Nederlandsche Volkskunde (part 2 of 3)
Na den dood worden onmiddellijk deuren en vensters geopend in het sterfvertrek, althans op enkele plaatsen in Zuid-Limburg, een scheidingsgebruik, dat de ziel er vrij uit kan pfluderen (fladderen), zooals men in Zwaben zegt. In de Graafschap, en in 't algemeen in 't Oosten van Nederland, wordt onder het bed, of in de buurt ervan, een bak met water of met water en melk gezet; dit gebruik heerscht ook in Westfalen en andere streken van Noord-Duitschland. In Groningen meent men, dat dit met een hygiënisch doel geschiedt, omdat dan alle vuiligheid op dit water trekt; elders zegt men, dat anders alle water en de melk in huis onrein wordt. Waarschijnlijk was de oorpronkelijke bedoeling, de ziel een bad in water en melk te schenken. In Oostenrijk keert men alle vaatwerk om, dat de ziel daar niet aan blijve hangen. In Friesland wilde het gebruik, drie handjes vol gerstekorrels rond den doode uit te strooien; het strooien van gerst of zand heeft over het algemeen geestenwerende kracht; vgl. bl. 76.
Nu zet men de klok stil en omfloerst den spiegel of keert hem om, "omdat er anders spoedig een tweede sterfgeval in het huis zou volgen", meent men in Friesland. De verklaring hiervan is deze, dat het spiegelbeeld van den mensch met de ziel wordt gelijk gesteld; het is dus te duchten, dat het spiegelbeeld van de overlevenden door den geest van den overledene worde meegevoerd. Dit zelfde gebruik vindt men plaatselijk, buiten onze grenzen, ook bij geboorte en huwelijk; immers ook in deze gewichtige levensmomenten wordt de mensch in hooge mate door de geesten bedreigd.
Naderhand worden deuren en vensters weer gesloten, eigenlijk en oorspronkelijk eerst na de begrafenis, om de ziel te verhinderen, terug te keeren. Dit blijkt o.a. hieruit, dat men in Noord-Duitschland aan de achterzijde van het sterfhuis een brok muur neerlegt, om zich voor het wederkeeren der ziel te vrijwaren. Wil men in Limburg uitdrukken, dat iemand reeds lang overleden is, dan zegt men: "Hij komt al haast terug." Het luiken der vensters werd later rouwsymbool, òok bij de naastbestaanden.
Een krachtig middel, om den terugkeer der schimmen te beletten, is ook het leggen van twee stroowisschen kruiselings over elkaar op de kruiswegen, of in het algemeen tusschen woon- en begraafplaats op den weg, dien de lijkstoet volgde: want de doode keert langs denzelfden weg terug, dien hij gekomen is. Inderdaad wordt het lijk-, schoof- of doodenstroo op verschillende wijze behandeld.
1. Men verbrandt het, en dit is nog op tal van plaatsen in het zuidelijk volksgebied het geval. Immers, de geest van den doode zou aan het stroo kunnen blijven hechten; dit is dus een reinigings- en scheidingsgebruik. In alle geval:
2. Men verwijdert het na den dood uit het huis, evenals de plank, waarop de doode gelegen heeft. Dit is natuurlijk weer een reinigingsgebruik, evenals het keren van het huis en het verbranden van kleêren en andere voorwerpen, waar de dood mee in aanraking kwam. Vandaar het gebruik in Zeeland, Noord-Brabant, Gelderland, Vlaanderen en enkele jaren terug ook in Limburg, na den dood bossen stroo aan de deur van het sterfhuis te leggen, met of zonder rouwbanden; naar den ouderdom van den overledene neemt dit grootere afmetingen aan. In de Noordbrantsche buurten Loon-op-Zand, Sprang, Capelle enz. wordt kort gesneden stroo onder drie naast elkaar liggende steenen gevlijd. Naderhand dienden lijkstroo en lijkplank als teeken, dat iemand overleden was.
3. Het stroo wordt kruiselings voor de deur gelegd, of men maakt er wisschen van, die op de kruiswegen gelegd worden. Ook wordt de kist op het reestroo geplaatst, en op den weg naar het kerkhof worden stroowisschen of enkele halmen van de kar op den grond geworpen. Aldus in Antwerpen, Noord- en Zuid-Brabant en Limburg, Gelderland enz. Dit stroo dient om den geest het terugkeeren te verhinderen. Zelfs legt men o.a. te Sittard twee stroohalmpjes kruiselings op hoofd, borst en voeten, om den geest den lust te benemen, zich weer met het lichaam te vereenigen. Deze en dergelijke gebruiken heet men te Mechelen dan ook zeer juist "den doode verloren spelen"; zie H. Coninckx, Mechelsche gebruiken II, bl. 51. Naderhand werd het gebruik ten deele gekerstend en vroeg de stroowisch op kruiswegen om een gebed voor de "geloovige zielen".
Aldus verklaart men ook, waarom het stroo vóor het sterfhuis wordt verbrand, terwijl het stroo langs of op den lijkweg daar moet blijven liggen, tot het verrot is.
Een aandoenlijke trek in het volksleven is het aanzeggen van den dood aan de huisdieren, die geacht worden in nauwer betrekking te staan tot den huiselijken kring en hun deel te hebben aan het wel en wee van het gezin. Aan het vee, maar vooral aan de bijen wordt de dood van den meester aangezegd. Het best is deze trek bewaard gebleven daar, waar de huisgemeenschap van menschen en vee het innigst was, nl. op de Oudsaksische hoeve; aldus te Weerdinge en Emmen, dan ook eertijds te Meppel en Hoogeveen. Te Barneveld maakt men een zwarte streep op de linkerzijde van elken korf als teeken van rouw; elders in het Oosten van het land worden de bijenkorven van rouwstrikjes voorzien; zie Driem. Bladen XII, bl. 52, vergel. III, bl. 81. In Westfalen luidt de formule:
Imme, Imme, din Heer is dood, Nu bliw bi mi in mine Nood.
Ook in West-Vlaanderen, de Kempen en het Meetjesland klopt men op de korven en zegt: "Bietjes waakt, want de meester slaapt", of "de meester vertrekt."
Het overlijden wordt aangezegd door de naaste buren of door de lijkbidders, en de buurt, vooral de noodwakers, komen, om bij het lijk te waken en te bidden. Wij hebben hier het overoud gebruik der lijkwake of doodenwake, een gekerstend afweergebruik, dat echter tegenwoordig, bij de protestanten althans, grootendeels in onbruik geraakt is. Vroeger werden hierbij klaagliederen gezongen en een lijkmaal gehouden. Of hier of daar bij deze gelegenheid nog opzettelijk geweeklaag wordt aangeheven, is mij niet bekend; maar in Twente en ook wel elders wordt die lijkwake nog etende en drinkende doorgebracht.
Burenplicht is eigenlijk ook het overluiden, waarbij natuurlijk luibier behoort. Het gebruik is vrij algemeen, en volgens den regel wordt driemaal geluid voor volwassenen en éenmaal voor kinderen, of voor een volwassene wordt met de groote, voor een kind (ook wel voor een vrouw) met de kleine klok geluid. Dichterlijk is de Duitsche uitdrukking: das Heimläuten; bij ons is behalve de term overluiden ook wel uitluiden gebruikelijk. Zooals uit vergelijking met tal van analoge gebruiken blijkt, had zoowel de luide doodenklacht als het overluiden oorspronkelijk ten doel, de geesten af te weren, die zich van de scheidende ziel wenschten meester te maken.
's Avonds vóor de begrafenis wordt het lijk gekist; voor de doodkist werden vroeger de planken opbewaard. Staat een doode 's Zondags over, dan volgt binnen twee weken een tweede lijk. Ligt iemand "mooi" in de kist, dan is dit insgelijks een teeken, dat weldra een nieuw sterfgeval in dezelfde familie zal plaats hebben: "hij is mooi bestoorn", zeggen de Friezen. Nu weet men, dat, volgens een zeer verspreide animistische opvatting, de ziel een min of meer stoffelijk leven leidt in of bij het graf; vandaar, dat men den doode meegeeft al datgene, waaraan hij tijdens zijn leven bijzonder gehecht was. Vroeger waren dit kleeren, wapens, mondvoorrraad, amuletten van allerlei aard,--in Zweden geeft men nog heden ten dage tabakspijpen en zelfs gevulde brandewijn-flesschen mee. Gouden en zilveren kostbaarheden werden op den duur in geld omgezet en ten slotte vormde nog slechts een kleine munt het rudimentaire en reeds meer symbolische overblijfsel. Den doode zulk een munt in de hand te geven of in den mond te leggen is nog vrij algemeen in verschillende streken van Duitschland. Dit geschiedt hier te lande niet meer. Wel geeft men nog den doode het scheermes mee, maar m.i. omdat dit door de aanraking, evenals de naald, waarmee het doodskleed genaaid werd, "gevaarlijk" geworden is; dan ook rozenkrans en medailles ter vervanging der amuletten van eertijds; aan vrouwen wordt nog wel eens schaar, vingerhoed e.d. toegevoegd.
Bij het kisten moet de doode met de voeten naar de deur gelegd worden, en zóo draagt men hem uit de woning, recht door de lijkdeur, de hoofddeur van het huis, maar die anders niet geopend wordt, dan wanneer een lijk wordt uitgedragen of het bruidspaar zijn intrede doet (bl. 241); aldus in Friesland, terwijl men ook op vele plaatsen in Noord-Holland in ouderwetsche huizen nog de staat- en sterfdeur wijst, die alleen bij trouw- en begrafenisplechtigheden geopend werd; zie De Roever, Van Vrijen en Trouwen, bl. 209. Uit vrees, dat de geest terug keert, zegt menig drager en menige draagster uit den omtrek van Aalst, wanneer de lijkstoet zich in beweging zet: "Geest, ga voor, ik zal u volgen"; en als de deuren 's avonds gesloten worden: "Geest, blijf buiten, en ik binnen."
Zoo komen dan de naastbestaanden en buren ter begrafenis. In Brabant hebben de buurmeisjes den avond te voren in 't sterfhuis gepeeld, d.i. een kruis van groen en bloemen gemaakt, dat bij de begrafenis door kinderen wordt gedragen, gedurende den lijkdienst op de kist ligt, en naderhand het graf zal tooien. De familie verschijnt in rouwkleeren, de vrouwen geheel in het zwart, zonder gouden sieraden, en dragen somtijds den doek "met de krange kante buiten", zooals men in het oostelijk volksgebied zegt. Te Weert, Nederweert, Neerbosch, Lent enz. dragen de vrouwen dan nog de falie; te Lent dragen de mannen bij deze gelegenheid mantels van een bepaald model, door den doodgraver bezorgd. Bij deze mantels behooren natuurlijk bepaalde hoeden, die plaatselijk na afschaffing van de mantels gebleven zijn. Zoo komt het, dat b.v. te Neer de mannen bij den rondgang om het altaar, elders gedurende de eerste helft der lijkmis, den hoogen hoed opzetten. Op Zuid-Beveland wil de gewoonte, dat ieder lijkganger den breeden rand van den Zuidbevelandschen hoed naar omlaag buigt, waardoor een zoogenaamde treurhoed ontstaat.
Buiten 's huis wordt b.v. te Reusel de kist nog eens, en nu voor het laatst, geopend. De buren dragen het lijk, en zoo zet zich dan de lijkstoet in beweging, reeds door velen als begangel, d.i. in schijngestalte drie dagen te voren gezien, zelfs door paarden, schichtig voorbij rijdend langs het kerkhof. Ook hebben reeds dagen te voren de hekkenopzetters de hekken geopend op den weg, dien de stoet moet volgen.
Na de begrafenisplechtigheden in de kerk, of ook wel terstond vanaf het sterfhuis, wordt de kist op kar of wagen gezet en rijdt men ter laatste rustplaats. De naaste buurman moet het lijk rijden, en de regel geldt, dat wie den bruidswagen rijdt, ook de dooden ter rustplaats moet brengen. De te volgen weg, die volgens oude gewoonte voor iedere buurt en hoeve vast staat, is in Overijssel, Drente, Gelderland, Friesland algemeen de lijkweg, noodweg of reeweg; hij wordt uitsluitend genomen bij het doopsel, huwelijk en begrafenis (bl. 241). Veelal wil het gebruik, dat de stoet op bepaalde plaatsen, b.v. bij kruiswegen, grenzen, bruggen, kapelletjes, een oogenblik halt maakt, om dan na enkele gebeden of ceremoniën den weg te vervolgen. Op de kar nemen twee of vier der naaste verwanten plaats, meestal vrouwen. Ja, in verscheidene dorpen van Limburg, Friesland, Drente, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant enz. zat de weduwe op de kist, en dit gebruik is nog volstrekt niet geheel uitgestorven; wellicht hebben wij hier te doen met een afweergebruik. Achter den wagen volgen verdere bloedverwanten, buren en vrienden, meestal ook vrouwen. "Opmerkelijk", zegt De Cock, "is nog het West-Vlaamsch gebruik, dat den ""boever"" oplegt, 's avonds te voren reeds in 't oor der paarden te gaan fluisteren: ""Morgen moet ge 'nen doôn voeren"", anders zouden de dieren weigeren te trekken (Volkskunde, bl. 223). In de streek van Ootmarsum droegen degenen, die het lijk volgden, palmtakken, versierd met bladgoud, die ze naderhand in de kist wierpen of daarop plantten. Dit gebruik leeft ten deele nog in Noord-Brabant, Limburg en waarschijnlijk ook elders; te Vucht b.v. worden voor overleden meisjes door meisjes palmtakken gedragen, voor overleden jongens door jongens hulstakken: wij ontmoeten hier het treffend en dichterlijk gebruik van den graf- of doodenmei.
Het kerkhof ligt op de meeste dorpen van het zuidelijk volksgebied nog om de kerk. In sommige gemeenten van Friesland en Overijssel heeft zich het gebruik staande gehouden, op het kerkhof gekomen, driemaal het pad om het kerkhof rond te gaan; ook volgens het Oudindisch lijkritueel schreed men driemaal om het lijk, ten einde dit tegen invloeden van boozen aard te beveiligen. Men vergelijke den rondgang om de akkers, die immers een afweer-, en bijgevolg, voor dat geval, een bevruchtingsritus is. In de groeve wordt het lijk georiënteerd, d.i. met het gelaat naar het Oosten gericht, een gekerstend heidensch gebruik, dat plaatselijk nog stand houdt; immers het Oosten was de lichtzijde, maar Christus is het Licht, in het Oosten is Christus verrezen, in het Oosten ligt het Paradijs, in het Oosten zal Christus verschijnen ten oordeel.--Rust de kist in de groeve, dan werpt eerst een der familieleden, vervolgens elk van de buren een schop aarde er op, een ver verspreid gebruik, dat b.v. ook in China bekend is. De bedoeling is, de ziel te nopen, rust te houden binnen het graf. Gewoonlijk bedankt de naaste bloedverwant voor de bewezen eer.
Het graf wordt getooid met groen en bloemen. Een eigenaardig gebruik vind ik vermeld voor oostelijk Noord-Brabant, het eiland Schouwen, en Staphorst en Rouveen; bij de begrafenis van een vrouw, die in kraambed gestorven is, wordt een witte doek op de kist of op het graf gelegd. Te Veldhoven (N.-B.) wordt die doek op het graf aan de vier hoeken met een steen bezwaard en blijft liggen, tot hij geheel verteerd is.
Tot het verleden behoort het gebruik, mondkost op de grafstede neer te leggen: een waar doodenoffer. Daarentegen is het aloude doodenoffer in den vorm van een lijkmaal plaatselijk in gewijzigden vorm of ook slechts als survival blijven voortbestaan. Het Oudgermaansche doodenmaal werd bij het graf zelf gehouden en in christelijke tijden herhaaldelijk verboden; in de XIe eeuw ijvert o.a. Burchard van Worms er tegen in een zijner dekreten.-- Nog thans wordt in sommige streken van het buitenland de doode geacht, aan deze smulpartijen, die echter ten sterfhuize gehouden worden, onzichtbaar deel te nemen; men laat zelfs een plaats voor hem open en de spijzen worden opgediend, alsof hij tegenwoordig ware.
In ons land wordt het begrafenismaal vóor of na de begrafenis gehouden; bij welgestelde boeren neemt het wel eens den vorm aan van een vollen maaltijd. Het draagt den naam van groevemaal, lijkmaal, grafmaal, alsook van lijkbier, troostelbier, leedbier enz. Een begrafenis zonder lijkmaal heet in de Trijwâlden (F.) een "begrafenis zonder leed". Hoe meer hierbij gegeten en gedronken wordt, des te beter, want het komt den doode ten goede; het verzuimen van een lijkmaal wordt beschouwd als een oneer, den doode aangedaan.
In België vindt men dit lijkmaal verder nog in gewijzigden vorm terug in de zoogenaamde eten-uitvaart, waarbij het uitvaartbrood aan den arme wordt uitgedeeld. Dit lijkt mij daarom zoo belangrijk, omdat de kerstening hier eenzelfden weg is ingeslagen, als in de eerste eeuwen van het Christendom. Toen werd nl. de lijkmaaltijd vooral gekerstend, door de armen en ongelukkigen daartoe uit te noodigen: de lijkmaaltijd werd liefdemaal of agape, en kreeg ekonomische beteekenis, trad in dienst der christelijke armenzorg.
In de omstreken van Kortrijk heet de rouwmaaltijd molleprooi, en aan dat maal deelnemen noemt men "naar de molleprooi gaan." Deze uitdrukking zal wel zooveel beteekenen als op de mollejacht gaan, waarin het Bargoensche mol "dood" beteekent.
Men zou echter verkeerd doen, in dezen lijkmaaltijd uitsluitend het overleefsel van een offermaal te willen zien. De rouwtijd is een tusschenperiode, een middentoestand, vooral de tijd tusschen het overlijden en de begrafenis. In dezen toestand treden de nagelaten betrekkingen door scheidingsgebruiken, terwijl opnamegebruiken hen weer in de wereld der levenden terugroepen. Tot deze wederopnamegebruiken behoort ook het lijkmaal, dat de overlevenden tegen de doodsmachten moet sterken. Zie V. Gennep, Les rites de passage, bl. 211; Preuss, in Globus LXXXVII, bl. 418.
Nog éen gebruik blijft ter vermelding en verklaring over. Bij het terugkeeren van de begrafenis wordt op enkele grensplaatsen van Friesland en Drente een licht uitgeblazen, dat den ganschen tijd gebrand heeft, zoolang de doode boven aarde stond. Bedrieg ik mij niet, dan hebben wij hier te doen met de ver verspreide volksvoorstelling van het levenslicht. Na de begrafenis, als het lijk voor goed geborgen is in het graf, is de doode ook voor goed uit de gemeenschap der levenden geweken: zijn levenslicht is voor goed uitgedoofd. Vandaar ook, dat elders een licht wordt aangestoken bij de geboorte van een kind.
De rouwende familieleden, het werd reeds gezegd, vormen een soort afzonderlijke gemeenschap, die staat tusschen leven en dood. De duur van den rouwtijd wordt geregeld door de graden der verwantschap. Ook de dienstboden dragen rouw. De rouwkleur is in den regel zwart, soms ook grijs, bruin, blauw en wit.
Op de graven rouwt de witte roos, opgegroeid uit de tranen van Maria Magdalena, de lelie en de rosmarijn, die de bruidskroon tooide, rouwen de iep, de taxis en de cypres, door den guren winter nimmer van hun bladertooi beroofd, en daardoor troostbiedende symbolen der onsterfelijkheid.
