Reisbrieven uit Afrika en Azië benevens eenige brieven uit Zweden en Noorwegen (part 2 of 3)
In het open rijtuig, dat hen op die hielen volgde, zaten twee in gekleede jas en hoogen hoed gekleede heeren; naast den koetsier op den bok zat een palfrenier in een steenrood, rijk met goud geborduurd kostuum. Het rijtuig hield vlak voor het hotel stil, de heeren stapten uit en brachten een kort bezoek aan een voornaam Engelschman in ons hotel. Een der heeren, die op die wijze door Caïro's straten reed, was lord Kitchener. Wel een hemelsbreed verschil bij de eenvoudige wijze, waarop de Khedive voorbij gaat. Als ik er niet door den portier van 't hotel opmerkzaam op was gemaakt, dan zou ik in den eenvoudig voorbij rijdenden man nooit een der grooten op aarde gezocht hebben. Ook de vrouwen van den Khedive, hij heeft er twee, en de verschillende prinsessen maken niet zoo'n drukte als zij uitrijden. Ik zag twee prinsessen in een mooie automobiel. Zij droegen Europeesche kleeding, een ronde, vilten hoed, waaromheen losjes een witte sluier lag, die even lichtelijk ook de mond bedekte; dat was de wijze, waarop deze dames het gesluierd gaan opvatten.
Van een merkwaardig bezoek wil ik nog iets mededeelen. Ik maakte er verscheidene, maar 't is onmogelijk om van die alle te gewagen. Dit eene bezoek zal ik echter nooit vergeten. Een Engelsche dame, die in Britsch-Indië is groot gebracht, zich daar zeer voor den godsdienst der Hindoe's interesseerde, later naar Perzië trok om een meisjesschool te stichten, met geen ander doel, dan de Perzische vrouwen te helpen zich te emancipeeren, later naar Caïro kwam, toen zij haar school in Perzië in goede handen kon achterlaten, en daar nu een soort kinderschool heeft, eene vrouw met groote zeggingskracht en vol van mooie hervormingsideeën, had Mrs. Catt en mij uitgenoodigd een middag bij haar te komen om eenige heeren, hervormers op theologisch gebied, te ontmoeten. Wij begrepen niet, waarom wij deze uitnoodiging kregen, maar deze vrouw hadden wij leeren kennen als iemand, die een hernieuwd bezoek ten volle waard was en wij begrepen ook, dat wij bij haar bepaald belangrijke personen zouden ontmoeten.
Toen wij er kwamen, zagen wij er, als de meest opvallende, een klein, fijn, zwart mannetje, met gitzwarte, zijdeachtige, lange haren, die hem over de schouders hingen; oogjes, die in schittering concurreerden met de diamantjes in z'n ooren; gekleed in 'n lang, laat mij zeggen, kemelsharen kleed en met bloote voeten in sandalen. Hij werd ons voorgesteld als Shree Shyama Swarma Balyogi, zooals ik later op zijn naamkaartje zag, als een Hindoe-filosoof. Op zijn naamkaartje stond zeer bescheiden: "Great Student of Vedant Philosophy". Hij kwam van Vaso, in de nabijheid van Bombay, Britsch-Indië. Laat mij er direct aan toevoegen, dat hij op weg is naar Parijs en Londen, alwaar hij eenige filosophen op theologisch gebied gaat bezoeken. Daarna gaat hij naar Amerika, om Edison te interesseeren voor een electrisch apparaat, waarvoor hij de gegevens heeft geput uit de Veda. Als dat toestel tot stand komt dan zal de geheele medische diagnostiek en therapie onderst boven worden gekeerd. Wat ik er evenwel dien middag van vernam maakte op mij meer den indruk een hocus pocus te zijn dan een ernstige hervorming van hetgeen het beoogt. Dit was echter slechts een bijzaak. Daarvoor waren die mannen niet bijeengekomen; zij hadden andere zaken te bespreken.
De tweede en mijns inziens de belangrijkste van de bezoekers was een Sheik, een trouw Mohammedaan. Hij is echter een hervormer van zijn godsdienst. Hij wil aan het vele bidden der Mohammedanen, vijf maal daags en nog al lang, een einde maken en tevens het afzonderen der vrouwen trachten tegen te gaan. Hij is een man, die in den smaak valt van den tegenwoordigen Khedive, die zeer liberaal en hervormingsgezind is, die hem dan ook heeft aangesteld als Universeel prediker en die hem uit eigen fondsen salarieert. Aly El-Girbi, zooals zijn naam is en in 't Arabisch op zijn visitekaartje prijkt, heeft geen vaste moskee waarin hij predikt, hij reist door het geheele land, predikt in alle moskeeën en trekt overal tal van hoorders. Hij richt zich vooral tot de vrouwen, vraagt hen vooral onder zijn gehoor te komen en--naar men mij mededeelde--boeit hij zijne hoorders soms vijf uur lang achtereen. Hij is bijzonder welbespraakt en poëtisch en zijne weinige doch veelzeggende handgebaren geven zijne woorden een bijzondere kracht. Hij zeide tot ons, dat de lage stand van ontwikkeling der tegenwoordige Egyptenaren verklaard moest worden uit de slaafsche positie waarin de Egyptische vrouwen verkeeren. Uit zulke moeders konden geen groote mannen geboren worden. Alsof hij Perkins Gilman of Olive Schreiner gelezen had!
Verder was er een man uit Perzië, die in Teheran een soort filosofische school schijnt te hebben, een Turk, die zich met de filosofie der godsdiensten bemoeit, en twee heeren uit Caïro, die Béhaïsten zijn. Het geheele onderhoud van deze heeren kwam daarop neer, dat zij de verschillende godsdienstvormen in overeenstemming trachten te brengen met de eischen van den tijdgeest; het kwam mij voor, dat zij het er allen gloeiend over eens waren, dat de opheffing der volkeren alleen kan tot stand komen door de vrouwen een grooter aandeel te geven in 't maatschappelijk en later ook staatkundig leven. Van den Sheik ontvingen Mrs. Catt en ik een bijzonder hartelijken handdruk en den dank voor 't geen wij trachten te doen voor de vrouwen. Het was een allermerkwaardigste middag die wij in dat gezelschap doorbrachten.
Hedenochtend was ik getuige van eene ceremonie, zooals hier elk jaar ongeveer om dezen tijd plaats vindt, 't Was de ceremonie van "het heilige tapijt". Elk jaar zendt de Egyptische regeering een nieuw prachtig met goud en zilver geborduurd tapijt naar Mekka; het oude, dat daar een jaar gebruikt is, wordt dan weder teruggenomen en is dan door het gebruik in Mekka, heilig geworden. Door 200 à 300 soldaten, meestal vrijwilligers, wordt het nieuwe kleed gebracht en het oude mede terug genomen. Het kleed, dat zeer zwaar is, wordt door één kameel gedragen; het ligt onder een baldakijn, in den vorm van eene moskee, van rood fluweel met zilver en goud geborduurd. De kameel, die dit heilig stuk draagt, wordt ook met bijzondere vereering beschouwd en behandeld. Het beest bezit een koninklijke stal, wordt op bijzondere wijze gevoed en doet het heele jaar geen werk. Zijn eenig levensdoel is jaarlijks de kostbare last naar Mekka te dragen en de nog kostbaarder mede terug te nemen.
Om acht uur vanochtend stonden wij reeds in ons rijtuig, dat een goede plaats vooraan in de file had gekregen, om alle toebereidselen te zien voor de ontvangst van het heilige tapijt, dat om tien uur verwacht werd. Wij stonden vlak vóór het gebouw waar het in ontvangst zou worden genomen. Evenals in een opera defileerde in goede volgorde telkens iets anders ons voorbij. Nauwelijks waren wij aangekomen, toen een regiment artillerie met kleine kanonnen op muilezels geladen, alle militairen in groot uniform, met hun muziekcorps voorbij trok en op eenigen afstand zich opstelde. Kort daarna infanteristen, marcheerende op de marsch uit de opera Carmen, dan cavalleristen, groepen van hen op prachtige witte schimmels, een andere groep op goudvossen, weer een andere op kastanjebruine paarden, allen van het echte Syrische ras. Lange rijen infanteristen achter groene vaandels volgden: dat waren de militairen die dit jaar of vroegere jaren in Mekka waren geweest. Al die militairen werden opgesteld op eene groote vlakte, tegenover het officiëele gebouw, waar het heilige tapijt gebracht zou worden.
Onderwijl kwamen in automobielen, in open rijtuigen of gesloten rijtuigen, met of zonder voorrenners, alle officiëele personen uit Caïro in groot tenue aanrijden en stapten in het bedoelde gebouw af. Het is de Khedive, die in hoogst eigen persoon dit tapijt in ontvangst dient te nemen; hij had evenwel dit jaar dezen post aan zijn jongeren broeder afgestaan. Al die officiëele personen, eenige honderden in getal, waren in het gebouw, maar ook buiten verzamelde zich intusschen een onafzienbare massa, die uit nieuwsgierigheid of uit toewijding naar dit schouwspel gedreven werd. De nieuwsgierigen waren de duizenden vreemdelingen, die op het oogenblik in Caïro vertoeven; de Mohammedanen kwamen uit zuivere devotie. Er waren drie groote afgesloten ruimten, waar de auto's en rijtuigen met hunne inzittenden een plaats kregen en die allen een even goed en vrij gezicht op het schouwspel hadden. De eerste was afgezonderd voor de familieleden van den Khedive, die in groot aantal aanwezig waren. De tweede was voor de familieleden der officiëele personen, de verschillende consuls en hooge militairen. De derde ruimte was voor de vreemdelingen.
Klokslag tien uur arriveerde de karavaan. Zoodra zij in het gezicht kwam werd het heilige kleed met 21 kanonschoten begroet en waar het voorbij de militairen trok, presenteerden dezen het geweer of maakten hun militair saluut. De kameel, die de heilige last droeg, was geheel met goudwerk en roode franjes behangen; het verhief zijn kop nog hooger dan die beesten gewoon zijn te doen, alsof het zich van zijne waardigheid bewust was. Het werd gevolgd door zeven andere met rood fluweel behangen kameelen en op elk zat een eerbiedwaardige pelgrim, die zachte tonen uit een fluit te voorschijn bracht, om het heilige beest te amuseeren.
Zeven keer wandelde deze stoet in de ruimte rond, telkens door de militairen en nu ook door de Sheiks, de Pasja's, de koninklijke familie en alle officiëele personen, allen nu naar buiten gekomen, eerbiedig gegroet. Daarna overhandigde de broeder van den Khedive den eersten begeleider een sleutel en alles verdween in het gebouw, waar het tapijt voorloopig ondergebracht werd. Weder 21 kanonschoten om het uitgeleide te doen.
Dit tapijt blijft nu twee maanden aldaar en wordt in dien tijd door alle geestelijken en fanatieken aangebeden; daarna wordt 't in vele stukken gesneden, die verschillende moskeeën ten deel vallen om op de daarin aanwezige heilige graftomben gelegd te worden. Men verteld, dat dit grapje het land elk jaar twaalf millioen gulden zou kosten! Vóór ik alles had gezien kon ik dat niet gelooven; nu ben ik er zeker van, dat die som niet overdreven is. Wat zou dat geld hier in het land nuttiger besteed kunnen worden, indien het b.v. voor oprichting en in-stand-houding van goede scholen werd gebruikt.
Het was vandaag prachtig weder, de zon scheen reeds vroeg; toen ik dit in het rijtuig staande opmerkte, zeide onmiddellijk een Mohammedaansche koetsier: "Maar natuurlijk, mevrouw; dat is altijd zoo; wanneer het heilige tapijt in Caïro komt, laat God de zon schijnen!" Ik dacht aan onze Oranjezon, die zich echter wel eens een enkele keer achter een wolk verschuilt.
Nu alles is afgeloopen, weet ik niet, wat diepere impressie op mij maakte, het gezicht van die mooie, vroolijke, veelkleurige vertooning, of de groote orde die er onder die tienduizenden heerschte en het kalme en vriendelijke optreden van de politie. Behalve de kanonschoten en de militaire muziek, werd geen enkele luide toon gehoord; de bevelen van de politie gingen meer door een vriendelijk handgebaar dan door verheffing van stem. Na afloop vertrok geen rijtuig van zijn plaats vóórdat de politie het sein gegeven had en allen bleven achter elkaar rijden.
P.S. Van bevriende zijde worden mij twee uitknipsels uit "De Telegraaf" toegezonden, op welks inhoud ik hier even wil terugkomen.
Het eerste is onderteekend door twee artsen uit Transvaal en heeft de strekking te doen uitkomen, dat mijne opvatting over de behandeling der inboorlingen in Zuid-Afrika niet de juiste is. De inhoud van dat ingezonden artikel verwondert mij niet; ik zal in vele Zuid-Afrikaansche bladen over mijne geuite meening in dezen wel meer en sterker gecritiseerd worden. Uit gesprekken, die ik daarover in Zuid-Afrika met vele Afrikaners en Britten hield, is het mij heel goed bekend, dat de groote meerderheid der bevolking mijne gevoelens in dezen niet deelt. Hoe kan het ook anders. Sympathiseerde de meerderheid der bevolking in dezen met mij, dan zou de behandeling der kleurlingen eene andere zijn en dan had ik daarover anders geschreven. Betreffende dit eene punt, minachting voor den kleurling, hem te beschouwen louter als goedkoope arbeidskracht, harmonieeren Britten en Afrikaners meesterlijk. Dat niet de heele bevolking van Zuid-Afrika zoo verkeerd denkt over den Kaffer en deze kleurlingen warme vrienden bezitten in enkele toonaangevende kringen, daarvan ben ik ook zeker. Vooral in de Kaapkolonie vond ik voor mijne meening vele gelijkdenkenden en toen ik Olive Schreiner een bezoek bracht, ontdekte ik, dat ook zij in dezen mijne geestverwante is.
De oplossing van het kleurlingen-vraagstuk zal in Zuid-Afrika eene zeer moeilijke zijn, maar wil men eene rechtvaardige en wijze oplossing verkrijgen, dan moet men beginnen deze menschen met andere oogen te beschouwen, hun karakters te bestudeeren in de kraals, ik meen: zoolang zij nog onbesmet zijn door de aanraking met de Europeeërs, en hen in deze eigen omgeving eerst tot eene hoogere ontwikkeling brengen, zoodat zij beter bestand zijn tegen de gevolgen van verleiding, verkeerde behandeling en verkeerde voorbeelden der blanken.
Het tweede stuk is onderteekend door Zionist; deze maakt mij er een verwijt van, dat ik van het Zionisme in Palestina niet beter op de hoogte ben. Ik heb dat evenwel in een van mijne brieven erkend, eerst in Palestina trof mij den omvang van deze beweging. Mijn Baedeker, de laatste uitgave, zegt zoo goed als niets er van en onze dragoman, een Protestant, stelde er zeer weinig belang in en wist er niets van mede te deelen. Dat er geen Hirsch-vereeniging bestaat, maar dat uit de nalatenschap van Hirsch eene andere vereeniging geformeerd werd, was mij onbekend. Had ik met beslistheid geschreven, dat die kolonie boven Tiberias door de I. C. A. tot stand was gebracht, het verwijt van Zionist zou mij kunnen treffen; ik deed echter die vraag tusschen haakjes, omdat men mij in Jeruzalem had medegedeeld, dat de Zionisten nooit financieele voorschotten geven, doch dat, waar het noodig is, de Hirschvereeniging in dit opzicht helpt. Waren we niet zoo door Syrië gevlogen, had ik tijd gehad mij overal wat langer op te houden en nauwkeuriger informatiën te nemen, dan had ik met meer beslistheid ook over de bedoelde kolonie kunnen schrijven.
Dat de Zionisten een supplement op de Baedeker uitgeven, waarin over deze zaken uitvoerige inlichtingen worden verstrekt, is zeer goed gezien; laat mij hen echter in overweging geven, dit boekje in het Engelsch, in plaats van in het Duitsch te laten drukken, want tot nu toe bestaan de bezoekers van Palestina voor een overwegend groot deel uit Amerikanen en Engelschen. Duitsch sprekende toeristen zijn nog groote uitzonderingen.
Laten mijne lezers niet vergeten, dat ik mij in de verschillende landen niet lang genoeg ophoud om mij steeds van alle vraagstukken goed op de hoogte te stellen, dat ik ook van alles alleen mijne indrukken weergeef, en dat ik niet verwacht, ook niet verwachten kan en wil, dat elkeen het met mijne opvatting eens is.
AAN BOORD VAN DE "PRINSES JULIANA".
Wij waren reeds vroeg op, den dag waarop wij Caïro verlieten, om ons naar Port-Said en aan boord van het schip te begeven, het schip, dat ons zou wegvoeren uit Egypte en in een ander werelddeel weder aan land zetten. Om zeven uur 's morgens zou de trein vertrekken, doch om zes uur stonden wij reeds gereed, waren de koffers gepakt en wachtten wij op de mannen, die de vele stukken bagage naar beneden zouden brengen en die den dag tevoren waren aangewezen, om voor onze koffers te zorgen en ons veilig in den trein te brengen. Waren wij blijven wachten, dan stonden wij er misschien heden nog, want toen wij beneden in het hotel kwamen, lag er alles nog in diepe rust. Zelfs de mannen, aan wie de nachtwacht was toevertrouwd, lagen in de corridors op de dikke Smyrna-tapijten te snurken; de eenige wezens, die teekenen van leven gaven, waren een paar groote, dikke ratten, die door onze komst gestoord werden in een of andere belangrijke onderneming en toen ijlings de vlucht namen. Nadat wij genoeg menschen wakker en naar beneden getrommeld hadden, er een rijtuig voor ons gehaald was en wij aan het station waren uitgeladen, was er amper tijd voor onze reisbiljetten te zorgen, de bagage te laten inschrijven en plaats te nemen, voor de trein afreed.
Wij zouden nu nog in de 4 1/2 uur, die wij noodig hadden, om naar Port Saïd te komen, gelegenheid krijgen, om in Egypte eene van die natuurverschijnselen te zien, waarvan wij wel veel gelezen hadden, doch dat wij nog niet hadden bijgewoond. Spoedig, nadat wij Caïro achter den rug hadden, begon de een of andere wind op te steken en langzamerhand zagen wij het woestijnzand steeds hooger stuiven, zagen wij de op den weg zich bevindende kameelen zich nederleggen en de opzittende of begeleidende mannen zich achter hen verschuilen, nam de lucht een grijsgrauwe tint aan, waar doorheen wij slechts op korten afstand konden zien en kwam het fijne stuifzand zelfs door onze goed afgesloten vensterraampjes onze oogen, neus en keel binnen dringen. Het was "a new experience", zooals mijne reisgezellin goedmoedig opmerkte, maar geene aangename.
In Port Saïd bijna een uur te laat aangekomen, had deze zandstorm voor een fijnen, doordringenden regenstorm plaats gemaakt, die het aan boord gaan niet veraangenaamde. Doch--en nu heb ik in mij-zelf een eigenschap ontdekt, die ik mij niet bewust was te bezitten--ik gevoelde mij aangenaam aangedaan, toen ik daar, al was het dan ook in een hoekje van Afrika, mijn voet op Nederlandschen bodem zette; toen ik in eigen taal door tal van landgenooten begroet werd en toen ik in mijne hut gekomen vele pakjes van Hollandsche vrienden vond, alle de een of andere nationale bijzonderheid bevattende. Het waren Dordtsche speculaasjes, Haagsche beschuitjes, chocolade van Korff, Delftsche parfumerie, Haagsche hopjes, Deventer koek en Groninger molleboonen, die mij door goede feeën waren toegezonden en die mij nog lang zullen blijven vertellen, dat er ook in eigen land veel goeds is te vinden. Ik dacht een cosmopoliet te zijn, doch het nationaliteitsgevoel is sterker dan ik vermoedde. Dit gevoelde ik ook heel sterk, toen wij in onze hut kwamen en mijne Amerikaansche reisgenoote, die vele bootreizen in haar leven maakte en verschillende stoomvaartlijnen bij ondervinding kent, uitriep: "Ik heb nog nooit zoo'n gerieflijke en ruime hut op een boot gehad als deze." 't Is waar, in de hutten op de "Prinses Juliana" gevoelt men zich even comfortable als in een kamer in 'n hotel en de van alle kanten gemakkelijk te bereiken bad- en toiletkamers, waar een echte Hollandsche zindelijkheid heerscht, zijn niet alleen ruim en comfortable, maar zijn zelfs luxueus ingericht. De comfort op de "Prinses Juliana" laat in geen enkel opzicht te wenschen over.
Het werd bijna vier uur, toen wij Port Saïd uit en het kanaal van Suez binnenstoomden, zoodat wij het kanaal, dat ik nog gaarne eens weder had gezien, bij avond en nacht passeerden. Toen wij den volgenden morgen ontwaakten lag Suez reeds achter ons en waren wij in de Roode Zee. Nog één tamelijk koele dag en toen kwamen de passagiers reeds in hun witte pakken voor den dag, hadden de zwarte bedienden zich reeds van voor hun voeten niet bestemde schoenen ontdaan en hoorde men reeds enkele medepassagiers--en vooral de spelende kinderen--klagen, dat zij "puften van de warmte". Zoo erg was het echter niet, maar de temperatuur was toch slechts enkele graden lager dan toen ik hier twee maanden geleden van de andere zijde doorvoer. Het schip is echter goed toegerust, om aan wat warmte te kunnen weerstand bieden. Niet alleen, dat overal in de salons en eetkamers en in alle hutten electrische waaiers koelte aanbrengen, maar bovendien zijn aan alle patrijspoorten windvangers aangebracht, die het beetje wind, dat wij genieten, opvangen en in de hut uitstorten. Het is dus best uit te houden.
In een ander opzicht onderscheidt deze boot zich nog van de meeste andere, waarop ik groote reizen maakte, een onderscheid, dat ik ten hoogste waardeer. Ze heeft n.l. geen muziekkorps aan boord, zoodat de passagiers niet 's morgens en 's middags en soms ook nog des avonds de hartverscheurende valsche tonen van een scheepsmuziekkorps te genieten krijgen. Hier is slechts een pianola-piano aan boord, die alleen nu en dan ons trommelvlies tracht te verscheuren en waarop op de meest ongelegen oogenblikken een zich muzikaal aangelegd voelend jongmensch zit te trommelen en volstrekt niet voelt, dat hij meerendeels mistast.
Elk patriotisch Nederlander kan op deze boot niet alleen trotsch zijn over de wijze, waarop onze stoomvaartmaatschappijen haar passagiers vervoeren, maar ook op de geaardheid en het gedrag zijner medepassagiers. Men gevoelt zich hier in deftig, Hollandsch gezelschap. Alles gaat even kalm en netjes zijn gang, geen luidruchtig geluid wordt gehoord, geen luidruchtige spelen gespeeld. Elkeen wandelt kalm over het dek of ligt op zijn rieten stoel een sigaartje te rooken en kringetjes te blazen, of leest 'n van huis medegebracht of uit de scheepsbibliotheek geleend boek. Enkelen zitten samen te keuvelen, even bedaard en even netjes, alsof wij bij ons in Holland op 'n buurtbezoek zijn. Een enkel clubje--en daartoe behoor ik--speelt 's avonds een partijtje bridge, anderen zitten schaak of domino te spelen, maar van luidruchtige spelen als op de Engelsche booten gespeeld worden, waaraan alle passagiers meedoen, daarvan is hier geen sprake. Op deze boot zijn de Hollanders Hollanders: netjes, bedaard, verstandig, kalm. Ik verheug mij daarover en ben hartelijk blij op deze boot gelegenheid te hebben met mijne landgenooten eens weder een verstandig gesprek te kunnen voeren en successievelijk met al mijne medereizigers kennis te kunnen maken en hen van hun goede, oud-Hollandsche zijde te leeren kennen. "I like your people, especially as travel-companions", zeide na eenige dagen dan ook mijn reisgezellin en dat streelde mijn ooren niet weinig.
Ik heb echter nog een voornaam punt vergeten te noemen, toen ik opsomde wat wij hier op deze boot dagelijks uitvoerden. Dat is vreemd, want het is iets, wat het grootste deel van onzen tijd in beslag neemt. Ik bedoel het eten en drinken, het deelnemen aan de maaltijden. Het lijkt wel, dat de Stoomvaart-Maatschappij "Nederland" zich verbeeldt tot taak te hebben, haar gasten een mestkuur te laten doormaken, om ze bestand te doen zijn tegen de nieuwe leefwijze, die hen aan het eind der reis wacht. De maaltijden zijn niet alleen overvloedig en goed, maar de verscheidenheid der gerechten is ook zoo goed en juist gekozen, dat men alleen met een ernstigen en vasten wil kan zorgdragen niet overvoed te worden. Als men niet onmiddellijk uit de overvolle menu's een paar gerechten kiest, waarvan men zal gebruiken, en de anderen, zonder er naar te zien, laat passeeren, dan heeft men al heel spoedig den dokter noodig, die met wat bicarbonas sodae de maag te hulp moet komen.
Niet alleen in de Roode Zee was het warm; toen wij Aden achter den rug hadden en Kaap Gardefui voorbij gestoomd waren, bleek er wel wat meer wind te komen, doch was de temperatuur niet lager. Het was dan ook op heel bescheiden toon tot mij gericht, het verzoek, om "als de warmte het mij niet onmogelijk maakte", een voordracht over vrouwenkiesrecht te houden. Aan dit verzoek, door 36 passagiers onderteekend, kon ik natuurlijk geen weerstand bieden. Als goede propagandiste voor de groote zaak, moest ik natuurlijk verheugd zijn--en dat was ik dan ook--, dat mij op zoo'n ongezochte wijze gelegenheid gegeven werd, dit onderwerp, zelfs op den Indischen Oceaan, te bespreken en met toestemming van den kapitein werd de 2e klasse eetsalon ingericht om als vergaderzaal te dienen. Ik dacht niet, dat de belangstelling in vrouwenkiesrecht onder mijn medepassagiers zóó groot was; op één enkele uitzondering na waren alle 1e en 2e klasse passagiers aanwezig, toen ik dien middag, om half vijf, het woord nam. Zóó groot was zelfs de belangstelling, dat wij om zes uur nog midden in het debat waren, toen de zaal ontruimd moest worden om weder voor eetsalon te worden ingericht. Om elf uur den volgenden morgen werd het debat voortgezet, en toen ik op het middaguur eindigde, werd door vele Engelsch sprekende medepassagiers onmiddellijk het verzoek gericht, om ook mevrouw Catt te vragen, een voordracht voor hen te houden.
Vrouwenkiesrecht was daarna langen tijd 't onderwerp van de gesprekken op de boot; sommigen waren overtuigde voorstanders geworden, anderen vonden het toch ook een vanzelf sprekend gevolg van den ontwikkelingsgang der maatschappij, anderen waren verstokte tegenstanders, onder dezen voornamelijk die heeren, die van oordeel waren, dat huwelijksgeluk alleen bestaanbaar is, zoolang de vrouw tot den man opziet, en door de vrouwen nu ook politieke rechten te geven, ontnam men den man alle superioriteit over zijne vrouw. Die heeren kennen niet de "Amalasuntha's"-zusteren van de Amalasuntha uit Dickens' onovertreffelijke verhalen, die aan nekverstijving te gronde gaan, door het onophoudelijk opzien tot hun zoo hoog boven hen staanden echtgenoot. Ik heb hen geraden, Dickens voor dat doel eens na te slaan.
Mrs. Catt was natuurlijk ook dadelijk bereid om aan het verzoek, dat inhield wat te vertellen over de toestanden in Amerika met betrekking tot het vrouwen-vraagstuk, te voldoen, en twee dagen, nadat ik gesproken had, vulde zij mijne voordracht aan met het bovengenoemd onderwerp. Ik had niet gedacht dat ook dien derden dag nog zooveel belangstelling zou bestaan, om een paar uur in de warme salon stil te zitten luisteren naar hetgeen mrs. Catt op haar eigenaardige, boeiende wijze te vertellen had, en het verhoogde het effect van haar voordracht niet weinig, toen aan het slot een heer in ons midden opstond, die een Australiër bleek te zijn en in Queensland woont en die op zeer welsprekende wijze de resultaten van het vrouwenkiesrecht in Australië besprak. De vrees voor "ongenoegen in het gezin" als gevolg van kiesrecht, ook voor de gehuwde vrouw, het bezwaar, dat in de laatste dagen nogal eens gehoond werd, wist hij zoo schitterend te weerleggen, dat twijfel omtrent dat punt nu onder de passagiers van de "Juliana" wel niet meer zal bestaan. Zijn vrouw, die ook aanwezig was, wist nog even mede te deelen, dat zij en haar man wel dikwijls omtrent de keuze van den candidaat tot overeenstemming kwamen, maar in de gevallen, waar beiden aan eigen candidaat de voorkeur bleven geven, brachten zij natuurlijk ook hun stemmen uit op hun eigen candidaat. 't Klonk zoo eenvoudig en alleen 'n door-alles-heen-gelijk-willen-hebbend echtgenoot kon zich nog beangst maken voor "ongenoegen".
Zoo werd dus gedurende eenige dagen het vrouwen-vraagstuk de "topic of the day"; menigeen, die vroeger nooit ernstig hierover heeft nagedacht, begint thans te begrijpen, dat de vrouwenbeweging, hij moge er mede instemmen of niet, eene groote, machtige beweging is, die zich thans in alle landen openbaart en die niet eerder tot een einde zal komen, alvorens er volkomen wettelijke--hieronder ook de politieke te verstaan--en maatschappelijke gelijkstelling tusschen mannen en vrouwen zal zijn verkregen.
En zoo gaan de dagen op de boot langzaam voorbij, maar toch nog veel te snel voor mrs. Catt en mij, die deze zeereis gaarne nog wat verlengd zouden hebben. Wij gevoelen ons hier thuis, rustig, aangenaam. De warmte is wel groot, maar niet te groot, en wanneer wij des avonds de wonderschoone zonsondergangen, die tusschen Aden en Colombo onbeschrijflijk mooi zijn, genoten hebben, volgt daarop spoedig een lange, aangename koele zomeravond.
Morgenochtend moet de boot in Colombo aankomen, maar wij hebben de 8 uren, die wij te laat van Port Saïd vertrokken zijn, niet ingehaald en daardoor zal het wel avond worden, eer wij in Colombo aan wal stappen.
OP CEYLON.
I.
Het avondduister was reeds lang ingetreden, toen wij de kustlichten van Colombo in het gezicht kregen en eer het schip voor anker lag, de visiteerende dokter aan boord was gekomen en zijn plicht vervuld had, en eer wij met onze bagage goed en wel geland waren, was het reeds bijna tien uur. Het was jammer, dat wij het mooie binnenkomen in de haven van Colombo gemist hebben en ons hebben moeten tevreden stellen met de verhalen over dat mooie gezicht van uit zee op Colombo, van onze medepassagiers, die deze reis reeds meermalen gemaakt en Colombo vroeger hebben gezien. Tot op het laatste oogenblik vonden wij het op de Prinses Juliana aangenaam; ik hoop later nog wel eens van deze boot te kunnen gebruik maken, vooral wanneer zij dan nog onder denzelfden goeden gezagvoerder met zijne plichtgetrouwe en beschaafde bemanning vaart. En van de passagiers wil ik alleen dit zeggen, dat gisteravond, toen wij in het hotel en op onze kamer aangeland waren, mrs. Catt tot mij zeide: "Als men mag aannemen, dat men op een groote boot van zekere natie een goed overzicht krijgt over zijn volk, dan gaat Nederland met de eer strijken van het meest beschaafde en ontwikkeldste volk te zijn onder al degenen die wij op onze reizen ontmoet hebben".
In Colombo aangekomen, wachtte ons de eerste teleurstelling; ik wil hopen dat er geen tweede op volgt. Het Galle Face Hotel, het meest gerenommeerde, was overvol; de eetkamer was zelfs tijdelijk voor slaapkamer ingericht; het daarop volgend Grand Oriental Hotel was in dezelfde conditie, zoodat wij ons ten slotte moesten tevreden stellen met een kamer voor twee personen in het Bristol Hotel. Gelukkig is er alles zindelijk en valt het bij nadere kennismaking zeer mede. Met eenige van onze medepassagiers van de boot hebben wij 's avonds nog een tijd lang in de veranda van het hotel zitten praten, totdat zij weder aan boord en wij naar bed moesten.
Onze kamer, waarvan de deur van boven uit open traliewerk bestaat, had wel twee groote open vensternissen, doch geen vensters; de lucht kon van buiten vrij naar binnen treden. Door een grooten electrischen waaier, veel gelijkenis vertoonende met een paar molenwieken, werd de lucht in beweging gehouden en eenige koelte in de kamer gebracht. Het was er aangenaam heet en het eenige laken, dat ons tot dekking in het vrij goede bed diende, was voor dat doel ruimschoots voldoende. Wij moesten ons even voor den geest roepen, dat wij hier in Ceylon in den wintertijd zijn en het in Europa op 't oogenblik overal buitengewoon koud is. Het is nu het seizoen voor Colombo; hoe moet de temperatuur hier wel zijn als 't hier zomer is.
Ik zou zeker dien eersten nacht in Colombo een heerlijken slaap hebben genoten, ware het niet, dat de boomen vóór het hotel rijk bevolkt waren met kraaien en eksters, die den geheelen nacht hun krijschende stemmen hebben doen hooren. Onophoudelijk schijnen die beesten onderlinge twistgesprekken te voeren gehad te hebben, waarbij honderden individuen het hunne hadden in te brengen. In een ander land zou men aan zoo'n overbevolking van zulke lieve beestjes een einde maken, maar hier, met zoovele Hindoe's en Boeddhisten onder de bevolking, zal men dat wel uit zijn hart laten. De Boeddhist mag geen levend wezen dooden, allen moeten den natuurlijken dood sterven.
Ware het niet Zondag geweest, dan waren wij vanmorgen met de eerste gelegenheid naar Kandy, dat veel hooger gelegen en koeler is, vertrokken; wij moesten nu eerst wachten tot morgenochtend de banken open zijn om geld te halen en eenige andere zaken af te doen. Deze Zondag is echter geen verloren dag voor ons geweest. Integendeel, het was een alleraangenaamste, vol van nieuwe indrukken. Om eerst even naar het kantoor van Cook te gaan en naar het telegraafbureau, hadden wij ieder een rickshaw genomen, die hier veel beter zijn dan die wij in Zuid-Afrika zagen en waarvan de mannen niet zoo bont toegetakeld zijn als daar. Deze hier zijn ook heel licht en altijd alleen voor één persoon bestemd. Het lijkt voor vele Europeanen misschien onbarmhartig, dat men zich in een wagentje nederzet en zich door een medemensch laat voortbewegen, maar dit gevoel gaat hier weg, als men ziet, op welk een gemakkelijke wijze deze mannen zich--oogenschijnlijk althans--van die taak kwijten en hoe gelukkig zij met een vrachtje zijn. Toen wij hen aan het telegraafkantoor wilden betalen en wij een rijtuig aanriepen, om een tocht door de stad te maken, smeekten zij ons zóó hen met die taak te belasten, dat wij daartoe ten slotte maar besloten. Zij zouden ons nu eerst langs de zee en dan langs mooie punten, die wij hen hadden opgegeven, naar Mount Lavinia Hotel brengen, waar wij wilden lunchen en eenige uren vertoeven. Zij moesten ons daar blijven wachten en later langs een anderen weg terugvoeren.
Niettegenstaande de groote hitte draafden die twee naakte bruine broeders als paarden, en op onze herhaald tot hen gerichte opmerking, dat zij zich niet zoo behoefden te haasten, of, of zij misschien niet eens wilden rusten, gaven zij ons met een lachend ontkennend hoofdschudden antwoord. Draven doen hier echter niet alleen menschen en paarden, maar ook ossen. Herhaaldelijk passeerden wij op onzen weg een soort tentwagentjes, waarin de een of andere Sinhalees met vrouw en kinderen gezeten was, waarschijnlijk een Zondagstoertje makende, en die getrokken werden door een klein, vinnig osje, dat met een paard in het hardloopen kan wedijveren. Zij zijn van het soort, deze ossen bedoel ik, dat ik ook in Oost-Afrika gezien heb, met een min of meer groot uitwas in den nek, die men daar buffeltjes noemde. Een zeer gedistingeerd vervoermiddel schijnt zoo'n ossewagentje niet te zijn, ik zag er althans alleen Sinhaleezen gebruik van maken.
Over deze menschen heb ik al eens geschreven, toen ik ze voor het eerst in Zanzibar zag; hier zien wij ze in grooten getale, zoodat hun verschijning reeds geen bijzonderen indruk meer maakt. En toch moeten ze voor een Europeaan opmerkenswaardig zijn. Die mannen met hunne zachte, melancholieke, vrouwelijke gelaatsuitdrukking, hun lange, zwarte, bijna blauw-zwarte haren, die in golvingen of krullen, over hun schouders hangen, of in een wrong op het achterhoofd bevestigd en met een groote schildpad-kam afgewerkt zijn, en die gekleed zijn in sarong en kabaai, de sarong soms voor een gewonen nauwen damesrok plaats makende, zijn toch een bijzonder soort menschen. Op hun gezicht afgaande, stel ik hen veel hooger dan b.v. den Arabier. De Sinhaleezen hebben over het algemeen verstandige, denkende gezichten en zij missen geheel dat sensueele in hunne gelaatsuitdrukking, dat vooral den Arabier zoozeer vertoont.
Was het omdat het Zondag was en er nu door velen niet zooveel als anders gewerkt werd, dat wij daarom in de volksbuurten zooveel langharige mannen in gebukte houding voor hunne woningen zagen zitten en achter hen hurkende vrouwen--wij zullen ten minste veronderstellen, dat dit hier eene echtelijken liefdedienst gold--die, evenals de apen, die lange haren trachtten te zuiveren van het wild, dat er waarschijnlijk in rondhuppelde? Het is ook mogelijk, dat de Zondag er niets mede te maken heeft.
Maar dit was niet het eenige merkwaardige, dat wij op onzen weg zagen. Wij zijn hier in den winter, maar aan boom, blad, bloem en vrucht is dat niet te bespeuren. Alles ziet er uit als in den hoog-zomer, en wel een, die een bijzonderen rijkdom aan bloemen en vruchten levert. De kokosnootpalmen, die hier veel mooier en frisscher lijken dan in Oost-Afrika, de bananen, de broodboomen en de boomen met jakvruchten (ik weet nog niet wat dat voor vruchten zijn), vormen hier heele wouden en vooral de Banyanboom--ik geloof, dat die op Java Waringin heet--, waarvan één exemplaar den geheelen tuin kan overschaduwen, maakte den weg, waarlangs wij gingen, schaduwrijk en koel. Een van de Banyanboomen, waarvan de luchtwortels weder stammen waren geworden van eenige meters in omvang, had zoodoende een omvang verkregen van meer dan vijf-en-twintig meter.
Verder zagen wij de kaneeltuinen, mijlen ver uitgestrekte velden met laag boom- en struikgewas, doch elk struikje was een kaneelboompje, waarvan niet alleen het blad, doch vooral de stam en stengel sterk naar kaneel ruikt en nog meer smaakt. Wij zagen sagoboomen, notemuscaatboomen en kruidnagelboomen, alle voor een deel in bloei, voor een ander deel in vrucht staande. Maar meer nog dan dit alles verlustigden wij ons in het gezicht van die vele mooie, groote, bonte vlinders, die zich hier in dit bloemenrijk zoo geheel tehuis gevoelen. En even gaarne verwijlden onze oogen op de vele naakte kindertjes, die aan den weg speelden in het gewaad, dat zij bij de geboorte hadden medegekregen. Velen zijn reeds door de toeristen bedorven, zij steken bedelend hunne handjes op en prevelen eenige onverstaanbare woorden. Maar er waren onder hen, die op zoo'n nieuwe wijze hun bedelend stemmetje deden hooren, die al naast den wagen voortrennende, 'n aardig kinderliedje zongen en dan plotseling hunne schalksche oogjes tot mij opheffende, zeiden: "you are my Mamma, my dear Mamma, give me a cent for a new dress", dat zij er mij toe brachten mijn principe te verloochenen, om in dat opgeheven, bruine handje een penningske te stoppen. Het was ook zoo warm en het was midden op den dag, mijne hersens waren een beetje in gesmolten boter-toestand, anders had ik zeker de in mijn oog groote fout niet begaan, om een kind, door het geven van een giftje, tot bedelen aan te moedigen. Maar die naakte kleine meisjes, met hare mooie snuitjes, die een nieuwe japon noodig hadden en die mij Mamma noemden, hadden mijn hart verteederd en..... in zoo'n hitte kan men er toch ook eigenlijk geen principes op nahouden.
Het was ongeveer één uur, toen wij in het Lavinia-Hotel aankwamen. Onze bruine mannen hadden de 7 mijlen afstand zonder rusten in geregelden draf afgedaan en zij waren van oordeel, dat nu de Ladies 'n tiffin namen, wij hen ook daartoe in de gelegenheid moesten stellen. Zij voegden er schalks aan toe, dat de lunch in het hotel drie rupees (een rup. = 80 cts.) kost, maar dat zij wel ergens konden gaan, waar zij maar 3 sh. (1 sh. = 60 cts.) hadden te betalen. Toen ik hun vroeg of zij niet een billijker restaurant voor zich konden vinden en ik ze één rupee gaf voor dat doel, sprongen ze in de lucht van de pret en toen wij hen om half drie weer lieten voorkomen om ons terug te voeren, wreven zij over hunne buikjes om ons duidelijk te maken, dat het zoo lekker had gesmaakt. Zij hadden in dien tijd ook even in de zee een bad genomen en mijn paardje had zijn lange haren nu koket in een rol rondom zijn hoofd gelegd, zooals tegenwoordig bij ons zoo vele jonge meisjes haar kapsel dragen. Vlak van achter had hij er een blauwe lap tusschen gevoegd, zoodat het precies een meisjeskop was.
Het Lavinia-Hotel is aan de uiterste punt van een rots in zee gebouwd en daardoor aan drie zijden door de zee omgeven. Vooral om zijne vischlunchen is het hotel beroemd. Een dozijn verschillende vischschotels werden ons achter elkaar voorgediend, allen even fijn en de meeste zelden-voorkomend.
Langs een geheel anderen weg keerden wij huiswaarts en waren tegen vijf uur in het Bristolhotel terug.
Nadat wij Maandagochtend al onze boodschappen verricht en ons reisvaardig gemaakt hadden, vertrokken wij naar Kandy. Al spoedig waren wij twee het roerend eens, dat Ceylon 't hof van Eden moet geweest zijn. Toen wij de stad uit en meer landwaarts gekomen waren, zagen wij niet alleen de natuur, zooals die ons in 't Paradijs wordt geschilderd, maar zagen wij ook de mannen en vrouwen in Adam's en Eva's costuums van uit den tijd, na het eten van de verboden vrucht. De groote bladen die hier in menigte te vinden zijn, zijn er als 't ware voor aangewezen. Sedert wij Rhodesia verlaten hebben, hebben wij onder de Afrikaansche bevolking niet zoo'n volkomen naaktheid meer gezien. Wij waren er reeds een beetje aan ontwend, daarom trof het ons hier op Ceylon te meer. Het is echter in dit klimaat het meest praktische costuum.
De geheele weg van Colombo naar Kandy is uiterst loonend. Wij zagen dan eens uitgestrekte rijstvelden met de rijsthalmen in de verschillende graden van ontwikkeling, dan weder groote bosschen kokosnootpalmen, bananenpalmen, vijgeboomen en nog zooveel meer. Er zijn op dien weg alleen twintig verschillende palmboomen te zien. De kokosnootboom lijkt mij het nuttigst van al deze boomen voor de inlandsche bevolking. Niet alleen wordt de vrucht op allerlei wijze gebruikt, maar ook de bladeren doen dienst voor allerlei zaken. Hier is nog onze ouderwetsche huifkar heel veel in gebruik, de groote, naar voren en achteren overhangende huif is geheel gemaakt van de gevlochten bladeren van den kokosnootpalm. Men vlecht er ook manden van en zij worden op allerlei wijze dienstbaar gemaakt tot het aanbrengen van schaduw. Wij zagen er geheele tenten van gemaakt, het tehuis van vele inlanders. En nog op allerlei andere wijzen zagen wij deze groote bladeren gebruiken. En van de noot wordt de bast, het vleesch en de melk op honderderlei wijze aangewend. Van kokosnoot en bananen alleen leven hier vele menschen. En daar deze ook voor huisvesting en toiletartikelen niet veel hebben uit te geven, heeft armoede natuurlijk hier al hare verschrikkingen verloren.
Een kort eindje ging de trein langs een oranjeboomhoeve, waarvan de boomen alle in bloei en in vrucht stonden, die de heerlijke geur door de open wagonvensters zonden. Toen wij hooger kwamen, passeerden wij telkens schilderachtige dorpen van inlanders, die hun heele huishouding buitenshuis voerden. Wij zagen nu ook meer dan in Colombo de in oranje-geel gekleede en geheel kaal geschoren Boeddhistische priesters. Hun kleeding bestaat alleen in een grooten gelen doek, die rondom de lenden gaat en daar in een sierlijken zwaai over den rechterschouder geslagen is. Verder loopen zij allen met een bijzonder grooten waaier, die, wanneer hij is opengeslagen, een zeer groote schelp gelijkt, waarachter de mannen zich geheel kunnen verschuilen en zich voor de inwerking van de heete zonnestralen kunnen behoeden. Het Boeddhisme, dat in Engelsch-Indië aan het uitsterven is, vindt hier nog vele aanhangers, alhoewel de vorm in den loop der eeuwen reeds veel gewijzigd is. De Boeddhistische priesters mogen ook hier op Ceylon niet huwen, maar zij behoeven niet in armoede en gebrek te leven, zooals in Burma. Daar mogen zij 's morgens vóór twaalf uur niets eten of drinken en moeten zij elken morgen eerst hun voedsel langs den weg bedelen; hier bezitten de priesters echter veel grond en gebouwen en behooren zij tot de kapitalisten. Zij bedelen hun voedsel niet, de offeranden worden in de tempels gebracht, maar of de priesters dat in plaats van hun eigen goed toebereid eten gebruiken, wist men ons niet te vertellen.
Van uit den tijd dat Ceylon tot onze koloniale bezittingen behoorde, is niet heel veel overgebleven. Men heeft hier alleen een zeker soort menschen, die 'n Hollandschen voorvader hebben gehad en zich daarom "burghers" noemen en die zich hooger voelen, misschien ook zijn, dan de inboorlingen. Ook het Ceylonsch geld vertoont eene opmerkelijke overeenkomst met het onze, als men een rupee, die maar 80 cents waarde heeft, met onzen gulden vergelijkt. Een halve rupee is precies gelijk aan ons 50 centsstuk, een kwart rupee met ons kwartje en de tien-cents,--zij spreken ook van centen en verdeelen hun rupee in honderd centen,--met ons dubbeltje. Ook de koperen cent is aan de onze gelijk, alleen 't nikkelen stuiverstukje is hier vierkant met afgeronde hoeken.
Om half zes kwamen wij heden in Kandy aan, waar de temperatuur veel frisscher en deze avond, terwijl wij in den tuin onder een ouden Banyanboom zitten te schrijven, overheerlijk is. Hier in Kandy zijn verscheidene goede groote hotels, de menschen komen hier om eenige maanden te blijven.
De prijzen in de hotels, in aanmerking genomen wat men er voor geeft, zijn hier bespottelijk laag, zij zullen zeker later, als de trek naar Ceylon voor menschen, die er eenigen tijd blijven, grooter is geworden, aanmerkelijk stijgen.
Kandy, dat eens de hoofdstad van Ceylon was en ruim 1600 voet hoog ligt, heeft niet alleen geschiedkundige bekendheid, maar wordt het schilderachtigste plekje van het geheele Britsche keizerrijk genoemd. Om dit echter te genieten moet men 's morgens vroeg opstaan, want in het midden van den dag is het te heet, alleen 's morgens en in den laten namiddag maakt men hier uitstapjes, en daarom moet ik voor hedenavond eindigen, anders kan ik morgen vroeg onmogelijk bij tijds gereed zijn.
Wij zaten hedenochtend reeds om zeven uur in de Victoria, die ons naar Paradenya, zeven mijlen afstands van Kandy, zou voeren, om daar de Koninklijke Botanische tuinen in oogenschouw te nemen. Wij waren de eerste bezoekers; er was nog slechts één jonge man, die tot de staf van employé's behoort, die zich direct aanbood, om ons tot gids te dienen. Hij was een Burgher, zijn naam klonk echter niet in het minst Hollandsch. Met dit ontwikkeld jongmensch als geleider, leerden wij spoedig vele van de interessante palmen en boomen en heesters kennen, die wij in de laatste dagen op onzen weg gezien hadden. Wij hadden o.a. een tot hoog in de lucht zich verheffenden palm gezien, die van boven een groote pluim van bloesems vertoonde; het bleek nu, dat dit de Taliputpalm is, die slechts eens in de 100 jaren bloeit en dan daarna meestal sterft. Zelfs hier in de botanische tuinen, waar een geheele avenue van deze prachtige palmen bestaat, komt het hoogst zelden voor, dat er een van gaat bloeien. De roode katoenboom stond er overal in vollen bloei, de cacaoboom stond voor een deel in bloei, voor een ander deel vertoonde hij ons zijn roodbruine rijpe vruchten. Wij zagen er de verschillende soort rubberboomen, waarvan er zijn, die door hunne op een slang gelijkende, boven den grond zich vormende wortels, een zeer fantastisch gezicht opleverden. Een bosch van zich hoog verheffende bamboestammen vertoonde een eigenaardig beeld, doordat zich van boven aan hunne toppen trossen vertoonden, die als vruchten geleken. Toen onze geleider echter met een zware stok tegen de bamboestammen sloeg, vlogen op eens al deze vruchten hoog in de lucht en bleken het honderden groote vleermuizen te zijn, die daar aan hunne pooten met de koppen naar beneden hingen, dikwijls vijf of meer zich aan elkander vastklemmende. Hier worden die beesten vliegende vossen genoemd; zij zijn veel grooter dan onze vleermuizen.
De papaws, die hier veel fijner en geuriger zijn dan in Zuid-Afrika en die, geloof ik, in Java papaya's genoemd worden, zagen wij in de botanische tuinen in elk stadium van ontwikkeling. Men noemt papaw hier "de arme lui's vrucht", maar ik beschouw hem op 't oogenblik nog als mijn lievelingsvrucht.
De jakvrucht, die wij in Colombo zoo in grooten getale hadden gezien, zagen wij ook hier in verschillende ontwikkelingsstadia; men vertelde ons, dat zij als groente dienst doet bij de rijsttafel.
Maar genoeg over deze prachtige tuinen, die na de Kew-Gardens in Londen, de prachtigste van de geheele wereld genoemd worden. Ik hoop later in Batavia gelegenheid te hebben, onze Koninklijke Botanische tuinen te zien en te kunnen uitmaken of die voor deze in Kandy moeten onderdoen, of dat wij hier met een beetje Engelsche bluf te doen hebben.
De rijtoer, die wij in den namiddag deden, werd door de kennis, die wij in den morgen omtrent de inheemsche boomen, en plantengroei hadden opgedaan, voor ons een veel interessanter en dikwijls moesten wij het rijtuig even laten stilstaan en uitstappen, om een in 't wild groeiende plant, waarvan wij des morgens de bijzonderheden hadden leeren kennen, nog eens nauwkeurig in oogenschouw te nemen.
Doch wat wij in den namiddag deden en zagen in een volgenden brief.
II.
Vanmiddag gingen wij eerst den voornaamsten rijtoer van hier maken, die vooral om zijn mooie vergezichten, die hij op verschillende punten aanbiedt, een zekere vermaardheid heeft verkregen en daarna lieten wij ons brengen naar de "groote zandrivier", om een kijkje te nemen naar het voor ons oog nog nieuwe schouwspel "het baden van de olifanten". Elken middag van drie tot half zes kan men op zekere plek in de rivier twintig heilige olifanten zien spelen en zich amuseeren in het ondiepe water. Heeft men in Egypte heilige kameelen, die slechts eens per jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor het geheele jaar door goed gevoed en verzorgd worden, op Ceylon heeft men heilige olifanten, die maar één dag in het jaar een heiligen plicht vervullen en daarvoor een staf van bedienden hebben, die hen met de grootste zorg en liefde alle andere dagen van het jaar verzorgen en dienen. Een eind verder in de rivier baden ongeveer ter zelfder tijd vele andere olifanten, die echter een verfrisschend bad verdienen, omdat zij een langen en zwaren arbeidsdag achter den rug hebben. Want ook voor het zware werk, waarvoor men zich in Arabië en Egypte bedient van kameelen, gebruikt men hier olifanten. Zelfs als paard doen zij dienst.
Toen wij ons lang genoeg in den aanblik van die badende en spelende olifanten verlustigd hadden, die zich blijkbaar in het water amuseerden, legden wij een bezoek af aan den Tempel van Buddha, den tempel van den Heiligen Tand. Die heilige tand wordt verondersteld een tand van Buddha te zijn. De geschiedenis ervan is, dat toen Buddha 2500 jaar geleden, gecremeerd werd, eene vrouw in zijn asch vier gave tanden vond, die niet mede verbrand waren. Zij verborg die tanden in haar haarwrong en verkocht ze later voor zeer hooge sommen aan Buddhistische vorsten. Een er van kwam in het bezit van den regeerenden monarch van Kandy, die er een tempel voor liet bouwen, den tempel van den Heiligen Tand. Het bezit van dien tand werd den goeden burgers van Kandy echter herhaaldelijk betwist en omdat de Buddhisten geen oorlog mogen voeren, niemand en niets mogen dooden, en ook omdat de latere en verstandiger koning meende dat Buddha, die zich na zijn dood wilde laten verbranden, toch recht had geheel verbrand te worden, dus ook zijne tanden, werd op zijn bevel de tand van Buddha tot poeder gestampt, deze poeder daarna verbrand en de asch aan de vier windstreken prijsgegeven. Met groote praal en plechtigheid werd dat bevel ten uitvoer gebracht. Kort na den dood van dien vorst echter stond er een man op die beweerde de asch van dien tand weder verzameld te hebben en dat die asch opnieuw tot tand was geworden. Door de goê-gemeente werd dit geloofd en deze tand opgekocht en als tand van Buddha weder groote eer bewezen. In den loop der eeuwen is die tand herhaaldelijk door wijze regeerders verpulveriseerd, doch steeds kwam er na langeren of korteren tijd iemand, die de gepulveriseerde tand weder in zijn geheel ten verkoop aanbood. Sedert eenige honderden jaren nu is die tand niet meer verbrand. Hij ligt nu aan een gouden ketting in een zilveren kastje. Dat kastje staat in een ander zilveren kastje en dit gaat zoo negen maal door, totdat de laatste kast een vrij grooten omvang heeft verkregen. Deze laatste kast is geheel ingelegd en ook rondom behangen met de prachtigste robijnen, smaragden, saphieren en wat er meer voor kostbare edelsteenen mogen zijn. Elke opvolgende koning offerde er bij zijn leven of na zijn dood een of meer van zijne kostbaarheden aan. Rondom deze kast staan Buddhabeelden om de heilige schat, die meer op een tijgerklauw dan op een tand gelijkt, te bewaken, en er vóór staat een massief zilveren, fraai bewerkte tafel, die als offertafel dienst doet. Niemand komt in de nabijheid zonder verplicht te zijn te offeren. Is men met bloemenoffers, vooral lotusbloemen, tevreden als het leden van eigen gemeente betreft, van vreemdelingen verwacht men offers in klinkende munt en dat weet men hen duidelijk aan het verstand te brengen. In Kandy zijn 600 in gele doeken rondwandelende Buddhistische priesters en een soort klooster, waar nieuwe collega's gekweekt worden. De Buddhisten op Ceylon zijn geen zuivere Buddhisten meer. Door allerlei invloeden is hun godsdienst verbasterd. Ze gaan drie keer daags naar den tempel, de Mohammedanen vijf keer, en evenals dezen buigen zij zich herhaaldelijk geheel neder op den grond en zwaaien met hun lichaam als zij hunne gebeden prevelen.
Eens per jaar, in Augustus, gaat de zilverkast met heiligen inhoud een ronde door de stad doen. De heiligste van de heilige olifanten mag de kast dragen, terwijl de negentien andere olifanten ieder met een minder heilige kast belast worden. Zoo is er o.a. een gouden kast in den vorm van een graftombe, waarin een stukje hout bewaard wordt van den brandstapel waarop Buddha verbrand is. Dat is na den tand het heiligste stuk.
Rondom den tempel is een vijver, daarin zwemmen groote, vette schildpadden rond, die ook al "heilig" verklaard zijn. Deze beesten worden ook met groote liefde gevoed en verzorgd. En dan is er een boom, de bo-boom, waarvan verhaald wordt, dat het een tak was van den boom, waaronder Buddha in Burma zeven dagen zonder voedsel in gebeden doorbracht, en die bevolkt is met heilige apen. Takken van dien boom zijn overal heengezonden. In den grond gestoken, schieten zij wortel en blijven eeuwig leven. Het was onweersprekelijk een zeer oude boom, waaronder thans een Buddhabeeld zit om zooveel mogelijk de beteekenis van den boom aanschouwelijk voor te stellen en het was een nieuwe gelegenheid om den bezoeker geld af te zetten, want dit beeld nam offeranden in klinkende munt in ontvangst, ter instandhouding van het Buddhisme.
Eén zaak moet ik nog even releveeren, alvorens ik van de Buddhisten voorloopig afstap, omdat het ons een beeld geeft van hetgeen deze eenvoudige zielen onder de zeven hoofdzonden rekenen. Zij hadden ze buiten op de tempelmuren in beeld gebracht en aanschouwelijk voorgesteld, hoe de zondaren daarvoor na hun dood gestraft worden. De voornaamste zonde is het dooden. Die zich daaraan schuldig hebben gemaakt gedurende hun leven, worden na hun dood door duivels, die op de schilderij een heel fantastisch en wreedaardig voorkomen hebben met een lans of ander wapen door het hart gestoken en zoo moeten zij eeuwig blijven bloeden. De volgende zonde was, de burgers te veel belasting te laten opbrengen. Zoo iemand werd met een geldstuk in stukken gesneden. Het was een erg pijnlijk beeld, dat daarvan een afschildering gaf. De derde zonde was het liegen. De vierde, zijn ouders niet gehoorzamen. De vijfde, zich toe-eigenen wat hem niet toebehoort. De zesde, de kerk bestelen en de zevende, kwaadspreken van een kaste, die boven hem staat. Al die zonden worden hiernamaals gestraft met straffen, waarvan het middendoorzagen een van de zachtste is en waarbij duivels in verschillende vormen van wreedheid voorgesteld, de uitvoerders zijn.
Behalve de Sinhaleezen komen hier natuurlijk verschillende andere volksstammen voor, waarvan de laagste kaste mijne grootste belangstelling wekt. Hoewel men hier over het algemeen mooie menschen vindt, vallen toch deze menschen en vooral de vrouwen onder hen, door hare mooie geregelde gelaatstrekken, mooien lichaamsbouw en prachtige oogen op. Zij leven in hoofdzaak op een dagreizen's afstand van hier, maar verspreide groepen vindt men overal. Het zijn de Rhodiya's.
Van dezen volksstam wordt verhaald, dat hij zijn oorsprong dankt aan slechte voorvaders. Eeuwen en eeuwen geleden, lang vóór de Christ. jaartelling, leefde er op Ceylon een vorst, die veel van lekker eten hield, maar overigens een braaf man was. Zijne koks waren wel eens teneinde raad, wat zij hem toch alle middagen voor lekkernij zouden voorzetten. Op een middag hadden zij wat nieuws gevonden en de vorst vond dat zoo heerlijk, dat hij herhaaldelijk opnieuw zoo'n schotel bestelde. Maar op zekeren dag kwam het uit, dat wat de koning zoo lekker vond, versch geslachte kindertjes waren en daarover was hij zoo in heilige verontwaardiging geraakt, dat hij de schuldige koks en allen, die er aan hadden medegewerkt, bij zich liet komen en voor hen de grootste straf bedacht, die hij maar bedenken kon. Hij veroordeelde hen, dat zij als paria's in de maatschappij moesten voortleven, en dat al hun nazaten die straf deelachtig zouden worden. Zij moesten leven in de bosschen en mannen en vrouwen mochten nooit hun bovenlijf bedekken. Zij mochten niets leeren en nooit met andere menschen in aanraking komen. Als zij ooit iemand op hun weg ontmoetten, dan moesten zij minstens dertig meter boschwaarts gaan. Om die mannen nu in de gelegenheid te stellen zich voort te planten en zoo de straf eeuwigdurend te doen zijn, kregen zij successievelijk tot vrouw alle prinsesjes, die wat te warmbloedig waren en eens een vurigen blik geworpen hadden,--misschien ook wel wat verder waren gegaan--op den een of anderen man van lager afkomst. Zulke prinsesjes werden de ondeugende koks in de armen geworpen, en zoodra die er in geslaagd waren haar den gekauwden siri-pruim--een vieze aardigheid--tusschen de lippen te duwen, waren zij voor goed met haar getrouwd; dat beteekende dus zooveel als bij ons het burgemeestersbriefje. Eerst met de Britsche overheersching is aan die straf een einde gemaakt, maar bij de Ceylonsche bevolking doet het verhaaltje nog dienst, en staan die menschen nog op den laagsten sport van den maatschappelijken ladder. Uit de mooie Rhodiya'sche meisjes worden thans in de steden de dansmeisjes en nog erger en ergerlijker soort gemaakt, terwijl de Rhodiya'sche mannen in de steden meest als slangenbezweerders en goochelaars of toovenaars optreden. Maar ook nu nog durven de mooie Rhodiya'sche vrouwen zich 't bovenlijf niet bedekken, omdat dit hier tot beteekenis heeft van een hooger stand te zijn.
Alle Engelsche schrijvers over Ceylon wijden een deel van hun boek aan de theeplantages en aan de onovertreffelijke theefabricatie. Steeds las ik, dat dit hier op zooveel beter wijze geschiedde dan in China of op Java, waar het geheele proces voor degenen, die er in werkzaam zijn, zoo wreed is. Dat prikkelde mij dus, om hier een groote theeplantage te bezoeken en het theemaken van het begin tot het eind na te gaan. Wij waren daarvoor hedenmorgen reeds weder zeer vroeg uit de veeren en reden met zonsopgang naar Gampola, een oud stadje, door inboorlingen bewoond, met vele historische herinneringen. Van hieruit waren gemakkelijk verschillende theeplantages te bereiken. Het theeplukken was in vollen gang toen wij aankwamen, want de vrouwen en kinderen--deze laatsten allen boven tien jaar oud--beginnen den dagtaak direct bij het aanbreken van den morgenstond. Mannen waren bezig met 't snoeien der boompjes en het schoonhouden der velden. Het leek mij een gezond en gemakkelijk werk wat die vrouwen en kinderen verrichten. Tegen tien uur hebben zij allen ongeveer de mand, die op hun rug gebonden is, volgeplukt en gaan dan naar de fabriek. Daar wordt de inhoud nog eens nagelezen, de groote bladeren eruit verwijderd en een te groot steeltje afgeplukt. Dit doen ook de vrouwen. De bladeren worden dan door mannen op de droogzolders gebracht en uitgespreid om gedroogd te worden en ondergaan dan verder een geheel machinale behandeling. Het krullen der blaadjes, het zuiveren en sorteeren der verschillende soorten, het verpakken, enz. geschiedt alles machinaal en de fabriek, die wij zagen, was in elke afdeeling zoo ruim, zoo zindelijk en zoo goed geventileerd, dat er van wreedheid of van ongezondheid geen sprake kon zijn, als, hetgeen wij natuurlijk niet konden constateeren, de behandeling der zwarte werkers en werksters ook een goede is. Want mij werd verteld door een gast in dit hotel, dat de opzichters soms zeer onmenschelijk met de ondergeschikten omspringen, door hen het volle loon te onthouden als zij niet genoeg geplukt hebben of soms voor een klein misdrijf in 't geheel geen dagloon uitbetalen en door nu en dan gebruik te maken van de zweep. Het loon wat de theeplukkers als regel ontvangen is 25 cents per dag, d.w.z. 25 Ceylonsche centen, die ongeveer 20 Hollandsche centen vertegenwoordigen. Daarvoor werken ze van 's morgens 6 tot 11 en 's middags van 1 tot 5 uur. Dat lijkt een heel kleine belooning, maar in aanmerking genomen de weinige behoeften dezer menschen, is zij niet zoo klein. Tenminste alle vrouwen en meisjes, die wij aan het werk zagen, hadden armen en beenen en vingers rijk bedekt met ringen, de oorlellen van onder tot boven vol versierselen, het middenschot van de neus en beide neusvleugels prachtig geornamenteerd, en vier, vijf of meer verschillende kettingen om de hals. Een groot deel van hetgeen zij verdienen, wordt blijkbaar in lichaamsversierselen omgezet. Ik zal nu later kunnen nagaan hoe de Javaansche theeplanters hun zaken hebben ingericht, of daar inderdaad van wreedheid bij de theefabricage sprake kan zijn.
Wij wilden Gampola niet verlaten zonder eerst een kijkje in het stadje genomen te hebben. Het loonde de moeite. Niet alleen zagen wij er zeer oud en zeer origineel steenhouwwerk, overblijfselen van oude tempels, maar wij zagen er een koperen plaat, waarop eene heele geschiedenis gegraveerd was. In 't kort is het verhaal zoo, dat in 1804 koning Wickrama Daja Sinha den tempel van Gampola een groot geschenk in grond en goud aanbood en het eindigt aldus: "Zijne Majesteit heeft het genoegen, dit aan te bieden, zooals bij den mond van de godin Saraswati is geuit, en hij geeft deze gift in een gelukkigen tijd, zittende op een gouden troon, in den vorm van Sakkraya in de stad van Senkanda Sailabidhana Siriwardhanapura, welke overvloeit van rijkdommen; en deze gift is gegeven op Maandag, den tweeden dag van de opkomende maan in de maand Medindina, in het jaar 1726, genaamd Raktaksa. Hij, die plukt, breekt, of snijdt, een blaadje of grasspriet of eenig hout of vrucht, of iets wat thans aan Buddha behoort, zal herboren worden als een pretaya (een vertaling van dat woord ken ik niet, maar 't zal wel wat verschrikkelijks zijn), doch iedereen, die eenige offeranden brengt, zal voorspoed genieten en in Nirvana treden. Hij, die met geweld iets neemt van hetgeen Buddha toebehoort, met de bedoeling het zich toe te eigenen of het aan anderen te geven, zal in een worm op een mesthoop veranderen voor een tijdsduur van zestigduizend jaren".
Niettegenstaande deze verschrikkelijke bedreiging is nu 5 jaren geleden het gouden beeld van Buddha gestolen, dat aan goud ongeveer 25.000 gulden waarde bezit. De dief is nooit gevonden; de goe-gemeente is vast overtuigd, dat die ook nooit gevonden zal worden, omdat de politie onder de menschen zoekt en de dief natuurlijk reeds lang in een worm op een mesthoop is veranderd.
Nadat wij na de lunch eerst een paar uren gerust hebben, begaven wij ons op weg naar het museum, wat nog niet veel te beteekenen heeft. In één opzicht vond ik het toch interessant, omdat ik er veel terugvond wat afkomstig moet zijn van onze Hollandsche voorvaders en omdat de oude Kandysche industrie, die in dit museum nog wordt uitgeoefend, in veel opzichten door de onze moet zijn beïnvloed. Er waren o.a. oud-Hollandsche bedplanken, stoven, schoengespen, lepel- en vorkrekken, pannen en potten, etc. Ik kocht er eenige zaken, die ik nu nog zag maken, alle met de oude, primitieve instrumentjes van voorheen en die elkeen voor oud-Hollandsch werk zal aanzien.
Wij hadden nog juist tijd om vóór zonsondergang de winkels van Kandy te bezoeken, waar de echte Ceylonsche edelsteenen verkocht worden en waar men niet, zooals in Colombo, met kooplieden te doen heeft, die zes- of zevenmaal den prijs vragen van dien, waarvoor zij geleverd kunnen worden. Er waren prachtige saphiren, smaragden, robijnen, amethyst, paarlen, enz., en, in aanmerking genomen de prijzen, die men daarvoor in Europa vraagt, bespottelijk goedkoop.
Den derden dag vertrokken wij met den ochtendtrein naar Nuwara Eliya (spreek uit Nurelia), op eene hoogte van 6200 voet gelegen, waar het heerlijk koel en gezond is. Den geheelen weg over, de treinreis duurde vijf uren, gingen wij door theeplantages, waar overal het werkvolk druk aan den arbeid was. Het was een prachtige tocht, met grootsche berggezichten. Ongeveer op het midden van de reis passeert men een plaatsje, dat Hatton heet en dat bekendheid bezit, omdat men van daaruit den berg, genaamd Adam's berg, bestijgt. Jaarlijks gaan duizenden pelgrims dien berg op, maar ook vele toeristen komen hier om op den top van den berg, van waar men een onbeschrijfelijk mooi uitzicht moet hebben, te beklimmen. Waarom die berg zoo belangwekkend is? Dat is natuurlijk niet alleen een gevolg van het mooi vergezicht, dat men op den top kan genieten, maar omdat die berg een heilig karakter draagt, in de geschiedenis van vele oude godsdiensten een groote rol speelt en het onderwerp is geweest van veel onderzoek en nog grooter godsdiensttwisten. Op den top van den berg is namelijk duidelijk het afdruksel te zien van een voetstap, maar van een voet die een reuzenmensch moet hebben toebehoord. Nu zeggen de Mohammedanen, dat dit de voetstap van Adam is, de Buddhisten beweren, dat Buddha daar gewandeld heeft en de voetstap van hem afkomstig is en de Hindu's beweren, dat Siwa, een hunner drie godheden, die voetstap toebehoort.
Volgens de Mohammedanen is Adam, toen hij uit den hemel gevallen of geworpen is, op den top van dien berg terecht gekomen en heeft hij daar 200 jaren op Eva gewacht. De voetstap moet dus van Adam afkomstig zijn. De Buddhisten weten echter beslist, dat Buddha op zijne zwerftochten ook Ceylon heeft bezocht en daar hij veel van de eenzaamheid hield, heeft hij gewis dien berg beklommen en daar vele van zijne overpeinzingen gehouden.
Doch de Hindu's weten met even groote zekerheid, dat Siwa, in een zijner menschelijke gedaanten, daar geweest moet zijn; zij hebben de maten van dien voetstap genomen van alle kanten en die alle vormen een volkomen overeenkomst niet de afdruksels van de voeten van Siwa.
Hoe het zij, de Hindu's, Buddhisten en Mohammedanen maken er nu geen herrie meer over, zooals de Christenen in Palestina, maar elk hunner vereert dien berg en nog meer dien voetstap op zijne wijze, en zij trekken broederlijk gezamenlijk opwaarts.
De weg om er te komen is 24 mijlen lang waarvan de helft per rijtuig of te paard kan worden afgedaan. De andere helft moet te voet worden afgelegd en de drie laatste mijlen zijn zeer steil en gaan over een bijna onbegaanbaren weg. Voor twee oudjes als mijne metgezellin en ik is de top dus onbereikbaar, want wij gaan er niet uit heilige devotie heen, zooals zoovele oude mannen en vrouwen doen, die het voor de hoogste zaligheid houden in het aangezicht van dien voetstap te sterven. Men vertelde mij, dat elk jaar vele oude pelgrims op den weg er heen sterven en dan door de andere pelgrims mede naar boven worden gedragen. Sommige zonen gaan er met hun ouden vader of moeder op den rug heen, keeren echter maar al te dikwijls alleen terug. Daar wij eerst Britsch-Indië, Burma, Java en Sumatra nog moeten zien alvorens wij tot dood gaan bereid zijn, moeten wij ons dus het genot om naar boven te klimmen ontzeggen.
III.
Nuwara Eliya is een plaats, die met St. Moritz in de Engadine in zomertijd kan vergeleken worden. Men leeft er in de zuiverste en prikkelendste atmosfeer, die men zich wenschen kan en de temperatuur komt zoowat met de zomertemperatuur in ons land overeen. Het is nog een paar honderd meter hooger gelegen dan St. Moritz. Met elk jaar neemt de toevloed van Engelsche bezoekers, die hier de wintermaanden doorbrengen, toe. Er zijn tal van goede, groote hotels, pensions en gemeubelde villa's. Het onderscheidt zich echter van St. Moritz door de weelderiger plantengroei.
Wij waren er heen gegaan, omdat de reis er heen zoo mooi is en omdat wij daardoor een goed beeld kregen van de uitgestrektheid van de theeplantages in Ceylon en toch ook even een kijkje wilden nemen in de plaats, die weldra in Europa de meest bekende van dit eiland zal zijn. Er zijn van daar vele mooie bergtoeren en rijtoeren te maken. De meest gerenommeerde, die leidt naar den voet van den berg Hakgalla en naar den Koninkl. Botanischen tuin--want ook hier is een gouvernementstuin--maakten wij. In dezen tuin worden de boomen en planten gekweekt, die een koeler klimaat behoeven, waaronder vele Europeesche planten. Maar al zag ik er varens zooals ook bij ons voorkomen, diezelfde varens waren hier tienmaal grooter en ik zag er zelfs een, die als boom fungeert. Ook de rhododendron, die hier in zeer groote hoeveelheid in het wild groeit, is een boom, en zelfs zag ik de margharites groeien aan een boom.
Van verschillende punten hadden wij een mooi gezicht op hooge bergtoppen en ook op mooie valleien. Betrekkelijk dichtbij is de plek, waar het kamp was, waarin de Engelschen de Afrikaansche Boeren gevangen hielden. Eén van deze Boeren leeft nog hier; 't is degene, die niet dien eed van trouw aan Engeland heeft willen zweren. Hij schijnt nu in Kandy een hofstede te hebben en daar te wonen. Als ik tijd heb, zal ik trachten hem een bezoek te brengen.
Den volgenden dag gingen wij naar Kandy terug. Daar trachtten wij uit te vinden, wat er voor het onderwijs der jeugd wordt gedaan. Het was echter Zaterdag, vele scholen waren gesloten of gaven geen geregeld onderwijs. Onze inlichtingen waren dus zeer onvolledig. Het meeste onderricht wordt hier overal op Ceylon nog op zendelingsscholen gegeven, die door de regeering gesubsidieerd worden, maar alle tot hoofddoel hebben van de Boeddhistische en Hindoesche kindertjes Katholieke of Protestantsche Sinhaleezen of Tamils te maken.
"Dat is ons hoofddoel", zeide mij een juffrouw, aan het hoofd van een meisjesschool staande; "daarvoor zijn wij hier, maar dat neemt niet weg, dat toch het gouvernement toezicht op het onderwijs houdt, zoodat 't ook goed is".
Tot voor betrekkelijk korten tijd werd het onderricht der meisjes hier nog geheel verwaarloosd. Er waren in 1901 nog slechts 6% der meisjes, die lezen en schrijven konden. Door de zendelingsscholen is hierin groote verbetering gebracht. De dochters van alle hoofden op Ceylon ontvangen nu onderwijs; wij waren in de school, waar zij allen vereenigd zijn en reeds van haar 4e jaar af worden opgenomen. Ongeveer 60 van die meisjes waren er intern. Een paar ouderen onder haar waren met drie Engelsche juffrouwen als onderwijzeressen aangesteld.
De leeftijd, waarop de meisjes over geheel Ceylon trouwen, is een veel hoogere dan die in Syrië en Egypte. Vóór haar 16e jaar trouwt er bijna geen enkele en in de laatste jaren is die leeftijd nog stijgende. Dat komt door de hoogere ontwikkeling. De beter onderwezen jonge mannen, waarvan er vele naar Engeland gaan om hunne opvoeding te voltooien, willen goed ontwikkelde vrouwen tot hunne echtgenoote en van deze is de opvoeding dikwijls niet vóór het 18e of 20e jaar voltooid.
Toen ik 's middags in het hotel informeerde of in Kandy een Zuid-Afrikaansche boer woonde, wist mij elkeen direct te zeggen, dat de prison-boer, zoo wordt hij hier genoemd, even buiten Kandy een farm heeft, dat hij getrouwd is en een dochtertje bezit. Zijn farm schijnt echter niet genoeg op te leveren, daarom werkt hij in Colombo, doch komt dikwijls in Kandy om naar zijn farm om te zien. Het was Zaterdagmiddag en waarschijnlijk zou ik hem wel tehuis vinden. Ik nam een rickshaw en liet mij er brengen. Het was langs een zeer mooien landweg, die naar de woning van James Gibson leidde en zijne kleine hoeve was ook zeer schilderachtig gelegen. De prison-boer was echter niet daar, een vriendelijke oude man met een dochter namen de taak van huisbewaarders waar. Toen deze oude man vernam, dat ik een Hollandsche was, vertelde hij, dat ook hij een "burgher" was. Zijn vader was in het begin der vorige eeuw hier gekomen. Hij heette echter Cooley, maar zijn naam was verbasterd, zijn vader's naam was Kohle geweest. Het kwam mij voor, dat de vader eerder een Duitscher dan een Hollander kon geweest zijn, maar ik hield die gedachte voor mij, omdat de man er blijkbaar op gesteld was een "burgher" te zijn. Ik moest een kopje thee blijven drinken en met een mooie bouquet rozen uit den tuin keerde ik huiswaarts. Op mijn terugweg passeerde ik een huisje, waar twee oudjes knusjes in de veranda zaten te keuvelen. Met groote letters stond op de deur van het hek "Pieter de Vos", "Weltevreden". Dat moeten een paar Hollanders zijn, dacht ik, liet mijn rickshaw halt houden en ik stapte het hek binnen. De oude heer kwam mij tegemoet, doch toen ik hem in 't Hollandsch begon aan te spreken, bleek het, dat de goede man mij niet verstond. Ik begon dus in het Engelsch te vragen of ik hier niet een Hollandsche familie ontmoette en direct kreeg ik een bevestigend antwoord, maar zij waren "burghers" en hadden het Hollandsch verleerd. Ik moest echter mede naar zijne vrouw en vernam weldra, dat ik hier met een oud-Hollandsche familie te doen had, die er een stamboek op nahielden en trots op hun afkomst waren. In 1642 waren de gebroeders Pieter en Olivier de Vos uit Brugge op Ceylon gekomen, en hadden er zich metterwoon gevestigd. Zij hadden hunne vrouwen ook uit Brugge laten overkomen en deze twee families hebben in den loop der jaren een groote nakomelingschap gekweekt. De jongeren uit die families spreken allen Hollandsch en zijn mede-oprichters van den bond van burghers, die niet lang geleden op Ceylon gevormd is. Het was jammer, dat de zoon en dochters van dit echtpaar niet thuis waren en ik geen tijd had op hun thuiskomst te wachten; ik had gaarne van hen wat meer over de burghers van Ceylon vernomen, dan hetgeen de oudjes mij er van vertellen konden. Volgens hen verkeeren de burghers over het algemeen niet in financieel schitterende omstandigheden, hoogstens behooren zij tot de min of meer gegoede middenklasse.
