseren#, 1924, bedroeven. Verg. #Sere#.
#Versceden#, trans. 262, scheiden, uit een doen, ontwarren; 880, intr. scheiden, weggaan. Verg. Lsp. gloss.
#Verscroven#, 925, ellendig, gemeen. Zie Lsp. gloss.; MAERL. 3 Dl., bl. 40, vs. 113.
#Versien# (#versach#), 710, 1328, 2124, zien. Zie HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 104.
#Verslant#, 2308*, praet. van #verslenden#, d. i. verslinden. MAERL. 3 Dl., bl. 223, 233, 312.
#Versoenen#, 3402, verzoenen, vergoeden. Verg. #Soenen#.
#Verspreken#, 1827, beschimpen. Ferg. 1030, 4733. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 491.
#Verspringhen#, 819, wegspringen.
#Verstoet#, praet. van #verstaen#, 1900, vernemen.
#Verstoten#, 2335, omverstooten, verdrijven. Flor. 1723. Gebruikelijker is #Versteken# in dien zin, zie Lorr. gloss.
#Versuchten#, 990, zuchten. Ferg. 1360: Si verscoet (dus 't hs.) dicke ende versochte. Verg. Flor. gloss.
#Versweren#, 1690, 3154, afzweren. Verg. HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 545.
#Verwaten#, 354, 853, 2712, vervloeken. Zie HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 231, en Proeve, 3 Dl., bl. 91-93.
#Verwendelic#, 1067, overmoedig. Zie Lsp. gloss. op #Verweenthede#.
#Verwinnen#, 1480, overwinnen, te boven komen. Flor. 816.
#Vete#, 2177, vijandschap.
#Vier#, 1237, 1248, vuur.
#Vieren#, 1685, rusten. Zie HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 55.
#Vigilie#, 431, 440, 450, lijkdienst, „funeralia, cantus feralis” KIL. Franc. 8419, 9312.
#Vinden# (#Raet#), 543, zie #Raet#.
#Vite#, 7, levensbeschrijving. Verg. DE JAGERS Taalk. Mag., 4 Dl., bl. 75.
#Viwergat#, 1646, schoorsteen. Verg. de aant. bl. 61.
#Vleeschsmout#, 379, vet.
#Vleghel#, 723, dorschvlegel.
#Vlien#, 758, vlieden. Zie Lsp. gloss. op #Vloe#.
#Vliet#, 827, vliet, vloeyend water.
#Vloeken#, 856, vervloeken, verwenschen.
#Vloghel#, 1050, vleugel.
#Vlotten#, 831, in 't water drijven.
#Voghelijn#, 2571, 3143, vogeltje. Ferg. 1099, waar in 't hs. de tweede l ontbr.
#Vordere#, 679, de voorste. Het is eigenl. de compar. van voor.
#Vorderhant hebben#, 1792, in aanzien staan. MAERL. 3 Dl., bl. 122.
#Voren# (#Te#), 922, 928, vooraf (zonder dat het u eenige moeite heeft gekost).
#Voren# (#Doen te#), 797, overtreffen. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 33), vs. 2774; bl. 98, vs. 486, 500. #Te voren# in den zin van bij uitnemendheid, leest men MAERL. 3 Dl., bl. 190.
#Vorst#, 103, 254, winterkoude.
#Vorst#, 3131, bovenste dwarsbalk (van de galg).
#Vort#, 1688, voorts.
#Vortbringhen#, 1877, 2165, 2204, voor den dag brengen, mededeelen. Zie Lsp. gloss. Verg. wegens de samentr. #brincse# Mnl. Versb., bl. 119 vlgg.
#Vortdraghen#, 1343, doen voortgaan, in stand houden.
#Vortmeer#, 2484, in 't vervolg; 380, nu. Zie mijn art. over Saren, enz. in den Letterb. van 1845, no. 35.
#Vorwaertmeer#, 376, voortaan, van nu af. Zie t. l. a. pl.
#Vorttrecken#, 3359, voor den dag halen.
#Vorworde#, 2512, voorwaarde, het vooraf bepaalde.
#Vreischen#, 1582, vernemen. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 264-265.
#Vremt#, 2295, zonderling. Verg. Flor. 2503, 277.
#Vri#, 1072, 3221, edel. Zie V. WIJN op Heelu, bl. 159-161.