Zie Gallée, Volkskunde XIII, 84, 122; Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 404; De Cock, Spreekwoorden en Zegswijzen afkomstig van oude gebruiken en volkszeden, bl. 129, 217; Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 330; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 78; Volkskunde XIV, bl. 101; XX, bl. 69; XXV, bl. 164; Limburg's Jaarboek I, bl. 181; XVI, bl. 13; Rond den Heerd XXV, bl. 154.
DE VOLKSTAAL.
De volkstaal wordt veelal gelijkgesteld met taaleigen of dialekt. Dit nu is onjuist. Tegenover het taaleigen staat de algemeene taal, of landstaal. Deze ontstaat meestal uit een tongval en is het gewrocht van 't staatkundig, maatschappelijk, kerkelijk en letterkundig overwicht van zeker gewest, partij of richting. De Nederlandsche algemeene taal of landstaal ontstond in Limburg en onderging achtereenvolgens den overheerschenden invloed van Vlaanderen, Brabant en vooral van Holland. Zoo werd ook eens het dialekt van het Ile-de-France de Fransche omgangstaal, zoo werd in het Oude Griekenland het Attisch de algemeene taal of Koine.
Maar tegenover de volkstaal of vulgaire taal staat de beschaafde--in de beteekenis van hooger beschaafde--taal of kultuurtaal. "Algemeen" wijst op het opgaan van de verschillende tongvallen in een centraal dialekt; "beschaafd" wijst op het verschil in spreken tusschen de hoogere en de lagere standen der maatschappij. De volkstaal is uiteraard en in de normale gevallen slechts spreektaal, de kultuurtaal is beide: spreektaal en kultuurtaal.
Nu kan men wel zeggen, dat de algemeene taal hooger staat dan het taaleigen in sociale waarde of beschaving. Maar dit neemt niet weg, dat ook het taaleigen zijn volks- en kultuurtaal heeft. In kultuurdialekt gestoken zijn niet alleen tallooze dicht- en prozawerken van Westvlaamsche, Friesche, Limburgsche en Geldersche schrijvers; maar kultuurdialekt spreken ook de beschaafde kringen van menige Nederlandsche stad, waar de algemeene taal, het "algemeen beschaafd", wèl in openbare bijeenkomsten, maar lang niet algemeen als omgangstaal zelfs in de meest gegoede families gebezigd wordt. Het algemeen beschaafd is dus niets anders dan een kultuurdialekt, dat zich tot landstaal heeft weten op te werken.
De volkstaal is een realiteit, al vertoont zij tal van schakeeringen en afwijkingen. De kultuurtaal volgt wel een bepaalde norm,--al is zij blootgesteld aan verschuiving bij verschuiving der maatschappelijke verhoudingen; maar voor duizenden is zij toch een abstraktie, een maatstaf, die aangeeft, hoe in beschaafde kringen gesproken mòet worden. Zij is als een wetboek, dat gewijzigd kan worden volgens de eischen van den tijd. Terwijl de volkstaal vrij is en ongebonden, is de kultuurtaal binnen enge grenzen beperkt.
De volkstaal is doorgaans gedifferentieerd: zij houdt vast aan overleverde taal, aan plaatselijke vormen en uitdrukkingen, aan zegswijzen, die in de kultuurtaal aldra voor verouderd gelden en dus zoo ongeveer voor minderwaardig. Deze is integreerend van aard, streeft naar eenvormigheid, vermijdt het te individuëele, het ongewone, het platte, het onwelluidende. Het te bijzondere lijkt haar tegenover sprekers uit andere kringen onheusch, het onkiesche stootend en hinderlijk. Zij heeft grootere sociale waarde dan de volkstaal, die over het algemeen op hooger natuurlijke kunstwaarde kan bogen.
Immers, de volkstaal is kleurig en karakteristiek; daarentegen verliest de kultuurtaal vaak in expressieve kracht, wat zij wint door polijsting in netheid en door vereenvoudiging in vaardigheid.
Maar welke de voortreffelijkheid der volkstaal ook zijn moge,--overal waar zij een ernstigen strijd te voeren heeft met de kultuurtaal, moet zij de vlag strijken. Wij zien dan ook dagelijks de volkstaal terrein verliezen, elk onzer in zijn naaste omgeving. En evenzeer moet de dialektische kultuurtaal onderdoen voor de algemeene kultuurtaal. Dit blijkt wel het duidelijkst uit den taalstrijd in België. Het is mijn vaste overtuiging, dat de zoo rechtmatige eischen der Vlamingen in veel ruimere mate zouden zijn ingewilligd, wanneer zij tegenover de Fransche kultuurtaal van meet af aan een algemeene Nederlandsche kultuurtaal hadden gesteld. Hier kant zich weer het praktisch belang tegen de kunst. "De taal is de taal gelijk de sterren sterren zijn", schreef Guido Gezelle; en waar zijn verdediging wordt opgenomen door Hugo Verriest schrijft deze: "Moet hij daarom als particularist gedoemd worden, dan is elke vogel te bossche en te velde een particularist, en de nachtehaal de grootste van allen". Maar die betooverende verscheidenheid heeft met het oog op praktisch nut wellicht te lang de noodige kultuurkrachtige eenheid tegengehouden. Ik weet zeer goed, dat heden ten dage de voornaamste Vlaamsche voormannen vrij wel de algemeene Nederlandsche kultuurtaal bezigen. Ik zeg "vrij wel", want het ligt in den aard der zaak, dat de Vlamingen bij voorkeur zullen putten uit den rijkdom der Vlaamsche tongvallen, en dat hun spreken en schrijven de meerdere expansieve kracht en soepelheid zal vertoonen, die het zuidelijk volksgebied met zijn Keltischen grondslag eigen is. Maar toch ook zóo slechts vermogen zij een evenwaardige, in elk geval gelijkgeaarde taal te stellen tegen de algemeene kultuurtaal der Waalsche provinciën. Niet zoozeer de vasthoudendheid aan de dialekten heeft de Vlamingen parten gespeeld, maar veeleer de verkeerde, kortzichtige gevolgtrekkingen uit het feit, dat sommige dezer dialekten zich tot hoogstaande literaire kultuurdialekten hadden ontwikkeld, getuige de taal van een Gezelle, Streuvels en zoo vele anderen: deze nl., dat bedoelde tongvallen ook in voldoende mate kultuurkrachtig zouden blijken in den strijd met het Fransch. En waar in België zelf ter aaneensluiting een kultureel centrum met voldoende overwicht ontbrak, daar bleef het zich-aansluiten aan de Noordnederlandsche algemeene kultuurtaal de eenige aangewezen weg. Maar laten wij niet te streng rechten. Het taaie vasthouden aan eigen idioom, óok waar het gemeenschappelijke belangen geldt, heeft iets licht-verklaarbaars, ja iets groots, iets edels: het weerspiegelt de volksziel met haar trotsche zelfbewustzijn, dat ook de kleinste der kleinen siert. Slechts vergete men niet, dat in dit zelfbewustzijn kracht en zwakheid liggen beide.--
Verder loopt de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal niet evenwijdig met die in sociale groeptalen, welke berust op de maatschappelijke struktuur van elke taalgemeenschap. Hiermee worden bedoeld de verschillende sociale groepen, die hare eigenaardige spreekvormen en uitdrukkingen hebben, waardoor rimpeling en golving de effen gladheid van het taalniveau verbreekt. De afzonderlijke sociale verhoudingen toch, zoo tastbaar en toch zoo onvoldoende onderzocht en in het oog gehouden, voeren tot zoogenaamde "Sondersprachen", waardoor meer taalvariatie bedoeld wordt, dan een afzonderlijk dialekt.
Somtijds bestaan zij slechts uit een komplex van enkele woorden of woordgroepen, maar andere malen hebben wij te doen met een uitgewerkt taalsysteem, dat door zelfstandige woord- en zinsvorming wordt gekenmerkt; zie verder mijne Rede over Sociale Klassieke Taalkunde (Amsterdam 1912), bl. 12 vlg. De sociologische struktuur der Nederlandsche taal wordt voortreffelijk behandeld in de twee eerste deelen van het Handboek der Nederlandsche Taal van Dr. J. Van Ginneken.
Men mag zeggen, dat de verdeeling in volkstaal en kultuurtaal die in groeptalen snijdt. Bij den groei en de ontwikkeling der taal is zij de latere. Immers, bij het voortschrijden der kultuur wordt de hoofdgroepeering der maatschappij zelf anders, en loopt de scheidslijn veeleer tusschen de spreekvormen der lagere maatschappelijke klassen, en die van het meer beschaafde gedeelte der maatschappij. De sociale hervorming differentiëert dus de taal in volkstaal en kultuurtaal. Dan volgt definitieve integratie in de algemeene kultuurtaal.
Nu ligt het echter voor de hand, dat het volksleven en volkswezen zich het trouwst weerspiegelt in de dialektische volkstaal. Dáar komen het best de algemeene caracteristica der volkstaal tot hun recht; dáar geeft zich de man-uit-het-volk met heel zijn eigenaardig begrips- en gevoelsleven, met zijn breedsprakigheid, zijn herhalingen van woorden of zinsneden, hetzij in hun geheel, hetzij in verkorten vorm, zijn schijnbaar onlogische konstrukties, zijn emphatisch karakter, zijn voorliefde voor spreekwoorden en zegswijzen, zijn volkswijsheid en volksredeneerkunde. In deze taal krijgen de sprookjes hun tooverglans. "Jede Provinz", zegt Goethe, "liebt ihren Dialekt, denn er ist doch eigentlich das Element, in welchem die Seele ihren Athem schöpft". In de streektaal is de volksman op eigen terrein; daar groeit de volkstaal uit de gemeenschap; daar spreekt het volkswezen het best, óok omdat de sociale bestanddeelen zich daar huwen aan momenten van ethnischen aard. Wij wenschen dus de volkstaal vooreerst en hoofdzakelijk te leeren kennen in en uit het dialekt; een zuiver-taalkundige behandeling der dialekten ligt natuurlijk buiten het bestek van dit werk.
I. Het Taaleigen.
Onze Nederlandsche tongvallen behooren tot de westelijke groep der Germaansche dialekten. Deze omvat nl., behalve de weinig bekende taal der oude Longobarden, de dialekten der Germaansche veroveraars van Engeland: Angelen, Jutten en een deel der Saksers; verder het Friesch, dat zich uitstrekte tusschen Schelde en Weser; het Saksisch van het vaste land; het Frankisch; het Hessisch en Thuringisch; het Allemannisch en Beiersch, de voornaamste dialekten van het Opperduitsch. Overeenkomstig den stam der volken, die opdrongen uit het Noorden en Oosten, om onze gewesten te bevolken, zijn onze Nederlandsche dialekten van Friesche, Saksische en Frankische herkomst. Plaatselijk zijn ze met andere, met name Keltische bestanddeelen vermengd.
Ook heeft men gemeend Ooreuropeesche invloeden en bestanddeelen te kunnen waarnemen, zooveel als Ooreuropeesche fossielen [10]: overeenstemming met Keltische en Slavische taalverschijnselen, die zou berusten op gemeenschappelijk Ooreuropeeschen grondslag. Als zulk een fossiel beschouwt men b.v. de ratelende z (zr, rz, rs), die in Oost-Brabant, d.w.z. het grootste gedeelte van de Meijerij, met de landen van Cuyk en Ravensteyn, tot in het westelijke deel van Maas en Waal in het Noorden en tot in Peel- en Kemperland in het Zuiden gehoord wordt in plaats van de gewone r, b.v. rooster: rzeuster; berispen: berzispen; kar: karz. Deze klank vertoont inderdaad groote overeenkomst met de Boheemsche r. Maar fonetische overeenkomst behoeft niet noodzakelijk door gemeenschap van herkomst te worden verklaard.
1. Het Friesche taaleigen. Friesch leven, taal en volkaard, wij zagen het reeds (I, bl. 6), heerschte eertijds in de provincies Groningen en Friesland, in het Westen van Drente, Overijsel en Utrecht, in Holland met uitzondering van Kennemerland, in Zeeland en het Vrije van Brugge. Thans is het Friesch gebied heel wat ineengekrompen. Het Landfriesch, zoo heet het zuiverste Friesche dialekt, wordt gesproken tusschen Vlie en Lauwers en omvat 1. de tongvallen der Waldjers in het Noordoosten; 2. die der Klaikers in het Westen en 3. het Zuidhoeksch, dat grenst aan den Saksischen tongval van de Stellingwerven. Verder behoort hiertoe 4. het taaleigen van West- en Oost-Terstelling. Te Midsland op Terschelling wordt tegenwoordig hetzelfde Noordhollandsche dialekt gesproken als op Texel.
De Klaikers zijn de bewoners van de kleistreken, de Waldjers de bewoners van de Dokkumer woudstreken of zandgronden. Het is zeker niet louter toevallig, dat hun dialekt eenigermate afwijkt, al wordt dit verschil thans met den dag geringer. Gesteldheid van den bodem op de alleerste plaats, wellicht in samenwerking met het klimaat, heeft een sociologische differentiatie tot stand gebracht, die niet zonder invloed op het dialekt gebleven is. Ook de lokale afwijkingen van visschersdorpen als Wierum en Moddergat zijn sociologisch licht verklaarbaar; zie vooral Joh. Winkler, Algemeen Nederduitsch en Friesch Dialecticon ('s Gravenhage 1874) I, bl. 428 vlg. Ligging en bedrijf hebben ongetwijfeld ook hun invloed doen gelden op het afwijkend taaleigen van Schiermonnikoog en eveneens op het Hindeloopensch, dat over de taal van Molkwerum meer de overige, boven genoemde dialekten nadert. Is Hindeloopen niet in alle opzichten uitermate karakteristiek, zoo in vorming als in kleeding, zoo in volksvoorstellingen als in zeden en gebruiken?
Trouwens de gezamenlijke Friesche taal- en volksgroep draagt zoo heelemaal een eigenaardig cachet van vasthoudendheid en vastberadenheid, tweelingstelg uit zijn huwelijk met de zee. Theod. Siebs verklaart den naam Fresa(n) door verwantschap met het Oudhoogduitsche freisôn "in gevaar zweven", waardoor bedoeld worden de gevaren der zee. De Friesche taal neemt onder de Germaansche talen dan ook een geheel bijzondere plaats in: zij is een tak der Engelsch-Friesche taaleenheid, en het Angelsaksisch--met name het Northumbrisch--bestaat haar het naast in den bloede. De Friezen behooren tot de weinigen, die thans nog wonen, waar zij zich in de oudste tijden vestigden, zij het ook met belangrijke beperking van hun gebied. Het vokalisme is vrij eentonig; zoo b.v. schaap: skieëp; jaar: jieër; rijk: riek; voet: foeët; huis: hoes; deel: deel; steen: stieën; oog: _eea_g; sturen: stjoere; hand: haan; oud: aald; vogel: foegel; hond: hoen enz. [11] De drie persoonsuitgangen eindigen in het meervoud allen op een toonlooze e. De n wordt in de onbepaalde wijs en in de verbuigingsuitgangen na toonlooze e weggelaten. Het verleden deelwoord kent geen voorvoegsel. Een eigenlijk wederkeerig voornaamwoord ontbreekt. Ook het konsonantisme streeft naar eenvormigheid. De groep sk blijft in 't begin, midden en einde der woorden: skieëp, woskje, fisk; ch wordt ks: okse, en niet ss als elders. Ook is zangerigheid aan het Friesche taaleigen vreemd,--zegt men niet: "Frisia non cantat"?
Dit Landfriesch of Boerenfriesch heeft zich weten te verheffen tot een rijk kultuurdialekt. Laat ik aan de hand van Winkler hier de namen vermelden van Gysbert Japicx, "den frieschen Vondel"; Tjeerd Ritske's Velstra, "den frieschen Poot"; Waling Dijkstra, "den frieschen Fritz Reuter". Verder de gebroeders Halbertsma, Rein Postumus, die o.a. eenige werken van Shakespeare in het Friesch vertaalde, en Tiete Roelof's Dijkstra, oprichter van het Selskip for frîske tael- end skriftekinnisse.
Friesch.
(Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door F. U. Lourensz).
De klokken fen Sint-Odolf.
It forneamde Kleaster Sint-Odolf te Starum, dat în 'e earste helte fen 'e 9e ieuw bouwd wier, waerd letter troch de sé înslokt.--By in tîge lege sé în 1430 en in kear of whet letter, koe min de oerbljuwsels van de Kleasterkapel op it hege tsjerkhôf sjen.--Dit plak în 'e Sudersé wirdt troch de séljue nog altijd as "it tsjerkhôf fen Ald-Starum" oanwîsd en hja komme as 't kin, der net tichte bij.--
Bij it bouwen oan it Kleaster Sint-Odolf, wier forgetten de ségen oer de klokken üt te sprekken; mar dat hie în 't bigjin gjin neidélige gefolgen.
Hondert jier lang gong it goed. Mar do waer throch ien, dy it by oerlevering lîke te witen, de saek oan 'e biskop fen Utert forklapt;--dy, tîge lilk wier do 't er det hearde, en rîp: "Dan binne dy klokken des dîvels".--Dat wier alheel whet for Joost. Hy fleag nei de toer fen Sint-Odolf, helle de klokken der üt en slingere se foart, oan it doarp Himelum ta. Der sloegen se in gat în 'e groun, sa great, dat er wel in boeresküre în stean koe. Mar de âlde hellebaes wier meî dizze bût sa în 't snjit, dat hy der mear plesier fen ha woe. In neef fen him wenne bij de Galamadammen, en die der saken mei in âlde tsjoenster, dy 't in bulte kwea die.
Alle nachten bigounen Joost en sîn neef nou mei de beide klokken te keatsen.
Omke siet te Himelum en neef op 'e Galamadammen; sa smieten se elkoar de klokken ta en sloegen se wherom, krekt as in keatsebal. Dat gong in nacht of whet goed.--Mar do die de jonge dîvel in misset; hy wier net sa handig en bedreven as de âlde. Ien fen 'e klokken liet er în 't wetter fen 'e Galamadammen truzzelje en de oare, in eintsje der ôf, în het mar de Fluessen. De swiere metalen gedrochten, drongen throch de ierdkoarste hinne en kamen în 'e onderwrâld torjuchte.
Sint dy tyd hearre de fiskers op 'e Fluessen en de biwenners van de Galamadammen 's nachts soms in dof gebombam în 'e djipte.
Dan liedt de dîvel de klokken fen Sint-Odolf. Men heart dit net altyd gelyke dûdlik; soms is it hast net to hearren en dan ek wol wer is whet better.
Het lieden heart men it beste, as immen op in heel lot în 'e Haagsche lotterij de hûndert tûzen trokken hat.--Dan is der blydskip în 'e hel.
Het Stadfriesch, dat vooral te Leeuwarden, Harlingen, Dokkum, Franeker en Sneek, maar ook te Midsland op Terschelling en op Ameland gesproken wordt, is eigenlijk een mengelmoes, waarvan men niet weet, of men het Saksisch-getint Friesch dan wel Friesch-getint Saksisch moet noemen. Merkwaardig is het, hiervan na te gaan, welke dialektische bijzonderen de taaiste levenskracht vertoonen. Het zijn: sk voor sch; de scherpe uitspraak van v en z als f en s in het begin der woorden; het ontbreken van het voorvoegsel der verleden deelwoorden en de omgekeerde volgorde van twee onbepaalde wijzen, b.v.: "Dou hât dat wel laten kunnen" (Je hadt dat wel kunnen laten); eindelijk de uitspraak bien, tien, breg, pet, voor been, steen, brug en put.