Zondagmorgen was het weder vroeg opstaan, want wij wilden Ceylon niet verlaten, zonder ten minste één van de "begraven steden" te hebben gezien. Wij gingen naar Anuradhapura. Het was wel zeven uur sporen noordwaarts van het eiland, maar wij hadden het er voor over en het bracht ons ook door een geheel ander deel van het land. Deze tocht heeft ons niet berouwd. Om twee uur kwamen wij ter bestemder plaatse. Hoe geheel anders was het hier dan wij op Ceylon tot dusverre gezien hadden. De plek waar nu weder Anuradhapura is herrezen, was 30 jaar geleden nog een dicht woud, waarin de wilde olifanten, tijgers, luipaarden, apen etc. de lakens uitdeelden en waar geen mensch woonde. Het was een dicht woud, waaronder de oude stad begraven lag. Er zijn nu vele boomen omgehakt, rijstvelden aangelegd, huizen gebouwd en er ligt een garnizoen militairen. Het hotel, een zeer primitief houten gebouw, bestaat nog maar twee jaar. Het kan een beperkt aantal gasten herbergen. Het staat midden in een woud van mooie, hooge boomen, waarin tal van aapjes zich amuseeren, die nu en dan in groote getale naar beneden komen en na een rondedans of ander spelletje gespeeld te hebben, gauw weder naar boven klimmen. Maar dat is natuurlijk niet het eenige aantrekkelijke geweest om deze reis te ondernemen, het zijn de opgravingen, of liever uitgravingen, die hier door het Engelsche gouvernement ondernomen worden en de resultaten, die zij opleveren. Hier zijn Boeddhistische tempels ontdekt, die de oudste en grootste van de wereld zijn en die nog duidelijk de inscripties vertoonen, waaruit men hun oorsprong en bestemming kan nagaan. Enkelen er van vertoonen nog zulk mooi steenhouwwerk, alsof 't pas kort geleden gemaakt was. De oudste van de thans gevonden tempels is door Koning Tissa gewijd aan den eersten apostel van het Boeddhisme op Ceylon, aan den Indischen koningszoon Mahinda en dateert van 311 vóór Christus. De grootste van de opgegraven tempels heeft zoo'n enormen omvang, dat uitgerekend is, dat uit de bouwsteenen een stad van 20.000 zielen kan worden opgebouwd. Hij is veel hooger en grooter dan de St. Paulskerk in Londen. De mooiste heeft mooi beeldhouwwerk, rust op honderden groote olifanten, die allen ivoren tanden moeten gehad hebben, waarvan echter bijna geen een gevonden is. Er zijn aan al deze gebouwen, want het zijn niet alleen tempels, zoovele en interessante legenden verbonden, dat het een genot is ze te zien onder den indruk der pas gelezen verhaaltjes.
Tal van tanks, watertanks, zijn ook ontdekt, die van nog ouder datum zijn dan de tempels, waarin de krokodillen nu lustig rondzwemmen en zich aan den vroeg opstaanden in vollen omvang vertoonen.
Zulke vroege opstaanders waren wij, want wij wilden vóór de zon te heet zou branden in Mihintale aankomen en de 1840 treden opgeklommen zijn. De weg naar Mihintale is anderhalf uur rijden en voert over een zeer goeden weg dwars door een dicht bosch, waarin ratelslangen in ontelbare menigte voorkomen, waar beeren, tijgers en wilde olifanten vrij rondloopen en waar wij nog meer van zulk soort beestjes hadden kunnen ontmoeten. Elke inlander, die wij op onzen weg ontmoetten, was met een geweer gewapend om zich te verdedigen tegen mogelijke overvallen. Zelfs de vredelievende en niet doodende Boeddhist en de Hindoe gaan toch niet ongewapend door het bosch. Wij ontmoetten echter niets van dat alles, wij hadden zoo graag een avontuurtje gehad, alleen zagen wij prachtig mooie wilde hanen en hennen--het deed mijn hart goed te zien, dat ieder mooi haantje wandelde met één hennetje en toonde in natuurstaat monogaam te zijn,--wij zagen een soort groote bunsings, of hoe die beesten in het Hollandsch mogen heeten en midden op den weg stond een mooi gestreepte jakhals, die toen de koetsier 't rijtuig liet stilstaan, kalm bleef staan om ons op te nemen. Vogels zagen wij er in menigte, kleine, waarvan het lichaampje niet grooter dan de top van een pink is, mooie bonte en ook zeer groote.
Precies half negen stonden wij aan den voet van den berg, waaraan voor de Boeddhisten zoovele historische herinneringen verbonden zijn. Op dezen berg ontmoette koning Tissa voor het eerst Mahinda, de Indische koningszoon en Boeddhistischen priester, die hem tot het Boeddhisme bekeerde. De legende luidt, dat koning Tissa met groot gevolg op de jacht was en een elk ontmoette van buitengewone schoonheid, die hij niet onder schot kon krijgen. Hij volgde het beest op zijn vlucht, gebood zijne volgelingen achter te blijven, omdat hij alleen dit beest wilde overwinnen, dat op zeer geheimzinnige wijze telkens aan zijn schot ontkwam. Hij volgde het van rots tot rots, tot hij ten slotte op den top van den berg gekomen was, waar het beest op eens onzichtbaar werd, doch waar hij Mahinda in kluizenaarskleeding en in diep gepeins vond zitten. De elk was een priester, die in deze gedaante koning Tissa verschalkte en hem naar boven lokte om Mahinda te ontmoeten en toen plotseling weder in een priester veranderde.
Mahinda vertelde Tissa wie hij was en sprak tot hem over het Boeddhisme. Dit wekte de belangstelling van den koning, die weldra zijn geweer van zich wierp en zich aan de voeten van Mahinda nedervleide. Toen hij wat lang wegbleef, kwamen zijne volgelingen hem zoeken en waren niet weinig verbaasd hun jachtlievenden vorst op die wijze aan de voeten van een kluizenaar te vinden. Zij luisterden nu ook naar hetgeen Mahinda te vertellen had en velen van hen lieten zich daar met hunnen vorst tot het Boeddhisme bekeeren.
Dat deze berg nu tal van historische herinneringen bevat en voor hen, die een indruk van het Boeddhisme willen krijgen, de moeite waard is om te bestijgen, spreekt van zelf. Men moet bedenken, dat het Boeddhisme in Britsch-Indië aan het uitsterven is en nergens nog zoo welig tiert als op Ceylon. De weg naar boven is een gemakkelijke; de 1840 treden zijn voor een deel in de rotsen uitgehouwen, voor een ander deel door groote granietblokken gevormd. Bovendien is er op den weg naar boven telkens zooveel belangrijks te zien, dat dwingt om stil te staan, dat men boven is aangekomen eer men er aan denkt.
Den geheelen weg naar boven voert weder door een dicht woud, dat in den loop der eeuwen op deze steenrots gegroeid is. Hier zagen wij op onzen weg apen, die in rechtopstaande houding met het grootste gemak op mij neerzien en die niet de minste vrees toonden voor hunne menschelijke nazaten. En de boomen zaten vol van de soort, die wij in Artis en in de meeste dierentuinen aantreffen. Het was aardig, die beesten nu eens in hun natuurstaat te bespieden, wanneer wij ons een oogenblik op een rotsblok nederzetten om wat te rusten.
Boven gekomen hadden wij een prachtig uitzicht over een uitgestrekt landschap, dat één groot bosch geleek. Maar ook vonden wij daarboven nog een geheel gave dagaba (d.i. een heilig huisje in den vorm van een immens groote bel, hetwelk een of andere heilige reliquie bevat), waarin de asch van Mahinda bewaard wordt. Er is ook een groote tempel, die gebouwd is over een haar van de wenkbrauwen van Boeddha, later in zijn asch gevonden, en tal van andere zulke belangwekkende oudheden. Alles dateert van eenige eeuwen vóór Christus en alles van hier is ouder dan de Boeddhistische oudheden, in Britsch-Indië ontdekt. Tal van priesters- of kluizenaarswoningen zijn nog in de rotsen te vinden, en wat meer zegt: doen nog als zoodanig dienst. Eenigen van die priesters wonen daar boven in de grootste ontbering. Ik was in een paar hunner zoogenaamde woningen, die niets anders zijn dan een groot hol in de rots, en waarin mij op dien heeten morgen een koude rilling overviel, toen ik er een oogenblik vertoefde. Zij slapen daarin op een gevlochten rieten rustbank en voeden zich met de vruchten uit de bosschen. Hun eenige kleeding is de groote, geel-katoenen doek, waarin zij gewikkeld zijn. Het water drinken zij uit een van de vele vijvers, waarin het stilstaande water in de droge moesson opdroogt en in de natte moesson weder door den regen wordt aangevuld. Tal van beesten zwemmen er in rond. Die vijvers zijn daar in den Boeddhistischen tijd aangelegd, om de wilde beesten van water te voorzien. Die beestjes hebben evenals menschen behoefte aan water; zij zelf zijn niet in staat vijvers te bouwen en daarom hielpen de menschen hen in dit werk.
Een van de priesters vond ik met een brandenden koorts op zijn rieten rustbank in de natkoude spelonk liggen. Ik vertelde hem door middel van onzen gids--anders verstond hij ons niet--dat hij zich door zijne broeders naar buiten moest laten brengen, of nog beter zich in het hospitaal te Anuradhapura laten opnemen, maar glimlachend schudde hij het hoofd, en zeide tot den gids, dat, wanneer hij sterven moest, "dan wilde hij sterven in de nabijheid van de geesten van Boeddha en Mahinda." Dat zal dan wel gebeuren; zijn groote wensch zal wel vervuld worden. De hooge temperatuur, de lugubere omgeving en de ontbering zullen hem zeker nog wel eerst eenige revelaties geven en dan zal hij misschien in Nirvana sterven. Hoe ver moet het verstand van menschen beneveld zijn, die meenen in zoo'n volslagen nutteloosheid een godgevallig werk te doen? Deze menschen zijn niemand tot nut; zij offeren hun leven voor een waan. Het waren bijna allen nog betrekkelijk jonge mannen, die wij er zagen.
Van hun zachte, niemand en niets kwaad doende natuur getuigt zeker wel, dat ons daar boven een paar vrij in 't rond vliegende vogeltjes overal op onzen weg volgden, en dan eens op de punt van onzen voet zich neerzetten of tegen onze rokken opliepen en met hunne opgeheven kopjes duidelijk "mother, mother" zeiden en iets, dat wij niet konden verstaan, doch dat de gids verklaarde sanskriet te zijn en beteekende, dat wij ze eenig voedsel moesten geven. Het waren vogeltjes, door de priesters in natuurstaat opgevoed, wien zij allerlei dingen leerden zeggen. Zij noemden ze Myna-birds.
Het is gemakkelijk te begrijpen, dat jaarlijks groote bedevaartgangen naar deze plek gehouden worden. Elk jaar, met opkomende maan, in Juni en Juli, komen er duizenden pelgrims uit Britsch-Indië, Burma en over geheel Ceylon, om hier hun opwachting te maken aan al dat heiligs, dat er te zien is. Zij slapen dan in de open lucht en leven van hetgeen de natuur hun aanbiedt of van hetgeen zij meebrengen. Cocosnooten en bananen zijn er in overvloed en daar kunnen zij best eenige dagen op teren.
De Boeddhisten maken het de Engelsche regeering niet gemakkelijk haar archaeologische onderzoekingen voort te zetten. Zij bespieden de uitgravingen met argusoogen en laten niet toe, dat er ook maar iets aan de heiligdommen beschadigd wordt. Zelfs hebben zij het vorige jaar een verzoekschrift door 5000 Boeddhisten onderteekend, naar de regeering in Engeland gezonden, om te voorkomen, dat er nog meer bosschen worden omgehakt en in vruchtbare rijstvelden herschapen. Zij beweren, dat al die grond, met alles wat er op groeit, door opeenvolgende vorsten aan Boeddha vermaakt is en dat geen menschelijk wezen recht heeft, zich daarvan iets toe te eigenen. Ook hebben zij tot dusver nog verhinderd de een of andere dagaba te openen om te zien wat er zich binnen, in bevindt. Dat is in hun oog groote heiligschennis. Uit de oude archieven, die over geheel Ceylon reeds vele eeuwen vóór Christus met groote duidelijkheid geschreven en bewaard zijn gebleven, moet men de identiteit van de meeste der oudheden vaststellen. De opgravingen zijn eigenlijk nog slechts pas begonnen; wie weet wat zij nog aan den dag zullen brengen, vooral als de regeering op de een of andere wijze de Boeddhisten tevreden kan stellen, hunne gevoelens niet kwetst en toch met krachtige hand de onderzoekingen voortzet.
Voor mijne lezeressen wil ik hieraan nog toevoegen, dat Mahinda eene zuster had, die ook Boeddhiste was, en dat hij die zuster, toen zijn proselietenmakerij zoo succesvol was, liet overkomen om de vrouw van koning Tissa en hare hofdames te bekeeren. Zij kwam en bracht een tak van den bo-boom mede, waaronder Boeddha zeven dagen in heilig afwachten gezeten had; zij plantte dien tak hier, deze schoot weldra wortel en is nu de heilige bo-boom van Anuradhapura. Mahinda's zuster was even succesvol als haar broeder; de koningin en alle dames uit haar gevolg lieten zich bekeeren en uit deze vormde zij een soort nonnen, die wel op andere wijze dan de priesters of monniken, maar toch ook haar geheele leven aan den dienst van het Boeddhisme wijden, zonder iets anders te doen. De Boeddhistische zusterschap vormt geen nonnen, die, evenals de Katholieke nonnen, zich op de een of andere wijze nuttig trachten te maken voor de menschheid; zij zijn totaal nuttelooze wezens, die haar leven wijden aan den dienst van Boeddha.
Toen wij tegen één uur weder in het hotel aangeland waren, hadden wij nog juist tijd om haastig wat te eten, ons boeltje weder te pakken, om nog met den trein van twee uur weder naar Colombo te vertrekken.
Wij vonden dezen keer opname in het Galle Face Hotel, wat weldra bleek een "betrekkelijk" voorrecht te zijn. Vooreerst is dit hotel tamelijk ver buiten de stad gelegen, zoodat wij minstens een kwartier noodig hebben alvorens wij de stad bereiken en dan is het hoog fashionable. Bijna den geheelen dag is er muziek en niet alleen de gasten van het hotel genieten er van, maar ook de heeren en dames van Colombo's high life komen hier tea'en, dineeren, dansen en hunne mooie toiletten ten toon spreiden. Achterna bezien was het eenvoudig hotel Bristol, dat toch in zijn soort heel goed was, voor ons veel beter gelegen en doelmatiger geweest. Toen wij 's avonds in het Galle Face Hotel aankwamen, was een van de vele bals, die hier gegeven worden, in vollen gang. Ik verkeerde door de hitte zoo ongeveer in smeltvorm, maar dat nam niet weg, dat tal van jonge paren--en ook eenige oude--het niet te warm vonden, om in walspas rond te draaien en aan elkanders warmen boezem te rusten. Het was geen frisch schouwspel, dat bal aan te zien.
Ik zou over Ceylon nog wel eenige brieven kunnen vullen, als ik maar tijd had ze neer te pennen. Het land is rijk aan natuurschoon, belangrijk voor den ethnoloog door de verschillende volksstammen, waarvan vele vrijwel nog in natuurstaat verkeeren, en voor den archaeoloog om van te watertanden. De uitgravingen zijn op verschillende plaatsen op Ceylon in vollen gang en leveren overal prachtige resultaten. Voor allen, die naar Indië gaan of van daar huiswaarts keeren, is het zeer loonend een tweeweeksch oponthoud in Colombo te maken en dan die dagen in Kandy door te brengen.
IN BRITSCH-INDIË.
VAN COLOMBO TOT MADRAS.
2 Februari. Wij gaan over eenige uren Ceylon verlaten, om ons naar het vaste land van Britsch-Indië te begeven.
Vóór ik over dit enorm uitgebreide land, dat even groot is als heel Europa zonder Rusland, waar 404 talen door 300.000.000 menschen gesproken worden, waar dagelijks couranten in 22 talen verschijnen, waar behalve Christenen en Joden, menschen leven, die tot alle oude godsdiensten met honderden sekten behooren, begin te schrijven, moet ik de lezers waarschuwen, dat alle schrijvers over Indië het er over eens zijn, dat zelfs indien men 25 jaren in Indië heeft gewoond met het doel land en volk te bestudeeren, men dan nog ten slotte tot de conclusie komt, dat men er eigenlijk niets van weet. Dit land, dat het oudste land op aarde schijnt geweest te zijn, waar de eerste wetenschap beoefend werd en van waar de beschaving is uitgegaan, schijnt voor vreemdelingen ondoorgrondelijk. Wij zijn van plan in twee maanden tijd dit uitgebreide land van Zuid tot West, van Noord tot Oost te doorkruisen en in alle belangrijke plaatsen een of meer dagen te vertoeven. Vóór wij de reis aanvingen, hebben wij moeten kiezen tusschen al het belangrijke wat dit land te zien en te leeren geeft om onze reisroute te kunnen vaststellen. Wij zullen de plaatsen bezoeken, waar wij belangrijke oude tempels vinden, de steden, waar de hoofdgodsdiensten de omgeving beïnvloeden en eenige mooie bergtoeren maken. Daarvoor gaan wij van Tutticorin naar Madras, en vandaar naar Bombay, onderweg verschillende plaatsen aandoende. Van Bombay gaan wij Noordelijk tot Lahore en dan naar Calcutta. Zooveel mogelijk zal ik van alle plaatsen die wij aandoen het vermeldenswaardige vermelden en de indrukken mededeelen, die ik opdoe. Dat die indrukken vluchtige zijn, spreekt van zelf en dat zij altijd precies zullen wedergeven wat de toestanden in werkelijkheid zijn, wil ik niet belooven. Misschien zijn er onder mijne lezers, die dezelfde reis al eens gemaakt hebben en andere indrukken opdeden, dat is zeer wel mogelijk. Men verwachte van mij dan ook geene beschrijving van Britsch-Indië, geen volledigheid van de onderwerpen, die ik aanroer, maar alleen een beschrijving van wat ik zag, wat ik ondervond, en wat ik van dat alles denk.
3 Februari. Met een uitstekende boot met groote, comfortabele hutten, goede badkamers en zeer goede keuken, de "Bharatta", staken wij van Colombo naar Tutticorin over. Hadden wij bij aankomst in Colombo gemist de mooie haven te zien, bij ons vertrek van Ceylon hadden wij daartoe alle gelegenheid. Om zeven uur van ochtend bracht de boot ons op vijf mijlen afstand van Tutticorin, van waar wij in een kleine stoombarkas met onze bagage aan land werden gebracht. Spoedig daarna reisden wij af naar Madura, alwaar onze eerste stopplaats voor Indië zou zijn. De treinreis bood niet veel bijzonders, het landschap was vlak en dor, de natives aan den weg van het soort, zooals wij ook op Ceylon hadden gezien, alleen de Sinhaleezen ontbraken. De zon in dit deel van de wereld, waarin het altijd heet en altijd dor en droog is, gloeide door de tralies van onze jalouzieën voor de waggonraampjes. Gelukkig voorzien de spoorwegdirecties de compartimenten van goede electrische waaiers, die ten minste eenige koelte aanbrengen. Als men bedenkt, dat alle gidsboeken, (ongelukkig heeft Baedeker den tijd nog niet gekomen geacht een Baedeker van Indië uit te geven), er voor waarschuwen in Indië--vooral in treinen en stations--water of melk te drinken, dat men niet zelf vooraf gekookt heeft, vruchten aan de stilstaande treinen van inlanders te koopen en die te eten, in de restauratiewagens salade, vruchten zonder schil of met zachte schil te nuttigen, vleesch en visch zooveel mogelijk onaangeroerd te laten, dan blijft er niet veel over, waaraan de verhitte en hongerige toerist dorst en honger kan laven. De lijst van zaken, die in dit land "dangerous" zijn, is inderdaad zoo groot, dat het mij niet verwondert, dat men in Engeland dankgebeden in de kerken opzond en een algemeenen feestdag hield, toen koning George en zijne gemalin heelhuids door dit land heengekomen waren. Wij zullen probeeren dat kunststukje na te doen.
Het eenig verschil wat wij aan den weg tusschen de kleurlingen hier en op Ceylon opmerken, is, dat hier bijna elke man, vrouw en kind gemerkt zijn. Op Ceylon waren het slechts weinigen, die wij hier en daar gemerkt zagen. Zij hebben dan midden op het voorhoofd--soms gaande tot over de neus--witte, gele of roode strepen en ronde roode plekken, strepen in horizontale of in verticale richting. Elk merk geeft aan tot welke godsdienst of tot welke kaste de bezitter behoort. Soms zag ik iemand met drie horizontale witte strepen, gaande van 't eene eind tot het andere einde van het voorhoofd en daaronder, vlak boven de neus, een vermiljoen roode stip, ter grootte van een gulden. Anderen hadden verticale, witte strepen, waarvan de middelste tot over de neus tot aan de punt liep. Een klein, naakt meisje had drie gele strepen over haar voorhoofd en men had getracht hare bruine wangetjes en rondom het kleine mondje een oranje-gele tint te geven. Allerlei variaties op dit thema zijn aangebracht en met mijn gidsboek tot hulp heb ik getracht deze en gene soort te identificeeren. Geen gemakkelijke taak.
Om half drie arriveerden wij in Madura, een stadje van ruim 100.000 inwoners, alleen door inlanders bewoond en vol van historische oudheden. Een hotel is er niet te vinden, doch de spoorwegmaatschappij heeft het den reizigers mogelijk gemaakt om er een dag te vertoeven, door op het dak van het station een groote open veranda te bouwen met zes min of meer afgesloten... laat mij zeggen, kamers, waarin in ieder twee ledikanten staan en die van frissche badgelegenheden zijn voorzien. Als men den dag te voren telegrafeert, zoo'n telegram kost niets, dan is men vrij zeker een onderdak te vinden, want niemand mag langer dan 24 uren zoo'n kamer occupeeren. Wij hadden de voorzorg om te telegrafeeren genomen en vonden dus een kamer voor ons gereserveerd. Wij zullen op onze toer door Indië nog wel meer van zulke stationgelegenheden gebruik moeten maken, als dan alle zoo eenvoudig doch goed als deze zijn, zijn wij tevreden. Alleen zouden wij gaarne, als het voor het vragen was, wat minder bezoek van ratten en muizen hebben, die zich hier al bijzonder thuis gevoelen. Maar in Indië, nog meer dan op Ceylon, waar het leven van alle dieren heilig is, moeten wij niet verwachten, dat zulke beestjes uitgeroeid worden.
Wij zijn lucky toeristen. Juist den dag dat wij aankwamen, was een belangrijke feestdag voor de Hindu's. Het was de Chitraï, op een na de voornaamste van alle Hindu'sche feestelijkheden. Het feest vindt elk jaar plaats op den eersten dag van volle maan, in de Hindu'sche maand Tai, die valt tusschen Januari en Februari. Wij hadden nu wel heel veel moeite een rijtuig en een gids te vinden, want allen en alles was getogen naar den tempel Teppakulam, waar de heilige processie zou plaats vinden, op ongeveer vier mijlen afstand van hier. Den geheelen dag brachten locaaltreinen Hindu's uit de omgeving aan om aan de processie en de daarmee gepaard gaande feestelijkheden deel te nemen, zoodat duizenden en duizenden hunner dezen dag in Madura bijeen waren. Met behulp van den stationschef kregen wij ten slotte om ruim vijf uur een jutka, dat is een wagentje in den vorm van een groote rioolpijp op twee wielen, doch van riet gemaakt en met een os bespannen. De inlanders gaan er in liggen, of zitten er in op hunne gekruiste beenen, wij verkozen er achter in te kruipen en onze beenen naar buiten te laten hangen. Wij kregen ten slotte ook in plaats van een os, een paardje, maar een paardje, dat niet grooter was dan een muis. Wij moesten onze hoeden afzetten en achter ons neerleggen, want boven onze hoofden werd het ronde ding natuurlijk steeds nauwer en liet nauwelijks genoeg ruimte om onze hoofden fier op te houden. Bij elke oneffenheid in den weg, of bij elke kromming, caramboleerden onze hoofden tegen elkaar of tegen de wagenwanden. Mijn valsche pruik beschutte mij voor menige buil.
Op onzen weg passeerden wij de dichte drommen inlanders, die allen naar het feest togen. De vijf olifanten, de heilige, die een voorname plaats bij elk heilig feest van Buddhisten en Hindu's innemen zagen wij prachtig uitgedost heenvoeren. Een er van boog vriendelijk voor ons en bood toen zijn snuit voor een belooning aan. Wij staken voor deze beleefdheid een paar koperstukjes in den snuit, die onmiddellijk aan den op hem zittenden priester oversnuit werden. Eenige hooge en voorname priesters werden in prachtig versierde baldakijns heen gebracht. De baldakijns werden door 8 mannen gedragen, voor en achter en aan beide zijden door muzikanten omgeven. De muziek werd gegeven door mannen, die op fluiten bliezen, op trommels sloegen, met rinkelbellen en andere bellen rinkelden, of met twee stukjes metaal op elkaar sloegen. De Hindu'sche bediende van den stationschef die ons tot gids diende, en die een beetje Engelsch sprak, vond de muziek prachtig; ik kon er niet veel harmonie in ontdekken.
De geheele weg was met gele bloemen en gele bladen versierd, alle vrouwen en meisjes droegen gele bloemen in de haren en hadden kransen van gele bloemen om den hals. Geel was de heilige kleur. Alle Siwabeelden bij den weg kregen offeranden van gele bloemen. Na ongeveer drie kwartier in onze ongemakkelijke koets gereden te hebben, kwamen wij op de heilige plaats aan. Daar was een reuzengroote tank of vijver, waar midden in op een eilandje een mooie tempel stond, de Teppakulam, voor wie de feestdag gold. Met een bootje moesten wij er heenroeien. Maar die bootjes, van den meest primitieven vorm en constructie (sommige geleken op heele groote, halve kokosnootdoppen) konden niet aan de oevers van de vijver komen. Voor de Hindus, die allen blootvoets en blootbeens zijn, levert dat natuurlijk geen bezwaar op, maar wij konden onze benedenlichamen moeilijk blootstellen aan zulk een koudwaterbad. Onze jonge gids wist echter voor die twee vreemde dames de menigte, die er om vocht om in de bootjes te komen, op een afstand te houden, het bootje zoo dicht mogelijk aan wal te laten komen, en toen met behulp van twee mannen en een koenen, jeugdigen sprong, kwamen wij in een scheepje terecht, waarvan de bestuurder uit diepe eerbied voor de twee blanken onder de zwarten--eerlijk gezegd heeft de zon in Ceylon van mij reeds bijna een kleurling gemaakt en, ik kon best voor een der hunnen doorgaan--niemand meer veroorloofde plaats te nemen. Hij roeide ons naar den tempel, waar een jonge priester ons onmiddellijk met een krans gele bloemen behing, waarvoor wij hem een rupee moesten offeren. Spoedig nadat wij aangekomen waren, werden de duizenden lichtjes ontstoken. Het waren alle aarden olielampen van antieken vorm, waarin olie en een zakje met brandbare stof. Walm gaven zij genoeg. De processie was eenig om aan te zien. Het Siwabeeld, vol behangen met gouden kettingen en edelsteenen, achter hem aan het beeld van zijn vrouw, minder kostbaar versierd, werd rondgedragen. Rondom muzikanten van het reeds beschreven soort. De dragers waren Brahmanen, dat is op een na de hoogste kaste hier. Zij alleen genieten de eer Siwa en zijne gemalin rond te dragen. Vooraan liepen vele priesters maar allereerst een groep dansmeisjes, Nautchgirls, de heilige prostituees. Voor een nuchteren toeschouwer was het meest humoristische van deze groep, de twee mannen te zien, die aan beide zijden van het Siwabeeld liepen met reuzengroote waaiers en daarmede zwaaiden, dat het zweet van hun naakte lichamen droop, met het doel Siwa koelte aan te brengen. Maar de geheele groep, waarin ook een paard van goud werd rondgedragen, was zoo'n mooi stuk bont oriëntalisch geheel, dat het mij onuitsprekelijk boeide.
Voor degenen, die het niet mochten weten, is Siwa een van de drie godheden der Hindu's, Brahma, Vishnu en Siwa, maar 't wordt verondersteld dat Siwa in honderden--onze Hindu-gids zegt duizenden--verschillende vormen op aarde kwam en in al die vormen wordt hij door zijne volgelingen vereerd. Madura is de meest Hindusche stad in Indië en de oude tempel, dien wij den volgenden morgen gingen zien, de mooiste en grootste van geheel Indië. Nergens ook leven zooveel dansmeisjes als in Madura, waar haar aantal meer dan 200 is. Zij wonen in een afzonderlijke straat. Men vertelde ons, dat deze, die wij niet anders dan prostituees zouden noemen, toch van deze daarin verschillen, dat zij zich nimmer verlagen om een blanken man te dienen, dat zij alleen met Hindumannen verkeeren. Zij worden dansmeisjes genoemd, omdat zij bij alle heilige feesten in de tempels dansen en zij zijn met een soort heiligheid omgeven, omdat zij de priesters "unentgeltlich" ten dienste staan. Onder de Europeesche schrijvers over Engelsch Indië zijn er echter verscheidene, die beweren, dat deze vrouwen voor geld en lieve woorden ook wel eens een blanken man hare gunsten verkoopen.
4 Februari. Wij gingen den volgenden morgen vroeg den ouden tempel zien, die inderdaad in vele opzichten een wonder is. Het Hindu-knechtje van den stationschef diende ons weder tot gids. Deze tempel is niet zoo heel oud, dateert van het begin der 17e eeuw, hij is echter bijzonder goed bewaard gebleven. Al de beelden en beeldengroepen zijn stucadoorswerk en later geschilderd. Men beweert, dat het inwendig deel van den tempel reeds in de 5e eeuw moet bestaan hebben, want er zijn schrijvers uit dien tijd, die er reeds van gewagen. Nadat wij dezen tempel genoegzaam eer bewezen hadden, zagen wij het oude koninklijke paleis, dat nu tot officieel gebouw dient en waarin de gemeenteraad zitting had en zagen wij de groote bo-boom, die op één na (in Calcutta is een nog grooter) de grootste van de geheele wereld is. Een bo-boom is een heilige banyanboom, een oude Waringin, die door zijne vele luchtwortels tot stammen gegroeid, een groep boomen gelijkt, doch inderdaad slechts één boom is. Deze bo-boom was heilig verklaard, wijl hij in staat bleek, vrouwen, die van den duivel bezeten zijn, als zij er deemoedig voor bidden en er offeranden voor brengen, te verlossen. Er zijn dingen voor minder nuttige diensten heilig verklaard!
Toen wij om 12 uur van onzen rijtoer terugkeerden, stond vlak voor het station, in de brandende zon, een geheel naakte man; alleen zijn lendenen waren met een doek omgord. Zijn geheele bruine body was met heilige asch grijs gekleurd. Zijn oogen leken bloedrood. Hij stond op één been, het andere gestrekt voor zich uit. Het was een fanaticus, die door zelfkastijding zich trachtte te zuiveren van begane zonden. Hoe lang die man daar reeds gestaan had toen wij arriveerden, kan ik niet zeggen, maar toen wij om half drie vertrokken stond hij daar nog op hetzelfde eene been. In elk ander land zou zoo'n grappenmaker met zachte hand naar een krankzinnigengesticht overgebracht worden, hier wekte hij van elken voorbijganger bewondering en een eerbiedig medelijden op.
Vóór ik van Madura vertrek moet ik nog opmerken, dat de voornaamste industrie hier in de stad het weven is, wat nog overal thuis op de ouderwetsche handweeftoestellen geschiedt. Wij zagen er velen buitenshuis dit handwerk beoefenen. Zeer mooie fijne, zijden en katoenen stoffen maakten zij. Het wasschen en het verven der geweven stoffen geschiedt ook hier. Ruim de helft der bevolking is wevers, zij vormen een afzonderlijke kaste, de weverskaste, die ook hun eigen voorhoofdmerk dragen.
De hoogste kaste in Madura en omgeving zijn de Kallars of roovers. Deze menschen leven bijna uitsluitend van roof. Geheele dorpen rondom Madura zijn geheel door Kallars bevolkt. Tegen de niemand en niets ontziende leden van deze kaste hebben de Engelsche regeering en ook de overige bewoners van dit district reeds alles beproefd wat denkbaar is, maar zij kunnen ze niet kwijt worden. In 1896 en '97 nam de regeering zeer ernstige maatregelen tegen hen, waardoor zij tijdelijk in toom werden gehouden en er reeds eenigen hunne bezittingen te gelde maakten en naar andere oorden vertrokken. Maar in het midden van 1897 ontvoerden de Kallars de vrouw en oudste dochter van een invloedrijk man uit Madura en zeiden, dat deze vrouwen alleen tegen een hoog losgeld weder teruggebracht zouden worden. Indien echter de politie of iemand anders een der Kallars een haar mocht krenken, of indien de politiemaatregelen tegen hen niet mochten opgeheven worden, dan zouden binnen kort alle vrouwen uit het district op even geheimzinnige wijze verdwijnen en niemand harer zou terugkeeren. De bevolking was daardoor zoo beangst geworden, dat zij smeekten de politiemaatregelen weder op te heffen. Zij wilde liever weder onder het oude regime leven. De politie kan nu niet veel anders doen dan elkeen waarschuwen op zijn hoede te zijn.
Nog op een andere bijzonderheid wil ik wijzen, want ik weet niet of ik dat in zoo'n hooge mate wel meer in Indië zal zien. De vrouwen hier schijnen lange oorlellen bijzonder gracieus te vinden. Wij zagen er met oorlellen die op de schouders neerhingen. Om dat schoone resultaat te bereiken, worden de oorlellen van meisjes op den 8en dag na de geboorte doorboord en met steeds zwaarder ringen behangen. Als de kinderen ouder worden dan hangt men stukjes lood aan de ringen om een sneller verloop te verkrijgen.
Dezen eenen dag in Indië kregen wij ieder minstens een dozijn certificaten te teekenen over de braafheid en eerlijkheid en geschiktheid der verschillende menschen, waarmede wij in aanraking kwamen. De gids, hoewel geen gids van professie, de koetsier, de juffrouw van de stationskamers, de restaurateur, de winkelier van wie wij een kleinigheid kochten en al zulke menschen meer, vroegen een getuigschrift, dat wij met hunne handelingen tevreden waren en wilden liefst, dat wij naast onze handteekening een visitekaartje plakten. Elkeen loopt hier met een boek certificaten in zijn zak en duwt je dat direct onder de neus om zijne voortreffelijkheid te bewijzen. Sommige van die certificaten, vooral als zij in de Fransche of Duitsche taal zijn geschreven, want dat verstaan de goede menschen niet, zijn in 't geheel geen aanbeveling. In een er van vond ik zelfs een Hollandsch getuigenis door een landgenoot gegeven, dat luidde: "Hoedt u voor dezen man die u afzet op honderdlei wijzen!" De man vroeg mij of ik dat lezen kon, of ik het dan voor hem vertalen wilde en ik gaf als vertaling: "Dit is de eerlijkste man in de wereld!" "Ja", zeide hij, "dien mijnheer heb ik ook zoo goed behandeld".
5 Febr. Om 8 uur kwamen wij 's avonds in Trichinopoly aan, waar wij na een schraal diner en na een gids voor den volgenden morgen besproken te hebben, gauw op onze primitieve bedden kropen. Wij moesten weder in de stationsgelegenheid overnachten, die veel primitiever was dan de vorige. Daar wij hier met eigen bedtoebehooren moeten reizen en alleen ijzeren bedden met ijzeren matrassen vinden, behoeven wij voor bewoonde bedden niet te vreezen; daardoor is onze nachtrust een veel kalmere.
Wij reden vanmorgen eerst naar den verst af zijnden tempel, die de grootste in zijn soort in Indië is. Het is een tempel aan Vishnu gewijd, waarin Vishnu voornamelijk gehuldigd wordt als de dans- en vermaak-lievende God. Erg aanschouwelijk wordt dat in de verschillende beelden op en in de enorm grooten tempel voorgesteld; voor de openbare zedelijkheid ware het misschien wenschelijk, dat vele van deze beelden met een sluier van welvoegelijkheid bedekt werden. Als die tempel in ons land stond dan zouden onder onze tegenwoordige Zedelijkheidswet zeer zeker vele van de zinnebeeldige voorstellingen uit de graniet zuilen uitgehakt worden. Zij geven echter een goed beeld van verheerlijking der zinnelijkheid in den Hindu'schen godsdienst. Den geheelen morgen wijdden wij aan het bezichtigen van al de tempels in den omtrek en vanmiddag gingen wij een kijkje nemen van de industrie die in Trichinopoly beoefend wordt. Het is in hoofdzaak goud- en zilverwerk, filigrainwerk, wat ook al weer door elkeen in eigen hut of nog meer vóór de hut, uitgevoerd wordt.
Zuid-Indië, waarin wij nu reizen, is door zijne Hindu-tempels vermaard, daarom bezochten wij de voornaamsten er van. Maar wij hebben er nu genoeg van gezien en zullen niet meer, zooals wij eerst van plan waren, in Tanjore uitstappen om ook daar tempels te zien, maar liever in eens doorreizen naar Madras.
7 Febr. 'n Tocht van 7 uur 's avonds tot 8 uur den volgenden morgen bracht ons in Madras, alwaar wij na in een hotel een frisch bad en een goed ontbijt genomen te hebben, ons onmiddellijk per rijtuig op weg begaven. Madras is een vrij onbelangrijke stad, bezit eenige onbeduidende Hindu-tempels en eenige mooie officieele nieuwe gebouwen. Alleen voor hen die de occulte godsdiensten grondig bestudeeren willen, is Madras belangrijk. Daar hier de eerste Theosophische school door mad. Blavatsky en haar medewerker Olcott gesticht is, gingen wij daar een kijkje nemen. Even buiten Madras, in Adyar, is een zeer mooi gelegen en smaakvol aangelegd stuk grond, waarop deze school, met haar uitgebreide bibliotheek en verschillende woonhuizen, waarin de studenten en allen die tot de school in betrekking staan, wonen, is gevestigd.
Wij troffen er den vriendelijken secretaris mr. Aria, een Parsee, die ons alle inlichtingen gaf die wij wenschten. Verscheidene Hollandsche heeren en dames zijn op dit oogenblik in en aan deze school werkzaam. In de ruime, frissche hall van het hoofdgebouw stond een levensgroot beeld van de twee stichters van de school, mad. Blavatsky en kolonel Olcott. In Benares, waar wij later komen, is de tweede theosophische school gevestigd. Veel volgelingen hebben de theosophische leerstellingen nog niet gevonden. Als men bedenkt, dat de eerste school reeds in 1875 werd gesticht, dan is het tal actueele leden over de geheele wereld, dat volgens de officieele opgaven niet meer dan 23.000 bedraagt, zeer klein.
Nadat wij alle bezienswaardigheden en het Madrassche borduurwerk, door de vrouwen verricht, tegen ongeveer half twee gezien hadden, keerden wij naar het hotel terug, lunchten en namen eenige uren rust. Om vijf uur gingen wij nog eens een rijtoer maken door de omgeving van de stad, waar de élite op dat uur bijeen komt, en om 9 uur zaten wij weder in den trein, om rechtdoor naar Bombay af te reizen. Wij hadden genoeg van Zuid-Indië.
Terwijl de inboorlingen Van Zuid-Afrika, de groote kind-menschen, met hun kinderlijke begrippen, hun kinderlijke wijze van zich op te sieren, hun kinderlijk geloof, mijn volle sympathie wekten en ik gaarne voor hen zou willen werken, om ze tegen te ruwe handelingen te beschermen, ik mij tot de inboorlingen van Ceylon, met hun zacht-vrouwelijke trekken, hun lieve, vriendelijke oogen, hun gracieuse bewegingen en hun tevreden voorkomen, aangetrokken gevoelde, zoo zelfs, dat ik het voor de hoogste zaligheid houd, in het binnenland van Ceylon een kinderschooltje met deze lieve, mooie kindertjes te hebben, wekten de inboorlingen van Zuid-Indië mijn--en ook die van mijne reisgezellin--grootste afkeer op.
Deze ruwe, zinnelijke, domme, fanatieke bedrieger-gezichten, die drie keer daags in een stilstaand water een bad nemen om zich van hunne zonden te zuiveren--elke onderdompeling in het vieze slootwater neemt een bedreven zonde weg,--en die dikwijls direct daarna zich rondwentelen in een hoop excrementen van een koe, omdat dat dier heilig is, wekten, met alles wat hen omgeeft, hun geheelen godsdienst incluis, mijn grootsten weerzin op. Als het ander deel van Indië en de andere inboorlingen geen beteren indruk weten te wekken, als elke Hindu en andere Indische inboorlingen bedelaars en bedriegers blijken te zijn, als alle merkwaardigheden in Britsch-Indië ons zoo gauw gaan vervelen, neen, erger nog, in vele opzichten verontwaardiging wekken, zooals de Hindusche tempels, dan gaan wij snel door het land en zullen eerder dan ons plan was Calcutta bereiken.
Het is echter te hopen, dat Engeland er in geslaagd is, van het overige deel van dit oude land iets beters terecht te brengen.
9 Febr. Den 5en Februari vertrokken wij 's avonds om 9 uur van Madras en kwamen den 7en Februari 's morgens om 6 uur in Bombay aan. Wij waren toen 6 dagen en route geweest, hadden daarvan een nacht in de boot, twee nachten in stationsslaapplaatsen en drie nachten in den trein doorgebracht. Wij namen ons derhalve voor in Bombay eenige dagen zeer rustig door te brengen.
BOMBAY.
I.
Toen wij 's morgens om 6 uur arriveerden, lag de stad nog in nachtelijk duister, de straatlantaarns gaven alleen eenig licht. Wij konden nu zien, hoe de stille straten van een Oostersche stad er bij nacht uitzien. Langs den geheelen weg van het station tot het hotel, minstens 20 minuten rijden, lagen de menschen langs den huizenkant buiten te slapen. Soms, waar wij wat nauwere straten hadden te passeeren, ging het rijtuig dwars tusschen de slapende Bombayers door. Het is natuurlijk dat soort menschen, dat 's morgens "zijn bed opneemt en gaat wandelen", menschen, die waarschijnlijk geen woning hebben en er ook de behoefte niet aan gevoelen. Want ook wanneer deze menschen een woning hadden, zouden zij tehuis geen zachtere slaapplaats kiezen.
Het hotel, Taj Mahalhotel, waarin wij intrek namen, wordt het grootste hotel van de wereld genoemd. Het is zeer zeker waard even vermeld te worden. Het is een navolging van de Taj Mahal-tempel in Agra, waarover ik later zal spreken, als wij daar geweest zijn. Een rijke Parsee heeft in dit hotel een groot deel van zijn kapitaal gestoken, omdat hij Bombay de eer wilde geven, het beste hotel van de wereld te hebben. Ik geloof niet, dat hij daarin geslaagd is, ook al omdat het Oostersche klimaat niet toelaat de luxe aan te brengen, die men in vele groote Europeesche hotels vindt. Hoe het zij, het is een zeer mooi en comfortabel hotel, met prachtig uitzicht, zoowel op de zee als op de stad.
De stad Bombay is de meest Europeesche stad, die men zich denken kan. Als men de native town, het gedeelte, waar de Oosterlingen wonen en hunne winkels hebben, er buiten laat, dan kon deze stad even goed ergens in Duitschland of Frankrijk of Engeland liggen, als juist hier. Het is een stad met mooie moderne gebouwen, breede, ruime straten, groote pleinen met standbeelden, tuinen en parken; het geheel geeft den indruk een welvarende stad te zijn, die goed en zindelijk beheerd wordt. Wij maakten denzelfden middag van onze aankomst een rijtoer van eenige uren om een indruk van de stad te krijgen en gaven hier en daar ons visitekaartje met een introductiebrief af, bij personen, waarvoor wij eene aanbeveling ontvangen hadden. Reeds denzelfden avond ontvingen wij een bezoek van een Engelsche lady-doctor, die ons velerlei inlichtingen gaf.
Den volgenden morgen brachten wij het allereerst een bezoek aan de native town, waar wij haast verblind werden door de helle kleuren, door mannen en vrouwen beide gedragen. Mannen met blauwe, bruine of witte beenbekleeding (geen broeken) met emerald vesten en roode, groene of goudgele turbans. Vrouwen met kersroode, hardrose of zeegroene zijden doeken, waarin zij van hoofd tot voeten gewikkeld zijn, waarvan de randen rondom met een gouden band zijn afgewerkt. Men beweert, dat er meer dan 40 dialecten alleen in dat stadsdeel gesproken worden.
Des middags gingen wij datgene in Bombay zien, waarvoor de meeste toeristen alleen Bombay bezoeken en er een dag verblijven. Ik wil den lezer waarschuwen, dat ik nu over griezelige dingen ga schrijven, dingen, die griezelig zijn als men er over leest, doch als men ze ziet, dan verdwijnt het afschuwelijke er van voor een groot deel.
Zooals men weet, verbranden de Boeddhisten en Hindoe's hunne lijken, doch overal, waar wij tot nog toe waren, vertelde men ons, dat daarvoor niet een bepaalde plaats bestond, elke familie verbrandde het lijk van zijn naastbestaande ergens dicht bij een stroom of ergens in een bosch, zoodat wij daarvan niets konden zien. Hier in Bombay hebben de Hindoe's hun verbrandplaats en daarheen begaven wij ons. Men moet om toegelaten te worden eene aanbeveling medebrengen en die bezaten wij.
Iets somberders dan deze plaats, waar het lichaam voor de laatste maal heengeleid wordt, is niet denkbaar. Het is niet anders dan een groote, langwerpig-vierkante ruimte, omgeven door kale muren. Op verschillende plaatsen stonden vier ijzeren stangen, twee aan twee tegenover elkander. Tusschen deze ijzeren stangen wordt het hout opgestapeld en het lijk gelegd. Verder eenige houten banken, waarop de familieleden kunnen rusten, onderwijl het lijk van hun naastbestaande verbrand wordt. Dat is alles. Wij zagen een vuur branden, doch het lijk was reeds verteerd. Toen wij daarnaar stonden te kijken, kwamen op eens eenige in het wit gekleede mannen de poort binnen, die een nieuw lijk brachten. Het was het lijk van een volwassen mensch, dat geheel in een wit laken gehuld, op twee palen gebonden, door 8 mannen op de schouders naar binnen gedragen werd. Daar werd het van de palen verwijderd, daarna het hout opgestapeld, het lijk er tusschen gelegd..... Wij hadden er genoeg van gezien, ons verbeeldingsvermogen kon het verder wel uitwerken. De man, die ons rondgeleidde, vertelde, dat voor lijken van rijke menschen echt sandelwood gebruikt wordt, zoodat het vuur soms drie- à vierhonderd rupees kost. De asch der verbrande lijken wordt in de meeste gevallen aan de vier windstreken prijsgegeven, door sommige familieleden wordt zij verzameld en naar Benares opgestuurd om in den heiligen Ganges geworpen te worden.
Hier op deze verbrandplaats was zoo duidelijk te kennen gegeven, dat de Hindoe niet de minste waarde hecht aan het omhulsel van den mensch. De ziel is alles en die heeft natuurlijk reeds lang het doode lichaam verlaten en is in een ander levend wezen overgegaan. Dat is hun geloof.
Van deze trieste plaats gingen wij naar de plaats waar de Parsees hunne lijken brengen. Laat mij vooraf mededeelen, wie de Parsees zijn. Het zijn de oorspronkelijke bannelingen uit Perzië, die ruim acht eeuwen geleden in Indië kwamen en eerst toen Indië onder Britsche heerschappij kwam, tot welvaart en ontwikkeling konden komen. In het algemeen gesproken, zijn zij de intelligentste van de rassen hier. Niet alleen de mannen, maar ook de vrouwen en dochters der Parsees zijn hoogst ontwikkelde personen, die de universiteiten alhier bezoeken en in de verschillende vakken promoveeren. Niettegenstaande hun aantal betrekkelijk klein is, in Bombay, waar zij voornamelijk wonen, zijn er nog geen 50.000, wordt toch feitelijk deze stad geheel door hen beheerd. Alle groote financieele en commercieele ondernemingen gaan van hen uit, alle mooie, groote paleizen worden door hen bewoond. Ook in den gemeenteraad vormen zij verreweg de meerderheid en voor alle groote functiën worden zij aangewezen. Geen enkele philantropische of wetenschappelijke instelling kan bestaan, als de Parsee-prinsen er niet hun goedkeuring en hun financieelen steun aan schenken.
Deze Parsees zijn Zoroasters, zij aanbidden zon, maan, aarde, lucht en vuur. In hun tempels, waarin niemand, die geen Parsee is, wordt toegelaten, brandt eeuwig een vuur. Dat vuur aanbidden zij, zooals zij buiten den tempel zon en maan, aarde en lucht aanbidden. Zij zijn van meening, dat zij hunne dooden niet kunnen begraven, omdat zij dan de aarde verontreinigen zullen; door ze te verbranden, ontheiligen zij 't vuur en zoo hebben zij er wat anders op bedacht. Maar laat mij den lezer langzaam op het komende voorbereiden. Het rijtuig bracht ons langzaam een mooi begroeiden heuvel op, vanwaar wij een prachtig uitzicht op de zee en op de stad onder ons hadden. Voor een poort gekomen, hield de koetsier halt en wees ons naar binnen te gaan. Nadat wij onze introductie vertoond hadden, gingen wij een eind door een prachtige allee met in bloei staande boomen en kwamen toen in een wondervollen bloementuin. Een intelligente man, daarvoor waarschijnlijk aangewezen, ging met ons rond en wees ons op al het schoone, vooral op de zeer mooie vergezichten, die men op menige plek genieten kan. Het eenige wat in dezen tuin hinderde, was het onophoudelijk gekrijsch van de honderden roofvogels boven ons. Wij mochten niet verder gaan dan tot op een zekere plek, "de Vaarwelhoek" genaamd. Niemand mag dien hoek overschrijden, ook de Parsees niet. Alleen de wachters van de torens, "de Torens van Stilzwijgen", hebben daartoe het recht. Die torens van stilzwijgen waren van die plek geheel te zien. Er zijn er vijf. Het zijn ronde, tien à vijftien meter hooge, van boven open, torens, met slechts ééne opening, de deuropening. De randen van die torens zitten rondom vol groote gieren, wachtende op hun prooi. Als er geen epidemie heerscht komen er dagelijks twee à drie lijken. Tot aan den Vaarwelhoek wordt het lijk door de familieleden gebracht, daar nemen de wachters van de torens van stilzwijgen het in ontvangst, de familieleden verwijderen zich, of gaan bidden in den tempel van den tuin en het lijk wordt in een der torens van stilzwijgen neergelegd. Nauwelijks hebben de gieren de torendeur hooren kraken of met snellen wiekslag zijn allen, die niet reeds tevoren op de randen zaten te wachten, aangevlogen, om den prooi in ontvangst te nemen. In minder dan twee uren, soms niet meer dan in een uur, hebben deze roofdieren het lijk geheel opgegeten, niets dan het zuiver afgekloven skelet is overgebleven. Door de heete zonnestralen worden deze beenderen in een paar dagen geheel gedroogd en daarna tot asch verbrand. Het geheele proces, zooals het daar plaats vindt, werd ons in een klein toestel aanschouwelijk voorgesteld. Op deze wijze meenen de Parsees dat zij voldoen aan het wijze woord: "Uit asch zijt gij opgebouwd en tot asch zult gij wederkeeren." Het komt mij voor, dat alleen de beenderen op die wijze tot asch wederkeeren, maar op zoo'n kleinigheid moet men niet letten. Het mag vreemd schijnen, dat wij op deze plaats niet zoo somber gestemd werden als op de verbrandplaats der Hindoe's. De prachtige omgeving nam al het sombere en het griezelige hier weg. Trouwens, als men zijn gevoel een oogenblik het zwijgen oplegt, het verstand alleen laat spreken, dan vraagt men zich af, is er tusschen deze wijze van handelen en het begraven der lijken wel zoo'n groot verschil? Wat hier bijna zichtbaar geschiedt, het opeten der lijken, geschiedt onder den grond op minder snelle wijze toch ook. Wij denken daaraan niet en doordat wij het niet zien, stellen wij ons, hetgeen met de lijken die wij begraven geschiedt, anders voor. Als hier die gieren niet zoo luidruchtig hunne vreugde te kennen gaven als er voedsel voor hen in aantocht is, en niet zoo zichtbaar op hun prooi zaten te wachten, zou het minder wreed lijken.
Maar genoeg over deze griezeligheden, ik ga nu slapen en zal morgen vervolgen.
10 Februari. Gistermorgen vonden wij een invitatie voor een tea, ten huize van een der dames, voor wie wij een introductie hadden en waar wij den eersten dag ons kaartje hadden afgegeven. Ook vond ik een briefje van dr. Benzon, om in het hospitaal, waarvan zij de directrice is, te komen, om eenige belangrijke operaties bij te wonen. Daar toog ik dus alleen op af en vond bij aankomst dr. Benzon met hare drie assistenten met de eerste operatie reeds vrij ver gevorderd.
Het betrof een twaalfjarig meisje, bij wie uit de okselholte eenige zeer groote tuberculeuze klieren werden weggenomen. De tweede operatie gold 'n vrouw bij wie een tumor uit den buik verwijderd werd.
Toen die operaties afgeloopen waren, had dr. Benzon nog lust en tijd mij in haar geheel hospitaal zelf rond te leiden en eenige belangrijke ziektegevallen te wijzen.
Dit Kama-hospitaal voor vrouwen is meer dan een kwart eeuw geleden door den heer Kama gesticht, vandaar zijn naam, doch is later door het gouvernement overgenomen en is nu dan ook een gouvernements-instelling en de daaraan verbonden doktoren en verpleegsters, regeeringsambtenaren. Dr. Benzon, die aan het hoofd staat, is een Engelsche, die in Londen gestudeerd heeft, hare drie assistenten zijn hier geboren, zij hebben ook hier in Bombay gestudeerd en haar doctorstitel gehaald. In Bombay is een zeer goede medische school voor studenten van beiderlei sekse. Tal van Indische meisjes studeeren hier, zoodat langzamerhand de Hindu-, Parsee-, Mohammedaansche en andere vrouwen nergens meer van medische hulp verstoken behoeven te blijven. Het Kama-vrouwenhospitaal is een inrichting met honderd bedden, die altijd alle in gebruik zijn, zoodat spoedig een vergrooting kan worden tegemoet gezien. Het is in alles een up-to-date hospitaal, waarvoor door de regeering geen geld gespaard en dat door de vrouwen-doktoren onberispelijk beheerd wordt. Ik ben benieuwd te zien, wat equivalent ik voor deze inrichting op Java zal vinden; in hoeverre onze regeering aan de zieke Javaansche vrouwen gelegenheid geeft door vrouwelijke doktoren behandeld te worden.
Dr. Benzon had ook eene uitnoodiging voor de tea, waarheen wij ons om vijf uur zouden begeven. Zij sprak met mij af, dat zij ons met haar automobiel zou komen halen, zoodat wij gezamenlijk konden gaan en zij ons aan eenige interessante personen kon voorstellen. En daar kwam nu datzelfde fijne persoontje, dat 's morgens eenige belangrijke operaties had verricht, 's middags eenige drukke consult-uren voor private patiënten had gehad, om vijf uur ons halen, gekleed in een geborduurd wit japonnetje met een hoed met lange witte veeren, er uitziende als de meest vrouwelijke vrouw, die men zich denken kan.
De dame, die ons had uitgenoodigd voor de tea, is eene der voornaamste Engelsche vrouwen hier. Zij is niet alleen de leidster in de Engelsche society-wereld, zij is tevens de persoon, die tal van goede hervormingen hier tot stand brengt. Zoo heeft zij onder meer eene overbrugging bewerkt tusschen de vrouwen uit de Parsee-, Hindoe- en Mohammedanenwereld en de Engelsche vrouwen. Zij is heel voorzichtig begonnen de vrouwen uit die verschillende groepen bijeen te brengen en thans kan men op hare tea's de interessantste vrouwen uit die kringen vinden. Voor ons was het een waar oogengenot, die Purdah-partij bij te wonen. Purdah beteekent gordijn. Vroeger vond men op de Purdah-partijen altijd een gordijn, waarachter de Mohammedaansche vrouwen zaten en diegenen onder de andere vrouwen, die niet door andere mannen dan hun eigen familieleden gezien mochten worden. Langzamerhand hebben de vrouwen uit de hooge kringen deze gewoonte afgelegd, zij vertoonen zich nu openlijk en ongesluierd in de kringen, doch de naam Purdah-partij is behouden gebleven en heeft nu alleen de beteekenis, dat er alleen vrouwen uit alle godsdiensten en geen mannen tegenwoordig zijn. Wij maakten er kennis met een paar Indische prinsessen, meisjes naar schatting 15 en 17 jaar oud, klein en teer gebouwd, gekleed in zulke schitterende Indische kleeding en met zulke prachtige edelsteenen, dat het alle beschrijving te boven gaat. Er was een vrouw van een Maharatja, en er waren tal van vrouwen uit de schatrijke Parsee-wereld en van de toonaangevende Hindoe's en Mohammedanen. En onder al dezen de elite uit de Engelsche ambtenaarskringen. Dan eens warrelden dezen allen in bonte mengeling dooreen, dan weder zetten zij zich op de hoefijzervormig geplaatste stoelenrijen om een oogenblik te luisteren naar de muziek en zang, door eenige Engelsche en een paar Indische dames ten beste gegeven. Een der Indische dames bespeelde een echt Indisch instrument, een cither, en gaf daarop echt Indische muziek te hooren. Ik heb nooit te voren zoovele kostbare gewaden en edelgesteenten bijeen gezien en nooit zoovele vreemde damescostuums als gistermiddag. Er was een Mohammedaansch meisje met rood satijnen broek, de pijpen van onder bijeen gebonden door 'n gouden band, waaruit de kleine voetjes in gouden muiltjes coquet te voorschijn kwamen. Daarover droeg zij van ragfijn rosezijde, geheel met goud doorwerkt, een overkleed, dat, als bij alle andere dames, altijd eindigde in een soort van sluier, die van achter over het hoofd ging en daarop met een groote parel bevestigd was. Zij was een Mohammedaansche. Er waren een paar zusjes, die hun lichaam alleen in een zacht crème zijden, met goud geborduurden langen doek of sarong gewikkeld hadden, die ook al weder op het hoofd in een soort sluier eindigde, waarmede de bleek-bruine gezichtjes met de groote zwarte oogen en lange wimpers prachtig omlijst werden.
Maar meer dan al die mooie vrouwen in hun prachtige gewaden te zien, interesseerde het ons om met velen van hen te spreken. Velen van hen hadden aan een der vijf universiteiten in Indië gestudeerd en een doctorstitel in een der faculteiten behaald met geen ander doel dan hun kennis te verrijken. Enkelen van hen gebruikten de verworven kennis ten behoeve van het algemeen. Onder deze vrouwen vonden wij die volkomen op de hoogte van de vrouwenbeweging in de andere deelen van de wereld waren en daarmede geheel instemden. Ook hier waren alle rechten die deze vrouwen thans genieten, niet zonder strijd verkregen. Een oude voorvechtster in deze hervormingen ontmoetten wij er in de 70-jarige mrs. Sirinbai Maneckji Cursetji, de zuster van den man, die het Kama-hospitaal voor vrouwen tot stand bracht. Toen ik dit door jicht bijna dubbelgevouwen oud moedertje vroeg, hoe lang zij reeds voor de rechten der Indische vrouwen streed, antwoordde zij, "van af het oogenblik dat ik loopen en praten kon, heb ik mij verzet tegen de achterstelling van de vrouw bij den man, en later heb ik voor de gelijkstelling van beide seksen met pen, woord en daad gestreden." Zij vertelde ons dat haar geheele familie feministen waren en dat alleen om ons te ontmoeten, zij dien middag bij lady Graeves gekomen was. Want zij zat midden in allerlei drukte, omdat vandaag een harer kleindochters ging trouwen, met al de ceremoniën die de Parsees daaraan verbinden. Ik liet mij ontvallen dat ik zoo heel graag zulke ceremoniën eens zou bijwonen en onmiddellijk antwoordde zij: dan zult gij beiden een uitnoodiging om die te komen bijwonen, ontvangen, alhoewel voor de geheele huwelijksplechtigheid overigens geheel alleen de naaste familieleden een invitatie ontvangen. En zoo gaan wij dan hedenmiddag eerst een tea bij dr. Benzon bijwonen, alwaar wij eenige vrouwen zullen spreken, die ons omtrent den stand van het vrouwenvraagstuk in Indië geheel op de hoogte kunnen brengen en vandaar gaan wij naar de Parseebruiloft.
Over dit alles en 't geen wij van ochtend deden in een volgend schrijven.
II.
11 Februari. Het was gisteren een dag vol indrukken van verschillenden aard. Wij waren reeds vroeg opgestaan om met een van de eerste stoombootjes, dat om acht uur vertrok, naar de Elephanta Caves te gaan. Het is een tocht van anderhalf uur. De Elephanta Caves is ook alweer een groote Hindoetempel, doch deze is niet opgebouwd, maar geheel in de rotsen uitgehouwen. Al de prachtig bewerkte zuilen, alle deelen van den tempel en al het beeldhouwwerk zijn uit de rotsen gehouwen. Dit is inderdaad wonderwerk uit de 7e of 8e eeuw na Christus en grootendeels goed bewaard gebleven. Deze tempel is gewijd aan Siwa, maar vooral in zijne hoedanigheid als bevruchter. Het voorttelingsvermogen wordt hier op al te duidelijke wijze verheerlijkt en ofschoon de Portugeezen, toen zij voor het eerst als machtgevers hier optraden, een groot deel van deze zinnelijke voorstellingen verwoestten, is er toch nog genoeg overgebleven om het doel van dezen tempel te verduidelijken en om nog jaarlijks duizenden mannelijke en vrouwelijke bedevaartgangers hierheen te lokken, die in dezen tempel de vruchtbaarheid afsmeeken, die hun ontbreekt. Kinderlooze mannen en vrouwen brengen soms dagen en nachten in deze rotsholten door, om door ootmoedig bidden gezegend te worden met nakomelingschap. Tegen lunchtijd waren wij in Bombay terug.
Om vijf uur begaven wij ons eerst naar de woning van dr. Benzon, alwaar wij eenige Parsee- en Eurasian-vrouwen-doktoren aantroffen. Eurasians noemt men de inboorlingen in Indië, die geheel of gedeeltelijk van Europeesche voorouders afstammen. Europeeërs, die hier eeuwen gewoond hebben en wier nakomelingen voor een groot deel vereenzelvigd zijn met de Indische bevolking, doch grootendeels Europeeërs gebleven zijn. Met de Parsees zijn zij de vooruitstrevendste menschen hier. Behalve deze dames waren er een paar toonaangevende Hindoe-vrouwen in de vrouwenbeweging alhier. In mrs. Ranadaij ontmoetten wij de presidente van de, het vorige jaar opgerichte en aan de lezers van het Maandblad voor Vrouwenkiesrecht bekende vereeniging, de Sewa Sisterhood, eene vereeniging, die zich ten doel stelt de Mohammedaansche, Hindoesche en Parseesche vrouwen te vereenigen voor zelfontwikkeling. Zij hebben een eigen clubgebouw, waarin elken Woensdagmiddag een bijeenkomst gehouden wordt. Het eerste uur wordt gewijd aan het lezen van een werk van een of ander groot schrijver, daarna wordt door een der leden een korte voordracht gehouden over sociale of hervormende arbeid door vrouwen in andere landen gedaan, en dan volgt vrije discussie in hoever zulk werk ook voor Bombay of Britsch-Indië nut kan stichten. Mrs. Ranadaij noodigde ons uit, indien wij a.s. Woensdag nog hier mochten zijn, die bijeenkomst te komen bijwonen. Zij is eene vrouw van ongeveer 40 jaar, de dochter van een Indischen prins, die een groot hervormer voor Indië is geweest. Zij is nu getrouwd met een Hindoedokter. Zij vertelde ons vele bijzonderheden uit het Hindoeleven. Een wettelijk huwelijk bestaat in Indië niet. Feitelijk worden de echtverbintenissen niet voor het 12e jaar der kinderen gesloten, maar dat verhindert de Hindoes niet, om de kinderen reeds zeer jong aan elkaar te verbinden, zonder daarbij eenige waarde te hechten aan de wenschen van de kinderen zelven. Als het jonge meisje is uitgehuwelijkt, dan behoort zij de familie van haar man toe, bij wie het kind verplicht is na haar 5e jaar minstens de helft van het jaar door te brengen. Onder de welgestelde families loopt het kind daar in ijdel niets-doen rond, onder de armere klasse wordt zij als meid gebruikt Eerst wanneer zij de puberteitsjaren bereikt heeft, wordt zij de feitelijke echtgenoote van den jongen man en heeft hij verder alle macht over haar. Mrs. Ranadaij vertelde mij, dat hare schoonmoeder niet wilde, dat zij iets leerde en ofschoon zij bij hare ouders thuis in de helft van het jaar, die zij daar doorbracht, leerde lezen en schrijven, mocht zij bij hare schoonouders geen boek ter hand nemen of iets doen wat haar geest kon ontwikkelen. Op haar 12e jaar werd zij de feitelijke vrouw van haren 19-jarigen man, die aan de medische school in Bombay studeerde. Toen brak voor haar een betere tijd aan. Na twee jaren ging hij naar Engeland om in Edinburg zijn medische studiën te voltooien en nam haar mede. Hij gaf haar daar eene uitstekende gouvernante. Van dien tijd af heeft zij nooit opgehouden zich verder te ontwikkelen. Zij heeft in Bombay een Hindoeschool gesticht, die wij morgen met haar gaan zien.
Na ons interessant bezoek bij dr. Benzon begaven wij ons om ongeveer half zeven naar de bruiloft der Parsees. Alles was daar reeds in vollen gang toen wij aankwamen. De mannen waren allen, zonder eenige uitzondering, in een smetteloos wit costuum gestoken, alle volgens hetzelfde model gemaakt. Zij zaten in den tuin. De bruidegom was spoedig te herkennen aan den bloemenkrans, die om zijn hals hing en de bouquet rozen, die hij in zijn hand hield. De dames waren allen in een soort zaal gezeten, die aan alle kanten open was. Zij droegen allen de mooie Indische kleeding, schitterend van goud en edelsteenen. De bruid en de bruidsmeisjes hadden allen een wit kleed aan, slechts spaarzaam met goud gegarneerd, doch van eene bijzonder prachtige kwaliteit. Midden in de zaal was een kleine verhooging, waarop de plechtige huwelijksinzegening zou plaats hebben. Zoowel in den tuin als in de zaal waren groote tafels geplaatst met onnoemelijk veel ververschingen en dranken. Het waren bijna alle zoetigheden, vruchten, verschillende ijssoorten, limonades en zulke onschuldige zaken meer, waaraan elke gast zich te goed kon doen. In den tuin maakte een muziekkorps oorverdoovende muziek.
Spoedig na onze aankomst werden op een zilveren blad bloemen aangedragen en kwam de moeder van de bruid ons beiden behangen met een krans tuberozen en rozen. Mrs Sirnibai Maneckji Cursetji, die ons de uitnoodiging bezorgd had en die zich tusschen ons beiden had neergezet om ons alles te verklaren, fluisterde ons toe, dat wij daarvoor onzen bijzonderen dank moesten uitspreken, omdat dit beteekende, dat onze komst op hoogen prijs werd gesteld. Als de Aziaten iemand bijzonder willen eeren, dan behangen zij hem met bloemen. Wij beiden gaven aan de wenk van grootmoeder Cursetji gehoor.
Nu begonnen langzamerhand de ceremoniën. De bruidsmeisjes brachten de geschenken binnen, die de bruid haar aanstaanden echtgenoot aanbood, en deze, op zilveren schalen uitgespreid, werden in optocht door den tuin gebracht en den jongen man aangeboden. Daarop kwamen de bruidsmeisjes terug en brachten het bruidje de geschenken, die de bruidegom haar aanbood. Het waren voornamelijk kostbare gewaden, een paar kostbare oorringen, die haar onmiddellijk in de ooren werden gestoken, eenige braceletten, die zij aandeed, en tal van huishoudelijke zaken. Zij werd toen door de bruidsmeisjes op het huwelijksaltaar, zooals de verhooging werd genoemd, geleid en achter een laag scherm geplaatst. Daarna brachten de bruidsjonkers den bruidegom binnen, die tegenover het bruidje, aan den anderen kant van het scherm, plaats nam. Zij konden elkaar niet zien. Toen werden zij gezamenlijk door een zijden band vijf-en-twintig maal omwonden. (Al wat verder volgt is zuiver symboliek). Nu werd hun door den priester de heiligheid van het huwelijk voor oogen gesteld en de plichten, die het voor man en vrouw beiden meebrengt. Het speet mij zeer, dat ik niet kon verstaan, de priester sprak een onverstaanbare taal, welke die plichten voor beiden zijn. De band, waarmede beiden omwonden waren, beteekent, dat eenmaal saâm verbonden, alleen door geweld een einde aan die verbintenis kan worden gemaakt. Nadat de priester geëindigd had, werd het jonge paar gevraagd, of zij de heiligheid van het huwelijk begrepen, of zij bereid waren, de plichten ervan te aanvaarden, of geen andere drijfveer dan liefde hen tot elkander had gevoerd. Toen op al deze vragen een bevredigend antwoord was gegeven, werd het scherm weggenomen, de band losgemaakt en namen bruid en bruidegom naast elkaar plaats. Het bruidje was 17 jaar, de jongeman 21. Zij waren neef en nicht, zij kenden elkaar van de geboorte af.
Toen zij naast elkaar gezeten waren, werd op een tafel naast hen een soort komfoor met vuur geplaatst, waarop onophoudelijk welriekende--tenminste sterkriekende--kruiden gestrooid werden, die een bedwelmenden geur verspreidden. Dat vuur beteekent: dat in hun beider harten het vuur der liefde eeuwig moge branden. Daarnaast werd op een zilveren blad een bakje met rijst, een ander met amandelen en eenige kokosnoten gebracht. Onderwijl de priester de huwelijksinzegening uitsprak, bestrooiden hij en een andere priester bruid en bruidegom onophoudelijk met de droge rijstkorrels. De beteekenis hiervan is: dat zij in voorspoed mogen leven, zoo zelfs, dat het voedsel overal rondom hen verspreid ligt en zij in staat zijn anderen van hun overvloed mee te deelen. Ik vroeg, of aan dat bestrooien met rijst niet het Engelsch begrip verbonden is, dat meer op de vruchtbaarheid van het huwelijk betrekking heeft, doch dat werd door allen ontkend. De amandelen beteekenen, dat er rust en vrede in het huwelijk moge heerschen, want uit amandelen werd door de Parsees het eerst olie bereid en olie is in staat bewogen golven tot stilstand te brengen. De kokosnoot heeft een huiselijke beteekenis. De kokosnoot geeft voedsel en drank, uit zijn bast worden kleederen zoowel als allerlei huishoudelijke artikelen bereid, de boom geeft schaduw en zijn bladeren kunnen voor honderdlei doeleinden aangewend worden. Zoo veelzijdig nuttig als de kokosnoot moge ook het pasgesloten huwelijk worden. Toen al deze plechtigheden waren afgeloopen, was het jonge paar getrouwd en werden zij van alle kanten gelukgewenscht. Wij mochten het eerst onze wenschen aanbieden. Vele familieleden brachten nu nog kleine geschenken aan, er werd wat heen en weder gewandeld, veel gepraat, onderwijl het diner werd voorbereid. Wij meenden, bij het diner niet te moeten tegenwoordig blijven en gingen de gastvrouw daarom bedanken voor het genotene, maar zij wilde niets hooren van weggaan, wij moesten ten minste iets van het diner nuttigen. Het was een diner, zooals een ander, maar er was geen enkel vleeschgerecht, wel vischsoorten. Toen ik m'n buurman de reden daarvan vroeg, antwoordde hij, dat de Parsees niet bepaald tegen het eten van vleesch zijn, doch bij groote diners het eten van vleesch zooveel mogelijk vermijden, opdat nooit ter wille van een feest een beest geslacht moet worden! Toen ik op de vele vischgerechten wees, zeide hij: "Maar dat is toch geheel iets anders, visschen zijn koudbloedige dieren." Om half tien gingen wij tweetjes doodvermoeid hotelwaarts, alle bruiloftsgasten in vroolijke, opgeruimde stemming achterlatend.
Nu ik dit bruiloftsverhaal overlees, lijkt mij de beschrijving zoo koud en realistisch, terwijl het geheel toch zoo'n poëtischen, mooien indruk op mij maakte. Zooiets te zien, in je op te nemen, het te overdenken, is zoo geheel iets anders dan het in nuchtere taal, voor anderen, die het Oostersche leven niet kennen, neer te pennen en begrijpelijk te maken. Wij gaan het oude grootmoedertje Maandagmiddag bezoeken, om van haar nog het een en ander van 't doen en laten der vrouwen hier te vernemen. Het is nu Zondag; wij hebben heden een kalmen dag en gaan alleen vanmiddag een bezoek brengen bij sir en lady Philoysha Meta, een Parsee-familie, voor wie wij in Caïro een introductie ontvingen.
Wij troffen bij deze familie verschillende heeren en dames, die in de nationale beweging alhier een rol spelen. Sir Meta staat aan het hoofd van deze beweging, eene beweging die ten doel heeft om voor Britsch-Indië home-rule te verkrijgen. Jaarlijks komen zij daarvoor op verschillende plaatsen in Indië bijeen en houden congressen. Om Sir Meta den mond te snoeren, want hij is een geweldig orator, heeft de Engelsche regeering hem kort geleden in den adelstand verheven, en dat heeft op de golven van zijne welsprekendheid een nog kalmeerender effect gehad, dan amandelolie op de golven der zee. Wij hoorden daar over vele belangrijke kwesties spreken, die echter van te ingewikkelden aard zijn, om er hier van te gewagen.
12 Febr. Dezen dag wijdden wij aan het bezoeken van scholen voor meisjes. Het eerst bracht mrs. Ranadaij ons naar een der Hindoesche meisjesscholen. Deze school is uit private fondsen gesticht, doch wordt thans door de regeering gesubsidieerd. Een derde van de uitgaven wordt door de regeering bekostigd. De Hindoesche meisjes komen hier van haar 10de tot en met haar 17de jaar, zeer enkelen zijn ouder. Het is voor ons zeker merkwaardig, dat onder deze leerlingen tal van gehuwde vrouwtjes en ook eenige weduwen waren. Sommige van deze vrouwtjes werden door haar mannen naar school gestuurd. Op al die soort scholen wordt de eigen taal en de Engelsche taal geleerd en in de hoogere klassen tevens het Sanskriet. Of het onderricht er inderdaad goed is, kon ik niet beoordeelen, wel werd mij verzekerd, dat het gelijk stond met het onderricht op Engelsche scholen. Meisjes, die den geheelen cursus hebben doorloopen, zijn klaar voor het ontvangen van middelbaar en gymnasiaal onderwijs in Engeland. Aan het hoofd van deze school staat een Hindoe-echtpaar, beiden leeraren, die theosophen zijn en in Madras hun opleiding hebben genoten.
Na het bezoek van deze school nam mrs. Ranaday ons mede naar haar woning, om een Hindoesche huishouding te zien. Het was een geheel andere huishouding dan wij ooit gezien hadden, waarvan niemand zich een voorstelling kan maken, die het zelf niet aanschouwd heeft. De eetkamer bijv. is een leege, vierkante ruimte, zonder stoelen, tafels of kasten. Alleen stonden er een paar lage, vierkante bankjes, nog niet zoo hoog als onze voetenbankjes. Daarop wordt het eten geplaatst in een bak of schotel. Alle gasten zitten of liggen rondom en eten met de handen uit den bak. De mannen, vader en zonen, eten eerst alleen en worden door de vrouwen bediend; als zij verzadigd zijn, beginnen de vrouwen te eten op dezelfde wijze. Mrs. Ranaday vertelde ons, dat zij altijd gelijk met haar man eet, maar dat dit zoo iets vooruitstrevends is, dat zij het nooit aan haar familieleden mededeelde en ook niet doet als zij gasten heeft. "Het zou mijn man al zijne patiënten kosten, als men dit weet", zeide zij.
