← Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · John Gabriel Stedman · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #8100, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

Reize naar Surinamen en door de binnenste gedeelten van Guiana — Compleet (part 2 of 3)

Den 30sten van deeze maand, zynde St. ANDREAS dag, liet ik een geheel schaap braden, waar op ik alle de Officiers, die zig op de Hoop bevonden, onthaalde. Ik gaf daar by twee kruiken goede Jamaicasche Rhum, waar van wy Punch maakten, welke wy op de gezondheid van onze vrienden van het oude vaste Land uitdronken. Ik herhaalde dit festyn den 4den December, na het ontfangen der tyding, dat myne JOANNA van een frisschen en schoonen zoon bevallen was. Den zelfden dag schreef ik aan den heer LUDEN te Amsterdam, om de vryheid voor moeder en kind te bekomen, en ik deed dit in dezelfde uitdrukkingen, als aan zynen voorzaat den heer PASSELAIGE; alleenlyk verzogt ik hem met meerder aandrang, om zyn antwoord te verhaasten, om dat ik niet wist, hoe lang onze tocht nog duuren zoude. Myn nieuwe vriend, de heer DE GRAAF, ondersteunde my, zoo als de heer LOLKENS gedaan had. Dit alles afgeloopen zynde, gaf ik aan de zieken een douzyn flessen goeden Champagne-wyn, die de eerstgemelde van deeze twee heeren my gezonden had, en die zedert het jaar 1726. in zyne kelder geweest waren.

Des morgens van den 10den, met myn snaphaan op den schouder rondom de Plantagie wandelende, zag ik, dat alle de slaven, uit hoofde der mishandelingen van den Opzichter, aan 't muiten waaren. Het krygsvolk, by geluk van het verschil kennis genomen hebbende, deed het zelve tot algemeen genoegen eindigen. Deeze veelvuldige onlusten, waar van ik verscheiden malen melding gemaakt heb, gaven klaarlyk het oogmerk der Negers te kennen, om tot eenen openbaaren opstand over te slaan; en zy zouden zulks voorzeker te meermalen beproefd hebben, zoo zy niet wederhouden waren geworden door de vrees, welke de tegenwoordigheid van het krygsvolk hun inboezemde. Dien zelfden morgen bragt ik een paar vogels van twee verschillende zoorten mede. De eerste word genoemd Toreman; de andere is een zoort van poelsnip. De Toreman is een vogel van eene zeer heldere zwarte kleur, hebbende gryze pooten, en een zeer krommen bek: hy heeft de grootte van een hoen; en is zeer goed om te eeten. Hy gaat op de hoogste takken der boomen zitten, en men ontdekt hem gemakkelyk door een zoort van zang, het welk hy by de aankomst van elk mensch in het bosch duidelyk herhaalt. Van daar heeft hy den naam van Toreman, het welk in de taal der Surinaamsche Negers een snapper of spion beteekent: de muitelingen dragen hem om die reden eenen verschrikkelyken haat toe.

De poelsnip in de Savanen is een weinig minder groot dan een korhaan: deszelfs pluimaadje is van eene fraaie gryze zilver-kleur, en zyne gedaante ten naasten hy van de Europeesche poelsnippen. Men vindt deezen vogel voornamelyk in de verdronkene Savanen; hy is vet, en van een uitmuntenden smaak.

Den 11den, wierd de Plantagie Reetwyk, aan de Peréca, door de muitelingen aangetast; maar het krygsvolk noodzaakte hen de wyk te nemen.

Den Colonel FOURGEOUD toen te Maagdenberg te rug gekomen zynde, en my, na eene ziekte van zeven maanden, volmaakt hersteld bevindende, waagde ik het, om hem op nieuw schriftelyk voor te stellen, om met hem in de bosschen te trekken, of my toetestaan van eenigen tyd te Paramaribo door te brengen; maar hy weigerde my het een en ander verzoek. Ziende, dat het my niet mogelyk was mynen post te verlaten, deed ik derhalven aan myne geliefde JOANNA by een brief verstaan, dat ik my beter bevond. Ik kwam vervolgens met myn brief aan den oever der Rivier, om aldaar een vaartuig te vinden; en tegen den middag bespeurde ik het open vaartuig van Fauconberg, het welk den Opzichter naar Paramaribo bragt: by ongeluk bekleedde hy dien post slechts zedert kort, en my niet kennende, wilde hy niet naar den oever komen, om myn brief aan te nemen. Echter ziende, dat de Negers met hunne riemen stil lagen, stak ik den brief tusschen myne tanden, en sprong in 't water, om naar het vaartuig toe te zwemmen, niet twyffelende, of men zoude my wel weder aan land brengen. Ik volgde dus den stroom, geheel gekleed, en naderde eindelyk tot op den afstand van twee riemen van het vaartuig: toen nam ik myn brief in de hand, en denzelven in de hoogte houdende, riep ik: "Wie zyt gy, die een stuk papier weigerdt aan te nemen?" Men antwoordde my in 't Fransch: "Ik ben JEAN BEARNY, een boer uit Gasconje, om u te dienen". Het vaartuig ging, na deeze weinige woorden, oogenblikkelyk voort, en ik zag my buiten staat, om het zelve in te haalen, of weder aan land te komen. In zulk eene benaauwdheid stond my niets anders, dan den dood te wagten; want het was onmogelyk, om tegen den stroom op te zwemmen, vooral, daar myne kleederen my in den weg waren: ik beproefde het egter, maar ging twee keeren naar den grond. Ik zoude aldaar buiten twyffel hebben moeten blyven, indien ik eindelyk niet eenig paalwerk gevat had, het welk in de Rivier gestoken was om visch te vangen, en my daar aan stevig had vast gehouden. In deeze gesteldheid riep een Hollandsch Timmerman, die my boven van een Suikermolen zag, uit al zyn kragt, dat de Engelsche Capitain zig wilde verdrinken. Op deeze woorden sprong een dozyn sterke Negers in de Rivier, en wel dra, onder het oog van mynen vriend, den Major MEDLAR, die vry genegen was, om het bericht van den Hollander te gelooven, grepen zy my, en namen my op hunne schouders, om my aan wal te brengen. De woede over de onbetamelyke bejegening, die my wedervaren was, de pyn, het gevaar, en de schande zelfs, vervoerden my dermaten, en maakten zulk eenen sterken indruk op mynen geest, dat ik oogenblikkelyk het gebruik der reden verloor, en de misdaad, waar van ik beschuldigd wierd, byna ter uitvoer bragt; want door de slaven over eene kleine brug gedragen wordende, nam ik een sprong, en wierp my van boven neder in de Rivier; ik wierd dadelyk door de Negers weder opgevischt; en de verdenking, dat ik een zelfsmoord in den zin had, wierd bevestigd. Dienvolgende bragt men my in myne hangmat, waar by den geheelen nacht twee schildwachten geplaatst wierden. Myne vrienden omringden my, en stortten traanen; maar een weinig warmen wyn genomen hebbende, viel ik in eenen diepen slaap tot des anderen daags morgens. By myn ontwaken een zeer bedaard voorkomen hebbende, vonden myne redenen, tot myn groot genoegen, eindelyk ingang, en myne medgezellen lieten alle vrees ten mynen opzigte vaaren. Aan zulk een gevaar stelde my het onbeschaamd gedrag van deezen onmenschelyken Franschman bloot, die zig zelfs naderhand door trekken van eene voorbeeldelooze wreedheid befaamd maakte.

Daags na dit voorval, zond ik myn brief met één van myne Negers, die zig in een kleine kano naar Paramaribo begaf. Tegen den middag een vaartuig met syroop van suiker, waar op zig in de brandende zon een Engelsch matroos en twee Negers bevonden, voor de Hoop ten anker ziende liggen, deed ik den eerstgemelden aan land komen, al waar ik hem op een schotel spek met eieren, en een bool punch onthaalde; het geen hem zeer verwonderde, want hy maakte geene rekening op zulk een goeden maaltyd, en nog minder, om één zyner landgenooten op deeze plaats te vinden: zyn naam was MACDONALD, en men zal by vervolg zien, welke zyne dankbaarheid was.

Het evengemelde vaartuig was een groote schuit met twee riemen, welke de syroop van suiker (melasse) op de Plantagiën gaat haalen, en aan boord der Americaansche schepen brengt; en deeze voeren ze naar de Eilanden, om 'er rhum van te maken. Men betaalt ze aan de Hollanders tegen drie guinies het vat.

Den 16den, kwam 'er een ander Officier aan, die door den Colonel was in arrest gezet. De naam van den eersten was GYLGUIN, en van den tweeden NEYS: de misdaad van den laatsten was een twist, die hy met een vryen Neger, GOASARY genaamd, over het schikken van plantains had. Deeze twee jongelingen wierden vervolgens naar Europa gezonden op last van den Colonel, die vast stelde, dat zy door een hoogen krygsraad veroordeeld zouden worden: maar, na een kort rechtsgeding, wierden zy met eere vry gesproken, tot algemeen genoegen der geheele krygsbende. In de daad, zoo verregaande was de gestrengheid van den Colonel, dat hy de minste toegevenheid niet had voor de zwakheden der jeugd.--Dewyl ik zoo even van Plantains sprak, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om deeze vrucht, en den boom, die ze voortbrengt, te beschryven; het geen ik misschien reeds had behooren gedaan te hebben.

De Plantain-boom is veel eer een plant, dan een boom, want hy heeft noch schors noch hout, dezelve bestaat in een stamen, of helmstyl, rondom door bolachtige, vezelachtige groene vliezen omgeven, die even als de uijen op elkander zitten, tot tien en meer duimen middellyns: deeze omwindzels of schelpswyze schorssen klimmen beurtelings tot op omtrent veertien voeten afstand van den grond, en vormen zig niet tot takken, maar tot bladeren, ten getale van dertien of veertien, die zig als een zonnescherm uitspreiden, en waar van elk in staat is iemand van de grootste gestalte te overdekken: zy zyn van een helder zeegroene kleur, tot dat zy verwelken en afvallen, om voor nieuwe plaats te maken. Uit het midden van deeze verëenigde bladeren, spruit een zwaare stam van by de drie voeten lang, welken de zwaarte eener bloem-kelk van eene purper kleur naar den grond doet overhellen. Boven aan deezen stam groeien de vruchten, Plantains genaamd, welke de gedaante van een komkommer hebben; zy bedragen een getal van meer dan honderd, en deeze geheele tros noemt men doorgaans een rey of reeks. Elke boom of plant draagt slechts één van deeze reijen te gelyk: wanneer die afgesneden is, komen 'er zeer schielyk jonge uitspruitzels in de plaats, die uit hunne bolachtige wortels voortkomen, en in den tyd van tien maanden dezelfde bewerking kunnen ondergaan. De Plantain-boom vordert een voedenden grond, zonder welken de vrucht niet goed voortkweekt, en nooit haare waare hoogte van rypheid bereikt. Deeze vrucht, ontdaan van derzelver bekleedzelen, wanneer ze nog groen is, bevat eene meelachtige zelfstandigheid van eene ligt geele kleur, die, het zy gekookt, het zy gebakken, in plaats van brood dient, gelyk ik reeds gezegd heb: zy is zeer gezond, en van een zeer aangenaamen smaak. Wanneer de schil geel word, is de binnenste zelfstandigheid zoet, en men kan ze raauw eeten, want zy heeft ten naasten by de smaak van een rype peer; maar tot die hoogte gekomen zynde, bedient men zig 'er alleenlyk van op het nagerecht.

De Bananen-boom is een zoort van plant van dien aart; hy verschilt alleenlyk van den Plantain-boom daar in, dat zyne vrucht meer eirond, en minder groot is, en dat men dezelve nooit eet, dan wanneer ze geel en volkomen ryp is. De eerste is van meerder nut; maar de tweede, die een reuk van muscus heeft, is lekkerder: de eene is in Surinamen bekend onder den naam van banana, de andere onder dien van bacouba. [26]

Den 18den, van mynen vriend, den Majoor MEDLAR, verlof verkregen hebbende, om een keer naar Paramaribo te doen, begaf ik my derwaarts in een vaartuig; ik kwam aldaar aan op het tydstip, dat men myn zoon met Madéra wyn en water waschte, volgens de gewoonte des Lands. JOANNA was volmaakt hersteld, en ik bood haar een gouden gedenkpenning aan, welken myn vader op myn geboorte-dag aan myne moeder geschonken had. Ik bedankte ook mevrouw LOLKENS voor alle haare goedheden, en ik vertrok weder dadelyk naar de Hoop, alwaar ik den 22sten te rug kwam.

De arme Neger, dien ik met de bezorging van mynen brief belast had, was minder gelukkig geweest, dan ik: de kragt van den stroom had zyne kano in het midden der Rivier Surinamen doen omslaan: hy konde niet zwemmen, maar had de kragt en behendigheid, om zig op de kano, die onöphoudelyk weder trachte om te keeren, recht op te houden, en door dit middel gelukte het hem om altyd het hoofd boven water te houden, terwyl de zwaarte van zyn lichaam dit vaartuig eindelyk belette te wankelen. Eene sloep van een oorlogschip verlostte hem gelukkig uit deeze gevaarlyke en lastige gesteldheid; maar zy, die op het schip waren, namen de kano voor hunne moeite, en zetten den man te Paramaribo aan land. Geduurende al den tyd, dat hy in 't water geweest was, had hy den brief tusschen zyne tanden gehouden, en denzelven met allen spoed willende bezorgen, deed hy dadelyk zyn best, om zulks te verrigten, maar vergistte zig in het huis: men zag hem in 't huis, alwaar hy binnen trad, voor een dief aan, want hy weigerde aanhoudend den medegebragten brief over te geven, en men stond gereed, om hem vier honderd geesselslagen te doen toetellen,wanneer gelukkiglyk een Engelsch Koopman, één van myne vrienden, GORDON genaamd, en die den Neger kende, hem uit deeze ongelegenheid redde. Dus wilde deeze arme jongen, die byna in de Rivier verdronken was, liever onder de geesselslagen sterven, dan de geheimen van zynen meester ontdekken.--Waar zyn de Europeanen, met zulk een moed en trouw begaafd!

Hier boven van eene manier van visschen door middel van paalwerk melding gemaakt hebbende, zal men misschien verlangen deeze manier, die my dikwils eene zeer goede maaltyd verschafte, te kennen. Men omzet eenvoudig een vierkant vak in de Rivier, met goed paalwerk van Latanusboomen hout, die met koorden van heestergewassen vast zyn aan één gebonden. In het midden is eene breede opening of deur, welke men by den vloed open, en by de ebbe gesloten houdt, om voor te komen, dat de visch niet ontsnappe. Door dit middel vangen de Negers en Indianen dikwils eene groote meenigte visch. Onder die geenen, welken men de laatste keer vong, waren de logolago, en de matouary. De eerste is een zoort van zeer dikke paling, en twee voeten lang: zyne huid heeft eene bleekblauwe kleur op zyde en op den rug, maar witachtig onder den buik. Deeze paling is zeer vet, en van een goeden smaak. De matouary is klein en zonder schubben. Het is in Surinamen zeer merkwaardig, dat, zoo dra zy buiten 't water zyn, de meeste visschen een geknor maken, naar dat van een bigge gelykende.

Den 23sten, op de Plantagie Knoppemonbo ten eeten zynde, zag ik twee vogelen, die al myn aandacht tot zig trokken. Een derzelve verdiende dit vooral, door het zonderling maakzel van zyn nest. Men noemt hem in dit Land Lipybanana, om dat hy zig voornamelyk, zoo men zegt, met rype bananen voedt. Ik weet niet of hy de spotvogel van Dr. BANCROFT is, maar hy koomt zeer naby aan deszelfs beschryving.

Eenige vogels van dit zoort hadden zig op een grooten boom aan den waterkant genesteld: de Negers verzekerden my, dat zy zig op die plaats zedert verscheiden jaaren rustig by één verzamelden. Zy maakten eindelyk aldaar een getal van meer dan twee honderd uit. De gedaante deezer vogelen is ten naasten by die van een Engelsche lyster. De mannetjes hebben vederen op het lyf van eene zeer heldere zwarte kleur, zynde hun staart en een gedeelte der vlerken van eene karmozyn kleur; de wyfjes hebben ook het lyf zwart, maar het overige van eene zeer fraaije geele kleur. Hun zang was in de daad uit eene groote verscheidenheid van zangnooten zaamgesteld; maar hy had geene zoetluidenheid, en bootste geenen anderen wildzang naar, zoo als men gemeenlyk voorwendt, dat de spotvogel doet, dien ik voor 't overige in Surinamen niet heb hooren noemen. Deeze vogels hadden, ten getale van meer dan zestig, hunne nesten op het einde van de takken der boomen geplaatst, alwaar zy door den wind heen en weder slingerden. Deeze nesten, ten aanzien van derzelver gedaante naar een zoort van beursen gelykende, zyn in de laagte zeer rond; maar eindigen in de hoogte puntsgewyze. Zy zyn van een weinig hooy gemaakt; en in 't midden ziet men een gaatje, waar door de vogels uit en in vliegen. Hunne eieren leggen zy op den grond, die zeer breed is, en het boven-einde, spitswyze gemaakt, beveiligt deeze vogelnesten tegen roof en slegt weder: maar van nog meerder gewicht is het, dat, uit hoofde van hunne ligging, de aapen, die in dit Land zoo talryk zyn, hun geen nadeel kunnen toebrengen, om dat deeze takken, waar aan hunne nesten vast zyn, schoon sterk genoeg om dezelve, en het geen 'er in is, te dragen, te zwak zyn voor vyanden van eene vry meerdere zwaarte; en tot meerder zekerheid waaren die geene, welke ik gezien heb, boven het water geplaatst.

De andere vogel, dien ik in myn te rug komen doodde, was de Surinaamsche valk, die, ten aanzien van grootte en gedaante, naar dien in Engeland gelykt. Deszelfs pluimaadje is van een helder bruine kleur, en aan de borst en staart met verschillende roode, zwarte, en geele vlakken geteekend. Hy had een gespleeten tong, de oogen uittermaaten schitterend, de pooten van een citroen-kleur, en de klauwen met zeer lange en zeer puntige nagels gewapend. Deeze vogel doet veel schade op de Plantagiën, en vooral onder het gevogelte.

Het word tyd, dat ik tot de krygs-verrigtingen van onzen Bevelhebber te rug keere, die eenige dagen op Maagdenberg gebleven zynde, op Kersdag met het zwak overschot van zyne krygsbenden optrok, en zig naar de Savane der Jooden begaf, van waar hy naar Maagdenberg te rug keerde, zonder iets gezien te hebben, maar ten minsten met den titel van den zwervenden Jood. Deeze weinige vorderingen wederhielden den Majoor MEDLAR en my niet, om hem ons verzoek te hernieuwen, ten einde hy ons zoude toestaan om hem op zyne tochten te vergezellen: onze verzoeken waren te vergeefs, want hy begaf zig toen naar Paramaribo, alwaar men dagelyks nieuwe versterkingen uit Europa verwagtte. Eindelyk echter stond hy ons toe hem naar deeze Hoofdstad der Volkplanting te volgen; ik zegge ons, om dat die zelfde gunst ook aan eenige andere Officiers wierd toegestaan, die in dit oogenblik aan alles gebrek hadden, terwyl 'er vyftien vaten besten wyn, en vyftien duizend guldens aan geld, ter beschikking van den Colonel waren.

VYFTIENDE HOOFTSTUK.

Indianen, inboorlingen van Guiana.--Voedzel,--Wapenen, --Cieradiën,--Optooisels,--Bezigheden,--Vermaken,--Driften, --Godsdienst,--Huwelyken,--Begravenissen, enz, van deeze Volken.--De Caraïbische Indianen in 't byzonder, en hunne koophandel met de Europeanen.--Boomen, Heesters en Planten.

Den 18den January 1774, verliet ik eindelyk den wachtpost van de Hoop, welke den lezer misschien reeds zoodanig verveeld zal hebben, als dezelve my te dier tyd gedaan had. Van daar zakte ik de Rivier af naar de Plantagie Arentslust; en des anderen daags hield ik op de Plantagie Katwyk, die zeer fraay is, het middagmaal. Ik dagt hier een einde aan alle myne reizen te maken; want de heer GOETZER, eigenaar van deeze Plantagie, my één van zyne paarden geleend hebbende, om zyne bezittingen eens te doorkruissen, verdweenen wy, het dier en ik, eensklaps; een houte brug, waar over ik heen reed, verrot zynde, brak oogenblikkelyk aan stukken; ik viel in 't water, en had veel moeite om de wal te bereiken; vervolgens eenige Negers geroepen hebbende, trokken zy het paard, het welk in de modder gezonken was, 'er uit; maar dit geschiedde egter niet zonder groote moeite.

Des avonds vertrok ik nog naar Paramaribo, alwaar ik met laag water aankwam, het geen my gelegenheid gaf tot het beschouwen der boomen, die aan den oever der Rivier Surinamen groeien, en met oesters, even als vruchten, aan de takken vast zittende, bedekt zyn. Deeze byzonderheid heeft gelegenheid gegeven tot de algemeene misvatting, dat zy aan die boomen groeiende, 'er een gedeelte van zouden uitmaken; maar 'er is niets byzonders in gelegen, dat zy zig zoo wel aan de eene als andere zelfstandigheid vast hechten; want men vindt gemeenlyk verscheiden zoorten van schelpvisschen, die zig aan de kiel der schepen, als aan rotzen, vast houden. Deeze oesters, die de gedaante van paddenstoelen hebben, zyn zeer klein en vry middelmatig; honderd van dezelve zyn zoo veel niet waardig, als een dozyn Glocester oesters. Men vindt ook mosselen in Surinamen, maar zy zyn zoo klein en smakeloos, dat zy naauwlyks verdienen gemeld te worden.

Des anderen daags na myne aankomst, gaf ik een bezoek aan den Gouverneur en aan den heer KENNEDY, als mede aan Mevrouwen LOLKENS en DEMELLY: allen ontfingen zy my met zeer veel eerbewyzing, en wenschten my geluk met myne kennis aan den heer DE GRAAF; zy keurden ook goed het geen ik voor JOANNA en voor myn zoon gedaan had.

Den 22sten, het overschot van ons krygsvolk zig grootendeels op Paramaribo bevindende, gaf de heer VAN EYS eene maaltyd aan de geheele krygsbende.

Den 29sten, kwam een aanzienlyk getal Indianen in deeze hoofdstad der Volkplanting aan. Deeze volken,die uit Guiana oorsprongelyk zyn, schynen de gelukkigste schepzels, die onder den hemel leven, en zyn in stammen (castes) verdeeld, als daar zyn,

De Caraïben. De Arrowouks. De Accawaus. De Tajiras. De Worrows. De Piannacotaus.

'Er zyn bovendien nog veele anderen, wier gebruiken en gewoonten onbekend zyn. De Indianen van alle deeze stammen hebben in 't algemeen een koper-kleur; terwyl de Africaansche Negers, die onder den zelfden graad van breedte woonen, volmaakt zwart zyn. Men kan gemakkelyk van dit onderscheid reden geven: de Indianen van Guiana worden door de zeewinden, of de ooste winden, die tusschen de keerkringen waaien, aanhoudend verfrischt. De inwooners van Terra Firma en Peru aan de westkust van America, genieten ook denzelfden oosten wind, welke dien grooten keten van bergen, in de binnen-landen gelegen, wier kruin steeds met sneeuw bedekt is, en waar over die wind heen waait, altyd frisch houdt. De inwooners van Africa, zuidwaarts van de Rivier Senegal levende, hebben dien wind ook wel, maar na dat dezelve door de verschrikkelyke meenigte woestynen, welke zy overwaait, brandend geworden is.

Deeze zyn de waarschynlykste oorzaaken, waarom de Americanen alleenlyk een koper- of roode kleur hebben, en dat de inwooners van Africa, welke Negers genoemd worden, geheel zwart zyn; namelyk, om dat de straalen der zon by de laatstgemelden meer brandende zyn, dan by de eersten, en niet om dat zy twee geheele onderscheidene stammen of geslachten zouden uitmaken: want ieder, die wel onderzoekt en opmerkt, ziet klaarlyk, dat 'er maar eene zoodanige stam van het menschdom op de aarde is, en dat het onderscheid tusschen de menschen alleenlyk voortkoomt uit het verschil van luchtstreek en grond. Ik ben daarënboven van gedachten, dat deeze Indianen altyd des te minder aangemerkt moeten worden als eene stam, van die van het oude vaste Land verschillende, wanneer men de nabyheid van Rusland aan Noord-America in aanschouw neemt. Uit het eerstgemelde Land zullen de eerste Americaanen verhuist zyn, maar zy hebben tot hier toe het nieuwe vaste Land slechts weinig bevolkt, uitgenomen egter Mexico, en eenige andere gedeelten van America, die door de gierigheid en het bygeloof der Spanjaarden ontvolkt zyn.

Ik kan deeze Indianen van Guiana gelukkig noemen, daar hunne zeden en gerustheid door de gebreken der Europeanen niet zyn gestoord geworden, daar zy geene misslagen dan die der onkunde hebben, welke geenzints uit het bederf van eenen zoogenaamden staat van beschaafdheid, en van eenen Godsdienst, van deszelfs grondbeginzel zoo zeer afwykende, hunnen oorsprong nemen.

Deeze aanmerkingen herïnneren my natuurlyk het antwoord van eenen Indiaan, met opzigt tot eene redenvoering van een Zweedsch Prediker, ter gelegenheid van een Vredes-verdrag, te Covestogo gesloten. Zie hier hetzelve in 't kort:

"Wel! gelooft gy in de daad, dat onze voorvaderen en wy allen, zoo als gy zegt, veroordeeld zyn, om in eene andere weereld eeuwig-duurende folteringen te ondergaan, om dat wy van uwe geheimzinnige nieuwigheden niet zyn onderrigt geworden? Zyn wy niet het maakzel van God? En kan deeze God zonder de hulp van een boek zynen wil niet openbaaren? Indien dit waar is, en God is rechtvaardig, is het dan met zyne rechtvaardigheid eenigermaten over één te brengen, dat hy ons zonder onze toestemming in deeze weereld plaatsen zoude, en ons vervolgens tot eene eeuwige verdoemenis verwyzen, om dat wy met u niet eenstemmig denken. Neen, neen! wy zyn overtuigd, dat de Europeanen een meer bedorven zedenleer, dan de Indianen, hebben, indien wy hunne leer naar hun gedrag afmeten".

'Er is zekerlyk geen loffelyker onderneming, dan om de waarheden, door God zelven aangekondigd, aan menschen, wier verstand zoo zuiver is, en zoo zeer verdient opgehelderd te worden, mede te deelen: maar ik vrees, en niet zonder reden, dat de pogingen van eenen achtenswaardigen Prediker zeer weinige vorderingen maken zullen, zoo lang het gedrag van het grootste gedeelte van andere zendelingen der Moravische Broederen, zig onder de Indianen aan de oevers der Saraméca nedergezet hebbende, alwaar zy zig met de bekeering der Indianen en Negers bezig houden, niet hunne leeringen lynrecht strydig wezen zal.

Alle de Indianen van Guiana gelooven in eenen God, als de opper-oorzaak van alles goeds, en die hun nooit het minste kwaad wil doen; maar zy bidden den duivel aan, om de onheilen, waar mede hy hen kwellen kan, af te weeren: zy noemen hem Yawahou; zy schryven aan hem de smart, de ziekten, de wonden, en den dood toe, en overal, waar een Indiaan sterft, verlaat zyn geheele huisgezin dadelyk dit verblyf, om voor het vervolg den doodelyken invloed van het noodlot te ontwyken.

De Indianen van Guiana zyn volken, die volmaakt vry zyn; dat is, zy kennen geene verdeeling van landen, en hebben geen ander bestuur, dan dat der oudsten, die elk in hun huisgezin den post van Capitain, Priester, en Geneesheer waarnemen; men bewyst hun eene eerbiedigende gehoorzaamheid, en noemt hen Peji, of Pagaijers, en even als by veele beschaafde volkeren, genieten zy meerder voorrechten, dan hunne overige landgenooten.

De veelwyverye is onder deeze volken geoorloofd, en het staat aan ieder man vry zoo veele vrouwen te nemen, als hy onderhouden kan, schoon hy 'er doorgaans niet meer dan ééne heeft, op welke hy uittermaten jaloers is, en die hy oogenblikkelyk om hals brengt, zoo dra zy hem een sterk en zeker bewys van trouwloosheid geeft. De Indianen slaan hunne kinderen nooit, om welke reden het ook zy; en hun geheel onderwys bestaat in hen te leeren jagen, visschen, loopen en zwemmen. Nimmer beledigen zy elkander met scheldwoorden, en begaan geen diefstal; de leugen is onder hen eene onbekende zaak. By deeze gelukkige hoedanigheden kan men voegen, dat geen volk dankbaarer is, wanneer men hen met ordentelykheid behandelt; ik zal zelf, by vervolg, daar van een merkwaardig bewys opgeven; maar aan den anderen kant moet ik ook zeggen, dat deeze Indianen uittermaten wraakzuchtig zyn, vooral wanneer zy vermeenen, dat men hen onrechtvaardig beledigd heeft.

De eenige gebreken, die ik in hun ken, indien men ze by hen als zoodanig beschouwt, zyn de onmatige drift om zig dronken te drinken, wanneer de gelegenheid zig daar toe aanbiedt, en hunne onbegrypelyke agteloosheid. De eenige bezigheid van eenen Indiaan, wanneer hy niet vischt, nog jaagt, bestaat om in zyn hangmat te gaan leggen, zig te vermaken met het schoonmaken zyner tanden, met de hairen van zynen baard tusschen zyne vingers te wryven, of zig zelf in een stuk van een gebroken spiegel te bekyken.

De Indianen zyn in 't algemeen zeer zindelyk; zy baden zig twee of drie maalen daags in de Rivier of in de Zee. Allen, van welke kunne zy ook zyn, trekken zig al het hair uit, uitgenomen op het hoofd. Hun hoofdhair is dik, en van een schitterend zwarte kleur; het word niet grys, en nooit worden zy kaal; de mannen dragen het hair kort, maar by de vrouwen hangt het tot op de helft van den rug. Het schynt dat zy de Bybelleer volgen, waar in gezegd word, dat lange hairen de cieraad van een vrouw, en de schande van een man zyn.

De Indianen van Guiana zyn noch groot, noch sterk, noch zwaar gespierd, en over 't algemeen zeer gezond. Hun gelaat geeft niets dan vergenoegen en goedäartigheid te kennen. Zy hebben regelmatige en schoone trekken, dunne lippen, witte tanden, en zwarte, maar kleine oogen. Echter mismaken zy zig allen meer of min door het gebruik van de Arnotta, of Roucou, waar aan zy den naam van Cosowy, en de Hollanders dien van Orlean geven. Het zaad van de Arnotta, in limoensap wel geweekt, en gemengd met water, en de gom, die van den boom, Mawna genaamd, afvloeit, of met oly van bevergeil, maakt eene scharlaken verwe, waar mede alle de Indianen zig het lichaam, en de mannen zelfs hun hoofdhair besmeeren, het geen aan de huid de kleur geeft van een gekookte zee-kreeft. Zy hebben bovendien de gewoonte, om zig met caraba, of krabben-oly, te wryven, en men moet erkennen, dat zulks voor menschen, die byna naakt zyn, in eene brandende luchtstreek zeer dienstig is. Op zekeren tyd aan 't lagchen geraakt zynde, op het zien van een jongen Indiaan, die van onder tot boven besmeerd was, en uit den omtrek van Caijenne kwam, antwoordde hy my in 't Fransch: "Dusdanig gebruik verzagt myne huid; het belet eene al te overvloedige uitwaasseming, en bewaart my gedeeltelyk voor het steken der insecten, die u kwellen; zie daar, myn heer, waar toe, behalven het fraaije, my die roode verwe dient. Zeg my nu eens, (wyzende op de poeder, waar van myn hair vol was,) om welke reden zyt gy wit geverwd? Ik vind geene reden, waarom gy op die wyze uw meel verdoet, uwe kleederen vuil maakt, en grys gelykt, eer gy oud zyt".

De Indianen gebruiken ook tot het zelfde einde een zeer ligt gevlakt blauw, het welk zy tapowripa noemen; maar dit heeft alleenlyk plaats, wanneer zy zig willen opschikken, en het blyft negen dagen op de huid. Zy maken dit van het sap van eene kleine vrucht, gelykende naar een kleinen appel, en groeiende aan den boom, tawna genoemd, en welke zy in water laten weeken; zy bedienen 'er zig van, om over hun geheele lichaam en aangezicht een zooit van beeldspraken te teekenen, waar van de grond altyd vierkant is. Dit smeersel zit zoodanig aan de huid vast, dat één van onze Officiers, die zulks niet gelooven wilde, uit aartigheid goedvond zig twee zeer groote knevels te laten schilderen, welke hy tot ons groot vermaak verpligt was een geheele week op Paramaribo te dragen; en hy moest den gewoonen tyd afwagten, op welken deeze kleur weggaat, om daar van geheel en al ontheven te worden.

De eenige kleeding, welke de Indianen hebben, bestaat in een zwart of blauw windzel van catoene lywaat, het welk de mans om hun midden dragen, en vry veel gelykheid heeft met het geen de Negers hun camisa noemen. Zy binden het om hunne lenden, en laaten het tusschen hunne beenen doorgaan; en dewyl het zeer lang is, hangen zy het einde over hunne schouders, of laten het agteloos over den grond sleepen. De vrouwen, hebben, in plaats van dit windzel, een zoort van voorschoot van catoene lywaat, met koraalen verciert, en by hun queiou genaamd. Dit voorschoot heeft maar een voet breedte tegen agt duimen hoogte; het is met franjen omboord, en met koorden van catoene draaden vast geknoopt. Schoon het zwaar is, maakt deeze kleinte het zelve niet zeer geschikt tot het oogmerk, waar toe het dienen moet. Verscheide vrouwen dragen ook een gordel van hair, waar aan zy van vooren en van agteren, een groote vierkante lap zwart catoene lywaat hegten, maar veel ligter en zonder sleep, zoo als de mannen aan hunne camisa hebben. Beiden dragen zy dit zoort van kleeding zeer laag; het geen hun het voorkomen van eene uittermaten lange gestalte geeft.

In de binnen landen gaan verscheiden Indianen van beiderleije kunne geheel naakt. De opschik der vrouwen bestaat, om in kleine gaten, welke zy zig in de onderlip maken, spelden te steken, en zelfs alle de spelden, welke zy zig kunnen aanschaffen, en waar van de punten haar, als een zoort van baard, op de kin hangen. Door dat zelfde middel hangen zy ook brokjes kurk-, of ander ligt hout aan hunne ooren. Zommige van haar steeken ook gaten in de huid van hunne wangen of neus, om 'er vederen in te plaatsen; maar dit is zeer zeldzaam. Het ongeschiktst cieraad in myn smaak is dat der jonge dogters van tien of twaalf jaaren oud, en bestaande in een zoort van catoene koussebanden, die om de enklauwen en beneden de kniën naauw zyn toegebonden, en altyd zoo blyvende, de kuit van het been ongemeen dik maaken, wanneer zy in haar groeijen zyn, en haar een lomp voorkomen geeven. Alle dragen zy ook gordels, windzels, armringen van koraalen van verschillende kleuren, of van schelpen, en van tanden van visschen: zy dragen die om den hals, de schouders en de armen; maar de laatstgemelde meestal boven den elleboog. De Indiaansche vrouwen hebben in 't geheel zeer weinig bevalligheid in haare gestalte; zy zetten de voeten binnewaarts, en haare opschik heeft slechts eene middelmatige aantrekkelykheid. Ik moet egter hier van uitzonderen de vrouwen van zekeren byzonderen stam, waar van ik in 'tvervolg spreken zal.

De cieraden der mannen bestaan in kroonen van vederen van verschillende kleuren, of in een zoort van draagband, gemaakt van tanden van tygers of wilde zwynen, welken zy als een teeken van hunne dapperheid en werkzaamheid dragen. De hoofden des huisgezins bedekken zig zomtyds met de huid van de eerstgemelde deezer dieren, met een zilvere plaat in de gedaante van een kruis vastgemaakt, het welk ze caracoly noemen. Zy steeken ook dikwils kleine brokken van dit zelfde metaal door het kraakbeen in het midden van den neus, of zomtyds een steen van eene groene of geele kleur. Alle deeze volken leven in de bosschen, by de Rivieren, langs de Zeekusten, en bewoonen kleine gehuchten. Hunne huizen of hutten, welke zy carbets noemen, zyn gebouwd, zoo als ik van die der Negers reeds heb opgegeven; maar in plaats van met bladen van Latanus-boomen bedekt te zyn, zyn zy bedekt met biezen, welke men hier tas noemt, en die by bossen op moerassige plaatsen groeien. Meer algemeen gebruiken zy hier toe troulies, een zoort van blaaden, aan den wortel der plant wassende, niet minder dan twintig of vier-en-twintig voeten lang, en twee of drie voeten breed zynde, welke geheele jaaren eene kragtdadige beschutting tegen het guur weder verschaffen.

De huisraad en gereedschappen der Indianen zyn zeer eenvoudig, maar tot hun gebruik voldoende: het zyn eenige potten van zwarte aarde, die zy zelve maaken; eenige calebassen of kauwoerden; eenige korven, welke zy pagala noemen; een steen om te malen, matta genaamd, en een anderen om hun cassaven-brood te bakken; een zoort van waijer, om het vuur aan te blazen; een houte stoel, mouly genaamd; een zeeft, mounary genaamd; een pers, matoppy genaamd, dienende om het vocht van de cassave uit te perssen; en eindelyk een catoene hangmat, waar in zy slapen.

Door hunne betrekkingen met de Europeanen, hebben zy bylen of messen, welken deeze aan hun bezorgen; en zy dragen de eerstgemelden altyd om hun midden even als dolken. Elk huisgezin der Indianen is ook van een groot vaartuig of kano voorzien, om alles, wat hy bezit, over te voeren, wanneer zy te water reizen, het geen zeer dikwils voorvalt.

De eenige plantgewassen, door deeze volken aangekweekt wordende, zyn de ignames, de plantain-boomen, welken ik reeds beschreven heb, en in 't byzonder de Maniok, waar van zy de cassave maken. De laatstgemelde plant is een zacht en grysachtig heestergewas, het welk omtrent drie voeten hoog opgroeit. Deszelfs bladeren zyn gevingerd, breed, en hangende aan steelen van eene kaneel-kleur. Deeze heesters zyn van tweërley zoort, door de benaaming van zoete en bittere onderscheiden. De wortels alleen zyn goed; zy zyn van een meelachtigen aart, en van een zeer zoeten smaak; en ten aanzien van kleur, grootte en gedaante, gelyken zy veel naar Europeesche witte wortelen. De zoete maniok, even als de groene plantains, onder heeten asch gebraden, en met boter gegeten, is een aangenaam en gezond voedzel, en heeft den smaak van kastanjes. Maar de bittere maniok, wanneer hy raauw is, is het doodelykst vergift, zoo voor menschen als beesten; en ondertusschen hoe vreemd dit ook schynen moge, wanneer hy door het vuur is gaar geworden, word hy een zeer heilzaam voedzel, en dient aan de Indianen van dit Land, zoo wel als aan de Europeanen en Negers, tot brood. Zie hier de manier, waar op de eerstgemelden de cassave gereed maken: eerst malen of raspen zy de wortels op de matta, of ruwe steen. Dit geraspte zetten zy vervolgens in een pers, om het sap van de meelachtige zelfstandigheid af te scheiden. Deeze pers is een zoort van zeer lange buis, van warimsbo, of gevlochten biezen, gemaakt; na dezelve met geraspte cassave gevult te hebben, hangt men die aan een boom, en maakt 'er van onderen een, stuk hout aan vast, welks zwaarte deeze buis uitrekt; terwyl de langzaam voortgaande drukking het vocht door derzelver openingen doet uitloopen. Deeze bewerking geëindigd zynde, geeft men aan het meelachtig gedeelte de ronde gedaante van een koek, welke men op een heeten steen laat bakken, tot dat dezelve bruin en geroost is; als dan is het een zeer gezond voedzel, het welk zes maanden lang bewaard kan worden. Men moet egter toestemmen, dat door deeze behandeling de smaak van dit zoort van brood zoetachtig en smakeloos word. Indien de slaven op de Plantagiën geene zorge droegen, om het aldus uitgeperst vocht van deezen wortel weg te werpen, zoude het vee en gevogelte 'er van drinken, het geen hen oogenblikkelyk zoude doen opzwellen, en in doodelyke stuiptrekkingen vervallen; en echter dient dit zelfde vocht, met geslacht vleesch en peper gekookt, om 'er soep van te maken. Men moet geen maniok-wortel tot voedzel nemen, zonder denzelven wel te kennen: verscheiden lieden zyn, zoo als ik zeker weet, vergeven geworden, door het een voor het ander te nemen. Het onderscheid tusschen de twee zoorten bestaat daar in, dat een houtachtig en ruw vezel, of een zoort van koord, dwars door den wortel van den zoeten of eetbaaren maniok loopt, terwyl de bittere of vergiftige maniok zulks niet heeft. De Indianen eeten ook acajou-nooten, en zy brengen ze dikwils te Paramaribo, alwaar men ze inginotto noemt. De pitten van deeze nooten, die, ten aanzien van de kleur en gedaante, naar lams-nieren gelyken, zyn uittermaten lekker. De acajou-nooten groeien aan boomen, welke men niet dan zeer diep binnen in 't land vindt, maar dewyl ik 'er geene gezien heb, kan ik 'er geene beschryving van geven.

De Indianen voeden zig ook met land- en zeeschildpadden en met krabben, welke zy syryca noemen, en welke men by laag water in meenigte langs de kusten van Guiana in het slyk vindt. Zy zyn 'er zeer heet op, gelyk ook op rivier-kreeften, welke zy sarosara noemen, en die in dit Land zeer overvloedig zyn; maar geen zoort van voedzel behaagt hun meer, dan de iguana, of de hagedis waijamaca, waar van ik reeds gesproken heb. Al wat zy eeten, is zoodanig met peper van Caijenne aangezet, dat een Europeaan het proevende den mond branden zoude. Zy gebruiken weinig of geen zout, en laaten hun wildt in den rook droogen, het geen het voor 't bederf bewaart. Indien een Indiaan verzuimt heeft, om door jagen of visschen levens-middelen te vergaderen, stilt hy zyn honger met het een of ander voortbrengzel der bosschen.

Deeze volken hebben verscheiden zoorten van drank, en onder anderen het sap van zekere vrucht, by hen coumou genaamd. De boom, die deeze vrucht voortbrengt, is een palmboom van het kleinste zoort. Deszelfs zaad is besloten in bessen van een blauw gevlakte kleur, die naar trossen gelyken, en wier vleesch aan een harde en ronde pit, als een pistool-kogel, lugtig aanhangt. Men laat deeze bessen in kokend water weeken en ontbinden: de inwooners van goeden smaak doen vervolgens suiker en kaneel in dit vocht, het welk hun dan tot drank dient, en zeer sterk de smaak van chocolaad heeft. Een andere drank, waar aan de Indianen den naam van Pivorry geven, is een mengzel van cassavebrood, door de vrouwen gekauwd, en in water uitgegist; het heeft de smaak van zoet bier (aile), en kan iemand dronken maken. Men vindt het dadelyk vreemd, dat menschen, van welken landäart ook, een drank kunnen drinken, welken een ander in den mond gehad heeft: maar zy, die de reizen van Capitain COOCK geleezen hebben, zullen zig herinneren, dat deeze gewoonte op de door hem ontdekte Eilanden mede plaats heeft, en dat, zoo hy zig daar niet naar geschikt had, hy derzelver inwooners zeer te onvreden zoude gemaakt hebben. Zyne Officiers echter vonden niet goed, om zig naar dit gebruik te voegen, en weigerden, om van deezen walgelyken drank mede te drinken. Het brood, van Turksch graan gemaakt, dient ook aan de inboorlingen van Guiana, om 'er een ander zoort van drank van te maken; zy kruimelen het, en laten het in water weeken, tot dat dit mengzel, even als het voorgaande, is uitgegist, en zy noemen het zelve chiacoar. Deeze volken hebben bovendien nog een vierde zoort, cassiry genaamd, waar van zy veel gebruik maken. Het is zaamgesteld uit ignames, cassave, zuure orange-appelen, en suiker of teriaak, in water wel geweekt en uitgegist zynde. Ik moet 'er byvoegen, dat alle deeze dranken, als men 'er te veel van gebruikt, dronken maken, het geen aan de Indianen, mans en vrouwen, dikwils gebeurd. Dan alleenlyk begaan zy ongeregeldheden, en ontstaan 'er twisten onder hen.

De taal der Indianen in 't algemeen gelykt veel, ten aanzien van de uitspraak, naar de Italiaansche. Hunne woorden zyn welluidend, en eindigen met een klinkletter, zoo als men uit de door my bygebragte zien kan. Tot hun Almanach hebben zy niets anders, dan een koord met knoopen. Hun speeltuig bestaat voor eerst in een zoort van fluit, toutou genaamd, van een zeer dik bies gemaakt, waar op zy geluiden doen hooren, die niet veel aangenaamer zyn dan het gebulk van een os, en zonder welluidenheid of maat. Eene andere fluit, door deeze volken quarta genoemd, (veel overëenkomst hebbende met het geen OVIDIUS noemt Syrinx, en eenige dichters het rietfluitje van PAN:) is gemaakt van eene verzameling van rieten, aan het eene einde van ongelyke grootte, en als de pypen van een orgel te zamen gevoegd. Om op deeze fluit te spelen, neemt men ze met beide handen, en brengt ze aan de lippen, alwaar men ze heen en weder draaiende, 'er een zoort van mateloos en helder geluid mede maakt, het welk voor niemand aangenaam is, dan voor deeze Indianen. Wanneer ik zoodanig één moedernaakt, in het midden van een boschjen, op zyn rieten fluitje hoor speelen, verbeeld ik my den God PAN te zien. Ik bezit tans ook nog eene fluit, welke zy van een been van hunne vyanden maken. Hunne dans, indien men 'er dien naam aan geven kan, bepaalt zig tot sprongen, tot slingeren op één been, en tot rond draaien in verschillende houdingen, tot dat hun hoofd duizelig word.

De Indianen zyn zeer gemeenzaam onder elkander, en komen dikwils in eene groote hut of carbet, die daar toe in ieder gehucht is opgericht, by elkander. Zy danssen, zy speelen daar, of vermaken zig met het hooren of doen van vertellingen van spooken, toovenaars, of het verhaalen van hunne droomen, terwyl zy tusschen beiden dikwils in een onmatig gelach uitbarsten. Zy scheppen groot vermaak in zig te baden, het geen zy twee of drie maalen daags doen, mans, vrouwen, jongens, meisjens, allen onder malkander; en by deeze partyen maken zy zig zelfs niet aan de geringste onvoeglykheid schuldig, het zy met woorden, het zy met daden. Zy zyn, allen zonder onderscheid, uitmuntende zwemmers.

De bezigheden der mannen zyn, zoo als ik reeds gezegd heb, weinig in getal: men kan ze in twee woorden uitdrukken, jagen en visschen; en zekerlyk zyn de Indianen op deeze beide oeffeningen meerder afgericht, dan eenig ander mensch, tot welk volk hy ook behoore. Tot de jagt bedienen zy zig van boogen en pylen, welken zy zelve maken; en van de laatstgemelde hebben zy verschillende zoorten, naar den verschillenden aart van het wildt, waar op zy ter jagt willen gaan. Hunne bogen zyn van het stevigste en hardste hout gemaakt; zy geven aan dezelve zes voeten, en polysten ze op het fraaist door middel van een steen: deeze bogen zyn gespannen met koorden van zyde-planten, en de greep is met catoen omwonden. Hunne pylen hebben doorgaans by de vier voeten lengte. Zy zyn van een zoort van zeer sterk en recht riet gemaakt, aan welks einde eene ligte roede van een voet lengte is vast gemaakt, om ze in evenwigt te houden, en zy zyn met een staale punt, of een vischgraat gewapend, welke altyd een weerhaak heeft. Zommige van de pylen deezer volken hebben een punt als die van een lans; andere zyn met dubbele en driedubbele weerhaken, en zoodanig in één gewerkt, dat zy in de wond blyven hangen, wanneer zelfs het hout weggenomen is; deeze zyn de pylen, waar van men zig voornamelyk voor het jagen en visschen bedient; want, schoon zy niet doodelyk zyn, zyn zy voor het wildt ongemeen hinderlyk, en door middel van een boey, welke men 'er aan vast maakt, dienen zy om de visch naar de oppervlakte van het water te trekken, en mitsdien om zoo wel de een als de ander te vangen. Deeze pylen zyn alle van vederen van zes of zeven duimen lang voorzien. Verscheide hebben in plaats van punten rond gemaakte knoppen, van de grootte van een kastanje; de Indianen bedienen 'er zig van om de papegaijen en kleine apen te bedwelmen en te doen nedervallen, waar na zy ze met de hand grypen; deeze dieren komen weder spoedig by, en men zend ze levendig naar Paramaribo. Zommige van deeze pylen, geschikt om de visschen te dooden, hebben de gedaante van een drietand, hebbende tot drie en zelfs tot vyf punten. De Indianen doopen 'er ook eenige, maar in een klein getal, in het vergift, wourara [27] genaamd, het welk eene verschrikkelyke en schielyke werking doet; maar wanneer zy vreezen, dat hun schot zoude mogen missen, bedienen zy zig van een ander zoort van pylen, die niet meer dan tien of twaalf duimen lang, uitermaten dun, en van de schors van zeer hard palmhout gemaakt zyn. In plaats van vederen, is dezelve met catoen omwonden, zoo veel als voldoende is tot het vullen van een holle buis, van een riet gemaakt, en by de zes voeten lang, waar in deeze Indianen met hun adem blaazen. Zy werpen deeze doodelyke werktuigen, op den afstand van veertig schreden, en op zulk eene zekere manier, dat het dier, het welk zy mikken, hun niet ontsnappen kan. De punt van deeze laatstgemelde pylen word ook in het vergift wourara gedoopt, het welk zulk een krachtig vermogen heeft, dat by den laatsten opstand, in de Volkplanting de Berbices voorgevallen, eene vrouw, die door eene deezer vergiftigde pylen ligt gewond was, niet alleen byna oogenblikkelyk stierf, maar dat zelfs een kind, het welk zy aan de borst had, schoon het door dit wreed wapentuig niet geraakt was, insgelyks overleed, vermits het slechts een oogenblik aan de borst zyner moeder, na dat deeze was gekwetst geworden, gezogen had.

De manier van visschen is by de Indianen byna dezelfde, als die, welke ik reeds ter gelegenheid van den post de Hoop beschreven heb. Zy maken een fuik van paalwerk, by den ingang van kleine kreeken en in laage gronden; zy dooden aldaar de visch met hunne drietandige pylen, of vergiftigen het water, door 'er wortels van hiary, in Surinamen den naam van tringy-youco of konamy dragende, in te werpen. Deeze wortel verdooft den visch; en in dien staat kan men hem met de hand grypen, terwyl hy op de oppervlakte van het water dryft. De Indianen dryven in deeze wortelen handel, en verzenden ze in meenigte naar de Plantagiën, en naar Paramaribo. Zie daar, welke, behalven het maken van hunne huisraad, cieradiën, en wapentuigen, by deeze volken de bezigheden der mannen zyn.

Ik moet ook niet vergeten, dat elke Indiaan ter zyner verdediging een knods draagt, welke men apoutou noemt, van het zwaarste hout uit het bosch gemaakt: dezelve is agttien duimen lang, aan de twee einden plat en vierkant; maar aan het eene einde veel zwaarer, dan aan het andere: in het midden is dezelve het dunst; hy is omwonden met zeer sterke draden catoen, dienende om hem met des te meerder vastheid aan te vatten, en door een zoort van stootplaat gedekt, om de voorhand te bewaaren. Door een slag met deezen knods, waar aan dikwils een puntige steen word vast gemaakt, slaat men iemand de herssens in. De Indianen van Guiana snyden dikwils op hun apoutou beeldspraakige vertooningen, en het getal der vyanden, welken zy gedood hebben. Om den steen aan deezen knods vast te maken, steekt men dien in den boom zelven, die het hout levert, terwyl die in zyn groei is; dezelve hecht zig daar aan als dan zoo vast, dat het niet mogelyk is 'er dien uit te trekken; vervolgens hakt men dit hout, om 'er het fatsoen aan te geven.

De vrouwen houden zig bezig, om de maniok, de bananen, de ignames, en andere wortelen te planten; zy maken de levens-middelen gereed, maken aarde potten, catoene hangmatten, armbanden, en manden of korven. De beste derzelve worden pagala genoemd; zy zyn van een dubbele rieten mat gemaakt, die den naam van warimbo draagt, en eene witte of bruine kleur heeft; en deeze dubbele mat is tusschen beiden met bladeren van tas of trouly gevuld, om ze voor de vochtigheid te beveiligen. Het dekzel is gewoonlyk veel hooger en breeder, dan de mand zelve; het gaat over de geheele mand heen, en maakt dezelve op die wyze nog sterker: de bodem rust op twee stukken hout, kruislings gelegd. De hangmatten zyn geweven; het geen veel moeite en tyd vordert; want men moet elke draad, één voor één, in de scheering steeken, byna op dezelfde manier, waar op men koussen weeft. Men legt vervolgens deeze hangmatten in eene verwe, van schorssen van boomen gemaakt, volgens de kleur, die men 'er aan geven wil.

De Indiaansche meisjes bereiken de huwbaarheid voor den ouderdom van twaalf jaaren, en zomtyds zelfs veel eerder. Men huwd ze op die jaaren uit. De geheele plechtigheid bestaat, ten aanzien van den jongman, daar in, dat hy aan de jonge dogter eene zekere hoeveelheid wildt en visch, door hem gevangen, aanbied; en, wanneer zy dit aanneemt, doet hy haar deeze vraag: "Wilt gy myne vrouw zyn"? Indien zy dit met ja beantwoordt, is de zaak klaar; en wanneer het huis en de huisraad gereed zyn, viert men de bruiloft door een feest, waar op men zig dronken drinkt. De zwangere vrouwen kramen zonder hulp, en met zoo weinig moeite en pyn, dat men haar schier ontheven zoude oordeelen van het vonnis, tegen de eerste moeder van het menschelyk geslacht uitgesproken. Zy verrigten alle de bezigheden van het huishouden en bedienen haare mannen op den dag van haare verlossing zelven. Hoe belachelyk en ongeloofbaar deeze gewoonte ook schynen moge, is het niet minder waar, dat de man in dat geval, geduurende meer dan een maand, in zyne hangmat leggen blyft, alwaar hy steent en zucht, als of hy zelf van een kind stond te verlossen; en geduurende al dien tyd, moet zyne vrouw hem zorgvuldig oppassen, en hem het beste voedzel geven. Dit zyn de Indianen gewoon te noemen genot van zig zelven te hebben, en van hunne vermoeidheid uit te rusten. Verscheiden van deeze volken beschouwen een plat voorhoofd als eene groote schoonheid, en zoo dra hunne kinderen geboren zyn, drukken zy derzelver voorhoofd plat, zoo als eenige wilden in het Noorden van America doen.

De Indiaansche vrouwen eeten niet met hunne mannen, en zy bedienen hun als slavinnen, het geen haar belet, om alle mogelyke zorge voor haare kinderen te dragen; deezen zyn echter steeds wel gesteld en sterk. Wanneer zy reizen, dragen zy dezelve in kleine hangmatten, die op één der schouderen hangen; het kind zit in dezelve, met de beenen, het één voor, het ander agter de moeder geplaatst.

Deze Indianen neemen sap van tabak, in plaats van een braakmiddel. Wanneer één van hun op sterven ligt, het zy van ziekte, het zy van ouderdom, (en dit laatste overkoomt hun meer dan het andere) bezweert de Peji, of Priester, den Yawahou, of duivel, te middernacht, door het roeren van een calebas, gevuld met steentjes, erweten, en koraalen, geduurende welke verrigting hy eene lange redenvoering doet. Het ampt van Priester is by deeze volken erffelyk; en, zoo als ik reeds gezegd heb, hy, welke dien post vervult, heeft de eerstelingen van alle zoorten van spyzen of dranken, en zelfs een gemakkelyker leven. Wanneer een Indiaan gestorven is, wascht men hem, wryvt hem met olie, en steekt hem in een zak van nieuw catoen; hy zit daar in, met de elleboogen op de kniën, het gezicht met de palm van beide handen bedekt, en al zyn krygs- of jagt-gereedschap word by hem gelegd. Geduurende deeze plechtigheid, doen zyne nabestaanden, zyne vrienden, zyne gebuuren, de lucht van een jammerlyk geschreeuw weergalmen, maar kort daar na drinken zy zig aan sterke dranken dronken, en spoelen dus hun hartzeer af, het welk niet voor het volgende jaar weder te voorschyn koomt. Deeze gewoonte heeft daar door eenige overëenkomst met die der Berg-Schotten, by het begraven hunner dooden. Op het einde van het jaar haalt men het lyk uit den grond; het vleesch is 'er dan van afgescheiden, en men verdeelt de beenderen onder de nabestaanden en vrienden; men volgt dezelfde plechtigheden, als de eerste keer; waar na de geheele buurt naar eene andere geschikte verblyfplaats zoekt. Eenige byzondere stammen van Indianen volgen nu en dan een verschillend gebruik. Na het lichaam van hunne overledene nabestaanden of vrienden in de zoo even beschrevene houding geplaatst te hebben, leggen zy het zelve in 't water, en laten het verscheiden dagen daar in. De visschen eeten 'er wel dra het vleesch af, en wanneer 'er niet meer aan is, haalt men het geraamte uit 't water, laat het in de zon droogen, en hangt het vervolgens van binnen aan het dak der hutten of carbets. Dit is het grootste bewys van teedere liefde en achting, welke men, by deeze volken, aan de dooden bewyzen kan.

Wanneer deeze Indianen te land reizen, neemen zy altoos hunne kano met zig, welke gemaakt is van den stam van een grooten boom, door middel van het vuur uitgehold. Dezelve dient hun dan tot het overbrengen van hun reistuig, wanneer zy moerassen doorwaden, of kreeken of rivieren over moeten; en is, even als zy zelven, geheel rood geverwd. Indien zy te water reizen, gaan zy doorgaans tegen den stroom, om het wildt, het welk zy op de boomen, of aan den oever zien, des te gemakkelykcr te kunnen dooden; indien zy met den stroom mede roeiden, zou de kragt van 't water hen noodzaaken om gezwind voort te gaan. Wanneer zy de zeekusten volgen, gebeurd het dikwils, dat eene golve hunne cano met water vult; maar in weerwil van dit ongeluk, lyden zy nooit schipbreuk. In zoodanig geval werpen zy allen, mans en vrouwen, zig oogenblikkelyk in het water; met de eene hand houden zy zig aan de kano vast, en met de andere maken zy dezelve met calebassen ledig.

Schoon de Indianen van Guiana zeer vreedzaame volken zyn, voeren zy echter zomtyds oorlog, eenvoudiglyk om gevangenen te hebben: de Europeanen zetten hen maar al te dikwils daar toe aan, om dezelven van hun te koopen, en 'er slaven van te maken; maar zy dienen niet meer dan tot eene uiterlyke vertooning, dewyl zy volstrekt weigeren te arbeiden: indien men hen mishandelt, en vooral indien men hen slaat, kwynen zy, teeren uit, en weigeren alle voedzel, tot dat zy eindelyk van verzwakking en smarte sterven.

De Indianen doen altyd hunne aanvallen midden in den nacht; hunne krygsverrigtingen gelyken meer naar die van een beleg, dan naar die van eenen veldslag; zy bestaan in het omcingelen der vyandelyke gehuchten, terwyl derzelver bewooners in diepen slaap liggen; in het gevangen nemen der vrouwen en kinderen van beiderleije kunne; in het dooden der mannen met hunne vergiftigde pylen, of in dezelven met hunne apoutous, of knodsen, de herssenen in te slaan. Zy ontnemen ook aan de laatstgemelden het hoofdhair, en brengen het als een zegenteeken t'huis, om het aan hunne kinderen en vrouwen te toonen, of zy verkoopen het aan de Europeanen op Paramaribo. In de vechteryen van twee partyen, maar die zeer zeldzaam onder hun voorvallen, zyn de boog, en met weerhaaken voorziene pylen, hunne voornaame aanvallende wapentuigen. Deeze raaken den vyand, en doen denzelven omkomen, op den afstand van meer dan zestig schreden. De ligtste vogel zelf in zyne vlugt, indien hy slechts de grootte van eene kraay heeft, kan hun niet ontsnappen.--De behendigheid van deeze volken, in alle hunne krygsoeffeningen, is zoo groot, dat de beste schutters, in de veldslagen van Crecy, van Poitiers en van Agincourt, voor hun zouden hebben moeten onderdoen.--Ik moet 'er nog byvoegen, dat wanneer deeze Indianen gaan oorlogen, zy eenen Generaal verkiezen, wien zy den titel van Outil geven.

De koophandel, welken de Indianen van Guiana met de Hollanders dryven, bestaat in ruilingen. Zy leveren slaven, waterkruiken, kano's en hangmatten, Brasilie-hout, hiary wortelen, kapellen, papegaijen, apen, copaiva-balsem, arracocerra-gom, oly van acajou-noten, en arnotta; waar voor zy wederkeerig ontfangen gecouleurde stoffen, snaphaanen, kruid, bylen, messen, scharen, glaswerk, spiegels, visch-haaken, kannen, naalden, spelden, enz. De copaïva-balsem druipt van de schors van eenen dikken boom, die zeer verre binnen in het Land groeit, welks bladeren breed en puntig zyn, en die eene vrucht draagt, als een komkommer. Deeze gom is geel, hard, doorschynend, en naar amber gelykende. Wanneer men ze ontbindt, geeft ze een aangenaame geur van zig, en dient tot een water-afdryvend middel, en tot een vernis. De gom, aracocerra genoemd, loopt uit een boom, die men insgelyks in het binnenste des lands vindt. Zy is geel, gelyk de eerstgemelde, maar zwaar, en zacht in het aanraken: derzelver reuk is ook veel geuriger. De Europeanen en Indianen waardeeren dezelve zeer, uit hoofde van haar krachtig vermogen tot geneezing van wonden en andere kwaalen. De caraba, of oly van acajou-noten, word op deeze wyze gemaakt: men klopt, stampt en kookt de pitten, welke men uit de hoekachtige en bruine vrucht haalt, groeiende aan een boom van denzelfden naam, die de gedaante van een goeden kastanje-boom heeft. Deeze oly is bitter. De Indianen bedienen 'er zig van, om 'er het lyf mede te besmeeren, en de Europeanen gebruiken ze tot verschillende einden. De boom, wiens bladeren naar die van den laurierboom gelyken, groeit tot de hoogte van meer dan vyftig voeten; maar dewyl ik denzelven, noch ook de twee eerstgemelden, niet gezien heb, kan ik 'er niet meer van zeggen. De Mawna-boom is hoog, recht, en van een helder bruine kleur; deszelfs bladeren zyn eirond, en de noten gelyken naar muscaat noten; maar zy hebben 'er de geur niet van. De gom loopt uit den stam door insnydingen, welke men 'er in maakt; de Indianen laaten dezelve in water ontbinden, en, zoo als ik reeds gezegd heb, zy mengen die onder de arnotta, om zig te beschilderen. De Palma-Christi by de kruidkundigen onder den naam van Ricinus, of den Wonderboom, bekend, is een heester van omtrent vier voeten hoog. Hy is recht op geschoten, en met breede gevingerde bladen bedekt, hangende aan lange steelen, en zulks zoo wel de stam, als de takken. Deeze heesters zyn van tweederley zoort, roode en witte. Zy brengen driehoekige nooten voort, zittende in groene schillen, die bruin worden, en afvallen, wanneer de vrucht ryp is. Men perst uit deeze noten de oly, aan welke men in Surinamen den naam geeft van carapat. Derzelver smaak gelykt veel naar die van olyf-olie.

Onder alle de Indiaansche volken, onderscheiden zig de Caraïben door hun getal, werkzaamheid, en dapperheid. Zy woonen grootendeels naar den kant der Spaansche bezittingen, die zy dikwils ontrusten door een geest van wraakzucht over de wreedheden, omtrent de volken van Mexico en Peru, welken de Caraïben als hunne voorvaderen beschouwen, door deeze Europeanen zynde gepleegd geweest; zy hebben een Capitain aan hun hoofd, en verzamelen zig by elkander op het geluid van een zeeschelp; dikwils leveren zy ook slag aan de Indianen uit hunne nabuurschap; maar eene byzonderheid, die schier ongelooflyk schynt, en sterk is tegengesproken geworden, steldt hen beneden alle de andere volken van het vaste Land; zy zyn Cannibalen, of menschen-eeters. Dit is ten minsten zeker, dat zy hunne vyanden eeten, wier vleesch zy met de gretigheid van een gier inslokken, schoon men in algemeen vooronderstelt, dat zy daar toe meer door wraakzucht, dan door een bedorven smaak, gedreven worden.

De Accawaus-Indianen zyn weinig in getal, en van de zee-kusten meer af gelegen, dan de eerstgemelden. Zy leven in goede verstandhouding met de Hollanders; maar zy zyn valsch, en weeten een langzaam vergift te bereiden, het welk zy onder hunne nagels verbergen. Hunne hutten zyn omringd met staketzels, van palen gemaakt, waar van de punten ook vergiftigd zyn.

De Worrows-Indianen, zoo zy niet de wreedsten zyn, mogen ten minsten voor de verachtelyksten van alle de Indianen in Guiana gehouden worden. Zy woonen langs de Orenoco, tot aan de Volkplanting van Surinamen. Hunne kleur is onaangenaam en bleek. Zy zyn wel sterk, maar kleinmoedig. Hunne natuurlyke vadzigheid en hunne elende, een gevolg van hunne gevoelloosheid, is zoo groot, dat zy naauwlyks zoo veel hebben om die deelen te bedekken, welke de schaamte gebiedt te verbergen, en dat zy zig daar toe dikwils van den schors van een palmboom in plaats van linnen bedienen. Zomtyds gaan zy geheel naakt, en geven een ondraaglyken stank van zig. Hunne luiheid noodzaakt hen den meesten tyd, om alleen van wilde vrugten te leven, en niets dan water te drinken. Het moge vreemd dunken, wanneer men zegt, dat dit volk wel te vreden is; maar men moet begrypen, dat deszelfs verlangen zig tot deeze genietingen bepaalt, en dat men nooit een Indiaan hoort klagen, dat hy ongelukkig is.

De Tajiras bewoonen ook de zeekust, tusschen de Volkplanting van Surinamen, en de Rivier der Amazonen; hun getal is het meest aanzienlyk; men berekent ze op byna twintig duizend zielen in deeze bezitting alleen. Deeze Indianen zyn vreedzaam; maar zeer ongevoelig, en in veele opzigten gelyken zy naar de Worrows.

De Piannacotaus leven zeer verre in de binnen landen, en zyn vyanden van de Europeanen, met wien zy weigeren te handelen, of in de minste betrekking te staan. Dit kan ik 'er bovendien van zeggen, dat zy alle de Christenen in Guiana vermoorden zouden, indien zy 'er de magt toe hadden.

De eenige Indiaansche natie in dit Land, die my nog staat op te noemen, is die der Arrowouks: ik verkies dezelve boven alle anderen;--maar dewyl dit hooftstuk reeds vry lang geworden is, zal ik 'er by eene andere gelegenheid van spreken. Ik stap derhalven voor een oogenblik af van dit gelukkig volk, het welk noch van onderscheidingen van rang, noch van verdeelingen van landen, de bronnen van wanorde en twist by de verlichtste volken, eenige kennis heeft. Dit zelfde volk weet, in deszelfs gelukkig Land, alwaar groente en bloemen zig onophoudelyk vertoonen, in 't geheel niet wat behoefte en moeite is. De wenschen van hun, die deeze volken uitmaken, zyn bepaald, maar altyd voldaan. Deeze gelukkige Indianen hebben, met het denkbeeld van een toekomend leven, geene de minste ongerustheid over deeze toekomste, en sterven in vrede. Men kan van hun, naar de letter, zeggen, dat zy dikwils niet op den dag van morgen denken; maar met hun dit zoort van ontkennend geluk toe te staan, beweere ik egter niet, dat het zelve voor een Europeaan benydens-waardig is.

Om een naauwkeuriger denkbeeld van de wapenen, huisraad, werktuigen, en onderscheidene cieradiën der Indianen van Guiana te geven, verwyze ik den lezer naar de daar van gemaakte afteekening. Zie hier de lyst der dingen, die daar op vertoond worden. [28]

1. Eene Coriola, of Indiaansche kano, doorgaans van den stam van een boom gemaakt. 2. Een Pagaije, of roei-riem. 3. Een zeeft, manary genaamd. 4. Een Indiaansche blaasbalg, of way-way. 5. Een stoel, of zitbank, mouly genaamd. 6. Een korf, of pagala. 7. Een pers voor de cassave, matapy genaamd. 8. Een Indiaansche boog. 9. Een pyl om de visch te dooden. 10. Een pyl met een ronde knop voor de vogelen. 11. Een gewoone pyl met weerhaken. 12. Een kleine vergiftigde pyl. 13. Een pyp of fluitje, waar door men blaast, om de pylen te doen afgaan. 14. Een kroon van verschillende vederen. 15. Een voorschoot, queiou genaamd. 16. Een Indiaansche aarde pot. 17. Een Indiaansche knods, of apoutou. 18. Een catoene hangmat. 19. Cieradiën, van tanden van tygers, of wilde zwynen gemaakt. 20. Een toover-schelp, of calebas. 21. Een Indiaansche fluit, tou-tou genaamd. 22. Een fluit, van het been van een vyand gemaakt. 23. Een Indiaansche fluit, quarta genaamd. 24. Een steen, om de maniok te malen, genaamd matta.

ZESTIENDE HOOFTSTUK.

Versterking van krygsvolk, uit Holland aangekomen.--De Goijava-boom, en deszelfs vrucht.--Legerplaats by Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek.--Verschillende zoorten van Aapen.--Een zeer maanzieke Neger.--Eekhoorntje van Guiana.--Verscheidene zoorten van boomen.--Hagedissen. --Bergen van mynstoffen voorzien.--Treffelyke gezichten. --De Roucou-boom.--Fraaije Kapel.--Palmboom-worm.

Ik keere tans tot de krygs-verrigtingen van den Colonel FOURGEOUD te rug. Ik heb reeds gezegd, dat men nieuw krygsvolk wagte, om ons zwak en elendig leger te versterken; en den 30sten. January 1775, ontfing men te Paramaribo de tyding, dat het transport-schip Maasstroom, Capitain LEG, in de Rivier Surinamen was binnen geloopen, en voor het Fort Amsterdam het anker geworpen had; twee divisiën van honderd twintig mannen, onder bevel van den Colonel SEYBOURG, aan boord hebbende: en men verwagtte nog twee andere.

Des anderen daags zakte ik de Rivier met eene kleine roeischuit af, om deeze nieuw aangekomenen te gaan verwelkomen. Ik hield het middagmaal aan boord met de Officiers, waar na men het anker ligte, en ik voer met hun schip mede tot het Fort Zelandia, alwaar het aan den wal ging leggen en door eenige kanon-schoten begroet wierd. Ik had het genoegen, om onder de Officiers mynen ouden Hoog-Bootsman, den Vaandrig HESSELING, te vinden, dien wy aan de Helder hadden agtergelaten, aan de kinderziekte gevaarlyk ziek leggende, wanneer wy uit Texel zeilden. Deeze jongman, die tans met den rang van tweeden Lieutenant by ons was, was zedert zyne herstelling aller ongelukkigst geweest. Zyne reize naar Surinamen hebbende willen voortzetten, ging hy aan boord van een schip, het welk in de baay van Biscaije eenen storm beliep, en na kaap Finisterre te zyn voorby gezeild, zyne gangen en roer verloor: dit zelfde schip verloor vervolgens ook nog zyn fokke-mast en steng. In deezen kommerlyken staat, en geen wind genoeg hebbende, om Lissabon te bereiken, was hy verpligt het op Plymouth aan te zetten. Van daar begaf zig de heer HESSELING aan boord van eene kleine sloep, met kolen geladen, en waar op hy niet gelukkiger was; want door onachtzaamheid van den schipper, stootte dit schip op rotzen, waar door de kiel los geraakte, en het schip dadelyk zonk. De heer HESSELING had echter, eer de sloep verging, den tyd om zyn maal te openen, en 'er zyn linnen, en eenige der noodzakelykste goederen uit te nemen, vervolgens ging hy in een slecht vaartuig over, en kwam eindelyk te Brest aan. Hy ging aldaar spoedig scheep naar Amsterdam op een Hollandsch schip, waar van de schipper niet veel bekwaamer dan de voorgaande was, en zyn schip op het drooge liet loopen, alwaar het byna aan stukken stootte. De heer HESSELING kwam nochtans gezond en behouden te Texel aan, alwaar hy tweemaalen te vergeefs moeite deed, om zig naar Zuid-America in te schepen. Hy slaagde eindelyk daar in, en op zynen tocht had hy zulk een zwaaren storm, dat alle de sloepen, schapen, varkens en gevogelte door de zee verzwolgen wierden.

By het aankomen van dit nieuw krygsvolk, noodigde de Colonel FOURGEOUD de Officiers op het middagmaal, en deed hun niets anders dan gezouten ossen- en varkens-vleesch, en oude erweten, voorzetten. Ik had de eer, om mede aan deezen disch te zitten, en het vermaakte my zeer te zien, met hoe veel verwondering de Colonel en zyne tafel door de gasten wierd aangekeken. Des avonds geleidden wy hen naar den Schouwburg, alwaar men den dood van CESAR, en CRISPYN den Doctor, vertoonde: het eerste van deeze stukken wierd gespeeld op eene manier, die zoo wel als het tweede deed lagchen. Des anderen daags hield de Gouverneur ons des middags en des avonds ten eeten. Zyne tafel schitterde van rykdom en pracht. Onze nieuwe medgezellen waren over deeze kostbaarheid zoo zeer verwonderd, als zy het des avonds te vooren over de karigheid van den Colonel geweest waren.

Op deeze maaltyd eenige ingelegde vruchten, waar onder de guava was, ontmoet hebbende, zal ik deeze gelegenheid waarnemen, om 'er iets van te zeggen. De Guava-boom, die deeze vrucht voortbrengt, groeit tot de hoogte van vier-en-twintig voeten. Deszelfs schors is van een heldere kleur, en het hout tusschen beiden; maar de vrucht, die geel en eyrond is, en ten naasten by de grootte van een renet-appel heeft, bevat een roodachtig vleesch, vol kleine zaden of korrels. Dit vleesch is van een zeer zoeten smaak, en men kan het rauw eeten; men maakt 'er ingelegde geley van, die ongemeen lekker is. 'Er zyn tweërleije zoorten van guavas: de zoetsten bevatten het minste zaad.

Den 3den February wierd het krygsvolk, het welk ontscheept was, naar het bovenste gedeelte van de Commewyne gezonden, om zig aldaar neder te slaan. Ik spreek egter alleenlyk van de soldaten, want de meeste Officiers bleven, om een festyn aan het huis van den heer MARCELLUS by te woonen. Deeze Colonist, om aan de maaltyd luister by te zetten, deed door een half douzyn Negers op trompetten en jagthoorns blazen, tot dat eindelyk het geheele gezelschap door dit geraas verdoofd was.

Den 6den, ontfing de geheele krygsbende, zonder onderscheid, bevel om Paramaribo te verlaten, en op den Maagdenberg, aan de Tempaty-Kreek gelegen, dicht by dat gedeelte van de Commewyne, werwaarts men, den 3den, de nieuw aangekomene manschappen gezonden had, te gaan legeren. Dienvolgende alles tot een vierden veldtocht hebbende gereed gemaakt, nam ik afscheid van myne kleine familie, en van myne vrienden, en ik ging naar den oever, alwaar ik my in het zelfde vaartuig, als de Colonel SEYBOURG, moest inschepen: maar deeze, te onrecht vooronderstellende, dat het krygsvolk, met hem uit Holland gekomen, eene bende uitmaakte, van die van den Colonel FOURGEOUD afgescheiden, gaf last aan de Negers om voort te roeijen, op het oogenblik, dat ik niet verder dan een pistoolschoot van hem afwas, en liet my, ten uitersten daar over verwonderd, aan den wal staan. Ik wist, dat de Colonel FOURGEOUD gezworen had, dat hy deezen Officier tot gehoorzaamheid zoude noodzaken, zoo wel als den jongsten Vaandrig van het Regiment, en daar in had hy volmaakt gelyk. Een ander vaartuig genomen hebbende, haalde ik den Colonel SEYBOURG in, die over deeze myne daad zeer verwonderd scheen, en wy kwamen te gelyker tyd op de Plantagie Vossenburg, aan de Commewyne. Des anderen daags bereikten wy de Plantagie Arentslust, na de zwaare vaartuigen, die den 3den Paramaribo verlaten hadden, te hebben agtergelaten. Den 10den, kwamen wy aan de Hoop, alwaar ik bevorens verscheiden maanden had doorgebragt. Ik voege hier by eene afteekening van het gezicht deezer Plantagie, en van den post Klarenbeek, alwaar ons Hospitaal steeds bleef. De Colonel FOURGEOUD vertrok ook den zelfden dag als wy, en sliep op Wajampibo.

Den 11den, kwamen wy op de Plantagie Crawassibo, alwaar wy den nacht doorbragten. De Opzigter van deeze Plantagie dreef aldaar zyne onbeschoftheid tot die hoogte, dat ik, die reeds tegen al dit zoort van lieden was vooringenomen, hem een frisschen vuistslag in 't aangezicht gaf. Hy rekende zig daar door zoo beledigd, dat, schoon hy vry wat bloedde, hy zig met een enkelen Neger in een kano begaf, en in dien staat te middernacht op 't alleronverwagtst voor den Colonel FOURGEOUD verscheen, die in plaats van zyne klagten te beantwoorden, hem al vloekende wegjoeg.

Den 12den kwamen wy op Maagdenberg, te weten, de Colonel FOURGEOUD, de Officiers en de vaartuigen met zee-soldaten beladen. Zedert dat wy de Hoop verlaten hadden, wierden de Plantagiën zeldzaamer, en na dat wy die van Goed-Accord, welke tien of twaalf mylen verder ligt, voor by waren, zagen wy geene bebouwde landen meer. De muitelingen hadden, zoo als ik reeds gezegd heb, alle de Plantagiën, die hooger op lagen, verwoest, uitgenomen eene kleine bezitting, zoo ik meen, Jacob genoemd, alwaar men Negers hield, om hout te hakken. De Rivier word boven Goed-Accord zeer naauw, en is van wederzyden door ondoordringbaare heesterstruiken bezet, even als de Cottica, tusschen Devil's Harwar en de Patamaca-Kreek. De Tempaty-Kreek, welke men als den oorsprong van de Commewyne kan aanmerken, vernaauwde zig op gelyke wyze zeer sterk. Maagdenberg, liggende honderd mylen van Paramaribo, was voor deezen eene Plantagie; maar 'er zyn aldaar geene andere overblyfzels van bebouwing, dan een oude oranje-boom: deeze plaats geeft thans niets meerder dan een dor en woest gezicht.

Wy zagen hier en daar kleine schelpen verspreid, die het voorkomen hadden van die geene, welke men de moeder der peerlen noemt, en ten naasten by zoo groot waren als een Engelsche, schelling. Men vindt in verscheiden gedeelten der Volkplanting van Surinamen, voetstappen van bergwerken en mineraalen. De yzer-mynen zyn 'er gemeen; en ik twyffel niet of men zoude 'er ook goud en zilver ontdekken, indien de Hollanders 'er de noodige kosten toe wilden doen, en daar toe onvermoeid lieten arbeiden. Ik heb reeds gesproken van den diamant van Maroni, en van de roode en witte agaat, in het bovenste gedeelte der Rivier van Surinamen.