Deze eigenaardigheden vindt men dan ook als overleefsels aan de overzijde der Zuiderzee, te beginnen met Strandhollandsch (of Strandfriesch), het taaleigen, gesproken in de visschersdorpen Egmond, Wijk aan Zee, Zandvoort, Noordwijk, Katwijk, Scheveningen. Hoe verschilt dit dialekt, dank zij ligging en bedrijf, van dat in het naburige Bloemendaal, Sassenheim, Rijnsburg en Loosduinen! Men hoort hier ook nog de Engelsche w als beginletter. Dan volgt het Noordhollandsch met de dialekten van Kennemerland, de Zaanstreek en Waterland. Wat Amsterdam betreft, het zeventiende-eeuwsch, ons uit de kluchten van Bredero bekend, komt in meer dan éen opzicht overeen met het dialekt, dat thans benoorden het IJ wordt gehoord. Het oorspronkelijkst echter, en het minst door Hollandschen invloed gewijzigd, is de volkstaal van West-Friesland. Dit gewest bestaat uit twee deelen: het eigenlijke West-Friesland, tusschen Alkmaar en den Helder, en het tusschen Hoorn, Enkhuizen en Medemblik gelegen Drechterland. Hiertoe behooren ook de eilanden Texel en Wieringen.
Zaansch.
(Uit Leopold, Van de Schelde tot den Weichsel I, bl. 274).
Oitje met een Jachie.
't Volgend schetsje werd me aan de Zaan gedicteerd door een man uit het volk.
Oitje is een eigenaardige uitdrukking voor prettig uitstapje en onder jachie of glaze jachie verstaat men die kleine, vaak met verguld en gekleurd snijwerk versierde plezierjachten, die door één man geroeid worden en in hunne overdekte en met veel raampjes voorziene ruimte plaats bieden aan vier tot zes personen. Vroeger bezat bijna ieder der gegoede Zaansche familiën zulk een vaartuigje, dat vaak keurig net was ingericht. Men liet zich er mee ter kerk of familiebezoek brengen.
Tegenwoordig wordt hun getal zeer klein. Hoofdzakelijk bij de kermissen ziet men ze nog op de Zaan. Zij dienen dan om een of ander gezelschap, meest vrouwen, naar de plaats van pleizier te brengen.
Voor zulk een oitje wordt door de gezelschapjes vrouwen uit de nijvere volksklasse het geheele jaar door geld bijeen gelegd, en ik heb het aan de Zaan van menig huismoeder gehoord, dat ze geen grooter pleizier kende, dan zoo'n oitje met een jachie op de Zaandammer- of Wormerveerder kermis. Wat het bijeenbrengen der gelden voor zulk een feestje betreft, 't gebeurt wekelijks met de grootste stiptheid, 't Is trouwens merkwaardig, met hoeveel voorliefde er aan de Zaan "gepot" wordt voor vele soort van zaken.
Men brengt wekelijks iets bijeen voor een leesgezelschap, voor een uitstapje in den zomer, ja, voor brandstof en andere zaken, en velen bewaren alle dikke-nieuwe-centen, om aan 't des jaars voor bijzondere uitgaven een apart sommetje te hebben. Verder laat ik het woord aan den verteller.
't Was Zaandamse kermis. Al een week had er een rumoer en gejoel e-weest, dat hoore en zien je vergong, en 't was ook wel te begraipe. Op zoo'n kermis den rake die mensche, zooals olieslagers, pelders en andere, eres uit er dommelechaid eskud. Voor heurloi is 't alle dage maar net hetzelfde: van daag begin je zoo en morge is 't nag zoo. Maar met zoo'n kermis, den haal je je asem nag eres bai je reg op en je slane je vlerke nag eres oit as en veugeltje in de lucht.
Zóó dochte ook Griet en Train, Ma en Neel. Ze hadde een potje op-egaart; alle weke een stoiver, om deer veur met 'et jachie te kermis te gaan. Ook hadde ze 'et esteld op Vraidag, dat was nag al een drokke dag; want hoe drokker, hoe liever.
Dus, 'et jachie en die het roeie most, ware 'ehuurd voor Vraidag; den most het beure--weer of gien weer;--ze hadde er al goeie lucht op.
Maar wie zou 'et jachie oitreste?
Gien ien leek er eerst zin in te hewwe. Achterné zait Griet: "Nou, den zei ik 'et wel doen. Ik bak een dikke-koek of twee;--wet brood met vleesch, wet garreneel, sla met aiere, en, om niet te vergete, een avvekateborrel, en we binne klaar."
"Goed", zegge de are, "of-esproke".
De Vraidag kwam. 't Was wel windig, maar toch aars goed weer. Nou aan 't klaar make. Griet dribbelde op er moile zonder hiele, om toch de boel maar goed in orde te brenge en om het zoo netjes, as ze op heur menier kon, voor te zette.
De knecht kwam met 'et jachie en nou wier de boel 'elade. Wel man, 'et zag er maar avvenant oit.
"Hè", zai Griet, "ik ben der loof van. Deer is heel wet an te stunnike eer het zoo veer is, maar dat doet er niet toe. Ik loof, dat we toch wel ket en norrie hewwe zelle. Deer mekeert het nooit an, asse we oit benne. De op-egaarde Zeeuwe zelle der an geloove, al zoue we der ook voor in de mallemole gaan of ze aan bulleboissies versnoepe."
De are drie kwamme nou ook en héel gauw gonge ze skeep. Elk had en nuwe jas an en de kap met drie naalde op. Ze keke allegaar eve bloemzoet en meukel en ze kakelde as kippe, die pas een bietje garst ekrege hewwe. Wet zatte ze premantig achter de gerdaintjes te glure, toe ze zoo langs de Zaan eroeit wiere as prinsesse.
Je konne wel zien, dat ze 'et alle dage niet ewend ware om oit te gaan. Wet lachte ze, as een turfskipper veurbai voer, die een pus met water skepte en derloi een mal woordje toeriep. Ja, ze gierde het bai taie oit om 't lekker oitje en dat ze nou al zoo'n lol hadde.
Op iens zait Neel: "Groote groen in 't hoissie, weer is me knippie?"--Ze voelt in der zakke, maar vindt het niet.
"Wat," vrage de are, "je hèt je knippie toch niet estrooid, Neel?" "Nee," zegt deuze, maar da's nou toch nochter van me. Ik bedenk me deer net. 'k Heb het leete legge op 't bontje, vlak bij 't hoochie van den smoiger. Da's een malle boel.--Maar wacht eres. 'k Heb nag een buultje in me zak, deer ik dikke centen in opgaar. Deer ken ik het wel mee redde, om eres in een kaikspul te gaan of in de rollebol te speule."
"Nou," zait Ma, die ook ereis in der zak voelt of ze wet vergete hèt, "je hewwe toch zeker meer noodig. Je wille toch zeker ook welderes bai een liedebord of Jan Klaasse-spul kaike, dat kost je toch ook gauw een cent of wet, as je ten minste niet al te gierig bene."
"Wet," zait Neel, "ik gierig? Nee, ik durf van me arremoed of nag wel een cent te geve an een kerel mit ien arm of ien bien, en hew ik hem niet, dan zou ik hem nag wel te lien kraige van deuze of giene."
"Hou nou je groote babbelbek maar es dicht," zait Griet. "Deer hê-je een avvekaatje."
"Zoip, zwager, oome Jan is jarig!"
Meteen neme ze elk een ferme wup oit er glassie. Nou kwam er an 't kakele gien end. De ien wist dut, de aar dat. Die praatte over der man, die over der lieve kind; de ien over der buurwaif en de are over de dure taid. Ze leke wel spraakwater in ekrege te hewwe en zagge zoo rood as een haan.
Maar ik kom nog even terug op het Amsterdamsch dialekt, dat van groot belang is voor de studie der volkstaal. Het behoort tot het Waterlandsch. Het is lang niet eenvormig en valt uiteen in verschillende tongvallen, waarop door Joh. Winkler in zijn Dialecticon II, bl. 86 vlg. de aandacht gevestigd is. Wij hebben hier m.i. vooral te doen met de inwerking van het bedrijf op de taal, waardoor afzonderlijke sociale taalgroepen geboren werden; somwijlen schuilt de oorzaak in scherp-omlijnde plaatselijke afscheiding. Amsterdam staat hier trouwens niet alleen, maar het verschijnsel openbaart zich in meerdere of mindere mate in alle groote steden, b.v. te Brussel. Daar spreekt men in het noordelijke deel der stad, en in de noordelijke voorsteden Schaarbeek, St. Joos-ten-Oode enz., anders dan in het middelste deel der stad, rondom de groote markt, en ook weer anders dan in het westelijke gedeelte van Brussel en dan in de westelijke voorsteden en dorpen, St. Jan's Molenbeek enz. Ook te Gent verschilt de volkstaal van de eene wijk tot de andere. Men heeft hier vooral twee onderscheiden tongvallen. De eene heet te Gent de Nieuwbrugsche, omdat hij vooral inheemsch is in de wijk der Nieuwe Brug of van de Neder-Schelde. Hier wonen veel werklieden en fabriekarbeiders. De andere tongval geldt als het Gentsch bij uitstek, en wordt gesproken door de eigenlijke kern der Gentsche bevolking, zelfs door de hoogste standen, wanneer deze hun moedertaal spreken. Ook in kleinere steden verschilt wel eens het taaleigen der eene straat van dat der andere. J. Ter Gouw, een volbloed Amsterdammer, kende niet minder dan negentien Amsterdamsche tongvallen, waarvan de meeste thans nog in leven zijn. Ik schakel hier het Jodenhoeksch uit, dat weer uiteen valt in het Amsterdamsch Joodsch, het Joodsch-Hollandsch en den tongval der Christenen, die in den Jodenhoek wonen; en wel, omdat hier een vreemde faktor zijn inwerking doet gevoelen. Maar wij hebben verder vooral nog het Kattenburgsch, het idioom van de voormalige Kattenburger scheepstimmerlui, mèt het bedrijf thans sterk in verval. De vraag b.v.: "moet je ook geschoren worden" luidt in den Kattenburgschen tongval: "mój jók geskórre wórre". Hiervan verschilde vroeger het Rapenburgsch eenigermate, thans is geen verschil meer te hooren. Het Nieuwmarktsch wordt gesproken van af de Nieuwmarkt tot de Oude Schans, en aan de andere zijde langs de Kloveniersburgwal en de Hoogstraat. Het is ontstaan uit het beroep der kleerekramers en winkeliers in linnen, sajet en breikatoen. Bepaald klankrijk is het Bierkaaisch, de tongval gesproken door de zeer afgescheiden en haast oorspronkelijke bevolking van het doolhof van steegjes en dwarssteegjes, gelegen in den vierhoek tusschen Warmoesstraat, Oudekerksplein, Voorburgwal en Pijlsteeg. Het Komkommerbuurtsch hoort men in de zoogenaamde Komkommerbuurt: 't Weesperplein, Roeterseiland, Varkenseiland en Weesperveld. Het Franschepadsch werd vooral gesproken op de Goudsbloemgracht, in de Goudsbloemstraat en Palmstraat en in de dwarsstraten en stegen daartusschen, en kenmerkte zich door zijn rijkdom van woorden en uitdrukkingen, aan de dieven- en bedelaarstaai ontleend. Laat ik ten slotte nog vermelden het Kalverstraatsch, het Gebed-zonder-endsch, een echte vischwijventongval, en last not least het sociologisch zoo merkwaardige Duvelshoeksch, inheemsch in den Duvelshoek, een labyrinth van stegen tusschen de Reguliersbreestraat, Reguliersdwarsstraat en Vijzelstraat. Het Duvelshoeksch is een taaltje van de platste platheid, "doormengd met tal van woorden uit de dieven- en bedelaarstaal, uit het mofsch en koeterwaalsch der kermisgasten, négociants, nomades, colporteurs, vagabonds, chevaliers d'industrie, duitsche kwakzalvers, luikerwaalsche tooverlantaarn- en rarekiekvertooners, keulsche potten- en kannenwijven, fransche goochelaars, rottevangers en ""verdrijvers van wandgedierten" ", savooische lieremannen, orgeldraaiers en marmottejongens, italiaansche schoorsteenvegers, tot verloopende en verwaaide duitsche en brabantsche studenten incluis, die er allen hun verblijf hielden en er te zamen een duvelshoeksch jargon prevelden": Joh. Winkler, Dialecticon II, bl. 92.
Op de Heeren- en Keizersgracht spreekt men eigenlijk meer een daar gelokaliseerd kultuurdialekt. Een analoog verschijnsel vindt men b.v. te Hasselt (Belgisch Limburg), waar de taal der hoogere en lagere standen vrij veel verschilt. De kultuurtaal heet het eigenlijke Hasseltsch, de volkstaal het Beeksch, dewijl deze meestal door de minder gegoeden gesproken wordt, die "obbe Beek" wonen. Zie Gittée, Nederlandsch Museum 1888, II. bl. 310.
2. Het Saksische taaleigen. Het zuiverste Saksisch wordt op Nederlandschen bodem gesproken in de Graafschap, Salland en Twente. Hierbij dient echter opgemerkt, dat het Zutfensch zelf niet bij het Graafschapsch, maar met het Arnhemsen, Doetichemsch enz. bij het Zuidoostveluwsch behoort, dat zich vooral onderscheidt door den deminutiefuitgang -ien, en door lief, bier. Het Oostdrentsch (Rolde, Grolloo, Norg enz.) wijkt belangrijk af; vooral dit is een kenmerkend teeken, dat de oorspronkelijke korte, maar gerekte a in het Oostdrentsch den oa-(ao)klank heeft aangenomen, terwijl zij in het Twentsch den helderen a-klank bewaard heeft. Dus: Twentsch dage, hane, Drentsch doage, hoane. Prof. Te Winkel, Inleiding tot de Geschiedenis der Nederl. Taal II, bl. 302, ziet in deze en andere eigenaardigheden het gevolg van mislukte pogingen, door de oorspronkelijke Frankische Drenten gedaan, om zich het Saksisch volkomen meester te maken; vgl. ook Vragen van den Dag XIV, bl. 117 vlg. Twente en de Graafschap, vormen inderdaad het Saksische kernland. Daar vindt men nog het "lösse hoes", de hoeve met éen enkele ruimte voor mensch en vee. Daar vindt men ook het zuiverst de Saksische kleederdracht. Met het eigenaardig type der boerenwoningen, dat men te Staphorst en Rouveen aantreft--type, zooals wij zagen, met beslist Saksischen grondtoon (I, bl. 36)--stemt overeen het feit, dat het dialekt dier dorpen verscheiden Friesche schakeeringen vertoont op een Saksisch patroon. Naar men weet zijn Staphorst en Rouveen verschoven veenkolonies.
Het merkwaardigste kenmerk van het Saksische taaleigen is stellig de meervoudsvorming van den tegenwoordigen tijd: 1ste, 2e en 3e persoon gaan uit op t. Het verleden deelwoord wordt voorafgegaan door een toonlooze e: estoan (gestaan). De Sakser is gesloten, óok in zijn taal; het terughoudende en berekende vindt er zijn uitdrukking. Hij rondt zijn woorden niet af, hij bijt ze veeleer af, laat de klanken niet in hun volheid komen over de omheining der tanden, zooal nog blijkt uit het vervormen van den uitgang en tot een sonantische n: dus hooren wordt heurn. Verder zijn î en û niet gediphthongeerd en zegt men derhalve mien, wien, huus(hoes), zoegn. Konservatief betoont zich het Saksisch verder in behouden van al en ol voor een volgende d en t, b.v. old (oud) en talter (schommel). Maar vooral ook de woordvoorraad is belangrijk en werpt op het karakter der Saksische volkstaal het helderste licht. Hier is het weer Gallée, die zich het meest verdienstelijk maakte door zijn Woordenboek van het Geldersch-Overijselsch dialekt (Den Haag 1895).
Volgen nu twee dialektproeven uit het Saksische kernland, beide van folkloristischen aard, óok om hun inhoud.
Achterhoeksch I.
(Uit Driem. Bladen I, bl. 80).
Ho ze knikkert in Eibarge.
'n Klein zetjen eleden sloog 't half eene op ten Eibargschen toorn; 't warkvolk is allemaole noa 't hoes hen en de kindere bunt oet de schoole; ze zölt wal haoste met 't etten edaone wèzen, want ze holt zich om 't zeggen: "Ellef uur den pot op 't vuur, um twalef uur wat etten". Op ten schoolplas is no nog nummes te zeene. Joa toch, doar kump net Batjen langs 't hekke van den meister zînen hof hen en hé loert es of nog geen kameraods zut; zee daar he'j den dikken Bennad, daor gens kump Lulefken ok al andraven; doar kuj van op an, he hef zien grotmoder ok weer leelik veur den aap ehad, want zo vrog mag hé nooit het hoes oet. Henne zal no ok wal gauw kommen, den kan zoo lomp gauw etten. Daor he'j 'm al. Oet de wîte smit ê al met ne sleiferkei en he röp: "ik magge 't eerste oetsmîten watte? we doot toch knikkeren? Zonnen fijnen sleiferkei he'j noo nog nooit ezeene; 'k heb 'm evondene op de Grolsche grinte bie Hendrik van den Trekpot, kik es wat 'n mooien!" "We doot kuultjen scheeten" zeg Batjen, "Oa wat! weês toch wîzer, we doot oetsmîten, want van de meete is mie niks weerd; doar hek gisteren toch zoo mee verknold," zeg ten dikken Bennad. ,Vîve an, wée dut er mee?" schreeuwt Lulefken. "No, too dan moar," zeg Batjen, "dan wil ik 't laatste oetsmîten, heur!" "'k Heb 't anders al lange ezeg" schreeuwt Henne, "maor't kan mie ok neet schellen, 'k komme toch wal bôven alles!" Noo zet ze de knikkers fijn op een heupken, hoo meer köpkes, hoo mooier, dan he'j ok nog meer kans dat ze melken mot. "Hier zal de kip wezen," zeg Batjen, en hé trök ne streepe adig kort bie de knikkers, zee da's 't kortste bie, da'i meugt liggen. "Ik zal wal 't eerste oetsmîten," zeg Bennad. He geet achter 't pötjen staon en smit met den sleiferklei 'n pas of tine wît. Doar maakte ê'n streepken. "Daor gao 'k boaven," röp Henne, den altîd boven alles wil wèzen; moar al kan ê fijn knikkeren, verspöllen deut ê toch op ten doer en manges is ê heelemaole bos. Kik 'm es en onmundig ende smîten. Den steen rolt ok nog, zoodat ê eiges röp: "Da's ok wît genog" en de andere lacht en zegt: "Henne wat bu'j toch 'ne onwîzen." Lulefken smit tusschen Henne en Bennad in. No mot Batjen oetsmîten. "Wacht" dech e, "ze könt ter wal es allemaole langs hen mikken en he röp "'k gao op de kip, dar!" Zeezoo, no kan 't beginnen. Batjen geet ter achter staan en Henne smit: den steen sleifert fijn, 't geet er goed op aan, joa, he raakt ze efkes, een paar köpkes valt ter of. "Melken, melken" röp e! En noo geet e der op de kneene bie liggen en de anderen ok allemaole der ummehen, want ze wilt zeen of e ok jödden wil, maar dat deut e neet; he nemt zoovölle van 't heupken af ase kan zonder dat er en köpken völt; met spieë mag neet, heb ze ezeg. "Noo, mîne vîve he'k," schreeuwt Henne, too 't köpken völt, "no mot ie Lulef." Lulef smit, maor raakt niks; he smit vlak langs Bennad zînen klomp; of e um eraakt hef? "Ze hebt 'm emeut Bennad," röp e, "mozze motte weerumme." "Dat leeg ie." "Da's al." "Ik zeg oe van neet." "No," zeg Lulef, ik nemme mîne vîve", en he löp ter as'n haze hen. "Neet grîpen" schreeuwt Batjen en veur de sekurigheid grip e eiges 't heele pötjen op; "dan mot Lulef moar översmîten." Lulef smit maor raakt niks. "Onreg verdeelt zich," schreeuwt Batjen. "'t Is toch gemeen, hè had 't anders secuur edaone, leelekert," röp Lulef, "Lig toch neet te schennebekken," zeg Henne, "ie mot smîten Bennad." Kik 'm es loeren en mikken, 't Geet er wal ne voot biehen en Batjen, den vlak bie de knikkers ligt, zet ze net op ten kop en ze stoevet oet mekare. Moar wat grip e ze nèrig op, want he vertrouwt te anderen geenen cent. "Kom jongens, noe nog 'n pötjen," rup Henne al weer, "der bunt er nog meer biêkommen, dat zal 'ne fijnen pot worden. Vîve an! Haroet, haroet!',
H. P. t. B.
Achterhoeksch II.