De keuken was een even onmogelijk ding en toen mrs. Catt den drempel wilde overschrijden, om het geheel wat beter te kunnen overzien, werd zij door mrs. Ranaday met een ruk teruggetrokken. Zij vertelde ons, dat niet-Hindoes nooit in de nabijheid van hun eten mochten komen, of zelfs bij iets wat voor hun maaltijden gebruikt wordt, want, wanneer de schaduw van een van ons over het eten of over de keuken-utensiliën valt, dan moet onmiddellijk alles vernietigd worden; het mag dan niet meer door een Hindoe worden aangeraakt. Men moet niet vergeten, dat wij hier bij eene voorname en radicale Hindoesche familie waren, een doctor, die in Engeland zijn studiën voltooid heeft en een zeer radicaal man is, en zij, de dochter van een Indischen prins, die als hervormer bekend stond.
De provisiekamers, de slaapkamers en salon waren ook met de onze niet te vergelijken. Ik weet nu reeds, dat ik nooit een invitatie zal accepteeren om in een Hindoe-familie een nacht door te brengen, maar ik behoef niet bang te zijn, dat zulk een uitnoodiging mij ooit zal bereiken. Niet-Hindoe's worden nooit in den huiselijken kring van Hindoe's opgenomen.
Vanmiddag zagen wij een Parsee-school. Ook hier waren ongeveer 200 meisjes-leerlingen met een twaalftal onderwijzeressen en een directrice. Op school worden de meisjes zoo ver gebracht, dat zij de hier bestaande universiteiten kunnen bezoeken. Ook deze scholen worden door de regeering financieel gesteund, doch zijn privaat-instellingen. Er zijn wel openbare scholen hier voor jongens en meisjes, doch daarvan wordt door de meisjes nog weinig gebruik gemaakt. Over het geheel genomen komt er in Britsch-Indië op elke 10 mannen één voor, die lezen en schrijven kan, doch bij de vrouwen is die verhouding slechts één op de 144. Met de algemeene ontwikkeling der vrouwen is het dus nog treurig gesteld, maar wij vinden het gelukkig in Bombay verscheidene vrouwen ontmoet te hebben, die flink en onversaagd voor de betere ontwikkeling der vrouwen in de bres springen en die reeds op gunstige resultaten kunnen bogen. Hoewel deze strijdsters voor de verheffing der vrouw hier eene zware taak hebben te vervullen, vooral door te moeten oproeien tegen den tegenstand van de vrouwen zelve, wordt die taak haar toch vergemakkelijkt, doordat zij op den steun der overheidspersonen kunnen rekenen.
13 Febr. Wij hadden zooveel gelezen en gehoord over het werk der vrouwen in de textielfabrieken alhier, dat wij meenden Bombay niet te mogen verlaten, zonder een kijkje genomen te hebben in een dezer fabrieken. Gemakkelijk was dat niet, maar door de invloedrijke bemiddeling van onzen Hollandschen consul, den heer Bendien, werd ons dit toch mogelijk gemaakt. Als men bedenkt, dat de textielnijverheid in de stad en provincie Bombay groote afmetingen bezit, dat van de 20.000 inwoners in deze provincie 17% uitsluitend door dit bedrijf leven, dan begrijpt men, dat de vele fabrieksschoorsteenen hier reeds lang tot ons gesproken hadden en wij nieuwsgierig waren de fabrieken binnen te treden om te zien hoe de toestanden daar waren. De heer Bendien had de vriendelijkheid ons persoonlijk te geleiden en hier en daar voor ons als tolk te dienen. Het is voor onze Europeesche oogen altijd weder even vreemd, als men de mannen bezig vindt het werk te doen, dat bij ons als "vrouwenwerk" gestempeld is, terwijl de vrouwen "mannenwerk" verrichten. Dat men hier in een winkel mannen wit borduurwerk ziet maken, of om fijne zijden zakdoekjes witte kantjes naaien, valt niemand op, en als men vrouwen bij het bouwen van een huis zware balken op haar hoofd naar boven ziet dragen, ook niet. Ook in deze fabrieken was, naar onze westersche begrippen, de verhouding omgekeerd.
Over het algemeen genomen wordt hier echter door de vrouwen nog slechts weinig gewerkt, alleen bij de heele lage kasten verrichten de vrouwen werk in het openbaar.
De toestanden in de fabrieken schenen nog al goed, de vrouwen werkten van 8 tot 12 en van 1 tot 5 uur. De mannen beginnen vroeger en eindigen later. De loonen kwamen mij zeer laag voor, maar alle arbeid wordt hier heel slecht betaald, misschien is het in verhouding tot anderen arbeid niet laag. Kinderarbeid is uitgesloten, elke arbeider, man of vrouw, moet boven de 14 jaar zijn. Er wordt hier in Bombay machinaal alleen een soort grof katoen geweven en grove garens gefabriceerd, waarvan grof ondergoed machinaal gebreid wordt.
De heer Bendien bracht ons daarna nog bij eene Hindoe-familie, waarvan de vrouw en dochter zich zeer voor de vrouwenbeweging interesseeren en die ons omtrent de toestanden in Indië goede inlichtingen konden geven. Ook deze familie is door de Engelsche regeering in den adelstand verheven. Dat lijkt mij een prachtige maatregel om invloedrijke Indische mannen, die van hervormingen droomen, den mond te snoeren en tot vrienden van Great-Britain te maken.
Wij gaan thans Bombay verlaten. Om 9 uur reizen wij vanavond af, en hopen morgenochtend in Ahmedabad aan te landen.
VAN BOMBAY TOT JAIPUR.
14 Februari. Toen wij gisteravond aan het station aankwamen, stond de trein reeds gereed en de waggon, van onze namen voorzien, voor ons gereserveerd. Dat is hier door geheel Indië het geval. Als men tevoren opgeeft met welken trein men wil vertrekken, dan wordt een compartiment gereserveerd, van buiten en ook van binnen duidelijk met de namen voorzien van degenen, voor wie de wagen gereserveerd is, zoodat geen vergissing kan plaats vinden. Verzuimt men vooraf een plaats aan te vragen, dan is men volstrekt niet zeker, met den trein mede te komen; er schijnen niet meer eerste-klasse wagens mede te gaan, dan er plaatsen zijn aangevraagd.
Er zijn in Indië verschillende spoorwegmaatschappijen, die tegen elkander concurreeren in het verschaffen van comfort in de waggons. Wij troffen het gisteravond al bijzonder goed. De waggon was nl. wel anderhalf maal zoo breed en lang als onze waggons en maar voor twee ruime, gemakkelijke slaapgelegenheden bestemd, had flinke groote spiegels, goede verlichting, waarbij men gemakkelijk kon lezen, een electrischen waaier om verkoeling aan te brengen, vier soorten afsluitingen van de vensters, gewone glazen, houten jalouzieën, ijzergaas en rieten gordijnen, en bovendien een goede badkamer met alles wat daartoe behoort. En voor dit alles werd geen extra-betaling vereischt; onze gewone spoorkaart--wij hebben een rondreisbiljet door Indië--deed daarvoor dienst. De spoorwegmaatschappijen concurreeren hier nog goed; daarvan profiteeren de reizigers, want ook de prijzen voor de biljetten worden laag gehouden.
Men reist hier bij voorkeur bij nacht, omdat het overdag te heet is en er niet veel is uit te zien. Doch toen ik vanmorgen wakker werd, nadat het daglicht juist was doorgebroken en ik naar buiten keek, zag ik boomen vol apen en ook vele groote apen, die dicht bij den trein kwamen om zich aan de versnaperingen, die passagiers naar buiten wierpen, te goed te doen. Ruim een uur lang, tot wij in Ahmedabad aankwamen, zagen wij steeds geheele horden van deze beesten, die tamelijk mak bleken te zijn. In een land als hier, waar geen beest iets kwaads geschiedt, zijn alle beesten bijzonder mak. Wij verwonderen ons er al niet meer over, dat de vogeltjes overal vrij in de huizen rondvliegen, in een schoollokaal op den rand van het zwarte bord gaan zitten en in de hospitalen op de randen van het bed der zieken komen. Hier in Ahmedabad--de stad staat er voor bekend--zijn overal in de stad een soort van vogelhuizen op hooge palen gebouwd, allersierlijkste gebouwtjes, die steeds van voedsel en drinken voorzien zijn, waarvan echter niet alleen de vogels, doch ook de eekhorentjes en ander boomgedierte gebruik maken.
Wij bleven in Ahmedabad een dag over, voornamelijk omdat dit de stad is waar de Mohammedanen en de Jains in hoofdzaak wonen en hunne tempels hebben. Maar ook omdat dit stadje nog geheel Indisch is en op twee na het mooiste stadje van Indië wordt genoemd. Wij zijn hier nu weder in het midden van een Mohammedaansche omgeving, doch de Mohammedaansche vrouwen, die hier opvallend kleurig gekleed gaan, loopen allen ongesluierd. Wel wordt ons verteld, dat de vrouwen uit de rijkere kringen zich nooit op straat bevinden, omdat het hier te warm is om gesluierd te gaan en zij zich niet ongesluierd willen vertoonen. Die wel op straat komen, zijn terstond van de Hindoe-vrouwen te onderkennen, doordat zij de broek dragen, de zoogenaamde harembroek, zooals wij die ook in Syrië en Egypte zagen.
De moskeeën van de Mohammedanen zijn hier geheel anders dan die wij in Arabië zagen. Hier zijn zij van heel mooi beeldhouwwerk voorzien. De minarets zijn soms van onder tot boven gebeeldhouwd. Ook de graftomben zijn hier mooier. De Indische Mohammedaansche vorsten hebben bij het bouwen der tempels en graftomben blijkbaar over meer geld en goeden smaak kunnen beschikken dan hunne Arabische en Egyptische geloofsgenooten.
Voor het eerst zagen wij nu de tempels der Jains. Dat is een Hindoe-sekte, die echter niet Siwa aanbidden. Ik ben er nog niet achter kunnen komen wat de Jains eigenlijk gelooven. De boeken, die ik over Indië las, gaven er geen voldoende beschrijving van en Hindoes, die het konden weten, gaven mij steeds op mijne vragen alleen ten antwoord, dat het eene sekte van de Hindoes was, met een zeer gecompliceerd geloof. In hunne tempels--een er van hier is zeer mooi--zagen wij de beelden van Boeddha en Brahma verheerlijkt. Wij kregen den indruk dat het een mengsel van Boeddhisme en Brahmisme is. Overal in de tempels der Jains staan offervaten, waarin de geloovigen 's morgens hunne offeranden, in den vorm van een handjevol rijst of een paar amandelen, soms zelfs een kokosnoot, komen brengen en dat daar bijeengegaard wordt. Al de arme moedertjes, zelfs te arm om eenmaal daags zelf een beetje rijst te eten, trachten toch een handjevol elken morgen bijeen te krijgen, om het den beelden van Boeddha en Brahma te offeren.
Hier worden nog enkele industrieën in den ouden vorm beoefend. Wij zagen zijde, met goud en zilver doorwerkt, met de hand weven. Heel mooi en hoogstwaarschijnlijk ook heel duurzaam, maar zeer kostbaar. Prachtige sarongs werden op deze wijze door mannen gemaakt, sarongs, die van 60 tot 100 gulden kosten. Ook zagen wij hier nog den goud- en zilverarbeid, alles met de hand en met zeer primitieve werktuigjes verrichten. Doch vooral het houtsnijwerk van Ahmedabad is door heel Indië bekend.
Achter den tuin van het hotel is een groote open vlakte, een kleine woestijn. Des avonds komen daar de apen bij honderden om versnaperingen te halen, die de toeristen hun aanbieden. Zij zijn zoo mak, dat zij vlak bij ons komen; een paar hadden zelfs den durf de nootjes en koekjes uit onze hand te komen nemen en vlak voor onzen neus te gaan zitten om ze op te eten. Moeder-aapjes, met hare poppige jongen in den arm, kwamen zoo vriendelijk om een versnaperinkje bidden, dat men een steenen hart zou moeten hebben om 't ze te weigeren.
15 Febr. Vanochtend vertrokken wij om negen uur uit Ahmedabad en kwamen te ongeveer twee uur in Abu Road aan. Dit gedeelte, bij dag afgelegd, heeft ons toch niet berouwd. Wij hadden onophoudelijk wat te zien, al was het dan ook niet natuurschoon, wat te bewonderen viel. Wij zijn hier in het apenland en deze beesten trekken nog steeds onze belangstelling. Waren er geen apen, dan waren er kameelen of olifanten, die wij in menigte in de velden en bosschen zagen. Ook de massa armoedige dorpen met de armoedige en verdierlijkte bewoners, in uitgestrekte dorre velden, vielen ons op. Om ongeveer 12 uur hielden wij stil in het dorp Unjha, in een landbouwdistrict, waarvan de bewoners tot eene Hindoesekte behooren, die maar eens in de elf jaren een algemeenen trouwdag hebben, waarop alle meisjes beneden de elf jaren, ook als ze pas een week oud zijn, uitgehuwelijkt worden. Zijn er niet genoeg mannen te vinden, dan wordt een man omgekocht, die voor de leus met al de meisjes trouwt, voor wie geen echtgenoot beschikbaar was. Deze meisjes moeten dan later weder uitgehuwelijkt worden, ten voordeele--soms ook wel eens ten nadeele--van den man, aan wien zij voor het eerst waren gekoppeld.
Toen wij om twee uur in Abu Road aankwamen, hadden wij nog 17 mijlen af te leggen alvorens wij in Mount Abu, het doel van ons oponthoud, waren. Wij hadden naar het hotel getelegrafeerd om een automobiel aan den trein te zenden, om ons af te halen, doch in plaats daarvan stond er een zeer primitief wagentje, dat voor ons bestemd was. De automobiel was in reparatie, zoo heette het en daarom zond de hotelier een tonga. Het was een heel laag boerenkarretje, waarin wij weder van achteren met de beenen naar buiten moesten zitten. Er waren echter een paar vurige paardjes voor, die op dien afstand van 17 mijlen zesmaal werden verwisseld. De weg ging sterk naar boven--Mount Abu ligt ruim 1500 meter hoog--en het ging steeds door in galop. Het verwisselen van de paarden kostte geen minuut tijd: de koetsier lichtte even de stang op, de paardjes liepen dan van zelf uit het zadel en de nieuwe, die reeds klaar stonden, namen onmiddellijk hunne plaats in; zij werden even vastgemaakt en dan gingen wij weder verder. De tocht naar boven is zoo mooi en biedt zooveel bijzonders aan, dat vele reizigers, alleen om naar boven te gaan, een nacht hier overblijven. Ik zou er ook veel meer van genoten hebben, als het steil naar boven gaan het rijtuigje niet zoo sterk achterover had doen hellen, waardoor wij op onze achterbankjes steeds er op verdacht moesten zijn, om ons op onze plaatsen te handhaven. Toen wij ongeveer halfweg waren, zagen wij op eenigen afstand boven ons weder een geheel naakten man op één been staan. Zijn geheele lichaam was weder met heilige asch ingesmeerd. Heilige asch wordt gemaakt door het verbranden van koemest. Deze man stond daar op een rotspunt, met geen ander oogmerk dan zelfkastijding, want de weg wordt niet druk begaan en velen konden passeeren zonder hem op te merken. Hij deed het dus niet om bewonderd te worden, of om aalmoezen te krijgen. De koetsier vertelde ons, dat hij daar reeds in diezelfde positie stond, toen hij vier uren geleden met de tonga naar beneden reed.
Mount Abu is een druk-bewoond stadje. Door de hooge gezonde ligging zijn er vele scholen, waarin de kinderen van Engelsche ambtenaren onderricht ontvangen. Ook zijn er tal van sanatoria. Vele Maharatja's hebben hier kasteelen, waarin zij een groot gedeelte van het jaar wonen.
Toen wij om half zes boven kwamen, stonden er reeds twee rickshaws voor ons gereed om ons naar een zeker punt te brengen, om den eenig mooien zonsondergang hier te aanschouwen. Eer wij nog goed wisten waar men ons heen voerde, waren zij reeds onderweg en keerden eerst om half acht huiswaarts. Morgen gaan wij hier de oude Jainstempels zien en dan morgennacht verder naar Jaipur.
16 Februari. Vóór wij vanochtend naar de Jainstempels gingen, lieten wij ons eerst door het stadje en naar het Gem-meer brengen, waaraan het stadje gelegen is. Toen wij aan het Gem-meer arriveerden, vroegen wij ons een oogenblik af, of wij niet in een sprookjeswereld verkeerden. Wonderschoon ligt dat meer daar, rondom door kunstig gevormde hooge rotsblokken omgeven, waarop hier en daar juist in deze omgeving passende kasteelen zijn gebouwd of ruïnes van oude tempels zich bevinden. Op verschillende punten van het meer kwamen de kleurig gekleede Mohammedaansche en Hindoesche vrouwen, met haar blank geschuurde koperen waterkannen op het hoofd, water halen. Tal van groote watervogels zaten op de rotspunten, die uit het ondiepe meer opstegen; olifanten, ossen en andere viervoeters kwamen er hun dorst lesschen en groote en kleine apen speelden aan den waterkant. Het was een plek om er een geheelen dag te vertoeven om het bonte leven gade te slaan.
Nergens vond ik ooit in mijn leven zooveel rotsblokken, die een diervorm vertoonen. Reuzenkikvorschen, leeuwen, olifanten, de kop van een ratelslang en nog meer zijn duidelijk in deze door de natuur gevormde rotsen te zien. Het verklaart een beetje de geest, die de Jains vroeger moet bezield hebben, toen zij aannamen, dat niet alleen al wat leeft een ziel heeft, maar ook boomen en planten, delfstoffen en mineralen. Daarin vindt ook hunne boom- en rotsvereering eene verklaring.
De Jainstempels zijn alleen een bezoek aan Mount Abu waard. Wij zagen er drie. Alle zijn in de elfde en twaalfde eeuw gebouwd. Zij zijn geheel van wit marmer en men beweert, dat het fijne beeldhouwwerk en de prachtige detailuitvoering ervan nergens in de wereld geëvenaard worden. Hier vonden wij voor al de Boeddha-beelden en voor de afbeeldingen van Parswanatha, de vrouw van Brahma en de godin der schoonheid, kwistig kruidnagelen als offerande gestrooid.
17 Februari. Om half vijf kwam de tonga gistermiddag reeds voor, om ons weder naar beneden te voeren, omdat de weg, die aan den eenen kant langs rotswanden, doch aan den anderen kant steeds langs een steilen open bergwand voert, waardoor men onophoudelijk een prachtig vergezicht geniet, in donker gevaarlijk is. Wij konden in het station nog iets te eten krijgen en wijl onze slaapwagen reeds gereed stond, konden wij er na het eten al vast gebruik van maken. Wij beiden lagen reeds in diepen rust toen wij om elf uur aangehaakt en met den sneltrein medegevoerd werden, die ons vanmiddag om één uur in Jaipur bracht.
Toen wij vanochtend ontwaakten, stond de trein stil in Ajmer, waar den reizigers gelegenheid gegeven wordt om te ontbijten. Vóór wij echter klaar konden komen om ons fatsoenlijk in het restaurant te vertoonen, zette de trein zich weder in beweging. Wij keken elkaar eens aan en troostten ons toen met ons een eigen ontbijt te prepareeren. Onze mand, die alles bevat om ons in zulke omstandigheden uit den brand te helpen, werd voor den dag gehaald, ons spiritustoestel in de badkamer in werking gesteld en met de thee, die wij in de theeplantage op Ceylon present hadden gekregen, een heerlijk kopje thee gezet, beter dan wij het in lang gedronken hadden. Met de biscuits, Haagsche beschuitjes en St. Nicolaasjes, die ons op de "Prinses Juliana" uit Holland waren gezonden, genoten wij een ontbijt, dat lekkerder smaakte, dan wat wij in het restaurant gemist nebben. Alles werd weder huiselijk afgewasschen en weggeborgen, om ons in tijd van nood weder te kunnen dienen.
Jaipur maakt een allerverrassendsten indruk. Het is de hoofdstad van Rajputana. In 't midden van de stad woont de vorst van dat verheven land, met zijne duizend vrouwen, honderden bedienden en levende liefhebberijen. Het is de dwaaste stad, die men zich kan voorstellen. Alle straten zijn zoo breed en zoo goed geplaveid, dat men er in de grootste wereldstad naar zou watertanden. Alle huizen zijn hard-rose geverfd en zijn bijna zonder uitzondering grappig en bont beschilderd. De eenvoudigste hebben bloemschilderingen, het liefst bloempotten met een plant, die bloemen van verschillende kleuren, zelfs van geheel verschillende familie, bevatten. Bont opgetuigde olifanten, ossen en ezels zijn ook geliefde onderwerpen. De mooie en groote huizen vertoonen geheele geschiedenissen in prent gebracht in groote afmetingen op de muren. In de drukke straten ziet men allerlei vervoermiddelen zooals wij ze nergens hebben gezien. Heele karavanen kameelen en drommedarissen, alsof wij in Egypte zijn, loopen hier rustig naast volgeladen, mooi beschilderde olifanten en de apen loopen hier in de druk bevolkte straten, alsof zij er even goed als de menschen hunne boodschappen te verrichten hebben.
Jaipur levert voor ons weder een geheel nieuw gezicht, zooals wij nog nooit te voren gezien hebben, en dat ook met niets te vergelijken is. Om half vijf gingen wij vanmiddag naar het paleis van den vorst, die het op aanvrage van een toegangsbiljet voor vreemdelingen ter bezichtiging stelt. Even dwaas als de stad, even dwaas is ook dat reuzenpaleis. Het was meer vreemd dan mooi. Zoo ook de tuinen. Deze vorst is een groot liefhebber van vrouwen en dieren. Zooals ik reeds schreef, bezit hij duizend vrouwen; met drie er van is hij wezenlijk getrouwd, de 997 anderen zijn er maar, om hem in trieste oogenblikken wat op te vroolijken. Voor dat doel bezit hij ook een vijver met krokodillen en schildpadden, reuzenbeesten in hun soort, die allen zoo mak zijn dat de bedienden ze met een stuk rauw vleesch en door ze bij hun naam te noemen en een liedje te zingen, alle op het droge kunnen laten komen. Maar de grootste afleiding zoekt de vorst in het temmen van panters en tijgers, waarvan hij er eenige dozijnen bezit, die nu en dan, als hij op zijn staatsie-olifant, of staatsie-kameel een wandeltochtje onderneemt, met hem mede mogen wandelen, losjes aan een koord vastgehouden. Er was in dat kasteel en in die tuinen van alles te zien. Zelfs de 120 uit sandelhout gemaakte en met zilver belegde kisten, die alle als reiskoffers medegaan, wanneer zijne excellentie naar Engeland of ergens anders in Europa reist. Maar als men bedenkt, dat deze vorst een Hindoe is, en niets mag eten wat door iemand die geen Hindoe is, is aangeraakt, en hij dus al zijn voedsel en de gereedschappen waarin het bereid en opgediend moet worden, moet medenemen, dan zijn 120 zulke groote kisten nog niet zoo heel veel.
Toen wij tegen het vallen van den avond uit het paleis naar buiten kwamen, en nog eerst met het rijtuig de drukbevolkte straten van de stad doorgingen, toen leken al die framboze-ijs gekleurde huizen in de avondschemering alsof zij van albast waren en de feërique bevolking bracht mij Pierre Loti's uiting over schilderachtig Jaipur te binnen: "tout l'Orient des féeries, processionnant à grand spectacle dans l'imaginable cadre de camaieu rose".
18 Febr. Wij waren vanochtend reeds vroeg op weg om een bezoek te brengen aan Amber, op 8 mijlen afstand van Jaipur. Amber, de oude hoofdstad van Jaipur, bezit een prachtig paleis en levert een prachtig vergezicht over een groot deel van Rajputana, zoodat de vorst, toen hij nog daar woonde, bijna zijn geheele gebied overzien kon. Amber is nu grootendeels verlaten, het mooie marmeren kasteel, veel mooier en smaakvoller dan wat de vorst nu bewoont, staat leeg en doet alleen nog dienst om het door vreemdelingen te laten bewonderen. Zes mijlen van dezen weg kan men in een geciviliseerd rijtuig afleggen, maar de twee laatste mijlen moet men afleggen boven op een olifant. Vroeger werden deze lieve beestjes door den vorst voor de vreemdelingen beschikbaar gesteld; aan den voet van den bergtop, waarop Amber met zijn mooi paleis gebouwd is, stonden zij den reizigers dan het eerste welkom toe te balken; tegenwoordig moet men voor dit vervoermiddel, als voor anderen, betalen. Maar een olifantsrug is breed en kan een massa dragen. Met twee andere Engelsche dames in het hotel waren wij overeengekomen, samen zoo'n lief dier te huren. Nadat het zich netjes op zijn buikje had neergevleid, door eerst de achterpootjes naar achter uit te strekken, daarna zijn voorpootjes te buigen, werd er een ladder bij zijn body geplaatst en klommen wij zoo een voor een naar boven. Dat was heel niet moeilijk; wij zaten er als branies; maar toen het beestje daarna probeerde zijn beentjes weder recht onder zich te trekken en daarbij sterk naar achter en naar voren overhelde, konden wij toch eenige vrouwelijke gilletjes niet onderdrukken. Lezers, als gij nog nooit vier mijlen op den rug van een olifant hebt afgelegd, dan kan ik u moeilijk uitleggen, welke gewaarwordingen zoo'n rijtoer verwekt. Ik had achterna een heelen tijd noodig om al mijne inwendige organen eerst weder op hun gewone plaats te krijgen, ik had het gevoel alsof er niet één zat waar het wezen moest. Ik ben moedig genoeg, maar toch geloof ik, dat door deze schudding mijn hart een beetje naar der schoenen kant gezakt was.
Maar het bezoek aan het kasteel met zijn prachtige vergezichten was zoo loonend, dat wij ook onzen olifantentocht er voor over hadden. Hier in het hartje van Britsch-Indië, waar de bevolking een geheel andere is dan in het zuidelijk deel, komt ons de Hindoe-bevolking lang niet zoo weerzinwekkend voor. Dit is een veel flinker ras menschen, goed gebouwde mannen en vrouwen, die werken. Door de groote schaarschte aan water in de geheele omgeving heeft het volk zich steeds meer door nijverheid dan door landbouw en veeteelt gehandhaafd. De Jaipur-industrie, door geheel Indië bekend, heeft een groote hoogte bereikt. Vooral de geweven tapijten en gordijnen, het geëmailleerde goud- en zilverwerk, en het geciseleerde koperwerk zijn artistiek en in vergelijking van wat men voor zulk werk in andere landen zou moeten betalen, zeer billijk. Wij zagen verschillende werkplaatsen, waar dit werk werd uitgeoefend en waar.... o, schrik... kinderen van zes, zeven en acht jaar, allen bleekneuzige, holoogige jongetjes, werkzaam waren.
Van de naïeviteit der Hindoes moet ik toch even een staaltje vertellen. Wij passeerden een Hindoetempel en hoorden daarin zingen, mooier en anders dan wij van de Hindoe's gewoon zijn te hooren. Al lang heb ik opgemerkt, dat alles hier een beteekenis heeft; zoodra ik iets hoor of zie waarvan ik niets gehoord of gelezen heb, vraag ik daarom de beteekenis daarvan. Wij waren den tempel binnengegaan, denkende dat er misschien dienst was, doch vonden er alleen één zingenden man. Ik vroeg wat die man daar deed en kreeg ten antwoord: "Zingen". Ik zei dat ik dat wel hoorde, maar hij was alleen in den tempel, voor wien zong hij dan? "O", was 't antwoord, "hij is niet alleen, Siwa is daar; deze man is door de geloovigen aangesteld, omdat hij zoo mooi zingt, elken dag twee uur in den tempel te zingen om Siwa te amuseeren." O, heilige onschuld.
Wij zagen vandaag weder verschillende mannen op straat zichzelf kastijden of in heilige overpeinzing onder een boom zitten.
De Maharatja van Jaipur wordt geroemd om zijne vrijzinnige denkbeelden. Hij doet verschillende dingen om zijn onderdanen te ontwikkelen. De zoölogische tuin en het museum van oudheden en hedendaagsche kunst en nijverheid, die voor elkeen openstaan, worden zeer druk door de Jaipursche bevolking bezocht. Het museum vooral is zeer interessant door zijn mooie verzameling oud-Indische kunst. In de school van schoone kunsten, die wij ook even een bezoek brachten, waarin de leerlingen ook alle onderricht, vrij van schoolgeld, ontvangen, wordt getracht de Jaipursche nijverheid weder op de hoogte te brengen waarop zij vroeger stond. Door voor de markt te gaan werken was zij in de laatste jaren sterk achteruit gegaan.
Hoewel wij nog gaarne een paar dagen in Jaipur waren gebleven, ook omdat het klimaat hier koel en aangenaam is, meenden wij toch ons verblijf niet langer dan twee dagen te mogen rekken. Daarom vertrekken wij nog heden, den 19en Februari, naar Agra, de trots van geheel Indië.
VAN AGRA TOT DELHI.
21 Febr. Sedert twee dagen zit ik nu in Agra, de stad waarvan ik, zoolang ik in Indië ben, heb hooren gewagen. Bij elke goed- of afkeuring over 't geen ik hier zag, bij elke waardeering van het een of ander, of geringschatting van iets anders, gaf iedereen, die in Indië bekend is, er gereisd heeft, steeds tot antwoord: "Wacht tot ge in Agra komt". Mijne verwachting was dus hoog gespannen, de boeken, die ik er over gelezen had, hadden die spanning niet weinig verhoogd, ik vreesde derhalve zeer voor eene teleurstelling. Teleurgesteld ben ik echter niet.
De stad zelf, met ongeveer 20.000 inwoners--liefelijk aan de Jumna-rivier gelegen--is een niet zeer opvallende Indische stad. Maar de paleizen, moskeeën, graftomben en vooral en bovenal de Taj Mahal, geven haar eene bijzondere beteekenis.
De Taj Mahal is een wereldberoemd Mausoleum, dat door sommige schrijvers het fijnste en best uitgevoerde architectonisch kunstwerk wordt genoemd, door anderen als het prachtigst Mausoleum van de wereld wordt beschreven. Het was in 1652 voltooid, nadat er gedurende 22 jaren door 20.000 arbeiders aan gewerkt was. Met dat kunstwerk werd het hoogtepunt van kunstuiting in Indië bereikt. Voorafgaand daaraan was in Agra het nog steeds beroemde fort en daarin gelegen paleis, het Paleis van Akbar, voltooid. De van 1628 tot 1658 regeerende vorst, Shah Jehan, wilde zijn meestgeliefde vrouw, Arimand Banu, bijgenaamd Mumtaz-i-Mahal, (de trots van het Paleis), bij haar leven een graftombe schenken, zoo mooi en zoo kostbaar, als nergens in de wereld bestond. Daarin wilde hij, na zijn dood, alleen met haar rusten. Als Mohammedaansche vorst bezat hij meerdere vrouwen. Nog vóór het voleindigd was, stierf de vrouw in het kraambed van haar achtste kind. Haar lijk werd zoo lang naast de tombe bewaard, tot die gereed was.
Hoewel men het geheele kunstwerk, dat zich hoog boven zijne omgeving verheft, den geheelen weg over, als men er heen rijdt, voor zich ziet, en het zoo de aandacht trekt, dat men geen oog heeft voor den mooien weg, die er heenvoert, staat men toch op het oogenblik, dat men aankomt en het geheele gebouw door de prachtige poort voor zich ziet, langen tijd ademloos. Daar staat het in al zijn pracht en grootheid en het effect is overweldigend. Het zuiver-wit marmer, waaruit het geheel is samengesteld, komt machtig mooi uit tegen den blauw-azuren hemel en 't groen van de pijnboomen, die 't op eenigen afstand omgeven. Zoo van verre ziet men nog niets van de détailuitvoering, als fijn kunstwerk uitgevoerd, en van de schittering en verscheidenheid der ingelegde juweelen. Alles is in harmonie met het fijne, witte marmer, waarin het is uitgevoerd. Hoewel aan dit kunstwerk niets gespaard is, wat de waarde er van verhoogen kon, krijgt men toch geen oogenblik den indruk, dat het overvoerd is. De kosten ervan worden op 31.000.000 rupees geraamd. Zooveel geld voor een graftombe kon natuurlijk alleen besteed worden in een tijd, waarin de vorst van zoo'n land een jaarlijksch inkomen genoot, grooter dan dat, wat jaarlijks in de Britsche schatkist binnenkomt, een inkomen, waarvan hij geen kostbaar leger en nog kostbaarder vloot had te onderhouden, waarvan niets afging voor onderwijs of voor andere sociale doeleinden. In den democratischen tijd, waarin wij thans leven, kunnen zulke kunstproducten niet meer worden gebouwd. De menschen, die thans over zoovele millioenen hebben te beschikken, bouwen zich op andere wijze graftombes, waardoor zij zich eveneens onsterfelijk maken, doch waarvan op andere wijze door de navolgende geslachten genoten wordt. Een graftombe, zooals Carnegie, in Amerika, zich bij zijn leven bouwt, of een zooals Nobel, in Zweden, zich na zijn dood oprichtte, valt meer in onzen geest en is meer in overeenstemming met den tijd, waarin wij leven.
Hoewel ik met de Taj Mahal (wat niets anders beteekent dan de graftombe van Mahal) dezen brief begon, is toch het fort met het zich daarin bevindende Paleis van Akbar en de Paarl Moskee in Agra niet minder belangrijk en bewonderenswaardig. Het geheele fort is in rood zandsteen opgetrokken. Dit fort met paleis en moskee werd door Shah Jehan's voorganger, den Molog Akbar, gebouwd.
De Paarl Moskee, die haar naam ontleent aan de in haar soort volmaakte schoonheid, dankt die schoonheid vooral aan de harmonie, waarin het geheel is uitgevoerd en het prachtige materiaal wat er voor gebruikt werd. Hoewel alle moskeeën een zekere gelijkheid vertoonen, is toch deze, geheel uit marmer gebouwd, door zijn sobere décoratie en zijne volmaakte lijnen, iets geheel bijzonders.
Ook het paleis van Akbar, Mogol Akbar beteekent de groote vorst, met zijn Jasmijntoren, zoo genaamd om de jasmijnbloemen, die op den geheelen toren, van boven tot onder zijn aangebracht; zijn Gem-moskee, een moskee, waarin alleen de koning en zijn liefste vrouwen mochten komen, om te bidden; zijn spiegelpaleis, een zaal waarin de vrouwen van den koning zich vermaakten en dat geheel met spiegelglas ingelegd is; de badkamers van den vorst en die zijner vrouwen, waarin het geurigste rozenwater door glazen pijpen binnenstroomde; het gouden paviljoen en nog zoovele bijzonderheden meer, houden den bezoeker een geheelen morgen in spanning. Meer dan dat, men zou hier weken willen vertoeven om er elken dag eenige uren te kunnen verwijlen.
Nadat men het paleis van Akbar, de paarl-moskee en de Taj Mahal gezien heeft, moet alles tegenvallen wat men verder hier te bezichtigen krijgt. De Vrijdag-moskee, schoon in haar soort, waar elken dag vele, doch Vrijdags talloos velen van de hier wonende Mohammedanen zich in allerlei lichaamskrommingen op den grond werpen om op hunne wijze hunne dankbaarheid voor het genotene in het leven uit te drukken en om te bidden voor meer, was nu het bezichtigen niet waard. Onwillekeurig maakt men een vergelijking bij het even te voren genotene en dan valt alles tegen.
Toen wij tegen den avond huiswaarts keerden, zagen wij op een dak een paar opgesmukte, van bordpapier of iets dergelijks vervaardigde reuzenpaarden. Goud- en zilverpapier, rood, groen en geel gekleurde ornamentage bracht een schitterend effect teweeg. Op één van de paarden zat een houten mannetje, op een ander een dito vrouwtje. Spoedig daarna passeerden wij eene woning, waar in plaats van paarden, een paar dito gefabriceerde en opgesmukte olifanten stonden. De koetsier deelde ons mede, dat dit teekens waren, dat in beide woningen een Hindoe-bruiloft plaats vond. Kort daarna passeerde ons, of liever wij passeerden een optocht van vele mannen, van trommelslag en blaasmuziek begeleid, met in hun midden een 7- of 8-jarig jongetje op een armoedig wit paard. Paard en jongen waren ook erg met groote lappen en klatergoud behangen, het kleine ventje had zelfs een goudpapieren kroon op zijn hoofd. Hij was de bruidegom die naar het huis van zijne bruid geleid werd. Wij gaven den koetsier order dezen stoet stapvoets te volgen. Voor het huis met de bordpapieren olifanten hield de optocht stil. De bruidegom werd van het paard getild, hem werd een soort zwaard in de hand gedrukt--het was misschien ook van papier--en daarmede moest de jonge held een stuk hout doorhakken om in de woning van zijne bruid te kunnen komen. Het stuk hout viel reeds in twee stukken nog voor hij ver genoeg was om het te kunnen aanraken. Hij had nu de veste veroverd waarachter zijne bruid verborgen was en mocht haar in zijn bezit nemen. Het werd ons veroorloofd binnen even een kijkje te nemen. Het bruidje was ongeveer 6 jaar, precies weten de Hindoe's hun leeftijd nooit op te geven, zij was even zoo mooi en bont aangedaan als haar toekomstige heer en meester. Zoo'n Hindoe-bruiloft duurt vele dagen lang en gaat met tal van formaliteiten gepaard. Als alles afgeloopen is keert bruidegom en bruid elk naar hun eigen ouderlijk huis terug en vangt het kinderleven weder aan alsof er niets bijzonders met hen heeft plaats gegrepen. Deze kinderen, met hunne groote zwarte oogen, die veel grooter en zwarter lijken dan zij in werkelijkheid zijn door de brutaal zwart geverfde oogleden en wimpers, beseffen natuurlijk volstrekt niet, dat daar door hunne moeders--het zijn meestal de moeders die de huwelijken bekonkelen,--over hun geheel toekomstig leven is beschikt. Het bruidje moet nu voortaan de helft van het jaar bij hare schoonmoeder doorbrengen om die als eene slavin te gehoorzamen. Zoodra zij huwelijks-fähig is, hebben er nieuwe ceremoniën en feestelijkheden plaats, dan wordt zij in werkelijken zin uitgehuwelijkt en behoort den jongen man toe.
22 Febr. Gisteravond ontmoetten wij in de eetkamer mr. en mrs. Sydney Webb uit Londen, met wie wij overeenkwamen, dezen dag gezamenlijk door te brengen. Wij spraken af gezamenlijk naar Fatehpur-Sikri te gaan. Wij huurden een automobiel en vertrokken vanochtend om 8 uur van hier. Fatehpur-Sikri beteekent de stad van Victorie, doch is inderdaad een verlaten stad. Zij ligt op 23 mijl afstand van Agra.
De geschiedenis van deze stad luidt in het kort: Ruim 300 jaar geleden werd zij door de grootste mogol van Indië, Mogol Akbar, de voorganger van Shah Yehan, gebouwd. Vorst Akbar verkeerde in groote droefheid door den dood van zijne tweeling-kinderen, die zijn liefste vrouw Mariam Zamana hem geschonken had. Op een dag kwam hij door het armoedige dorp Sikri, waar een beroemde Mohammedaansche priester, Sheik Salim Chisti, in groote afzondering leefde. De vorst vroeg dezen priester raad hoe hij aan een troonopvolger kon komen en de priester antwoordde: "Kom en leef in Sikri". De vorst volgde dien raad op en negen maanden later beviel Mariam van een zoon. Uit dankbaarheid maakte Akbar toen Sikri tot de hoofdstad, bouwde er een prachtig fort, een ongeëvenaard koninklijk paleis, een paleis voor Mariam en paleizen voor zijne andere vrouwen, een prachtige moskee, een hospitaal, scholen, woningen voor zijne bedienden, kortom alles wat een wijs en vooruitstrevend en artistiek aangelegd man, die onbegrensd over geld en arbeidskrachten te beschikken had, maar kon bedenken en noodig vond. Na 17 jaren, even vóór het geheel voleindigd was, verliet hij dit lustoord weder. De geschiedenis zegt, dat de ware reden waarom Akbar Fatehpur-Sikri verliet, nooit aan iemand is medegedeeld geworden. Sommigen gissen, dat het om gezondheidsredenen was, door gebrek aan goed water; anderen meenen, dat de heilige Sheik te veel gestoord werd in zijne heilige overpeinzingen door de rumoerige en overdadige feesten aan het hof van Akbar. Hoe het zij, thans verrijst daar midden op een groot plateau, ver boven zijne omgeving uitstekende, als het ware midden in de wildernis, een volmaakte stad, waarvan elk deel nog een bezoek overwaard is, een stad die thans geheel is verlaten. Alleen onder aan den voet van den berg zijn nog enkele huisjes door eene armoedige bevolking bewoond, die voornamelijk leven van den afval der bezoekers. Den geheelen dag brachten wij in die stad in gezelschap van die twee interessante kennissen uit Londen door en keerden 's avonds dood vermoeid, doch zeer voldaan over onzen dag, huiswaarts.
24 Februari. Wij hebben een paar vermoeiende dagen achter den rug. Reeds vroeg zaten wij gistermorgen in het rijtuig, omdat wij, alvorens Agra te verlaten, eerst een bezoek wilden brengen aan het Mausoleum, dat koning Akbar voor zichzelf en zijne vrouwen gebouwd had. Hij, de groote vorst, ontegenzeggelijk de meest bouwlievende en artistieke man van zijn tijd, die gedurende zijn leven eerst een heele stad bouwde, een stad die thans nog om haar schoonheid en architectonische waarde algemeen geroemd wordt, die daarna deze stad verliet en zich in Agra een fort en daarbinnen paleizen en een moskee liet bouwen, eenig mooi in alle détails, die had natuurlijk ook een mausoleum gebouwd, dat de bezichtiging waard was. Even voorbij het dorpje Sikandra, op zes mijlen afstand van Agra, verheft zich het reeds in de verte schitterende Mausoleum. Rondom, op grooten afstand, is het door een rood zandsteenen, geheel opengewerkte muur omgeven, waarin op vier tegenover elkaar liggende zijden vier koninklijke poorten toegang geven tot het terrein, waarin de overblijfselen rusten van den grooten man en van de vrouwen die hij lief had. De graftombe is in drie hooge etages gebouwd, elke etage geeft een uitzicht, dat hoe hooger men komt steeds grootscher wordt, over de geheele omgeving. De koning moet hier zeker gedurende zijn leven veel en gaarne vertoefd hebben. Het geheel is ook weder uit rood zandsteen opgebouwd, doch geheel met wit en geel marmer ingelegd, wat een zeer mooi effect geeft. De ronde daken van de verschillende domes (ik weet niet of dat het meervoud is van dome), zijn alle met paarlemoer ingelegd, wat beschenen door de Oostersche zon, een schitterend kleureffect geeft. De kleine moskee, die hier bij een mausoleum nooit ontbreekt, is een juweel van eenvoud en schoonheid. Het geheele groote terrein buiten is nu met eeuwenoude waringinboomen begroeid en daartusschen bloeien en groeien nu een ontelbare menigte oranjeboomen, die aan de geheele omgeving kleur en geur geven. Wij kwamen juist in het hotel terug om gauw de bagage op te laden en meteen naar het station te rijden, waar de trein voor Gwalior reeds gereed stond.
Gwalior was eigenlijk niet in onze reisroute opgenomen, onze rondreiskaart loopt ook niet over dit deel van Indië. Het is een der vorstendommen en ligt geheel in het centrum van het land. Wij hadden Agra wat vlugger afgewerkt dan wij ons hadden voorgenomen en wilden den dag dien wij daardoor wonnen voor dit uitstapje gebruiken. Gaarne zouden wij op deze spoorlijn nog wat verder zijn gegaan om een der andere vorstendommen, Bhopal, te bezoeken, dat sedert ongeveer een eeuw steeds door eene vorstin geregeerd wordt. De Begum of Bhopal (Begum beteekent vorstin), die het bewind in handen heeft, wordt als zeer verstandig en zeer vooruitstrevend geroemd. Zij was reeds verscheiden keer in Europa, bezocht dan niet alleen Engeland, maar ook Italië, Frankrijk en Turkije en gaf over hare Europeesche reizen eenige zeer belangrijke boeken uit. Over hare laatste reis naar Engeland, tijdens de kroning van koning George, schreef zij eenige tijdschriftartikelen, waarin zij niet nalaat met veel enthousiasme te schrijven over den laatsten grooten optocht van de Engelsche vrouwen, ter verkrijging van vrouwenkiesrecht.
Als monarch is zij natuurlijk gekant tegen elk recht der burgers om invloed uit te oefenen op de wijze waarop een land geregeerd wordt, maar zij is van oordeel, dat overal waar dit recht aan mannen gegeven is, men het den vrouwen niet mag onthouden. Mrs. en mr. Sydney Webb, die eenige dagen haar gasten waren, vertelden ons zeer veel van haar. Maar een bezoek aan Bhopal zou voor ons alleen waarde hebben als wij met de vorstin in aanraking konden komen en hoewel dat zeer gemakkelijk tot stand was te brengen door de introducties die wij bezitten, is de tijd die dit alles in beslag neemt te lang om ons dit te vergunnen. Het begint reeds overal zeer warm te worden, midden op den dag is het buiten reeds bijna ondragelijk. Willen wij voor Calcutta en van daar voor Rangoon het niet veel te heet vinden, dan moeten wij hier en daar onze reis bekorten en nergens langer blijven dan strikt noodig is.
Om vier uur kwamen wij in Gwalior aan, de stad die den naam van den staat draagt. De trein voerde ons door een zeer barre streek, die nog vol leeuwen en tijgers en andere wilde beesten is. Voor Engelsche sportliefhebbers die hier in den jachttijd veel zijn, om van te watertanden. De leeuwenjacht is ook een groote liefhebberij van den tegenwoordigen Maharatja. Tot voor korten tijd waren de toeristen die Gwalior bezochten en eene introductie van eigen consul konden vertoonen waarin wordt verteld, dat zij behooren tot de "distinguished" mannen of vrouwen van hun land, de gasten van den vorst van Gwalior. Deze had, toen koning Edward in 1876 hem als prins van Wales bezocht, een mooi gebouw laten zetten, waarin de Engelsche koningszoon met zijn gevolg kon wonen, zoolang hij in Gwalior vertoefde. Sedert dien tijd gebruikte de vorst dit gebouw om zijne gasten, toeristen met eene aanbeveling, te herbergen. De tegenwoordige jonge vorst heeft er echter een gewoon hotel van gemaakt met een Europeeschen manager aan het hoofd, waarin nu elke toerist voor acht rupees per dag een buitengewoon goed onderkomen en een uitstekende tafel vindt.
Vanwege het mooie, sterke fort, dat nu evenals andere forten die wij hier zagen, voor het Engelsche leger gebruikt wordt, wordt Gwalior het Gibraltar van Indië genoemd. Doch daarover later.
Nadat wij ons door een goed kop thee verfrischt hadden, begaven wij ons onmiddellijk op weg om voor het te donker werd nog het een en ander te zien. Het eerst reden wij door den mooien tuin, waarin ook het hotel is gelegen van den Maharatja en kwamen zoo voor zijn mooi nieuw paleis. Wij lieten het rijtuig stil houden om het geheel beter te kunnen overzien en direct kwamen er acht verschillende bedienden uit het paleis snellen, waarvan één, aan zijne kleeding te oordeelen, de voornaamste, ons met velerlei eerbiedige buigingen, in een onverstaanbare taal, de Hindoestansche taal, aansprak. Ik gaf hem te beduiden, dat wij geen Hindoestani verstonden en vroeg of er niet iemand was die Engelsch of Fransch sprak. Na korten tijd kwam er een jonge man uit 't paleis, meer of min Europeesch gekleed, die als tolk kon dienen. Ik vertelde hem, dat wij vreemdelingen waren, veel van den Maharatja gehoord hadden en heel graag zijn paleis wilden zien. Toen dit aan de bedienden vertolkt was, snelde een naar binnen en kwam spoedig daarna terug met het bericht, dat wij welkom waren. Wij zagen echter den Maharatja niet, wel zijn enorm groot, nieuw paleis, dat half Oostersch, half Europeesch in constructie en meubileering is. Het geheel verraadde goeden smaak en de beschikking over een zeer groot inkomen. Toen wij het paleis gezien hadden, sprong een der bedienden naast den koetsier op den bok en bracht ons rond. Eerst naar de stallen, waar een keur van mooie Arabische en Australische paarden stond; toen naar de 20 olifanten, waarvan een eenige dagen geleden de gelukkige moeder van een lieftallige spruit was geworden. Het jonge olifantje, even schalksch en speelsch als alle jonggeborenen, zag er zoo snoezig uit, dat ik het haast als een schoothondje zou hebben geliefkoosd, maar de jaloersche moeder liet een al te nauwe aanraking met haar kind niet toe. Daarna bracht de bediende ons naar den rozentuin en naar de allée, waarin de vorstin het liefst rondrijdt. Ook nu ontmoetten wij haar in haar rijtuig, doch de gordijntjes waren neergelaten, zoodat wij alleen konden zien, dat er twee dames in dat rijtuig zaten. Deze arme vorstin is op het oogenblik diep te beklagen. Zij is kinderloos. De vorst, die een troonopvolger moet hebben, voelt zich verplicht een tweede vrouw te nemen in de hoop daarbij kinderen te krijgen. Binnen eenige weken zal de dochter van den vorst van Baroda zijn tweede vrouw worden.
Deze vorst, Maharatja Sir Madeno Rao Sindhia staat als een ontwikkeld en vooruitstrevend man bekend. Hij doet veel voor de ontwikkeling van zijn volk. Er zijn in zijn rijk staatsscholen voor elementair en vakonderwijs, waarin het onderwijs gratis gegeven wordt. Wij zagen een school voor technisch onderwijs, waarin de leerlingen in smidswerk, goud- en zilverwerk, weven, horlogemaken en in andere vakken onderwezen worden. Wij zagen hier ook een gevangenis. Dit gebouw en de wijze waarop de 500 gevangenen er behandeld worden, heeft al de verschrikkingen van dit soort inrichtingen verloren. Ik had hier gaarne langer vertoefd en van een der hoofdpersonen meer bijzonderheden vernomen, doch wij kwamen reeds laat in den middag aan en hadden geen tijd te wachten tot de directeur ons te woord kon staan. De gevangenen waren nergens opgesloten in cellen, het waren allen frissche open ruimten, waarin licht en lucht vrijen toegang hebben. Alle gevangenen werkten. Het voornaamste bedrijf, dat zij leeren en daar tot een wonderbare hoogte uitvoeren is het maken van tapijten, een soort Smyrna-tapijten. Een der gevangenen leest hardop het patroon af en vijf of zes gevangenen die allen hetzelfde patroon verwerken, zeggen 't na onderwijl zij uitvoeren wat de eerste opgelezen heeft. Zoo wordt voorkomen, dat er onderling gesprekken gevoerd worden, terwijl toch allen hunne stemmen kunnen laten hooren. Geen veroordeelde verlaat de gevangenis die niet grondig dit vak heeft leeren beoefenen. Ook allerlei andere vakken worden er onderwezen en in praktijk gebracht.
Vanmorgen waren wij reeds om 7 uur op weg om het beroemde fort van Gwalior met de zich daarbinnen bevindende paleizen, tempels, moskeeën, en andere oudheden te zien, die hier reeds van de 9e en 10e eeuw dateeren. Voor dit doel moesten wij weder van olifanten als vervoermiddel gebruik maken, die nog steeds door den vorst gastvrij ter beschikking van de reizenden worden gesteld. Wij waren nu reizigsters met ondervinding en oefening in dit vervoermiddel en maakten met meer gerustheid van dit rijpaard gebruik, hoewel de gevolgen voor maag en ingewanden vrijwel dezelfde bleven als bij den eersten keer. Het merkwaardigste, dat wij dezen morgen zagen waren de in de rotsen uitgehouwen afgodsbeelden, enkele van 15 tot 20 meter hoogte.
Maar ook de stad was zeer de bezichtiging waard en gaf ons opnieuw een beeld van de wijze, hoe de welgestelde Hindoes en Mohammedanen vroeger hun welstand ten toon spreidden. Ik kan daarover echter nu niets vertellen, want het is middernacht. Ik zit nu in Delhi, en ik verlang naar mijn bad en bed.
VAN DELHI TOT EN MET LUCKNOW.
25 Februari. Delhi, eens de hoofdstad van Indië, waar de Mohammedaansche regeering gevestigd was, en dat thans weder tot hoofdstad en zetel der tegenwoordige regeering verheven, is; Delhi, waar reeds drie keeren eene koninklijke Durbar is gehouden en dat slechts twee maanden geleden alle Indische vorsten met hunne vrouwen en gevolg, benevens duizenden belangstellenden en nieuwsgierigen heeft geherbergd; Delhi, dat in de Indische en Britsch-Indische geschiedenis zoo'n groote rol speelt en waar in 1857 de muiterij, die zoovele Engelschen het leven kostte, haar oorsprong nam; die stad had bij ons verwachtingen gewekt, waaraan Delhi niet heeft beantwoord. Wij dachten hier het culminatiepunt van Indische grootheid en belangrijkheid te zullen vinden, maar hierin zijn wij teleurgesteld.
Delhi is op het oogenblik niets anders dan een klein, vuil stadje, waarvan de Britten zullen trachten een stad van beteekenis te maken. Voor den gewonen toerist bezit het fort met de zich daarbinnen bevindende tempels, het paleis en de moskeeën de grootste aantrekking, doch dit was heden niet te bezichtigen, omdat het Zondag is. Wij begonnen daarom onzen dag met een rit door de stad en omgeving. De stad en omgeving bieden vooral den Britten vele historische bijzonderheden. Overal vindt men nog overblijfselen van den grooten opstand, een halve eeuw geleden. Oude tempels zijn toen ten deele verwoest, graftomben van vorsten en heiligen tot ruïnes gemaakt, machtige paleizen naar den grond gehaald. Neemt men de moeite om tot op den top van den "herinneringstoren aan de muiterij" te klimmen, dan overziet men het geheele veld, waar de opstand plaats vond en waar de slachtoffers grootendeels zijn gevallen. Deze herinneringstoren steekt sterk af bij de Kutab Minor, ook een herinneringstoren, den toren van victorie, 900 jaren geleden door de Mohammedanen gebouwd uit de steenen van verwoeste Hindoe-tempels, om hunne overwinning te vereeuwigen. De Kutab Minor, zoo indrukwekkend door zijn hoogte en elegantie, wordt beschreven als de schoonste in zijn soort in de geheele wereld. Een mijner boeken over Indië noemt het de zuiverste uitdrukking van krijgshaftige energie, evenals de Taj Mahal het symbool is van liefde en hartstocht, en de graftombe van koning Akbar majesteit en wijsheid uitdrukt,
Den geheelen weg over naar Kutab Minar, waar wij vandaag ook een bezoek brachten, is als bezaaid met overblijfselen van moskeeën en graftomben. Een paar bezichtigden wij nauwkeurig, maar voor het meerendeel hadden wij geen oogen meer. Wij zijn voorloopig over-verzadigd met deze dingen en alleen indien het fort ons morgen iets zeer bijzonders op dit gebied te genieten geeft, zullen wij in staat zijn het nog in ons op te nemen.
Met veel belangstelling zagen wij echter vandaag de plaats waar koning George in December j.l. aan alle personen van positie en rang in Indië audientie verleende, waar de duizenden en nog eens duizenden bezoekers in Delhi in tenten ondergebracht waren, waar alle Indische vorsten en de Begum van Bhopal allen met hun gevolg en olifanten en ander gedierte ieder hun afzonderlijk kamp hadden; hoe de ontelbare massa door dit kleine stadje, dat weldra een groote stad zal worden, gevoed en van water voorzien werd, en waar de koning en de koningin gehuisvest waren. Dat na afloop van de Durbar vele van de bezoekers ziek werden, verwondert ons, na hetgeen wij zagen, niet.
26 Februari. Vóór ik over vandaag ga schrijven, wil ik even de beteekenis van het woord Durbar geven. Er kunnen onder de lezers mijner brieven enkelen zijn, die even dom zijn als ik was, toen ik het woord voor 't eerst hoorde en naar de beteekenis moest vragen. Het geleerde woord beteekent niets anders dan eene groote openbare officieele receptie; het wordt meestal alleen gebruikt wanneer het een koninklijke receptie betreft.
Vandaag zagen wij van 9 tot 2 uur het fort en alles wat in Delhi meer de moeite van een bezoek loont. Binnen het fort is vooral het paleis, door Sjah Jehan gebouwd,--denzelfde, die ook de Taj Mahal bouwde--schitterend schoon. Die man paarde aan een artistieken smaak en lust om dien aan de wereld te toonen, ook de financieele macht om het te kunnen uitvoeren. Dit kasteel van wit marmer, geheel met kleurig bloemwerk ingelegd, waarvoor hij honderden werklieden uit Florence liet overkomen, is eenig in zijn soort. De private audientiezaal is zoo weelderig met goud en juweelen ingelegd en de pauwhaantroon, die thans in het museum in Kensington is, moet zoo overweldigend mooi zijn, dat de zoon van Sjah Jehan dacht, dat zijn vader krankzinnig was en hem daarom, toen dit alles voleindigd was, in zijn kasteel in Agra gedurende 7 jaren gevangen hield. Daar stierf de kunstlievende man in een van de torens, die hem uitzicht gaf op zijn grootste meesterwerk, de Taj Mahal. Deze gunst, om stervende dit werk van zijn geest voor oogen te mogen hebben, was de eenige, die hij zijn zoon in die 7 jaren gevraagd heeft.
Over de moskeeën en andere architectonische kunstgewrochten wil ik niet meer schrijven; Britsch-Indië biedt op dit gebied den bezoekers een onuitputtelijken voorraad, de grootste verscheidenheid en de hoogste kunstuiting aan.
Na de tiffin, zoo noemt men hier de lunch, gingen wij nog een paar uur in het stadje om wat winkels te bezichtigen en het ivoorsnijwerk, wat hier dezelfde kunsthoogte als in Japan bereikt heeft, te zien vervaardigen. Naderhand gingen wij, zooals wij in elke stad gewoon zijn te doen, naar een winkel, waar goede fotografieën van alle bezienswaardigheden te koop zijn. Ik had reeds eene goede collectie uitgezocht, toen ik den winkelier vroeg, of hij ook fotografieën van de bijzondere inboorlingen had. Eerst gaf hij mij toen een pak fotografieën van de mannen en vrouwen alhier in hun verschillend beroep of met verschillend huishoudelijk werk bezig, toen een groot pak met de portretten van alle regeerende Indische vorsten en van vele hunner vrouwen en toen.... de portretten van alle goden. Niet alleen waren Brahma, Vishnu, Siwa, Kreshna, enz. enz., niet als foto's van afgodsbeelden maar als portretten van menschen voorgesteld, maar er waren ook fotografieën van Mozes, Christus, Mohammed, en o, lezer, schrik niet.... ook van God. Voor die allen moeten levende personen geposeerd hebben. Mohammed was een zeer oud man, in een kleed van kemelshaar. Het portret van God stelde ook een zeer oud man voor, geheel naakt, zittende op zijn gekruiste beenen, met een langen, dunnen, grijzen baard, gedeeltelijk kaalhoofdig, gedeeltelijk met lange grijze haren. Er lag een verdrietige barre uitdrukking op het gelaat.
Toen ik dat portret in handen kreeg, waarop met Hindoestansche letterteekens den naam stond van wien het voorstelde, vroeg ik: En wie is dit?--Dat is de God der Christenen, was het antwoord. Ik kon een glimlach niet onderdrukken, en vroeg of dat portret in den hemel genomen was. Met een medelijdende uitdrukking op zijn gelaat over zooveel domheid, antwoordde de Hindoe mij: De goden zijn niet altijd in den hemel, zij komen van tijd tot tijd op aarde als zij bevelen hebben te geven of iets anders hebben uit te voeren. En onmiddellijk liet hij mij een andere fotografie zien, waar God in een gemoedelijk praatje met Mohammed is afgebeeld. "Zie," zeide hij, "daar is God met den profeet Mohammed; bij zoo'n gelegenheid heeft men Hem gefotografeerd." Ik ben overtuigd, dat de man geloofde wat hij zeide. Voor zoo'n Hindoe, wiens goden in beelden zijn uitgedrukt, die hij niet alleen zien, maar zelfs betasten kan; die op geregelde tijden naar de rivier gebracht worden om gewasschen te worden; wien men voedsel brengt, enz., voor zoo iemand is het heel natuurlijk, dat een god een belichaamd wezen is, met menschelijke vormen en behoeften.
Toen wij van dezen tocht thuis kwamen, hebben wij snel onze zeven zaken weder bijeengepakt en nu zit ik te wachten tot het rijtuig voorkomt om ons met den nachttrein naar Lahore te voeren. Dit is het verste Noordoostelijke punt, dat wij gaan bezoeken.
28 Febr. Wij hebben ons de moeite gegeven naar Lahore te komen, niet om nog meer tempels en moskeeën en forten en paleizen te zien, maar om een van de steden van beteekenis in het Noordoosten van Indië te leeren kennen en het stadsleven daar te aanschouwen. Een dag oponthoud is genoeg om daarvan een indruk te krijgen, vooral als men dien dag geheel buitenshuis doorbrengt. Lahore is eigenlijk een stad, die men in drie afzonderlijke steden verdeelen kan; de Engelsche stad, waar de Engelsche bevolking woont en waar alle officieele gebouwen gevestigd zijn; de Indische stad, de oude stad, waar de inboorlingen wonen, en het deel waar de militairen in hunne kazernes en officierswoningen leven. Dit laatste deel is weinig belangrijk, alles ziet er frisch en nieuw en hygiënisch uit. De oude stad doet zeer sterk denken aan het oude Caïro, en deze overeenkomst wordt nog sterker, doordat ook in Lahore vele Mohammedanen zijn en deze menschen hier weder zeer streng de voorschriften van hun godsdienst volgen. Wij zagen hier een graftombe, Ranjit Singh's Mausoleum, wiens elf vrouwen levend met zijn lijk in het begin van de 19e eeuw verbrand werden. Op de graftombe is een groote marmeren knop met daaromheen elf gelijke kleinere knoppen aangebracht, vertegenwoordigende de asch van den vorst en zijn elf geliefden.
In Lahore behooren de Hindoe's die er leven, grootendeels tot de sekte der Sikhs, eene Hindoe-sekte, die bijna uitsluitend hier in het Noorden van het land voorkomt. Hunne tempels, waarvan wij hier twee zagen, zijn zeer eenvoudig, waarin wij weinig karakteristieks vonden.
Het deel van de stad waarin de Engelschen wonen en dat nog zeer ver kan uitgebreid worden, is mooi en maakt een zeer florissanten indruk. De woningen, alle met fraaie tuinen omgeven, zien er frisch en Europeesch uit; de officieele gebouwen, alle in half Hindoeschen, half Europeeschen stijl opgetrokken, verraden goeden smaak en zijn uit een royale beurs gebouwd. Hier bezochten wij de kunstnijverheidschool, 40 jaren geleden door den vader van Rudyard Kipling, den bekenden schrijver over Britsch-Indië, gesticht. Britsch-Indië bezit vier van deze scholen, doch deze in Lahore is de beste en levert de meeste goede artisten af. Wij zagen er het fijnste ivoorsnijwerk verrichten, dat men zich denken kan. Lahore wordt beschouwd als het groote centrum van oude en moderne kunst en ontwikkeling in Indië. Wij brachten ook nog even een bezoek aan het museum, een van de fijnste musea in Indië, waar onze landgenoot, de heer Vogel, het archaeologisch deel van gecatalogiseerd heeft.
Wij zouden heel graag van Lahore uit een uitstapje gemaakt hebben naar Kashmir, waar we dichtbij waren, maar dit was onmogelijk met het oog op onze verdere reisplannen.
Vanmorgen kwamen wij om 10 uur in Amritsar aan. Dit is de heilige stad van de Sikhs. Het is zeker de schilderachtigste stad van alle, die wij in Indië zagen. De gouden tempel, waarvoor de meeste toeristen hier een deel van den dag doorbrengen, is de heilige tempel der Sikhs. Deze tempel staat midden in een grooten vijver, die de poel der onsterfelijkheid genoemd wordt. Rondom dien vijver staan verschillende andere tempels van minder beteekenis dan de gouden en eenige oude paleizen. De Sikhs zijn thans in een feestweek: het feest der aanbrekende lente, dat acht dagen duurt en voornamelijk zijn uiting vindt in een bedevaart naar den gouden tempel. Mannen en vrouwen uit alle oorden van dit district, vooral de landbouwende bevolking, komen in deze week in Amritsar om hunne offeranden in den tempel te brengen en een goeden oogst af te smeeken. De trein, die ons van Lahore naar Amritsar bracht, bevatte honderden bedevaartgangers. Voor dit voorjaarsfeest is elkeen, mannen, vrouwen en kinderen, geheel in witte gewaden gekleed, die van boven tot onder met rose verf bespat zijn; sommigen hadden rose en gele verfvlekken. Grijsaards hadden zelfs hunne lange witte baarden ook rose geverfd en de witte turban eveneens.
De gouden tempel, een tempel van wit marmer met een koperen dak, dat in het zonlicht schittert als goud, en met vier massief zilveren deuren, is mooi, maar kan geen vergelijking doorstaan met hetgeen wij op dit gebied reeds zagen. Zoo midden in het water maakt hij echter een goed effect. Er was juist een dienst begonnen toen wij aankwamen. Alle priesters en geloovigen zaten in een kring op den grond; in het midden was een rood fluweelen doek uitgespreid, waarop ieder, die binnenkwam, zijne offerande gooide of legde, en dan tusschen de biddenden ging zitten. De offeranden, die wij zagen brengen, bestonden uit bloemen, mandjes met zoetigheden of uit geld. Een enkele gooide een enveloppe neer, alle anderen een kleiner of grooter geldstuk. Aan de vier punten van den doek lagen hoopjes graan voor de rondfladderende duiven en andere vogels, die daarvan gedurende den bidstond gretig kwamen snoepen. De geheele tempel was van binnen ook met witte doeken, waarop rose en gele verfvlekken waren, behangen.
De Sikhs dragen, evenals de Sinhaleezen, lang haar, dat echter in een knot boven op den kruin van het hoofd is vastgemaakt door een eigenaardig soort kam. Doordat zij echter turbans dragen, valt dit lange haar bij hen niet zoo sterk op als bij de Sinhaleezen. Doch ook de Sikhs hebben, niettegenstaande zij bijna allen baard en knevel dragen, en zeer sterk behaard zijn, zeer zachte vrouwelijke trekken. Dit is heelemaal niet in overeenstemming met hetgeen zij eigenlijk zijn. Wij passeerden namelijk de sedert eenige jaren bestaande universiteit der Sikhs, een universiteit, door hen zelven uit eigen fondsen gesticht. Wij gingen naar binnen; de cursus was echter juist geëindigd, alleen een tiental mannen, naar gissing tusschen de 25 en 30 jaar, die studenten bleken te zijn, waren nog aanwezig. Wij dachten, dat zij de leeraren waren en vroegen om eenige inlichtingen. Zij waren allen bereid ons de noodige inlichtingen te geven. Zij vertelden ons--allen spraken uitstekend Engelsch--dat de Sikhs geen eigenlijke sekte der Hindoe's waren, doch meer als een kaste beschouwd wilden worden. Zij waren een militaire kaste; zij noemden het een "Old Templars Knighthood". Hunne priesters dragen zwaarden, hetgeen wij reeds opgemerkt hadden. De lange haren moeten kracht uitdrukken. Wij vernamen van deze jonge mannen, die allen een intelligent, zacht uiterlijk hadden, veel dat onze belangstelling gaande maakte. Een van hen offreerde ons een klein Engelsch boekje, waarin wij het een en ander over hunne tempels, zeden en gebruiken en de geschiedenis van den gouden tempel kunnen vinden.
Op onzen tocht door de stad zagen wij hier weder tal van heiligen, die in zelfkastijding of in heilige overpeinzing de zaligheid hiernamaals hopen te verwerven, of misschien wel een goed leven op aarde. Een betrekkelijk jonge man, met lange zwarte haren, zat geheel naakt tusschen vijf houtvuren, ver genoeg van hem verwijderd, om hem niet te kunnen verbranden, maar dicht genoeg om hem een warm lichaam te bezorgen. Rondom hem zaten tal van eenvoudige zielen in heiligen ootmoed te luisteren naar de woorden van wijsheid en bezieling, die van de lippen van dezen dwaas vloeiden.
Een eind verder zat een grijsaard met haren, die ver over den grond vielen. Dichtbij gekomen bleek het echter, dat er een soort vlas tusschen de haren gevlochten was, waardoor het zoo lang leek. Die man zat met een strak gelaat te staren in het verre verschiet. Hij zat in heilige overpeinzing en mocht niet gestoord worden. Naast hem stond een koperen bedevaartsnapje, waarin de voorbijgangers eene offerande konden werpen, als zij deze heilige wenschten te eeren. Men moet een bepaald aantal dagen of weken zichzelf gekastijd hebben, of heilige overpeinzingen hebben gehouden, alvorens het publiek iemand heilig verklaart.
Op dezen tocht in het Noordoostelijk deel van Indië zagen wij weder een geheel ander type van menschen, dan wij te voren gezien hadden. Vooral in Amritsar zagen wij, doordat de feestweek zooveel boeren en anderen uit Peshawar, Afghanistan, Kashmir en andere buurten naar den gouden tempel had gelokt, tal van nieuwe typen en ook geheel andere kleederdrachten. Hoevele verschillende turbans wij vandaag opmerkten, is niet te tellen.
29 Febr. De nachttrein bracht ons hedenochtend vroeg in Lucknow. Dit mooie provinciestadje biedt den gewonen toerist weinig belangrijks. Uit een geschiedkundig oogpunt is Lucknow natuurlijk zeer belangrijk. Hier was in 1857 het centrum van de muiterij en een geheelen dag kan men zoek brengen om alle punten te bezoeken, die nog de kenteekenen, van den gevoerden strijd dragen. Een rilling kan men niet onderdrukken als men de kelders ziet, waarin de vrouwen en kinderen maanden lang voor hunne veiligheid ondergebracht zijn, doch waarin zij door de hitte, benauwde atmosfeer, slechte voeding en nog slechter water als sneeuw voor de zon wegteerden. De begraafplaats, waar meer dan 2000 vrouwen, kinderen en grijsaards in dien tijd begraven werden, duidt maar te duidelijk aan, dat de sterfte onder deze beschermden grooter was dan onder de deelnemers aan de verdediging.
De native town in Lucknow kan ook op niets bijzonders bogen; een vergelijking met wat wij in Lahore en Amritsar zagen, is zelfs niet te treffen.
Wij zullen hier dan ook niet langer dan een dag vertoeven en vertrekken morgenochtend naar Benares. Het hotel--voor het eerst een werkelijk goed hotel in Indië, dat door een Duitsche eigenaar beheerd wordt,--lokt ons tot eenige dagen langer verblijf, enkel en alleen om wat uit te rusten. Wij durven ons die weelde echter niet veroorlooven.
BENARES.
Meer dan Rome is voor de Katholieken, meer dan Amritsar is voor de Sikhs, meer dan Jeruzalem is voor de Christenen, zelfs meer dan Mekka is voor de Mohammedanen, is Benares voor de Hindoe's. Benares is een van de oudste steden in de wereld; lang voor Rome bekend was, had Benares reeds den roep van heiligheid. In deze stad te sterven beteekent zaligheid, ja, zelfs hij of zij, die sterft op een afstand van 50 mijlen rondom deze stad, is zeker in Siwa's hemel opgenomen te worden. Men behoeft daarvoor geen Hindoe te zijn, Siwa verleent daarboven in zijne woning ook gastvrijheid aan Joden, Christenen, Mohammedanen en Boeddhisten, indien zij op de heilige plek, binnen Benares, het tijdelijke met het eeuwige verwisselen. Hoe deze opvatting te rijmen is met het re-incarnatiebegrip der Hindoe's is mij niet recht duidelijk.
Benares bezit ruim 1500 tempels en meer afgodsbeelden dan inwoners, ofschoon deze laatsten meer dan 200.000 bedragen, Iedere geloovige Hindoe gaat op zijn minst eens in zijn leven naar Benares om er te bidden in alle tempels en te baden in de heilige rivier. Welgestelde Hindoe's bezoeken deze stad meermalen in hun leven en de zeer rijken hebben hier allen een eigen woning of paleis, waarin zij elk jaar eenigen tijd vertoeven om hunne ziel te zuiveren van alle begane zonden en als de tijd daar is, te sterven binnen de muren van de heilige stad. Elke Hindoe-Maharatja heeft hier zijn eigen paleis. Het aantal bedevaartgangers, dat jaarlijks van alle oorden van Indië komt, om aan alle goden offeranden te brengen en te bidden in de 1500 tempels, wordt ver over een millioen geschat. Het kost elken pelgrim 6 dagen hard werken om de ronde in de 1500 tempels te doen; hij heeft daarmede alleen een afstand van 45 mijlen af te leggen. Die dagen worden dan geheel aan bidden gewijd, voor slapen en eten blijft weinig tijd beschikbaar.
Niettegenstaande Benares met hare tot het uiterste gedreven nauwe, overbevolkte straten en bazaars, met haar druk-bewerkte tempels en godenhuisjes, en haar verscheidenheid van kleuren, grooter dan ergens elders, een schilderachtig geheel levert, en, om een van de schrijvers over Indië te citeeren: "geen andere stad in Indië, die zulk een atmosfeer van onsterflijke oudheid verraadt", toch verwekt deze stad een indruk van diepen weemoed en gedruktheid.
De grootste aantrekking voor de pelgrims zijn niet hoofdzakelijk de vele tempels en goden, die Benares bezit, niet de zekere heiligheid, die deze stad omgeeft, omdat Siwa en Vishnu en Brahma hier geleefd en gewoond hebben, maar in hoofdzaak omdat de heilige rivier, de Ganges, hier een bijzonder heilige kracht bezit. Het water van deze rivier bezit een alles-zuiverende macht. Niet alleen neemt elke onderdompeling in dit water de zonden weg, die bedreven zijn, maar ook alle ziekten worden daardoor genezen. Er is een plek aan den oever van de rivier, het pokken-bad genaamd, waar poklijders gebracht worden om er dagelijks te baden, en dan allen genezen. Inderdaad is er iets van waar, dat dit water een tot nog toe onverklaarbare kracht bezit om ziektekiemen te dooden. Het Britsche gouvernement heeft herhaaldelijk proeven genomen en steeds bleek, dat cholera- en andere baccillen in dit water na eenige uren alle dood waren, terwijl baccillen, van dezelfde bron genomen, in volkomen zuiver water welig tierden. Ware dat ook niet het geval, dan zou het onverklaarbaar zijn, dat van deze stad uit pest en pokken en cholera en meer zulke plagen, niet jaarlijks over heel Indië verspreid werden.
Wil men de beteekenis van de Ganges voor den Hindoe zien, dan moet men 's morgens vroeg opstaan en nog vóór de zon aan de Oosterkim is verschenen reeds in een bootje gezeten zijn, zich langzaam laten op en neer roeien en het leven aan de oever der rivier gadeslaan. Wij lieten ons op een morgen zeer vroeg naar de rivier brengen. Het was een rit van bijna een half uur. De stad begon te ontwaken. De langs den weg liggende slapers rolden hunne doeken, waarin zij zich neergelegd hadden, rond hunne lendenen en begaven zich op weg naar de badgelegenheid. Hier en daar was een arme vrouw bezig den weg schoon te vegen en de smeden begonnen den brand te steken in hunne houtvuren. Hoe dichter wij de rivier naderden, des te grooter werden de troepen menschen, die zich in dezelfde richting voorwaarts spoedden, om, zuiver uit godsdienstige overwegingen, een bad in de Ganges te nemen en hunne gebeden op te zenden ter verheerlijking van een hunner goden of van de rivier, of van de zon. Maar ook hoe meer wij de rivier naderden, hoe grooter werd het aantal mannen, dat in zelfkastijding of in heilige overpeinzing, de eeuwige zaligheid hoopte te verwerven. Mannen, liggende op een bed van spijkers, gezeten tusschen brandende vuren; mannen, staande op één been, of met één arm in de lucht; mannen, overladen met zware ijzeren kettingen; mannen, dagen achtereen vastende, geen water of voedsel tot zich nemende, in heilig stilzwijgen, allen met asch overladen en haren, die door tusschenvlechting van de eene of andere wollen stof verlengd zijn, soms tot 8 à 10 meter, en die dan in een torenhooge kroon rondom hun slapen zijn gelegd, of netjes een kring rondom hen vormen. Eén heilig man had zich van koemest en pauwenveeren een toren geplakt en die op zijn hoofd gezet. Al die heiligen hadden een kring van discipelen rondom zich, die naar hunne woorden luisterden, of die ook in heilig stilzwijgen zaten te staren naar de richting, waarin de meester staarde.