#Vrihede#, 3437, privilegie.
#Vroe#, 2288, vroeg. Zie Lsp. gloss.
#Vro#, 1048, 2260, 2556, 2683, verblijd, verheugd, vrolijk.
#Vrome#, 474, 630, 1074, 2320, voordeel, baat, nut. Zie Lsp. gloss.
#Vromen#, 962, 1841, baten, tot voordeel strekken.
#Vrouwe#, 297, 831, 1865, vrouw, domina, eeretitel, even als #heer# voor mannen. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 52.
#Vruchten#, 559, 2308*, 3020, vreezen, duchten.
#Vulsegghen#, 2221, uitspreken, voluit zeggen. Verg. Lsp. gloss.
#Vulscriven#, 6, volledig beschreven.
W.
#Wachten#, 2340, bewaken, gadeslaan. Verg. Lsp. gloss.
#Waen#, in de spreekwijzen: #na minen wane#, 298, 1235, naar mijne meening; en #sonder waen#, 90, 636, 900, 1096, 1387, 2514, met zekerheid, stellig, gewone verzekeringsformule.
#Waen#, 1199, 2147, van waar. Correllativum van #waer#. Zie GRIMM, D.Gr., 3 Dl., bl. 193 vlgg.
#Waert#, in samenstelling met substantiva, voorafgegaan door te, geeft de beweging te kennen naar het voorwerp door het subst. uitgedrukt: #te beddewaert#, #te hovewaert#, enz., b. v. 533, 540, 708, 870, 1307, 1321, 1374, 1686, 2797. In samenstelling met adverbia ontbreekt #te#, als #nederwaert#, 890, naar beneden.
#Waert hebben#, 1816, hoogschatten, vereeren. Zie Lsp. gloss.
#Wale#, adv., 180, 462, 801, 1010, 1078, 3124, wel.
#Walsc#, 8, Fransch.
#Walschen#, 1461, Fransch spreken, brabbelen. Verg. de aant. van HUYD. op Stoke, 2 Dl., bl. 435.
#Wanen#, 46, 277, 594, 625, 671, 697, 906, 950, 1059, 1104, 1129, 1498, 1527, 1760, 1822, 2036, 2188, 2327, 3001, meenen, glooven.
#Wanc#, 1199, weifeling, wankelmoedigheid. Zie Lsp. gloss.
#Wanconnen#, met GZ., 1925, misduiden, boos zijn over iets. Flor. 1147, 1168; Wal. 5252; Lanc. II, 15507.
#Wanconst#, 907, 2524, toorn, vijandschap. Zie Lorr. gloss. Zie over de konstruktie der laatste plaats Lsp. gloss. op #Vergheven#.
#Wandelinghe#, 2711, 3044, omgang. Lorr. I, 1977; Ferg. 1040.
#Wandren#, 2110, 2721, loopen, verkeeren. St. Franc. 1424; MAERL. 3 Dl., bl. 235.
#Wareltere#, 2330, wereltsch (uiterlijk) aanzien. Wal. 8009, 8061; Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 33) vs. 2815.
#Waren# (#Te --#), 603, #twaren#, 370, voorzeker.
#Warf#, bij getalsnamen ons keer of maal; b.v. 348, 1007.
#Warmhede#, 537, warmte. Verg. Lsp. gloss.
#Wart#, praet van #werden#, 107, 818, 1048, 1336, 2112; in 't rijm #waert#, 974, 1205.
#Wart#, in de spreekw. #Hi wart toten viere#, 1237, hij snelde naar het vuur. Verg. #Up werden#.
#Wat#, met G., 943, welk. MAERL. 3 Dl., bl. 86. Over de konstr. zie Wal. 2 Dl., bl. 239. Zoo ook MAERL. 3 Dl., bl. 281, 298.
#Watervar#, 1863 (zeker dier, maar welk?)
#Wattan#, 245, 1033, 1296, 2936, wat dan, welnu. Limb. III, 570; V, 341; Velth. bl. 72; Troj. Orl. (Ovl. Ged., 2 Dl., bl. 89) vs. 1281.
#Weden#, 1703, 1711, weiden.
#Weder#, 2117, schaap. Zie CLIGNETT, Bijdr., bl. 269.
#Weder#, 708, 1319, 1526, 1731, 2668, wederom.