(Uit Driem. Bladen VII, bl. 21.)
Hanenèfken en Hennenichjen.
(En heel old spreuksken dêpe uut den Achterhook).
Doar wazzen es en Hanenèfken en Hennenichjen en die wonden bij mekare en kokten samen de pot. Toe de beeste 's arfstens op de spörrie etuurd wieren kä(r)nden ze zich en pötjen beste spörriebotter en zetten et in de kelder. "Zee, nichte," zei Hanenèfken, "doar zöw ons nog es an verslakken as de sneebluemkes vleêgt".
Hanenèfken gong den volgenden margen uut hen krèien en pie(r)n vangen en Hennenichjen mos es effen goan kîeken of 't pötjen der nog ston en prüven of de botter ok stark wier. 't Pötjen ston der nog en de botter smekte goed en was nêet stark.
En 's margens derop ging Hanenèfken weer uut en Hennenichjen gong hen kîeken en prüven.
En as Hanenèfken uut was ging Hennenichjen iederbots kîeken en prüven.
Zie, ij konnen nîet wetten, dat ko'j nêet.
't Wier kolder en kolder en de botter was zoo an de krimp eraakt, dat Hennenichjen der van schrök. Zie krabde zich met den poot langs de nebbe en wis nîet, wat ze zol anvangen.
Toe haalde ze de botter der uut, knèden het tönneken voel hôonderkötteltjes en leî der baoven en dun bäomken botter aover hen.
Den volgenden margen vlaogen de sneebluemkes en Hanenèfken zegtegen Hennenichjen: "haalt mîn het pötjen met botter uut de kelder."
"Toe, Hennenichjen! pik ij der moar eerst niet", zei Hanenèfken. "Nee, Hanenèfken, ij gaot veur!" Toe pikten Hanenèfken 't eerste en hie hadde de heele nekke voel....höonderköttels.
Godsbarmelik, wat was e kwaod. Hî maakten zich zoo nîdig, dat e Hennenichjen 't vel aover de oorne trok. Hî hong et velleken bij den puttenpos op den bézenbos um te dreugen.
Toe kwamen Grîsgrauwgruwweltjen en haalde Hennenichjes velleken weg.
Hanenèfken kwam buuten en 't velleken was weg, Hî maakten zich en kaore van en wortele, die höllen e uut en spannen der rattemoeze veur. Toe ging et naor 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen. Hî was weg en toe kwam um en osse in tegen. Die zei "Hanenèfken, waor geet dat nao tôo?"
"Ik gao nao Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme."
"Za'k moar met gaon?"
"Jao, sprink maor achter op de kaore."
Veerder kump um en hane integen, die zei:
"Hanenèfken, waor mo'j nao töo?"
"Ik gao nao 't huus van Grîsgrauwgruwweltjen en hale mîn Hennenichjes velleken weerumme."
"Za'k maor mee goan?"
"Jao, sprink maor achter op de kaore."
En toe kwam der nog een hekkele, en spelde, en naolde, en ei en en slîpsteen en allemaole sprongen ze achter op de kaore.
Zoo kwammen ze bij 't huus van Grîsgrouwgruwweltjen. Maor...de deure was op de gruntele.
"Hoe dook der met," zeg Hanenèfken.
"Ik witte raod", zei de Hane, "ik zal deur 't hôondergat kroepen en de deure lös doen".
Zoo ezeg, zoo edaon. De hane mîk de deure lös. Hî zöch de kaste nao en vund Hennenichtjes velleken in en deusken.
"Hoe doew der now met?" zeg Hanenèfken.
"Daor zölle wij wel veur zorgen" zekt die metereden bunt.
't Ei geet in 't vuur liggen, de spelde en naolde kroept in de matte van den stool.
De hekkele geet met de rugge in 't bedde liggen; de osse geet in de stal staon en de hane achter in de koostal op 't rik. De slîpsteen henk zich op baoven de deure.
's Aovens kump Grîsgrauwgruwweltjen in huus. Hî wil de lampe anstekken, en "poef!" zeg et ei en vlug um in de oogen. "O! min oogen" krouwt e en hî völt op den stool neer; maor, daor stekt um de spelde en de naolde: "O! mîn eers, mîn eers!" Van pîne löt e zich in bedde vallen, waor de hekkele lig. "O! mîn rugge, mîn rugge!"
Van benauwdheid mot e uut de bokse. Hî löp nao den stal, maor de osse nump um op de haorne en kwakst um tegen de hilde. "Smît um mîn maor boo", schreeuwt de hane, "dan za'k um nog anders toetakelen!"
Van schrik wil e nao buuten en toen e de klinke van de deure wil lös doon, völt um de slipsteen op den kop.
En too wasse ha(r)dstikke dood.
G. J. Klokman.
Ik besprak reeds het mengdialekt van Staphorst en Rouveen. Ook te Vollenhoven, Genemuiden, Zwartsluis, Kampen enz. wordt een Saksisch mengdialekt gesproken. Maar de twee voornaamste Saksische mengdialekten, met Frieschen inslag, zijn het Groningsch en het zoogenaamd Stellingwerfsch, dat weer in verscheiden kleinere idiomen uiteenvalt.
Het Groninger dialekt lijkt de Friezen hard en zwaar; bij het spreken wordt de mond breed geplooid. De voornaamste bijzonderheden zijn wel: de uitgang -en van den 1sten en 3en persoon meervoud van den tegenwoordigen tijd; het ontbreken van de e vóor het verleden deelwoord; de voorliefde voor den ai-klank, tegenover de Saksische ee en ei. Wat het Stellingwerfsch betreft, dit wordt o.a. gekenmerkt door den 2den persoon meervoud jimme, en door voet, boek tegenover voot en book.
Westerwoldsch.
(Uit Driem. Bladen XIII, bl. 67).
Op Aovondproot.
't Was Dunderdagaovend. 't Vroor dat 't knapte. De lucht was helder van sterens en de grond zoo hard as 'n bikkel. Snij lag d'r nich; 't weide ook nich en nò was 't zoo heur in de lucht, dat m' duudelk heuren kön, dat 't leeren oetkwöm. Men kön wol heuren wel stevels en wel klompen aan aanhad'n.
Zug, daor koomt drij jongs aan op klompen, man ijne hef twij stevels op de nakke hangen. Zij gaot deur de achterweg, waor 't anders veul te modderg en te glidderg is, man nò keunt ze d'r best langs. Ik wijt wol, waor ze hen wilt: zij gaot nao de schounmaoker; dat dout ze alle Dunderdagaovond um 'n beetk'n te proten en 'n kop koffie te drinken. IJn van heur hef altied wol 'n bösschop.
Ik gao d'r ook hen; 'k wil ijs heuren of mien schoune klaor bint; dan kan 'k ijs wat mit proten over 't ies en 't weer en wat 't 'r meer veur 'n dag komp. Wie gaot de bansterdeure in over de deele en bint dan vot in de keuken.
"Gaot man zitten jongs; trekt man 'n stoele bie 't vuur. Och, Aoldien, doe steist door net bie de hörn, smiet nog 'n kijnstobbe op 't vuur, de ooren vrijst joe van de kop! Hinderk, geef doe mie de beentbessem ijs aan......" "Wacht man, baos, ik schal de plaote wel even aanvegen."
Bijter krig de tabaksduize oet de vessienbuze (vestzak) en zeg as he stopt hef: "wolt ook aansteken, Geert?"
"Nee," zeg Geert, "'k heb 'n kolle" (pruim). De duize knapt weer tou en geit weer op 't olle stee. "Geef mie de tange ijs Hinderk, doe bist 'n de hörn kropen, magst bedijnen van aovend". De tange geit in 't vuur, komp 't 'r mit 'n koolk'n vuur oet, dij in Pijter zien borstklopper geit. "Hij! doe stichst brand, daor lig 'n kole vuur bie dien klompe op de vlouer." "O, wacht man, laot de tange man staon, 't geit zoo wol", en Pijter trekt de klompe oet en schept de kole vuur in de raokeldobbe. "Verbraanst dien zokke." "Nee, 't schal wol gouw gaon. Haf' we Jan Tools zien hond hier man, dan höf we nooit 'n kole vuur aanvegen." "Wat dee dij hond dan?" "Hest nooit van dij looze hond heurd?" zeg Pijter, as m' tegen dij hond zee: haol mie de tabak, dan göng vot nao 't kammenet en kwam mit de punt in de bek weerum." "O, dat kan onze boer zien hond ook wol." "Ja, man Jan Tools zien hond dee dat ook mit 'n kole vuur. As 't 'r 'n kole oet 't heerdk'n op de plaote völ, höf ie niks te zeggen as: Stroom, pak op! in dan kreeg he de kole in de bek en smeet hum weer op 't vuur." "Dat kön nooit, dan brandde zien bek ja!" "Ja, jong, man hij m..... de kole eerst oet." "Luchst allemaol; zeg mie man lijver, wat 'r op dien piepkop steit, daor heb 'k al zoo lank tegen aankeken." "Daor, kiek man ijs goud, 't kan best wezen, dat 't nog familie van die is." "Wel kerel, jijzes man! nò man daor bin ik gijn familie van--ik zij wel 't is--horens op de kop en bokspoten. Ik wijt nich, houst 'r mit loopen duurst." "Wat mijnst dan wel 't is", zeg Pijter. "De olle knecht, gijn ijne anders." "Laot ijs zijn", zeg Hinderk. "Verdold, Geert hef gliek, 't is hum." "Man, wat mot dij schaope d'r toch bie," zegt baos, dij ook nieuwsgierig worden is en mit 't hekke (bril) op de neuze de piepkop bekik, "'k heb nooit heurd, dat de duvel op de schaope past. En 't is net of het zit te fluitspeulen." "Dij schaope kan he wol stolen hebben. Mien bier hef hum op de Hoge IJ ijs 'n maol op 'n aovond zijn, dou he achter drij Vrijsche schaopen aanzat." "Man hest hum zölf wijl ijs zijn?" Geert zee niks. Man opijns: "Um de waarheid te zeggen, jao. Ik heb hum zijn achter 't iemhok van Janoom, en ik wil die vertellen, dat ik s' aovends daor nooit weer achter 't hoes langs gao." "Hou zag he d'r dan oet, net as op mien piepkop?" Dat kön 'k zoo nich zijn, man 'k schal joe vertellen wat 'k zijn heb. 't Was verleden jaar op Steffen. Ik was met Berend Sips en Hiske van Muike bie Wubbe Lots west, man ik was net zoo nöchtern as op 't oogenblik. Bie de handwiezer göng ik van de anderen of en um de houk bie Janooms hoes keek ik onwillekeurig nao 't iemhok, umdat mien boer mie ijs verteld hef, dat Janoom zien vader doar ijs 'n hijle nacht mit de duvel op de nakke rondzwabberd har. Dij har daor wat zijn achter 't iemhoes en hij was zoo dom west um te kieken wat 't was. Um d'r te komen mös he 't heksk'n deur en dou was he van zien recht of. Op ijns heurt he, 'n geschatter en daor springt d' olle knecht hum op de pokkel... en de hijle nacht hef he d'r mit um argewijerd; in 't leste har he 't heksk'n mit d' ijne hand pakt en dou mös de duvel hum weer löslaoten; hij was weer op zien recht." Hef dien boer die dat verteld?" zeg Pijter. "Jao en dij lug nich." Geert har 'n grenzeloos vertrouwen op zijn boer, de grootste osse van hijl Westerwolde. "Zeg man aan dien boer, dat Janoom zien vaoder de nachtmerrie had hef." "Ja, doe wolt niks leuven, dat wij 'k wol, man wat ik d'r zölf zijn heb dat kaanst mie nich oet de zin proten. Ik zag op ijns 'n kop boven 't iemhok oet komen. Ik wör d'r kei van, want ik dacht vot aan Janoom zien vaoder, wat dij d'r beleefd har, 't was net op 'k aan de knijen tou deur 't zaand göng. Man ik keek nog ijs weer, en dou was 'n d'r twij koppen, ik dochte: jong, red di, het gijt um dien zijle en ik ik op de rek (aan de haal). Dou 'k veur onze valdeure kwöm, har 'k aan ieder haor 'n zwijtdrup. 'k Bin boven over de underdeure hensprongen, 'k heb de deure dicht maakt en bin op bedde kropen." "En dat is de duvel west?" "Wat mijnst doe dan? Doe möst dij grelle kop man ijs zijn hebben." "Och, kerel, 't was Steffen, daar hebt 'n jong en 'n wicht mit 'n ander staon te vrijen. Schost d'r man gerust hen gaon wezen, meschijn har 't wicht die ook wol 'n smok geven." "Jawol, ik har 'n smok kregen van 'n hijl ander, zukke smokken begeer ik nich. Man doe hest nö 'n hijl woord, en ik wijt wol dat doe nich hijl bange oetvallen bist; ik mög toch wol ijs zijn, dat he die tegen kwöm um ijs gewaar te worren hou hard doe loopen kaanst: de maorze schol die nich schimmeln." "Ik heb hum al 'n maol zijn" zeg Pijter hijl dreuge. "Doe? Waarzoo? En wat hest dou daon?" "'k Heb hum de nakke umdreid". "Verrek um mie, nö heb 'k genog van dien leugens: het rookt die boven de kop!"
"Wolt 't nich leuven jong, zegt Pijter terwiel he Geert in de knij knip, "'t is echt waor. Jong, Aoldienmeu, hei je d'r nog 'n kopk'n in, dan keer 'k nich um." "Jewol, jong, vertel man op."
"Te wijt wol baos, dat ik vrouher dijnd heb bie Brug Engel. Zien dochter Geertruud, dij laoter nao de Opstreek trouwd is, was dou nog in hoes en dan hadden ze 'n meid oet de Pekel, Jantje. Hou ze wieder heit, wij 'k nich meer; 'k wijt wol dat ze altied stom kwaod was, as wie tegen heur zeden van Jandien, dat wol ze nich wezen, want in de Pekel hijtte ze altied Jantje, zee ze. 't Was 'n viet ding, man 'n beetke'n eelsk en ongemakkelk plaogerg oetvallen. Zij en Geetruud dij gijn haor beter was, hebt mie vaok bedonderd, man ijnmaol hebt ze mie 'n schrik aanjagd, dij 'k heur nie gouw vergaf.
Ik kwöm ijs op 'n aovond um tien uur 't loug (deel van 't dorp) oet um vot op bedde te gaon, en göng over de deele nao de kougange, waor ik sluip. Ik trok mien overschrijter oet en dee de beddeure open,... en stönd stief van schrik: daor lag de duvel mit zien gleude kop op mien bedde. Ik stende 't eerst oet van benauwdheid en 't göng mie net as Geert, ik wör kel as is. Man 't duurde nich laank; ik kreeg mien kracht weerum en 'k wör duvelsch. Ik zee: "satan, olle duivel, hest mie noch nich! Ich bin nich bange veur die--koom man op, satan! en anders griep ik die...." en ik griep hum mit beide handen bie de strötte.... en wat har ik te pakken? twij törven, dij aan 'n ander bonden wad'n. Oogen, neuze, en mond bestönden oet glimholt. Ik stön verstomd. Man daor heurde ik in 't kaarnhoes 'n verdacht gegnies en dou 'k kieken wol, stoven dij beide vrouwluu in draf weg. Ik was wol zoo vergreld, als ik 't 'r ijne van pakt har, dan hak heur vijerkant in de kougroupe stopt. En dou 'k dij meid d' ander dag alleine achter 't hoes trof, zee 'k tegen heur: as 'k die 'n raod schuldig bin, loop dan nich te dichte aan mie langs, anders könst wol ijs 'n schop kriegen, daorst genog aan hast. Dou keek ze raor op en 'k heb laoter gijn last weer van heur had. Man ik was laoter ook nich bange meer veur d'olle, umda 'k hum de nakke umdreid en de kop over de kougange mieterd har." "Jijzes, Pijter," zee Geert, "wat bist doe 'n kerel. Kiek, as mie 't overkomen was, ik was vot nao 't veurenne vlogen en har de boer roupen." "Ja, zoo geit 't jong, as m' de boudel nich underzöcht. 'n Smid oet Wedde vertelde mie ijs, dat he 's aovends van de Pekel komen was langs 'n binnenpad over de heide. Op ijns heurd he daor veur zuk wat stemmen en daor kiekt hum twij gleude oogen aan. Maar hij was ijne, dij ook nich gauw umliggen göng, hij geit 't 'r op of en wat is 't? 'n Lijk schaopk'n dat op de heide achter bleven was. As ik nò nich zoo goud döst har, zee he, dan was ik daor deur de heide posterd en har overal verteld, dat ik de duvel zijn har. En daorum zeg ik die nog weer, Geert, as 't 'r zoowat is, gao d'r dan rustig op of en underzuik 't en dan scholt zijn, dat 't allemaol 'n natuurlijke oorzaak hef. Wat zegst doe, Hinderk!" Hinderk dij nog niks zegd har, kik op de klokke. "Ketijer veur tiene? Dan wot 't mien tied. As ik nao tiene in hoes kom, verandert mien ol mensch in 'n saotan, daor al joen duvels kwajongs bie bint. Genaovendsaom."
"Wacht," zegt Geert, "ik gao mit, dan heb 'k zoo wied gezelschop." "Ja, ik gao ook mit," zeg Pijter, "baos ik heb joe mien stevels bie deure hen zet, kan 'k dij Zaoterdag wol weerum haolen? D'r mout halve zolen en hakken under."
"'t Schal wel gaon. Gòjenaovend."