Van 47 ghats--plaatsen, van waar men de rivier kan bereiken, hier meestal breede, hooge, steenen trappen--komen de tallooze mannen en vrouwen om hunne vereering te uiten. Als zij de rivier bereiken, sprenkelen zij eerst water over hunne oogen en het hoofd en prevelen het eerste gebed. Dit luidt vertaald: "O, Ganges, ik groet uwe twee voeten, uwe twee voeten die zoo schoon zijn en welke door goede en slechte goden verheerlijkt worden. O, Ganges, gij geeft geluk en ten slotte verlichting aan allen". Dan spoelen zij den mond met het heilige water. Daarna beginnen zij weder te bidden, eerst op het eene, dan op het andere been staande, en ten slotte laten zij zich neerploffen in het water. Daarna gaan zij weder staan met de beide handen vol water en dit laten zij langzaam wegvloeien, zich wendende tot de zon, een offer van Ganges-water aan de zon, en daarbij prevelen zij een van de oudste gebeden in de wereld: "Laat ons ootmoedig neerknielen voor de glorie van het Heilige Leven-gevende Licht; moge het ook onzen geest verlichten". Dan gaan zij voort onder allerlei handengewring, onderdompeling en beenenbuiging hunne verdere gebeden te uiten. Als zij gereed zijn met baden wasschen zij hun doek, hun lendengordel en turban (zoo zij die dragen want vele pelgrims gaan blootshoofds), houden die dan uitgespreid in de hand tot zij door de zon gedroogd zijn, brengen dan met rood of geel of wit een merkteeken op hun voorhoofd, en daarmede is hun morgendienst afgeloopen. Vrouwen en mannen baden naast en door elkaar, alleen voor de weduwen is een afzonderlijke plaats aangewezen.
Tusschen al deze zwemmende en badende menschen in zijn breede steenen trappen ingericht voor de lijkverbranding. Onophoudelijk wonden de lijken, alleen in een doek gerold, door de lijkdragers--twee mannen--aangebracht. Zoodra het lijk aangekomen is, gaan een paar mannen, dikwijls familieleden, het hout in de nabijheid aankoopen en wordt dit opgestapeld, het lijk daarop gelegd en het vuur ontstoken. Is het lijk zoowat half verteerd, dan klooft het naaste mannelijke familielid met een bijl den schedel. Deze liefdedienst--want nu kan de geest gemakkelijker ontwijken en wordt niet door het vuur mede verteerd--wordt gewoonlijk door den zoon voor vader of moeder, door den vader voor zijne vrouw en kinderen verricht. Zijn er geen mannelijke familieleden, dan komen de vrouwen aan de beurt. De vrouwenlijken zijn in roode, de mannenlijken in witte doeken gehuld. Wij zagen in het oogenblik, dat onze boot voorbij roeide, drie lijken verbranden, en een geheele rij lag te wachten tot hunne beurt was aangebroken. De asch van de lijken wordt in de Ganges geworpen, doch de armen, die niet veel hout kunnen betalen, zijn dikwijls slechts half verteerd. De dienstdoende mannen breken dan de halfverkoolde beenderen in stukken en gooien ook die in de rivier. Soms zelfs--wij zagen het niet--worden heele stukken van een lijk onverteerd door den stroom meegevoerd.
Toen wij onze oogen afwendden van dit weinig verkwikkelijk schouwspel en ze een oogenblik richtten naar den anderen oever van de rivier, zagen wij een troep gieren zich te goed doen aan iets groots en diks, dat in het midden van 't water dreef. "Dat is het lijk van een heilige koe", zeide onze Hindoe-gids ernstig. "Heilige koeien worden zoo in de Ganges geworpen na haar dood." En onmiddellijk voegde hij er aan toe: "Ook de heilige mannen worden niet verbrand, hunne lijken worden ook zoo in de Ganges geworpen; zij behoeven de zuivering van het vuur niet meer te ondergaan; zij hebben zich in hun leven reeds gepurifieerd." Zulke mannen krijgen echter aan elk been een steen gebonden, zoodat zij zinken en niet door roofvogels worden opgegeten.
Als men bedenkt, dat hier menschen met de meest besmettelijke en afzichtelijke ziekten dagelijks tusschen de anderen komen baden; dat allen na het bad dit water drinken en er kannen vol van meeslepen, dan moet men aannemen, dat er iets in dit water is, waardoor ziektekiemen gedood worden, anders zouden de gevolgen onoverzienbaar zijn. Maar ook als de ziektekiemen geheel verwoest worden, dan nog verwekt het een indruk, die onze maag rechtsomkeert doet werken, als men lupus-, kanker- en syphilis-menschen zich in het water ziet onderdompelen en terzelfder tijd een geloovigen Hindoe met gretigheid daarnaast het water ziet verzwelgen.
Na dezen tocht in het vroege morgenuur moesten wij eerst eenige uren bekomen, alvorens wij ons in staat achtten de andere wonderen van Benares in ons op te nemen. Het was niet ons plan, om, evenals de bedevaartgangers, allen 1500 tempels achtereen onze opwachting te gaan maken; wij zochten er eenige uit, die bij de beschrijving onze nieuwsgierigheid hadden gaande gemaakt.
Toen wij wat later op den dag onzen tocht naar die tempels begonnen, zagen wij onophoudelijk de tallooze bedevaartgangers van alle zijden de stad binnenstroomen. Heele rijen achter elkaar loopende mannen, in saffraankleurige doeken gehuld, blootshoofds, doch met een langen stok met een bijl aan den top in de eene en een koperen drinknap of bedelnap in de andere hand, noemde de gids "bedelmonniken". Mannen en vrouwen in roode, gele, groene, witte, paarse en andere kleederen wist de gids allen aan de kleur hunner kleederen te localiseeren van waar zij kwamen. Er waren er bij, die weken achtereen geloopen hadden om deze heilige plek ten slotte te bereiken. Het was een bijzonder heilige dag, daarom kwamen er meer pelgrims dan andere dagen.
Wij begonnen met den Durga-tempel, bijgenaamd de apentempel. Deze bijnaam vindt zijn oorsprong in het feit, dat meer dan 200 apen, bruine met korten staart en erg menschelijke gezichten, in en om dezen tempel leven en wanneer door trommelslag een dienst in den tempel wordt aangekondigd, allen komen aanloopen en aandachtig zitten te luisteren. Het waren erg menschelijke apen, die de koekjes en andere zoetigheden beleefd uit onze handen namen, zonder zenuwachtigheid te verraden. De jonggeborenen, die het aardigst waren en natuurlijk de meeste versnaperingen kregen, werden heel wijs door de moedertjes in den arm genomen en naar een afgelegen plaats gebracht, als mama dacht, dat zij genoeg gehad hadden. Eén aap zat onophoudelijk met een zakspiegeltje uit een of ander dames-étui in zijn voorpoot zich zelf te bewonderen. Een koekje kon slechts een oogenblik zijne attentie gaande maken; dan at hij het koekje op, doch zat, al etende, zich in eigen aanblik te verlustigen. Deze ijdele aap, lieve lezers, was een mannetjes-aap.
De Durga-tempel is gewijd aan Durga, de vrouw van Siwa. Zij wordt als zeer verwoestend en bloeddorstig voorgesteld. Zij bezit 18 armen en handen, in elke hand een zwaard of ander moordtuig houdende, waarmede zij de koppen van mannen en leeuwen afslaat. Aan haar gordel bengelen doodshoofden van mannen. Vroeger werd ter eere van Durga elken dag een mensch geslacht, om haar bloeddorst tevreden te stellen; sedert het menschenslachten verboden is, offert men haar elke week een geit. Geiten zijn hier duurder dan menschen. Elken dag een geit te offeren, zou te veel geld kosten; daarom moet Durga zich eens in de week met een geitje tevreden stellen. Het toeval wilde, dat wij in den tempel twee Hindoe jongemannen uit Calcutta aantroffen, die ook ter bedevaart waren opgekomen naar Benares. Zij bleken beiden zeer ontwikkelde, goed Engelsch sprekende jongelui te zijn. Zij begonnen een gesprek met ons, waarop wij hun vroegen, hoe ontwikkelde menschen een godin der verwoesting konden aanbidden. Glimlachend antwoordden zij: "Gij moet u dat anders voorstellen. Wij, Hindoes, verdeelen den tijd in verschillende perioden. Wij leven thans in de periode der verwoesting. Oorlog, doodslag en verwoesting van landen en steden is over de geheele wereld aan de orde van den dag. Durga regeert thans overal. Met aan haar offeranden te brengen, hoopt men haar moordlust te koelen, m.a.w. hoopt men de groote periode der verwoesting snel te passeeren. Het is slechts eene zinnebeeldige voorstelling". [2]
Zoo weet de ontwikkelde Hindoe aan alle godenvereering eene hooge, poëtische verklaring te geven, maar de onontwikkelde, zooals onze gids, vat alles in zijne platte beteekenis op. Die vertelde ons, dat het geitje, dat elken Dinsdag geslacht wordt, met zijn kop aan een houten paal, die vlak voor Durga staat, vastgebonden wordt, dan door een man met één slag op de kop, de kop wordt afgehakt, "zooals Durga het 't liefste ziet". Den gewonen Hindoe is niets bekend van de philosophie van de Veda en de beteekenis zijner goden. Voor hem personifieert elk afgodsbeeld een werkelijken god.
Na den apentempel bezochten wij den koetempel. Deze tempel is eigenlijk niets bijzonders, alleen dat daarin eenige bullen in plaats van goden vereerd worden. Werkelijk levende bullen, die met bloemen en heilig gras gevoed worden, worden daar dagelijks door duizenden aangebeden en vereerd.
Toen naar den tempel van Ganesha. Ganesha is de zoon van Siwa en Durga en wordt voorgesteld als een kind met een olifantskop. Toen Ganesha geboren werd, had het wurm geen kop. Durga was daarover erg ongelukkig en toen kwam Siwa en zeide: "Ga naar buiten; het eerste levend wezen, dat gij ziet zal zijn kop verliezen en deze zal op den romp van Ganesha komen". Durga deed alzoo en het eerste levend wezen dat zij zag was een olifant. Haar lieftallig kind hield in zijn jeugd, als vele kinderen, erg van zoetigheden; daarom worden hem nog heden tal van versnaperingen geofferd. Hij reed in zijn jeugd bij voorkeur op een rat, daarom zijn nu nog de ratten heilige dieren. De Britsche regeering heeft zeer veel moeite hier in Benares, waar altijd pestgevallen zijn en nu zelfs zeer vele, de ratten uit te roeien. Een Hindoe sterft liever aan pest, dan dat hij een rat zou willen zien dooden. Achter Ganesha was een bron, de Bron der Kennis. Drinkt men uit die bron--dat water is zeer duur--dan wordt men helderziend, alwetend. Ik wilde liever dom blijven, dan mij te wagen aan het drinken van dit sop. Dit water wordt nog aantrekkelijker gemaakt, als men hoort vertellen, dat het is het zweet van Vishnu, uitgezweet in een al te dolzinnig doorgebrachten nacht.
Wij bezochten nog eenige van zulke vermaarde tempels en hadden er toen genoeg van. Wij besteedden liever den ons nog restenden tijd aan het bezoeken van de Hindoe-school, door Annie Besant hier gesticht, en hare theosophische vereeniging. Hoe Annie Besant er toe kwam hier in deze fanatieke omgeving haar school te vestigen, zal, naar ik hoop, haar en hare volgelingen duidelijker en verklaarbaarder zijn dan mij. Het is waar, dat ook Buddha hier langen tijd vertoefde en zijne leer voor het eerst in Britsch-Indië verkondigde. Dat ook Paulus hier schijnt geweest te zijn en dat hier thans acht verschillende zendelingsinstellingen de leer van Christus trachten ingang te doen vinden. Waarom zou zij dan niet haar leer hier verkondigen, de universeele broederschap van hieruit over de wereld zich laten verspreiden?
De Hindoe-school en college van Annie Besant, die door vrijwillige gaven, bijna uitsluitend door Hindoesche beurzen, wordt in stand gehouden en waar de leerlingen in den zuiver Hindoeschen godsdienst worden onderwezen, bevat reeds meer dan 1000 mannelijke Hindoe-leerlingen en ongeveer 200 vrouwelijke. Zij staan beide--de jongens- en meisjesschool zijn streng gescheiden--onder oppertoezicht van een Engelschen directeur en directrice, doch de leerkrachten zijn voor verreweg het meerendeel Hindoe's. In de zaal, waar de gebeden worden gezongen, hangt een levensgroot portret van Annie Besant.
Wij bleven in Benares een dag langer dan de meeste toeristen gewoon zijn te doen, niet zoo zeer om het vele belangrijke, dat hier te zien is, dan wel om den geest van de stad beter in ons op te nemen. Herhaaldelijk bezochten wij de stad op verschillende tijden van den dag, maar steeds weder overviel ons datzelfde gevoel van weemoed, dat wij ook gevoelden, toen wij in Jeruzalem die vele huilende en lamenteerende Joden voor een stuk oud en vervallen muur zagen staan, dien muur kusten en met hunne tranen bevochtigden; of toen wij daar in verschillende kerken der christenen soldaten vonden om den vrede te bewaren tusschen katholieken en protestanten voor een elkander betwist venster of een stuk balk.
Onwillekeurig vraagt men zich hier af, zijn dat menschen uit denzelfden tijd waarin ook wij leven, zijn het misschien eenvoudig bekrompenen van geest, of zijn het ongelukkigen, wier geest beneveld is? Benares met zijne afgoden en tempels, met zijne heilige rivier, zijne heilige apen, heilige koeien, heilige ratten en vooral met zijne bevolking en pelgrims, verwekte bij mij den indruk van een groot krankzinnigengesticht.
CALCUTTA EN DARJEELING.
Lang vóór ik er nog aan dacht, deze groote reis te maken, las ik eens in een geïllustreerd tijdschrift een artikel over Calcutta. In dat artikel werd deze stad zoo mooi beschreven en de illustraties waren zoo aantrekkelijk, dat ik den indruk kreeg hier een stad met een groote aantrekkelijkheid te zullen vinden. Toen ik dan ook 's morgens vroeg in Calcutta arriveerde en naar het hotel reed, dacht ik, dat de koetsier ons door eenige vuile buitenwijken voerde en dat ook het hotel niet in een van de mooie straten van de stad gelegen was. Doch nadat ik de stad in alle richtingen doorkruist heb, zoowat alle straten met de voornaamste gebouwen zag, vraag ik mij af: hoe kan iemand zoo'n moderne, Europeesche, onooglijke, oninteressante stad zoo mooi voorstellen? Waar heeft de schrijver al dat moois gezien, anders dan in zijne verbeelding? Er is in de heele stad niets de moeite van een bezoek waard. Het is waar: er is een interessant museum, en er is in den botanischen tuin, ver buiten de stad gelegen, een waringin-boom, die de grootste van de geheele wereld genoemd wordt, wat ik graag wil aannemen, want die eene boom lijkt wel een geheel bosch. Maar de stad, de stad met haar even oninteressant native gedeelte, met haar vuile haven en groote gebouwen, die alle den indruk geven alsof zij er slechts provisoir zijn neergezet, die stad is leelijk en biedt den bezoeker weinig aantrekkelijks.
Het is mogelijk, dat toeristen, die hun toer door Indië van hieruit beginnen, een anderen indruk krijgen, omdat voor hen het leven der inlanders dan nog vreemd is en zij hetgeen zij daarvan in Calcutta zien, met meer belangstelling in zich opnemen; doch voor ons, die in Calcutta onzen toer door Indië afsluiten, die het leven der inlanders in alle opzichten op verschillende plaatsen origineeler, interessanter, kleuriger en naïever zagen, biedt dit hier geen aantrekkelijkheid meer.
Indien wij hier lang genoeg zouden blijven, dan konden wij ons verblijf hier echter interessant genoeg maken, want nergens in Indië wordt een zoo intensief sociaal leven geleefd als in deze stad. De nationale beweging, waarover ik van uit Bombay reeds schreef, heeft hier haar wortels, wordt van hieruit gevoed en van hieruit worden hare vruchten over het gansche land verspreid. Ik schreef vroeger reeds, dat de nationale beweging tot leus heeft: Indië voor Indiërs, en dat zij beoogt van Engeland's heerschappij verlost te worden. Die beweging is echter nooit sterk geweest en zal ook nooit zoo sterk worden, dat Engeland er iets van heeft te vreezen. Dat moet elkeen gevoelen, die met zijn oogen open eenige weken in dit land heeft gereisd. De bevolking bestaat te veel uit heterogene bestanddeelen. De Mohammedanen, die een vierde van de bevolking uitmaken, haten en wantrouwen de Hindoe's, zooals deze wederkeerig hen doen. De Mohammedanen zouden niets meer vreezen, dan dat de heerschappij van het land in handen van de Hindoe's zou komen. De Hindoe's zelf zijn in vier groote kasten verdeeld, die ieder op zich zelf staan en die nooit op een voet van gelijkheid met elkander kunnen samenwerken. De Brahmaan, de hoogste kaste, de kaste der priesters, mag nooit de hand of ander lichaamsdeel aanraken van eene lagere kaste; als hij dit doet door toeval of anderszins, dan moet hij eerst eene zuivering ondergaan, alvorens hij weder met zijne kaste-genooten in aanraking kan komen. Een hoogere kaste mag niets eten, dat door iemand uit een lagere kaste is aangeraakt, en dit alles gaat zóó ver, dat wanneer ik het zou mededeelen, geen mijner lezers mij zou gelooven, die daarover niet vroeger het een en ander gelezen had. Dit staaltje b.v.: Een fabrikant vertelde ons, dat hij naast zijn fabriek een rij huisjes had laten bouwen voor zijn Hindoe-werklieden. Elk gezin bewoonde een éénkamer-woning gratis. Op zekeren dag komt 'n werkman tot hem en vertelde hem, dat hij die woning niet langer gebruiken kon; het kwam hem te duur uit. De eigenaar vroeg: "Hoe is dat mogelijk? Gij betaalt mij toch niets voor de woning."--"Ja," zeide de werkman, "dat is goed en wel, maar de man naast mij is van een lagere kaste en elken keer als de wind west is en de rook uit zijne woning zich vermengt met de rook uit mijne woning, dan is mijn eten onzuiver en mag het niet meer genuttigd worden. Heb ik, zonder het te weten, het toch genuttigd, dan moet ik eerst gezuiverd worden, en dat kost veel geld."
Zulke staaltjes heb ik bij dozijnen vernomen. De afscheiding tusschen de kasten is zoo groot, dat in de eerstvolgende geslachten van overbrugging geen sprake kan zijn. Nu preeken de nationalisten wel, dat men voor een groot doel mag samenwerken, één algemeenen vijand gezamenlijk mag verslaan, maar de lagere kasten zijn onder de Britsche overheersching veel beter af, dan onder de regeering van hunne hoogere geloofsgenooten, zij zullen zich nooit laten gebruiken om tegen Engeland op te treden. Een troep heethoofden kan misschien hier of daar eens weer een muiterij op touw zetten, doch groote, ernstige gevolgen, kan die niet hebben. De leiders dezer beweging bestaan voor een groot deel uit jonge mannen, die juist door den invloed der Britten in staat zijn geweest gratis eene goede school te doorloopen waarvoor nu geene gepaste werkkring te vinden is. Dat de zoon van een waterdrager, een bullewagendrijver, een fabriekswerker, die heeft leeren lezen en schrijven in zijn moedertaal, Engelsch en Sanskriet grondig kent, die rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde heeft geleerd, geen lust heeft zijn vader in zijn vak op te volgen, is duidelijk. Deze jonge mannen hebben hoogere aspiraties, waaraan, voorloopig althans, niet kan voldaan worden. Enkelen hunner studeeren verder en worden onderwijzers voor hun eigen kastegenooten, een heel enkele wordt gids voor vreemdelingen, nog zeldzamer, vinden zij een plaats als klerk op een of ander bureau; doch het meerendeel vindt geen geschikte bezigheid en vormt een klasse van ontevredenen, die in de nationale beweging het hoogste woord voeren. Door het in het leven roepen van goede industriescholen, waaraan in zeer vele plaatsen reeds is voldaan, hoopt men aan dit euvel tegemoet te komen.
Ook de vrouwenbeweging, die over heel Indië slechts eene sporadische is, en die op het oogenblik nog niet veel meer op haar program heeft dan tegengaan van de kinderhuwelijken, verbetering van het lot der weduwen, opheffing van het purdah-systeem, en scholen voor meisjes, vindt in Calcutta de krachtigste verdedigsters.
Doch om al deze bewegingen te bestudeeren, er meer dan een oppervlakkigen indruk van te verkrijgen, zouden wij hier langen tijd moeten vertoeven. Wij bespraken onze passage op de boot, die ons van Calcutta naar Rangoon zal brengen voor den 12en Maart, en de week die ons nog rest, willen wij liever in een van de hooge bergstreken hier doorbrengen, om ten minste één van de punten te zien, waarheen de rust- en koeler klimaat-behoevende Engelschman zich begeeft als verlof, tijd en geld hem dit veroorloven.
Darjeeling, in het Himalaya-gebergte, dat 7100 voet hoog is, is 't meest aantrekkelijke van deze plaatsen. De reis erheen is echter niet zoo eenvoudig als wij ons die hadden voorgesteld. Als men Calcutta om half vijf 's avonds verlaat, dan spoort men tot half negen naar Damookdeah, daar gaat men op een stoomboot over en vaart gedurende twee uren op de rivier de Ganges. De rivier is daar niet zeer breed en beide oevers zijn bebouwd, een volle maan bescheen het water en gaf aan alles aan den wal wat wij passeerden, een phantastischen vorm. Zoo in gedachten verzonken, verbeeldde ik mij in een wereld te verkeeren van een halve eeuw geleden en een tocht te maken van Groningen naar Sappemeer in een trekschuit of barge. Door mijne reisgenoote werd ik uit mijn mijmering gewekt met de nuchtere vraag, of wij niet wat zouden gaan eten, waartoe op de boot tamelijk goede gelegenheid was.
Om elf uur zaten wij aan den overkant van de Ganges weder in een trein, doch moesten die om vijf uur 's morgens weder verwisselen met het bergtreintje, dan ons om één uur in Darjeeling afleverde. Dat was, met het herhaaldelijk verwisselen van reisgelegenheid, een zeer vermoeiende tocht, waarop geen van ons beiden was voorbereid. Doch de tocht van Silliguri tot Darjeeling, den tijd dien wij in het bergtreintje doorbrachten, biedt zooveel schoons, dat wij onze moeheid geheel vergaten en geen berouw meer gevoelden over dit laatste uitstapje in Britsch-Indië.
Hoewel het Himalaya-gebergte veel grooter en daardoor grootscher is, vertoont toch de weg naar Darjeeling veel overeenkomst met den weg van Chur naar St. Moritz in Zwitserland. Van Darjeeling uit hebben wij bij helder weer 't gezicht op den berg Everest, den hoogsten berg in de geheele wereld.
De bevolking in Darjeeling is een geheel andere dan die wij tot dusverre in Indië zagen. Hier predomineert het Mongoolsche type, dat eensdeels groote gelijkenis vertoont met het Chineesche type, anderdeels ons doet denken aan Eskimo's en Laplanders. Wat vooral bij deze menschen opvallend is, is de gelukkiger, levendiger, vroolijker trek, die de vrouwen, op hunne gezichten vertoonen. Deze menschen komen allen van Thibet en Nepaule en zijn van geloof Boeddhisten. Zij werken hier in de theeplantages, die hier in menigte zijn, of verdienen de kost met het bij de straat curio's van Thibet te verkoopen. Zij dragen geheel andere kleederen, zijn geheel anders opgesierd, mannen en vrouwen dragen hun haar als de Chineezen in een lange staart, maar hebben het andere hoofdhaar niet afgeschoren, en zij zijn over het algemeen zeer warm gekleed. Het is hier ook zeer koud, wij hebben alles, wat wij voor warme kleeding bezitten mede naar boven genomen, en toch moesten wij 's morgens en 's avonds dicht bij het vuur kruipen, om warm te blijven.
Natuurlijk dient men hier uitstapjes in de bergen te maken, maar wij willen den korten tijd dien wij boven zijn liever kalm doorbrengen om wat tot rust te komen en om, alvorens wij naar nog heeter streken gaan, eerst een paar dagen in een kouder klimaat te vertoeven. Wij bepalen ons dus tot wandelingen in de naaste omgeving om telkens weder terug te keeren naar de bazaar, de plaats waar alle volkstypen, die hier zijn, samenhokken en een interessant geheel vormen. Want de menschen uit Thibet en Nepaule zijn niet de eenige rassen die hier wonen, de Bhoteas zijn even talrijk en dan zijn er nog Lepcha, Aka, Dhimal-, Mechi-, Murmi- en Urava-rassen. Met de photographieën die wij van die rassen gekocht hebben in onze hand trachten wij de menschen, die wij in de bazaar zien, te identificeeren.
Morgen gaan wij naar Calcutta terug en nadat wij daar nog een dag blijven om onze zaken te regelen, gaan wij ons inschepen naar Burma. Daarmede is dan onze reis door Britsch-Indië afgeloopen en op Amerikaansche wijze kunnen wij dan zeggen: We have done British-India. In den waren zin des woords hebben wij Britsch-Indië "gedaan" hetgeen mij spijt, want het is een land, dat langer oponthoud, dieper studie, nauwer kennismaking met zijn sociale en andere instellingen verdient. Maar voor alsnog is het niet goed mogelijk voor toeristen langer dan wij deden in Indië te reizen, daarvoor is het reizen er te vermoeiend, het klimaat te afmattend en zijn de hotels, in het algemeen gesproken te uncomfortable. Ook zijn de hygiënische omstandigheden nog niet van dien aard, dat men ergens het water durft gebruiken, melk durft drinken en ongekookte groenten of vruchten, visch of vleesch durft eten. Men moet den geheelen tijd op zijn qui-vive zijn, om niet door een van de vele vreeselijke ziekten, die hier inheemsch zijn, overvallen te worden.
Niettemin waren wij lang genoeg in Indië, om niet enkele zaken opgemerkt, en een algemeenen indruk verworven te hebben, en om niet over enkele onderwerpen althans een oordeel te durven vellen. Ik heb daarbij ook nog dit groote voordeel, dat ik reis in gezelschap van een zeer intelligente vrouw, een vrouw, met zoo'n breeden blik, helder verstand en algemeene ontwikkeling, als zelden geëvenaard wordt. Alles wat wij opmerkten, wat wij hoorden vertellen, werd altijd onmiddellijk gezamenlijk besproken en ons beider meening, indien die soms mocht afwijken, gewikt en gewogen. Om onze lectuur vruchtbaarder te maken, lazen wij nooit dezelfde boeken, doch verdeelden de lectuur en bespraken dan onderling het gelezene. Door deze wijze van handelen, zagen en vernamen wij twee in zes weken meer dan anderen doen, die veel langer hun verblijf rekken. Herhaaldelijk viel het ons beiden op, dat andere toeristen, die wij in verschillende plaatsen ontmoetten, en met wie wij over het geziene van gedachten wisselden, niet de helft hadden gezien of opgemerkt van hetgeen wij hadden gedaan en dat zij dikwijls niets anders dan een algemeenen indruk hadden, "that India is a dirty place."
Dit laatste nu is, algemeen gesproken, volstrekt niet het geval. Men moet, evenals wij deden, slechts even te voren het Heilige Land en Syrië doorreisd hebben om te weten wat een "vuil land" is. Als men vandaar komt geeft Indië den indruk van een zindelijk land te zijn, waar, de omstandigheden in aanmerking genomen, van overheidswege alle voorzorgen genomen zijn om het land zoo bewoonbaar mogelijk te maken. Zelfs in de geheel Indische steden waar alleen de inboorlingen wonen in overbevolkte nauwe straatjes, waar men alleen achter elkander kan doorgaan, vonden wij nog altijd een zekere soort zindelijkheid, die gunstig afstak bij wat wij van dien aard in Syrië en Egypte zagen. Herhaaldelijk maakten wij elkander daarop opmerkzaam. Hoogstwaarschijnlijk moet dit toegeschreven worden aan de hygiënische voorschriften in den Hindoeschen godsdienst. De Hindoe is verplicht zich dagelijks te baden en zijn lendendoek te wasschen. Het kopervaatwerk moet elken dag geschuurd worden, andere is het voedsel, dat het bevat onrein en mag niet genuttigd worden. Elk jaar is er 'n dag waarop verondersteld wordt, dat de lente haar intrede doet, den dag, waarop de geheele natuur zich verjongt, op welken dag elke Hindoe, man en vrouw, nieuwe kleederen moet aantrekken en de oude, afgelegde kleederen moet verbranden. Die dag valt in het begin van Maart en is over het geheele land een algemeene feestdag. De jeugd vermaakt zich den dag tevoren om elkaar met verfkladden te besmeren, en er als de bontste harlekijns uit te zien. Groote vuren worden 's avonds overal ontstoken en de "oude plunje" daarop verbrand. Deze enkele voorschriften, doch er zijn er meer, doen de Hindoe gunstig afsteken bij zijn Mohammedaanschen broeder in Arabië. Deze laatste draagt dikwijls zijn kleederen tot er geen stuk meer van heel is, en zij hem letterlijk van het lijf vallen, en van wasschen zijner kleederen schijnt hij geen begrip te hebben. In Indië passeert men nooit een vijver, meer of rivier, of men ziet er tallooze mannen, vrouwen en kinderen baden en zwemmen en hunne kleederen wasschen, die dan door de heete zon in een ommezien weder gedroogd worden.
Over het algemeen komt het mij voor, dat Engeland, in den korten tijd, dat het Indië in zijn beheer heeft, van het land gemaakt heeft wat het kon. Ik laat de financieele kwestie geheel ter zijde, ik weet volstrekt niet of Engeland te groote financieele offers van Indië gevraagd heeft, of op andere wijze aderlating op Indië heeft toegepast; om dat te beoordeelen zou ik over geheel andere gegevens moeten kunnen beschikken, dan mij ten dienst staan. Ik zag alleen de groote oppervlakten grond, die wij per spoor doorreisden, die nu door goede irrigatie in vruchtbaren bouwgrond zijn herschapen. Het is waar, er zijn nog duizenden en duizenden hectaren dorre, onvruchtbare woestijnen, die op een stroomend, frisch water wachten, maar alles kan niet op eens geschieden en ongetwijfeld zullen te zijner tijd ook deze streken onder handen genomen worden.
Door Engeland wordt bijna over het geheele land voor behoorlijk onderwijs zorg gedragen. Wel zijn er nog een 80% analphabeten in het land, maar het is niet zoo gemakkelijk om den Hindoe, en nog minder den Mohammedaan het nut van goed onderwijs te doen begrijpen. In enkele vorstenlanden heeft de vorst, de Maharatja, in zijn gebied het elementair onderwijs nu verplichtend gesteld en langzamerhand zal verplicht onderwijs over het geheele land wel wet worden. Er bestaan in Indië nu 5 universiteiten in verschillende steden, in Bombay, Madras, Calcutta, Allahabad en in Lahore, waar de vier verschillende faculteiten onderwezen en doctorsgraden verkregen kunnen worden. Er zijn tallooze middelbare scholen, kunst- en nijverheidsscholen, en in al deze inrichtingen van onderwijs zijn voor de meisjes-leerlingen dezelfde voorwaarden gesteld, als voor de jongens. Het schoolgeld is miniem, en die niet kan betalen wordt zelfs van die minieme som vrijgesteld, De meeste van die inrichtingen van onderwijs worden echter nog niet door meisjes bezocht, omdat de Hindoe-vrouw, evenals hare Mohammedaansche zuster zich nog aan de oogen der mannen onttrekt. Alleen daar waar de Parsees wonen, zagen wij de scholen ook door meisjes bezocht. Deze vrouwen zijn ook aan de verschillende universiteiten te vinden, waar zij vooral in de medicijnen studeeren en dan als doktoren voor de Hindoe- en Mohammedaansche vrouwen van onschatbare waarde zijn, omdat het die vrouwen verboden is, in tijd van ziekte een man te consulteeren. Een der Engelsche dames-doctoren vertelde mij, dat er onder die Parsee-vrouwen zeer bekwame doktoren gevonden worden, die soms ook uitstekende chirurgen blijken te zijn.
Verder geeft Engeland zich alle moeite, om de kunstschatten, waaraan Indië zoo rijk is, voor de toekomst ongeschonden te bewaren en ze ter leering en bewondering voor elken bezoeker open te stellen. Niet alleen dat daarvoor nergens een entrée geheven wordt, maar zelfs is overal met groote letters duidelijk gemaakt, dat de daarin aangestelde ambtenaren goed bezoldigd worden en het hun verboden is giften aan te nemen.
Naast deze en nog zoovele goede dingen, die hier onder en door het beheer van Engeland tot stand kwamen, wil ik ook nog met een enkel woord wijzen op 't vele goede, dat hier door particulier initiatief geschiedt, zoowel door mannen als door vrouwen. Uit den aard der zaak kwamen wij tweeën niet zooveel in aanraking met de sociale instellingen, door mannen-initiatief ontstaan, doch op een paar door vrouwen tot stand gebracht en van overgroote beteekenis voor een land als dit, wil ik wijzen.
Als men thans door Indië reist, dan vindt men bijna overal, zelfs in het kleinste stadje, een Lady Dufferin's hospitaal, waar alleen zieke vrouwen en kinderen worden opgenomen, die dan door vrouwelijke doktoren en goede verpleegsters worden behandeld. In de groote steden zijn deze inrichtingen door het gouvernement overgenomen, doch nu kan ten minste elke vrouw in Indië, wier godsdienst het verbiedt zich onder mannelijke geneeskundige behandeling te begeven, in tijd van ziekte door eene vrouw behandeld worden. In den regel staan deze hospitalen nog onder het oppertoezicht van eene Engelsche vrouwelijke dokter, met een paar Parsee vrouwen-doktoren tot hare assistenten, maar in sommige gevallen zijn toch reeds deze Parsee-doktoren met het geheele beheer belast.
Ook de ziekenverpleging staat overal zeer hoog, waar Engelsche verpleegsters overkwamen om hier haar liefdewerk te verrichten en de inlandsche vrouwen in deze taak te onderrichten. Overal is nog maar de groote tegenstand te overwinnen, dien de Hindoe toont om zich in een ziekenhuis te laten opnemen, of om zich in eigen huis te laten behandelen en verplegen en zoodoende een out-cast, iemand, die niet tot zijn kaste behoort, over den drempel zijner woning te laten komen en zijn lichaam te laten beroeren.
Een ander zeer groot werk wordt bijna uitsluitend door vrouwen uitgevoerd, hoewel zij daarbij financieel zeer krachtig door vele mannen gesteund worden. Dit is de verbetering van den toestand van de weduwen. Zooals men weet, werden vroeger de weduwen bij den dood van den echtgenoot levend met zijn lijk verbrand; sedert dit door de Britsche regeering verboden is, laten de familie en nabestaanden haar een langzamen dood sterven. Zij worden als verachtelijke wezens beschouwd, die ongeluk aanbrengen, overal waar zij zich vertoonen. Deze weduwen zijn dikwijls niet ouder dan vier of vijf jaar, in vele gevallen zijn zij weduwen alvorens zij ooit vrouw werden. Zij worden zeer jong, in enkele gevallen reeds vóór de geboorte, door de ouders uitgehuwelijkt en na intrede der puberteitsjaren aan den man afgeleverd, Sterft de man, ook zelfs nog vóór zij waren afgeleverd, dan zijn zij voor 't geheele leven weduwen, want een ander huwelijk mag niet door haar gesloten worden. Aan allerlei gruwelen zijn zij blootgesteld en er is inderdaad in Indië niets zoo beklagenswaardig als het lot van deze kind-weduwen. Sedert een kwart-eeuw ongeveer heeft een Hindoe-vrouw, Panditha Ramabai, zelf eene weduwe van goede familie, zich het lot dier kinderen aangetrokken. Door eerst in Indië, daarna in Engeland en Amerika, voordrachten gehouden te hebben, waarin zij het lot van die kinderen beschreef, verkreeg zij geld en hulpkrachten, om verzachting aan te brengen. Men heeft nu in verschillende plaatsen in Indië zoogenaamde "homes" voor kind-weduwen, waar zij goed onderricht ontvangen en waar zij leeren, om, onafhankelijk van nabestaanden, op menschwaardige wijze in eigen onderhoud te voorzien. Door de publieke opinie onophoudelijk wakker te schudden en de menschen te wijzen op het onhoudbare van dezen toestand, hoopt men verbetering tot stand te brengen. Er is nu reeds een beweging over geheel Indië, om door de Engelsche regeering een wettelijken minimum-leeftijd vastgesteld te krijgen, waarop huwelijken mogen gesloten worden, en daardoor in de eerste plaats aan de vroege huwelijken paal en perk te stellen.
Men heeft mij vóór ik naar Indië ging en ook later per brief zoo dikwijls gezegd en geschreven, dat het goed was, dat ik eerst Britsch-Indië bezocht en daarna naar Java ging, omdat ik dan kon zien hoeveel beter Java door Nederland behandeld wordt dan Britsch-Indië door Engeland. Ik ben zeer nieuwsgierig of ik dat oordeel zal deelen. Het komt mij voor, dat Britsch-Indië, door de verdeeldheid zijner bevolking, voor zelf-regeering niet rijp is en nog lang de voogdijschap van een andere regeering zal noodig hebben. Dat de over hem gestelde macht wel eens fouten zal maken door het uitzenden van vertegenwoordigers, die niet voor hunne taak berekend zijn, of door het treffen van maatregelen, die te veel een Europeesch karakter dragen en met de Indische toestanden niet genoegzaam rekening houden, is licht te begrijpen. Daarvoor behoeft echter de Britsche regeering niet hard gevallen te worden.
Iets anders is echter de persoonlijke verhouding der Engelschen tegenover de inlanders. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, zijn de Engelschen zeer te laken over dit hun gedrag. Iedere inboorling van Indië is voor hen een "native" en wordt door hen met de grootste minachting behandeld. Al heeft de man ook eene opvoeding in Engeland genoten, getoond een van de intelligentste menschen te zijn en hier eene hooge positie te bekleeden, dan nog wordt hij geboycott van hunne clubs, kan nooit verwachten bij een Engelschman geïnviteerd te zullen worden, en kan zelfs geen lid worden van eene leesinrichting, wanneer de Engelschen die voor hunne ontwikkeling noodig hebben. Toen wij tweeën eens voor 'n kleinen afstand onze plaats in den trein niet gereserveerd hadden en wij in de eerste klasse zochten waar nog een plaats open was, vonden wij een waggon, waarin slechts één heer zat. De stationschef, een Engelschman, zag ons instappen en kwam onmiddellijk mededeelen, dat wij daar toch niet konden gaan zitten: wij hadden dan te reizen met een native. Wij zeiden geen bezwaar te hebben en bleven waar wij waren. Het was echter als een loopend vuurtje op het perron bekend geworden, dat twee Europeesche dames waren gaan zitten in een waggon met een native, en elkeen kwam voor het venster om ons te bekijken en uit te maken welk soort menschen wij waren. Wij hebben over ons gezelschap niet te klagen gehad en met hem een interessanter gesprek gevoerd, dan met menig Engelschman mogelijk is.
IN BURMA.
De Arankola, het mooie, kleine, zindelijke bootje van de British India Steam Navigation Co., bracht ons in twee en een halven dag van Calcutta naar Rangoon. Dat waren twee heerlijke, rustige dagen, die mij lang zullen heugen. Wij waren de twee eenige damespassagiers eerste klasse en ook het sterke geslacht was slechts door vijf jonge mannen vertegenwoordigd. Het nette geriefelijke damessalonnetje was voor ons alleen, en elk onzer had een groote comfortabele hut. Wij hadden een gevoel alsof wij een private stoomboot hadden afgehuurd, waarvan het geheele personeel te onzer beschikking stond. De jonge mannen, vriendelijk en voorkomend en zich bij alles te onzer beschikking stellend, droegen er niet weinig toe bij om dat gevoel te versterken. Gedurende de drie groote maaltijden van den dag, waaraan ook de kapitein, eerste machinist en eerste officier deelnamen, zat het kleine groepje aan één tafel samen en werden wij door een talrijke zwarte bedienden-troep bediend. Dan was er een algemeen levendig gesprek, over Burma en de Burmeezen, over Britsch-Indië en het Engelsch beheer, dan werd het Engelsche gouvernement tot in de wolken verheven en dan voelden de Engelschen zich trotsch boven elke natie staande. Het is voor 'n vreemdeling onuitstaanbaar den blufferigen toon aan te hooren, waarop overal en altijd de Engelschman over zijn land en volk spreekt, maar aan den anderen kant ligt daarin toch ook veel te apprecieeren. Dat warme nationaliteitsgevoel heeft toch ook zijn goede zijde, al schijnt het vrijwel een gevoel van bekrompenheid.
Om half acht verlieten wij Dinsdagmorgen de haven van Calcutta en eerst om vier uur 's middags bereikten wij den mond van de Gangesrivier. Al dien tijd brachten wij op deze rivier door en stoomden de hier en daar mooi met hooge palmen en groote in bloei staande boomen begroeide oevers voorbij. De overgang van de rivier in de baai van Bengalen was bijna onmerkbaar, omdat ook daar de zee kalm was, als op een meer. Het was een heerlijke rustige tijd, om lezende en droomende, starende in de helderblauwe wolkenlooze lucht, door te brengen. Het bracht ons weder in evenwicht en in staat van Burma en de Burmeezen in korten tijd zooveel mogelijk in ons op te nemen. Tegen ongeveer elf uur kwamen wij Donderdagmorgen in de Rangoon-rivier en kregen toen reeds heel spoedig den gouden top van de groote, wereldbekende pagode van Rangoon in het gezicht. Toch werd het nog bijna twee uur, alvorens wij in Rangoon aankwamen, alle formaliteiten waren afgeloopen en wij aan wal konden gaan.
Nu waren wij in Burma en alsof wij een blad hadden omgeslagen van een plaatwerk, zoo was op eens het beeld veranderd van hetgeen zich thans aan ons oog vertoonde. Vlak bij de landingsplaats stonden de rijtuigen met hunne bruine, naakte koetsiers en deze laatsten bestormden ons om ons naar het hotel te brengen. Van het bijna leege schip was niet veel te halen, de meesten moesten zonder vrachtje huiswaarts keeren. Wij moesten echter eerst zien of er niet een beter vervoermiddel te verkrijgen was, voordat wij ons in deze vierkante vogelkooi op groote bandlooze wielen, met een paard als een rat, nedervlijden. Al spoedig vernamen wij, dat deze "gharries" de Burmeesche rijtuigen waren en wij ons daarvan te bedienen hadden. Gelukkig zijn onze ingewanden reeds gewend om door elkaar geschud te worden, zulke tochtjes doen ons heelemaal geen kwaad meer, hebben zelfs dikwijls eene zeer heilzame uitwerking.
Wat een heerlijke, verkwikkende, opvroolijkende indruk gaat van Rangoon uit. Niettegenstaande het misschien een van de warmste plekjes op aarde is en men verwachten kan, dat elkeen hier gebukt gaat onder den deprimeerenden invloed van die nat-warme hitte, ziet men hier een levendigheid en een vertier, en wat het meest aantrekt, een lach op elks gelaat en een vriendelijke expressie in ieders oog, die onwillekeurig eene stimuleerende werking op ieder mensch moet uitoefenen. Nadat wij in het hotel onze kamers in bezit genomen hadden, begaven wij ons onmiddellijk de straat op, hoewel de zon nog wreed-brandend hare stralen op ons neder zond. Hier konden wij ons dus weder vergasten aan het gezicht van vrouwen in de straten, vrouwen, die niet alleen, zooals in Britsch-Indië, het zwaarste en vuilste werk verrichten, maar vrouwen uit alle rangen van de maatschappij, die zich op straat bevinden voor de verschillende dergelijke redenen als waarom zich ook bij ons vrouwen op straat bevinden. De Burmeesche vrouwen zijn zeer opvallend. Zij gelijken zeer veel op de Japansche en Chineesche vrouwen, zij behooren trouwens ook tot het Mongoolsche ras. In hare gele, rose, blauwe, mauve of anderskleurige zijden nauw om de beenen sluitende sarong, hare wit geborduurde kabaja, hare lange, dikke, zwart-glimmende haarwrong als een diadeem op de kruin van haar hoofd, waarin altijd eenige versche bloemen steken, en een nooit ontbrekenden vriendelijken lach in hare oogen, wandelt zij met hare gebloemde Chineesche pajong boven haar hoofd in de eene, en eene brandende sigaar in de andere hand, even vrij door Rangoons straten als de vrouwen van elke beschaafde Europeesche natie in eigen land.
Rangoon heeft eene bevolking van ongeveer 300.000 zielen en daarvan zijn slechts 80.000 Burmeezen.
De anderen zijn menschen uit verschillende Oostersche landen. Velen komen uit Britsch-Indië. Alle koelies bijv. zijn Hindoes uit de laagste kaste, want nooit zal een Burmees zich verlagen om koelie-werk te doen. Dan zijn er velen uit Thibet en China, uit Ceylon en Afrika en ook onze Maleiers ontbreken niet. Europeanen vormen slechts een klein deel en dat zijn bijna allen personen, die hier slechts een tijdelijke functie waarnemen. Doch zoodra men Rangoon verlaat en dieper het land intrekt, dan ontmoet men Burmeezen en niets als dezen.
Naast de Burmeesche vrouwen vallen in de straten van Rangoon de Boeddhistische monniken 't sterkst op. Ik beschreef ze reeds in Ceylon, deze kaalgeschoren, bijna naakte mannen in hunne oranjekleurige doeken gewikkeld, die hun geheele leven nietsdoende doorbrengen. Kerken hebben de Boeddhisten niet, dus kerkdienst hebben zij niet te vervullen en zelfs bij een sterfgeval, huwelijk, geboorte of zulk soort omstandigheden in eene familie doen zij geen dienst. Als de hedendaagsche Boeddhist in zulke gevallen een priester verlangt, dan gebruikt hij daarvoor een Brahmaan. Vroeger heette het, dat de Boeddhist-monniken de opvoeding en het onderricht van de jongens tot taak hadden en toen was er in Burma geen man, die niet een of meer van zijne jongensjaren in een monnikenklooster had doorgebracht, daar had leeren lezen in eigen taal en de Boeddhistische wijsheid had opgezogen. Sedert er echter gouvernementsscholen zijn, zenden de meeste ouders hunne jongens naar deze scholen en wordt het zedelijk verplicht verblijf in een monnikenklooster voor elken jongen beperkt tot eenige dagen in zijn geheele leven. Als opvoeders der jeugd kunnen de priesters dus ook al niet meer beschouwd worden en hoewel de boeken van Fielding Hall, die met zooveel sympathie schrijft over het Boeddhisme, mij het mooie, poëtische in dezen godsdienst wel hebben doen gevoelen, is hij er toch niet in geslaagd mij eenige sympathie voor dit priesterdom in te blazen. Hun leven is zeer simpel, zij eten slechts eens per dag en gebruiken alleen voedsel, dat door de jonge priesters 's morgens is opgebedeld. Zoo luidt tenminste hun voorschrift, doch of daaraan strikt de hand wordt gehouden, betwijfel ik, na hetgeen ik daarvan in Ceylon zag en uit den mond van een priester vernam. Het is een vreemd gezicht als men 's morgens vóór twaalf in een der drukke straten van de Bazaar loopt en men ziet dan een lange rij Boeddhistische priesters één voor één achter elkaar loopend met een groote steenen bak op hun hoofd of om hun hals, gebeden prevelend, voorbij trekken; geen moedertje blijft dan achter haar toonbank daadloos, allen komen uit om in den steenen bak wat gekookte rijst, wat toebereide groenten, wat brood of iets dergelijks te werpen. Sommige van die kleine vrouwtjes staan reeds met hun zorgvuldig bereide gift op den rand van het trottoir te wachten, tot de monniken komen aanloopen.
Dit is niet de eenige wijze waarop een Boeddhist zijne zaligheid koopt. Als hij een rijk mensch is, dan laat hij een mooi Boeddhabeeld maken en bouwt daar een mooie pagode omheen, dat is de zekerste weg tot eeuwige gelukzaligheid. Men kan die ook verwerven door het bouwen van een klooster en als daartoe de middelen ontbreken door het plaatsen bij een boom of aan den voet van een berg van een kruik koel drinkwater voor de passeerende menschheid, of door rustplaatsen in te richten voor den vermoeiden voetganger. Er ligt een bijzondere soort vriendelijkheid in den godsdienstvorm van deze menschen. Zij aanbidden geen God; Boeddha was van meening dat er geen God was, die aanbidding verlangt, doch zij gaan naar hun pagoden om Boeddha te verheerlijken. Geen man, noch vrouw, noch kind komt daar zonder bloemen, zelfs de zuigeling op moeders arm wordt een roos in het handje gestopt, om aan Boeddha's voeten neer te leggen. Al de pagode's zijn elken dag vol veelkleurige bloemen, die des avonds worden verwijderd, om plaats te maken voor de frissche bloemen van den volgenden dag. Man, vrouw en kinderen komen gezamenlijk hunne offeranden--altijd bloemen en niets dan bloemen--brengen, knielen dan voor een der vele Boeddhabeelden in deemoedige houding neder en prevelen een soort gebed. Volgens Fielding Hall bidden zij echter niet, doch komt hetgeen zij zeggen daarop neder, dat het leven ellendig is, alleen verdriet en moeilijkheden baart en dat na den dood eerst het hooge geluk kan aanbreken en dat zij Boeddha danken, omdat hij hen dat geleerd heeft.
De Boeddhisten bidden echter ook wel, doch niet tot God of Boeddha zenden ze hunne gebeden op, maar tot de goede en booze geesten. Volgens hen is er leven in alles. Boomen en planten, bergen en rivieren, rotsen en steenen, alles leeft, in alles huist een geest. Deze geesten, die goede en booze geesten kunnen zijn, aanbidden zij. Zulk een geest kan een ziek kind gezond maken, een oogst doen mislukken, een vrouw de liefde van haar man terugbrengen, of een jongeling's hart doen gloeien voor een of ander meisje. Die geesten beschikken over leven en dood, over welvaart en ellende. Hen tot goed vriend te houden, met hen op goeden voet te verkeeren, is politieke wijsheid en daarom doet een Boeddhist alles waarmede hij zoo'n geest meent te kunnen dienen.
Wij begaven ons den eersten keer in schemerdonker naar de Shwe Dagón Pagode, dat is de meest beroemde van alle pagode's; dan krijgt men het best een algemeenen indruk en ziet niet de détails. Het miste zijne uitwerking op ons niet. Wij stonden letterlijk verbaasd. Het was zoo geheel iets anders dan alles wat wij tot dusver gezien hadden en de talrijke Boeddhisten, die met ons de hooge stoep opklommen om daar boven hunne hulde te brengen aan den grooten profeet en hunne bloemen aan zijne voeten te leggen, werkten er toe mede om den diepen indruk, dien dat alles verwekte, te verhoogen. Het was een schoon Oostersch beeld, dat ons met sympathie vervulde voor de Boeddhisten en hun grooten voorganger. Den volgenden dag gingen wij er bij helder daglicht heen en toen nam al dat klatergoud, al dat gekleurde glas, dat bij avond als diamanten en robijnen schittert, en al die honderden Boeddhabeelden, elk in een afzonderlijken pagode rondom de eenige groote tombe, die het een of ander stuk van Boeddha's lichaam in haar binnenste herbergt, veel van het verheven gevoel weg, dat ons des avonds had bezield.
Rangoon is een mooie stad, veel mooier, veel Oosterscher en veel interessanter dan Calcutta. Er zijn zeer mooie rijtoeren in en om de stad te maken, die rondom de lakes is het schilderachtigst. Doet men dien tocht 's avonds tusschen vijf en zeven, dan heeft men nog het voordeel om heel de élite van Rangoon aan zich voorbij te zien trekken, vooral op een avond als er in het midden van een der groote grasvelden, waarvan alleen de Engelschen het geheim schijnen te bezitten om ze fluweel groen te maken, een muziekkorps van een of ander Engelsch regiment een concert geeft. Dan hoopt zich daar heel de groote wereld van dit cosmopolitische stadje in een betrekkelijk kleinen cirkel bijeen, dan vindt men daar specimina van bijna alle orientalische volkeren. Wij lieten ons rijtuig op kleinen afstand halt houden om die bonte menigte beter te kunnen overzien. Op dat in-groene grasveld, onder hooge palmen van allerlei soort, werd het militaire muziekkorps omringd door Europeanen in hunne witte kleeding; Burmeesche vrouwen en mannen in hunne veelkleurige sarongs en witte kabaja's, de vrouwen nog veel meer dan in de straten hunne haren met levende bloemen versierd; door geheele families Chineezen, hare staarten met gekleurde linten doorvlochten en mannen en vrouwen zóó gekleed in zijden broeken en jassen, dat wij ze niet van elkander konden onderscheiden; door Japanners in hunne eigen en eigenaardige kleederdracht; door vele Hindoes en Parsees en door de rijk met gekleurde koralen en gouden sieraden behangen Thibet-vrouwen. Hier kwamen al de rijke lui van Rangoon bijeen, menschen, die althans rijk genoeg om zijn eigen rijtuig, automobiel of rijpaard er op na te houden. Hier werd een stuk society-life afgespeeld, waarvan wij niet de volle beteekenis konden begrijpen, omdat wij bijna geen dier menschen kenden. Alleen van enkelen werd ons hunne beteekenis in de geld- en handelswereld medegedeeld.
Een van de bijzonderheden van Burma is wel het groote gebruik, dat nog gemaakt wordt van olifanten als arbeidskrachten in de houtwerken. Wil men dat echter goed zien, dan moet men dieper het land intrekken en de oerwouden bezoeken. Men had ons gezegd en ook de gidsboeken vermelden het, dat een paar mijlen van Rangoon verwijderd eenige houtzaagmolens zich van olifanten als arbeidskrachten bedienen en wij namen de moeite om een ochtend om zes uur op te staan en om half zeven te rijden naar een dier gelegenheden. Het was echter alleen ondergeschikt werk, dat daar door drie olifanten gedaan werd, het andere geschiedt alles machinaal. Dat hadden wij in Ceylon reeds veel beter gezien, zoodat wij dezen tocht vrijwel als een mislukten beschouwden. Bij de groote pagode is een zoogenaamde witte, heilige olifant. Het dier is echter heelemaal niet wit, alleen wat lichter grijs van tint dan zijne broeders. Men beweert echter, dat het beest bij de geboorte bijna wit was en bij de toeneming der jaren donkerder van tint is geworden. Het dier heet echter nog de witte olifant.
Behalve een overgroot aantal monnikenkloosters, bezit Burma ook nonnenkloosters. Die zijn echter slechts weinig in aantal. De nonnen gaan allen gekleed in een gele sarong met witte kabaja en daarover losjes een rose getinte, zeer dunne shawl. Zij vallen in de straten onmiddellijk op, omdat hare hoofden, evenals van de monniken, kaal geschoren zijn. Als men ze 's morgens vóór twaalf uur in de straten ziet, hebben zij meestal ook een bedelpan op het hoofd en verzamelen daarin de goede gaven der eenvoudige burgers. Deze nonnen leven, als 't kan, een nog doelloozer leven dan de monniken. Zij doen letterlijk niets, zelfs besteden zij den tijd niet aan het lezen der boeken van Boeddha. Zij meenen hemelsche zaligheid te verwerven door zich van alle wereldsche genoegens te spenen. Wat een hemelsbreed verschil met de Roomsch-Katholieke nonnen, waarvan wij juist hier in de lepragestichten de meest sympathieke staaltjes van zelfopoffering zagen. Lepralijders schijnen hier in grooten getale voor te komen, overal zijn hier tehuizen voor hen ingericht. Wij zagen zulk eene inrichting voor mannen en een voor vrouwen, waarin 350 lijders op de meest liefderijke wijze door Franciscaner nonnen verpleegd worden.
Moge het Boeddhisme ook veel aantrekkelijkheid bezitten en zeker de meest poëtische godsdienst zijn, mij bekend, de Boeddhist-monniken en -nonnen kunnen geen sympathie wekken. Terecht of ten onrechte schrijf ik den lagen stand van ontwikkeling van de Burmeezen aan hun invloed of althans aan hun voorbeeld toe. Niets-doen, in de volle beteekenis van het woord, geeft recht op vereering in dit leven en op eeuwige zaligheid hier namaals; dit is te gemakkelijk te verwerven dan dat in dit heete land, waar men zoo vanzelf energieloos wordt, niet tal van jonge mannen zich aangetrokken gevoelen om hunne lange haren te laten afscheren en in een gelen doek gewikkeld verder het leven te slijten. Tot daden, die eenige inspanning van geest of lichaam vereischen, komen deze menschen nooit; ook gelooven zij, dat elkeen bij de geboorte reeds is voorbestemd voor wat hem verder in het leven zal wedervaren en dat het doelloos is zich daaraan te willen onttrekken of dat te willen wijzigen. Van zulk een volk kan natuurlijk geen kracht uitgaan, zulke menschen brengen de wereld niet vooruit.
Ik bewonder mijzelf, dat ik hier nog de energie heb kunnen verzamelen dezen brief te schrijven, die, in letterlijken zin, in het zweet mijns aanschijns is ten einde gebracht. Over 't geen wij hier meer zagen en ondervonden, hoop ik op de boot naar Penang gelegenheid te vinden het een en ander mede te deelen, want 't is hier eigenlijk veel te heet om een vin te verroeren. Als ik hier lang bleef ben ik er niet zoo zeker van ook niet een Boeddhist-non te worden en het verdere van mijn leven in een zalig niets-doen door te brengen.
BURMA EN OP WEG NAAR PENANG.
Ik zit nu aan boord van de "Dilwara", die ons van Rangoon naar Penang zal brengen en ofschoon het ook hier snikheet is, zal ik toch trachten wat meer van Burma en de Burmeezen te vertellen dan ik in mijn vorig schrijven deed. Want dit land en volk is een ernstige studie waard, het is zoo geheel verschillend van alle andere volken. Eensdeels zijn zij eenige eeuwen bij anderen ten achter en anderdeels zijn zij andere natiën ver vooruit. Dit laatste vooral voor zoover het de positie der vrouwen betreft.
Ons plan was geweest, minstens drie weken in Burma door te brengen, naar Mandalay, de interessantste stad in Burma te gaan, vandaar naar Bhamo, een paar bergtoeren te maken en dan de Irrawadday-rivier afgaande, naar Rangoon terug.
Wij hadden de rondreiskaarten daarvoor reeds besteld den eersten dag toen wij arriveerden en nog vol energie waren. Toen ik echter den volgenden morgen na het ontbijt in de kamer van mijn reisgezellin verscheen om gezamenlijk uit te gaan, vond ik haar weder ontkleed op haar bed liggen, in Hindoe's costuum, zooals zij het geliefde te noemen en vast besloten "den heelen dag geen vin te verroeren, omdat zoo'n hitte niet te verduren is". Ik toog er toen moedig alleen op uit en vernam dat Mandalay op het oogenblik nog veel heeter dan Rangoon is, dat de booten op de smalle rivier, met de thans hooge oevers (omdat er weinig water in de rivier is) onuitstaanbaar zijn van de hitte en de muskieten, die aldaar bijzonder bijtlustig zijn, en dat wanneer wij het in Rangoon reeds te warm vonden, de voorgenomen reis sterk ontraden moest worden. Toen ik met dat bericht thuis kwam, besloten wij die reis op te geven en te trachten ons van onze reiskaarten weder te ontdoen. Met een verlies van 10% lukte ons dit. Wij moesten echter tot den 21en Maart in Rangoon blijven, omdat er geen boot vóór dien tijd naar Penang ging.
Wij hadden eenige introducties in Rangoon en ik had dien morgen genoeg vernomen om ons nieuwsgierig te maken. Met een opwekkend woord mijnerzijds en den prikkel om wat van Burma's vrouwen te kunnen vernemen, gelukte het mijn reisgezellin genoegzaam energie te verzamelen om haar Hindoe's voor een geciviliseerd toilet te verwisselen en met mij er op uit te gaan. Ik had ook een victoria bemachtigd, zoodat wij van de Rangoonsche gharrie verlost waren. Regelrecht lieten wij ons naar het gemeentehuis brengen, alwaar wij met den president en den secretaris van het gemeentebestuur een zeer belangrijk gesprek hadden. Het was waar wat wij vernomen hadden, dat de vrouwen van Burma het kiesrecht voor de gemeenteraden bezitten, evenals de mannen, en dat daarvan door hen geregeld gebruik wordt gemaakt, procentsgewijze evenveel als door de mannen. De vrouwen zijn ook verkiesbaar, doch voor zoover de heeren wisten, was er nog nooit een vrouw candidaat geweest voor een zetel in den raad. Maar sedert eenigen tijd begonnen de vrouwen zich te roeren, zij waren ontevreden met genomen besluiten, en de naam werd genoemd van een dame, die zich bij de volgende verkiezing candidaat zal stellen. Wij vroegen het adres van die dame en na nog tal van inlichtingen ontvangen te hebben, omtrent verschillende gemeente-instellingen, scholen, gevangenis, hospitalen enz., gingen wij die dame, Mah Illà Oung, opzoeken.
Dat was een vrouw naar ons hart. Zij was thans weduwe, doch reeds bij het leven van haar man, die een van de hoogste posities hier in Engelschen dienst bekleedde, stichtte zij verschillende sociale instellingen en trachtte zij de Burmeesche vrouwen te vereenigen. Zij was reeds twee keer in Engeland en werd zoowel door koningin Victoria als door koning Edward en koningin Alexandra in particuliere audiëntie ontvangen, waarop zij hen over toestanden in Burma met betrekking tot de opvoeding der Burmeesche meisjes inlichtte. Vooral door haar toedoen is er 'n groote verbetering gekomen in de opvoeding der Burmeesche meisjes, die nu, voor zoover 't de hoogere en middenklasse der bevolking betreft, allen naar school gaan. Haar ideaal is co-educatie voor jongens en meisjes, dat dan ook in de beide scholen, door haar in Rangoon gesticht, strikt wordt doorgezet. Haar scholen worden door 370 en 420 kinderen bezocht. De leerkrachten zijn grootendeels Burmeesche onderwijzeressen. Wij bezochten beide scholen en woonden een geheelen morgen 't onderwijs in de verschillende klassen van een der beide scholen bij, dat in de hoogere klassen geheel in de Engelsche taal gegeven wordt. Het was een genot die kleine Burmeesjes en Chineesjes te hooren en te zien. Het onderwijs brengt de kinderen zoover, dat zij, zoo gewild, in Engeland of Britsch-Indië een van de universiteiten kunnen bezoeken om een doctorstitel te behalen, of met een tweejarigen cursus aan een school voor opleiding tot onderwijzeres het examen voor dit vak kunnen afleggen. Beide scholen staan onder de hoofdleiding van 'n directrice, dames (Burmeesche), die in algemeene ontwikkeling en helder oordeel, in kennis van talen en van literatuur voor de besten in Europa niet behoeven onder te doen. Deze dames hebben hare geheele opleiding in Rangoon ontvangen. Mevrouw Illà Oung vertelde ons, dat nu haar streven is, in Rangoon een universiteit te krijgen, zoodat ook de doctorsgraad in de verschillende vakken aldaar behaald kan worden. Zij hoopt, dat dan wat meer vrouwen voor doctor in de medicijnen zullen studeeren, waar groote behoefte aan is.
Hier in dit land van pagoden en kloosters, van nonnen en monniken, hebben de vrouwen dezelfde rechten als de mannen. Huwelijken werden tot voor korten tijd zonder priesters en zonder burgemeesterbriefjes gesloten; meisje en jongen komen overeen om te zamen een gezin op te zetten en als de ouders het goed vinden, wordt daaraan op zekeren dag gevolg gegeven, meestal voorafgegaan door 'n eenvoudig huiselijk of familiefeest. Tegenwoordig helpt een Brahma'sche priester den band tusschen de jongelieden leggen. Doch ook nu nog behoudt het meisje in het huwelijk haar eigen naam en wat meer zegt, haar eigen bezit en recht op haar eigen verdienst. De meeste Burmeesche vrouwtjes verdienen, ook in het huwelijk, haar eigen onderhoud, evengoed als de mannen. Zij bezitten een stuk grond, dat zij zelf bebouwen, zij hebben haar eigen standplaats in de bazaar, waar zij zijde (dikwijls zelf geweven), zilver, houtsnijwerk of andere zaken verkoopen, zij gaan daags naar hunne kantoren of scholen, waar zij werken of onderwijs geven, of zij voorzien op andere wijze in eigen onderhoud. Even gemakkelijk als zij trouwen, kunnen zij ook scheiden, als een van beiden daartoe den wensch te kennen geeft en naar het bureau gaat, waar zij als man en vrouw staan ingeschreven. Als zij dan daar mededeelen dat hij of zij het huwelijk wenscht te ontbinden, dan wordt na eenige dagen ook de andere partij opgeroepen, vastgesteld wat ieder hunner vóór het huwelijk bezat en wat gedurende het huwelijk op beider naam is aangekocht of door gezamenlijke inspanning verkregen. Elk krijgt dan terug wat vóór het huwelijk het zijne was en het andere wordt verdeeld. Echtscheidingen in Burma zijn evenwel zeldzaamheden. De huwelijksband wordt om geen andere reden dan uit zuivere liefde gesloten en schijnt tegen een stootje bestand te zijn. Volgens de boeken van Fielding Hall gaat de hofmaking meestal van het meisje uit, doch toen ik een jonge Burmeesche schoone vroeg of dat waar is, gooide zij haar fijn besneden, zwart kopje op haar linker schouder, keek mij schalks met haar glinsterende zwarte oogjes aan en antwoordde bedeesd: "Ik geloof niet, dat meisjes daartoe den moed hebben". Maar toen ik haar, zooals zij daar voor mij stond, goed opnam, toen wist ik, dat zij en Fielding Hall beide gelijk kunnen hebben; zonder het in zoovele woorden uit te drukken, kan de hofmaking toch heel goed van het meisje uitgaan. Zulke zwarte oogjes kunnen meer uitdrukken dan de mond onder woorden kan brengen.
Wij woonden in de school ook een godsdienstles bij. Men had het over zielsverhuizing. Die les werd in 't Burmeesch gegeven, doch alles werd voor ons in het Engelsch vertaald. Wat ik daar hoorde, vind ik te belangrijk om er niet in het kort hiervan melding te maken. De Boeddhist gelooft niet aan een zielsverhuizing in den geest der Hindoe's. Hun godsbegrip is ook anders. Dit werd den kinderen op de volgende wijze duidelijk gemaakt. Eerst werd verteld van de electrische kracht die licht geeft, licht dat soms op grooten afstand van de lichtgevende kracht schijnt. De kinderen moesten zich nu een soortgelijke macht denken, die leven geeft. Een levengevende macht was de hoogste macht. Men kon die macht God, Jehova, Allah, of hoe ook, noemen, de naam was onverschillig, het was die macht, die over de geheele wereld alles beheerschte. Het leven werd verder vergeleken bij het electrische licht, de uitwerking van die macht, die wij zien. Soms breekt door een of andere oorzaak het lampje, het licht gaat dan uit. Zoo ook met het leven. Maar al is het lampje gebroken, het licht bestaat als te voren. De lichtgevende kracht had niet opgehouden te werken, het licht was niet verdwenen, het had slechts een ander omhulsel noodig om opnieuw te schijnen.
Toen ik zooveel van Burma en de Boeddhisten vernomen had, wilde ik Rangoon niet verlaten, alvorens nogmaals een bezoek te hebben gebracht aan de Shwé Dagon Pagode en de honderden pagoden rondom. Ik koos daarvoor weder den tijd van schemerdonker. Het was alsof die tallooze zittende Boeddha-figuren nu alle vriendelijk glimlachten en alsof een liefelijke muziek klonk uit die duizenden klokjes, die onzichtbaar aan de groote en kleine pagoden hangen en door den wind in beweging worden gebracht. Ik zag die bloemen brengende mooie Burmeesche vrouwtjes, met hunne poppige bébé's en de altijd vriendelijke en hulpvaardige mannen nu met andere oogen, ik voelde groote sympathie voor dit volk en zijne religie in mij opwellen. Jammer, duizendmaal jammer, dat onder den invloed van Amerikanen, Engelschen en andere Europeërs, dit volk langzamerhand zijne zeden en gewoonten begint te verliezen, en zij en wij meenen, dat zij van ons zooveel leeren kunnen. Zeker kunnen zij wat van ons leeren, maar daarnaast valt er voor ons ook zoo heel veel van hen te leeren.
Donderdag tegen den avond, nadat wij dus ruim een week in Burma hadden doorgebracht, begaven wij ons aan boord van de "Dilwara". Dit is een oude boot, die oorspronkelijk dienst deed voor troepenvervoer van Londen naar Calcutta. Voor dat doel werd hij afgedankt en nu gebruikt de Britsch-India Steam Navigation Co. hem als vrachtboot tusschen Rangoon, Penang en Singapore, met een begrensde ruimte voor passagiers. Die begrensde ruimte is nu tot over de grenzen bevolkt, het is alsof Indië al de nog resteerende toeristen opeens heeft uitgeworpen en, bijeengepakt op deze boot, naar koelere streken zendt. Het is grappig, hoe wij vele toeristen die wij in Ceylon of in Indië in de vele hotels ontmoet hebben, thans hier bijeen vinden en hoe levendig de gesprekken zijn onder al die heeren en dames, die elkander op dit kleine plekje nu weder ontmoeten. Het is lang niet gemakkelijk een hoekje te vinden om rustig te kunnen schrijven. De medepassagiers zijn voor het meerendeel Engelschen en Amerikanen, die nu op weg zijn naar Japan, doch er zijn toch ook betrekkelijk vele Duitschers en eenige Oostenrijkers onder. Veel interessanter dan de eerste klasse passagiers zijn de tusschendekpassagiers. Van over de leuning van de brug zie ik juist op hen neer. 't Zijn allen natives, zegt de eerste officier tot mij. Maar dan toch natives van bijna even zoovele tribes als er menschen daar beneden huizen. Dat is een gemakkelijker te vervoeren bende dan de 1ste klasselieden. Wij beklagen ons over alles, vinden de matrassen te hard, de hut te klein, geen gelegenheid genoeg om al ons hebben en houën te bergen, het ijs in onze dranken niet koud genoeg, de tien of twaalf gerechten, drie keer daags op de menu voorkomend, niet variëerend genoeg. De tusschendekpassagiers hebben allen precies zooveel ruimte, dat zij hun matje kunnen uitspreiden, waarop zij zich neervleien als zij gaan slapen, of waarop zij met gekruiste beenen neerzitten als zij wakende zijn. Die laatste toestand komt echter alleen voor, wanneer zij hun maaltijd gebruiken. Hun voedsel bestaat uit medegebrachte gekookte rijst, bananen en wat gedroogde visch of vleesch. Zij nemen niet kwart zooveel voedsel tot zich als wij gewoon zijn te doen en ze doen dat zonder omhaal van tafelbenoodigdheden. Geen borden, geen mes, lepel en vork, geen servet, geen drinkglas, niet van al die dingen die wij overbeschaafde menschen meenen noodig te hebben om ons voedsel in den mond te brengen. Zij zitten daar vlak naast elkander, geen speldruimte is er tusschen hen overgelaten, en zij lijken allen tevreden. In deze hitte zijn zij in hun element, hunne kleeren benauwen hen niet, behoefte aan beweging gevoelen zij niet.
Daar komen eenige jonge Engelsche athleten den eersten officier overvallen met de vraag, of er niet ergens een hoek gereserveerd kan worden, waar zij wat beweging kunnen nemen. Een Engelschman houdt het geen drie dagen uit zonder den een of anderen vorm van sport. De Duitschers kunnen zich onledig houden met musiceeren. Voor de ontstemde piano zit steeds en altijd een van de Duitsche heeren en vergast ons soms op de heele Wagnercyclus. Jammer, dat de piano niet bij machte is de goede bedoeling naar waarde weer te geven. Vreemd, dat verschil tusschen die twee groote naties, dat hier op dit kleine schip al bijzonder opvallend is. De krachtig gespierde Engelschman, wiens energie in hoofdzaak in armen en beenen huist en de min of meer smachtig uitziende Duitscher, intellectueel veel hooger staande, zijne genoegens en afleiding zoekend in geestelijk werk. Doch toen den tweeden avond een bal geïmproviseerd werd, waren Duitschers en Engelschen beiden in hun element. Niettegenstaande de hitte, en de meer dan beperkte ruimte, waren er toch nog steeds drie of vier paren te vinden, die op de tonen van de Waltzertraum-wals ronddwarrelden. Ons potsierlijk dik kapiteintje, met zijne veel te korte beentjes, was onvermoeid. Kon hij geen jong meisje of jong vrouwtje vinden om met hem op de tonen der muziek "rond te zwieren", dan beproefde hij zijn geluk bij de ouderen. De bezitters van een kodak betreurden het allen, dat het avond was en zij hem niet konden vereeuwigen, zooals hij daar rondsprong. Er heerschte op dit schip zoo'n opgewekte toon, er was den geheelen dag zoo'n onoverdreven vroolijkheid, er was zooveel afleiding, dat de 2 1/2 dag omvlogen.
Het was Zondagmiddag na de lunch toen het anker werd uitgeworpen en wij even buiten Penang stil lagen. De sloep met de doctoren voor de medische inspectie kwam aan boord. Ik schrijf doctoren, want naast mijne mannelijke collega liep ernstig en statig een klein Chineesch vrouwtje, in zwart zijden pantalon en wijd hangend jasje, haar glinsterende zwarte haren op Japansche wijze gekapt, die als de "lady-doctor" werd geïntroduceerd. Ik liet mij aan haar voorstellen, doch toen bleek, dat zij niets meer dan een "trained nurse" is, die door de regeering is aangesteld voor het medisch onderzoek der in Penang arriveerende vrouwen. Zij heeft haar opleiding in het hospitaal te Penang genoten.
Het bleek, dat op het schip toen het in Rangoon aankwam twee doodelijk afgeloopen gevallen van cholera en een van pest onder de tusschendekpassagiers waren voorgekomen en daarom al die menschen nu voor tien dagen in quarantaine gingen. Eerste en tweede klasse passagiers konden echter aan wal gaan. Hadden wij dat vroeger geweten, wij zouden niet zoo rustig en genoegelijk de reis op dit schip gemaakt hebben.
PENANG EN MEDAN.
Het is loonend eenige dagen in Penang door te brengen. De stad met de geheele omgeving heeft zeer veel overeenkomst met Kandy in Ceylon. Er is ongeveer dezelfde plantengroei, dezelfde soort bergen en dezelfde soort villa's voor de Europeesche bevolking. Maar de inlanders verschillen hemelsbreed van die op Ceylon. Naast enkele Indiërs, vindt men in Penang een overgroote meerderheid Chineezen, Maleiers en een mengsel van deze beide laatsten. Chineesch en Maleisch is de volkstaal, ook de kleederdracht dezer beide volken ziet men het meest aan den weg. Elke vreemdeling moet onmiddellijk getroffen worden door de groote zindelijkheid in de straten, zoowel in die, waar de Oosterlingen, als in die waar de Europeanen wonen. Alles ziet er keurig netjes en afgewerkt uit. De straten waarin in hoofdzaak Chineezen wonen, kenmerken zich duidelijk aan de gekleurde lampions, die aan elke woning hangen en aan de rood en blauw geschilderde plankjes met zwart of goud gemerkte namen in Chineesche letterteekens. Geheele buurten zijn door hen bevolkt en overal vindt men de kleine, nette gebouwtjes, meestal in een mooien tuin staande, waarin deze menschen 's avonds bijeen komen en hun clubgebouw hebben. Opmerkelijk is het, dat zoovele Chineezen hier, blijkbaar pas kortelings, hunne staarten hebben afgesneden en er nu, zoolang hun haar nog niet rondom is bijgegroeid, bespottelijk uitzien. De meening van de Europeanen in Penang is, dat de republiek in China voor goed is gevestigd, en dat geen volk ter wereld zoo rijp is voor een republiek als de Chineezen. Men vertelde ons, dat alle Chineezen, waar zij zich ook ter wereld bevinden, georganiseerd zijn. Elk hunner behoort tot zijn eigen geheim genootschap, waarvan zij hulp en steun ontvangen in tijd van nood en die hen van de noodige voorlichting dient. De positie van een Chinees kan niet zoo nederig en slecht betalend zijn, dat hij zijne contributie voor zijn genootschap niet vóór alles betaalt, en aan de voorschriften getrouw blijft. Dat maakt het volk thans sterk. Zij zijn over de geheele wereld overal doodgemakkelijk te bereiken en daar al die genootschappen gefedereerd en republikeinsch zijn, kunnen de instructies gemakkelijk uitgedeeld en gehandhaafd worden.
Wij bezochten in Penang een Chineeschen Boeddhistischen tempel, die eene bijzondere vermaardheid bezit. Zoowel de omgeving als de tempel zelf is zeer schilderachtig. De tempel is in een rots uitgehouwen, van den top van den berg kan men het geheel overzien. Het Chineesche Boeddhisme in Penang draagt meer het karakter van dat in Ceylon dan van dat in Rangoon. Hier weder geen offers van bloemen aan Boeddha, doch offers in geld en goed. Hier geen voedsel bedelende monniken, maar priesters die een zekere welvaart bezitten. Wij zagen een groep van acht priesters of monniken hun middagmaal nuttigen. Zij zaten allen op een stoel aan tafel, de hoofdschotel was rijst, doch daarnaast een dozijn andere gerechten, die bij de rijst genuttigd werden, en alles werd met dunne stokjes zeer netjes en sierlijk naar den mond gebracht. Is dat een trap van vooruitgang in beschaving, vroegen wij ons af. Deze menschen zitten niet meer op den grond, zij eten hun rijst niet met de handen en zij bedelen hun voedsel niet. Het mag zijn, doch de tempel in Penang, hoe schilderachtig die er ook uitziet, verwekt niet half die sympathie als de Pagodes in Rangoon. In dezen tempel zagen wij ook weder de afbeelding van zoovele duivels en draken en andere dingen om bang van te worden, die gereed staan om de menschen na hun dood te straffen, wanneer zij in hun leven iets boosaardigs gedaan hebben. Hier was weder een Boeddhisme, zooals wij ook in Ceylon aantroffen. Dan is het niet meer mooi; zoo kan Boeddha het nooit bedoeld hebben.