#Weder#, adv., 2662, tegen. MAERL. 3 Dl., bl. 255, 256, 264.
#Wederkeer# (#Sonder --#), 2308*, onveranderlijk.
#Wederkeer# (#Doen enen#), 1728, 2672, terugkeeren.
#Wederlonen#, 492, vergelden.
#Wedersegghen#, 2283, tegenspreken, zich verzetten. Lsp. gloss.
#Wederscouwen#, 2746 terugzien. Verg. #Scouwen#.
#Wedertale# (#Tale ende --#), 1009, hetgeen over en weêr gezegd wordt. #Wedertale# is antwoord.
#Wee worden#, met DP., 3218, smartelijk aangedaan worden.
#Wegghe#, 653, 681, wig (cuneus).
#Wel sijn#, 195, in gunst staan.
#Welgheboren#, 2314, edel. Verg. HUYD. op Stoke, 3 Dl., bl. 126. Het is eigenl. het Fr. debonnaire.
#Welpekijn#, 1366, 1430, 3066, 3204, welpje. Zie over #welp#, CLIGNETT, Bijdr., bl. 56-57.
#Wentelen#, 975, 981, buitelen.
#Werelt#. #Al mocht hem al die werelt vromen#, 962, al mocht hij er zooveel baat bij hebben als de wereld groot is. Troj. Orl. (Ovl. Ged., 1 Dl., bl. 29) vs. 2443.
#Wernen#, 190, weigeren. Zie Lsp. gloss.
#Wers#, slechter. #Te wers hem#, 1549, is het Fr. tant pis pour lui. Verg. Ferg. 2360; Car. El. 1324. Zie het woord Lanc. II, 15394, 15515; Lorr. I, 1117; en verg. Heim. der Heim., bl. 329.
#Werwaert#, 1664, waarheen, werwaarts.
#Wet#, #wit#, 1151, 3362, godsdienst. Verg. Flor. 195, 243. De uitdr. #Bi miere wet#, bij al wat mij heilig is! Verg. HOFFMANN, op Car. El., bl. 61 in fine.
#Wicht#, 1027, 3385, eigenl. kind. Het adj. wijzigt de beteekenis. Verg. Stoke, 7 B., vs. 59; 10 B., vs. 342; SERRURE, Vadert. Mus., 1 Dl., bl. 68; Ferg. 3511.
#Wide#, 294, wijd, alom; #wide mare#, wijd beroemd.
#Wie so#, 769, wie. Zie HUYD. op Stoke, 1 Dl., bl. 44.
#Wijf#, 73, 95, 235, enz. vrouw, uxor.
#Wile#, 815, 863, 975, 1823, wijl, tijdsruimte. #Die wile#, 842, terwijl. Verg. Lsp. gloss.
#Wilen#, adv., 296, 2544; #wilen eer#, 101, eertijds, weleer.
#Wille# (#Staen te sinen#), zie #Staen#.
#Willecome#, 629, 1073, 3255, welkom, eigenl. welgekomen.
#Willen#, 583, zullen. Verg. de verwisseling in 't Eng.
#Wiltbraet#, 1218, wild, het Hd. Wiltprett.
#Winnen# (#wan#, #ghewonnen#), 1792, verwerven.
#Wise#, wijze, in de spreekw. #In eens arems siecs wise#, 1324, die beteekent: met het voorkomen van een armen zieke. Even zoo gebruikt het Oudfransch En guise de.
#Wisen# (praet. #wijsde#), 2475, aanwijzen.
#Wisen ende leren#, 2076, onderrichten. De spreekwijs is zeer gewoon, b.v. Lorr. I, 1695. Zie voorts CLIGNETT, Bijdr., bl. 8, of Flor. gloss.
#Wisen# (praet. #wijsde#), 167, 1886, uitwijzen. Zie Lsp. gloss.
#Wisse#, 224, een touw, een strop (restis KIL.). Parth. (ed. MASSMANN), bl. 42, vs. 24.
#Woestine#, 503, 508, 2645, eenzame, onbewoonde plaats. Ferg. 1048.
#Wonderen#, impers. met DP., 2627, #mi wondert#, het verwondert mij. Zie Lsp. gloss.
#Wordekijn#, 2219, woordje.
#Wouden#, zie #Ghewouden#.
#Wout#, 2090, 2298, 2854, bosch, woud.