De lucht was zuiverder en frisscher, en gevolgelyk veel gezonder op Maagdenberg, dan in eenig ander gedeelte deezer Volkplanting.

Den 17den, vernamen wy, dat het transportschip de Maria Helena, hebbende twee andere divisiën van honderd twintig mannen aan boord, onder bevel van den Capitain HAMEL, den 14den deezer maand in de Rivier Surinamen mede was binnen geloopen: dus bestond de geheele versterking in twee honderd en veertig man, die den 3den Maart in vaartuigen op Maagdenberg aankwamen, alwaar de geheele krygsmagt van den Colonel FOURGEOUD zig toen by den anderen bevond. Den zelfden dag kwamen 'er ook honderd Negerslaven aan, die bestemd waren om op onzen tocht de pakken te dragen. Een van deeze Negers aan boord van één der vaartuigen vermist wordende, wierd de bevelhebbende Officier, genaamd CHATEAUVIEUX, en een schildwacht, welken men met bloed besmet vond, in arrest genomen, om als beschuldigden van eene moord gevonnisd te worden. Deezen zelfden dag hadden twee van onze Capitains een tweegevecht, en één van hun wierd aan het voorhoofd gewond.

Den 13den, vond een vaartuig, met mondbehoeften geladen, van Paramaribo komende, den Neger, die den 5den vermist was; hy lag aan den waterkant in de heesterstruiken, zynde in de strot gestoken, maar nog levend, vermits de steek de lugt-ader niet geraakt had. Het vaartuig nam deezen ongelukkigen op, en bragt hem te Maagdenberg, alwaar door een bekwaam Heelmeester, den heer KNOLLAERT, de wond wierd toegenaait, en deeze man op eene wonderbaarlyke wyze herstelde, schoon hy negen dagen zonder voedzel en zonder hulp gebleven was, in zyn bloed badende.

In de daar aan volgende week verloor ik byna door een toeval het leven. Zie hier de zaak. De Colonel FOURGEOUD gebruikte twee Negers van de Plantagie Goed-Accord, om voor hem te jagen en te visschen. Een van hun, PHILANDER genaamd, stelde my voor, om hen in de bosschen te vergezellen, alwaar wy eenige pingos, of eenige powesas zouden kunnen ontmoeten; maar wy hadden nog geen twee mylen afgelegd, of wy wierden door eenen geweldigen slagregen overvallen, die ons noodzaakte om dit ontwerp te laten varen, en op den hoek lands, Jacob genaamd, de wyk te nemen. Om daar te komen, moesten wy een moeras doorwaden, zoo diep dat wy het water tot onder de armen hadden. PHILANDER (de schoonste manspersoon, dien ik immer gezien heb,) begaf zig tot zwemmen, en zyn medgezel van gelyken. Zy kliefden het water alleenlyk met de eene hand; met de andere hielden zy hunne jagt-geweeren in de hoogte. Zy noodigden my om hen daar te volgen, zoo als ik ook deed, niets anders dan myn borstrok en broek aan hebbende; maar na het maken van eenige bewegingen, zonk ik met myn snaphaan naar den grond. Ik liet hem daar, en weder boven water komende, verzogt ik PHILANDER te duikelen, en den snaphaan van den grond te haalen; toen lag hy de zyne op een Palmiet boom, en haalde vervolgens de myne zonder moeite. Op dit oogenblik hoorden wy een donderende stem uit het midden der doornstruiken roepen:--"qui somma datty? en door een ander, Souto, Souto da BONNY kiry da dago? Wie is daar? geef vuur! 't is BONNY! slaat den schelm dood!" Ons oprichtende, zagen wy vyf of zes snaphaanen, op eenen korten afstand op ons aangelegd. Ik duikte dadelyk onder water; maar PHILANDER geantwoord hebbende, dat wy tot den post van Maagdenberg behoorden, veroorloofde men ons, om één voor één naar de Plantagie Jacob te gaan. Zy, die ons gezien hadden, waren Neger-slaven, die in 't water hoorende roeren, naar den kant, van waar dit gerucht kwam, keeken, en drie gewapende mannen in het moeras ontdekten. Zy geloofden, dat het de muitelingen waren, die voorwaarts trokken, onder geleide van BONNY zelven, voor wien zy my aanzagen, om dat ik byna naakt, en myn lichaam door de zon verbrand was; myne hairen, die kort en gekruld waren, deeden my naar eenen Mulat gelyken. Na een weinig rhum gedronken, en onze kleederen voor een goed vuur gedroogd te hebben, keerde men naar Maagdenberg te rug, alwaar men my geluk wenschte met aan dit gevaar ontsnapt te zyn.

De Colonel FOURGEOUD toen van eene versterking van versche manschappen voorzien zynde, deed, den 9den, alle zyne verminkten naar Holland inschepen. Myn vriend HENEMAN vertrok ook, den 6den February, naar dit zelfde Land, in eenen aller elendigsten staat.

Op den zelfden bodem, als deeze jongman, bevonden zig verscheide andere Officiers, die gedwongen waren te vertrekken, niet door ziekte, maar door afkeer en mismoedigheid, welke de onrechtmatige behandeling van den Colonel, die, zoo als ik op het einde van het tiende hooftstuk gezegd heb, hunne bevordering had tegengehouden, aan hun veroorzaakte. Zy hadden gezien, dat jongelingen, die nog ter school gingen, wanneer zy zelven in 't jaar 1772 reeds in dienst der Volkplanting waren, aan hun wierden voorgetrokken. Die geenen, welken de Colonel, den 6den December 1774, in arrest had doen zetten, om in Holland gevonnisd te worden, wierden op het zelfde schip gebragt. Dit schip was niets anders dan een hospitaal, maar zeer slecht van ververschingen voorzien.

Den 21sten, deed de Colonel met genoegen de monstering van zyn klein leger, en het smertte my zeer de Neger-Jagers daar niet by te zien. De eerste zorge van den Bevelhebber was vervolgens, om eene wacht aftezenden, tot het bespieden der omleggende streeken van zyne nieuwe legerplaats, en ik had de eer daar toe te behooren. Geduurende deezen kleinen tocht viel 'er niets merkwaardigs voor, dan het ontmoeten van eene groote meenigte Coïatas (quoata in Guiana, quatto in Surinamen, chameck in Peru genaamd) zynde een zoort van aapen, die zeer veel opmerking verdienen, uit hoofde van hunne overëenkomst met den mensch, eene hoedanigheid, welke ik niet met stilzwygen mag voorby gaan. Op zekeren avond met mynen kleinen QUACO buiten de legerplaats wandelende, naderden deeze aapen van zeer naby, om ons te bekyken, en zy wierpen kleine stukjens hout, en hunne vuiligheid naar ons toe. Wy bleven staan, en ik konde hen gemakkelyk waarnemen. De Coïata is zeer groot, en zyne staart ongemeen lang. Zyne armen en beenen zyn met lange zwarte hairen bedekt, het welk een zeer onaangenaam gezicht maakt. De huid van zyn aangezicht is rood, en zonder hair, de oogen zyn ingedoken, en ten dien opzigte gelykt hy niet kwalyk naar een oud Indiaansch wyf. Zyne ooren zyn kort; zyne handen of voorpooten hebben vier vingeren en geene duimen; maar de agterpooten hebben vyf toonen, allen met zwarte nagels. Het uiteinde van zyne staart is krulswyze gedraait; zy is zonder hair en eeltachtig, vermits hy 'er dikwils gebruik van maakt, om aan de takken der boomen te blyven hangen, en dan dient zy hem tot een vyfde lid. De gezwindheid, waar mede de Coïata van de eene boom op de andere overgaat, is wonderbaarlyk; maar ik heb hem niet zien springen. Het schynt, dat deeze eigenzinnigheid, om kleine stukjens hout, en vuiligheid te werpen, slechts eene naarbootzing van de bewegingen der menschen is; want hy doet het altyd in 't wild, en heeft de behendigheid noch kragt niet, die 'er noodig zyn, om het door hem gemikte voorwerp te raken; en zoo dat al gebeurt, het is by louter toeval. Maar in de Coïata is dit zeer merkwaardig, dat zoo dra hy door een snaphaanschoot of pyl gewond is, hy aanstonds zyn poot op de wonde legt, zyn bloed ziet vloeijen, en met behulp van zyne medemakkers, boven op den boom klimt, een droevig geschreeuw makende. Hy maakt zig aldaar met de staart aan een tak vast; en gaat voort zyn lot te betreuren, tot dat hy, door het verlies van zyn bloed verzwakt, voor de voeten van zynen vyand dood nedervalt. [29]

Het is niet verwonderlyk, dat deeze aap, wanneer hy gewond is, door de dieren van zyn zoort geholpen word, om op den top van eenen boom te klimmen; maar dat zy kennis genoeg van de kruidkunde hebben zouden, om de wond-planten uit te zoeken, te kaauwen, en op den wond te leggen, dit is iets het geen ik niet gelooven kan, schoon zeker reiziger het nog onlangs verzekerd heeft. Betreffende de hulp, welke zy elkander toebrengen, om over een Rivier te komen, en die daar in bestaat, dat zy de staart van den één aan den ander vastbinden, tot dat de laatste van de reije zig van boven van een tak van een boom geworpen heeft, hoe groote achting ik ook heb voor ULLOA, die dit verhaalt, en die zulks in eene plaat vertoond heeft, durve ik echter, dewyl hy 'er geen ooggetuige van geweest is, hier aan twyffelen, en zelfs aan hem, die beweert het zelve gezien te hebben. [30]

Ik moet ook nog spreken van een anderen aap, dien ik by den Colonel FOURGEOUD zag, en wien men in Surinamen den naam van Wanacoe geeft. Hy is met lange zwarte hairen bedekt, even als de Coïata, maar zyne ledematen zyn veel korter, hairachtiger, en zyn aangezicht is van eene vuile witte kleur: deeze aap is de eenige van zyn zoort, die voor geen maatschappelyk leven is; men vindt hem altoos alleen. Dit eenzaam dier word door de aapen van andere zoorten zoo veracht, dat zy hem by aanhoudenheid slaan, en hem zyn voedzel ontsteelen; hy is al te langzaam om hun te ontsnappen, en al te lafhartig, om hen te bevechten.

De Saki-winki is de kleinste van de aapen met lange hairen, en misschien van die van Guiana, zoo niet van de geheele weereld; want hy is niet veel grooter dan een Noorweegsche rot.

Deeze aap is een allerliefst diertje, hebbende gekruld en zwart grys hair, een aangezicht van eene witte kleur, en zeer schitterende oogen. Zyne ooren zyn breed en kaal, maar weinig zichtbaar, zynde bedekt door een baard, die hem rondom het aangezicht groeit; zyne pooten gelyken naar die van een eekhoorntje; zyne staart is dik en met ringen. Hy is zoo vatbaar voor de koude, dat men hem naauwlyks levendig in Europa brengen kan, en dat hy, aldaar aankomende, gaat kwynen en sterft. De Hollanders noemen hem chagryntje, om dat hy zig ligtelyk aan treurigheid overgeeft. Ik heb de groote Coaïta, en de kleine Saki-winki op de nevensstaande plaat afgeteekend, ten einde myn penceel de onvolmaaktheid van myne pen mogt aanvullen.

By myne te rug komst op Maagdenberg, wierd ik door eenen zwaaren boom, die van ouderdom voor myne voeten nederviel, byna verpletterd. Dit toeval gebeurt in de bosschen van Guiana meenigmaal, en zelfs wierden twee of drie zeesoldaten op die wyze, maar ligtelyk, gewond. Geduurende al den tyd, dat onze ronde duurde, hadden wy veel regen, en doorwaadden eene kleine Kreek. Wy hakten een palmboom om, die aan den waterkant stond; hy viel aan de andere zyde over, en diende ons alzoo tot een brug.

Te rug gekomen zynde, ging ik den ongelukkigen Neger bezoeken, dien men met een steek in de strot gevonden had, en die op dit oogenblik vry wel hersteld, en in staat was, om te kunnen spreken. Hy verklaarde my, dat hy zig zelf zoodanig verminkt had. Ingevolge deeze verklaaring, wierden de Officier en de schildwacht, welken men verdacht gehouden had, oogenblikkelyk weder in vryheid gesteld. Ik vroeg deezen man, welke reden hem had kunnen bewegen, om zig zelven te willen van kant maken? Hy antwoordde my:--Geene hoe genaamd.

"Ik heb, zeide hy my, ik heb den besten meester, en de beste meesteresse van de weereld; ik heb eene familie, welke ik bemin, en die my bemint. Ik had den geheelen nacht, tot vier uuren des morgens, sterk geslapen, toen ik, ontwakende, het mes nam, om met de punt myne tanden schoon te maken, en op 't oogenblik stak ik my in den strot, zonder te weten waarom. Een oogenblik daar na had ik berouw over 't geen ik gedaan had. Ik stond toen uit myne hangmat op, en ging in de kano, om my te wasschen, en de wond, zoo mogelyk, toe te maken. Gebukt hebbende, om water te scheppen, en by aanhoudenheid veel bloed kwyt raakende, stortte ik in eene flaauwte, en viel in de Rivier. Toen had ik geen kracht meer, om my op te richten, noch zelfs om hulp te roepen. Echter gelukte het my, na veele pogingen, den oever der Rivier te bereiken, alwaar ik op nieuw flaauw viel, en alleen bleef leggen, tot op het oogenblik, dat het vaartuig, het welk naat Maagdenberg ging, my aan boord nam. In al dien tusschentyd, die negen dagen duurde, bleef ik volkomen by myne kennis, en zag een Ouarini, (mier-eeter,) die aan het bedorven bloed, het welk ik rondom den hals had, kwam ruiken; maar ik maakte eenige beweging, en hy keerde naar het bosch te rug".

Ik gaf aan deezen ongelukkigen eenige beschuit, welke men my van Paramaribo gezonden had; ik voegde 'er een groote calebas vol garst by, om soup voor hem te maken, en een fles wyn. Deeze Neger scheen my toe omtrent zestig jaaren oud te zyn.

Ik ontfing op dit tydstip, en met moeite, eenen brief van den heer KENNEDY, die zig gereed maakte, om naar Holland in te schepen, en my verzocht, om mynen kleinen QUACO naar zyne Plantagie te rug te zenden; het geen ik oogenblikkelyk deed, aan deezen jongen slaaf eenen brief medegevende, waar by ik aan zynen meester een aanbod deed, om denzelven van hem te koopen, zoo dra het in myne macht zoude zyn, om 'er hem den koopprys voor te betaalen.

Den 2den April gaf de Colonel FOURGEOUD aan alle de zieken, die in de Volkplanting gebleven waren, bevel, om zig naar Maagdenberg te begeven, alwaar hy een hospitaal en een groot Magazyn voor de mondbehoeften liet oprichten. Dus kwamen alle de verminkten van Klarenbeek alhier aan, vergezeld van heelmeesters, apothecars, derzelver knechts, enz. De lucht was in de daad, zoo als ik hier boven heb aangemerkt, op deeze hoogte beter, dan ergens elders. De Colonel was op dit oogenblik in een zeer kwaden luim, en mishandelde vriend en vyand, zonder onderscheid. Hy zwoer, dat geen krygsman, onder zyn bevel staande, van den dienst ontheven zoude worden, indien hy slechts op zyne beenen staan konde. Byna te gelyker tyd zond men eene aanzienlyke krygsbende naar de Plantagie Brouyingsbourg, aan de Commewyne, alwaar men voor eenen opstand beducht was, om dat de Negers geweigerd hadden des Sondags te werken: men dwong 'er hen echter door zweepslagen toe.

Wy waren in het midden van het regen-saisoen, het welk den Bevelhebber niet wederhield, om ons zyn oogmerk tot het doorkruissen der bosschen te verklaaren; en dienvolgende gaf hy last, ten einde twee sterke kolommen des anderen daags zouden optrekken.

De reden, die hem bewoog, om zulk een gevaarlyk jaargetyde te verkiezen, bestond hier in, dat indien het hem nu gelukte de muitelingen te doen verhuizen, hy hen tot hongersnood zoude doen vervallen, het geen in het saisoen van droogte, wanneer de bosschen van allerleije zoort van vruchten en wortelen rykelyk voorzien zyn, niet geschieden konde. Dit was echter, naar myn inzien, eene verkeerde rekening; want men moest ook in 't oog houden, welke verwoestingen zulk een ongezond jaargetyde, het welk twintig van onze soldaten tegen éénen muiteling zoude doen omkomen, onder ons krygsvolk stond aan te rechten.

De Colonel was van een zeer sterk gestel, en hy had byna zyn geheele leven in de oeffeningen der jagt doorgebragt. By deeze gave der natuur voegde hy eene andere, de gematigdheid, en voorts gebruikte hy dagelyks zynen geneesdrank.

Zyne geheele kleeding bestond in een overrok, waar in zyn degen door een knoopsgat doorging. Op zyn hoofd droeg hy een catoene muts, met een witte hoed 'er op. In zyn hand hield hy een rotting, maar zelden droeg hy zyn snaphaan of pistolen. Ik heb hem wel gezien, zeer slecht gekleed en blootsvoets, als de gemeenste soldaat.

Den 3den April, des morgens ten zes uuren, trokken de twee colommen op weg, de eene onder bevel van den Colonel FOURGEOUD, de andere van den Colonel SEYBOURG; ik had de eer tot de eerste te behooren. Onze arme soldaten waren verschrikkelyk beladen; zy hadden bevel ontfangen, om hunne snaphanen in hun knapzak te steeken, den mond derzelve alleen uitgezonderd: dit geschiedde, om hun geweer voor de stortregens te beveiligen. Wy trokken zuidoost-waarts langs de oevers van de Tempaty-Kreek, en wel dra ontmoetten wy moerassen, waar in wy tot over de kniën door 't water gingen.

Geduurende den tocht van den eersten dag, ontmoetten wy eenige fraaije eekhoorntjes, van welke dieren in dit Land verscheide zoorten zyn. Die wy zagen, waren bruin, den buik wit, en de staart een weinig dik; zy waaren zoo groot niet, als die in Europa. Men vindt 'er in Guiana, die wit zyn, met roode oogen; 'er zyn 'er ook die vliegen. Men weet, dat de laatstgemelde geene vlerken hebben, maar dat een vlies, een gedeelte van hunne huid uitmakende, van wederzyden tusschen de voor- en agter-pooten geplaatst, hun daar voor dient. Deeze huid, wanneer zy springen, spreidt zig uit als de vlerk van een vledermuis; door dit middel vliegen deeze dieren door de lucht tot eenen zeer verren afstand.

Des anderen daags, den 4den April, vervolgden wy onzen tocht zuidoost-waarts, tot twee uuren toe; maar vervolgens namen wy onzen weg ten zuid-zuidwesten.

Deezen dag trokken wy voorby eenige hoopen fraay werkhout, het welk op den grond lag te verrotten zedert het jaar 1757, wanneer de Plantagiën door de Neger-slaven, die toen in opstand geraakt waren, waren vernield geworden. Onder dit hout ontdekte ik, dat van den rood- of purper-hout boom, van den yzer-hout boom, en van de bourracourra.

De purper-hout boom groeit zomtyds tot de hoogte van veertig voeten, en heeft een stam van eene geëvenredigde dikte. Zyn schors is bruin en glad; zyn hout is van eene fraaije purper kleur, en van eene aangenaame reuk. Men waardeert hem zeer, uit hoofde van deszelfs vastheid.

De yzer-hout boom, aldus van wegen deszelfs hardheid genoemd, verheft zig byna tot de hoogte van zestig voeten. Zyn schors heeft eene heldere kleur. De Indianen en Europeanen maken veel werk van deszelfs hout, om dat het zoo hard en in één gedrongen is, dat het zelfs de byl wederstaat, en voor eene zeer schitterende gladheid vatbaar is: in het water gaat het te niet.

De bourracourra verheft zig tot de hoogte van dertig of veertig voeten; maar hy is niet zeer dik, en zyn schors is rood. Het hart alleen van dit hout is goed; maar wanneer men 'er het spint afneemt, is deszelfs middellyn merkelyk verkleind. Intusschen is het zoo wel fraay als nuttig, zynde van een zeer fyne karmosyn-kleur, met onregelmatige en zwarte moesjes gevlakt, waarom de Franschen 'er den naam van letterhout aan gegeven hebben. Het is in één gedrongen, vast, en hard, schoon een weinig tot breken geneigd, en het neemt ook den schitterendsten glans aan. Het letterhout is zeldzaam in Guiana; maar de twee eerstgemelde zoorten zyn 'er in meerder overvloed, en groeien op de hooge gronden. Men vindt in dit Land ook ebbenhout. De boomen van hard hout, tot planken voor de suiker-molens gezaagd, worden voornamelyk verzonden naar de Engelsche Eilanden in de West-Indiën; men verkoopt dezelve zeer duur.

Het bevel tot den tocht op den 5den gegeven zynde, vouwden wy onze hangmatten op, en wy trokken ten zuid-zuid-oosten, vervolgens ten zuid-oosten, door gevaarlyke en diepe moerassen, alwaar wy tot aan de borst toe door het water gingen, en de regen viel als met bakken van den hemel. In deeze elendige gesteldheid, hadden wy eene onaangenaame ontmoeting, niet door de muitelingen veroorzaakt, maar door een hoop groote aapen, die wy vervolgens boven in de boomen vernamen, Zy sloegen een zoort van noten tegen de takken, om 'er de pit uit te haalen; het geen zy met eene groote regelmatigheid deeden, laatende tusschen elken slag eene tusschenpoozing van tyd verloopen. Sommigen van hun wierpen van die noten naar ons toe; en zelfs bekwam één van onze soldaaten daar door een gat in 't hoofd. Het geraas, het welk deeze aapen by het breken van die noten maakten, had ons in de gedachten gebragt, dat het de muitelingen waren, die in het bosch, met een byl hout hakten.

Des avonds sloegen wy ons neder by de Tempaty-Kreek. Wy ontstaken op deeze plaats groote vuuren, en bouwden aldaar vry goede hutten: dus bragten wy deezen nacht door, beveiligd voor de vochtigheid. Wy vonden hier het beste water, het welk ik immer gedronken heb; en ik zag op de legerplaats twee merkwaardige hagedissen, dragende in dit Land den naam, de één van bosduivel, en de andere agama. De eerste is klein en leelyk, en van eene zeer hoog bruine, of zelfs zwartachtige kleur. Hy klimt op de boomen, en koomt met eene ongelooflyke schielykheid weder naar beneden; hy heeft geene schubben; zyn kop is breed, en men zegt, dat hy byt, het geen de hagedissen anders niet gewoon zyn. De tweede heeft ook den naam van de Mexicaansche Kameleon. Hy is ongemeen schoon, en even als alle anderen van dit zoort, bezit hy het vermogen om van kleur te veranderen; maar geen tyd gehad hebbende, om hem met aandacht te onderzoeken, kan ik van zynen aart en hoedanigheden niets meer zeggen. In Surinamen is ook nog een zoort van Hagedis, bekend onder den naam van Salamander; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 6den, vervolgden wy onzen tocht, nemende den weg westwaarts tot den middag toe. De regen viel steeds geweldig, en wy liepen door het water. Op het gemelde uur, veranderden wy onzen weg, om noordwaarts te gaan, en wy trokken langs zeer hooge bergen, die, zoo als ten minsten veelen vooronderstellen, in hunnen boezem schatten bevatten:

"Rotsen met kostbaare gesteenten verrykt; bergen, waar op de glinsterende aderen van schitterende mynstoffen blinken; die ketenen vormt, boven den middaglyn in hoogte verheven; waar uit talryke beken ontspringen, om over het gouden zand heen te rollen; ontzag verwekkende bosschen, wier bladeren allerleije levendige kleuren vertoonen, die uwe golfswyze toppen op een onmeetlyk toneel in evenwicht houdt. (THOMSON)"

De twee hoogste bergen in het zuiden van America, zyn het Andische gebergte, door de bewooners des Lands Chimborazo genoemd, het welk zig twintig duizend vierhonderd zestig geometrische voeten boven de oppervlakte der Zuid-zee verheft, en, schoon onder, den middellyn gelegen, aanhoudend met sneeuw bedekt is, tot op den afstand van vier duizend voeten beneden deszelfs kruin. De andere berg is die, op het vallen van welken de Stad Quito gebouwd is; deszelfs hoogte is negen duizend driehonderd zeventig voeten, en men rekent denzelven voor het hoogste van alle bewoonde Landen in Zuid-America, zoo niet in de geheele weereld.

Den 7den, trokken wy al verder noordwaarts, over gebergten, van welker kruin wy de verrukkelykste gezichten zagen. Wy ontdekten aldaar een onmeetlyk en woest Land, geheel en al bedekt door een treffelyk bosch, welks geboomte door eene verscheidenheid van schaduwen, en het schitterendst groen veraangenaamde. Ik zag hier een houtsnip, die my dezelfde kleur, als de Europeesche, scheen te hebben, maar langzaamer vliegt; men verhaalde my egter, dat zy met eene ongelooflyke ligtheid kan voortloopen. De Arnotta-boomen, welken ik vond, schoon in een klein getal, trokken vooral myne aandacht naar zig, en ik heb 'er een tak met de grootste naauwkeurigheid van afgeteekend. De Arnotta, dien men ook den Roucou-boom noemt, en door de Indianen genoemd word Cossowy, is veel eer een heestergewas, dan een boom, want hy groeit slechts tot de hoogte van twaalf voeten. Deszelfs lange, smalle, puntige, en beurtelings geschaarde bladeren, zyn aan de eene zyde hooger groen, dan aan de andere, en door vezelen van eene roodachtig bruine kleur verdeeld; de steel heeft ook de zelfde kleur. De bast van de vrucht, naar een klein hoender-ei gelykende, is vol puntige stekels, als de schel van een kastanjen: in 't begin heeft zy eene fraaije roozen-kleur; en naar maate dat zy ryp word, verandert zy, en krygt eene donker bruine kleur; als dan gaat zy van zelve open, en vertoont een vleesch van eene fraaie karmozyn kleur, waar in zwart zaad zit, even als druiven korrelen. Toen ik van de inboorlingen, of Indianen van Guiana sprak, heb ik het gebruik, beschreven, waar toe hun de Arnotta dient. In de afbeelding, welke ik den lezer aanbiede, beteekent de letter A, het blad van boven; de letter B, het blad naar beneden; de letter C, de bast der vrucht, eer dezelve ryp is; de letter D, de rype schel, het vleesch vertoonende; de letter E, het zwart zaad, door een gedeelte van het vleesch overdekt. Ik moet hier aanmerken, dat de tak van den Roucou, door de beroemde Juffrouw DE MERIAN afgeteekend, met alle die geene, welke ik gezien heb, weinig overëenkoomt; en, het geen my zeer verwonderd heeft, zy verklaart, dat dezelve door eenen boom van aanmerkelyke grootte word voortgebracht.

Na, des avonds, eenen arm van de Mapany-Kreek doorwaad te hebben, kwamen wy in onze legerplaats te Maagdenberg te rug. Veelen van onze Officiers waren zoo kwalyk gesteld, dat zy door Negers in hunne hangmatten gedragen moesten worden; anderen bevonden zig zoo zwak, dat zy met moeite staan konden; maar het klagen was loutere dwaasheid; men moest bezwyken en sterven. Ik was geduurende deezen tocht zeer gelukkig; want ik vermoeide my niet, en ondervond geene kwaade behandeling van den Bevelhebber. De tweede kolom kwam des anderen daags aan; zy had, zoo min als wy, eenigen vyand ontmoet.

Myn kleine QUACO kwam, den 29sten, van Paramaribo te rug. De heer KENNEDY verkogt hem my, voor eene somme van 500 Hollandsche guldens, die, met eenige kosten, ten naasten by 50 ponden sterling bedraagen, tot welker betaaling de Colonel FOURGEOUD de beleefdheid had my een order briefje op den waarneemer zyner zaaken te geven. Ik was verrukt van eenen zoo getrouwen dienaar in eigendom verkregen te hebben; en deeze gebeurtenis verdubbelde myn ongeduld, om het verlangd oogenblik te zien, dat ik myne geliefde JOANNA, en mynen zoon, van wier eigenaar ik nog geen antwoord ontfangen had, zoude kunnen vry koopen.

Terwyl wy op Maagdenberg waren, bood een Neger my eene fraaie Kapel aan, welke ik met alle mogelyke naauwkeurigheid afteekende. In de verzameling van Mejuffrouw DE MERIAN heb ik dezelfde gezien, alwaar die zeer slecht gekleurd is. De myne was van een zeer dof blaauwe kleur, hellende naar het groen, en geheel bedekt met moesjes, even als een paauwen-veder; op elke vlerk had dezelve een vlak van eene bleek geele, en van onderen eene purper karmozyn kleur. De rups van deeze kapel is geel en bruin, met agt hoornen op den kop en twee op de staart.--Byna te gelyker tyd kwam de Capitain FREDERIK van eenen tocht in de bosschen te rug. Een van zyne Corporaals was by het oversteeken van een Kreek verdronken. Het is niet zeldzaam, dat in dusdanig geval iemand in het water valt, maar doorgaans haalt men hem, wien zulk een ongeluk wedervaart, in tyds 'er uit. Dit was het lot niet van deezen ongelukkigen, die met al zyn reistuig oogenblikkelyk naar den grond zonk.

Een ander Neger bragt my ook een kookzel van groegroe, zoo als men het in Surinamen noemt, en zynde van Palmboom-wormen toebereid. Het zyn groote zwarte koorn-wormen, die hunne eieren in het merg van afgekapte of afgebrokene Palmboomen nederleggende, dezelven alzoo doen geboren worden. Deeze wormen hebben de gedaante en grootte van een menschenduim. Welk walgelyk voorkomen zy ook hebben mogen, eeten 'er verscheiden lieden met smaak van, en men verkoopt ze ten allen tyde te Paramaribo: men bakt ze in de pan met boter en een weinig zout; of men braad ze, en rygt ze aan kleine houte pinnen. Zy hebben een smaak, uit dien van alle Indiaansche speceryen, als de muscaat-nooten, kruid-nagelen, kaneel, enz. zaamgesteld. De Palmboomen, die beginnen te verrotten, leveren dit zoort van wormen op; maar allen hebben zy dezelfde grootte niet. De eene en andere hebben eene bleeke geele kleur, meteen zwarte kop; de Indianen en Negers noemen dezelven toecoema.

Den 16den, deed men een hoop krygsvolk naar la Rochelle, aan de Patamaca, vertrekken. Des anderen daags zond men een Capitain met eenige soldaaten naar den post van de Hoop aan de Commewyne, om aldaar alle de Plantagiën, aan de oevers deezer Rivier gelegen, te beschermen.

Den zelfden dag zag men den ongelukkigen Neger, die den 5den Maart zig in den strot gestoken had, en die tans van zyne wonden genezen was, het bosch ingaan. Hy hield een mes in de hand, en deeze keer mislukte hem zyn slag niet. Men liep hem na, maar vond hem dood. Zyn meester berigtte ons, dat hy zedert eenigen tyd van maand tot maand pogingen deed, om zig van kant te helpen.

Den 17den, kwamen de manschappen, die naar den post van la Rochelle afgezonden waren, van daar te rug; al het krygsvolk der Sociëteit was daar ziek.

De Colonel FOURGEOUD behandelde my in dit oogenblik met de grootste beleefdheid. Op zyn verzoek zond ik hem, den 20sten verscheide afteekeningen, die hem zelven en zyn krygsvolk verbeeldden, worstelende tegen alle de moeielykheden, die zig elk oogenblik in onzen dienst opdeeden; hy zeide my, dat zyn oogmerk was dezelve aan den Prins van Oranje en aan de Staaten Generaal aan te bieden, om hun te doen zien, wat zyn volk al in de bosschen van Guiana geleden had.

Hy gaf my toen een verlof van veertien dagen, om naar de Stad te gaan, en den heer KENNEDY goede reize te wenschen. Zynen goeden luim niet willende laten verkoelen, verliet ik Maagdenberg binnen 't uur, en maakte zoo veel haast, dat ik den 22sten te Paramaribo aankwam. Ik vond myne kleine familie aldaar zeer welvarende. Op 't oogenblik van myne aankomst, zond men my dezelve by den heer DELAMARRE; maar geduurende myne afwezigheid, had dezelve het huis van den heer LOLKENS niet verlaten, en was aldaar steeds met veel oplettenheid en achting behandeld.

ZEVENTIENDE HOOFTSTUK.

Nieuwe wreedheden, nog onmenschelyker, dan alle de voorige. --Verschillende zoorten van planten.--Papegaaijen en Parkieten.--Surinaamsche Patrys.--Buitengewoone Insecten. --Geiten van Guiana.--De Taïbo.--Verscheidene zoorten van visschen.--Groote sterfte onder het krygsvolk, het welk zig op de posten aan de Tempaty-Kreek, en de Commewyne bevond.

Myn eerste bezoek leide ik by den heer KENNEDY af, en betaalde hem de vyf honderd gulden, voor den koopprys van QUACO, die toen mynen vryen eigendom was. By myn verblyf op Paramaribo wierd ik door eene koorts aangetast, die echter slechts weinige dagen duurde. Den eersten Mey, aan den oever der Rivier wandelende, vernam ik, dat 'er eene groote meenigte volks voor het huis van Mevrouw S.... vergaderd was, alwaar ik eene verschrikkelyke vertooning zag. Een ongelukkig Mulatten meisje was 'er het voorwerp van. Zy baadde in haar bloed. Men had haar op eene wreedaartige wyze in den strot gestoken, en negen of tien steeken in de borst op verschillende plaatsen gegeven. Men beweerde, dat dit het gevolg was van de jaloersheid van dit helsche beest, Mevrouw S...., die haaren man verdacht hield, dat hy op dit ongelukkig meisjen verliefd was. Dit wangedrocht van een wyf heb ik reeds bevoorens aangehaald, toen zy een onnoozel kind, welks geschrei haar hinderde, verdronken had. Men beschuldigde haar zelfs van eene nog grootere wreedheid, indien 'er grooter zyn konde! Op zekeren dag op haare Plantagie komende, om aldaar eenige slaven, die in 't kort gekocht waren, te bezigtigen, viel haar oog op eene Negerin van omtrent vyftien jaaren, die de taal niet verstond. Bemerkende, dat deeze jonge dogter zeer schoon was, dreef haare verfoeijelyke jaloersheid haar op 't oogenblik, om dit meisjen met een gloeiend yzer, aan de wangen, den mond, en het voorhoofd te mismaken; zy sneed haar ook de pees van Achilles aan één haarer beenen af, en maakte haar alzoo tot een gedrocht van leelykheid.

Eenige Negers deeden haar, by deeze gelegenheid, vertogen omtrent de wreede straffen, welke zy dagelyks uitoeffende, en verzogten haar, om haare slaven met meerder menschelykheid te behandelen. Men verhaalt, dat Mevrouw S...., woedend kwaadaartig wordende, dadelyk aan een ongelukkig slaven kind, zig aldaar bevindende, de herssens insloeg, en vervolgens aan twee jonge Negers, die dit kind in den bloede bestonden, en deeze schenddaad hadden willen beletten, het hoofd deed afslaan. Toen zy de Plantagie verlaten had, wierden de beide hoofden in een zyden doek gewonden, en door derzelver vrienden naar Paramaribo gebragt, alwaar zy ze voor de voeten van den Gouverneur nederleiden, en hem de volgende aanspraak deeden.

"Zie hier, uwe Excellentie, het hoofd van mynen zoon, en zie hier dat van zynen broeder, (op zynen makker wyzende,) welke onze meesteresse heeft doen afhouwen, om dat zy één der moorden, die zy dagelyks begaat, hadden willen voorkomen. Wy weten wel, dat, vermits wy slaven zyn, men ons getuigenis niet aanneemt; maar indien deeze bloedende hoofden voor een genoegzaam bewys verstrekken van het geen wy zeggen, smeeken wy, dat de vernieuwing van dergelyke wreedheden moge belet worden: wy zullen daar voor eeuwig dankbaar zyn, en met genoegen ons bloed plengen voor het behoud van onzen meester, onze meesteresse, en van de geheele Volkplanting."

Men gaf deeze ongelukkigen ten antwoord, dat zy leugenaars waren, en dat men hen veroordeelde, om op alle de straaten van Paramaribo gegeesseld te worden. Dit onrechtvaardig vonnis wierd met de grootste wreedheid ter uitvoer gebragt.

De wetten deezer Volkplanting brengen mede, dat men aldaar nooit het getuigenis van eenen Neger aanneemt. Indien by den moord, door my verhaald, een blanke was tegenwoordig geweest, zoude zyn getuigenis bestaanbaar geweest zyn; maar dan zou deeze afschuwelyke boosdoenster vry geweest zyn met de betaaling eener boete van vyftig ponden sterling voor elken doodslag.--Maar laat ons eindigen.--Myne ziel heeft een weerzin, om nopens zulke onderwerpen breeder uit te wyden.

Den 22sten Mey, volkomen hersteld zynde, verliet ik JOANNA, en mynen zoon JOHNNY, aan wien ik dien naam by verkorting van den mynen gaf, schoon echter de plechtigheid van den doop nog niet verrigt was. Zy bleven beiden by mynen vriend, den heer DELAMARRE, en ik vertrok naar Maagdenberg, in een overdekt vaartuig met zes roey-riemen.

Den 3den, kwam ik op de Plantagie Egmondt, by den heer DE CACHELIEU; en des anderen daags hield ik stil op de Plantagie Ornamibo, alwaar ik mynen ouden vyand, den Capitain MEYLAND, met wien ik aan de Wana-Kreek gevochten had, goedhartig onthaalde. Hy verklaarde my, dat hy tegenwoordig van niemand in de geheele Volkplanting meer hield, dan van my: hy kwam juist van eenen tocht van twaalf dagen uit de bosschen te rug.

Ik vond onder zyne soldaten zekeren CORDUS, den zoon van een ordentelyk man te Hamburg, in welke betrekking ik hem voor deezen gekend had, en die tot den dienst van de West-Indische Compagnie was opgeligt. Ik heb reeds gezegd, dat dit zoort van krygsvolk bestaat uit menschen van allerleije natiën, en godsdiensten, Christenen, Heidenen, en zelfs Joden.

Op deeze plaats, die wel eer bebouwd was geweest, maar die toen met distelen en doornen bedekt was, zag ik eenige kruiden, welke ik niet met stilzwygen kan voorbygaan, schoon ik dezelve niet kenne, dan met den naam, dien 'er de slaven aan geven, uitgenomen egter één, zynde de siliqua hirsuta, of stekende peul, door de Negers genoemd crussy-wiry-wiry. Ik kan dezelve niet beschryven, dan als een zoort van erwt, of liever een kleine platte boon, van eene purper kleur, en zig in een bast of schel vormende, die aan een losse kruipende plant groeit. Deeze schellen zyn met een zoort van elastieke punten bedekt, die, wanneer men ze aanraakt, eene ondraaglyke jeukte veroorzaaken, en die 'er afgenomen, en in een theelepel met geley gemengd zynde, als een uitmuntend worm-afdryvend middel worden aangeprezen. De slaven toonden my ook op deeze zelfde plaats, een zoort van hout, het welk zy crassy-wood noemden. Het stak insgelyks, maar verdere hoedanigheden weet ik 'er niet van. Ik vond bovendien heestergewassen, consaca-wiry-wiry genoemd. Zy hebben breede groene bladen, waar van de Negers zig bedienen om het ongemak aan de voeten, al mede consaca genoemd, waar van ik gesproken heb, te geneezen, maar dit is alleen by gebrek van citroenen of limoenen. Deeze plant levert ook eene uitstekende salade op. De dea-wiry-wiry is een zeer fraay en zeer gezond kruid, het welk om deeze reden zeer geacht is; maar de coutty-wiry-wiry is eene der grootste pesten van deeze Volkplanting. Het is een sterk en puntig kruid, het welk op zommige plaatsen in overvloed groeit. Wanneer iemand al gaande met zyn been 'er dicht by koomt, snydt hy 'er zig aan, als aan een scheermes. Alle de kruiden in dit Land worden door de Negers aangeduid onder den naam van wiry-wiry.

Den 5den kwam ik te Maagdenberg aan. Hier scheenen de Colonel SEYBOURG, en die geenen, welken hy zyne Officiers noemde, eene krygsbende te willen uitmaken, afgescheiden van die van den Colonel FOURGEOUD. Zy waren uittermaten onbeschaafd, en behandelden elkander met een zoort van ruwheid. Hun Colonel was by onzen Bevelhebber zeer in den haat; en deeze staat van zaken bragt veel toe, om onze gesteldheid steeds onaangenaamer te maken. Ik had voor my zelf toen geene reden om my te beklagen, want ik was zeer wel gezien by den Colonel, doch raakte om een beuzeling byna uit zyne gunst. Hy had van eenige Indianen een paar fraaije Kakatoes gekocht, welke hy in een kooy hield opgesloten, en in 't kort naar Europa stond te verzenden, om aan haare Koninglyke Hoogheid, de Princes van Oranje, ten geschenke te worden aangeboden. Ik verzogt LAURENS my toe te staan, om 'er één van in de hand te nemen, ten einde hem met meerder aandacht te beschouwen: maar de deur van de kooy was zoo dra niet geopend, of de vogel ging aan 't schreeuwen, en verdween in een oogenblik, met een snelle vlucht boven de Tempaty-Kreek heen vliegende. De arme kamerdienaar stond verstomd, en konde niets meer uitbrengen, dan deeze enkele woorden: Ziet gy wel? Ik nam de vlucht, om het aannaderend onweder te ontwyken; maar ik verbergde my in de struiken, door welke ik de bewegingen van den Colonel bespeuren konde. Zoo dra hy deeze verschrikkelyke gebeurtenis vernomen had, begon hy te vloeken, te brullen, en zig in alle bogten te wringen, als een mensch die van zinnen beroofd is. In de hevigheid van zyne woede, gaf hy een trap aan een arme eendvogel, die aan één van onze Officiers toebehoorde, en trapte hem in ééns dood. Eindelyk nam hy zyne paruik van 't hoofd, en smeet die tegen den grond. Ik stond te beven, en de overige toekykers schaterden het uit van lagchen. Na verloop echter van een halfuur, begon de gramschap van den Colonel te bedaaren, en hy gebruikte toen een list, waar door de weggevlogen vogel weder in zyne macht kwam. Na een kort eind touw boven aan de kooy gebonden te hebben, haalde hy 'er het andere dier uit, en bond het met de poot aan het tegenëinde van het zelfde touw vast. Hy plaatste deeze kooy in de open lucht, leide eene rype banane binnen in, en liet de deur open, zoo dat alle vogels, uitgenomen de geen, die vastgebonden was, 'er konden inkomen. Deeze, aan wien men niets te eeten gaf, door den honger gedrongen, maakte zulk een schel geschreeuw, dat hy door zyn makker gehoord wierd, die te rug kwam, en ziende de banane in de kooy, daar binnen ging, en op nieuw van zyne vryheid beroofd wierd. De zaak aldus afgeloopen zynde, kwam ik weder te voorschyn, en geraakte met eene vriendelyke bestraffing vry; maar, zoo als men wel denken kan, LAURENS kreeg een goede les.

De Kakatoes zyn minder groot, dan de Papegaijen. Derzelver pluimaadje is groen, uitgenomen aan den kop, en eenige vederen van de staart, die een bleeke roode kleur hebben. Deeze vogelen zyn gekroond met een bos van vederen, die gewoonlyk agter over leggen, maar welke zy in de hoogte steken, wanneer zy door het een of ander vertoornd of verschrikt worden.

Ik heb in Surinamen ook een Papegaay gezien van eene hoog blaauwe kleur, hoe zeer verschillende van die geene, welke men van de Kust van Guinée aanbrengt, die veel eer eene gryze loodkleur hebben. Dit dier is zeer zeldzaam, en bewoont de diepste schuilhoeken der bosschen, alwaar de Indianen hem vangen, en vervolgens naar Paramaribo brengen. Hy heeft de gestalte van de gewoone Papegaay; maar schynt zeer levendig en zeer sterk. De gemeenste Papegaaijen in Guiana zyn die geene, aan welke MARKGRAAF den naam van ajuruoura geeft. Deeze vogelen zyn zoo groot niet, als die uit Africa komen. Zy zyn groen, en de borst en buik zyn van eene bleek geele kleur. Boven op den kop hebben zy een blaauwe vlak; hunne pooten zyn grys, en met vier klaauwen, twee van vooren, en twee van agteren, gelyk alle anderen van dit zoort. Op hunne vlerken ziet men eenige vederen van eene schitterend blaauwe, en andere van eene hoog karmosyne kleur. Zy zyn in Surinamen zeer talryk, maar meer schadelyk, dan aangenaam, want zy werpen zig troepsgewyze op de Plantagiën van koffy, graanen en ryst, alwaar zy groote verwoestingen aanregten; en het geen hun vooral ondraaglyk maakt, is hun schel geschreeuw. Zy vliegen altyd aan paaren, en zeer ligt. Ik heb waargenomen, dat zy, om de zon te ontmoeten, des morgens oostwaarts, en des avonds westwaarts vliegen. In 't algemeen leven zy op afgelegene plaatsen, en hunne wyfjes leggen niet meer dan twee eieren. Toen ik my op de Plantagie Sporksgift bevond, schoot ik twee van deeze Papegaaijen. Deeze dieren nog niet dood zynde, toen ik hen opraapte, haalden zy my met hunne puntige klaauwen deerlyk de huid open. Wy lieten ze koken, en zy gaven eene vry goede soep; men kan 'er ook een pasty van maken; maar op eenige andere manier toebereid zynde, zyn zy zeer slecht en taay. Men kan deeze Papegaaijen leeren spreken, lagchen, schreeuwen, baffen, maauwen, fluiten, maar veel minder, dan die in Africa geboren zyn. Men zegt, dat het zaad van catoen-schellen hen dronken maakt. Zy zyn aan ziekten onderworpen, misschien uit hoofde hunner geneigdheid tot gramschap; de Indianen egter schryven hun een lang leven toe: zy hebben een sterken en gekromden bek, en bedienen 'er zig van, om op de boomen te klauteren, om zeer harde noten te kraken, en om pynlyke beeten te geven. Hun vermaak is, om zig op de takken der boomen in evenwicht te houden, of daar aan te blyven hangen, en het zy, dat zy zig in vryheid bevinden, het zy dat zy in de slavernye leven, zy nemen hun voedzel met één van hunne klaauwen, als met de hand.

'Er zyn in Surinamen ook andere fraaije Papegaaijen, zynde een zoort van Parkieten, en mede zeer gemeen. De aangenaamste hebben de gedaante van eene zeer kleine duif. Derzelver pluimaadje is van een zeer levendig groene kleur op den rug en de staart, maar de kop is donker bruin; de hals van gelyken, met dit onderscheid, dat elk der vederen een rand van eene fraaije goud-kleur heeft. De borst is van eene lood-kleur, de buik violet, en de vlerken bestaan uit verschillende vederen van eene oranje en hemels blaauwe kleur. Zyne oogen hebben eene kleur als vuur, en de pooten byna wit. Het ander zoort van Parkieten is volmaakt groen, met een witten bek, en eene karmozyne vlak op den kop. Zy brengen een aangenaam gepraat voort; maar men maakt ze zoo gemakkelyk niet tam, als de eerstgemelden.

Den zelfden avond, (op den 5den namelyk,) bood een soldaat my een vogel aan van een geheel verschillend zoort, dien hy met de hand gevangen had. Deeze was de Anamoe, of Surinaamsche Patrys, het schoonste dier, dat ik immer gezien heb. Hy was zeer vet, en had de grootte van een eendvogel. Zyne vederen, van eene donker bruine kleur op den rug, de vlerken, en het bovenste gedeelte van den kop, hadden aan het benedenste van den kop, en het geheele overige gedeelte van het lichaam, eene fraaie witte room-kleur, doorsneden met vederen van eene orange-kleur, en zeer kleine dwarsloopende zwarte streepen. Deeze Patrys, die zonder staart is, had een lichaam van eene eironde gedaante; een langen hals, een korten bek, die zeer puntig en een weinig krom gebogen was. Zyne oogen, zoo zwart als een git, vertoonden eenen zeer schitterenden glans, Hy had korte pooten, van eene fraaie roode kleur, met drie sterke klauwtjes aan elke poot. Men zegt, dat hy met eene verwonderlyke ligtheid loopt, dat hy zig tusschen de kruiden en planten verschuilt, maar dat zyne dikte hem bezwaarlyk doet vliegen; en deeze bezwaarde vlucht gaf gelegenheid, dat gemelde soldaat deezen vogel met de hand gevangen had. Wy deeden hem braden, en ik heb nooit iets lekkerder gegeten.

Den 9den, gebeurde 'er byna een toeval, het welk my een zeer gevoelig en smartelyk hartzeer veroorzaakt zoude hebben. Myn Neger QUACO, myne hangmat in de Tempaty-Kreek uitwasschende, wierd door den schielyken stroom eensklaps naar den grond getrokken. Hoe zeer in de koorden van dit zoort van bed, het welk met hem in 't water gezonken was, verward zynde, gelukte het hem, schoon met veel moeite, om zig los te maken, en tot myn onuitspreeklyk genoegen, kwam hy weder boven water, en wel dra op 't land. Hy had toen de bedaardheid van geest, om een haak, aan een sterke visschers lyn vast gemaakt, in 't water te doen zinken, en door dit middel de hangmat wederom te krygen. Des anderen daags, wanneer de Captain HAMER zig met visschen vermaakte, bleef zyne lyn aan den grond der Kreek haken: ik was 'er by tegenwoordig, en sprong oogenblikkelyk in 't water, om dezelve los te maken; maar ik stootte den enklauw met zulk een geweld tegen een rots, dat het verscheiden maanden aanliep, eer ik volkomen hersteld was.

Alle deeze toevallen scheenen den Colonel SEYBOURG zeer te vermaken, terwyl ik van myn kant over zyn onheusch gedrag zeer verontwaardigd was. Deeze tegenstrydigheid tusschen hem en my, deed my de gunst van den Colonel FOURGEOUD verwerven, als of ik de helft van de muitelingen der Volkplanting vernield had.--Echter kruisten 'er sterke wachten tusschen de posten van Maagdenberg, van la Rochelle, en van de Savane der Joden. Den 17den, trok de Opperbevelhebber met de helft van zyn krygsvolk naar de Patamaca, en dewyl myne kwetsuur aan den enklauw my niet toeliet hem te volgen, liet hy my het bevel over de manschappen, die agterbleven.

Als toen het vooruitzigt hebbende, om eenigen tyd op Maagdenberg te blyven, zond ik QUACO naar Paramaribo, om levens-middelen van daar te halen, en my eene levende geyt mede te brengen.

Schoon de Colonel FOURGEOUD de muitelingen nog niet genoodzaakt had, om tot een geregeld gevecht te komen, oeffende hy daarom niet minder zyn krygsvolk en zig zelven. Dikwerf het bovenste gedeelte der Rivieren overstekende, en de grenspalen der Volkplanting schoon houdende, voorkwam hy het plunderen en verbranden der Plantagiën; en op die wyze deed hy eenen zeer wezentlyken dienst aan de inwooners, hoe zeer zulks veel menschen en geld kostte.

Daar ik derhalven tans Opperbevelhebber van den post was, hield ik de twee Negers, waar van ik reeds gesproken heb, bezig, met voor my te jagen en te visschen. Zy bragten my byna dagelyks één of twee wilde varkens, of pingos, en een visch, newmara genoemd, die zomtyds zoo groot is als een kabbeljauw, en welken ik by vervolg beschryven zal. Ik onthaalde alle de Officiers zonder onderscheid op deezen verschen voorraad, en ik gaf aan de zieken de plantains, de bananen, de oranje-appelen, de limoenen, welke men van de Plantagiën, aan het bovenste gedeelte van de Commewyne gelegen, aan my toezond: nooit wierd een afgezonden Bevelhebber zoo wel behandeld. Ik vergat echter de hoofdzaak niet, en zond regelmatig ronden uit in den omtrek van Maagdenberg, die zoo oplettend waren, dat'er geen aanval der muitelingen te duchten was. Deeze voorzorgen waren zeer noodzakelyk, want zy hadden verscheide posten overweldigd, om zig van de wapenen en het kruid meester te maken, het geen voor hun van een groot gewicht,en voor de Volkplanting allernadeeligst is. Niet alleen hadden zy op zommige van deeze posten die dingen geroofd, maar zelfs alle de soldaaten vermoord.

Te dier tyd geen werkend deel aan de krygsverrigtingen kunnende hebben, maakte ik van dit oogenblik van rust gebruik, om een groot getal afteekeningen te maken; en toen kwam my het eerst het denkbeeld in de gedachten, om dezelve in 't licht te geven, indien het lot over my beschoren was, om in Europa te rug te komen.

Een van myne Negers bragt my, den 24sten van deeze maand, twee zeer merkwaardige insecten, die ik tans beschryven zal. Een van de twee, die naar een sprinkhaan scheen te gelyken, was die geene, welke men doorgaans alhier Spaansche Juffer noemt; nimmer heb ik iets meer buitengewoons in deeze Volkplanting gezien. Het lichaam van dit wonderbaarlyk insect, schoon het niet veel dikker was, dan de schacht van een gewoone veder, was zeven en een halve duim lang, de staart daar by gerekend, welke, even als die van veele andere insecten, uit verschillende gewrichten bestaat.--Hy liep, even als een spinnekop, op zes pooten van by de zes duimen lang, en hy had geene vlerken. Vier hoorens, waar van twee de lengte hadden van vyf duimen, en de andere veel korter waren, staken hem uit den kop. Deeze kop was klein, maar met groote zwarte en uitpuilende oogen. Het lichaam van dit insect had eene bruinachtig groene kleur, en over 't geheel had hy het voorkomen van een gedrocht in zyn zoort. Men vindt hem op moerassige plaatsen, alwaar zyne lange pooten hem ongetwyffeld dienen om te gaan, en niet om te zwemmen, als daar toe ongeschikt zynde, want zy eindigen met twee kleine nagels, als die der kevers. Het andere insect is door Mejuffrouw DE MERIAN afgeteekend, die het de waaker genoemd heeft; maar de Hollanders geven hem een naam, die betrekkelyk is tot het geraas, het welk hy tegen den avond doet hooren, en vry veel gelykt naar het geluid van een cymbaal, of naar dat van het slypen van een scheermes. Dit merkwaardig insect, welks gebrom altyd met het ondergaan der zon, of des avonds ten zes uuren begint, word ook lantaarn-drager genoemd, uit hoofde van het licht, het welk hy des nachts verspreidt, een licht, veel sterker, dan dat van een vuur-mug, van welk zoort hy ook zyn moge, en met behulp van 't welk men alles doen kan. De lantaarn-drager is meer dan drie voeten lang. Hy heeft een dik en groenkleurig lichaam, met vier doorschynende vlerken, die, onaangezien deeze hoedanigheid, eene groote verscheidenheid van kleuren laten schitteren, vooral van onderen, alwaar men twee ronde moesjes opmerkt, veel gelykheid hebbende met die van een paauwen-staart. Onder den kop van dit insect ziet men een lynregte snuit, als eene naald, waar mede men zegt, dat hy het sap uit de bloemen zuigt. Met dit werktuig vooronderstelt men ook, dat hy het zoo even gemelde onaangenaam en sterk geraas maakt. Ik voor my zoude het veel eer aan de beweging zyner doorschynende vlerken toeschryven, zoo als men dit van zommige muggen in Engeland beweert. Eene sterke snuit, met roode en geele streepen, en hebbende de gedaante van het eerste gewricht van een's menschen vinger, steekt hem uit het voorste gedeelte van den kop, en maakt een derde der lengte van het geheele dier. Deeze uitwas word gemeenlyk de lantaarn van dit insect genoemd, en doet het licht voortkomen, waar van hy zynen naam draagt. Ik zal zyne beschryving eindigen met te zeggen, dat hy zeer langzaam loopt, maar met eene verbaazende gezwindheid vliegt.

Den 26sten, kwam myn kleine QUACO van Paramaribo te rug, met zig brengende al het geen ik hem gelast had: men had de geit niet vergeten, en men zond 'er my een met haar jong, waar voor ik twintig guldens, of by de twee ponden sterling betaalde.

De geiten zyn echter in geheel Guiana zeer gemeen; zy zyn aldaar niet groot, maar fraay; haare hoornen zyn zeer klein; haar hair is kort, zacht, en van eene donker bruine kleur; haare gezwindheid is niet te vergelyken, dan by die der harten. Men kweekt ze op de Plantagiën aan, alwaar zy vermeenigvuldigen, en veel melk geven. Wanneer men ze jong doodt, is haar vleesch goed om te eeten.

Ik ontfing toen de onaangenaame tyding, dat het Schip, waar mede myne brieven naar Europa vertrokken waren, in de nabyheid van Texel vergaan was. Ik vernam te gelyker tyd met aandoening, dat myn vriend, de heer KENNEDY, zyne vrouw en huisgenooten, aan de Volkplanting hadden vaarwel gezegd, en naar Holland waren ingescheept. De gemelde heer KENNEDY, de heer GORDON, en de heer GOURLUY, waren Schotten; de heer BUCKLAND, de heer TOWNSEND, en de heer HALFHIDE, waren Engelschen de heer MACNEYL was uit Ierland: 'er waren geene anderen van hunne natie, die deeze Volkplanting bewoonden.

Den 28sten, kwam de Colonel FOURGEOUD van zynen tocht naar de Patamaca te rug. Zyn krygsvolk was van vermoeienis afgemat, en hy zelf had veel geleden. Hy had een groot getal zyner soldaten in het Hospitaal van la Rochelle agtergelaten; maar hy vernam zelfs de muitelingen niet, schoon hy bestendig zynen weg veranderd had. Het scheen derhalven, dat zy in wanorde waren, zoo zy al in 't kort eenig vast verblyf gehad hadden; maar waar konde men hen in dit eindeloos bosch ontdekken? Daar kwam het op aan. De Colonel wanhoopte echter niet, dit te zullen doen. In de daad, hy stelde den zelfden yver te werk om hen te vervolgen, als voorheen, om de schuilhoeken van het wildt te ontdekken.

Den 29sten, bood de heer MATHIEU, één van onze Officiers, die ter jagt gegaan was, my den Taïbo aan, een dier, alhier onder den naam van Boschrot bekend. Hy had de grootte van een jonge haas, maar was aan het einde van zyn lyf uittermaten dun; hy had eene huid van eene rosachtig bruine kleur, lange pooten, een ronde kop, en zyne staart geleek naar die van een speenvarken; zyne klauwen hadden juist de gedaante van die van een gewoone rot, maar in evenredigheid veel grooter; zoo als ook de kop, de bek, de knevels, en de tanden; hy had korte en kaale ooren; de oogbal zyner zwarte en uitpuilende oogen was wit. Men beweert, dat deeze boschrot zeer schielyk loopt. Wy lieten hem gereed maken: men had ons gezegd, dat hy goed om te eeten was, en wy vonden dit ook bewaarheid; hy had een uitmuntenden smaak, en was malsch en vet, hoe zeer hy mager scheen. Dit dier herinnert my, uit hoofde van deszelfs gedaante, een ander, in dit Land bekend onder den naam van crabbo-dago, of den koppigen hond, welken men hem geeft van wegens zyne voorbeeldelooze woestheid; want alle viervoetige, vliegende of kruipende gedierten, welken hy ontmoet, doodt en verslindt hy; hy schynt nooit van bloed verzadigd te zyn. Zonder door den honger gedreven te worden, doodt hy alle dieren, welken hy overwonnen heeft; zyn moed, zyne kragten, zyne werkzaamheid hebben weinig huns gelyken, schoon hy niet veel grooter, dan een gewoone kat is. Volgens het geen ik hier opgeeve, verdenke ik sterk, dat hy naar den Ichneumon gelykt; maar nog meer naar het dier, in de Natuurlyke Historie van BUFFON gemeld, die, volgens de verzekering van den heer ALLEMAND, het zelve den Grifon noemt: die geen, waar van ik spreek, is echter een weinig grooter. Deeze Schryver zegt, dat schoon het oorsprongelyk een dier uit Surinamen is, niemand van hun, die van daar komen, 'er bericht van kunnen geven. Indien hy het zelfde dier is, en ik twyffel 'er niet aan, strekt het my tot genoegen, om 'er aan den lezer de beschryving van op te geven. Ik zal dus de plaats uit het werk van den Graaf DE BUFFON, die zulks van den heer ALLEMAND zelf ontleend heeft, letterlyk aanhaalen. Indien ik deeze opgaave by het leven van deezen beroemden Natuur-kenner gelezen had, zoude ik de vryheid gebruikt hebben, om hem de waarneemingen te schryven, welke ik aan het Publiek onderwerpe.

"Ik heb uit Surinamen het diertjen ontfangen, het welk op Plaat VIII. verbeeld is, en op de lyst van het geen in de kist, waar in hy ingepakt was, gevonden wierd, den naam droeg van de gryze wezel, waar van ik den naam van Grifon gemaakt heb, om dat ik den naam niet weet, dien men hem in zyn land geeft, en om dat zyne kleur denzelven genoegzaam aanwyst. Het geheele bovenste gedeelte van zyn lichaam is met hairen van eene donker bruine kleur bedekt, met witte punten, het geen eene gryze kleur maakt, waar in het bruin doorsteekt; maar boven op den kop en hals heeft hy eene helderer gryze kleur, om dat de hairen aldaar zeer kort zyn, en om dat het witte gedeelte in lengte met het bruine gelyk staat. De snoet, het geheele onderlyf, en de pooten, zyn van eene zwarte kleur, die eene zonderlinge tegenstrydigheid maakt met de gryze kleur, waar van de zelve aan den kop is afgescheiden door eene witte streep, beginnende aan den eenen schouder, en doorgaande onder de ooren, boven de oogen en den neus, en zig tot den anderen schouder uitstrekkende.

De kop van dit dier is zeer groot in evenredigheid van zyn lichaam; zyne ooren, die byna een halve cirkel maken, zyn meer breed dan hoog; zyne oogen zyn groot: zyn bek is gewapend met maaltanden, en sterke en puntige honds-tanden. 'Er zyn zes sny-tanden in elk kakebeen; maar die van de beide reijen zyn alleen zichtbaar; de vier tusschen beiden staande komen naauwlyks uit derzelver holligheden. De pooten, zoo wel die van vooren, als van agteren, zyn verdeeld in vyf klauwen, die met sterke geelachtige nagels gewapend zyn. Zyn staart, die vry lang is, eindigt puntsgewyze.

De wezel is onder alle dieren van ons vaste Land die geene, waar mede deeze Grifon de meeste overëenkomst heeft; dus ben ik niet verwonderd, dat hy my onder dien naam uit Surinamen is gezonden geworden. Nogtans is het geen wezel; schoon hy wegens het getal en de gedaante zyner tanden 'er veel overëenkomst mede heeft, is zyn lyf zoo langwerpig niet, en zyne pooten zyn veel hooger. Ik ken geen schryver nog reiziger, die 'er van gesproken heeft, en de geen, die my gezonden is, is de eenige, welken ik immer gezien heb. Ik heb hem aan verscheiden lieden getoond, die langen tyd hun verblyf in Surinamen gehouden hadden; maar hy was hun onbekend; derhalven moet hy op de plaatsen, van waar hy herkomstig is, zeldzaam zyn, of oorden bewoonen, die weinig bezogt worden. De zender van dit dier had geene byzonderheid opgemerkt, geschikt om deszelfs natuurlyke geschiedenis op te helderen; dienvolgende heb ik niets anders kunnen doen, dan eene afteekening van hem te maken". (Hist. Nat. de BUFFON; Edit. de Hollande, Tom. XIV. pag. 65.)

Het is waar, dat dit dier in Surinamen zeer zeldzaam is; maar dat hy door de natuur-kenners niet beter beschreven is, moet men ongetwyffeld toeschryven aan zyne ongemeene woestheid, die byna altyd belet, om hem levend te vangen.

De Bevelhebber en ik waren toen boezemvrienden, en dagelyks noodigde hy my aan zyne tafel. Hy verzogt my, om hem zyn pourtrait levensgrootte te maken, en hem in zyne veld-kleeding te vertoonen. Zyn oogmerk was, om dit naar Europa mede te neemen: hy hoopte, dat de Stad van Amsterdam het zelve op haare kosten zoude doen in 't koper brengen; hy oordeelde zig iemand te zyn van zoo veel gewicht voor Holland, als de Hertog van Cumberland, na den slag van Culloden, voor Engeland was.

My van een blad groot papier, en Chineesche inkt voorzien hebbende, ging ik aan 't werk. Terwyl ik bezig was, om de trekken van myn oorsprongelyk stuk naauwkeurig naar te gaan, wierd de berg door eenen vervaarlyken donderslag ylings geschokt, zoo dat alle de eieren van een hen, die in een hoek van onze hut te broeien zat, aan stukken braken. De straal van den blixem ontstelde de trekken van den Colonel voor een oogenblik; maar hy herstelde zig schielyk, en ik ging voort. Het werk was korten tyd daar na tot zyn groot genoegen afgemaakt.

De Neger SEPTEMBER, die in 't jaar 1774. gevangen genomen was, stierf, byna op deezen tyd, aan de waterzucht. De Colonel had hem gedwongen hem te volgen op alle zyne tochten, even als een geketende hond. Hy verbeeldde zig, dat deeze Neger, vroeg of laat, hem in de onderscheidene bezittingen der muitelingen brengen zoude, maar hy bedroog zig, De andere slaven, hem verdacht houdende van reeds eenigen raad aan den Bevelhebber gegeven te hebben, schreven zynen dood aan de Goddelyke rechtvaardigheid toe, die hem strafte wegens het verraden van de trouw, welke hy buiten twyffel aan zyne landgenooten gezworen had. De lezer herinnert zig waarschynlyk, het geen ik in het derde hooftstuk gezegd heb, dat de Africaansche Negers gelooven, dat hy, die zynen eed schendt, elendig moet omkomen, en eene eeuwige straffe in de andere weereld ondergaan.

De post van de Hoop aan de Commewyne was, wegens gebrek aan zindelykheid, tans zeer ongezond geworden: het krygsvolk, het welk aldaar na myn vertrek de wacht gehouden had, was uittermaten onachtzaam, om deezen post in goeden staat te houden. De dood had reeds verscheiden soldaaten weggerukt, en de ziekte belette den bevelhebbenden Officier en een gedeelte van zyn volk, om dienst te doen. De Colonel FOURGEOUD zond den Capitain BRANT en eenige soldaaten derwaarts, met last, om alle de zieken, welken men op deezen post vinden zoude, niet naar de Stad Paramaribo, maar naar Maagdenberg te doen vertrekken. De Colonel, deezen Capitain met dien tocht belastende, behandelde hem met eene groote hardheid, en vergunde hem zelfs den tyd niet, om zyne goederen mede te neemen. Van een anderen kant, ontnam de Colonel SEYBOURG hem den eenigen slaaf, dien hy tot zynen dienst had, en hield dien voor zig zelven. Deeze behandeling deed den armen BRANT zoo geweldig aan, dat hy begon te schreijen, en verklaarde, dat hy wenschte zulke mishandelingen niet te overleven. Hy vertrok vervolgens naar den post van de Hoop; met een hart van droefheid overstelpt.

By zyne aankomst vernam hy, dat de Capitain BROUGH, de laatste Bevelhebber op deezen post, zoo even overleden was. Deeze Officier, zeer zwaarlyvig zynde, had groote vermoeïngen in de bosschen ondergaan. De hette was voor hem ook doodelyk: hy had eene versmelting van vochten, die op een rotkoorts uitliep, en hem uit 't leven wegnam. De Colonel SEYBOURG volgde den Capitain BRANT wel dra naar de Hoop, om aldaar de zieken te bezoeken. Geduurende al dien tyd had ik niets te doen. Ik zal my dus bezig houden met twee visschen te beschryven, die eenen byzonderen aandacht verdienen.

De eerste heeft de gedaante van een groote bokking; ik had ze van dit zoort nog niet gezien, en zekerlyk, behalven den zee-braassem, kende ik 'er geene, die fraaijer gekleurd was. Zyn rug en zyden hebben streepen van eene fraaije geele en van eene ryke en donkere blaauwe kleur, zyn buik heeft eene witte zilver-kleur. Hy heeft zwarte en goudkleurige oogen, doorschynende vinnen van eene zeer levendig roode kleur. Zyne gedaante gelykt vry veel naar die van eene forelle, en hy is met kleine schubben bedekt; hy heeft eene vinne op den rug, en het teeken van eene andere by den staart, die gespleten is; onder den buik ziet men aan hem vyf andere vinnen, waar van twee tot de borst behooren, en de laatste achter den navel. Zyn benedenste kakebeen steekt meer voorwaarts dan het bovenste, en zyn bek schynt eene omgekeerde gedaante te hebben: eindelyk heeft hy zeer kleine kieuwen of ooren. Ik deed onderzoek naar deezen visch; maar alles wat een oude Neger 'er my van berigten kon, was, dat men hem dago-faisy noemde.

De andere was die groote en fraaie visch, die by de Engelschen den naam van rock-cod draagt, by de Indianen dien van baroketta, en by de Negers dien van new-mara. Ik heb 'er reeds verscheiden malen melding van gemaakt; maar ik heb hem nog niet beschreven. Men vindt deezen visch zeer dikwils in het bovenste gedeelte der Rivieren. Hy heeft de gedaante van eene groote kabeljauw, maar met schubben bedekt. Zyn rug heeft eene donkere olyf-kleur, zyn buik is wit, zyn kop is groot met kleine oogen, waar van de appel zwart en de oogbol grys is. Zyn breed kakebeen is van boven en onder van eene reije puntige tanden voorzien, even als die van een snoek. Hy is, gelyk dit dier, uittermaten vraatächtig. Hy heeft een stompen staart, en, zoo als ook de vinnen, van dezelfde kleur als het lichaam: deeze vinnen zyn zes in getal, één op den rug, twee aan de borst, twee onder aan het lyf, en de laatste aan den onderbuik. Zommige lieden vergelyken den smaak van deezen lekkeren visch by dien van Zalm. Hy is by de blanken in deeze Volkplanting zeer geacht; maar zeldzaam te Paramaribo, schoon hy, gelyk ik gezegd heb, boven in de Rivieren overvloedig gevonden word. Ik heb ze beiden zeer naauwkeurig afgeteekend, zoo wel de dago-faisy, als de new-mara. Men vond 'er ook in Surinamen naauwkeurige afteekeningen van.

Verscheiden Officiers, die gevogelte en varkens aankweekten, verloren dezelven tans allen in den tyd van twee dagen: zy waren waarschynlyk vergeven door het eeten van duncane, of van eenige andere vergiftige plant, die ons onbekend was. Echter heeft men in 't algemeen opgemerkt, dat de aangeboren neiging der dieren hun de heilzaame kruiden van de schadelyke doet onderscheiden.

De heer SEYBOURG kwam toen al zegevierende van de Hoop te rug: hy bragt den Lieutenant DEDERLEIN, één der Officiers van den Colonel FOURGEOUD met zig, doende denzelven door een Sergeant en zes soldaten, met de bajonnet op de snaphaan, bewaren, om dat hy, zoo hy zeide, hem de verschuldigde achting niet betoond had.

Den 7den, kwamen de zieke Officiers, en soldaten van denzelfden post, in vaartuigen aan. Verscheiden van hun, welken men inscheepte, vonden zig buiten staat om vervoerd te worden, en geraakten, zonder eenige hulp, op de reize om 't leven. Een van onze Heelmeesters stierf ook, den zelfden dag, op de legerplaats, en aanhoudend begroef men soldaaten. Deeze waren de gevolgen van eenen tocht, in een zoo vochtig jaargetyde ondernomen; maar onze Colonel oordeelde het zelve meer geschikt dan eenig ander, om eindelyk eens de muitelingen uit de bosschen van Guiana te verdryven.

AGTTIENDE HOOFTSTUK.

Een Tyger, op de legerplaats gevangen.--De Jaguar.--De Couguar.--De Tyger-kat.--De Jaquarette.--Gevecht tusschen eenige afgezondene manschappen der Sociëteit en de muitelingen.--Levens-manier van eenen Surinaamschen Planter.--Verscheiden zoorten van visschen.--Besmettelyke ziekten.--Zelfsmoord.

Ik heb zoo straks gezegd, dat verscheiden Officiers gevogelte aankweekten; maar alle nachten ontnam een onbekende strooper 'er hun verscheiden van. De Capitain BOLTS, den coati-mondi of crabbo-dago van deezen diefstal verdacht houdende, zette een val, door middel van eene ledige kist, welke hy in den grond deed plaatsen, en waar van het dekzel wierd opgehouden door een hout, waar aan men een lang touw had vast gemaakt. Vervolgens sloot hy al zyn gevogelte naauwkeurig op, uitgenomen twee hoenderen, welke hy onder deeze val plaatste, doende dezelve door twee Negers op eenigen afstand bewaken. Deezen hadden naauwlyks een uur of twee op hunnen post doorgebracht, of zy hoorden de hoenderen schreeuwen; één van hun trok toen aan het touw, en de ander schoot toe, om zig van den dief te verzekeren, gaande op het dekzel zitten: het was een jonge Tyger, die 'er in besloten zat; hy deed wel dra alle pogingen, om zig in vryheid te stellen; maar men bond de kist met zwaare touwen toe, en men wierp die alzoo in de Rivier, dezelve onder water houdende, om het dier, het welk de sterkste pogingen deed om te ontsnappen, te doen verdrinken. De Capitain BOLTS nam zyne huid, en bewaarde die tot eene gedachtenis van dit zonderling voorval.

De Graaf DE BUFFON beweert, dat 'er in America geene Tygers zyn; maar dat men 'er dieren vindt, die hun gelyken, en waar aan men denzelfden naam geeft. Ik zal dezelve beschryven zoodanig als ik ze gezien heb, en de lezer zal beöordeelen, wat zy zyn.

De eerste en grootste word Jaguar van Guiana genoemd. Dit dier, het welk verscheiden Schryvers als zwak, verachtelyk, en van de grootte van een haazen-windhond hebben afgebeeld, is integendeel zeer sterk, zeer gevaarlyk, zeer woest. Zyne lengte, van den bek tot het begin van den staart, heeft zomtyds zes voeten: men vergeete niet den verbaazenden voetstap van een tyger, welken ik aan de Patamaca in het zand zag, schoon men zoude kunnen tegenwerpen, dat deeze in 't byzonder van eene buitengewoone grootte had, en het zand los was. De Jaguar heeft eene donkere oranje kleur en een witten buik. Zyn rug heeft langwerpige en zwarte streepen. Op zyde van den buik zyn onregelmatige ringen, in den omtrek zwart, en in het midden helder. Het overige gedeelte van zyn lichaam en zyn staart hebben kleine vlakken, die volmaakt zwart zyn. Zyne gedaante gelykt in alle opzichten naar die van den Africaanschen Tyger; en dewyl hy ook onder het geslacht der katten behoort, is het niet noodig 'er eene omstandiger beschryving van te geven. Maar dewyl zyne grootte en krachten die van dit klein huisdier overtreffen, verscheurt hy een schaap of een geit even gemakkelyk, als de kat een muis of een rot doodt. De koeijen zelfs en de paarden zyn in weerwil van hunne grootte, voor zyne woede niet beveiligd, want dikwils tast hy hen op de Plantagiën aan; en schoon hy dezelve, uit hoofde van hunne zwaarte, niet naar de bosschen kan sleepen, scheurt hy hen wreedelyk aan stukken, alleenlyk om hun bloed te drinken, waar naar dit woest dier altyd dorstig is. Het is bovendien wel gebeurd, dat de Jaguar jonge Negerinnen, die op het land werkten, heeft mede gesleept, en dit zelfde ongeluk gebeurt hunne kinderen maar al te veel. Dit boosäartig dier werpt (volgens de uitdrukking van deeze zelfde Schryvers) door een enkelen slag met de poot, een wild varken om ver, en het sterkste paard, dat men in Guiana beryden kan, grypt hy by de keel. Zyn woeste aart en bloeddorstigheid zyn oorzaak, dat men hem nooit heeft kunnen tam maken. Hy zou de hand van zynen oppasser verscheuren; en dikwils zelfs verslindt hy zyne jongen. Hoe sterk echter en woedend hy ook zy, hy is niet in staat wederstand te bieden aan den slang Aboma, die, wanneer hy hem bereiken kan, hem in korte oogenblikken aan stukken slaat.

Het tweede dier van het zelfde zoort is de Couguar, de roode Tyger in Surinamen genaamd. Men zoude hem voegzamer kunnen vergelyken by een haazen-windhond, ten aanzien van deszelfs gedaante, maar niet van zyne grootte, en by gevolg ook ligter dan den Jaguar, maar grooter dan een windhond. De huid van dit dier is van eene bruin roode kleur; de borst en buik zyn van eene vuile witte kleur; hy heeft lange en ongevlakte hairen; de staart van eene aard-kleur, en aan het einde zwart. Zyn kop is klein, met twee glinsterende oogen, waar uit het vuur als uitspringt; en zyne tanden zyn zeer breed. Zyn dun lyf word gedragen door lange pooten, die met geduchte en witachtige klaauwen gewapend zyn. Hy is even verslindend als de Jaguar.

Een derde dier van dit zoort, en het welk zeer fraay is, al mede in Guiana gevonden wordende, is de Tyger-kat. Deszelfs grootte gaat die van veele katten, welke ik in Engeland gezien heb, niet te boven. Zyne huid is van eene fraaie geele kleur, en gevlakt met kleine witte moesjes met zwarte randen. Hy heeft den buik van een helderen kleur, zwarte ooren met een witte vlak, en zeer zacht hair. Men waardeert zyne huid zeer hoog; en hy heeft dezelfde gedaante als de Jaguar. De Tyger-kat is een zeer levendig dier, wiens oogen schitteren als blixem-straalen; maar hy is even woest, even verslindend, even wild als de voorgaande.

'Er is nog in dit Land een vierde dier van het zelfde zoort; het is de Jaguarette, wiens huid van eene zwartachtige kleur is, met vlakken die nog zwarter zyn. Zie daar alles wat ik 'er van weet; want ik heb 'er geen enkele gezien, om dat men hem zelden verneemt. Die ik te vooren beschreeven heb, zyn niet veel gemeener. Ik zal by het geen ik van alle deeze dieren gezegd heb, nog byvoegen, dat zy, even als de gewoone katten, lange knevels hebben; dat zy zomtyds op de boomen klimmen; maar dat zy zig doorgaans onder de bladen in eene hinderlaag plaatsen, van waar zy met eene ongelooffelyke gezwindheid op hunnen ongelukkigen buit uitschieten; dat zy, den zelven hebbende van één gereten, zyn bloed al warm drinken, en met verscheuren en inslokken niet ophouden, voor dat zy verzadigd zyn; maar dat, indien zy door den honger niet gedrongen worden, zy lafhartig zyn, en dat een enkele hond genoegzaam is, om hen op de vlucht te dryven. Het vuur doet hen ook uittermaten verschrikken: dit is het beste middel om hen te verdryven, waar van ook de Indianen in Guiana gebruik maken. Verscheiden Tygers kwamen, by gebreke van deeze voorzorgen, in onze legerplaats; maar gelukkiglyk, regtten zy geene verwoesting aan.