Wij hadden in de twee dagen die wij in Penang doorbrachten, juist tijd om een algemeenen indruk te krijgen en niets meer, en deze is een zeer gunstige. Het is er echter het geheele jaar door zeer heet en dat maakt er het verblijf voor de Europeanen zeer afmattend.
Wij verlieten Penang Dinsdagmiddag aan boord van de "Calypso", een Engelsche boot, en kwamen Woensdagmorgen in Deli aan. De Nederl. Paketvaart-Mpij. laat Dinsdags slechts een vrachtboot varen; wij zouden tot Vrijdag hebben moeten wachten, wilde ik aan mijn nationaliteitsgevoel voldoen om overal eigen ondernemingen te begunstigen, waar die te vinden zijn. Penang heeft een zeer pittoresque haven, maar om daar bij een beetje stormachtig weder aan boord te gaan of te landen, gun ik alleen mijne vijanden. Mrs. Catt noch ik dachten levend aan boord van de "Calypso" te komen, zoo ging de sampan, het bootje waarin de neger ons naar het schip roeide, op en neer en links en rechts. Dan eens zaten wij op de top van een golf, dan weder zakten wij zóó laag, alsof wij regelrecht naar den grond gingen. Op al onze zeereizen zijn wij beiden niet zoo nabij zeeziekte geweest als in dat kleine, nare ding. Tot overmaat van ramp bleek het dat de man niet wist welke van al die schepen de "Calypso" was, zoodat hij ons herhaaldelijk naar een verkeerde boot bracht. "Goddank", ontviel mij, toen wij eindelijk het schip in de gaten kregen en wij naderbij kwamen. Er waren slechts drie andere passagiers aan boord, zoodat wij een hut voor het kiezen hadden.
Om half acht kwamen wij Woensdagmorgen in Belawan-Deli aan, en werden op dat vroege morgenuur aldaar reeds verwelkomd door mevr. Lievegoed, mevr. van Hengel en mej. Baanders, die ons beiden een heerlijke bouquet orchideeën aanboden. Ik gevoelde mij zoo dadelijk thuis in Sumatra, alles klonk zoo familiair en sympathiek in mijne ooren. Toen het treintje ons een uur later in Medan afleverde, vond ik daar op het perron zoo waarlijk de lieve, goede, oude vriendin en warme voorstandster van vrouwenkiesrecht, mevr. Kunst en hare schoondochter, benevens eenige heeren. In het hotel De Boer waren een paar rustige, frissche kamers voor ons in gereedheid gebracht en per automobiel en rijtuigen brachten allen ons gezamenlijk naar het hotel.
Medan gaf mij op het eerste gezicht den indruk, alsof ik in Baarn rondreed, alles ziet er niet enkel Europeesch, maar zelfs Hollandsch uit. De geheele ontvangst, onze kamers, het geheele hotel, alles was voor ons eene verrassing. In onze groote, ruime, luchtige kamer staat 't bed in een groote vliegenkast; dit is nieuw voor ons, maar het lijkt mij wel zoo luchtig als de dichte gazen muskietnetten rondom de bedden in Britsch-Indië. Ook de rijsttafel om twaalf uur was "a new experience". Wij hadden door Britsch-Indië ook wel tot vervelens toe twee keer daags rijst met kerry gehad, maar het was niet dat. Wij kregen een soepbord voor de rijst en daarnaast een ander bord, waarop de tallooze bijspijzen gestapeld werden, die door drie verschillende jongens achtereenvolgens werden aangevoerd. Wij namen van alles een beetje "just to try", maar toen het oogenblik was aangebroken om er van te eten, wisten wij niet hoe er mede om te springen. "You ought to know", klonk de stem van mijne reisgezellin verwijtend, en ik zette een gezicht als iemand, die "wist" en vertelde haar, maar naar mij te zien en mij na te volgen. De "jongens" wisselden echter heel rare blikken onderling, die mij duidelijk toonden, dat wij niet op het rechte pad waren, zoodat ik, alvorens ons voor de tweede maal op deze wijze in de oogen der Javanen te compromitteeren, eerst bij onze goede vrienden zal informeeren hoe wij in het vervolg met al die lekkere kostjes moeten omspringen. Want lekker was het, daarover waren mrs. Catt en ik het eens; zij, die anders niet van rijst houdt, kwam nu tot de ontdekking, dat zij in Indië rijst en niets dan rijst wil nuttigen.
Ook over de badkamers wil ik een woordje zeggen, want over een paar dagen zijn wij er aan gewend en dan maken zij geen indruk meer. "En hier zijn de badkamers", zeide de hotelier tot ons, toen wij in de geheimen van het hotel werden ingewijd. Een viertal groote vertrekken met steenen vloeren, een waterkraan, aan de zoldering een douche en aan den muur een spiegel, maar het allereerste dat men in een badkamer verwacht,--een badkuip--ontbreekt. Men kan zich in deze vertrekken ongegeneerd begieten met koud water, wat ik vanmiddag, toen ik het van de warmte niet goed meer kon uithouden, deed, met het gevolg, dat ik kort daarna begon te transpireeren, zooals ik nog nooit in mijn leven heb gedaan, maar een bad nemen kan men niet. Ook over het gebruik van deze soort badkamers zal ik eerst nog de noodige inlichtingen moeten inwinnen, want het komt mij voor, dat zij zoo alle doel missen.
Kort nadat wij in het hotel aangeland waren, ontvingen wij een telegram uit Batavia, een welkomstgroet in Nederl.-Indië, van de ledengroep van de Ver. voor Vrouwenkiesrecht in Indië.
Onze goede vrienden in Medan lieten ons gedurende de heete uren van den dag tot rust komen, maar kwamen ons tegen vijf uur afhalen om een rijtoer in en rondom de stad te maken, zoodat wij ons konden oriënteeren en zij ons op de bijzondere plekjes opmerkzaam konden maken. Bij deze en latere tochten werd mijn eerste indruk nog versterkt, dat Medan en omstreken een bijzonder Hollandsch karakter draagt en alles er zoo netjes en welvarend uitziet.
Den tweeden dag van ons verblijf bezochten wij de tabaksonderneming van de Amst. Deli-Compagnie. De hoofdadministrateur, de heer v. d. Capelle, was zoo vriendelijk ons de auto te zenden om ons af te halen en hij zelf en zijne zuster vergezelden ons over de uitgestrekte bezittingen en legden ons de geheele tabakscultuur uit. Ongelukkig waren de droogschuren geheel leeg, doordat de tabak pas naar Holland was verzonden, doch wij zagen den nieuwen aanplant in verschillende stadia van ontwikkeling, en de heer v. d. Capelle gaf ons van het proces, dat de versch geplukte bladeren hebben door te maken, alvorens zij als dekbladen voor de fijne sigaren naar de markt gestuurd kunnen worden, zoo'n duidelijke verklaring, dat wij ons daarvan eene goede voorstelling konden vormen. Vooral troffen ons op deze onderneming de goede zorgen, die er voor de werklieden, de koelies, genomen worden. Aan hunne geestelijke ontwikkeling, hunne ontspanning, hunne gezondheid en hunne economische belangen wordt de grootste zorg besteed. Deze onderneming, die met zoo grooten voorspoed werkt, schijnt de nijvere mieren, die dien voorspoed helpen aanbrengen, bij de verdeeling der winsten niet te vergeten.
En nu zit ik reeds op de "Van Noort", de boot van de Kon. Paketvaartmaatschappij, die ons van Deli naar Batavia zal voeren. Wij waren de week, die wij in Medan doorbrachten, zoo bezet, dat er voor het vervolgen van dezen brief geen tijd overbleef. Ik zal dus nu aan boord mijne aanteekeningen over dat verblijf uitwerken en aan hen, die er belang in stellen, mededeelen.
De dames in Medan hebben de geheele week voor de noodige afwisseling gezorgd, en ons verblijf aldaar tot eene van de aangenaamste gemaakt die wij in de laatste maanden doormaakten. Een van de eerste dagen bracht men ons in aanraking met de vrouw en dochter van den Chinees-majoor, die ons allervriendelijkst op een morgenbezoek ontving. Wij vonden vooral in de moeder eene vooruitstrevende vrouw, die goed Hollandsch spreekt en die zich voor verschillende zaken interesseert. Doch zij is toch te veel nog vrouw van haar land dan dat er van haar eenig initiatief kan uitgaan om den strijd op te nemen tegen verouderde zeden en gewoonten. Haar 16-jarig mooi dochtertje is verloofd met een jong man, dien zij nog nooit gezien heeft en dien zij, nadat het huwelijk voltrokken en zij voor goed aan hem verbonden is, voor het eerst zal ontmoeten. De moeder vertelde dat zij een dergelijk huwelijk indertijd geweigerd heeft, dat zij het doorgezet heeft haar man eerst te zien en hem toen de belofte heeft afgedwongen, dat hij nooit eene tweede, wettige vrouw naast haar zou nemen. Haar dochtertje ging echter op de oude wijze het huwelijk en daarmede voor haar het leven in. Ook de weduwe, of liever een der weduwen, van den overleden Chinees-majoor had den wensch te kennen gegeven ons te ontvangen en ook daar brachten wij een kort bezoek. Deze dame sprak echter slechts enkele Hollandsche woorden, zoodat een gesprek met haar niet goed wilde vlotten. Daar interesseerde ons meer de typisch Chineesche woning, met den eigen familietempel, waar nog eenige keeren daags offeranden geplengd worden aan de nagedachtenis van den eerst eenige maanden geleden gestorven heer des huizes.
Zondagavond, 30 Maart, hadden wij de eerste openbare vergadering, waar Mrs. Catt en ik over vrouwenkiesrecht zouden spreken. Het was een snikheete dag en 't was alsof de avond nog zwoeler was dan de dag. Dat zal wel aan ons gelegen hebben, want wij hadden er tegen op gezien om in een temperatuur van zoo om en bij 90 graden Fahrenheit een lans voor de invoering van dat van zelf sprekend recht te breken. Wij waren bevreesd, dat niemand de moed zou hebben om bij die hitte in een zaal naar een voordracht over een, uit den aard der zaak, droog onderwerp te komen luisteren. Wat dit laatste betreft viel het echter bijzonder mede. Toen wij om kwart over negen, het uur waarop de vergadering zou beginnen, op het podium plaats namen, zagen wij voor ons een zaal vol dames en heeren, wier belangstelling in de publieke zaak groot genoeg was om de hitte in de zaal te trotseeren. Tot over twaalf uur bleef het geheele gehoor aandachtig luisteren, eerst naar onze voordrachten en toen naar de beantwoording van de ons gestelde vragen, en toen bij het sluiten der vergadering mevrouw Lievegoed, die deze bijeenkomst meesterlijk leidde, de aanwezigen attent maakte, dat allen, die wenschten het streven der leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Nederland te steunen, dit konden doen door als lid der vereeniging toe te treden, toen werden de daarvoor gereed gelegde lijsten zoo druk geteekend, dat de wenschelijkheid onmiddellijk bleek en ook werd uitgesproken, dat er een ledengroep in Deli en omstreken gevormd zal worden.
Toen wij den 1en April in den vooravond ook in Pangkalan Brandan, de groote petroleumonderneming, met de daar aanwezige Europeanen, dit voor ons zoo belangrijk onderwerp bespraken, bleek ook daar de belangstelling en de sympathie groot en werden ook daar vele leden gewonnen. Het was jammer, dat wij aan de uitnoodiging van de twee andere ondernemingen, om ook daar te komen spreken, niet meer hebben kunnen voldoen, anders was zeker de ledenoogst nog grooter geworden. De ledengroep in Deli begint nu met 86 leden te werken en zal onder de flinke leiding van mevrouw Lievegoed en enkele andere dames daar wel spoedig nog sterk in aantal winnen. Opmerkelijk is zeker, dat zoovele mannen zoo bereid gevonden werden ons pogen te steunen. Zij, die in Indië zelve invloed op onze wetgeving missen, voelen krachtiger dan de mannen in Nederland, hoe gemakkelijk in de regeeringslichamen de belangen verwaarloosd worden van hen, die niet vertegenwoordigd zijn.
De heer en mevrouw Du Pont, hoofdadministrateur van de onderneming "Pangkalan Brandan", hadden daar alles prachtig voor ons geregeld en ons op de meest voorkomende wijze gastvrij ontvangen. Mevrouw Lievegoed vergezelde ons ook daarheen en leidde op even eenvoudige en goede wijze als zij dat in Medan had gedaan, ook deze vergadering.
Het was een verrukkelijke tocht van Medan naar Pangkalan Brandan, waarvoor de heer Van de Capelle ons een van de mooiste auto's had afgestaan, zoodat wij nu eenige uren achtereen door de uitgestrekte tabaksvelden, rubberaanplantingen, pisang- en kokosnootbosschen vlogen, in plaats van drie uren in een primitieven trein door te brengen. Vooral des avonds, toen wij omstreeks middernacht langs de eenzame wegen huiswaarts keerden en de volle maan ons pad met een zilvergloed overgoot, toen schudden die wuivende pisangbladen en de mooi verlichte reusachtige kokosnootpalmen bij ons alle drie de fantasie wakker, zoodat wij zwijgend naast elkander zaten en alleen bij het voleindigen van den tocht den uitroep slaakten: "Hoe verrukkelijk!" Voor het eerst, na vele weken, ging ik dien nacht, heel laat, met een kouden neus naar bed.
Zou ik nog meer over Medan schrijven en over allen, die ons daar zoo voorkomend hebben ontvangen; over het allerliefste gezin van dr. Van Hengel; over de tallooze voorkomendheden van de goede mevrouw Kunst; over.... neen, ik noem niemand meer, want ik ben overtuigd, dat ik er altijd eenigen zou vergeten en onze waardeering voor al hetgeen men voor ons deed, kan ik toch nooit geheel in woorden uitdrukken.
Alleen met dezen totaalindruk wil ik eindigen: Medan is zoo'n aardig Hollandsch stadje, er heerscht zoo'n opgewekte geest, de temperatuur is er over het algemeen niet te heet (wij troffen het bijzonder heet en droog), de avonden en nachten zijn zoo aangenaam frisch, dat de Nederlanders, die aan de Oostkust van Sumatra familieleden hebben, niet bezorgd behoeven te zijn, dat hunne zonen of dochters, broeders of zusters, daar niet een gezond en genoegelijk leven leiden, en verzekerd kunnen zijn, dat de omgeving in het geheel op lichaam en geest eerder eene heilzamen, dan een deprimeerenden invloed uitoefent. In Medan en omgeving behoeft niemand te "verindischen", zooals wij dat gewoon zijn te noemen: er bestaat alle gelegenheid om geest en lichaam jong en frisch te houden en, als de tijd van repatrieeren is aangebroken, als verbeterde uitgaven van het Hollandsche ras in het vaderland terug te keeren.
5 April 1912.
AAN BOORD VAN DE "VAN NOORT" EN AANKOMST TE BATAVIA.
Door een groote groep vrienden werd ons Woensdagmorgen in Deli uitgeleide gedaan, vrienden, die werkelijk niet noodig hadden door bloemen en souvenirs hun aandenken bij ons levendig te houden. Onze gedachten zullen zeker nog menigmaal naar Sumatra's Oostkust teruggevoerd worden en met de grootste sympathie zullen wij gedenken allen, die wij daar ontmoet hebben. Mrs. Catt benijdt mijne, in dit opzicht, begunstigde positie, omdat ik mag hopen en verwachten allen vroeg of laat in het vaderland terug te zullen zien; maar op hare verzuchting: "where and when shall I meet them again", kon ik moeilijk het juiste antwoord geven.
De Koninklijke Paketvaartmaatschappij had juist deze week niet haar beste schuit in de vaart; wij moesten ons met de "Van Noort" tevreden stellen, een boot, die ik het best kan definieeren door de mededeeling, dat zij weldra aan de vaart, ten minste op deze zijlijn, zal worden onttrokken; en dat is goed ook. Deze boot strekt de maatschappij niet tot eer; het is niets te vroeg, dat er een andere voor in de plaats komt. Laat ik hopen, voor de reizigers, die na mij komen, dat dan op de keuken en wat daaruit te voorschijn komt, een ander toezicht wordt uitgeoefend. Het lijkt nu allemaal te veel op de menage van een welgestelde burgerhuishouding uit Groningen's of Friesland's achterhoek, in plaats van op de tafel van een eerste-rangshotel, waarop men als eerste klasse-passagier toch min of meer aanspraak mag maken. Zuurkool met spek, snijboonen met worst, hutspot met wortelen en uien, dikke erwtensoep met varkenskluifjes en zulke schotels meer, mogen onze Hollandsche kelen strelen als wij 's winters een flinken tocht op schaatsen achter den rug hebben en bij onze Hollandsche oud-Indische gasten een aangename herinnering wekken aan moeders pappot, maar bij een temperatuur van 90 gr. Fahrenheit en hooger en dan voor Fransche, Engelsche, Amerikaansche en andere toeristen, die aan zulk eten heelemaal niet gewend zijn, is zulk een menu, middag na middag, eenvoudig ongenietbaar en onverteerbaar. Als mede-passagier hoort men de gegronde klachten daarover in den regel meer en krachtiger uiten dan de directie van de maatschappij, of de hoofdpersonen op het schip. Om die reden wil ik er hier melding van maken.
De reis tusschen Deli en Batavia is een zeer aangename, omdat die vol afwisseling is. Men is op zee, doch men ziet nog iets anders dan lucht en water. Onophoudelijk gaat men links en rechts tusschen de vele eilandjes door, die in de straat Singapore, in de Chineesche Zee, de straat Banka en andere straten voorkomen en die met het bloote oog zeer duidelijk te zien zijn. Met een goeden kijker kan men zelfs de vegetatie op de meeste dier eilandjes zeer goed vaststellen., Ook biedt het oponthoud in Singapore een interessante afleiding. Wij kwamen daar Donderdag tegen den avond aan en gingen direct na het eten met den kapitein en een ander heer als geleiders eenige uren aan wal. De stad lag echter zoo in het duister, dat er niet veel te zien viel. Alleen een rijtoer langs de haven, met de tallooze schepen van heinde en ver, alle voorzien van de noodige lichten, bood een mooi gezicht. Vrijdagmorgen gingen wij, met de drie andere dames, die met ons de reis van Deli gemaakt hadden, reeds om zeven uur aan wal om gezamenlijk de stad te doorkruisen. Vijf rickshaws waren spoedig genomen en toen gingen wij in gezelligen optocht alle bijzonderheden van de stad zien, een bezoek brengen aan de botanische tuinen, die in deze tropische steden altijd een bezoek overwaard zijn, de Singapore'sche waterwerken bewonderen en toen naar den weg, die naar het Chineesche kerkhof leidt. Het was voor de Chineezen een soort heilige dag, een dag, die aan de dooden gewijd wordt. Het kerkhof was te ver af, dat konden wij niet meer bereiken, doch op den grooten weg daarheen zagen wij onophoudelijk een dichten drom Chineezen, mannen, vrouwen en kinderen, in automobielen, eigen rijtuigen, gharries of rickshaws gezeten, allen voorzien van de vele verschillende offeranden, die ter eere der dooden op hun graf verbrand zouden worden. Wat wij daar hebben zien heendragen, zou genoeg zijn om een geheel dorp weken lang te onderhouden. Speenvarkens of dieren, die er heel veel op gelijken, zagen wij geheel gevild en met een rijstrand en andere ingrediënten voorzien, keurig opgemaakt, herhaalde malen ons voorbij trekken. Taarten, vruchten, groenten, visch, vleesch, doch ook stukken huisraad, doeken en shawls, en vooral tallooze bundels goud- en zilverpapier met spreuken, aan de dooden gewijd, waren alle bestemd om verbrand te worden, om de geesten der lieve afgestorvenen van stoffelijk en geestelijk voedsel te voorzien.
Singapore maakt bij avond en bij dag geen bijzonder aangenamen indruk. In de stad treedt het Chineezen-element sterk op den voorgrond en men voelt als bij intuïtie, dat men China en de Chineezen niet mag beoordeelen naar de exemplaren, die men in deze havenstad ziet. Vooral niet naar hetgeen spreekt uit de tronies der mannen en vrouwen, die in de straten nabij de haven wonen en die leven van hetgeen zij bemachtigen kunnen van de op zee verdiende centen van het lagere scheepsvolk. Opmerkelijk was het, hoe in Singapore bijna alle Chineezen hun staart hebben verloren, een bewijs, dat geen hunner meer twijfelt aan het voortbestaan der republiek, anders zouden zij wel wat voorzichtiger met dat kenteeken zijn geweest. Zonder staart hebben zij uiterlijk alle aantrekkelijkheid verloren en hebben vervelende, domme gezichten.
Toen wij om twaalf uur op het schip terugkwamen, leverde het dek van de boot een voor ons geheel nieuw gezicht. Wij hadden in Singapore tal van medereizigers verkregen, zoodat elke hut geheel gevuld was, en alle scheepsofficieren zelfs hunne hutten hadden moeten afstaan. Ons gezelschap, dat eerst hoofdzakelijk Hollandsch was, was nu opeens zoo cosmopolitisch mogelijk geworden. Heeren en dames van alle natiën zouden de 36 uren, die ons nog van Batavia scheiden, de boot met ons deelen. Ik kwam al ras tot de ontdekking, dat het toch wel goed was, dat er een gedrukt voorschrift, in drie talen, in een van de salons hing, hoe men zich op het schip heeft te kleeden en te gedragen. Toen ik dat voor het eerst zag, kon ik een glimlach niet onderdrukken, maar nu begon ik het toch te apprecieeren. Een Hollandsche gravin, die Fransch sprak, en Hollandsch vloekte; eene Fransche baronne, samen met een Belg, die zich voor Franschman uitgaf; eenige Engelsche jockey's op weg naar Australië; en nog vele van die interessante typen meer, die ik niet nader wil aanduiden, vormden den groep nieuwe eerste klasse passagiers.
Op Banka legden wij even aan, om de mail aan boord te nemen, een paar koelies aan wal te laten gaan en om een geëmployeerde van Muntok even gelegenheid te geven, eenige formaliteiten uit te voeren. Het was jammer dat dit alles slechts minuten duurde en er van een aan wal gaan geen sprake kon zijn. Ik had zoo graag even een kijkje genomen op het eiland, dat ons zoo braaf van tin voorziet.
De vier dagen aan boord van de "Van Noort" gingen snel, veel te snel om, want niet alleen dat de reis gezellig en vol afwisseling was, maar ook de frissche zeelucht koelde de temperatuur genoegzaam af, om het ons des daags op het dek en des nachts in de hut héél aangenaam te maken.
In plaats van Zondagmorgen bij het ochtendgloren in Tandjong Priok vastgemeerd te liggen, zooals ons voorspeld was, hadden de goedgeloovigen, die al om 6 uur klaar stonden, om aan wal te gaan, nu gelegenheid eerst te genieten van het mooie gezicht op de Duizend Eilanden, waarvan vooral Edam, met zijn grooten vuurtoren, en met een zee van geel morgenlicht overgoten, heerlijk groen tegen den blauwen horizon afstak. Het eene eilandje voor, het andere na, dook uit de zee op, tot wij eindelijk de haven van Priok in het gezicht kregen. Het was werkelijk niet alleen mijn Hollandsch hart, dat sprak, het waren de frisch groene oevers, groen in velerlei kleurschakeering en frisch door de pas afgeloopen plasregens, die met het rood en zwart van de nieuw geverfde schepen in de haven een zoo vroolijk en vriendelijk geheel vormden, dat zij mij van verre reeds den indruk gaven, alsof Batavia ons tegenlachte en die ons den vriendelijksten welkomstgroet boden, die ons tot nog toe uit een van de vele havens die wij reeds op onzen reis aandeden, gewerd. "O, kijk eens, hoe heerlijk frisch en vriendelijk de haven er uit ziet," riep ik mijn reisgezellin, die minder vertrouwend op de voorspellingen van aankomst eener boot haar morgenslaap niet te vroeg had onderbroken, door het hutvenster toe. Zij lachte even; zij plaagt mij reeds lang, dat ik in Java alles van te voren reeds naar mijn hart vindt, doch toen zij eindelijk toch bovenkwam, moest ook zij toegeven, dat dit de vriendelijkste haven was, die wij tot nog toe aandeden.
Maar toen gebeurde iets, dat een schaduw goot over mijn trotsch Hollandsch hart. Toen wij ten slotte vastgemeerd aan den steiger lagen, klonk het kapiteinlijk bevel, dat niemand van boord mocht gaan en niemand aan boord mocht worden toegelaten, vóór dat alle eerste- en tweede-klasse passagiers voorzien waren van "een toelatingskaart in Java". Dat is wat nieuws, en eerst met 1 April 1912 ingevoerd. Niemand mag een schip verlaten, om in Java aan land te gaan, zonder voorzien te zijn van een bewijs, dat hij of zij.... ja, wat eigenlijk is. Als men in Indië geboren of Nederlander is, dan krijgt men zoo'n bewijs voor niets, alle anderen hebben voor dat papiertje f 25 te betalen. Dit geld kunnen zij weder terug ontvangen, als zij binnen zes maanden Java verlaten.
Op mijne aan verschillende personen, die het konden weten, gestelde vraag, wat deze maatregel beteekende, kreeg ik steeds ten antwoord, "om minder gewenschte elementen te weren". Maar dat kan toch onmogelijk de reden zijn, want "minder gewenschte elementen", die eerste en tweede klasse reizen, kunnen immers voor f 25 een toelatingsbewijs koopen. Wil de regeering weten, nu de toeloop van toeristen in Java wat begint toe te nemen, wie de personen zijn, die het eiland doorkruisen, dan kan zij elken nieuweling een vragenlijst laten invullen, zoodat men alle bijzonderheden (als zij ten minste naar waarheid zijn ingevuld) van de tijdelijke of blijvende gasten kent, maar om een sommetje van f 25 te vragen van elken niet-Nederlander, die Java binnentreedt, lijkt mij een regeeringsmaatregel, die toont, "dat een klein land in kleine zaken heel klein kan zijn." Bovendien veroorzaakt deze maatregel een oponthoud van vele uren, uren, die men daar op het schip wachtende moet doorbrengen, totdat allen zoo'n toelatingsbewijs ontvangen hebben, en dat op een oogenblik, dat naaste familieleden daar beneden aan wal staan te wachten, hunkerend naar het oogenblik van wederzien; uren, die mannen van zaken ontstolen worden van hun duren tijd, die dikwijls met zoovele malen vijf en twintig gulden niet te betalen zijn. Was het wonder, dat elkeen mopperde over dezen maatregel en elkeen overtuigd was, dat het onmogelijk is, dien op den duur te handhaven. Wij, op dit betrekkelijk kleine schip, hadden daardoor reeds een zoo lang oponthoud, maar hoe zal dat zijn als de groote schepen met een paar honderd passagiers aan boord binnenkomen! En al die last en moeite voor een imaginair voordeel!
Toen wij eindelijk verlof kregen om het schip te verlaten, vonden mrs. Catt en ik daar beneden aan den steiger een vijftal dames, bestuursleden van de ledengroep in Ned.-Indië, om ons te verwelkomen. Drie lieve hoogere burgerscholiertjes, evenals de dames bestuursleden in wit gekleed, en met strikjes van de vrouwenkiesrechtkleuren getooid, boden mrs. Catt en mij elk een bouquet aan van witte chrysantemums en goudgele bloemen, ook daarin zich strikt houdende aan onze eigen kleuren. Een heer, de heer Nittel, was zoo vriendelijk geweest de dames te vergezellen en ons in alles, maar voornamelijk met de bezorging van onze bagage, van grooten dienst te zijn. Eenmaal in Tandjong Priok aan wal gestapt, waren alle zorgen ons ontnomen, voor alle gebeurlijkheden had men voorbereidende maatregelen getroffen, wij hadden slechts in den gereedstaanden trein te stappen om met het heele gezelschap in een gereserveerden waggon, naar Batavia te sporen.
Ook daar was reeds voor alles gezorgd. In het Hotel der Nederlanden was een mooi paviljoen voor ons afgehuurd en daar vonden wij een grooten standaard van witte en goudgele bloemen van de bestuursleden, een groote mand bloemen in dezelfde kleuren van de presidente en bovendien nog een zeer mooie mand bloemen van eenige oude vrienden uit het vaderland. Een baboe, die ons gedurende ons verblijf hier is toegevoegd, zorgde voor de ontpakking onzer koffers; wij konden ons in de koele voorgalerij nederzetten om even van onze bewondering en verwondering te bekomen. Want lang liet men ons niet met rust. Reeds spoedig kwamen de reporters van verschillende couranten ons interviewen om van onze reiservaringen te vernemen en over onze reisplannen in Java het nadere te hooren. Maar 't was gelukkig de eerste Paaschdag en er viel daarom voor ons op dien en den volgenden dag niet veel te doen. Om half zes 's avonds kwam mijne zuster, de apothekeres Charlotte Jacobs, die reeds bijna 30 jaren in Batavia woont, ons afhalen voor een rijtoer, die echter na korten tijd onderbroken moest worden door de hevige stortbuien, die ons plotseling overvielen. Den kalmen Maandag, die ons nog van de zeer drukke voor ons liggende week scheidde, gebruikten wij om het Museum van Batavia te bezichtigen. Wij vertoefden er van 's morgens half tien tot twaalf uur en zijn nog lang niet half dit buitengewoon belangrijk museum van Indische kunst en oudheden door. Wij hopen er nog een anderen heelen morgen heen te gaan.
Op onze geheele reis hebben wij nergens verzuimd de musea te bezoeken, doch eene zoo belangrijke, leerrijke en kostbare verzameling als in het museum te Batavia, hebben wij nergens aangetroffen. De dochter van den directeur, mej. Tine Prange, had de goedheid ons dit interessant gebouw rond te leiden en ons op alle bijzonderheden opmerkzaam te maken. Zij was wel de meest gewenschte persoon, die wij voor dat doel konden treffen, want niet alleen is zij in het museum, waar haar vader de scepter voert, geheel tehuis, maar zij is zelf de bezitster van eene zoo belangrijke en kostbare verzameling van oud-Indische kunst, dat men ook aan hare particuliere collectie eenige interessante uren kan besteden. Deze veelzijdig ontwikkelde vrouw, die met zeer veel verstand en overleg een eigen verzameling opbouwt, is haar vader in zijn veel omvattend werk een groote steun.
Allerzonderlingst keek ik op, toen ik vernam, dat het museum in Batavia, met zijn kostbaren en belangrijken inhoud, geen nationaal bezit is, doch dat het opgebouwd en in stand gehouden wordt door eene vereeniging, wier leden eene jaarlijksche bijdrage leveren of een contributie betalen. Van het al of niet voortbestaan van zoo'n vereeniging, van het al of niet in kas hebben van veel of weinig geld, hangt dus de in standhouding en den verderen opbouw van dit belangrijke museum af. Wordt het niet tijd, dat de regeering er toe overgaat deze kostbare verzameling te annexeeren en de in standhouding en uitbreiding te verzekeren, onafhankelijk van den wisselvalligen kasinhoud eener particuliere vereeniging?
Morgen begint ons werk hier en daar alles door de ledengroep van Batavia uitstekend is voorbereid, hopen wij op groote belangstelling.
Batavia, 9 April 1912.
OP JAVA.
I.
Laat mij eerst vertellen, hoe wij hier in Batavia gehuisvest zijn, want het hotelleven hier is in vele opzichten anders dan in Europa. Wij zitten dan met ons beidjes in een eigen huisje, een paviljoen genaamd. Daarin hebben wij een groote, luchtige slaapkamer met wat daarbij behoort, een binnenkamer en een voorgalerij. Van de voorgalerij hebben wij een ruim uitzicht over het Koningsplein. Denk niet, dat dit plein eenige overeenkomst biedt met dat in Amsterdam. Hier is het een onafzienbaar groote, groene weide met koeien en ander gedierte er in. Over den drukken en breeden grintweg, die ons van het plein scheidt, defileert Batavia's bevolking voor onze oogen. Door kalmpjes in een luien stoel in de voorgalerij te gaan zitten, zien wij genoeg om onze gedachten bezig te houden en op een gemakkelijke manier het leven hier te bestudeeren. Twee keer daags, voor de hoofdmaaltijden, moeten wij eene wandeling van zoowat een halve mijl maken om naar het hoofdgebouw te komen, het overige van den dag merken wij van het hotelleven niets en zitten wij samen knusjes in ons eigen huis.
Nu eens deze, dan gene van de dames hier stelt zichzelf met haar auto voor een deel van den dag te onzer beschikking, zoodat wij in korten tijd veel hebben kunnen zien. Ik zal mij echter niet wagen aan eene beschrijving van Batavia, nu in den laatsten tijd zoovele literair hoog staande personen hunne pennen in dienst hebben gesteld van dit doel. Alleen wil ik deze opmerking maken. Hoe vele mooie lanen, hoe vele verrukkelijke plekjes, hoe vele belangrijke gebouwen Batavia ook bezit en hoe welvarend de geheele stad er ook uitziet, men krijgt toch telkens den indruk, dat Batavia nog niet af, nog in wording is. In dat opzicht verwekt Medan een beteren indruk.
Wij zijn thans een week in Batavia en hebben nu, om het zoo maar eens te noemen, de werkweek achter den rug. Wij blijven nog een week hier om verschillende inrichtingen van onderwijs te bezoeken, eenige sociale instellingen te zien en nog een avond te gaan spreken in Buitenzorg.
De werkweek, die achter ons ligt, vergde geen hard werk van ons en werd door heele prettige bijeenkomsten onderbroken, maar in een land zóó heet en in een klimaat, waaraan wij nog niet gewend zijn, en in een week, waarin ik familieleden en ook vrienden wederzag, die ik in vele jaren niet had ontmoet en in een stad, waar ik bij aankomst een groot pakket correspondentie uit Nederland op mij wachtende vond, twee avonden in de eerste week te vullen met spreken over vrouwenkiesrecht, deed ons toch wel een beetje opzien tegen dien plicht. Zij ligt nu gelukkig goed en wel achter ons.
Direct Dinsdag na de Paaschdagen, was er in Maison Versteegh een thee georganiseerd, waarop de heeren- en damesleden van de Vereeniging van Vrouwenkiesrecht alhier met ons en wij met hen konden kennismaken. De dames, die zich tot een feestcommissie of tot eene commissie van ontvangst geformeerd hadden, hadden voor dit doel de mooie bovenzaal artistiek versierd met groene en witte en goudgele bloemen en linten, zoodat alles in den toon was van onze vrouwenkiesrechtkleuren. Een groot aantal heeren en dames werd ons voorgesteld, vele van hen voor mij oude vrienden of bekenden uit het vaderland. Mrs. Catt won stormenderhand de harten van de aanwezigen en heeft in deze eene week in Batavia tal van warme vrienden gemaakt. Door de presidente van de ledengroep in Batavia, de apothekeres mej. Charlotte Jacobs, werd ons uit naam van de Nederl.-Indische leden een hartelijk welkom toegeroepen, waarop eerst mrs. Catt en daarna ik een korte toespraak hielden. Dat was het eenige officieele van dien dag, maar onofficieel in gezellige gesprekken, waarin wij dikwijls zeer wetenswaardige bijzonderheden vernamen van het leven op Java en van de verhoudingen tusschen de verschillende rassen, die hier leven, bleven wij zóó lang bijeen, dat het etensuur, dat hier zeer laat is, het ligt tusschen 8 en 9 uur 's avonds, reeds verstreken was vóór allen uiteen gingen.
Woensdagavond was de groote voordrachtsavond. Daarvoor was de groote schouwburgzaal afgehuurd, die zich tegen 9 uur, niettegenstaande de bijna ondragelijke hitte, met heeren en dames uit alle rangen der hier levende Nederlanders zoo goed als geheel vulde. Behoorde er voor ons doorzetting en kracht toe om in die heete atmosfeer te spreken, niet minder energie werd er aan den dag gelegd door al die toehoorders, die tot aan het eind van den avond bleven zitten luisteren naar de bespreking van een zoo droog en nu langzamerhand zoo afgezaagd onderwerp als vrouwenkiesrecht. Door mej. Haarman, vice-presidente van de ledengroep alhier, werd deze vergadering geleid en werden wij tweeën aan het publiek voorgesteld. Mrs. Catt sprak over de internationale beteekenis van den strijd voor vrouwenkiesrecht en hoe door, of gepaard gaande met de nu ruim een halve eeuw bestaande beweging voor vrouwenkiesrecht, de positie van de vrouw in de maatschappij overal gaandeweg een andere, een betere is geworden. Dat zij met hare gloedvolle voordracht, hare klankvolle stem en hare sympathieke persoonlijkheid, elkeen voor zich innam en allen twijfel aan het goed recht van onze zaak overwon, behoeft voor wie haar kennen eigenlijk niet meer gezegd te worden.
Het is niet aanmoedigend en het vereischt eene groote mate van overtuiging, dat het moet, om na zoo'n spreekster te durven opstaan en voor dezelfde zaak op andere wijze een lans te breken. Ik gevoel dat telkens zeer sterk, als ik na Mrs. Catt het woord moet nemen om met andere argumenten ons goed recht te bepleiten. Voortgaande op hetgeen Mrs. Catt in groote, breede trekken begonnen was, schetste ik de evolutie der menschheid met betrekking tot de veranderde positie der vrouw, vooral met het oog op de Nederlandsche vrouw en toonde aan, dat onze verouderde wetten, die met deze evolutie geen gelijken tred hebben gehouden, den toestand in Nederland thans voor menige vrouw onhoudbaar hebben gemaakt. Nadat ik gesproken had, was er eenige oogenblikken pauze, waarvan vele aanwezigen gebruik maakten om de lijsten, die in eene bijzaal ter teekening waren neergelegd, voor hen, die als lid tot de vereeniging wenschten toe te treden, te teekenen.
Na de pauze werd gelegenheid tot debat gegeven, waarvan zoo goed als geen gebruik werd gemaakt. Toen werd geannonceerd, dat zij, die na langer nadenken toch nog bedenkingen hadden, deze schriftelijk konden indienen, en dat Mrs. Catt en ik genegen waren, die dan alsnog des Vrijdagsavonds te bespreken. Voor Vrijdagavond was een openbaar debat uitgeschreven, waar ieder met bedenkingen tegen de invoering van vrouwenkiesrecht voor den dag kon komen, waarop wij hadden te antwoorden. Van de gelegenheid om schriftelijke bedenkingen te mogen indienen, werd een ruim gebruik gemaakt, zoodat wij Vrijdagavond in de prachtig met bloemen en vlaggen versierde logezaal ruimschoots gelegenheid hadden, de ook bij ons bekende en eigenlijk overal gehoorde argumenten tegen vrouwenkiesrecht te weerleggen.
Mrs. Catt nam voor haar deel de drie bezwaren, die min of meer een internationaal karakter droegen en die daarop neer kwamen, dat vrouwen geen dienstplicht vervullen en daarom geen kiesrecht moeten hebben, dat vrouwenkiesrecht, waar het is ingevoerd, de vrouwen ook geen hemel op aarde gebracht heeft en dat de militante strijdsters voor vrouwenkiesrecht in Engeland deze zaak voor de vrouwen overal bederven. Hoog en breed vatte zij de weerlegging dezer argumenten op, wees aan, dat oorlogvoeren in den regel beteekent huis en haard beschermen tegen de indringing van vreemden en om de maatschappij, waarin wij leven gaande en staande te houden. Evenals in tijden van vrede, bestaat er ook in tijden van oorlog verdeeling van arbeid. De mannen trekken met het zwaard in de vuist ten strijde, de vrouwen blijven tehuis om huis en haard te beschermen en de productie in den staat voort te zetten, deze niet te doen stilstaan. Zouden in een land de vrouwen met de mannen uittrekken ten strijde, dan zou spoedig in zoo'n land alle voortbrenging stil staan en het voortbestaan van den oorlog onmogelijk maken. Zij wees er op, hoe Engeland onbewust dit de wereld heeft getoond door in den onrechtvaardigen Zuid-Afrikaanschen oorlog de vrouwen in de concentratiekampen op te sluiten en haar zoodoende te verhinderen verder te produceeren. Uit den mond van president Stein hadden wij vernomen, dat de Zuid-Afrikaansche vrouwen in één jaar tijds zooveel hadden voortgebracht, dat daarmede de oorlog drie jaren door de mannen kon worden staande gehouden, "maar", zoo zeide de heer Steijn, "toen eenmaal onzen vrouwen de handen gebonden waren, moesten wij den strijd opgeven, was verder strijden nutteloos en noodeloos." Dat vrouwen strijden kunnen en als het noodig is ook strijden willen, dat hebben zij in zoo menige episode in de wereldgeschiedenis bewezen; het komt er maar op aan, en dat houden zij steeds voor oogen, waar zij in een gegeven tijd en onder gegeven omstandigheden het meeste nut kunnen stichten.
Het tweede bezwaar, dat vrouwenkiesrecht nog nergens voor de vrouwen een hemel op aarde getooverd had, gaf zij grifweg toe, doch het had wel overal eene menigte andere goede zaken tengevolge gehad. De voornaamste gevolgen, gevolgen, die direct de geheele menschheid ten goede komen, gevolgen, die overal geconstateerd kunnen worden, waar vrouwenkiesrecht reeds eenigen tijd heeft bestaan, zijn in de eerste plaats het verhoogd zelfrespect der vrouwen, en eene verhoogde waardeering van den man, grooter belangstelling in de zaken van algemeen belang en de instaatstelling der vrouw om hare private en huiselijke belangen zelve te behartigen en zichzelf en haar gezin te beschermen op eene wijze, zooals alleen een politiek ontvoogde vrouw kan doen. Met enkele gegevens lichtte zij deze voordeelen toe.
Op de suffragette vraag antwoordde spreekster, dat deze vrouwen ongetwijfeld het vrouwenkiesrecht-vraagstuk hebben gediend en bevorderd, overal in het buitenland; dat het door haar optreden is, dat de aandacht op deze zaak overal gevestigd werd en het nu "het alles overheerschende vraagstuk" is geworden. Door haar gewelddadig optreden hebben zij de wereld wakker geschud en, ofschoon Mrs. Catt persoonlijk tegen geweld is en gelooft in een vredige oplossing van dit vraagstuk, meende zij toch de suffragettes niet te mogen onthouden de waardeering, waarop elk aanspraak heeft, die den moed zijner overtuiging niet alleen durft uitspreken, doch er ook voor wil strijden en lijden.
Ik had toen nog de beantwoording der vragen voor mijne rekening, of de vrouwen wel kiesrecht noodig hebben, nu toch langzamerhand wordt ingezien, dat de grieven der vrouwen gegrond zijn en er in den loop van den tijd wel gaandeweg betere wetten zullen komen.
"Geduld" werd ons van dien kant toegeroepen. Verder kwam het afgezaagde bezwaar van oneenigheid in de gezinnen, als de gehuwde vrouw ook kiesrecht zal hebben; de vrees, dat de vrouw, die kiesrecht heeft, hare huiselijke en moederplichten zal verwaarloozen; dat er op een schip geen twee kapiteins kunnen zijn, voorafgegaan door een vergelijking van het huwelijk met een schip; het argument, dat de vrouw geen belasting betaalt en als zij het doet, dan is het van het geld van haar man en wie geen belasting betaalt, mag ook geen invloed hebben op de besteding der belastingsommen; dat er meer vrouwen dan mannen in de meeste landen zijn en bij invoering van vrouwenkiesrecht de mannen overstemd zullen worden en nog enkele andere dergelijke argumenten, die wij ook kennen van de vergaderingen in Holland. Bij de beantwoording dier bezwaren zal ik niet stilstaan; wie er belang in stelt, ga naar de eerste de beste vrouwenkiesrechtvereeniging in Holland en hoore naar de weerlegging er van.
De vergadering, die weder zeer druk was bezocht door personen van beiderlei geslacht, hield ons weder van kwart over negen tot na middernacht bezig en droeg een bijzonder vriendschappelijk en sympathiek karakter.
Zaterdagavond werd ons door tal van heeren en dames een diner aangeboden, weder bij Versteegh. De tafelversiering, die bijzonder aantrekkelijk voor ons was, omdat weder wit en goud de hoofdtonen waren, was door eenige dames zelf tot stand gebracht. Vroolijke muziek luisterde het bijzijn op, doch die bleek niet bepaald noodig te zijn om eene vroolijke, gezellige, prettige stemming gaande te houden. De nacht was reeds voor een goed deel verstreken toen wij uiteengingen; wij met den wensch in het hart, dat wij de aanzittenden nog menigmaal, ook hier in Indië, zullen mogen ontmoeten.
De ochtenden werden door ons telkens besteed om met een der dames een autotocht te maken en het een of ander van Batavia te zien, zoodat wij met een gevoel van zelfvoldoening kunnen terugzien op deze welbestede week. Wel vragen wij ons telkens af, "hoe lang zullen wij dit drukke leven in zulk een heet klimaat volhouden" en gevoelen wij, dat wij tot beperking van ons arbeidsveld moeten overgaan. Ik heb dan ook reeds moeten bedanken voor vele aanvragen om voor vereenigingen of debatingclubs te komen spreken, die niet regelrecht de bevordering van de belangstelling in het vrouwenkiesrechtvraagstuk beoogen.
Ik wil dezen brief niet eindigen, alvorens nog eens terug te komen op de allerdwaaste maatregel door de Nederlandsche regeering hier ingevoerd om het binnenkomen in Java voor landgenooten en vreemdelingen te bemoeilijken. Wij waren er met het ons op het schip verstrekte toegangsbewijs, waarvoor Mrs. Catt vijf-en-twintig gulden moest betalen, nog niet af, want het bleek, dat wij dat bewijs nog eerst in Tandjong Priok voor een ander hadden moeten inwisselen. Daarvan was met geen enkel woord op de boot melding gemaakt, geen der passagiers was gewaarschuwd dat men eerst na inwisseling van het op het schip ontvangen bewijs, tegen een definitieve toelatingskaart, die op Tandjong Priok werd afgegeven, Java verder mocht binnentrekken. Daar kwamen al die menschen na een uur sporen in Batavia aan om daar te vernemen, dat het bewijs, dat zij hadden, eigenlijk niets waard was en zij naar Priok terug moesten, om een nieuwe, 'n andere kaart te halen. Heeft men ooit van zoo'n onbesuisden maatregel meer gehoord? En is het wonder, dat vreemdeling en Nederlander vragen, of wij in een land van gekken in plaats van in eene der koloniën van het verlichte en beschaafde Nederland zijn aangekomen?
Door middel van het Toeristenverkeer-Bureau en met hulp van den Resident werd het ons gespaard naar Priok terug te keeren en werden ons een paar dagen later de toegangsbewijzen overhandigd, nadat wij beiden daarvoor, of voor wat anders, f 1.50 hebben moeten betalen. In welk land is Nederland ter schole gegaan, om zulk een maatregel te leeren nemen? Mij is geen enkel land bekend, waar men vreemdelingen en wat meer zegt, eigen landgenooten, het reizen zoo bemoeilijkt. Zelfs Turkije, en dat was op het oogenblik, toen wij er kwamen, in oorlog, ontvangt vreemdelingen gastvrijer.
Ik heb van de vreemdelingen gehoord, dat zij bij de ontscheping voor de groote moeilijkheid stonden geen vijf en twintig Hollandsche guldens te bezitten en dat de ambtenaar, belast met de inning dier gelden, geen vreemd geld in ontvangst nam. Zelfs op vertoon van een credietbrief, die over ettelijke duizenden guldens liep, kon men de vijf en twintig gulden niet geborgd krijgen en moest men ten slotte door een mede-passagier geholpen worden.
Hoe spoediger deze zotte maatregel wordt opgeheven, hoe beter, wij hebben er ons nu reeds in het buitenland belachelijk door gemaakt. Laat het spoedig blijken, dat de regeering zich in dezen vergist heeft en haar fout ongedaan wenscht te maken. De Nederlandsche regeering is de eenige niet die wel eens fouten maakt; het strekt den feministen alleen ten bewijs, dat eene regeering, uitsluitend uit mannen bestaande, wel eens zeer onverstandig kan doen en dat de logica, die alleen uit mannenbrein zou kunnen voortspruiten, wel eens ver te zoeken is in de handelingen, die van de logische overwegingen het resultaat zijn.
Als vrouwen zoo eens handelden?
II.
In den regel begin ik mijn volgenden brief voor de courant, alvorens ik mijn voorgaanden verzend, om te voorkomen in herhalingen te treden; maar den laatsten brief sloot ik af en verzond dien, toen ik op het punt stond een kijkje te gaan nemen in Concordia, waar de Batavische jeugd zich vermaakte, met op de maat van de muziek, op een marmeren terras rolschaatsen te rijden. Eens in de veertien dagen wordt hun daartoe gelegenheid gegeven en de hitte, die mijne metgezellin en mij het leven hier heel zwaar maakt, verhindert de jongens en meisjes van Batavia niet om daar uren achtereen rond te tollen op een heel klein baantje. Ik zou die kinderen gaarne even een lesje in het rolschaatsen rijden willen laten nemen bij onze straatjongens op het Leidscheplein of voor het Paleis van Volksvlijt, waar men zulke mooie draaiers ziet maken en zulke verrukkelijke kunstjes ziet doen op het slechte materiaal, waarover de meesten hunner beschikken, jongens die mij altijd een genot verschaften als ik 'n poosje naar hun kunstig gedoe kon blijven kijken. De kinderen hier hebben geene leiding gehad bij het leeren rijden, zij rollen allen in groote snelheid voort, alsof zij verplicht zijn in een minimum van tijd een maximum aantal malen het kringetje rond te komen, geen enkele er onder, die ook maar een poging doet er wat sierlijks, wat oogenstreelends van te maken.
Maar nu ben ik op eene ontboezeming over het rolschaatsen rijden gekomen, terwijl ik eigenlijk had willen zeggen, dat ik, na een week niet meer tot schrijven te zijn gekomen, niet meer weet, waarmede ik mijn laatsten brief afsloot en waarmede ik dezen zou moeten beginnen. Dat is nu wel niet zoo erg, want na 'n week van zooveel afwisseling en na zooveel wetenswaardige dingen te hebben gezien en te hebben leeren kennen, kan ik er gerust een greep in doen en van het een en ander melding maken.
Het eerst wil ik vertellen van onzen tocht naar Buitenzorg. Van drie kanten waren wij aangezocht om daar eene lezing te komen houden. Eerstens van eenige dames, leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht en verder door een heeren-debatingclub. Beide uitnoodigingen golden natuurlijk het vrouwenkiesrecht-vraagstuk. De derde uitnoodiging was persoonlijk tot mij gericht en kwam van eene afdeeling van het Nederl. Taalverbond en met de bedoeling, dat ik zou spreken over de toestanden in Zuid-Afrika, in betrekking tot de Nederlandsche taal. Daar wij echter deze week maar één dag in Buitenzorg kunnen vertoeven, hadden wij geantwoord, dat de drie groepen zich maar met elkander in contact moesten stellen en gezamenlijk eene vergadering uitschrijven, waar wij over vrouwenkiesrecht zouden komen spreken.
Op Donderdag den 18en April was die vergadering uitgeschreven en op dienzelfden dag was ons ook een particulier onderhoud met Z. Exc. den gouverneur-generaal toegestaan. Reeds vóór acht uur 's morgens stonden de heer en mevrouw Wevers Bettink met hun auto voor de deur om ons naar Buitenzorg te brengen, waar wij even vóór tien uur aankwamen. Ik heb reeds geschreven dat ik over Java's natuurschoon niet uitweiden zal, omdat daarvoor vroeger en ook thans nog bevoegder pennen dan de mijne, in beweging zijn gezet; alleen wil ik even aanstippen, dat de ongeveer 66 kilometer lange weg, die Batavia van Buitenzorg scheidt, zooveel mooie gezichtspunten levert, dat de autotocht in elk opzicht eene genotvolle was. Bij onze aankomst in Buitenzorg werden wij door eenige dames en heeren vandaar opgewacht en verwelkomd, maar ons oponthoud kon slechts kort zijn, omdat de gouverneur-generaal ons om tien uur wachtte. Met de grootste voorkomendheid werden wij beide door Z. Exc. ontvangen en werden ons alle gegevens verstrekt, die wij noodig hadden om een goed inzicht in vele toestanden hier te verkrijgen. Het was ons een waar genoegen te vernemen, dat Z. Exc. in zeer vele opzichten onze gevoelens deelt, omtrent de opvoeding en het onderwijs van het Javaansche meisje en omtrent de opleiding van eenige dezer meisjes tot onderwijzeres. Ook bij de bespreking van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen en voor hospitalen voor deze vrouwen, met uitsluitend vrouwelijke medische hulp en de opleiding van vrouwelijke doctor djawas, stond Z. Exc. veel dichter bij ons dan menige zijner ambtenaren met wie wij deze kwesties reeds vroeger bespraken. Tot dusver worden nog alle inlandsche meisjes, die zich aanmelden voor de doctor djawa-school, teruggewezen, altijd onder een of ander voorwendsel, doch eenvoudig omdat de machthebbenden bij dat departement de moeilijkheid van het gezamenlijk met de jonge mannen te ontvangen medisch onderwijs te zwaar inzien en de wenschelijkheid van het hebben van vrouwelijke doctoren voor de inlandsche vrouwen niet genoeg voelen. Ik hoop en vertrouw evenwel, dat daarin spoedig verbetering komt, dat men het Javaansche meisje, dat die moeilijke studie en die latere zware taak aanvaarden wil, steunen zal in plaats van moeilijkheden op haar weg te plaatsen, dat men ook in Nederlandsch-Indië eindelijk zal gaan inzien, dat voor de inlandsche vrouwen, die door godsdienst, zeden en gewoonten geen mannelijke doctor aan haar ziekbed kunnen toelaten, het verschaffen van vrouwelijke medische hulp eene noodzakelijkheid is. In dat opzicht is Britsch-Indië ons een reuzensprong voor, daar kan elke inlandsche vrouw, in tijd van ziekte, door een vrouwelijke doctor behandeld worden.
Het komt mij voor, dat de Nederlandsche vrouwen in Nederlandsch-Indië, enkele zeer gunstige, niet genoeg te prijzen, uitzonderingen daargelaten, haar maatschappelijke taak in dit opzicht geheel verwaarloosd hebben, dat zij niet gevoeld hebben, dat de zedelijke verplichting op haar rustte, beter voor hare native-sisters te zorgen. Als zij wat dieper in het leven van de inlandsche vrouw waren doorgedrongen, het vertrouwen van hen hadden weten te verwerven en de spreekbuis waren geweest, die hunne nooden en behoeften aan de regeering of aan het groote publiek had geopenbaard, dan, ik ben er zeker van, zouden ook in onze koloniën voor de inlandsche vrouwen betere toestanden reeds bestaan. Was het niet een man, dr. H. van Buuren, die een noodkreet heeft geuit om betere verloskundige hulp voor de inlandsche vrouw te verkrijgen, een noodkreet, die nog lang niet hard genoeg is geweest om de regeering ten volle de verplichting te laten gevoelen, die zij in dezen tegenover de inlandsche vrouwen te vervullen heeft? In Britsch-Indië was het eene vrouw, Lady Dufferin, die hare stem over deze kwestie luide deed klinken, en toen de Britsche regeering niet spoedig genoeg handelend optrad, zelve de handen aan den ploeg sloeg en een fonds bijeenbracht, dat na haar dood het Lady-Dufferinfonds werd genoemd, waaruit zij al vast begon vrouwelijke doctoren aan te stellen en kleine hospitaaltjes te stichten. Deze hospitalen zijn nu allen door de Engelsche regeering overgenomen, de vrouwelijke doctoren daaraan werkzaam, regeeringsambtenaren geworden en in alle steden van eenige beteekenis kan nu de Engelsche inlandsche vrouw goede geneeskundige hulp van vrouwen ontvangen. Ook de vorming van inlandsche vrouwelijke doctoren wordt daar gesteund en in de hand gewerkt.
Wij bezochten in Buitenzorg verder een inlandsche school van jongens en meisjes en maakten er met een achttal Soendaneesche en Javaansche meisjes kennis, die allen in den loop van dit jaar haar diploma voor onderwijzeres zullen halen, doch thans nog als kweekeling op die school werkzaam waren. Het is bedroevend te zien, hoe weinig meisjes nog aan het onderwijs deel nemen; in alle scholen, die wij tot dusver bezochten, zitten er in elke klasse van ongeveer twintig of vijf-en-twintig leerlingen niet meer dan een of twee meisjes. In sommige aanvangklassen zaten er drie of vier, maar dikwijls worden deze meisjes door de ouders weder van school genomen, zoodra zij een paar klassen doorloopen hebben. Voor een deel moet dat worden toegeschreven aan de zeden der inlanders, waardoor het niet welvoegelijk gevonden wordt, dat een meisje na de puberteitsjaren, en die treden in dit warme klimaat reeds op tien à twaalfjarigen leeftijd in, met jongens of mannen in aanraking komt.
Ook maakten wij in Buitenzorg kennis met de zeer interessante familie Motman, waarvan moeder en dochter een school in het weven en batikken voor inlandsche meisjes hebben. Met de grootste belangstelling sloegen wij de verschillende procedé's gade, die zoo'n lap katoen heeft te ondergaan, alvorens het in mooie harmonieerende kleuren en met artistieke figuren kan worden afgeleverd, maar brengt men den tijd, die zulk werk kost, en de vele vrij kostbare benoodigdheden om het geheele proces ten einde te brengen in rekening, dan is zulk werk niet te betalen en daardoor voor de markt ongeschikt en voor meisjes, die in eigen onderhoud willen of moeten voorzien, geen geschikte levenstaak. Het is heel mooi, dat wij nog eens in de gelegenheid waren, dat kunstige werk te zien verrichten, te weten, dat vrouwen en meisjes zoo uit het hoofd die aardige figuren met hare wasstaafjes op het doek kunnen tooveren, maar in den tegenwoordigen tijd, nu al meer en meer de tijd van de vrouw ook geld waard wordt, nu is deze kunst gedoemd van de aarde te verdwijnen, omdat zij te tijdroovend en daardoor te kostbaar wordt. Het gaat er mede als met onze mooie oude gobelins, over afzienbaren tijd zullen wij de uit de hand gebatikte doeken nog alleen in onze musea kunnen bewonderen.
Dien middag om half zeven was de vergadering voor vrouwenkiesrecht uitgeschreven en toen wij in de smaakvol met bloemen en groen versierde zaal van de Buitenzorgsche Sociëteit kwamen, werden wij aldaar door verschillende dames en heeren, die de vergadering hadden georganiseerd, opgewacht en werd ons ieder door een paar kleine, schattige meisjes een mooie bouquet, die van Mrs. Catt met de Amerikaansche, de mijne met de Nederlandsche vlag, geoffreerd. Op het podium prijkten een paar manden met witte lotusbloemen, lotusbloemen van zulk eene enorme afmeting en zoo fluweelig en vol, als ik nooit te voren gezien heb. De president van de debatingclub leidde deze vergadering, waarin ook de acht inlandsche onderwijzeressen en tal van inlandsche onderwijzers aanwezig waren. Mrs. Catt sprak slechts kort, omdat vele der aanwezigen haar niet verstonden, ik moest toen de lange speech houden en daarna gelegenheid geven tot debat. Het is te begrijpen, dat een debatingclub de gelegenheid gebruikte om te debatteeren en toen er om 9 uur nog vele strijdlustigen bleken te zijn en wij nog moesten eten en naar Batavia terug autoën, kon ik niet anders doen dan aan aller wensch toegeven om bij ons volgend bezoek aan Buitenzorg, waar wij nog de botanische tuinen en tal van andere bijzonderheden hebben te zien, opnieuw een avond te geven voor debat. Dat zal in 't midden van Mei zijn. Ruim twintig leden hadden zich onderwijl reeds als lid van de vereeniging voor Vrouwenkiesrecht opgegeven en den wensch geuit eene afzonderlijke afdeeling Buitenzorg te vormen, waaraan dan ook in Mei zal worden voldaan.
Om half een 's nachts bracht de heer Wevers Bettink ons veilig tehuis, een kunststukje van chauffeurs accuratesse, want de weg is over 't geheel genomen veel te smal en heeft tal van zeer gevaarlijke bochten.
Eene instelling, waarvoor de regeering aller dank toekomt, leerden wij in Batavia kennen. Het zijn de regeeringspandhuizen. De heer Nittel, onder-directeur dier instelling, liet ons deze in alle finesses zien en bracht ons met de geheele instelling op de hoogte. In aanmerking genomen, dat de inlander gaarne zijne bezittingen beleent, hetzij om in tijdelijke extra uitgaven, voor een ziekte, een begrafenis, een bruiloft etc. te voorzien, hetzij om dingen van waarde veilig opgeborgen te hebben, of om tal van andere redenen, is het goed gezien van de regeering om daarin den kleinen man te helpen en hem uit de handen der Chineezen--de vroegere pandhuishouders--te houden, Als men bedenkt, dat in één pandhuis in Batavia, er zijn er aldaar acht, dagelijks gemiddeld 800 à 1000 panden ingebracht en even zoovele uitgehaald worden en dat de gemiddelde waarde van de ingebrachte panden niet meer dan f 1.75 bedraagt, dan komt men tot de conclusie, dat deze instelling in eene behoefte voorziet, die vooral voor den kleinen man zeer groot is. Het is verblijdend, dat na 1913 heel Java deze van regeeringswege opgerichte huizen zal tellen en dat daarmede een einde is gemaakt aan de afpersing, die in dit bedrijf voorheen door de Chineezen werd gedreven. Ik durf in een dagbladartikel niet in détails treden over het pandhuisbedrijf in Nederlandsch-Indië, doch de wijze, waarop die is ingericht, de kalmte, die er in deze huizen heerscht, de vlugge en regelmatige wijze, waarop die stroom van publiek bediend wordt en de contrôle, die over alles wordt uitgeoefend, is boven allen lof verheven. Men voelt hier, dat de goedaardige, eenvoudige Javaan beschermd wordt tegen uitzuigerij, eene bescherming, die hij maar al te zeer behoeft. Dat de regeering met dit bedrijf nog een kleine winst maakt, vermindert m.i. den lof niet, die er haar voor toekomt, als die winst maar op de een of andere wijze ten bate van den Javaan wordt aangewend.
Ook de inrichting en de werking van het instituut Pasteur is iets, waarop wij met rechtmatigen trots kunnen wijzen. Dat wij met zooveel meer veiligheid, voor zoover het onze gezondheid betreft, in onze koloniën dan in Britsch-Indië kunnen reizen, danken wij voor een goed deel aan deze instelling. Onder de kundige leiding van den bekwamen directeur, dr. Nijland, heeft dit instituut zich ontwikkeld tot het zich ver verheft boven de meeste dier inrichtingen in het buitenland. Dat pest, cholera en pokken niet meer zoo de verschrikkingen hier zijn als in andere tropische landen, is zeker waard om dankbaar vermeld te worden.
Ik zou willen, dat ik met even groote nationalen trots kon schrijven over een andere regeeringsinstelling, waarvan ik ook met de grootste belangstelling kennis nam, de opiumfabrieken en de opiumregie. Wij zagen daar de bollen, zooals die uit Britsch-Indië worden ingevoerd, waaruit de opium bereid moet worden en gingen met den directeur alle stadia door, die de inhoud van deze bollen doorloopt, alvorens de daaruit verkregen opiumsiroop in nette, tinnen buisjes verzameld en als geschikt voor het gebruik afgeleverd kan worden.
Maar op dat gebruik, daarop komt het aan. Al die glinsterende tinnen buisjes, honderdduizenden in aantal, die daar door tal van inlanders met behulp van prachtige machines, in regeeringsdienst bereid worden, zijn uitsluitend bestemd om door inlanders en Chineezen gerookt, of, zooals die term luidt, "geschoven" te worden. Onze regeering, leverancier en fabrikant van een zoo verderfelijk genotmiddel, omdat..... ja, om geen andere reden, dan dat zij er jaarlijks zoovele millioenen op verdient. Hoe beschamend! Niettegenstaande de herhaalde en besliste verzekeringen van den directeur, dat het opiumschuiven, mits er onvervalschte opium wordt gebruikt, niet nadeelig voor de gezondheid is, kan ik dit toch niet aannemen. De toestand, waarin de opiumschuiver na zijn pijpje geschoven te hebben, verkeert, de begeerte naar een volgende pijp, het niet meer er zonder kunnen leven, zoo hij er eenmaal aan gewend is, toonen genoeg aan, dat het opiumschuiven niet zoo'n onschuldig vermaak is, als men ons wel wilde doen gelooven.
In één opzicht kan ik vrede hebben met onze opiumregie. Door de wijze, waarop de verkoop is geregeld en door, nu reeds, over geheel Java en Sumatra de Chineezen uit dit bedrijf gestooten en de geheele verkoop in eigen handen genomen te hebben, kan de regeering de verdere uitbreiding van dit kwaad tegengaan en zoodra zij het wil, geheel uitroeien. Zoo wij eens eenmaal het voorrecht mogen hebben een regeering te bezitten, die haar taak ethischer opvat, die in plaats van jaarlijks millioenen te besteden voor leger en vloot, millioenen, die voor een deel verkregen worden uit die opiumfabricage, de gelden der schatkist besteedt tot opvoeding van het volk, ook het Indische volk, dan is het bij de tegenwoordige regeling mogelijk, binnen betrekkelijk korten tijd aan dit mensch-bedervend en mensch-onteerend opiumschuiven in onze koloniën een einde te maken. Dat dit nu gemakkelijker gaat dan wanneer de handel in handen van gewetenlooze Chineezen is, daarvan getuigt het volgende staaltje, dat wij in Medan vernamen en op Java bevestigd vonden. In een kampong boven Medan kende de bevolking het opiumschuiven niet. Op zekeren dag ontvingen de bewoners aldaar, huis aan huis, een eenvoudig toestel om opium te schuiven met een buisje opium en de gebruiksaanwijzing van een Chinees ten geschenke, en binnen geen tijd waren tal van dorpelingen daar opiumschuivers geworden en daarmede tevens trouwe koopers van opium bij den goedgeefschen Chinees. Den 1en April van dit jaar verloor ook die Chinees het recht tot verkoop van opium en wordt ook in Medan dit kostbaar en kostelijk stroopje door onze regeering geleverd. Aan zulke praktijken om met opzet nieuwe ongelukkigen te kweeken, zal natuurlijk de regeering zich niet schuldig maken, en met groot ongeduld zie ik den tijd tegemoet, waarop een regeering aan 't bewind komt, die den moed heeft de sluiting van de opiumfabriek voor te bereiden en binnen niet al te langen tijd te bewerkstelligen. De overweging dat degene, die eens aan het schuiven verslaafd is er niet meer zonder kan leven, is m.i. de moeite van een discussie niet waard. Laten er daardoor, als dat waar is, eenige duizenden opiumschuivers, voor de maatschappij halfwaardige of nietswaardige individuen, ten gronde gaan of vroeger dan anders sterven, dit verlies weegt niet op tegen de millioenen uit deze en de volgende geslachten, die dit verderfelijk kwaad dan niet zullen leeren kennen en daardoor een hooger en beter leven kunnen leiden.
Nog op een ander beschamend feit moet ik wijzen. In de opiumfabriek zagen wij niet alleen Indische mannen en opgeschoten jongens aan het werk, maar ook tal van jongens, die zeker en gewis nog geen tien jaar oud waren. Met bevreemding vernam ik, dat onze wetten, die kinderarbeid beneden den 12-jarigen leeftijd verbieden, voor Indië niet gelden en dat in dit zonnige land, zelfs door onze regeering kleine jongens in een fabriekslokaal dagelijks uren en uren achtereen voor eenige centen aan het werk worden gezet.
Dat de lokaliteit waarin de kinderen werken, ruim en luchtig is, dat de jongens als hun kistje volgepakt is, van hun plaats opstaan om zelf een nieuw kistje te halen en daardoor nu en dan eens een verzetje hebben, dat er in Java nog lang en lang niet genoeg scholen zijn om de kinderen te onderwijzen en die jongens dus, als zij niet in de fabriek werken, zich bij den weg zouden vervelen en kattekwaad uitrichten en nog meer zulke overwegingen, verminderen in mijn oog het kwaad niet, dat daar door de overheid bedreven wordt. Niet alleen werken die jonge kinderen daar dagelijks 7 uren onafgebroken aan dat machinale werk, een veel te lange dagtaak voor zulke nietige wezentjes, maar ook moet het spoedig tot hen doordringen, dat opiumschuiven niet kwaad is en heel prettig moet zijn, als de fabricage en verkoop door de regeering geschiedt en als er dagelijks zooveel moet afgeleverd worden om aan de aanvraag te kunnen voldoen.
Ik was blijde, dat wij de opiumfabriek zagen, nadat wij reeds met het Instituut Pasteur en met den pandhuisdienst hadden kennis gemaakt, zoodat mijn Amerikaansche medereizigster geen al te slechten indruk van onze overheidszorg voor den Javaan krijgt en er toch ook wel wat te prijzen valt.
OP SUMATRA'S WESTKUST.
I.
Den 22en April verlieten wij 's morgens Batavia, om ons met de "Bantam" van de Koninklijke Paketvaart-Maatschappij naar Padang en de Padangsche Bovenlanden te begeven. Van Batavia naar Padang met de Kon. Paketvaart-Mij. is een tocht vol afwisseling, omdat men onophoudelijk dicht langs de kust vaart en tal van plaatsjes aandoet. Tegen ongeveer het middaguur verlieten wij Tandjong Priok en genoten nog eens van het gezicht op de mooie haven en de vele kleine eilandjes. Even vóór zes uur lagen wij stil op de reede van Anjer om tal van inlanders en eenige vrachtgoederen aan boord te nemen. Tevoren hadden wij nog bij daglicht het gezicht op Krakatou, het verlaten eiland, en het lange eiland genoten, want toen wij er later op den avond veel nader bij kwamen, was het te donker om er iets van te zien.
Om 6 uur den volgenden morgen lagen wij voor Kotô Agoëng stil, om menschen en goederen te laden en te lossen. Kotô Agoëng is een dorpje van de Lampongsche districten. Wij tweetjes stonden bij aankomst reeds kant en klaar en toen wij den kapitein onzen wensch te kennen gaven om aan wal te gaan, werd het stoomsloepje onmiddellijk neergelaten en werden wij aan wal gestoomd. Een klein roeibootje, bemand met twee inlanders, was achter aan 't stoomsloepje gebonden, om ons uit de sloep zooveel verder te roeien en te trekken, tot wij droogvoets aan wal konden stappen. Wij moesten toch nog een ver sprongetje maken om niet door een opkomende golf verrast te worden, doch toen wij daar eindelijk aan wal stonden tusschen die tallooze toegestroomde inlanders, met wie wij geen woord konden wisselen, hadden wij toch voldoening van onze daad, al moesten wij elkander ook even glimlachend aankijken en ons zelf een paar avonturiersters noemen. Wij waren de eenige passagiers, die aan wal waren gegaan.
Eerst namen wij een kijkje op de passar, waar vooral de vrouwen zeer bedrijvig waren. Tal van jonge vrouwen zaten er neergehurkt, ieder in eigen kringetje, met in 't midden een gat in den grond, daarboven een houtvuurtje en op dat houtvuurtje een pan gloeiend vet of olie, waarin allerlei soort bananen en ook sommige andere vruchten gebakken werden. Rondom ieder houtvuurtje een troepje inlanders, die de gebakken vruchten zoodra zij gereed waren, voor een of meer centen kochten en ze dan onmiddellijk nuttigden. Sommige oudere vrouwen kochten bij de verschillende gelegenheden eene kleine verscheidenheid van gebakken vruchten, die in een groot groen blad gerold, mede huiswaarts genomen werden. Ook kon men er hoopjes rijst of rijstkoekjes koopen, met of zonder een bestrooisel van geraspte kokosnoot. Wij zagen er meer soorten van ananas, dan wij ooit vermoed hadden dat er bestonden. Opmerkelijk was daar de stilte en kalmte, die onder deze menschenmassa heerschte. Men hoorde er nauwelijks eenig geluid.
Toen wij op de passar waren uitgekeken, gingen wij het dorp in. Een net en welvarend dorpje. Aan het eind van den langen hoofdweg stond de controleurswoning met het kantoor en de gevangenis, de eenige gouvernementsgebouwen, die daar bestaan, doch die zich onmiddellijk van alle andere gebouwen onderscheiden. De controleur zat in de voorgalerij en toen hij bemerkte, dat wij zijn erf opkwamen, kwam hij ons vriendelijk tegemoet. Hij is de eenige Europeaan, die daar woont en zijne kennismaking was voor ons bijzonder aangenaam, omdat hij uitstekend Engelsch sprak. Hij stond op het punt het gebergte in te gaan, waar sedert eenige avonden onheilspellende aardbevingsschokken vernomen waren, die de instorting van eenige bouwvallige woningen ten gevolge hadden gehad en waarover de inlandsche bevolking zich zeer verontrustte. Hij moest nu den stand van zaken gaan opnemen en zooveel mogelijk de bevolking geruststellen.
Over de daar wonende Lampongsche bevolking gaf hij ons eenige zeer wetenswaardige bijzonderheden. Er bestaat daar een soort overgangsvorm tusschen het matriarchaat en het patriarchaat. De Lampongsche jonge meisjes worden door de vaders voor een zekere som, soms 2000 à 3000 gulden, aan den toekomstigen echtgenoot verkocht en gaan dan van het ouderlijk huis in het ouderlijk huis van den man over. Zij moeten dan in het nieuwe tehuis 't werk verrichten, dat haar door echtgenoot en schoonmoeder wordt opgedragen. In zekeren zin is zoo'n vrouw dan de slavin van haar schoonmoeder en van haar man. Kan de huwbare man echter de kostende som voor zijne bruid niet bijeenbrengen, dan begeeft hij zich in dienstbaarheid bij haar vader. De dochter en de jonge echtgenoot blijven dan in de woning van de ouders der vrouw en de jonge man wordt de slaaf van zijn schoonvader en misschien ook wel van zijne vrouw. De kinderen uit dat huwelijk dragen in zoo'n geval den familienaam van de moeder en behooren haar toe. Wanneer een vader geen zonen en maar één dochter heeft, dan wil hij alleen onder de laatste voorwaarde zijn dochter uithuwelijken, omdat anders zijn familie uitsterft.
Bijzonder interesseerden mrs. Catt en ik ons nu voor hetgeen wij vernamen, omdat daaruit bleek, dat onder de Lampongsche jonge vrouwen een geest van verzet zich begon te openbaren, nu de zaken niet meer gaan zooals zij dat wenschen. De som van twee à drieduizend gulden, die de vaders tegenwoordig voor hunne dochters eischen, kan n.l. in den regel niet door een jongen man opgebracht worden en om die reden worden de meisjes nu maar al te vaak uitgeleverd aan oudere of oude bokken, die voor een groen spruitje een groote som over hebben. De jonge meisjes van Kotô Agoëng en omstreken zijn nu sedert geruimen tijd een strike begonnen: zij zijn overeengekomen om niet anders dan een huwelijk aan te gaan, waarbij de nieuwe jonge man in dienst treedt van haar vader en zij de rechten behoudt op kinderen en ouderlijk erfdeel. De reden is duidelijk. De jonge vrouwtjes vertikken het langer om uitgehuwelijkt te worden aan oude snoepers; zij geven den jongen, frisschen echtgenoot de voorkeur. Deze strike der jonge dames heeft reeds zoo'n omvang aangenomen, dat de hoofden van Kotô Agoëng met den controleur eene vergadering hebben belegd, om te zien wat er in dezen gedaan moet worden, omdat er in de laatste maanden geen huwelijken meer gesloten worden. De controleur vertelde ons, dat er nog geen oplossing voor dit penible vraagstuk was gevonden.
Wij hadden gaarne nog eens een kijkje genomen in de peperplantages, waaraan dit district zijne beteekenis grootendeels ontleent, maar die plantages zijn ongeveer twee uur ver in het gebergte gelegen en alleen per paard of te voet konden wij er komen. Zoo lang durfden wij echter niet van het schip verwijderd blijven. Na nog een mooie verzameling eigengemaakte fotografieën van het district en zijn bewoners van den controleur Kriebel bewonderd te hebben, namen wij van onzen vriendelijken gastheer afscheid, die daar wel eenzaam leeft, doch zijne eenzaamheid met opgewektheid draagt en er al het interessante van gevoelt. Even voorkomend als wij aan land gebracht waren, werden wij ook weder naar het schip teruggevoerd.
Midden in den nacht kwamen wij in Kroë aan en vertrokken van daar ook weder nog vóór de dag was aangebroken. Van aan wal gaan dus geen sprake. Grooter was evenwel de teleurstelling, toen wij Woensdagavond ook eerst Benkoelen bereikten, nadat het nachtelijk duister reeds lang was ingetreden. In Benkoelen waren wij zoo gaarne aan wal gegaan en wij hadden daarop vrij zeker gerekend. Er was echter geen sprake van, want het aan wal gaan geschiedt, door de groote deining, die er bestaat, niet zonder gevaar en de afstand van het schip naar den wal is minstens een half uur roeien in een primitieve prauw. Aan boord blijven was dus de boodschap. Wij konden niets anders doen dan den volgenden morgen vroeg opstaan, om vóór wij Benkoelen verlieten, van het dek van het schip met een goeden scheepskijker een kijkje te nemen van het voor ons onbereikbare stadje.