A. H. Smith.
3. Het Frankische taaleigen. Hier en daar met Friesche en Saksische bestanddeelen vermengd, wordt het Frankisch gesproken in Vlaamsch België, Zeeland, Noord-Brabant, Limburg, Utrecht en een gedeelte van Holland. Aan Maas en Rijn heeft het Frankisch element beslist de bovenhand. Maar eng verbonden hiermee hebben wij reeds herhaaldelijk het Keltisch ontmoet. Kelten waren wellicht de vertegenwoordigers der Klokkebeker-kultuur in Utrecht, Drente, Twente en op de Veluwe. Kelten waren stellig de Galliërs, die omstreeks 300 n.Chr. de Hallstatt-kultuur brachten in onze zuidelijke provinciën. De algemeene Nederlandsche taal kent Keltische plaatsnamen en andere Keltische leenwoorden. Een hoeve-type, hoogstwaarschijnlijk van Keltischen oorsprong, het langgevel-type, vinden wij hoofdzakelijk in België, Zeeland, Brabant, Limburg, in de Betuwe, op de Veluwe en in de duinstreek. De brunetten zijn het sterkst vertegenwoordigd in Noord-Brabant, Limburg, zuidoostelijk Gelderland en Zeeland. Ook het emotioneele volkskarakter stemt hiermee overeen, met uitzondering van de Veluwe. Maar op de Veluwe stooten de drie Nederlandsche hoofdstammen aan elkaar; nergens trouwens is de invloed van het landschap,--hier: de schrale, sombere heidevelden--zóo merkbaar inwerkend op de geaardheid des volks. "De bodem der N.-W.-Veluwe", schrijft W. van Schothorst, "is met uitzondering van de lage, waterrijke, en hier en daar veenachtige Westelijke helft, hoog, dor en onvruchtbaar. Slechts dennen, sparren en eikenhout vindt men op den schralen grond, wanneer deze niet met heide is begroeid of uit stuifzanden bestaat. Een onafzienbare heivlakte met golvenden bodem, aan den gezichtseinder begrensd door donkere bosschen en rijen witte zandheuvels, als stoffage een enkel boerderijtje met wat armoedige boompjes, en op een verheffing van den bodem een kudde schapen door haar eenzamen herder met zijn trouwen hond gehoed, ziedaar een typisch Veluwsch landschap!" (Het Dialect der Noord-West-Veluwe. Utrecht 1904, bl. III).
Ook kleederdracht en versierselen wijzen op gemeenschappelijken Keltischen inslag. In Brabant, Limburg, de Lijmers, het Rijk van Nijmegen en in Zeeland worden hangers gedragen. Met eenigszins gewijzigden vorm vinden wij den hartvormigen hanger, de schoef genaamd, ook in het Zuiderzeegebied met het Gooi. Nauwer hangt dit gebied door een breeden, platten ring met spiraalwerk van blaadjes weer met Zeeland samen. Eigenaardig-bewerkte knoopen, gordel- en broekplaten, halskettingen van bepaalden vierkanten vorm treft men aan in Zeeland en op de Zuidhollandsche eilanden, in het Gooi en op de Veluwe om de Zuiderzee.
Wij krijgen aldus een uitgestrekt samenhangend gebied; en vergelijkt men dit met het gebied, waar nakomelingen van Frankische stammen te vinden zijn (I, bl. 8), dan zal men tot de bevinding komen, dat beide territoren elkaar nagenoeg dekken. Hierbij komt, dat de dialekten der bevolking, hoe uiteenloopend ook, een aantal kenteekenen vertoonen, die men althans ten deele ook in de Keltische talen weervindt. Waar wij nu van een Keltisch-Frankisch huis gesproken hebben, zal men het dus niet kunnen misbillijken, dat ook de benaming van Keltisch-Frankisch dialekt door ons gebezigd wordt. Natuurlijk behoeft elke overeenkomst op-zich niet op gemeenschappelijke herkomst te berusten, ik wijs slechts op het nasaleeren van een klinker vóor gedekte nasaal en het verwaarloozen der h, ook elders nawijsbaar, zie b.v. Groninger Volksalman. 1900, bl. 28.
Enkele der meest eigenaardige kenmerken van de Keltisch-Frankische dialektgroep laat ik hier volgen.
1. Het voorvoegsel ge bij het deelwoord.
2. Het wegvallen der n van den uitgang -en, behalve vóor klinkers, h, b en d. Vergelijk: d_e_ groeët_en_ boum, de_n_ domm_e_ mins, d_e_ groeët_e_ minse (Venloosch taaleigen). Keltisch survival?--Het meervoud van den tegenwoordigen tijd gaat dus uit op e of en, t, e of en.
3. De d tusschen twee medeklinkers wordt j (i) of verdwijnt: moede, moeje, moe. De Nederlandsche kultuurtaal bevindt zich te dezen opzichte nog in een periode van weifelen, die zeer lang aanhoudt; men denke b.v. aan bloeden: bloejen, zelfs woedend: woejend.
4. De groepen al en ol worden tot au en ou vóor d of t. Dus: ald en gold worden in zuiver Frankisch oud en goud of nauwverwante klanken.
5. Lange î en û zijn meestal tweeklanken geworden, dus: mijn huis, tegenover Saksisch mien hoes. Dit verschijnsel is van Keltischen oorsprong, zie Te Winkel, Inleiding II. bl. 304 en N. van Wijk, Taal en Letteren XII, bl. 36 vlg.
6. De tweeklank au wordt oo, b.v. dood, oog, tegenover Friesch _deea_d, _eea_g.
7. De groep ft gaat over in cht. Dus: koopen: gekocht; verder lucht, gracht, hecht enz. Slechts hier en daar bleef een sporadische f behouden, zoo te Tilburg en in Oost-Brabant: zoft (zacht); Sliedrecht: zoft, gekoft (gekocht); Veluwsch koften voor kochten. Ook wordt de chs geassimileerd tot ss, vgl. Brussel: Bruxelles; Tessel: Texel. Hier is eveneens Keltische invloed werkzaam geweest; zie Te Winkel, Inleiding II, bl. 304; Van Ginneken, Handboek I, bl. 87.
8. De Westgermaansche â wordt vertegenwoordigd door â en oa, b.v. schaap, schoap. Alleen in het Zeeuwsch en in het Zuidoost-Hollandsch hoort men schaep.
Nu meent Van Wijk, Tijdschr. XXX, bl. 161 (vgl. Indogerm. Forsch. XXVI, bl. 275), dat deze ae een ouderen toestand vertegenwoordigt, dien wij ook voor het Noord-West-Veluwsch en voor het Nederbetuwsch kunnen rekonstrueeren. Wij mogen dientengevolge met vrij veel waarschijnlijkheid een nauwere verwantschap veronderstellen voor een gebied, dat Zeeland en een deel van Zuid-Holland, de Neder-Betuwe en een deel van de Veluwe omvatte. Ja wij kunnen ons dit gebied nog ruimer voorstellen, zoodat het zich dekt met het terrein van hetgeen men zou kunnen noemen: de Hollandsch-Frankische dialekten, d.i. West-Holland, Zuid-Holland, Utrecht, Neder-Betuwe, N.-W.-Veluwe, Zeeland en West-Vlaanderen, reikend van Elberg tot Duinkerken. Zooals wij zagen, pleiten ook enkele bijzondere versierselen voor een nauweren samenhang juist van deze gewesten. De geheele groep wordt nog gekenmerkt door het gebruik van de pronominaalvormen jij en jou.
Te Winkel noemt deze dialekten in zijn Charakteristik, bl. 12, met uitzondering van het Veluwsch en Nederbetuwsch, Friesch-Frankisch. Het is zijn recht. Want inderdaad hebben zich Friesche invloeden hier doen gelden. Wij kunnen ze dus het best beschouwen als Frankische dialekten met Keltischen ondergrond en met een Friesch vernis. Voor het Zeeuwsch vermoedt ook de Amsterdamsche hoogleeraar Keltischen inslag.
Zou nu met dit uitgestrekt dialektgebied ook niet samenhangen het taaleigen van enkele streken om de Zuiderzee, en van enkele eilanden, waar men ook in lichaamstooi en kleederdracht overeenkomstige versierselen vindt? Ik denk allereerst aan het Gooi (Hilversum, Laren, Blaricum, Huizen), maar ook aan Vlieland, Schokland, Urk, Enkhuizen en aan een strook van den Overijsselschen zeekant: Vollenhoven, Genemuiden, de Kuinder enz., waar men een Friesch-Saksisch mengdialekt spreekt. Ook deze dialekt-groep toch wordt door enkele bijzonderheden met de ae-groep verbonden; ik noem het wegvallen van de h en den Urker-Gooischen ae-klank in schaep. Onderling houdt zij verband door een eigenaardigen i- en u-klank. Zij vormt een overgang van het Frankisch naar het Friesch of van het Friesch naar het Frankisch en ten deele naar het Saksisch; en de veronderstelling van Winkler lijkt zeer aannemelijk, dat wij te doen hebben met de taalresten van een afzonderlijken, niet volbloed-Frieschen stam, die in het eerste millennium onzer tijdrekening woonde op de oevers van het meer Flevo; zie Dialecticon II, bl. 52; vgl. II, bl. 20, I. bl. 381. Zou ook hier de Keltische grondslag niet kunnen dienen ter verdere oplossing van het ingewikkeld probleem?
Andere eigenaardigheden wijzen op nauweren samenhang van het Oost-Hollandsch met het Brabantsch en het Strand-Hollandsch; vooral deze, dat de vierde naamval voor eigennamen en persoonsnamen zonder determinatief den vorm heeft aangenomen van den tweeden naamval, b.v.: Ik heb et vaders gezeid; ik heb tantes nog gekend; ik ben bij Janne geweest. Zie hierover Van Ginneken, Handboek I, bl. 94, 95.
Veluwsch.
(Uit Leopold, van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 519).
Minnebrief van en sniierknecht.
Miekelief! 't Hef noe gans en gaor gin fatsoen, da je miin liefde zoa kold en zoa verwierd handelen bliift. Hoe 'k et oak mit oe zuuk te riigen en te plooien, ik kriig er maor nie zoa ak et gaerne ha. Altiids bliift oew hart nog rechtevoort tägen mii as stiif linnen. Mennig kamezaol, boks en wammes van de goeje luuj heb ik bekant stik verknipt en versniien, daor 'k zat, en miin heufd oaver oe tornde en pluusde. Da 'k er oak heftig oaver epruust heb, en er vinnig ziek af ewest bin, da's oe bekend; en nao de leste krupsie bin 'k nog nie zoa 'k heur, want hoe 'k et wend of drääi, 'k weet oan oe gin mouwen te passen.
Zeg et toch glad uut, wa je tägen mii het, dat je mii as en olde lappe op zii' smiit. Bin 'k nie zoa goed bii de pinken as de beste veur miin brood? De heele wäke, van 's maondags tot zaoterdags, zit ik jummers stik staovast van 's märgens tot 's aovens bii baos Nol op 'e taofel: en veur miin jannever-centen laot de wäärd =u=ut de Golden Ploege gin neie schuur bii 't huus zetten. Zondag, da mis nie, zie je me altiids in de predekaotie en 's aovens, nao koffitiid, bii oew vaoder op den haerd, om te höören naor 't neis =u=ut de krant. Dan doe 'k jummers puur alles veur oe, en 'k maok et oe zoa handzaom, as in minn krank vermeugen is: en da naodje zol zoa deurloapen as i ens miin vrouw waort gin enkele steeke zal er aon losgaon.
Maor 'k leuve, daor zit um de kneupe nie. 't Is nog die ägenste smalle heerschop, die klarke van onzen notaoris, die 't um duut. Daorum gao je, oak deur den dag altiids zoa mooi aon'edaon, 'egold en 'ezilverd, bekant of i nao de karke gaot. Miekelief! Miekelief! waor dwaolen ouw zinnen; hoe kan i zoa bot ziin? 'k Heb oe al zoa mennigmaol oaver dissen gepokkeneerden snoeshaon onder 't parsiizer 'ehad en zint er nog de olde knepen niet uut? Hoe kan oe et hart toch zoa hooge staon, da je um dien kwibus en goeien wärkman onder stelt?
Meinde mit um te zullen äten uut de kurf zonder zörge? Nemaor, da's vlak de lappe neffen 't gat. Da klarken lait um maor wiendaiers: en zolt i de maot holden veur de juffer van en notaoris al is 't oak op en plat dörpke? Nemaor, daerne! daor zii i nie toe 'esnejen: da zol oe vugen as en neie lap op en old wammes; da stao nie en da holdt nie.--Da mot dissen verwierden heerschop oak nie vremd ziin, hoe zunig hi kiiken kan, maor hi teutelt mit oe, um oew rooie wängkes en oew blaouwe eugkes, en as i oe in d'ellene hef ebrocht, zal i oe handelen as en lapzalver; waor veinde dan heul veur oew hartepiin? Daorum, Miekelief! stel dissen springer uut oew zin en hold oe lääg bii 'e grond, dan val i nie hoog. Denk aon 't spreukske: "Ongeliiken aord, dient niet 'epaord". Wij passen mekaor, waor je et beziet, um saomen genuuglik te läven en onzen staot te bliiven vuren. Kwik er ens mit oew olders, daor doe je braof aon; die zullen et oe wel veurmäten; en as ik zondag bii oe kom en i mii beduudt, da je met mii houwen wilt, zal miin martelen en armoeien t'ende ziin, en van klinklaor plezier za 'k oe en heftig mooi loddereinsdeuske kaopen veur en pressent, al kost et oak en golden dekaot.
Hadee, Mieke! tot zondag. S.
Ostendsch.
(_Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Eerw. Heer Frank Baur, docts_, litt.)
De gelijkenis van den Verloren Zoon zooals zij te Ostende in het Schipperskwartier wordt verteld [12].
Eer wos e kér e våder, è jâ twé zuns.
Den årme man wos wéewåre! È de joengsten va de twei hâde goesten om e vojåzetsje te doene. Mo de kwèsje wos va d'ortsjes! De joenge brakke goeng no ze vådere èn i zej: "Våder, gée m' osjeblief 't chelt da me toekomt, 't part va moeder zåliger!" De våder schuddege zen hôofd èn zej: "Joengen, joengen, je lop no jen oengeluk!"--"Ba 'k en doe, antwordege de kwåpèrte: lat et min mo riskieren!"
È je kréég ze part! È je goenk nor en vèrre stréke, olover 't zeitsje! È je wos nog mo fine 't gat üt, of je begoste va ze gèld te léven, lik God üpt Sas! Olie dågen schinken è drinken, smeiren en teiren mè de schonste nichtsjes, è ze traktéren mè tartsjes è spekken è goedewèrk.
È ja, è dat en kostege azo ni lange deuren: ze portekadee gerocht olichte léég, ze kleiren vielen in slunsen, je zach ter üt lik ne schooier! Mè véle rooi kwaamp i te lange laste bi nen beistekopman in de kost: mor in platse van olle dågen ze bükstje goe vul te krigen, wos 't årmoe va god za m' zégen! En os zen dèrmen grolden, je mochte nog üt den trog va de zwins ni mêe éten! Mèd ol ze werken è vroeten ât en, os 't ol te fin effekte kwam, nog gén någel om ze gat te krauwen! 't Wåter liep va zen èrte, os 't en an 't üs pejsde, wo dat de knechten åten è droenken è tafeltje-dèk-je spéélden! Wo dat de stüten zo vèt gebutterd waren, è 't Roesselaersch bier zo lèkker!
Toe tat en up ne schônen dag ol zen koeråze in zen 'anden paktege, è no ze våder goenk è zej: "Våder, 'k èn ol me geld vertsjoekt; 'k zin te vül dan 'k nog je zeune zoen kunnen zin: mo lat me bi joen blüven voe knècht!..."
"Wei, joengen toch!" riep ze våder: "è je zoe tog ni willen zéker! Gée me zeire en tóóte: 'k èn tog zo lange no je gewacht!" È je kréeg nieuwe kleirs en nieuwe sluffers an: è je wos wéer de zeune va ze våder!
Het Brabantsch vormt den middelterm tusschen het Hollandsch en het Limburgsen; en onder Brabantsch verstaan wij hier het Westbrabantsch, het Antwerpsch, het Aalstersch, het Leuvensch, het Oostvlaamsch. Wij wezen op de overeenkomst met het Oost- en Strandhollandsch. Maar slapheid van artikulatie verbindt de taal van de afstammelingen der Salische Franken toch ook met de Zeeuwen, die zij immers ook zeer nabij staan in volkstype en in innigheid van temperament. Op gemeenschappelijk Keltisch substraat wijst, behalve de eigenaardigheid van de behandeling der finale n, de herhaling van het persoonlijk voornaamwoord vóor en na den werkwoordsvorm: ik-ekik enz. En anderzijds verbindt hen de Keltische toon, de lossere volksaard, het sanguïnisch temperament weer met Limburg. De bonte staalkaart der Brabantsche dialekten--mag ik even wijzen op de voortreffelijke behandeling van het Aalstersch door Prof. Colinet en van het Leuvensch door L. Goemans?--is het reflex van hun sterk-uitgesproken gemeenschapszin, van hun aanhankelijkheid aan stad en dorp, van de versnippering van hun grondgebied.
Leuvensch.
(Voor "Nederlandsche Volkskunde" geschreven door den Heer Frans Smeesters, stud. litt.)
De Koeisjieters.
(Leuvensch Verhaal).
In dânen tâd (tijd) waz et spel nogal dikkels de woegel oep [13]: den iene kie woere de Sponjoede mister, dan wee d' Oestenrâkers, ofwel probeede de Vloinderiers den boes te speele. Et was altâd e wa fes: vechten en battere zonder oepaave. Te Leeve woere z' oek noet ni grist. Moe ze woere der doevee oek oep verzien, zelle: d' iel stad was oemringd mee vestinge mee dikke mieren oep. Doe kost niemand in och uit de stad nit, as dee de poote on de groete stieweege en dâ woere bewokt dee saldoete.
Oep ene kie aa 't er wee lilek gespanne en wit er van iene pas gebrand en gemoet: 't was tege den oevend, oep den Eksentoore, woe da naa de luibank stoet oep den boelvar Remie. Da was doe de verstêreking van de Brisselse poot; 't kloester van de Sellebries stont doe toen nog nit achter en doemee kost de schilwacht van doe den ielen Brisselse stieweg overzien tot on den Azeren bereg, mee klier wier. Zoe tisse licht en doenker ziet dâne woeker iet van den Azeren bereg af kome gelak en troep saldoete, mee witte broeke en doenker jasse: "Da moette d'Oestenrâkers zân!"
Rietepakie loept em den tooren af en goet de wacht verwittege. De poot wed toegedon en nen troemelier loept de Brisselse stroet af vee de garsevik bojien te troemele: al et folk kwam boete gebetteld en d'iel stad stond oep en ing. 't Was er e lieve van den elsen dievel: de joengelen on 't blête, de vraalie on 't jenken en de manne roepen en tieren onderie.
Twie boemkeetels woeren oep den Eksentoore geplaceet en de saldoete mee donderbissen en gewiere doeneffe. Tisse de boeme zoege ze dâ witgeplekte troep oep eer zeevetien gemakken afkome, jist ofda z' oep wandel woere. Na was doe iene van dâ manne, die janfatoet wilde speelen achter ze sjietgat. Zonder noe de kapetaan te wachte sjit em ze gewier af flak in den troep oep de stieweg. Zoe gaa as d' ander dad oede begoste z' oek te sjiete: tot iene van de boemkeetels toe goenk mee ne lileke slag af!
D' Oestenrâkers stoven oetien last alle kante: e stik of twie kwoempen in volle charge oep de stad afgeloope, woe dat de verschrikte Leeveniers zoege daddet koeie woeren in ploits van saldoete.
Seedert toen widde de Leeveniers Koeisjieters geiete!
Bredasch.
(Uit Leopold, Van de Schelde tot de Weichsel I, bl. 328).
Breeë wiele.
('t Zuiden van de Baronie van Breda).
A. Hedde de wiele van oew kèr al laote veraandere, Bart? [14]
B. Neeë, Arjaon! zou da toch mötte?
A. Jao, jao, da möt zeker; ik hoar zegge, das ze d'n earste van d'aander mand mee smalle raoje niemar meuge rije.
B. Nou, de mijn zulle dan toch nog nie veraanderd zen: d'aambachte kunne 't ok aomal nie gedaon krijge. Hedde gij de jou al veraanderd?