Dewyl ik op dit oogenblik met den Colonel FOURGEOUD op den voet van de vertrouwelykste vriendschap stond, bood ik hem eene teekening aan, verbeeldende de geheele legerplaats van Maagdenberg, die hem dermaten behaagde, dat hy dezelve aan den Prins van Oranje en aan den Hertog van Brunswyk zond, om hen over zyne krygs-verrigtingen te doen oordeelen. Deeze beleefdheid van myn kant bragt al de uitwerking op hem te weeg, die ik verlangen konde; niet alleen wierd ik zyn begunstigde, en hy beloofde my aan het Hof te zullen aanbeveelen, maar zelfs betoonde hy achting voor de Engelschen en Schotten. Ik was over deeze veranderde behandeling van zyne zyde zoo te vreden, dat ik de vyandschap, die in het begin tusschen ons had plaats gehad, aan my zelven meende te moeten wyten. Echter wierd de betoonde achting van den Colonel wel dra afgewisseld door voorwerpen, die al zyn aandacht verdienden; want hy vernam den 14den Juny, dat men eenige hutten van muitelingen aan de zee-kusten ontdekt had; dat de Capitain MEYLAND, met honderd en veertig mannen van het krygsvolk der Sociëteit, den vyand gaande opzoeken, hen eindelyk ontmoet had; maar dat hy gedwongen zynde een diep moeras te doorwaden, deeze Negers hem het eerst hadden aangetast; dat zy verscheiden van zyn volk gedood hadden, waar onder gevonden wierd een jong vrywilliger, die zyn neef was; dat zy 'er een groot aantal van gewond hadden, en de overigen deezer afgezondene krygsbende tot wyken genoodzaakt, schoon hy reeds het moeras was overgetrokken, en deszelfs oever bereikt had, om het dorp stormenderhand in te nemen. Volgens deeze tyding was het klaar, dat de vyand niet was klein te achten; en dewyl men nu eindelyk wist, waar hy te vinden was, ontfing al het krygsvolk, namelyk de zee-soldaten van den Colonel FOURGEOUD, het Regiment van de Compagnie, en de Neger-jagers, die van verlangen brandden, om blyken van dapperheid te geven, bevel om zig onmiddelyk tot den optocht gereed te maken. Men bepaalde hun allen een punt van algemeene vereeniging, en men zond te gelyker tyd een hoop krygsvolk naar den post van la Rochelle, om hier van bericht te geven. Ingevolge van deeze beveelen, maakte zig het geheele leger marschvaardig, en onze soldaten betoonden eenen grooten yver, in de hoop, dat een beslissende slag aan den oorlog, en alzoo tevens aan hunne elende een einde maken zoude: het was dus het oogenblik, om hen tot den aanval aan te voeren; maar onze Opper-Bevelhebber stelde zynen tocht meer dan twee maanden uit, om redenen, hem alleen bekend.

Wy vernamen toen, dat de Capitain BRANT, Bevelhebber op den post van de Hoop, op het punt was, om aldaar van eene zwaare ziekte te sterven. Deeze zelfde post, alwaar zig een groot aantal krygsvolk bevond, was één der ongezondsten uit hoofde der overstroomingen; en vermits ik in dit tydstip één der gunstelingen van den Colonel was, bestemde hy my, om het bevel 'er van op my te nemen, eene eer, die ik, zoo als hy my zeide, aan myn sterk lichaamsgestel moest toeschryven. Uit deeze handelwyze bemerkte ik, dat zyne vriendschap op eigenbelang steunde; en ik gevoelde mynen haat allengskens herleven tegen iemand, die my alzoo veroordeelde om zonder roem te sterven, daar hy my tot eenigen dadelyken dienst met eere gebruiken konde.

By myne komst op de Hoop, moest ik den Capitain BRANT naar Maagdenberg zenden; maar deeze ongelukkige jongeling eenige achterdocht op dien wreeden last hebbende, ging in een besloten vaartuig, eenige uuren voor dat ik aankwam, en begaf zig naar Paramaribo. Echter kwam hy aldaar niet aan, of hy gaf den geest, zoo door de gevolgen van eene heete koorts, als door hartzeer. Niemand verdiende meerder betreurd te worden, dan hy. De Colonel FOURGEOUD verloor een uitmuntend Officier, en ik een oprecht vriend.

Dewyl hy de tweede Bevelhebber was, die in zeer korten tyd op deezen post het leven liet, nam ik gerustelyk tot myne zinspreuk: Hodie mihi, cras tibi: (van daag my, morgen u:) maar by geluk bedroog ik my, en ik was altyd zoo welvaarende, als ik ooit in myn leven geweest ben. Volgens den raad van den ouden CARAMACA, baadde ik my twee malen daags in de Rivier; ik maakte insgelyks gebruik van myne oude gewoonte, om geene schoenen noch koussen te dragen.

Den 20sten Juny, korte dagen na myne aankomst, had ik de eer een bezoek te ontfangen van den Gouverneur, den heer NEPVEU, die van zyne Plantagie Appecappe te rug kwam, en weder naar Paramaribo keerde. Ik beklaagde hem den rouw wegens het afsterven van zyne huisvrouw, welke hy in't kort verloren had. Ik ontfing ook bezoeken van verscheiden Planters, die my allerleije zoorten van ververschingen van hunne Plantagiën medebragten. In dit oogenblik had ik gelegenheid, om de gebruiken en levens-wyze van deeze West-lndische Nababs te leeren kennen.

Een Planter in de Volkplanting van Surinamen, wanneer hy op zyne Plantagie woont, het geen zeldzaam voorvalt, want doorgaans verkiest hy het verblyf te Paramaribo, staat by het opkomen der zon, dat is, des morgens omtrent ten zes uuren, uit zyne hangmat op. Alsdan begeeft hy zig, onder zyn piazza, of dat zoort van overdekte gaanderye, voor het huis geplaatst, alwaar hy zyne koffy en pyp gereed vindt. Een half dozyn slaven, zoo wel mans als vrouwen, en wel de schoonste, wagten hem aldaar, om hem te bedienen. In dit heiligdom ontmoet hem de Opzigter, na hem van verre verscheide diepe buigingen gemaakt te hebben, en doet hem zeer eerbiedig rekenschap van het werk, het welk des avonds te vooren verrigt is, van het getal der Negers, die weggeloopen, die ziek geworden, die gestorven, die hersteld zyn, van de geenen die men gekocht heeft, of van de kinderen, die geboren zyn; maar vooral van den naam der slaven, die hun werk verzuimd, die eene ongesteldheid voorgewend, die zig dronken gedronken hebben, of agter gebleven zyn. De gevangenen zyn doorgaans by dit bericht tegenwoordig, onder de bewaaring van Neger-beulen, die op het minste teeken hen vast binden, het zy aan de pylaaren of balken der gaanderye, het zy aan boomen, zonder dat de eigenaar zig dikwils verwaardigd heeft de beschuldigden in hunne verdediging te hooren. De veroordeelden eenmaal vast gebonden zynde, vallen de zweepslagen op hen, zonder onderscheid van mans, vrouwen of kinderen. De werktuigen, waarmede deeze straf word uitgeoeffend, zyn koorden van hennip van eene zeer groote lengte, die by elken slag tot in het vleesch indringen, en een geklater maken, gelykende naar het afschieten van een pistool. Zoo lang deeze straf-oeffening duurt, roepen de ongelukkigen by herhaaling: "danky masera": (ik bedank u meester:) en de Planter wandelt met zynen Opzichter rond, zonder op het geschreeuw, het welk hy hoort, eenige acht te geven. Men maakt deeze elendelingen niet los, voor dat zy wel zyn van één gereten; en dan gelast men hun, om oogenblikkelyk weder aan hun werk te gaan: ter naauwer nood verwaardigt men zig, om hen te laten verbinden.

Het straf-uur verloopen zynde, koomt de Heelmeester, die een Neger is, insgelyks om bericht te doen; en men zendt hem weg al vloekende, en zig beklagende, dat hy aan de slaven toestaat ziek te zyn. Na deeze bedienden, koomt 'er eene zeer oude vrouw, die alle de Neger-kinderen van de Plantagie vertoont, waar over zy het bestuur heeft. Deeze kinderen, die reeds in de Rivier gewasschen zyn, klappen in de handen op het zien van hunnen meester; zy groeten hem, staande in de rondte; vervolgens zendt men hen weg, om hun ontbyt van plantainboom-vruchten, of ryst te gebruiken; en even gelyk by het begin, eindigt dit alles met eene diepe buiging van den Opzichter.

Myn Heer doet dan eene wandeling in zyn morgen-gewaad, bestaande in een onderbroek van het fynst Hollandsch linnen, witte zyde koussen, en muilen van geel of rood Turksch leder; het halsboord van zyn hembd blyft open, en over het hembd draagt hy alleenlyk eene loshangende japon van fraaie Indische stof. Zyn hoofd is met een uittermaten fyne catoene muts bedekt, en met een verbaazend groote hoed, die zyn mager en somber aangezicht voor de hette der zon beveiligt: om den lezer in staat te stellen zig een juist denkbeeld van een persoon van dit zoort te vormen, biede ik hem tans de afteekening aan, die ik 'er van gemaakt hebbe. Ik heb het tydstip genomen, dat de Planter, met zyne pyp in den mond, want die legt hy niet neder, uit de hand van eene schoone slavin een glas Madéra-wyn ontfangt, het welk hy uitdrinkt, om daar door geduurende zyne wandeling kragt te bekomen.

Wanneer hy nu langzaam rondom zyne wooning heeft rond gekuierd, of misschien te paard gestegen is, om zyne velden te bezichtigen, en de vermeerdering zyner rykdommen te begrooten, koomt hy tegen agt uuren te rug, om zig te kleeden, indien hy voornemens is eenige bezoeken af te leggen, zoo niet, blyft hy gekleed zoo als hy is. In het eerste geval verwisselt hy alleen zyn onderbroek tegen een broek van dun linnen of zyde. Vervolgens gaat hy zitten, en reikt zyne beide beenen toe aan eenen jongen Neger, die hem de schoenen aantrekt; te gelyker tyd word hy door eenen anderen gekapt of geschoren; en een derde is bezig, om de muggen van hem weg te jagen. Wanneer dit alles is afgeloopen, trekt hy een ander hembd aan, een kamisool, en een rok, die altoos van eene witte stof is. Alsdan brengt men hem onder een groot zonne-scherm, door eenen jongen Neger gedragen wordende, naar zyn vaartuig met zes of agt roeijers, het welk hem wagt, en waar in zyn Opzichter zorg gedragen heeft vruchten, wyn, water en tabak te laten brengen; maar dezelve heeft hem zoo dra niet zien vertrekken, of hy herneemt zynen toon van gezag, en zyne gewoone onbeschoftheid. Indien de Planter, op deezen dag, zyne Plantagie niet verlaat, ontbyt hy ten tien uuren; en om deeze maaltyd te nemen, zit hy aan eene tafel, in eene groote zaal geplaatst, en waar op hammen, gerookte tongen, gevogelte, of gekookte duiven, plantains, zoete cassave, brood, boter, kaas, enz. gevonden worden. Zyn drank is in dit oogenblik of zwaar bier, of Madéra-, Champagne- of Moesel-wyn. Zyn Opzichter houdt hem gezelschap, zig echter op eenen bekwamen afstand plaatsende, en beiden worden zy bediend door de schoonste en wel gemaaktste slaven.--Zie daar, het geen deeze heeren ontbyten noemen.

Wanneer deeze maaltyd geëindigd is, neemt de Planter een boek; hy speelt op het schaakspel, of op de billard, of op eenig speeltuig; tot dat de hette van den dag hem noodzaakt, om in zyne hangmat te gaan leggen, om daar in zyn middagslaap te nemen, welken hy even min kan nalaten, als een Spanjaard zyne siesta of uur van rust. Hy wendt en keert zig in dit zoort van bed, tot dat hy in een diepen slaap gevallen is, en geduurende zynen slaap, houden zig twee van zyne Negers bezig, om tot zyne verkoeling met een waaijer te waaijen.

Tegen drie uuren word hy van zelf wakker: na zig gewasschen en geparfumeerd te hebben, gaat hy wederom aan tafel zitten, om met zynen Opzichter het middagmaal te houden; en zy worden, even als by het ontbyt, door dezelfde slaven bediend. Niets van al het geen het jaargetyde kan opleveren van gewoon vleesch, gevogelte, wildt, visschen, groenten en vruchten, ontbreekt op deeze maaltyd: de uitgelezendste wynen worden 'er in overvloed geschonken; en dezelve eindigt met eene groote kop zeer sterke koffy, en eenige glazen liqueur. Ten zes uuren koomt de Opzichter wederom als des morgens, door beulen en gevangenen gevolgd wordende. De strafoeffeningen beginnen wederom geduurende eenigen tyd, en na dat de eigenaar zyne beveelen voor het werk van den volgenden dag gegeven heeft, zendt hy de vergadering weg, en brengt zynen avond door met ligte punch, of fangary te drinken, op de kaart te spelen, of te rooken.--Myn heer begint gewoonlyk de aannadering van den slaap tegen tien of elf uuren te gevoelen; dan doet hy zig door zyne kamerdienaars ontkleeden; hy gaat vervolgens in zyne hangmat leggen, alwaar hy met de eene of andere van zyne beminden, want hy heeft altyd zyne stoet van vrouwlieden, den nacht doorbrengt. Den volgenden dag, verschynt hy op nieuw onder zyne overdekte gaandery, op het zelfde uur als daags te vooren; hy vindt aldaar wederom zyne pyp en koffy, en met het opkomen van de zon hervat hy zyne genietingen en uitspanningen. Hy is een Vorst in 't klein, zoo verachtelyk, zoo eigenzinnig, zoo willekeurig heerschende, als 'er een is.

Een zoo onbepaald gezag moet in de daad noodwendig ten hoogsten behagen aan iemand, die zeer waarschynlyk in zyn vaderland, in Europa, een niets beduidend wezen was.

Zulke lieden maaken dus fortuin, naardien zeer dikwils in deeze Volkplanting de Plantagiën op tyd verkocht worden door afwezige eigenaars, die zig op de gedaane begrootingen verlaten; en deeze begrooters, het te verkoopen perceel zeer laag waardeerende, zyn het doorgaans met den kooper eens.

Dit zoort van Planters is een pest voor de Volkplanting. Zy maken eene onmatige verteering, en betaalen niemand, onder voorwendzel van slechten oogst, sterfte onder de slaven, enz. Zy mishandelen dezelven door overmaat van arbeid en slagen; zy bederven de Plantagie, waar van zy de voortbrengzels voor gereed geld, en ten laagen pryze verkoopen; en wanneer zy op die wyze hunne beurs gemaakt hebben, verdwynen zy. Men moet echter toestemmen, dat 'er in alles uitzonderingen zyn: ik heb in Surinamen Planters gekend, die door hunne braafheid achtenswaardig waren, en ik heb dezelven reeds genoemd.

Wat de vrouwen betreft, zy geven zig doorgaans aan alle haare driften, en in 't byzonder aan de ontembaarste wreedheid over. Maar te gelyker tyd, dat ik getuigenis moet geven van de verhevene deugden van Mevrouwen ELIZABETH DANFORTH en GODEFROY, en van eenige andere van een onbevlekt caracter, behoor ik ook het gordyn te laten vallen voor alle de onvolmaaktheden der teedere kunne in deeze luchtstreek. Alvoorens van dit stuk af te stappen, moet ik echter opmerken, dat de herbergzaamheid nergens edelmoediger, nog aangenamer word uitgeoeffend, dan hier. Een vreemdeling bevindt zig hier overal, of hy t'huis was: men verschaft hem, met de meest mogelyke gulheid, tafel en huisvesting, op elke Plantagie, het geen van des te meer aanbelang is, om dat men in de nabyheid van alle de Rivieren der Volkplanting Surinamen niet weet, wat eene herberg is.

Om aan myn verhaal eenige afwisseling te geven, zullen wy tans drie zoorten van visschen beschryven, waar op ik myne vrienden onthaalde, zynde de zon-visch, de slang-visch, en de gevlakte kat. De eerste word, even als de zalm, in zoute en zoete wateren gevonden. Hy heeft agttien of twintig duimen lengte, en hy is geheel en al met goude schubben bedekt, die, wanneer hy in helder water zwemt, straalen van zig schynen af te schieten, en die hem zynen naam gegeven hebben. De slang-visch ontleent zynen naam van de gelykheid, die 'er tusschen hem en dit kruipend gedierte is. Het is een zoort van aal, niet zeer groot, maar zwart, hebbende een witten buik, en zynde in alle de Rivieren van dit Land zeer gemeen. De gevlakte kat word alzoo genoemd uit hoofde van de vlakken, waar mede hy bedekt is, en zyne lange knevels. Deeze visch gelykt ten aanzien van deszelfs gedaante vry veel naar een snoek. Hy heeft zeer puntige tanden, maar geene schubben. Hy is zeer vet, en weegt zomtyds tot zeventig ponden toe; zyn vleesch is geelachtig, en men maakt 'er weinig werk van.

De Hoop was tans eene der onaangenaamste verblyfplaatsen. Ik betreurde aldaar zeer het gemis, zoo van myne eerste hut, als van myne lieve gezellinne: de eene viel geheel om ver, en de andere was te Paramaribo. Wy hadden geen enkel mensch, die niet door de koorts, of eenige andere ziekte, was aangetast. De roode loop begon ook verwoestingen aan te rechten. Om onze elende te vergrooten, hadden wy noch Heelmeesters, noch geneesmiddelen, noch iets, waar door wy ons licht bezorgen konden; en ons bleef niets overig, dan zeer weinig brood. Ik was met deeze gesteldheid van ons ongelukkig krygsvolk bewogen, en ik deed onder hen eene uitdeeling van bischuit, citroenen, oranje-appelen, suiker, wyn, gevogelte, en eenige spermaceti-kaarssen, die my in eigendom toebehoorden.

Den 23sten, zond ik twee zieke Officiers, ORLEIGH en FRANSSEN, gelyk mede alle de soldaaten, die vervoerbaar waren, naar het hospitaal te Maagdenberg; te gelyker tyd vernieuwde ik myn ootmoedig verzoek, om van zulk een elendigen post, die bovendien van geen nut ter weereld was, verlost te worden, en ik verzogt, maar te vergëefs, om één van hun te zyn, die tegen de muitelingen optrokken. Ik vernam omtrent in dit tydstip, dat men, beneden mynen post, eene nieuwe verblyfplaats der Negers, niet ver van Paramaribo af gelegen, ontdekt had; en dat hooger op een groot getal manschappen van ons krygsvolk stierf, waar onder men telde den Capitain SEYBOURG, broeder van den Colonel van denzelfden naam, die den 22sten overleed. Deeze was de derde van dien rang, die zedert een maand het leven liet.

Den 26sten, kwamen twee jonge Officiers, die zeer schoone manspersoonen waren, aan; maar die niet meer dienen konden, zynde beiden gekweld met eene breuk, veroorzaakt door het uitglyden, het geen in dit regen-saisoen, wanneer de grond zeer glibberig is, moeielyk vak te ontwyken.

Des avonds van den zelfden dag, was 'er één van onze zee-soldaaten, genaamd SPANKNEVEL, die niet meer te voorschyn kwam, en men ontdekte hem eerst den 29sten, wanneer men hem met een koord van een heestergewas aan een boom hangende vondt. Geen van zyne medemakkers wilde hem afsnyden, om dat hy zig zelf had van kant geholpen. Zy beweerden, volgens hunne vooroordeelen, want zy waaren allen Duitschers, dat zy, met hem aan te raken, zig even eerloos zouden maken, als hy zelf was. Ik was dus genoodzaakt hem door de Negers te laten afnemen en begraven.

Eindelyk ontfing ik bevel tot myn vertrek, en ik begaf my oogenblikkelyk met den Capitain BOLTS naar Goed-Accord, waar van de eigenaar en eigenaresse, de heer en mevrouw DE LANGE, ons zeer beleefdelyk ontfingen. Deeze Suiker-Plantagie is de laatste aan de Rivier Commewyne, en uit dien hoofde is zy in de nabyheid der muitelingen gelegen, die dikwils moeite doen om de slaven te verleiden; maar men behandelt dezelven aldaar met veel toegevenheid en goedheid, om alle muitzucht van hunnen kant voor te komen, en hen aan te zetten om de Plantagie niet te verlaten.

Ik zag aldaar eene groote nieuwigheid: namelyk eene jonge Negerin, die in den zuiveren natuurstaat de tafel bediende. Ik betoonde my uittermaten verwonderd, toen ik haar zag te voorschyn treden; en dadelyk vernam ik naar de reden van deeze vreemde gewoonte. De vrouw van den huize antwoordde my zediglyk, dat zulks plaats had, overeenkomstig de schikking der moeders en opzigteressen, als een middel ter voorkoming van eenen al te vroegtydigen omgang met manspersoonen, waar door haare kragten verminderd, haare groei belet, en haare gestalte bedolven zouden worden. De slaven op deeze Plantagie, zoo mans als vrouwen, waaren de schoonsten, welken ik immer gezien heb. Hunne schoone gedaante, hunne levendigheid, hunne sterkte en yver konden met die der Europeanen gelyk gesteld worden. De Neger PHILANDER, dien ik reeds als een voorbeeld van schoonheid heb aangehaald, behoorde tot dezelven.

Des anderen daags, vertrokken wy naar Maagdenberg, een uur voor het ondergaan der zon, en in een klein vaartuig, alleenlyk met een zonnescherm overdekt. Wy deeden zulks tegen den raad van den heer en mevrouw DE LANGE, en wy hadden reden om 'er ons over te beklagen; want naauwlyks hadden wy twee mylen afgelegd, of de nacht overviel ons, gepaard met zulk een geweldigen regen, dat wy byna in het water verzonken, zynde de gang van het vaartuig slechts twee duimen boven water. Het gelukte ons echter, door middel van onze calebassen en hoeden, om het zoo ledig te scheppen, dat het vlot bleef. Te gelyker tyd zat 'er een Neger voor op, houdende een haak lynrecht voor uit, om te beletten dat ons vaartuig niet omsloeg, wanneer het door onbedachtzaamheid, in het midden der duisternis, waar in wy ons bevonden, tegen de wortels der Palmietboomen stootte, die langs de oevers van het bovenste gedeelte van de Commewyne in grooten getaale groeijen.

Wy kwamen op deeze wyze, des avonds ten tien uuren, op de Plantagie Jacob aan. Het vaartuig was met het water gelyk, en ook niets meer; want de Capitain BOLTS, en ik, waren zoo dra niet op het land gesprongen, of het vaartuig zonk met alle de Negers, die 'er op waren: dadelyk echter bereikten zy al zwemmende den oever. Maar, helaas! een koffer, waar in myn dagregister en myne teekeningen lagen, die my meer dan twee jaaren arbeids en moeite gekost hadden, bevond zig toen onder in het water. Ik was over dit verlies met smarte aangedaan. Een knaphandige Neger echter, verscheiden malen, al duikelende, in het vaartuig gegaan zynde, bragt my mynen kleinen schat te rug, en ik achtte my zeer gelukkig denzelven weder in myne handen te zien, schoon door en door nat geworden zynde. Dus nam onze schipbreuk een einde. Na iets warms gebruikt te hebben, hingen wy onze hangmatten op, en sliepen in dezelve rondom een goed vuur, waar voor ik myne papieren liet droogen.

Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, maar toen wy half weg gekomen waren, wierden wy tegengehouden door eenen zwaaren boom, die; om ver gevallen zynde, een dam in de kreek maakte, zoo dat het vaartuig nooit op of neder komen konde. Wy keerden naar de Plantagie Jacob te rug, en waren genoodzaakt, ons van daar naar de plaats van onze bestemming te voet te begeven, dwars door allerleije zoorten van struiken, distelen, doornen en heestergewassen, alwaar wy door nat, en geheel met bloed bedekt, aankwamen. Myne enklauw, die begon te geneezen, wierd andermaal tot op het been open gereeten: de veelvuldige doornen, die wy by elken tred ontmoetten, maakten dezelve weder byna geheel ontbloot.

Wy vernamen hier, dat ORLEIGH, één van de twee Officieren, welken ik, geduurende myn laatste verblyf op de Hoop, naar Maagdenberg ziek verzonden had, niet meer in leven was. Op die wyze vergingen byna allen de geenen, die de laatste maand op deezen eersten post hadden doorgebracht, van waar geen enkel soldaat gezond te rug kwam. Ik ben vastelyk overtuigt, dat hun onheil veröorzaakt wierd door de sterke hette van de drooge en brandende maand Juny, welke zy ondervonden, na in het midden van een moerassigen streek gegaan en geslapen te hebben, en na, geduurende het laatste regen-saisoen, aanhoudende stortregens op hun lichaam ontvangen te hebben. De sterkte van myn gestel deed my echter aan zoo veele gevaaren ontsnappen, en ik besloot, zoo mogelyk, myne gezondheid te bewaaren, al lachende en zingende, (God vergeeve my dit!) terwyl een groot aantal menschen rondom my zuchtten, steenden, en den geest gaven.

NEGENTIENDE HOOFTSTUK.

Optocht van het Krygsvolk naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica.--De Palmboom-kool, en de Mauricy.--Heete koorts. --Trek van dankbaarheid in eenen Engelschen Matroos. --Verscheiden soorten van Peper.--Citroen- en Limoen-boomen.--De Mammy-appel.--Pimpernooten.--Regeering in Surinamen. --Honden van Guiana.--Ongemeene trek van edelmoedigheid.

Het regen-saisoen op nieuws naderende, trok de Colonel FOURGEOUD, na uit zyne soldaten die geenen te hebben uitgekozen, die de gezondsten waren, en in 't geheel niet meer dan een getal van één honderd en tachtig bedroegen, in aantocht, op den 3den July 1779, naar Barbacoeba, aan de Rivier Cottica, eene plaats, welke hy tot eene algemeene verzamelplaats, alvoorens de muitelingen aan te tasten, bepaald had. Ik had de eer onder het getal der geenen, die vertrekken moesten, te behooren; maar den Heelmeester verklaard hebbende, dat ik gevaar liep myn voet kwyt te raaken, indien ik door de bosschen ging, ontfing ik bevel, om op Maagdenberg te blyven, met vermogen echter, om, indien ik binnen kort hersteld was, my by den Colonel te vervoegen, en, zoo goed ik konde, my naar Barbacoeba te begeven. Myn been was op dit oogenblik zoo ontstoken, en zoo zwart, uit hoofde van het dood vleesch, dat de Heelmeester van den Colonel KNOLLAERT, beducht was tot de afzetting te zullen moeten besluiten, en dat ik zonder zeer zwaare pyn niet recht op staan konde.--Ik zal 'er het lidteeken van dragen, zoo lang ik leeve.

Geduurende dit myn agterblyven, ontfing ik dagelyks van PHILANDER en andere Negers, welken ik altyd met zachtheid behandeld had, geschenken, waar onder een kookzel van kool van Berg-Palmboom gevonden werd. Onder alle zoorten van Palmboomen-kool is deeze de meest geachte. De boom, die dezelve voortbrengt, verheft zig zomtyds tot de hoogte van vyftig voeten. Zyn harde houtachtige stam, in zeer dicht op elkander volgende gelederen verdeeld, en van binnen vol merg, even als de vlierboom, heeft eene helder bruine kleur: deeze stam, die in evenredigheid van zyne hoogte dik is, loopt zeer recht, en eindigt puntsgewyze, even als de mast van een schip. In de hoogte word hy van eene donker groene kleur, veröorzaakt door de bekleedzelen, waar uit zig de takken vormen, die horizontaal uitloopen, even als de kroon van een ananas of van een pynappel. Deeze takken zyn van wederzyden bedekt met zwaare blaaden van drie voeten lang, van eene donker groene kleur, zeer puntig, maar gevouwen, verwardelyk geplaatst, en niet bevallig nederhangende, zoo als die van den Latanus- of Kokos-boom. Het zaad is besloten in eene zoort van bruine kelk of scheede, die uit het middenpunt der takken voortspruit, naar den grond nederhangt, en in kleine ronde nooten bestaat, die by elkander zittende, het voorkomen hebben van trossen rozynen, maar naar maate van haaren omvang zoo lang niet. Indien men de kool begeert, moet men den boom afhouwen. Dit geschied zynde, berooft men hem van zyne takken, en van het groen bekleedzel, het welk dezelve voortbrengt. Vervolgens neemt men het hart of de kool, die wit is, en twee of drie voeten lang, dik als de arm van een mensch, en rond als een cylinder van gepolyst yvoor. Zy bestaat uit ligte, langwerpige en witte bladeren, naar zyde linten gelykende, en gereed om het daar op volgend bekleedzel op te leveren, maar zoodanig in malkander gesloten, dat zy een vast en breekbaar lichaam vormen. Deeze vrucht, wanneer men ze raauw eet, heeft den smaak van een amandel, schoon nog teederer en lekkerder: wanneer zy gekookt is, heeft zy den smaak van bloemkool. Men plukt ook deeze lange en dunne bladen één voor één af, en maakt 'er eene uitmuntende salade van. Maar de kool der Palmboomen, het zy raauw, het zy gekookt, verwekt buikloop, wanneer men 'er te veel van eet. In derzelver holligheid, na dat alle de bladeren zyn weg genomen, legt een zwarte koren-worm zyne eieren, waar uit de palmboom-wormen voortkomen. De zachte zelfstandigheid, die nog in het hart van de kool overig is, dient, wanneer zy begint te verrotten, aan deezen worm tot voedzel. De kool van den Latanus-boom en andere zoorten van Palmboomen, word zoo groot niet, is minder zoet, en van eene verschillende gedaante van die, waar van ik zoo even sprak.

De Mauricy [31]is zekerlyk de grootste van alle Palmboomen, ja van alle andere boomen, die in de bosschen van Guiana groeien. Ik kan verzekeren, dat ik eenige boomen van dien naam gezien heb, wier toppen meer dan honderd voeten boven den grond scheenen verheven te zyn. Derzelver omvang was van tien of twaalf voeten aan het dikste van den stam, dat is, op een vierde van den boom van den wortel af gerekend; want van daar af vermindert hy, zoo wel naar beneden als naar om hoog, eene byzonderheid, die misschien aan alle andere Reizigers of Schryvers ontsnapt is. Hy heeft ook eene helder bruine of gryze kleur, en is tot de plaats, alwaar de takken beginnen, in gelederen verdeeld. Deeze takken neemen hunnen aanvang by den top des booms, en zyn lang, groen en boogswyze gekromd, bloot tot aan derzelver einde, waar uit lange en breede bladeren voortspruiten, zynde gevingerd, en van eene bleek groene kleur, zeer regelmatig op eene bolronde manier geschaard, en maakende een zoort van straalen, zoo als een ronde waijer van zig afgeeft. Naar maate dat de jonge takken zig uit het middenpunt naar den top verheffen, verwelken de oude, hangen naar den grond, en worden de speelbal der winden. Uit het midden der groene bladeren, trekken de Indianen lange vezelen of witte draaden, zoo als zy van de zyde-plant doen. Deeze vezelen zeer sterk zynde, maaken zy daar van netten om te visschen, koorden om hunne bogen te spannen, of zy laten ze zoodanig als zy zyn, om 'er zig tot andere gebruiken van te bedienen. Uit het middenpunt der takken koomt het zaad voort, het welk ook in de gedaante van lange risten uyen nedervalt. Ik heb verscheide afbeeldingen van deeze Palmboomen gezien; ik durf verzekeren, dat ze niet getrouw zyn, en volgens verbeelding of valsche beschryvingen uitgevoerd; maar ik staa 'er by het publiek voor in, dat de tans aan hun aangebodene afteekening naar de natuur en op de plaats zelve gemaakt is. Dezelve bevat den Berg-Palmboom, en den Mauricy, boomen, die door hunne takken en bladeren van elkander verschillen. Op de plaat, die ik den lezer aanbiede, beteekent de letter A den stam van den Berg-Palmboom; de letter B deszelfs takken, van den boom afgescheiden; en de letter C het zaad, of de kelk, die het zelve in zig bevat; de D geeft den stam van den Mauricy te kennen; de E één van deszelfs nederhangende takken; de F beteekent den Korenworm, die den Palmboom-worm voortbrengt; de G dien worm zelven, die zoo lekker, nog zoo vet niet is, dan die van de kool van den Berg-Palmboom. Geene andere gelegenheid hebbende om te vertoonen, op welke wyze de Indianen en de Negers op de boomen klimmen, heb ik op deeze Plaat, onder de letter H, één der laatstgemelden vertoond, die op een jongen Mauricy klautert. Geen van beiden doen dit door den stam van den boom met de armen en beenen te omvatten, maar door denzelven met de hand vast te houden, en 'er beurtelings den voet op te zetten. Zy gaan alzoo voort op eene wonderbaarlyke manier; en door dit middel scheurt hen de schors niet op; maar 'er is zeker veel behendigheid, oeffening en kragt noodig, om daar in wel te slagen.

Ik heb, zoo ik meen, breedvoerig genoeg gehandeld over deeze onderscheidene zoorten van Palmboomen, en ik gaa tans over, om het dagverhaal van onze krygs-verrigtingen te vervolgen.

Ik heb gezegd, dat alle de Officiers, en de meeste soldaten, die den post van de Hoop bezet hadden, gestorven of gevaarlyk ziek waren, en dat ik aan de besmetting ontsnapt was. Maar, helaas! het was tans myn beurt! ik had slechts een uitstel, en niets meer, want den 9den wierd ik door die zelfde heete koorts aangetast, die alle de anderen had in het graf gesleept, en waar aan myn Neger QUACO op dit oogenblik zeer ziek lag.

Den 14den, was ik genoodzaakt het bevel aan een ander Officier af te staan, en Maagdenberg te verlaten, om my naar Paramaribo te begeven, maar ik kon niet verder komen, dan Goet-Accord, alwaar men den 15den niets anders dan het oogenblik van mynen dood verwagtte. Tot dit uiterste gekomen zynde, vond eene oude Negerin middel, om my een weinig gekarnde melk, met garst en syroop van suiker gekookt, te doen gebruiken; dit was het eerste voedzel, het welk ik, na dat ik ziek geworden was, genuttigd had. Het deed my zekerlyk een zeer grooten dienst; en des anderen daags was ik in staat om vervoerd te kunnen worden. Myn kleine QUACO was ook veel beter.

Des avonds van den 16den, kwam ik te Fauconberg aan, alwaar ik een pakje met zeven of agt brieven van myne vrienden vond, gepaard met een geschenk van gezouten ossen-vleesch, en gedroogde tongen, Madéra-wyn, Engelsch bier, rhum, en twee kruiken heerlyk citroen-sap met suiker gemengd,en daarënboven een beste ham, en een fraaije jagthond, die beide my gezonden waren door CHARLES MACDONALD, den zelfden Engelschen matroos, met wien ik op de Hoop in vriendschap geraakt was; beide zyne geschenken kwamen uit Virginie. Dit blyk van erkentenis en edelmoedigheid van deezen braven jongen, beantwoordt volkomen aan het waar caracter van den Engelschen zeeman, en deed my groot vermaak. Onder het getal van myne brieven waren 'er twee, voor my van het grootst gewicht, de één was van den heer LUDEN van Amsterdam, en de ander van den heer DE GRAAF, zynen Bestuurder op Paramaribo. Zy verwittigden my, dat myne beminnelyke JOANNA en myn zoon ter myner beschikking waren, voor de somme van twee duizend gulden, die, met de bykomende onkosten, byna twee honderd ponden sterling zouden uitmaken, dog welke ik buiten staat was op dit oogenblik te kunnen betaalen. Ik was reeds eene andere somme van vyftig ponden sterling schuldig, welke ik geleend had, om den koopprys van mynen Neger QUACO te voldoen; myne JOANNA, wel is waar, was my van eene oneindig grootere waarde; en schoon men haar had gewaardeerd op het twintigste gedeelte van de geheele Plantagie, die voor niet meer dan veertig duizend guldens verkogt was, konde ik eene jeugdige vrouw, met zoo veele volmaaktheden begaafd, niet te duur koopen; maar men moest met dit al in staat zyn, om het te kunnen betaalen.

SALOMON heeft met reden gezegd, dat goede tydingen, uit ver afgelegene landen komende, voor de ziel dat geen zyn, het welk frisch water voor een zeer dorstig mensch is. De berichten, die ik in dit tydstip ontfing, deeden my in 't eerst herleven; maar eene nadere overweging overtuigde my wel dra, dat het my onmogelyk was, om my eene zoo groote somme aan te schaffen, en ik was ruim zoo ongelukkig als te vooren. Intusschen deelde ik alle de ontfangene geschenken onder de nabestaanden van JOANNA uit, uitgenomen echter den hond en de ham. Deeze goede lieden baden my aan; en geduurende alle de betuigingen van hunne liefde, riep ik uit: "Dat ik niet ryk genoeg ben, om hen allen vry te koopen!" Ik bevond my toen uittermaten zwak, niettemin oordeelde ik my in staat, om des anderen daags de Rivier af te zakken, tot aan de Plantagie Bergshoven, waar van de Bestuurder, de heer GOURLAY, de beleefdheid had, om my, in een gemakkelyk vaartuig met zes roei-riemen, naar Paramaribo te laten brengen; maar ik stortte wederom in, en ik kwam, des avonds van den 19den, in deeze Stad aan, zynde naauwlyks meer in leven. Ik had den voorigen nacht op eene Plantagie, Jalosy genaamd, doorgebragt, alwaar ik byna den geest gaf.

Ik kan de Rivier Commewyne niet verlaten, zonder den lezer eene afbeelding aan te bieden van een gezicht van Maagdenberg aan de Tempaty Kreek, en nog een van den post van Calais, by de Hoop, aan den mond van de Consavina-Kreek.

Te dier tyd eene goede huisvesting by den heer DELAMARE hebbende, en door de teederlievende JOANNA opgepast wordende, had ik ten minsten rust; en den 25sten, bevond ik my in staat, om voor de eerste keer uit te gaan, en by Mevrouw GODEFROY het middagmaal te gaan nemen. De tafel was by deeze vrouw van de gezondste spyzen, en de verfrissendste vruchten overvloediglyk voorzien. Onder de laatstgemelde, en de planten, die tot herstelling der gezondheid geschikt zyn, en welke dit Land voortbrengt, moet men verschillende zoorten van pepers en de limoenen rekenen. De eerste zyn de cica-peper, de lattaca, en de dago-pipy, zoo als de Negers dezelve noemen; want zy geven aan elke zaak eene benaming naar de overëenkomst, die tusschen dezelve en eenige andere zaak gevonden word. Deeze verschillende zoorten van peper zyn in Europa bekend onder den naam van peper van Caijenne, van piment, en van capsicum, of peper van Guinée. De naam van cica, of chiga, welken men in Surinamen aan de eerste geeft, koomt daar van daan, dat derzelver korrel gelykt naar het insect, chiga of chigoe genaamd, het welk ik beschreven heb. De andere heeft de gedaante van rotten-stronten. Deeze drie zoorten, gelyk ook alle andere, groeien aan heesters, die groen zyn, en niet zeer hoog opschieten. De peper, welke zy allen voortbrengen, is van de allerheetste, en trekt den mond by één; wanneer zy ryp is, heeft zy een scharlaken, of liever bloedkleur. De Europeanen eeten byna geene spyzen, welken zy niet met peper aanzetten: de Negers, en vooral de Indianen slokken ze met geheele greepen in, niet alleen om dat zy 'er ongemeen veel van houden, maar ook om dat zy dezelve als een uitmuntend geneesmiddel tegen een groot aantal kwalen beschouwen.

De limoenen groeijen aan een zeer schoonen boom, genaamd Limoen-boom, waar van de bladen en vruchten veel kleiner zyn, dan die van den citroen-boom, en de laatstgemelden van een veel schitterender geele kleur, dan de citroenen. Zy hebben ook een veel fyner schil, en zyn vol van een zuur sap, het lekkerste, dat ik ken, en waar van de geur alleraangenaamst is. Deeze vruchten zyn zeer nuttig voor de soldaten en matroozen, die ze in dit Land voor het opraapen kunnen krygen, zoo dat men hen niet zeldzaam hunnen ledigen tyd ziet doorbrengen, met dezelve in groote meenigte te verzamelen, om ze met manden vol naar het schip te voeren. Men ontmoet, door de geheele Volkplanting van Surinamen, heggen van Limoen-boomen; en by de Stad Paramaribo groeijen zy aan den weg. Het is zeer te bejammeren, dat men deeze limoenen niet naar Europa kan overvoeren; maar men voert vaatjes, met derzelver sap gevuld, derwaarts. De inwooners deezer Volkplanting leggen ze in suiker, en bewaaren ze in groote aarde kruiken.

Op het na-gerecht van deeze zelfde maaltyd, merkte ik, onder verscheide uitmuntende vruchten, een zoort van appel op, welken men alhier mammy noemt. Deeze groeit aan een boom van de gedaante van een oranje-boom, waar van de schors grys is, het hout witachtig en ruw, en het blad zeer dik, glad, driehoekig en zonder vezelen. Deeze vrucht, die byna rond is, en eenen omtrek van vyf of zes duimen maakt, is met eene harde en roest-kleurige schil bedekt; derzelver vleesch heeft de kleur van wortelen, en ook dezelfde vastheid. Het bevat twee groote nooten, waar van de amandelen bitter zyn; maar de vrucht heeft een uitmuntenden smaak: het is een mengzel van zuur en geurigheid, het welk alle andere in deeze Volkplanting overtreft. Men vindt in Surinamen ook tweederlei zoort van amandelen, gewoonlyk door de Negers pistaches en pinda genoemd. De eerste gelyken naar kleine kastanjes, en groeien als trossen aan den boom; de tweede worden voortgebracht door een heestergewas, en vormen zig onder den grond. [32] Beide zoorten van deeze amandelen zyn olyachtig en zoet; de laatstgemelde bevat 'er twee in eene schel; alle zyn zy aangenaam om raauw te eeten, maar nog beter, wanneer zy onder heeten asch gebraden worden.

Dewyl ik van vruchten spreek, is het hier, zoo ik meen, de plaats, om eene misslag van Mejuffrouw DE MERIAN aan te roeren, die verklaart, dat de druiven in Guiana gemeen zyn. Deeze misslag is des te sterker, dewyl men weet, dat de vruchten, die alleen in eene kleine dunne schel besloten zyn, als de druiven, [33] de kerssen, de aalbessen, de aardbeziën, de pruimen, de abrikosen, de persiken, en zelfs de appelen en peeren, de brandende hette van den zonne-keerkring niet verdragen kunnen.

My tans op nieuw te Paramaribo bevindende, is het, zoo ik meen, voegzaam, om het dieren- en planten-ryk voor eenigen tyd te verlaten, en den aandacht van den lezer op het regerings-bestuur van deeze schoone Bezitting te vestigen; een onderwerp, het welk hy misschien zedert lang verwagtte.

Ik heb reeds gezegd, dat twee derde der Surinaamsche Volkplanting tegenwoordig aan de Stad Amsterdam behooren, en dat de West-Indische Maatschappye eigenaar is van het laatste een derde gedeelte. Ik heb ook te kennen gegeven, dat de rechterlyke macht door onderscheidene Raaden van rechts-oeffening word uitgeoeffend. Ik zal dezelve dus tans in hunne orde aanwyzen, zoo als my dit door den Gouverneur, den heer NEPVEU, is mede gedeeld. De eerste is de Raad van Crimineele Justitie, en van Politie. Dezelve bestaat in het geheel uit dertien leden, wier ampten voor hun leven zyn. De Gouverneur, die 'er de Voorzitter van is, verkiest dezelven uit eene dubbele lyst, die hem door de inwooners word aangeboden. De Commandant, of de afgezonden Gouverneur, is eerste Raad. De bedienende Leden van dit Hof zyn derhalven;

De Gouverneur, De Commandant, Een Procureur-Fiscaal, Een Secretaris, Negen Raden.

De kennis van alle lyfstraffelyke zaaken behoort aan deezen Raad; maar de Gouverneur heeft het recht van schorssing der vonnissen, en zelfs om genade te bewyzen.

De Raad van Civiele Justitie bestaat ook uit dertien Leden, die door den eerstgemelden Raad verkooren, en alle vier jaaren vernieuwd worden. De Gouverneur is aldaar ook Voorzitter, en de bedienende Leden zyn:

De Gouverneur, Een Procureur-Fiscaal, Een Secretaris, Tien Raden.

Deeze Raad neemt kennis van alle burgerlyke rechts-zaken, en zelfs van geringe beledigingen.

Na deezen koomt het Subalterne Collegie, of Kamer van kleine zaken, bestaande uit elf Leden, die al mede door den Gouverneur en het eerstgemelde Hof verkozen worden, en behalven den Secretaris, wiens ampt voor zyn leven is, insgelyks alle vier jaaren vernieuwd, en uit de laatst afgegaane Justitie-Raden genomen worden. De bedienende Leden van dit Collegie zyn derhalven:

Een Vice-President, Een Secretaris, Negen Raden.

Het zelve heeft het opper-toezicht over de openbaare gebouwen, over de straaten, over de laanen van oranje-boomen, over de grachten, enz. Het beoordeelt ook de twistgedingen beneden de twee honderd en vyftig guldens; alle geschillen over grootere sommen moeten voor het Hof van Civiele Justitie gebragt worden.

'Er is ook nog een ander Collegie, namelyk de Wees- en onbeheerde Boedel-kamer. Het bestaat uit

Verscheiden Commissarissen, Een Secretaris, Een Boekhouder, Een Thesaurier, En eenen anderen gezworen Secretaris. De bedienden der Finantie zyn: De Ontfanger der in- en uitgaande rechten, De Ontfanger der groote en kleine imposten, De Ontfanger van het hoofd-geld. De Ontfanger der renten.

Ik zal van de bedieningen deezer Amptenaaren meer opzettelyk spreken, wanneer ik de algemeene inkomsten deezer Volkplanting zal behandelen. Ik bepaale my tans tot het geen derzelver Regeerings-bestuur betreft. Ik heb reeds gezegd, dat de Gouverneur aan het hoofd der burgerlyke en der krygszaaken is; de andere openbaare amptenaaren zyn voornamelyk:

De Secretaris van zyne Excellentie, den Gouverneur, Een Provoost, met het doen vervolgen der Negers belast, De Commissarissen van de Magazynen der levensmiddelen, Vier Opzichters over den uitvoer van de suiker, Een Opzichter over de vaten melasse, of syroop van suiker, Een Opzichter over alle de Noord--Americaansche schepen. Twee Omroepers, Twee Sergeanten of Boden van den Raad, Twee Landmeeters, Drie Meters van timmerhout, Een Opzichter over het vee, enz. Een Opzichter over de maaten en gewichten, Drie Hollandsche Predikanten, Een Fransch Priester,

Een Lutersch Predikant, Drie Meesters van openbaare Schoolen, enz.

De krygsmacht bestaat uit elf Compagniën. Elk van dezelve heeft tot Officiers, een Capitain, een Lieutenant, een Ouder-Lieutenant, een Vaandrig, een Secretaris, en een Kassier. De Capitains zyn doorgaans gezworen Priseerders by het verkoopen der Plantagiën, aan de verschillende Rivieren in hunne wyk gelegen.

Zie daar, welke de voornaamste amptenaaren van het bestuur in de Volkplanting van Surinamen zyn. Dit bestuur zoude niet kwaad zyn, indien het niet door eene snoode gierigheid besmet wierd, tot groot nadeel van deeze schoone Bezitting in 't algemeen, en van derzelver inwooners in 't byzonder. Deeze Volkplanting, wel bestuurd wordende, zoude een hof van Eden zyn, niet alleen voor de Europeaanen, maar zelfs voor de slaven. Het zoude niet moeielyk zyn verbeteringen op te geven, noch ook dezelve uit te voeren. Ik zal by eene andere gelegenheid de aanmerkingen mededeelen, welken ik ten deezen opzigte gemaakt heb; en ik twyfele geenzints, of een weinig oplettenheid op een enkel punt, zal de gelukkigste uitwerkingen voortbrengen. En kan ik dan al, even gelyk de Samaritaan, geen balsem op alle wonden gieten, ik zal ten minsten het geneesmiddel kunnen aanwyzen, het welk, op eene gepaste wyze gebezigd wordende, de kwaaien van een groot getal lieden geneezen zoude.

Ik heb de onaangenaame taak ondernomen, om te bewyzen, hoe deeze Volkplanting, door bloeddorstige en gewelddadige middelen, zig zoo dikwils op den oever van haaren ondergang gezien heeft. Hoe roemryker zoude het zyn voor hun, die 'er de magt toe in handen hebben, om niet alleen haar te redden, maar ook met haar, veele fraaie Volkplantingen in de West-Indiën! zy zouden dit doen door middel der beöeffening van eene uitdeelende en algemeene gerechtigheid, en door het geven van een loffelyk voorbeeld van goedwilligheid en menschelykheid.

Ik kan van de verhandeling van het staatkundig bestuur in Surinamen niet afstappen, zonder het afschryven van deszelfs zinspreuk, die met de daaden zoo weinig overëenkomstig is. Zy is deeze: "Justitia, pietas, fides." De wapens zyn in drie deden verdeeld, bevattende, zoo ik meen die van 't Huis van Sommelsdyk, van de West-Indische Maatschappye, en van de Stad Amsterdam: zy worden gedragen door twee klimmende leeuwen, en dienen om het papieren geld te zegelen, enz.--Maar laat ik myn verhaal vervolgen.

Den 30sten, ontmoette ik dien goeden matroos, CHARLES MACDONALD, en dewyl ik dertig kruiken Jamaicasche rhum gekocht had, gaf ik 'er hem eenige van, om hem het geschenk van een ham en van een hond te vergelden; ik voegde 'er een schulp van paerel d'amour by, met zilver beslagen, welke ik hem verzogt tot eene gedachtenis te bewaren. Deeze brave jongen ging des anderen daags weder naar Virginie scheep, aan boord van de Peggy, waar van Capitain was LOUIS, die my beloofde hem tot zynen Stuurman te zullen bevorderen.

De hond, waar van ik zoo even sprak, herïnnert my twee aanmerkingen, welke ik in Guiana omtrent dit zoort van dieren gemaakt heb. De eerste is, dat zy aldaar het vermogen of de hebbelykheid van blaffen verliezen: het is zelfs eene zeer bekende zaak, dat de honden, die aldaar geboren zyn, nooit geblaft hebben. De tweede is, dat zy aldaar nooit door de watervrees worden aangetast, ik herïnner my ten minsten niet een enkelen dollen hond in deeze Volkplanting gezien te hebben, noch 'er van te hebben hooren spreken; deeze laatste byzonderheid is des te opmerkelyker, om dat deeze verschrikkelyke ziekte, in andere Landstreeken, doorgaans word toegeschreven aan de drukkende hette van de honds-dagen, het geen die benaming genoegzaam aanduidt. De Indianen, of inboorlingen van Guiana, hebben allen honden, waar van zy zig tot de jagt bedienen. Deeze dieren zyn mager en klein, zy hebben kort hair van eene vuile witte kleur, een langwerpigen snoet, en recht op staande ooren; zy zyn zeer bekwaam om het wildt op te spooren; maar zy hebben alle de gebreken van de kleine jagthondjens. Ik moet niet vergeten op te merken, dat, schoon de Americaansche honden niet blaffen, zy niettemin een zeer sterk geknor doen hooren. De myne, die, zoo als ik gezegd heb, uit Virginie kwam, was in dit stuk zoo lastig, dat één van myne buuren hem, na verloop van veertien dagen, dat hy by my was, met een snaphaan dood schoot.

Byna op deezen zelfden tyd, kwamen verscheide huisgezinnen van Americaansche vluchtelingen te Paramaribo aan, die verjaagd waren door den oorlog, welke tusschen myn geboorteland en deszelfs Volkplantingen ontstaan was; ik was in de daad over hun lot aangedaan, en ik moet verklaaren, dat niemand ooit meer vriendschap aan een Engelschman betoonde, dan zy my by een groot aantal gelegenheden bewezen.

Den 3den Augustus, wanneer de heer DE GRAAF, die alles met den heer LOLKENS op de Plantagie Fauconberg regelde, in de stad te rug kwam, dacht ik, dat het voegzaam was, om zelf met hem eene schikking te maken, en hem voor te stellen van my een handschrift aan te nemen, tot dat ik de somme dadelyk betaald zoude hebben, waar voor men toestond JOANNA, en mynen zoon aan my te verkoopen, eene somme, die ik bereid was op myne verteeringen uit te spaaren, door, indien het mogelyk was, alleen van brood, zout en water te leven; en zelfs, in weerwil van deeze ongemeene soberheid, had ik twee of drie jaaren noodig, om dezelve by één te halen. De Voorzienigheid liet my niet in deeze verlegenheid; zy zond ter myner hulp die uitmuntende vrouw, Mevrouw GODEFROY, die zoo dra niet onderricht was van de smartelyke gesteldheid, waar in ik my bevond, of zy noodigde my by haar ten eeten, en na den maaltyd, sprak zy my in deezer voegen aan:

"Ik weet, myn lieve STEDMAN, welke uwe gevoelens zyn, en dat het voor een Officier volmaakt onmogelyk is, zoodanig ontwerp, als het uwe, met zyne inkomsten uit te voeren; maar begryp, dat men, zelfs in Surinamen, in zyne vrienden eenige deugd kan ontmoeten: uwe blakende liefde voor deeze jonge vrouw, die dezelve zoo waardig is, en voor uwen zoon, moet, ten spyt van dwaasheid en onverstand, u de achting van alle weldenkende lieden doen verwerven. Ik ben over uwe handelwyze in deeze zaak dermaten getroffen, dat ik my zelve zoude te beschuldigen hebben, indien ik u in de volvoering van zulke loffelyke oogmerken niet behulpzaam was; staa my derhalven toe, om in uw geluk, en in dat van de deugdzaame JOANNA, en haaren zoon, deel te nemen, door u te verzoeken, eene somme van twee duizend guldens, of zelfs eene grootere somme, zoo gy die benoodigd hebt, aan te neemen. Zie daar dit geld, STEDMAN; ontruk daarmede de onschuld, de deugd, de schoonheid, aan de dwinglandye, aan de onderdrukking, en aan de verguizing".

Deeze achtenswaardige vrouw, ziende dat ik haar aankeek, in een staat van volmaakte verstomming, en als of ik het vermogen van spreken verloren had, vervolgde haar gesprek, met eene aanbiddelyke goedheid:

"Laat uwe kieschheid, myn lieve vriend, zig niet ontrusten, noch over deeze zaak bekommeren. Soldaten en zeelieden moeten geene groote plichtplegingen maken. Alles wat ik van u vorder, bestaat hier in, dat gy van dat alles geen enkel woord spreekt".--Zoo dra ik weder in staat was om te spreeken, antwoordde ik haar: "Dat myne geheele verlegenheid daar in bestond, op welke gepaste wyze ik aan haar betuigen zoude, hoe zeer ik van haare edelmoedige goedheid doordrongen was." Ik voegde 'er by: "Dat JOANNA, die my zoo dikwerf het leven had doen behouden, zekerlyk myne onöphoudelyke liefde verdiende, maar dat myne dankbaarheid niet minder duurzaam zyn zoude omtrent iemand, die my in de mogelykheid stelde, om eene jonge vrouw van zulke groote verdiensten van de slavernye vry te koopen;" en ik eindigde, met aan deeze Mevrouw te kennen te geven; "Dat ik voor het tegenwoordige niet het minste gedeelte van die somme zoude aanraken, maar dat ik des anderen daags de eer zoude hebben haar wederom te zien;" en oogenblikkelyk vertrok ik.

Ik was zoo dra niet t'huis gekomen, of ik verhaalde JOANNA, het geen 'er was voorgevallen. Zy smolt dadelyk in traanen weg, en riep uit: "Gado sa bresse da woma! God zegene deeze vrouw." Zy hield aan, dat ik haar aan Mevrouw GODEFROY verpanden zoude, tot dat de geheele somme aan dezelve zoude zyn te rug gegeven. JOANNA verlangde wel vuuriglyk, om haaren zoon vry te zien; maar zonder de voorwaarde, door haar opgegeven, weigerde zy volstrektelyk de vryheid voor haar zelve aan te neemen. Ik zal geen tafereel pogen te schetsen van den stryd, dien ik tusschen liefde en plicht moest doorstaan; ik zal my bepaalen met te zeggen, dat ik het verlangen van dit beminnelyk schepzel, wier gevoelens my meer en meer bekoorden, inwilligde. Ik verklaarde derhalven by geschrift, en overëenkomstig haare toestemming, dat JOANNA, van dien dag af aan, aan Mevrouw GODEFROY toebehoorde, tot dat ik haar de geheele somme, welke zy my geleend had, betaald zoude hebben; en des anderen daags bragt ik haar, met toestemming haarer nabestaanden [34] by deeze Mevrouw, alwaar zy zig voor haare voeten werpende, haar het geschrift ter hand stelde. Maar de onvergelykelyke Mevrouw GODEFROY had het zelve zoo dra niet doorloopen, of zy riep uit: "Laat dit alzoo geschieden! koom, myne JOANNA, ik neem u, niet voor myne slavin, maar tot myn gezelschap. Ik zal voor u eene wooning in myne orangerie doen bouwen; myne slaven zullen u aldaar dienen, tot dat de Voorzienigheid over my beschikt; dan zult gy u volmaakt vry zien, zoo als gy in de daad zyn zult op het oogenblik, dat gy uwe vryheid begeert, als welke gy, zoo door uw goed gedrag, als van wegen uwe afkomst, [35] ontwyffelbaar verdient." Op deeze voorwaarden ontfing ik den 9den het geld, en ik bragt het den zelfden dag in myn hoed aan den heer DE GRAAF. Het zelve op zyne tafel hebbende nedergelegd, verzogt ik hem eene behoorlyke quitantie; en JOANNA was niet meer afhangelyk van de elendige Plantagie Fauconberg, maar alleen van de bescherming der eerbiedwaardigste vrouw, die in de Hollandsche bezittingen, ja misschien in de geheele weereld, gevonden word. Zy bedankte my met eenen oogwenk, welke geen Engel zelfs met een bekoorlyker indruk konde toevoegen.

De heer DE GRAAF, het geld hebbende nageteld, zeide my: "Myn lieve STEDMAN, van deeze somme komen my, als bestuurder der Plantagie, twee honderd guldens. Gedoog, dat ik dezelve niet aanneeme, en alzoo in deeze gelukkige gebeurtenis deele. Ik zal my volkomen betaald oordeelen door het genoegen, van tot het geluk van twee lieden, die zoo veel achting verdienen, te hebben mogen medewerken."

Na deezen belangloozen vriend bedankt, en hem vriendschappelyk de hand gedrukt te hebben, bragt ik oogenblikkelyk de twee honderd guldens aan Mevrouw GODEFROY te rug, en wy waren allen gelukkig.

De menschlievenheid van deeze vrouw bepaalde zig toen niet tot den dienst, dien zy ons deed, want, de deerniswaardige gesteldheid der zieken op Maagdenberg vernomen hebbende, zond zy hun ten geschenke een vaartuig, beladen met vruchten, groenten, en allerleie zoorten van ververschingen.

Den 7den Augustus, schreef ik aan den heer LUDEN, om hem van deeze schikking kennis te geven, en hem te bedanken, dat hy van het gewichtigste gedeelte van zynen eigendom wel hadde willen afstand doen. Myne enklauw op dit oogenblik byna genezen zynde, schreef ik ook aan den Colonel, dat ik de eer zoude hebben, my binnen eenige dagen by hem te vervoegen. Ik zond deezen brief naar Barbacoeba, want hy bevond zig aldaar; steeds, terwyl de onverschrokken Capitain STOELEMAN, met eenige Neger-Jagers de bosschen van eenen anderen kant doorkruistte: dien zelfden dag had hy vier der oproerige Negers naar Paramaribo gezonden. [36]

Den 10den, volmaakt hersteld zynde, en my gereed bevindende om in de bosschen te trekken, nam ik afscheid van myne vrienden, en van myn klein huisgezin, het welk ik by den heer DELAMARE liet, die 'er my om verzogt. Ik vertrok dus wel gemoed in een overdekt vaartuig, om mynen vyfden veldtocht te beginnen, en in de hoop van den Colonel FOURGEOUD te vergezellen. Hy verëenigde alle zyne kragten, en maakte de noodige toebereidzels, om binnen eenige dagen den vyand te gemoet te trekken.

Den 14den, kwam ik te Barbacoeba, aan het bovenste gedeelte van de Cottica; de zelfde plaats, waar ik my bevond, toen ik den slang Aboma doodde. Ik vond aldaar den Bevelhebber, die my zeer vriendelyk ontfing, en gereed stond om des anderen daags te vertrekken. Nooit zag ik de soldaten zoo bemoedigd, noch zoo stipt den dienst waarnemende. Zy wierden door verschillende beweegredenen aangezet: de één, door het vermaak om te vechten; de ander door een geest van wraakzucht tegen de muitelingen; zommigen, die de bedaardsten waren, door de hoop van deezen oorlog te zien eindigen; anderen eindelyk hadden verdriet in een leven, dat door een gestrengen dienst en door ziekten beurtelings wierd afgewisseld, en verlangden, om een roemryk einde aan hunne elende te maken; want 'er is geen ongelukkiger leven, dan dat van een soldaat of matroos, die aan vochtigheid, of aan de hette van eene brandende zon, in het midden van eindelooze bosschen, onder den zonne-keerkring gelegen, by aanhoudenheid is blootgesteld.

TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Beschryving van eenen oproerigen Neger.--Vuurige Mier. --Het wandelend Blad.--Doornhaag-Spinnekop.--Duiven-boonen of erwten van Angolo.--Nadrukkelyke benaamingen, door de Negers gebezigd wordende.--Het innemen van de Stad Gado-Saby, door den Colonel FOURGEOUD.--Trek van bygeloovigheid.--Beleid van den vyand.

De muitelingen, door hun behaald voordeel op den Capitain MEYLAND opgeblazen, waren daarënboven door hunne Spions onderrigt, dat de Colonel FOURGEOUD zig te Barbacoeba bevondt, en zyne soldaaten willende trotseeren, of schrik aanjagen, hadden zy de stoutheid, om den 15den Augustus 1775. de hutten van twee legerplaatsen, welken onze uitgezondene wachten hadden laten staan, in brand te steeken, en een gehuil en geschreeuw te maken, het welk wy den geheelen nacht hoorden. Dit was nogtans van hunnen kant niets anders dan loutere zwetzery; maar het verwekte in onzen Bevelhebber zulk eene gramschap, dat hy zwoer zig met geweld, het koste wat het wilde, te zullen wreeken. Dien zelfden nacht wierden wy ook door een grooten Tyger ontrust; maar hy deedt geen het minste kwaad. Des anderen daags morgens stondt al ons krygsvolk tot den optocht gereed, en met het aanbreken van den dag begaven wy ons in het bosch. Wy waaren twee honderd Europeaanen sterk, bekwaam om dienst te doen; en wy lieten een groot getal agter, die door ziekten belet wierden mede te gaan. De Neger-Jagers, wien het verveelde de beveelen van den Colonel FOURGEOUD te gehoorzamen, verscheenen niet, hoewel zy verwagt wierden, het welk aan den Bevelhebber gelegenheid gaf, om hunne bende voor schelmen en lafhartigen uittemaken. Ik erken, dat ik uittermaten verwonderd was over het agterblyven van myne begunstigden, die op andere tyden zoo veel yver betoond hadden om den vyand te keer te gaan, en die verklaard hadden niets meerder te verlangen, dan eenen algemeenen en beslissenden slag.

Wy trokken deezen dag oostwaarts aan. Na omtrent agt mylen te hebben afgelegd, het geen in een land, waar onöphoudelyk door het weghakken van het geboomte de weg gebaand moest worden, al vry aanmerkelyk is, sloegen wy hutten op, en namen aldaar onze legerplaats. Na zoo meenigmaalen van de oproerige Negers, aan wien wy nu op het punt waren van slag te leveren, gesprooken te hebben, biede ik den lezer eene afteekening aan, verbeeldende één van hun, die op schildwacht staat, en door het hooren afschieten van snaphaanen in de struiken verschrikt is. Twee Jagers schynen het oogenblik om hem te verrassen op eenigen afstand te bespieden. Deze Neger is met een snaphaan en byl gewapend. Zyne hairen, ofschoon wollig zynde, zyn digt aan 't hoofd gevlogten; dit was een teken, waar door de muitelingen van onze Jagers, en van andere Maroni-Negers, die onder hunne bende niet gedoogd wierden, onderscheiden waren. Zyn baard is puntsgewyze gesneeden, zoo als zy dien allen dragen, wanneer zy niet in de gelegenheid zyn, om zig te scheeren. Zyne voornaamste kleeding bestaat in een lap catoen, die onagtzaam om zyne schouders geslagen is, hem voor de ongemakken der lucht beveiligt, en hem dient om 'er op te slapen, het welk een iegelyk van hun altoos onder een dekkleed doet, in de somberste plaatsen, welken hy vinden kan, wanneer hy van zyne medemakkers is afgescheiden. Dezelfde persoon draagt een Camisa, die als een neusdoek om zyne lendenen gebonden is. Zyn zak of weitas is van de huid van 't een of ander dier gemaakt. Kleine catoene koorden zyn om de gewrichten zyner handen en enklauwen tot cieraad gebonden. Eene bygeloovige Obia of tooverband, waar op hy al zyn vertrouwen stelt, hangt hem om den hals. De bekkeneelen en beenderen, welken men in eene zandige Savane verstrooid ziet, zyn waarschynlyk die van zyne vyanden.

De twee Jagers, welken men in't verschiet bemerkt, zyn door hunne roode mutsen kenbaar. Het is aanmerkens waardig, dat de muitelingen zig verscheiden malen van deeze onderscheidende teekenen meester maakten, en dat zy, dezelven staande het gevecht op hun hoofd gezet hebbende, niet alleen hun leven behielden, maar zelfs des te gemakkelyker hunne vyanden konden afmaken.

Zy hebben dikwerf eene andere krygslist gebruikt. Dewyl het schietgeweer zeldzaam onder hen was, voegden zig verscheiden onder hunne gelederen, dragende een stuk hout, het welk ten naasten by als een snaphaan gehouwen was, op den schouder. Deeze list heeft dikwils de slaven der Plantagiën belet, om dezelven te verdedigen, wanneer deeze muitelingen ze kwamen plonderen: zulks heeft zelfs meer dan eens een zoo grooten schrik verwekt, dat men hen hunne oude woonsteden, na de vrouwen en kinderen weggevoerd te hebben, zonder tegenkanting in brand liet steken.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg west-waarts over hoog land. Het was een zoort van keten van bergen, die, zoo ik my niet bedriege, in dit Land doorgaans van het oosten naar het westen loopt, zoo als ook in de verdronken zandwoestynen en moerassen plaats heeft. Wy leiden geenen zoo grooten weg af, als daags te vooren, en toen wy stil hielden, ontfingen wy bevel om onze hangmatten uit te spreiden, en daar op te gaan slapen, zonder eenig overdek, om den vyand geene kennis te doen bekomen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, het geen zekerlyk gebeurd zoude zyn, indien wy in het bosch boomen gekapt hadden: bovendien wierd ons niet toegestaan vuur aan te leggen, noch te spreken; en men hieldt naauwkeurig de wacht rondom de legerplaats. Deeze voorzorgen waren in de daad aller noodzakelykst: maar zoo al de muitelingen ons niet ontdekten, wy wierden ten minsten door groote muggen en insecten, die uit een naby gelegen moeras opkwamen, van één gereten. Wat my betrof, ik leed hier meer, dan ik immer geleden had aan boord der elendige vaartuigen, toen ik my op den wachtpost aan de Cottica bevond. Het was ons verboden deeze insecten door rook te verdryven; en in die deerniswaardige gesteldheid, zag ik soldaten, die met hunne bajonetten gaten in den grond groeven, om hun hoofd daar in te leggen, terwyl zy voor over op den buik, en met hunne hangmat overdekt, lagen te slapen. Het was volstrekt onmogelyk in eenige andere ligging den slaap te vatten.

Echter konde ik, den raad van eenen Neger-Slaaf volgende, een weinig genot van den slaap hebben: "Masera", zeide hy my, "klauter met uwe hangmat op den hoogsten boom, die 'er in de legerplaats staat, en slaap aldaar. Gy zult aldaar door geen enkel insect ontrust worden; want de geheele zwerm zal door den reuk van deeze meenigte sterk zweetende menschen benedenwaarts gelokt worden".--Ik beproefde oogenblikkelyk dit middel, en sliep byna honderd voeten boven myne medemakkers, welken ik, uit hoofde van de onbegrypelyke meenigte en het aanhoudend gebrom deezer onaangenaame insecten, niet eens bemerken, noch zelfs hooren konde.

Van dien aart was gewoonlyk het voornaamste ongemak van den nacht; maar des daags wierden wy aanhoudend aangevallen door geheele legers van kleine mieren, alhier vuur-mieren genoemd, uit hoofde van de pyn, die hunne beet verwekt. Deeze insecten zyn zwart, en van het kleinste zoort; maar zy verzamelen zig in zulk een groot getal, dat hunne mieren-nesten, door derzelver dikte, ons dik wils eenigermaten den weg belemmerden, en dat, indien men 'er by ongeluk op trapte, men dadelyk de beenen en voeten door deeze dieren bedekt had, die met hunne klauwen de huid zoo geweldig vast hielden, dat men hun eerder den kop van den romp zoude draaien, dan hen te doen los laten. De brandende pyn, die zy veroorzaken, kan, naar myn inzien, niet eeniglyk uit de zeer scherpe gedaante van hunne klauwen voortkomen: ik meen, dat zy door een zeker vergift, het welk zy in de wond laten loopen, of deeze naar zig trekt, moet worden voortgebragt. Ik kan verzekeren, dat ik hen aan eene geheele compagnie soldaten zulk eene trilling heb zien veroorzaken, als of zy door kokend water gebrand wierden.

Den 17den, trokken wy tot negen uuren verder oostwaarts op: vervolgens noordwaarts, en dwars door eene groote meenigte mataky wortels, welken ik reeds beschreven heb; het geen ten bewyze strekte, dat wy afzakten; en de grond wierd in de daad zeer moerassig. Gelukkig echter, schoon wy in het regen-saisoen waren, viel 'er weinig water.

Dien dag hielden wy omtrent vier uuren des avonds stil, want de Colonel wierd door eene koorts met koude aangetast.

Terwyl ik in myne hangmat, die aan twee zwaare takken was opgehangen, lag te slapen, viel myn oog op iets, het geen ik in 't eerst een blad van een boom meende te zyn, maar my vervolgens bleek zig te bewegen, en op den stam van den boom voort te schuiven. Oogenblikkelyk opgestaan zynde, riep ik verscheiden van myne medgezellen, om hun dit zelfde te doen zien, en dadelyk riep een Officier van 's Compagnies krygsvolk uit; "het is het wandelend blad"! Na een naauwkeurig onderzoek bevonden wy, dat het een insect was, wiens vlerken zoo zeer naar een blad gelyken, dat verscheiden lieden het voor een voortbrengzel uit het Plantenryk hebben aangezien: het was een zoort van springhaan, maar bedekt met vier vlerken van eene eironde gedaante, en van omtrent drie duimen lengte, waar van de bovenste zoo aan elkander vast kleefden, dat zy juist een bruin blad met deszelfs vezelen scheenen te vertoonen.

Ik keerde dus naar myne hangmat te rug. De lucht was helder, de maan scheen tusschen het loof der boomen, en ik viel in eenen diepen slaap, overpeinzende de wonderen der natuur; myn slaap duurde tot middernacht, toen ik, te midden der dikste duisternis, en eenen zwaaren stortregen, ontwaakte door het gehuil en geschreeuw der muitelingen, die te gelyker tyd eenige snaphaan-schoten deeden. Hun schieten echter bereikte de legerplaats niet, en wy waren uittermaten verlegen, want de donkerheid maakte het ons onmogelyk, om een juist denkbeeld van hun oogmerk te vormen. Zy hielden op die wyze aan tot het aanbreken van den dag, het geen ons elk oogenblik deedt verwagten van door hun omcingeld te worden: dienvolgende verdubbelden wy onze waakzaamheid.

Des anderen daags morgens rolden wy onze hangmatten op, en trokken noordwaarts aan, naar den kant, van waar den voorigen nacht het geluid zig hadt doen hooren. Grootendeels in onze rust gestoord geweest zynde, waren wy zeer vermoeid, en vooral de Colonel, die moeite had, om het staande te houden, zoodanig was hy door de koorts verzwakt. Ik voerde het bevel over de voorhoede. Wy hadden geen twee mylen afgelegd, of een oproerige Neger sprong byna voor myne voeten van onder eene doornhegge, alwaar hy was gaan liggen slapen, maar dewyl wy last hadden, om op de geenen, die verdwaald waren, geen vuur te geven, ontsnapte hy ons, en liep zoo gezwind als een hart dwars door de struiken weg. Ik gaf 'er bericht van aan den Bevelhebber, die zwoer, dat hy een spion was, en ik geloof, hy had gelyk: dadelyk vergat hy, om zoo te spreken, zyne kwaal, en verdubhelde zyne schreden met groote drift. Onze vervolging echter was, ten minsten deezen dag, vruchteloos, want op den middag vervielen wy in een groot moeras, waar uit wy veel moeite hadden ons te redden; en wy waren genoodzaakt onze legerplaats van den laatst voorgaanden nacht te hernemen, na twee soldaten van 's Compagnies krygsvolk verloren te hebben, welken wy vooronderstelden, dat in het moeras versmoord waren.

Dien zelfden dag zagen wy eene groote meenigte Roucou-boomen, die in dit gedeelte van het bosch overvloediglyk gevonden wierden. Des avonds boodt een slaaf my een Doornhaag-Spinnekop aan. Dezelve was van zulk eene grootte, dat zy, in een kistjen van agt duimen hoog geplaatst zynde, den rand met eenige van haare pooten raakte, terwyl de andere op den grond stonden. De Schepping levert geen afschuwelyker wezen op, dan deeze ysselyke Spinnekop, welke de inwooners van Surinamen te onrecht voor de Tarantula houden. Derzelver lyf is verdeeld in twee deelen; het agterste is eyrond, en heeft de gedaante van een appel; het voorste is vierkant, en de kop gelykt naar een zoort van star, die 'er aan vast gehecht is. Dit gedrocht heeft vyf paar groote pooten met vier gelederen. Het is geheel zwart, of van een donker bruine kleur, en, zoo wel het lyf als de ledematen, geheel overdekt met lange, dikke en zwarte hairen, veel gelykende naar die van een rups. Elke poot is met een zoort van geele en kromgebogen klauw gewapend. Uit den kop komen twee lange tanden, die met de binnenwaarts gebogene punten een schaar vormen, even als die van een krabbe, waar van zy zig tot het aanpakken van haaren buit bedienen. Het steeken van dezelve verwekt altyd de koorts, zoo het al niet doodelyk is door het vergiftig vocht, het welk zy in de wonde laat loopen. Deeze Spinnekop heeft agt oogen, gelyk de meeste anderen, en voedt zig met allerleije zoorten van insecten. Men beweert, dat de jonge vogelen aan dit dier niet onsnappen kunnen, en dat het derzelver bloed uitzuigt. Deszelfs webbe is niet zeer uitgestrekt, maar zeer sterk. Om kort te gaan, het is een verschrikkelyk dier, waar van 't gezicht alleen in staat is, om aan de lieden zelfs, die aan de beschouwing van de wanstaltigheden der natuur het meest gewoon zyn, een afgryzen te verwekken. Alle de gevaaren, alle de plagen, waar aan men dagelyks in de bosschen van deeze gezengde landstreek is bloot gesteld, zyn talloos. Ik heb 'er reeds een groot gedeelte van aangehaald, en 'er schieten 'er nog wel zoo veel over om op te noemen. Onze ongelukkige soldaten konden daar aan geen weerstand bieden; 'er stierf by aanhoudendheid een groot aantal, zonder hulp, zonder vriend om hun de oogleden te sluiten, zonder een kist om hun gebeente te bevatten. Men wierp hunne lyken door elkander in een groot gat, als of zy het overschot van onze natuur-genooten niet waren.

Den 19den, braken wy de legerplaats op, en na een weinig zuidwaards getrokken te zyn, gingen wy oostwaarts, tot tien uuren, toen een gedeelte van honderd Neger-Jagers, met hunnen leidsman VINSACK, tot myn groot genoegen, zig by ons voegde; wy waren derhalven toen drie honderd mannen sterk. Hoe weinig achting de Colonel FOURGEOUD op alle andere tyden voor deeze dappere lieden betoonde, hunne versterking mishaagde hem in 't geheel niet, op dit oogenblik, dat wy eenen vyand naderden, dien zy wel kenden, en tegen wien zy met meer voordeel streden, dan ons krygsvolk. Ik ben bovendien volkomen van gedachten, dat één van deeze vrye Negers, als soldaat, in de bosschen van Guiana, boven zes Europeanen den voorrang verdient.

De Colonel FOURGEOUD liet ons toen in drie kolommen, of liever in drie linien optrekken. Zyn Regiment maakte het midden-punt uit; het krygsvolk der Sociëteit was ter rechter, en de Jagers ter linker zyde. Allen waren zy alleenlyk afgescheiden door eenen afstand, van waar men elkander beroepen konde; en by elke vleugel waren eenige lichters geplaatst. Aldus verdeeld zynde, vervolgden wy onzen tocht oostwaards tot den middag, toen wy den zelven oost noord oost namen, en aantrokken op een biry-biry, of groot moeras. De moerassen van dit zoort zyn in dit land zeer gemeen en zeer gevaarlyk. Zy zyn vol met een zeer dun slyk, en met een dikke en groene korst overdekt, die op veele plaatsen een mensch dragen kan; maar die men onder zyne voeten voelt buigen. Indien deeze korst breekt, worden allen, die 'er door heen zakken, in dit zoort van afgrond verzwolgen, waar in zy ontwyffelbaar moeten omkomen, indien men 'er hen niet oogenblikkelyk uittrekt. Op die wyze heeft men daar in meenigwerf menschen zien verzinken, waar van men naderhand nooit meer heeft hooren spreken.

De zandpoelen zyn van een geheel anderen aart; men zakt 'er trapsgewyze in, daar dit in de slykmoerassen eensklaps geschiedt. Om deeze toevallen voor te komen, openden wy onze gelederen zoo veel als mogelyk was, het geen dezelve zeer wyd van elkander maakte; en in weerwil van deeze voorzorge, wierden verscheiden menschen ingezwolgen, als of het ys onder hunne voeten was weggebroken. Ik heb eenige anderen gezien, die, mede in den poel gevallen zynde, 'er tot onder de armen toe in zakten; maar wien het egter gelukte, schoon met veel moeite, gered te worden.

Des namiddags trokken wy voorby twee velden, alwaar men maniok gehad had; het geen ons deedt begrypen, dat wy aan de verblyfplaats der muitelingen naderden. Korten tyd daar na ontdekten wy de voetstappen van den tocht van Capitain MEYLAND, en wy herkenden die aan de teekens, die op de boomen gesneden waren, zoo als ik reeds te vooren heb opgegeven. Tegen den avond sloegen wy ons neder op den afstand van eenige mylen van het moeras, waar in de krygsbende van deezen Officier het leven gelaten had: het daglicht stondt ter deezer uur niet lang genoeg meer te schynen, om den vyand te kunnen aantasten.

Onze soldaten door eenen langen tocht zeer vermoeid zynde, stondt de Colonel hun voor deezen nacht toe, hutten op te slaan, en vuuren aan te leggen. Ik was 'er uittermaten verwonderd over: hy had ons dit zoort van verkwikking verboden, toen wy van den vyand zeer verre af waren; en op het oogenblik, dat deeze naby was wilde hy het gedogen. Ik maakte 'er echter gebruik van; en myn Sergeant, my eenige duivenboonen, welken hy in een nabuurig land geplukt had, gegeven hebbende, noodigde ik hem ten eeten, als mede een Neger-Capitain, genaamd HANNIBAL. Wy wierpen alle drie ons gezouten ossen-vleesch en bischuit in de ketel; vervolgens roerden wy het met een bajonnet om, en deeden eene uitmuntende maaltyd, in weerwil van eenen akeligen nacht, en één der zwaarste slagregens.