Vrijdagmorgen, om zes uur, landden wij in Padang. Van het mooie binnenkomen konden wij ook al weder, doordat het daglicht nog niet was doorgebroken, weinig genieten. Alleen even vóór wij vastgemeerd lagen was het daglicht helder genoeg om ons een kijkje te gunnen en een vermoeden te geven van wat wij gemist hadden.
Niettegenstaande het zeer vroege ochtenduur, stonden er op den wal toch reeds drie dames op ons te wachten, die ons het welkom in Padang brachten, de zorg voor onze bagage namen en ons per auto langs den mooien weg van de Emmahaven naar de stad en in het gastvrije huis van den heer en mevrouw Kamerling afleverden. In dat vriendelijke, oude echtpaar, mevrouw vierde dien dag haar 72en geboortedag, vonden wij een paar warme voorstanders van Vrouwenkiesrecht, die daar in Padang de voorbereiding voor onze komst geheel geleid en met behulp van eenige andere dames ook verricht hebben. Een hartelijker ontvangst is niet denkbaar. Voor alles was gezorgd. Omdat wij kwamen op een oogenblik, dat de Juliana-feesten in volle voorbereiding waren, was het beter de vergadering voor vrouwenkiesrecht uit te stellen totdat wij het bezoek aan de Padangsche bovenlanden hadden gebracht en voor dit bezoek waren alle stappen gedaan, om het voor ons zoo gemakkelijk, aangenaam en vruchtdragend mogelijk te maken. Aan alle assistent-residenten en hotels in de verschillende plaatsjes was onze komst aangekondigd en gevraagd om ons het verblijf te vergemakkelijken. Wij besloten daarom, om maar direct Zaterdagmorgen naar boven te gaan, omdat wij vóór alles Zondag in Pajacombo, het eindpunt van de reis, wilden zijn.
Vrijdagavond hadden echter mijnheer en mevrouw Kamerling tal van Padangsche heeren en dames uitgenoodigd, om kennis met ons te maken en ons met dezen in kennis te brengen, van welke uitnoodiging een ruim gebruik was gemaakt. Wij kwamen hierdoor ook in de gelegenheid tal van bijzonderheden te vernemen aangaande den tocht, dien wij den volgenden morgen vroeg zouden aanvangen. Omdat twee logé's voor onze lieve oudjes wat veel was, maakte mrs. Catt gaarne gebruik van de vriendelijke uitnoodiging van de buren der familie Kamerling, den heer en mevrouw de Keth, om daar te gaan logeeren.
Toen mr. De Keth ons den volgenden morgen vroeg naar het station bracht, bleek ook daar, hoe voorkomend de oude heer Kamerling alles voor ons had voorbereid. De stationschef was van onze komst verwittigd; hij had op verzoek een 1e klasse waggon met balcon vóór aan den trein gehaakt, (de locomotief staat achter den trein en duwt hem naar boven) en daarop een paar bankjes geplaatst, zoodat wij een onbelemmerd uitzicht genoten van den prachtigen weg, dien wij aflegden.
Eerst ging het eenige uren lang links, langs tuinen met klapperboomen, pisangpalmen, mangoboomen en zoovele andere tropische boomen waarvan wij den naam niet weten en hier zagen wij ook in groote verscheidenheid den varenboom, dien wij op Ceylon hadden leeren kennen, terwijl rechts reeds heel spoedig eene reeks van bergtoppen, het Barisangebergte, tot aan den top met palmen begroeid, zich aan ons oog vertoonde. Schilderachtig lagen tusschen dat veelkleurige groen de houten woninkjes met hunne donkerbruine, rieten daken, daken, die alle gracieus, boogvormig zijn, eene eigenaardigheid waardoor Sumatra'sche, inlandsche woningen zich kenmerken. Wat verder op kregen wij ook aan den linkerkant eene bergreeks, het Danaugebergte, totdat wij eindelijk de kloof van Anek naderden, en de trein tusschen eene nauwe bergengte met watervallen, gorges en snel vlietende stroompjes, zich naar boven werkte.
Als men den tropischen plantengroei, de donkerkleurige bevolking en de Sumatra'sche huisjes wegdacht, zou men zich in een van de mooie gedeelten van Zwitserland in den zomer verplaatst kunnen gevoelen, maar juist deze drie zaken maken dezen weg tot eene nog schilderachtiger.
De bruine, rieten daken der woningen waren langzamerhand verdwenen en in de plaats daarvan zagen wij nu wit geschilderde, houten huisjes, met zinken daken, die in de zon hel schitterden.
Opmerkelijk is overal de kalmte van onzen inlander, hetzij hij Javaan of Maleier is. Hoe sterk steekt die af bij de rumoerigheid van den Britsch-Indiër. Als in Britsch-Indië een trein aan een station stilhoudt, dan kan men van de drukte, het door elkaar geschreeuw, het lawaaiig doen van den inlander, niets hooren of zien van 'tgeen een doortrekkende reiziger soms gaarne hooren of zien wil en des nachts is die drukte aan de stations even groot als bij dag, zoodat de nachtrust, die men in de Britsch-Indische treinen zou kunnen genieten, daarbij zeer veel inboet. Als drie of vier Britsen-Indiërs bij elkaar staan, dan converseeren zij met elkaar op een wijze, die elkeen moet doen vermoeden, dat het onmiddellijk op een hevige kloppartij zal uitloopen, terwijl het toch niets anders dan een vriendelijk praatje geldt.
Hoe voornaam, stil, kalm haast, doet daarentegen onze inlander. In lange rijen staan zij achter elkander aan het loketje, om een plaatskaartje te nemen; geen luid woord wordt vernomen, ieder wacht kalm zijn beurt af. Als de trein stilstaat, stappen zij haast geruischloos in; wanneer men niet vooraf gezien had, dat er zoovele passagiers op het perron stonden te wachten, zou men zich niet kunnen verbeelden, dat er menschen uit of in den trein gestapt waren.
Toen wij te ruim twaalf uur in Padang Pandjang aankwamen, stond de hotelier van het hotel Merapi zelf op het perron, om de noodige hulp te bieden, terwijl de assistent-resident zijn rijtuig had gezonden, om daarvan gebruik te maken. Hij zelf was voor dienstzaken elders, doch mevrouw Tubergen, de vrouw van den assistent-resident, had er voor gezorgd, dat een vaas met geurige en wondermooie bloemen in onze kamer in het hotel ons een vriendelijke welkomstgroet in Padang-Pandjang bracht.
Ofschoon wij in het midden van den dag, waarop het dus het heetst is, aankwamen, was de temperatuur toch niet hooger dan op een matig warmen zomerdag in Holland. Na al die heete dagen, die wij in den laatsten tijd hadden doorgemaakt, leefden wij in Padang-Pandjang weer eens heelemaal op, tegen den avond moesten zelfs de doekjes voor den dag komen. Van het bordes van het hotel genoten wij 't gezicht op den altijd rookenden Merapi. Er lag echter 's middags zoo'n vlokkige witte wolk op den top van den vulkaan, als ware de kop met een groote slaapmuts overtrokken, zoodat wij van het al of niet rooken niet veel bespeuren konden. Tegen den avond herinnerde de zwaveldamp, die de atmosfeer had doortrokken, ons echter aan het bestaan en de nabijheid van dezen vuurspuwenden berg.
Het één bataillon groote garnizoen geeft vrij wat levendigheid aan het interessante plaatsje. Voor de kinderen van deze militaire ambtenaren is natuurlijk een Europeesche school met Europeesche onderwijzers noodig, het spoorwezen heeft er eenige ambtenaren, zoo ook het kantoor van den assistent-resident en door al deze Europeeërs ademt er een geest van civilisatie, waardoor het voor toeristen doenlijk is, er eenige dagen te vertoeven. Daardoor is het ook mogelijk, dat een tamelijk goed hotelletje zich er staande kan houden, en dat niet alleen toeristen, maar ook herstelde zieken, die een tijdlang een koeler klimaat en een mooie omgeving noodig hebben, om verloren krachten te herwinnen, zich daar kunnen ophouden. Maar over Padang-Pandjang ga ik later schrijven, want het diende ons alleen om er te overnachten, om den volgenden ochtend vroeg van daar naar Pajacombo te kunnen vertrekken, waar des Zondags de groote Passar gehouden wordt, waaraan deze plaats haar vermaardheid voornamelijk dankt. Wij zullen eerst Pajacombo en Fort de Kock bezoeken om daarna terug te keeren naar Padang-Pandjang en van daaruit eenige uitstapjes te maken en 't merkwaardige van 't stadje te zien.
II.
Pajacombo is voor ons een zeer interessant oord. Heerscht in geheel de Padangsche bovenlanden, onder de Minang Kabauers, 't matriarchaat, hier in Pajacombo en zijne omgeving vindt men het nog het zuiverst bewaard. De woning, waarin die matriarchale families leven, hebben een zeer eigenaardige vorm, en geven van buiten reeds aan, uit hoevele gehuwde dochters het gezin bestaat. De stammoeder, de Indoea genoemd, bewoont het middengedeelte van de woning, van buiten herkenbaar door het middelste halfboogvormige dak; als de oudste dochter trouwt, dan wordt er rechts een kamer, half zoo groot als de oorspronkelijke kamer, waarin de Indoea huist, gebouwd en daarin huist dan de dochter; de tweede dochter krijgt, als zij huwt, links zoo'n uitbouwsel en zoo gaat het door tot alle dochters gehuwd zijn. Elk bijbouwsel heeft een kwartboogvormig dak. Van binnen in de woning ziet men echter slechts één groot vertrek, de familiekamer, die de ruimte van het geheele gebouw beslaat en daarachter, door gordijnen afgeschoten, de verschillende slaapgelegenheden der familieleden.
In zoo'n groot huis treft men in den regel alleen de vrouwen en kinderen aan. De stammoeder met één of meer zusters, haar eigen dochters en de dochters van de zusters en de kinderen van al deze vrouwen, wonen daar te zamen. Sterft de stammoeder, dan wordt zij opgevolgd door hare oudste dochter, en de zusters van de moeder, dus eigenlijk de tantes en veel ouder in jaren, noemen dan ook de nieuwe stammoeder Indoea en zijn haar gehoorzaamheid verschuldigd. Al het geld en goed dat zoo'n familie bezit, behoort den vrouwen toe en wordt door hen gezamenlijk beheerd; alle familiekwesties worden onderling opgelost; doch naar buiten uit, als er om de een of andere reden overheidskwesties te bedisselen vallen, of als er in moeilijke huishoudelijke omstandigheden een oordeel moet worden geveld, dan treedt de oudste broeder van de lndoea als raadgever op en hoewel hij buiten het familieverband leeft, is hij toch feitelijk het mannelijk hoofd van het gezin. Dit is echter alleen een eerebaantje, dat hem verplichtingen oplegt en waarvoor hij wel eens een douceurtje van de vrouwen kan krijgen, doch dat hem feitelijk geen rechten geeft op iets, wat de vrouwen toebehoort.
Al het werk in zoo'n gezin, waaronder behoort ook het bewerken van het land en de veeteelt, het weven der goederen, het bouwen der woningen en bijgebouwen, want zulke woningen uit bamboehout en -riet opgetrokken, moeten nog al eens vernieuwd worden, is het werk der vrouwen, al of niet bijgestaan door de buitenshuis wonende mannen. Zij ook brengen de opbrengst van het land, de tuinvruchten, de geweven goederen en andere dingen, die zij voor den verkoop maken, naar de Passar en verkoopen het daar.
Waar blijven de mannen uit zoo'n gezin?
Hierop is niet zoo eenvoudig het antwoord te geven, omdat de Mohammedaansche godsdienst, die hier in zeer verwaterden vorm beleden wordt, het zuiver matriarchale stelsel bedorven heeft. Volgens dezen godsdienst is het geoorloofd, dat een man vier vrouwen heeft en de Minangkabausche mannen, die ik gesproken heb, vatten het bijna allen zoo op, dat de godsdienst hun voorschrijft, vier vrouwen te trouwen en zij geen goed Mohammedaan zijn, als zij zich met minder tevreden stellen. Ook komt er nog bij, dat de vrouwen hier hunne mannen koopen, de moeder koopt den man voor hare dochter, en daar een man van twintig tot twee à drie honderd gulden kost [3], al naar gelang hij een hoogere positie bekleedt, is het een voordeelig zaakje, zich viermaal te verkoopen. De vierde maal schijnt de man nog evenveel waarde te hebben als bij den eersten koop. Als regel woont de man nu om beurten bij de verschillende vrouwen en laat zich daar als een koning behandelen. In vele gevallen dient hij in het familieverband alleen als een noodzakelijk.... iets... zal ik het maar noemen, tot instandhouding van het ras. Buiten het familieverband bezit hij soms nog wel een maatschappelijken werkkring. Zoo ontmoetten wij op onzen tocht naar de kloof van Harau, een wondermooi uitstapje wat natuurschoon betreft, een dorpshoofd, die een beetje Hollandsch sprak. Hij noodigde ons in zijn woninkje, dat heel klein, doch uiterst zindelijk en in een goed aangelegden tuin met pijnappels, bananen, papaja's, suikerriet, kokosnoten en andere vruchten, gelegen was. Ik vroeg hem, of hij geen vrouw en kinderen had, waarop hij lachend antwoordde: "Natuurlijk heb ik vier vrouwen en reeds acht kinderen". En toen vernam ik, dat die vier vrouwen ieder bij hare respectieve moeders woonden en hij ze om beurten bezocht. Kan een van mijne Nederlandsche heeren-lezers zich een koninklijker en rustiger leven voorstellen, dan van dit dorpshoofd en zijne lotgenooten? Hij woonde in een heerlijk huisje, in een prachtige natuur, rustig alleen, zijn klein rijtuigje stond naast zijne woning en 't paardje als een muis zoo groot, graasde rustig in een veld in de nabijheid. Als hij lust heeft, spant hij zijn paardje voor het karretje en laat zich naar eene zijner vrouwen rijden, waar hij steeds op een goede ontvangst kan rekenen. Na zich daar voor een of twee dagen een leven als "heer der schepping" te hebben laten welgevallen, spant hij weder in, om naar eene der andere vrouwen te rijden of om eerst eenige dagen in eigen woninkje rust te nemen om van de smullerij te bekomen. Van tandenkrijgende kindertjes, van humeurige vrouwen, heeft hij geen last en als men hem niet met open armen en lekkere schoteltjes ontvangt, dan blijft hij den volgenden keer wat langer uit om van een hartelijker welkom zeker te zijn.
Maar zooals dit dorpshoofd het leven had ingepikt, zoo leven niet alle gezinnen. Als een man wat geld of een goede positie bezit, dan bouwt hij een huisje en heeft één vrouw met haar kinderen bij zich inwonen. Zij doet dan zijne huishouding en vormt als het ware een nieuw familieverband. De andere vrouwen worden dan van tijd tot tijd bezocht.
Een koeli, of een man van dergelijke positie, heeft dikwijls maar ééne vrouw en woont dan bij de moeder van zijne vrouw in. In zoo'n gezin helpen de schoonzoons het familiebezit vergrooten. Hun wordt dan ook allerlei werk opgedragen. Maar in deze gevallen treedt het nadeel, wat zoo'n familieleven met zich brengt, aan den dag. Het maakt de mannen lui, onwillig om te werken. De opbrengst van hun arbeid komt de geheele familie ten goede en in gevallen waar twee of meer schoonzoons zijn, wil geen hunner meer doen dan de ander en komt toch dikwijls al het werk op de vrouwen neer.
Dat die vrouwen hier gewoon zijn het zware en verantwoordelijke werk te verrichten, ziet men dadelijk als men op een passardag in Pajacombo rondkijkt. De vrouwen komen daar allen met zware vrachten op het hoofd en dikwijls bovendien met volle handen; de mannen wandelen eenige passen vooruit met een klein vogelkooitje, waarin een grijs vogeltje, ik geloof een kwartel, in de hand. Ook op de markt zijn de vrouwen druk en bedrijvig om hare waren van de hand te doen en nieuwe zaken in te koopen, terwijl men de respectieve echtgenooten bijeengehurkt onder een schaduwrijke waringinboom vindt, bezig 'n strootje of sigaret te rooken, of ook wel in een afzonderlijk hoekje hunne meegebrachte vogeltjes onderling uit te wisselen of ze soms een soort hanengevecht te laten houden.
Op de Passar hadden wij Zondag gelegenheid om het wonderfijne weefwerk, vooral het goud en zilverweefsel, der vrouwen te bewonderen. Ook zilver-filigraanwerk was er te zien, doch dit muntte niet in fijnheid en artisticiteit uit, wij hebben dat in Padang reeds beter gezien.
De assistent-resident de Munick had een bijzonder interessant bezoek voor ons voorbereid in het gezin van eene weduwe van een vroeger districtshoofd en had ons een Hollandsch sprekend familielid als geleider medegegeven. De zeer oude, grijze Indoea en hare twee zusters ontvingen ons zeer hoffelijk en weldra kwamen ook alle gehuwde dochters met hare kleine kindertjes zich presenteeren. Nadat ons de woning in alle bijzonderheden getoond was, waarin wij vooral de vele mooie kussenbekleedsels bewonderden, werden wij uitgenoodigd een kop koffie met de dames te drinken. De goede Minangkabausche manieren schrijven voor, dat men zoo'n uitnoodiging moet accepteeren. Wij werden toen vergast op een kop koffie, gemaakt van gedroogde koffiebladeren, met veel bruine suiker en geen melk, daarbij werd een soort gekookte gemalen rijst met veertien verschillende zoetige bijspijzen opgediend, Het waren blijkbaar alle zeer lekkere zaken, maar zooveel kwee-kwee maakte ons een beetje wee, doch wij beiden hebben ons er toch moedig doorheen gewerkt. Wij beiden kregen een vork en een lepel om ons er van te bedienen, de anderen deden het veel netter dan wij, zonder die attributen.
De jongste dochter van het gezin, een werkelijk zeer mooi meisje, van 17 jaar, verkeerde in zeer tragische omstandigheden. Zij was drie maanden geleden gehuwd met een mantrie van de opiumregie. Hij was een jonge, knappe vent en zij zijn eerste vrouw. Een maand na het huwelijk werd hij door onze regeering naar de opiumregie in Medan overgeplaatst en toen hij daar kwam, wist hij niet beter te doen dan daar eene Japansche tweede vrouw te nemen. Hij had nu geschreven, dat ook zijn mooi Maleisch vrouwtje moest overkomen, dan zou hij eerlijk zijne gunsten tusschen deze twee rivales verdeelen. 't Jonge vrouwtje heeft echter niet veel lust haar man te volgen en ziet er sterk tegen op om in partnership te treden met eene Japansche schoone, waarvan zij zeden en gewoonten niet kent. Zij pakte mijne hand met beide hare handen en zeide, dat zij liever met mij wilde medegaan en altijd bij mij wilde blijven.
Het is jammer, dat onze regeering nog niet bij machte is, aan de leergierigheid, de behoefte aan onderwijs der Minangkabauers naar behooren te voldoen. Er is in vele dezer plaatsen nog slechts een begin gemaakt met de oprichting van scholen. Hier doet zich het gelukkig verschijnsel voor, dat ook de vrouwen naar onderricht haken en zich daarvoor offers getroosten willen. Het schijnt niet hoofdzakelijk gebrek aan geld, maar ook gebrek aan goede leerkrachten te zijn, die de regeering verhindert in deze, hier sterk gevoelde, behoefte te voorzien. De Minangkabauers, zooals ik er verschillende in Pajacombo heb leeren kennen, schijnen sympathieke, intelligente menschen te zijn, vatbaar voor eene hoogere ontwikkeling. Ik wilde dat ik onmiddellijk genoeg scholen voor hen kon tooveren. Het is zoo jammer, dat er nu nog zoo velen van onderricht verstoken blijven.
Het is zeer te betreuren, dat men eigenlijk nog zoo weinig positieve kennis van het leven, de zeden en gewoonten der Minangkabauers bezit. Al de controleurs en assistent-residenten, wien wij er naar vroegen, gaven tegenstrijdige inlichtingen. Ook de boeken, die wij er over lazen, en er is nog zoo weinig over dit interessante volk geschreven, [4] geven slechts weinig en dikwijls nog uiteenloopende beschrijvingen. Het komt mij voor, dat een vrouw-ethnoloog, die het vertrouwen van deze vrouwen heeft weten te verwerven en die eenige jaren onder haar gaat leven, heel veel wetenswaardigs van het leven en de zeden en gewoonten van deze menschen aan het licht kan brengen. Er komt nu weldra een openbare school met een paar onderwijzers en een onderwijzeres; als de regeering er nu in kon slagen een onderwijzeres voor deze school te krijgen, die de geschiktheid, de kennis en vooral ook den slag heeft om het vertrouwen van de Minangkabausche vrouwen te winnen en die de kennis, die zij daardoor opdoet, weet uit te werken, dan zal zij de volkenkunde kunnen verrijken met wat positiever gegevens dan nu bekend zijn omtrent dit merkwaardige volk. Omdat het hier vooral geldt, achter de geheimen van het huiselijk leven van een volk te komen, waarvan de gezinnen bijna alleen uit vrouwen bestaan, vrouwen, die van aard zeer gereserveerd zijn, zullen de heeren ethnologen nooit zoo goed als eene vrouw de ware gegevens kunnen bijeenbrengen. De eene morgen in dat gezin van de weduwe en hare zusters en dochters deed mij duidelijk zien, dat er nog heel veel voor ons onverklaarbaars in deze gezinnen bestaat, dat met een beetje tact aan het licht kan worden gebracht.
Toen wij op Prinses Juliana's verjaardag des morgens vroeg waren opgestaan, om met den eersten trein naar Fort de Kock te vertrekken, stonden wij beiden niet weinig verbaasd, te vernemen, dat er dien nacht om ongeveer drie uur eene uitbarsting van de Merapi was geweest. Wij hadden er niets van gehoord en er rustig doorheen geslapen. Wij hebben zoo dikwijls tegen elkaar gezegd: konden wij nu maar eens een explosie bijwonen, nu is er een geweest, die wijd en zijd asch en sintels over de dorpen heeft verspreid en nu sliepen wij er rustig doorheen. Wij waren ontevreden over ons zelf!
In Fort de Kock was ter eere van Juliana's geboortedag alles gesloten en in plaats van een drukken dag leek het ons er erg stil. Wij besloten daarom maar direct het uitstapje te maken naar het meer van Manindjoe en bestelden daarvoor in het hotel een extra goed voertuig met twee paarden. Direct na de lunch zouden wij vertrekken. De equipage kwam voor. Het was een klein houten karretje op twee hooge houten wielen, waarin wij moeilijk rechtop konden zitten en voor onze beenen was heelemaal geen plaats en daarvoor stonden een paar onbeschrijflijk kleine, minne paardjes. Ons werd verzekerd, dat het erg goed was en wij in de heele stad geen beter vervoermiddel zouden kunnen krijgen. Wij lieten ons bepraten en stapten in. Inderdaad hebben de sukkelpaardjes ons naar Matoër gebracht, maar over de 13 mijlen afstand deden zij ruim 4 uren. Gelukkig hebben wij in Britsch-Indië op kameelen en olifanten eene oefenschool doorloopen, waardoor onze inwendige organen aan door elkaar schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het er op dezen tocht nooit goed afgebracht. Herhaaldelijk zijn wij maar eens eindjes gaan loopen om de rijsttafel, die wij om één uur genoten hadden, in de plaats te houden, waar wij haar toen gedeponeerd hadden. Het is jammer, dat er in Indië nergens waar wij tot dusverre waren, goede huurrijtuigen en paarden te verkrijgen zijn. Vooral op deze reis, die zooveel natuurschoon biedt, verliest men zooveel als men zich op de meest primitieve wijze moet verplaatsen.
Gelukkig was de Passanggrahan, het regeerings-passantenhuis in Matoër, zoo goed en zindelijk en comfortabel, dat het ons spoedig het doorgestane leed deed vergeten en wij volop genoten van het vele natuurschoon, dat van uit dit Sumatrasche dorpje te genieten valt. Van verschillende punten zagen wij op het donkerblauwe, 600 meter onder ons gelegen meer van Manindjoe, dat met zijne rondom gelegen rijstvelden en koffietuinen en de blauwe bergenreeks een onbeschrijfelijk schoon gezicht levert.
De controleur Barthelemy had de vriendelijkheid een der inlandsche dorpshoofden, die gebrekkig Hollandsch sprak, te verzoeken ons den volgenden dag als geleider te willen dienen en deze goede leidsman maakte ons dien dag tot een waar genot. Eerst bracht hij ons naar eene der oudste woningen van het dorp, waarin eene uitgebreide matriarchale familie huisde en waarvan de gevel bijzonder door beeldhouwwerk en goudversiering uitmunt. Het huis, de daarbij behoorende rijsthuisjes en de tempel droegen hetzelfde versieringskarakter. Ook de baleh-baleh, het huis, waarin de gemeenteraadszittingen gehouden worden, was bijzonder mooi gebeeldhouwd en met goud opgesmukt. Daarna bracht hij ons in de woning, waarin hij leeft. Het was eene familie met een Indoea en zusters en dochters. Met een van deze dochters is hij getrouwd en daar hij geen andere vrouwen heeft,--eene tweede vrouw, die hij had, is gestorven--woont hij meestal bij vrouw, zusters, tantes en moeder in. Ook hier werden wij weder op koffie, uit koffiebladen gemaakt, vergast en wij kwamen tot de ontdekking, dat wij al een beetje aan den smaak begonnen te wennen en als wij nog veel zulke visites afsteken, het ten slotte nog lekker zullen gaan vinden.
Van daar bracht hij ons in eene woning, of liever buiten eene woning, waar de vrouwen van het gezin bezig waren suiker te bereiden uit suikerriet. Hier en ook bij de rijstbereiding wordt het zoo aanschouwelijk voorgesteld hoeveel goedkooper wij, cultuurvolken, suiker en rijst hebben, dan deze menschen. Zeven vrouwen waren reeds van het zonnegloren bezig uit een stapel suikerriet, door middel van een primitief persblok, dat door een os in werking werd gezet, het sap te persen en het daaruitverkregen vocht tot suikerkoeken in te dikken. Eene hoeveelheid suiker, waarvoor wij een gulden betalen, kost zulke vrouwen met elkaar een paar dagen arbeid. Bij de rijstbereiding kwam ik tot de zelfde gevolgtrekking. Alleen zoolang groote groepen vrouwen in ééne familie samenwonen en vrouwenarbeid niet met geld betaald wordt, kan een dergelijke productie zich handhaven; zoodra de invloeden van buiten het matriarchale huishouden zal hebben opgelost en de dochters gaan huwen, en buiten de familie gaan wonen, of een betaalden werkkring gaan zoeken, moet de productie in het klein van de eerste levensbehoeften plaats maken voor de machinale productie en moet het den menschen duidelijk worden, dat men veel goedkooper een pond machinaal bereide suiker kan koopen dan het zelf te maken.
Zoover als echter thans de stand van ontwikkeling van de Minangkabausche Maleiers staat hebben de vrouwen nog handen vol werk; men ziet ze van 's morgens vroeg tot 's avonds laat bezig en men ziet het aan haar zelfrespectvol uiterlijk, dat zij ook zeer goed gevoelen van hoeveel belang zij voor de instandhouding van haar ras zijn. Zij brengen het volgend geslacht in de wereld en doen tegelijkertijd bijna al het belangrijke en verantwoordelijke werk, dat er voor maatschappij en gezin te verrichten valt. Alleen daar, waar de nieuwe tijd nieuwe werkzaamheden geschapen heeft, daar treedt de man op den voorgrond, die door den 19en en 20en eeuwschen tijdgeest beschouwd wordt als de rechthebbende op bijna al het buitenhuissche werk en op dat wat in kantoor en publieke aangelegenheden moet worden verricht.
III.
Onze inlandsche geleider bracht ons vervolgens naar een plek, die allermerkwaardigst is en ook in de Padangsche bovenlanden eenig is in haar soort. Het was de plaats, waar de hoofden van het district Matoër alle drie maanden hunne bijeenkomst houden. Het is een groot open terrein, in de rondte afgepaald met honderd en twintig zerken, even zoovele hoofden als er zijn; zerken, die alle zeer verschillen in hoogte en breedte. Tijdens eene vergadering zit elk hoofd voor zijn eigen zerk en naarmate zijn gezag of stand hooger is, naar die mate is ook de afmeting van den steen, waarvoor hij zit. Er is er een van naar gissing twee meter hoog en er zijn er die geen vijf-en-twintig centimeter boven den grond uitsteken.
In de inlandsche school op Matoër, waarvan het hoofd der school uitstekend Hollandsch sprak, konden wij ons, beter dan in eene der voorgaande scholen, die wij bezochten, overtuigen van de bevattelijkheid der inlandsche leerlingen. Hier liet het hoofd der school de kinderen eenige proeven van bekwaamheid afleggen. Het meest verbaasden wij ons over de vlugheid, waarmede de zeven en achtjarige joggies en meisjes, die nog slechts zeven maanden de school hadden bezocht, eenvoudige rekensommen met krijt op het bord uitrekenden. Geene der kinderen, die wij zelf uit de klasse mochten uitpikken, maakte een enkele fout in de eenvoudige vermenigvuldig- en aftreksommetjes, die wij hun opgaven, terwijl zij daarbij zeer duidelijke en gelijkmatige cijfers op het bord schreven. Trouwens over het mooie schrijven der inlandsche schoolkinderen verbazen wij ons steeds, daarmede kunnen de kinderen op onze scholen niet wedijveren. Het hoofd der school had voor eigen rekening de laagste klasse genomen; toen ik hem vroeg, waarom hij zelf de laagste klasse onderrichtte, gaf hij ten antwoord: "dat doe ik om twee redenen: de eerste is, omdat ik de eerste klasse het belangrijkste vind; als de grond eerst goed bereid is, gaat het volgend onderricht veel gemakkelijker; de tweede is, omdat het onderricht in de aanvangklasse het moeilijkst is en ik als hoofd der school het moeilijkst werk voor eigen rekening moet nemen". Worden in Amsterdam niet de onderwijzeressen in de aanvangklassen geplaatst en meent de overheid daar niet, dat dit het minst belangrijke werk van de school is?
Wij bezochten in Fort de Kock o.a. ook de kweekschool voor inlandsche onderwijzers. Deze school, die acht-en-dertig jaar geleden met het oog op vijftig leerlingen was ingericht, bevat nu reeds honderd-en-twintig leerlingen. De jongelui zijn daar allen intern. Zij hebben ieder een eigen frisch en licht kamertje met ledikant, stoel, tafel, waschtafel en kast, dat hun gratis wordt verstrekt, alleen de kamerversiering moet door de jongens zelf worden aangebracht. Boven de zeer goede kost en inwoning, die het gouvernement dezen jongelingen kosteloos verschaft, ontvangen deze toekomstige onderwijzers maandelijks nog eene geldelijke toelage. Op deze school zijn ook enkele inlandsche meisjes, die voor onderwijzeres worden opgeleid. Aan inlandsche onderwijzeressen is zeer groote behoefte; in alle inlandsche scholen in Sumatra, die wij bezochten werd door het hoofd der school geklaagd, dat hij geen vrouwelijke leerkracht had, met een onderwijzeres aan de school zou hij beter de vrouwelijke leerlingen in de klasse kunnen houden, die nu op veel te jongen leeftijd de school verlaten, omdat zij dan niet meer dagelijks alleen met mannen in contact mogen komen. Een gevolg van de Mohammedaansche invloeden. Niettegenstaande de behoefte aan onderwijzeressen worden de meisjes aan de kweekschool toch niet met open armen ontvangen. Zij moeten bijzonder uitmunten, willen zij toegelaten worden, zij moeten zelf voor kost en inwoning zorgen en ontvangen geen maandelijksche toelage en bovendien werden er bij de laatste toelating zes meisjes geweigerd, die een uitstekend examen hadden afgelegd, omdat de klasse te vol zou worden en er voor een gesplitste klasse geen leerkrachten aanwezig zijn. Is dat niet meten met twee maten? Dit is natuurlijk niet aan de directie van de school te wijten, maar wel aan de directie van Onderwijs in Batavia. Hoezeer ook de Minangkabausche vrouwen naar onderricht verlangen, is er toch voor haar nog maar een begin gemaakt om haar te ontwikkelen.
Het had mijne reisgezellin en mij reeds lang gehinderd, dat wij er niet achter konden komen wat toch de naam Minang Kabau te beteekenen heeft, maar eindelijk gelukte het ons toch van een der inlandsche onderwijzers eene uitlegging te verkrijgen. Deze uitlegging, die ons door andere inlanders bevestigd werd, is te merkwaardig om haar niet hier mede te deelen. Zij luidt aldus: De Maleiers van de Padangsche bovenlanden lagen onophoudelijk in twist en tweedracht met een naburige groep Maleiers. Deze onophoudelijke twisten kostten beide partijen steeds menschenlevens, have en goed en daarom kwam men overeen door één flinken strijd de veete uit den weg te ruimen. De overwinnende partij zou werkelijk daarna de overmacht krijgen. Wat deden nu deze primitieve menschen? Zij lieten niet hunne flinke, gezonde, krachtige jonge mannen een strijd op leven en dood aangaan en zoodoende de beide partijen berooven van de beste elementen uit hunne samenleving, maar zij kozen beiden hun sterksten os en lieten die twee samen de zaak uitvechten. De os van de Padangsche bovenlanders overwon en sedert dien tijd noemen zij zich Minang, in het Maleisch overwinnaar, en Kabau, wat os beteekent. Ook de boogvormige daken ontleenen daaraan hun oorsprong. De middelste groote boog heeft den vorm van de beide hoorns van een kabau en de kleinere uitbouwsels stellen elk één hoorn, de helft van de twee, voor.
Wat mij in dezen oorlog zoo bijzonder trekt, is het feit, dat de Maleiers, die in dien tijd nog allen in matriarchaat leefden, vorstinnen bezaten, die het oppergezag uitoefenden, al werd zoo'n vorstin naar buiten uit toen reeds vertegenwoordigd door Radjas. Deze vrouwen moeten het dus geweest zijn, die het oorlogvoeren toen reeds in de ware beteekenis hebben opgevat, als een strijd om wie de physiek sterkste is, een strijd, die evengoed door een paar ossen als door gehuurde soldaten kan worden uitgevochten. Zouden wij alle Europeesche landen niet er toe kunnen brengen hunne veeten ook op die wijze te bevechten, het zou jaarlijks honderden millioenen aan leger- en vlootuitgaven sparen; gelden, die in alle landen zooveel beter dienst kunnen doen, en onze jonge mannen, die nu als kanonnenvleesch gebruikt worden, zouden dan voor nuttiger doeleinden kunnen strekken.
Fort de Kock is een heel mooi plaatsje met een heerlijk koel klimaat, maar bezit ongelukkig geen goede hotelgelegenheid, zoodat wij ons verblijf er zeer kort maakten en naar Padang Pandjang terugkeerden. Het eerste wat wij daar vernamen, was dat de Merapi dien morgen opnieuw eene uitbarsting had gehad, zoo mooi als slechts zelden gezien werd. Dat hadden wij dus weder gemist en ik vrees, dat wij er nu wel geene meer zien zullen.
Wij zagen in dat lieve, vriendelijke stadje allerlei andere dingen. Den geheelen dag stootte de Merapi nog mooie gele vlokkige wolken uit, die zich langzaam in het heelal oplosten. Nu en dan werd eens een klein pufje vernomen, dat aantoonde, dat de kolossus een beetje buikpijn had, maar tot eene regelrechte uitbarsting kwam het toch niet meer.
Hadden wij op Ceylon de kaneeltuinen gezien, hier konden wij ons verrijken met de kennis van het verder proces, dat de kaneelpijp ondergaat, alvorens het in Holland voor vijf cents een heele zakvol in de winkels verkocht wordt. Omdat die onschuldige kaneelstokjes, die in gemalen vorm meestal zoo--ongekookt en ongewasschen--genuttigd worden, een bron van ziekte kunnen opleveren, wil ik er op wijzen. Van dat de takken de rose-getinte boompjes verlaten hebben, totdat zij buiten in de zon gedroogd, gesorteerd en in bundels bijeengebracht zijn, gaan zij door tal van inlandershanden. Dan staan die bundels kaneelstokken open en bloot uren, soms dagen, voor een station opgestapeld en worden zoo naar de markt afgeleverd. Hoe gemakkelijk kunnen zij niet de overbrengers zijn van tal van besmettelijke ziekten, die min of meer onder de inlanders voorkomen. Ik weet wel, dat ditzelfde geldt voor vele andere specerijen, die in menig gezin ongewasschen gebruikt worden, maar ik wilde op dit eene voorbeeld wijzen, misschien zal dan wel de gevolgtrekking gemaakt worden, beter te doen, met al de specerijen wat zindelijker te werk te gaan.
Van Padang Pandjang uit zijn vele interessante uitstapjes te maken, die ons dubbel belang inboezemden, omdat overal de sawahs geel stonden, zoodat de vrouwen allen druk op het veld bezig waren om de paddi binnen te halen. Dit was bijna uitsluitend vrouwenwerk, slechts in enkele gevallen hielpen daarbij mannenhanden. Het schilderachtige, het poëtische van dit werk is reeds zoo dikwijls door daarvoor beter in staat zijnde pennen, dan de mijne beschreven, dat ik mij gerust ontheven kan achten voor Hollandsche lezers daarop te wijzen. Voor ons was het gezicht op die drukwerkende vrouwen daarom zoo vol interesse, omdat deze opgewekte, gelukkig uitziende menschen zoo'n heerlijk contrast vormden met de zwaarmoedige, met haar lot ontevreden uitziende vrouwen in Egypte en Britsch-Indië. Wil men zich overtuigen dat de vrouw slechts gelukkig kan zijn, als verantwoordelijke arbeid op hare schouders rust, dat de aard van de vrouw medebrengt, dat zij nuttig bezig is en dat zij zich alleen onder zulke omstandigheden tevreden kan gevoelen, men begeve zich naar de Padangsche bovenlanden en vergelijke deze werkzame vrouwen met die in de landen, waar de ontwikkeling der nijverheid of de heerschende zeden en gewoonten, haar alle nuttige werkzaamheden gaandeweg uit de handen hebben genomen. De geheele vrouwenbeweging, overal in de beschaafde wereld, die zich oogenschijnlijk beweegt op verschillende paden, heeft toch feitelijk geen andere oorzaak en geen ander doel, dan het willen terugwinnen van de beteekenis, die de vrouw in de oorspronkelijke wereld voor het ras bezat, het weder willen deelnemen aan het werk voor het algemeen, weder verantwoordelijk gesteld worden voor de helft van den arbeid, die gedaan moet worden tot instandhouding van het ras en den vooruitgang der menschheid.
Maandag 6 Mei, verlieten wij reeds vroeg Padang Pandjang, omdat wij nog dienzelfden dag in Padang moesten spreken in eene vergadering door warme voorstanders van vrouwenkiesrecht aldaar voor ons belegd. Was het niet, dat wij om die reden beneden moesten zijn, dan hadden wij ons verblijf in de bovenlanden nog wat gerekt, waar wij zulke heerlijke dagen hadden doorgebracht. Dat ons kort verblijf aldaar zoo vol afwisseling was, dat wij in dien korten tijd, om zoo te zeggen, alles zagen, wat er voor ons bezienswaardig en van belang was, danken wij grootendeels aan de niet genoeg te waardeeren vriendelijkheid van den gouverneur van Sumatra's Westkust, die te voren de assistent-residenten en de controleurs der verschillende plaatsen, die wij gingen bezoeken, schriftelijk had verzocht, ons bij ons bezoek in elk opzicht van dienst te willen zijn. Aan dit schriftelijk verzoek hadden wij het te danken, dat deze heeren, die zich allen op de meest voorkomende wijze van deze taak hebben gekweten, van onze komst op de hoogte waren en ons daardoor zoo goed hebben kunnen helpen.
In Padang werden wij met de grootste hartelijkheid bij onze beide gastvrouwen en gastheeren ontvangen. De vergadering was tegen 7 uur uitgeschreven en toen wij op dien tijd in het logegebouw aankwamen, was de vergaderzaal reeds geheel gevuld met een belangstellend publiek, zoowel heeren als dames. Ook hier bleek, dat het vrouwenkiesrechtvraagstuk thans aller aandacht trekt, en dat men het slechts heeft te bespreken om uit de belangstellenden voorstanders te maken. Wel werd er na afloop der voordrachten van mrs. Catt en mij gebruik gemaakt van de gelegenheid om bezwaren te opperen of vragen te stellen, maar geen der aanwezigen scheen eenig bezwaar te hebben, wel wenschte men op enkele punten nadere inlichtingen. Van een kant werd de vraag geopperd, of niet de vrouwen het kiesrecht zouden deelachtig worden, ook zonder dat er voor gestreden werd, of wel de tijd rijp was voor de invoering ervan en of de mannen 't ons niet zouden geven, ook wanneer wij er niet om vragen, doch deze illusie kon gemakkelijk en met succes bestreden worden. Het gevolg van deze vergadering was, dat er ook in Padang eene afdeeling tot stand kwam.
Van de vier dagen, die wij nog in Padang moesten vertoeven, alvorens de boot ons weder naar Batavia zal terugvoeren, maakten eenige goede vrienden gebruik, om diners, een gardenpartij, een automobieltocht enz., te arrangeeren, en stelden ons daardoor in de gelegenheid niet alleen met de ingezetenen van het schilderachtige stadje, maar ook met zijne mooie omgeving kennis te doen maken.
Maar van die gardenpartij moet ik iets meer zeggen. De heer en mevrouw Schlüter hadden die voor ons belegd. Hun prachtige tuin, die met lampions en lichtpotjes feeëriek geïllumineerd was, leende zich bij uitstek voor zulk een feest. Wat echter voor ons het bijzonder aantrekkelijke was en ons dien dag nooit zal doen vergeten, dat waren de Indische muziek en de Indische amusementen, waarmede wij voor het eerst kennis maakten. Midden op een groot groen grasveld, fantastisch beschenen door het licht uit de ontelbare lichtpotjes rondom geplaatst, speelde de gamelan en werd er door eene Javaansche schoone, in hofgewaad, getandakt, nu en dan in hare mooie, gracieuze bewegingen bijgestaan door een mannelijken tandakker. En was het fijne, Javaansche poppetje--'t was alsof zij van porselein was--moe dan zweeg de gamelan en dan keerden wij onze stoelen om en verlustigden ons in het gezicht van een groote groep mannen, die mêmantjakten, dat is krijgsdansen en schermutselingen uitvoerden, waarbij hun eigen opgewekt, melodieus gezang de maat aangaf. Wat steekt dat dansen van deze inlanders, dat eigenlijk niets anders dan elegante, rhytmische bewegingen is, toch hemelsbreed gunstig af bij onze danspartijen! Wat staan hunne amusementen toch veel hooger dan de onze!
De Indische bevolking, die op de muziek van de gamelan van heinde en ver was toegestroomd en in honderden zich driestweg in den tuin had gewaagd, schaarde zich zittende en staande rondom de gamelan en de dansende Maleiers en vormde in hare schilderachtige bonte kleeding een achtergrond, die niet mooier kon worden uitgedacht. Ook bij deze gelegenheid toonde de bevolking weder haar hoog peil van beschaving; uit deze tallooze menigte werd geen luide stem vernomen; stil, bijna geruischloos, waren zij binnengekomen en stonden daar even bewonderend als wij naar het tandakken en mêmantjakken te zien. Alleen als wij de uitvoerders door handgeklap toejuichten, waren het in hoofdzaak de inlandsche kinderen, die ons in dit tevredenheidsbewijs steunden. Onder deze vertooningen, waarbij ook nog de muziek van een Chineesch orkest gevoegd moet worden, werden de gasten onophoudelijk van spijzen en verfrisschende dranken voorzien, en ook daarbij werd van de aanwezigheid van zooveel inlanders, waaronder toch ook vele kinderen, niet de minste overlast ondervonden. Vergelijk met dit alles eens iets dergelijks in ons land!
Padang en de Padangsche bovenlanden hebben op ons beiden een diepen, blijvenden indruk gemaakt. Noch de prachtige natuur, noch de buitengewone omstandigheden, waaronder de bevolking daar leeft, noch de vele hartelijke menschen, die wij er hebben ontmoet, die ons vriendschappelijk tegemoet zijn getreden en ons bezoek zoo vruchtdragend hebben gemaakt, zullen ooit uit onze herinnering verdwijnen. Sumatra's Westkust is alleen een bezoek aan onze koloniën waard.
Nu wij op het punt staan, Sumatra voorgoed te verlaten, wil ik met een enkel woord den indruk weergeven, dien over het algemeen de Maleier op mij heeft gemaakt, omdat wij dezen nu niet meer zullen ontmoeten en in hoofdzaak met den Javaan kennis maken.
Het is niet gemakkelijk, in een paar woorden te omschrijven, welke die indruk is en daarom neem ik mijn toevlucht tot eene vergelijking van de Maleiers, zooals wij die hier op Sumatra's Westkust ontmoet hebben, met de inlanders in andere landen..
In Zuid-Afrika boezemden de inlanders mij groote sympathie in; ik gevoelde voor hen als een moederlijke vriendin. Ik beschouwde hen als kinderen, die met tact moeten worden opgevoed, waarbij er waren met moeilijke karakters, maar zoo zeer velen, die slechts goede leiding noodig hebben om tot bruikbare, zeer goede menschen op te groeien. Van de Afrikaansche inlanders is m.i. alles te maken; komen zij niet of niet goed terecht, dan kunnen wij dat toeschrijven aan de verkeerde leiding, aan de dikwijls verdervende omstandigheden, waaronder zij opgroeien.
In Britsch-Indië heeft de inlander mijn sympathie niet kunnen verwerven. De weerzinwekkende indruk, dien de Hindoe in het Zuiden van het land op mij maakte is wel langzamerhand wat verzacht, maar de druk-doende, schreeuwerige Hindoe en Mohammedaan in Britsch-Indië, de slimheid en geslepenheid in zijn optreden, zijn aanstellerige manier om zijn godsdienst en kaste aan de wereld te openbaren door middel van groene, gele en roode verf op zijn gezicht te smeren, maar vooral ook zijn geloof en ongeloof, zijn afgodsdienst enz. zijn zoo walgingwekkend, dat ik mij in geen enkel opzicht met deze menschen verwant kan gevoelen.
De Maleische bevolking in Padang, doch vooral in de Padangsche bovenlanden, hebben heelemaal niet den indruk verwekt, dat wij zoo ver boven hen staan. Hun zelfbewust, waardig optreden, hun kalme natuur, hun werkzame aard, (vooral wat de vrouwen betreft), hun getoonde behoefte aan ontwikkeling, stellen hen op nagenoeg één lijn met ons zelven, Wij mogen hen beschouwen als een jongeren vriend, die goede leiding noodig heeft, die intellectueel hoog genoeg staat, maar wien tot dusver de noodige opleiding onthouden is en die, zoodra de gelegenheid tot geestelijke ontwikkeling maar genoegzaam geboden wordt, met reuzensprongen zal vooruitgaan, om weldra in menschelijke ontwikkeling geheel met ons gelijkgesteld te kunnen worden.
Men zegt hier: "de Maleier is lui"; in Deli vindt men den Maleier ongenegen om koeliewerk voor ons te verrichten, maar dat laatste stempelt hem in mijn oog hooger dan den Javaan en den Chinees, die zich daarvoor wel gebruiken laten. Dat de Maleiers, en dit geldt alleen voor de mannen, lui zouden zijn, is ook voor een deel toe te schrijven aan de rechtsverhouding, waaronder deze menschen nog leven. Hun rechtstoestand dateert nog van vele eeuwen her, toentertijd was het misschien wijs en rechtvaardig, hunne wetgeving zoo in te richten zooals die nu nog is, maar met hunne tegenwoordige ontwikkeling en levensopvatting is deze dikwijls zeer in strijd.
OP JAVA.
III.
Den 9en Mei 's avonds, een halven dag vroeger dan wij verwacht hadden, voer de "Tambora", een van de mooie booten van de Rotterdamsche Lloyd, ons van Padang naar Batavia terug. Door deze vervroegde aankomst en vertrek van de boot werd nog even het afscheidsdiner, door de familie Kamerling voor ons belegd, in de war gestuurd. Toen de gasten kwamen, moesten wij afreizen, alleen de vroegkomers konden wij nog even de hand tot afscheid reiken! De heer Kamerling, die ons, niettegenstaande 't in de war gestuurde diner, toch zelf naar de boot bracht, had van tevoren gezorgd, dat de bagage bezorgd werd, die reeds netjes op haar plaats in onze hutten op ons wachtte.
Het waren een paar gezellige, vroolijke dagen, die wij aan boord sleten. De laatste dagen aan boord van deze Hollandsche mailbooten worden altijd als feestdagen beschouwd; het afscheidsdiner is een maaltijd met een begin, maar zonder einde; goede wijn en champagne wordt dan namens den kapitein den gasten geoffreerd; sigaren voor de heeren, zoetigheidjes voor de dames en aardige, bruikbare souvenirs vindt men naast zijn couvert of worden gedurende het diner rondgediend, en als het oogenblik van de champagne is aangebroken, dan breekt ook meteen de welbespraaktheid los en vloeien de toasten op elkeen en ieder van veler lippen. De vroolijkheid behoefde niet met geweld opgewekt te worden, ze kwam spontaan en 't was duidelijk, dat de vele reizigers, die eenige weken gezamenlijk dit schip bevolkt hadden, het te zamen goed hebben kunnen vinden en dat zij ook met den kapitein en de officieren van het schip goede vriendschap hadden gesloten.
In Tandjong Priok aangekomen, hadden wij weder datzelfde gezeur met de toelatingsbewijzen. Niettegenstaande wij onze toelatingsbewijzen, die twee jaren geldig zijn, bij ons hadden, moesten wij toch wachten tot allen klaar waren, omdat niemand vóór dien tijd van boord mocht gaan. Op een snikheeten middag eenige uren in de haven van Tandjong Priok doelloos door te brengen, gun ik mijn vijanden zelfs niet.
Het was in Batavia zoo heet--men vertelde ons, dat in veertig jaren zoo'n hitte niet voorgekomen was--dat wij besloten zoo spoedig mogelijk onze zaken aldaar te regelen en naar Buitenzorg te vertrekken en daarmede onzen toer door Java te beginnen.
In het Hotel Bellevue te Buitenzorg vonden wij vriendelijke opname en een paar frissche kamers met een wonderschoon uitzicht op den berg Salak en op de daaronder stroomende rivier. Uren konden wij daar, op de veranda zittende, doorbrengen met te kijken naar de kleine, bruine kindertjes, die daar als jonge kikvorschen in en uit de rivier sprongen en zich daar den geheelen dag amuseerden, terwijl hunne moeders, tot aan het middel in het water staande, tallooze gekleurde sarongs en witte baaitjes in den snelvlietenden stroom waschten en ze dan op den oever te drogen legden. De berg zelf, tot aan den top begroeid met theeplantages en palmboomen, bood ons een heerlijken, rustigen aanblik. Drie dagen brachten wij in Buitenzorg door, dagen, die vol waren met afwisselende indrukken.
Natuurlijk gold ons eerste bezoek de beroemde botanische tuinen, den trots van Java. Zonder het opzettelijk te willen, maakte ik toch onwillekeurig vergelijkingen met den mededinger naar de kroon van de beste en de mooiste in de geheele wereld te zijn, den Koninklijken Botanischen tuin in Paradenya, op Ceylon. Ik ben blij, dat ik niet geroepen ben, in dezen uitspraak te moeten doen, want het zou mij heel zwaar vallen uit te maken, welke van beide den prijs verdient. Is onze Koninklijke tuin misschien smaakvoller aangelegd, die in Paradenya bezit het voordeel, dat men bij elken boom en plant naast den wetenschappelijken Latijnschen naam ook den gebruikelijken Engelschen naam vermeld vindt, benevens den naam van het land, waar die boom of plant inheemsch is.
Naast den botanischen tuin interesseerden ons het meest, de eveneens beroemde kweek- en proeftuinen en de landbouwtuin. Hiermede verbonden wij meteen een bezoek aan de landbouwschool, alwaar wij van het onderwijs niet veel konden zien, omdat de jongelieden juist in de examen-werkzaamheden zaten. Het waren in hoofdzaak jongens, geboren uit Hollandsche vaders en inlandsche moeders, die de leerlingen vormden en naar de directeur ons mededeelde, was het voornamelijk om voor deze jongens een hun passenden werkkring te vormen, dat deze school was in het leven geroepen. Ik hoop, dat er een hooger en meer algemeen belang bij de oprichting en instandhouding van deze school beoogd wordt, al is het resultaat dan ook, dat daarmede bedoelde jongelieden aan eene maatschappelijke positie geholpen worden.
Ik wil niet opnoemen wat wij in Buitenzorg op zoölogisch, botanisch, landbouwkundig, chemisch en phytopathologisch gebied meer voor bijzonderheden zagen, doch met een enkel woord wil ik toch even het zoö-phytopathologisch museum gedenken, met zijn bekwamen directeur, den heer Ouwens, aan het hoofd, den man, die zoo met liefde zijn interessanten arbeid volbrengt. Met hem als gids, brachten wij eenige onvergetelijke uren in dat museum door, uren, waarin wij omtrent de dieren in onze koloniën méér leerden, dan wij anders in maanden zouden hebben gedaan. Wat maakt het toch een oneindig verschil, als het hoofd van zulk een inrichting zijn taak met belangstelling en liefde voor de zaak vervult, of, zooals ik ze ook wel eens heb aangetroffen, zijn betrekking opvat als een baantje, dat hem tot kostwinning dient.
Eene vergadering met de daar bij ons vorig bezoek verkregen leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, leidde tot de oprichting van eene afdeeling Buitenzorg, die met 28 leden haar werk aanvangt.
Donderdagmorgen, 16 Mei, vertrokken wij 's morgens om 7 uur per kar naar Sindanglaja. Ik schrijf per kar, Kahar Baloon, zooals de inheemsche naam luidt, want rijtuig durf ik het niet noemen. Maar hoe ongemakkelijk onze zitplaatsen in dit nauwe, op twee hooge wielen draaiende karretje ook waren, spoedig hadden wij alle ongerieflijkheden vergeten door het prachtige gezicht, dat onophoudelijk in tal van variaties, onze aandacht boeide. Hoewel deze tocht, waarbij wij eerst door drie, later door vijf paarden naar boven geheschen werden, ruim zes uren duurde, hebben wij ons geen oogenblik over den langen duur beklaagd. Niet alleen was het uitzicht op de bergen onbeschrijfelijk mooi, maar ook de bevolking in de verschillende dorpjes, die wij doorkwamen, bood ons telkens iets nieuws en gaf stof tot vele opmerkingen.
Hoe hemelsbreed verschilt deze Soendaneesche bevolking van die welke wij zoo kort geleden in de Padangsche bovenlanden zagen. De Soendaneesche vrouwen zijn mooier dan hare Minangkabausche zusters, maar dat is ook het eenige, dat wij in haar voordeel kunnen aanvoeren. Zagen wij in de Padangsche bovenlanden overal aan den weg, op het land, in de passars het werk door vrouwen verrichten, hier over den Poentjakpas waren het bijna uitsluitend mannen, die het werk deden, terwijl de vrouwen overal in groepjes bijeenzaten te babbelen, of met een baby in de armen of aan de borst op den grond zaten en lusteloos voor zich uitstaarden. Hier was geen spoor meer aanwezig van de fiere, zelfbewuste houding der Minangkabausche vrouwen, hier zagen wij moedertjes, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, met een zwaarmoedig, levensmoe uiterlijk, waaruit elke grein van energie geweken was. Het verwonderde ons niet, dat ook de kleine kindertjes reeds die oude-mannen- en oude-vrouwen trek op hun gelaat vertoonden, kindertjes, die stil neerlagen als ze in het zand gelegd werden, en op wier gezichtjes, als het rijtuig eens stil hield, of als wij eens verkozen door een dorp te loopen, in plaats van te rijden, wij met geen mogelijkheid een lachje konden te voorschijn roepen. Hoe kunnen zulke energie-looze moedertjes anders dan wezenlooze kinderen het leven schenken?
In een paar dorpen, die wij doorgingen, was het passar-dag en nu zagen wij steeds van alle zijden de mannen, zwaar beladen, met groenten, vruchten en aardappelen ons langs den weg passeeren en passarwaarts gaan. Geen enkele vrouw was onder hen. Deze mannen dragen hunne zware vrachten niet, zooals de Minangkabausche vrouwen, op het hoofd, maar hangende aan een lang juk over een der beide schouders. Dit juk is meestal van bamboe gemaakt en wordt om beurten over den rechter of linker schouder geslagen.
Op deze passars zaten mannen achter hunne vruchten- of groenten-uitstallingen en mannen waren de koopers of verruilden hunne meegebrachte zaken voor andere.
Nog iets viel ons bij deze menschen op, iets dat wij op Java en Sumatra nog niet gezien hebben. Het was de onbeschaamdheid waarmede deze Soendaneesche vrouwen haar bovenlijf onbedekt vertoonden. Het miste hier geheel den indruk van naïeviteit, van niet beter weten of van algemeen gebruik, het was veeleer een onverschilligheid, een te lui zijn, om het jakje aan te trekken of doek om te slaan, die andere vrouwen gebruiken om het bovenlijf te bedekken.
Alleen op de theeplantages, die wij hier en daar passeerden, waren vrouwen aan het theeplukken,--een licht en slecht betaald werk,--en dat was het eenige dat wij op den geheelen langen rit van vrouwenwerk zagen. Deze Soendaneesche menschen verkeeren blijkbaar reeds in een verder gevorderd stadium van maatschappelijke ontwikkeling dan de Minangkabauers, hier is de landbouw, de arbeid, die oorspronkelijk vrouwenwerk was, reeds geheel in handen van mannen overgegaan. Op de landbouwschool in Buitenzorg, worden alleen jongens toegelaten, tot nu toe hebben zich ook nog slechts jongens als leerlingen opgegeven, maar als er meisjes mochten komen, die eene opleiding op die school wenschten, dan zou de directeur zich met hand en tand tegen de toelating verzetten. Voor de meisjes in deze buurten worden nu door particulieren kant- en weefscholen opgericht, werkzaamheden, die volgens onze Westersche begrippen meer geschikt zijn voor vrouwen, en als de meisjes die scholen als volleerde werksters verlaten hebben, kunnen zij met het aangeleerde nog niet het beetje rijst verdienen, dat iemand hier voor voedsel noodig heeft.
Toen wij op 't hoogste punt van onzen weg gekomen waren, hielden wij een oogenblik halt, om langs een mooien weg met prachtig uitzicht even een bezoek te brengen aan het Telaga warna meer. Dit meertje is een kratermeer, dat door een dicht geboomte met groote verscheidenheid van kleur, omgeven is. Dit geboomte wordt in het water weerspiegeld en verwekt den indruk, alsof het water telkens van kleur wisselt. Bij fellen zonneschijn, als de zon zich achter een wolk verschuilt, of als de wind de veelkleurig getinte bladeren dooreenmengelt, verandert de kleur van het meer.
Op onzen tocht hadden wij een aardige ontmoeting. Zeer spoedig nadat wij in Buitenzorg het hotel verlaten hadden, zagen wij voor ons een zelfde soort karretje, ook met drie paarden bespannen, waarin één heer zat. Toen wij voor den eersten keer uitstapten, stapte ook hij uit, en begon met ons een gesprek over het doel van onzen tocht. Ook hij ging naar Sindanglaja en daar hij, alleen gezeten en met zeer weinig bagage over meer ruimte in zijn karretje beschikken kon dan wij, nam hij bereidwillig eenige van onze zaken over.
Het is een Spanjaard uit Spaansche ouders, in de Philippijnen geboren, die zijne opleiding tot advocaat aan de universiteit te Madrid genoot. Hij is nu in Manilla in een staatsbetrekking. Met echte Spaansche courtoisie ruimde hij alle moeilijkheden, die onze tocht medebracht voor ons uit den weg en hij bleek een cavalier te zijn, zooals wij ons niet beter konden wenschen. Hoewel de man niet ouder dan 35 à 40 jaar kon zijn, kende hij toch zoowat de heele wereld en gaf ons voor onze verdere reis tal van wetenswaardige inlichtingen. Hij kende Amerika zoo goed als mrs. Catt en over Holland sprak hij met een kennis van zaken, die menig Hollander hem benijden kan.
Hij maakt nu een toer door Sumatra en Java, met het doel het geheim te leeren kennen, waardoor Holland als koloniale mogendheid met beter resultaten werkt dan de meeste andere landen, die over koloniën te beschikken hebben. Daar hij in hetzelfde hotel ging logeeren, waren wij, de twee dagen die hij in Sindanglaja vertoefde, onophoudelijk met hem samen en hij bleek tot aan het eind de aangename causeur, de wetenschappelijk ontwikkelde wandelgenoot en de gentleman van top tot teen te zijn.
Hij schreef het succes van Nederland op Java en Sumatra, het laatste had hij reeds bezocht, alleen toe, aan onze sociale gelijkstelling van den Indo-Europeaan met den volbloed Europeaan. Hij had opgemerkt, dat de geheele geschiedenis door in alle koloniale staten, de opstanden voor zoover die niet uit godsdienstfanatismus ontstaan--altijd ontstonden en geleid werden door kleurlingen, d.w.z. door menschen, uit een mengsel van inlandsche en Europeesche ouders ontstaan. De inboorling volgt zulke leiders gaarne en gewillig. Doordat bij ons de Indo-Europeaan als Hollander beschouwd wordt, nemen wij de aanleiding tot een opstand weg, en mochten de Hollanders op dezen ingeslagen weg voortgaan, door ook de inlanders als Hollanders te gaan behandelen, door hun bij gelijke ontwikkeling aanspraak te geven op gelijke maatschappelijke positie, door hen in onze sociale kringen op te nemen en hen op voet van gelijkheid te behandelen, dan zou het kleine Nederland in staat blijven, zijne groote koloniën te behouden, want dan zou het in de bevolking zelf, een machtigen steun hebben. Dit was zijne meening. Hij was er niet voor, de koloniën op te voeden tot zelfregeering, hetgeen Amerika met de Philippijnen voor heeft, maar wel, om de koloniale bevolking op te voeden tot het peil van beschaving en ontwikkeling van den staat, die hen regeert, zoodat zij één wordt met dien staat en de bevolking zich ook één met hare vroegere overheerschers gevoelt.
Daar onze nieuw verworven vriend den 1en Juli in Manilla terug moest zijn, reisde hij sneller door Java dan wij, en verliet hij ons na twee dagen oponthoud in Sindanglaja. In Manilla hopen wij later de vriendschap voort te zetten.
Een van onze eerste bezoeken van uit Sindanglaja gold de landbouwkundige tuinen in Tjibodas. Elk in een draagstoel gezeten, gedragen door vier inlanders, legden wij den steilen steenigen, slechten weg naar boven, in ongeveer twee uren af. Het was echter een prachtig uitzicht, dat wij onophoudelijk genoten. Deze botanische en landbouwkundige tuin, midden in een oerwoud, 1500 meter hoog gelegen, bevat alle planten, die in de tuinen van Buitenzorg niet willen bloeien, omdat zij een kouder klimaat behoeven. Deze tuin kan vergeleken worden met den Ceylonschen tuin in Newrelia, die om dezelfde reden als de onze een aanhangsel is van den tuin in Paradenya. Onze Tjibodas-tuin staat echter in menig opzicht, doch vooral wat aanleg en planten-verscheidenheid betreft, veel hooger dan de Newrelia'sche. Hier leggen de Engelschen het bij ons af.
Het is maar goed, dat wij in Britsch-Indië door het rijden op kameelen en olifanten aan het dooreen-schudden gewend geraakt zijn, anders hadden wij het op dien tocht naar Tjibodas, drie uur heen en terug, nooit in de draagstoelen uitgehouden. Dat zitten in draagstoelen, berg-op, berg-af geeft een emotie, die minder goede zeevaarders dan wij twee zijn, zeker zeeziekte aan land zou bezorgd hebben; het maakte ons alleen wat duizelig en liet een vage hoofdpijn achter.
Een kwartier wandelen van hier, langs een mooien landweg, in Tjipanas, ligt het landgoed van den gouverneur-generaal in een prachtig park, dat vreemd genoeg, voor het publiek gesloten is. Door een toeval kregen wij gelegenheid om in dit goed onderhouden en idyllisch mooi gelegen park te wandelen. Als de gouverneur zijn landschap dikwijls bezocht, zou er misschien reden kunnen zijn, om wandelaars te weren, maar zelden of nooit komt Z. Exc. er den dag doorbrengen, of er eenige dagen vertoeven, zoodat deze uitgestrekte bezitting bijna uitsluitend ten dienste is van het daar wonend ondergeschikt personeel.
Toen wij op onze wandeling door het dorpje een beetje van den grooten weg afdwaalden, kwamen wij spoedig in een dicht bosch, alwaar op bijna alle boomen wildgroeiende orchideeën voorkwamen. Het is opmerkelijk, hoe hier overal langs den weg wild-groeiende orchideeën te vinden zijn. Hoewel de bloemen niet zoo groot als de bij ons voorkomende, gekweekte soorten zijn, is de kleur van deze, hier gevondene dikwijls fijner en zachter. Sommige er van bezitten een heerlijken zoetigen geur.
Eenige door mij geplukte soorten van deze bloemen, omgeven door een rand van roodbruine bladeren, van een hier ook in 't wild groeienden heester, vormde zoo'n mooie bouquet, dat elke bloemist er naar hunkeren zou.
Het hotel in Sindanglaja, dat tevens tot herstellingsoord dient, is zeer mooi gelegen en geeft uit bijna alle kamers een mooi uitzicht op de rondom gelegen bergen. De temperatuur in Sindanglaja is zeer behagelijk, het is er niet te warm en niet te koud. Het zou gewis de meest gewenschte plek op aarde zijn voor vele rust- en herstel-zoekenden, als de huishouding in het hotel een beetje beter gevoerd werd. Die laat zeer veel te wenschen. Ook klinkt het een beetje paskwillig, dat eene inrichting, die zich als "herstellingsoord" publiceert, geen dokter bezit, en er zelfs de meest gebruikte medicamenten niet te krijgen zijn. Er komt eens per week een dokter uit een ander oord, die aan den directeur vraagt, of er ook zieken zijn, en daarna weder verdwijnt.
Niettegenstaande deze bezwaren brachten wij tweetjes toch vier rustige dagen in Sindanglaja door, dagen die ons geheel restaureerden en die ons tot de gelukkige ontdekking brachten, dat er met een paar dagen rust in een koeler klimaat toch nog een beetje van de oude energie in ons aanwezig is. Wij waren er aan gaan twijfelen.
IV.
Niet zoo moeilijk als het was voor ons om in Sindanglaja te komen, was het om er weder uit te verdwijnen. Wij behoefden daartoe slechts met een rijtuigje den ongeveer negen kilometer langen weg naar Tjiandjoer, die geheel bergafwaarts voert, af te leggen. In Tjiandjoer zouden wij den trein vinden, die ons naar Bandoeng moest brengen. Wij hadden reeds twee dagen tevoren in het hotel Sindanglaja paarden en rijtuig besteld, om toch vooral zeker te zijn, dat wij op tijd en zonder ongelukken ter bestemder plaatse zouden aankomen, en niettegenstaande de herhaalde verzekeringen van den chef van het hotel, dat het rijtuig ons in één uur naar beneden aan het station kon brengen en wij dus niet eerder dan acht uur van Sindanglaja behoefden te vertrekken, hadden wij toch maar de voorzichtigheid betracht met om zeven uur weg te rijden. Wij hadden de keuze tusschen een Kahar Baloon of een dos-à-dos en hadden de laatste gekozen, omdat die rijtuigjes, laag bij den grond zijnde, ons in de gelegenheid stellen bij bokkesprongen van de paardjes, er gemakkelijk uit te springen. In een Kahar Baloon is men meedoogenloos aan de bijna ongetemde grillen van de lieve beestjes, die men hier paarden noemt en als zoodanig gebruikt, overgeleverd, want in zoo'n balonkar kan men alleen met behulp van een trapje uit- en instijgen. Gelukkig, dat wij zooveel voorzorgen getroffen hadden, want tot tweemaal toe gevoelden wij ons verplicht uit ons karretje te springen, omdat de twee vurige paardjes meenden genoeg gedaan te hebben en pogingen aanwendden om zich van den inhoud der kar te ontdoen, met ons over den dijk te gooien. Ook vertikten zij het eenige keeren om een stap voorwaarts te gaan, zoodat het koetsiertje, met behulp van een voorbijgaanden inlander, de beestjes een eindweegs moest voorttrekken, om er zoodoende weder den gang in te brengen. Dat alles had ten gevolge, dat wij in Tjiandjoer aankwamen toen de trein reeds daar was en op het punt van vertrekken stond. Een onzer zorgde, dat de handbagage in den trein geworpen werd, de ander nam gauw twee kaartjes, en zoo regelden wij het om op het laatste oogenblik nog in den trein te komen en mede te kunnen afreizen. Zoo'n trein verzuimen zegt hier veel in Indië, want er staat maar niet zoo op eens een tweede trein gereed, zooals wij dat in Holland gewend zijn.
Toen wij eindelijk voortrolden in een gemakkelijken, neen, zeer gemakkelijken en uiterst zindelijk onderhouden waggon van de Staatsspoorwegen, toen konden wij ons verlustigen aan den aanblik van de streek, die wij doortrokken. Wij hadden het getroffen met te zitten in de achterste waggon, waaraan een balcon verbonden was, dat ons een ruim en vrij uitzicht bood over de heerlijke vlakten in de Preanger Regentschappen. De uren, in den trein doorgebracht, vlogen om als waren het even zoovele minuten en toen wij te Bandoeng aankwamen en daar aan het station opgewacht en begroet werden door de Bandoengsche Kiesvereeniging, die mij voor een spreekbeurt had uitgenoodigd, en door mevrouw Willy Berton, ons vroeger Amsterdamsch bestuurslid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht, verkeerden wij in zoo'n opgewekte stemming over het genotene, dat wij nauwelijks realiseerden, dat hier in Bandoeng weder "werken" onze plicht zoude zijn.
Bandoeng is een verrukkelijke stad; er is het geheele jaar door een temperatuur, die niets te wenschen overlaat. Het is er nooit te koud en het is er nooit te warm. Daarbij ligt het zoo te midden van een prachtige natuur, dat men er tal van heerlijke uitstapjes kan maken. Er wonen juist genoeg Europeanen om gezamenlijk wat kunstgenot te kunnen betalen en ook noodzakelijke, nuttige instellingen in het leven te houden.
Waarom vestigen alle groote lichamen hunne hoofdkantoren niet hier, inplaats van in het door de hitte bijna onbewoonbare Batavia? En waarom wordt de regeeringszetel niet naar hier overgeplaatst? Als ik het in Holland niet meer naar mijn zin vind, ga ik naar Bandoeng. Waarom gaan de menschen naar Italië, naar Zwitserland; wat men daar zoekt en slechts voor een deel van het jaar vindt, is hier onophoudelijk te genieten. Voor het onderwijs van de kinderen zoekt men die andere landen, maar bij genoegzame deelname zijn hier toch ook goede scholen te stichten. Als er ooit in Indië een universiteit komt, moet die in Bandoeng gevestigd worden, want hier kunnen de jongelieden met heldere koppen werken, hier behoeft hunne energie door de hitte niet verlamd te worden.
Wij rekten ons verblijf in Bandoeng zoolang wij konden, en bleven er tot na de Pinksterdagen. Dat waren bijzondere drukke dagen voor het stadje. Niet alleen hielden de kina-kultuurondernemers, de theeplanters en de koffie dito's er eene bijeenkomst of een congres in die dagen, maar er had nog een andere bijeenkomst plaats, die ten doel had de leden der gemeenteraden over heel Java tot een bond te vereenigen, om zoodoende de belangen der afzonderlijke gemeenten op betere wijze dan tot nu toe te kunnen behartigen. De bijeenkomst droeg den grootschen naam van "Decentralisatie-congres", en had plaats ten huize van den regent van Bandoeng.
Door middel van mijn perskaart kreeg ik toegang tot dit congres. Het vorige jaar kwamen door de bemoeiingen van het oud-Kamerlid Van Kol en op zijn initiatief, eenige heeren, allen deel uitmakende van de verschillende gemeentebesturen uit Nederlandsch-Indië, bijeen, die de wenschelijkheid gevoelden van de totstandkoming van een bond van gemeenteraadsleden met een eigen orgaan, zoodat de gemeentebelangen beter dan tot dusverre behartigd kunnen worden. Het is nog zoo kort, dat onze broeders in Indië de bevoegdheid verwierven de gemeentebelangen, voor een deel, zelve te mogen regelen. Vele gekozenen in de gemeenteraad schijnen hun taak ook met liefde en toewijding te vervullen, maar zij gevoelen zich als een beginnende schaatsenrijder, zij hakkelen nog wat in de kunst en weten nog niet goed of de rechter- dan wel de linkervoet voor moet gaan. Niets begrijpelijker dan dit. Wijsheid te putten uit de gemeente-handelingen onzer Nederlandsche groote steden helpt slechts weinig, omdat de toestanden hier zoo geheel anders zijn. Door elkaar voor te lichten met wat in de eene gemeente met goed resultaat tot stand kwam, of wat onvoorziene slechte gevolgen had; door groote belangen, die voor heel Indië konden gelden, samen te bespreken, kan men elkaar helpen en steunen en de gemeenten kunnen daarvan de goede vruchten plukken.
Den 26en en 27en Mei had nu de tweede bijeenkomst plaats, die echter het eerste congres moet worden genoemd, omdat nu voor het eerst eenige onderwerpen door verschillende sprekers zouden worden ingeleid, onderling besproken en over de daaruit voortgevloeide stellingen gestemd zoude worden.
Nadat de oude regent even alle aanwezigen in zijn woning had begroet, ging hij heen en werd het congres met een kort, passend woord geopend door den resident van Bandoeng, den heer Oudemans. Deze had, op verzoek, het presidium voor deze bijeenkomst aanvaard, omdat de aangewezen president niet tegenwoordig kon zijn en zijn plaatsvervanger de taak niet aandurfde. Benevens de resident waren ook nog de heeren Tollenaar, regeerings-vertegenwoordiger, en ons Eerste Kamerlid, Van Deventer, tegenwoordig. Verder was de opkomst bedroevend gering. Dat was zeer te betreuren, omdat de onderwerpen, die ingeleid werden, zeer belangrijk waren, en naar het mij voorkwam, zeer degelijk werden behandeld.
De heer D. de Jongh Wz. hield de zakelijke openingsspeech, waarin hij het doel van deze bijeenkomst schetste. Dat is samen te vatten in de volgende woorden: Dit congres moet de belangstelling wekken der gemeenteraadsleden en daardoor moet men komen tot een "Bond ter bevordering van gemeentebelangen".
Daarna sprak de heer Westerveld, Semarangsch gemeenteraadslid, over "Gemeentelijke grondpolitiek". Helder en goed gedocumenteerd was zijne voordracht, die gemeentelijk grondbezit aanbeval. De 6 stellingen, die ten slotte uit de voordracht getrokken, aan stemming onderworpen werden en met algemeene stemmen werden aangenomen, komen daarop neer: 1. dat de uitbreiding eener gemeente alleen mag geschieden volgens een door den gemeenteraad vastgesteld uitbreidingsplan. 2. Dat de gemeente de bevoegdheid deelachtig wordt om ten algemeenen nutte gronden te onteigenen. 3. Dat gemeentelijk grondbezit in de eerste plaats moet dienen tot verbetering der volkshuisvesting. 4. Dat bij overname van door particulieren aangelegde straten de voorwaarde wordt gesteld, dat de grond kosteloos aan de gemeente wordt afgestaan en tevens een grooter of kleiner deel van de gekapitaliseerde onderhoudskosten in de gemeentekas wordt gestort, en 5. Dat het gemeentelijk grondbezit afzonderlijk beheerd moet worden.
Daarna sprak de heer De Jongh over het Verkeersvraagstuk in de gemeenten. Ook deze spreker had zijn onderwerp goed bestudeerd en beschikte over de talenten om op aangename en duidelijke wijze zijne overtuiging bij zijne hoorders ingang te doen vinden. Hij is een groot voorstander van gemeente-exploitatie van tramwegen, doch zoolang dit uit gebrek aan middelen een ideaal moet blijven, wil hij de particuliere exploitatie aan zeer scherpe voorwaarden binden, voorwaarden, die het te allen tijde mogelijk maken, dat het bedrijf door de gemeente op niet al te nadeelige voorwaarden kan worden overgenomen. Ook deze spreker heeft zijne voordracht in stellingen samengevat, die ook eenparig werden aangenomen.
Dat in stemming brengen en aannemen van al de stellingen beteekent eigenlijk niets anders, dan dat het handjevol der daar aanwezige gemeenteraadsleden van slechts zeer weinige gemeenten in hoofdzaak met de denkbeelden van den voorsteller kunnen meegaan; verdere beteekenis mogen wij daaraan vooralsnog niet hechten. In beide deze voordrachten trof het mij, hoe de belangen van den inlander steeds nummer één werden gesteld, en hoe men er op voorbedacht is om de gemeentepolitiek in de eerste plaats dienstbaar te maken aan de belangen der inlandsche bevolking.