A. Van m'n éán kèr wel; die he'k mee breeë wiele laote maoke, al vur 'n jaor of twea, om vur de waaie te gebruike; mar mee d'aandere möt ik er nog aon.
B. Vur de waaie geloaf ik das ze goed zen de breeë raoje, mar om vur dur 't zand te rije, jonge, davvur zen m'er mee vernukt.
A. Da sa 'k nie zegge: mee de breeë wiele zulde zo'n groate gaote nie in 't spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor maoke, as mee de smalle, en ge kunt het spoor ok makkelik verlegge.
B. Jao, protte ge mar; mar smenke zegge, dagge mee de breeë bedeane vast zit, as 't nat is.
A. Neeë, man, ze zulle de wege dan zo nie kapot rije: de breeë wiele snijen er zo nie deur, en te zomer zal den weg zo schoan zen azne dörsvloer.
B. Nou, dan zulle ze toch mear mötte paniere as ze tegenworrig doen.
A. Neeë, jonge, davvur hoeve ze niks mear te paniere, want d'n weg zal uit zen aaige goed blijve, omdat er dan g'n gaote en kuile mar zulle gemakt worre.
B. Mar in d'n baomus dan, as 't nat is, dan zulle ze toch wel blijve steke.
A. Da sa 'k nog nie zegge. Ikke en Koop van Hentjes hebbe vleeën baomus den healen dag mis gereeë mee twea kère dur 'n heal nat straotje, en 's aovus waor d'n weg nog net zoo goed as 's maregus mar we haaie 't spoor dikkels verleet. En as ge da mar doet, dan zulde g'n gaote rije, en dan zulde 't mee breeë raoje langer volhouë as mee smalle. As de meense der mar is aon gewoan zen, dan zulle ze g'n smalle raoje mar verlange; mar nou zen ze der op tege, omdas z' aomaol der wiele mötte laote vermaoke, en da sen groate koste; mar as ze 'n paor wiele vur niks krege, dan zouwe ze der nie tege pruttele.... Mar ik houwe vur 'n goei ding, die breeë wiele.
B. Jao, gij prot goed; mar wa zulle de klène boerkes doen, die mee nun os rije? Die kunne, as 't nat is, toch ginnen weg.
A. Jao, jao, genog; mar 't is vur hullie èrig, omdas z' in de zak zulle mötte. Mar as ze der wiele mar is hebbe, dan zulle ze der wel over kontent zen.
B. 't Kan gebeure; mar ik mot het earst zien, vur ik 'et geloaf.
Zoo komen wij ten slotte tot de Limburgsche dialekten. Het Frankisch in zijn geheel genomen is door de zoogenaamde tweede klankverschuiving in twee groote helften gesplitst: het Neder- en Opperfrankisch. De aandrang ging uit van het Opperduitsche bergland; langzaam plantte de golving zich voort, om weg te sterven tusschen den 50sten en 52sten breedtegraad. De grenslijn draagt den naam van Benrather linie, omdat zij benoorden het plaatsje Benrath over den Rijn gaat. In oostelijke richting doorsnijdt zij geheel Duitschland tot aan de Poolsche grens; westwaarts loopt zij bezuiden Neuss, Rheydt, Erkelenz, Heinsberg, en overschrijdt bij Geilenkirchen het Nederlandsche grondgebied. Dit verlaat zij weer tusschen Cottesen en Vaals, en valt dan omstreeks Malmedy samen met de scheidslijn tusschen het Germaansche en Romaansche taalgebied. Men mag dus beweren, dat het in Groot-Nederland gesproken Frankisch zoo goed als uitsluitend Nederfrankisch is.
Dit nu wordt verdeeld in Noordlimburgsch en Oostbrabantsch (Meyerijsch) eenerzijds, en Zuidlimburgsch anderzijds, en wel door de zoogenaamde Uerdinger linie, die benoorden Uerdingen den Rijn overschrijdt en den dam vormt, waartegen de laatste golvingen der tweede klankverschuiving breken: ik bedoel de verschuiving van k tot ch in de woordjes ik en ook. Benoorden en bewesten de linie, waar men dus ik en ook hoort, liggen, Herongen-Venloo, Blerik, Maasbree, Meijel, Leende, Borkel en Schaft; en in België: Lommel, Baelen, Tessenderloo, Sichem, Bekke voort, Thielt, Bautersem. Bezuiden en beoosten, waar men ich en auch zegt, liggen: Leuth-Tegelen, Baarloo, Helden-Panningen, Ospel, Nederweert, Maashees, Soerendonck en Budel; in België: Achel, Neerpelt, Exel, Hechtel, Beverloo, Beeringen, Diest, Roosbeek en Vertrijk. Bautersem en Vertrijk, westelijk en oostelijk eindpunt der lijn, liggen ongeveer een uur gaans ten westen van Thienen, het groote uitstralingspunt der Nederlandsche dialekten. Daar stuit de Uerdinger linie op de Waalsche grens of, nauwkeuriger gezegd, op een dier grensstrooken, die door het Romaansch op het Germaansch veroverd zijn; zie God. Kurth, La frontière linguistique en Belgique et dans le nord de la France (Bruxelles 1895--98) II, bl. 526; III, bl. 4 vlg.
Een juister indeeling zal, naar ik hoop, de vrucht wezen van ons uitgebreid, maar helaas door de tijdsomstandigheden bemoeilijkt, onderzoek der Zuidoostelijke dialekten. Ook hier groote differentiatie, evenals in het Brabantsch, maar die benoorden Venloo daarenboven op een ethnische reden stoelt. Daar immers, de lezer herinnere het zich, is een Saksisch menggebied, maar waar de Saksische bouwtrant vrij wel als uitgestorven kan worden beschouwd (I, bl. 37, 38). Wij hebben hier te doen met een dier zeldzame gevallen, waarin de taal taaier en duurzamer bleek te zijn dan de hoevenbouw. Want benoorden de linie vinden wij een dialekt, door Te Winkel Saksisch-Frankisch genoemd, en dat uiteenvalt in het taaleigen van Venraai, van de Landen van Cuyk en Nijmegen, de Lijmers (Eltenberg en omstreken), de Duffel en de Over-Betuwe. Hier hoort men b.v. ald (aald) en kiend, en doorgaans bleeëk, deeël, steeën, dooëd, pooët (of bleiëk, doeëd enz.). Van het aangrenzende Brabantsch (Meierijsch) onderscheiden zich deze dialekten door het niet-diphthongeeren van î en û, dus: mien, riek, wief, zoor (zoer), hoes. In dit dialektgebied vertoont een bepaalde landstrook, die de plaatsen Venloo, Blerik, Maasbree, Velden, Grubtenvorst, Lom en Arcen omvat, grootere overeenkomst met het Zuidlimburgsch; zie hierover mijn artikel in het Tijdschrift voor Nederl. Taal en Letterk. XXVI, bl. 81 vlg.
De geheele streek bezuiden de Uerdinger linie noemt men het Mich-kwartier, een benaming, die uit België schijnt afkomstig te zijn; en wel omdat daar de oude akkusatieven mich en dich zijn bewaard gebleven. Ook hoort men hier ich en meestal auch (ook). Te Winkel spreekt van Ripuarisch Frankisch. Toch vindt men ook hier tal van verschillen; met name het dialekt van Belgisch Limburg vormt voor het meerendeel een zekere eenheid, die wel eens Westlimburgsch genoemd wordt; deze benaming kan echter tot verwarring aanleiding geven. Verder is de Oudgermaansche sk, die in het Friesch haar oorspronkelijken klank behield, in bijna geheel het Mich-kwartier gepalataliseerd tot sj, dus Friesch: skaap, Hollandsch: schaap, Roermondsch: sjoap. Deze palataliseering vindt men ook op de Veluwe en in Eemland, wat weer op gemeenschappelijken ondergrond wijst. Maar daarenboven is bezuiden de Uerdinger linie de stemlooze spirant s in de klankverbindingen sp, st, sl, sm, sn en sw tot sj geworden beoosten een lijn, die van af het dorp Panningen in zuid-westelijke richting geheel Limburg doorsnijdt. Eerst volgt zij den linker Maasoever, gaat bij Wessem de rivier over en vervolgt nu haar weg op den rechter Maasoever, tot zij tusschen Maastricht en Breust de Belgische grens en het Romaansche taalgebied bereikt. Deze linie noemde ik de Panninger linie. Het ruimere gebied der palataliseering van sk tot sj wordt begrensd door de Panninger zijlinie. Zie hierover mijn artikels in het Tijdschrift voor Nederl. Taal- en Letterk. XXI, bl. 249; XXVI, bl. 81; Limburgs's Jaarboek XIII, bl. 229; Leuvensche Bijdragen 1908. Laat ik nog vermelden de dialektstudies van J. Houben. Het Dialect der stad Maastricht (Maastricht 1905); L. Grootaers, Het Dialect van Tongeren (Lier 1910); en voor de studie van het Noordlimburgsch: H. Bruijel, Het Dialect van Elten-Bergh (Utrecht 1901).
Het Limburgsch wijkt sterk van het algemeen Nederlandsen af en de Limburger handhaaft zijn taal met zeldzame taaiheid. Eerst in de laatste tientallen van jaren wordt in sommige families van den deftigen stand de algemeene Nederlandsche kultuurtaal gesproken. Aan differentiatie heeft het, zooals gezegd, niet ontbroken, en ook scheppen nog steeds handwerk, beroep en industrie--tabaksbewerkers, leerlooiers, steenbakkers, mijnwerkers tuiniers [15]--talrijke sociale groepen en groepjes. Toch blijft een sterk gevoel van nauwere psycho-ethnische verwantschap zich handhaven.
Tot de eigenaardige algemeen-Limburgsche dialekt-verschijnselen behoort het isosyllabisme van de nominale meervoudsvormen met die van het enkelvoud; b.v. bal: bel; kop: köp; knoak: knök; enz. Verder het eigenaardige muzikaal accent, met name de syllaben met stijgenden sleeptoon, die heel wat taalverschijnselen kunnen verklaren. Ook het zinsaccent, de zinsmelodie en het spreektempo zijn in deze dialektgroep zeer eigenaardig en sprekend, en wel in veel hoogere mate dan in de noordelijke tongvallen. Dit blijkt zelfs, wanneer een bewoner der zuidelijke provinciën de algemeene kultuurtaal spreekt: men zegt dan "dat hij zingt". Er is natuurlijk verschil tusschen vraag, uiting van verwondering of andere gemoedsbeweging en simpele bewering,--een uitgestrekt terrein, dat nader dient te worden onderzocht. Eindelijk de retrogressieve of terugwerkende assimilatie bij het zwakke praeteritum--veelal van palataliseering begeleid--, waar het algemeen Nederlandsch progressieve of vooruitstrevende assimilatie vertoont; b.v. pakte: pagde en pagd'e [16]; danste: danzde. Ook bij andere vormen ontmoeten wij dit verschijnsel, dat allicht met het accent in betrekking staat.
Laat ik ten slotte nog even wijzen op de grootere eenheid van Zuid-Limburg. Zij wordt gekenschetst door de hoeve van het Frankisch-Romeinsche type, maar ook door het doorgaans ontbreken van de afzonderlijke hoeven, geïsoleerd liggende te midden der afzonderlijk landerijen (I, bl. 42, 24). Van een nauwere dialektische eenheid bezuiden Sittard diene als specimen het gerundium op -têre: loupentêre, lachentêre enz., dat men te Maastricht, Sittard, Heerlen, Tongeren, Hasselt, kortom over geheel het zuidelijkste gebied verspreid vindt. Over het gebruik te Hasselt zie Gittée, in het Nederl. Museum 1888, z. bl. 306. Het verschijnsel is nog steeds raadselachtig in wezen en herkomst, en dient nader te worden onderzocht. Zie verder de isethnenkaart.
Venloosch.
(Fragment uit "De Sage uit het Ven", Limburgsch's Jaarboek VIII, bl. 63, eenigszins gewijzigd).
Jan en Helmus oêt 't Ven.
Op ein half oor van de stad, aan de Winkelveldstroat, leet Besjeshoaf, en dên hoaf hebbe de akkerlu Van R. sterk twieë ieëwe van elder tot elder bewoeënd. Op ein paar noa de leste van eur, die doa den reek hanteerde, waas Jan van R., eine strausse mins mit snuje geis, dê ei nateurlik slaag had van vertelle en al waat de stadsboetenieë raa_g_de, hoarklein kinde. Bij de Venlu stonte veur gelierd, want hê kos in den almenaak lêze, ziene naam schrieve en mit kriêt rêkene. Ouk waasse drijmoal keuning gewês: twieëmaol bij 't vogelschete in 't Kraneveld, en eine kier bij 't rieje van de gaas aan Sinter Banus. In 1848 isse gestorve, 92 joar ald,--des neet in de weeg, wie?
Mit eine Julidaag van 1778 trok Jan mit ziene knech Helmus, eine Veldese jong, noa de Hêringse hei um struitsel te houwe in eine kamp, dêje veur zes vette kukes 's joars, aan 't hoês Caan in Stroale te levere, gepach had. 't Waas dên daag schreujend heit, en doarum ginge ze iers smiddaags um vief oor van den hoaf, veurnemes door te werke zoeë laat azzet gong. Veur de lochtigheit zote eeder eine lichte vink op en as oavesête nome ze drij bokeskeuëk mei in vere gesneje, en daobij twieë tuite botermelk, die ze op de gebroekelike meneer mit reemkes aan de heizigs gebonde euver den rök honge.
Weus en akelig waas in dên tiêd nog de Venstreek, die ze ein ind meuste doortrekke. Aan weerszie van den alde Stroalse wêg loge wiedluipige zompe en peul, dich begreuid mit luus en reet en umzuimp mit elze holt, vane en broamelestruûk. Doa hoort me niks as 't gekwaak van de kikvors en 't gesnater van de ênde, woavan der soms 'n kloch oêt de zomp opvloog.
Toe Jan mit zienen Helmus bij de kamp waren aangekome, loge ze eure knapzak tösse einen berke stroêk en begoste te hakke. Jonk en ieferig wie ze ware, gunde ze zich gein rös as um wat oassem te schöppe en te drinke of knips ein half oor um eur proviand aan te sprêke. Ze wisten ouk van gein oêtscheije, en doe ze 't struitsel in huip hadde gezat, waas den oavond al ein hieël ind gevalle. Ze nome de heizigs weer op de schouwers en gongen noa den hoaf truuk.
Doeëd meug door de zwoaren en lankwieligen erbeid sukkelde oos Besjeslu gedoek en druimerig veuroet, in volle kompenie mit de hiere van 't brook, die bij eeder stap verschrik veur eur opspronge. Maar klam hadde ze den Arenborg en Genroai achter den rök, of doa, aan einen tomp van de wêg, meinde Helmus inens ein gedruus en gejuister in de loch te hure. De mood za_g_den--um in de hoaze, en vol engs greeppe Besjesboer bij den erm en reep: "baas, kiek ens umhoeëg. Eine veurige wage mit veer pêrd en eine mins derin, dê lammenteert!"
"Jong", zag Jan, "zêgen dich en bêj eine Vaderons, det os gei kwaod euverkump. Ik weit wê 't is."
Doe ma_g_de ze bein en kêrde ze den diek euver noa den alde Stroalse wêg, op de hakke gezête, wie ze meinde, door allerlei buës gespuus, woatêge einen heizig niks vermaag. En neet veur det ze de töp van Besjes hoeëg linde in 't verscheet krege, veel eur de de schrik van et hert en doe vroog de knech: "baas, wê hebbe we gezeen? Zoe et de man mit ziene wage zien, dê now en dan door de loch riet en woavan Sint Hoeberts Drik nog pas hêt opgehoald?"
--"Precies jong", zag den ander, "hê was et. Hazepoeët de Schelm, dê de loeën van de werklu achterheel.
"Zien straf is nog neet oet; zoolang motte mit ziene gleujende wage door de loch rieje en wuurte geschreuid, totte zal hebbe voldoan: ein waarschouwing veur andere van zie slaag.
"Now is 't te laat, maar ezondaag zal ik dich zien hieël historie waal ens van nödje tot zökske vertelle, ik kin ze".
Ter kenschetsing van de dialektische volkstaal steunden wij in het bovenstaande, zooals gebruikelijk, vooral op klankleer en flexie. Toch zijn ook woordenschat en syntaxis van het grootste belang, vooral wanneer men de volkstaal behandelt in tegenstelling met de kultuurtaal. Wij kunnen hier echter onmogelijk diep op de zaak ingaan en verwijzen dus naar de afzonderlijke idiotica. Zoo b.v. Gallée voor het Geldersch-Overijselsch, Molema voor het Groningsch, Bergsma voor het Drentsch (onvoltooid), Waling Dijkstra en Buitenrust Hettema voor het Friesch, Boekenoogen voor het Zaansch, Bouman voor de volkstaal in Noord-Holland, Opprel voor het Oudbeierlandsch, Van Schothorst voor het N.W. Veluwsch, Van de Water voor de volkstaal in het Oosten van de Bommelerwaard, Simons voor het Roermondsch, Jongeneel voor het Heerlensch. Zuid-Nederland heeft in het opteekenen der idiotismen meer ijver en belangstelling getoond dan Noord-Nederland. Wij kunnen hier wijzen op het omvangrijke Algemeen Vlaamsche Idioticon van Schuermans, op het Westvlaamsche Idioticon van De Bo, op het tot een Idioticon omgewerkte Gezelle-tijdschrift Loquela. Verder maakte Cornelissen en Vervliet zich verdienstelijk door het opteekenen van de volkstaal van Antwerpen, Tuerlinckx en Claes voor het Hagelandsch, Rutten voor het Haspengouwsch, Teirlinck voor den woordenschat der Zuidoostvlaamsche tongvallen; enz.
Hier liggen inderdaad "schatten van de volkstaal" opeengestapeld. Hoeveel beter dan in de kultuurtaal zien wij hier de strooming en tegenstrooming van integratie en differentiatie, het zich splitsen, zich vertakken, en weer ineenvloeien van de verscheidene beroepstalen, het eenerzijds stoer-behoudende en anderzijds ook weer koen-vooruitstrevende in het leven der taal. Archaïsmen, ware survivals uit overoude tijden, vindt men in de meest gewone populaire zinswendingen. Zoo b.v. het Limburgsche "met bed en bult vertrekken", waar bult nog de beteekenis heeft van het Middelnederlandsche bulte, bult "stroozak"; de uitdrukking "van het bed op het stroo komen" herinnert aan een overoud lijkgebruik (I, bl. 290). In het Sallandsche: "hi kan lêzen en broodsnieën", d.i. hij kan twee dingen tegelijk doen, heeft lêzen de oude beteekenis van "bidden". De algemeene Nederlandsche volkstaal kent uitdrukkingen als "van den hak op den tak", waar hak nog de oude beteekenis bezit van "krommen tak";--"hij heeft kind noch kraai", waar kraai "den kraaier" beteekent, d.i. den haan, welk woord immers etymologisch samenhangt met het Latijnsche canere "zingen";--in "kap en kogel verliezen" is kogel de halskraag;--in de zegswijze "wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus" is het lid de deksel. Naast deze archaïsmen staan echter ook weer neologismen, vooral, naar wij zullen zien, in de woordvorming.