De duiven-boonen, of boonen van angola, groeien op een stronk van agt of tien voeten hoog; zy zyn, ten getale van vyf of zes, in eene peul besloten; haare kleur is bruin, en haare gedaante plat, gelyk die der peul-vruchten. De Negers houden 'er veel van, en kweeken in hunne tuinen, zonder veel kosten of moeite, de plant aan, die deeze vruchten voortbrengt.

HANNIBAL, na my te hebben doen opmerken, dat wy des anderen daags den vyand zekerlyk ontmoeten zouden, vroeg my, of ik wel wist, hoe de Negers in een gevecht tegen elkander streden. Ik antwoordde hem, neen; en dadelyk deedt hy my het volgende verhaal, zyn pyp onder myne hangmat rookende.--"Maséra", zeide hy my, "de beide partyen worden gerangschikt in compagniën van agt of tien mannen, onder bevel van eenen Capitain, een jagthoorn dragende, zoo als deeze", (hy toonde my den zynen) "op welks geluid zy alle hunne krygsbewegingen verrigten, en stryden, of de vlucht nemen. Wanneer zy stryden, scheiden zy zig oogenblikkelyk van elkander, gaan op den grond leggen, en schieten dwars door het geboomte op een zeer korten afstand. Elk die strydt, word door twee ongewapende Negers geholpen; de een vervangt hem, als hy gedood word, en de ander neemt het lyk weg, uit vreeze, dat het in 's vyands handen mogt vallen". [37]

Zyn verhaal gaf my een juist denkbeeld, van die manier van vechten, welke ik zedert heb zien beoeffenen. Ik zal 'er alleenlyk byvoegen, dat, wanneer het een dik bosch is, elke Neger, in plaats van op den buik te gaan leggen, of de knie op den grond te zetten, zig agter eenen grooten boom verbergt, welke hem tot een borstweering dient, en van waar hy met meerder juistheid en minder gevaar vuur geeft in dit geval, doet hy zyn snaphaan tegen den stam van den boom, of op een gespleten tak, rusten, even gelyk de Indianen van Shawanese en Delaware doen.

Capitain HANNIBAL deedt my ook verstaan, dat men den beruchten BONNY verdacht hieldt, van persoonlyk zig te bevinden onder de muitelingen, in wier nabuurschap wy waren. Dit opperhoofd, schoon een Mulat zynde, was in de bosschen geboren, werwaarts zyne moeder de vlucht genomen had, om de mishandelingen van haaren meester, die haar bezwangerd had, te ontgaan.

Te meermalen gesproken hebbende van het onderscheid der menschen van eene midden-kleur, tusschen zwart en wit, moet ik ter opheldering daar van het volgende aanmerken. De Mulatten worden geboren van een blanken en eene Negerin, of van een Neger en eene blanke. De Samboes worden geboren van een Mulat en eene Negerin, enz. De Quarterons van een Mulat en eene blanke, enz. enz.--De zelfde Capitain HANNIBAL, noemde my ook den naam van verscheiden andere hoofden der muitelingen, tegen welken hy dikwils gestreden had. De eerste van allen was QUAMMY, hoofd van eene afzonderlyke bende, die met de andere muitelingen in geene betrekking stondt. Hy noemde my vervolgens COROMANTYN, COJO, ARICO en JOLI-COEUR. De twee laatstgemelden waren berucht van wegen den onverzoenlyken haat, waar mede zy tegen de blanken bezield waren; en JOLI-COEUR, van wien ik reeds gesproken heb, had 'er billyke reden toe. HANNIBAL dacht ook, dat de beruchte BARON op dit oogenblik onder het opperhoofd BONNY diende.

Hy ging vervolgens over tot de benamingen van de voornaamste bezittingen der muitelingen, waar van zommige reeds verwoest waren, andere zig in 't gezicht bevonden, en eenige ons slechts by naame bekend waren. Zy hadden allen eenige wezentlyke beteekenis; en dewyl zy, in zeker opzigt, de onderzoekingen der geleerden omtrent de verschillende volken onder de Negers kunnen ophelderen, heb ik gepast geöordeeld aan dezelven, met opgaave van de vertaaling, alhier eene plaats te vergunnen.

Boucou: Ik zal eerder tot stof vergruisd worden, eer ik genomen worde.

Gado Saby: God alleen kent my.

Cosaay: Koomt, zoo gy het hart hebt.

Tessy sy: Ruikt 'er aan, zoo gy lust hebt.

Mele my": Ontrust my, zoo gy durft.

Bousy cray: De bosschen schreiën.

Me salasy: Ik zal genomen worden.

Kebry my: Verberg my, ô loof der boomen, dat my omringt.

De verdere waren:

Quammy Condre: naar den naam van QUAMMY, hun opper-hoofd.

Pynenburg: van de Pyn- of Latanus-boomen, die deeze bezitting van vooren omringden.

Caro Condre: van de meenigte Koorn-velden, waar mede dezelve omringd was.

Reizy Condre: van de meenigte Ryst-velden, die rondöm lagen.

Ik drukte Capitain HANNIBAL, na dit gesprek, de hand, en hy ging van my af. Ik was vervuld met de hoop op eene overwinning, die door geene wreedheid bezoedeld zoude worden; en dewyl ik zeer vermoeid was, viel ik in een diepen slaap.

Den 20sten, des morgens, ontwaakte ik, zeer wel te vreden; zynde het toen het schoonste weder des weerelds. Deeze gelukkige gesteldheid verdween wel dra, toen ik zag, dat op een oogenblik, zoo netelig, en toen men op 't punt stondt slag te leveren, in plaats van goede behandelingen, welken het voorzichtig geweest zoude zyn te gebruiken omtrent hun, van wier welwillenheid wy het gunstig einde van ons lyden verwagtten, men integendeel by de Onder-Officiers en soldaten eene groote moedeloosheid verwekt had. Ik maakte toen tegen mynen wil deeze aanmerking:--Dat de Vorsten en hunne dienaars nimmer, zoo veel mogelyk, een byzonder persoon, wie hy ook wezen mogt, vooral in een afgelegen land, met eene onbepaalde magt bekleeden moesten, zonder zynen inborst en denkwyze zeer grondig te kennen; want niemand is waardig het bevel te voeren, indien hy zig niet tevens door dapperheid en menschlievenheid onderscheidt; naardien het eene wel bekende waarheid is, dat geene dapperheid met wreedaartigheid bestaan kan.

Des morgens ten zes uuren trokken wy noordoostwaarts ten noorden, onzen weg naar de moerassen nemende; en myne zwaarmoedigheid verdween met het doorbreken der zon.

Omtrent ten agt uuren, kwamen wy in dat verschrikkelyk moeras, alwaar wy schielyk tot aan ons midden door het water gingen. Niettemin maakten wy ons gereed, om het ernstig onthaal, het welk wy aan de overzyde te wagten hadden, vol te houden. Na een halve myl ver gezworven te hebben, beklommen onze grenadiers gezwindelyk den oever met de bajonnetten vooruit. Het hoofdleger volgde hen oogenblikkelyk, en wy plaatsten ons, zonder de minste tegenkanting, in gelederen. Wy zagen toen een schouwspel, het welk in staat was, om de onverschrokkensten te verzetten: de grond lag bezaaid met bekkeneelen, beenderen en ander overschot van de lyken der ongelukkige soldaten van den Capitain MEYLAND.--Deeze Officier had wel middel gevonden, om dezelven te doen begraven; maar de muitelingen hadden die weder opgedolven, om ze van hunne kleederen te berooven, om deeze lyken in stukken te houwen, en ze te verscheuren, zoo als verslindende dieren gedaan zouden hebben. Onder het getal deezer ongelukkige slachtöffers was de Neef van MEYLAND, een jongman van denzelfden naam als hy, en van de grootste verwagting. Hy was van de Zwitzersche gebergten gekomen, om met des te meerder spoed vorderingen in den krygsdienst te maken, en, korten tyd na zyne ontscheping, vondt hy zyn graf in een moeras van Surinamen. Zyn moed stondt gelyk met dien van zynen oom; zyne onverschrokkenheid, die hem bewoog om zig aan alle gevaaren bloot te stellen, kende geene paalen.--Zoodanig is de geestdrift der eerzucht van eenen krygsman.

Deeze hoop van menschen-beenderen was de tweede of derde, dien wy op onzen tocht ontmoetten. Ik erken opentlyk, dat zulk eene ontmoeting in my geen lust verwekte, om de muitelingen te bevechten. Dit droevig overschot echter ontstak in onze soldaten een levendige drift, om hunne ongelukkige medgezellen te wreeken.

Ik heb reeds zoo dikwerf gesproken van het doorwaden der moerassen, dat het, zoo ik denk, niet ongeschikt is, om door de nevenstaande plaat de beschryving op te helderen. Voor eerst wordt daar op vertoond de Colonel FOURGEOUD, vooraf gegaan door eenen Neger, die hem tot leidsman dient, en, waar het water op het hoogst is, overzwemt. Daar op volge ik zelf, en eenige andere Officiers en Zee-soldaten, allen in het midden van het moeras, en onze wapenen, krygsbehoeften, enz. op het hoofd dragende, om door het nat niet beschadigd te worden. Men kan daar op voorts de manier zien, waar op de slaven de pakken dragen, als mede hoe de muitelingen van boven uit de palmboomen op het krygsvolk vuur geven. Een tocht van dien aart, schoon by deeze gelegenheid zeer noodzakelyk, moet altyd één der gevaarlykste zyn: men is dan bloot gesteld aan de aanvallen van eenen vyand, die in 't verborgen vuurt, en men kan niet meer dan eenmaal vuur geven; want de soldaten zyn te diep in het water ingezonken, om hun geweer op nieuw te kunnen laden, zonder het slot nat te maken.

Wy volgden toen een zoort van voetpad, door de muitelingen gemaakt, waar na wy onzen weg een weinig westwaarts namen. De Sergeant FOWLER, die tans het bevel over de voorhoede voerde, kwam by my, geheel bleek en bevende, en verklaarde my, dat het gezicht van deeze lyken hem zeer ziek gemaakt had. Dit was waar, want hy scheen aan den grond als vast gehecht, zonder een enkelen tred te kunnen doen, noch zyne ontsteltenis te kunnen verbergen. Ik sprak hem aan met den naam, dien hy verdiende, en had slechts den tyd, om hem te beveelen van zig by de agterhoede te begeven.

Ten tien uuren, ontmoetten wy een klein gedeelte der muitelingen, elk van hun met een groene mand op den rug. Zy gaven vuur op ons, en hunne vracht op den grond werpende, keerden zy in aller yl naar hun gehucht te rug. Wy vernamen zedert, dat zy naar eene andere verblyfplaats ryst vervoerden, om daar van te leven, wanneer zy uit Gado-Saby (den naam van de plaats, werwaarts wy heen trokken,) verjaagd mogten worden, eene zaak, welke zy dagelyks te gemoet zagen, zedert dat dezelve door den dapperen MEYLAND was ontdekt geworden. Deeze groene manden, welken de Negers warinbos noemen, waren gemaakt van biezen, die met palmboom-bladeren konstig waren in één gevlochten. Ons volk dezelven met den sabel hebbende open gehakt, kwam 'er de zuiverste en schoonste ryst uit, die ik in myn leven gezien heb; maar men strooide ze overal heen, en trad ze met de voeten, want wy hadden geene gelegenheid om ze mede te nemen. Korten tyd daar na ontdekten wy eene ledige barak, waar in de muitelingen een wachtpost geplaatst hadden, om hen van alle gevaar te verwittigen; maar de lieden, die deeze wacht uitmaakten, waren met den meesten spoed weggevlucht. Wy verdubbelden toen met yver onze schreden tot op den middag, wanneer wy eene uitgezette wacht van den vyand ontmoetten, tweemaal vuur hoorden geven, het welk een met BONNY overëengekomen teeken was, om hem onze aannadering te berigten. De Major MEDLAR, ik zelf, met eenige soldaten van de voorhoede, en eene kleine krygsbende van Neger-Jagers, trokken voor uit, en wel dra kwamen wy op een schoon veld, met ryst en Indisch kooren bedekt. Hier hielden wy stil, om ons gezamentlyk krygsvolk in te wagten, en vooral om aan de achterhoede tyd te geven om aan te rukken, want eenigen van derzelver soldaten waren twee mylen agter ons. In dien tusschentyd liepen wy gevaar van in de pan gehakt te worden; want de vyand, zoo als wy naderhand vernamen, had dit veld omcingeld, zonder dat wy 'er iets van gezien hadden.

Een half uur daar na, verëenigde zig onze legerbende te zamen. Toen kapten wy ons een korten weg door het bosch heen; en wy waren daar even doorgedrongen, of 'er begon van alle kanten een hevig vuur. De vyand echter deinsde af, en wy trokken voort, tot dat wy op een schoon veld kwamen, met rype ryst beplant, en een lang vierkant uitmakende, aan welks einde het gehucht der muitelingen zig als een opgaande toneel vertoonde; het was door het lommer van verscheiden hooge boomen tegen de hitte der zon beveiligd; en dit alles leverde het treffendst en betooverendst gezicht op, het welk men zig verbeelden kan. Een onafgebroken vuur, veel naar donderslagen gelykende, duurde meer dan een uur op dit zelfde veld; en geduurende al dien tyd gedroegen zig de Neger-Jagers met zoo veel moed als bekwaamheid: maar de blanke soldaten waren al te driftig, en schooten mis; ik zag 'er echter veelen onder, die de grootste onverschrokkenheid betoonden, en de Jagers met eenen goeden uitslag navolgden. Onder deezen bevondt zig in dit oogenblik de arme FOWLER, die in het begin van den slag van zyne ontsteltenis was te rug gekomen. Zig eenmaal hersteld hebbende, begaf hy zig op zynen eersten post, en bekwam zyne achting weder volkomen, met aan myne zyde als een dapper krygsman te stryden, tot dat de loop van zyn snaphaan door een vyandelyk schot verbryzeld wierd, het geen hem belette, om daar van verder gebruik te maken. Een snaphaan-kogel doorboorde myn hembd en kneusde my den schouder. Myn Lieutenant, DE CABANUS, wierd de riem van zyn snaphaam weggeschoten; verscheiden soldaten wierden gewond, zommigen zelfs doodelyk; maar tot myne groote verwondering, zag ik niemand hunner op het slagveld sneven.--Dit kwam my wonderbaarlyk voor, maar ik zal 'er in 't kort de uitlegging van geven.

De muitelingen, om onze aannadering gevaarlyker en moeielyker te maken, hadden dit ryst-veld met dikke stammen van boomen, waar aan de wortels vastgebleven waren, omringd en doorsneden. Zy hielden zig agter deeze opgeworpen verschanssingen verscholen, en gaven van daar, byna zonder eenig gevaar, vuur op ons, die dit zoort van wallen beklimmen moesten, eer wy in hun gehucht komen konden: in weerwil echter van alle de hinderpalen, die zy ons in den weg leiden, geraakten wy altyd voorwaarts. Maar te gelyker tyd, dat ik het goed beleid van hunnen Generaal, in het regelen van hunne krygsverrigtingen, bewonderde, konde ik my niet wederhouden hen over hunne bygeloovigheid te beklagen. Een van deeze ongelukkigen in 't byzonder, al zyn vertrouwen Op zyn tooverband stellende, geloofde onkwetsbaar te zyn. Hy beklom te meermalen één van die stammen van boomen, die op den grond lagen; van daar schoot hy; vervolgens klom hy af om zyn snaphaan weder te laden; en weder te rug komende, schoot hy andermaal met de grootste koelbloedigheid, en in myn gezicht. Een der Zee-soldaten, onder myn bevel staande, met naame VALET, eindelyk op hem aangelegd hebbende, doorschoot hem de dye, en hy viel agter het bolwerk, door hem zoo meenigwerf beklommen; maar die zelfde soldaat, over hem heen gesprongen zynde, stak de tromp van zyn snaphaan in het oor van den ongelukkigen, en deedt hem de herssenen uit het hoofd vliegen: verscheiden zyner medgezellen ondergingen het zelfde lot, in weerwil van hunne tooverbanden, en bygeloovigheden.

Wy waren op het punt, om het gehucht der muitelingen in te rukken, toen één van hunne Capitains, een hoed met een goude lis op het hoofd dragende, en een brandende toorts in de hand houdende, hun onvermydelyk verlies voor oogen ziende, moeds genoeg had, om zig aldaar te blyven ophouden, en het gehucht in ons gezicht in brand te steken. Deeze houte huizen, met drooge bladeren overdekt, stonden spoedig in lichten laaijen vlam; maar toen begon het musketten-vuur in het bosch te verminderen. Dit manmoedig besluit van den vyand belette niet alleen het bloedbad, het welk de soldaten op het eerste oogenblik der overwinning gewoon zyn aan te rechten; maar het maakte 't bovendien voor de muitelingen gemakkelyk, om met hunne vrouwen en kinderen te rug te trekken, en de goederen, die hun meest dienstig waren, met zig te voeren. Het was ons derhalven toen onmogelyk om hen te vervolgen, en den minsten buit te maken; het waren niet alleen de vlammen, die ons zulks beletteden, maar wy zagen ook wel dra een moeras, het welk ons byna van alle kanten omringde.

Ik moet waarlyk erkennen, dat in het laatste uur van deezen slag, 'er niets verschrikkelyker was, dan het aanhoudend musketten-vuur, het vloeken en huilen der Negers, onder elkander gemengd; het gekerm der gekwetsten en stervenden, die in het stof lagen, en in hun bloed baadden; het scherp geluid der jagthoorns, het welk zig van alle kanten liet hooren, en het gekraak der brandende balken, waar van het gehucht, dat geheel in vlam stondt, weergalmde: terwyl de rook-wolken, die ons omgaven, de vlammen die zig zeer hoog verhieven, enz. een tafereel uitmaakten, het welk voor geene beschryving vatbaar is, en misschien het penceel van HOGARTH niet onwaardig geweest zoude zyn. Ik heb echter getracht dit toneel te schetsen; [38] ik heb my zelf daar by afgebeeld na de hitte van den slag; ik heb daar by het voorkomen van vermoeid en droefgeestig te zyn, een oog van medelyden werpende op het lichaam van eenen oproerigen Neger, die, zyne snaaphaan in de hand houdende, voor myne voeten uitgestrekt ligt.

Na ons gewasschen, en van het stof, zweet en bloed, waar mede wy besmet waren, gereinigd te hebben, namen wy allen een teug brandewyn, en aten een stuk brood. Het vuur begon ondertusschen te verminderen; en toen het ophieldt, onderzogten wy de rookende puinhoopen van het gehucht der muitelingen, bestaande in omtrent honderd huizen of hutten, waar van zommige twee verdiepingen hadden: uit den asch, die nog gloeiend was, haalden wy eenige kleinigheden, die aan het geweld der vlammen ontsnapt waren, als by voorbeeld zilvere borden, die wy uit hoofde van hun merk B. W. vooronderstelden, dat by het plunderen der Plantagie Brunswyk aan de Cottica geroofd waren: wy vonden ook eenige messen, gebroken porceleine potten, en aardewerk: één der laatstgemelden, zynde vol met ryst en palmboom-wormen, viel my ten deel. Dewyl men rykelyk vuur had, om deeze spyze te laten koken, en ik een zeer grooten trek tot eeten had, verschafte my dezelve spoedig eene uitmuntende maaltyd, en ik had wel dra alles opgegeten. Eenigen myner spitsbroeders waren beducht, dat dit eeten agtergelaten mogt zyn, met een oogmerk om ons te vergeven; maar, gelukkig voor my, bleek deeze verdenking zeer ongegrond te zyn.

De bovengemelde zilvere borden kogt ik van onze soldaten, om 'er een zoort van zegeteeken van te maken, en ik heb 'er my naderhand altyd van bediend. Wy vonden in dit zelfde gehucht drie menschen-hoofden op staken gezet; het waren de treurige overblyfzels van eenigen onzer dappere en ongelukkige soldaten, die bevorens door de muitelingen gedood waren. Maar, het geen ons het meest verwonderde, was, dat wy twee hoofden van Negers zagen, die het voorkomen hadden van in 't kort te zyn afgehouwen. Wy vernamen vervolgens, dat twee jonge lieden, om dat zy in ons voordeel gesproken hadden, geduurende den nacht van den 17den, ten tyde dat wy het gehuil en schieten met musketten hoorden, ter dood gebragt waren. Die hoofden waren de hunne.

Het droevig overschot deezer ongelukkigen begraven hebbende, hingen wy onze hangmatten op aan die fraaie hooge boomen, die het gehucht overschaduwden; maar ik was innerlyk getroffen over het ysselyk schouwspel, het welk zig toen aan ons oog vertoonde. De Neger-Jagers vermaakten zig met de afgehouwen hoofden hunner vyanden aan elkander toe te kaatsen. Het was vrugteloos geweest hen over dit onmenschelyk spel te bestraffen, en zy verzekerden ons, dat het was "condre fassy, de gewoonte van hun Land"; zy eindigden het zelve, door die hoofden, na 'er den neus, de lippen, de wangen, de ooren te hebben afgesneden, met den voet weg te schoppen; zy namen 'er zelfs de kakebeenen uit, welken zy in den rook lieten droogen, als mede de regte hand, om dezelve, ten bewyze hunner overwinning, aan hunne nabestaanden en vrouwen te vertoonen. Het is een zaak die over bekend is, dat eene zoo wreede gewoonte onder de wilden plaats heeft, en dat dezelve uit hunne onverzaadlyke wraaklust voortspruit; en schoon de Colonel FOURGEOUD met zyn gezag had kunnen tusschen beiden komen, om deeze hatelyke zegepraal voor te komen, of te doen ophouden, handelde hy naar myn inzien verstandiglyk, met daar van in dit oogenblik geen gebruik te maken. Dewyl overtuiging hier niets vermogt, zoude hy slechts deeze soldaten verbitterd hebben, en hun een weerzin doen krygen in eenen dienst, die ons zoo nuttig was, hoe bloeddorstig en wreed de gevolgen 'er ook van wezen mogten.

Deeze zelfde Jagers verhaalden ons, dat zy, by het bezigtigen van den bosch-kant, veel menschen bloed op onderscheidene plaatsen gezien hadden, en dat dit gevloeid was uit de wonden dier muitelingen, welken hunne medemakkers geduurende den slag hadden weggevoerd.

Ten drie uuren, op het tydstip, dat wy van onze vermoeidheid uitrustten, wierden wy eensklaps door een party vyanden aangevallen: maar zoo dra wy hen met eenige snaphaanschoten begroet hadden, trokken zy af. Dit onverwagt bezoek overtuigde ons, van hoe veel gewicht het was op onze hoede te zyn, voornamelyk des nachts; dienvolgende was het niet geoorloofd vuuren te stoken, en men zette dubbelde wagten uit rondom de legerplaats.

Door vermoeienis en eene ongemeene hitte afgemat, ging ik, na het ondergaan der zon, in myne hangmat leggen, en viel spoedig in een diepen slaap: maar na verloop van een paar uuren, deedt my myn getrouwe QUACO in het midden van den donker ontwaken, roepende: "Massera, Massera! bousy negro, bousy negro! Meester, Meester! zie daar den vyand, zie daar den vyand"! Op het zelfde oogenblik een aanhoudend vuur gehoord hebbende, besloot ik daar uit, dat de muitelingen in het midden van onze legerplaats waren. Vol verbaazing, en nog niet geheel wakker zynde, sprong ik uit myne hangmat, en nam myn snaphaan. Ik liep toen, zonder behoorlyk te weten wat ik deed, myn QUACO onder den voet; waar na ik zelfs viel over twee of drie lichaamen, die op den grond lagen, en welken ik my verbeeldde menschen te zyn, die reeds gedood waren. Een van hun ontdekte my spoedig myne dwaling, zeggende: "dat indien ik de minste beweging maakte, ik een kind des doods was". Dezelfde perfoon voegde 'er by: "dat de Colonel FOURGEOUD aan het krygsvolk bevel gegeven had, om plat op den buik te gaan leggen, en geen schot te doen, om dat men des avonds te vooren het grootste gedeelte van het kruid verbruikt had". Ik ontdekte wel dra, dat de geen, die tot my sprak, een grenadier was, THOMSON genaamd, en ik maakte van zynen raad gebruik. Wy bleven dus tot aan het opgaan der zon onder de wapenen, en geduurende al dien tyd wierd 'er een zoort van zamenspraak tusschen de muitelingen en onze Jagers gehouden: de één vervloekte en bedreigde op eene geweldige wyze den ander. De eersten scholden de laatstgemelden voor "lage zielen en verraders hunner landgenooten. Zy daagden hen tegen des anderen daags tot een afzonderlyk gevecht uit: zy zwoeren, dat zy niets vuuriger verlangden, dan hunne handen in het bloed van deeze schelmen te baden, daar zy de voornaame bewerkers waren van de verwoesting van hunne bloeijende en schoone verblyfplaats". De Jagers antwoordden hun; "dat zy niets anders waren, dan een hoop roovers, tegen wien zy bereid waren te vechten, al waren zy slechts half zoo talryk, indien zy hunne leelyke gezichten durfden vertoonen; en dat zy hunne meesters verlaten hadden, alleen om dat ze te lui waren om te werken". Na dit gesprek deeden zy elkander allerleije schampere bejegeningen aan, door krygsgeschrei van eenen byzonderen aart, door overwinnings liederen, en door het geluid van den jagthoorn tot een teeken van uitdaging. Vervolgens begon wederom het vuur van den kant der muitelingen, en duurde den geheelen nacht door, maar afgebroken door hun geschreeuw, het welk door den weergalm van het bosch herhaald wordende, zig met eene verdubbelde kragt liet hooren.

De Colonel FOURGEOUD nam eindelyk deel in dit gesprek, en de Sergeant FOWLER en ik dienden hem tot tolken. Wy moesten hard schreeuwen; maar ik heb my nooit beter vermaakt. De Colonel beloofde aan de muitelingen het leven, de vryheid, levens-middelen, en alles, wat zy mogten noodig hebben. Zy antwoordden hem, hem luidkeels uitlachende, dat zy niets van hem verwagtten; zy behandelden hem als een half uitgehongerden Franschman, die uit zyn land gevlucht was: zy verzekerden hem, dat, indien hy moeds genoeg had, om hun een bezoek te geven, zy hem geen kwaad doen, maar goed onthaalen zouden: tot ons zeiden zy, dat zy ons beklagenswaardiger oordeelden, dan hun zelven; dat wy blanke slaven waren, die voor vier stuivers daags gehuurd wierden, om ons te laten doodslaan, of om van honger te sterven; dat zy ons te veel verachtten, om hun kruid op ons te verschieten; maar dat indien de Planters, of hunne Opzichters, zig in de bosschen dorsten begeven, 'er geen enkele weder uit zoude komen; dat de verraderlyke Jagers een gelyk lot te wagten hadden, en dat zy dien dag, of daags daar aan, 'er een goed getal van zouden om hals brengen. Zy eindigden hun gesprek met te verklaren, dat BONNY wel dra Opperhoofd der Volkplanting zyn zoude.

Toen dit gesprek was afgeloopen, schoten zy hunne snaphanen af, waar op een drievouwdig krygs-geschrei volgde. De Jagers beantwoordden hun het zelve, en de muitelingen verdweenen by het opkomen van den dageraad.

Wy waren uittermaten vermoeid. Onäangezien echter de langduurigheid van het gevecht, hadden wy door het vuur van den vyand weinig manschappen verloren: ik heb beloofd de reden daar van op te geven. Dit geheim deedt zig ontwikkelen, toen de Heelmeesters, de wonden verbindende, daar uit zeer weinig loode kogels haalden, maar een groot aantal steentjes, knoopen van kleederen, en kleine stukjes zilver geld, die niet veel leed deeden, en niets meer dan eene kwetsing van de huid veroorzaakten. Wy merkten ook op, dat verscheiden der muitelingen, die gedood waren, in plaats van vuursteenen, stukken van pot-scherven hadden, waar mede zy niet veel konden uitrichten. Zie daar de reden, waarom wy van deeze zaak zoo gelukkig afkwamen. Wy hadden niettemin nog een groot getal soldaten, die gevaarlyk gewond waren, of zwaare kneuzingen bekomen hadden.

De vernuftigheid van deeze Negers, wanneer zy zig gerust in de bosschen bevinden, is ongemeen groot. De geenen, tegen welken wy te stryden hadden, beroemden zig, dat hun niets ontbrak, en wy vonden hen ten minsten dik en vet. Door middel van strikken, die konstig gemaakt waren, en de diepe moerassen, vangen zy wild en visch in overvloed, welken zy in den rook laten droogen, om ze goed te houden. Hunne velden zyn beplant met ryst, maniok, ignames, plantain-boomen, enz. Het zout trekken zy uit de asch van palmboomen, zoo als de Gentous in de Oost-Indiën doen, of zy gebruiken in plaats van dien zeer dikwils roode peper.

Op deeze zelfde plaats ontdekte men een klein vaatje vol met beste boter, die by een ouden stam van een boom verborgen was. Onze Jagers zeiden my, dat dezelve van gesmolten vet van palmboom-wormen gemaakt was. Men konde ze gebruiken als de Europeesche boter, en ik vond ze zelfs veel lekkerder. De Negers maken ook boter van pistaches, waar uit zy de olyachtige zelfstandigheid uitperssen, en dikwils doen zy die in hunne soepen. Zy hebben altyd palmboom-wyn in overvloed; zy weten dien te bekomen door de insnyding van een vierkanten voet in den nedergehouwen stam; vervolgens vangen zy het sap in een pot op. Dit sap gaat schielyk door de hitte der zon aan het gisten, en verschaft hun een aangenamen en koelen drank, die kragt genoeg heeft om dronken te maken. De Latanus- of Pyn-boom verschaft hun de noodige bouwstoffen voor hunne huizen. De Calabassen-boom bezorgt hun drinkschalen. De zyde-plant en de mauricy bevatten draden, waar van zy hunne hangmatten maken; en op de palmboomen groeit zelfs een zoort van mutsen van een natuurlyk weefzel, gelyk ook bezems om te vegen. De koorden van allerleije zoort van heestergewassen dienen hun voor touwwerk. Om hout te hebben, behoeven zy het slechts te hakken. Zy ontsteken vuur, door twee stukken hout, welken zy by-by noemen, tegen elkander te wryven; terwyl zy daar van, als elastiek zynde, zeer goede kurken maken. Van het vet en de oly, welken zy in overvloed hebben, kunnen zy kaarssen maken of lampen branden; en de wilde byen geven hun wasch, en uitmuntenden honig.

Zy weigeren volstrekt, om kleederen te dragen, en verkiezen naakt te loopen in eene luchtstreek, alwaar de hitte de ligtste kleeding tot een last maakt.

Zy zouden varkens en gevogelte kunnen aankweken, en jagt- of wacht-honden leeren; maar zy vreezen, dat het geluid van deeze dieren, en vooral het gekraay der haanen, het welk men van zeer wyd af in het bosch kan hooren, de plaats van hun verblyf ontdekken mogten.

Toen de muitelingen van deezen oord verjaagd of geslagen scheenen, hieldt de Colonel FOURGEOUD zig bezig met den oogst in den omtrek te vernielen. Ik ontfing bevel om met vier-en-twintig Zee-soldaten, en twintig Jagers, een begin aan deeze verwoesting te maken. Dienvolgende deed ik al de ryst, die in de opgemelde velden in overvloed groeide, afmaaien. Ik ontdekte vervolgens een derde land, zuidwaarts van het eerstgemelde gelegen, om het welk te verwoesten, ik insgelyks bevel gaf; en ik gaf daar van bericht aan den Colonel FOURGEOUD, die my toescheen uittermaten voldaan te zyn. Des namiddags wierd de Capitain HAMEL met vyftig Zee-soldaten en dertig Neger-Jagers afgezonden, om de plaatsen, agter het gehucht liggende, te onderzoeken, en, zoo mogelyk, te ontdekken, hoe de muitelingen het maakten, om door een moeras heen en weder te trekken, waar van de diepte ons onbekend was, en door het welk wy hen niet konden vervolgen. Deeze Officier ontdekte eindelyk een zoort van dryvende brug, die tusschen de heesters verborgen lag, en van mauricy hout gemaakt was; maar zoodanig ingericht, dat 'er niet meer dan één man te gelyk over gaan konde. Eenigen der muitelingen zaten 'er schreijelings op, om de overtocht te beletten. Zoo dra zy de afgezondene manschappen vernamen, schoten zy op hen: de Jagers beantwoordden hun spoedig, en dooden één man van hun, die door zyne makkers wierd weggevoerd.

Des anderen daags morgens den 22sten, gaf onze Bevelhebber aan een ander gedeelte manschappen, waar toe ik mede behoorde, last om de brug over te trekken, en het te wagen, om op kondschap uit gaan. Geen tegenstand van iemand ontmoet hebbende, trokken wy deeze brug over, of liever, wy kropen over de dryvende boomen, waar van dezelve gemaakt was; vervolgens bevonden wy ons op een veld van eene langwerpige gedaante, met maniok en ignames beplant, in welks midden een dertigtal huizen stonden, die op dit oogenblik verlaten zynde, van eene oude verblyfplaats der muitelingen, Cosaay genaamd, waren overgebleven. Om de plaatsen te beter te onderzoeken, verdeelden wy ons op dit veld in drie krygshoopen: de eerste, om noordwaarts, de tweede ten noordwesten, en de derde westwaarts heen te trekken. Hier ontdekten wy, tot onze groote verwondering, dat de reden, waarom de muitelingen, in den nacht van den 20sten, zoo geschreeuwd, gezongen en geschoten hadden, niet alleen was, om den aftocht hunner vrienden door het beletten van den overtocht te dekken, maar ook om door dit geweldig en aanhoudend geraas voor te komen, dat wy niet bemerken zouden, dat zy lieden, zoo mannen, vrouwen, als kinderen, grootendeels bezig waren met warimbos of manden te maken, en die met de schoonste ryst, cassave, en wortelen van ignames te vullen, om daar door by hunne vlucht levens onderhoud te hebben.

Dit was zekerlyk een verstandig gedrag in een wild volk, het welk wy ons vermeeten om te verachten: het zelve zoude aan elken Europeaanschen Bevelhebber tot eere gestrekt hebben, en de beschaafdste volken hebben hen daar in misschien zeldzaam overtroffen.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Wilde Porselyn.--Calebassen-boom.--Schermutzeling.--Tafereel van broederlyke teederheid.--Het krygsvolk keert naar Barbacoeba te rug.--Beschryving van de manier, waar op de legerplaats was ingericht.--Een slaaf door den slang Orou-coukou gedood.

De Colonel FOURGEOUD, zig op deeze wyze door eenen Neger getrotseerd ziende, konde zyn spyt niet langer inhouden, en zwoer, dat hy BONNY vervolgen zoude, al was het ook aan het einde van de weereld. Alle onze krygs- en mondbehoeften intusschen waren verbruikt; en al was dit zoo niet geweest, zoo zoude het zekerlyk eene ydele onderneming geweest zyn den vyand te willen agterhalen. Onze Bevelhebber niettemin bleef by dit onuitvoerlyk ontwerp; hy zondt derhalven eenige manschappen naar Barbacoeba, onder bevel van den Capitain BOLTS, en bestaande uit honderd Zee-soldaten, dertig Jagers en een goed getal slaven, met last, om krygs- en mondbehoeften voor ééne week van dien wachtpost te gaan halen. Te gelyker tyd deedt hy alleenlyk eene halve portie aan het overgebleven krygsvolk uitdeelen, en hy zette de soldaten aan, om dit gebrek aan noodig voedzel te vervullen, door het opzamelen van ryst, duiven- of angola-boonen, en door het uit den grond halen van maniok-wortel, welken zy, zoo goed zy konden, moesten gereed maken. De Officiers wierden op dezelfde wyze behandeld. Het was in de daad wonderlyk om te zien, dat een twintigtal van ons zig, even als zoo veele Apothecars, bezig hielden met de ryst elk in een zoort van vyzel te stampen, die door de muitelingen uit den stam van een boom, het roode hart genaamd, was uitgehold, als zynde dit het eenige middel, om dezelve van haare schel te zuiveren. Dusdanige arbeid was echter zeer afmattend; het zweet liep ons langs het geheele lyf, als of wy uit een bad kwamen; en op dit oogenblik, dat wy wel eenigen versterkenden drank noodig hadden, hadden wy niets dan water.

Wy hadden het geluk, om, onder andere plantgewassen, eene groote meenigte wilde porselyn te vinden, die van de gewoone alleenlyk daar in verschilt, dat zy digter aan den grond groeit, en dat derzelver bladeren kleiner en van een donkerer groene kleur zyn. Men kan ze gerust eeten, het zy als eene salade, het zy gestoofd; zy verschaft een smakelyk en verkoelend voedzel; en ze is bovendien een uitmuntend middel tegen de scheurbuik.

Wy vonden ook een groot aantal Calebassen-boomen, waar van de vrugten voor de inboorlingen des Lands van zeer groot nut zyn. De Calebassen-boom groeit tot de hoogte van een gewoonen appel-boom. Deszelfs bladeren zyn dik, en loopen puntig toe. De gedaante en grootte van deszelfs vruchten is onëindig verschillende; eenige zyn eirond, andere spits toeloopende, andere wederom rond, en dikwils hebben zy tien of twaalf duimen in den omtrek. De schil is hard, glad, en met eene schitterende huid overdekt, die bruin wordt, wanneer de calebas droog is. Het vleesch is eene mergachtige zelfstandigheid, welke men 'er met een krom mes kan uitnemen. De calebassen dienen tot poejer-doozen, flessen, schaalen en schotels. Zelden ging ik door de bosschen, zonder 'er een by my te hebben. De Negers vercieren dezelve doorgaans, door op de bast verscheiden misselyke streepen te snyden; zomtyds zelfs vullen zy de groeven met kryt, het geen een zeer fraaije vertooning maakt. [39]

De Jagers op kondschap zynde uitgegaan, kwamen in den namiddag van den 23sten te rug, berigtende, dat zy het gewas van een ander rystveld, noord-oost-waarts gelegen, vernield hadden. De Colonel was met deeze tyding zeer in zyn schik; maar toen ik hem tegen den avond zeide, dat ik op eenigen afstand verscheiden gewapende Negers zag, die tot ons naderden, verbleekte hy en riep uit, wy zyn 'er om koud! Oogenblikkelyk gaf hy aan al het krygsvolk bevel, om de wapenen op te vatten. Na verloop van eenige minuten, waren deeze Negers naby genoeg, om onderscheiden te kunnen worden, en wy herkenden 'er veelen van, die in hunne hangmatten gedragen wierden. De Colonel FOURGEOUD riep op nieuw uit: "Wy zyn niet minder bedorven, schoon het de vyand niet is: het is de Capitain BOLTS, die geslagen is geworden, en met zyne manschappen te rug koomt". Hy sprak de zuivere waarheid. Deeze ongelukkige Officier, zoo dra hy zyne gekwetsten in handen der Heelmeesters had overgeleverd, gaf het volgende bericht: hy verklaarde, dat hy, gekomen zynde in het rampzalig moeras, waar in de Capitain MEYLAND de nederlaag gekregen had, door den vyand, die aan de overzyde post hieldt, was aangetast geworden; dat dezelve, zonder zig met eenig Europeaan te bemoeien, een verschrikkelyk bloedbad onder de Neger-Jagers gemaakt had; dat één der Capitains van deeze dappere lieden, genaamd VALENTYN, op het oogenblik, dat hy ter aanmoediging der soldaten den jagthoorn blies, en op vyf verschillende plaatsen doodelyk gewond was, was om ver geschoten. De Capitain AVANTAGE, broeder van VALENTYN, hem in dien doodelyken toestand ziende, gaf blyken van de innerlykste teederheid en van de aandoenlykste gevoeligheid. Hy ging naast zynen broeder op de kniën leggen; hy bukte naar zyne wonden, om 'er het bloed uit te zuigen; hy zwoer hem met eenen eed, dat hy zynen dood op hunne vyanden wreeken zoude; en zeide eindelyk, dat hy wenschte, om, na 'er zelf het leven te hebben by ingeschoten, hem op een gelukkiger plaats weer te zien.

De Colonel FOURGEOUD erkende toen; dat de muitelingen hun woord gehouden hadden met het dooden van de Jagers. De Capitain BOLTS berigtte ook, dat eenigen van de eerstgemelden, na op zyn volk van boven uit de palmboomen te hebben vuur gegeven, met de verbazendste gezwindheid naar beneden kwamen, en vervolgens wegvloden, terwyl de Jagers van kwaadheid schuimden, en van yver brandden, om hunne vyanden dwars door de struiken heen te vervolgen.

Onze Bevelhebber bemerkte toen de ongerymdheid van zyn ontwerp. Verre van in staat te zyn, om 'er de uitvoering van te voltooijen, zouden zyn krygsvolk en hy zelf gevaar geloopen hebben van geheel en al vernield te worden. Hy had noch mond- noch krygsbehoeften in zyne legerplaats gelaten, en bovendien was alle gemeenschap afgesneden; hy was dus ernstig bedacht op middelen, om zynen aftocht te dekken. De herhaalde murmureeringen van het krygsvolk drongen hem met ernst, om die party te kiezen; en in de daad, zy waren verschrikkelyk afgemat, door zig des daags te vermoeien, en des nachts aanhoudend te waken. Men konde van onze soldaten zeggen: "dat zy in wilde woestenyen omzworven, zonder aldaar eene enkele schuilplaats te vinden".

Den 24sten, ontfing eene krygsbende van honderd veertig mannen, onder bevel van twee Staf-Officiers, last, om het te velde staande gewas, het welk zy in den omtrek van de oude verblyfplaats, Cosaay genaamd, vinden mogten, geheel en al te vernielen: ik behoorde 'er mede toe. Wy hadden dit werk spoedig verrigt, en vonden in het moeras eene meenigte huisraad, als ketels, yzere potten en pannen. De muitelingen hadden die goederen op eenige Plantagiën geroofd, en zy hadden die in 't water geworpen, om ze aan ons te onttrekken, met oogmerk, ongetwyffeld, om ze weder op te visschen, wanneer wy Gado Saby verlaten zouden hebben.

Onze manschappen kwamen in den namiddag te rug, en wy braken oogenblikkelyk het leger op, om onzen aftocht naar Barbacoeba te beginnen. De Colonel FOURGEOUD gaf in dit oogenblik een blyk van een zeer verkeerd overleg, waar aan zommige lieden zelfs eene veel hardere benaming gaven. Des avonds, toen wy in het moeras kwamen, het welk een akelig voorkomen had, nam hy een ledige kist, leide 'er een hangmat in, en droeg dezelve als een schild voor het lyf, zyne soldaten toeroepende: Red u, zoo goed gy kunt! Op dit gezegde stondt een Waal, genaamd MATTOW, stil, en zeide tot hem: "Myn Colonel, 'er zyn 'er onder ons niet veelen, die uw voorbeeld kunnen, en, zoo ik denk, nog minder willen volgen. Laat uw schild daar, en maak uwe soldaten niet bevreesd. Een dapper man maakt van andere schilden gebruik. Volg dus MATTOW, en vrees voor niets". Deeze onverschrokken krygsman ontblootte dadelyk zyne borst, en met de bajonnet voor uit, beklom hy het eerst den oever aan de overzyde. Dit voorbeeld wierd gevolgd, en wy kwamen zonder hinder het moeras door. De kloekmoedige daad van deezen soldaat wierd vervolgens met den rang van Sergeant beloond. Ik moet hier opmerken, dat de Waalen, die wy onder ons hadden, eene groote dapperheid betoonden, en in alle opzigten uitmuntende soldaten waren. Des avonds sloegen wy ons neder op dezelfde plaats, alwaar wy den nacht voor den slag hadden doorgebragt: het was aller akeligst weder, en er viel een zwaare stortregen.

Den 25sten, des morgens zeer vroeg, zetten wy onzen tocht voort, maar ten minsten was de weg, dien wy voor ons hadden, gebaand. Des anderen daags tegen den avond, bereikten wy Barbacoeba, de plaats van onze algemeene byëenkomst, en wy bevonden ons in den elendigsten staat. Al het volk was door vermoeienis ten eenemaal uitgeput; eenige soldaten waren byna uitgehongerd, en anderen zeer gevaarlyk gewond. De arme slaven wierden allen gebruikt om de zieken of verminkten in hunne hangmatten te dragen, terwyl zy zelven naauwlyks in staat waren te gaan.--Op deeze wyze liep het met het innemen van Gado Saby af. Met dit al, schoon wy op deezen tocht, noch gevangenen, noch buit maakten, deeden wy niettemin aan de Volkplanting eenen wezentlyken dienst, door deeze schuilplaats der muitelingen te vernielen, die, gelyk ik reeds gezegd heb, eenmaal uit eene bezitting verdreven zynde, nooit aldaar wederom kwamen. Ik zoude 'er zelfs kunnen byvoegen, dat onze overwinning byna beslissend was: want indien men het afloopen van eenige Plantagiën uitzondert, het geen de muitelingen alleenlyk door een geest van wraakzucht deeden, en om voor het oogenblik onderhoud te vinden, waren zy zoodanig in verwarring gebragt, en door eenen zoo zwaaren schrik bevangen, dat van dien tyd af hunne verwoestingen zekerlyk minder meenigvuldig waren, en dat zy zeer kort daar op zig zoo diep in de bosschen begaven, dat het hun onmogelyk was groote plonderingen aan te rechten, noch ook de slaven der Plantagiën te verleiden.

Om de bekwaamheid der Negers in hunne krygs-bedryven des te beter te doen kennen, voege ik hier nevens eene afteekening van hunne bezitting Gado Saby, als mede van onze verschillende standen, na dat wy onze legerplaats aan de oevers van de Cottica verlaten hadden.

De getallen 1, 2 en 3, geven de algemeene verzamelplaats te Barbacoeba te kennen, als mede de legeringen in de twee nachten, die op ons vertrek van deezen post gevolgd zyn.

Nº. 4, beteekent de plaats, alwaar wy in den nacht van den 17den, het schieten en schreeuwen der muitelingen hoorden.

Nº. 5, de plaats, alwaar de Neger-Jagers zig by ons voegden.

Nº. 6, de plaats, alwaar wy gelegerd lagen, des nachts voor dat het gevecht voorviel.

Nº. 7, den oever van het moeras, van den kant, alwaar de manschappen van den Capitain MEYLAND hunne nederlaag ontmoetten.

Nº. 8, den voorpost der muitelingen, van waar de eerste snaphaan-schoten voortkwamen.

Nº. 9, de vlakte, met ryst en Indisch koorn bezaaid, welke wy zonder tegenkanting bezetten.

Nº. 10, de doortogt of engte, alwaar het vuur begon.

Nº. 11, de schoone vlakte, met ryst bezaait, alwaar het gevecht meer dan veertig minuuten duurde.

Nº. 12, het gehucht Gado Saby, in brand, en op eenigen afstand te zien.

Nº. 13, de plaats, van waar de muitelingen op ons leger schooten, en in den nacht van den 20sten met ons spraken.

Nº. 14, de oude verblyfplaats van Cosaay, met de dryvende brug, waar door de aftocht der muitelingen begunstigd wierd.

Nº. 15, de velden, met maniok, ignames en bananen beplant, welke op verschillende tyden verwoest wierden.

Nº. 16, het ryst-veld, door Capitain STEDMAN ontdekt en verwoest.

Nº. 17, het gewas, het welk den 23sten door de Jagers vernield wierd.

Nº. 18, het moeras, waar door de verblyfplaats omringd wierd.

Nº. 19, de modderpoel, of na by gelegen biry-biry.

Nº. 20, het bosch.

Na vooraf de manier beschreven te hebben, op welke wy onze hutten bouwden, zal ik hier eene kleine afteekening byvoegen van de wyze, op welke wy die hutten geduurende onze legeringen in de bosschen van Guiana plaatsten. Onze legerplaatsen waren doorgaans van eene driehoekige gedaante, als zynde, in geval van overrompeling, veel zekerder en gemakkelyker tot verdediging van onze krygs- en mondbehoeften; maar de gesteldheid van den grond gedoogde dit altyd niet, en dan was onze legerplaats vierkant, langwerpig, of van eene ronde gedaante, enz. Op de afteekening zelve beteekent,

Nº. 1, de hut of het priëel van den Colonel FOURGEOUD, of van den bevelhebbenden Officier, welke altyd in het midden stondt, en waar voor een schildwagt geplaatst was.

Nº. 2, de hutten van alle de verdere Officiers, makende een kleinen driehoek, en die van den Opper-bevelhebber omringende.

Nº. 3, de buitenste hoeken van den driehoek, die door middel van de hutten der soldaten in drie afdeelingen verdeeld wierden, namelyk, de hoofdbende, de voor-hoede en de agter-hoede, benevens de schildwagten, die op een bekwamen afstand geplaatst wierden.

Nº. 4, de kisten tot berging der krygs- en mond-behoeften, als mede der geneesmiddelen, waar by een schildwagt stondt.

Nº. 5, de vuuren, agter elke afgezonderde hoop krygsvolk geplaatst, om het eeten gereed te maken, en rondom welken de slaven op den grond lagen.

Nº. 6, een hoop afgehakte Latanus-boomen, om hutten of priëelen te maken.

Nº. 7, eene kleine beek of kreek, die aan het krygsvolk water verschafte.

Nº. 8, het naby gelegen bosch.

Ik keere tans tot myn verhaal te rug, en moet aanmerken, dat de wachtpost van Barbacoeba, verre van in staat te zyn, om ons levensmiddelen toe te zenden, zoo als onze Bevelhebber zig verbeeld had, naauwlyks een gering onderhoud aan ons aankomend krygsvolk, het welk uitgehongerd was, verschaffen konde. Verscheiden dagen lang leefden zy alleenlyk van ryst, ignames, erweten, Turksch graan, en wierden vervolgens byna allen door een geweldigen rooden loop aangetast. Schoon dit zoort van voedzel voor de Indianen en Negers krachtig genoeg is, is het niet geschikt voor de Europeanen, die niet lang zonder vleesch leven kunnen: en dit laatste was tans zoo zeldzaam te bekomen, dat zelfs de Joodsche soldaten, die zig onder het krygsvolk der Sociëteit bevonden, al het gezouten varkens-vleesch, het welk zy maar bekomen konden, opslokten.

Ik behoorde niettemin by aanhoudenheid onder het klein getal der geenen, die gezond waren: dit was byna een wonder; want ik had geen beter voedzel, dan een ander, dewyl ik mynen byzonderen voorraad op de Plantagie Mocha had agtergelaten. Ik hoopte op dit oogenblik verlof te zullen bekomen, om dezelve in persoon te gaan halen, en die hoop verkwikte my; maar de Colonel FOURGEOUD hielp my spoedig uit den droom, en verklaarde my, dat hy my geen oogenblik van het doen van den dienst ontslaan zoude, zoo lang ik op myne voeten staan konde: ik moest dus eene gelegenheid afwagten, om ze te laten komen. Ik deelde te gelyker tyd het middelmatig rantsoen van een soldaat met mynen Neger; nu en dan wierdt het vermeerderd met kool, of palmboom-wormen, of ook wel met eenige visch.

Wat de ongelukkige slaven betrof, zy waren zoodanig uitgehongerd, dat zy, een aap van het geslacht der coaitas gedood hebbende, denzelven met huid, hair en ingewanden kookten. Vervolgens haalden zy hem uit de ketel, half gaar zynde: om hem rond te deelen, scheurden ze hem met de tanden van één, en slokten hem eindelyk met zoo veel gretigheid in, als of zy menscheneeters waren. Zy boden 'er my geen brok van aan; maar, hoe groot ook myn honger was, myn maag had geen trek naar zulk wildbraad.

Ik wierd veel geholpen door myn sterk gestel, door eene zeer goede gezondheid, en door mynen vrolyken inborst, zonder het welk ik onder den last der elende en vermoeienis bezweken zoude zyn, daar dezelve toen zoo ondraaglyk geworden waren, dat de Jagers op nieuw onze legerplaats verlieten. Hun leidsman, WINSACK genaamd, één der yverigste en moedigste lieden, die immer de bosschen van Guiana waren ingetrokken, leide zynen post neder, zoo als MONGOL, geduurende den eersten veldtocht van den Colonel FOURRGEOUD aan de Wana-Kreek gedaan had.

In 't begin van September, maakte de roode loop zulke verwoestingen onder het volk, dat de Colonel zig genoodzaakt zag, om alle de zieke Officiers en soldaten zonder onderscheid weg te zenden, niet om zig in het groot Hospitaal te Paramaribo te laten geneezen, maar om aan de oevers der Rivieren te kwynen en te sterven. Het volk van zyne krygsbende begaf zig naar Maagdenberg aan de Tempaty-Kreek, en dat der Sociëteit naar Vrydenberg, aan de Cottica.

De onmenschelykheid van den Colonel FOURGEOUD, omtrent zyne Officiers, was tans tot die hoogte geklommen, dat hy zelfs niet gedogen wilde, dat zy, die in eenen hopeloozen toestand waren, een soldaat tot oppasser hadden, welken prys zy ook bereid waren 'er voor te betalen. Ik heb 'er verscheiden in hunne hangmatten, die tusschen twee boomen opgehangen waren, zien leggen, in een staat van walgelyke vuiligheid, by gebrek van hulp. Onder dit getal behoorde de Vaandrig STROWS, wien de Bevelhebber vervolgens in een open vaartuig naar Devil's Harwar liet overvoeren, alwaar hy stierf. De Colonel wierd eindelyk zelf door deeze wreede ziekte aangetast, en zyn geliefde geneesdrank hielp hem niet met al. Echter herstelde hy schielyk, door eene groote hoeveelheid rooden wyn te drinken, en veel speceryen te eeten, waar aan hy zelden gebrek had. De Colonel SEYBOURG gebruikte ook het eerstgemelde van deeze behoedmiddelen; maar dewyl hy 'er te veel op eenmaal van nam, verloor hy 'er dikwils het gebruik van zyn verstand door. In zulk eene gesteldheid, en in een legerplaats, die zulk een rampzalig voorkomen had, wagte onze Colonel echter eene bezending af van den Raad van Paramaribo, die gelast was hem met zyne overwinning geluk te wenschen. Dienvolgende had hy eene cierlyke hut doen bouwen, en last gegeven om hem schapen en varkens te bezorgen, waar op hy de afgezondenen onthaalen zoude;--maar 'er kwam niemand.

Den 9den, slagtte men dit vee; en voor de eerste keer, zedert dat hy het bevel voerde, liet de Colonel onder het volk een pond vleesch, de beenen daar onder begrepen, voor ieder man, uitdeelen; maar het getal der soldaten, die van deeze edelmoedigheid gebruik konden maken, was in dit oogenblik zeer gering.

Des anderen daags zagen wy eene versterking van honderd mannen, die van Maagdenberg aan de Commewyne kwamen, aankomen; en de wachtpost van Vrydenberg zondt ons byna een gelyk getal van Sociëteit's krygsvolk. De laatstgemelden bevestigden ons de tyding van het overlyden van den Vaandrig STROWS, en berigtten ons die van een groot aantal gemeene soldaaten, die by het innemen van Gado-Saby waren tegenwoordig geweest, en, terwyl men hen naar Barbacoeba vervoerde, in de vaartuigen zelve stierven.

Men ontfing te gelyker tyd berigt, dat de muitelingen, welken wy verslagen hadden, de Cottica boven de Patamaca-Kreek overtrokken, om hunne verwoestingen aan den westkant oogenblikkelyk uit te oeffenen. Dadelyk wierden te water vyftig mannen afgezonden onder bevel van eenen Capitain, om de oevers by de Pinnenburg-Kreek te gaan onderzoeken. Dit volk kwam den 8sten te rug, en bevestigde deeze tyding. Onze onvermoeide Bevelhebber besloot derhalven, om de muitelingen op nieuw te vervolgen; maar de slaven, die onze krygs- en mond-behoeften droegen, niet meer dan het vel over de beenen hebbende, waren naar hunne meesters te rug gezonden, die in hunne plaats anderen moesten zenden, maar die nog niet waren aangekomen.

Den 9den, verkogt men de nagelatene goederen van den Vaandrig STROWS aan de meestbiedenden om op tyd te betaalen. De ongelukkige soldaten, zig beyverende, om zig eenige ververschingen en kleederen te bezorgen, betaalden zevenmaal de waardy van het geen zy kogten; en deeze schandelyke schuld wierd van hun geld ingehouden. Ik heb 'er één vyf Engelsche schellingen zien geven voor een pond snuif-tabak, die geen tiende gedeelte van dien prys waardig was. De zelfde persoon betaalde voor slechte schoenen het dubbeld van derzelver echte waarde. Een paar magere kuikens kostten een guinie voor een zieken. Deeze ongelukkigen wierden op die wyze geheel en al beroofd van hunne weinige overgegaarde penningen, waar voor zy hun bloed en arbeid hadden veil gehad, terwyl men hunnen dringenden nood had kunnen voorkomen, alleenlyk door hun te geven het geen men hun verschuldigd was. Een zee-soldaat zwoer toen in de drift van zyne misnoegdheid, dat hy den Colonel FOURGEOUD zekerlyk zoude van kant helpen, wanneer hy 'er de gelegenheid toe vinden mogt. Een getuige hoorde dit, maar ik haalde hem over, na dat de schuldige berouw over zyne uitdrukking betoond had, om geene verklaring tegen denzelven te geven: dus redde ik zyn leven, het welk hy anders door de koord verloren zoude hebben.

Alle menschen zyn by geluk zoo verregaande ongevoelig niet, als onze Colonel, want dien zelfden dag zondt de braave Mevrouw GODEFROY een vaartuig, waar in een vette os, oranje-appelen en bananen voor de arme soldaten geladen waren, en die vervolgens onder hen verdeeld wierden. Des avonds van dien dag, ontfing ik een weinig voorraad, en eenige flessen Porto-wyn, welken JOANNA my toezondt. Zy had eene veel grootere hoeveelheid afgezonden, maar dezelve was gedeeltelyk gestolen, en gedeeltelyk bedorven. Dit maal gaf ik niets aan den Colonel.

Wanneer ik van voorraad, in een dergelyk geval ontfangen, spreek, bedoel ik suiker, thee, koffy, Bostonsche bischuit, een kaas, rhum, een ham, of eenig gezouten vleesch, alles in eene kleine hoeveelheid, want één slaaf kon de in de bosschen geen zwaarder vracht dragen, en het was ons niet geöorloofd 'er twee te gebruiken. Onder de behoeften telde men ook hembden, koussen schoenen; maar deeze twee laatstgemelde artikelen waren voor my van geen nut, zedert dat ik de gewoonte had aangenomen om blootsvoets te gaan. Reeds zedert twee jaaren had ik my hier aan gewend: ik bevond 'er my wonder wel by, en wenschte 'er my zei ven geluk mede, vooral wanneer ik zag, hoe myne ongelukkige medgezellen de beenen en voeten met scheuren en zweeren als bedekt hadden.

Den 12den, toen de nieuwe slaven waren aangekomen, maakte men zig gereed, om de muitelingen des anderen daags te vervolgen, onzen weg nemende naar den wachtpost, Jerusalem genaamd, waar van ik gesproken heb, ter gelegenheid, dat ik by den rampzaligen tocht naar het bovenste gedeelte van de Cottica het bevel voerde. Den 13den, zondt men de krygsbehoeften en legergoederen te water derwaart, onder geleide van de zieke Officiers en soldaten. Wy braken dus de legerplaats op, en verlieten Barbacoeba, om weder de bosschen te doorkruissen, nemende geduurende den geheelen eersten dag onzen weg ten zuiden en zuid-oosten; wy bragten den nacht door aan de overzyde van de Cassipory-Kreek, alwaar wy ons ter nedersloegen.

De ongelukkige slaven ondervonden op deezen tocht eene wreede mishandeling. Half uitgehongerd, waren zy niet alleen met pakken overladen, maar een ieder, wien het hoofd niet wel stondt, veroorloofde zig bovendien straffeloos om hen te slaan. Ik zag by voorbeeld des Colonels gunsteling, den Neger GOUSARY, 'er één tegen den grond smyten, om dat hy zyn pak niet schielyk genoeg opnam; de Colonel deedt vervolgens van gelyken, om dat hy het te schielyk opnam: de ongelukkige slaaf, niet wetende wat te doen, riep op een beklaaglyken toon uit, ô Massera Jesus Christus, en toen kwam 'er een geestdryver, die hem op nieuw tegen den grond smeet, om dat hy eenen naam, welks heiligheid hy zoo weinig kende, had durven ontheiligen.

Op den tocht van deezen dag, ontmoetten wy een groote troep wilde varkens. De soldaten doodden 'er verscheiden met sabel-houwen en bajonnet-steken, maar op geene andere wyze, want de Colonel had verboden een enkel schot met den snaphaan te doen. Men slagte dezelven; en het vleesch, het welk op het oogenblik wierd rond gedeeld, was by allen zeer welkoom. Ik kan niet nalaten nog op te merken, als iets dat zeer merkwaardig is, dat indien de eerste van deeze dieren, welke voor uit loopt, deezen of geenen weg inslaat, de anderen hem blindelings volgen, hopende even als hy het gevaar te zullen ontsnappen; het geen hun integendeel dikwils in handen van hunne vyanden doet vallen.

Den 14den, trokken wy naar het zuid-westen tot op den middag, wanneer wy te Jerusalem aankwamen, alwaar de voorhoede zig reeds zedert een uur bevondt. Wy waren geheel en al met slyk bemorst. Verscheiden soldaten vielen over wortels van boomen, of groote steenen, het geen hun zelfs breuken veroorzaakte. Tot myne groote verwondering, vonden wy hier dien zelfden WINSACK, van wien ik hier boven gesproken heb, en die aan het hoofd van honderd andere Jagers was. Hy had hooren zeggen, dat de muitelingen de Rivier Cottica aan derzelver bovenste gedeelte waren overgetrokken, en de Gouverneur had hem aangezogt, om het bevel weder op zig te nemen; dienvolgende boodt hy aan den Colonel FOURGEOUD op nieuw zynen dienst aan, die zeer wel deedt met zulks aan te nemen.

Onze legerplaats was byna geheel en al ter neder geslagen op een stuk land, dat met langwerpige en steekende planten bedekt was. Een der slaven wierd ongelukkiglyk in zyn voet gestoken door een kleine slang, die in Surinamen den naam van Oroucoukou [40] draagt, uit hoofde van deszelfs kleur, naar die van een nachtuil gelykende. In minder dan één minuut begon het been van deezen man op te zwellen; vervolgens gevoelde hy vreesselyke pynen, en verviel kort daarop in stuiptrekkingen. Een van zyne medgezellen, den slang gedood hebbende, liet de gal van dit dier, gemengd in een half glas brandewyn, het welk ik hem gaf, door den gewonden inneemen. Toen (misschien was het loutere inbeelding) scheen hy een weinig verligting te gevoelen: maar het toeval kwam met een ongemeen geweld schielyk wederom, en de ongelukkige wierdt dadelyk naar de Plantagie van zynen meester gezonden, alwaar hy stierf. Ik heb dik wils hooren zeggen, dat de gal van een slang, uitwendig op de beet gelegd, in dit geval van zeer kragtige uitwerking is. Men kan zelfs in the Great Magazine van de maand April 1758, een brief lezen, gedagteekend den 24sten Maart, en geteekend J. H., waar in de Schryver op eene leerstellige wyze de manier behandelt, op welke dit geneesmiddel behoort te worden toegediend. Maar ik laat voor lieden van de kunst over, om in deeze byzonderheden te treden, en ik zal my vergenoegen met in 't algemeen op te merken, dat hoe kleiner de slang is, ten minsten in Guiana, hoe doodelyker het vergift is. En dit is het, 't geen THOMPSON met zoo veel juistheid en kragt van woorden schetst.

"Maar de wreedste, schoon de kleinste van allen, is steeds die dienaar van den dood, welke, zig in de schaduw verborgen houdende, zyn ongelukkig slachtöffer bespiedt, en het zelve een fyn vergift mededeelt, het welk langen tyd in zyne aderen gekookt, met eene gezwindheid, als die der blixemstraalen, zynen levensloop stuit".

In deeze zelfde Savane, doodde één der Jagers nog een ander dier van dit zelfde geslacht, genaamd de Zweepslang, om dat hy naar een zweep gelykt. Naauwlyks dikker zynde dan een zwaanen-schacht, heeft hy de lengte van vyf voeten. Zyn buik is van eene witte, en zyn rug van eene lood-kleur: ik weet de gevolgen van zyne steeken niet. De Negers hebben my gezegd, maar ik heb het niet gezien, dat hy met zyn staart een zeer harden slag kan geven.

Ik moet niet met stilzwygen voorbygaan, een halfslachtig dier, het welk de Negers ook dien zelfden avond doodden, en door hen Cabiai [41] genoemd word. Het is een zoort van water-varken, van de zelfde gedaante, als het land-dier van dien naam. Hy is met gryze borstels bedekt, en met zeer scherpe tanden gewapend: hy heeft geen staart. Elk van zyne pooten heeft drie klaauwen, met een vlies, even als de eendvogels. Men beweert, dat dit dier alleenlyk des nachts aan den oever koomt, en dat hy zig aldaar met allerleije kruiden en plantgewassen voedt. Zyn vleesch is, zoo men zegt, goed om te eeten, maar ik heb het niet geproeft.

Den 16den, zondt de Colonel FOURGEOUD twee aanzienlyke gedeelten zyner krygsbende af, om op kondschap uit te gaan. Het eerste bestond uit honderd mannen, waar over de Lieutenant Colonel DE BORNES het bevel voerde; hetzelve had in last, om zig van den kant van de Wana-Kreek naar het bovenste gedeelte der Cormoetibo-Kreek te begeven. Het tweede bedroeg een gelyk getal, onder bevel van den Colonel SEYBOURG; het zelve kreeg bevel, om naar de Pinnenburg-Kreek, aan het bovenste gedeelte van de Cottica, heen te trekken. Het laatstgemelde volk kwam omtrent te middernacht te rug, met twee kano's, welken zy, aan de andere zyde der Rivier, een weinig beneden de Claas-Kreek, gevonden hadden op 't land gehaald te zyn. Hun bericht overtuigde ons van den aantocht der muitelingen, die hunne ledige kano's alleenlyk hadden doen afzakken, om dezelven, met buit beladen, te rug te zenden. Ingevolge van dit bericht, maakte men dadelyk de noodige toebereidzels, om hen met ernst te vervolgen. Onze oude Bevelhebber betoonde nimmer meerder moed, dan in dit oogenblik. Hy zwoer zig over alle de muitelingen, het koste wat het wilde, te zullen wreeken.--Maar men zal, in het volgende Hooftstuk, zien, of de bekwaamheid van onzen Generaal met die van BONNY gelyk stondt.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Byzonder zoort van Mieren.--Acajou-nooten.--Eta-appel. --Alarm aan de Peréca.--Hinderlaag.--Vreemde uitwerking, door eene Vledermuis veröorzaakt.--De Opposfum.--De Agouti en de Paca.--De Dadel-boom.--Het krygsvolk keert naar de Cormoetibo-kreek te rug.

Den 19den September 1775, een oogenblik voor het opgaan der zon, begaf zig de Colonel SEYBOURG, aan het hoofd van honderd Zee-soldaten en veertig Jagers, in aantocht. Deeze Officier deedt my de eer aan, zyne keuze op my te laten vallen, om hem te vergezellen; en hy was, geheel anders dan voor deezen, zeer bescheiden omtrent my, zonder dat ik de reden van die verandering bevroeden konde.

Na de Cormoetibo-Kreek te zyn overgetrokken, gingen wy zuidwestwaarts ten zuiden, tot aan de Cottica, aan welker oevers wy ons ter neder sloegen. Den eersten dag van onzen tocht zagen wy niets merkwaardigs, dan een groot aantal mieren van ten minsten een duim lengte, en volmaakt zwart. De insecten van dit zoort ontbladeren een boom in zeer korten tyd; zy snyden dezelven in kleine stukjens ter groote van een zes stuivers stuk, om ze onder den grond met zig te voeren. Het was alleräangenaamst dit mierenleger te zien, elk met een stuk van een groen blad, onöphoudelyk den zelfden weg volgende. Men is zoodanig genegen het wonderbaarlyke te gelooven, dat zommige lieden beweerd hebben, als of deeze vernieling ten voordeele van eenen blinden slang geschiede. Dit is 'er van de zaak, dat deeze bladen tot voedzel dienen voor de jongen der mieren, die nog geen kragt genoeg bezitten om zich zelven voedzel te bezorgen, en die zomtyds zes voeten diep in den grond woonen. Mejuffrouw DE MERIAN zegt, dat zommigen van deeze insecten zig tot een keten vormen van den eenen tak tot den anderen; en dat de geheele troep vervolgens daar over als over een brug gaat. Zy beweert ook, dat deeze troep eenmaal 's jaars van huis tot huis gaat, en aldaar al het ongedierte doodt, het welk zy vinden: maar ik ben verpligt te erkennen, dat ik op de plaatsen zelve geene van die omstandigheden vernomen heb: dit alleen kan ik verzekeren, dat het steken van dit zoort van mieren byna even pynlyk is, als van de vuur-mier, welke ik reeds beschreven heb.

Des anderen daags trokken wy langs de oevers van de Cottica, tot dat wy in den omtrek van de Claas-Kreek waren, (dezelfde, die ik, met myn sabel tusschen myne tanden, had overgezwommen,) alwaar wy onze hangmatten ophingen. Men zondt my vervolgens met eenige jagers af, om aan den mond van de Wana-Kreek tot aan den nacht in eene hinderlaag te gaan leggen. Ik ontdekte hier niets anders, dan dat deeze zelfde Jagers, even als de muitelingen, geloofden, dat hunne tooverbanden of obias hen onkwetsbaar maakten. Zy zeiden my, dat de laatstgemelden dezelven van hunne Priesters ontfingen; en dat zy zelven die kogten van GRAMAN-QUACY, een zeer beruchten en doorslepen ouden Neger, van wien ik op een geschikter plaats in het byzonder spreken zal.--Wanneer ik hun vroeg, "waar het by toekwam, dat 'er iemand van hun, of van hunne onkwetsbaare tegenpartyen gedood wierdt"? antwoordden zy my: "Dit gebeurt, om dat zy even als gy, Masera, op hunnen tooverband, of obia, geen vertrouwen stellen".--Deeze trek van bekwaamheid van QUACY bragt nogtans het goed gevolg te weeg, dat hy van zyne landgenooten zulke onvertzaagde soldaten maakte, dat ik dikwerf over hunne ongemeene dapperheid verbaasd stond, en deeze bedriegerye, behalven dat ze veel aanzien en eerbied verwekte, bezorgde aan haaren uitvinder een gemakkelyk leven, het welk in eenen Surinaamschen Neger niet zeer gemeen is.

Ik zag, aan den mond van deeze Kreek, eene groote meenigte Acajou-nooten op het water dryven. By de beschryving, daar van door my reeds gegeven, moet ik nog voegen, dat de noot van deezen naam zig aan eene groote peer vormt, en dat deeze aan een boom groeit van middelmatige grootte, die een gryze schors, en dikke en breede bladen heeft. Men kan deeze uitmuntende nooten door alle de werelddeelen vervoeren; want zy blyven eenen zeer langen tyd goed: zommige Schryvers noemen dezelven anacardium occidental. Uit den boom druipt eene doorschynende gom, die, in water ontbonden zynde, de dikte van vogellym heeft.

Ter deezer zelfde plaats proefde ik ook den Eta-appel, waar van de Negers ongemeen veel houden. De boom, die denzelven voortbrengt, is een zoort van palmboom met breede bladeren, maar minder dik, dan de Mauricy, of den berg-palmboom. Deszelfs vruchten zyn rond, en groeien aan groote risten of bossen, even als de druiven-trossen: binnen in eiken appel zit een harde noot, die een pit in zig bevat, en met een oranje-kleurig vleesch, ter dikte van een halve duim, en van een alleraangenaamste zuure smaak, omgeven is. Men zamelt deeze nooten zeldzaam op; men wagt, dat de appelen ryp afvallen. De Indianen laten dezelven in water uitweeken, en maken 'er op die wyze een lekkeren en gezonden drank van.

De Colonel FOURGEOUD zondt ons te water een bode, die den 21sten aankwam, met bericht, dat het alarm-geschut [42] zig van den kant van de Peréca had laten hooren. Wy trokken dadelyk de Cottica over, op welkers westelyken oever de Jagers en eenige zee-soldaten last hadden, in eene hinderlaag te gaan leggen, in de hoop van den te rug tocht der muitelingen af te snyden, wanneer zy deeze Rivier weder met hunnen buit zouden over trekken. Den zelfden namiddag wierdt 'er een Neger van de muitelingen gezien, een groene mand dragende, die de reuk van den tabak geroken hebbende, eensklaps stil stondt, en den zelfden weg te rug keerde. Een Jager en ik schoten dadelyk op hem; wy raakten hem niet, maar zyn mand viel. Wy vonden daar in een dozyn fraaije servetten, een opgetoomden hoed met een goude lis, en twee rokken van kostelyke chits. Ik nam de laatstgemelden, en liet het overige aan mynen medgezel.

Op de tyding van het gevaar, het welk de Plantagiën aan de Peréca liepen, trokken de Neger-Jagers met een ongemeenen yver voor uit; en eenige oogenblikken na hun vertrek, verzogt ik aan den Colonel SEYBOURG verlof, om hen te volgen. Deeze Officier gevraagd hebbende, wie lust had mede te trekken, boodt zig een groot getal aan; maar hy koos 'er alleenlyk vier uit, en ik was onder dezelven. Dwars door struiken en doornen, die als netten in malkander zaten, en die my de voeten op eene verschrikkelyke manier van één scheurden, gegaan zynde, haalde ik de afgezondene manschappen in, op den afstand van een myl van de legerplaats. Kort daar op ontdekten wy dertien geheel nieuw opgeslagene hutten, en wy gisten, dat de muitelingen kortlings deeze plaats waren doorgetrokken. Dienvolgende zond ik aan den Colonel SEYBOURG daar van berigt, en verzogt voor de Jagers en voor my bevel, om onverwyld naar de Peréca te trekken; maar zyn antwoord bragt stellig mede, om ons oogenblikkelyk by hem te vervoegen. Wy keerden derhalven langs onzen voorigen weg te rug; het geen ons tot groot hartzeer verstrekte; de Neger-soldaten waren vooral zeer misnoegd, en maakten duizend onaangenaame aanmerkingen.

By onze aankomst op de legerplaats, vonden wy aldaar eene versterking, van den post van Jerusalem komende. Dezelve bestondt uit zestig mannen, zoo zwarten, als blanken, en bragt ons stelligen last mede, om het leger op te breken, en des anderen daags morgens naar de Peréca te trekken. Den geheelen nacht bevondt zig eene goede meenigte volks in hinderlagen.

Den volgenden dag was ieder voor het opkomen der zon gereed, en echter verlieten wy onze legerplaats zeer laat. Geduurende dit onbegrypelyk verwyl vernamen wy, dat men een kano, waar in alleenlyk één Neger was, de Rivier had zien oversteken. Het was waarschynlyk die arme schelm, op wien ik des avonds te vooren geschoten had.

Ik kan niet nalaten alhier eene zeer zonderlinge omstandigheid te verhaalen. Des morgens ten vier uuren ontwakende, was ik uittermaten verschrikt, toen ik my in gestolt bloed vond liggen, hoe zeer geene de minste pyn gevoelende. Ik stond oogenblikkelyk op, en liep met een toorts in de hand naar den Heelmeester toe; dit bloed, deeze toorts, myne bleeke kleur, myn afgesneden hair, myne ontramponeerde kleeding, konden in hem deeze vraag doen opryzen: "zyt gy een levendig schepzel, of een spook, uit het graf opgerezen? Is het zuivere hemel-lucht, die u omgeeft, of zyn het uitdampingen der helle?" [43]

Het geheele geheim bestondt daar in, dat ik gebeeten of gestoken was door de Vampire, of het Spook van Guiana, ook de vliegende hond yan Nieuw Spanje, en door de Spanjaarden Perro-Volador genaamd. Dit dier is niets anders dan een vledermuis van eene monsterachtige gedaante, die aan menschen en beesten, wanneer zy slapen, het bloed uitzuigt, zelfs nu en dan zoodanig, dat zy 'er van sterven. Dewyl de manier, waar op deeze dieren dit doen, in de daad verwonderenswaardig is, zal ik trachten dezelve opzettelyk te beschryven.

De Vampire, wanneer de geen, op wien hy het gemunt heeft, in slaap is, het welk hy uit zyne eigene natuurlyke neiging weet te ontdekken, zet zig doorgaans by de voeten neder. Hy houdt zig aldaar in evenwicht door middel van zyne groote vlerken, welken hy geduurig beweegt, en inmiddels doorboort hy de kop van de groote toon, maar het gat, het welk hy maakt, is zoo klein, dat 'er naauwlyks de kop van eene spelde door kan, en zulks derhalven geene de minste pyn veröorzaakt. Door middel van deeze opening, gaat hy niettemin voort met het bloed uit te zuigen, tot dat hy genoodzaakt is het uit te spuwen. Hy begint vervolgens op nieuw, en gaat zoo voort met zuigen en uitspuwen, zoo dat hy niet dan met zeer veel moeite kan wegvliegen, en dat zyn slachtöffer dikwerf van den natuurlyken in den eeuwigen slaap is overgegaan. De beesten steekt hy doorgaans in het oor, en altyd op een plaats, waar het bloed een oogenblikkelyken loop heeft, misschien in de eene of andere slagäder. Na dat men tabaks-asch op de wonde gelegd had, als het zekerst middel zynde, kwam ik te rug om my te wasschen, gelyk ook myne hangmat, waar onder ik veel geronnen bloed gewaar wierd. De Heelmeester het zelve naargegaan hebbende, oordeelde, dat ik geduurende dien nacht dertien of veertien oncen bloed moest verloren hebben.

Ik heb naderhand gelegenheid gehad één van deeze vledermuizen te dooden, wiens uitgespreide vlerken eene wydte maakten van twee-en-dertig en een halve duim: men zegt, dat 'er zommige zyn van drie voeten in die zelfde rigting, schoon zy naar die van Madagascar niets hoe genaamd gelyken. De door my gedoodde vledermuis had eene donker bruine, byna zwarte kleur, maar ligter onder aan den buik. Over 't geheel had hy een in de daad afschuwelyk voorkomen. Maar zyn kop was vooral vervaarlyk: men zag aldaar boven den neus een blinkend, ongebogen, rimpelig, en puntsgewyze toeloopend vlies. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend. In het bovenste kakenbeen had hy vier snydende tanden en zes in het onderste. Ik zag niet, dat hy een staart had, maar een vel, in welks midden een pees was. Elk van zyne vlerken had vier klaauwen, van elkander afgescheiden, als die der pooten van een eendvogel, [44] en met nagels gewapend: men zag ook nog een ander ter plaatse, waar deeze zelfde klaauwen zig verëenigen. Alle dienen zy aan het dier om te klauteren op, en zig vast te houden aan boomen, rotsen of daken, alwaar hy hangen blyft, wanneer hy slaapt.