Den tweeden dag werd door mr. Van Wijngaarden het vraagstuk van "Gemeenteraad en Inlandsche Gemeente" ingeleid, doch dit is zoo'n ingewikkelde juridische kwestie, dat ik daarvan den inhoud niet in een kort bestek kan samenvatten, ook al niet, omdat ik er niet genoeg van begrijp. Dit laatste was toch het geval met de meeste aanwezigen, waardoor dan ook de stellingen niet in stemming konden worden gebracht, doch men algemeen van oordeel was, dat dit vraagstuk grondig moest worden bestudeerd en in een ander congres opnieuw ter sprake worden gebracht. Daarna sprak de heer J. E. Stokvis, over Gemeenteraadscommissies. Onnoodig zeker te zeggen, dat hij een groot voorstander bleek te zijn van zulke lichamen, of lichaampjes, die in de gemeenteraden eigenlijk het practische werk verrichten. Toen deze besprekingen afgeloopen waren, werd de wenschelijkheid besproken van eene definitieve oprichting van eene "Vereeniging ter bevordering van gemeentebelangen", waarvan elkeen, ook niet-gemeenteraadsleden, die aan de behartiging dier zaken wil medewerken, lid kan worden. Uitdrukkelijk wordt in het reglement door den heer Stokvis samengesteld, uitgesproken, dat vrouwen, onder dezelfde voorwaarden als de mannen, lid dezer vereeniging kunnen worden. Dit is een zeer verstandige maatregel, want het zou mij niet verwonderen, als niet zeer spoedig zal blijken, dat de vrouwen hier meer belangstelling toonen in de gemeentebelangen dan tot dusverre de mannen deden, enkele zeer bijzondere gunstige uitzonderingen daargelaten. De vrouwen in Indië hebben nu gelegenheid van hare belangstelling te doen blijken, daarmede aantoonende, hoe bekrompen, en meer de traditie dan het belang der Indische gemeenten dienende, de uitsluiting der vrouw tot het kiezen van en verkiesbaar zijn voor gemeenteraadslid in Indië, in de Verkiezingsordonnantie van 19 Januari 1908 is geweest. Was er toen een gouverneur-generaal in Indië geweest met een helderen kop en met de moed zijner overtuiging, dan had hij, in het belang der Indische gemeenten, nooit het woordje "mannelijk" in artikel 2 van de Kiesordonnantie gelascht. De vrouwen, onder welke er vele zijn, die de gemeentebelangen begrijpen en ze wenschen te bevorderen, moeten nu eerst den strijd aanbinden om dat woordje uit artikel 2 verwijderd te krijgen, alvorens zij met vrucht haar werk ten nutte der gemeente kunnen aanvangen. Dat zij dezen strijd zoo spoedig mogelijk zullen aanbinden, daarvan zal ieder verzekerd zijn, die vele der flinke vrouwen hier heeft leeren kennen en waardeeren.
Tijdens mijn verblijf in Sindanglaja vond ik op de leestafel in het hotel aldaar "het Tijdschrift", een maandblad, dat sedert korten tijd hier in Bandoeng uitgegeven wordt, onder de bekwame leiding van den heer Douwes Dekker. Het toeval wilde, dat juist in het nummer dat in mijne handen kwam het program van de partij of de vereeniging, waarvan "het Tijdschrift" het orgaan moet zijn, ontwikkeld werd en dat ik daarin las, dat het doel kort en bondig daarop neerkomt: "Indië voor de Indiërs". Natuurlijk dacht ik, dus dan toch ook bij ons, evenals in Britsch-Indië, eene beweging tegen de overheersching der Europeanen, dus ook hier een begin van opstand, of ten minste eene poging om zich van den Nederlandschen invloed en Nederlandsche macht te bevrijden. Het was natuurlijk mijn eerste werk, toen ik in Bandoeng kwam, om mij te overtuigen van den omvang dezer beweging en van de reden, die de leden tot verzet noopt. Nu weet ik niet of ik teleurgesteld of blij moest zijn, toen ik vernam dat er van een dergelijke beweging in onze koloniën vooralsnog ten minste geen sprake is, dat de redacteur van "het Tijdschrift" een nog op zichzelf staand leider is van eene denkbeeldige vereeniging of bond, dat er wel hier en daar personen gevonden worden, die met zijne inzichten sympathiseeren (zou er wel ooit iemand eene meening geuit hebben, waarvoor niet hier en daar geestverwanten gevonden worden), doch dat er onder die personen nog geene organisatie bestaat. Het komt mij een versnippering van de intellectueele krachten van den heer Douwes Dekker (een achterneef van Multatuli, die eenige van de goede eigenschappen van zijn oudoom overgeërfd heeft) voor, om in onze koloniën deze Britsch-Indische beweging na te bootsen, ten eerste omdat de conditiën, waaronder onze inlanders en vooral onze Indo-Europeanen leven, zooveel gunstiger zijn dan die van dezelfde categorie personen in Britsch-Indië en ten tweede, omdat onze inlandsche bevolking bij lange na niet staat op denzelfden trap van ontwikkeling als de Britsch-Indische.
Als wij eens de onderlinge twistpunten, vooral uit verschil van godsdienst voortspruitende, buiten beschouwing laten, dan kan men gerust zeggen, dat Britsch-Indië zich zonder de hulp van Engeland zal kunnen staande houden en zich verder ontwikkelen. Ik bedoel niet tegenover vreemde mogendheden, maar als een volk op zichzelf. Zij beschikken over genoeg krachten om scholen te stichten en 't volk verder te ontwikkelen, terwijl ook hunne industrie op zeer voldoende wijze in de behoeften van het volk kan voorzien. Daarbij komt, dat de half-Europeaan, die aan een Europeeschen vader of moeder en een inlander zijn ontstaan dankt, daar onder de inlanders geteld wordt en het vooral deze zijn, die de beweging "Indië voor Indiërs" sterk steunen. Voor deze halfbloed inlanders in Britsch-Indië zijn de levensvoorwaarden uiterst slecht; geen wonder, dat dezen elk middel aangrijpen om tot betere omstandigheden te komen.
Vergelijk daarmede eens onze koloniën. Wanneer Nederland Java en Sumatra thans onafhankelijk maakte, afgezien van het feit, dat andere mogendheden spoedig en gaarne de voogdijschap zullen overnemen, dan zouden beide eilanden in minder dan geen tijd terugzinken tot het peil van beschaving, dat zij een eeuw of langer geleden bezaten. Het volk beschikt nog niet over genoeg financieele en intellectueele kracht om zichzelf verder op te heffen, terwijl de industrie nog heelemaal niet kan voorzien in de behoeften zelfs van den tegenwoordigen inlander. Voor het eenvoudigste werk heeft men hier de hulp van den Chinees noodig, en het zal nog heel wat tijd duren, aleer mannen als de heer Douwes Dekker zich zouden kunnen gelukkig gevoelen in een Java, geheel onder de macht der Javanen.
Maar dat is ook niet wat de heer Douwes Dekker bedoelt. Hij vat onder Indiërs samen, allen, die onze koloniën voor vaste woonplaats hebben gekozen, dus ook alle half-Europeanen, die in onze koloniën onder de Europeanen gerangschikt worden en wettelijk met hen zijn gelijk gesteld, en de Europeanen, die zich hier vestigen. Dan wil hij ook voorloopig nog niet de voogdij van Holland missen; eerst moet Nederland voor een voldoend aantal scholen zorgen, zoodat de inlandsche bevolking zich goed kan ontwikkelen; onder deze scholen zal ook eene voor Indië geschikte universiteit moeten verrijzen en industriescholen etc. Dan moet onze militaire macht hen voorloopig ook nog beschermen tegen uit- en inlandsche vijanden en als dit alles hen sterk genoeg gemaakt heeft om zichzelf te kunnen helpen, dan zou Nederland moeten zeggen: "kind, ik heb je groot gebracht, je kunt nu op eigen beenen staan, ga nu je gang". Uit een ethisch oogpunt valt daarvoor veel te zeggen, maar dan zouden ook alle Europeanen en half-Europeanen geweerd moeten worden en Java voor de Javanen, Sumatra voor de Sumatranen moeten blijven, anders zou het nog minder dan een halve maatregel zijn. Dit schijnt mij vrijwel een hersenschim. Ik gevoel veel meer om te streven naar eene andere richting en wel deze, die ook door Snouck Hurgronje in zijne vier bekende lezingen geuit werd, dat wij, evenals wij een Indo-Europeaan als Nederlander beschouwen, ook den Javaan, Maleier, etc. als zoodanig beschouwen en hun dezelfde rechten geven als wij zelf als Nederlanders bezitten en hen ook het gevoel geven, dat zij zijn in de eerste plaats Nederlander en daarna Javaan. Ik bedoel in dien geest: een Drentenaar of een Fries voelt zich toch ook eerst Nederlander en dan Drentenaar of Fries, zoo ook moet de Javaan en de Maleier zich gaan gevoelen. Het idee, dat wij, Nederlanders, hunne meerderen zijn, moet er uit; met de macht van het opvoedingswapen moet dat denkbeeld in de eerste plaats bij de Nederlanders, die in Indië wonen of er komen en dan bij de inlanders zelf bestreden worden. Er is geen reden te vinden, waaraan wij het recht ontleenen op den inlander neer te zien. Zij zijn een ander, wat van zelf spreekt, maar volstrekt geen lager soort menschen dan wij. Wij hebben hen noodig om het werk te verrichten, dat wij daar niet kunnen doen, zij hebben ons noodig om hun de ontwikkeling bij te brengen, waaraan zij thans behoefte gevoelen. Deze uitwisseling van diensten kan geschieden op den voet van gelijkwaardigheid, en als dat nu nog niet kan, omdat wij al veel in dit opzicht hier bedorven hebben, dan moet toch in die richting gestuurd worden. Ergerlijk is het dikwijls, hoe Europeeërs en.... Indo-Europeeërs, die intellectueel en moreel geen cent waard zijn, toch met een toon van meerderheid tegen den Javaan optreden en hem als een soort slaaf behandelen. Uit den mond van dezulken heb ik reeds de klacht vernomen, dat het een schande was, dat men den Javaan niet meer mocht slaan, als hij zijne plichten niet naar behooren vervulde. Het feit, dat alle hooger ontwikkelden hier onder de Europeërs en Indo-Europeërs met liefde en waardeering van den inlander spreken, heeft bij mij den indruk versterkt, dat de Javanen hooger staan dan men ons, nieuwelingen hier in Java, wel wil doen gelooven en dat zij door goed geleid onderwijs in eenige geslachten gebracht kunnen worden tot menschen, die wij met trots onze landgenooten zullen noemen.
Maar ook hier, evenals op Sumatra, moeten scholen komen, vele en goede. Onze beste onderwijskrachten in Nederland kunnen hier een mooie en dankbare taak vinden. Vooral goede onderwijzers en onderwijzeressen moeten uitgezonden worden, want de taak, die deze hier te vervullen krijgen, is eene meer opvoedende en meer verantwoordelijke dan die in Holland, en alleen de beste krachten zijn daarvoor geschikt.
O, daar heb ik mij laten verleiden tot een ontboezeming, die ik had willen vermijden, omdat zoovele menschen, die lang in Indië wonen of gewoond hebben, heelemaal met mij van meening zullen verschillen en ik tevens vrees door kortheid tot onduidelijkheid te zijn gekomen en nu een hoop tegenspraak (die ik misschien niet onder de oogen krijg) te wachten heb. Ik beschik echter niet over genoeg tijd om alles nog eens te wijzigen, want ik heb over Bandoeng nog meer te zeggen en daarom gaat het maar ongewijzigd de wereld in.
V.
Door de Bandoengsche kiesvereeniging was den 22en Mei een vergadering uitgeschreven, waarin ik over het vrouwenkiesrecht-vraagstuk sprak. De Bandoengsche kiesvereeniging, hoewel niet aan politiek doende, bestaat toch uit zeer vooruitstrevende menschen, die op de hoogte van hun tijd staan. Hoewel de vrouwen hier, in Indië, evenals haar zusters in het moederland, van kiesrecht en verkiesbaarheid verstoken zijn, heeft toch de kiesvereeniging van Bandoeng uitdrukkelijk in haar statuten gestipuleerd, dat ook vrouwen lid van de vereeniging kunnen zijn en doordat de vereeniging de candidaten kiest voor den gemeenteraad en deze candidaten tot nog toe steeds tot gemeenteraadslid gekozen zijn, kunnen dus de Bandoengsche vrouwen indirect invloed uitoefenen op deze keuze. Mrs. Catt had zich onttrokken om op deze vergadering te spreken, omdat zij zooveel achterstallig internationaal werk had te doen en er slechts weinigen onder het publiek zouden zijn, die haar goed zouden kunnen volgen. Een zeer groote opkomst van het Bandoengsche publiek toonde, dat het vrouwenkiesrecht-vraagstuk tegenwoordig overal belangstelling wekt en dat deze belangstellenden voorstanders worden, zoodra zij over deze belangrijke kwestie tot nadenken worden gebracht.
Na afloop der vergadering bleek, dat meer dan 60 van de aanwezigen de lijsten geteekend hadden om lid der vereeniging te worden en dat een keur van vrouwen zich beschikbaar stelde om de Bandoengsche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht te leiden. Als presidente werd gekozen mevrouw Reitsema--Brutel de la Rivière, die door haar kranige artikelen in de "Preangerbode" het bewijs reeds heeft geleverd, dat zij het vrouwenkiesrecht-vraagstuk kent en op waardige wijze weet te verdedigen. Onder haar kundige leiding zal hier zeker vruchtbaar werk geleverd worden. Als vice-presidente liet mevrouw Lovius, leerares aan een school alhier zich benoemen; een passende aanvulling van de presidente; mevrouw Willy Berton werd eerste en mejuffrouw Becker tweede secretaresse. Ieder, die mevrouw Berton in de Amsterdamsche afdeeling aan het werk heeft gezien, zal zich overtuigd gevoelen, dat het secretariaat in haar handen, met de hulp van mejuffrouw Becker, onderwijzeres, alleszins goed geplaatst is, en met mevrouw Doyer tot penningmeesteres en mevrouw Douwes Dekker en mevrouw Gramberg tot adviseerende leden van dit bestuur, zal er een kracht van kunnen uitgaan, waarvan de goede gevolgen door de vereeniging in Nederland zeer zeker gevoeld zullen worden.
Onze oude, stadgenoot, dr. Westhoff, was zoo vriendelijk mij persoonlijk in zijn mooi ziekenhuis en blindeninstituut rond te leiden. Deze beide inrichtingen zijn zeer zeker een bezoek overwaard. Het ziekenhuis voor ooglijders voldoet aan alle redelijke eischen, die men aan zoo'n inrichting heden ten dage mag stellen, het voorziet bovendien in een behoefte, zóó groot, dat onwillekeurig de vraag in ons opkomt: is het wel voldoende in onze koloniën slechts één zoo'n inrichting te hebben? Hoewel gelukkig op Java en Sumatra niet zoovele oogziekten voorkomen als in de tropische landen, die wij vóór dezen bezochten, wij hier slechts bij uitzondering een blinde tegenkomen, terwijl in Jeruzalem, Egypte, Ceylon, Britsch-Indië, die stumpers overal op onzen weg te vinden waren, toch zijn hier nog genoeg van deze ongelukkigen, die misschien bij doelmatige behandeling hun lot hadden kunnen voorkomen, zoodat het gerechtigd schijnt de vraag te uiten: zou ook in Oost-Java niet een oogziekenhuis nog voldoende vruchtbaar werk vinden? Hoe keurig netjes, hoe hygiënisch en hoe practisch zag alles er uit, wat tot het oogziekenhuis behoort; vele menschen ontvangen er gratis een doeltreffende behandeling! Ook het blindeninstituut mag zich laten zien. Met de grootste menschlievendheid worden de blinden er behandeld en de beste zorgen worden aangewend, om deze ongelukkigen, die anders zichzelf en anderen tot last zijn, tot bruikbare menschen in de maatschappij te maken. Niet alleen wordt hun allerlei handwerk geleerd, waarmede zij later, als zij weder aan de maatschappij worden afgeleverd, voor zichzelf den kost kunnen verdienen, maar de geestelijk hooger ontwikkelden ontvangen zooveel onderwijs, dat zij het onderwijzersexamen kunnen afleggen of het tot pianostemmer of muziekonderwijzer gebracht hebben. Ook voor goede voeding en uitspanning van deze stumpers wordt uitstekend gezorgd. Hier vindt dr. Westhoff, bij zoovele Amsterdammers nog zeker in vriendelijke en dankbare herinnering, een hoogst belangrijken werkkring. Niemand, die deze inrichtingen bezichtigt, kan een gevoel van dankbaarheid onderdrukken voor dezen man, die met het in het leven roepen van beide gestichten, de menschheid hier een niet te hoog te schatten dienst bewees. Moge het heerlijke klimaat van Bandoeng, dat oude menschen jong maakt en elkeen levenslust en werkkracht geeft, nog heel lang zijn heilzamen invloed ook op onzen oud-stadgenoot uitoefenen.
Met mevrouw Oudemans, de beschermvrouwe van de school, bezocht ik hier de school voor inlandsche meisjes. De oprichtster en leidster van deze school is Raden Devi, de vrouw van een inlandschen onderwijzer. Zij-zelf heeft slechts tot haar twaalfde jaar school gegaan en verder onderricht, eerst van haar moeder, die een hoogstaande vrouw moet geweest zijn, en later van haar man, genoten. Acht jaren geleden, zij was toen reeds moeder van eenige kinderen, gevoelde zij zich geroepen om van de weinige kennis, die zij bezit, doch die toch hemelsbreed boven de kennis staat van de meeste Javaansche vrouwen, zooveel in haar vermogen is aan andere vrouwen mede te deelen. Zij bracht toen zeven of acht meisjes bijeen en begon die te leeren lezen en schrijven. Spoedig kwamen andere meisjes vragen, of zij ook mochten komen, en dat getal breidde zich zóó snel uit, dat thans deze school 230 leerlingen telt. De echtgenooten der opeenvolgende residenten hebben Raden Devi gesteund in haar pogen door een vereeniging tot stand te brengen, waarvan de geïnde contributie der leden de school ten goede komt. Daardoor kon een uiterst primitief lokaal voor schoollokaal worden ingericht, konden schoolbehoeften worden aangeschaft en een paar onderwijzeressen worden aangesteld. Ook het schoolgeld der kinderen helpt een beetje de lasten dragen.
De overheid trekt zich echter van deze hoogst noodige instelling nog niet veel aan. De aan de school werkzame krachten zijn niet-gediplomeerde Javaansche meisjes, die, evenals Raden Devi, hare intellectueele krachten wenschen dienstbaar te maken tot verheffing van haar Javaansche zusters. Bezoldiging, wat m.i. dien naam mag dragen, ontvangen zij niet. Het onderwijs strekt zich niet verder uit dan tot lezen en schrijven van het Javaansch en rekenen. Het sommetje, dat ik een van die kleine, aardige, bruine kindertjes zag maken, leek mij al heel practisch, het was direct ontleend aan het leven, dat haar weldra wacht Zij moest op het bord uitrekenen hoeveel zij te betalen zou hebben, als zij naar de Passar ging en kocht een flesch kokosnootolie van 32 cents, een paar sinaasappelen van 6 cents, en nog iets van 15 cts. Daarna moest zij uitrekenen, hoeveel zij moest terugontvangen als zij die zaken met een gulden betaalde. Het zeven- of acht-jarige poppetje, met haar opgestoken haar, en in een sarong en kabaai gekleed, als een heel mensch, schreef haar antwoorden zóó vlug op het bord, dat men overtuigd kan zijn, dat zij zich later als huisvrouw op de passar niet zal laten bedotten, maar die ook bij mij den wensch deed opkomen, om toch al deze kinderen wat meer onderricht te doen geven. Wat een macht van ongecultiveerde gaven ligt er voor ons land nog te oogsten, als wij de Javaansche vrouwen, evengoed als de mannen, de gelegenheid tot ontwikkeling openen.
Verder werd op die school handwerkles gegeven, in hoofdzaak in nuttige handwerken, zoodat de leerlingen later in staat zullen zijn haar eigen kabaaitjes te maken en hun kleeding netjes te verstellen.
Ook wasschen, strijken en koken werd er onderwezen. De kooklessen zijn er natuurlijk ook alleen op ingericht om de kinderen de Indische keuken te leeren. De rijsttafel met haar groote verscheidenheid van bijgerechten werd daar door de meisjes onder goede leiding klaargemaakt en later gezamenlijk opgegeten.
Als een uitvloeisel van deze school en onder dezelfde omstandigheden en op denzelfden voet werkende, is er nu een te Garoet opgericht, die het in een minimum van tijd tot 100 leerlingen bracht. Is er grooter bewijs noodig, hoezeer goede meisjesscholen hier een levensbehoefte zijn?
Op de school voor opleiding tot inlandsche ambtenaren trof mij het beschaafde en intelligente uiterlijk van de meeste jongelieden, die daar tot toekomstige ambtenaren worden opgeleid. Als deze jonge mannen als staalkaart mogen dienen van de inlandsche mannelijke bevolking op Java, dan staat die bevolking ongetwijfeld op een hoog standpunt. Het muziekkorps, door een der leeraren uit deze jongelui samengesteld, dat hij-zelf onderricht, gaf ook het bewijs, dat de muzikale ontwikkeling van den Javaan ver verheven is boven die van alle Oostersche volken, die wij tot nu toe zagen.
Op de Kweekschool voor Inlandsche onderwijzers waren twee meisjes. Het spijt mij te moeten zeggen, dat deze twee meisjes niet tot de besten onder hare zusters behooren. Dat zij slechts zeer moeilijk met de jonge mannen konden meekomen, was op de gezichten te lezen. Voor de meisjes geldt echter tot verontschuldiging, dat zij niet, evenals de jongens, een goede voor-opleiding hadden genoten. Het meten van krachten is ook hier onbillijk, omdat van den aanvang af niet dezelfde zorg aan de opleiding is besteed.
Iets moet ik nog vertellen, dat op de school van Raden Devi mij zeer pijnlijk trof. Op geen enkele school heb ik dat nog gezien. Als een van de meisjes daar voor het bord werd geroepen om iets uit te rekenen of op te zeggen, dan kwam zij kruipende uit haar bank tot voor de voeten van de onderwijzeres, boog dan haar hoofd tot bijna op den grond, raapte het stukje krijt van den grond en verhief zich dan om haar som uit te rekenen. Op diezelfde kruipende wijze ging zij ook naar haar bankje terug. Zelfs in de kook-afdeeling bewogen de kinderen zich kruipende achter ons om. Dat is de adat, werd mij geruststellend gezegd, maar het is een verderfelijke adat, die niet anders dan verkeerd kan werken en die liefst zoo gauw mogelijk verdwijnen moet.
Een van de vele avonden, die wij hier doorbrachten, gebruikten wij om een voorstelling in een Indo-theater bij te wonen. Geisha, zou worden opgevoerd; wij zouden er wel niets van verstaan, maar wij kenden den inhoud van dit operettetje genoegzaam om te begrijpen wat gezegd en gezongen zou worden. Het was een heerlijke avond. Wij smaakten niet zoozeer muzikaal artistiek of simpel artistiek genot, maar gelachen hebben wij toch, zelfs, toen wij reeds lang den schouwburg verlaten hadden. Wat de vele inlanders--want wij tweeën waren waarschijnlijk de eenige niet-inlanders--in deze voorstellingen trekt, ben ik niet te weten kunnen komen; er schijnt het geheele jaar door genoeg belangstelling te bestaan in deze vertooningen, om avond aan avond volle zalen te trekken. Het was eigenlijk in elk opzicht een parodie. Het zwakke stemmetje van de prima-donna klonk net als het gemiauw van een veertiendaagsch katje, en de jeune-premier zong, alsof hij het met de geheele wereld aan den stok had. Neen, zoo zong hij eigenlijk niet, want het geluid, dat hij te voorschijn bracht, mag niet zingen genoemd worden.
Toen de prima-donna besloten had om naar Japan te gaan, om haar kinderen te zoeken, zag men op het tooneel een zee met grasgroene golven, die door bandjes op en neer werden bewogen en waar tusschen de prima-donna, de kapitein en een matroos het schip, waarop zij zich bevonden, voortrolden. Toen het schip van het eene eind van het ongeveer twee en een halve meter breede tooneel naar het andere eind was gerold, verscheen de juffrouw op 't tooneel vóór de golven en miauwde haar liedje, dat zij aan boord had moeten zingen.
Wij hebben het slot van deze zielverheffende vertooning niet bijgewoond en zijn er ook niet achter gekomen, of daar op het tooneel Javaansch, Maleisch of Soendaneesch gesproken werd.
Over een van onze mooie uitstapjes wil ik ook nog wat vertellen. Het betreft onzen tocht naar den krater van Prahoe. Wij hadden ons voorgenomen één van de vele kraters op Java te gaan zien en daar wij waarschijnlijk nergens zoo lang zullen vertoeven als in Bandoeng, besloten wij tot een bezoek aan Tangkoeban-Prahoe. Wij hadden alles den dag te voren besteld, zoodat wij nergens oponthoud behoefden te hebben en den heelen tocht in een halven dag konden doen. Direct na zonsopgang vertrokken wij in een gemakkelijke auto naar Lembang, alwaar wij nog voor half acht aankwamen. De weg van Bandoeng naar Lembang, die zacht bergopwaarts gaat, is verrukkelijk mooi. Overal die weelderige plantengroei, die bonte bloesems aan allerlei boomen, dat elegante bamboeriet, dat met zoo'n zwierigen draai zijn kop naar beneden keert, die kleurige meisjes aan het theeplukken en nog zooveel meer, dat het oog boeit. In Lembang stonden de beide tandoe's, elk met vijf koeli's (een om onderweg in te vallen) reeds gereed, zoodat wij direct uit de auto in den draagstoel konden overwippen en toen zonder dralen konden verder gaan. Ruim twee uur gingen de stevige kerels in flinken pas steeds steil naar boven, over een weg, zoo vol gaten en afgronden, dat wij blij waren, liever de veilige tandoe, dan een rijpaard voor dezen tocht gekozen te hebben. Eerst passeerden wij nog eenige theeplantages, hooger gekomen gingen wij door kina-ondernemingen, tot wij het laatste uur midden door een oerwoud trokken. Het was een hoogst interessante tocht. Om tien uur waren wij boven met den krater aan onze voeten. De rookkolommen, die van verschillende kanten opstegen, de sterke zwaveldampen en de nu en dan even opkomende borrelingen laten geen oogenblik twijfel bestaan, dat er in het binnenste van deze kolos nog steeds leven is en hij best den een of anderen dag eens weder flink aan het sputteren kan gaan. Wij troffen een zeer helderen dag, waardoor wij een prachtig vergezicht hadden. Toen wij uitgekeken waren, keerden wij terug. De schommelingen van de tandoe waren veel gemakkelijker te verdragen, doordat wij, door ondervinding wijs geworden, de koelies verzochten niet in de pas te loopen. Dat hielp.
Morgenochtend gaan wij van hier in eens door naar Djokjakarta. Wij zijn verplicht Garoet uit onzen tocht door Java uit te schakelen. Toen reeds onze geheele route was vastgesteld en overal de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht waren bepaald, kwam Magelang nog achteraan, om ook een vergadering te willen hebben. Daardoor moest nu Garoet vervallen om dien tijd aan Magelang te kunnen besteden.
Met ons vertrek uit Bandoeng, verlaten wij ook de Preanger Regentschappen. Ik ben hier reeds zoo gewend aan de vraag: "of ik de Padangsche Bovenlanden mooier vind dan de Preanger Regentschappen", dat ik mij verbeeld, daarop hier nu ook een antwoord te moeten geven. Naar mijne meening zijn de Padangsche Bovenlanden en de Preanger Regentschappen beide zeer mooi, doch met elkander niet te vergelijken, omdat zij beide zoo geheel iets anders zijn. Van beide kan men zeggen, dat zij liefelijk mooi zijn, doch beide missen een grootsche natuur.
In de Preanger mist men de schilderachtige Sumatra'sche huizen met hunne poppige rijsthuisjes, die zoo'n goed effect maken tusschen het veelkleurige groen; daarentegen vindt men in de Preanger de in helle kleuren gekleede vrouwen, die aan de omgeving de levendigheid geven, die ze anders zou missen. De Preanger schoonen durven zich in bonte kleederen steken. Zij vertoonen daarbij echter niet altijd goeden smaak. Soms ziet men een jong meisje met een blauwe sarong, een groen baaitje en een paarse slendang. En de kleuren zijn hard en leelijk. Hier en daar vertoonen de meisjes neiging om zich Europeesch te kleeden. Waar ik ze zag, kon ik den smaak der jonge meisjes niet bewonderen. Het is nog te onbeholpen. Maar waarom zouden zij niet? Onze Hollandsche dames loopen soms den geheelen dag in sarong en kabaai en zien er dan dikwijls ook lang zoo goed niet in uit als de Javaansche vrouwen, waarom zouden deze nu niet, als zij mooi willen zijn, onze kleederdracht overnemen? Ik zag hier een Javaansche huwelijksstoet door de straten trekken, bruid en bruidegom en naaste familie in drie auto's voorop, alle genoodigden in verschillende soort rijtuigen achteraan. Bruid en bruidegom in Europeesche kleederen en ook verschillende der genoodigden. Ik geloof echter niet, dat iemand zich in het ras vergissen zal. Zoo'n Javaansche kop is niet gemaakt voor een Europeeschen hoed, of omgekeerd. Nabootsen is altijd leelijk, onverschillig of het door Europeanen of anderen geschiedt.
29 Mei 1912.
VI.
Van Bandoeng naar Djokjakarta is een lange, warme, stoffige reis in de overigens comfortabele wagens van de Staatsspoorwegen. De overgang van de Padangsche Regentschappen in de Vorstenlanden kenmerkte zich op meer dan eene wijze. Vooreerst toch onderscheidt zich de Soendaneesche bevolking opvallend van de Javaansche. De Soendaneesche vrouwen en mannen, hoewel, althans volgens mijne Europeesche begrippen, ook niet bedeeld met uiterlijk schoon, zijn toch nog Venussen en Adonissen, vergeleken bij hunne Javaansche zusters en broeders. De Javanen, ik bedoel natuurlijk dat soort, dat wij op de wegen zien, zijn niet alleen leelijk, doch bezitten ook een minder geciviliseerd voorkomen dan wij tot dusver van de andere inlandsche bevolking in onze koloniën gezien hebben. De vrouwen dragen hare dikke, lange haren niet netjes gekamd en opgestoken, hare sarongs en kabajaas zien er donker en onfrisch uit en de dikke siripruim tusschen de lippen voltooit den echt onbeschaafden indruk, dien zij verwekken. De mannen staan uiterlijk niets hooger.
Een ander groot verschil tusschen de Soendaneesche en de Javaansche vrouw is ook, dat deze laatste werkt. Men ziet hier in midden-Java minstens even zoovele vrouwen op het land werken als mannen. Ook op de passars treft men de vrouwen als verkoopsters en koopsters en op de wegen ziet men even zoovele zwaar-bepakte vrouwen als mannen. Het is duidelijk, dat hier weder mannen en vrouwen beiden werken. Mij werd verteld, dat de Javaansche vrouw, ook de gehuwde, in eigen onderhoud voorziet.
De thee- en vooral de kina-ondernemingen, die wij in de Preanger zoo veelvuldig zagen, missen wij in de Vorstenlanden. Zij hebben plaats gemaakt voor uitgestrekte velden met suikerriet, die in uitgestrektheid wedijveren met de rijstvelden. Het schijnt juist tijd te zijn van het overplanten der rijst, een eentonig, ongezond werk, dat bijna uitsluitend door vrouwen geschiedt. De fijne rijstsprietjes, die eerst op een beperkt veld in dichte bossen opschoten, worden nu een voor een op een kleinen afstand van elkander onder water in de voren geplant. De vrouwen staan daarvoor voorover gebukt tot over de enkels in het water, in de eene hand een bos sprieten houdende, met de andere een voor een het sprietje zijn plaats gevende. Ook als de rijst rijp is, wordt zij door vrouwenhanden geplukt.
In Djokja werden wij door mevrouw Ter Horst--De Boer aan het station ontvangen, die voor goede kamers in het hotel Mataram gezorgd had. Eenige leden van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht hadden voor ons ieder een vaas geurende orchideeën in onze kamers geplaatst. Ik moest den volgenden morgen eerst naar Magelang, alwaar mevrouw Schriecke, toen de sociëteitszaal voor dat doel werd aangeboden, een vergadering voor vrouwenkiesrecht voor dien avond had uitgeschreven. Magelang is voornamelijk bevolkt, voor zoover het de Europeesche bevolking betreft, door militairen, en aangezien wij voor de zaak, waarvoor wij strijden, van de zijde der militairen slechts bij uitzondering instemming vinden, was de verwachting van de opkomst van het publiek en van het winnen van leden voor de vereeniging niet bijster groot. Ik had evenwel gemeend, dat ik de zoo laat tot mij gekomen uitnoodiging toch niet mocht afslaan, in elk geval moest probeeren ook in Magelang een paar zaadjes te strooien, in de hoop, dat er vroeg of laat hier of daar nog wel een tot groei en ontwikkeling kon komen. De vergadering was dan ook niet druk bezocht, doch het gelukte toch, niettegenstaande den sterken tegenstand door een debat van hardnekkige anti's, nog ongeveer dertig aanwezigen te overtuigen, dat spoedige invoering van vrouwenkiesrecht noodzakelijk is en zij van die overtuiging konden doen blijken door als leden onzer vereeniging toe te treden, waarmede zij ons in onze taak in Nederland steunen.
Ik moest den volgenden morgen reeds weder vroeg afreizen en kon om die reden niet meer helpen de afdeeling Magelang in elkaar te zetten, doch mevrouw Schriecke heeft die taak op zich genomen en in betere handen kon ik die gewis niet achterlaten
Onder mijn gehoor in Magelang bevond zich ook de Regent van daar. Deze hoogst-beschaafde en zuiver Hollandsch sprekende man liet zich na de vergadering aan mij voorstellen. Hij vertelde mij, 't geen ik reeds meer gehoord had doch steeds was het weder tegengesproken, dat de Javaansche vrouw het kiesrecht onder dezelfde voorwaarden als de man bezit. Beiden oefenen dit recht echter alleen uit bij de verkiezing van dessahoofden. Het is verbonden aan grondbezit. Nu zijn de meeste vrouwen op volwassen leeftijd gehuwd en hebben dan geen eigen bezit, zoodat vrouwelijke kiezers zeldzaam zijn, maar toch komen zij in bijna elke dessa voor. De Regent had in zijn dessa twee vrouwen die kiezers waren en die bij eene verkiezing nooit ontbraken. Dus ook de Javaansche vrouw is hare Nederlandsche zusters in dezen voor! Wordt het niet beschamend?
Hoe gaarne had ik den volgenden morgen even een bezoek gebracht aan het Instituut van den heer en mevrouw Van der Steur, dat in Magelang gevestigd is. Hoe verdienstelijk die menschen zich maken, door de opvoeding van vele honderden kinderen op zich te nemen, kinderen van Europeesche vaders en inlandsche moeders, kunnen alleen zij beseffen die hier 'n beetje zich hebben vertrouwd gemaakt met de ongelukkige positie waarin die arme slachtoffers van de in concubinaat levende ouders verkeeren. Door de opvoeding van die kinderen, waarvan anders niets zou terecht komen, op zich te nemen, verplichten zij de maatschappij op onbetaalbare wijze aan zich.
Toen ik om tien uur met den trein in Moentilan aankwam, stond mrs. Catt mij daar reeds met een auto te wachten, waarmede zij van Djokja was gekomen en waarmede wij nu samen 'n bezoek zouden brengen aan den tempel van Boro Boedoer en aan dien van Tjandi Mendoet.
Het is mij onmogelijk om van de Boro Boedoer, dit eeuwenoude monument eene beschrijving te geven. Elke beschrijving van dit meesterstuk van beeldhouwkunst uit de 8e eeuw, dat ons een beeld geeft van wat de Javaan in dat voor hem gouden tijdperk op kunstgebied vermocht, zou aan de waarheid te kort doen. De Buddhistische of Hindutempel overtreft in grootte en schoonheid alle dergelijke tempels in Ceylon en Britsch-Indië. Deze soliede, pyramidale tempel, uit blokken lavasteen gebouwd, waarbij noch cement, noch pilaren of bogen gebruikt zijn om het geheel samen te houden, is een van de wonderen der wereld. Het is vreemd dat dit toonbeeld van menschelijk kunnen niet door aardbevingen of door de beeldverwoestende Mohammedanen verwoest is geworden, zooals toch bijna overal elders de Hindu en Boeddhatempels door de Mohammedanen verwoest werden, zoodra zij er de macht toe kregen. Zou ook vroeger hier het Mohammedanisme reeds doortrokken zijn geweest van Hinduïsme en Boeddhisme?
Maar niet alleen de tempel is imposant, ook de omgeving waarin hij staat. Toen ik boven op den top van dezen kolossus zat en mijn blik liet dwalen over het uitgestrekte panorama, toen had ik een stuk Oostersch leven voor mij, zoo imponeerend, dat het mij onwillekeurig aan het droomen bracht. Het voerde mijn geest terug naar de interessante tijden van het verleden. In mijne verbeelding zag ik daar die duizenden pelgrims over de, tot aan den top met palmen begroeide bergen komen, om steeds weder op nieuw de hulde en dankbaarheid te betuigen aan de honderden steenen afgodsbeelden, waarvan elk een zittenden Boeddha voorstelt, den man die hun gebracht heeft innerlijken vrede.
Na de Boro Boedoer vallen, als van zelf sprekend, alle andere ruïnes van tempels, die wij op onzen tocht bezochten, zeer in de schaduw en toch is de tempel van Tjandi Mendoet, op eenige mijlen afstand van de Boro Boedoer gelegen, ook een zeer merkwaardig monument en een bezoek overwaard. Van de tempels in het laagland van Parambanan gelegen, die wij den volgenden morgen een bezoek brachten, is door aardbevingen en door den tand des tijds te weinig intakt gebleven om door gewone stervelingen nog genoegzaam geapprecieerd te kunnen worden. Er is juist zooveel van staan gebleven, dat men nog even den indruk krijgt van de groote macht van het kunnen in dien tijd en van de groote offers in geld en tijd en geestelijke en lichamelijke inspanning, die deze menschen voor hunne godsvereering over hadden. Ook al die tempels waren opgebouwd uit blokken lavasteen, die eenvoudig op elkaar gestapeld werden, zonder dat zij door eenig cement aan elkaar verbonden waren.
Een bezoek aan een pandjeshuis in Djokja, door een Chinees gehouden, deed ons nog eens sterk sprekend de waarde beseffen van den regeeringsmaatregel om langzamerhand al deze instellingen in onze koloniën onder Gouvernementsbeheer te brengen. Wat een enorm verschil in onkosten, doch vooral in zekerheid voor den inlander, dat hij zijne pandstukken terug krijgt, bestond tusschen deze Chineesche onderneming en een dergelijke onder Gouvernementsbeheer.
Op de kweekschool van inlandsche onderwijzers, waarvan de vóór-opleidingsschool vooral eene model-inrichting mag genoemd worden, zaten ook twee Javaansche meisjes. Deze twee schrander uitziende persoontjes, konden niettegenstaande hare gebrekkige vóór-opleiding en de minder gunstige voorwaarden waaronder zij het onderwijs mochten volgen, toch zeer goed met de mannelijke leerlingen wedijveren. Ook hier weder ontvangen de jongens onderwijs, kost en inwoning--en dit laatste zeer goed--vrij, benevens eene maandelijksche toelage van f 10,-, terwijl de meisjes voor dit alles zelf moeten zorgen. Ik haast mij echter hieraan toe te voegen, dat onder dezen directeur van onderwijs met dit meten met twee maten langzamerhand gebroken zal worden en de toekomstige meisjesleerlingen ook tegemoetkoming in de te maken kosten zullen ontvangen,
Een groote teleurstelling trof ons hier. Er zou Zondagavond een gamelan en dansavond in de Kraton plaats hebben, door den sultan gearrangeerd voor den resident en zijne logees. De resident was goed genoeg om ook ons in deze uitnoodiging te betrekken, maar op den dag, dat het feest zou plaats vinden, sterft een van de 153 kleinkinderen van den sultan. Als men bedenkt dat deze oude sultan achtereenvolgens drie wettige vrouwen heeft gehad en een bescheiden aantal bijwijven, die hem te zamen eenige honderden kinderen schonken, waarvan nog over de 70 in leven zijn en dat die kinderen hem nu reeds met 153 nog in leven zijnde kleinkinderen vereerden, dan is het licht te begrijpen dat Kratonfestiviteiten nog al eens in de war gestuurd worden door den onverwachten dood van een dier nakomelingen. Ik vond het heel jammer, dat die prinses op zoo'n ongelegen oogenblik het leven verliet, een leven echter, dat voor een in de Kraton geboren prinses, naar onze Westersche begrippen althans, niet anders dan een doelloos, monotoon en in vele gevallen hoogst treurig bestaan kan zijn geweest.
Geheel anders als het leven in de Kraton voor de daarin geboren prinsessen, is het leven van de vrouwen in het huis van den Prins Paku Alam. Ik verheug mij zeer dit interessante gezin te hebben leeren kennen. Niet alleen de prins en zijn oom, doch ook alle prinsessen, zuster en nichten van den prins spreken onberispelijk Hollandsch, benevens eenige vreemde talen. Zij konden zich even goed met mrs. Catt in het Engelsch, als met mij in het Hollandsch onderhouden. In deze jeugdige prinsesjes begroette ik de moderne Javaansche vrouw, meisjes van het slag van Karthini, die niets liever zouden willen dan zichzelf te ontwikkelen, om deze ontwikkeling dienstbaar te maken tot verheffing harer Javaansche zusters. Zou de schrijfster van Hilda van Suylenburg wel gedacht hebben, dat zij hier, in het midden van Java, zulke lieve, jonge, hooge vereersters vindt in de prinsessen van het huis van Paku Alam?
Niet weinig was ik verrast, toen ik Maandagavond in de vergadering voor vrouwenkiesrecht, die door een zeer talrijk publiek werd bijgewoond, onder de aanwezigen ook den prins met vier prinsessen aantrof en dat ik met mijne voordracht ook het hart dezer lieve hoorsters trof. Behalve de vier prinsessen waren ook de beide Javaansche adspirant-onderwijzeressen van de kweekschool onder mijn gehoor, voor wie ook, hetgeen zij hoorden, niets bovennatuurlijks was. Ook deze meisjes betuigden mij later hare instemming met het gehoorde. Dat het Indische publiek ontvankelijk is voor rechtvaardigheid en gaarne genegen is de strijd voor vrouwenkiesrecht in Nederland te helpen steunen, getuige wel, dat na mijne voordracht 81 der aanwezigen als leden tot de vereeniging toetraden. Nog deze week zullen deze leden een bestuur uit hun midden kiezen en de Djokja'sche ledengroep der Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht gaan vormen. Aan de flinke voorbereiding van deze vergadering, door de dames Ter Horst en Lokhorst, is dit prachtig resultaat voorzeker te danken.
Mevrouw Ter Horst maakt zich op velerlei wijze verdienstelijk in Java. Een van de meest sprekende is wel de permanente tentoonstelling van vrouwenarbeid, waarmede zij een tweeledig doel bereikt. Eensdeels houdt zij daarmede de oude Indische kunstindustrie staande en anderdeels verschaft zij daarmede aan vele vrouwen werk, omdat de zaken, op die tentoonstelling aanwezig, alle aangekocht kunnen worden. In dit artistiek ingerichte lokaal zagen wij menig stuk zeer mooi batikwerk, houtsnijkunst, leerbeschildering, graveerwerk, enz.
Djokja, zoo in het midden van Java gelegen, gaf ons menige gelegenheid om het echte Javaansche volksleven van nabij te leeren kennen.
Ook de temperatuur, die hier alleen midden op den dag erg warm is, is overigens zoo heerlijk, dat men zich geen aangenamer kan denken; zoodat, alles te zamen genomen, de zes dagen, die wij in Djokja doorbrachten, mede behooren tot de zeer interessante en zeer aangename, die wij in onze koloniën sleten.
VII.
Alvorens ik over ons verblijf in Soerakarta, dat hier kortweg Solo wordt genoemd, ga schrijven, wil ik toch even met een enkel woord aanstippen, hetgeen ik over de geschiedenis van de Vorstenlanden las in het boek van Cabaton. Deze Fransche schrijver verheerlijkt over het algemeen het Nederlandsch beheer in de koloniën en schrijft met zeer veel waardeering over de Hollanders. Over de Vorstenlanden schrijvende, merkt hij op: "Tot in het laatst der 18e eeuw waren de Vorstenlanden geheel in de handen van den Soesoehoenan (sultan) van Soerakarta, die bij een opstand der Chineezen in zijn rijk de hulp der Hollanders inriep. Deze kwamen onmiddellijk ter hulp, brachten de Chineezen tot rust en lieten zich daarvoor prachtig betalen. Zij stegen daardoor zoo hoog in de achting van den sultan, dat hij ook het conflict met een zijner broeders, die hem van den troon wilde werpen, aan hunne uitspraak onderwierp. De Hollanders, die niet geheel vreemd waren aan het oogenschijnlijk geheel onschuldige conflict der twee broeders, spraken een oordeel uit, dat beide partijen bevredigde, doch dat vooral de toekomstige plannen der Hollanders diende. Zij verdeelden het rijk in twee deelen en gaven den Soesoehoenan het stuk, dat 2/3 deel van het geheel besloeg en waarvan Soerakarta de hoofdstad bleef; het overblijvende derde deel, met Djokjakarta als hoofdstad, viel zijn oom ten deel, met den titel van Sultan. De Sultan bleef onderdaan van den Soesoehoenan, hij moest elk jaar met een indrukwekkende ceremonie hulde komen brengen aan den Soesoehoenan, daarbij zijne sandalen uittrekken en voor hem nederknielen.
"Het was de bedoeling der Hollanders verdeeldheid te brengen tusschen deze vorsten, want bij de ceremonie van huldebetuiging waren steeds een groot aantal Javanen tegenwoordig, die dan een prachtige gelegenheid hadden om te conspireeren, ten einde zich gezamenlijk weder van de heerschappij van Nederland te ontdoen. De Sultan werd daarom herhaaldelijk opgestookt om zich toch aan die vernederende huldebetuiging te onttrekken, waarmede hij zich de ondergeschikte van den Soesoehoenan toonde, met dat gevolg, dat na eenige jaren de Sultan zich op het aangegeven tijdstip in een Hollandsche uniform aan den Soesoehoenan presenteerde. Ten gevolge van het principe, dat, wie een Hollandsche uniform draagt, op Java niet mag knielen voor welken sterveling ook, bleef ook de Sultan voor den Soesoehoenan staan, die daarop in groote woede de samenkomst verliet.
"De twee vorsten bleven voor een tijd vijandig, beiden zich onafhankelijk van elkander gevoelende, waarmede de Hollanders volkomen hun doel hadden bereikt. Om de Sultan nog meer onder hun macht te krijgen, stelden zij in beide rijken aan het hof een onafhankelijken prins aan, die wel is waar onderdaan van den Sultan of Soesoehoenan is, doch die, behalve zijn verplichte tegenwoordigheid bij enkele hofceremoniën, even vrij zich kan bewegen in het uitgestrekte gebied als zijn zoogenaamde meester. Deze twee prinsen,--die van Soerakarta draagt den titel van Pangeran Adipati Mangku Negoro en die van Djokjakarta dien van Pangeran Adipati Paku Alam--ontleenen hun macht aan Holland en zijn steeds voor Holland vol dankbaarheid geweest".
Daar de Hollandsche gidsboeken een beetje anders het verhaal opdisschen van onze macht in de Vorstenlanden en niet alle lezers van "De Telegraaf" het boek van Cabaton in handen krijgen, heb ik gemeend hun geen ondienst te bewijzen met eens mede te deelen, hoe schrijvers van andere natiën over ons beleid in Indië denken. Als Cabaton gelijk heeft, dan moet ik met hem instemmen en zeggen, dat wij "slim" zijn geweest.
Van Djokjakarta naar Soerakarta vereischt met den sneltrein nog geen anderhalf uur. Doch hoe betrekkelijk klein de afstand ook is, die de beide hoofdsteden der twee keizerrijken scheidt, er bestaat toch in heel veel opzichten een groot verschil tusschen beide. Opvallend in Solo is de groote overeenkomst der mannelijke bevolking met de Sinhaleezen, zooals wij die op Ceylon zagen. Ook hier dragen de mannen hunne lange haren in een knot opgebonden en boven op het hoofd een kam, precies als die der Sinhaleezen, Hun sarongs en vooral de snit hunner baaitjes zijn geheel aan die hunner Ceylonsche broeders gelijk en evenzeer vertoonen zij dat sterk vrouwelijk type. Er is hier tusschen de mannen en vrouwen weder bijna geen verschil op te merken. Telkens vragen wij ons af: is dat nu een man of eene vrouw? In de Kraton in Djokja hadden wij ook enkele zulke typen opgemerkt, maar dan waren het meestal kleinzonen van den sultan van Djokja; hier vinden wij dat Sinhaleesche type onder bijna al de mannen in de straten.
Een groot deel van den arbeid buitenshuis valt in Solo den vrouwen ten deel. Die vindt men hier in alle mogelijke werk en op de drukbezochte passars zagen wij bijna uitsluitend vrouwen. Zelfs de geldwisselaars in de straten, die in alle andere Oostersche landen, die wij tot nu toe bezochten, mannen waren, zijn hier vrouwen. Het is alleen kopergeld, dat zij voor zich in groote stapels hebben liggen, centen en halve stuiverstukken, die zij dan in rijen van tien of vier naast elkaar uittellen om den wisselaar snel te kunnen bedienen. Meestal waren het jonge meisjes of jonge vrouwen, die dit vak, het embryonale bankiersvak, uitoefenen. Op een laag tafeltje hebben zij haar centen uitgeteld en daarachter zitten zij op haar gekruiste beenen. Het schijnt, als de meeste bankierszaken, een voordeelige handel te zijn, want die Javaansche geldwisselaarsters zagen er niet alleen schrander, doch over het algemeen ook properder en beter gekleed uit dan de andere vrouwen.
O, wat is het toch afschuwelijk leelijk, die bijna algemeene gewoonte hier, om de tanden tot op het tandvleesch af te vijlen en dan den mond zwart te kleuren. Als die vrouwen dan nog de siripruim, die zij tusschen de lippen houden, een eindweegs buiten den mond laten hangen, dan is hiermede het meest afzichtelijke beeld, dat men van een vrouw kan maken, bereikt.
Een geheel anderen indruk dan in het huis van den prins Paku Alam in Djokja, krijgt men hier in de woning van den onafhankelijken prins Mangku Negoro. Hoewel ook het huis Mangku Negoro min of meer in Europeeschen stijl ingericht is, verschilt het toch hemelsbreed van dat van zijn prinselijken broeder. Wij woonden hier eene receptie bij, waarop de prins in kolonels-uniform zijne gasten ontving. Zijne vrouw schijnt ziek te zijn, daarom werd zij vervangen door eene der zusters van den prins en een zijner dochters. Daar ik echter de Javaansche taal niet meester ben, kon ik mij noch met den prins, noch met zijne dames onderhouden en moest alles, wat ik graag wilde weten van een zijner Europeesche employees vernemen. De oom en broeders van den prins, die tegenwoordig waren, droegen allen een uniform, die mij heel veel aan die van de Schotsche Hooglanders herinnerde. Nadat alle gasten aanwezig waren, ging de prins ons voor om eene wandeling door het geheele groote huis en door de tuinen te maken. Jammer dat de verlichting, vooral in de tuinen, niet groot genoeg was, om ons een goeden indruk van het geheel te geven. Toen wij weder in de ontvangstzaal teruggekeerd waren, werden wij uitgenoodigd ons in groepjes neer te zetten op de gemakkelijke canapé's en fauteuils en toen kwamen tal van bedienden, allen in uniform gekleed en met een kris achter in hun ceintuur, met zilveren bladen, volgeladen met glazen, gevuld met limonade en whisky-soda binnen en werden ons deze ververschingen aangeboden. Deze bedienden kwamen rechtop geloopen binnen en droegen de bladen op hunne handen boven hunne hoofden. Hier is dus gebroken met het afschuwelijk systeem van kruipende bedienden. Na de verkoelende dranken werden verwarmende dranken, port en jenever, rondgediend en daarna verlieten wij allen tegelijk deze ceremonieele bijeenkomst.
Als men zich, op welk uur van den dag ook, voor een poosje nederzet op het balcon van het hotel Slier, dan ziet men de dwaaste vertooningen voorbijtrekken. Toen wij voor het eerst zoo'n optochtje van eenige mannen zagen, waarvan een paar iets op een zilveren blad of op de handen droegen, waarover door andere mannen een gouden pajong werd gehouden en die geëscorteerd werden door eenige mannen in uniform, die elk een man achter zich hadden, die hun ook een pajong boven het hoofd hield, dachten wij natuurlijk, dat wij met een heel bijzondere zending te doen hadden. Niet weinig waren wij verwonderd, toen wij vernamen, dat zoo'n optocht in den regel niets anders beteekende dan dat een stuk van een of andere lekkernij, een koek of vrucht, van de Kraton naar den Rijksbestierder werd gebracht en dat al zulke boodschapjes nog met den noodigen ouderwetschen luister geschieden.
Wil men het echte Javaansche leven leeren kennen, dan moet men naar Midden Java gaan, daar ziet men onophoudelijk zaken, die met den echten kinderlijken eenvoud dezer menschen in volkomen harmonie zijn, doch die in onze Westersche oogen eene amusante comedie lijken.
Tijdens ons verblijf in Solo, was de Soesoehoenan afwezig; hij bezocht zijn ziek kind, waarvoor boven in de bergen genezing gezocht wordt. Er bestaat onder de nakomelingen van den Soesoehoenan tuberculose, een zijner kinderen is daarvoor nog in Zwitserland. Mij werd verteld, dat de dochters en kleindochters van den vorst tot hun tiende jaar geregeld de lagere school bezoeken in Solo en daarna door een gouvernante thuis verder onderricht worden. Het opgroeiende geslacht, jongens en meisjes beiden, leert nu dan ook de Hollandsche taal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht was de verwachting niet groot. In de eerste plaats bevat Solo een geheel andere Europeesche bevolking dan Djokja en in de tweede plaats moest de vrouw, die hier alles geleid en geregeld had en van wie de geheele bezieling uitging, juist eenige dagen te voren Solo verlaten om met haar man en kinderen naar Holland af te reizen. Toch werden er na de lezing nog 29 nieuwe leden gewonnen, waarvan er twee bereid waren het correspondentschap te aanvaarden en zoo den band met de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht in Holland te vormen.
Maar nu zou ik haast vergeten, iets te vertellen van een receptie ten huize van den Rijksbestierder, die toch zeer de vermelding waard is. Alleen het bezichtigen van het groote, mooie marmeren paleis met zijne vele kunstschatten, zijn heerlijke marmeren badkamers, zijn verborgen deuren en zijne merkwaardige eetkamer en nog zoo veel meer, hield ons meer dan een uur bezig. Dit heele paleis met zijne phantastisch uitgedoste bedienden, honderden in aantal, het corps inlandsche muzikanten, dat droomerige muziek speelde, de ververschingen, die werden aangeboden en de wijze, waarop zij werden aangeboden, het costuum van den Rijksbestierder en dat der heeren en dames van zijn huis, dat alles deed denken aan een van de Arabische vertellingen uit de duizend en één nacht. Van de verknochtheid aan ons koninklijk huis gaf de Rijksbestierder opvallend blijk, door de vele bustes en portretten, geschilderde en gephotografeerde, van de Koningin, de Koningin-Moeder en den Prins. In de meeste kamers zag men de Koningin op de een of andere wijze vertegenwoordigd.
Nu moet ik nog even wat vertellen, waarvoor ik vooraf verontschuldiging vraag. Ik heb echter al zooveel wat ik hier zie en bijwoon en hoor in de pen moeten houden, om den lieven vredes wil al meer verzwegen dan gezegd, dat dit kleine tafereeltje, dat ik hier zag en op mij zoo'n diepen indruk maakte, hier wel geschetst mag worden. Lieve lezer, verbeeld u dan te zijn in een mooie, breede allee van tamarinda-boomen, pisangboomen, kokosnootpalmen en velden met rijp suikerriet op den achtergrond. Het is midden op den dag, de zon zendt hare stralen regelrecht naar beneden, zelfs door het dichte geboomte. Alles en allen zijn onder den invloed der hitte. Slaperig sukkelen onze kleine paardjes voor het wagentje voort, ons meer dan genoeg tijd gunnende onze omgeving goed in ons op te nemen. Een, twee, drie, neen meer groepjes van vrouwen zitten onder de boomen, allen twee aan twee. De voorsten hebben allen lang, dik loshangend haar en de achter haar zittende vrouwen woelen daarin met de vingers van beide handen om al de levende have daaruit te vangen, zoodat er niet een kan ontsnappen, die dan met graagte verorberd worden, zooals geen aap in Artis haar verbeteren zou. Bij een groepje krijgen de twee, oogenschijnlijk moeder en dochter, ruzie. Het jonge meisje keert zich met een ruk om en tracht een deel van de vangst uit moeders vingers los te krijgen, waarna zij met eene schittering in hare groote zwarte oogen, het tusschen hare vingers geperste wild uit moeders hand in den mond steekt en.....smult.
O, hoe dikwijls heb ik het hier op Java reeds betreurd, geen kodak bij mij te hebben. Ik zag reeds zoo dikwijls iets, dat ik zoo gaarne in beeld wilde vereeuwigen, waar ik het door woord niet durf doen.
En hiermede stap ik van de Vorstenlanden af, want het zal zeker niemand interesseeren wat wij hier zagen in de suikerfabrieken, in een batikschool, en van de kunstnijverheid van midden-Java. Dit is alles reeds zoo herhaaldelijk beschreven, dat ik er gerust over zwijgen kan.
Wij gaan nu naar Semarang, doch met een kloppend hart, want wij zijn bang voor de hitte, die ons daar wacht.
VIII.
Van Solo naar Semarang is slechts een reis van eenige uren, de trein brengt ons echter in dien korten tijd in een geheel ander soort stad dan wij tot dusver op Java gezien hebben. Het is een stad, die een bijzonder prettigen indruk maakt, zoowel door de vele mooie huizen, die allen door goed onderhouden en smaakvol aangelegde tuinen omgeven zijn, als wel door de zindelijkheid en goed onderhouden straten, en ook door zijne mooie omgeving. Het is mogelijk, dat mijn smaak door het zien van zoovele steden in de tropen bedorven is, want ik moet bekennen, dat ik, in afwijking van al mijne gidsboeken en van zoovele bewonderaars van Batavia, laatstgenoemde stad maar niet mooi heb kunnen vinden en in geen geval zoo, dat ik haar verkies boven vele andere steden op Java of Sumatra. Batavia maakte op ons, want mijne reisgenoote denkt er ook zoo over, den indruk alsof de gegevens er zijn om er een mooie stad van te maken, maar dat men nog maar steeds met den opbouw niet begonnen is. Semarang is daarentegen af, de stad staat er en mag zich laten zien en bewonderen.
Maar, behalve dat de stad als zoodanig een bezoek waard is, biedt zij overigens voor toeristen niet veel merkwaardigs. Ook bleven wij er niet lang genoeg om sociale instellingen te gaan zien. Het nieuwe hospitaal moet, zooals mij gezegd werd, het beste van heel Java zijn. Ce n'est pas jurer gros voor dengene, die hier en daar eens een kijkje genomen heeft, maar ik wil daarmede het nieuwe hospitaal in Semarang niet afbreken, want ik heb het niet kunnen gaan zien, doch heb gehoord, dat het up to date is.
Voor onze vergadering kwamen wij er in den slechtsten tijd van het jaar, want door de vacanties zijn bijna alle onderwijskrachten naar boven in de bergen en ook vele gezinnen waren uit de stad. Het is echter onmogelijk om op zoo'n rondreis door Java overal in een geschikten tijd te komen en daarom hebben wij de vergadering toch maar doorgezet en hadden het succes bij de ruim dertig daar reeds bestaande leden nog ruim twintig nieuwe overtuigden te maken en uit dat aantal den volgenden dag eene afdeeling samen te stellen met een uitstekend voltallig bestuur. Mevrouw Wallbrink, die hare sporen op dit gebied reeds verdiend heeft, liet zich de benoeming tot presidente welgevallen en zal daarin gesteund worden door de vice-presidente, Mejuffrouw Haverbult, terwijl de beide secretaressen, mevrouw de Vreede en mevrouw Van den Ende, en de penningmeesteres, mevrouw von Hombracht, de overige werkzaamheden op zich namen. Over dit gedeelte van ons verblijf in Semarang waren wij dus alleszins voldaan, doch overigens dreef ons de warmte zoo snel mogelijk verder.
In Soerabaja hoopten wij ten slotte besliste informatiën te bekomen omtrent onze verdere route, want nog steeds was het vaag, hoe wij het best van hier naar Manilla konden komen. Wij kenden wel den gewonen weg, per paketvaart naar Singapore, van daar naar Hongkong en dan naar Manilla, maar wij wilden coûte que coûte Singapore vermijden, deze zoo weinig interessante, heete stad, alwaar wij met op bovengenoemde wijze te reizen drie dagen zouden moeten verblijven, om de aansluiting naar Hongkong met een goede boot te krijgen, en dan, wij wilden zoo gaarne zonder veel tijdverlies nog wat meer van onze koloniën zien. Onze Manillasche vriend, die wij op onzen tocht naar Sindanglaja ontmoet hadden, had ons beslist gezegd, dat wij over Celebes konden gaan, met die boot ook Borneo hier en daar aandoen, van Menado naar Sandaken in Britsch-Borneo konden komen en vandaar met eene andere boot naar Zamboanga in de Zuid-Philippijnen. Eenmaal in de Philippijnen zijnde, zou het zeer gemakkelijk zijn de verdere verbindingen te vinden. Met zeer veel navraag, getelegrafeer en getelefoneer hadden wij ten slotte die geheele reis voor elkaar, maar een gewichtige schakel ontbrak. Over de boot of de verbinding van Menado met Sandaken liepen de inlichtingen spaak, niemand kon ons iets positiefs daarover berichten, terwijl het negatieve bericht was, dat men niet geloofde, dat er eene goede verbinding was. Deze reisroute werd daarom opgegeven.
Er zou evenwel een boot van de Java-China-Japanlijn den 15en van Soerabaja vertrekken, deze gaat gedurende een week langs de oostkust van Java lading innemen, gaat dan naar Semarang en vertrekt 24 Juni van Semarang naar Makassar en vandaar regelrecht naar Hongkong. Op deze boot hebben wij van Semarang af passage besproken. Wij zullen nu dan toch nog Makassar zien, daar blijft de boot twee dagen stil liggen, en dan gaan wij naar Hongkong, zonder Singapore aan te doen.
Maar nu loop ik met mijn verhaal vooruit. Ik dien eerst nog over Soerabaja en veel andere plaatsen te spreken. Soerabaja is een handelstad, de eerste handelstad van Java. Dat merkt men in de drukke, stoffige straten, aan de hooge, leelijke gebouwen, dat handelskantoren zijn, aan het gekrioel van Chineezen, Javanen, Arabieren, Europeanen. Mooi is Soerabaja niet. Een aangenamen indruk verwekt de stad ook niet. Hier gaat men wonen om er zaken te doen, om er geld te verdienen. Lukt dat laatste in voldoende mate, dan gaat men er gauw weder uit om òf in Europa, òf in een beter oord op Java de nog restende levensdagen te profiteeren van het zuur gewonnen kapitaal.
Voor de vergadering voor vrouwenkiesrecht hadden wij niet veel verwachtingen. Het was ook hier vacantie op school en daardoor velen afwezig. Maar het viel mee. De vrij groote zaal van het Logegebouw was geheel bezet met dames en heeren, waarvan na afloop 39 lid van de Vereeniging voor Vrouwenkiesrecht werden. Mevrouw Ingerman, die alles zoo uitstekend had voorbereid, presideerde de vergadering, maar daar zij op het punt staat Indië voorgoed te verlaten, konden wij haar hier niet voor een blijvende kracht behouden. In de vergadering, den volgenden morgen met verschillende leden gehouden, werd besloten eene afdeeling Soerabaja te vormen, waarvoor de dames Broekman en Broese van Groenou (ik wou dat deze laatste talrijke familie nog tienmaal talrijker was) het presidium en vice-presidium op zich namen, mevrouw Soesman het secretariaat en mevrouw Derx het penningmeesterschap. Een tweede secretaresse zal spoedig aan dit bestuur toegevoegd worden. Hiermede zijn de vergaderingen voor vrouwenkiesrecht in onze koloniën voor ons afgeloopen, alwaar de vereeniging nu tien centrale punten heeft, vanwaar verder propaganda en opvoedende kracht kan uitgaan.
Wij hadden nu nog bijna een week over, alvorens wij in Semarang aan boord van de "Tjimanoek" behoefden te zijn en wij besloten die dagen te gebruiken om de mooie omstreken van Soerabaja te gaan zien. Het zijn wel ver afgelegen omstreken, maar Soerabaja beschouwt ze toch als te behooren tot zijn gebied en van Soerabaja uit zijn ze ook het gemakkelijkst te bereiken.
Met den trein van 3.48 verlieten wij Soerabaja Zaterdagmiddag en kwamen, na ruim twee uren door tal van dessa's gespoord te zijn en met weldra een prachtig uitzicht op de Welirang- en Ardjoeno-bergen, om 6 uur te Lawang aan. Vooral het laatste uur, toen de zon als een groote vuurbol achter die bergen onderging en ze met een krachtig gouden licht overgoot, was 't landschap onbeschrijfelijk mooi. Onwillekeurig komt de gedachte op, hoe lang zal die berg zijn mooien spitsen kop nog mogen behouden, wanneer zal het vuur, dat ontegenzeggelijk in zijn binnenste woedt, dat heele phantastische bovenstuk in duizend deelen heinde en ver om zich heen werpen en een nieuwe kraterzee vormen?
Lawang, dat 1700 voet hoog ligt, wordt voornamelijk bezocht door Soerabajers, die slechts over een paar vacantiedagen kunnen beschikken en in die dagen toch even willen bekomen van de onaangename hitte in de stad. Het is gemakkelijk te bereiken, bezit een uitstekend hotel met goede keuken en wat nog meer zegt, een aangenaam koel klimaat en tal van mooie wandelingen. Wij hadden ons echter voorgenomen ons door al deze aantrekkelijkheden niet te laten verlokken, doch Zondagmorgen door te gaan naar het op 4000 voet hoog gelegen Nongo Djadjar, waarvoor wij reeds van uit Soerabaja reisgelegenheid en kamers besteld hadden.
Om 8 uur Zondagmorgen stond onze équipage voor. Het was een op vier hooge ijzeren wielen staande houten bak, waarvan den bodem uit wijd van elkaar liggende latten bestond en waar op twee ijzeren pijlen een zitgelegenheid voor de reizigers was aangebracht. De heer en dame, eigenaars van het Lawangsche hotel, meenden ons gerust te moeten stellen, wij behoefden niet beangst te zijn, want, zeiden zij, de weg is steil en slecht en alles moet zoo licht mogelijk zijn. Onze bagage, die wij voor deze rondreis zoo beperkt mogelijk hadden gemaakt, en die alleen bestond uit onze reistasschen en een mantelrol, werd op twee bamboestokken geladen en door 4 koelies achter ons aangedragen. Toen wij opgeladen waren, vleide 't koetsiertje zich aan onze voeten neder en daarna klommen twee palfreniers achter ons op het wagentje, die zich aan de ijzeren stangen onzer zitgelegenheid staande hielden en toen zetten onze halfdoode paardjes het op een loopen. Bang waren wij niet, maar wij moesten ons toch eerst een beetje oefenen om ons op onze hooge zitplaatsen te handhaven. De twee palfreniers stonden daar niet alleen om ons aanzien te verhoogen, wij leerden spoedig inzien, dat zij ook een andere bestemming hadden. De een toeterde op een automobielhoorn als er in de verte een kip op den weg liep, of als wij een stilstaanden wagen voorbij renden, of ook wel, als hij meende met die muziek ons te amuseeren. De tweede schroefde een houten plank tegen de ijzeren raderen aan, als wij een helling afgingen, wat door een zeer vernuftig toestel van achter het rijtuig beredderd kon worden.
Na een half uur rijden arriveerden wij in Poerwodadi, alwaar nog twee dito paardjes voor de beide andere gespannen en onze begeleiders met 6 mannen vermeerderd werden. De twee vóórpaarden toch luisterden niet erg naar de wenschen van onzen koetsier, zoodat twee mannen elk een bij den kop pakten en ze in de goede richting trokken. Twee andere mannen hielpen de kar van achteren opduwen en twee kwamen op een gezadeld paard achteraan, misschien met het doel om de een of ander onzer paarden te vervangen, als die er bij mochten neervallen, of wel om ons als rijpaard te dienen als onze équipage op den tocht mocht bezwijken. Het was zoo'n mooie optocht, dat mijn reisgezellin meende, dat alleen de gouden pajong nog maar ontbrak om den indruk te verwekken, dat de Soesoehoenan in hoogst eigen persoon kwam aanrijden. Tot tien uur voelden wij ons trotsch op onze hooge zetels en met onze schare volgelingen, doch toen kwamen wij in een dorpje waar halt werd gehouden en onze vier paarden, die niettegenstaande de pogingen van de drie mannen om ze op het rechte pad te houden, toch telkens probeerden ons op zijwegen te brengen, vervangen werden door twee.... zegge twee, koeien. Het waren geen ossen of bullen, lezers, maar twee melkgevende koeien, waarvan de een nog niet zoo heel lang geleden gekalfd had. Op onze vraag, wat dat te beteekenen had, vernamen wij, dat de weg nu zóó steil en slecht werd, dat de paarden ons niet meer naar boven konden trekken en daarom door koeien vervangen moesten worden. Mijn trots zonk beneden peil, maar toen ik mijn metgezellin aanzag, zag ik, dat zij haar gezicht een nog voldaner plooi had gegeven en stralend merkte zij op: "of course, two females can do better than four males", en op mijn vraag, of zij zeker was, dat onze vier paarden tot het sterke geslacht behooren, antwoordde zij: "yes, females would never have given up their task"; voor deze heerlijke feministische ontboezeming, die ook mij weder in goede stemming bracht, beloonde ik haar met een Haagsch hopje.
Toen wij eindelijk om één uur in het hotel aangeland waren, konden wij ons niet voorstellen, dat wij vijf uren achtereen in dat onmogelijke wagentje gereden hadden. De weg was zóó mooi en zóó vol afwisseling, dat de tijd was omgevlogen. Toen Wij eerst door suikerplantages en rijstvelden, daarna door een dicht bosch en door verschillende dessa's eindelijk aan de koffieplantages geland waren, zagen wij voor het eerst deze mooie boomen, met hunne mooi gevormde en als gepolijste bladeren, in volle bloei en in het begin van vruchtzetting. De witte bloemen en de roode besjes vormden met het donkergroen der bladeren een prachtig geheel. Zóó hadden wij dit nog niet gezien. Verder werd de weg zeer verlevendigd door tal van apen, die in de boomen speelden. Het waren thans in hoofdzaak groote zwarte apen met lange staarten, slechts enkele kaneelkleurige waren er onder.
Wij hadden den 12 mijlen langen afstand in vijf uren afgelegd; geraced hebben wij dus niet. Aan het hotel werden wij door den vriendelijken eigenaar opgewacht, die ons onmiddellijk naar onze kamers bracht, alwaar wij ons eerst wat konden verfrisschen, alvorens aan de lunchtafel te verschijnen. Een groote vaas heerlijke frissche, prachtige rozen stond in elk onzer kamers en van de veranda's hadden wij zoo'n prachtig uitzicht op het Tenggergebergte, dat wij eerst eenigen tijd noodig hadden om van onze bewondering te bekomen. Dit geheele hotel is zoo schilderachtig mooi gelegen, dat ik er geen weerga nog van heb aangetroffen. Het bestaat uit tal van op zich zelf staande gebouwtjes, paviljoens, die op verschillende punten van den bergrug zijn gelegen en allen door overdekte wegen met het hoofdgebouw zijn verbonden. De groote tuin bevat een schat van bloemen, die het geheele jaar bloeien en waarvan enkele zeer zeldzame exemplaren zijn.
Behalve dit mooie hotel en een paar andere gebouwen waar Europeanen wonen, is Nongko Djadjar, een koffie-dessa met alleen inboorlingen. Tal van mooie wandelingen en grootere uitstapjes kan men van daar doen.
Wij begonnen direct Maandagmorgen met een tocht naar den Ramboetmajo waterval. Per rijtuig kan men daar niet komen, alleen te paard of per tandoe moet men gaan. Voor een rit te paard hadden wij nog niet genoeg moed verzameld, vooral niet nadat wij aan tafel te Lawang hadden gehoord dat een Zondagsruiter op een kleinen tocht driemaal onder zijn viervoeter was geraakt en zich erg gelukkig noemde zich als een gaaf mensch aan tafel te kunnen presenteeren. De draagstoelen moesten dus weder dienst doen. Om 7 uur vertrokken wij Maandagmorgen van het hotel. Elke draagstoel werd door 6 man gedragen, twee voor, twee in het midden en twee van achter. Het was moeilijk deze 6 man zoo te laten loopen dat wij niet onmenschelijk heen en weder en door elkaar werden geschud, elke verandering in hun gewonen pas verergerde het. Wij probeerden daarom maar spoedig ons te gewennen aan deze schommelingen, want het was een lange tocht dien wij voor ons hadden. Bijna onophoudelijk gingen wij door een dicht bosch vol groote zwarte apen, vogels en een soort eekhorens, die men hier boomratten noemt en tal van ander gedierte. Nu en dan piepten de Inlandsche huisjes door het dichte geboomte door. Het was een zeer mooie tocht. Zooals in den regel in zulke gevallen was ook hier de 300 voet hooge waterval op zich zelf de moeite van den tocht niet waard, maar de schilderachtige omgeving waarin hij zich bevindt en de weg daarheen loonde des te meer alles wat wij er voor gedaan en geleden hadden.
Het was reeds over één, toen onze dozijn dragers ons veilig, weder afleverden. Eerst nadat wij de lunch gebruikt en gezamenlijk in een onzer veranda's zaten om van de vermoeienis te bekomen en van het prachtig uitzicht te genieten, kwam de vraag over mijn lippen: in welk land ter wereld is het mogelijk, dat twee dames, geheel ongewapend, met een dozijn mannen uit het volk, zes uren lang door een dicht bosch durven trekken, zonder een oogenblik vrees te gevoelen, dat haar iets onaangenaams wedervaren zal? Deze twaalf mannen wisten, dat wij geld en andere waarde in onze kleine taschjes bij ons hadden, dat wij hunne gesprekken niet konden volgen, dat wij slechts enkele inboorlingen, en dan nog meest kinderen op onzen weg zouden ontmoeten, en toch kwam geen enkel woord over hun lippen, deden zij geen enkele beweging, die ook maar voor een oogenblik eenige vrees bij ons deed opkomen.
Twee keer op dien heelen langen tocht zetten zij de tandoes neder; een keer vroegen zij om "persen" (fooi, drinkgeld) om koffie te koopen bij 'n uitstallinkje en den tweeden keer, op den terugweg, om djeroek van een voorbijtrekkenden jongen met een mand sinaasappelen te koopen. Beide keeren willigden wij hun verzoek in met hen voor het beoogde doel 50 cts. te geven, waarvoor zij zich zeer erkentelijk betoonden. Onze dragers waren gedurende den geheelen tocht vroolijk en levendig, zóó zelfs, dat wij de opmerking maakten, dat zij in dit opzicht meer op Hindu's geleken dan op de tot dusver ontmoete Javanen, maar geen onbescheiden woord merkten wij op en zeer zeker was de decente wijze, waarop zij zich onder het loopen van een deel hunner kleeding ontdeden en waarop zij, toen wij nabij een riviertje een oogenblik pauseerden, daar allen een bad namen, opvallend. Van een volk dat uit zich zelf zoo beschaafd is, moreel en hoog staat, kan met goede leiding wat goeds groeien. Op die leiding komt 't echter aan. Van wat zoogenaamde kenners van Java en de Javanen ons hier soms willen wijs maken, dat de Javaan zoo te zeggen, alle denkbare ondeugden zou bezitten, is niets waar, kan niets waar zijn, want waar wij telkens en telkens weder met die menschen in aanraking komen, ontdekken wij deugden en bijna uitsluitend deugden in hen.
IX.
Dinsdagmorgen schraapten wij al onzen moed bijeen en bestelden twee rijpaarden, om een rit over de dorpjes Bodo en Toetoer te maken. Dit is een twee uur lange rit te paard, de weg heeft hier en daar een paar steile hellingen en is vrij wel te beschouwen als een proefrit. Zouden wij dien tocht goed volbrengen, dan bestond er ook geen bezwaar, om ons bezoek aan de Bromo, met een omweg over de "de Veths' hoogte" en terug naar Tosari, te paard te doen. Wij hadden zoo genoeg van de tandoe's, dat wij besloten, dien grooten tocht alleen te doen, als wij 't te paard aandurfden.
Onze gastheer en gastvrouw, de heer en mevrouw Teves, hadden voor een paar makke beestjes en een paar goede geleiders gezorgd en alles verliep naar wensch. Het was een prachtige landweg, dien wij aflegden, langs groote groenten-, vruchten- en bloemkweekerijen, (hier groeien Europeesche vruchten en groenten uitstekend) door koffietuinen en maïsvelden, met steeds het uitzicht op 't mooie gebergte. Het Tenggergebergte wint het in schoonheid van de Preanger Regentschappen, maar deze laatste zijn uitgebreider. Onze twee geleiders hadden goede instructies medegekregen, bij elke groote kromming of steile helling grepen zij het paard bij de teugels en geleiden het op het rechte pad. Verder holden zij naast de paardjes voort, die meer naar hunne uitroepen dan naar onze leiding luisterden. Wij kwamen zóó weinig vermoeid tehuis, dat wij onmiddellijk paarden bestelden voor den volgenden dag. Vóór wij echter 's avonds naar bed gingen, begon mrs. Catt bang te worden en bestelde een tandoe in plaats van een paard voor de reis naar de Bromo.