De volkstaal beweegt zich in analytische richting. Regelmatig worden de omschrijvende naamvallen voor de verbogen naamvallen gebezigd. Men zegt dus niet: "vaders jas", maar "de jas van vader", of "vader zijn jas". In plaats van den vergrootenden of overtreffenden trap wordt somtijds het woord in den stellenden trap herhaald: "het is droevig en droevig"; en zoo vervangt men ook het bijwoord: "het gaat beter en beter", d.w.z. steeds beter. Het woord beter wordt echter ook als positief beschouwd, en dan vormt het volk den eigenaardigen komparatief beterder. Het meervoud, of liever het begrip "enkele", vindt men niet zelden omschreven door "een of twee", of door "een gas", "een koppel". Potentieële vormen treft men zeldzamer aan, naar mate men dieper in de lagen der volkstaal doordringt. Het twijfelende en onzekere bij vermoeden of veronderstelling wordt uitgedrukt door een bijwoord als "misschien" of door een hulpwerkwoord. Bij deze richting sluit zich aan het sloopen van de werkwoordelijke tijden. De verleden tijd gaat in de volksvertelling hard achteruit. Meestal bezigt men het praesens of perfectum, dat veelal nog de plaats moet ruimen voor het plusquamperfectum: "wij waren geweest, wij hadden gezien", voor: "wij zijn geweest, wij hebben gezien". Deze meer dan voltooid voltooide tijd komt vooral veel voor in Zuid-Limburg. Het praeteritum weet zich echter te handhaven in het zoogenaamd apologische spreekwoord (zie Vijfde Hoofdstuk I); terwijl de tegenwoordige tijd het tempus is van het volkslied als praesens historicum. Het futurum wordt dikwijls vervangen door het praesens. Zoo vloeien de grenzen van het feitelijke en het mogelijke, van het verleden en van de toekomst meer ineen dan in de kultuurtaal.--Daarentegen beweegt zich een tot indirekt reflexivum verzwakte dativus ethicus weer in synthetische richting: "zich een pijp rooken, zich een glas drinken."
Het terrein der werkwoorden doen en laten strekt zich in de volkstaal veel verder uit dan in de kultuurtaal. Hoogst belangrijk is ook de woordvorming, stout en realistisch, met bepaalde voorliefde voor frekwentatieven en diminutieven. Als voorbeeld van de verscheidenheid en het koloriet der populaire woordvorming diene de synonymie (natuurlijk met genuanceerde beteekenis) van het werkwoord gaan in de Graafschap (zie Driem. Bladen III, bl. 105 vlg.). Men kent daar goan: gaan; sjoksen: loopen en in de knieeën zakken; snoksen: de voeten bij het loopen op ongewone en tevens onverschillige manier neerzetten; gèspelen: draven; flearen: het vlug en driftig loopen eener vrouw; zobben: op een draf loopen met zwaren gang; bizzen: vlug loopen; bozzeken en foddeken: vlug met kleine passen loopen; sabelen: vlug met groote stappen loopen; schriêden: stappen; loopen; kuiern; hompelen: gebrekkig loopen; strompelen; geiselen: zoo vlug mogelijk loopen; drapsen: herhaaldelijk eenzelfden weg loopen; striéken: flink stappen zonder de voeten hoog op te lichten; steigern: met den neus in den wind loopen; tippeln: licht loopen met vluggen tred; krummeln: langzaam met kleine passen loopen; pladdeken: met bloote voeten loopen.
Dat deze expressieve en oorspronkelijke populaire woordvorming vooral ook bij de scheldwoorden en scheldnamen tot uiting komt, behoeft wel geen betoog. Laat ik nog enkele volksuitdrukkingen voor drinken aanhalen, door De Cock bijeengegaard (zie De Navorscher, XLVII, bl. 56; XLVIII, bl. 40; IL, bl. 130): Bekeren; pimpelen; borrelen; borlesoesen; borleboppen; toeteren; fleppen; swobbelen; gulpen; duimen; loreeren; zich bekladderen; tullen; pullen; avoezen; sippen; lepelen; leppen; lepperen; petteren; pampelen; sassen; heften; kiepen; spichteren; kwasten; kwiskwassen; schossebrokken; zoppedoppen; swijnswansen; swijnswollen; slampampen; enz. enz.--Typisch is ook het klanknabootsend element in de scheppingen der volkstaal; het is zoo goed als interprovinciaal. Hoe roept de boer het vee? De jonge ganzekuikens met wiede-wiede-wiede-wiede (of wiele enz.); de eenden met piele-piele-piele-piele; de jonge kippetjes met tik-tik-tik-tik-tikketikketik. Het roepwoord wordt, naar men ziet, meest viermaal herhaald. Dit geldt ook voor het roepen op de kippen: tuut; op de jonge katjes: pie; (het roepwoord voor oudere katten is poes); op de geit: sik; op de jonge schaapjes: suuk; op jonge kalveren: kies; op het veulen: siesken; op de koei: hooi. Biggetjes roept men door een smakkend geluid met de tongpunt, die artikuleert tegen het gehemelte. Den hond roept men bij zijn naam. Zie Driem. Bladen VI, bl. 58.
Merkwaardig zijn nog de uitermate veelvuldige en expressieve vormen, die een bevestiging, ontkenning of verwondering te kennen geven, als: ménschekinderen! héeremijntijd! wélallemáchies! kindergóads! jóngesjóngens! dit laatste is zelfs tot in Sleeswijk doorgedrongen. De ontkenningspartikel wordt somtijds verdubbeld zonder de ontkenning op te heffen; men denke aan "niets niemendal". De Maastrichtenaar kent twee bevestiginspartikels, éen gewone en éen beleefdere, welke met het is samengesteld, dus joa en joat.
De woordvoorraad en de semantiek der volkstaal eischen verder onze volle aandacht. Het is een fabel, dat deze heele voorraad slechts uit een paar duizend woorden zou bestaan. Zonder twijfel ontbreken in de volkstaal tallooze uitdrukkingen voor begrippen uit het gemoeds- en geestesleven, uit het gebied van wetenschap en techniek. Zoo is het zelfs met de verklanking der gevoelens van liefde en vriendschap gesteld, toch zoo diep geworteld, en van sommige zinnelijke waarnemingen, met name van kleur en reuk. Maar hier staat tegenover, dat het volk woorden in overvloed heeft om schakeeringen van de een of andere handeling uit te drukken, zooals wij dit zagen voor het begrip "loopen". Het kan weergeven de meest verscheiden toestanden en soorten van planten en dieren, van weêr en natuurverschijnselen in het algemeen, van lichaamsdeelen, huisraad, maten en gewichten enz. enz.
Ook moet men bij de beoordeeling van dit alles zeer voorzichtig zijn. Ik zal mij tot enkele voorbeelden bepalen, omdat, zoodra de tijdsomstandigheden dit gedoogen, het rijke voor ons dialektonderzoek bestemde materiaal ook ten bate der semantiek zal verwerkt worden. Op tal van plaatsen in Noord-Brabant, Limburg en Gelderland noemt het volk elken kleinen vogel een musch, evenals de Amsterdammer over een finkie spreekt. Wat is echter gebeurd? Het woord musch, hoogstwaarschijnlijk aan het Latijn ontleend, waar het "vlieg" beteekende (musca), heeft een groote uitbreiding, een verwijding van beteekenis ondergaan en heeft generische waarde gekregen als synoniem van "kleine vogel". Of liever, het heeft "vogel" in deze beteekenis verdrongen. De afzonderlijke vogeltjes missen dan ook geenszins hun afzonderlijke benamingen, soms ruw, andermaal geestig, steeds karakteristiek. Het muschje zelf heet b.v. te Beesel koarerakker, te Lottum koarevrêter, te Blitterswijk koarepikker of koarejietser (Limburgsch jietsen is synoniem van biesen, d.i. "vlug loopen, vliegen, schieten"), te Swolgen korepikker, te Swalmen en Neer guut (guit), te Niftrik huiskrits, te Groesbeek huusklets, te Grubbenvorst floets, te Maasbree schroep, te Helden hoeskets. Om beurt wordt het landelijke, diefachtige, huiselijke, vlugge, brutale, ja komische van dit bij uitstek populaire vogeltje voortreffelijk uitgebeeld! Men denke ook aan het Hoog-duitsche Spatz, een komische kortnaam voor Sperling. Hoe rijk vertoont zich hier de volkssemantiek, waarvan echter slechts gekleurde kaarten in den trant van die van Gilliéron een overzichtelijk en tevens verklarend beeld zullen kunnen geven.
Een ander voorbeeld. Voor "kikvorsch" kent het volk de benamingen kikker(t), kwakker(t), kwekker(t), kwakvorsch, kwakvos, kwak (Panningen), maar ook kikbil (Wanroy) en peddemoeëk(Weert). "Êrst kuulkop zeen, êr men kwakkert wêrtj", meent men te Beegden, en te Lottum gaat men hiermee akkoord: "Hê mint enne kwekvôrsch te zien, en hên is nog genne pannestart."
De groote, zwarte korrels in rijpende roggearen, het zoogenaamde moederkoren (secale cornutum), dat bij bevalling medische toepassing vindt, vanwaar zijn naam, is ook onder dezen naam bij het volk bekend. Maar het heet ook wolfskoare (Maashees), wolvepitten (Reusel), wolfstand (Nifkrik, Wanroy), doevekoare (Weert), mössekoare (Panningen), pèrdentaand (St. Anthonis, Deurne), krog (Berghem), duvelsköre (Swolgen), brantj-in-'t koare (Beegden, en met fonetische wijziging te Mheer).
Tot de belangrijkste verschijnselen op het gebied der beteekenisleer behooren wel de benamingen van den vlinder in de volkstaal. Men treft in Limburg en Noord-Brabant vooral verscheidene samenstellingen met -vogel aan; zoo b.v. zomervogel, roevogel, pannevogel, pennevogel, kapelvogel (d.i. manteltjesvogel), vereenvoudigd tot kapel, fenienvogel (rupsvogel) enz.; elders komen namen als kog, en snuffelter voor, deze laatste in noordwestelijk Limburg. Van uit het Romaansche taalgebied drong het woord pepel binnen, zooals onze isethnenkaart aanwijst.
In den zinsbouw treft ons weer vooral de analytische richting, die zich hier uit in de parataxe of nevenschikking, waar wij in de kultuurtaal meestal onderschikking aantreffen. In plaats van: "Wil je zoo goed zijn, mij dat boek te geven", konstrueert de man-uit-het-volk: "Wil je zoo goed zijn en mij dat boek geven", of: "Wil je zoo goed zijn en geef mij dat boek". Opvallend is ook de voorliefde voor werkelijke tusschenzinnen, die b.v. de bevestiging van den spreker inhouden, dàt hij spreekt, of de reden, waarom hij spreekt: "Dat kan wel zijn, zeg-ik, dat hij ziek is, zeg-ik". Hier speelt het emphatisch moment wel een hoofdrol, waarover nader. In andere gevallen hebben wij te doen met een streven naar verduidelijking, zoo b.v. in het boven aangehaalde: "wie het onderst uit de kan wil hebben, die valt het lid op den neus; --die eerst komt, die eerst maalt". Een streven naar vereenvoudiging ligt ten grondslag bij het weglaten van voorzetsels, als het taalgevoel sterk genoeg is, b.v. in de spreekwijze "hê geit heim" (Zuidlimb), voor "noa heim," d.i. huiswaarts, en bij de ellipse van woorden als "jaar" en "dag."
Wat ik als den meest markanten trek van de volkstaal beschouw is haar emphatisch, eenigszins gezwollen karakter. Luister slechts naar het verhaal van een representatief man uit den volksstand, en let op zijn breedsprakigheid, zijn samengekoppelde voegwoorden alsdat, alswanneer, luister, hoe hij herhaaldelijk spreekwoorden of zegswijzen in zijn verhaal- en betoogtrant invlecht, hoe hij aldoor vergelijkingen en omschrijvingen bezigt en in herhalingen valt, somtijds in beknopten, resumeerenden vorm: "Mijnheer, ik zeg, dat is niet eerlijk; neen, dàt is het stellig niet". Of ook: "Piet moet maar blij zijn; dàt moet-ie." Ook het negatieve parallelisme is den volksman niet vreemd.
Hij wil u de zaak ophelderen, u overtuigen. Daartoe bezigt hij--nog afgezien van gebarenspel en mimiek--krachtige, ja pikante uitdrukkingen, frekwentatieven, deminutieven, superlatieven ja desuperlatieven, zelfs dichterlijke uitdrukkingen, als het gewone hem te slap voorkomt. Inderdaad raken de dichterlijke taal en de volkstaal elkaar niet zelden, omdat beide behoefte hebben aan ruimheid en vrijheid.
Deze breedsprakigheid en zucht tot vergelijking uit zich tot in de straatroepen: "Haal Zeeuwsche moss'le, ze benne zoo fijn", --"leest burgers, leest";--"kom nou, juffrouw, kom nou";--"elft as zalm";--"rapen as kinderhoofies." De term "haal" is van ouds typisch in de straatventerstaal. Ik herinner nog aan den straatroep der vrouwen, die te Nijmegen met kersen venten: "En vier cent het pond, riep en rond." De mosselenverkoopster uit de Schietschijfstraat te St. Joos-ten-Oode roept: "Mosselen, álderschoónste mosselen!"
Hoe verder te lange en te korte woorden verdwijnen; hoe woorden en woordkonstrukties opkomen, vervormd worden, zich handhaven of de plaats ruimen voor andere, dit alles is onze aandacht overwaard en dient door gezette studie nader onderzocht. Maar reeds bovenstaande vluchtige schets heeft ons in voldoende mate het bewijs kunnen leveren, hoe door archaïsmen en neologismen, nuchtere en dichterlijke spreekwijzen, omslachtigheid en streven naar vereenvoudiging, uitsterven en herleven van woorden en taalvormen, begripsverwijding en begripsvernauwing vooral ook de golving en deining in de levende volkstaal voortreffelijk zichtbaar wordt: de wetten van integratie en differentiatie, die de hartslag zijn van elk levend taalorganisme.
II. Onze plaatsnamen.
(Met inleidend overzicht over onze persoons- en geslachtsnamen).
De namenkunde heeft zich in den laatsten tijd een belangrijke plaats in Volks- en Volkenkunde weten te veroveren. De reden hiervan is het archaïeke karakter der verschillende benamingen. Plaats-, persoons- en geslachtsnamen zijn in staat ons een menigte bijzonderheden te verhalen over dingen, die op geen andere wijze kunnen worden achterhaald; en zoo zullen zij ook over den volksaard en zijn herkomst getuigenis kunnen afleggen voor tijden, waaromtrent de taal van zeden en gebruiken, van volksopvattingen, volkskunst en volkswetenschap verstomt. Laat ik hier terloops aanstippen, hoe A. Fick er in slaagde, door middel der plaatsnamen de eenheid te bewijzen van de oude bevolking van Klein-Azië, en van het Zuiden van het Balkan-schiereiland en de eilanden in de Aegeïsche Zee vóor de volksverhuizing der Helleensche stammen; en vooral, hoe de geniale onderzoekingen van Wilh. Schulze over de Latijnsche eigennamen den diepgaanden invloed van Etrurië op Rome en de Romeinsche kultuur hebben aangetoond. De stad Rome zelf en de Tiberstroom dragen Etruskische namen.
Toch ligt het in mijn bedoeling, alleen de plaatsnamen iets uitvoeriger te behandelen, zooals reeds uit het opschrift van deze paragraaf blijkt. Reden is, dat de studie der Nederlandsche persoons- en geslachtsnamen eigenlijk meer behoort tot het domein van de geschiedenis der Nederlandsche taal in het algemeen, dan van de Nederlandsche volkskunde.
1. De oude Germanen hadden slechts éen naam, die eigenlijk gelijkwaardig was met onzen doop- of voornaam. Zoo b.v. Gerhard "de sterke met de speer", Adelbrecht, "de schitterende door adeldom", Everhard "sterk als het everzwijn", Wigburga "steun in den slag" enz. Van Gerhard (of Hardger) is dan Gero de verkleinnaam, de vleinaam (epicoristicon), streelnaam of kortnaam die, wat de funktie betreft, van Indogermaanschen oorsprong en ook Indogermaansch gemeengoed is.
Toch stelde men zich hiermee niet steeds tevreden en trachtte men ook de afstamming of verwantschap uit te drukken en wel door alliteratie (Heribrand, Hildebrand en Hadubrand: grootvader, vader en zoon in het Hildebrandslied); of ook men maakte gebruik van een deel van den vaderlijken naam om den naam van den zoon samen te stellen.
Oorspronkelijk hebben de ouders hun kind den naam gegeven als wensch, b.v. "hij moge sterk zijn als een beer": Berinhard; maar later werd deze oorspronkelijke beteekenis niet meer gevoeld en was het doel uitsluitend, den drager van een bepaalden naam van anderen te onderscheiden. Ook toen het Christendom zegevierend zijn intrede deed in onze Germaansche landen, kwam in deze naamgeving weinig verandering. De Christelijke doopnamen drukken het heuglijk feit der wedergeboorte uit of wel den dag des doopsels; maar al dagteekenen deze uit de IIIe eeuw, in onze landen heeft de kerstening lang op zich laten wachten, en het heeft allen schijn, dat de Kerk--afgezien van de namen, die een heidensche godheid aanduidden--ook hier een Oudgermaansch gebruik, waarin niets heidensch stak, liever niet met geweld wilde keeren. Slechts enkele malen vinden wij een Stephanus, Nicolaas, Johannes of Christianus, tusschen de Germaansche benamingen als verdwaald. Deze blijven regel en ondergaan regelmatig de gewone verkorting, vanwaar de namen Otte, Huig en Koen ontstonden.
Maar omstreeks de XIIIe eeuw heeft een belangrijke verandering plaats gehad. In een register van de abdij van Egmond vinden wij de namen vermeld van Jacob, Katerine, Pieter, Clare enz. naast Garbrant, Dideric en andere. Wij vinden dus specifiek-Christelijke namen, doch niet in den Latijnschen vorm, maar in dien, welken zij in de Germaansche wereld hadden aangenomen. En zoo staat het ook met de namen, gedragen door heiligen van Germaansche afkomst: zij zijn in hun Germaanschen vorm in gebruik gebleven; en eerst later zijn zij gelatiniseerd. Na de Hervorming zijn een groot aantal Bijbelsche namen in zwang gekomen. Ook heeft de Renaissance haar invloed doen gevoelen. Zoo krijgen wij dan:
a. Profane Germaansche voornamen, nog in gebruik. Men vindt deze het meest bij de Friezen, die trouwens het minst van de heiligennamen der Martyrologiën hebben gebruik gemaakt. Dit geldt ook voor Noord-Holland met zijn doorslaand Frieschen aard; de naamlijsten komen daar op treffende wijze met de Friesche overeen. Zoo luidde Dieuwer in zijn oorspronkelijken Frieschen vorm Thiadewara; Guurtje is waarschijnlijk uit Gundrada ontstaan; Ermpje is kortnaam van Ermengaarde. Men denke nog aan Wendert (Windhard), Jelbout (Ethelbold), Nanning enz. Over het groot aantal voornamen in Friesland zie R. Posthumus in den Nieuwen Frieschen Almanak 1859, bl. 49.
b. Door de heiligen van Germaanschen stam zijn tal van Germaansche namen bewaard gebleven, natuurlijk in verkorten vorm. Aldus Wilbert, Willebrord, Wille, Wilfried, Huibert, Huib, Hille (Hildebert en Hildegundis), Siegfried enz.
c. Uitheemsche heiligennamen in Nederlandsche kleedij zijn o.m. Pieter, Maarten, Trijne, Klaas, Aagje, Teunis, Nijs (Dijs, Denys, van Dionysius), Tijs. Ook Arie en Adriaan, verkort tot Janus. In België vindt men o.a. Janus, Baaf, Albrecht, Bert, Geertje (Geertrui) en Roelke (Rolendis), die men vrij wel als nationale namen kan beschouwen. Vele Belgische namen vertoonen ook een Frieschen vorm en zijn dus waarschijnlijk van Westvlaamsche herkomst. Een lijst van de meest gebruikelijke Zuidnederlandsche voornamen is uitgegeven van wege de Koninklijke Vlaamsche Akademie (Gent 1902).