Een der Zee-soldaaten vong dien zelfden dag een Oppossum of Sarigue. Dit dier verschilt, in zommige byzonderheden, merkelyk van de beschryving, welke 'er de beroemde BUFFON van gegeven heeft.--By voorbeeld, hy is veel ligter dan alle de geenen, waar van deeze Schryver spreekt; en hy heeft den staart met hair, in plaats van met schubben bedekt. Ik meen dit ten minsten, en, zoo myn oog my bedrogen heeft, ben ik de eenigste niet die met opzigt van dit dier in dat geval geweest is. LINNÆUS, SEBA en VOSMAAR, beschouwen de Oppossum als een dier, zoo wel van de oude als nieuwe weereld, schoon het echter zeker is, dat hy alleen in America gevonden wordt. LINNÆUS tast ook mis, wanneer hy verzekert, dat alle de vledermuizen vier snydende tanden in elk kabenbeen hebben. (Zie BUFFON V. Deel, bladz. 282.)

Deeze Oppossum was niet grooter, dan een groote muis. Hy was volmaakt zwart, uitgenomen onder den buik, aan de pooten, en onder aan den staart, die de kleur had van een buffels huid. Boven elk van zyne oogen, vry veel naar die van een rot gelykende, had hy een vlak van deeze zelfde kleur. Zyne ooren waaren lang, rond en doorschynend; zyne klaauwen bedroegen een getal van twintig, zynde één derzelven agterwaarts geplaatst, en tot een duim dienende. Dezelve had tien of twaalf tepels, waar aan (zoo men zegt) de jongen, zoo dra zy gebooren zyn, zig vasthouden, zynde zy dan niet veel grooter, dan jonge Kevers. Maar dit dier had den zak niet, welken andere Oppossums gewoonlyk hebben. In plaatse van dien, zag men twee langwerpige plooijen aan de binnenzyde van elke dye, die even als de gemelde zak geschikt waren, om de jongen voor alle onheil te beveiligen, daar geene foltering, ja zelfs het vuur niet, de moeder kan doen besluiten haare jongen te verlaten. Ik zal by deeze beschryving voegen, dat deeze dieren op het land leven, en dikwils op de boomen klauteren; maar dat zy zig, even als de muizen, met graanen, vruchten, en wortelen voeden. De beschryving van het andere zoort zal ik uitstellen, tot dat zig de gelegenheid my daar toe aanbiedt.

Mejuffrouw DE MERIAN sreekt van eene byzondere Oppossum, die, in het oogenblik van gevaar, de jongen op haaren rug draagt: ik heb 'er in Surinamen nooit van hooren spreeken, en houde my verzekerd, dat 'er dit zoort niet is.

Ik heb reeds gezegd, dat door eene vertraging, waar van my de reden onbekend was, de ogtend reeds verre gevorderd was, toen wy onze legerplaats verlieten. Ik behoorde tot de voorhoede met de Jagers en eenige Zee-soldaaten, die allen voor negen dagen mondbehoeften op hunnen rug droegen. Wy hadden nog maar een klein gedeelte van den weg afgelegd, toen één der eerstgemelden op den jagthoorn blaazende, de anderen uit elkander gingen, en zig plat op den buik aan den grond nederleiden, hebbende den haan van hun geweer overgehaald, en zynde alzoo tot het gevecht gereed. Ik deed even als zy; maar het was niet meer, dan een valsch alarm. Het was een hart, het welk in zynen loop de bladeren van 't geboomte in beweeging gebragt had. Wy stonden derhalven weder op, en trokken door slyk en water heen, tot drie uuren na den middag, wanneer wy ons op hoogere landen nedersloegen, alwaar men geen water vinden konde, dan door een put te graven; en dan nog was het water, het welk wy daar uit schepten, zoo modderig, dat wy genoodzaakt waren, het door onze dassen of hembds-mouwen te laten doorloopen. De Colonel SEYBOURG kwam alhier by my, om my des avonds in zyne hut ter maaltyd te verzoeken, en behandelde my met eene beleefdheid, waar over ik zeer verwonderd was,

Des anderen daags vervolgden wy onzen weg, neemende denzelven westwaarts ten noordwesten. Wy hadden zwaare slagregens, en moesten een moeras doorwaden. Ik voerde toen het bevel over de agterhoede, en had drie uuren noodig, om dezelve van deeze naar de overzyde te geleiden. Deeze tocht was allerverdrietelykst. De slaven, onder hunne pakken gebukt gaande, braken elk oogenblik de korst, die over het water lag. De Zee-soldaaten, met hunne mondbehoeften belaaden, hadden zeer veel moeiten om zig op de been te houden, en ik zelf, door de groote meenigte bloed, welke ik verlooren had, verzwakt zynde konde aan niemand van dienst wezen. Toen wy weder den vasten grond bereikt hadden, zag ik aldaar de lyken van verscheiden muitelingen verspreid liggen, aan elk van welken de regte hand en het hoofd was afgehouwen. Deeze lyken waren nog niet verrot, het geen my deedt vermoeden, dat 'er in 't kort eenig gevecht tusschen de muitelingen, en het krygsvolk, aan de Peréca leggende, had plaats gehad.--Ik moet hier opmerken, dat, indien men den 21sten, in plaats van my te gelasten om te rug te komen, en de Jagers weder mede te brengen, ons had toegestaan voorwaarts te gaan, de muitelingen tusschen twee vuuren zouden geraakt zyn, 'er zeer weinigen van hun zouden zyn ontsnapt, en wy hunnen buit zouden hebben hernomen. De lezer zal zig herinneren, dat dit zelfde voorval plaats had, toen ik, twee jaaren te vooren, te Devil's Harwar het bevel voerde. Indien ik toen een genoegzaam getal manschappen en krygsbehoeften tot den tocht gehad had, zoude ik aan de Volkplanting den gewichtigsten dienst gedaan hebben. Het spyt my deeze twee wezentlyke misslagen te moeten aanhaalen; maar waarheid en onpartydigheid verpligten 'er my toe. Deeze aanmerkingen echter behooren my niet van wreedheid te doen beschuldigen, want niemands hart was meer getroffen dan het myne, op het zien van zo veele jongelingen, die onder het ons omringende geboomte dood uitgestrekt lagen. Myn oog viel in 't byzonder op twee van hun, die zoo wel gemaakt waaren, als men ze met mogelykheid bedenken kan.

Terwyl ik met het maken van deeze en andere gelykzoortige aanmerkingen bezig was, bleeven verscheiden slaven, die te zwaar belaaden waren, in het moeras zitten. De bevelhebbende Officier, met het voornaamste gedeelte zyner manschappen zig op een hoog stuk land nedergeslagen hebbende, konde ons niet meer zien, noch hooren; en door deeze scheiding liep de agterhoede gevaar, niet alleen om haare mond- en krygs-behoeften te verliezen, maar om zelfs in de pan gehakt te worden.

Geenen enkelen Europeaan vindende, die kragten genoeg had overgehouden, om het volk, het welk voor uit getrokken was, in te haalen, gaf ik het bevel over aan mynen Lieutenant DE LOSRIOS, en waagde het om alleen dwars door het bosch te loopen, tot dat ik onze legerbende bereikt zoude hebben. Ik hield den Colonel SEYBOURG de gesteldheid der agterhoede voor, en verzogt hem "om wat langzaam voort te trekken, ten einde aan die geenen, die in de modder gezonken waren, tyd te geven, om 'er zig uit te redden, zonder het welk ik voor de gevolgen niet konde instaan". Zyn antwoord was, "dat hy zyn leger zoude opslaan, zoo dra hy goed water ontmoette". Schoon zeer vermoeit zynde, keerde ik dadelyk naar myne agterhoede te rug, waar van het grootste gedeelte tot des nachts in den deerniswaardigsten en gevaarlyksten toestand bleef, want eerst des avonds ten zeven uuren redden wy den laatsten man uit het moeras, en toen gingen wy langzaam voort, tot dat wy in de legerplaats aankwamen.

Myne oplettenheid voor het behoud der manschappen, over welken ik het bevel voerde, myne zorge voor de bespaaring van krygs- en mondbehoeften, wel verre van my de goedkeuring te doen ondervinden van hem, onder wiens bevelen ik voor dit oogenblik stond, van hem, die my nog kortlings met zoo veel bescheidenheid behandelde, wikkelde my integendeel in een ernstig voorval in, waar over ik zoo gevoelig was, dat ik my naauwlyks wederhouden konde, om tot wanhoop te vervallen. Men kan myn verdriet beöordeelen, wanneer men weet, dat ik naauwlyks in de legerplaats zynde te rug gekomen, in arrest gezet wierd, om door eenen krygsraad, ter zaake van gepleegde ongehoorzaamheid, gevonnisd te worden. De Colonel SEYBOURG en ik hadden nimmer met elkander in betere vriendschap omgegaan; maar schoon hy my in het begin van den tocht met eene uiterlyke beleefdheid behandeld had, was het niet minder zichtbaar, dat hy, na een dergelyken trek, zig betoonde myn doodelykste vyand te zyn. Ik moet echter niet vergeeten eene zonderlinge omstandigheid te verhaalen, hier in bestaande, dat men my, schoon in gevangenis gesteld zynde, tot nader orde myne wapens liet behouden.

Den 24sten vertrokken wy des morgens vroeg, en namen den weg ten zuiden en zuidwesten. In deeze laatstgemelde richting gingen wy voorby Pinnenburg, een verlaten gehucht der muitelingen, waar van ik gesproken heb. Ik bleef steeds gearresteerd, en was uittermaten mismoedig.

Des daags daar aan volgende trokken wy zuidwestwaarts, en doorwaadden een zeer diep moeras, waar in wy nat bezweet ingingen, vermits wy tot hier toe te schielyk gegaan hadden: maar de gezondheid van onze soldaaten was geen zaak, waar over men zig bekreunde, van hoe veel aanbelang zy ook voor den goeden uitslag onzer onderneming was.

Op nieuw een zoort van heuvel of hoog land bereikt hebbende, was ik op het punt een ongeluk te ontmoeten, noodlottiger dan alle de ellende, welke ik tot dus verre ondervonden had. In eene diepe mymering als weggezonken, terwyl ik de agterhoede volgde, verdwaalde ik ongevoelig, en bevond my eindelyk alleen, in het midden van eene eindelooze woestenye. Zoo dra de arme QUACO bemerkt hadt, dat ik was afgedwaald, waagde hy dwars door het bosch heen te loopen, om zynen meester te rug te vinden, en, by louter geluk, zag hy my, aan den voet van eenen boom zittende in eene neerslagtigheid, die zig niet laat beschryven, en ten prooy van smart en wanhoop overgegeven. Des morgens van dien dag meende ik, dat myn ongeluk op het hoogst was, en in dit oogenblik zoude ik alles gegeven hebben, om my nog in die zelfde gesteldheid te bevinden. Ik was in eenen staat van volmaakte gevoelloosheid, te midden van een onmeetelyk bosch, en door verslindende vyanden omringd; stortregens vielen uit den hemel, en myn uitzicht was op tygers, op hongersnood, op alle onheilen, op alle gevaaren. JOANNA moest ik voor eeuwig vaarwel zeggen!--Dusdanig was de gesteldheid van mynen geest, toen ik, eensklaps mynen Neger herkennende, van den grond oprees, en als een geheel nieuw leven in my voelde ontvonken. Vervolgens eenigen tyd te zamen zynde voortgewandeld, zeide ik hem, dat ik een vyver zag, door welken ik meende, dat het krygsvolk was doorgegaan, om dat het water zig drabbig vertoonde. De Jongeling, het oog op dit water slaande, antwoordde my met ontsteltenis; dat deeze modderpoel door een Tapira veröorzaakt was, [45] en hy toonde my de voetstappen van het dier in het slyk, vervolgens berste hy uit in traanen, en riep uit: Masera, wy zyn 'er om koud! wy zyn 'er om kond! In het midden van deezen angst herïnnerde ik my echter, dat de Peréca op de kaart wierdt aangewezen ten westen van de plaats, alwaar wy ons bevonden, en ik besloot om oogenblikkelyk mynen weg derwaarts te nemen. Derhalven mynen snaphaan op nieuw geladen hebbende, gelastte ik aan QUACO om my te volgen; maar 'er was my nog één hinderpaal in den weg, ik had myn kompas niet by my, en de regen belette het doorschynen der zonnestraalen. In deezen bangen nood, herïnnerde my myn medgezel, dat de schors der boomen aan de zuidzyde doorgaans veel gladder is. Dit was waarlyk een goede inval, en dienvolgende gingen wy naar dien kant heen; dan eens door een dik en donker bosch, dan eens door een zoort van kreupelbosch, tot dat wy, door vermoeienis en honger afgemat, gingen nederzitten, zonder een enkel woord uit te brengen, en elkander aankykende als twee slachtöffers; die ter dood verwezen waren. Ons stilzwygen bleef nog voortduuren, wanneer wy een verward gedruis hoorden, als van lieden, die hoestten, en van anderen, die met wapentuig eenige beweging maakten. Gode zy dank! het was ons krygsvolk, het welk zig nedersloeg op een veld, bevoorens door het volk van de Peréca bezet. In weerwil van myne ongelegenheid, bevond ik my in dit oogenblik in eene der gelukkigste geest-gesteldheden, die my deedt zien, dat alles in deeze weereld ten goeden en ten kwaaden keeren kan. Alle de Officiers wenschten my van goeder hart geluk, en myn Neger, zoo wel als ik, deelden met hun van hun koud ossenvleesch en brood. Na het eindigen van deezen maaltyd, vervolgden wy onzen weg, en wy kwamen wederom in een moeras, of liever in een modderigen vyver, welks oppervlakte te zwak was om ons te dragen. De donkerheid van den nacht overviel ons, en wy waren genoodzaakt aldaar te verblyven. De soldaten hingen hunne hangmatten aan de boomen, de eene boven de andere; de slaven maakten houtvlotten, op welken zy het kruit, de krygsbehoeften, enz. nederzetten, en zy zelven gingen leggen slapen.

Den 26sten, vertrokken wy, een uur voor het aankomen van den dag, maar na dat de Colonel SEYBOURG in zyne hangmat koffy gedronken had, terwyl al het volk, tot hun midden toe in het water staande, op hem wagtte, en wy gingen eerst west-, vervolgens noord-westwaarts. Onze tocht was zoo moeielyk en verveelend, dat verscheiden slaven hunne pakken lieten vallen, waar door dezelve deels nat wierden, deels verloren geraakten. Eindelyk, na eene andere verlatene legerplaats, te zyn doorgetrokken, hielden wy stil aan het oude cordon, of den weg, die op andere wegen uitliep, alwaar ik dadelyk het spoor der muitelingen ontdekte, geduurende dat ik aan de Cottica het bevel voerde. Wy sloegen aldaar ligte hutten op, om onder dezelven den nacht door te brengen.--Ik bleef nog steeds in arrest.

Een der Jagers, een klein viervoetig dier ontdekt hebbende, het welk met eene ongelooflyke gezwindheid door de legerplaats liep, hakte het zelve met zyn sabel. Het was de Paca, of de gevlakte Cavey, in Surinamen den naam van Water-haas dragende. Dit dier is ongemeen vet, en heeft de grootte van een speenvarken. Zyn onderste kakebeen is kort, zyne neusgaten zyn breed, en van knevels voorzien, even als de katten; zyne oogen zyn zwart, en zyne ooren klein en kaal. Aan elke poot heeft hy vyf klaauwen. Zyne huid, van eene bruine aard-kleur, is met vlakken gespikkeld, die een buffels kleur hebben, in de lengte, en meer of min streeps-gewyze geplaatst zyn: de buik heeft eene vuile witte kleur, en het geheele lyf is met een ruw, grof en kort hair overdekt. De Paca is een halfslachtig dier. Zig op het land bevindende, graaft hy, even als de varkens, in den grond, om zyn voedzel te zoeken: wanneer hy in gevaar is, loopt hy naar het water, om aldaar eene schuilplaats te vinden. Schoon hy vet, en, naar mate van zyne grootte, zeer wel in 't vleesch is, loopt hy echter veel gezwinder, dan eenig dier van zyne dikte in Zuid-America doet. Men leest nochtans het tegendeel in de beschryving, welke men daar van vindt in het vervolg op de Natuurlyke Geschiedenis van BUFFON, alwaar gezegd wordt: "Dat de Paca niet gezwind loopt, dat hy zelfs zeldzaam loopt, en dan nog met zeer weinig bevalligheid". Misschien is dit waar, wanneer men hem als een huisdier beschouwt, want men kan hem tam maken; maar ten minsten in den staat der natuur is hy zoodanig niet; en ik kan verzekeren, dat ik hem als een haas heb zien loopen. Wy lieten hem voor onzen avond-maaltyd gereed maken, en wy vonden hem nog veel lekkerder dan de Bosch-rot, of zelfs dan de Warrabocerra.

De Cavey, met een lange neus, beter bekend onder den naam van Agouli Pacarara, is in Surinamen mede zeer gemeen. Zyne grootte is die van een groot konyn, Zyne huid heeft eene bruine oranje kleur op den rug, en geel aan den buik; zyne pooten zyn zwart: alle vier zyn ze lang uitgerekt: de voorpooten eindigen met vier klaauwen, en de agterpooten met drie. De oogen van dit dier hebben eene schitterende zwarte kleur. Zyne bovenste lip is gespleten, en van knevels voorzien; zyne ooren zyn klein. Even als de Paca, heeft hy een zeer korten staart. Hy teelt sterk voort, en het wyfje zoogt haare jongen, die ten getale van drie of vier zig in holen van oude stammen van boomen ophouden, werwaarts zy ook de wyk neemt, wanneer zy vervolgd wordt. De Agouli Pacarara zoekt zyn voedzel niet op het land, zoo als de Paca. Men maakt hem gemakkelyk tam, en hy eet vruchten, wortelen, nooten, enz. maar zyn vleesch, schoon goed, is echter van een minder zoort, dan dat van de Paca.

Men heeft my in Surinamen gezegd, dat aldaar ook een ander dier van dit zoort gevonden wordt, genaamd de langstaartige Agouli. Ik heb hem niet gezien, of het is dezelfde, dien ik onder den naam van den Struikrot beschreven heb.

Den 27sten, vervolgden wy onzen weg, en voor den middag kwamen wy in eenen elendigen staat op de Plantagie Soribo, aan de Peréca, om aldaar de naby gelegene Plantagiën tegen BONNY en de muitelingen te verdedigen.

De Rivier Peréca heeft, zoo men zegt, uit hoofde van derzelver veelvuldige kromten, een loop van meer dan zestig mylen, en zulks over 't algemeen van den zuid-oost naar den noord-west kant. Zy is zeer diep; maar haar bed is naauw, en aan haare oevers zyn, even als ten aanzien van alle de andere Rivieren, overäl schoone Suiker- en Koffy-Plantagiën gelegen. Wy waren naauwlyks op den wachtpost te Soribo aangekomen, of verscheiden afgezondenen van den Colonel SEYBOURG spraken my aan, en verzogten my ernstig, dat ik erkennen wilde ongelyk gehad te hebben: zy verzekerden my, dat ik, dit erkend hebbende, myne vryheid zoude te rug bekomen, en alles vergeten zoude zyn. Overtuigd van myne onschuld, konde ik my met geen schik schuldig verklaren, en vooräl naardien de misdaad, waar van men my beschuldigde, slechts een gevolg was van myne getrouwe zorge voor het behoud der manschappen en krygsbehoeften, die my toevertrouwd waren. Na myne weigering, welke de Colonel SEYBOURG als eene misdadige halstarrigheid geliefde aan te merken, gaf men my onder de bewaring van eene wacht, en men nam my myne wapenen af. Onze Zee-soldaten bragten my toen in eene zeer groote ongerustheid, door opentlyk te dreigen, dat zy ten mynen voordeele aan 't muiten zouden slaan. Om dit onheil voor te komen, verklaarde ik hun, dat, daar, naar myn inzien, ongehoorzaamheid en muiterye in krygslieden onverschoonlyk waren, ik my gedwongen zoude zien, hoe hard my dit ook vallen mogt, om my tegen hen te wapenen.

Op den dag van onze aankomst op den wachtpost van Soribo, vernamen wy, wat 'er aan de Peréca was voorgevallen. De Plantagiën Schoonhove en Altona waren door de muitelingen, welken wy uit Gado Saby verjaagd hadden, geplonderd geworden. Maar zig voor de Plantagie Poelwyk vertoond hebbende, hadden de slaven aldaar hen genoodzaakt te rug te keeren. De Jagers, die op de Plantagie Hagenbos geplaatst waren, waren hen den 21sten agter na getrokken. Zy hadden hen den 23sten ingehaald, een groot getal 'er van gedood, en het grootste gedeelte van hunnen geroofden buit hernomen. Den zelfden dag, poogde een ander gedeelte der muitelingen zig meester te maken van het kruid-magazyn op Hagenbos, het welk geen kwaad ontwerp was, en zy hadden daar toe het tydstip uitgekozen, dat de Jagers bezig waren met eene andere bende te vervolgen; maar zy wierden door een klein getal gewapende slaven te rug gedreven, één van welken, tot de Plantagie Timotibo behoorende, eenen gewapenden muiteling gevangen nam, en vervolgens hunne legerplaats agter de Plantagie van zynen meester ontdekte, voor welken dienst hy wel beloond wierd. Na al dit verhaalde, was 'er geen twyffel aan, of indien de party, die den 16den door den Colonel SEYBOURG was afgezonden, voorwaarts gerukt was, in plaats van volgens zyne beveelen te rug te trekken, alle deeze noodlottige voorvallen zouden geen plaats gehad hebben, en de onderneming der muitelingen zou geheel en al vervallen geraakt zyn. Het was daarënboven klaar, dat de Neger, op wien wy den 21sten geschoten hadden, één van de rooversbende van den 20sten was, en dat de muitelingen, wier lyken wy den 23sten gevonden hadden, dien zelfden dag waren gedood geworden.

Den 29sten zondt een Officier van het Sociëteits krygsvolk my eenige vruchten, waar onder dadels waren. De boom, die dezelven voortbrengt, de dadel-boom, behoort tot het geslacht der palm-boomen, maar is van eene ongemeene hoogte. Zyne bladeren loopen uit den kruin van den boom, zy zyn wyd uitgespreid, zeer dik, nederhangende, en by elkander genomen, vormen zy een zonnescherm. Deszelfs vruchten groeien aan rissen, waar van elk een groot getal bevat. Zy zyn langwerpig, van de grootte van een menschenduim, en van eene geele kleur. Het vleesch, het welk lymig, vast en zoet is, zit rondöm eene zeer harde, grysachtige noot, die over haare geheele breedte als met een vooren doorsneden is.

Dien zelfden dag bevonden zestig Jagers, die op kondschap waren uitgegaan, dat de legerplaats der muitelingen agter de Plantagie Timotibo verlaten was. Zy moest omtrent zestig menschen bevatten.

In de nabuurschap van de Peréca niets te doen hebbende, verlieten wy die plaats des morgens van den 30sten September, en den 1sten October, kwamen wy op Devil's Harwar aan, ongemeen vermoeid zynde, en zonder iets merkwaardigs op onzen tocht ontmoet te hebben. Des avonds te voren had ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreeven; ik verzogt hem, dewyl myne tegenwoordige gesteldheid my ten hoogsten verdroot, oogenblikkelyk eenen krygsraad by één te roepen, en had hem mynen brief door eenen slaaf gezonden. By onze aankomst op deezen post, gebruikte men de hardste middelen om my tot onderwerping te dwingen; en de behandeling, welke ik ondervond, was van dien aart, dat een Capitain der Jagers, QUACI genaamd, uitriep: "Indien de Europeanen zig jegens elkander zoodanig gedragen, is het niet te verwonderen; dat het hun tot genoegen strekt ons arme Africanen te mishandelen en te kwellen"!

Deeze verdrietelyke zaak liep echter op Devil's Harwar ten einde. De Colonel SEYBOURG, overtuigd van zyn ongelyk, en niet kunnende weten, hoe dit geval moge afloopen, trachte, zoo mogelyk, uit de netelige omstandigheid, waar in hem zyne oploopenheid gebragt had, met eere uit te komen. Den 2den October, vroeg hy my derhalven met eenen glimlach: "Of ik wist te vergeten en te vergeven"? Ik antwoordde hem, neen! Hy daar op zyne vraag herhalende, zeide ik hem; "dat ik eerbied voor de waarheid had, en dat ik nooit erkennen zoude schuld te hebben, zoo lang myn geweten my zulks niet deedt gevoelen; dat ik onbekwaam was tot zulk eene laagheid voor een medemensch, en nog minder voor hem, dan voor eenig ander". Hy nam my by de hand, verzogt my bedaard te zyn, en verklaarde my: "Dat hy, op alle voorwaarden, vrede met my wilde maken"! maar ik antwoordde hem stellig: "Dat ik naar geen ander vergelyk luisteren wilde, dan het volgende; dat hy zyne misslag in tegenwoordigheid van alle de Officiers erkennen zoude, en dat hy, met eigen handen, uit zyn Dag-register alle de bladen zoude uitscheuren, die mynen goeden naam in verdenking zouden kunnen brengen". Dit geschiedde oogenblikkelyk; men gaf my myne wapenen te rug, en myne zegepraal ging gepaard met alle omstandigheden, die my eene volkomene voldoening verschaffen konden. Ik reikte vervolgens ongeveinsd en van goeder harten aan den Colonel SEYBOURG de hand toe: dezelve gaf eene maaltyd tot een vreugde-feest over onze verzoening: na den maaltyd stelde hy my, tot myne groote verwondering, den brief weder ter hand, dien ik aan den Colonel FOURGEOUD geschreven had, en hy erkende my denzelven onderschept te hebben, om voor te komen, dat deeze zaak geene verdere gevolgen hebben zoude. Hy berigte my tevens, dat onze Opper-Bevelhebber aan de Wana-Kreek gelegerd lag, in plaats van den Lieutenant Colonel DE BORGNES, die ziek geworden, en naar Paramaribo opgezonden was. Onze verzoening was zeer wel gemeend, en na dat het krygsvolk een weinig had uitgerust, vertrokken wy den 4den, naar het hoofd-quartier van Jerusalem; maar ik was genoodzaakt mynen QUACO te Devil's Harwar zeer ziek agter te laten, alwaar ik hem aan de zorge van den Heelmeester aanbeval. Dien avond sloegen wy ons neder aan de overzyde van de Cormoetibo-Kreek.

Des anderen daags in den vroegen morgen, kwamen wy, de Cottica overgestoken zynde, weder op den wachtpost van Jerusalem. Ik had ledigen tyd om aanmerkingen te maken omtrent de wisselvalligheden van dit leven, en alle de onheilen, waar aan wy bloot gesteld zyn, het zy wy ze al, dan niet verdiend hebben: ik maakte vooral deeze aanmerkingen, toen ik onder de kortlings ontscheepte persoonen, eene van myne oude kennissen vond, namelyk den heer P...., die in Europa meer dan dertig duizend ponden sterling hadt doorgebragt. Men hadt hem zyne vrouw, die zeer schoon was, ontvoerd, en hy zag zig in dit oogenblik, om te kunnen bestaan, vervallen tot den post van Vaandrig, onder het krygsvolk van de Compagnie. Hy had voorheen een aanzienlyken eigendom in deeze zelfde Volkplanting bezeten, het geen zynen staat steeds veel onäangenamer en verdrietelyker maakte. Van zynen geheelen rykdom hadt hy niets meer overig, dan een enkel stuk geld, het welk hy onder de slaven wierp, tevens eenige Fransche versen aanhalende, die op zyne gesteldheid toepasselyk waren.

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Tweede tocht naar Gado-Saby.--Land-Schildpad.--Verschillende zoorten van hout.--Levendig geraamte.--Treffelyke gezichten.--Honderd-pooten.--Verschillende Plantgewassen. --De Opper-Bevelhebber wordt ziek, en verlaat de legerplaats.--Sprinkhanen.--Verschillende zoorten van visschen.--De Zeekoe.--Het Zee-paard.--Aanmerkingen omtrent het aanwezen der Meerminnen.--Trommelzucht.--Verscheiden zoorten van vogelen.--De Malaky en Markoury boomen. --Doornhaag-wormen.

Den 9den October 1775, verliet de Colonel FOURGEOUD zyne legerplaats aan de Wana-Kreek, om zig op den post van Jerusalem met ons te verëenigen. Hy deedt vooraf de helft zyner soldaten, die ziek waren, in vaartuigen de Rivier afzakken. De soldaten van deezen post voegden zig by hun, en men zondt hen allen naar Devil's Harwar, om den genade-slag te ontfangen. De Neger-Jagers vertrokken insgelyks, en begaven zig met hunnen leidsman WINSAK naar de Peréca, alwaar zy met de verdediging belast waren.

De Colonel ontdekte, by deezen laatstgemelden tocht een honderdtal ledige huizen, en bespeurde eenige muitelingen, maar nam 'er geen één van gevangen. Hy vondt ook een bekkeneel aan een tak van een boom hangen, en men konde met genoegzaame zekerheid gissen, dat dit het hoofd, was van den ongelukkigen SCHMIDT, die omgekomen was. [46]

Den 13den, kwam myn Neger QUACO te rug, volmaakt hersteld zynde: ik was 'er verblyd over, want zyne getrouwheid omtrent my had nog nooit gewankeld. Wy vernamen te gelyker tyd, dat de Capitain STOELEMAN, die aan het hoofd van eenige Jagers was, door een zwaren rook, dien hy van verre in het bosch bespeurd had, eene verblyfplaats der muitelingen had ontdekt, doch die door hem niet was aangetast; dat de Capitain FREDERIK, met een anderen hoop Jagers, de oevers der Zee beneden Paramaribo schoon hieldt; dat twee soldaten, die den 18den Augustus verdwaald geraakt waren, het geluk gehad hadden, om op eene wonderbaarlyke wyze hun gevaar te ontkomen, en dat zy den wachtpost, die aan de Rivier Maroni geplaatst was, bereikt hadden; en eindelyk, dat twaalf schoone Negerslaven van de Plantagie Gold Mina waren weggeloopen, om zig met de muitelingen te verëenigen.

Deeze tydingen bemoedigden den Colonel FOURGEOUD dermaten, dat deeze onvermoeide Overste steeds by zyn besluit bleef, om den vyand te vervolgen. Mitsdien trokken wy den 15den, in den vroegen morgen, de bosschen in, schoon ons getal toen merkelyk gesmolten was. De Colonel liet des avonds te voren een vrywilliger, één van zyne landgenooten, MATTHIEU genaamd, en broeder van den Vaandrig van dien naam, ter aarde bestellen. De dood was ons zoo gemeenzaam geworden, dat, wanneer iemand onzer een nabestaanden of vriend op de legerplaats verloor, men hem doorgaans deeze vraag deedt: "Heeft hy brandewyn, rhum of tabak nagelaten"?

Korten tyd voor ons vertrek, liepen zeven van onze Neger-slaven weg, en namen de vlucht naar hunne meesters, alwaar zy mismoedig, vermagerd, en byna uitgehongerd, aankwamen. Wy stelden ons echter in aantocht, en trokken regelrecht noord-oostwaarts aan. De kist, waar in myne flessen gesloten waren, brak aan stukken met al wat 'er in was, en dit was de eenige merkwaardige gebeurtenis op deezen tocht. Des avonds sloegen wy ons by de Cassipory-Kreek neder; en dewyl het saisoen van droogte aankwam, moesten wy een put graven, om water te hebben. Het krygsvolk kreeg alhier bevel, om geene hutten, noch schuilplaatsen meer te bouwen, dewyl de regenbuien minder zwaar wierden.

Den 16den, vervolgden wy onzen weg, steeds noord-oostwaarts trekkende, en tegen den avond kwamen wy aan die huizen, welken de Colonel FOURGEOUD laatst ontdekt had, maar die, zoo als men naderhand ontdekte, slechts voor een tyd eene verblyfplaats hadden opgeleverd aan die muitelingen, welke verwagtten oogenblikkelyk van Gado-Saby verjaagd te worden; en waar aan zy den naam van Bousy-Gray (dat is: "de bosschen schreyen",) gegeven hadden. Wy sloegen ons hier neder, en bezagen met veel vermaak de wooning van BONNY, zynde in den smaak van een molen gebouwd, en zeer hoog boven den grond verheven. Dezelve had twee deuren, om des te beter te kunnen zien, wat 'er rondom hem omging, en alzoo geen gevaar te loopen, om het slagtöffer eener verrassing te worden. De lucht had aldaar ook vryer doorspeeling, dan in de andere wooningen, en uit dien hoofde was zy voor zyne gezondheid beter geschikt, want in één der laatste gevechten hadt hy eene gevaarlyke wonde in de liesch bekomen, zoo als wy naderhand van één onzer gevangenen vernamen. In de nabyheid der wooning van dit Opperhoofd der muitelingen, zag men baden, byzonderlyk geschikt ten gebruike van zyne vrouwen, die zig des morgens en des avonds daar in begaven, want 'er was in den omtrek deezer verblyfplaats geene Rivier.

Een der slaven boodt my, op de laatstgemelde legerplaats, een Land-Schildpad aan; een dier, het welk wy, wel is waar, verscheiden malen gezien hadden, maar het nog niet beschreven hebbende, zal ik trachten zulks thans te doen. De Surinaamsche Land-Schildpad is van eene eyronde gedaante, en heeft niet meer dan agtien of twintig duimen lengte. Zyne schelp, die van eene donker geele of bruine kleur is, veel meer uitpuilende, dan die van de zee-schildpad, heeft dertien zeshoekige verhevenheden, en is zoo hard, dat zy, zonder te breken, het zwaarste gewicht dragen kan. De onderste schelp, of het borststuk, is een weinig hol, en van eene helder geele kleur. De kop van dit dier gelykt naar dat van alle andere Schildpadden. De staart is zonder hair en kort, maar in plaats van vinnen, heeft hy vier pooten, met schubben bedekt, en met puntige nagels gewapend, waar van hy zig in het loopen bedient. Wanneer hy zig voor eenig gevaar wil beveiligen, kruipt hy in zyn schelp of bekleedzel. De Indianen laten de Schildpad in dien staat op het vuur koken, tot dat dezelve gaar is; het geen men weet, wanneer het benedenste gedeelte zig afscheidt van het bovenste, het welk tot een schotel voor deeze spyze dient. Eene minder wreede manier, waar van ik altoos gebruik maakte, bestaat daar in, dat men het dier in zyn beenachtig bekleedzel op heeten asch plaatst; hy steekt dan kop en hals naar buiten, welke men hem afhouwt, en zig daar door de spyze verschaft, welke zyn lichaam oplevert, zonder het dier verdere folteringen aan te doen. De heer DE GRAAF, drie of vier van deeze Land-Schildpadden willende verzenden, bewaarde dezelven vier maanden; geduurende al dien tyd bleven zy in 't leven, zonder dat zy eenig voedzel scheenen te nemen, en met dit al behielden zy haare kragten, zoodanig dat zy zelfs ter voortteeling geschikt waren.

Ik heb ook dikwils eene andere Land-Schildpad gezien, die hier Alacacca genoemd wordt. Dezelve is van eene zeer platte gedaante, en van eenen kleinderen omvang, dan de eerstgemelde. Derzelver groenachtige kleur is voor het gezicht zeer onaangenaam, en zy is zoo goed niet om te eeten, dan de andere.

Den 17den, vervolgden wy onzen weg ten noorden en noord-oosten, in de hoop om eenige ontdekking te doen, maar zonder vrucht. Dien dag gingen wy voorby eenige mieren-nesten, die meer dan zes voeten hoogte, en, zonder vergrooting, een omtrek van meer dan honderd voeten hadden. Wy zagen ook eene meenigte stukken fraay timmerhout, waar onder was het hout van den zwarten kool-boom, die eene donker bruine kleur heeft, en by de schrynwerkers en timmerlieden zeer geacht is. Men toonde my ook den Zandkuil-boom, alzoo genoemd naar zyne vrucht, waar uit men het zaad neemt, en dezelve dan met zand vult voor de schryftafels. Deeze vrucht, die de dikte heeft van eene groote uije, heeft kleine gaten in derzelver oppervlakte. Het is een ontlast- en braak-middel te gelyk; maar het sap van derzelver vleesch is een sterk vergift. Zie daar alles, wat ik 'er van zeggen kan, want ik had noch tyd, noch gelegenheid, om dezelve met de nauwkeurigheid van eenen kruidkundigen te onderzoeken.

Den 18den, trokken wy steeds in dezelfde richting voort. Wel dra vonden wy een gebaand voetpad, het welk een cirkel maakte, en niettemin een weg van gemeenschap scheen te zyn tusschen Gabo-Saby en Bousy-Gray. Dit voetpad bragt ons regelrecht naar den westkant, en na verloop van eenige uuren, dat wy het zelve gevolgd hadden, vond ik een armen Neger, tot de muitelingen behoorende, die met bladen van den Latanus-boom bedekt was, en nauwlyks meer adem halen konde. Hy hadt niet meer, dan het vel over de beenderen, en één van zyne oogen was uit de oog-holte uitgezakt. Ik zette hem myn fles voor den mond, en hy dronk eenige teugen rhum met water gemengd; vervolgens zeide hy my met eene zwakke stem, die wy naauwlyks verstaan konden:--"Ik bedank u, Masera".--Verder sprak hy niets. De Colonel gaf bevel, om hem in een hangmat mede te nemen; en kort daar na sloegen wy ons neder by een biry-biry, of modderpoel. Ik moet niet vergeten, dat wy deezen dag eenige schoone Brood-boomen [47] zagen, die tachtig of honderd voeten hoog, en zeer dik waren. De boom van dien naam is grys, en loopt lynrecht op. Zyne takken spruiten aan den top uit, en de bladen zyn aldaar aan paaren gerangschikt. Men noemt hem te recht den Koning van het woud, want schooner boom is 'er niet. Deszelfs hout, van eene voortreffelyke kaneel-kleur, is vast, van een fraay erf, neemt een goeden glans aan, en kan den tyd verduuren.--Maar het geen vooral onzen aandacht tot zig trok, waren de zaden, die naar boonen gelyken, en ten getale van drie of vier in eene breede en helder bruine peul besloten zyn. Wy zagen 'er eene groote meenigte van aan den voet van den boom op den grond verspreid leggen; zy hadden een smaak van zoete koek. Uit zyne wortels druipt eene gom, die, behoorlyk toebereid zynde, een vernis oplevert, het welk in helderheid en gebruik geen weêrgaa heeft.

De meenigte schoone boomen van onderscheidene zoorten, welke dit Land oplevert, is waarlyk eindeloos. Men heeft slechts de moeite te doen van ze te hakken; maar indien men den afstand, op welken zy doorgaans groeien, van de bevaarbare Rivieren in aanschouw neemt, als mede de kosten op het omhakken en bewerken vallende, de meenigte slaven, welken men gebruiken moet om de boomen door de bosschen heen te trekken, vermits men zig aldaar van geene paarden bedienen kan, de gevaaren en tyd-verliezen, kan men ligtelyk naargaan de oorzaak der ongemeene duurte van het timmerhout in Guiana.

Deeze tocht verschafte ons de verrukkelykste gezichten. Wy liepen door een eindeloos bosch, waar van de altyd groene boomen het schitterendst lommer ten toon spreidden. Het saisoen van droogte (zynde de zomer in dit Land) bragt oneindig veel toe tot verfraaijing van dit toneel; en de eenvoudige natuur overtrof hier verre de verdubbelde pogingen der konst. Wy ontmoetten eindelooze zandwoestynen van het aangenaamst groen, door de bekoorlykste beeken van versch en helder water doorsneden, wier oevers vercierd waren met bloemen, die de schitterendste kleuren vertoonden, en de lucht met den aangenaamsten geur vervulden. Dan eens zag men het bevallig tafereel van een hoop fraaie uitspruitende boompjes; dan eens verhief zig een enkele boom, wiens schoonheid deed vermoeden, dat men hem met voordacht op deeze plaatsen had laten groeien, om dit tafereel nog ryker en bevalliger te maken. De geheele landstreek was door een zeer groot bosch van hooge palmboomen omringd; wier verheven kruinen, van de zelfde kleur als de golven der zee, zig in een zacht evenwicht hielden boven een onëindig getal van onderscheidene geboomten, wier groen nimmer verwelkt, die altyd met bloemen en vruchten bedekt zyn, en den vermoeiden reiziger schynen uit te noodigen, om onder hunne schaduw rust te nemen, tot het gunstig oogenblik, dat hy zig in den vlietenden stroom van het zuiverst water kan dompelen, en de verhevene schoonheden der natuur onbelemmerd aanschouwen.--Hoe meenigwerf, wanneer eene algemeene stilte rondom my heerschte, dacht ik niet aan myne lieve gezellinne, wenschende, met haar en mynen zoon, in deeze nieuwe Elyseesche velden, vreedzaame dagen te slyten!--Maar laaten wy tans zoortgelyke herdenkingen vaarwel zeggen.

Den 19den, vervolgden wy onzen tocht, en dien dag vonden wy onzen ouden weg, die ons regelrecht naar de velden van Gado-Saby bragt, alwaar wy nog eene groote meenigte ryst zagen, die kortlings gebloeid had, en welke wy afmaayden en verbrandden. De Neger, van wien ik bevorens gesproken heb, wierd hier onder boom-mos en bladeren nedergelegd, als of men hem levendig wilde begraven: voor deezen ellendeling was geene hoop meer tot genezing. Wy hingen onze hangmatten op, en verstikten byna door den rook van onze vuuren.

Ik zag op dit veld eene hagedis van by de twee voeten lengte, welke de Negers doodden en opaten: zy noemden hem Sapagala, en hy had eene groenachtig bruine kleur, maar hy geleek niet naar de Iguana. Onder de puinhoopen van het afgebrande gehucht, ontdekten wy eenige Water-rupsen of Honderd-pooten van agt tot tien duimen lengte. Dit hatelyk kruipend gedierte van eene geelachtig bruine kleur, loopt in allen opzigte zeer gezwind, en het vergift, het welk zy in de door hen gemaakte pynlyke wonde laaten, schoon het niet doodelyk is, verwekt niettemin doorgaans de koorts. Zommige schryvers geven aan dit kruipend gedierte twintig paar pooten, en anderen veertig. Ik heb ze by de geenen, die wy vonden, niet getelt: alles wat ik 'er van zeggen kan, is, dat zy my toescheenen met de Europeesche honderd-pooten eene juiste overëenkomst te hebben. Zommigen van onze Officiers maakten groote en schoone verzamelingen van alle deeze merkwaardigheden; ik voor my vergenoegde my met de afteekening en beschryving van die dingen, die my voorkwamen niet zeer gemeen te zyn.

Den 20sten, gingen wy de verblyfplaats, Cosaay genaamd, bezichtigen, en op den weg vernam ik, dat de bovengemelde Neger nog leefde. Ik nam de takken, die hem bedekten, weg, en op myne tusschenspraak, voerden wy hem met ons mede; maar de slaven, te onvreden van met zulk een pak beladen te zyn, namen, in myne afwezigheid, alle gelegenheden waar, om deezen ongelukkigen te doen lyden, met hem op wortels en steenen te laten vallen, en door het slyk en water, het welk wy doorwaden moesten, agter aan te laten sleepen. Men zondt verscheiden manschappen uit, om de omliggende streeken te onderzoeken; en het overige krygsvolk sloeg zig neder ten westen van Cosaay. Deeze afgezondene manschappen ontdekten van dien zelfden kant vier schoone velden, met maniok, ignames, bananen, pistaches, Indisch koorn, en erweten van Angola beplant. Zy zagen ook verscheiden lyken van menschen, die in het gevecht, in de maand Augustus voorgevallen, het leven hadden verloren.--Wy plukten, in de nabyheid van onze legerplaats, een zoort van mispelen, van eene karmosyn kleur, in smaak veel gelykende naar aardbezien, en groeiende aan een breed groen heestergewas, het welk in veele tuinen te Paramaribo wordt aangekweekt. Wy zagen ook een zoort van wilde Pruim-boomen, welken men hier Monpe noemt. Derzelver vruchten zyn geel, langwerpig en klein; elk van die bevat een kleine noot; het vleesch is niet zeer dik, maar schoon zeer zuur zynde, heeft het een aangenaamen smaak.

Des morgens van den 21sten, wierden alle deeze nuttige plantgewassen afgehouwen en verbrand. Na dat dit werk verrigt was, keerden wy naar onze legerplaats van den 19den te rug, welke wy ook geheel in brand vonden, en wy waren genoodzaakt onze hangmatten ter zyde van het bosch uit te spreiden. My alhier herïnnerende, dat men den armen stervenden Neger alleen gelaten had, liep ik naar die plaats toe, om hem met myne hulpe by te staan; maar na hem te vergeefs gezocht te hebben, in weerwil der rook dampen, en de donkerheid van den nacht, was ik genoodzaakt op myne eigene veiligheid bedacht te zyn, en in aller yl naar myne medgezellen te rug te keeren. Eenigen laakten myne roekeloosheid, anderen vervloekten het geraamte, het zy het levendig of dood was.

Toen de verwoesting was afgeloopen, keerden wy naar den post van Jerusalem te rug, alwaar wy den 24sten, geheel afgemat, aankwamen. De Colonel zelf wierd eindelyk door eene heete koorts aangetast, die hem noodzaakte, om in zyne hangmat te blyven leggen, en deedt vreezen, dat hy den nacht niet halen zoude. Echter behieldt hy steeds het bevel aan zig, en deedt, des anderen daags morgens, aan eenen soldaat stokslagen geven, die, vermits zyne voeten zeer gescheurd waren, hem om een paar schoenen verzogt; een ander onderging dezelfde behandeling, om dat hy gehoest had, schoon hy met eene zwaare verkoudheid behebd was; een Capitain wierd in zynen dienst geschorst, en naar het Fort Zelandia in gevangenis verzonden, om dat hy bestaan had een huwelyk aan te gaan buiten toestemming van den Colonel.--Ziekten en de dood maakten, in dit oogenblik, groote verwoestingen onder het leger, alwaar alles in de grootste verwarring was.

Den 1sten November, liepen, om de maat der onheilen vol te meten, vyf-en-twintig Negerslaven weg; en den 3den, ontfingen wy bericht, dat men meer dan vyftig gewapende muitelingen gezien had, die, een musket-schoot beneden Barbacoeba, de Cottica waren overgezwommen.

Op het ontfangen van deeze tyding, wierdt de Colonel SEYBOURG afgezonden met de weinige manschappen, die in staat waren op te trekken, en, in dit oogenblik, door honger en ellende geperst werdende, op 't punt waren om hunne eigene Officiers aan te tasten. Gebrek hebbende aan het geen zy boven alles waardeerden, tabak namelyk, rookten zy graauw papier, en kaauwden bladeren en leder, om by hun de plaats van deeze plant te vervullen. [48] Niemand ondertusschen leedt toen meer dan ik. Van levensmiddelen en kleederen ontzet, was ik uitgehongerd en naakt. Zedert het leggen in hinderlagen, en den tocht naar de Peréca, had ik een zweer aan den linker voet. Ik had geen één vriend onder het geheele leger meer overig, van wien ik de minste hulp verwagten konde. Tot overmaat van ellende was het weinige bloed, dat my nog overschoot, geduurende twee nachten agter elkander, door het Guiaansche Spook of Vampire, byna geheel en al uitgezogen. Ik geraakte in myne hangmat buiten my zelven, en kwam niet weder tot kennis, dan met een zoort van mistroostigheid, die merkelyk aanwies, na het lezen van eenen brief, waarin men my berigtte, dat JOANNA en myn zoon te Paramaribo aan eene rotkoorts op sterven lagen.

Eindelyk echter kwam de Sergeant FOWLER van de Plantagie Mocha, met één van myne kisten aan. De afgezondene krygsbende van den Colonel SEYBOURG kwam ter zelfder tyd te rug, zonder iets vernomen te hebben.

De Colonel FOURGEOUD bevondt zig den 14den zoo ziek, dat hy zig genoodzaakt zag het bevel aan een ander over te laten, en zig tot zyne herstelling naar Paramaribo te begeven. Na al zyn volk op deeze manier te hebben opgeöfferd, wierd hy het slachtöffer van zyne heerschzucht, die geene palen kende, en van zyne hardnekkige volharding, terwyl, zoo hy zig, zyne soldaten zoo wel als zig zelf, minder vermoeid en beter gevoed had, hy een even grooten, zoo geen grooteren dienst aan de Volkplanting bewezen zoude hebben.--Men zondt te gelyker tyd een vaartuig vol met zieken en stervenden naar Devil's Harwar.

Het bevel was toen in handen van den Lieutenant Colonel, die des avonds door de zelfde ziekte als de Colonel wierd aangetast. Dezelve richte toen groote verwoestingen aan ouder het krygsvolk van allerleijen rang, wier bloed door de hitte van eene brandende zon als kookte, terwyl wy, in dit saisoen van droogte, in plaats van ons op den post van Jerusalem te bevinden, de bosschen hadden moeten doorkruissen. Maar, zoo als ik reeds heb opgemerkt, de Colonel verkoos ongelukkiglyk dit ongeschikt saisoen voor deeze tochten. Verscheiden Officiers zouden toen hunne posten wel hebben willen nederleggen, indien de betamelykheid zulks gedoogd had op een oogenblik, dat zy werkelyk in dienst waren. Ik zelf zoude wel verlangd hebben eenigen tyd te Paramaribo te gaan doorbrengen; maar dewyl men my dit niet aanboodt, schoon men aan alle de anderen, tot de slaven toe, verlof gegeven hadt, achte ik het beneden my 'er om te verzoeken, dewyl ik het nog op gaande been konde houden.

Den 19den echter verërgerde myn voet zoodanig, dat de Heelmeester my buiten staat verklaarde, om dienst te kunnen doen: met dit al bleef ik steeds op de legerplaats.

Den 20sten, ontfingen wy eene versterking van krygsvolk, in slaven bestaande, en van krygsbehoeften; dienvolgende zondt men den Major MEDLAR met honderd vyftig mannen, om op kondschap uit te gaan.

Onder meerdere onheilen, waar mede het leger in dit oogenblik te kampen hadt, moet men vooral rekenen eene ontzachelyke meenigte sprinkhaanen, die alles, wat zy ontmoetten, verslonden. Het scheen waarlyk, of de vloek des hemels ons op alle manieren bezogt: allerleije zoort van ongedierte hadt zig dermaten vermeenigvuldigd, dat men, in weerwil van de grootste zorgvuldigheid, 'er zig niet geheel en al van bevryden konde. Deeze sprinkhanen waren van eene bruine kleur, en van gedaante als de anderen. Zy vlogen niet, maar sprongen by hoopen op de tafel en stoelen, terwyl wy aten. Des nachts kwelden zy ons, door over ons aangezicht te kuiëren.

Echter vonden wy op den post van Jerusalem eene groote meenigte visschen, en vooral de Newmara, de Warrappa, de Pataky en de Vieille. Allen waren uitmuntend. De Pataky was byna twee voeten lang, en hadt de gedaante van een schelvisch; de laatste geleek naar een groote baars. Men vong ook een zoort van Aal, die alhier Naay-naay-fisy genoemd wordt, zeer fyn, en omtrent een voet lang is. 'Er was ook nog een zoort van visch, genaamd Dung-fish, hebbende ten naasten by de gedaante van één kleinen haring. De Negers alleen aten de twee laatstgemelden.

Den 3den December, kwamen de afgezondene manschappen van den Major MEDLAR, na eene afwezigheid van veertien dagen, te rug, met zig brengende eene vrouw van de muitelingen, met haaren zoon, omtrent agt jaaren oud zynde, welken men op een klein veld, met bittere maniok beplant, gevangen genomen hadt. Dit ongelukkig schepzel was zwanger en zeer verschrikt; maar de Major, die een menschlievend en gevoelig mensch was, behandelde haar met goedäartigheid. Hy had echter op eene ongelukkige manier een Corporaal verloren, SCHOELAR genaamd, en een Zee-soldaat, genaamd PHILIP VAN DEN BOSCH, die onvoorzigtiglyk maniok-wortels gegeten hebbende, vergiftigd waren geworden, en den zelfden nacht in verschrikkelyke stuiptrekkingen en pynen stierven. Het geneesmiddel tegen dit vergift, is, zoo men zegt, peper van Caijenne in eenig geestryk water; maar de Major konde toen noch het een, noch het ander bekomen.

Onze gevangene verhaalde ons, dat die arme uitgehongerde Neger, dien wy gevonden hadden, ISAAC genaamd was, en dat men hem voor dood had laten leggen; zy verklaarde daarënboven, dat Capitain ARICO eene nieuwe verblyfplaats aan de zee-kusten had opgericht, waar aan hy den naam van Fissy-Hollo gegeven had; dat BONNY de gestrengste krygstucht onder zyn volk onderhieldt; dat hy eene zoo onbepaalde oppermacht oeffende, dat hy aan twee persoonen van zyn volk het hoofd hadt laten afhouwen, drie dagen voor het inneemen van Gado-Saby, namelyk in den nacht van den 17den Augustus, toen wy het geschreeuw der muitelingen, en het afschieten hunner snaphaanen hoorden, en zulks alleenlyk op de verdenking, dat deeze ongelukkigen ten voordeele der Europeanen gesproken hadden, en dat zy die geenen waren, wier hoofden wy op pieken gevonden hadden; dat deeze BONNY aan geenen Neger, onder zyn bevel staande, wapenen toevertrouwde, of hy moest hem eerst eenige jaaren als slaaf gediend, en ontwyffelbaare bewyzen van moed en trouwe gegeven hebben; dat zyne talryke onderhoorigen verpligt waren zig zonder tegenspreken te onderwerpen aan alles, wat hy goedvondt te beveelen; dat men hem intusschen meer beminde, dan vreesde, uit hoofde van zyne onkreukbaare rechtvaardigheid en zynen mannelyken moed: zy bevestigde ons ook het bericht, dat hy gewond was geworden.

Deeze vrouw en haar zoon wierden, den 4den December, met den Vaandrig CABANUS, die hen had gevangen genomen, naar Paramaribo gezonden. Men had byna te gelyker tyd een jong meisjen van omtrent veertien jaaren aangehouden, doch deeze geheel naakt, en buitengemeen gezwind zynde, had het geluk gehad te ontsnappen.

Voor het Hof van Justitie wierd bewezen, dat de eerstgemelde door de muitelingen met geweld was weggevoerd; dienvolgende kreeg zy vergiffenis, en keerde, benevens haaren zoon, met blydschap naar de Plantagie van haaren meester te rug. Het is opmerkelyk, dat, toen dit kind voor de eerste keer een paard of een koe zag, hy daar voor zoo beängst was, dat hy in zwaare stuiptrekkingen viel; bovendien konde hy niet veelen, dat hem een blanke aanraakte; want tot hier toe had hy geene menschen van die kleur gezien, en hy noemde hen altyd Yorica, het welk, in de taal der Negers, den Duivel beteekent.

Omtrent op deezen zelfden tyd, dreef het ligchaam van eene Zee-koe, of Manati, in het water, dicht by den wachtpost van Jerusalem. De slaven zwommen 'er dadelyk naar toe, de één met snoeimessen, de ander met gewoone messen, en allen bragten zy 'er stukken van mede voor hun middagmaal. Eindelyk trokken zy het dier, het welk reeds aan het rotten was, op 't land. Het was zestien voeten lang; en bestondt uit eene zeer groote en ongeschikte klomp vet, waar van het agterste gedeelte puntsgewyze liep naar eene vleeschachtige, breede en rechte staart. Deeze Zee-koe had een dikken en ronden kop, een platten bek, breede neusgaten, met zeer harde hairen aan den neus, en boven den mond, kleine oogen en drie gehoor-gaten, in plaats van ooren. In plaats van pooten, had dit dier twee uitwassen, of vleeschachtige vinnen, even als die van de Land-Schildpad, die een weinig beneden den kop te voorschyn kwamen. Het dier bedient 'er zig van om te zwemmen, en zig, schoon traaglyk, te bewegen, wanneer hy het kruid wil eeten, het welk aan den oever der rivieren groeit, want het is een halfslachtig dier. Hy had eene groenachtige zwarte kleur, eene ruwe ongelyke huid, met groote verhevenheden en rimpels, die een kring maken, en met eenige weinige stekelige hairen bedekt. Hy had kiezen, maar geene voor-tanden, en eene zeer korte tong. De Zee-koe werpt, even als de Walvisch, levende jongen, en zoogt dezelven aan twee borsten. De dieren van dit zoort zyn in de Rivier der Amazonen zeer gemeen. Men zegt, dat hun vleesch den smaak van kalfs-vleesch heeft, en goed is om te eeten. Die ik tans zag, was reeds te veel verrot, om 'er van te proeven. Men zag op zynen rug twee gaten van kogels, welken de muitelingen waarschynlyk op den 27sten, wanneer wy twee snaphaan-schoten gehoord hadden, op hem hadden laten afgaan.

Ik oordeele het niet ongepast te zyn, om alhier eene beschryving te geven van een ander halfslachtig dier, Tapira genaamd, het welk veel gelykheid heeft met het Zee-paard van het oude vaste Land, maar minder groot is. Zyn lyf heeft ten naasten by de gedaante van dat van een ezel, schoon echter minder lomp zynde. Zyn kop verschilt niet veel van den kop van een paard, maar zyne onderste lip staat meer voor uit, en eindigt met eene beweegbaare snuit, [49] als die van een Olyphant, maar niet lang genoeg, om hem van eenig nut te wezen. Zyne ooren zyn rondachtig; zyne voortanden zyn zeer sterk, en zomtyds zichtbaar. Hy heeft ruwe en rechte maanen, korte en dikke pooten met een zoort van paards-hoef, verdeeld in vier klauwen met nagels gewapend. Zyne staart heeft niet meer dan twee of drie duimen lengte. De huid van dit dier is uittermaten dik, en van eene bruine kleur; wanneer hy jong is, heeft deeze huid kleine vlakken, even als die van de harten in Guiana, of de Paca, en dezelve maken langwerpige streepen. Hy voedt zig met kruiden en planten, die op moerassige plaatsen groeijen. Hy is zoo vreesachtig, dat hy, bang zynde, zyn behoud zoekt door zig in het water te dompelen, waar in hy een zeer langen tyd verblyft. Het vleesch van het Zee-paard is zeer lekker; men geeft 'er den voorkeur aan boven het beste ossen-vleesch.

De heer SELEFELDER, Officier van 's Compagnies krygsvolk, verzekerde my, op deezen zelfden tyd, dat hy een Zeepaard, van een geheel onderscheiden aart, in de Rivier Maroni gezien had. De Majoor ABERCOMBIE, die in den zelfden dienst was, zeide my onlangs, in de Rivier van Surinamen een Meermin te hebben aangetroffen. Lord MONBODDO houdt ook zeer stellig staande het aanwezen van Zee-mannen en Zee-vrouwen, [50] en verzekert, dat men ze in 't jaar 1720. gezien heeft. Maar hoe achtenswaardig op andere punten het oordeel en gezag van deezen Lord moge voorkomen, is het my niet mogelyk, om met hem in te stemmen, dat 'er mannen en vrouwen met vinnen en schubben, laat staan met staarten, zyn zouden.

Ik geloof, zoo het my geöorloofd is myne gedachten op dit stuk te zeggen, dat men nu en dan in de Rivieren, onder den zonne-keerkring gelegen, zoo op de kust van Africa, als van Zuid-America, een zoort van visch ziet, die met het halve lyf boven het water uitsteekt, zeer veel gelykheid heeft met een menschelyk schepzel, maar veel kleiner is, en ten naasten by als die geen, welke men in 't jaar 1794 te London zag. Deszelfs kleur is zwartachtig groen; de kop is rond, met een zoort van mismaakt aangezicht. Eene zwaare vinne vertoont zig by de oogen van het dier, loopt tot het midden van den rug, en gelykt veel naar hoofdhair. Zyne twee armen en handen zyn twee vleesachtige en gevingerde vinnen. Het wyfje, als zynde een dier, dat haare jongen levendig werpt, heeft borsten, even eens gemaakt, als die van eene vrouw. De staart is volmaakt die van een visch. In veele opzigten gelykt hy naar het Zee-kalf; behalven dat de laatstgemelde geene vinnen op den rug heeft. Dezelve is ook veel dikker, en verheft zig nooit boven het water, zoo als het dier zoo even door my beschreven. Ik heb deeze berichten ontfangen van verscheiden bejaarde Negers, en van verscheiden Indianen, die alle in hunne beschryvingen overëenstemden. Zommigen voegden 'er by, dat deeze dieren zingen, maar ik denke, dat het is een klagend geschrey, zoo als men wel van andere visschen of halfslachtige dieren onder den zonne-keerkring hoort. Zy verzekerden my, dat zy, schoon zeldzaam voorkomende, ten hoogsten gevreesd zyn by hunne vrouwen en kinderen, die hen watra-mama, of moeder der wateren noemen; en, het geen vreemd is, met dien naam bestempelen zy ook hunne Profetessen. Maar laaten wy van dit stuk afstappen, en het verhaal onzer krygs-verrigtingen weder vervolgen.

Ik heb reeds gezegd, dat zeker Heelmeester, den 19den November, verklaard had, dat myn voet my buiten staat stelde, om dienst te doen; en heden, den 5den December, werden een ander Heelmeester, twee Capitains en een Adjudant gezonden om my te bezigtigen, gelyk ook den Capitain PERRET, die ziek was. De laatstgemelde Heelmeester verklaarde al mede onder eede, dat wy zonder gevaar niet gaan konden, en nog minder zwaare vermoeijing uitstaan; maar de Colonel SEYBOURG, wien de heete koorts steeds bybleef, vond goed, dat wy oogenblikkelyk de bosschen zouden intrekken, al zag hy, dat men ons op kruiwagens moest voortkruien. De arme Capitain PERRET, die 'er als een stervend mensch uitzag, en zig niet bewegen konde, besloot echter om deezen uitzinnigen last ter uitvoer te brengen; maar ik kwam 'er stellig voor uit, dat ik den geen, die bestaan zoude durven my aan te raken, de herssens zoude inschieten; en ingevolge van deeze verklaring, stelde men my onder de bewaring van een schildwacht. Het geheele leger scheen toen niet dan uit zotten te bestaan.

Den 11den, ontfingen wy bericht, dat men een zeker getal muitelingen aan de overzyde van Devil's Harwar gezien had, en wy vernamen vervolgens, dat zy de Commewyne verlaten hadden, aan welker oevers zy, den 5den, het huis van den eigenaar van Killesting-Nova, waar in de Opzichter SLICHTER was opgesloten, verbrand hadden, dat zy de geheele Plantagie verwoest hadden, drie-en-dertig vrouwen mede gevoerd, en het zoontje van eenen Mulat verminkt, om zig over zynen vader te wreeken; en dat eindelyk de Neger-Jagers hen vervolgden. Capitain FREDERIK kwam ook den zelfden dag aan. Hy had het krygsvolk der Sociëteit verlaten, om onder die van den Colonel FOURGEOUD te gaan, en hy bevestigde ons deeze ongelukkige nieuwstydingen.

Byna op deezen zelfden tyd, na vier maanden lang aan alles gebrek gehad te hebben, ontfing ik het overschot van mynen voorraad, welken men my van de Plantagie Mocha zondt; maar voor drie vierde door de kakkerlakken vernield: ik deelde het beste onder de zieken uit, maar het geen my het grootste genoegen deedt, was te vernemen, dat JOANNA en myn zoon JOHNNY buiten gevaar waren, en te Paramaribo herstelden. Deeze tyding beurde my zoodanig op, dat ik des anderen daags morgens te kennen gaf, dat ik my in staat bevond, om dienst te doen, maar ik twyffel, of dit wel zoo was. De noodzakelykheid om van lucht te veranderen, bragt 'er ook veel aan toe, want in de zoort van gevangenis, die ik hield, had ik 'er volstrekt gebrek aan, en zy was my echter ongemeen noodig. Den zelfden avond, voer een vaartuig, vol met Caraibische Indianen, de Cormoetibo-Kreek op, om, door middel van de Wana-Kreek, in de Rivier Maroni in te loopen.

Den 20sten December, was ik van myne kwetsuur aan den voet hersteld; de Colonel SEYBOURG insgelyks van zyne heete koorts.

Den 21sten, kwamen 'er beveelen van den Colonel FOURGEOUD, die zig op dit oogenblik beter bevondt: dezelve bragten mede, dat wy onze legerplaats te Jerusalem zouden opbreken, en ons andermaal naar de Wana-Kreek begeven. Dienvolgende wierden de zieken in vaartuigen naar het hospitaal te Devil's Harwar, het welk reeds byna vol was, gezonden. Veelen waren door eene ziekte aangetast, vry veel gelykende naar trommelzucht, en alhier de Kouk genaamd. Dezelve bestaat in eene verbaazende opspanning van den buik, die te gelyker tyd zeer hard is. Men krygt die ziekte, zoo men zegt, door het drinken van modderig water, zonder het met eenig geestryk vocht te vermengen; en dit was onze gewoone en algemeene drank.

Den 22sten, des morgens om zes uuren, braken wy het leger op, en volgden de oevers van de Cormoetibo-Kreek, die niet meer dan een moeras was. Men liet één van onze ongelukkige Negers, die een gat in het hoofd had, aan zyn lot over; men wierp een anderen van één der vaartuigen in het water, en hy verdronk.

Wy zagen deezen dag een groot aantal Pingos, of wilde varkens, die, als naar gewoonte, onze linie braken. Verscheiden wierden door sabelhouwen gedood, en zommigen ontkwamen het, nemende de bajonnetten, waar mede zy geraakt waren, met zig.

Deeze tocht was vooral onäangenaam uit hoofde van de zwaare regenbuien, die strooms-gewyze nedervielen, en de Rivieren deeden overloopen. De vroege ochtend-stonden waren vochtig en koud, en zoo strydig met de ongemeene hitte van den dag, dat wy zeer dikwils in onze hangmatten lagen te beven, vooral wanneer wy 'er met natte kleederen in gegaan waren. Intusschen kwam ik dit ongemak voor, door een gedeelte van den dag, even als de Jagers, half naakt te loopen, en myn hembd, geduurende den regen, onder eene omgekeerde ketel te leggen. Wanneer de regen ophieldt, kleedde ik my, en leed dus veel minder dan myne medgezellen, die zeer bleek en verkleumd waren.

Des avonds van den 23sten, sloegen wy ons neder by eene kleine beek, de Caymans-Kreek genaamd. Zekere boom, den naam van Monbiara dragende, boodt ter deezer plaats eenige uitmuntende vruchten aan, maar die allen door de slaven wierden weggenomen, eer ik 'er van konde proeven, of zelfs één van te zien krygen.

De regen viel by aanhoudenheid zoo sterk, als of wy een zondvloed te vreezen hadden. Den 24sten vervolgden wy onzen weg, en des avonds sloegen wy onze hangmatten neder by eene beek, Yorica of de Duivels-Zeef genaamd. Wy bouwden aldaar schuilplaatsen of hutten, en maakten 'er vlotten, om 'er de krygs- en mond-behoeften op te plaatsen.

Den 25sten, trokken wy door slyk en water, wy kregen de zwaarste stortregens op het lyf, en sloegen ons des avonds neder by eene kleine beek, genaamd de Java-Kreek, en loopende drie mylen beneden de Wana-Kreek.

Den 26sten, wierd ik met eenige weinige manschappen afgezonden, om onze oude legerplaatsen, by de laatstgemelde Kreek, te gaan opneemen. Des avonds kwamen wy te rug, half zwemmende door slyk en water, en zonder iets, dan eenige vogelen en merkwaardige boomen gezien te hebben, welken ik niet met stilzwygen kan voorby gaan. Men noemde deeze vogelen Crombach, Camawarry en Crocro. De eerste heeft de gedaante van eene groote houtsnip, en heeft een krommen bek. De tweede is een waterhoen, maar driemaal grooter dan de voorgaande. Zy zyn zeer ligt, en vlogen in een oogenblik weg, waarom ik 'er geene omstandiger beschryving van geven kan. De derde of de Crocro, is een weinig minder groot, dan onze kraaijen, en ik geloof, dat hy tot het zelfde zoort behoort, want hy is één der verslindendste van alle vleesch-etende vogelen. Deeze vogel heeft eene donker blaauwe kleur. Zyn bek en pooten zyn uittermaten sterk: hy maakt een allerönaangenaamst en scherpst gekras, voornamelyk in den nacht. De boomen wierden door de Negers genoemd Mataky en Markoury. De eerste is merkwaardig uit hoofde van zyne wortels, die zoodanig boven den grond uitsteken, dat een groot aantal menschen zig daar onder zouden kunnen verschuilen, zonder elkander te zien; zomtyds zelfs staan zy zoo wyd van één, dat men te paard tusschen beiden zoude kunnen doorryden; en derzelver dikte is zoo groot, dat men niet meer dan één plank of deel noodig heeft, om 'er een tafel voor twaalf menschen van te maken.

Ik verwyze den lezer naar de afteekening, die ik van deezen verbaazenden boom gemaakt heb, en geplaatst tegen over dien kant, alwaar onze legerplaats te Jerusalem was nedergeslagen. Ik heb in dezelfde plaat gebracht het gezicht van onze legerplaats aan de Java-Kreek by mooy weder.

De andere boom, Markoury genaamd, is waarlyk geducht, uit hoofde van zynen vergiftigen aart, welke zoo doordringend is, dat de rook van dit hout doodelyk is voor de dieren, wanneer het in de longen koomt. Hy groeit altyd alleen, en doet ontwyffelbaar sterven al wat 'er dicht by koomt. De slaven zelve zyn zoo beschroomd om hem aan te raken, dat zy op de Plantagiën het omhakken 'er van weigeren. Hy is niet zeer hoog, ongelyk, en van eene leelyke gedaante; hy heeft slechts eenige takken, en zyne bladeren zyn van eene bleek groene kleur. Men heeft my gezegd, dat de Indianen zommigen van hunne pylen vergiftigen, door ze in het sap van deezen boom te doopen.

Den 27sten, begaf zig eene andere ronde in aantocht, maar ontdekte even weinig, als de eerste.

Ik heb reeds gezegd, dat de zweer, die ik aan den linker voet had, geneezen was, en dit was waar; maar op dit oogenblik haalde ik uit myn regter arm twee groote insecten, die my andere zeer diepe zweeren veröorzaakten. In Surinamen noemt men deeze insecten Struik-wormen. Zy zyn zoo groot als de rups van gewoone kapellen; zy hebben een zwarten kop, en eene puntige staart; zy dringen ongemeen diep in het vleesch door, en men heeft een lancet noodig, om ze 'er uit te haalen; zy leven doorgaans in stilstaande wateren, en met geduurig door dezelven te loopen, was ik aan hunne aanvallen blootgesteld.

Myn moed begon my door de opëenstapeling van alle deeze onheilen te ontzinken. Zoo veele onderscheidene en herhaalde folteringen, waar aan ik geen einde zag, ontroerden mynen geest, en maakten my het leven verdrietig. In deeze elendige gesteldheid nam ik het stelligst en welberaden besluit om by de eerste gelegenheid, die zig zoude aanbieden om dit met eere te doen, zulke opperhoofden en zulk een dienst vaarwel te zeggen. Men zal by het vervolg van myn verhaal zien, of ik dit voornemen heb toegebragt.

Onze tegenwoordige legerplaats was zoo ondraaglyk, dat 'er geene beschryving van te geven is. Eene aanhoudende overstrooming overdekte den grond, zoodanig, dat men vlotten moest maken, om 'er onzen voorraad op te plaatsen. Wy konden uit onze hangmatten niet komen, zonder tot de kniën in slyk of water te stappen; en op plaatsen, waar het lager was, aten de insecten ons levendig op. Eene zoo ongezonde gesteldheid vermeerderde het getal van onze zieken, en men was genoodzaakt een ander vaartuig, vol met dood-kranken, de Cormoetibo-Kreek te doen afzakken, en naar het hospitaal van Devil's Harwar te zenden. Onder dit getal was die arme oude Negers, wiens herssenen byna verbryzeld waren, en die ons eerst des avonds te voor ren in eenen deerniswaardigen staat had kunnen inhalen.

Dit vaartuig, het welk veel naar een dryvend kerkhof geleek, vertrok den laatsten dag van 't jaar 1775.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Aanwerving van twee Compagniën Vrywilligers, bestaande uit Negers en vrye Mulatten.--Verscheidene zoorten van Visschen. --Arrowoukas. Indianen.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt bevel, om naar Holland in te schepen. --De Ratel-slang.--De blaauwe Dypsas.--De Amphisboena of tweehoofdige slang.--Eene fraaije Kapel.--De Colonel ontfangt naderen last.--Het krygsyolk trekt weder in de bosschen.--Koophandel in de Volkplanting van Surinamen. --Beschryving van eene Cacao-Plantagie.--Heldendaad van eenen Neger.--De Ananas.--De Muscaat- en Water-Meloen.

Op nieuwe jaars dag deedt de Colonel SEYBOURG my zyne groete doen, met verzoek om myne aanhoudende vriendschap. Ik ging hem oogenblikkelyk van de myne verzekeren, en hy verklaarde my een oprecht leedwezen te hebben over de kwade bejegeningen, waar aan hy zig ten mynen opzigte schuldig had gemaakt. Hy verzekerde my, dat zyn Adjudant en spion GIBHART, 'er de voornaame oorzaak van was; vervolgens my by de hand vattende, stondt hy my toe, om tans naar Paramaribo te gaan, of werwaarts ik goedvond, tot dat ik anderen last ontfangen zoude hebben. Deeze behandeling deedt my een innerlyk genoegen, en wy dronken al het overschot onzer vyandschap af, niet met wyn, maar in rhum met water gemengd. Dien zelfden avond derhalven afscheid genomen hebbende, zoo van mynen nieuwen vriend, als van de legerplaats aan de Java-Kreek, zakte ik, zeer wel te vreden zynde, de Rivier af, om my naar de hoofdstad der Volkplanting te begeven.

Na een gedeelte van den weg slapende te hebben overgebracht, bevond ik my des anderen daags morgens te Devil's Harwar, alwaar ik vernam, dat die zelfde GIBHART, van wien ik zoo even sprak, kortlings aldaar was overleden. Des avonds kwamen wy op de Plantagie Beekslied. Myne roeijers arbeidden met veel yver. Om elkander daar toe aan te zetten, kliefde de een het water met zyn riem in diervoegen, dat het een onderscheiden geluid gaf, en zyne medgezellen volgden hem gezamentlyk daar in naar.

Den 3den, kwam ik op het Fort Amsterdam aan, alwaar ik een uitstekend middagmaal deed met onderscheidene zoorten van visch, genaamd Passary, Prare-Prare, Provost, en Curema. De Passary is meer dan twee voeten lang, en weegt zomtyds twintig ponden. Zyn kop is breed en plat. Hy heeft twee lange knevels, maar geene schubben, zyn vleesch is aller lekkerst. De Prare-Prare is ten naasten by van dezelfde gedaante en insgelyks goed. De Provost is breed, heeft dikwils de lengte van vyf voeten, en eene geelachtige kleur. Zyn vleesch is minder aangenaam, dan dat van de twee voorgaande, maar geeft eene goede oly. De Curema is een zoort van harder, zomtyds van twee voeten lengte, hebbende twee groote witte zilverachtige oogen, en de benedenste kaak meer voor uit staande dan de bovenste. Ter deezer plaatse vangt men ook een zoort van zeeslak, waar van Mejuffrouw DE MERIAN melding maakt, en welker voorste gedeelte juist gelykt naar dat van een garnaal.

Des avonds van dien dag, ten zes uuren, trad ik in de stad Paramaribo binnen. Ik vond aldaar JOANNA en mynen zoon in volmaakte gezondheid. Beiden waren zy, van wegen de gevolgen hunner ziekte, drie weken lang blind geweest. Myn vriend, de heer DE GRAAF, noodigde my, om met haar by hem myn intrek te nemen.

Daags daaraanvolgende at ik met den Colonei FOURGEOUD, die zig zoo wel bevondt als ooit. Hy onthaalde my, als naar gewoonte, op gezouten kost, [51]en behandelde my zeer vriendelyk. Hy berigtte my, dat 'er twee compagniën vrywilligers, uit Mulatten en vrye Negers bestaande, wierden aangeworven; dat de Oucas- en Sarameca-Negers de muitelingen begunstigden, en in de daad groote schelmen waren; dat men eenigen van de laatstgemelden by de Casiwinica-Kreek gedood had; dat hy hunne verblyfplaats Fissy-Hollo hoopte te vernielen; dat BONNY en de zynen, in weerwil van hunne strooperyen, die niet lang meer duuren konden, in de bosschen van honger stierven, en dat hy besloten had, zoo lang hy een enkelen soldaat overig had, dien muiteling te vervolgen, hem zoo mogelyk gevangen te nemen, of ten minsten met zyne bende uit de Volkplanting te verjagen. De Colonel verhaalde my al verder, dat zeker Franschman, die den platten grond der vestingwerken, enz. voor den Gouverneur van Caijenne afteekende, op het oogenblik, dat hy stondt te worden opgehangen, ontsnapt was; dat hy aan den Capitain TULLING, wegens het door hem in stilte aangegaan huwelyk, vergiffenis geschonken hadt; en dat de Lieutenant Colonel DE BORGNES met eene ryke weduwe ging trouwen.

De Bevelhebber was, met één woord gezegd, ten mynen opzigte een geheel ander mensch geworden. Zyne manieren waren toen zoo geschikt, dat ik niet verlangen konde mynen tyd in beter gezelschap door te brengen. Hoe was het mogelyk, dat ik te gelyker tyd de vriend van twee Oversten was, die door nyd jegens elkander gedreven wierden. Dit is een geheim, het welk ik nimmer heb kunnen ontdekken; misschien, daar zy geslagen vyanden waren, wilden zy my beiden winnen. Wat daar ook van zy, ik besloot, de stiptste ononzydigheid in acht te nemen. Ik gedroeg my ook op dezelfde wyze jegens den Gouverneur, die my den tweeden dag na myne aankomst ten eeten verzogt, en, in plaats van my op gezouten ossen-vleesch te onthalen, overënkomstig zyne gewoonte, eene deftige maaltyd liet aanrechten.

Ik gaf ook een bezoek aan myne verdere vrienden, namelyk aan Mevrouw GODEFROY, als mede ten huize van DEMELLY, GORDON, MAC-NEYL; en ik bragt ook zeer vrolyk den dag door met de zwarte Mevrouw SAMPSON, of ZUBLY, die tans weduwe was.

Ik woonde ook een dans-party van Mulatten by, op welke men echter geene slaven zag. De musiek, het licht, de dans, het avond-eeten, waren aldaar in de volmaaktste orde geregeld. De grootste pracht stak voornamelyk in de kleederen uit. Vrolykheid en betamelykheid hadden 'er beiden plaats, en wel zoodanig, dat dit gezelschap ten voorbeelde strekken kon aan dat van veele inwooners van eene andere kleur, die zig verbeelden beschaafder zeden te bezitten.

Den 20sten, een groot aantal Indianen en Negers van beide kunne, in de Rivier by het Fort Zelandia hebbende zien zwemmen, wilden de jonge DONALD MAC-NEYL en ik van de party zyn. Nimmer zag ik eene dergelyke vaardigheid; dan die der Negers, in het water. Zy hielden een zoort van gevecht, waar in zy als visschen duikten, en elkander met de voeten, maar nooit met de handen, raakten. De Indianen, die tot het geslacht der Arrowoukas behoorden, waren ook bekwame zwemmers, en scheenen zoo wel in 't water, als op 't land, te kunnen leven.