Ongeveer half zes, het morgenlicht was nog niet doorgebroken, begonnen wij Woensdagmorgen onzen tocht. Ik voorop op een schimmel met een jongen achter het paard. Mrs. Catt in een tandoe, door 6 mannen gedragen, achter mij aan en gevolgd door twee koelies, die onze bagage aan een langen bamboestok droegen. De hotelier en zijne lieve vrouw hadden er voor gezorgd, dat wij vóór wij vertrokken toch nog een eenvoudig ontbijt kregen en verder hadden zij ons zooveel sandwiches en vruchten ingepakt voor een tweede ontbijt onderweg, dat wij er gemakkelijk een heelen dag op hadden kunnen teren, 't Was jammer, dat het nog te donker was, want toen wij uittrokken was het de moeite waard geweest er een kiekje van te nemen. Spoedig daarna liet mijn paard de achterhoede in den steek en het kostte mij een uur studie, om uit te vinden, hoe ik zoo'n Javaansch paard aan het verstand kon brengen, dat het wat langzamer had te gaan, of dat het een oogenblikje moest wachten, om de anderen ons te laten inhalen. Mijn jongen vond het veel gezelliger met de tandoedragers te converseeren en onderweg wat kattekwaad uit te halen dan achter mijn paard te hollen en zoo was ik geheel aan de braafheid van het goede dier overgeleverd. Van angst kon geen sprake zijn, want mijn geheele aandacht werd in beslag genomen door het prachtige landschap, aan weerszijden van den weg. De Kletakpas, die ik overtrok, te beschrijven, is niet mijn bedoeling, ik wil alleen constateeren, dat ik nog nimmer zoo'n prachtige natuur gezien heb. Het was in dat vroege morgenuur, onder het opkomende daglicht, een onvergelijkelijk schoon gezicht. Om 7 uur arriveerde ik in het dorpje Kletak, waar het paard uit zich zelf, of op mijn verzoek, stilhield en ik kon afstijgen om op mijn achterhoede te wachten. Na meer dan een half uur kwam die aan en de jongens maakten ons duidelijk, dat zij nu eerst geld voor makan moesten hebben. Wij gaven het heele troepje elk een dubbeltje, en daarvoor zaten zij weldra allen met een verrukkelijk ontbijt voor zich. Heete koffie en een stuk van een pisangblad vol rijst met warm gebakken pisangs en allerlei andere lekkernijen die zoo'n restaurant aan den weg, kan opdisschen. Toen de heeren verzadigd waren mochten wij verder gaan. Nu was het landschap geheel veranderd; het mooie, dichte geboomte had plaats gemaakt voor, tot aan den top van den vrij steilen bergrug aangelegde kool-, aardappel-, uien- en maïsakkers, waartusschen een rijkdom van bloeiende, wilde kruid- en heestergewassen. In dit gebergte hebben de Tenggereezen bijna alle geboomte omgehakt en er moestuinen met Europeesche groenten voor in de plaats gebracht. Ook dit leverde een mooi gezicht, doch de Moengalpas haalt het in schoonheid niet bij de Kletakpas.
Toen wij ongeveer half tien op een punt gekomen waren van waar de weg zich in tweeën verdeelt en linksaf naar Tosari voert, het einddoel van onzen tocht, wilden de jongens ons met geweld dien weg opdrijven, in plaats van door te gaan tot de Bromo. Het kostte ons alle moeite om hen te dwingen, met ons door te gaan. Ik ging eenvoudig met mijn paard recht door, maar het duurde vrij lang eer de tandoedragers met hun kostbaren last en mijn jongen mij volgden. Om tien uur hield ik halt en wachtte hen op en toen zij aangekomen waren, maakten wij kennis met een echt staaltje van inlandsche nukken. Nauwelijks was de tandoe neergezet, of een der jongens gooide zich in het gras, trok heele leelijke gezichten en uitte allerlei rare geluiden. Ajoe, ajoe, ajoe; hij had overal pijn. De anderen zeiden, dat zij niet verder wilden gaan, den zieken broeder konden zij niet alleen laten, wel wilden zij ons terugbrengen naar Tosari. Ik zag heel gauw, dat de man kunstjes maakte, vertelde de mannen zoo goed mij mogelijk was, dat zij ons naar de Bromo moesten brengen en steeg te paard met het vaste idee, dat zij dan wel zouden volgen. Toen ik een kwartier op weg was en niets zag of hoorde naderen en ook op mijn geroep geen antwoord kreeg, bleef ik wachten, en toen zag ik na eenigen tijd mrs. Catt met mijn jongen te voet den steilen bergpas opklauteren. De koelies hadden haar aan het verstand gebracht, dat zij niet verder wilden gaan, doch dat de weg niet ver meer was. Door om beurten toen van het paard gebruik te maken, bereikten wij om elf uur de zandzee, waarin de Bromo zich bevindt.
Welk een schouwspel! Het is heel natuurlijk dat de Inlanders hier aan bovenmenschelijke invloeden gelooven en deze plek niet durven naderen, zonder offeranden te brengen aan de geesten die in de kraters huizen. De dikke, grijze, wittige rook, die onophoudelijk uit de Bromo opstijgt, verdicht zich onmiddellijk tot wollige wolken die slechts langzaam stijgen en boven den krater een dikke wolkenlaag vormen.
Gaat men naar boven, naar den top van den Moengalpas, dan krijgt men eerst een goed overzicht over het geheel. Het is een volstrekt eenig met niets te vergelijken natuurtafereel, dat men dan voor zich ziet. In die enorme, grijs-grauwe zandvlakte, die men de zandzee noemt, stijgen drie vulkanen op, waarvan twee, de Batok en Widodaren reeds uitgewoed hebben, maar daarom niet minder indrukwekkend zijn, terwijl de Bromo door zijn uitstootende rookwolken toont, dat het nog altijd laait in zijn binnenste. En daar achter, ver weg doch bedriegelijk dichtbij, steekt boven alles de Sméroe uit, die telkens met eenige tusschenpoozen eveneens doet zien, dat in zijn binnenste het vuur steeds woedt.
Hoewel het er niets op lijkt, in geen enkel opzicht er mede te vergelijken is, bracht toch dit schouwspel op den Moengalpas dezelfde, droomerige stemming bij mij teweeg, die ook de woestijn in Egypte, met zijn raadselachtige pyramiden en sphynx op mij uitoefende. Dit komt waarschijnlijk, door die indrukwekkende stilte, die veelzeggender is dan de grootste drukte.
Aan de zandzee hadden wij twee heeren te paard ontmoet, die uit Tosari kwamen en daar ook weder heengingen. Wij vertelden hun ons wedervaren en vroegen hun als zij aankwamen, onmiddellijk voor ons een tweede rijpaard te willen zenden, of een paar mannen voor de tandoe. Zij beloofden ons, onmiddellijk onze eigen tandoe op te zenden. Mocht het inderdaad waar zijn, dat de eene jongen ziek was, dan kon een van hunne jongens hem vervangen en zij zouden zoolang voor den zieken man zorgdragen. Zij geloofden echter, even als ik, dat de heele ziekte een voorwendsel was. Na ruim een uur kwam inderdaad den tandoe met alle zes jonge mannen aanzetten, de zieke man was heelemaal beter en op den geheelen terugweg hebben wij van ziek-zijn niets meer gemerkt. Zouden kinderen niet evenzoo handelen om te probeeren verlost te worden van een taak, die hen niet bevalt?
Tosari wordt het Darjeeling van Java genoemd. Het heeft met Darjeeling gemeen, dat het ongeveer even hoog ligt, het ligt slechts 1000 voet lager en verder wordt het ook bezocht door personen, die voor de gezondheid eens een koeler klimaat behoeven, of die eens een kouden neus willen halen. Maar overigens lijken die twee niets op elkaar. Ik wil hiermede niet zeggen, dat Darjeeling, in Britsch-Indië, mooier of belangwekkender is, maar het is geheel anders. Als men maar alleen bedenkt, dat men in Darjeeling het gezicht op sneeuwbergen heeft en de bergen er tot aan den top begroeid zijn met boomen en heesters, terwijl in Tosari de bergen bijna geheel van het oorspronkelijke woud ontdaan zijn, en de kale bergranden tot boven toe in goed aangelegde moestuinen zijn herschapen, dan voelt men al wel het verschil in het landschap.
Maar ook de bevolking in beide bergstreken verschilt hemelsbreed. In Darjeeling vijf of zes verschillende stammen, die alle in uiterlijk, kleeding en gewoonten van elkaar verschillen en aan de plaats eene groote levendigheid geven; in Tosari alleen de Tenggereezen, een interessant volkje, doch die stil voor zich leven en zich den toerist niet opdringen. Het verschil in levendigheid der beide plaatsen spreekt ook wel daaruit, dat men in Darjeeling na eene vermoeide wandeling, in welke richting ook, overal jinrickshaw-mannen met hun lichte voertuigjes vindt, die je voor een paar centen weder bergopwaarts voeren, terwijl in Tosari alleen paarden of tandoes bij vooruitbestelling te bekomen zijn.
Ik zou Tosari een rozenoord willen noemen, bij uitstek geschikt om overspannen zenuwen tot kalmte te brengen. Alles ademt er rust en vrede. Vooral de morgens zijn er heerlijk, 's Middags hangt er voor een groot deel van het jaar een dichte mist, die het uitzicht belemmert en nat-koud aandoet. Wel wordt beweerd, dat die mist niet nat zoude zijn, en dat Tosari een droge atmosfeer heeft, maar wie dat gelooft moet wel nimmer de kille koude gevoeld hebben van die alles doordringende wolkenlaag. Toch is, niettegenstaande dien mist, Tosari het drukst bezochte plekje in Java. Er heerscht een mondaine drukte. Men speelt er tennis, men maakt er toilet, er wordt geflirt, er worden gezamenlijke uitstapjes ondernomen en verder alles wat in un monde où l'on s'amuse voorvalt. Tosari heeft eene veel grootere bekendheid dan Nongko Djadjar, alwaar men zich in alle eenvoud amuseert en waar men heengaat om van de prachtige natuur en van de hooge berglucht te genieten.
De Tenggereezen in het Tenggergebergte zijn een merkwaardig volkje. Zij hebben geen tempels, kerken of Moskeeën. Een bepaalden godsdienst bezitten zij niet. Voor een deel zijn zij nog Hindoes. Daaraan doen de gekleurde hoofddoeken der vrouwen en de aschmerken op het voorhoofd van velen hunner ook uiterlijk het meest denken. Zij hebben zich vroeger aan den invloed der Mohammedanen weten te onttrekken door op deze bergtoppen, die bijna ongenaakbaar waren, een schuilplaats te zoeken. Elk dorp heeft een soort priester, die als een soort wonderdokter ziekten bezweert en andere priesterlijke werkzaamheden verricht en eens in het jaar in de voorhoede loopt, als zij gezamenlijk naar de Bromo trekken, om daar aan de in de daarin huizende geesten te offeren. De Tenggereezen zien er uiterlijk veel onbeschaafder uit dan de andere Javanen, hun kleeding is minder proper, en hun geheele voorkomen geeft aan, dat daarboven gebrek aan water bestaat en dat het er, om veel te baden te koud is. Hunne huizen en dorpjes zien er van buiten echter opvallend netjes uit. Nog slechts een jaar verheugen zij zich in het bezit van een school, waarvan onmiddellijk een groot gebruik werd gemaakt, zoodat de opkomende jeugd nu tenminste lezen en schrijven zal leeren. Rijstvelden ziet men in het Tenggergebergte niet, omdat de Tenggereezen gelooven, dat het hun om godsdienstige redenen verboden is rijst te telen. Zij voeden zich veel meer met maïs en groenten, die er op groote schaal verbouwd worden.
Van Tosari wilden wij per auto naar Passoeroean terug om daar den trein te nemen, die ons naar Soerabaja zou terugvoeren. Maar de auto was voor reparatie afwezig en zoo moesten wij van Tosari naar Poespo per paard of tandoe en van Poespo naar Passoeroean per karretje. De ondervinding, den laatsten keer met de tandoe opgedaan, deed mrs. Catt ook besluiten, ditmaal het rijpaard als vervoermiddel te gebruiken. In allen eenvoud, met slechts één jongen voor beide paarden, verlieten wij 's middags om drie uur Tosari en arriveerden anderhalf uur later behouden in Poespo. Onze paardjes waren zoo tam en kenden zoo goed den weg, dat wij niets anders te doen hadden, dan ons in 't zadel in evenwicht te houden, verder konden wij onze oogen den kost geven en ons aan het mooie landschap rondom ons verlustigen. Nog voor het laatst wilde ik genieten van al het schoone, dat het Tenggergebergte den bezoeker biedt, en er zooveel mogelijk van in mij opnemen, om den indruk een blijvende te doen zijn.
In Poespo bleven wij den avond en nacht doorbrengen in het hotel, dat eene dependance is van het sanatorium in Tosari. Poespo is aanmerkelijk lager gelegen dan Tosari en daardoor minder koud. Ook verkeert het niet een deel van den dag in een nevelmeer. Het wordt als tusschenstation voor zieken en zwakken gebruikt, voor wie een direct opgaan naar het 6000 voet hoog gelegen Tosari, niet raadzaam is. Jammer, dat het hotel aldaar niet comfortabeler is, want het kleine dorpje bevat overigens alle gegevens om er eenigen tijd zeer aangenaam te verblijven. Het is er boschrijk, men heeft er prachtige vergezichten, de temperatuur is een zeer aangename en nog tal van andere gegevens wettigen het stichten van een goed herstellingsoord aldaar, maar dan moet er een modern hotel met moderne geriefelijkheden verrijzen.
Van Poespo over Pasrepan naar Passoeroean in een karretje, was den volgenden morgen een ware marteling. Het ding schudde zoo geweldig, dat wij ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uitgeslingerd te worden. Hoewel de tocht slechts twee-en-een-half uur duurde, kwamen wij toch zoo geradbraakt in Passoeroean aan, dat wij moeite hadden ons staande te houden. Wij moesten er een uur wachten, alvorens de eerstvolgende trein ons naar Soerabaja zou brengen en dien tijd gebruikten wij om op een bank ons uit te strekken om zoo de trillende leden tot rust te brengen.
In Soerabaja viel ons de drukkende warmte weder erg tegen en reeds den volgenden morgen om 6 uur verlieten wij deze stad om naar Semarang terug te keeren, alwaar wij spoedig de boot verwachten die ons van Java voor goed zal wegvoeren.
AAN BOORD VAN DE "TJIMANOEK".
Nu ik Java voor goed heb verlaten wil ik, vóór ik overga mijn verdere reisindrukken neer te schrijven, eerst nog in het kort den algemeenen indruk weergeven, dien Java bij mij verwekte en het verschil, dat ik heb meenen op te merken tusschen dit deel van de koloniën en Britsch-Indië. Dat verschil in een paar regels saam te vatten: In Britsch-Indië welt telkens de gedachte op, en herhaaldelijk heb ik die geuit, dat het land aldaar niet bewoonbaar is voor Europeanen, het is alleen geschikt voor de inboorlingen, die zich aan het klimaat en de daarmede verbonden bezwaren hebben aangepast, die immuun zijn geworden voor de verschillende microben, die er overal welig tieren. Europeanen doen verstandig aldaar zoo kort mogelijk te verblijven. Men gevoelt er zich geen oogenblik veilig, het gevaar van ziek worden dreigt steeds van zoovele verschillende kanten. Java daarentegen is in elk opzicht geschikt gemaakt voor Europeanen en inlanders, om er gezond en veilig te leven. Vele punten van Java zijn ware lustoorden, bij uitstek geschikt, om er den levensavond rustig en aangenaam door te brengen. Nederland heeft van het nog veel warmer Java een land gemaakt, waar men even rustig en veilig kan leven als in elk ander beschaafd land.
Het zooveel grooter Britsch-Indië bezit veel meer kunstschatten dan Java en heeft een oude en zeer belangwekkende geschiedenis. Het leven der Hindoe's, Mohammedanen, Parsees en andere sekten is voor toeristen buitengewoon interessant, hoewel niet altijd aangenaam aandoend. Natuurschoon, behalve in de bergen, bezit Britsch-Indië niet. Bovendien ontvangt elkeen er den indruk, dat er armoede, gebrek en ontevredenheid onder de bevolking heerscht en men huivert bij de gedachte, dat 'n oogstmislukking in een of ander deel van het land duizenden en duizenden menschen den hongerdood doet sterven. Onder de photographiën, die de toeristen koopen om zich een blijvend aandenken van Britsch-Indië te verschaffen, ontbreken nooit de in elken winkel uitgestalde platen van een "door hongersnood geteisterd deel der bevolking". Britsch-Indië is voor Groot-Brittannië een niet te benijden bezit.
Java staat in elk opzicht boven Britsch-Indië. Java is een lustoord, van het begin tot het eind, indrukwekkend mooi. De natuur is niet grootsch, maar liefelijk is zij overal. De natuur staat er nooit stil, overal ziet men het jonge, frissche groen tusschen het oude, afgedane weder opschieten. Het heele land is tot ontginning gebracht, overal ziet men de bevolking ijverig werkzaam. Armoede, zooals die in Britsch-Indië voorkomt, bestaat er niet; welvaart heerscht overal en maakt zich duidelijk kenbaar. Het weinige, dat de Javaan voor zijn levensonderhoud noodig heeft, is altijd en overal voor hem te vinden. Mannen en vrouwen nemen er gezamenlijk deel aan den arbeid op het veld, op de plantages, in de fabrieken, op de passars, overal vindt men beide seksen ijverig deelnemen aan het maatschappelijk werk. Zelfs mijn verkeerden indruk over de vrouwen in de Preanger, dien ik in een mijner vroegere brieven uitte, moet ik intrekken, omdat verder de Preanger doorgaande, deze indruk nergens bevestigd werd. Alleen op onzen tocht over den Poentjakpas, troffen wij die door mij beschreven vrouwen aan.
Wat zeker wel het meest weldadig aandoet is het beschaafde, rustige, tevreden optreden der Javaansche bevolking. Er mogen enkele minder gewenschte elementen onder hen voorkomen, wie zou die onder eene bevolking van meer dan 30.000.000 niet verwachten, over het algemeen genomen steken zij echter gunstig af bij menig ander volk, zelfs bij die, welke het voorrecht van eene verder gaande ontwikkeling genieten. Ik weet wel, dat er vele Hollanders op Java zijn, die deze opinie niet deelen, die mij willen diets maken, dat mijne meening zoude veranderen als ik de Javanen maar als werkkrachten noodig had, maar daar staat tegenover, dat ik door evenzoovele andere hier wonende Hollanders mijn indruk bevestigd vond, wier jarenlange ondervinding als werkgevers of -geefsters deze was, dat de Javaan een trouwe, goede, eerlijke werkkracht is als men hem maar goed behandelt. Dat laatste pleit voor den Javaan.
Overal waar wij hier in de verschillende hotels buitenlandsche toeristen aantroffen, met wie wij op een onzer vele boottochten in aanraking waren gekomen, hoorden wij met den grootsten lof en waardeering over Java spreken. Een heer, die de heele wereld kende, noemde Java het eenige plekje op aarde, waar hij meende, dat de menschen gelukkig leefden en waar hij zijne laatste levensjaren zou wenschen door te brengen. Allen roemen de wijze, waarop dit land door Nederland geregeerd wordt. Het komt mij voor, dat het onzen naam en ons prestige in het buitenland slechts ten goede kan komen, indien wij op alle mogelijke wijzen het toeristenverkeer hier trachten te bevorderen. De gidsboeken moeten dan echter niet vermelden, dat men in acht of tien dagen Java kan zien en dan een reisroute opgeven, die Batavia, Buitenzorg met den plantentuin, Djokja met de Boroboedoer, Soerabaja met Tosari insluit. Daarop afgaande maken vele vreemdelingen hunne reisplannen, bespreken plaatsen op booten, die hen weder van Java moeten terugvoeren en zien dan eerst als het te laat is, dat zij eigenlijk het interessantste van het land niet gezien hebben. Het is dan voor hen dikwijls te laat, om hunne reisplannen alsnog te wijzigen. Een goede geschikte reisgids, zooals een Baedeker is, moet voor Java en onze andere eilanden worden opgemaakt en in een of meer vreemde talen worden uitgegeven. De Reisgids van de Koninkl. Paketvaart-Mij. bevat nog te veel leemten.
Toen wij onze plaatskaarten genomen hadden op de "Tjimanoek" en hier en daar vertelden hoe wij onze reis van plan waren te vervolgen, ontbrak het nergens aan afkeuring van ons plan. Hoe wij op het dwaze denkbeeld waren gekomen, om met een vrachtschip verder te reizen, kon niemand begrijpen. Allerlei dwaze bezwaren werden te berde gebracht die ons zeker van ons plan zouden hebben doen afzien, als wij wat gemakkelijker bang te maken waren geweest. Men beweert hier wel eens, dat men in Indië fatalist wordt; 't kan zijn; wij zijn geen fatalisten, hoewel wij bij vele onzer goede raadgevers dien indruk verwekten, toen wij op al hunne bezwaren slechts antwoordden, dat wij voor een ongeluk niet bang waren en een schipbreukje of zoo iets een interessant reisavontuur vonden. Zelfs toen men ons kwam zeggen, dat wij de eenige passagiers eerste klasse op die boot zouden zijn, dat er nooit anders dan Chineezen mede reisden, kon dit alles bij ons slechts den lust in dit reisje verhoogen.
De "Tjimanoek" lag voor Semarang in volle zee; met een klein stoombootje moesten wij het schip bereiken, er was dus geen gelegenheid om vooraf poolshoogte te nemen. Er was bericht gekomen, dat de agent ons Dinsdagochtend om elf uur met het bootje zou komen halen en prompt op tijd stonden wij met onze bagage aan het havenhoofd, om met hem mede te gaan. Ook hij was op tijd en bracht ons na een kwartiertje op het schip, dat ongeveer 14 dagen ons tot herberg en voertuig zal dienen. Wat keken wij verrast op toen wij het groote, stevige schip, dat er Nederlandsch zindelijk en aanlokkend uitziet, betraden. Overal vonden wij comfort; de kleine, vriendelijke eetzaal zoowel als de zes dubbele hutten, de gemakkelijke rieten stoelen en tafeltjes op het dek, de badkamer en wat daarbij behoort, alles en alles mooier, geriefelijker en ruimer dan wij het ooit tevoren op een boot hebben aangetroffen. Wij konden natuurlijk ieder over zoo'n groote hut beschikken, waarin de bedden beter zijn dan wij ze ergens op Java of op een boot hebben gehad, waar electrische waaiers onze hutten koel houden, waarin kasten voor onze kleeren en nog veel meer wat men op een boot wenscht, doch maar zelden vindt, werd gevonden. Dat wij de eenige eerste klasse passagiers zijn, is geen nadeel; wij hebben veel te lezen en te schrijven en de kapitein, de eerste officier en de eerste machinist zijn aangename en gezellige tafelgenooten.
Woensdag, 26 Juni. De boot glijdt kalm over de stille zee voort, zoo kalm en zoo onbeweeglijk, dat wij nu en dan eens over de verschansing moeten kijken om ons te overtuigen, dat wij werkelijk voorwaarts gaan. Nadat vanochtend de schoonmaak op het schip was afgeloopen, heerschte er overal een stilte en rust als men zich op zoo'n groot schip haast niet kan voorstellen. Ieder van de bemanning was op zijn post en verrichte zijn taak bijna geruischloos, geen onderlinge gesprekken, geen gezang of luidruchtigheid. De bemanning van de schepen van de Java-China-Japanlijn bestaat uit Chineezen, wier kundigheid en plichtsbetrachting door den kapitein zeer geroemd worden. Alleen de hoofdpersonen op de boot zijn Nederlanders en de kok en tafelbedienden zijn Maleiers.
Een frissche bries waait en doet ons nog meer waardeeren, dat wij hier zitten en niet in een der heete kustplaatsen. De keuken is als op alle Nederlandsche schepen voortreffelijk, goed en overvloedig. Ik bewonder het Maleische kokje, dat zulke lekkere taartjes kan bakken. Om 6 uur 's avonds genoten wij van een prachtigen zonsondergang en om tien uur gingen wij naar bed, voldaan over onzen eersten dag op dit comfortabele schip.
Donderdag, 27 Juni. Dezen dag was er een van rustigen arbeid. Door een onweder in den afgeloopen nacht koelde de temperatuur zoodanig af, dat wij onze mantels te voorschijn moesten halen om buiten te kunnen zitten. Ik gebruikte den heelen dag om te schrijven; alleen gedurende de maaltijden nam ik aan de conversatie deel. Vannacht gaan wij dicht bij Makassar voor anker liggen, om morgen om 6 uur te kunnen landen.
Zaterdag, 29 Juni. Prompt om 6 uur lagen wij gisteren aan den steiger te Makassar en spoedig daarna stonden mrs. Catt en ik gereed om aan land te gaan. Vóór het ontbijt bezochten wij de passar en de Chineesche buurt en bestelden een rijtuig, dat ons om 9 uur van de boot zou afhalen, om een rijtoer door de stad en naaste omstreken te maken. De oude stad maakte eenigszins een oud-Hollandschen indruk; overigens is het een vriendelijke, Indische stad, met een mooi plein en vele mooie lanen. Het interessantste vonden wij den tocht naar Goa en het bezoek aan het oude koninklijk paleis, met zijn eigen moskee en schatkamer. Wij hadden ons nu wel niet voorgesteld er een paleis te zullen vinden, min of meer gelijkstaande met dat van onze Koningin op het Loo, maar toch verwachtten wij een reeks gebouwen te zullen zien, die op de een of andere wijze indruk zouden maken. Die verwachting is in zekeren zin beantwoord, want de reeks oude, vuile, houten woninkjes, waarin de smerigste vrouwen en kinderen rondliepen, die wij ooit zagen, vrouwen en kinderen, die allen van koninklijken bloede zijn en waarvan enkelen nog een jaarlijksche toelage van gouvernementswege ontvangen, lieten niet na een vreemden indruk achter te laten. De schatkamer dient nu voor een inlandsche school, waar op dat oogenblik alleen inlandsche jongens onderricht ontvangen. De Goa'sche jonge dochteren groeien nog in onschuldige onwetendheid op.
Wij hadden op dezen rijtoer, die ons vier uur bezig hield, gelegenheid het totale verschil in de menschen en de woningen van dit gedeelte van Celebes en die van Java en Sumatra op te merken. Deze menschen hebben een geheel ander type, zijn grooter en steviger gebouwd dan de Javanen en verschillen in uiterlijk zoowel van den Javaan als van den Sumatraan. Hoewel hunne kleeding uit dezelfde stukken bestaat, is toch de kleederdracht anders. De mannen dragen hunne sarongs veel hooger opgeschort, zoodat de beenen tot boven de knie bloot komen en mannen en vrouwen beiden kleeden zich bij voorkeur in schitterende kleuren, waarbij steenrood de hoofdtint is. De vrouwen dragen, in plaats van een slendang, een tweede sarong om hoofd en schouders, waardoor zij ons min of meer aan de Hindoe-vrouwen deden denken. De huizen zijn alle op hooge palen, minstens twee meter hoog, gebouwd, waaronder het huisgedierte, kippen, eenden, varkens, honden en wat daartoe meer behoort, een verblijfplaats vindt. Van buiten gezien zagen die woningen er niet erg netjes en zindelijk uit.
's Middags maakten wij nog een rijtoer, een anderen kant uit en ook vanmorgen gingen wij nog een paar uur de stad in, maar veel te zien is er niet in Makassar en nog minder is het de moeite waard er over te schrijven. Om er met de volkseigenaardigheden op de hoogte te komen, daarvoor moet men er langeren tijd vertoeven dan waarover wij te beschikken hadden.
1 Juli. Gistermiddag kregen wij Borneo in 't zicht, alwaar wij om 4 uur in Balik-Papan hoopten te landen. Op het laatste oogenblik had de kapitein nog bericht gekregen, dat de boot in Balik-Papan moest stoppen om eene lading paraffinekaarsen mede naar China en Japan te nemen. Wij waren blij nu toch ook nog gelegenheid te krijgen om onze voeten op Borneoschen bodem te zetten en hoopten daar minstens een avontuurtje met een Dajakker of een oerang-oetangetje te zullen hebben. Toen wij echter dit petroleumplaatsje naderden, bleek er te weinig water in de zee te zijn, of het lag aan ons schip doch er was geen sprake van dat wij den steiger konden naderen. Wij bleven voor anker liggen en konden van af de boot vele petroleumtanks tellen en de huisjes van Europeanen en inlanders en Chineezen, waarvan er vele op den heuvel en andere langs het zeestrand gebouwd zijn, bewonderen. Vooral toen kort daarna overal de lichten in Balik-Papan ontstoken werden, hadden wij een aardig gezicht op die uitgestrekte, doch eenzame bezitting van de Koninklijke Petroleum-Maatschappij. Maar vanmorgen gingen wij reeds om 8 uur met den kapitein in een roeibootje aan wal, alwaar ons spoedig bleek, dat er niet veel te wandelen en nog minder te zien viel. Wij kregen wel een kijkje in de paraffinekaarsenfabriek, waarvan echter de finesses stipt geheim gehouden worden en niet voor het publiek te bezichtigen zijn. Om half elf Waren wij al weder op de "Tjimanoek" terug, zonder eenigen indruk gekregen te hebben van al de interessante bijzonderheden, die er op Borneo te vinden zijn. De eenige, sterke impressie, die wij kregen, was, dat de Petroleum-Mij. zijne ambtenaren wel met dubbel salaris beloonen mag, opdat zij na jarenlange ontbering aldaar in dienst van die maatschappij doorgebracht, kunnen terugkeeren naar Europa of naar een bewoonbaarder oord in Indië, om een leven vrij van financieele zorgen te kunnen leven. Als een van die ambtenaren dit onder de oogen krijgt, zal hij wel met een zucht zeggen: ik wou dat het waar was.
5 Juli. Sedert vier dagen gaat het schip in dezelfde kalmte door; om ons eerst door de Straat van Makassar, toen door de Straat van Celebes, daarna door de Suluzee en door de honderden eilandjes heen, alle behoorende tot de Philippijnen, alwaar eens de Vereenigde Staten hun Stars and Stripes plantten, in de Chineesche zee te brengen. Sommige van die eilandjes zijn niets meer dan een stuk koraalrif, onbegroeid en onbewoond, anderen herbergen eenig visschersvolk of zeeroovers, slechts een enkele is groot genoeg om eenige menschen en dieren tot woonplaats te dienen. Wij zijn nu rechtstreeks op weg naar Hongkong, door het meest gevreesde en onheilspellendste vaarwater, dat de wereld bezit, en vlak bij, nu reeds achter ons, ligt Manilla, waarheen het doel van dezen tocht eigenlijk leidt. Hadden wij hier ergens aan wal gezet kunnen worden, dan zouden wij niet nog eens tweemaal ditzelfde water behoeven te passeeren. De zee is nu alleen wat woeliger, het schip rolt een beetje meer dan het tevoren deed, doch de kapitein verzekert, dat wij geen typhoon te duchten hebben vóór wij Hongkong bereiken.
Zoo'n schip met eene Chineesche bemanning en Hollandsche officieren brengt zijne eigenaardige bezwaren mede. De officieren verstaan geen Chineesch en de Chineezen geen Hollandsch. De Engelsche taal dient nu als spreektaal. Maar het Engelsch dat men te hooren krijgt is een taaltje, waarvan de beteekenis pas eerst na lang nadenken aan het licht komt. Een dezer dagen hadden eenige Chineezen een zware machine te verzetten. Als bij alle native-werklui begint er een zingende iets te zeggen, dat door allen gezamenlijk luidkeels herhaald wordt; bij 't laatste woord, waarop een bijzonderen nadruk wordt gelegd, spannen ze ineens allen tegelijk hunne krachten in om het te verrichten werk vooruit te brengen. Na verloop van eenigen tijd zeide onze officier tot den voorzanger, "Zeg, jelui moet daar niet zoo bij schreeuwen". Onmiddellijk klapt de voorzanger zijne beide handpalmen saam, brengt de handen tot de hoogte van zijn neus en zegt: "Officer, Chinaman no cry no can", en onmiddellijk wordt het gezang weder aangeheven tot het werk is afgeloopen.
Als er geen onverwachte typhoon komt opdagen, die ons op een of ander van de onbewoonde eilandjes neerzet, alwaar geen postkantoor is, dan zal ik deze in Hongkong posten, wanneer wij daar Zondag 7 Juli arriveeren.
HONGKONG.
Zondag na den middag kwamen wij in Hongkong aan. Reeds des morgens om tien uur werden de bergen zichtbaar, waarachter deze vrijhaven zich verbergt. De kapitein had ons uitgenoodigd bij hem op de brug te komen, waardoor wij een ruimer en vrijer uitzicht genoten en hij in staat was ons alles te verklaren wat ons in den beginne niet duidelijk leek. Hoe meer wij nader kwamen des te grootscher werd de indruk dien de omgeving van deze stad maakt. Mooier binnenkomen in een havenplaats is niet denkbaar; zooals mij gezegd werd evenaart alleen Rio de Janeiro in dit opzicht de Chineesche stad Hongkong, die onder Britsch opperbestuur staat. Het was 'n mooie Zondagmiddag, zoodat tal van mooi opgetuigde picnic-bootjes, honderden schilderachtige Chineesche zeilbootjes en vele eigen jachtschepen ons als 't ware tegemoet voeren, vaartuigen en vaartuigjes alle beladen met menschen die den vrijen Zondag gebruikten om de heete stadslucht te ontvlieden en een paar teugen frissche zeelucht te halen. Men beweert dat de honderden groene rotspunten, die Hongkong omgeven, vóór 1841, toen het in Britsche handen overging, slechts kale rotsblokken waren en dat de Britten die hoogten beplant hebben, zoodat enkele er nu als een groot, groen fluweel veld uitzien, andere vol boomen en heesters staan. Dicht aan de zee hebben zij echter alle hun kaal koraalrif-aanzien behouden.
De "Tjimanoek" bracht ons niet geheel in Hongkong. Vlak bij den ingang van de havenmonding is een groote suikerraffinaderij, waar een groote partij ongeraffineerde Java-suiker moest gelost worden en daar werden wij op een kleiner stoombootje overgeladen en vlak bij het hotel aan land gezet.
Nog meer als Singapore is Hongkong cosmopolitisch. Hier zijn nu in werkelijkheid niet alleen menschen van alle Europeesche, Amerikaansche en Australische streken aanwezig, maar men ziet hier ook en wel in de eerste plaats, de Aziatische rassen in alle schakeeringen vertegenwoordigd. De Engelsche politie bestaat hier uit Hindoes, komende uit het Noorden van Britsch-Indië. De lange bleeke mannen, zooals wij die in Lahore en Amritsar ontmoet hebben, met hunne groote, zwarte oogen en bebaarde gezichten, die, niettegenstaande zij tot de Sikhs, dat is de oorloglievende kaste behooren, toch een zoo zacht vrouwelijk voorkomen hebben, zijn in hun net sluitende khaki-uniform met roode turbans waarlijk mooi te noemen. Nu er voor de Sikhs niet meer te oorlogvoeren valt, kunnen zij Engeland als politiedienaren in deze en dergelijke oorden goede diensten bewijzen. Door hun uiterlijk en uniform merkt men hen in de drukke straten van Hongkong dadelijk op.
Even opvallend zijn hier de Chineesche vrouwen in de straten. Hoe internationaal het leven in de straten ook moge zijn, de Chineezen vormen toch verreweg het grootste aantal en men ziet, vooral in de winkelstraten en op de markten, minstens evenveel vrouwen als mannen onder hen. Zijn in alle Aziatische landen mannen en vrouwen bijna gelijk gekleed en is het meestal eerst na eenigen tijd, dat men uitvindt wat eigenlijk mannen en wat vrouwen zijn, omdat de mannen er rokken of sarongs of lange jurken dragen, evenals de vrouwen, zoo ook kleeden de Chineezen zich gelijk, met dit onderscheid alleen, dat hier de vrouwen evenals de mannen lange broeken en een soort loshangend overhemd dragen. In kleeding zijn ook hier mannen en vrouwen gelijk, maar het verschil tusschen beiden valt onmiddellijk op, omdat de mannen hier bijna allen nu kort-geknipt haar dragen,--de staart ziet men nog slechts bij groote uitzondering,--en de vrouwen allen het haar glad naar achter gestreken en met een dubbele knoop tegen het achterhoofd hebben bevestigd. Jongere vrouwen en meisjes hebben soms een gedeelte van het voorhaar kort geknipt, ponyhaar, dat dan als een zwarte, steile franje over het voorhoofd hangt. De stompvoetjes ziet men hier gelukkig zelden in de straten, maar daarom kunnen er nog wel velen tehuis zijn, want de arme vrouwen kunnen er bijna niet op voortsukkelen en moeten meestal op den arm of schouder van een haar begeleidend kind steunen. De jongere kinderen, die wij in de straten zien, hebben echter allen hunne natuurlijke voeten, zoodat na eenige geslachten, deze wreede verminking, evenals de staarten, wel geheel verdwenen zal zijn.
Maar over de Chineesche vrouwenkleeding moet ik het eens even hebben. Doelmatiger, vrijer, practischer kleeding, die als men er eenmaal aan gewend is, niets opvallends heeft en sierlijk staat, is niet denkbaar. Waarom gaan de vrouwen, die aan reformkleeding doen, hier niet de modellen zoeken? Het is heel eenvoudig te beschrijven en is, zooals ik reeds schreef, voor mannen en vrouwen gelijk. Een lange, zwarte pantalon, somtijds naar den enkel nauw toeloopend, om er zoo mede op een fiets te springen; daarover heen een loshangend kleed, in vorm het best te vergelijken met een heerenoverhemd zonder stijf front. Dit kleed, dat bij de vrouwen niet langer dan tot ongeveer de knieën, bij mannen dikwijls langer en soms tot de enkels afhangend is, wordt in den regel van zwarte zijde of zwart, glimmend katoen, een soort zeildoek, gemaakt, doch wordt ook somtijds heel elegant in verschillende kleuren gedragen. Jonge meisjes zag ik dikwijls met een zeer smaakvol blauw overkleed. Hoeden dragen de Chineesche dames in Hongkong niet. De mannen dragen groote, zeer practische zonnehoeden, de vrouwen gebruiken voor de zon mooie gekleurde pajongs. Nu de staarten afgeknipt zijn, beginnen de Chineezen zich ook steeds meer Europeesch te kleeden en ziet men nu vele Chineesche heeren in witte pakken van het model als onze heeren in Indië dragen en zetten zij daarbij dan een witte strooien matelot of een topee op. Over eenigen tijd zal het aardige van een Chinees heelemaal weg zijn, zij zullen dan nog maar alleen door hunne naar onder getrokken, buitenste ooghoeken, van gewone menschen te onderscheiden zijn.
Maar eigenlijk moet ik eerst wat van Hongkong vertellen, alvorens ik over de bewoners uitweid. De naam beteekent "land van zoet water". Het is een eiland dat vóór 1841 aan China behoorde en toen zeer dun bevolkt was met visschersvolk en zeeroovers. In 1841 ging het in Engelsch bezit over. Nu is het een groote schilderachtige stad met 250.000 inwoners, waarvan een gedeelte de City of Victoria wordt genoemd. Het is vol groote gebouwen, bankinstellingen, kantoren, fabrieken, hotels, kazernes, hospitalen, en, hoewel zij niet zeer in het oog springen, forten. De haven ligt vol vreemde schepen uit alle landen, waaronder oorlogschepen. Drie bijna parallel loopende straten, geheel geasphalteerd, loopen dwars door de stad van het eene einde tot het andere en daarop komen tal van nauwere, bergopwaarts gaande straten uit. De geheele stad is als 't ware tegen een berg opgebouwd. Een vreemd, schilderachtig gezicht is het als men in een der hoofdstraten staat en het leven aanziet in zoo'n soms steil naar boven gaande straat. Paarden en rijtuigen of automobielen of fietsen ziet men er niet, alleen door de middelste van de drie breede straten loopt een electrische tram, voor het overige bedient zich hier een ieder voor vervoermiddel van een rickshaw of tandoe. De draagstoelen worden hier slechts door twee man gedragen, die soms uren lang met zoo'n zwaren dikken Chinees de steile wegen op- en afgaan. Wij hadden er na eenmaal gebruik genoeg van en probeerden liever de rickshaws, die echter in sommige steile straten maar half te vertrouwen zijn.
Een zeer mooien tocht maakten wij met de kabeltouwbaan, (dat is geloof ik een heel mooi woord voor "drahtseilbahn") naar den top van de Peak, ongeveer 500 meter hoog, waardoor wij een prachtig panoramisch gezicht op de stad, de haven en de Chineesche zee kregen. In een half uur wandelt men langs een mooien asphaltweg, en steeds voorbij mooie villa's, naar de stad terug.
Als ik nu nog eens even op de bevolking in Hongkong terugkom, dan is het om de groote menigte, "gemengde uiterlijken" die er te constateeren waren. Het is alsof alle natiën er hare sporen meenen te moeten achterlaten en Zuid met West, Oost met Noord, zich daar nu en dan echtelijk, zij het dan ook niet wettig, vereenigt. Deze innige rassenvermenging heeft wel eens goede resultaten gewrocht.
Wij bleven juist twee volle dagen in Hongkong. Ons plan toch was om nog van het goede weder te profiteeren en zoo gauw doenlijk naar Manilla af te reizen, omdat wij in Hongkong toch terug komen. Wij gingen daarom Maandagmorgen direkt naar het kantoor van Cook om inlichtingen in te winnen omtrent de beste booten die deze week naar Manilla zouden vertrekken. Na de ondervinding die wij in de kantoren van Cook op deze onze reizen hadden opgedaan, zouden wij zeer zeker niet weder daar inlichtingen zijn gaan inwinnen, ware het niet dat wij een reçu van pl.m. £ 10 op Cook's office in Hongkong hadden van geld, dat wij in Rangoon voor kaarten hadden betaald die niet gebruikt waren. Dit geld was ons niet terugbetaald, maar wij konden er over disponeeren in Hongkong, met er andere biljetten voor in de plaats te nemen.
Op het kantoor werd ons verteld, dat er den volgenden dag een goed Engelsch schip zou vertrekken naar Manilla, waarop nog eenige goede hutten disponibel waren. Wij merkten op, dat wij Zondagmiddag een mooi Amerikaansch schip in de haven hadden zien liggen, en als dat schip nog deze week ging, dan zouden wij dat prefereeren. De heeren wisten ons onmiddellijk te vertellen, dat er geen Amerikaansch schip deze week naar Manilla ging; dat wij gezien hadden, was juist terug van Manilla en ging nu naar San Francisco. Bovendien, het schip de "Tean" was zoo'n bijzonder recommandabele boot, dat zij ons toch nog zouden raden, dat de voorkeur te geven. Wij lieten ons bepraten, doch 's avonds vernamen wij, dat het door ons geziene Amerikaansche schip wel degelijk op weg was naar Manilla en Woensdagmiddag zou vertrekken. Wij gingen daarop Dinsdagmorgen onmiddellijk weder naar Cook en vroegen onze kaarten alsnog te ruilen. Met een stalen gezicht werd ons verzekerd, dat zij dat in ons belang niet mochten doen, omdat wij de booten niet kenden en de "Tean" een honderdmaal betere boot was dan de "Saphiro", de Amerikaansche. Nogmaals werd ons verzekerd, dat de "Tean" door Engelsche officieren bestuurd werd en dat hutten, voedsel en al wat men op een boot verwacht, van eerste kwaliteit was. Wij waren stom genoeg, om geloof te slaan aan deze woorden, behielden onze kaarten en trokken 's middags tegen vier uur per stoombootje van het Hongkong Hotel naar de "Tean". Onze bagage was ons reeds voorgegaan.
Welk eene ontgoocheling! Wat een teleurstelling! De boot van de Messageries Maritimes, die ons destijds van Beirût naar Alexandrië vlak in de quarantaine had gevoerd, kon een waardig zusje van deze smerige boot zijn. Vuil, onordelijk, oud, vies, is alles wat men ziet en aanraakt. Het is bovendien een Japansche boot met Japansche bemanning en alleen een Engelsch sprekende kapitein. Een van het soort, dat zich aan ons voorstelde met de opmerking, dat in een heet klimaat whisky en soda de eenige aan te bevelen drank is en van Holland weet, dat men er zulke lekkere gin maakt. En op deze boot moeten wij tot Vrijdagmorgen elf uur vertoeven, dat zijn 67 volle uren. Er zijn er nu gelukkig reeds 31 van verstreken en de barometer voorspelt nog goed weder, zoodat de overblijvende 36 ook wel zonder ongelukken zullen voorbij gaan, maar anders.... Wij hebben ons direct voorgenomen, toen wij met den kapitein hadden kennis gemaakt, dat in geval van noodweer, wij den kapitein eerst over boord zouden zetten en dan met ons beiden de orders op de brug zouden gaan uitdeden, om ongelukken te voorkomen. Men moet zich in alle gevallen weten te redden en wij hebben op de "Tjimanoek" zooveel zeevaartkundige wijsheid opgedaan, dat wij met ons beiden er licht meer van weten dan deze kapitein. Hij is echter reeds vele jaren kapitein en op dit water bekend.
Wij zijn niet de eenige passagiers op deze boot, wij hebben hier nog twee lotgenooten. Als iemand een jaar lang gezocht had, dan had hij geen twee passender reisgenooten voor ons kunnen vinden. Eén onzer reisgezellen is een Roomsch-Katholiek priester, die alleen Spaansch spreekt. Hij is mijn tafelbuur.
De andere is van het hout, waarvan men Engelsche zendelingen snijdt, die in Shangai zijn kruit schijnt verschoten te hebben en nu op weg is naar Manilla. Zoodra hij aan tafel komt, gooit hij steeds zijn linkerbeen over de linker stoelleuning, leunt dan op zijn rechter elleboog en tracht zoo, dwars zittende, zijn eten naar den mond te brengen. Ik geloof het was de heer J. F. die eens in een reisbrief een Engelschman aan tafel beschreef en die constateerde dat een Engelschman van netjes eten een heele studie heeft gemaakt en alles correct verorberde; onze Engelsche tafelgenoot zal echter met die studie nog moeten beginnen. Onsmakelijker, femelender, ongesoigneerder vent is niet denkbaar.
Maar wij hebben nog drie andere tafelgenooten. Het zijn drie kleine Japannertjes, die tot de bemanning van het schip behooren. Zij zijn aan tafel op zijn ongegeneerdst gekleed, spreken alleen onderling en hebben zich reeds de gewoonte om met mes, lepel en vork, in plaats van met stokjes te eten, eigen gemaakt. Wel gebruiken zij deze attributen in den regel voor doeleinden waarvoor zij juist niet bestemd zijn, maar dat hindert op dit schip heelemaal niet. Ook zitten zij steeds met den rechter of linker arm zoo om het bord heen geslagen en hun hoofdje zoo vlak boven het bord, dat het voor elken indringer onmogelijk is ook maar een stukje van dat bord weg te kapen. Het kan echter zijn dat dit om andere reden geschiedt.
Gelegenheid om wat beweging te nemen of ergens comfortabel te zitten, biedt dit miserabel schip zijn passagiers niet. Het is dan ook geen wonder dat mijn lieve reisgezellin, die anders alle tegenspoeden zoo philosophisch kalm opneemt, thans soms radeloos om zich heen blikt en mij reeds eenige malen verzekerd heeft, waarbij hare zachte, vriendelijke oogen van bloeddorst schitteren, dat zij, als zij in Hongkong is teruggekeerd, direkt naar Cook's Office wil gaan "to kill all the men", die zij daarin zal aantreffen. Zij zweert nu nog meer dan voorheen bij Hollandsche booten en bij "the Dutch captains".
Gelukkig hebben wij op heel Java geen kantoren van Cook aangetroffen, maar bij het aldaar toenemend toeristenverkeer, is het niet onmogelijk dat zij weldra ook daar zullen trachten zich te nestelen. Laat men er toch voor waken dat die inlichtingsbureaux er nooit komen, wij hebben er nooit anders dan ellende van ondervonden op allerlei wijze.
IN DE PHILIPPIJNEN.
I.
De kapitein had ons gezegd dat wij Vrijdagmorgen niet vroeger dan elf uur in Manilla zouden zijn, daarom maakte ik 's morgens geen haast om vroeg uit mijn bed te komen. Om 7 uur werd ik echter wakker gemaakt door een bijzondere drukte aan boord van het schip en merkte ik dat wij stil lagen. Ik sprong gauw uit de veeren en begaf mij naar de badkamer. Nauwelijks was ik daar toen er flink op de deur gebeukt werd en gevraagd of Mrs. dr. Jacobs daar was. Op mijn bevestigend antwoord kreeg ik tot bericht dat ik boven op het dek verwacht werd, waar een heer was die mij wenschte te spreken. Ik antwoordde dat die heer een poosje moest wachten, want dat ik juist in het bad was gegaan, maar 't was mij toch een raadsel wie mij daar, aan die rotsige punt van het eiland Luzon, wenschte te spreken. Geen tien minuten verliepen toen er opnieuw geklopt werd, nu met een dringende eisch dat ik boven moest komen, 't Was mij een raadsel. Ik deed spoedig wat kleeren aan en vertoonde mij in mijn kimono in de salon. Tegelijkertijd kwam ook mijne metgezellin voor den dag, evenzoo gekleed en evenzoo gealarmeerd. Wij zonden een "jongen" naar boven om te zeggen dat de dames in de salon wachten en niet genoeg gekleed waren om boven te komen. Weldra verscheen een vriendelijk uitziend blond jongmensch, die zichzelf als dr. Nielssen voorstelde. Het was een Scandinavisch Amerikaan. Hij vertelde ons dat de haven van Hongkong voor pokken besmet was verklaard en alle van daar komende passagiers hier in Mariveles eene vijfdaagsche quarantaine hadden door te maken. Wij keken elkaar eens even aan en in dien blik gaven wij elkaar genoegzaam te kennen dat wij daartoe niet zoo gemakkelijk zouden overgaan. Ik stelde mij als zijn collega voor, vertelde hem dat wij beiden gevaccineerd en gerevaccineerd waren, dat wij Hongkong slechts als doorgangsstation hadden aangedaan etc.etc. Doch al spoedig bleek dat wij niet zooveel te redeneeren behoefden. Hij had reeds uit Manilla bericht ontvangen dat hij ons beiden even zoude onderzoeken, zoo noodig revaccineeren en dan moest laten doorgaan. Ik had in die revaccinatie niet veel zin, maar mijn reisgenoote stak heel gelaten haar armen uit en liet zich op beide eenige prikken geven. Dit geschiedde niet door den doctor, doch door een inlandschen vaccinateur, die het echter zeer hygiënisch en handig deed.
Onze medepassagiers waren allen aan wal gezet en daarvoor in de plaats kwamen nu een aantal reizigers, die daar 5 dagen geleden in quarantaine gebracht waren en nu verder konden reizen.
Mariveles had drie eeuwen geleden een anderen naam. Dit rotspuntje, wat nu een bloeiend dorpje is, dankt deze mooie naam aan een Philippino-meisje uit Manilla, Maria Velez genaamd, die met den gloed van hare mooie zwarte oogen het hart van een jongen priester tot kookhitte had gebracht. Deze jonge priester gooide zijn heilig gewaad van zich af en vluchtte met het 17-jarig meisje, tot zij op dit uiterste punt van Luzon aangekomen waren. Hier leefden zij vele jaren een leven van liefde en weldoen onder de nog vrijwel geheel natuur-bevolking, tot zij eindelijk ontdekt werden. De jonge priester werd voor zijn menschelijke misdaad gestraft met verbanning naar het meest onbewoonbare eiland van de Philippijnen, waar hij zijn verder leven onder de geheel wilde bewoners moest doorbrengen, geheel afgescheiden van de beschaafde wereld. Het mooie meisje werden de lange zwarte haren afgeknipt en zij werd uiterlijk zoo geschonden, dat geen man meer in de verleiding kon komen door haar zijne plichten te vergeten. Zij bleef echter onder de bevolking, op alle mogelijke wijze weldaden verspreiden en werd zoo geacht en vereerd dat men na haar dood het dorpje naar haar noemde en zoo heet het nu reeds 300 jaren Mariveles.
Tegen ongeveer tien uur 's morgens passeerden wij Cavite, de plek waar in 1898 de Spaansche vloot door de Amerikanen in den grond geboord werd, waarna zij toen als overwinnaars Manilla introkken.
Precies om elf uur stoomden wij de Manilla-baai in en weldra lag onze boot vlak voor den steiger, waarlangs wij van dit ongewenscht logies verlost zouden worden. Verschillende heeren en dames stonden reeds van verre met tooneelkijkers naar ons uit te zien, waaronder mrs. Catt weldra vele oude vrienden en kennissen uit Amerika onderscheidde. Een der heeren-compagnons, die thans de zaak van haar man dreven, kwam het eerst aan boord om ons te verwelkomen en de zorg voor onze bagage overnemen. Door zijne bemoeiingen ontkwamen wij aan de lastige Amerikaansche douane-formaliteiten, die hier al even erg zijn als in Amerika. In twee groote automobielen werden wij door de ons verwelkomende heeren en dames naar het nieuwe "Manilla-hotel" gebracht, alwaar men twee ruime, gezellige kamers voor ons in gereedheid had laten brengen.
Dit nieuwe hotel is nog slechts 6 weken geopend. Het is een echt Amerikaansch hotel, met alle luxe en comfort aan die inrichtingen eigen. Het is gebouwd aan de "Luneta", een inham in zee, zoodat het van drie kanten door de zee omgeven is. De kamers zijn allen groot en luchtig, met warm en koud water en met geriefelijke badkamers. Op elke kamer is een telefoon en in mooie nikkelen kannen staat steeds frisch ijswater.
Toen onze koffers gebracht en met behulp van een aardigen Philippino-jongen ontpakt en beredderd waren, verkleedden wij ons spoedig en gingen naar beneden om te lunchen. Daar wachtte ons niet alleen een echte Amerikaansche lunch met ijswater, verfrisschende dranken, in ijs afgekoelde vruchten, cocktails en allerlei Amerikaansche gerechten, maar daar waren ook tal van dames en heeren om ons welkom te heeten in Manilla en die ons voor allerlei bijzonderheden hunne diensten aanboden. Ook de waarnemende Gouverneur-Generaal, mr. Gilbert, was onder hen, die ons allervriendelijkst toesprak, zijn vrouw verontschuldigde die verhinderd was te komen, en die ons zijn hulp aanbood bij alles wat wij gaarne wilden zien en leeren kennen.
Na de lunch gingen wij het reuzengroote hotel in oogenschouw nemen, door den directeur persoonlijk rondgeleid. De leeszalen, conversatiezaal, groote en verschillende kleine eetzalen, kappers- en barbierssalon en nog zoo veel meer, zijn allen gelijkvloers. Met twee groote liften, aan elke zijde van het gebouw een, gaan de gasten naar de kamers, die allen op een der vier étages gelegen zijn. Daar boven--op het platte dak--zijn twee groote daktuinen. In de een speelt elken middag een klein orkest, wanneer men door de in 't groen verscholen gemakkelijke stoeltjes en tafeltjes, als 't ware wordt uitgenoodigd om zich daar neder te vleien en daar de thee te gebruiken. De andere is twee keer in de week 's avonds van 9-12 in een balzaal herschapen, waar de jonge--en soms ook wel eens een oude--Amerikaansche officiertjes met de Amerikaansche mevrouwtjes onafgebroken two-steps uitvoeren. De hitte in de tropen schijnt toch nergens de danslustigen af te schrikken, want nergens op aarde wordt zooveel gedanst als overal in Azië.
's Middags om 3 uur kwam een heer ons per rijtuig afhalen om een paar uur in en rondom de stad te toeren, om zoo een algemeenen indruk van Manilla te krijgen. Wonderlijk zoo gauw als de Amerikanen deze Spaansche koloniale stad in een Westersche Amerikaansche stad hebben omgetooverd. Uitstekende electrische trams snorren onophoudelijk door de nauwe straten in de stad en door de ruime, breede buitenwijken, waar de Amerikanen wonen. Café's met de onmisbare ice-creams, zitten van 's morgens tot 's avonds vol, groote magazijnen, waar men van alles kan koopen voor even hooge prijzen als in New-York zelf, staan aan alle hoeken der straten, automobielen dreigen je overal van de been te rijden, groote inrichtingen en allerlei soort kantoren zijn er in reuzengebouwen ondergebracht, alles ademt er leven en vertier. Als men zou moeten opgeven waardoor Manilla zich bijzonder kenmerkt, dan zou het zijn door zijne vele kerken. Evenals Caïro door zijne moskeeën, menige Britsch-Indische stad door zijne tempels zich onderscheidt, zoo Manilla door zijne katholieke kerken en kerkinstellingen. Vijf verschillende katholieke orden hebben hier elk hunne kerken, kloosters, scholen, hospitalen enz. De Augustiner orde is de oudste, die waren hier reeds in de vijftiende eeuw.
Toen wij om vijf uur tehuis kwamen wachtten ons weder verschillende heeren en dames om ons te verwelkomen. Mrs. Catt heeft hier tal van oude bekenden en ook menigeen die zij niet kent, maar die in Amerika toch dikwijls bij hare talrijke lezingen onder haar gehoor waren. Onder al die heeren en dames was ook onze hoffelijke Spaansche vriend, mr. del Pan, die wij in Java ontmoet hadden. Hij bood zich aan om den volgenden dag met ons eenige bijzonderheden van de stad te gaan zien, doch daar wij reeds met een paar dames hadden afgesproken om 's morgens vroeg met hen naar eene der vier openbare markten te gaan, waar vooral des Zaterdags veel vertier is, zouden wij hem telefoneeren, zoodra wij van daar teruggekeerd waren. Nadat al onze bezoekers vertrokken waren, bleven wij met een heele lijst van invitaties voor tea's, garden-parties, dinners, autotochten, bals etc. achter. Men had ook een victoria met twee paarden en een auto ter onzer dispositie gesteld. Wij zagen direkt in dat het onmogelijk was aan al die uitnoodigingen gevolg te geven, die ons onophoudelijk in het gezelschap der aldaar wonende Amerikanen zou brengen, terwijl wij met de inboorlingen in contact wilden komen, zoodat wij na rijp overleg besloten voor vele van deze beleefdheden te bedanken en alleen de voor ons interessante te accepteeren.
Zaterdagmorgen om 8 uur waren de beide dames, met wie wij naar de markt zouden gaan, ieder in haar eigen rijtuigje, reeds voor het hotel om ons af te halen. Wij stapten ieder in een er van en waren weldra ter bestemder plaatse. Wat een gewoel en gekrioel van kleurige inlanders! Vrouwen waren er in overgroote meerderheid, zoowel bij de verkoopers als inkoopers.
Welk een vreemde, onhygiënische en ongemakkelijke kleederdracht hebben die vrouwen. Hunne wijd uitstaande lange rokken, alsof er een wijde crinoline onder gedragen wordt, zijn allen van onder van een breede wijde strook voorzien en zouden rondom op den grond slieren en van achter in een lange sleep uitloopen, als de vrouwen ze niet rondom in de hoogte getild, met beide handen vasthielden, of door een elastieken band om het middel opschorten. Worden de rokjes hoog genoeg opgetild, dan ziet men er onder uit bloote beenen komen, waaraan bloote voeten die in gekleurde muiltjes steken. Een loshangend jakje, met zeer wijd-uitstaande mouwen, daarover een in 6 diepe plooien gevouwen en wijd van de hals afstaande doek, maken de bekleeding van het bovenlijf uit. In het prachtig gitzwarte glimmende haar stak altijd een bloem of gekleurd lint. Het geheel maakt een indruk alsof de kleeding dezer inboorlingen sterk door Spaansche smaak beïnvloed is geworden.
De markt, zooals er vier op verschillende punten van de stad gehouden worden, is een toonbeeld van zindelijkheid en ordelijkheid. Wat zou ik graag onze Koloniale autoriteiten hier een lesje zien nemen! Hoe gunstig steekt deze markt bij de passars op Java af! Alles wat eetbaar is moet hier onder ijzergaas staan. Door opzichters en opzichteressen wordt nauwkeurig nagegaan of al het verkochte of ten verkoop aangeboden, van onbedorven kwaliteit is. Op verschillende punten in de overdekte markthal zijn waterkranen, waar handen, schalen, bakken enz., telkens weder gereinigd kunnen worden. Eene scrupuleuze zindelijkheid heerschte overal.
Vreemd keken wij op in den hoek waar de eierverkoop plaats vond. Daar werden door de koopsters ook de eieren op de hand gewogen en tegen het licht bezien, zooals men dat ook wel eens bij ons doet, maar hier geschiedde dat met een ander doel. Terwijl wij een ei met een kuikentje er in zouden afkeuren, worden die hier gezocht en veel hooger betaald. Een ei dat 18 dagen onder de kip heeft gelegen is onbetaalbaar. Dat is een lekkernij! Hoe ouder het kuikentje is dat in het ei zit, tot aan den 18en dag, des te meer brengt het ei op. Een andere lekkernij zijn eieren die een jaar of langer in een zoute kleimassa zijn bewaard gebleven, die worden zoo rauw uitgezogen alsof het de grootste delicatesse is.
Om elf uur waren wij van de markt in het hotel terug, waar mr. Del Pan ons met zijn auto wachtte. Het eerst gingen wij met hem naar het gerechtshof, waar nog tot één uur zitting was. Er waren slechts kleine misgrijpen aan de orde. Alles werd nog in de Spaansche taal verhandeld, doch over een jaar moet in alle openbare lichamen de Engelsche taal--en deze uitsluitend--gebruikt worden. De heeren zullen zich dus nog in het Engelsch moeten oefenen.
Van het gerechtsgebouw gingen wij eerst eenige kerken en kloosters zien. Er is een kerk met een daaraan verbonden klooster die meer dan 300 jaren oud is, en alle in dien tijd hevige aardbevingen weerstand heeft geboden. De geschiedenis van deze merkwaardige kerk is te lang om die hier te vermelden.
Daarna bracht de heer Del Pan ons naar de plaatsen waaraan geschiedkundige bijzonderheden verbonden zijn. Daar zijne voorouders in de geschiedenis van Manilla een groote rol hebben gespeeld, zijn vader en grootvader waren langen tijd Gouverneur-generaal onder het Spaansche bewind, wist hij ons menige merkwaardige bijzonderheid te vertellen.
Om één uur ging hij met ons in het hotel lunchen ten daarna bracht hij ons in aanraking met vele Philippinoosche dames en heeren.
In een zuigelingen kliniek, geheel door Philippino-dames op touw gezet en beheerd, waar een Philippino-vrouwelijke arts aan het hoofd staat, hadden wij gelegenheid met vele hoogst beschaafde en ontwikkelde vrouwen van dit eiland kennis te maken. Wij waren verbaasd over alles wat wij hier hooren en zagen. Elk kind dat om de een of andere reden de moedermelk moet ontberen en ziek of gezond is, kan in dit lokaal gebracht en hygiënisch gevoed worden. Hier komen daags 70 zuigelingen en tien zulke lokalen bestaan in Manilla. Deze goutte du lait club van vrouwen heeft buiten de stad zijn eigen farm met een dozijn gezonde melkkoeien, die onder veterinair toezicht staan. Volgens de albums met photographiën van de aldaar gevoede kinderen, werken deze dames met schitterend succes.
Tegen half vijf bracht onze vriendelijke gids ons in het clubgebouw der Philippinoosche heeren en dames. Hier bleven wij theedrinken en maakten met vele vrienden van den heer Del Pan kennis. Men inviteerde ons om den volgenden Zaterdag hun bal te komen bijwonen, doch daar wij dien avond reeds een invitatie hadden aangenomen om in de Elk Club, dat is een club van Amerikaansche heeren, te komen dineeren, meenden wij voor het bal te moeten bedanken. Maar daarvan wilden onze Philippinoosche heeren niets weten, wij konden na het diner komen en zooveel van onze dischgenooten medebrengen als wij verkozen. Zij overhandigden ons voor dat doel eene heele pakket introductiekaarten, waarop wij zelf de namen konden invullen.
Des Zondags' morgens kwam men ons reeds vroeg halen voor een auto-tocht, omdat het weder zoo mooi was en men in dit jaargetijde elken drogen dag moet waarnemen als men groote toeren wil maken. Wij zouden naar Los Banos gaan, ongeveer 50 kilometer van Manilla gelegen. Los Banos is reeds sedert 300 jaren bekend door zijne heete zwavelbronnen. Het water komt in kookhitte van onder den berg Maquiling opbruischen.
Wij hadden nu ook gelegenheid wat meer van het eiland te zien. 't Is opmerkelijk hoeveel Luzon op Java gelijkt, maar toch veel minder mooi, veel minder vruchtbaar, veel minder welvarend, veel slechter onderhouden er uitziet dan ons mooi eiland. Ook de menschen zijn van hetzelfde type als de Javanen en hunne dorpjes en woningen op dezelfde wijze gebouwd. Wij gingen door rijstvelden en suikerplantages, door boomgaarden met mango, kokosnoot, bananen en papajaboomen, over bergen en langs meren met steeds goede harde wegen voor de auto.
In één opzicht was er in de dorpjes hier een groot verschil met die in Java. In elk dorp zagen wij een groote omheinde plek, waarop een groot houten gebouw. Zijn dat scholen, of worden daarbinnen wedrennen gehouden, vroeg ik? Maar, o schande voor het Amerikaansch bestuur, men moest bekennen dat het de arena's waren, waarin geregeld hanengevechten plaats vinden. Toen wij 's middags tusschen 4 en 5 uur op den terugtocht waren, was er in al deze lokalen een druk vertier. Van alle kanten stroomden de mannen van het dorp, velen hunner met een haan onder den arm, de arena binnen. Voor een er van hielden wij halt om een kijkje te nemen. Binnen de omheining, doch buiten het gebouw, zaten tal van vrouwen voor een brandend vuurtje, waarop een pan, waarin vruchten gebraden of ander etenswaar bereid werd, om het aan eetlustigen voor enkele centen te verkoopen. Andere vrouwen verkochten vruchten of snoeperijen. Binnen in het gebouw waren de mannen en opgeschoten knapen van het dorp, die daar de zuur verdiende penningen van moeder of vrouw in een minuut, of soms in een deel er van verloren in weddenschappen. Want dat is het meest immoreele van deze hanengevechten, zij ruïneeren soms eene familie in eene ondeelbare tijdseenheid.
Wij traden naar binnen, nadat een der heeren uit ons gezelschap voor elk een kaartje 1e rang genomen had, waarvoor per persoon ongeveer 7 stuiver betaald moest worden. Dit entreegeld is voor de kas der gemeente, daarvoor wordt voor het gebouw en het politietoezicht gezorgd. Behalve op den 1en rang, waar buiten ons nog vier mannen zaten, was overigens het heele gebouw stampvol. Binnen de arena stonden eenige mannen, waarvan twee elk met een haan in de handen. Aan de rechterpoot dezer hanen was aan of boven de sporen een vlijmscherp scheermesje bevestigd. Onophoudelijk werden deze twee beesten tegen elkaar opgehitst. Dan eens liet men den een, dan weder den ander zijn tegenpartij een flinke snavelpik op den kop geven. Op de verschillende rangen werden door de verschillende toeschouwers op beide of een van beide hanen prijzen gezet. Toen de inzet hoog genoeg was begon het gevecht. De beide mannen met de hanen gingen tegenover elkaar op de hurken zitten en hitsten een paar keer de beesten tegen elkander op. Op een gegeven wenk lieten zij beiden hun slachtoffer los, die onmiddellijk met echte moordenaarslust op elkaar invlogen. Met de mesjes aan hunne pooten gaven zij elkander vinnige houwen; nog eer een minuut verstreken was lag reeds één zieltogende neer.
Onmiddellijk daarop traden twee andere helden met hunne hanen onder den arm het strijdperk binnen. Weder dezelfde voorbereiding en toen beide hanen losgelaten konden worden, ging één er van, zoo snel pooten en vleugels hem voeren konden, op den loop naar de uiterste hoek van het gebouw, waaruit hij slechts met de grootste moeite verdreven kon worden. Nog eens werd het met deze beestjes geprobeerd, maar 't verstandige dier koos weder zijn leven boven de schande van een nederlaag. Zijn baas had nu het spel verloren en naar het scheen was het een zeer oneervolle nederlaag, want hij droop af alsof hem de grootste wandaad kon worden ten laste gelegd. Nog een strijd woonden wij bij en toen verlieten wij dit onverkwikkelijke schouwspel, vast overtuigd dat aan zulke menschbedervende uitspanningen zoo spoedig mogelijk een einde moet worden gemaakt. Het strekt het Amerikaansch bestuur niet tot eer dat het in dezen niet flink doortastend durft optreden.
In de "Manilla Times" die ons Maandagmorgen toegezonden werd, stond een groot artikel aan mrs. Catt en mij gewijd, waarin de hoofden van verschillende departementen van onderwijs en maatschappelijke instellingen werden verzocht om ons in onze onderzoekingen zooveel mogelijk behulpzaam te zijn, zoodat wij bij ons oordeel over het een en ander over juiste gegevens konden beschikken. Ook werden wij aangespoord om overal waar wij leemten of fouten meenden te ontdekken, dit aan de betrokken hoofden mede te deelen, omdat hier vele instellingen nog in proefstadium verkeeren. De geheele week brachten wij door met daags allerlei soort hospitalen, kloosters, doofstommen- en blinden-instituut, fabrieken en andere instellingen te bezien, terwijl wij 's middags of 's avonds een tea, een diner, een bal, een tuinfeest of iets dergelijks bij een of andere Amerikaansche familie of in een der vele clubgebouwen, waarin de Amerikanen zoo sterk zijn, bijwoonden. Onze dagen zijn geheel bezet en aan 't eind der week hadden wij reeds een goeden kijk op de Amerikaansche wereld in Manilla en op de wijze hoe die zich hier het leven aangenaam en nuttig weet te maken.
Aan het eind van dit schrijven wil ik nog even gewagen van het groote openlucht concert dat hier elken dag bij goed weder, van 5 tot 7 uur, door het Manilla-orkest, bestaande uit 80 Philippino-mannen, ook onder een Philippino-dirigent gegeven wordt. Dit orkest heeft in 1904 op de St. Louis-tentoonstelling de eerste prijs behaald, en sedert noemt het zich "het beste orkest van de wereld". Mijne lezers mogen gerust een beetje twijfel koesteren omtrent deze uitspraak, maar ontegenzeggelijk is het waar, dat de Philippino's zeer musicaal zijn en deze musicaliteit is gedurende drie eeuwen onder Katholieken en Spaanschen invloed aangekweekt.
Na zoolang van goede muziek verstoken te zijn geweest, vonden wij twee het soms een groot genot een uurtje rustig op een der vele banken te zitten luisteren naar hetgeen ons hier geboden werd.
II.
Nu ben ik overtuigd, dat er onder mijn lezers en vooral onder de lezeressen zijn, die verlangen, eenige bijzonderheden te vernemen over het Philippino-bal, waarvan ik in mijn vorigen brief gewaagde. Ik zal daarom even uitvoerig als ik over ernstige bijzonderheden schrijf, ook dit bal beschrijven. Het is trouwens de moeite waard.
Toen ons diner in de Elks Club was afgeloopen, gingen 16 van de 24 personen, die aan dat diner hadden deelgenomen in drie groote auto's met ons mede naar het nieuwe clubgebouw der Club Nacionalista, ter inwijding waarvan de Philippino's dit bal gearrangeerd hadden. Toen wij om ongeveer half elf daar arriveerden, werden wij zeer hoffelijk door 't bestuur van die club ontvangen en werd mrs. Catt en mij elk een zitplaats aangewezen, vanwaar wij het bal goed konden overzien. Ik weet niet wat meer was te bewonderen, de gracieuze wijze, waarop de dansende paartjes rondzweefden door de zaal, dan wel de bonte pracht, die wij aanschouwden in kleeding en haartooi. De dames waren allen in gekleurde toiletten, in het wit was er geen. Lange, wijde rokken, met nog wijdere breede strooken en met ellenlange sleepen in blauwe, gele, rose, roode en andere kleuren, daarover altijd een kort, zwart kanten overkleed, bij wijze van tunica, het bovenlijf in een camiso met zeer wijde mouwen en van zeer dun weefsel, altijd in dezelfde kleur als de rok en daarover de zes-dubbel gevouwen doek van dezelfde stof als de camiso, vormden het toilet der dames. Deze camiso's, eene soort wijde, loshangende blouse, die juist tot het middel reikt, zijn zeer kostbaar. Zij worden van ragfijne zijde geweven en met bonte bloemen geborduurd. Soms zijn de bloemen er in geweven en de allerlaatste mode is de bloemen op de camiso's te laten schilderen door schilders of schilderessen van naam. De goudgele bloote hals en armen hangen vol van schitterende diamanten en paarlen en deze versierselen verhoogden ook de pracht van de haartooi. Het prachtige, zwarte haar, in hooge, breede kapsels opgemaakt, waarop en waarin en waaraan bloemen hangen, vormde steeds een harmonisch geheel met het overige toilet. Dat bij elk toilet ook een passende waaier is, spreekt in dit land vanzelf. Ook in de waaiers wordt een luxe ten toon gespreid die voor ons nieuw is.
De heeren waren allen gekleed in lange, zwarte pantalon, wit vest en korte, witte rok, zonder slippen. Aan de wijze, waarop deze paartjes dansten, kunnen onze Europeesche dansmeesters een lesje nemen. Het heete klimaat werkt dat wel in de hand. Het was meer een zich voortwiegen op de tonen der muziek, dan wat wij gewoon zijn dansen te noemen. Duncan zou er plezier in gehad hebben. De dames hielden allen op gracieuze wijze hunne lange, wijde sleepen tusschen de vingers van beide handen, de heeren slipten hun rechter arm onder den linker damesarm rond haar middel, namen haar waaier in de rechter hand en al voortwiegelende, wuifden zij daarmede hun partner af en toe koelte toe.
Wij bevonden ons in een kring van voorname Philippino's. De president van de club, die eerst het geheele bestuur aan ons had voorgesteld, bracht onophoudelijk heeren en dames bij ons, die door de een of andere daad naam gemaakt hebben. Zoo maakten wij kennis met den architect van het gebouw, een volbloed Philippino, zooals hij ons verzekerde, die zijne studies in Engeland begonnen en in Italië voortgezet heeft; die daarna heel Europa doorreisde en met zeer veel lof over ons Rijksmuseum sprak; daarna met een Philippino-generaal, die in den Spaansch-Amerikaanschen oorlog tegen de Amerikanen vocht, doch nu met den stand van zaken verzoend is. Ook deze generaal was van onvermengd ras. Toen ik mijne verwondering uitte over hun jeugdig uiterlijk,--de generaal en de architect waren beiden in de veertig en zagen er uit alsof zij vijf-en-twintig waren,--antwoordde de generaal, dat dit een gevolg Was van drie dingen, 1e zij rooken niet, 2e zij drinken geen alcoholische dranken en ten 3e, zij spelen of wedden niet. Deze drie zaken brengen het bloed in te snelle beweging en brengen rimpels en groeven op het gelaat, zoo verzekerde hij mij. Twee Philippino-damesdoktoren, die in Amerika gestudeerd hadden, werden voorgesteld, en ik vernam, dat beiden een zeer drukke praktijk onder dames en kinderen hier hebben en onder hunne collega's zeer gezien zijn. Een beeldschoone, jonge vrouw werd voorgesteld, die aan het hoofd van een meisjesschool staat. Zij vertelde ons, dat zij op haar 20ste jaar weduwe werd en toen eerst naar Engeland en later naar Frankrijk reisde om zich in de Engelsche en Fransche taal te bekwamen, en daarna te Manilla terugkeerde, om op eigen initiatief en volgens eigen plan eene school voor meisjes te openen. Deze school is zeer druk bezocht en heeft den naam de liberaalste school in heel Manilla te zijn. Ik noem slechts deze personen, om de lezers een denkbeeld te geven van de soort menschen, die wij op dit bal ontmoet hebben; en om ook nog een idee te geven van de namen die hier inheemsch zijn, vermeld ik de namen der bestuursleden van de club Nacionalista, zooals ik die in het mooie balboekje, dat mij aangeboden werd, vermeld vind. De president was Leonardo Osorio, vice-president Pascual Ledesma, penningmeester Venancio Concepcion, 1e secretaris Emilio Mapua, 2e secretaris Alejandro Ruiz, en vier stemgerechtigde leden, Aguedo Velardo, Arcadio Arellanjo, José Lino Luna, Tomas del Rosario. Na ook nog vermeld te hebben, dat het balboekje tien nummers bevatte, waarvan vier two-steps en vier walzen en de beide andere rigodon, stap ik van dit bal af.
Als postcriptum--dat is immers het zwak van ons, vrouwen,--voeg ik er dan nog bij, dat de mooie Philippino-meisjes zeer coquet zijn, doch niet flirten, waartoe anders hare mooie, groote zwarte oogen zoo uitnemend geschikt zijn, en dat de manieren der dames en heeren, zooals wij die op het bal zagen, in de beste balzaal in Europa niet verbeterd kunnen worden.