#Wrake#, 1849, gerechtelijke genoegdoening, straf. Zie ZIEMANN op #Rache#.
#Wreet#, 2097, 3017, moorddadig, gebeten op iemand. Flor. 3522.
#Wrochte#, praet. van #werken#, 1338, #bewerkte#, Ferg. 1216; de vorm #wrochte# schijnt de gewone, zie Parthen. 68, vs. 4, en Lorr., Lsp., Franc. gloss.
#Wroeghen#, 113, 1791, 2231, beschuldigen, aanklagen; 1209, bekend maken, verraden. Zoo Lanc. II, 13294: Hi seide: „Ne wroeget niet mi wie ic ben”, waar het Fransch heeft: „ne dites mon non, ne ne feites savoir qui je sui.”
VERBETERINGEN EN BIJVOEGSELS.
IN DEN TEKST.
Vs. 113 bebbe lees hebbe „ 255 het l. bet „ 1126 eene l. een „ 1689 l. Besc. hem soude ghen. „ 1741 verdoort l. becoort(?) „ 3141-2 l. spise: partrise
IN HET GLOSSARIUM.
#Cloet#, 786, 792, lange stok, polsstok. Zie KIL.
#Colne# (#Van --#) #tote Meie#, 2619. GRIMM zegt, R. F., bl. XCII, „Scherzhaft wird örtliche und zeitliche bestimmung gemischt; noch heute hört man in Oberdeutschland „zwischen pfingsten und Strassburg.” Dieser witzige ausdruck reicht also schon in das 12 jh. hinauf. „Inter pascha Remisque,” Reinardus II, 690; „inter Cluniacum et sancti festa Johannis obit”, IV, 970...... In den Niederlanden: „van Aken tot paschen (TUINMAN, Spreekw., I, 334); wahrscheinlich ist auch „van Colne tote Meie” so zu nehmen.”--WILLEMS voert nog de fransche spreekwijs aan: „Cela s'est passé entre Maubeuge et la Pentecôte.”
#Leie#, 2620, de rivier de Leye. De spreekwijs beteekent: „Meent gij dat ik u van den weg wil afbrengen, om den tuin leiden?”
+---------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst | | aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: niet verwonderen zoo nu en dan | | C: niet verwonderen dat zoo nu en dan | | B: gegeven, kunnnen wij overgaan tot | | C: gegeven, kunnen wij overgaan tot | | B: Met de annwijzing der plaatse | | C: Met de aanwijzing der plaatse | | B: hier duideijk het plan | | C: hier duidelijk het plan | | B: laatze b.v. altijd op paarden | | C: laat ze b.v. altijd op paarden | | B: le sujet n'à pas encore | | C: le sujet n'a pas encore | | B: beschuldiging, vs. 125-169, weet ik | | C: beschuldiging, vs. 126-169, weet ik | | B: hem in een »lardier gebracht, | | C: hem in een »lardier” gebracht, | | B: cosin, 1517. | | C: cosin, 1571. | | B: bloeide van 1449-1171, en stierf | | C: bloeide van 1149-1171, en stierf | | B: [22] R. F., pag. CLV. | | C: [22] R. F., pag. CLV. | | B: que du XIV siècle.... | | C: que du XIVe siècle.... | | B: Onmogelijk kan de Alexander eerst | | C: Onmogelijk kan de Alexander eerst | | B: Nu laetste springhen ende | | C: Nu laetse springhen ende | | B: Dat hi mi van hem verdreef, | | C: Dat hi mi met van hem verdreef, | | B: waen quam u dese scat? | | C: waen quam u dese scat?” | | B: sechstu mi waer! | | C: sechstu mi waer!” | | B: --»Waer? sprac Reinaert, vraechdi | | C: --»Waer?” sprac Reinaert, »vraechdi | | B: cater_; 138 _Cuwaerde | | C: cater_; 138: _Cuwaerde | | B: Vs. 381: sine | | C: Vs. 281: sine | | B: estes-vos, Tyber li chaz?_ | | C: estes-vos, Tyber li chaz?