Ons door dit genomen bad genoegzaam verkoeld hebbende, gingen wy aan den oever nederzitten, alwaar ik het genoegen had het maakzel en de trekken van eene jonge Indiane te beschouwen, die als een venus-beeld uit het water opkwam.--De Arrowoukas zyn zeer verschillende van alle de andere Indianen, over welken ik reeds den lezer onderhouden heb; hy herinnert zig misschien myne belofte, om van hun in het byzonder te spreken, en deeze zal ik tans volbrengen.--Ik merkte op, dat de huid van dit jong meisjen, by het uitkomen uit het water, niet meer met Roucou geverwd zynde, my veel schooner voorkwam, dan de koper-kleurige huid der vrouwen van andere Indiaansche volken. Haare leden waren door geene naauwe ringen, of styve catoene banden ontcierd. Haar hoofdhair hing niet los; maar was netjes rondom haar hoofd opgebonden, en op den kruin door eene breede zilvere plaat vast gemaakt. [52] Het eenige kleed, dat zy in het water aanhieldt, bestondt in een klein vierkant voorschoot, van koraalen gemaakt, zoo als ik die hier boven reeds beschreven heb: zy was derhalven, ten aanzien van de overige deelen van haar lichaam, geheel en al naakt. Zy had een aangezicht, zoo bevallig, als men zig verbeelden kan. Haare reizige gestalte, haare kragt, haare jeugd, haare levendigheid, alle de teekenen van eene goede gezondheid, overtuigden my van de waarheid, dat wanneer het lichaam zig geheel aan het oog ontdekt, men op de schoonheid van het aangezicht weinig acht slaat. Haar gelaat kondigde die beminnelyke eenvoudigheid, dien onschuldigen ernst aan, die op geenen onëerbaaren aanval zelfs verdacht is, en niet kan nagebootst worden door haar, die zig aan den geringsten misstap schuldig kent. Eene geverwde olyfkleur is met de schoonheid zeer wel bestaanbaar: deeze is de natuurlykste kleur van alle menschelyke schepselen; want het is waarschynlyk, dat blank en zwart slechts trapswyze opklimmingen zyn, veröorzaakt door overmaat van warmte en koude. [53] Dit jong meisje, zoo volmaakt schoon, scheen zelfs ook volmaakt gelukkig te zyn. Men vindt, zegt RAYNAL, in den staat der zuivere natuur het geluk meenigvuldiger, dan in den staat der volmaaktste beschaafdheid. Het is zeker, dat eene Europeesche vrouw tot aan de toppen der vingers zoude bloozen, op het enkele denkbeeld van naakt in het openbaar te verschynen; maar opvoeding en vooröordeel doen alles, vermits het een ontwyffelbaare regel is, dat, wanneer men inwendig zig niets te verwyten heeft, men voorzeker van geene schaamte weten kan.

Ik herinner my te Bergen op Zoom eenen jongen Indiaan uit den omtrek van de Volkplanting de Berbices, genaamd WILKY, gezien te hebben. De Generaal DESALVE, die hem had medegebragt, liet hem kleeden, en gaf hem een zeker zoort van opvoeding. Deeze Indiaan had onder anderen het koken en kleeder-maken geleerd, willende zig zelven, zoo hy zeide, tevens van alle noodwendigheden voorzien. Na verloop van eenigen tyd, betuigde hy zyn verlangen, om naar de Volkplanting te rug te keeren; en hy had slechts even den Americaanschen grond betreden, of hy wierp zyne kleederen weg, begaf zig naakt in het diepste der bosschen, alwaar hy, even gelyk de Hottentot, van wien ROUSSEAU spreekt in de aanteekening Nº. 13. op zyne verhandeling over den oorsprong en grondslag der ongelykheid onder de menschen, zyne dagen sleet, zoo als hy die begonnen had, in het midden zyner landgenooten en vrienden.--Maar laaten wy tot dit meisjen te rug keeren. Zy had eene levendige Papegaay, die zy zelve met een rond gemaakte pyl geschoten had, en die ik van haar voor een mes met een dubbeld lemmer verruilde. De Arrowoukas zyn in dit zoort van jagt zoo knaphandig, dat zy meenigmalen een Macaw in zyne volle vlucht, en dikwils zelfs een duif, raken.

Ik kan van dit onderwerp niet afstappen, zonder eenige aanmerkingen te maken omtrent het zedelyk character van dit volk, het welk niet alleen met de meeste andere Indiaansche volken in vrede leeft, maar vooral in goede vriendschap staat met de Europeanen, wier achting het bezit.

Ik zal slechts één geval verhalen, tot een bewys van de dankbaarheid, waar door deeze Indianen zig onderscheiden. Voor eenige jaaren kwamen twee van hun, man en vrouw, te Paramaribo. Deeze vrouw in haare zwangerheid verre gevorderd zynde, gelastte de heer VAN DER MEY aan zyne dienstboden, om hen beiden aan zyn huis te brengen, en hun eene afzonderlyke kamer, en alles wat zy noodig hadden, te geven; vervolgens wenschte hy hun goeden avond. De Indiaansche vrouw beviel dien zelfden nacht; en des anderen daags morgens, toen de dienstboden kwamen, om hun den dienst van hunnen meester op nieuw aan te bieden, vonden zy noch den man, noch de vrouw. Deeze waren voor het aankomen van den dag vertrokken, om met hun kind gerustelyk naar het bosch te rug te keeren. [54] Men maakte toen verscheiden gissingen omtrent die zoo hoog geroemde oprechtheid der Arrowoukas; maar na verloop van agttien maanden, kwam deeze zelfde Indiaan den heer VAN DER MEY weder opzoeken, met zig brengende een schoon jongman, tot het geslacht der Accawaus behoorende, dien hy in een gevecht gevangen genomen had. [55] Hy boodt hem zynen weldoener aan, zeggende alleenlyk: Die is voor u; en, zonder naar antwoord te wagten, liep hy weg. Men boodt den heer VAN DER MEY meer dan twee honderd ponden sterling voor dien slaaf, maar hy weigerde zulks, en behandelde hem, even als of hy een vry persoon was.

De opvoeding, welke de Indianen in hunne kindsheid ontsangen, is zoo overëenkomstig de wetten der eenvoudige natuur, dat zeldzaam hun gemoed bedorven, noch hun lichaam misvormd is. Te groote zorgvuldigheid in beiderleije opzigten, is zoo wel schadelyk, als eene volstrekte achteloosheid. Dit is het gevoelen van den verstandigen Dr. BANCROFT, die niet noodig had zulks met een plaats uit QUINTILIAAN te bewyzen.

Schoon de Arrowoukas in eene volmaakte eensgezindheid met de Europeanen, en de meesten van hunne nabuuren, leven, trekken zy echter ten stryde uit, wanneer men hen getergd heeft. Hunne wapenen zyn boog, pylen, en een knods, dien zy abowtow [56] noemen; maar zy eeten hunne gevangenen niet, zoo als de Caraïben doen, die zelfs de Negers opäten, welken zy in eenen opstand doodden, die in de Volkplanting de Berbices voorviel. Ofschoon zy veel verder van de zee af woonen, dan de Warrows, hebben zy kano's, zomtyds van veertig voeten lang, waar mede zy de Rivieren afzakken. De Indianen van dit geslacht zyn groote kruidkenners. Voor uitwendige kwalen, maaken zy gebruik van enkelvoudige middelen, waar van de bosschen van het vaste Land van America overvloeien.--Maar laten wy het verhaal van onze krygsverrigting vervolgen.

Den 25sten, wierd ik door de koorts aangetast, en men deedt my eene aderlating op den voet; maar het lancet te diep gestoken zynde, geraakte ik verminkt. Omtrent dien zelfden tyd kwam de Colonel SEYBOURG uit de legerplaats aan de Java-Kreek zeer ziek te rug.

De Colonel FOURGEOUD was toen op het punt, om zyne krygsverrigtingen te hervatten. Hy had reeds eenige manschappen naar de Savane der Joden afgezonden, om beter onderricht te worden van het geen 'er van dien kant omging. In dien staat der zaken ontfing hy beveelen uit den Hage, om dien tocht oogenblikkelyk te staken, en zig, met alle zyne manschappen, onverwyld naar Holland in te schepen.

Ingevolge van deeze beveelen, wierden de transport-schepen den 27sten gereedgemaakt, de Officiers en soldaten ontfingen hunne agterstallige soldye, waar over zy zeer verheugd waren. Ieder een was te Paramaribo 'er over te vreden, uitgenomen eenige inwooners, en ik zelf.

Den 14den February, onaangezien het ongemak aan myn voet, de koorts, een zweer, en de scheurbuik, ging ik, op krukken loopende, met duizend guldens in myn zak, die somme verdeelen tusschen den Colonel FOURGEOUD en Mevrouw GODEFROY, tot betaling van de schulden, welken ik door het vry koopen van mynen Neger QUACO, en myne JOANNA, gemaakt had; vervolgens keerde ik naar myne wooning te rug, geen enkelen schelling in myn zak overgehouden hebbende. De 500 guldens, welken ik aan Mevrouw GODEFROY ter hand stelde, waren eene geringe afkorting op de 1800 guldens, die ik haar schuldig was, en met dit al had zy de edelmoedigheid, om my op nieuw aan te zetten, ten einde JOANNA en mynen zoon naar Holland mede te nemen. Doch JOANNA weigerde zulks moediglyk, en verklaarde, "Dat, alle andere bedenkingen daar gelaten, zy nimmer zoude toestemmen, om de belangen van haare weldoenster aan die van haaren weldoener op te offeren; dat haar eigen geluk, en zelfs het myne, het welk zy boven het leven waardeerde, als dan in bitterheid voor haar verkeeren zoude, zoo lang de schuld van haare vrykooping niet geheel en al gekweten zoude zyn, het zy door my zelven, het zy uit de vruchten van haaren eigen arbeid, zoo als zy hoopte dit t'eeniger tyd ter uitvoer te brengen":--Zy voegde 'er by: "dat onze scheiding niet dan kortstondig zyn zoude, en dat het grootste bewys, het welk ik haar van myne achting geven konde, bestond in het kloekmoedig dragen van deeze kleine tegenkanting der fortuin, zonder in haare tegenwoordigheid zelfs een enkelen zucht daar over te laten". Zy liet deeze laatste woorden met een glimlach gepaard gaan: daar op omhelsde zy haaren zoon, en verliet my dadelyk, om onbedwongen haare tranen te storten. Op dit zelfde oogenblik wierd ik geroepen by den heer DELAMARE, die op sterven lag; en myne smart was toen onuitsprekelyk. Ik moest echter besluiten, om eene afwezigheid van één of twee jaaren door te staan. Des namiddags, om myn leed een oogenbjik te verzetten, ging ik het kabinet van Indische zeldzaamheden van den heer ROUX bezichtigen. Het oog toevallig op een ratelslang hebbende laten vallen, zal ik, alvorens de Volkplanting van Surinamen te verlaten, dit gevaarlyk kruipend gedierte beschryven.

De Ratelslang heeft in Surinamen zomtyds de lengte van agt of negen voeten. In 't midden is hy zeer dik, en naar den hals en de staart word hy dunner. Zyn breede kop is plat, en leelyk mismaakt. Men ziet in hem twee wyd open gespalkte neusgaten by den bek; en, even als de Kayman, een groote kam of bult boven de oogen, zoo zwart als git, en zeer schitterende. Aan het einde van zyne staart zyn verscheide schubben van een zoort van dun hoorn, zeer droog, en aan elkander zaamgehecht, welken het dier beweegt, wanneer hy getergd word, en die een geluid geven, gelykende naar dat van een ratel, waar van hy den naam draagt. Men zegt, dat het getal zyner schubben in evenredigheid jaarlyks vermeerdert, en dat men door dit middel zynen ouderdom zeer juist bepaalen kan. Deeze slang is geheel overdekt met andere schubben, die aan den ruggestreng over eind staan. Hy heeft eene doffe orange kleur, gemengd uit een donkerbruin, en zwarte vlakken, die op zyn kop ook zeer zichtbaar zyn: zyn buik heeft eene aschgrauwe kleur met schuinsloopende schubben, zoo als de meeste andere slangen. Wanneer dit dier zynen buit bespiedt, draait hy zig rond in elkander, als een kluw touw, en zyne staart een weinig bewegende, doet hy die vervolgens ratelen, en spreidt zig in éénen sprong uit ter lengte van zyn geheele lichaam; daar op verbergt hy zig andermaal, om zig op nieuw uit te spreiden. Het vergift van deezen slang word, ten minsten in geheel America, voor doodelyk, of voor zeer gevaarlyk gehouden. Wat betreft zyne eigenschap om de oogen te verblinden, de muizen, de eekhorentjes, de vogelen, in zynen muil te laten vallen, ik houde zulks voor verdichtsels. Al die voorgewende tooverkragt bestaat alleenlyk daar in, dat deeze arme dieren, wanneer zy zig door eenig dreigend gevaar overvallen zien, door zulk een schrik en beving worden aangetast, dat zy 'er het gebruik van hunne ledematen door verliezen, en onbeweeglyk op hunne plaats blyven, of, zig trachtende te redden, in de macht van hunnen vyand vallen.

Ik zag ook in dit kabinet de blaauwe Surinaamsche Dipsas, die byna eene blaauwe kleur op den rug heeft, in de zyden zeer helder, en aan den buik witachtig. Ik heb niet hooren zeggen, dat de beet van dit dier doodelyk is, maar dezelve veröorzaakt een onmatigen dorst, waar van hy zyn naam ontleent, want het woord dipsa beteekent in het Grieksch dorst. Ik merkte ook nog een anderen slang op, omtrent drie voeten lang, bedekt met ringen van onderscheidene kleuren, dien men Amphisboena noemt, om dat men veronderstelt, dat hy twee hoofden heeft; maar de waare reden is, om dat, uit hoofde van zyne langwerpig ronde gedaante, zyn kop en staart zoodanig naar elkander gelyken, dat het zeer wel is toe te geven, wanneer men 'er in mistast; zyne oogen zyn voorts byna onbemerkbaar. Het is die zelfde slang, aan welke de door my beschrevene groote mieren voedzel verschaffen, zoo het gemeene volk zegt, wanneer hy blind is, waarom men hem in dit Land met den naam van koning der mieren verëert. [57]

Onder de talryke verzameling van fraaije kapellen van den zelfden heer ROUX, merkte ik 'er voornamelyk een op van eene middelmatige grootte, welker vier vleugelen, zoo van boven als beneden, met zwarte streepen en een schitterend groen verciert zyn. De ontzachelyke hoogte, tot welke zig dit insect verheft, en de vlugheid, waar mede hy vliegt, maken hem zeer zeldzaam. Zyn enklauw, van eene zee-groene kleur, is van harde punten, vry veel naar pluimen gelykende, voorzien.

Ik zeide straks, dat wy bevel ontfangen hadden, om de Volkplanting te verlaten, en dat al het volk daar over verheugd was, uitgezonderd ik; maar onze Overste ontfing, den 15den, brieven uit Holland, waar by onze te rugkomst voor zes maanden wierd uitgesteld. Myne medemakkers waren over dit uitstel ter nedergeslagen, en my deedt het herleven. Ik besloot om myne geheele soldye uit te zuinigen, tot dat ik de somme by elkander zoude hebben, die 'er noodig was, om volkomen eigenaar van JOANNA te wezen: maar het deedt my zeer leed, dat wy andere tydingen uit Europa ontfingen, medebrengende, dat zyne Britannische Majesteit de Schotsche brigade had uitgenoodigd, om zig naar Engeland te begeven, en het speet my ongemeen, dat ik daar toe niet meer behoorde. [58] Men boodt my byna te gelyker tyd eene Compagnie aan onder den Generaal WASHINGTON, welke ik zonder bedenken weigerde.

Den 18den February, wierden onze soldaten, moedeloos zynde, weder naar Maagdenberg gezonden; een groot gedeelte bleef steeds aan de Java-kreek. Onze Officiers waren toen zoodanig te onvreden, dat één van hun, FISHER genaamd, twee maalen, daags na elkander, een tweegevecht hieldt, en aan zyne beide tegenpartyen, zynde Officiers van 's Compagnies krygsvolk, gevaarlyke wonden toebragt.

Dewyl ik nog niet hersteld was, bleef ik eenigen tyd langer te Paramaribo. Ik zag aldaar ten huize van den heer REYNSDORP, eene Portugeesche Jodin, die haare kinderen in den Christelyken Godsdienst opvoede; terwyl van eenen anderen kant, de Opzichteresse van zeker Godshuis dagelyks ongelukkige slaven liet geesselen, om dat zy, zoo ze zeide, Heidenen waren. Zy veröordeelde onder anderen eene arme Negerin tot vier honderd geessel-slagen, welken deeze, zonder eenige klagten te uiten, ontfing.

Maar laten wy van dit onäangenaam onderwerp afstappen; en liever, dewyl zig daar toe thans eene geschikte gelegenheid opdoet, den lezer een korten staat opgeven van den koophandel en innerlyke waarde deezer Volkplanting, alwaar zoo veel bloed op de wreedaartigste wyze geplengd word, en die nog veel ryker zoude zyn, indien zy het voorbeeld niet volgde van de vrouw, in de Fabel van de hen, die gewoon was gouden eieren te leggen.

Men telt te Surinamen zes of agt honderd Plantagiën, die suiker, koffy, cacao en catoen voortbrengen. 'Er zyn daarënboven eenige indigo Plantagiën. Men heeft ook werven gemaakt tot het hakken van timmerhout, enz. Op de onderslaande tafel kan men den staat en de waarde zien van de vier eerstgemelde zoorten van koopmanschappen, die geduurende vier jaaren van de Plantagiën zyn afgeleverd.

Jaaren. Vaten Ponden Ponden Ponden Suiker. Koffy. Cacao. Catoen. 1771 19,494 11,135,132 416,821 203,945 1772 19,260 12,267,134 354,935 90,035 1773 15,741 15,427,298 332,229 135,047 1774 15,111 11,016,518 506,610 105,126 Somma 69,606 49,846,082 1,610,595 534,153

69,606 vaten Suiker, tegen ƒ 60:-:- het vat, maken ƒ 4,176,360:--:--

49,846,082 Ponden Koffy, tegen agt en een halve stuiver het pond, maken ƒ 21,184,584:17:--

1,610,595 ponden Cacao, tegen zes en een halve stuiver het pond, maken ƒ 523,443: 7: 8

534,153 ponden Catoen, tegen agt stuivers het pond, maken ƒ 213,661: 4:--

------------------ Makende te zamen ƒ 26,098,049: 8: 8 ==================

Dit maakt voor elk jaar juist ƒ 6,524,512: 7: 2

Maar deeze alzoo in 't ruwe opgegevene berekening betrof de Stad Amsterdam alleen.

Indien men daar by voegt, het geen bovendien naar Rotterdam en Zeeland word uitgevoerd, behalven het geen binnen 's Lands gesleten word, het beloop van de ladingen rhum, suiker-syroop, timmerhout en indigo, zal men nog eens, of ten naasten by dezelfde somme hebben; dus ƒ 6,524,512: 7: 2 ------------------ Te zamen ƒ 13,049,024:14: 4 ==================

Het welk, wanneer men het slechts stelt op ƒ 11,000,000:--:-- jaarlyks een millioen ponden sterling bedraagt.

Ik zal nu verder aanwyzen, hoe deeze somme tusschen de Hollandsche Republiek, en deeze Volkplanting verdeeld word.

De Stad Amsterdam levert omtrent 50 schepen van vier honderd vaten, door elkander gerekend, die voor de vracht wegens den invoer van verschillende koopmanschappen, ontfangen de somme van ƒ 6,000:--:-- en wegens den uitvoer van producten uit de Volkplanting ƒ 32,000:--:-- -------------- Maakende voor elk schip een vracht van ƒ 38,000:--:--

het welk, door 50 vermeenigvuldigd zynde, uitmaakt. ƒ 1,900,000:--:--

Ik reken bovendien dertig schepen van verschillenden last, voor Rotterdam en Zeeland, het welk maakt ƒ. 1,200,000:--:--

En voor de brikken, met ballast geladen, voor passagiers, enz. dienende ƒ 80,000:--:--

Elk schip van de Kust van Guinée, het welk jaarlyks 250 of 300 Negers aanbrengt, gerekend op ƒ 120,000:--:-- maakt, als men dit brengt op het getal van zes schepen [59] ƒ 740,000:--:--

By deeze berekening zal ik voegen de waaren en koopmanschappen, die uit Holland worden ingevoerd, als wyn, sterke dranken, bier, gezouten ossen- en varkensvleesch, meel, zyde, catoen, en linnens; kleederen, hoeden, schoenen; kostbaarheden van goud, zilver en staal; metselaars- en timmermans gereedschappen, enz. enz. tegen de waarde van omtrent 50 ten honderd aan winst, na aftrek van de kosten op de correspondentie, de verzekeringen, de ladingen, de imposten, de pakhuis-huuren, haven- en kaai-gelden, het inpakken, welke laatstgemelde artikelen daarënboven tien ten honderd aan de inwooners kosten; al het welk, door elkander gerekend, bedraagt ƒ 1,100,000:--:-- ----------------- Makende reeds te zamen de somma van ƒ 5,000,000:--:--

Hier by gerekend de interessen van 6 ten honderd van vyf millioenen sterling, die de Volkplanting schuldig is, en het geen de renteniers in Holland, alwaar zy schulden heeft, en ook de geenen, die hun fortuin gemaakt hebben, hun geld gaan verteeren, aan haar kosten beloopt zulks ten minsten ƒ 1,000,000:--:-- ----------------- Dit alles, by elkander getrokken, maakt jaarlyks ten minsten de somma van ƒ 6,000,000:--:--

Het zelve blyft zuiver ten voordeele van de Republiek, en wel voornamelyk voor Amsterdam, Rotterdam, en Zeeland, zoo dat de inwooners van Surinamen, voor hun aandeel, van den bovengemelden schat alleenlyk genieten ƒ 5,000,000:--:-- ----------------- Makende te zamen de reeds op gegevene millioen sterling, of ƒ 11,000,000:--:--

Ik zal, in de derde plaats, doen zien, hoe de binnenlandsche onkosten der Sociëteit van Surinamen, door het geen deeze ladingen opbrengen, gekweten worden; en deeze zyn niet gering.

Reeds gezegd hebbende, toen ik van het Regeerings-bestuur deezer Volkplandng sprak, dat de Ontfangers van 's Lands penningen vyf in getal zyn, zal ik thans aantoonen, wat elk hunner tot kwyting deezer onkosten opgaart en ontfangt.

De eerste van deeze Ontfangers is gesteld over de in- en uitgaande rechten.

Aan hem word betaald:

Van elk Hollandsch schip. ƒ 3:--:-- het vat; van de Americaansche ƒ 6:--:--. Dit maakt ƒ 90,000:--:--

Door de Americaanen voor alle in- en uitgevoerd wordende goederen, 5 ten honderd. ƒ 60,000:--:--

De Suiker betaalt ƒ 1:--:-- de duizend ponden, of het oxhoofd. in 1771 bedroeg dit De Koffy, 15 stuivers, de honderd ƒ 260,000:--:-- ponden gewicht.

De Cacao ƒ 1:15:-- de hondert ponden gewicht.

Het Catoen -----------------

Dus ontfangt hy jaarlyks de somma van ƒ 410,000:--:--

De tweede is de Ontfanger der groote n kleine imposten.

Men betaalt hem:

voor een vat Bier ƒ 3:--:-- voor een vat rooden Wyn ƒ 12:--:-- voor een pyp Madera Wyn ƒ 23:10:-- voor een mingelen Wyn in flessen ƒ -: 1:-- voor de belasting op de aangeplakte billietten ƒ 600:--:-- voor de belasting op de koopwaaren, in 't klein ƒ 300:--:-- -----------

Al het welk jaarlyks ten minsten beloopt ƒ 100,000:--:--

De derde Ontfanger is die van het hoofdgeld.

Hy ontfangt van alle de inwooners, blanken en zwarten, zonder onderscheid, en van ieder hoofd, het zy man of vrouw, ƒ 2:10:--; voor elken jongen of meisjen, beneden de 12 jaren ƒ 1: 5:-- Dit bedraagt jaarlyks ƒ 150,000:--:--

De vierde is de Ontfanger der rechten op den verkoop van koopmanschappen en slaven. Men betaalt hem: By verkoop van goederen, in geene rent-gevende bestaande, de Plantagiën daar onder gerekend, 5 ten honderd; en by verkoop van Neger-slaven, die nieuwlings worden ingevoerd, twee en een half ten honderd. Dit bedraagt jaarlyks ƒ 130,000:--:--

De laatste ambtenaar eindelyk ontfangt de belasting wegens de kosten op het vervolgen der weggeloopen Neger-slaven, welke ingevoerd is, om dat de andere belastingen onvoldoende waren.

De sommen, die hy inzamelt, bedragen jaarlyks: wegens de verhooging van een gulden, voor hoofdgeld over de blanken en zwarten ƒ 80,000:--:--

als mede vier ten honderd van alle jaarlyksche Beneficiën, bedragende jaarlyks ƒ 400,000:--:-- ----------------- Makende te zamen ƒ 480,000:--:--

Men betaalt bovendien jaarlyks, voor het onderhoud der wyken; namelyk van elk huis, volgens deszelfs uitgestrektheid.

van een koets ƒ 20:--:-- van een chais ƒ 10:--:-- van een rypaard ƒ 10:--:--

Het welk de bovengemelde belastingen vermeerdert met de somme van ƒ 12,000:--:-- ----------------- Alle welke sommen, by elkander getrokken, niet minder opbrengen dan ƒ 1,282,000:--:--

Na duidelyk te hebben aangetoond, zoo met behulp van het Tafereel der Surinaamsche Volkplanting van Dr. FERMIN, als volgens myne eigene kundigheden, dat de innerlyke waarde deezer bezitting meer dan een millioen ponden sterling aan inkomsten bedraagt, die door een verstandig bestuur nog merkelyk zouden kunnen vermeerderen; na al mede betoogd te hebben, dat het grootste gedeelte deezer inkomsten ten voordeele der Republiek koomt, terwyl de Colonisten met belastingen bezwaard zyn, die hen noodzaken tot vreemde middelen hunnen toevlucht te nemen, en misschien eerlyke lieden in schurken doen verkeeren; zal ik thans, by wege van een vervolg, een korten staat opgeven van den koophandel der Noord-Americaanen met deeze Volkplanting.--Zy komen aldaar uit Virginië, Rhode-Island, Nieuw-York, Boston, Jamaica, Grenada, Antigoa, het Eiland Barbados, enz. in kleine brikken, sloepen, enz. Zy brengen meel aan, ossen- en varkens-vleesch, haring, zout, makreel, bladen tabak voor de Negers, denne planken, rhum, sterke dranken, suiker-brooden, [60] spermaceti-kaarssen, uijen enz. Elk schip is daarënboven verpligt een paard aan te brengen: de eigenaar van 't schip ontheft zig daar van dikwils door een list: hy vertoont den kop van zoodanig dier, en verzekert, dat hy het aan boord genomen heeft, maar dat het op de reize gestorven is. Tegen deze koopwaaren voeren de Americanen al de Surinaamsche suiker-syroop (melasse) uit, waar van zy rhum by hun maken, en dikwils laden zy hunne schepen geheel en al met koopmanschappen en andere voortbrengsels van deeze Volkplanting, schoon zy het niet dan ter sluik doen mogen: maar kooper en verkooper vinden 'er hun voordeel by; de een koopt goed koop, en de ander ontfangt gereed geld. Van de Eilanden onder den wind voeren zy quarteron- en mulatten-slaven van beiderlei kunne aan, die over 't algemeen jong en fraay zynde, voor zeer hoogen prys verkogt worden, hoe zy ook anderzints gesteld mogen zyn.

Alle de onderrichtingen, door my omtrent den koophandel en wezentlyken rykdom deezer schoone Volkplanting opgegeven, zyn naar de naauwkeurigste berigten gevolgd. Het zy my geöorloofd van dit onderwerp thans af te stappen, en myn verhaal te vervolgen.

Den 21sten February, nam de heer REYNSDORP, schoonzoon van Mevrouw GODEFROY, my in zyn zeil-jacht mede; en om my van lucht te doen veranderen, bragt hy my op eene zyner Koffy-plantagiën, genaamd Nut en Schadelyk. Ik zag aldaar een blanken, die door de steek van een Vampire, of Guiaansch spook, in éénen nacht zyn gezicht verloor. Des anderen daags voeren wy de Commewyne op, en gingen naar Alkmaar, eene aangenaame Cacao-Plantagie, die aan dezelfde Mevrouw GODEFROY in eigendom toebehoorde. Hier wierden de slaven door haare meesteres behandeld, als haare eigene kinderen, en zy beschouwden allen haar als hunne moeder. Men hoorde aldaar geen geraas van yzeren ketenen, geene zuchtingen; men zag aldaar geen blyk van gestrengheid. Alles was eendracht en vergenoegen. Ik heb reeds bevoorens [61] eene afbeelding gegeven van het voortreffelyk huis en deszelfs toebehooren, op deeze fraaie Plantagie, alwaar onophoudelyk genoegen heerscht, alwaar men de edelste gastvryheid uitoeffent. De tuinen, de velden, de hutten zelfs der Negers, duiden aldaar overvloed en vrede aan.

De Cacao-boomen worden voortgeplant van jong plantsoen, het welk men tot dit einde aankweekt. Men plant dezelven doorgaans op eenen afstand van tien of twaalf voeten van elkander, en zy groeien op tot de hoogte van onze Engelsche Kersseboomen. Maar deeze Plantagiën moeten wel beschut zyn, zoo voor zwaare winden, als voor de brandende straalen der zon, wanneer de boomen jong zyn, want dan zyn derzelver wortels niet diep genoeg in den grond ingedoken, om dezelven staande te houden, en zy zouden geene groote hitte kunnen doorstaan. Dienvolgende plant men 'er heester-gewassen (b. v. maniok) en Plantain-boomen tusschen, die tevens het onkruid tegengaan, het welk in de luchtstreken onder den zonne-keerkring zoo overvloedig voortteelt. Door middel van deeze voorzorgen, dragen de Cacao-boomen vruchten, eer zy drie jaaren oud zyn: als dan brengen zy jaarlyks twee oogsten voort; maar zy moeten echter twaalf of veertien jaaren oud zyn, eer zy hunnen volkomen wasdom bereikt hebben. Het blad van den Cacao-boom heeft meer dan agt duimen in de lengte, en byna drie in de breedte: het zelve is langwerpig, taay, en van een schitterend groene kleur. De gedaante der vrucht is byna dezelfde, maar echter een weinig breeder. Wanneer die vrucht jong is, heeft zy het voorkomen van een komkommer; maar wanneer zy ryp is, word ze geel als een limoen, en scheidt zig dan af in ribben, even als een meloen. Het zaad of de pitten zitten langwerpig in de vrucht of bast; ryp zynde hebben zy de dikte van olyven, en een purper kleur. Elke boom word gerekend by den oogst van dertig tot drie honderd vruchten te geven, die elk omtrent dertig pitten bevatten, een pond wegende; en langs dien weg kan men den jaarlykschen opbreng berekenen. Weinige dagen na dat de oogst geschied is, haalt men de pitten uit de schil; men laat ze in de schaduw droogen, en in dien tyd raaken zy een zoort van vochtige zelfstandigheid kwyt, het geen men noemt dezelve te laten uitzweeten; men pakt ze vervolgens in vaatjes om vervoerd te worden, en 'er die aangenaame koek van te maken, welke wy Chocolade noemen.

Men zegt, dat de Cacao-boomen oorspronglyk in Guiana groeien, en natuurlyk in groote meenigte by de Rivier der Amazonen gevonden worden. Wat daar ook van zy, de zoon van den Gouverneur CHATILLON plantte den eersten boom in 't jaar 1684 in Surinamen; en de eerste oogst, die naar Holland werd uitgevoerd, geschiede in 't jaar 1733. Een der groote voordeelen van het aankweeken der Cacao-boomen bestaat hier in, dat daar toe minder slaaven, dan tot alle andere zoorten van Plantagiën noodig zyn. Men kan naargaan, hoe aanmerkelyk de voordeelen zyn, uit den opbreng van het jaar 1774, wanneer men, alleen voor de Stad Amsterdam, 506,610 ponden Cacao-pitten uitvoerde; het welk 202,614 Hollandsche Guldens, of 18.419 ponden sterling opbragt. De prys verschilde van 4 tot 9 stuivers het pond. De middel bereekening is van zes- en een halve stuiver. De beste Plantagiën, en die van Alkmaar behoort daar onder, brengt jaarlyks meer dan 80,000 ponden op.

Den 27sten keerden wy naar de Stad te rug, alwaar men, des avonds te voren, een soldaat ter zaake van muiterye had doodgeschoten, en des anderen daags geraakte op de rheede een schip in brand. Byna ter zelfder tyd, vertrok de Neger QUACY, die de Propheet, en, om zoo te zeggen, de Koning zyner landgenooten was, naar Holland, om zyne opwagting te maken by den Prins van Orange, aan wien de Colonel FOURGEOUD hem aanbeval. Deeze Neger moest de roem van deezen Bevelhebber vermelden, en zig beklagen over den Gouverneur, die aan onzen Colonel geen eerbied genoeg betoonde. Ter gelegenheid, dat wy toen het tydstip der Zittingen van het Gerechtshof hadden, wierd aan een slaaf het been afgezet, om dat hy eenen arbeid, die boven zyne kragten was, geweigerd had. Twee anderen wierden veroordeeld om opgehangen te worden, om dat zy waren weg geloopen. Het heldhaftig gedrag, door één deezer ongelukkigen voor het Hof van Justitie gehouden, verdient alhier verhaald te worden.--Hy verzogt voor weinige oogenblikken gehoor, het geen hem wierd toegestaan; en hy liet zig toen in deezer voegen uit:

"Ik ben in Africa geboren, alwaar ik, mynen Vorst in een gevecht verdedigende, ben gevangen genomen, en door myne landgenooten op de Kust van Guinée voor slaaf verkocht.--Een van uwlieden, die thans myn Rechter is, kocht my; en ik ben door zynen Opzichter zoo deerlyk mishandeld, dat ik weg liep, en my by de muitelingen voegde.--Ik zag my gedwongen, om hun Opperhoofd BONNY te dienen, wiens dwinglandye nog ondraaglyker was, dan die der Europeanen. Een weêrzin in zulk eene handelwyze hebbende, besloot ik om het menschdom voor altyd te ontvlieden, en in de bosschen rustig te leven. Ik heb aldaar twee jaaren byna alleen doorgebragt, in de grootste ongerustheid van geest, en myn leven latende voortduuren alleenlyk in de hoop, om myn geliefd geslacht, het welk misschien, uit hoofde myner afwezigheid, in myn eigen Land van honger verging, nog eenmaal weêr te zien. Twee ellendige jaaren waren dan in deeze gesteldheid verloopen, toen de Jagers my ontdekten, my gevangen namen, en my voor deeze Rechtbank bragten, aan welke ik thans de geschiedenis van myn deerniswaardig leven open legge, en slechts de genade verzoek, om aanstaanden Saturdag, of zoo dra het mogelyk zyn zal, het vonnis aan my uit te oeffenen".

Deeze aanspraak wierd met eene ongemeene gematigdheid uitgesproken door één der schoonste Negers, dien men misschien immer zag. Zyn meester, die (zoo als hy te recht opmerkte,) onder het getal van zyne Rechters was, gaf hem dit kort antwoord:--"Schelm! alles wat gy ons vertelt, doet niets ter zaake. De pynbank zal u in een oogenblik de bekentenis van misdaden afperssen, die zoo verachtelyk zyn, als gy zelf, of uwe hatelyke medeplichtigen". De Neger, die alle zyne aderen van verontwaardiging voelde opzwellen, beantwoordde hem zulks op deeze wyze:--"Massera, de tygers in de bosschen hebben onder deeze handen (welken hy toen in de hoogte stak) gebeefd; en gy durft my met uwe armhartige werktuigen van foltering bedreigen! Neen! Neen! ik veracht de pynigingen, welken gy thans kunt uitvinden, even zeer, als den laaghartigen, die ze my aandoet". Op deeze woorden boodt hy zig zelf ter pyniging aan, en stond de ysselykste folteringen door, zonder een enkel woord uit te brengen; vervolgens weigerde hy zelfs te spreken, en eindigde zyn leven met de koord.--Maar laaten wy van dit naargeestig onderwerp afstappen.

Den 8sten Maart, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, om aldaar den verjaardag van den Prins van Oranje te vieren. Dien zelfden dag gaf de heer REYNSDORP eene maaltyd aan alle de soldaten. De Colonel berigtte my, dat de Jagers, in dit oogenblik, by de Wana-kreek alleen gelegerd waren; dat de ongezonde post van Devil's Harwar geheel en al verlaten was; dat de twee Compagniën van vrywillige Negers, die kortlings waren aangeworven, op den weg, die met de Wanica agter Paramaribo gemeenschap heeft, eenige muitelingen gevangen genomen, en verscheiden anderen gedood hadden. Ik bevond my toen wel beter, schoon ik nog niet geheel en al hersteld was; en die zelfde Overste, die my voorheen zoo hard behandeld had, hield thans aan, dat ik my in de hoofdstad der Volkplanting nog eenigen tyd langer zoude blyven ophouden: hy boodt my zelfs verlof aan, om naar Europa te rug te keeren, het geen ik stellig weigerde; eindelyk, tegen het midden der maand, was ik zoo gezond, als ik in myn geheele leven geweest was. De Colonel FOURGEOUD en ik gaven toen dagelyks bezoeken aan vrouwen, in wier gezelschap zig niemand hoflyker gedroeg, dan hy, terwyl ik van myn kant mynen afkeer dikwils niet bedwingen konde. Zy keeken ons aan op eene manier, die haare bedoeling duidelyk te kennen gaf; verscheiden zelfs waren in haare gesprekken gantsch niet omzichtig; en zekere Mevrouw N. ging zelfs zoo verre, dat zy my, zonder omwegen, verzogt, of ik de plaats van haaren man wilde vervullen.

Den 17den, intusschen, vertoonde zig iets aan myn oog, het geen my meer bekoorde. By den heer TEXIER, Colonel van 's Compagnies krygsvolk, uit eeten gaande, deed ik vooraf eene wandeling in de oranjeboom-bosschen en de tuinen van den Gouverneur. Ik ontdekte aldaar wel dra dwars door de takken twee vrouwen van de cierlykste gestalte en de schoonste gedaante, die zig gebaad hadden. De eene was eene bekoorlyke en jonge Samboe-, de andere eene fraaie Qaurteron-Negerin. De trekken der laatstgemelde waren zoo regelmatig, en haare gedaante zoo bevallig, dat men byna geloofd zoude hebben, dat zy uit Griekenland geboortig was: haare roosenkleurige verwe was gelyk aan die, waar van het boschjen glinsterde. [62] Beide wandelden zy, elkander by de hand houdende, en praatten al lachende, in de nabyheid van een bed met bloemen, geplant aan den oever eener beek van vlietend en helder water, waar in zy zig als Syrenen indompelden, toen zy de bladeren van het geboomte hoorden ritselen. Ik liet haar het stil genot der onschuldige vermaken van het bad, en ik wagte het eetens-uur af, doorwandelende intusschen de beplantingen van boomen, die met vruchten beladen waren, en de bloem-tuinen, langs wandeldreeven van schoon rivier-zand. Ik zag in deeze tuinen meer Europeesche planten, dan ik dagt, dat 'er onder den zonne-keerkring waren, als kruis en munt, venkel, salie, rozemaryn, heidens wond-kruid, jasmyn, kruidje roer my niet; granaatboomen, rozenboomen, vygenboomen, en zelfs eenige wynstokplanten. De vygen waren van eene fraaije karmosyn kleur van buiten en van binnen, en de rozen van eene bleeke roode kleur. 'Er waren ook op deeze zelfde plaats eenige schoone pyn-appelen, en meloenen, waar van ik iets zeggen zal, schoon zy vry algemeen bekend zyn. De Koning van alle vruchten, ananas, of pyn-appel genaamd, groeit aan het einde van een stam, van eene zee-groene kleur, en agt duimen lengte hebbende, die zig uit het midden-punt van een fraay heester-gewas van de zelfde kleur verheft, welks langwerpige, effene, puntige, en van zeer harde stekels voorziene bladeren, op eenen kleinen afstand van den grond, in de rondte geschaard zyn. De gedaante der vrucht is ten naasten by die van een pynappel; dezelve is geheel en al met vierkante schubben bedekt, en van eene fraaije orange of goud kleur. Eene bos met bladeren, naar die der plant gelykende, maar echter veel kleiner, geeft 'er eene kroon aan, en in den grond gestoken zynde, koomt 'er, na verloop van agtien maanden, een andere ananas uit voort. De uitgelezene smaak, en de lekkere geur van deeze vruchten, zyn zedert byna een halve eeuw zoo bekend, dat ik 'er alleenlyk van spreek uit hoofde van derzelver overvloed in Guiana. De verschillende zoorten van gewoone ananassen groeien aldaar uit de natuur; en op verscheidene Plantagiën dienen zy aan de geringste dieren tot voedzel.

De Muskaat- en Water-Meloenen wassen ook overvloedig in dit Land. De eerste is volstrekt rond, van de grootte van een kleine hoed, met ribben, en van een buffels kleur, orange en groen. Derzelver vleesch is geel, vast, sappig, zacht, en van een lekkere geur.

De Water-meloen is van eene eironde gedaante. Derzelver schil is zeer effen, en gedeeltelyk van eene schitterende groene, gedeeltelyk van eene bleeke buffels kleur. Het vleesch van deeze meloen is roodachtig, van eene waterachtige en zachte zelfstandigheid, van een zeer zoeten smaak, van eene uitmuntende geurigheid, en zeer verkoelende. Deeze meloenen zyn een zoort van komkommers, en groeien aan het einde van zwaare steelen, met breede bladeren, die den grond bedekken. Het is merkwaardig, dat de Water-meloen, welke men, zonder eenige schadelyke gevolgen, in alle zoorten van ziekten eeten kan, het best word voortgeteeld in een droogen en zandachtigen grond.

Omtrent te deezer tyd zond ik eene fraaije verzameling van Surinaamsche Kapellen aan den heer REIGERSMAN in Holland. Deeze insecten zyn alhier zeer talryk, en zeer verschillende. Verscheide lieden, die hun werk maken om dezelven te vangen, scheppen 'er behagen in. Maar het denkbeeld, om een enkel levendig insect op een blad papier vast te maken, was voor my te weinig bekoorlyk, om ze zelf te gaan vangen.

Ter zelfder tyd wierden de Capitains VAN GEURICK en FREDERIK, vergezeld van den Sergeant FOWLER, naar de Oucas- en Sarameca-Negers afgezonden, om van hun eenige hulp tegen de muitelingen te verzoeken; zy beloofden dezelve, zoo lang de Colonel FOURGEOUD hun geschenken gaf, maar zy leverden ze nooit. Eenige andere Officiers bleven steeds by ons, zig bezig houdende met by de vrouwen op Paramaribo hunne opwagting te maken. Onder dit getal waren de Majoor MEDLAR, en de Capitain HAMEL, die beiden onder het Regiment van den Generaal DE SALVE, in de Volkplanting de Berbices, gediend hadden; de eerstgemelde was bevorens in Pruissischen dienst geweest. Het was voor ons, die nog zoo kortlings naar wilden geleeken, geene kleine verandering van staat, in dit oogenblik de straaten van deeze hoofdstad te bewandelen, als Fransche Marquisen uitgedoscht zynde.

Met den Gouverneur NEPVEU in goede vriendschap zynde, kreeg ik in de gedachten, om hem een onbebouwd stuk land in het bosch te verzoeken, en dadelyk stond hy my vier honderd akkers toe. By het doen van dit onbedacht verzoek had ik niet berekend, hoe veel geld 'er wel noodig was, om het hout 'er te doen uithaalen, slaven te koopen, en in alles, wat tot zulk eene onderneming verëischt word, te voorzien; maar wanneer ik de moeielykheid in aanmerking nam, om iemand te vinden, die met my zoude willen zamen doen, en de noodige gelden daar toe bezat, bedankte ik om deeze blyk van des Gouverneurs goedheid aan te nemen.

Den 26sten, bevryde ik eene arme Negerin, die een douzyn porcelein theegoed gebroken had, van eenige honderde geesselslagen, door het zelve te vergoeden. Dien zelfden dag wierd ook eene andere Negerin door een Franschman vermoord, die zulk eene scherpe knaging over zyn wanbedryf gevoelde, dat hy zig den hals afsneed; een Opzichter, die hem behulpzaam geweest was, hing zig zelven op. Na aan den armen Neger, wien men, uit kragte van een vonnis, het been had afgezet, een bezoek gegeven te hebben, maakte ik my gereed om naar mynen vierden veldtocht te vertrekken. Terwyl ik de toebereidzelen daar toe maakte, zag ik zes Neger-slaven by my binnen treden, beladen met geschenken, welken my myne vrienden zonden, en bestaande in al het beste, het geen Guiana voortbrengt. Ik moest het bevel aan de Commewyne op nieuw op my nemen.

VYF-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Grappige manier tot het ontdekken van een dief.--Het Brom-vogeltje.--Verschillende zoorten van planten.--Manier van visschen in Surinamen.--Onderscheidene zoorten van visschen.--Moed van eene jonge Negerin.--De Pimpelmees. --De Americaansche Aloë.--De Banille-boom.--Huilende Aapen. --Verwonderlyke slimheid der wilde Byën.--De krygsbende van den Colonel FOURGEOUD ontfangt andermaal bevel, om naar Europa te rug te keeren.--De Guiaansche Nachtuil.

Den 27sten Maart 1776, nam ik op nieuw afscheid van de Stad Paramaribo, van JOANNA, en van mynen zoon.

Des morgens van dien dag, zelfs eer dat ik vertrok, wierd een Planter, HALBERG genaamd, door eene groote Iguana hevig gestoken, op het oogenblik, dat hy myne medgezellen en my noodigde, om ons nog eenige dagen langer op te houden, en by eene maaltyd, welke hy tot viering van zynen vyf-en-twintig jaarigen trouwdag gaf, tegenwoordig te zyn. Na hem ons leed betuigd te hebben over het ongeval, dat hem ontmoette, gingen wy in een overdekt vaartuig; en dien zelfden avond kwamen wy op de Plantagie Sporks-gift, aan de Matapica-kreek. Capitain MACNEYL ontfing ons aldaar, twee dagen lang, op eene zeer gastvrye manier. Ik verstikte aldaar echter byna door eene sterke reuk van groene koffy, leggende op den vloer van het kamertje, waar in ik myne hangmat geplaatst had.

Den 29sten des avonds, en wel zeer laat, kwamen wy op de Plantagie Goud-Myn, alwaar wy eenen jongen Neger en eene jonge Negerin vonden, die, dicht by elkander, aan een hoogen balk, met een touw, het welk aan de duimen van elk hunner was vast gemaakt, waren opgehangen. Dit touw was agter om hun rug gebonden, hunne schouders werden 'er byna door ontwricht, en het veröorzaakte hun de verschrikkelykste folteringen. Ik sneed het oogenblikkelyk af, zonder verlof of omwegen: ik zwoer daarënboven, dat ik den schelm van een Opzigter, die zulk eene nieuw uitgedachte en afgryselyke strafoeffening had aangedaan, vernielen zoude, ten minsten, dat hy my zoude moeten beloven aan deeze twee ongelukkigen kwytschelding te verleenen; het geen hy, by geluk, aanstonds en in myne tegenwoordigheid deedt.

Den 30sten, even voor dat wy aan de Hoop ontscheepten, vernam ik, dat myne Suiker, en het grootste gedeele van myn Rhum weg waren, maar ik ontdekte den dief door eene aartige list, waar van ik echter niet beweere de uitvinder te zyn. Ik zeide aan zes Negers, die met roeijen bezig waren, dat in zes minuten op den neus van hem, die de schuldigste was, een veder van een Papegaay zoude groeijen: tevens sprak ik eenige woorden uit, die geen zin hadden, en zwaaide twee of drie malen met myn sabel, waar na ik my in de hut opsloot. Ik keek aldaar door het sleutelgat, en hield een naauwkeurig oog op de roeijers, zonder dat zy 'er iets van bemerkten. Spoedig zag ik, dat één van hun, by elken slag met de roeyriem, de hand opligte, en aan zyn neus voelde. Ik kwam dadelyk weder te voorschyn, en regelrecht naar hem loopende, riep ik hem toe:--"Ik zie de veder, schurk! gy zyt de dief."--De arme schelm antwoordde my aanstonds:--"Ja, Masera!" Vervolgens, op de kniën vallende, bad hy den toovenaar, dat hy hem genade bewyzen wilde. De anderen verëenigden zig met hem, en ik schonk deezen bygeloovigen schelm, en zyne medeplichtigen vergiffenis, en gaf hun, om dat zy my de zaak openhartig bekend hadden, een stuk gezouten ossen-vleesch voor hun middagmaal, met een calebas vol rhum en water.

Ik nam dadelyk na myne aankomst op den wachtpost van de Hoop, het bevel der Rivier op my, en ik beschouwde my op nieuw als de Vorst van de Commewyne. Om eene goede woning te hebben, liet ik een Paleis in de hoogte bouwen, naar dat van den Generaal BONNY te Bousy-Cray gelykende. Deeze wooning, die byna eene lucht-woning was, was my van zeer groot nut. Het grootste gedeelte van het land aan deezen post stond, door de overstroomingen, onder water. Het was niets meer dan een moeras, zoo weinig acht had men 'er op geslagen, en 'er was geen voetstap meer van myne oude hut te ontdekken. Ik vond de ellendigste soldaten op deeze plaats. Zy waren aldaar byna naakt, en hadden tot hunne schoenen verkogt, om zig een maand lang verschen voorraad te bezorgen. Ik verzachtte intusschen hunne ellende door myne aanzoeken by den Colonel FOURGEOUD, in wiens gunst ik meer en meer deelde; en de wachtpost van de Hoop was wel dra een paradys, in vergelyking van het geen dezelve was, toen ik 'er kwam.

De jagt was toen, gelyk voorheen, myne dagelyksche bezigheid. Den 4den bragt ik Pluviers, Roodborsjes, en byna een dozyn Musschen uit de zand-woestyn mede.

De Pluviers van Guiana hebben de grootte van een duif. Zy hebben vederen van eene donker bruine kleur, met wit doormengd, en met dwarsloopende streepen. Men vindt 'er een groot aantal van in de verdronkene Savanen, en zy verschaffen een lekker eeten. De Roodborsjes zyn een zoort van dikke rood-staarten, en hebben het bovenste gedeelte van het lyf van eene donkere kastanje kleur, en al het overige van eene bloedkleur. Zy zyn zoo lekker als een leeuwrik, en op alle Plantagiën zeer gemeen. De wilde Musschen, die zommigen, zoo ik meen, Anacas noemen, zyn lieve diertjes van de gedaante van een Papegaay. Hunne vederen zyn volmaakt groen, en zy hebben een witten bek en roode oogen. Zy doen veel schade aan de ryst- en koorn-landen, en vliegen met eindelooze hoopen over de Plantagiën.

De Brom-vogeltjes plaatsten zig in zulk een groot getal op de tamarinde boomen aan de Hoop, dat men ze byna voor zwermen van wespen zoude hebben aangezien. De Lieutenant SWELDENS doodde 'er dagelyks verscheiden, door kleine erweten of korrels van Indisch koorn met een vogelspuit op hen te werpen.

Het Brom-vogeltje (Trochulus, of het Colorietje) is byzonder merkwaardig, zoo uit hoofde van deszelfs fraaiheid als kleinte; want hy is zoo lang niet als een derde van een menschen vinger; en wanneer zyne vederen zyn uitgeplukt, is hy niet veel grooter, dan eene groote vlieg. ('Er zyn echter verscheiden zoorten, waar van zommige twee maal zoo groot zyn.) De vederen van deezen vogel zyn gekleurd met eene sterke weêrschyn: in de schaduw, hebben zy eene schitterende en donker groene kleur; in de zon, eene bruine en glinsterende purper-kleur, met hemels-blaauw gemengd. Zyn kop is verciert met een kleine kuif van groene, zwarte en goud-kleurige vederen; zyne staart en vlerken zyn van eene helder zwarte kleur; zyn bek, die lang, zwart, en aan het einde gebogen is, is niet veel grooter, dan eene spelde. Zyne gespleete tong gelykt naar een rooden zyden draad. Zy dient hem, om den nectar of het sap der bloemen uit te pompen of uit te trekken, geduurende welke verrigting hy als een bye stil staat; en dit sap schynt het eenige voedzel van dit vogeltje te zyn. Dikwils maakt hy zyn nest op een blad van wilde Ananas, of kruipende Aloë. Dit nest, het welk niet veel grooter is, dan een nooten-dop, is byna geheel van catoen gemaakt. Het wyfje legt twee eieren, die van de grootte van erweten zyn. Mejuffrouw DE MERIAN brengt dezelven tot het getal van vier; maar ik verzeker, dat ik 'er nimmer zoo veelen in eenig nest gezien, noch ook gehoord heb, dat zy 'er nu en dan in gevonden zouden worden. Ik heb getracht twee vogelen van dit zoort op het natuurlykst, en met hunne kleine wooning, af te teekenen. Het is my niet mogelyk geweest die afteekening volkomener te maken; want de beweging hunner vlerken is zoo gezwind, dat men moeite heeft de kleur 'er van te kunnen onderscheiden. Deeze beweging veröorzaakt het zoort van bromming, waar van deeze vogeltjes hunnen naam ontleenen.

'Er was ook in deezen omtrek eene eindelooze meenigte van Aapen. Ik zag 'er by de twee honderd op een veld van Suiker-riet, al waar zy groote verwoestingen aanrigtten. Deeze doorslepen dieren zetten schildwagten uit rondom de plaats, alwaar zy stroopen, om op het vernemen van onraad gerucht te maken; en ik ben getuige geweest van de oplettenheid en het verstand, waar mede zy, die met die zorge belast zyn, zig van dezelve kwyten. Wanneer deeze stroopers eenig gevaar vernemen, loopt de geheele bende al springende naar het bosch, houdende elk den geroofden buit met de poot vast.

Ik vermaakte my ook met zwemmen. Deeze oeffening gaf my kragten, en bragt veel toe tot behoud van eene goede gezondheid. De voordeelen, welken men hier door verkrygt, zyn op eene verrukkende wyze afgemaalt, door den Schryver der Jaargetyden.

"Het is de gezondste oeffening, en de zoete verkoeling der brandende hitte van den zomer. Op die wyze verkrygen de ledematen sterkte, en de arm van die Romeinen, die op het overheerde land het bevel voerden, leerde vooräf, in zyne jeugd, de water-golven te vermeesteren."

Den 14den, doodde ik een Kayman; maar van deezen tocht in een vaartuig te rug komende, viel een pak brieven, my door den Colonel FOURGEOUD toegezonden, by ongeluk in het water, en zonk. Eenige Officiers, die daags daar aan op de Hoop kwamen, berigtten my echter, welke de voorname inhoud deezer brieven was: zy gaven my kennis, dat de Overste, besloten hebbende nog eenmaal de bosschen te doorkruissen, my last gaf, dat alle manschappen, krygs- en mondbehoeften, welken ik niet volstrekt noodig had, de Rivier moesten worden opgezonden; dat het Sociëteits krygsvolk, op Oranjeboom post houdende, ook stond te vertrekken; en dat de één zig naar Maagdenberg, de ander naar de Peréca moest begeven. Ik behield dus slechts twaalf verminkte soldaten op de Hoop, en een gelyk getal op Klarenbeek, zonder Heelmeester, noch geneesmiddelen. Niettemin deed ik, met zulk een zwak getal manschappen, dagelyks de ronde, zoo te land als te water.--De zelfde Officiers gaven my ook berigt, dat de Vaandrig VAN HALM was overleden, en dat een schip vol zieken gereed lag, om onverwyld naar Holland onder zeil te gaan.

Schoon de Colonel FOURGEOUD steeds te Paramaribo bleef, hield hy niettemin, met zeer veel nauwkeurigheid, over alle krygs-verrigtingen het toezicht. Dienvolgende gelastte hy, den 23sten, aan eene bende van honderd mannen, om het land tusschen Maagdenberg, de Wana-Kreek, en de Maroni te gaan onderzoeken; maar zy kwamen wederom, zonder iets ontdekt te hebben.

Dewyl het zig liet aanzien, dat ik nog eenigen tyd op den wachtpost de Hoop zoude moeten blyven, liet ik myne schapen en gevogelte halen van de Plantagie, alwaar ik die had agtergelaten, en ik deed aan den heer GOURLY een geschenk van een ram en een schaap, die alle anderen van dat zoort in de Volkplanting overtroffen. By de aankomst van deeze myne kudde vee, zag ik met genoegen, dat zy merkelyk vermeerderd was.

Den 26sten, bragt één van myne soldaten, my een slang, dien hy gevangen had. Dit dier was niet meer dan vier voeten lang, en niet dikker, dan de loop van een snaphaan. Bemerkt hebbende, dat hy midden op zyn lyf een bult had van de grootte van myn vuist, was ik nieuwsgierig om dezelve open te maken, en ik vond een kikvorsch, levendig en in zyn geheel, maar waar aan men op den kop en hals een vlak zag, welke scheen aan te duiden, dat hy begon te bederven. Ik nam de proef, om een touw aan één zyner pooten vast te binden, en hem in het gras aan den waterkant te laten, geduurende drie dagen, na verloop van welken het arme dier nog in goeden staat scheen te zyn, en ik gaf hem zyne vryheid weder.

Den 28sten, gaf ik een bezoek aan THOMAS PALMER, Schildknaap en Raad des Konings in Massachufets-Baay, die zig op zyne Plantagie Fairfield bevond. Zyne slaven leefden aldaar volmaakt gelukkig en wel te vreden, het geen het gevolg was van het verstandig bestuur van den eigenaar. Weinige bezittingen van dit zoort, in de West-Indiën, waren in eene zoo gelukkige gesteldheid, zoo ten aanzien der bevolking, als der vruchtbaarheid. De beminnelyke wellevenheid, waar mede de eigenaar deezer Plantagie de vreemdelingen aldaar ontfing, gaf een verheven denkbeeld van zyn character, het welk in de geheele Volkplanting ten gunstigsten bekend was.

By myne te rug komst op de Hoop, ontfing ik een brief van den Bevelhebber, my meldende, dat de Jagers, onder aanvoering van VINSACK, verscheiden muitelingen gedood, en 'er elf gevangen genomen hadden: maar dat eene andere party van die zelfde Jagers door den vyand was verrast geworden, zynde verscheiden van het volk, terwyl zy in hunne hangmatten lagen te slapen, gedood.

In eene van deeze schermutselingen betoonde een Neger van de muitelingen eene zonderlinge tegenwoordigheid van geest. Een Jager op hem hebbende aangelegd, riep deeze Neger hem toe: "Wel hoe! wilt gy één van uwe medemakkers dooden?" De Jager, geloovende dat dit waar was, antwoordde hem: "Daar bewaare my God voor"! En zyn wapentuig nederzettende, kreeg hy dwars door het lyf een kogel, op hem door zynen vyand afgeschoten, die dadelyk als een blixemstraal uit het gezicht was. De al te lichtgeloovige Jager stierf 'er van. Een der gevangenen verhaalde, dat des avonds te vooren een Neger, die wel eer van de Plantagie Fauconberg was weggeloopen, op last van BONNY was nedergesabeld.

De haven van de Hoop, onderging, den 6den Mey, een zwaaren orkaan, verzeld van donder en blixem. Verscheide boomen wierden uit den grond gerukt, huizen om ver gesmeeten, en dakken afgeworpen. Myn lucht-paleis in tusschen stond, zonder eenig letzel, den storm door. JOANNA met mynen zoon den 8sten zynde aangekomen, stelde ik my het zelfde geluk voor, als ik in 1774 reeds genoten had. Myn huisgezin, myne kudde, myn gevogelte, waren in dit oogenblik verdubbeld. Ik bebouwde daarënboven een fraaien tuin; en zoo ik my al in den volsten zin geen Planter noemen kon, ik had ten minsten eenig recht, om my een kleinen tuinier te noemen.

Den 29sten, waren wy allen by den heer DE GRAAF, op zyne fraaie Plantagie Knoppemonbo, aan de Casavinica-Kreek, ter maaltyd. Ik zag aldaar planten en wortelen, welken ik nog niet had opgemerkt.--De Taijers, voortkomende uit het midden van een groen heestergewas van eene meelachtige zelfstandigheid, het welk niet meer dan drie of vier voeten hoog is, bladeren voortbrengt, die ongemeen breed zyn, en de gedaante van een hart hebben, en waar van de stam naar die van den Bananen-boom gelykt. Wanneer de uitwendige bekleedselen van deeze plant zyn afgeschild, heeft zy het voorkomen van de ignames of aard-appelen, maar is veel aangenaamer om te eeten, en veel fyner. 'Er zyn verschillende zoorten van Taijers, en men geeft den voorrang aan de kleinste, waar van men op de zelfde wyze gebruik maakt. 'Er werden ook, in groote meenigte, op deeze zelfde plaats, waare aardappelen gevonden, maar van een minder zoort dan de gemeene aard-appelen in Engeland, en alleenlyk voor de Negers dienende.

De Tabaks-plant groeide in deezen tuin. Dezelve heeft bladeren, die nederhangen, en vol vezelen zyn, en leeft tien of twaalf jaaren; maar zy is van zoo veel geringer caliber, dan de Virginische, dat 'er zig alleenlyk de Negers van bedienen. Deeze plant ontleent haaren naam van het Eiland Tabago, alwaar zy in het jaar 1560. ontdekt wierd.

Men zag hier ook nog een zoort van wilde thee, welke men als zeer gezond beschouwt; maar die, naar myn inzien, niet veel beter is dan ons kruipend eiloof. Ik vond bovendien aldaar eene groote meenigte van Goud-appelen; maar dewyl men die in verscheiden Engelsche tuinen aankweekt, behoeve ik 'er geene beschryving van te geven: ik zal alleen opmerken, dat de Joden in dit Land 'er ongemeene liefhebbers van zyn, en ze by het vleesch koken, in plaats van uijen.

De heester, waar aan de geneeskragtige noot groeit, was ook onder de planten in deezen tuin. Dezelve is rank, en tien of twaalf voeten hoog. De vrucht bevat een noot, naar een amandel gelykende. Deeze noot is zeer goed om te eeten, mits men 'er een dunne en witte schil, die 'er om zit, af doet; want zonder dat veröorzaakt zy oogenblikkelyk de geweldigste braking en buik-ontlasting. Men deedt my ook opmerken verscheide zoorten van erweten, boonen en zoortgelyke peulvruchten, en onder anderen de Cassia, welker kleine, harde, geele en helderschynende zaden besloten zyn in een houte pyp van by de zes duimen lang, maar zeer naauw, en welke een zwart vleesch bevat, zoo zoet als honig. Men houdt de Cassia voor een uitmuntend ontlastmiddel. Zy is in Guiana zeer gemeen, en word aldaar genaamd Zoete Boontjes en Cotiaan. Een ander zoort van heester-gewas in dit Land, draagt den naam van Zeven-jaars Boontjes, om dat het zeven jaaren bloeit, alvorens eenige vrucht voort te brengen. Het boompje, genaamd Snaky wiry-wiry, wierd ook op deeze zelfde plaats gevonden. Men verzekerde my, dat het een onfeilbaar middel tegen de koorts was, en ik geloof, dat het 't zelfde was met de Serpentaria Virginiana, of Virginische Slangekruid. Eindelyk zag ik een plantgewas, genaamd Zeven-bloemen, waar van de jonge Negerinnen zig dik wils bedienen, om de vrucht af te dry ven. De groene pyn-appelen hebben ook, zoo men zegt, dezelfde uitwerking.

Op deeze wyze eenen dag te Knoppemonbo hebbende doorgebragt, welke niet alleen tot myn vermaak, maar ook tot myne onderrigting diende, namen wy des avonds afscheid van onze vrienden, en keerden, wel te vreden, naar de Hoop te rug, in een vaartuig vol met allerleije zoort van geschenken, waar onder schoone Cocos-noten waren, welken één der slaven in onze tegenwoordigheid plukte, na met eene ongemeene gezwindheid den boom te zyn opgeklauterd, en aldaar een gevecht te hebben doorgestaan tegen een zwarten slang, dien hy met zyn mes overwon, en voor onze voeten dood deedt nedervallen.

De slaven van de Hoop en Fauconberg betoonden hunne achting voor JOANNA en haaren zoon, door aan haar gevogelte, wild, visch, eijeren en vruchten aan te bieden. De heer PALMER gaf ons eene groote meenigte Indisch koorn tot voedzel voor ons gevogelte. Alles scheen dus tot myn geluk mede te loopen, het welk echter merkelyk veranderde, toen ik, den 18den, de tyding ontfing van het verlies van mynen vriend, den heer WALTER KENNEDY, die korten tyd na zyne te rug komst in Holland overleedt.

Om het leed, my door deeze gebeurtenis veroorzaakt, te verzetten, gaf ik een kort bezoek aan den heer DE CACHELIEU, op zyne Plantagie Egmond. Ik vond aldaar, onder meer andere lieden, eenen Planter, een Italiaan van geboorte, die maar één arm had. Deeze man zat naast my aan de tafel; en zonder dat hy eenige de minste uitdaging van myne zyde konde bybrengen, nam hy een mes, en stak naar my van agteren, tot groote verwondering van alle de dischgenooten. Den steek gelukkiglyk hebbende afgekeerd, door hem den elleboog op te ligten, het geen maakte, dat de punt van het mes over myn schouder heen ging, stond ik oogenblikkelyk op, en ik zoude hem daar ter plaatse vermoord hebben, zoo men my niet had tegen gehouden. Ik bood hem toen aan met my te vechten, met zoodanig wapen, als hy verkiezen mogt, en met éénen arm; maar de lafhartige zulks geweigerd hebbende, wierd hy uit het gezelschap verjaagd, en naar zyne Plantagie, Hazard genaamd, te rug gezonden.

Deeze schelm was zoo geweldadig, dat hy korten tyd te voren eene Negerin, die agt maanden zwanger was, had laten geesselen, tot dat haar de darmen uit het lyf kwamen, om dat zy een glas gebroken had. Een van zyne mans slaven, die zyne gramschap poogde te ontwyken, wierd door hem op staande voet om 't leven gebragt. Hy had 'er geen één, wien het lichaam van het hoofd tot de voeten niet was van één gereten, door de meenigvuldige kastydingen, welken hy hun deedt ondergaan.

Dewyl de Colonel FOURGEOUD my eene versterking van soldaten, benevens een Heelmeester en geneesmiddelen, gezonden had, kreeg de wachtpost van de Hoop een geheel ander voorkomen: vergenoegdheid en gezondheid vertoonden zig aldaar wel dra op aller aangezichten. Ik zette vooral de soldaten aan om visch te vangen, die alhier in grooten overvloed was; en de Negers leerden hun de manier om dit te doen, het zy met den haak, het zy met de mand. De eerste bestaat daar in, dat men een buigbaaren en sterken stok in den grond steekt, en aan deszelfs einde eene dubbele lyn vast maakt, welkers kortste gedeelte aan een stokjen van tien duimen lengte gehecht is; het andere insgelyks aan een stok van dezelfde lengte, maar veel lager vallende. Aan het einde van de tweede lyn haakt men een kleinen visch aan de vinnen, latende hem de mogelykheid van te zwemmen, en zorg dragende, dat hy aan een grooter zoort van visch tot aas kan dienen; vervolgens steekt men nog twee andere stokken in den grond, maar zoodanig, dat zy boven het water uitsteken; men hecht dezelven te zamen door een anderen stok, die zoo lang niet is, en aan het geheel de gedaante van een galg geeft, boven welke de buigbaare stok door middel van deszelfs dubbele lyn en kleinere stokken wordt heen getrokken, maar echter zoo gemakkelyk, dat op de minste beweging, de geheele toestel uit elkander geraakt; en deeze buigbaare stok zig dan van zelf opheffende, hangt de visch, die met het aas gevangen is, aan een haak in de hoogte.

De tweede manier, Mansoa genaamd, gelykt veel naar de voorgaande. Men werpt eene kleine biezen mand, die als een broodsuiker gemaakt is, in het water, aan welkers punt men den buigbaaren stok vast maakt, terwyl het ander einde even als een val open blyft, wordende het geheel door een gespleten stuk hout in een rechten stand gehouden. Men doet ook een kleinen visch in deeze mand; en zoo dra dezelve door een grooter visch is ingeslokt, sluit de val of ingang van de mand zig agter hem toe. Dit zoort van vischvangst verschilt daar in van de andere, dat men geen haak noodig heeft. Deeze oordeelkundige manieren kunnen een denkbeeld geven van de slimheid der Negers. Dezelve zyn daarom te nuttiger, dewyl zy geen tyd doen verliezen, en men des anderen daags den visch gevangen vindt; zynde doorgaans de Newmara of Barracota, van welken ik reeds gesproken heb.

Onder de onderscheidene visschen, welken ik hier heb zien vangen, vind men de Siliba, die klein is, van eene eyronde gedaante, en gespikkeld als een ananas; de Sokay, die lekker en zeer dik is; de Torro-torro, en nog een genaamd de Tarpoen: de eerste is drie voeten lang, en de tweede, die wit is, omtrent twee voeten, zes duimen.

Den 26sten, zag ik eene jonge Negerin, Clardina genaamd, wier moed, kragt, en gezwindheid ik zeer bewonderde. Een hart, zig van zyne troep hebbende afgezonderd, liep den weg op; deeze vrouw greep hem aan een agterpoot, in het midden van zynen loop; maar hem niet kunnende doen stil staan, liet zy zig een zeer groot einde van den weg voortslepen, en raakte haaren buit niet kwyt, dan na het bekomen van eene zwaare wonde.

De post van de Hoop verschafte toen een aangenaam verblyf. De grond was 'er volmaakt vast, en doorsneden met canalen, waar in by hooge vloeden het water kwam. De heggen, die de tuinen en velden omheinden, waren wel onderhouden, en bragten vrugten en groenten van allerleije zoort voort, die ons tot levensmiddelen dienden. De huizen en bruggen waren weder in orde gemaakt. Ik moedigde de soldaten aan, en beval hun de grootste zindelykheid. Mitsdien had ik geen enkelen zieken, onder vyftig manschappen, waar uit myne krygsbende bestond, op een plaats, alwaar bevorens de land of zee-scheurbuik, en alle kwalen, die door luiheid, morssigheid en ellende veröorzaakt worden, de grootste verwoestingen hadden aangerecht. Van de zoo even vermelde twee zoorten van scheurbuik, bedekte de eerste het geheele lyf met puistjes, en de tweede deedt voornamelyk het tandvleesch en de tanden aan.

Ik genoot toen het volmaaktste genoegen, en de volkomenste gezondheid, terwyl de meeste myner reisgenooten of gestorven, of naar Europa vertrokken waren: 'er was toen geen enkel Officier in rang boven my, uitgenomen de geenen, die zedert lang aan het luchtgestel van Guiana gewend waren.

Maar laten wy naar mynen tuin te rug keeren.--Dezelve verschafte my thans wortelen, kool, uijen, komkommers, latouw, radys, pry, waterkers, enz. alles even goed als in Europa. 'Er was ook zuuring van tweederleije zoort, gemeene en roode; de laatste groeit aan een boompjen. Bloemen ontbraken my al mede niet; ik had verschillende zoorten van Jasmyn. De meest geächte is een klein boompje, welkers bloemen van eene bleek roode kleur zyn, maar fraay, en van eene aangenaame geur; het heeft dikke, glinsterende bladeren, die vol van een melkachtig sap zyn. Een zoort van kruidje roer my niet, Shanne-shanne genaamd, vercierde mede deezen tuin; het geleek naar de slaapende plant, aldus genoemd, om dat derzelver bladeren, by paaren geplaatst, zig by het ondergaan der zon toesluiten, en dat de twee 'er dan slechts één schynen uit te maken; maar zoo dra dit hemellicht opkoomt, scheiden zy zig van één, en vertoonen zig onder hunne dubbele gedaante. Deeze gewassen waren tusschen myne heggen verspreid, en ik kweekte bovendien granaat-boomen en Indische rozen-boomen [63] aan, die dagelyks bloeijen. Eenige roode leliën, wier bladen glad, en van eene zeer schitterende groene kleur zyn, omzoomden myne grachten: zy groeien natuurlyk in de zand-woestynen.

In deezen gelukkigen staat, ontfingen wy het bezoek van verscheiden lieden, en vooral van Mevrouw Z......, vergezeld door haaren broeder, en door nog een ander, SCHADTS genaamd, die alle drie uit Holland kwamen. Deeze vrouw wierd gehouden voor eene der schoonste vrouwen van Europa, en te gelyk allerbekwaamst. Zy sprak verscheidene talen; in de zang- en schilder-kunst muntte zy uit; zy danste met bevalligheid, en reedt volmaakt te paard; zy kon met het geweer omgaan, en ging ter jagt, enz. Haar in alle zoorten van oeffeningen willende onderricht zien, bood ik haar aan om haar te leeren zwemmen, het geen zy gepast oordeelde, om met een glimlach te weigeren.

De soldaten en Negers, die onder myn bevel stonden, en onder welken de grootste eendracht heerschte, scheenen op dit oogenblik volmaakt gelukkig. Ik zette de jonge lieden aan, om zig des avonds te vermaken, en aan de in jaaren meer gevorderden schonk ik eenige glazen rhum uit.

Te midden echter van dit vrolyk leven, gaf ik eenen geheimen last, om vuur te geven, en alarm te slaan, als of de vyand op de Plantagie was. Ik had toen het genoegen te zien, dat alle de soldaten hunne wapenen opvatteden, en met veel orde en onverschrokkenheid zig by elkander verzamelden. Ik besloot vooral van deezen list gebruik te maken, om dat men my berigt had, dat de muitelingen het oogmerk hadden aan de Commewyne een bezoek te geven.

Onäangezien al het vermelde nopens onzen voorspoed, ondervonden wy wel dra, dat 'er niets volmaakt, nog duurzaam op de weereld is. Het saisoen van droogte eensklaps hebbende opgehouden, sleepten de ziekten verscheiden van ons volk in het graf; en 'er stierven dagelyks tien of twaalf op de legerplaats te Maagdenberg en aan de Java-Kreek.

Den 3den, verloor ik mynen Vaandrig CABANUS. Zyn dood deedt my zeer leed. Hy had zyne aanstelling op myn verzoek verkregen, en bezat eenen uitmuntenden inborst.

Den 4den Juny, verbrak de hooge vloed onze sluizen, terwyl wy op de gezondheid van den Koning dronken, en de geheele wachtpost geraakte daar door onder water, het geen eene groote verwarring veröorzaakte. In deezen deerniswaardigen toestand, weigerde de Opzichter van de Hoop, genaamd BLENDERMAN, my het toebrengen van de minste hulp, en daar op volgde zulk een hevig geschil tusschen ons, dat hy tot zyn geluk het hazenpad koos, en de Plantagie verliet. Nooit kwam ik ten einde, indien ik alle de trekken van onbeschoftheid van deeze schelmen, die grootendeels het uitschot van hun Land zyn, of Duitschers, aan den Corporaals-stok gewoon, wilde opnoemen.

Den 7den, ging ik myne opwagting maken by den heer MORIN, Bestuurder van de Plantagie de Hoop, en zig bevindende op een stuk land, dat kortlings aangelegd, en aan de andere zyde der Rivier gelegen was, ten einde hem recht te vragen tegen den onbeschoften Opzigter, die by hem was. Maar de laaghartigheid van den laatstgemelden gelyk staande met zyne onbeschaamdheid en wreedheid, gaf hy alles toe, wat ik vorderde, en beloofde zelfs de sluizen te doen herstellen.

Op zekeren dag op deeze nieuwe velden, alwaar men reeds een zeer fraai huis gebouwd had, wandelende, merkte ik eenige schoone vogelen op, waar onder was de Pimpelmees. Ik had hem reeds voorlang behooren te beschryven, gelyk nog een anderen, wiens naam my onbekend is, om dat ik 'er gelegenheid toe gehad heb, toen ik myn verblyf op Maagdenberg verhaalde; maar ik heb ze toen alleenlyk afgeteekend. De Pimpelmees gelykt, wat de gedaante van zyn lyf belangt, ten naasten by naar een Lyster. Zyne vederen zyn van eene fraaie kaneel-kleur, tusschen bruin en geel gemengd; maar aan de stuit is hy geheel en al van de laatstgemelde kleur. Eene kuif van kleine vederen, van dezelfde kleur als het lyf, bedekt hem den kop, zyn staart is lang en zwart, zyn bek recht, schraal, spits, en van eene zee-groene kleur. Zyne pooten en oogäppels zyn ook van dezelfde groene kleur, en onder de laatstgemelden ziet men van wederzyden twee vlakken van eene schoone karmosyn-kleur.

De andere vogel, wiens naam ik niet weet, maar dien de Negers echter Woudo-lousso fowlo noemen, om dat hy zig met houtluizen voedt, is grooter dan de eerste, en van ongemeene schitterende vederen voorzien. Zyn kop en het bovenste gedeelte van zyn lyf zyn van eene schoone grasgroene kleur; zyn borst en buik van een karmosyn-kleur, en door eene aschgraauwe streep afgescheiden. Hy heeft een lange en ligt blaauwe staart. De slagvederen van elk zyner vlerken, waar van de plooy van het groen van het lyf door eene andere aschgraauwe en zeer breede streep schynt afgescheiden te zyn, hebben dezelfde kleur als de staart. Zyn bek is geel en gekromd, en met eene meenigte kleine zwarte vederen bedekt, even als de omtrek van het oog, welks appel eene bloedkleur heeft. Ik zag ook eenige Gallinas of Guineesche hoenderen, alhier Tokay genaamd, en die overvloedig bekend zynde, geene beschryving behoeven.

Onder de planten, welken ik op deeze zelfde plaats vond, merkte ik de Americaansche Aloë op, welkers stam een half voet dik en twintig voeten hoog was. Deeze stam, die altyd groen is, is vol met merg, en voorzien van zeer spitse bladeren, welke aan den top in grootte verminderen. Die aan den voet des booms zyn zeer talryk, lang en breed, puntig, getand, en van zeer scherpe stekels voorzien. Boven aan den stam groeit een hoop bloemen, waar van de steel het zaad, of de kiem van de aanstaande Aloë bevat, welke in den tyd van twee maanden tot den staat van volkomenheid koomt, zonder dat dit ooit faalt.

Aan de zyde der bosschen, die ons omringden, zag ik ook de Banille-Boom, eene plant, die door middel van haare kronkelende ranken, zig, even als het eiloof, aan den stam der boomen vasthecht. Deszelfs bladeren zyn ongemeen dik, en van eene donker groene kleur. Zyne vrucht bestaat in eene driehoekige peul van zes of agt duimen lengte, en vol met gladde zaadjes, Deeze peulen, welken men in één agter-middag in de zon laat droogen, worden bruin, hebben eene uitmuntende specery-reuk, en een aangenaamen smaak, het geen de reden is, dat men 'er zig van bedient, om aan de chocolaad een geur te geven. 'Er zyn verscheiden zoorten van Banille-boomen, maar de meest geachte heeft lange en dunne peulen. De Negers vertoonden my ook een klein zoetachtig zaad, het welk zy bongora noemen.

By myne te rug komst aan de Hoop, ontmoete ik COJO, den oom van JOANNA, die my een huilenden Aap bragt, door hem gedood. De Aapen van dit zoort hebben de grootte van een kleine steendogge. Zy hebben een baard, lange en roode hairen, en over 't geheel zyn zy uittermaten leelyk. Maar het geen hen voornamelyk van andere Aapen onderscheidt, is het ysselyk gehuil, het welk talryke hoopen van deeze dieren gezamentlyk doen hooren, en op zulk een hoogen toon, dat het op den afstand van een myl door de ooren klinkt. De Negers verzekerden my, dat zy doorgaans, dag en nacht, by hoog water, het welk zy door eene aangeborene neiging weten, deeze wanluidende gezangen herhalen.--Van zoodanig een verstand der dieren sprekende, kan ik niet nalaten het volgende aller zonderlingst geval te vermelden; ik zal vervolgens tot het geschiedkundig gedeelte van myn verhaal te rug keeren.

Ik ontfing, den 16den, een bezoek van één myner buuren, wien ik myn trap deed opklimmen; maar hy had nog naauwlyks den voet in myne lucht-woning gezet, of hy sprong van boven naar beneden, schreeuwende van de verschrikkelykste pynen; en hy dompelde zig dadelyk in de Rivier, met het hoofd vooruit. Boven my heen kykende, ontdekte ik wel dra, dat dit voorval veroorzaakt was door een zeer groot nest van wilde byën, of wassy-wassy, het welk zig geplaatst had in het rieten dak, recht boven myn hoofd, wanneer ik in myne kamer intrad. Ik liep dus ook op myn beurt weg, en gelastte de slaven, om dit nest onverwyld uit te roeijen. Zy gongen aan het werk, toen een oude Neger hen tegenhield, en zig onderwierp tot het ondergaan van alle straffen, die ik hem wilde aandoen, indien eene enkele van deeze byën my ooit of ooit steken zoude. "Massera, zeide hy my, deeze dieren zouden u reeds lang mishandeld hebben, indien gy hun vreemd geweest waart, maar zy zyn uwe huisgenooten; gy hebt hun stilzwygend toegestaan, om alhier hunne woonplaats te houden; zy kennen u zekerlyk, en nooit zullen zy u, nog de uwen, kwetsen". Ik stemde dadelyk in het voorstel van deezen man toe; en hem aan een boom hebbende doen vastbinden, gelastte ik QUACO de trap op te klimmen, byna naakt, het geen hy deedt, zonder gestoken te worden. Toen waagde ik het om hem te volgen; en ik verklaar op myn woord van eer, dat zelfs na aan het nest geschud te hebben, waar op de byën 'er al brommende uit vlogen, en rondom myn aangezicht heen draaiden, geene derzelver my trachte te steken. Ik stelde dus den ouden Neger weder in vryheid, en gaf hem een glas rhum, en vyf schellingen, tot zyne belooning. Ik behield vervolgens deeze kleine byënkorf, zonder eenig gevaar voor my zelf, en ik maakte 'er myne lyfwagt van. Tot myn groot vermaak deeden zy eenige Opzichters, welken ik, onder het één of ander voorwendzel, de trap deed opklimmen, wanneer ik hunne onrechtvaardigheid en wreedheid straffen wilde, verscheiden malen aartige sprongen doen.

Dezelfde Neger verzekerde my, dat 'er voorheen op de Plantagie van zynen meester een boom stond, waar op, zoo lang zyn geheugen reikte, een gezelschap van vogelen en een zwerm byën genesteld waren, die in eene volmaakte eendracht zamen leefden: maar indien eenige vreemde vogelen de byën kwamen stooren, verdreven hunne gepluimde bondgenooten dezelven aanstonds; zoo ook, wanneer vreemde byën tot in de nesten der vogelen durfden doordringen, wierp zig de zwerm, die aldaar t'huis hoorde, op de aanvallers, en doodde dezelven. De eigenaar der Plantagie en zyn geheele huisgezin, hadden zulk een eerbied voor deeze maatschappye, dat zy den boom als heilig beschouwden en niet gedoogden, dat men dien om ver hakte. Dienvolgende viel hy eindelyk van ouderdom om ver.

Den 22sten, kwamen eenige manschappen van Rietwyk aan de Peréca aan, en berigtten my, dat een gedeelte van ons krygsvolk aan de Java-Kreek was te rug gekomen, na tot by Vrydenburg aan de Maroni geweest te zyn; dat zy, gezamentlyk met de Jagers, geduurende deezen veldtocht, verscheiden bezaayde landen, aan de muitelingen toebehoorende, verwoest hadden; en dat deeze zelfde Jagers, uit hoofde van hunne byzondere diensten, van de Compagnie nieuwe wapenen ontfangen hadden, als mede eene monteering, bestaande in een groen buisje, zynde dit het eerste, het welk zy gedragen hadden. Ik vernam ook, te gelyker tyd, dat de genen, die aan de Oucas- en Sarameca-Negers gezonden waren, na eene nuttelooze reize waren te rug gekomen; want deeze beide volken wilden ons met geene hulp bystaan. Ingevolge van deeze weigering, nam de Colonel FOURGEOUD, die zig eindelyk afgemat gevoelde, en zyn volk door het vernielen van het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen had uitgeput, het besluit om deezen tocht te staken; maar vooraf gaf hy van dit zyn besluit kennis aan zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange.

Den 23sten, ontfing ik stelligen last, om my tot myn vertrek gereed te houden tegen den 15den July, met al het volk, het welk onder myn bevel stond, vervolgens de Commewyne te verlaten, en naar Paramaribo af te zakken, alwaar schepen gereed lagen, om ons naar Holland over te voeren. Ik las oogenblikkelyk dit bevel aan alle myne soldaten voor, die het met vervoering van vreugde, en driewerf herhaalde toejuichingen, aanhoorden.--Maar ik zuchtte 'er over. Myne geliefde JOANNA en myn zoon waren beiden toen zeer ziek, de eerste had de koorts, de ander was door struiptrekkingen aangetast, en men wanhoopte aan hun leven. Om myne ellende ten hoogsten top te brengen, indien men de kwaalen van het lichaam met die der ziele gelyk kan stellen, trapte ik ter zelfder tyd op een spyker, die vry diep in den voet indrong.

In deeze smartelyke gesteldheid, kwam de Nacht-uil van Guiana ons regelmatig zyn nacht-bezoek geven. Hy kwam zelfs in myne kamer, en liet aldaar zyn naar geluid hooren. Deeze vogel wordt alhier Ourou-coucou genoemd, om dat zyn geschreeuw met deeze woorden eenige overëenkomst heeft. Hy heeft ten naasten by de grootte van een duif. Zyn bek is geel en gekromd even als die van een valk; hy heeft een gespleten tong; zyne oogen zyn ook geel, en zyne ooren zeer zichtbaar. Hy heeft korte, sterke pooten met zeer puntige nagels gewapend. De algemeene kleur der vederen van deezen Nachtuil is helder bruin, uitgenomen aan den hals en aan de buik, die wit zyn, met eenige gryze vlakken daar onder gemengd. De Negers, die zeer bygeloovig zyn, stellen algemeen, dat de tegenwoordigheid van den Nachtuil een teeken van den dood is. Dit vooroordeel is echter verschoonlyk, om dat deeze vogel vermaak vindt met zig in een zieken-kamer optehouden; mogelyk wordt hy derwaarts gelokt door het licht der lampen, welken men den geheelen nacht brandt, of liever door de benaauwde lucht, die hem doet hoopen, aldaar eenigen buit aan te treffen,

Eene oude Indiane, aan welke JOANNA kennis hadt, haar te deezer tyd op de Hoop een bezoek zynde komen geven, was ik door haare bekwaamheid en zorge spoedig geneezen. Maar myn klein huisgezin bleef by aanhoudenheid in zulk een ellendigen staat, dat ik besloot haar naar Paramaribo te doen vertrekken, eer het te laat mogt zyn. Den 10den zond ik ook myne kudde vee en gevogelte naar Fauconberg: ik hield echter twee vette schapen, die ik liet slachten, en waar op, mitsgaders op wild en visch, ik geduurende twee dagen vier-en-twintig der aanzienlykste inwooners uit den omtrek deezer Rivier onthaalde. Myn waarde vriend, JACQUES GOURLEY, gaf my, by deeze gelegenheid, wit brood, Spaanschen wyn, en vruchten ten geschenke.

Den 13den, gelastte ik aan het krygsvolk, het welk op Klarenbeek geplaatst was, alwaar men voor de tweede maal een Hospitaal had opgericht, de Rivier af te zakken; en dien zelfden avond kwamen zy op de Hoop aan.

Den 14den, kwam een Officier van 's Compagnies krygsvolk my in het bevel aan de Rivier aflossen; en van dit oogenblik begonnen zyne soldaten den dienst waar te nemen.

Des avonds van dien zelfden dag, nam ik afscheid van de nabestaanden van JOANNA, die op de Plantagie Fauconberg woonden. Deeze goede lieden omringden my, en betuigden my hun innerlyk leedwezen over myn vertrek; en met de traanen in de oogen, baden zy den Hemel my te beschermen, en my eene voorspoedige reize te schenken.

Den 15den, verlieten wy eindelyk den wachtpost van de Hoop. Myne soldaten gingen des morgens ten tien uuren aan boord van de vaartuigen; op den middag deed ik een pistool-schoot, om het anker te doen ligten; wy zakten vervolgens de Commewyne af, om op de rheede van Paramaribo te komen, en ons van daar naar Europa in te schepen.

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

Inscheeping van het krygsvolk.--De Zurzaca, en Sabatille. --De Papaija, en de Gember.--Het krygsvolk gelast om te ontschepen.--Muiterye.--Onbetamelyk gedrag van een Capitain der Oucas-Negers.--Een groot aantal zieken naar Europa gezonden.--Nieuwe byzonderheden betrekkelyk de Negers.

Des avonds van den dag van ons vertrek lieten wy het anker vallen by de Plantagie Berkshoven, toebehoorende aan dien zelfden heer GOURLEY, van wien ik op het einde van het voorige Hooftstuk gesproken heb, en by wien ik den nacht doorbragt. Des anderen daags morgens vervolgden wy onze reize, en ik nam afscheid van den heer PALMER. Ik bragt den avond en den nacht van den 17den met den Capiten MACNEYL door; en den 18den, liet onze kleine vloot, bestaande uit myne vaartuigen, en de genen, die van Maagdenberg en de Cottica kwamen, het anker vallen op de rheede van Paramaribo, alwaar het krygsvolk, het welk onder myn bevel stond, oogenblikkelyk aan boord ging van de Transport-schepen, die ons aldaar reeds wagtten.

Zoo dra zy aan boord waren, ging ik aan wal, om 'er aan den Colonel FOURGEOUD bericht van te geven. Vervolgens ging ik JOANNA en myn zoon zien, welken ik, tot myne groote blydschap, volmaakt hersteld vond.

Des anderen daags keerde ik naar het schip te rug, om alles tot onze reize gereed te maken.

Den 20sten, hield ik het middagmaal by den Colonel FOURGEOUD, op wiens tafel ik tot myne verwondering zag opdisschen twee visschen, van welken ik nog niets gezegd heb. De één word hier Haddok genoemd, en gelykt veel naar onze wyting, schoon een weinig grooter en witter van kleur. De andere draagt den naam van Separy, en gelykt naar de aschkleurige roch. Op het nageregt zag ik een vrucht, die in Surinamen den naam van Zurzaka draagt. Het is dezelfde, zoo ik meen, die wy in Engeland noemen Soursap. Dezelve groeit aan een boom van middelmatige grootte, waar van de schors grys is, en de bladeren gelyk zyn aan die van den oranje-boom, maar aan paaren gerangschikt. De vrucht is van eene spits toeloopende gedaante, en zwaarder, dan de grootste peer: over het geheel heeft dezelve punten, maar die niet steeken. Derzelver vleesch, het welk eene zeer harde schil rondom zig heeft, is van eene mergachtige zelfstandigheid, zoo wit als melk, van een zeer zoeten smaak met een aangenaam zuur vermengd, en zaad-korrels in zig bevattende, even als een groote appel. Men vindt ook een ander zoort van Zurzaka, [64] naar hop gelykende, maar die van geen gebruik is. Op het zelfde nageregt, hadden wy ook nog eene vrucht, Sabatille genaamd, welke aan een zeer zwaaren boom groeit, waar van de bladeren gelyk zyn aan die van den Laurier-boom. Deeze vrucht heeft de gedaante van eene zeer ronde persik; zy is van eene bruine kleur, en met een zeer zacht dons overdekt. Men zoude derzelver vleeschachtig gedeelte aanzien voor eene marmelade vol zaadkorrels; maar het is zoo zoet en laf, dat veelen het niet eeten kunnen.

Den 21sten, ontfingen wy onze soldye, maar in papieren geld, waar op wy een zeer merkelyk verlies leden. Ik ging oogenblikkelyk aan Mevrouw GODEFROY een bezoek geven; ik stelde haar al het geld ter hand, het welk ik in myn zak had, en niet meer dan veertig ponden sterling bedroeg. Deeze uitmuntende vrouw drong by my op nieuw, maar vrugteloos aan, dat ik mynen zoon en zyne moeder naar Europa zoude mede nemen. JOANNA was onverzettelyk. Zy bleef 'er by van niet te willen vertrekken, voor dat haare losprys volkomen was afbetaald. Wy hielden ons dus, als wilden wy ons lot met eene volmaakte onderwerping dragen; maar het geen wy 'er in ons eigen hart van ondervonden, laat zig gemakkelyker begrypen, dan beschryven.

Onze vaandels wierden, den 23sten, in groote plechtigheid aan boord gebracht. Het Fort Zelandia echter bewees aan dezelven geene de minste eer; men deedt geen enkelen kanon-schoot, en zelfs wierd 'er op de vestingwerken geen vlag opgeheist, het geen den Colonel FOURGEOUD een onëindigen spyt deedt. Hy moest het echter alleenlyk wyten aan zyne eigene achteloosheid; want hy had aan den Gouverneur geen behoorlyk bericht van zyn vertrek gegeven. Al het krygstuig en verdere goederen wierden ook ingescheept; en een Colonist, VAN HEYST genaamd, deedt, op zyne eigene kosten, drie honderd flessen wyn, vruchten, en onderscheidene eetbaare waaren, onder de soldaten uitdeelen.

Ik heb te meermalen van de gastvryheid en edelmoedigheid van de inwooners deezer Volkplanting gesproken. Ik ondervond 'er in dit oogenblik de blyken van, daar ik van myne talryke vrienden, versche en ingelegde vruchten tot mynen overtocht ontfing. Onder de laatstgemelden vond ik Papaijes, zynde de vruchten van den Papaijen-boom, het wyfje namelyk, want het mannetje brengt geene vruchten voort, Deeze boom groeit op tot de hoogte van byna twintig voeten. Zyne stam loopt recht, is vol merg, en door een gryzen schors omgeven; zyne bladeren maken aan den top een zoort van kroon; zy zyn uittermaten breed, getand, en bedragen slechts een getal van veertien of zestien. De vrucht groeit dicht by den top, en de bloem geeft eene aangenaame geur van zig. De Papaije, tot haare volwassenheid gekomen zynde, heeft de grootte en gedaante van een water-meloen; maar haar vleesch is harder en vaster, en in het begin groen zynde, word zy naderhand geel. Het binnenste gedeelte van dit vleesch is sponsachtig, zoet, en onëindig vol met korrels. Men snydt deeze vrucht in verscheiden stukken, wanneer zy volkomen ryp is; dan laat men ze koken, en zy heeft de zelfde smaak als Engelsche raapen; maar men bedient 'er zig voornamelyk van, om ze in suiker in te leggen, wanneer ze nog jong is, te gelyk met haare bloemen, die zeer geurig en zeer gezond zyn. Men had my ook ingelegde Gember gezonden; deeze is de wortel van een zoort van riet, het welk nooit hooger groeit, dan twee voeten, en waar van de bladen lang, smal en puntig zyn. Deeze wortels zyn knobbelachtig, plat gemaakt, klein, en van verschillende gedaanten, zeer veel gelykende naar aardäppelen, en ten naasten by van dezelfde kleur van binnen, maar vezelachtig, veel zuur in zig bevattende, en van een speceryächtigen en zeer heeten smaak. Men weet, dat deeze wortel niet alleen eene goede ingelegde fruit verschaft, maar ook in verscheiden gevallen een uitmuntend geneesmiddel.

Den 24sten July, toen wy zeilree lagen, gingen wy eindelyk gezamenlyk zyne Excellentie, den Gouverneur der Volkplanting, begroeten, die ons met de grootste beleefdheid ontfangende, aan onzen Oversten te kennen gaf, dat, indien hy dit oogenblik had afgewagt, om zyne vaandels aan boord te zenden, hy hun zekerlyk de eere bewezen zoude hebben, die hy hun ontegenspreekelyk verschuldigd was. Toen wy in het hoofdquartier waren te rug gekomen, zondt hy de gezamentlyke Officiers der Compagnie mede plechtig derwaarts; om ons eene gelukkige reize te wenschen. In alles wat plechtige wellevendheid betrof, was de Gouverneur ontwyffelbaar onzen Colonel ver voor uit; en ik had byna een hevigen twist met hem gehad, om dat hy aan zommigen zyner gunstelingen iets in het oor had gefluisterd. De Officiers vervoegden zig toen by de soldaten, die zedert den 18den waren ingescheept, en het deerniswaardig overschot deezer fraaie Zee-krygsbende bevondt zig nu eindelyk op een schip, het welk gereed lag, om des anderen daags naar Europa te stevenen. De vergenoegdheid blonk op aller aangezichten, één alleen uitgezonderd; en niets konde evenaaren aan de opgetogenheid van algemeene vreugde, toen men den volgenden morgen bevel gaf, om het anker te ligten, en in zee te steken.

Maar het lot had beschooren, dat de levendigste en meest gegronde hoop nog eenmaal vervallen zoude. Op het zelfde oogenblik van het vertrek, kwam een Schip de Rivier opzeilen. Het zelve bragt brieven mede, waar by onze krygsbende gelast wierd, zig weder in de bosschen te begeven, en in de Volkplanting te blyven, tot dat zy door nieuw krygsvolk, het welk men tot dat einde uit Holland zenden zoude, wierd afgelost. Men las vervolgens aan de soldaten, die op het dek van elk schip geschaard stonden, de oprechte dankbetuigingen voor van zyne Doorluchtige Hoogheid den Prins van Orange, voor den moed en standvastigheid, waar mede zy de grootste vermoeijenissen en schroomelykste gevaaren hadden doorgestaan. Maar dewyl hier op volgde het bevel om te ontschepen, en dien afgryzelyken dienst voort te zetten, bemerkte ik nimmer zoo veel neerslagtigheid, zoo veel misnoegen en wanhoop; terwyl ik, die tot op dit oogenblik een volmaakt ellendeling was geweest, op myn beurt de eenige was, wien de droefheid niet had ter nedergeslagen.

In het midden van dit droevig toneel, gelastte men een driewerf Hoezée, het geen de soldaten van één der schepen volstrekt weigerden. De Colonel SEYBOURG en ik (by ongeluk) kregen bevel, om hen daar toe te noodzaken. Deeze Officier, voor zoo veel hem betrof, deedt zulks met den stok in de hoogte, en het pistool in de hand. Zynen gramstoorigen en oploopenden inborst kennende, was ik thans voor de gevolgen hoogst beducht. Ik sprong oogenblikkelyk in de sloep, die op zyde van één der schepen lag; aldaar sprak ik de genen aan, die op het dek met het hoofd gebogen stonden, en ik beloofde twintig glazen brandewyn voor al het volk, indien zy dit droevig geroep wilden aanheffen. Vervolgens op het schip geklommen zynde, gaf ik aan den Colonel SEYBOURG bericht, dat alle de soldaten thans bereid waren aan zyne bevelen te gehoorzamen. Wy gingen dus weder in de sloep, en by ons heengaan, hadden wy het genoegen het driemaal herhaald geroep van Hoezée te ontfangen, het welk door de matroozen van goeder harten gedaan wierd, waar by zig eenige zee-soldaten voegden, maar op zulk een neêrslagtigen toon, dat het my onmogelyk is, zulks te beschryven.

De goedhartigheid van den Prins van Orange bleek echter op eene doorslaande manier by deeze gelegenheid, want hy gelastte, dat het geen deezen en geenen van het volk aan Artsen en Heelmeesters verschuldigd waren, uit de kas betaald zoude worden. Van hoe weinig aanbelang dit ook scheen, was dit geene kleinigheid voor verscheiden Officiers, en betoonde in zyne Doorluchtige Hoogheid eene oplettendheid, die men by de Vorsten niet altyd aantreft. Zy wisten bovendien allen, hoe veel deel hy in het leed van zyne soldaten nam; maar hy konde hen daar van niet bevryden, zonder het algemeen belang in de waagschaal te stellen.

Zoo al dit tegen-bevel ons volk met droefheid aandeedt, het gaf aan de meeste Colonisten een groot vermaak. De voornaamste derzelven hadden, eenige dagen te vooren, een verzoek-schrift aan den Colonel FOURGEOUD geteekend en aangeboden, waar by zy hem verzogten, "nog eenigen tyd met zyn volk te blyven, en het geen hy zoo roemryk begonnen had, te volvoeren, door by aanhoudenheid de muitelingen te ontrusten en te verstrooijen, het welk hun eindelyk geheel zoude t'onder brengen". Zekerlyk had onze krygsbende, gezamentlyk met het krygsvolk der Sociëteit en de Jagers, het grootste gedeelte van de bezittingen der muitelingen in de Volkplanting vernield, en hen genoodzaakt zoo ver heen te vluchten, dat de strooperyen en het wegloopen der slaven ongelyk veel zeldzaamer waren, dan by onze komst. Het was ongetwyffeld beter van dit middel gebruik te maken, dan eenen schandelyken vrede te sluiten, gelyk men met de Oucas- en Saraméca-Negers gedaan had, en waarschynlyk ook zoude plaats gehad hebben, indien men ons niet naar Guiana gezonden had.

Ik kan niet nalaten, tot bewys van het onbeschaafd character der laatstgemelden, een gesprek te verhalen, door my met één van hun gehouden, terwyl ons volk, alvorens weder te veld te gaan, zig te Paramaribo ophield. By den Capitain MACNEYL, die toen van zyne Plantagie in de Stad te rug kwam, ten eeten zynde, kwam een Capitain der Oucas-Negers, onze zoogenaamde bondgenooten, aan de vrouw van 't huis om geld vragen. Hy was zoo verveelend, dat ik in het Engelsch den raad gaf, "hem een glas wyn te geven, en hem weg te zenden". My gehoord hebbende, stelde hy my voor buiten te komen, en zyn stok met een zilvere knop oplichtende, vroeg hy my: "Of ik de heer van 't huis was; en zoo niet, waar ik my dan mede bemoeide"? "Ik ben", zeide hy, met eene donderende stem, "Capitain FORTUNE DAGO-SO; en indien ik u in myn Land by de Oucas had, ik zoude den grond met uw bloed bevochtigen". Ik antwoordde hem, myn sabel trekkende; "Dat myn naam STEDMAN was, en dat, indien hy nog eenmaal zulke onbeschaamde woorden dorst uitten, ik hem oogenblikkelyk een houw zou geven". Daar op kraakte hy met zyne vingers, en verliet ons. Ik was over dit voorval zeer te onvreden, en keurde zeer af, dat de Colonel FOURGEOUD aan zulke roovers zoo veel achting betoonde. Des avonds, ter maaltyd uitgaande, ontmoette ik den zelfden Neger, die eensklaps bleef staan, en my zeide: "Massera, gy zyt een man, een braaf man; wildt gy eenig geld aan Capitain FORTUNE geven"? Het op een barssen toon aan hem geweigerd hebbende, kustte hy my de hand, en vertoonde my zyne tanden, tot een blyk van verzoening, zoo hy my zeide; en hy beloofde my, om my pistache-nooten ten geschenke te zenden, die echter nooit gekomen zyn.

Schoon ons verblyf in Surinamen eenigen tyd verlengd wierd, konde onze dienst aldaar aan de Volkplanting van weinig nut meer zyn. Ons getal was byna tot niet versmolten, en hoe zwak het ook was, toen wy op nieuw ontscheepten, deedt men, op den 1sten Augustus, nog negen Officiers, en meer dan één honderd zestig ongeneeslyke of zieke soldaten, naar Holland vertrekken. Ik had toen de koorts, en de Colonel gaf my dienvolgende verlof om mede scheep te gaan; maar ik weigerde zulks, besloten hebbende, om, zoo mogelyk, het einde van deezen tocht te zien. Ik maakte echter van deeze gelegenheid gebruik, om eenige geschenken aan myne vrienden in Europa te zenden, bestaande in twee fraaije Papegaaijen, in twee Aapen van een zeer merkwaardig zoort, in eene voortreffelyke verzameling van fraaije Kapellen, in drie kistjens met ingelegde fruiten en vleesch, welken ik aan boord van het Schip Paramaribo deed brengen, en aan de zorge van den Sergeant FOWLER aanbeval, die ongelukkiglyk één van de zieken was, welken men naar Amsterdam zond.

De Majoor MEDLAR, die door vermoeienis ten eenemaal was uitgeput, vertrok toen ook naar Holland. Ik nam in zyne afwezigheid zynen post waar, en ik wanhoopte niet, om zelf t'eeniger tyd onze krygsbende te rug te brengen, indien het getal van onze Officiers dagelyks zoodanig verminderde. Onder de geenen, die overbleven, werden 'er egter twee gevonden, die moeds genoeg hadden een huwelyk te wagen, en ieder met eene Creoolsche weduwe trouwden.

Toen rust en stilte genietende, bekwam ik weder genoegzaame kragten, om my, den 10den, naar Mevrouw GODEFROY te begeven, aan wien ik myn verlangen te kennen gaf, om ten minsten JOHNNY STEDMAN vry te maken, en ik verzogt haar, dat zy, door zig voor de gewoone somme van drie honderd ponden sterling by den Raad tot borge te stellen, verklaaren wilde, dat hy nimmer tot last van de Volkplanting van Surinamen komen zoude. Maar zy weigerde het my stellig, schoon zy geen gevaar hoe genaamd te loopen had, en het een niets beduidende zaak was, alleenlyk om aan het voorschrift van de wet te voldoen. Ik konde niet nalaten daar over myne verwondering te betuigen, die nochtans ophield, toen ik vernam, dat deeze vrouw die zelfde gunst aan haaren eigen zoon geweigerd had.

Ik kan van de slavernye niet spreken, zonder my eene schuld te herinneren, welke ik aan den lezer nog niet heb afgedaan. Ik heb reeds eenige byzonderheden opgegeven omtrent de manier, op welke de slaven in dit Land verkogt en behandeld worden; maar ik gevoel, dat ik nopens dit onderwerp niet uitgebreid genoeg geweest ben, en ik verbeelde my voegzaam te zyn, dat ik alle de berichten, welken ik omtrent de Negers bekomen heb, mede deele. Ik vleije my zaaken te zullen vermelden, waar op men geene aandacht genoeg gevestigd heeft, of die tot hier toe slechts onvolkomen zyn verhaald geworden.

Ik begin met de kleur der Negers, en ik houde my verzekerd, zoo als ik reeds te vooren heb opgemerkt, dat zy geheel en al moet worden toegeschreven aan de brandende luchtstreek, waar in zy leven, en aan derzelver verhitten dampkring door die regelmatige winden, die over eindelooze zand-woestynen heen waaijen, alvorens zy tot eenig bewoond land komen. De Indianen van America, die onder denzelfden graad van breedte woonen, ontfangen deeze verkoelde winden in tegendeel door den Atlantischen Oceaan, en hebben eene koper-kleur; de inwooners van Abyssinië, die dezelven al mede ontfangen, na dat ze door de Indische Zee gematigd zyn, hebben geheel en al eene olyf-kleur. Zoo ook aan het noordelyk gedeelte van de groote Rivier van Senegal, verandert de kleur der huid van zwart tot bruin onder de Mooren, gelyk zy aan den zuidkant doet onder de Kaffers en Hottentotten: ik ben zelfs van gevoelen, dat de wolachtige hoedanigheid van het hair der Negers een uitwerkzel is van die zelfde oorzaak. Ik heb meer dan eens de opperhuid der Negers zien ontleden; zy is doorschynend en helder, maar tusschen dezelve en de waare huid, vindt men een dunne plaat of blad, dat volmaakt zwart is, en door strenge geesselingen of door het mes weggenomen zynde, eene kleur doet te voorschyn komen, niet minder dan die van de huid van een Europeaan.

Twee blanke Negers wierden in Surinamen, op de Plantagie Vossenberg, geboren van ouders, die volmaakt zwart waren. De eerste van dezelven was een meisjen, en wierd, in het jaar 1734, naar Parys gezonden; de tweede was een jongen, en wierd geboren in 't jaar 1738. In 't jaar 1794, heeft men in Engeland eene dergelyke vrouw gezien, genaamd EMILIA LEWSAM, wier kinderen, schoon zy met een Europeaan getrouwd was, allen Mulatten waren. De huid van diergelyke persoonen is zoo wit niet als de onze; zy gelykt naar een kryt-kleur: zoodanig is ook de kleur van hunne hairen. Hunne oogen zyn dikwils rood, [65] en zy zien naauwlyks in de heldere zonneschyn. Zy zyn tot geenerhande zoort van arbeid geschikt; en hunne verstandelyke vermogens beantwoorden doorgaans, zoo men my gezegd heeft, aan de zwakheid van hun lichaam.

De uiterlyke gedaante der Africaansche Negers is, van het hoofd tot de voeten, verschillende van die der Europeanen, schoon naar myne gedachten, en alle vooröordeel ter zyde gesteld, van geene mindere hoedanigheid. Hunne uiterlyke trekken, hunne platte neus, hunne dikke lippen, hunne bolle wangen, kunnen ons mismaakt schynen; en echter onder hen geheel anders beschouwd worden. Wy zyn genoodzaakt hunne zwarte en schitterende oogen, hunne witte reijen tanden te bewonderen. Een der voordeelen van de lichaams gesteldheid der Negers bestaat daar in, dat men onder hen nooit een kwynend en bleek persoon ziet, gelyk men zoo dikwils in Europa ontmoet. De rimpels, en andere gevolgen van den ouderdom, zyn by hen ook zoo zichtbaar niet, schoon ik echter toestemme, dat wanneer een Neger ernstig ziek is, zyne zwarte kleur eene aller onaangenaamste bleeke olyf-kleur bekoomt.

De Negers zyn zekerlyk meer dan wy geschikt tot oeffeningen, tot welken kracht van lichaam en knaphandigheid noodig is. Over het algemeen wel gespierd en sterk van romp zynde, zyn hunne uiterlyke ledematen fyner. Hunne borst is zeer schoon, maar zy hebben naauwe heupen. Hunne dyen zyn dik en sterk; zoo ook hunne armen, boven den elleboog; maar de gewrichten van hunne hand, en het onderste gedeelte van hunne beenen zyn zeer langwerpig. Derzelver krom gebogene gedaante moet men toeschryven aan de manier, op welke de moeder haar kind op den rug draagt. Zy verwydert de beenen des kinds van elkander, zo dat dezelve tegen haar midden drukken, het geen dit zoort van mismaaktheid veröorzaakt, waar mede het kind niet geboren is: bovendien leert zy aan het zelve het loopen niet, zy laat het in het zand en gras kruipen, en het staat niet over einde, dan wanneer het 'er kracht en lust toe heeft, het geen spoedig gebeurt. De houding der voeten wordt echter door deeze gewoonte zeer verwaarloosd, maar door middel van lichaams-oeffening en dagelyksche baden, verkrygt het kind die kragt en vaardigheid, welken alle de Negers in den hoogsten graad bezitten.

Zy hebben nog eene andere gewoonte, die, naar hunne gedachten, zeer veel tot bevordering van hunne sterkte en gezondheid toebrengt. In de twee eerste jaaren, dat de moeder haar kind zoogt, doet zy het zelve dikwils eene groote meenigte water inzwelgen, waar na zy het twee malen daags zeer sterk schudt: zy neemt het ook by een been of by een arm, en wascht deszelfs huid in de Rivier af. De meisjens worden op dezelfde wyze als de jongens opgevoed. Tot eenen zekeren ouderdom gekomen zynde, behoeven zy voor de mannen niet onder te doen, dan in grootte; zommige zelfs winnen het hun af, in het loopen, in het vechten met de vuist, in het danssen, in het zwemmen, en in het klauteren tot boven in de boomen. Op die wyze kan men, door eene geschikte opvoeding, een stam van Amazonen vormen.

Deeze sterk gespierde meisjens van de gezengde luchtstreek zyn merkwaardig door haare vruchtbaarheid. Ik heb eene slavin gekend, Esperanza genaamd, en tot de Plantagie van den heer DE GRAAF behoorende, die in drie jaaren en in drie kramen negen kinderen had ter weereld gebragt: de eerste keer vier; de tweede twee, en de derde drie. De Negerinnen baaren haare kinderen zonder moeite, en, even als de Indiaansche vrouwen, hernemen zy haare dagelyksche bezigheden op den dag van haare bevalling zelven. Geduurende de eerste week, zyn haare kinderen volstrekt als die van de Europeanen, uitgenomen echter, dat men in de jongetjens eene zwartächtige vlak op zeker deel van het lichaam ziet, waar na het in 't kort geheel en al van dezelfde kleur wordt. De meisjens komen vroegtydig tot jaaren van huwbaarheid, maar het is met haar, als met de vruchten van deeze luchtstreek, zy vallen schielyk af. Verscheiden Negers bereiken nogtans eenen hoogen ouderdom: ik heb 'er één of twee gezien, die meer dan honderd jaren oud waren; en de Londonsche Kronyk van den 5den October 1780 maakt melding van eene Negerin, LOUISA TRUXO genaamd, die toen te Cordua du Tucunna, in Zuid-America, leefde, en honderd vyf-en-zeventig jaaren oud was.

Vindt men in de sterf-lysten één enkelen Europeaan, die zulk een hoogen ouderdom bereikt had? En deeze vrouw had waarschynlyk, even als de andere slavinnen, haare jeugd in moeielyken arbeid doorgebragt.

Ik heb in het gestel der Negers deeze byzonderheid steeds opgemerkt, dat, daar zy geschikt zyn, om zwaaren arbeid in de heetste dagen van den zomer te volvoeren, zy niet minder koude en vochtigheid verdragen kunnen, beter dan een Europeaan, immers dan ik zelve op onze tochten doen konde. Zy slapen den geheelen nacht, naakt in het vochtig gras liggende, zonder dat 'er hunne gezondheid iets by lydt, terwyl ik zeer gelukkig was, met des morgens by myne hangmat vuur te hebben, en onze soldaten van huivering beefden, om dat zy 'er van verstoken waren. Honger of dorst, pyn of ziekte, verdragen zy met zoo veel lydzaamheid, als moed.

Ik heb hier vooren meer dan twaalf stammen van Negers genoemd, welken ik allen kenne door de verschillende teekenen, die de genen, welke tot deeze of geene stam behooren, op hun lichaam maken.--By voorbeeld, de Coromantyn-Negers, die de meest geachte zyn, hebben drie of vier sneden op elke wang.

De Loango-Negers, die het minst in aanzien zyn, onderscheiden zig, door verhevene en vierkante beeldtenissen, naar dobbelsteenen gelykende, op de armen, in de zyden, en op de dyen, te teekenen. Zy slypen ook hunne voortanden puntsgewyze, het geen hen vervaarlyk maakt. Alle hunne mannelyke kinderen zyn besneden, ten naasten by als die der Joden.

Onder de spelingen der natuur, behoort men te stellen het maakzel van een byzonder zoort van Negers, Accorys, of tweevingerige genaamd, die onder de Negers van Saraméca, aan het bovenste gedeelte der Rivier van dien naam, woonen. Zy, die dit volk uitmaken, zyn merkwaardig, uit hoofde van hunne allermismaaktste voeten en handen; de eerste hebben vier zeer lange toonen, en de andere alleenlyk twee vingeren, maar die naar de schaaren van een kreeft gelyken, of liever het voorkomen hebben, als of zy door eene branding of ander toeval, een lidteeken bekomen hadden. Deeze mismaaktheid zoude, wanneer zy zig tot een enkel persoon bepaalde, weinig verwondering baaren; maar het is ontwyffelbaar een vreemd verschynsel, wanneer men deeze byzonderheid in een geheel volk ontmoet. Ik heb twee van deeze Negers gezien, maar op eenen te verren afstand, om ze te kunnen afteekenen. Ik begeere my dus by deeze gelegenheid niet tot getuige op te werpen; ik verhaale alleen, wat my bericht is. De afteekening van een man, die voeten en handen van dit maakzel had, is aan de Maatschappy der wetenschappen te Haarlem gezonden. Ik heb daarënboven in een oud boek over de ontleed- en heel-kunde, aan my door den kundigen OWEN CAMBRIDGE van Twickenham bezorgt, een bericht gelezen, waar uit het my gegund zy het volgend uittrekzel op te geven.

"In 't jaar 1629, na de zitting van St. Michiël, bragt men van de plaats, alwaar de misdadigers ter dood gebragt worden, aan het Geneeskundig Collegie, een lyk, tot het doen van ontleedkundige vertooningen geschikt; en by toeval nam de bediende van het Collegie het lyk van eenen schelm, die den zoon van den heer SCOT, een heelmeester van goeden naam, in deeze stad, vermoord had. Zyn aangezicht had nog een woest voorkomen behouden. Zyne hairen waren zwart, gekruld, niet zeer lang, maar dik, en zwaar in één gevlochten: zyn voorhoofd was niet hooger dan een duim. Hy had groote en vooruit steekende wenkbrauwen, de oogen in hunne holte diep ingezonken, een kromme neus, met een bult of dikte aan de punt, en een weinig in de hoogte stekende. Eene zeer zwaare knevel bedekte zyne bovenste lip, maar aan de kin had hy slechts eenige harde en zwarte hairen; zyne onderste lip was drie maalen dikker dan gewoonlyk: zie daar de gedaante van zyn aangezicht. Zyne grootste mismaaktheid echter, die in de daad buitengewoon was, vertoonde zig aan zyne voeten, die beiden gespleten waren, maar niet op dezelfde manier. De rechte voet verdeelde zig in twee toonen, van vier tot vyf duimen lengte, even als die van elk ander mensch, maar zoo groot, dat de helft van dit gedeelte van den voet hem dragen konde; de nagels waren naar evenredigheid. De linke voet was insgelyks in het midden gespleten, maar deeze scheiding was ten hoogsten drie duimen lang. De helft naar de binnen-zyde had de gedaante van een grooten toon met een zeer zwaaren nagel, en gelykende naar die van dezelfde helft, aan den rechten voet; de buitenste helft bestond uit twee andere toonen, die zeer digt tegen elkander stonden. Ik heb gepast geöordeeld het gedrochtelyk maaksel van dit mensch te beschryven, na eene naauwkeurige beschouwing, in tegenwoordigheid van meer dan duizend lieden gedaan".

Ik weet weinig van de verschillende spraken der Africaansche Negers; echter zal ik eenige spreekwoorden van de Coromantyn-Negers, opteekenen, welken myn Neger QUACO, tot deeze stam behoorende, my heeft opgegeven: ik moet tevens aanmerken, dat de Negers hunne woorden zeer schielyk uitspreken, dezelven als uit de keel halende, het geen zig niet gemakkelyk op het papier laat beduiden. Zie hier deeze spreekwyzen met derzelver vertaaling: "Co fa ansyo, na baramon-bra: gaat naar de Rivier, en haal my water".--"My yery, nacomeda my: vrouw, ik heb honger".--Dit zy genoeg met opzigt tot de taal der Coromantyn-Negers, zoo als men die op de kust van Guinée spreekt.

De taal der Negers in de Volkplanting van Surinamen verstaa ik volkomen, want het is een zamenstelzel van 't Hollandsch, Fransch, Spaansch, Portugeesch, en vooral van het Engelsch, het welk 'er de grondslag van is, en waar van zy veel houden. Ik heb reeds gezegd, dat de eerste Europeanen, die deeze Volkplanting bezaten, luiden van onze natie waren; van daar koomt het waarschynlyk, dat de Negers zulk een byzonderen lust tot hunne taal hebben. In deeze gemengde taal, waar van ik reeds eene gedrukte spraakkunst gezien heb, eindigen de woorden doorgaans met een klinkletter, even als in de Italiaansche en Indiaansche taalen. Zy is zoo aangenaam, zoo welluidend, en zoo zacht, dat de Surinaamsche inwooners van den eersten smaak 'er zig meestäl van bedienen. Men kan over den aart der uitdrukkingen oordeelen door de volgende voorbeelden:--"Goed eeten, wordt uitgedrukt door de woorden swyty-mousso.--Buskruid: man sanny.--Ik zal u met al myn hart, en zoo lang ik leef, beminnen: my saloby you, lango alla my hatty, so langa me lyby.--Een aangenaam verhaal: ananassy tory.--Ik ben zeer droefgeestig: me hatty brun.--Leef lang, zoo lang, dat uwe hairen wit worden als catoen: leby langa, tay-tay, ta-y you wyry tam wity liky caton.--Klein: pyky.--zeer klein: pykinini.--Vaarwel! ik sterf, ik ga tot mynen God: adiossoo, cerroboay, my de go dede, me de go na my gado". Men kan in deeze taal verscheiden woorden van bedorven Engelsch opmerken, welker gebruik men in de hoofdstad begint agter te laten, maar die altyd op de afgelegene Plantagiën gebruikt worden: by voorbeeld, ik heb eene oude Negerin van de Plantagie Goed-Accord aan de Cottica hooren zeggen: "We lobee fo lebee togeddere", om daar mede te kennen te geven, wy houden veel van met elkander te leven; en om dit zelfde denkbeeld te Paramaribo uit te drukken, zeide men, "way louko fortanna marandera".

Het gezang der Negers is, zoo als dat der vogelen, welluidend, maar zonder maat. Dikwils voeren zy een zoort van gezang op de volgende wyze uit: één van hun geeft eerst een spreuk op, vervolgens zingt hy die, en alle de anderen herhalen zulks gezamentlyk; dit afgeloopen zynde, geeft men eene andere op, zingt en herhaalt die op dezelfde wyze.

Op die manier zingen de roeijers der vaartuigen, en zy houden 'er vooral veel van zulks by maaneschyn te doen. Dit gezang onder hun roeijen moedigt hun aan, en men hoort het op een vry verren afstand.

Het is bewezen, dat de Negers, wanneer zy eene goede opvoeding ontfangen hebben, voor eene groote kieschheid van het gehoor vatbaar zyn, en zig op de dichtkunst kunnen toeleggen. Onder de genen, die in dit zoort van letteroeffeningen uitmuntten, behoort men vooral te tellen PHILLIS WHEATLYE, een slaaf te Boston, in Nieuw-Engeland, die de Latynsche taal leerde, en agt-en-dertig dichtstukken over verschillende onderwerpen zamenstelde, die zeer cierlyk zyn, en in 't jaar 1773. in 't licht kwamen.

De sentimenteele brieven van Ignace Sancho, een Neger in dienst van den Hertog van Montagu, zyn zeer bekend, en zouden de pen van een Europeaan niet ontcieren. Wat de gave van het geheugen en van rekenen betreft, om te bewyzen, dat de Negers dezelve in den hoogsten graad bezitten, zal ik hier een brief bybrengen, door Dr. RUSH uit Philadelphia aan één van zyne vrienden te Manchester gezonden.

"Met eenige inwooners van deeze stad reizende, en Maryland doorkruissende, zegt de Doctor, hoorden wy spreken van de wonderbaarlyke gevatheid in de rekenkunst, waar mede een Neger, THOMAS FULLER genaamd, begaafd was; en wy lieten hem by ons komen. Iemand van het gezelschap vroeg hem, hoe veele maanden, weken en dagen een man van zeventig jaaren oud geleefd had? Hy beantwoordde de vraag in anderhalve minuut. Die hem de vraag had voorgesteld, nam de pen op, maakte de berekening, en zeide hem, dat hy zig zekerlyk vergist had, en dat het door hem opgegeven getal te hoog was. Neen, Massera, antwoordde de Neger hem wederom, dit koomt, dat gy vergeten hebt de schrikkel-jaaren te berekenen. Wanneer de Americaan vervolgens de minuten berekende, welke in deeze getallen begrepen waren, kwam zulks juist uit met het getal van FULLER. Die zelfde Neger vermeenigvuldigde, by eene andere gelegenheid, uit zyn hoofd, negen cyffergetallen met negen andere". Ik heb 'er één gekend, die den Alcoran van buiten kende. Welk een vermogen in menschen, die noch lezen, noch schryven geleerd hebben! Alle deeze verhaalen zyn met dit al volkomen echt.

By het geen ik omtrent de Godsdienstige gevoelens der Negers heb bygebragt, kan ik nog voegen, dat zy het aanzyn van een God vastelyk gelooven: in wiens goedheid zy hun vertrouwen stellen, wiens magt zy aanbidden, en wien zy een gedeelte van alle hunne levensmiddelen opofferen. Zy vreezen den dood niet. Aan de Rivieren Gambie en Senegal zyn zy byna allen van den Mahomedaanschen Godsdienst. Maar de Godsdienstige leere en plechtigheden der Africanen verschillen over het algemeen, even als de bygeloovige en tallooze gebruiken van alle de wilden, en zelfs van te veel Europeanen. Opgemerkt hebbende, dat zy gewoon waren aan den wilden Catoen-boom offerhanden te doen, [66] vroeg ik aan een ouden Neger, waarom men aan denzelven deeze eer bewees. "Massera, zeide hy my, zie hier de reden. Dewyl wy geen tempel hebben, om onzen Godsdienst in te oeffenen, en deeze boom de grootste en schoonste is, die op de kust van Guinée groeit, verzamelen zig onze landslieden onder zyne takken, die hen voor de hitte der zon en voor den regen beveiligen, om aldaar onzen Gadoman, of Priester te hooren prediken. Wy hebben voor dien boom zulk een eerbied, dat men dien nooit om ver hakt, om welke reden het ook zy".

'Er is geen volk, het welk meer bygeloovigheid heeft, dan de Negers. Hunne Locomen, of zoogenaamde Propheten, vinden 'er hun belang by, met dezelve aan te zetten. Zy verkoopen hun, gelyk ik reeds gezegd heb, hunne obias, of tooverbanden, en trekken 'er groot voordeel van. De Negers hebben ook een zoort van Sybillen, die Godspraken uitgeven. Deeze statige vrouwen danssen in het rond te midden van een talryk gezelschap, en met eene groote vlugheid, tot dat haar het schuim op den mond staat, en dat zy in stuiptrekkingen vervallen. Al wat zy in deezen aanval gelasten, moet door de omstaande meenigte heiliglyk worden naargekomen. Deeze magt maakt haar zeer gevaarlyk; want dikwils gelasten zy aan de slaven, om hunne meesters te vermoorden, of van de Plantagiën weg te loopen, en in de bosschen de wyk te nemen. Deeze toneelen van bygeloovigheid zyn derhalven, in de Surinaamsche Volkplanting, onder bedreiging van zwaare straffen, by de wetten verboden. Met dit al grypen zy op afgelegene plaatsen dikwils stand. Zy zyn onder de Oucas- en Saraméca-Negers zeer gemeen, en de Capitains FREDERIK en VAN GUERICK hebben my verzekerd dezelven te hebben zien uitoeffenen. Men noemt ze hier wynty-play, of Syrenen-danssen, en zy hebben van onheuchelyke tyden plaats gehad. Men weet, dat de oude Schryvers van zoortgelyke dwaasheden dikwils melding maken.

Maar het vreemdste is, dat deeze Sybillen, door de klank van haare stem, den Ammodite- of Papaw-slang [67] weten aan te lokken, en hem uit den boom te doen vallen. De Negers dooden hem niet, noch brengen hem immer eene wonde toe; zy beschouwen hem integendeel als hunnen beschermer en vriend, en zy achten zig zeer gelukkig, wanneer hy in hunne hutten koomt. Wanneer eene Sybille der Negers deezen slang bezworen heeft, of hem uit den boom naar beneden doet komen, ziet men doorgaans, dat dit dier zig om den arm, de borst, en den hals van deeze vrouw slingert, als of hy in het hooren van haare stem behagen schepte, en te gelyker tyd vleit en streelt zy hem met de hand. De heilige Schryvers spreken, op verscheiden plaatsen, van het vermogen, om de slangen en adders te betooveren, het welk ik hier alleenlyk bybrenge, om de oudheid van dit gebruik te bewyzen; en het is bekend, dat de Oost-Indische volken de meest vergiftige slangen door het geluid van eene fluit, die hen uit hunne schuilhoeken doet te voorschyn komen, uit de huizen weten te jagen. Het is nog maar weinige jaaren geleden, dat eene Italiaansche vrouw te London drie makke en gemeenzame slangen vertoonde, die zig ook om haare armen en hals slingerden; zy waren vier of vyf voeten lang, maar hadden geen vergif in zig.

Ik moet nog een ander bewys van de bygeloovigheid der Negers aanhalen. In elk huisgezin is een verbod, het welk van vader tot zoon overgaat, om het vleesch van het een of ander dier, het zy vogel, viervoetig dier, of visch, niet te eeten; het geen op die wyze verboden is, noemen zy treff, en zy proeven 'er nooit van.

Hoe belachelyk ook zommige van deeze plechtigheden mogen voorkomen, zy zyn hoogst noodzakelyk, om de Negers in onderwerping te houden. Deeze ongeletterde menschen verschillen daar in van de Europeanen, dat zy vast zyn in hun geloof, hoedanig het zelve ook zyn moge, en dat geene twyffelingen hen daar van immer te rug houden. Ik wil echter daar uit niet beslissen, of zy erger of beter zyn.

De Negers zyn omtrent elkanderen zoo welwillend, dat men hun niet behoeft te zeggen:--"Bemint uwen naasten als u zelven.". De armste, onder hen, al heeft hy maar één ey, zal het met allen, die 'er tegenwoordig zyn, verdeelen. Het zelfde zal hy doen met het kleinste glaasjen rhum; maar vooraf zal hy eenige droppels op den grond sprengen, by wyze van wyn-plenging.

Zoo al de wilde volken doorgaans veel edelmoedigheid en goede trouw bezitten, zy hebben ook hunne gebreken, waar onder eene groote wraakzucht gevonden wordt. De grootte van deeze hartstocht in de Negers staat gelyk met die van hunne gevoelens van dankbaarheid; en ik kenne 'er geen één, die aan een ander de hem aangedaane belediging vergeven heeft. Men kan van hun zeggen, dat hunne vriendschap zoo teederhartig, als hunne haat onverzoenlyk is. Even als alle barbaarsche volken, geven zy zig aan verschrikkelyke wreedheden over.

In den laatsten opstand, die in de Volkplanting de Berbices is voorgevallen, ging hunne woede zoo ver, dat zy de vrouwen hunner meesters, schoon zwanger zynd, en in tegenwoordigheid van hunne echtgenooten vermoordden. [68] De Accawaws-Negers zyn niet minder dan zy op de konst, om door vergif om te brengen, afgericht. Zy verbergen het vergif onder hunne nagels, en door slechts den vinger in een glas met water te steken, veroorzaken zy eenen langzamen, maar zekeren dood. [69] Geheele huisgezinnen, en zelfs alle de inwooners van eene Plantagie, hebben de gevolgen van hunne wraakzucht ondervonden. Dit ging eindelyk zoo hoog, dat zy tachtig slaven, derzelver ouders en vrienden, deeden omkomen, om hunne meesters van dit gewichtig gedeelte van hunnen eigendom te berooven. Deeze monsters dragen den naam van wissy-men, het welk misschien koomt van het woord wise (wys); en door dit helsch middel helpen zy een groot aantal slachtöffers van kant, langen tyd voor dat zy ontdekt worden.

De barbaarsche volken, schoon van de voordeelen der opvoeding beroofd, hebben nochtans verwarde denkbeelden van eigendom: dus moet men zig niet verwonderen, dat slaven, die in hun persoon de duidelykste schending van alle recht ondervinden, aangezet worden, om zig deswegens schadeloos-stelling te bezorgen. Die van de Plantagiën zyn al te zeer aan dieverye overgegeven, en plunderen alles, wat onder hun bereik koomt, wanneer zy hope hebben, om het straffeloos te kunnen doen. Men kan ook aan hunne onmatigheid, vooral aan die in den drank, geene palen stellen. Ik heb eene jonge Negerin een kom, waar in ik twee flessen wyn geschonken had, achter een zien uitdrinken.

Van de Negers van den stam van Gango, wordt gezegd, dat zy uit een geest van wraakzucht, even als de Caraïben, menschen-eeters zyn. Na het innemen van Boucou, vondt men, in de huizen der muitelingen van deezen stam, potten vol met menschen-vleesch, die nog op het vuur stonden. De nieuwsgierigheid drong een Officier, om deeze afschuwelyke kost te proeven, en hy verklaarde, dat dusdanig vleesch niet minder was, dan ossen- of varkens-vleesch.

De heer WANGILLS, een Americaan, die in het binnenste van Africa zeer diep is doorgedrongen, heeft my naderhand verzekerd, dat hy in eene stad of gehucht van dit Land gekomen was, alwaar armen, dyen en beenen van menschelyke schepsels zoo openbaar te koop lagen, als het vleesch by onze vleeshouwers ligt. JOHN KEENE, Capitain in dienst van de Compagnie van Sierra-Leona, heeft my stellig gezegd, dat hy zig met zyn schip op de Africaansche kust bevindende, om hout, yzer en goud-poeder in te nemen, de Capitain van het schip Nassau, genaamd DUNNINGEN, met alle zyne manschappen vermoord wierd. Hunne lyken wierden vervolgens in stukken gehakt, ingezouten en opgegeten door de Negers van den grooten Drevin, omtrent dertig mylen ten noorden van de Rivier van St. Andreas. Deeze zelfde menschen-eeters namen toen al het koper van het schip weg, en staken vervolgens het schip zelve in brand.

Na de gebreken van het character der Negers te hebben aangewezen, is het billyk, dat ik ook hunne goede hoedanigheden en deugden schetse.

Ik heb reeds van hun vernuft en dankbaarheid gesproken; de laatstgemelde gaat zoo verre, dat zy zig voor de genen, die hun eenige byzondere weldaad bewezen hebben, aan doods-gevaaren zouden bloot stellen. Niets overtreft de genegenheid, dien zy voor hunnen meester hebben, wanneer deeze hen met goedheid behandelt; waar uit blykt, dat hunne genegenheid even sterk is, als hunne haat. De Negers zyn over 't algemeen gevoelig, maar vooral de Coromantyn- en Nago-Negers. Zy zyn vatbaar voor liefde; en de jaloersheid brengt in hun hart de vreesselykste gevolgen voort. Hunne ingetogenheid verdient hier genoemd te worden; want geduurende verscheiden jaren, dat ik onder hen verkeerd heb, herinner ik my niet 'er ooit één in 't openbaar eene vrouw te hebben zien kussen. De Negerinnen hebben eene ongemeene liefde voor hunne kinderen. Geduurende de twee jaaren, dat zy dezelven zoogen, houden zy geene gemeenschap met hunne mannen. Zy zouden het zig zelven verwyten als eene onnatuurlyke zaak, tot nadeel haarer zuigelingen strekkende. De zindelykheid der Negers is zeer opmerkelyk. Zy baden zig ten minsten drie maalen daags. Die van de stam van Congo in 't byzonder zyn zulke liefhebbers van het water, dat men hen, met eenig recht, halfslachtige dieren zoude kunnen noemen.

De Negers zyn moedig en geduldig in tegenspoed. Zy trotseeren de pynigingen en den dood met eene onverschrokkenheid, die zonder weêrgaa is. Hun gedrag in de neteligste omstandigheden gelykt naar heldenmoed. Zy laten geene klachte hooren, zy loosen geen zucht, men hoort van hun geen gekerm, zelfs wanneer zy in 't midden der vlammen hun leven laten. Ik heb nimmer een enkelen gezien, die, om welke reden het ook wezen mogt, tranen storte; en echter bidden zy met den sterksten aandrang om genade, wanneer men hen veröordeelt, om gegeesseld te worden voor misdryven, welken zy erkennen; maar indien zy vermeenen de kastyding niet verdiend te hebben, maken zy zig zelf byna oogenblikkelyk van kant. Die van den stam der Coromantyn-Negers, geven zig voornamelyk aan deeze daad van wanhoop over. Het gebeurt dikwils, dat zy, by de uitvoering der straf, hun hoofd agter over gooijen, om hunne tong in te slikken, hetgeen hen oogenblikkelyk doet versmooren; en zy vallen dood voor de voeten hunner meesters neder. Maar wanneer hun geweten hun overtuigt, dat hunne straf rechtvaardig is, zyn zy gedwee, en onderwerpen zig met gelatenheid aan hun lot. Men heeft zedert kort in Surinamen het zeer menschelyk middel uitgevonden, om te beletten, dat zy zig zelven niet versmooren, gelyk ik zoo even verhaalde, door hun een aangestoken stroo-fakkel voor den mond te houden, waar door het dubbeld oogmerk bereikt wordt, om hun het gezicht te blakeren, en hunnen aandacht van een dergelyk ontwerp af te trekken. Zommigen nemen hun toevlucht tot een ander middel: zy eeten aarde; het geen hunne maag belet derzelver gewoone werkingen te doen, en zy eindigen dus hun leven zonder pyn, maar kwynende zomtyds meer dan een jaar in eenen staat van ongemeene zwakheid. De wetten hebben tegen deeze aard-eeters de gestrengste kastydingen vrugteloos vastgesteld, want men ontdekt hen zeldzaam, wanneer zy deeze misdaad aan zig zelven begaan.

Na deeze algemeene aanmerking omtrent de natuurlyke en zedelyke vermogens der Negers, zal ik hen thans beschouwen in den staat van slavernye, en aan de yzere roede van eene verschrikkelyke dwingelandye onderworpen. Vervolgens van dit afgryzelyk toneel afstappende, zal ik aantoonen, wat zy zyn onder rechtvaardige, menschlievende en gevoelige meesters.

Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van hun gezegd heb, wanneer zy van de kust van Guinée aankomen, en in welken zwakken en elendigen staat zy zig dan bevinden. Ik heb ook doen opmerken, dat zy spoedig hunne lyvigheid weder bekomen, en dat men hun aan de zorge van eenen ouden slaaf toevertrouwt, die hun de taal der Volkplanting leert. Zoo verre gevorderd zynde, zendt men hen naar het land om te werken, waar aan zy zig met genoegen onderwerpen, schoon ik eenige voorbeelden van nieuwlings ingevoerde Negers gezien heb, die zulks weigerden, in weêrwil van de beloften, gebeden, bedreigingen, en slagen zelfs, tot welken men toevlucht nam, om 'er hen toe te dwingen; maar deeze waren Vorsten of persoonen van aanzienlyken rang in hun vaderland, die door de lotgevallen van den oorlog tot den staat van slavernye vervallen waren, en wier verheven gevoelens hun den dood deeden verkiezen boven de vernedering en de ellenden der slavernye. By verscheiden gelegenheden van dien aart, heb ik andere slaven op de kniën zien vallen, en hunne meesters smeeken, dat zy de taak van den gevangen Prins of hoogen persoon by hunne taak voegen wilden; het geen men hun zomtyds toestond, en zy bewezen hem bestendiglyk den zelfden eerbied, als of hy in zyn eigen Land was. Ik herïnner my, dat ik eens, om my voor een oogenblik te dienen, eenen Neger gehad heb van een zeer goed voorkomen, en die kortlings ontscheept was, wiens gewrichten aan de handen en enklaauwen door ketenen ontveld waren. Ik vroeg 'er hem de reden van.--"Myn vader", antwoordde hy my, "was Koning, en wierd door de zoons van een nabuurig Vorst verraderlyk vermoord. Zynen dood trachtende te wreeken, ging ik met zommigen van de mynen dagelyks ter jagt, in de hoop van zyne moorders te ontmoeten; maar ik had het ongeluk om verrast en geketend te worden; van daar komen die schandelyke lidteekens, welken gy ziet. Men verkocht my vervolgens aan uwe landgenooten op de kust van Guinée, eene straf, die voor verschrikkelyker gehouden wordt, dan de dood zelve".

De geschiedenis van mynen Neger QUACO was nog zonderlinger.--"Myne ouders", zeide hy my, "leefden van hunne jagt en visscherye. Men ligtte my, nog zeer jong zynde, op, terwyl ik met twee van myne broeders in het zand speelde. Dadelyk stak men my in een zak, en vervoerde my verscheiden mylen ver. Ik wierd vervolgens één der slaven van eenen Koning op de Guineesche kust, die een aanzienlyk getal bezat. Toen hy stierf, onthoofde men 'er het grootste gedeelte van, en begroef dezelven met hem. De kinderen van myne jaaren wierden onder de Capitains van zyn leger ten geschenke gegeven; en de Capitain van een Hollandsch Schip kogt my voor een snaphaan, en een weinig buskruid".--Elk mensch bemint zyn geboorte-land, hoe hard de wetten 'er ook wezen mogen.

Zoo dra deeze ongelukkige vreemdelingen met minder yver beginnen te arbeiden, worden zweepen, bulle-peesen, bambous-rieten, touwen, yzers en ketenen te werk gelegd, om hen vlugger te maken. 'Er zyn meesters, die hen nacht en dag bezig houden, zonder zelfs de zondagen uit te zonderen. Ik herïnner my, dat een jong en zeer sterk Neger, MARQUIS genaamd, die een vrouw en twee lieve kinderen had, welken hy teederlyk beminde, zynen arbeid met zoo veel yver doorzette, dat hy des namiddags ten vier uuren met het graven van een sloot of greppel, van vyf honderd voeten lang, geëindigd had, om tyd te hebben tot het bebouwen van zynen kleinen tuin, of te gaan visschen, of vogelen te vangen, tot onderhoud van dit zyn geliefd huisgezin. Zyn meester, dit vernomen hebbende, bewees hem, om hem aan te moedigen, dat wanneer hy voor vier uuren vyf honderd voeten had kunnen afgraven, hy 'er zekerlyk voor zonnen ondergang zes honderd zoude hebben kunnen volëinden. De ongelukkige keerel wierd vervolgens verwezen, om dagelyks dien taak af te werken.

De slaven loopen in Surinamen byna naakt, en hun dagelyks voedzel bestaat in eenige ignames en vruchten van Plantain-boomen. Misschien twee maalen 's jaars, krygen zy een middelmatig rantsoen van gezouten visch, en eenige bladen tabak, het geen zy sweety mouffo noemen; en dit is het ook al. Maar het ondraaglykste voor hun is, dat ofschoon een Neger en zyne vrouw voor elkander de grootste genegenheid hebben, de laatstgemelde, indien zy wat mooy is, de walgelyke omhelzingen van eenen overspeeligen en onbeschaamden Opzichter zig moet laten welgevallen, zoo zy haaren man, zulks trachtende te beletten, niet wil zien in stukken houwen. Deeze onwaardige behandeling heeft hen dikwerf tot de geweldigste wanhoop vervoerd, en tot een groot getal moorden gelegenheid gegeven.

Uit hoofde van eene zoo groote opéénstapeling van onheilen, is de zelfsmoord onder de Negers gemeen; dikwils loopen zy weg naar de bosschen, om zig met hunne muitende landgenooten te vereenigen; of zoo zy al de vlucht niet nemen, worden zy mistroostig, en krygen kwynende ziekten, ten gevolge van de mishandelingen, die hun worden aangedaan. Deeze ziekten zyn de lota, bestaande in eene scheurbuikige en witte vlak over het geheele lichaam:--De crassy crassy, of schurft, die by hun, even als by de Europeanen, voortspruit uit slecht voedzel, en onder hen zeer gemeen is:--De yaws, welke ziekte veelen gelyk stellen met de venus-ziekte, en waar door het geheele lichaam met geele zweeren wordt overdekt; de meeste Negers zyn 'er aan onderworpen, maar zy worden 'er slechts eenmaal in hun leven door aangetast; eene byzonderheid, die, wanneer men 'er by voegt, dat de kwaal ligtelyk aan anderen wordt medegedeeld, dezelve eenigermaten gelyk stelt met de kinderpokjes. Deeze besmettelyke hoedanigheid is zoo groot, dat indien eene enkele vlieg, die zig op den zieken nederzet, (en by is 'er als mede bedekt) zig op de ligtste ontvelling der huid van iemand, die volmaakt gezond is, plaatst, zy hem met dit verschrikkelyk vergif besmet, waar van de gevolgen zig verscheiden maanden lang doen gevoelen. Men geneest deeze ziekte doorgaans door kwyling en een goeden levensregel, gepaard met eene aanhoudende beweging, die eene overvloedige uitwaasseming te weeg brengt; en zoo lang die geneezing duurt, is de zieke ongemeen mager.

De boassy, of melaatsheid, is nog veel verschrikkelyker, en men beschouwt dezelve als ongeneeslyk. Het aangezicht en de ledematen zwellen in deeze ziekte op, en het geheele lichaam is vol met zweeren. De adem heeft een ondragelyken stank; de hairen vallen uit; de toonen en vingers verrotten, en vallen vervolgens lid voor lid af. Het ongelukkigste van allen is bovendien, dat de ellendeling, die door deeze ongeneeslyke kwaal wordt aangetast, zomtyds verscheiden jaaren lang kwynen kan. Dewyl de melaatschen van natuure tot het minnespel genegen zyn, en hunne ziekte besmettelyk is, moet men hun alle gemeenschap verbieden, en hen veröordeelen tot een altoosduurende ballingschap op den een of anderen hoek der Plantagie.

De clabba-yaws of tubboes zyn ook eene deerlyke en ellendige ziekte, die pynlyke zweeren veröorzaakt aan de voeten, voornamelyk aan den bal van den voet, tusschen vel en vleesch. Het gewoon middel in dit geval bestaat hier in, dat men het aangestoken deel met een gloeiend yzer brandt, of met een dun lancet doorvlymt; alsdan laat men op de wonde zeer warm sap van citroen loopen, het geen wel zeer gevoelig, maar van een zeer groot geneezend vermogen is.

De Negers zyn ook onderworpen aan ziekten van uit- en inwendige wormen, het welk by hun veröorzaakt word door het gebruik van modderig water, waar in die wormen huisvesten, of door de rauwheid van hun voedzel. Een der voornaamsten wordt genoemd Lindworm: zynde wormen zomtyds van zes voeten lengte, van eene schitterende zilver witte kleur, en niet veel dikker, dan de tweede snaar van een bas-viool. Zommige wormen plaatsen zig tusschen vel en vleesch: zy veröorzaken gevaarlyke en pynlyke zwellingen overal waar zy inkomen, en vooral aan de beenen. Het middel, om deeze kwaal te geneezen, bestaat daar in, dat men den worm, wanneer hy boven de huid uitkoomt, by den kop neemt, en hem 'er geheel en al uittrekt, hem, om zoo te spreken, op een kaart of stokjen windende. Dit kan men met niet te veel omzichtigheid doen, want zoo de worm breekt, is het verlies van het lid, of zelfs van het leven, 'er dik wils het gevolg van. Zommige lieden zyn met zeven of agt van die wormen te gelyk gekweld.

Behalven deeze ziekten, die hun byzonder eigen zyn, zyn de Negers bovendien onderworpen aan die ziekten, welken de Europeanen gewoonlyk ondervinden, die op hun beurt van de opgegevene gevaarlyke en pynlyke kwalen in Guiana niet ontheven zyn.

Het is dus niet te verwonderen, dat de Plantagiën zulk een groot aantal zieken opleveren; men laat hen eeniglyk over aan de zorge van eenen Dressy-Negro, of Heelmeester der Negers, wiens geheele kundigheid bestaat in het toedienen van eenige zouten, of het smeeren van eenige pleisters. Zy, die door aanhoudende geesselingen van het hoofd tot de voeten zyn van één gereten, kunnen zig zelven genezen, of zonder huid arbeiden, zoo hun dit gelieft.

Van alle deeze opéénstapelingen van ellende, waar van zommige natuurlyk uit de luchtstreek, en het slegt voedzel der Negers, maar vooral uit de onbetamelyke wreedheid der Opzigters voortspruiten, is het gevolg, dat een groot getal slaven buiten staat is om te werken, de één door eene geheele en schielyke uitputting hunner kragten, de ander door eenen te vroegtydigen ouderdom: maar de dwingeland eener Plantagie vindt voor hunne kwaalen een onfeilbaar hulpmiddel, het geen niet minder is, dan hen met eenen slag dood te slaan: dit verlies raakt hem niet meer dan zynen meester. Hy is alleen nayverig omtrent de geenen, die zig van hunnen taak kwyten kunnen; hy verzekert, dat de anderen gestorven zyn, de meesten van de venus-ziekte, en geen Neger is bevoegd, om getuigenis tegen hem te geven. Indien echter eenig Europeaan den moord bewees, zoude de schuldige vry zyn, gelyk ik reeds heb opgemerkt, met eene boete van vyftig ponden sterling, en met den eigenaar schadeloos te stellen, zoo deeze zulks begeerde. Voor deezen bloedprys kan hy elken slaaf, die onder zyne magt staat, en het ongeluk heeft zyne woede gaande te maken, opöfferen.

Een Opzigter kan bovendien duizende listen te baat nemen, om het bewys van zyne schuld te ontduiken. Ik heb 'er een gekend, die zig van eenen Neger willende ontdoen, hem op de jagt mede nam, en hem gelastte het wild op te jagen: zyn eerste snaphaanschoot raakte deezen ongelukkigen, die dood ter neder viel. Dit wierd een toeval genoemd, en men deed 'er geen het minste onderzoek naar. Een ander kwam op de volgende wyze om.--Men stak een houten paal op het midden van eene groote vlakte in den grond; men bond 'er den slaaf aan vast in de hitte van eene brandende zon, en men gaf hem, om het leven te behouden, niet meer dan ééne banane en één glas water daags, tot dat hy stierf. De Opzigter beweerde, dat dit niet door den honger veröorzaakt was, om dat men hem altyd eeten en drinken gebragt had; dus wierd hy met eere vry gesproken.

Men heeft dikwils een ander middel gebezigd, om eenigen van deeze ongelukkige slaven straffeloos van kant te helpen. Het bedoeld slagtöffer wordt naakt aan een boom in het bosch gebonden, met de armen en beenen uitgestrekt, onder voorwendzel van hem dezelve wat losser te maken; men laat hem aldaar, en geeft hem op bepaalde tyden te eeten, tot dat hy, door het steken der muggen of andere insecten, het leven verloren heeft. Men verdrinkt de Negers ook wel, door hun, met een keten aan de voeten, in 't water te werpen, en dit noemt men ook een toeval!

Het is zeer zeker, dat verscheiden, op last van eene vrouw, op houtstapels geketend zynde, zyn van kant geholpen. De straf om hun de tanden uit te trekken, alleenlyk wegens het proeven van het door hem bewerkte suiker-riet, hun den neus te klooven, of de ooren af te snyden, om onderlinge kyvagiën, is van te weinig aanbelang, dan dat wy daar van zouden behoeven te spreken.

Zulk eene wreede mishandeling doet zomtyds in den geest van deeze ongelukkigen zulk eene moedeloosheid geboren worden, dat zy, om hun rampzalig leven te eindigen, en zig op eenmaal van zulk eene verschrikkelyke slavernye te ontheffen, zig zelven in de ketels werpen, waar in men het sap van het suiker-riet laat koken, daar door een middel vindende, om hunnen geweldenaar van hunnen persoon en van een gedeelte van zynen oogst te ontzetten.

Is het derhalven, na zulk eene behandeling, wel te verwonderen, dat geheele benden van slaven zig in de bosschen verzamelen, en alle gelegenheden waarneemen, om hunne wraakzucht te koelen?

Ik zal deeze aandoenlyke berichten eindigen met eene algemeene aanmerking, tot bewys, hoe veel nadeel de bevolking door zulke wreedheden lydt.

Ik heb gezegd, dat 'er in Surinamen 75,000 Neger-slaven zyn. Indien men daar van aftrekt het getal der oude lieden van beiderlei kunne, en der kinderen, zullen 'er niet meer dan 50,000 overblyven, die tot werken geschikt zyn. Het getal der schepen, die jaarlyks elk 250 of 300 Negers invoeren, wordt op zes tot twaalf gesteld. Men kan dus de jaarlyksche invoering berekenen op 2500 slaven, die noodig zyn, om de gemelde 50,000 voltallig te houden. Het getal der dooden nu gaat jaarlyks dat der geboorten ten beloope van 2500 te boven, schoon elke Neger eene vrouw heeft, en zelfs twee, zoo hem dit goeddunkt; het geen over het geheel juist uitmaakt vyf ten honderd, en gevolgelyk bewyst, dat een geheel geslacht van 50,000 gezonde menschen alle twintig jaaren volkomen uitsterft.

De rechtvaardigheid en waarheid noodzaken my echter te verklaren, dat de wreedheden, die zulk eene uitwerking voortbrengen, niet algemeen zyn. De mededogende Hemel heeft wel eenige uitzonderingen willen daar stellen, welken ik met genoegen verhalen zal, en die het tegenövergestelde zyn van het hier boven door my geschetst tafereel. Ik zal niet naarvolgen eenige Schryvers, die het zelfde onderwerp behandeld hebben, en daden van goedäartigheid en menschlievenheid zorgvuldig hebben verborgen gehouden, om deeze zaak alleenlyk van de ongunstigste zyde te doen beschouwen: ik wil dezelve met openhartigheid en onpartydigheid zonder verminking openleggen. Ik kan verzekeren, dat op zommige Plantagiën de slaven naar myne gedachten behandeld worden, zoo als menschen behooren behandeld te worden. Zulk eene behandeling zoude nog algemeener zyn, indien de wetten geen onbepaald gezag over hen veröorloofden, waar van het onmogelyk is, dat geen misbruik gemaakt werde. Geen eigenaar moest het recht hebben, om het leven van zynen slaaf straffeloos aan te tasten; en het dooden van een zwarten of blanken behoorde in het oog der menschen eene gelyke misdaad te zyn, even als in het oog van God.

Voorts zal ik als nu aan den Lezer vertoonen een huisgezin van Negers, in dien staat van voorspoed en gerustheid, welken zy steeds onder eenen goeden meester genieten. De beeldtenissen, op de plaat voorkomende, worden vooröndersteld te verbeelden persoonen van het volk of den stam van Loango, uit hoofde der teekenen, die over het lichaam van den man getrokken zyn, en het cyffer op deszelfs borst, uit de letters J. G. S. zaamgesteld, door middel van het welk de eigenaar bewyzen kan, dat de slaaf hem toebehoort. Deeze man heeft op het hoofd een net en een mand vol kleine visschen; hy houdt ook een groote mand in de hand, die alle voortbrengzels van zyne visch-vangst zyn. Zyne vrouw, die zwanger is, draagt verscheiden zoorten van vruchten, draaijende catoen op een klos, en vreedzaam haare pyp rookende; zy heeft nog een kind op haaren rug, en een ander loopt al speelende naast haar. Op die wyze is de arbeid van eenen Neger, onder eenen menschlievenden meester en geschikten Opzigter, niets meer, dan eene heilzaame lichaams-oeffening, die met het ondergaan der zon ophoudt, en hem een genoegzaam overschot van tyd overlaat, om te jagen, te visschen, zynen kleinen tuin te bebouwen, of manden en netten ter verkoop te maken. Voor den prys, dien hy daar voor maakt, koopt hy één of twee varkens, eendvogels en ander gevogelte, welken hy zonder moeite en kosten voedt op eenen grond, die het noodige daar toe van zelf voortbrengt; en op die wyze heeft hy 'er zeer veel voordeel by. In zulk eene gesteldheid is hy ontheven van hartseer; hy betaalt geene lasten, en hy beschouwt zynen meester alleenlyk als den beschermer van hem en zyn huisgezin. Hy bidt hem aan, niet uit vreeze, maar om dat hy in zyn hart overtuigd is, den voorspoed, dien hy geniet, aan hem verschuldigd te zyn. De door hem bewoonde luchtstreek staat gelyk aan zynen geboorte-grond, en bevrydt hem van het dragen van kleederen, het geen hy veel gemakkelyker en gezonder vindt. Hy kan zyne wooning bouwen, zoo als hy goedvindt, en het bosch verschaft hem de noodige bouwstoffen. Zyn bed is een hangmat, of mat, papaija genaamd. Hy maakt zyne eigene potten; en de calebassen, die hem tot schotels dienen, groeijen in zynen tuin. Nooit leeft hy te zamen met eene vrouw, welke hy niet bemint, want de beide echtgenooten verlaten elkander, zoo dra de één den ander moede is; en deeze scheiding gebeurt nochtans dikwerf minder dan de echtscheiding in Europa. Behalven de levensmiddelen, welken hy 's weekelyks van zynen meester ontfangt, weet zyne vrouw hem verscheiden zeer smakelyke spyzen toe te bereiden, als daar zyn de braf, zynde een huspot van Plaintain-boom vruchten en ignames, met gezouten vleesch, drooge visch, en peper van Cajenne te zamen gekookt; de tom-tom, een zoort van pudding, of taart, van meel van Indisch koorn gemaakt, en met stukjes vleesch, gevogelte, visch, peper van Caijenne, en zagte schillen van de ocra of althéa gebakken: de peperpot, zynde een kookzel van visch met Guineesche peper, het welk men met gebraden plantain-vruchten eet: de gangotay, zaamgesteld uit drooge visch en groene plantain-vruchten: de acansa en de doguenou, die van meel van Indisch koorn gebakken worden, waar by in de laatstgemelde suiker-syroop gevoegd word. Zyn gewoone drank is schoon water, waar in nu en dan een weinig rhum gegoten wordt. Indien hy ziek of gewond wordt, geneest men hem voor niet; maar hy gebruikt zeldzaam den Heelmeester, vermits hy zelf de geneeskragtige kruiden tamelyk wel kent; bovendien verrigt hy het zetten van koppen, of het doen van doorsnydingen van het vleesch, hem voor aderlatingen dienende, aan zig zelf. Zyn hoofd houdt hy zindelyk, door zyne hairen met vochtige kley te besmeeren; hy laat die daar op droogen, en wast dezelve 'er vervolgens met zeep sop weder af. Om zyne tanden zoo wit als yvoor te houden, neemt hy een stukjen hout van een orangenboom, waar van de vezelen aan één der einden van elkander zyn gescheiden, en tot een borsteltje dienen: men ziet geen Neger, het zy man of vrouw, zonder dit klein huisraad, het welk daarënboven het vermogen heeft, om den stank van den adem te verbeteren.

Dit is het geen zyn lichaam betreft. Wat zynen geest belangt, dezelve wordt nooit ontrust door vreeze voor den dood, nog door knagingen van het geweten; want een Neger gelooft vastelyk het geen men hem geleerd heeft, en het welk eenvoudig en klaar is. Wanneer hy het leven heeft afgelegd, brengen zyne nabestaanden en vrienden hem in een boschjen van oranjeboomen, alwaar zy hem begraven, niet zonder onkosten, want doorgaans leggen zy hem in een kist, die van best hout fraay gewerkt is, en tevens doen de lykzangen, zuchtingen en geschreeuw, de lucht weergalmen. Het graf gevuld zynde, en met groene zoden bedekt, zet men twee groene calebassen op zyde, de ééne vol met water, de andere met verschillende zoorten van gekookt vleesch en cassave, het geen men doet, niet zoo als zommige lieden meenen, in het denkbeeld, als of de doode dit zoude kunnen benoodigd hebben, maar als een blyk van hoogachting, die men voor zyne nagedachtenis heeft: zomtyds zelfs brengt men 'er het weinige huisraad, door hem nagelaten, en breekt het op zyn graf aan stukken. Na het afloopen deezer plechtigheden nemen alle de omstanders afscheid van hem; zy spreken tot hem, als of hy hun verstaan konde; zy verzekeren hem van het leed, het welk zy door hunne scheiding ondervinden; zy zeggen eindelyk, dat zy hem hopen weder te zien, niet in Guinée, het geen men ongeschikt oordeelt, maar in dat gelukkig verblyf, alwaar hy thans het gezelschap zyner voorvaderen, zyner nabestaanden, zyner vrienden geniet. De plechtigheid deezer begraaffenis eindigt met jammerkreeten, en vervolgens keert men naar huis te rug. Des anderen daags slacht men een vet varken, eendvogels, ander gevogelte, enz.; en de vrienden geven aan de andere Negers een feest, het welk eerst den volgenden dag eindigt. Tot een teeken van rouwe, scheeren mannen en vrouwen zig het hoofd, en omwinden het met een blaauwen doek, dien zy het geheele jaar dragen. Wanneer dit jaar verstreken is, gaan zy weder naar het graf; zy leggen aldaar de laatste offerhanden neder; zy zeggen den overledenen als nog vaar wel; vervolgens vieren zy een ander feest, en het zelve eindigt met een vrolyken dans, en lofzangen ter eere van den nabestaanden of vriend, die hen verlaten heeft.