_” | | B: G. Bruuns, vs. 2468. D. Brune, | | C: G. Bruuns, vs. 2444. D. Brune, | | B: 961, 988, 3390. G. Brunen, | | C: 961, 988, 3391. G. Brunen, | | B: doch zie vs. 2544-4 | | C: doch zie vs. 2544-5 | | B: 2761, 2882. Zie HUYD. op | | C: 2761, 2881. Zie HUYD. op | | B: 2198, 2977, 2313. Het | | C: 2198, 2977, 3213. Het | | B: 540, 1063, 1623, 2240, 2399, | | C: 540, 1063, 1633, 2240, 2399, | | B: 2154, 2573, 2806, 3170, door; | | C: 2154, 2573, 2608, 3170, door; | | B: K. 52; Mlnp. II, 4105. | | C: K. 52; Mnlp. II, 4105. | | B: Verg. GRIMM, D. M., bl. 586. | | C: Verg. GRIMM, D. M., bl. 586. | | B: #Ghedichte#, 813, adv. _dicht | | C: #Ghedichte#, 812, adv. _dicht | | B: 4227. Wal. 2139. 3119, | | C: 4227. Wal. 2139, 3119, | | B: Stoke 7 B, vs. 466, en | | C: Stoke 7 B., vs. 466, en | | B: t. l. a p. | | C: t. l. a. p. | | B: #Ghestille#, 25, 1136, | | C: #Ghestille#, 26, 1136, | | B: stilte. Ferg. 681, | | C: stilte. Ferg. 681, | | B: #Gheven een val#, 1631, #enen | | C: #Gheven een val#, 1641, #enen | | B: #Helet#, 615, 1071, 3121, held. | | C: #Helet#, 615, 1072, 3221, held. | | B: #Henen#, 2246, van hier, | | C: #Henen#, 2345, van hier, | | B: 1199, 1741, 1926, hart. | | C: 1199, 1741, 1925, hart. | | B: #Honen#, 78, 176, 217, 488, | | C: #Honen#, 78, 175, 217, 488, | | B: #Hoveschede#, 28, 2238, beleefdheid, | | C: #Hoveschede#, 28, 1669, beleefdheid, | | B: #Keitijf#, 680, 838, 2785, | | C: #Keitijf#, 640, 838, 2785, | | B: #claerre#, 1145, is de compar., | | C: #claerre#, 1445, is de compar., | | B: 2181, 2232, 2386, schande. | | C: 2181, 2232, 2286, schande. | | B: achterlaten; 1431, verlaten. | | C: achterlaten; 1432, verlaten. | | B: #Lettelkijn#, 2302 | | C: #Lettelkijn#, 3202 | | B: #Lier#, 745, 855, 894, 1352 | | C: #Lier#, 745, 855, 994, 1352 | | B: #mesrocht#, 447 (verg. | | C: #mesrocht#, 747 (verg. | | B: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2596, | | C: #Moet#, 1041, 1904, 2519, 2598, | | B: #Te moede#, 1063, 1785, 2904, | | C: #Te moede#, 1063, 1765, 2904, | | B: harde na#, 1432, _ter harte | | C: harde na#, 1423, _ter harte | | B: #Noot#, 517, 571, 1527, | | C: #Noot#, 517, 570, 1527, | | B: DP., 2827, _noodzakelijk | | C: DP., 2857, _noodzakelijk | | B: #Nu toe#; 833, | | C: #Nu toe#, 833, | | B: 998, 1018, 3030, 3049, indien. | | C: 998, 1008, 3030, 3040, indien. | | B: #Ombeclaghet#, 3047, onaangeklaagd. | | C: #Ombeclaghet#, 3046, onaangeklaagd. | | B: 1800, 1810, 2155, 2659, 3039, | | C: 1800, 1810, 2158, 2659, 3039, | | B: #Saen#, 64, 82, 98, 398, | | C: #Saen#, 64, 82, 398, | | B: #Staf#, 789, 1573, 2930, | | C: #Staf#, 789, 1573, 2931, | | B: #swaer doen#, 1040, verdrieten. | | C: #swaer doen#, 1041, verdrieten. | | B: #Taverne#, 2191, herberg. | | C: #Taverne#, 1291, herberg. | | B: 1639, 2018, 2021, 2254, 3174, | | C: 1639, 2018, 2022, 2254, 3174, | | B: en #sonder waen#, 99, 636, 900, | | C: en #sonder waen#, 90, 636, 900, | | B: #nederwaert#, 1321, naar beneden. | | C: #nederwaert#, 890, naar beneden. | | | +---------------------------------------------+