'Er is geen volk, waar van de byzondere persoonen, die het zelve uitmaken, meerder achting en vriendschap jegens elkander gevoelen, dan de Neger-slaven. Zy schynen verrukt te zyn, wanneer zy zig by elkander bevinden, en zy zyn nimmer van vermaken uitgeput, om elkander het gezelschap te veräangenamen. Eene zekere vrolykheid, welke zy Soesa noemen, bestaat in het springen tegen over zynen dansser of dansseresse, de handen op de heupen slaande, om de maat te houden. Zy zyn op dit zoort van oeffening zoo heet, dat dezelve dikwils met zeven of agt paaren danssers te gelyk plaats heeft, het geen, door het te groot geweld, den dood van verscheiden hunner meer dan eens veröorzaakte; waarom de Regeering van Paramaribo hetzelve verboden heeft.

De Negers zyn vlug en sterk, maar hun grootste vermaak is het zwemmen; het geen zy twee of drie malen daags doen, onder malkander en by hoopen van jongens en meisjens, even als de Indianen; en de beide kunnen onderscheiden zig door hunnen moed, kragt en werkzaamheid. Ik heb eene jonge Negerin de Commewyne zien overzwemmen, een jong sterk manspersoon voorby zwemmende, en, toen zy aan de overzyde aankwam, door haar aan hem hooren voorstellen, om een weg van twee mylen af te leggen, en hem nog voor uit te blyven.--Ik moet thans spreken van het speeltuig der Negers, en de manier, op welke zy danssen. Men herinnert zig ongetwyffeld, het geen ik van die der Loango-stam ten deezen opzigte gezegd heb; het geen nu zal volgen, is aan alle de andere stammen gemeen.

Hun speeltuig, dat zeer vernuftig is, en door hen zelven gemaakt word, heb ik op eene afzonderlyke plaat afgebeeld.

Nº. 1. De qua-qua; eene plank van een hard en geluidgevend hout, welke aan de eene zyde door een dwarshout in de hoogte wordt opgeligt, en waar op men met twee yzere staafjes, of twee beenderen, als op een trommel, slaat.

Nº. 2. De Kiemba-toetoe; een hol riet, waar op de Negers met den neus blaazen, even als de bewooners van het Eiland Taïti. Deeze fluit heeft niet meer dan twee openingen, de eene om op te blazen, de andere om 'er de vingers op te houden.

Nº. 3. De Ansokko-bania; een plank van hard hout, aan wederzyden als een voetbank verheven, en waar op kleine houtjes van verschillende gedaanten zyn vast gemaakt. Men slaat daar op met twee stokjes, als op een hakbord, het geen verschillende geluiden voortbrengt, die niet onäangenaam zyn.

Nº. 4. De groote Creoolsche trommel, gemaakt uit den stam van een hollen boom. Dezelve is aan de eene zyde open; aan de andere met een schapen-vel overdekt. Die deeze trommel slaat, zit 'er boven op, en slaat met de vlakke hand, het geen genoegzaam overëenkoomt met een basviool of qua-qua.

Nº. 5. De groote Loango trommel, die aan beide zyden gesloten is, en dezelfde uitwerking doet, als de keteltrom.

Nº. 6. De kleine trommel, genaamd papa drum, welke men op dezelfde wyze slaat als de andere.

Nº. 7. De kleine Loango trommel, die te gelyker tyd met de groote geslagen wordt.

Nº. 8. De kleine Creoolsche trommel, die mede tot het zelfde einde dient.

Nº. 9. De Coeroema, een zoort van beker, konstig gemaakt, insgelyks met een schapen-vel overdekt, waar op men met twee yzere staafjes, of twee stokjes slaat, even als op de qua-qua.

Nº. 10. De Loango-bania. Dit is een zeer merkwaardig speeltuig. Het is gemaakt van een plank van zeer droog hout, waar op twee schuinsche klampen zyn vast gemaakt. Boven dezelve zyn eenvoudig kleine houte stokjes van elastiek palmhout geplaatst, die van ongelyke lengte zynde, boven op een derde klamp schynen uit te maken.

Nº. 11. Eene groote ledige Calebas, dienende tot opblaazing van het geluid van de Loango-bania, waar van de stokjes met de vingers worden opgeligt, ten naasten by als de klauwieren van een forte piano; en dit speeltuig is dan aangegenaam en zacht.

Nº. 12. De Saka-saka; zynde een calebas, met een stok uitgehold. Dezelve is met een mouw overtrokken, en vol met kleine nooten en erweten, ten naasten by als de toover-schelp der Indianen.

Nº. 13. Een Zee-schelp, waar op de Negers blaazen, het zy uit vermaak, het zy om gerucht te maken, maar zynde by het danssen van geen gebruik.

Nº. 14. De Benta; een tak als een boog gespannen, door middel van een koord van droog riet, of Warimbo, het welk men tusschen de tanden houdt, waar op men met een kort eind hout slaat, en het welk men links en rechts weet te bewegen. Het zelve geeft een geluid, byna naar dat van een jagthoorn gelykende.

Nº. 15. De Creoolsche Bania; een speeltuig, het welk naar eene mandoline of guitaar gelykt. Het is gemaakt van een halve calebas, met een schapen-vel overdekt, en waar aan eene lange mouw is vast gemaakt. Dit speeltuig heeft vier koorden, waar van drie lang zyn, en het vierde kort en dik is, en tot een bas dient. Men speelt 'er met de vingers op; het geeft een zeer aangenaam geluid, het welk nog aangenaamer wordt, wanneer het met gezang vergezeld gaat.

Nº. 16. De oorlogs-trompet, om het laden of den aftocht te bevelen, enz. De Negers noemen dezelve tou-tou.

Nº. 17. De Jagthoorn, geschikt om de plaats van deeze trompet te vervullen, of om de slaven der Plantagiën tot den arbeid te roepen.

Nº. 18. De Loango-tou-tou, een fluit, waar op de Negers even als de Europeanen spelen. Zy heeft alleenlyk vier gaten voor de vingers, en echter brengt zy eene groote verscheidenheid van geluiden voort.

Dusdanig is het speeltuig der Negers, op welks geluid zy met meer vermaak danssen, dan men in Europa op dat van het beste orkest doet.

By het geen ik gezegd heb, moest ik nog voegen, dat zy by hun zingen en danssen, het welk zeer veel gelykt naar het geluid van een bakker, die zyn brood uit den oven haalende, aanhoudend roept touchety-touk, touchety-touk, de maat slaan op één, en op een halve maat, maar nooit op drie.

Alle Saturdag avonden eindigen de slaven, die wel behandeld worden, de week met eene vrolykheid van dien aart; en doorgaans geeft men hun alle drie maanden eene groote dans-party, waar op hunne medgezellen uit de nabuurschap genoodigd worden. Dikwils verëert hun meester het feest met zyne tegenwoordigheid, of hy zendt ten minsten nieuwe rhum aan de danssers.

De slaven zyn op deeze danspartyen zeer netjes uitgedoscht; de vrouwen verschynen aldaar met haare beste kleederen, van Indische stoffen gemaakt, en de mannen met lange broeken van het fynste Hollandsche linnen. Zy zyn zoo heet op het danssen, dat ik hun van zaturdag s' avonds ten zes uuren tot maandag 's morgens met het opkomen van de zon, zonder ophouden den trommel heb hooren slaan; hebbende zy alzoo met danssen, zingen, schreeuwen en handgeklap, zes-en-dertig uuren doorgebragt. De Negers danssen altyd paar aan paar; de mans maken de figuren en teekenen de passen af; de vrouwen draaijen, houdende haaren kleinen rok als een zonnescherm uitgespreid. Zy noemen deezen dans waey-cotto. De jonge lieden, die rusten, schenken den drank in; de meisjens moedigen de danssers aan, en droogen het zweet aan het voorhoofd van hunne onvermoeide musikanten af.

Het is verwonderlyk, om de orde en goede verstandhouding, die op deeze dans-partyen heerschen, te aanschouwen. Het vermaak in het danssen is het waare en eenige voorwerp; en de Negers, ik moet dit herhalen, zyn 'er zoo verhit op, dat ik 'er één, die kortlings ingevoerd was, en geene dansseres had, twee uuren lang heb zien staan kyken naar zyne schaduw, welke zig op den muur vertoonde.

Indien men by al het geen ik van het lot der Negers, die aan eenen goeden meester onderworpen zyn, gezegd heb, nog voegt, dat zy zig nooit van elkander afscheiden; dat de vaders hunne kinderen rondöm hun zien, zomtyds zelfs tot in het derde geslacht; dat zy voor 't overige zeker zyn, van in hun geheele leven geen gebrek te lyden; en indien men eindelyk het lot van deeze menschen vergelykt by dat der bedelaars, die in grooten getaale de straaten der steden in Europa vervullen, kan men hen zekerlyk niet ongelukkig noemen.

Thans, om in weinige woorden alles zamen te trekken, en om geene tegenstrydigheid met my zelven te doen voorkomen, na zoo dikwerf de trekken van onmenschelyke wreedheden van verscheiden meesters verhaald, en niet dan by toeval van de menschlievenheid van zommige anderen gesproken te hebben, zy het my geöorloofd, om met een woord over het ontwerp eener algemeene afschaffing der slaverny te spreken.--Indien wy onze nabuuren konden overreden, om van gelyken te doen, zoude het een ander geval zyn; maar dewyl men aan de eigenaars op de Engelsche Eilanden de wreedheden niet kan te last leggen, welken ik zoo dikwerf in Surinamen heb zien plegen, waarom zouden wy ons gedragen, als of die aldaar plaats hadden? waarom zouden wy onze Planters verjagen, en hen naar eenen grond verzenden, die veel ryker, en van natuure veel vruchtbaarer is, als mede onder een bestuur, het welk den vryen invoer der Negers toestaat, terwyl ons oogmerk alleenlyk is de willekeurige kastydingen te beletten, die deeze zelfde Planters vastgesteld hebben. [70]

Verscheiden Colonisten stellen zulk een vertrouwen in hunne slaven, dat zy dikwils hunne kinderen liever aan eene Negerin geven om te zogen, dan aan eene Europeesche vrouw; en zommige slaven zyn zoodanig aan hunnen meester verkleefd, dat ik 'er gekend heb, die hunne vrylating geweigerd hebben, en anderen, die hunne vryheid reeds genietende, vrywillig in eenen staat van afhangelykheid zyn te rug gekeerd. Niemand is volmaakt vry in deeze weereld, en wy moeten allen de één van den ander afhangen.--Ik zal derhalven dit uitgebreid hoofdstuk besluiten met deeze algemeene aanmerking, dat alle geluk op aarde enkel in verbeelding bestaat, en dat men die altyd verkrygen kan, wanneer de gezondheid des lichaams, en de vrede der ziele door eenen onderdrukkenden geweldenaar niet ontrust worden.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De muitelingen voeren verscheiden Negerinnen weg. --Aanstootelyke wyzen van straföeffening. --Onverschrokkenkeid der Negers.--Verschillende zoorten van Gier-vogels.--Gekuifde Arenden. --Beschryving van eene Indigo-Plantagie. --Kaneel-Appel.

In weêrwil van de herhaalde nederlagen der muitelingen, vernam men den 15den Augustus, op Paramaribo, dat zy eenen aanval gedaan hadden op de Plantagie Berg-en-Daal, of den blaauwen Berg, anders ook genoemd Parnassus-Berg, gelegen aan het bovenste gedeelte van de Rivier Surinamen; en dat zy, zonder eenige daad van wreedheid te plegen, het geen maar al te veel hunne gewoonte was, alle de Negerinnen van daar hadden weggevoerd, schoon op eenen korten afstand een wachtpost geplaatst was. Op deeze tyding zond men een hoop jagers af, om hen te agtervolgen; en byna ter zelfder tyd deed men door zeven honderd Negers het beruchte cordon, of den verschansten weg, maken, welke reeds zedert lang ontworpen was. Deeze weg moest verdedigd worden door leger wachten, wier post was de Plantagiën voor nieuwe overrompelingen te beveiligen, en het wegloopen der slaven te beletten.

De Plantagie Parnassus-Berg is gelegen aan de westzyde der Rivier Surinamen, die door de kronkelingen, welken zy vervolgens maakt, op deezen afstand honderd mylen van Paramaribo af ligt. Dewyl het gezicht van deeze Plantagie aller aangenaamst is, biede ik 'er den Lezer eene afteekening van aan, als mede van de Savane der Joden, een dorp of gehucht, in eene rechte lyn meer dan veertig mylen van deeze hoofdstad der Volkplanting, en meer dan zestig mylen te water af gelegen. De Joden bezitten aldaar eene zeer fraaije Synagoge, in welke zy hunne Godsdienst-plechtigheden verrigten. Zy hebben 'er ook scholen en huizen van opvoeding, want deeze plaats wordt door verscheiden aanzienlyke huisgezinnen van hunne natie bewoond. Deeze zelfde lieden genieten in Surinamen byzondere rechten en voorrechten, die hun door KAREL II. vergund wierden, toen deeze Volkplanting aan de Engelschen toebehoorde; en deeze voorrechten zyn zoo groot, als zy die ergens bezitten.

De Rivier Surinamen is, van de stad Paramaribo, of liever van het Fort Amsterdam af, even als de Cottica en Commewyne, door fraaije Suiker- en Koffy-Plantagiën omzoomd; en 'er ontspringen uit dezelve verscheide kreeken of kleine Rivieren, als de Paulus, de Para, de Cropina, en de Pararaca; maar hooger dan Parnassus-Berg, vindt men niets, het welk eene Plantagie genoemd mag worden. De Rivier is ook op deezen afstand niet meer bevaarbaar, zelfs niet voor kleine vaartuigen, uit hoofde van de vervaarlyke rotsen en watervallen, die haar verstoppen, naar maate zy tusschen zeer hooge bergen, en ondoordringbaare bosschen doorloopt. Deeze natuurlyke bolwerken, schoon zy de liggingen verrukkelyk maken, beletten echter de bezitters der Volkplanting, om ontdekkingen te doen, die hun misschien hunnen arbeid door onmeetlyke schatten vergoeden zouden,

Zoo al de muitelingen zoo veele wreedheden op de Plantagiën niet meer pleegden, zy waren in de hoofdstad tot eene aanstootelyke hoogte gestegen. Ik hoorde aldaar onöphoudelyk het geklater der zweepslagen, en het gekerm der Negers. Onder de eigenaars, die op het vervolgen hunner slaven byzonder vuurig waren, bevond zig zekere Mevrouw SP--N, wier Plantagie in de nabuurschap van die van den heer DE GRAAF gelegen was, en welke ik op zekeren tyd met schrik uit haar raam het onmenschelyk bevel hoorde geven, om eene jonge Negerin voornamelyk op den boezem te geesselen, een schouwspel, waar in zy een byzonder genoegen scheen te scheppen. Den indruk, die deeze vertooning op mynen geest gemaakt had, willende verzetten, ging ik tot vermaak een eind weegs om ryden; en het eerste voorwerp, het welk zig aan myn oog vertoonde, was eene andere Negerin, ook jong zynde, die byna naakt boven van een zolder, op een hoop gebroken flessen neder viel: 't is waar, dit was een ongeluk, maar dit ellendig schepzel had zig zoo schroomelyk bezeerd, dat zy zig in eenen even deerniswaardigen staat bevond, als de eerstgemelde.--Myn lot verwenschende, keerde ik aan de haven-kant myn rydtuig om, alwaar ik het verdriet had, om twee Engelsch-Americaansche matroosen, die op de voorplecht van hun schip met elkander vochten, in het water te zien vallen en verdrinken. Op een ander Americaansch schip ontdekte ik eenen kleinen scheepsjongen, die, met een byl gewapend zynde, zig boven uit de mast tegen een Sergeant en vier soldaten zeer lang verdedigde; deeze waren genoodzaakt hem te dreigen van op hem te zullen schieten, zoo hy zig niet overgaf, het geen hy eindelyk deed. Men bragt hem dus aan wal, door twee zyner medgezellen vergezeld, en met een wacht van twee gelederen soldaten; men geleide hen alle drie naar het Fort Zelandia, alwaar zy, volgens des Capitains eisch, en om dat zy zig geduurende hunnen dienst hadden dronken gedronken, elk de fire cant ontfingen; daar in bestaande, dat zy met twee bambous-rieten op de schouders werden afgerost, tot dat dezelve opgezwollen en geheel zwart waren. De Capitain trachte echter dit zoort van willekeurige straföeffening te wettigen, uit hoofde der noodzakelykheid, en om dat de Americaansche matroosen en scheepsjongens de onstuimigste menschen zyn, wanneer zy dronken zyn, schoon 'er geene de minste reden tot twist aanwezig is: men kan hen onder de beste zeelieden der weereld rekenen.

Des anderen daags morgens, my bezig houdende met de gevaaren en kastydingen, waar aan het volk van lageren rang is bloot gesteld, te overwegen, hoorde ik eene groote meenigte voor by myne wooning loopen. De nieuwsgierigheid deed my opstaan, en my in aller yl aankleeden, om te verneemen, wat 'er gaande was. Ik vernam toen drie Negers, geketend en door eene talryke wacht omringd, welke in de Savane hunne straf gingen ontfangen. Hun stout en onbeschaamd voorkomen trok myne aandacht zoodanig derwaarts, dat ik, in weêrwil van myne afkeerigheid voor dergelyke vertooningen, besloot te gaan zien, wat het gevolg van dit alles wezen mogt.--Men las het vonnis, in plat Hollandsch opgesteld, het welk deeze ongelukkigen niet verstonden. De eerste wierd veröordeeld, om met een byl het hoofd te worden afgehouwen, vermits hy een slaaf gedood had, die op de Plantagie van zyne meesteresse bananen was komen steelen. De waarheid der zaak was, dat hy dien moord op uitdrukkelyken last van deeze vrouw gepleegd had; maar toen de misdaad ontdekt was, liet zy 'er haaren slaaf voor opdraaijen, om haaren goeden naam te behouden, en de kosten van boete en schadeloos-stelling uit te winnen. De arme keerel leide zyn hoofd met onverschilligheid op het blok neder, en ontfing den dood in éénen slag. De tweede, die zyn medepligtige was, wierd onder de galg gegeesseld. De derde, wiens naam NEPTUNUS was, was een vry persoon, en een timmerman van zyn ambacht; maar, ter gelegenheid van zekeren twist, den Opzigter der Plantagie Altona, aan de Para Kreek, gedood hebbende, wierd hy rechtvaardig veröordeeld om het leven te verliezen. De byzonderheden van zyne misdaad en straf zyn merkwaardig. Deeze Neger, die jong en wel gemaakt was, een schaap gestolen hebbende, om 'er eene vrouw op te onthaalen, door welke hy bemind wierd, besloot de Opzigter, die van jaloersheid brandde, hem te laten ophangen. NEPTUNUS, om dit voor te komen, schoot in een veld van suiker-riet een snaphaan op hem af, zoo dat hy dood ter aarde viel. Tot straf van deeze misdaad wierd hy verwezen, om levendig gerabraakt te worden, zonder den genade-slag te ontfangen. Van den inhoud van dit verschrikkelyk vonnis onderrigt zynde, plaatste hy zig zonder tegenkanting op een sterk kruis, vervolgens strekte hy de armen en beenen uit, welken men met touwen vast bond. De scherprechter (zynde altyd een Neger,) nam de byl, en hieuw hem de linke hand af, waar na hy, een yzeren koevoet in de vuist nemende, hem met verdubbelde slagen de beenderen aan stukken sloeg. De touwen wierden vervolgens los gemaakt, en meenende dat hy dood was, gevoelde ik my zelf als getroost; maar toen de rechters op het punt waren om heen te gaan, wierp de misdadiger zig zelf van boven neder van het kruis, en viel in het gras, vervloekende zyne rechters als een hoop van gruwelyke schelmen. Vervolgens met zyn hoofd tegen het kruis aanleunende, verzogt hy aan de omstanders een pyp tabak, die onmeedoogend genoeg waren, om hem zulks te weigeren, hem met den voet stootende, en op hem spuwende, het geen echter eenige Americaansche matroosen vervolgens beletteden. Hy smeekte toen, maar vrugteloos, dat men hem het hoofd wilde afhouwen. Eindelyk, geen einde aan zyn lyden ziende, verklaarde hy:--"Dat hy den dood verdiend had, maar niet verwagtte, dat men hem zoo veele maalen zoude doen sterven. Met dit al, vervolgde hy, gy bereikt uw oogmerk niet; ik lach in alle uwe folteringen, al moest ik hier nog een maand zoo blyven liggen."

Dit gezegd hebbende, zong hy agter malkander, en met eene heldere stem, twee liederen, by het ééne van welke hy aan zyne naastbestaanden en vrienden vaar wel zeide, en by het andere aan zyne overledene vrienden berigtte, dat hy spoedig in het gelukkig verblyf, door hen bewoond, hun gezelschap zoude genieten. Toen hy geëindigd had, verhaalde hy bedaard zyn rechtsgeding, met alle deszelfs byzonderheden.--"Maar, zeide hy eensklaps tot de geenen, die hem omringden, ik zie aan de hoogte van de zon, dat het byna agt uuren is, en het zoude my leed doen, dat gy, door myn langer spreken, uw ontbyt zoudt verliezen." De oogen toen naar eenen Jood, DE VRIES genaamd, gewend hebbende, zeide hy hem. "Ei lieve, myn heer, wilt gy my betaalen de vyf guldens, welken gy my schuldig zyt?--Om wat te doen, antwoordde de Jood?--Om eeten en drinken te koopen; ziet gy niet, dat men my laat leven?" De Jood op deeze woorden agter uit deinzende, lachte de ongelukkige misdadiger hem opentlyk en van goeder harten in het aangezicht uit. Vervolgens den soldaat aankykende, die by hem de wacht hield, en van tyd tot tyd in een stuk droog brood beet, vroeg hy hem:--"Waar het by toe kwam, dat een blanke geen ander ontbyt had?"--"Om dat ik niet ryk ben, antwoordde de soldaat."--"Wel nu, ik wil u een geschenk doen, hernam de Neger: neemt de hand, die men my heeft afgekapt; eet die tot op het been toe af; verslind vervolgens myn lichaam, tot dat gy verzadigd zyt; gy zult dan een ontbyt gedaan hebben, het welk u voegt." Hy deed deeze schimprede met een schaterenden lach gepaard gaan; en ging op die wyze voort, geduurende de drie uuren, dat ik aldaar verbleef. [71]

Het is verbazend, dat iemand de kracht heeft, om dergelyke folteringen door te staan; voorzeker kan hy dit niet doen, dan door eene vermenging van woede, hoogmoed, verachting, en de zekerheid, dat hy zyne vervolgers en beulen spoedig ontkomen zal.

Ik heb de byzondere omstandigheden van zulk eene straföeffening, die geen daad van wreedheid van eenig byzonder persoon was, breedvoeriger verhaald, om een voorbeeld te geven van de ongemeene gestrengheid der Surinaamsche wetten.

Verder moet ik alhier een toeval verhalen, het welk slechts een oogenblik op myne verbeelding werkte, maar van een langduuriger uitwerking had kunnen zyn by iemand, die 'er de oorzaak niet van wist, welke ik echter zeer gemakkelyk ontdekte. Des namiddags omtrent drie uuren, myn geest nog vervuld zynde met het aandoenlyk toneel van des morgens, ging ik naar de strafplaats toe, alwaar myn oog het eerst viel op het hoofd van den gestraften Neger, het welk boven op een paal gestoken was, en heen en weder waggelde, als of hy nog geleefd had, en my eenig teeken wilde geven. Ik bleef oogenblikkelyk staan, en niemand in de Savane ziende, alwaar zelfs geen wind genoeg was, om een blad te doen ritselen, erken ik, dat ik my gevoelde, als aan den grond vast gehecht, en een tyd lang geen moed had om voorwaarts te gaan. My vervolgens myne zwakheid verwytende, van naar iets van dien aart niet te durven naderen, en te onderzoeken, welke de reden van een dergelyk verschynsel wezen mogt, bespeurde ik zulks zeer schielyk door het vliegen van een Giervogel, die zig op dit hoofd kwam nederzetten, als wilde hy my een dergelyken buit betwisten. Hy had hem reeds één zyner oogen uitgepikt, toen hy op myne eerste aannadering wegvloog; en by dit wegvliegen met de pooten tegen dit hoofd stootende, veroorzaakte hy deeze schielyke beweging. Ik moet by dit alles voegen, dat de ongelukkige NEPTUNUS, nog by de zes uuren na het ondergaan van zyne straf geleefd hebbende, uit mededogen van den soldaat, die de wacht hield, een slag met de kolf van den snaphaan kreeg, waar van ik de teekens nog zag.

Zommige Schryvers vergelyken den Giervogel by den Arend; maar die van Surinamen heeft dezelfde hoedanigheden niet: hy is in de daad een roofvogel, maar in plaats van zig te voeden met de dieren, welken hy doodt, leeft hy niet, dan van krengen. Dienvolgende verschynt hy veel op de kerkhoven, en de plaatsen, waar men doodstraffen uitoeffent; het geen zyne reuk zoo klaar aanduidt, dat de Negers hem tingy fowlo, den stinkenden vogel, noemen. De Giervogel in Guiana heeft de grootte van eene gewoone kalkoen. Zyne vederen hebben eene donker gryze kleur, uitgenomen de vlerken, die zwart zyn. Hy heeft een vooruitstekende, sterke en kromme bek, een gespleten tong, een langen hals, en zeer korte pooten. Behalven het straks gemelde voedsel, eet hy dikwils slangen, en zelfs alles wat hy vindt, in zulk eene meenigte, dat hy somtyds moeite heeft om te vliegen.

De vogel, genaamd de Koning der Roofvogelen, is in Surinamen niet zeer gemeen, schoon de Indianen 'er zomtyds één of twee te Paramaribo brengen, uit hoofde van deszelfs ongemeene fraaiheid. Hy is grooter, dan eenig zoort van kalkoenen. De huid van zyn kop en hals, die geene vederen hebben, is gemengd van eene scharlaken, violet en bruine kleur. Hy draagt een halsband van lange en dik op elkander zittende vederen, waar in hy zoodanig kan ingedoken zyn, dat men naauwlyks zyn kop ontdekt. Deeze vogel leeft insgelyks van bedorven vleesch, slangen, rotten, padden, en zelfs van drek.

Onder de roofvogelen in de Surinaamsche bosschen telt men den gekuifden Arend, een zeer wild en sterk dier. Zyne vederen zyn zwart op den rug, maar geelachtig naar de stuit; zyn borst, buik, dyën, en zelfs zyne pooten, zyn wit met zwarte vlakken; het overige van zyn lichaam is geheel bruin, en de klaauwen volmaakt geel. Deeze vogel heeft eene platte kop, vercierd met een kuif van vier vederen, twee lange en twee korte, die hy naar willekeur verheft of laat vallen.

Den 24sten, zynde den geboortedag van den Prins van Orange, gaf de Colonel FOURGEOUD aan de gezamentlyke Officiers een middagmaal van gezouten ossen en varkens-vleesch, van puddings van garste meel, en gedroogde visch. Dewyl JOANNA steeds by haar besluit bleef volharden, nam ik op dien zelfden dag, in tegenwoordigheid van haare moeder en andere nabestaanden, de verbintenis aan van de goede Mevrouw GODEFROY;--"van haar aan niemand dan aan my te verkoopen. Deeze Mevrouw schonk, by haaren dood, niet alleen aan haar haare vryheid, maar ook een stuk land om te bebouwen, waar op men voor haar eene gemakkelyke wooning zoude stichten, waar over zy de vrye beschikking hebben zoude." Mevrouw GODEFROY gaf my vervolgens myn briefje van negen honderd guldens te rug, en deed aan JOANNA een geschenk van eene beurs van twintig goude ducaten, en twee fraaije stukken Indisch linnen. Zy raade my tevens, om aan den Raad een verzoekschrift in te leveren, tot dadelyke vrymaking van myne JOHNNY.--"Eene noodzakelyke plechtigheid, zeide zy my, het zy ik een borg vond, het zy niet, en zonder welke zelfs in het eerstgemelde geval niets verrigt zoude zyn."

Beiden betuigden wy onze oprechte dank-erkentenis aan deeze uitmuntende vrouw, en door vreugde zynde opgenomen, ging ik by den Gouverneur des avonds ter maaltyd, en bood hem myn verzoekschrift aan, het welk in goede orde was opgesteld. Zyne Excellentie nam het aan, met het hoofd schuddende, en my de hand drukkende; maar hy erkende my rond uit:--"Dat hy volkomen overtuigd was, dat myn zoon slaaf zou sterven, ten waare ik de borgtocht, die de wet vorderde, vinden konde, 't geen niet gemakkelyk was." Na derhalven veel moeite en tyd verloren te hebben, na meer dan vyf honderd guinies betaald te hebben, had ik nog de onuitspreekelyke smarte, om hem, van wien ik vader en eigenaar tevens was, misschien aan eene eeuwige slavernye te zien bloot gesteld. JOANNA zelve had toen niets meer te vreezen, het geen my een groot genoegen deed.

Te midden echter van eene zoo billyke neêrslagtigheid, deed zich eene gelukkige hoop juist ter snede op. De beruchte Neger GRAMAN QUACY, van wien ik reeds gesproken heb, kwam uit Holland aan, en had de tyding verspreid, dat men, door zyne tusschenkomst, eene wet gemaakt had, volgens welke alle slaven, zes maanden na hunne ontscheping in Texel, vry zouden zyn. De eigenaar konde nochtans dien tyd voor zes andere maanden verlengd krygen, na verloop van welken geen uitstel meer, zelfs voor geen enkelen dag, zoude worden toegestaan.--In myne ziel nu overtuigd zynde, dat ik vroeg of laat, en zoon, en moeder, in Europa brengen zoude, was myn hart uittermaten getroost.

Alvoorens het verhaal van myne reize te eindigen, zal ik omtrent deezen GRAMAN QUACY eenige byzonderheden opgeven. Het zal genoeg zyn voor het tegenwoordige te zeggen, dat de Prins van Orange, niet genegen zynde hem de kosten uit zyn beurs te betalen, en hem veele geschenken te doen, hem te rug zond, gekleed in een scharlaken en blaauwen rok, om welken een breed goud boordzel gelegd was; hy had een witten veder op zyn hoed; en hy geleek dus naar een Hollandsch Generaal. Die goedheid van den Prins maakte deezen Koning der Negers zeer hoogmoedig, en nu en dan zelfs zeer onbeschaamd.

De Gouverneur der Volkplanting gaf den 27sten, een zeer kostbaar festyn aan zyne vrienden, op zyne Indigo-Plantagie, eenige mylen agter zyn paleis gelegen. Hy deed my de eer aan, om my daar by te verzoeken, en ik had het genoegen, om het maken van Indigo te zien, waar van ik de behandeling thans zal opgeven.

De Indigo-plant is een knobbelig heester-gewas, dat van zaad voortkoomt, by de twee voeten hoog groeit, en in den tyd van twee maanden zyn volkomer wasdom verkrygt. Deeze plant vordert een vrugtbaaren grond, en men moet het onkruid zorgvuldig uitwieden. Men ziet dezelve doorgaans, vier of vyf dagen, na dat het zaad in den grond geworpen is, uitkomen. Het zyn in het begin knobbelige stronkjes, voorzien van kleine takjes, die verscheiden paaren van bladeren dragen, en altoos met een ongelyk blad eindigen. Deeze bladen zyn eirond, glad, zagt in 't aanraken, aan de boven-zyde van eene donker groene kleur, aan de beneden-zyde bleek groen, ongetand, en aan eene byna onzigtbaare steel vast gehecht. De bloem behoort onder het zoort van die geenen, die tot een peul of schil groeijen, en hangt aan eene zeer korte steel. Wanneer de bladen van de bloem zyn afgevallen, groeit der zelver hart in de lengte, en wordt een peul, die langwerpig, krom gebogen, glad, helderschynend, puntig uitloopende, bruin van buiten, en wit van binnen is, en zeven of acht pitten bevat, die door een klokhuis van elkander zyn afgescheiden. Elke pit vertoont een kleine rol, grys of olyfächtig van kleur, en een lyn lang.

Zie hier de manier, op welke deeze plant tot Indigo bereid wordt. Wanneer men alle de takken heeft afgesneden, bindt men dezelven tot schoven of bossen, legt die in een groote kuip vol water, en bedekt dezelven met zwaare stukken hout, die tot perssen dienen. Alles op die manier zynde gereed gemaakt, begint de gisting zeer spoedig; in minder dan agtien uuren schynt het water te koken, en de verwstof der plant naar zig trekkende, verkrygt het zelve eene blaauwe violet kleur. Tot dien staat van gisting gekomen zynde, laat men het water in een tweede kuip overloopen, die zomtyds minder groot is; en dan zuivert men het zorgvuldig van alle stukjes hout, welken men weg werpt. De stank, die dit water opgeeft, maakt deeze bewerking zeer ongezond. Dit water, in de tweede kuip overgegoten zynde, wordt met houten spadels omgeroerd, tot dat het kleurend gedeelte zig afscheidt, en tot kleine bolletjes zamenloopt, die naar den bodem zinken. Het water herneemt dan op deszelfs oppervlakte zyne natuurlyke doorschynendheid; en men giet het nog eens, tot aan dat gekleurd zinkzel, in een derde kuip, ten einde de stukjens Indigo, die 'er nog in vervat zouden mogen zyn, mede naar den grond zinken; waar na men dit water weg giet, en het zinkzel of de Indigo wordt gelegd in vaten, die geschikt zyn, om 'er in te droogen. Het raakt alzoo alle verdere vochtigheid, die 'er nog in mogt zyn, kwyt; het krygt aldaar de gedaante van kleine vierkante langwerpige brooden, van eene fraaije lichtblaauwe kleur, en is dan tot de vervoering geschikt. [72] Men kweekt de Indigo-Fabrieken in deeze Volkplanting weinig aan. Ik weet 'er de reden niet van, want de koek, welke zy voortbrengt, wordt verkogt voor vier guldens het pond; beste Indigo moet ligt, hard, en brandbaar zyn.

De aankweeking van deeze plant is in Surinamen begonnen door zekeren DESTRADES, die zig een Fransch Officier noemde, en het zaad daar toe uit St. Domingo medebragt. Dit had eerst in later tyd plaats, dewyl ik zelf deezen armen keerel nog gekend heb, die zig op Demerary met een pistool-schoot het leven benam.--Dewyl de omstandigheden van zynen dood vry merkwaardig zyn, kan ik myne geneigdheid, om dezelve kortelyk te verhaalen, niet wederstaan. Deeze man, zig in schulden gestoken hebbende, maakte het overschot van zyne bezittingen tot geld, en vluchte uit de Volkplanting van Surinamen weg. Zig in de Spaansche bezittingen met verboden handel hebbende opgehouden, wierd al het geen hy bezat vervolgens in beslag genomen. Geen uitkomst meer hebbende, vervoegde hy zig by één zyner vrienden op Demerary, die de menschlievenheid had om aan hem eene vryplaats te verleenen. Hy had daar van slechts eenigen tyd gebruik gemaakt, toen eene verzweering aan zynen schouder doorbrak; maar hy weigerde bestendig alle hulp, en om zich te laten bezichtigen. Het ongemak wierd met dit al erger, en zelfs gevaarlyk; maar DESTRADES bleef 'er altyd by met het bedekt te houden. Eindelyk geraakte op zekeren dag het geheele huis in ontsteltenis, toen men hoorde, dat 'er een schietgeweer in zyne kamer afging. Men trad binnen, en vond hem, met zyn besten rok aangekleed, maar zwemmende in zyn bloed, met een pistool, het welk by hem op den grond was gevallen. Toen ontkleedde men hem, en tot groote verbaazing der tegenwoordig zynde lieden, ontdekte men de letter V (voleur: dief:) op dien zelfden schouder, welken hy niet had willen vertoonen.--Dus eindigde het leven van eenen man, die eenige jaaren lang te Paramaribo met roem geleefd had, en aldaar over het algemeen geacht was.

Na het eeten verliet ik de Plantagie van den Gouverneur, en begaf my, in het rydtuig van zyne Excellentie, tot aan den oever der Rivier, alwaar ik een overdekt vaartuig met agt riemen vond, om my naar de Plantagie Catwyk aan de Commewyne te brengen. De heer GOETZÉE, een Hollandsch Zee-Officier, die eigenaar van deeze fraaije Plantagie was, had my op dezelve genoodigd. 'Er ontbrak geen vermaak, van welk zoort ook, in dit aangenaam verblyf. Men hield aldaar paarden, rydtuigen, vaartuigen, die altyd gereed lagen; maar het geen alle vermaak bedorf, was de onmenschelykheid van Mevrouw GOETZÉE, die, om de geringste misslag, haare slaven deed zweepen: by voorbeeld, een jonge Neger, JACKY genaamd, wierd, om dat hy de glasen niet naar haaren zin gespoeld had, door haar veröordeeld, om des anderen daags een zeker getal zweepslagen te ontfangen; maar de arme keerel vond middel om zig aan haaren wrevel te onttrekken. Dien zelfden avond nam hy afscheid van alle de Negers op de Plantagie; vervolgens ging hy in het bed van zynen meester leggen, nam de tromp van een jachtgeweer in zynen mond, en den trekker met één der toonen van zynen voet overhaalende, maakte hy op die manier een einde van zyn leven. Dit schot alles in rep en roer gemaakt hebbende, werden twee groote Negers gezonden, om te vernemen wat 'er gaande was, en zy vonden den jongeling dood en mismaakt liggen op het bed, het welk geheel bebloed was. De beide slaven gaven bericht van dit voorval, en kregen last om het lyk uit het vengster te gooijen; maar noch de eigenaar, noch de eigenaresse, en zelfs geen ander mensch, wilde, eer dat ik kwam, in de kamer gaan, schoon dezelve anderzints aangenaam en gemakkelyk was. Het geen de meesters van den huize in deeze omstandigheid het meest verschrikte, bestond daar in, dat hun geliefd kind in dezelfde kamer sliep, waar dit voorval gebeurde, maar zy stelden zig spoedig gerust, toen zy vernamen, dat aan het zelve niets was wedervaren.

Ik had nog geen veertien dagen op deeze Plantagie doorgebragt, toen eene slavin, YETTEE genaamd, naakt wierd uitgekleed, en door twee sterke Negers op eene verschrikkelyke wyze gegeesseld. De uitvoering der straf geschiedde voor de deur van 't huis, en de ongelukkige had de huid byna geheel ontveld. Haare misdaad bestond in gezegd te hebben: "dat haare meesteresse eenige schulden had, zoo wel als zy". Vyf dagen daar na verwierf ik echter, dat de ketenen, die men haar aan de voeten, en boven de lendenen had vast gemaakt, wierden weggenomen: maar zekere Mevrouw VAN EYS, voorgewend hebbende, dat deeze slavin haar onbeschoft had aangekeken, was oorzaak, dat Mevrouw GOETZEE, in die zelfde week, de kastyding liet herhaalen, en wel op zulk eene manier, dat ik niet geloove, dat het arme schepzel 'er van heeft kunnen opkomen.

In zoo veele onmenschelyke wreedheden een weerzin hebbende, verliet ik Catwyk, in het vast voornemen, om het zelve nooit wederom te zien. Niettemin was ik in gezelschap van den heer GOETZEE, op verscheide andere Plantagiën, aan de Rivieren Cottica en Peréca. Op de Plantagie Alia, onder dit getal behoorende, haalde men my op eene beleefde wyze over, om aan een meisjen, het welk geboren wierd, een naam te geven, en ik noemde haar Charlotta; des anderen daags morgens, onder het ontbyt, wierden alhier zeven Negers strengelyk gegeesseld.--Ik begaf my vervolgens naar de Plantagie 's Gravenhage, alwaar ik eenen jongen mulat, DOUGLAS genaamd, ontmoette, die geboeid was, en ik herinnerde my met aandoening, dat zyn ongelukkige vader voor deszelfs dood hem van de slavernye niet hadde kunnen bevryden. Door zulk eene reize vermoeid zynde, kwam ik spoedig te Paramaribo te rug, alwaar ik by myne aankomst vernam, dat LAURENS, de kamerdienaar van den Colonel FOURGEOUD, overleden was, en dat men hem begraven had, eer hy nog volkomen dood was.--Geduurende myne afwezigheid hadden dertien van onze soldaten, om dat zy in een herberg beschonken waren geraakt, door de spitsroeden geloopen, en stokslagen ontfangen. Zy waren zoo afgerost, dat weinigen van hun in Europa te rug kwamen,--Men had een Hollandsch matroos, en een jong meisjen van het geslacht der Quateron-Negers, aan den oever der Rivier vermoord gevonden.--By myne te rug komst, op het plein zynde gaan wandelen, wierd ik geroepen door den ST--K--R, die my op de derde verdieping gebragt hebbende, tot my zeide:--"zoudt gy wel gelooven, dat één van myne Negers laatst van deeze hoogte afsprong, om eene geringe kastyding te ontgaan; maar dewyl hy door zynen val slechts eene ligte bedwelming bekwam, wreef men hem sterk aan de slapen van het hoofd, en hy kwam weder spoedig by: toen, om hem te straffen, dat hy zyn persoon, die de eigendom van zynen meester was, in zulk een gevaar gebragt had, en myne vrouw had doen verschrikken, zond zy hem naar 't Fort Zelandia om aldaar door een frisschen Spanso-bocko zyne misdaad te boeten".

De kastyding, die deezen naam draagt, is één der verschrikkelykste; zy wordt op de volgende wyze uitgevoerd.--Men bindt den veroordeelden de handen, en laat hem de kniën tusschen de armen doorgaan; men legt hem vervolgens op de ééne zyde, en houdt hem zoo als een hoen in malkander gewonden, door middel van een paal, waar aan men hem vast maakt, en die men in den grond steekt. In die gesteldheid kan hy zig even min bewegen, als of hy dood was: dan slaat hem een Neger, met een bos knobbelige tamarinde-takken gewapend, tot hy hem de geheele huid heeft van één gereten; hy keert hem vervolgens naar de andere zyde om, slaat hem op gelyke wyze, en de grond is op de straf-plaats van het bloed doorweekt. Wanneer dit is afgeloopen, wascht men den armen keerel, om de versterving van het vleesch voor te komen, met citroen-sap, waar in buskruid ontbonden is. Na dit alles zendt men hem naar zyn hok te rug, alwaar hy mag zien, hoe hy genezen wordt.

Is het nu wel te verwonderen, ik moet het herhalen, dat de slaven opstaan tegen meesters, die hen zoo wreed behandelen!

De manier nog niet beschreven hebbende, op welke de muitende Negerslaven de Plantagiën aantasten, meene ik geene betere gelegenheid, dan de tegenwoordige, daar toe te kunnen vinden.

Na zig den geheelen nacht in de naby gelegene struiken verborgen te hebben gehouden, komen zy, by het aanbreken van den dageraad daar uit te voorschyn, vallen de Europeanen onverhoeds aan, en vermoorden ze allen. Zy plonderen en verbranden vervolgens het huis van den eigenaar. By het heengaan nemen zy alle de Negerinnen mede; zy beladen dezelven met hunnen buit, en behandelen haar met de grootste onbeschoftheid, indien zy den minsten tegenstand durven bieden.

Ik zal de aandoenlykheid van den lezer door deeze treurige verhaalen niet meer afmatten, hebbende ik hem 'er reeds te lang mede bezig gehouden. Ik hoopte daar door de wreedäarts te doen bloosen, en de zaak der menschelykheid te bevorderen.

Ik heb reeds gezegd, dat ik, den 24sten Augustus, een verzoekschrift aan den Gouverneur had ingeleverd, om mynen zoon vry te maken. Mitsdien zag ik, den 8sten October, met zoo veel vreugde, als verwondering, het volgende aangeplakt. "Indien iemand gerechtigd is, om zig te verzetten tegen zeker gedaan verzoek, om de vryheid te bekomen voor een kind, behoorende tot het geslacht der Quarterons, genaamd JOHN STEDMAN, zoon van den Capitain STEDMAN, kan dezelve zig aanmelden tot den 1sten January 1777.". Zoo dra ik dit bericht gelezen had, liep ik naar den heer PALMER, om hem dit nieuws mede te deelen. Hy verzekerde my, "dat dit eene enkele plechtigheid was, gegrond op de veronderstelling, dat ik de noodige borgtocht bezorgen zoude, waar op men ongetwyffeld staat maakte, overeenkomstig de vrypostigheid, waar mede ik myn verzoekschrift aan den Gouverneur der Volkplanting had ingeleverd". Niet in staat zynde een enkel woord uit te brengen, ging ik naar JOANNA toe, die my al glimlachende antwoorde, dat ik aan de vryheid van onzen zoon niet moest wanhoopen. In deeze oogenblikken van neerslagtigheid verliet ik deeze beminnenswaardige vrouw nooit, zonder dat zy my eenigen troost gegeven had.

Byna op deezen zelfden tyd vernamen wy, dat in de Utrechtsche nieuwspapieren een zeer scherp geschrift stond tegen den Colonel FOURGEOUD, waar by men met het zenden van afgezanten, door hem aan de Oucas- en Sarameca-Negers gedaan, den spot dreef. Schoon hy van die zoogenaamde bondgenooten niets te verwagten had, en dat zyn volk op dit oogenblik byna geheel versmolten was, wilde hy echter de geenen, die nog gaan konden, niet geheel werkeloos laten. Hy kleedde derhalven zyne soldaten op nieuw, (voor de eerste maal na het jaar 1772,) en hy gaf hun nieuwe sabels, enz.; vervolgens zond hy hen om aan den mond van de Cassipory-Kreek, aan het bovenëinde van de Cottica te gaan legeren, zynde alleenlyk door Onder-Officiers vergezeld; maar de Officiers van hoogeren rang, kregen spoedig bevel om hen te volgen. Den 7den, onthaalde hy ons ter maaltyd, en liet eindelyk een gebraden ossenharst opdisschen, welke men hem van Amsterdam gezonden had, op zoodanige wyze gereed gemaakt, als ik reeds beschreven heb. Op het nagerecht zag ik eene vrucht, die men in Surinamen noemt Kaneel-appel, aan een boompjen groeit, en in de tuinen van Paramaribo, meenig-werf gevonden word. Dezelve is met een zoort van groene schubben geheel bedekt, en gelykt naar een jonge artichok.

De schil van deeze vrucht is byna een halve duim dik. Het vleesch smaakt als dikke room, waar in aangebrande suiker geroerd is. Het is zoo zoet, dat zommige lieden het al te laf oordeelen. Derzelver breede, harde en zwarte zaaden zitten in dit vleesch.

My hebbende gereed gemaakt om weder eenen dadelyken dienst te beginnen, en daarënboven eene groote meenigte wyn, sterke dranken, en allerleije zoorten van ververschingen, my door myne vrienden toegezonden, ontfangen hebbende, beval ik JOANNA, en mynen zoon, aan de zorge van de goede Mevrouw GODEFROY aan. Dit was dus de zevende veldtocht, die thans een aanvang nam: ik verlangde de onderneming, welke wy met eenen zoo standvastigen yver voortzetteden, zoo mogelyk, tot genoegen van de inwooners deezer Volkplanting te doen afloopen. Ik bevond my toen zoo wel, ik was zoo opgeruimd van geest en wel gemoed, als op den dag zelven, toen ik, met de krygsbende van den Colonel FOURGEOUD, op het vaste Land van America ontscheepte.

AGT-EN-TWINTIGSTE HOOFTSTUK.

De Muitelingen trekken de Rivier Maroni over.--Derde tocht naar Gado-Saby.--De Land-Scorpioen.--Verscheiden zoorten van timmerhout.--Boom, welke een vrucht voortbrengt, de Marmelade-doos genaamd.--Het aankweeken van Ryst.--Buitengewone hitte, die alle de moerassen opdroogt.--De Oppossum van het vrouwelyk geslacht.--De Brazilsche Wezel.--De Mierëeter.--De Tamandua.--Hout- luizen en vliegende luizen.--Tafereel van ellende en sterfte.--De Vrede aan de Volkplanting bezorgd.--De Poelsnip.--De Lepelgans, en de Brazilsche Ojevaar. --Wilde Eendvogels van verschillende zoorten.

Den 10den November, begaf ik my, in een talryk gezelschap, met een vaartuig naar de legerplaats aan de Cassipory-Kreek. Des anderen daags was de geheele Volkplanting met rook overdekt, dewyl de bosschen aan het zee-strand in brand geraakt waren, zonder dat men 'er de reden van konde opsporen. Op de reize ontmoetten wy een hoop krygsvolk, onder bevel van den Colonel TEXIER, die van Vrydenburg, aan de Maroni-Kreek, te rug kwam. Deeze Officier verzekerde ons, dat de muitelingen, na den gevoeligen neep, dien wy hun door het inneemen van Gado Saby hadden toegebragt, die groote Rivier overvluchtten, en by de Franschen, in Caijenne wonende, eene schuilplaats vonden. Hy voegde 'er by, dat hy van hun eene vrouw gevangen had, en de Lieutenant KEEN twee mannen, na 'er verscheiden gedood te hebben; dat de beide nieuwe compagniën van vrywillige Negers de eer van hunne vaandels, door hun met groote staatsie van den Gouverneur ontfangen, ophielden, door het medebrengen van gevangenen, welken zy aan het strand agter Paramaribo gemaakt hadden; dat zy by deeze gelegenheid geholpen waren geworden door de Indianen, die vrywillig gestreden hadden, en meer dan eenmaal op die zelfde plaats den vyand afbreuk hadden gedaan. Alles deed zig dus aan ons voor, om onze onderneming met eenen goeden uitslag bekroond, en de rust in de geheele Volkplanting hersteld te zien.

De Plantagie Saardam, die toen aan den Colonel DES BORGNES, uit hoofde van zyn huwelyk, toebehoorde, op onzen weg liggende, hielden wy daar stil. Ik vond 'er eenen Americaanschen matroos, welke melasse, of suiker-syroop, inlaadde. De bekwaamheid van den nieuwen Planter en zynen Opzichter willende beproeven, haalde ik deezen matroos over, om twee kruiken kill-devil (by de Hollanders genoemd kelduivel,) die op deeze Plantagie gemaakt was, te kleuren, en te verzekeren, dat hy dezelve als rhum van Antigoa aanbragt. Hy deed het geen ik hem zeide. Men vond zyne zoogenaamde rhum uitmuntend; men maakte 'er punch van voor het geheele gezelschap, en men gaf hem wederkeerig zes andere kruiken van die zelfde kill-devil. De Americaan beloofde my die insgelyks te zullen kleuren; en hy hoopte zyn vaartuig boordvol geladen te hebben, voor zyn vertrek van Paramaribo. Zoo veel vermogen heeft het vooröordeel in alle Landen.

Wy verlieten de Plantagie Saardam, alwaar wy volmaakt wel ontfangen waren, en wy kwamen den 13den, zonder het ontmoeten van eenig onheil, op onze legerplaats by de Cassipory-Kreek aan de Cottica. Geene schoenen, noch koussen aan hebbende, wierd ik byna gestoken door een Land-Scorpioen, toen ik myne voeten aan den wal zette. Dit insect heeft de grootte van eene kleine kreeft. Zyn lyf, zynde van eene eyronde gedaante, en van eene roetkleur, is met beweegbaare ringen bedekt. Hy heeft agt pooten, welke in geleden verdeeld zyn. Twee armen, insgelyks in geleden verdeeld, komen uit zyn kop, en schynen een gedeelte van zyn lyf uit te maken. Zyne oogen zyn zoo klein, dat men ze naauwlyks zien kan. Zyn staart heeft zeven klootvormige verdeelingen, naar koraalen van glas gelykende, en eindigt met een dubbele ring. Het wyfje kronkelt dezelve op haaren rug in elkander, om haare jongen voor de aanvallen van andere insecten te beveiligen. De steek van den Land-Scorpioen is niet doodelyk, maar veröorzaakt eene stekende pyn en koorts. Men zegt, dat hy van huid verandert, even als de krabben van schelp veranderen. Men vindt hem meestäl op oude boomen, oud huisraad, en ook dikwils onder het vuilnis, en in het drooge gras.

Onder de ongelukken, welken ik hier zag, moet ik niet vergeten het verlies van eenen zee-soldaat, die, zig in de Rivier badende, door eenen grooten Kayman eensklaps wierd naar den grond getrokken. Zoo dra ik zyn ongeluk bemerkte, ontkleedde ik my, sprong oogenblikkelyk in het water, en droeg zorg, dat ik altyd het eene been in beweging hield. Met dit al, ik vond niet den geen, dien ik zogt, en liep zelf groot gevaar. Ik had door eenen Neger eene lange roeyriem in een lynregten stand doen houden, ten einde ik my daar aan vast hield, en hy dezelve, wanneer ik 'er op sloeg, naar zig toe zoude haalen; maar de Neger, my kwalyk begrypende, maakte met die roeyriem zulk eene geweldige beweging, dat ik naar den grond zonk. Ik kwam niet weder boven, dan omtrent in het midden van den stroom, en bereikte den oever niet dan met zeer veel moeite.

Den 20sten, bevel ontfangen hebbende om naar Gado-Saby te trekken, vertrok ik des morgens ten zes uuren, aan het hoofd van twee Lieutenants, drie Sergeanten, zeven Corporaals en vyftig soldaten, zonder een Heelmeester en den Neger, GOOSSASY, dien wy in drie of vier uuren kwyt raakten, daar by te rekenen. Wy sloegen ons neder aan de oevers van de zelfde Cassipory-Kreek, zonder meer dan zes mylen ten westen van derzelver mond te hebben kunnen voorwaarts komen.

Den 21sten, vorderden wy zeven of acht mylen noordwaarts, en wy vonden geen enkelen drop water, om den hevigen dorst te lesschen, die ons allen verslond. Wy waren te midden van het saisoen van droogte, waar van de hitte dit jaar brandender was, dan ooit.

Toen onzen weg veranderd, en denzelven noord-oost-waarts genomen hebbende, doorwaadden wy, des morgens van den 22sten, het moeras; en tegen den middag bereikten wy wederom het drooge; vervolgens, na nog één uur te zyn voorwaarts getrokken, gingen wy naar den westkant. Wy ontmoetten aldaar een groot veld, met ignames beplant, het welk wy verwoestten. Dit gedaan hebbende, trokken wy lynrecht voort, en sloegen ons neder op het oud verblyf der Negers, Cofaay genaamd. Het gebrek aan water deed ons verschrikkelyk lyden. De slaven echter vonden middel, om ons hier water te bezorgen; en hoe stinkend het ook wezen mogt, dronken wy het zelve, na het door onze hembds-mouwen te hebben laten doorloopen.

In weerwil van de onaangenaamheden van deezen tocht, onderzocht ik de volgende boomen, door my nog niet beschreven: de Carnavatepy en de Berklack, waar van het hout zeer dienstig is. Het eerste heeft heerlyke zwarte en bruine streepen: het gelykt zeer veel naar het geen men Brasilisch hout noemt; en wanneer het bewerkt wordt, verspreidt het een geur, welke voor die van den nagelbloem niet behoeft onder te doen. Het tweede heeft eene bleek ronde of violet kleur; het is insgelyks geschikt tot alle werk, waar toe men het gebruiken wil. Men bood my ook een zeer zonderling zoort van vruchten aan, genaamd de Marmelade-doos. Dezelve heeft de gedaante van een grooten appel, maar een weinig meer ey-rond, en geheel met dons bedekt. In 't begin is deeze vrucht groen, maar ryp wordende, wordt zy bruin. De schil is hard, en door eene zekere beweging scheidt zy zig in tweën, even als een noot. Het vleesch of merg koomt dan te voorschyn, gelykende naar dat van een mispel: het is eene zoete en bruin-kleurige zelfstandigheid, die aan groote pitten vast zit; de inwooners zuigen dezelve met graagte uit. Het spyt my, dat ik van den boom, die deeze vrucht voortbrengt, en van wien dezelve haaren naam ontleent, geene beschryving geven kan.

Den 23sten, trokken wy ten westen van Cofaay, in de hoop om het een of ander van den vyand te vernemen. Wy volgden een voetpad, loopende dwars door bebouwde landen, en met den weg gemeenschap hebbende: wy ontdekten verrukkelyke gezichten; maar wy ontmoetten niets anders dan een grooten hoop wilde varkens, wier geknor en geraas op den weg ons, eer wy ze gezien hadden, hen deed houden vooreen afgezonden hoop muitelingen, en wy maakten ons gereed om dezelven wel te ontfangen.

Tegen den middag kwamen wy weder te Gado-Saby, alwaar wy, naauwlyks nedergezeten zynde, om van de vermoeienis van onzen tocht een weinig uitterusten, in ons midden zagen verschynen eenen ouden Neger, hebbende een langen witten baard, en een stuk van een sabel in de hand. Ik stond dadelyk overëind, en aan een ieder, wie hy ook wezen mogt, verbiedende op hem te schieten, zeide ik hem dichter by te komen, hem verzekerende, dat niemand van de geenen, die onder myn bevel stonden, hem zoude durven mishandelen, en dat ik hem zelfs alle hulp zoude toebrengen, die hy benoodigd mogt hebben.--"Neen, neen, Massera! antwoordde hy my met zeer veel standvastigheid"; en met het hoofd schuddende, liep hy weg. Onaangezien myne beveelen, wierd door twee van myne soldaaten op hem geschoten; maar tot myn groot genoegen raakten zy hem niet. Deeze elendige omzwerver zogt een onzeker bestaan in die verlatene velden, welken wy meer dan eens verwoest hadden.--De reden, waarom de Negers zoo moeielyk met een kogel te raken zyn, bestaat hier in, dat zy nooit in eene rechte lyn, maar altyd kronkels-gewyze, loopen.

Overëenkomstig myne beveelen, verwoestte ik Cofaay, en deszelfs omtrek, op nieuw, maar het deed my echter leed, om des ouden Negers wille. Na het om ver hakken van verscheiden catoen-boomen, bananen-boomen, althaea-planten, duiven-boonen, Indisch koorn, ananassen en ryst, die grootendeels zedert de eerste aldaar door ons gedaane verwoesting waren opgeschoten, konde ik niet nalaten, om voor eene kleine hut, in welkers nabyheid heete asch en bananen-schillen lagen, een weinig scheeps-bischuit, een groot stuk gezouten ossen-vleesch, en een fles nieuwe rhum agter te laten, voor den ongelukkigen, die aldaar zyn verblyf hield. Vervolgens sloegen wy ons andermaal op de vlakten van Cofaay neder.

Zoo dikwerf gesproken hebbende van velden met ryst bezaaid, verwagt de lezer waarschynlyk eenige byzonderheden omtrent derzelver aankweking. De plant, die het graan van deezen naam voortbrengt, heeft, schoon sterker zynde, vry wat gelykheid met het koorn. Zy brengt holle gegroefde stammen voort, op zekere afstanden knoopen of knobbels hebbende, en zig tot de hoogte van vier voeten verheffende. De bladeren zyn rank, even als van het riet. De zaden zyn ten naasten by op dezelfde wyze gerangschikt, als de garst, en groeijen aan halmen, langs welken zy beurtelings geplaatst zyn. De oriza of ryst, heeft hitte en vocht noodig. De ryst-korrels zyn langwerpig rond; de beste zyn wit, doorschynend en hard. De nuttigheid van de ryst is zoo over bekend, dat ik 'er niets anders van zeggen zal, dan dat dezelve voorkwam, dat onze arme soldaten niet van honger stierven, voornamelyk in Augustus 1775, toen zy voor een geheel rantsoen daags niet meer hadden, dan een scheeps-bischuit, en drie koorn-airen van Indisch graan, voor vyf mannen.

Mynen last toen volkomentlyk ter uitvoer gebragt hebbende, hernam ik, met myne manschappen, den weg naar de Cassipory-Kreek, trekkende door de verwoeste velden van Gado-Saby die niets anders dan eene dorre woestyn vertoonden. Wy gingen vervolgens zuid-oostwaards, daar na geheel en al zuidwaarts, en hingen toen onze hangmatten in de nabyheid van onze eerste legerplaats op. Het is opmerkelyk, dat alle de moerassen door de buitengewoone hitte waren uitgedroogd; en tevens was de stank, die door eene meenigte van visschen, voornamelyk tot het zoort van de Warappa's behoorende, welke by het afloopen van het water gestorven waren, wierd opgegeven, aller ongezondst en ondraaglykst. Onze slaven echter zogten de minst bedorvene van deeze visschen uit; des avonds lieten zy ze in de pan bakken, en aten dezelven als een lekker beetjen.

Des anderen daags morgens, trokken wy verder zuidwest-waarts ten westen, en hielden omtrent vier mylen van de Cassipory-Kreek stil. Den 26sten, onzen weg zuid-zuid-westwaarts nemende, kwamen wy in het hoofd-kwartier, zeer vermoeid, zeer vermagerd, en ik had zelf de roos in het aangezicht. Ik stelde myn dagverhaal ter hand aan den Lieutenant Colonel DES BORGNES, die het bevel voerde.

Een hoop van vyftig soldaten wierd, den 27sten, naar den post van Jerusalem, en deszelfs omtrek, op kondschap uitgezonden, en den 6den December, kwam de zoo lang verwagte versterking, uit drie honderd vyftig mannen bestaande, in de Rivier Surinamen aan; zy hadden, van hun uitzeilen uit Holland af gerekend, de reize gedaan in agt-en-zestig dagen, maar 'er vyftien van te Plymouth doorgebragt.

Wy vernamen toen, dat Capitain JOACHIM MEIJER, die eene aanzienlyke somme gelds voor ons volk aan boord had, door de Mooren genomen was geworden, en met alle zyne scheepsgezellen te Marocco opgebragt, alwaar zy slaven van den Keizer wierden:--dat het Schip Paramaribo, Capitain SPRUIT, (één van de geenen, waar in men in het begin van de maand Augustus de zieken inscheepte,) in het Kanaal op de klippen van Ouessant schipbreuk had geleden; maar dat, met behulp van eenige Fransche visschers, allen, die zig aan boord bevonden, gered en naar Brest gebragt waren, van waar zy wederom naar Texel inscheepten:--dat de Prins van Orange, uit weldadigheid en menschlievenheid, onder de Officiers en soldaten, ten getale van meer dan honderd, de navolgende sommen gelds had laten uitdeelen, namelyk, omtrent veertig guldens aan elken soldaat, zes honderd aan elken Lieutenant, agt honderd aan elken Capitain, en duizend aan den Major MEDLAR, die het bevel voerde. Alle de geschenken, welken ik aan myne vrienden in Europa gezonden had, waren op dien zelfden bodem, en alzoo, tot myn groot hartzeer, verloren geraakt.

Zedert meer dan een maand had ik tot myne woonplaats niets anders, dan eene slechte hut, voor regen en wind bloot staande. Doch thans vernomen hebbende, dat, in weêrwil van de aangekomene versterking, men ons bestemd had, om ons eenigen tyd in de bosschen te blyven ophouden, het geen aan veelen van ons volk zeer leed deed, begon ik, den 1sten December, om zonder hamer, of spykers, voor my eene wooning te laten bouwen, die in zes dagen was afgemaakt, schoon twee verdiepingen, eene overdekte gaandery met een hek, en eene kleine keuken hebbende. Dicht daar by was een tuin tot myn gebruik, alwaar ik op jong plantsoen, de namen van JOANNA en JOHNNY sneed. Tot gebuur had ik mynen vriend den Capitain BOLTS, die een geyt had, waar van de melk ons van groot nut was. Anderen hielden eendvogels en hoenderen; maar de laatstgemelde hadden geene haanen; men was bevreesd voor hun gekraay, en had dezelven gedood. Alle onze Officiers eindelyk bouwden, aan den oever, eene reije van zeer zindelyke wooningen; aan de overzyde had men meer dan honderd hutten, (die toen allen groen waren,) voor het nieuwe krygsvolk opgericht, en het geheel maakte eene fraaije straat, waar van niettemin de bewooners een zeer slecht voorkomen hadden.

Het was aan myne wooning merkwaardig, dat men 'er door het dak inkwam. Door dit middel zag ik my ontheven van alle die aanloopende bezoeken, die myn voorraad uitputten, en my meenigmaalen hinderden, wanneer ik met teekenen, schryven of lezen bezig was. Onze legerplaats was daarënboven zeer aangenaam. Wy waaren op eene hoogte, alwaar wij van de schadelyke dampen, die aanhoudend uit den grond opkomen, en elders een groot getal manschappen hadden doen sneven, niets te vreezen hadden.

Geduurende de zeer korte oogenblikken, dat ik hier eenige rust had, maakte ik in het klein, op een plank van agtien duimen lengte en twaalf duimen breedte, de boeren-wooning, welke ik aan de Hoop bewoond had. Ik gebruikte daar toe insgelyks takken van Latanus-boomen, en elk beschouwde het als iets, dat zeer merkwaardig was. Ik gaf het ten geschenke aan mynen vriend den heer DE GRAAF, die het vervolgens in zyne verzameling van zeldzaamheden te Amsterdam plaatste. Dewyl ik thans van dit onder werp spreeke, zal ik aan den lezer een gezicht van beide myne wooningen aanbieden, de eene aan de Hoop, alwaar ik zulke gelukkige dagen doorbragt, de andere slechts voor een korten tyd, zoo als wy die in de bosschen bouwden, om aldaar voor het slecht weder beveiligd te zyn. De eerste kan beschouwd worden als het zinnebeeld van huisselyk geluk; de tweede als het zinnebeeld van allerleije vermoeijenissen en gevaaren.

Het regen-saisoen onverwagt zynde opgekomen, handelde het krygsvolk der Sociëteit van Surinamen, dat aan de Wana-Kreek lag, verstandig met op te breken, en trok den 26sten voor by onze legerplaats, de Cottica afzakkende, om zig naar de Plantagiën aan de Peréca-Kreek te begeven. Intusschen waaren wy verwezen, om in deeze legerplaats aan de Cassipory-Kreek gebrek te lyden, terwyl de Colonel FOURGEOUD zig zeer gerust op Paramaribo bevond. De Officiers van dit volk berigtten ons, dat eenige andere muitelingen, aan den kant van de Rivier Maroni, gevangen genomen waren. Wy behaalden zulk een voordeel niet, schoon wy van alle kanten geduurig ronden deeden.

Den 29sten, eindelyk, wierpen zes schepen, beladen met een gedeelte van het krygsvolk, het welk uit Holland was aangekomen, het anker tegen over onze legerplaats. Ik kon niet nalaten de ongelukkigen, die zig met ons vereenigden, te beklagen, en dit was niet zonder reden, dewyl verscheiden van hun reeds door de scheurbuik, en andere akelige ziekten, waaren aangetast. Intusschen bouwden wy een oven van steen, en deeden al wat wy konden, om hun hulp te verschaffen. Een zekeren voorraad van wyn ontfangen hebbende, onthaalde ik tevens alle de Officiers; maar deezen drank den Capitain P----T naar het hoofd gevlogen zynde, daagde hy my, wegens een kwalyk verstaan, tot een tweegevecht uit. Wy gingen dus een weinig ter zyden van de legerplaats; en toen wy den sabel in de hand hadden, trok deeze Officier af met een schaterenden lach, wierp zyn wapentuig weg, en zeide my: "Dat ik hem konde afrossen, zoo ik wilde; maar dat hy te veel achting voor my had, om my den minsten tegenstand te kunnen bieden", en daarop omhelsde hy my hartelyk. Ik deed hem een vriendelyk verwyt, en bragt hem weder by het gezelschap, met het welk wy het oude jaar vrolyk ten einde bragten.

Op nieuwe jaars dag van het jaar 1777, gingen wy onze gelukwenschingen by den bevelhebbenden Officier afleggen; en, onder weg, vertoonde men my de Philander, of de Oppossum van Mexico, alhier Awary genaamd. Het was een wyfje, welke men met haare jongen levendig gevangen had.

Ik heb reeds van de Oppossum gesproken; ik zal my dus hier alleenlyk met die byzonderheden bezig houden, welke ik in het thans aan my vertoonde dier opmerkte; zy zullen zelfs zeer weinige in getal zyn, want het dier bevond zig op den bodem van eene ledige kist; en vreezende door het zelve gebeten te worden, dorst ik het 'er niet uit haalen. Zoo groot zynde als een Noorweegsche rot, was deeze Oppossum mitsdien veel grooter, dan die ik bevorens in dit werk beschreven heb. Derzelver hair had eene geelachtige gryze kleur op den rug, en eene vuile witte kleur onder aan den buik en aan de pooten. Haare bek was voorzien van lange knevels en minder puntig, dan de andere Oppossum. Een zwarte kring liep rondom haaren oogbol; de oogen waaren wel niet zwart, maar stonden zeer levendig. Haare staart was uittermaten lang, dik, van zwaar hair voorzien, vooral ter plaatse waar dezelve aan het lyf vast is, en diende haar tot een aanvallend wapentuig. Deeze Oppossum had onder den buik een zak, van een plooy of kreuk in de huid gemaakt, en van buiten zoo wel als van binnen hairachtig. Haare jongen, ten getaale van vyf of zes, kwamen 'er nu en dan uit, wanneer de moeder zig stil hield; maar op de minste beweging of het minste gerucht, begaven zy 'er zig weder schielyk in. Met dit arme dier, het welk men reeds lang gekweld had, medelyden hebbende, deed ik de kist op zyde tuimelen. Toen ontsnapte de gevangene met haare jongen, en klauterden allen gezwindelyk op den top van eenen hoogen boom, staande in het gezicht der wooning van den Colonel SEYBOURG. De moeder maakte zig vervolgens met haare staart aan één van de takken vast; maar dewyl dit zoort van dieren het gevogelte vernielt, deed de Colonel, voor zyne hoenderen bang zynde, op haar en haare jongen schieten. By het geen ik gezegd heb, moet ik nog voegen, dat de gezwindheid van deeze Oppossum my des te meer verwonderde, om dat verscheiden Schryvers die hoedanigheid in dezelve ontkennen.

Onder de vernielers van het gevogelte, vindt men ook een ander dier, in dit Land bekend onder den naam van Quacy-Quacy, door zommige persoonen genoemd het Indisch Konyn, maar zynde in de daad de Coati-moudi, of het Brazielsche wezeltje. Men vergelykt hem zeer voegzaam met de Vos; want zoo wel als hy genoegzaame kragten heeft, om een kalkoen of een gans weg te nemen, is hy ongemeen behendig. Dit dier is zomtyds by de twee voeten lang. De gedaante van zyn lichaam is als die van een hond. Deszelfs hair is gewoonlyk zwart, of liever donker bruin; maar verscheiden van dat zoort hebben het zelve van eene blinkende roode kleur. Hy heeft eene lange dik gehairde staart, met zwarte streepen als ringen, en van eene donkere buffels kleur: hy houdt dezelve doorgaans in de hoogte. Het hair van de borst en van de buik van den Coati is van eene vuile witte kleur. Zyn kop, van eene helder bruine kleur, heeft lange kakebeenen, en een zwarte varkensmuil, die by de twee duimen overhangt, zig in de hoogte opstroopt, de vertooning maakt van een krom gebogen en opgeheven bek, en beweegbaar is even als die van den Tapira. Zyne oogen zyn klein; zyne ooren kort, rond, en van wederzyden door een diep bindzel aan den bek vast zittende. Zyne pooten zyn kort, en vooräl de voorpooten; dezelve eindigen met zeer langwerpige voeten, verdeeld in vyf klauwen, met sterke nagels gewapend. Schoon de Coati, even als de beer, altyd op de hiel loopt, en zig op de agterpooten staande houdt, is 'er geen dier, (den aap uitgezonderd,) dat met meer gezwindheid de boomen opklimt. De vogelnesten, met al wat 'er in is, zyn aan zyne vernielingen bloot gesteld. Hy plundert voornaamlyk de hoender-hokken; en dienvolgende stelt men alles te werk om hem uit te roeijen.

Alvoorens de Surinaamsche bosschen te verlaten, moet ik nog een ander dier beschryven, het welk dezelven bewoont, en voornamelyk van mieren leeft; het is de groote Mier-eeter, de mier-eetende Beer, of de Mieren-Leeuw; Ofa Palmera by de Spanjaarden genoemd. Het lyf van dit dier (twee maalen grooter zynde, dan dat van den Coati-moudi,) is overdekt met lange en dikke hairen, zwart op den rug en aan den buik, grys of witachtig geel aan den hals en in de zyden. Zyn kop is niet zeer dik, maar uittermaten langwerpig, en eindigende met een grooten bek van eene helder roode kleur. Zyne oogen zyn zeer klein; zyne ooren kort en rond; en zyn mond, die geene tanden heeft, is niet grooter dan noodig is, om zyne tong te kunnen bevatten. Zyne staart is van eene verbaazende grootte, en van zeer lange hairen voorzien, welke dezelven naar die van een paard doen gelyken. Het dier bedient zig van deeze buitengewoone staart, om zyn lyf te dekken, wanneer hy slapen wil; het geen hy doorgaans over dag doet, wanneer hy zig voor den regen wil beveiligen. Anderzints sleept hem dezelve agter aan, en hy veegt 'er den grond mede. Hy heeft dunne pooten, maar met zeer lange hairen overdekt; de agterpooten zyn zwart, korter, en eindigen met vyf klaauwen; de voorpooten hebben eene vuile witte kleur, maar eindigen alleen met vier klaauwen, waar van de twee middelste langer zyn, dan de andere; allen zyn ze met zeer scherpe nagels gewapend.

De groote Mier-eeter is, een slecht looper. Hy zet zig altyd op het achterste van de langste zyner pooten, even als de Coati, of de Beer; maar hy klautert beter; en hy is zoo sterk in het vechten, dat geen hond zig aan hem durft wagen; want geen dier, dat onder zyne voor-klauwen koomt, en zelfs de Jaguar, of de Guiaansche Tyger, wordt door hem los gelaten, dan wanneer hy hem dood gemaakt heeft. Zyn voedzel, zoo als if gezegd heb, bestaat, voornamelyk in mieren, welken hy op de volgende wyze vangt:--Wanneer hy by een mieren-nest koomt, steekt hy zyne tong uit, die by de twintig duimen lang is, en zeer veel gelykheid op een worm heeft; door eene slymige stoffe, of speekzel, bevochtigd zynde, blyven de mieren 'er in een groot aantal aan hangen; de mier-eeter haalt vervolgens zyne tong in zynen bek te rug; en hy herhaalt deeze bewerking, zoo lang nog eenige van deeze insecten in hunnen schuilhoek overig zyn; daar na gaat hy elders zoeken, om het zelfde zoort van voedzel op gelyke wyze naar zig te nemen. Hy klautert ook op de boomen, om aldaar houtluizen en wilden honig te eeten; maar indien hy het noodige voedzel voor zig niet vindt, kan hy een langen tyd vasten, zonder daar van het geringste ongemak te ondervinden. Men zegt, dat men dit dier kan tam maken, en dat hy, in dien huishoudelyken staat, kruimels brood, en zeer kleine stukjens vleesch doorslikt; men beweert bovendien, dat zyn vleesch aan de Indianen en Negers een goed voedzel verschaft; ik heb de laatstgemelden ten minsten het zelve met smaak zien eeten. Eenige mier-eeters zyn niet minder dan agt voeten lang, van den kop tot de staart gerekend.

In Surinamen vindt men ook een dier van het zelfde zoort, Tamandua genaamd: maar hy is kleiner en zeldzamer. Hy verschilt van den bovengenoemden daar in, dat hy twintig klaauwen heeft, den kop naar evenredigheid grooter, de staart kleiner, en afgedeeld door zwarte streepen, en van eene bleek geele kleur. 'Er is ook nog een derde zoort, welk dier insgelyks den naam van Mier-eeter draagt; maar ik heb hem nooit gezien.

Den 3den kwamen zes andere vaartuigen van Paramaribo aan; zy waren geladen met soldaten, die het getal van drie honderd vyftig mannen, uit Holland gezonden, volkomen uitmaakten. Vernomen hebbende, dat onder deeze nieuw aangekomenen zig bevond een Capitain, CHARLES SMALL genaamd, die onder de Schotsche Brigade gediend, en met den Vaandrig MACDONALD geruild had, zakte ik dadelyk in een kano de Rivier af, om deezen Officier op te zoeken, en hem mynen dienst aan te bieden. Ik was naauwlyks op zyn vaartuig gekomen, of ik zag hem aan eene heete koorts in zyne hangmat ziek leggen. My niet herkennende, uit hoofde van myn plunje, die niet veel beter was, dan van den gemeensten matroos, vroeg hy, wat ik begeerde; maar wanneer hy in my zynen ouden vriend STEDMAN herkende, in eenen zoo verschillenden staat, als hy hem voor deezen gekend had, drukte hy my de hand, en smolt in tranen weg, zonder een enkel woord uit te brengen. Deeze aandoenlyke beweging, waar door zyne ziekte verërgerde, gaf my een sterker bewys van zyne vriendschap voor my, dan eenig gesprek zoude hebben kunnen doen. Ik nam hem derhalven in myne kano, en bragt hem in myne hut, alwaar men veel moeite had, om hem door een gat, het welk men opzettelyk maakte, te doen binnen treden, want het gat in het dak konde alleenlyk voor my tot een ingang dienen. Zyne hangmat dicht by de myne hebbende doen ophangen, liet ik water koken, waar in ik rhum, suiker en een weinig bischuit deed; de zieke nam deeze soup, en van dit oogenblik aan wierd hy beter. Hy verhaalde my, dat één van zyne soldaten in den overtocht verdronken was, en dat wanneer de Colonel FOURGEOUD aan de nieuwlings ontscheepte Officiers een dans-party gegeven had, op welke één van zyne koks en twee soldaten de plaats van Musikanten vervulden, hy aldaar, door te veel te danssen, zig zyne ziekte had op den hals gehaald.

Korten tyd daar na, verscheen de Colonel zelf in de legerplaats, en kondigde ons aan, dat door de aankomst van nieuwe Officiers, verscheiden onder ons hunnen rang in het Regiment en in het leger verloren: dit was de belooning voor allerleije zoorten van vermoeijenissen, gevaaren, en onäangenaamheden, geduurende vier jaaren lang in eene verzengde luchtstreek. Om de maat van ellende vol te meten, gelastte men ons, in plaats van ons naar Europa te rug te roepen, om in de bosschen van Surinamen te blyven, en aldaar de geenen, die ons moesten vervangen, in den dienst te onderrigten.

De post van Majoor wierd my toen opgedragen. Dezelve was zeer onäangenaam: men moest dagelyks soldaten kastyden, die om hunnen honger te stillen, het magazyn beroofden; want hun ontbrak brood eene geheele week lang, dewyl de oven reeds was afgebroken. Een van deeze arme keerels wierd byna tot den dood toe gegeesseld, om dat hy een gerookte worst ontvreemd had van den Colonel, die nooit vergat, om ten minsten zes sterke Negers te beladen met allerleije zoorten van gezouten kost, thee, koffy, suiker, Madéra-wyn, brandewyn, genever, enz.

Den 8sten, kwam eindelyk een vaartuig aan, niet alleen gezouten vleesch en bischuit in hebbende, maar ook een levendige os en twee varkens.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us