Merkwaardig is het feit, dat niet alleen elke streek, maar tot elke stad, ja elk dorp haar geliefkoosde voornamen heeft, die zich natuurlijk plooien naar de eischen van het plaatselijk dialekt. Maar over het algemeen raken de zuiver-Germaansch klinkende namen wel wat in de verdrukking. Terecht maakt hier J. J. Graaf de opmerking in zijn voortreffelijk werkje over Nederlandsche Doopnamen (Bussum 1915): "Wij ... meenen maar altijd, dat we, openlijk optredend, eerst dan naar behooren voor den dag komen, als we in het Latijn worden aangediend. En toch hebben we in den taalschat onzer vaderen wel degelijk vaderlandsche namen, die, in goed Nederlandsen, waardige vormen zijn voor de Grieksche of Latijnsche doopnamen. Maar ze zijn helaas, door onverstand in minachting geraakt, als waren zij ook slechts verbasteringen van een alleen-fatsoenlijk Latijn" (bl. 16).
Zie verder Joh. Winkler, Studiën in Nederlandsche Namenkunde (Haarlem 1900), bl. 171, 196, 225 vlg.; De Nederlandsche Geslachtsnamen in oorsprong, geschiedenis en beteekenis (Haarlem 1885); Friesche Naamlijst (Leeuwarden 1898); Boekenoogen in zijn Inleiding op de Zaansche Volkstaal, bl. LXXXIV vlg.; Onze Voornamen, in De Gids, Aug. 1890, bl. 448 vlg.; Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 124 vlg.
2. De persoonsnaam was aanvankelijk en gedurende langen tijd de eenige benaming onzer Germaansche voorouders, en hierin bleven zij de Indogermaansche gewoonte trouw. Alleen de Romeinen bezaten een drievoudige benaming, bestaande uit persoons-, geslachts- en bijnaam; maar wij weten, dat dit benamingssysteem van Etruskische herkomst is.
Langzamerhand kwam een tweede naam op, voortgesproten uit de wenschelijkheid, iemand van een ander met denzelfden naam te onderscheiden, en ook uit de neiging tot het geven van bijnamen of spotnamen. Daar zijn ook in ons land bepaalde steden, die hierin uitmunten, en hoe intiemer het samenleven, hoe krachtiger deze neiging zich uit. Maar toen de bevolking aangroeide en deze aanwas de individuëele personen met heillooze verwarring bedreigde, werd een tweede naam haast noodzakelijk. Hiertoe koos men den naam van den vader of van de moeder, van den echtgenoot, van het beroep, van de woonplaats, of hiertoe konden ook de gemelde spotnamen dienst doen. Geslachtsnamen, met hun kenmerk van vastheid en onveranderlijkheid, werden deze namen echter eerst in den aanvang der XIXe eeuw, toen zij met de invoering van den Burgelijken Stand een staatsrechtelijk karakter kregen. Trouwens ook heden ten dage is het niet overal een vaste gewoonte, iemands geslachtsnaam te gebruiken, vooral ten platte lande. Men noemt iemand: "Jan van Piet", of "van Pieten"; "Klaas van Trijn", of "van Trijntjes"; men spreekt van "Dirk den Schilder", "Jan den Mulder", "Willem den Slager"; men heet iemand "Klaas van den Molen", "Jan van de Brug"; en vooral in het Oosten en Zuiden van ons land duidt men iemand gaarne aan door den naam der hoeve, waar hij geboren is: "Zandhof Willem". "Kees van den Krom" is Kees, wonende bij een kromming van den weg, en in "Mottige Willem" dient de spotnaam als herkenningsnaam en is op weg naar den geslachtsnaam.
Voor de vorming der geslachtsnamen maakte men vaak gebruik van het Germaansche achtervoegsel -ing, dat de beteekenis aannam van "behoorende tot het geslacht van." Zoo ontstonden de namen der bekende koningsgeslachten bij de oude Franken: de Merov_ingen_, de Carol_ingen_, de Capet_ingen_. Maar zoo ontstonden ook onze Frankische geslachtsnamen Benning (zoon van Benno), Nolting, Budding; de Saksische Geerdink, Abbink, Eggink; de Friesche Stallinga, Idsinga, Hattinga.
De patronymica gaan uit op -zoon (-sone, -soen), -son, -sen, -se, -s: Jansen, Harmsen, Japikse, Bartels; maar ook op -en, den zwakken tweeden naamval enkelvoud, en op -ens, een jongere vorming; deze -en wordt als tweede naamval nog gehoord in het Strand-hollandsch, waar men spreekt van "Dirken waegen", "Krijnen dochter." Zóó ontstonden de namen Huijgens en Huijgen. In namen als Smaassen (Maas ontstond uit Thomas) gaat de s aan den genitief van den naam vooraf. Vlaamsche vadersnamen hebben vaak het voorvoegsel ser- (des heren) en ver- (der vrouwen): Serclaes, Vertruyen.
Een belangrijke groep geslachtsnamen heeft van als voorvoegsel, gevolgd door een bijzonderen of algemeen aardrijkskundigen naam. Dus of: Van Deventer, Van Vlijmen, Van Wamel, Van Schijndel of: Van Dijk, Van den Heuvel, Van den Berg, Van der Molen, Van der Heide. In plaats van de praepositie van vindt men niet zelden aan en in, waardoor met plaatselijke dialektische vervorming de Limburgsche geslachtsnamen Aangevoort, Aengenent, Ingendael ontstonden. Omslachtige omschrijvingen als Van den Eerenbeemt, Van de Cleemputte, Van de Crommenacker enz. vindt men meestal in ons zuidelijk volksgebied.
Op lichamelijke eigenschappen wijzen de geslachtsnamen De Lange, De Vette, De Jong, Mooi, Blauw, De Wit, De Bruin enz., maar ook: Langbeen, Spillebeen, Crombeen e.a. Vele dezer familienamen vinden hun oorsprong in spotnamen. Eindelijk wordt een zeer groot aantal verklaard door ambacht of uithangbord: In de Swaen (De Swaen, Swaen), Van der Ploeg, Van de Wijnperse, Spillemaeckers, Brouwers, Smids enz.
Het zuidelijk volksgebied had eenige jaren vroeger min of meer vaste geslachtsnamen dan het Noorden. Hierin is de verklaring te zoeken van het feit, dat er meer namen van zuidelijken oorsprong te vinden zijn in de noordelijke gewesten, dan omgekeerd.
Laat ik ten slotte nog wijzen op enkele eigenaardigheden, die den volksstam kenschetsen. De Friesche patronymica gaan uit op de tweede naamvals-suffixen -inga en -a; maar ook op -ma, d.i. man, met de beteekenis van "zoon, afstammeling, hoorige"; terwijl -stra dient om van bijzondere plaatsnamen Friesche geslachtsnamen te vormen, b.v. Dijkstra. Verder vertoonen sommige op algemeene wijze gevormde geslachtsnamen eigenaardige Friesche voornamen, als Sikkes en Doedes, andere zijn met typisch Friesche woorden samengesteld. Zoo beteekent Soepboer: karnemelkboer; Bouwfeint: knecht van een landbouwer; Skriemer: iemand die weent of schreit.
De Groninger namen zijn met de Friesche nauwverwant, vooral de geslachtsnamen op -sema: Geertsema, Ilpsema. Eigenaardig zijn de--trouwens ook Friesche--namen met den uitgang -ker, -tjer, die de herkomst uit de een of andere plaats of streek aanduiden: Veenker, Woltjer (woudbewoner). Buitenmate groot is het aantal namen, dat uitgaat op -huis; deze waren oorspronkelijk aan huizen, en niet aan personen eigen: Bolhuis, Dijksterhuis. Drente sluit zich bij Groningen en Friesland aan. De Saksische namen worden gekenmerkt door de patronymica op -ink en de voorzetsels ten, ter, te, antwoordend op de vraag: "Waar woont gij?" B.v. Ten Bruggencate. In Overijssel ontmoet men de namen op -belt, kleine hoogten in het veen, b.v. Knottenbelt. Ook Holland kent veel Friesche namen. Een eigenaardigheid der Noordhollandsche familienamen in het algemeen, en der Zaansche in het bijzonder, is de kortheid, laat ik zeggen het monosyllabisme: Top, Pot, Pan, Pont, meestal wel teruggaande op een Frieschen voornaam in zeer verkorten vorm. De namen in Zeeland, Brabant, Limburg en Vlaanderen vertoonen het Frankisch cachet. In Noord-Brabant zijn vooral talrijk de namen op -mans: Heuvelmans, Mosmans. De Westvlaamsche gaan vaak uit op -inck, -ynck, -incx, b.v. Teirlinck, Hebbelynck, Warblinckx. Op Frieschen inslag wijst weer het feit, dat wij zooveel Westvlaamsche geslachtsnamen in Friesland weervinden.
Natuurlijk wijzen ook namen als De Smed (smid) en Temmerman (timmerman) op Zuid-Nederland; en evenzeer Zulver (zilver) op Noord-Holland, Groenewolt, Saverkoul, Eekholt op het Oosten van het land, D'Haese, D'Hont op België. Zie vooral het boven aangehaalde werk van Joh. Winkler over de Nederlandsche Geslachtsnamen; verder Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 131; Boekenoogen, Zaansche Volkstaal CIII; Driem. Bladen I, bl. 29; V, bl. 101; XII, bl. 122.
3. Bij de studie onzer plaatsnamen komen de oudste lagen van onzen volksaard weer aan het licht; maar moeizaam is het opdelven. Op bl. 5 van het Eerste Deel gewaagde ik reeds van de Keltische herkomst der benamingen van de steden Nijmegen, Wijk-bij-Duurstede (?), Arnhem, Batenburg (?), Loosduinen, Heerlen is het oude Coriovallum, en onze drie groote rivieren: Rijn, Maas, Schelde dragen beslist Keltische namen, dus ook de talrijke plaatsnamen, die met een dezer riviernamen zijn samengesteld. Over het algemeen steekt in deze soort plaatsnamen veel waardevol taalgoed. Maar het onderzoek wordt hierdoor bemoeilijkt, dat sommige rivieren blijkbaar van naam verwisseld zijn, en anderzijds, dat rivieren hun loop hebben gewijzigd. Försteman beschouwt het in zijn Deutsche Ortsnamen als een der merkwaardigste uitkomsten zijner onderzoekingen, dat eertijds een Keltische volkstam zich van het Noordoosten naar het Zuidwesten gericht heeft en ongeveer ter hoogte van Keulen den Rijn overschreed. Den tak, die naar Nederland afboog, vinden wij deels aan den IJssel, deels in de Maasstreek: Edana, Adanhe (Först. 510); Edesthorpa (Först. 509); Adingamore (Först. 137), Antwerpen; verder Carambunt, Adrichem (Först. 138). Van Holland wijst de stroom naar Vlaanderen, waar de omstreken van Gent Keltische volksplantingen vertoonen, b.v. Pitelinghem, Addingahem. Zie ook K. Kaiser, Die Kelten des Bardengaus (Hannover--Berlin 1909), maar met omzichtigheid te gebruiken. In Holder's Altkeltischer Sprachschatz vinden wij eveneens enkele Nederlandsche plaatsnamen als Keltisch verklaard; zie echter Cuvelier-Huijsmans, Toponymische studie over de oudere en nieuwere plaatsnamen der gemeente Bilsen (Gent 1897), bl. 36 vlg. J. Claerhout, Het Belfort 1896, 2, bl. 287 (vlg. 1897, 2, bl. 200) wijst op de plaatsnamen Gennep, Epe en Velp, die op het wellicht Keltische apa "water" berusten; en verder op Thuine bij Lingen, dat in 't jaar 1000 Dune heette.
Ook de invloed van de Romeinen op volksaard en volkskultuur wordt door onze plaatsnamen betuigd; zie Deel I, bl. 10, waar de meeste plaatsen zijn aangegeven. Ik voeg hier nog bij Santpoort: Sancta Porta; Kestre: Castra; en Kemenade: Caminata. Maar het overgroote meerendeel is toch van Germaanschen oorsprong. Ik dien hier eigenlijk te beginnen met de huisnamen welke, zooals wij zagen, vaak geslachtsnamen geworden zijn, maar anderzijds ook niet zelden uit persoons- en familienamen ontstonden: Stevenshuis, Hendriken, den Egberink, Wesselshuis; en eveneens uit ambt, handwerk of bedrijf: de Karsman, de Kistenmaker, de Roodververij, ter Meulen, Timmerije, Smitterije. Het Limburgsche dorp Reuver, eigenlijk Den Reuver, ontleent zijn naam aan een hoeve, waarschijnlijk toebehoorende aan Johan de Rover. De Enkevoort, een hoeve onder Baarloo, is naar de Enckevoorts genoemd; zie Limburg's Jaarboek II, bl. 292. Een menigte boerenhoeven heeten ook naar den eigenaar, van wien men ze in pacht heeft, b.v. Sandershof.
Een huis bij de oude landweren heette Landweer, en nabij de slagboomen en de verdedigingswallen vond men meestal den naam Runneboom. Een groot aantal huisnamen is ook ontleend aan de uithangteekens. Hiertoe behooren ten deele de diernamen, als Nachtegaal, Koekoek, Snip, Pedde; maar zij kunnen ook op persoonsnamen berusten, of wijzen op de omgeving, de ligging van het huis, wat vrij zeker lijkt van namen als Oelenhorst en Kraaienbelt. Zoo ook Valkenborg, Bijenhof, Voskamp. Van omgeving en ligging vertellen ook Lindeboom, Eikenhof, Sparrendaal, Hageveld, Muggebroek, Hulshof, Veenendaal, Lovendaal, Leemkuil, Stuivezand; aan bepaalde gebeurtenissen herinnert wellicht een naam als Jammerdaal.
Volgen de benamingen van landerijen. Dikwijls wordt de bestemming uitgedrukt, vanwaar namen als Vaarzenweide, Schapenkamp, Schaapsdijk, Ossenland, Bulven d.i. het stukje land, waarop de stier, de bul, alleen weidt, te Venloo volksetymologisch vervormd tot Bultenven. Andere stukken worden genoemd naar den eigenaar, waarbij valt op te merken, dat het stuk bij wisseling van eigenaar niet altijd ook van naam verwisselt: Heintjesven, Louwesakker; weer andere stukken drukken de plaatselijke gesteldheid uit: Steenkamp, Muizenven, Vlietsven, Ilpakker, of worden bepaald door hun vorm: Lange Stuk, Tweebeen, Splitkamp; enkele namen zijn ook historisch, als Galgeland, Schinderskuil, Paaschweide, en eveneens Spaarpot, Koekepan, Kibbelaar of Twistgrond. Zie vooral Boekenoogen, Zaansche Volkstaal bl. CXXII, en Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 270 vlg. Eigenaardige namen dragen ook niet zelden de polders of sluizen; zoo b.v. Achterklapspolder, Boerenverdriet (waar de boeren met hun groenteschuiten lang moeten wachten), Kijfhoek, Kostverloren (als de aanleg onnoodig blijkt), Pannekoek, Schuddebeurs (die veel geld kostte), enz.; zie E. Laurillard, Op Uw stoel door Uw Land (Arnhem-Nijmegen 1901), bl. 270.
Vrijwel dezelfde faktoren zien wij werkzaam bij het benoemen onzer dorpen en steden. Trouwens verscheiden plaatsnamen blijken zich uit benamingen van landerijen te hebben ontwikkeld, ik herinner slechts aan Barneveld, Meerveld, Pijnakker, Franeker, d.i. Vroonakker. Andere wettigen althans gegronde vermoedens, als 's Heerenhoek, Zandkoek, Zuidhorn, Plorn, Uithoorn, waar horn de beteekenis heeft van "hoek".
a. Nederland is een waterland bij uitstek. Vooral het Noorden van ons land, door rivieren, grachten, kanalen doorsneden, wordt geheel door de golven omspoeld en zoo heeft het dan een voortdurenden strijd te voeren tegen het vochtige element, bron van welvaart en rampspoed, van trots, van blijheid, maar ook van duizend bange zorgen. Ligging en strijd met het water zullen in ruime mate tot uiting moeten komen in de plaatsnamen.
-Dam: Amsterdam, Zaandam (uit Zaanredam), Appingedam; -dijk: Odijk, Langendijk, Dijken; -sluis: Maassluis, Nieuwersluis; -rak (strook lands langs het water gelegen): Langerak, Gouderak; -beek: Oosterbeek, Bierbeek (Zuid-Brabant), Hilvarenbeek (Noord-Brabant): in Brabant, met zijn door beekjes versnipperd grondgebied, zijn de benamingen met -beek buitenmate talrijk; -meer: Diemermeer, Meerkerk, Boxmeer; -monde (Frankische vorm): IJsselmonde, Rupelmonde, Roermond, Helmond; -muiden (Saksisch-Friesche vorm): IJsselmuiden, Cellemuiden, Genemuiden, merkwaardig in het Zeeuwsche Arnemuiden en in het Westvlaamsche Dixmuiden; -broek: Lutjebroek, Oldebroek, Bennebroek, Broekhuizen; -ooi (weiland, aan het water gelegen en verwant met "ouwe" in Rijnouwe en landouw): Renooi, Wadenooien, Genooi; -waard, weerd, voord (ingedijkt land): Zandvoort, Bekevoort (Brabant), Lichtevoorde, Amersfoort, Bolsward, Valkenswaard, Weert, Stevensweert, Bredevoort, Westervoort. De namen op -voort vindt men vooral in de Lijmers en de Graafschap; bewesten het land van Maas en Waal beginnen de namen op -waard, als Heerewaarden; -vliet: Poortvliet; -a (of aa, Oudgermaansch woord, dat "water" beteekent): Breda; -veen: Rouveen, Venloo, Loven, Zutfen; -zijl (sluis): Delfzijl, Blokzijl; -veer: Wormerveer; -polder: Willemspolder; -brug: Brugge, Diemerbrug enz. Onnoodig hier te gewagen van de plaatsnamen met riviernamen samengesteld, voor zoover de rivier de plaatsnamen karakteriseert.
b. Maar Nederland is niet slechts een waterland. Lommer en koelte wuiven u tegemoet in bosschen en hagen, en de zegen der vruchtbaarheid rust op akkers en velden: -woud (Frankische vorm): Woudenberg, Berkenwoude, Katwoude; -wolde (Saksische vorm) Ruinerwolde, Finsterwolde; -bosch: 's Hertogenbosch, Oudenbosch, Neerbosch; -haag: 's Gravenhage, Prinsenhage; -hout: (Frankische vorm): Voorhout, Aardenhout, Oosterhout, Turnhout; -holt (Saksische vorm): Posterholt, Engelanderholt; -horst (dicht kreupelhout, struikgewas): Horst, Nederhorst, Staphorst; -veld: Meerveld, Barneveld; -akker: Pijnakker, Franeker (Vroonakker), Oostakker.
c. Een kerkelijk karakter dragen natuurlijk op de eerste plaats de namen op -kerk: Oudekerk, Lekkerkerk, Grijpskerke;--maar ook de namen, samengesteld met het verwante -kerspel, -karspel (van kercspel, evenals kermis van kercmisse, met de beteekenis van "kerkgebied"): Bovenkarspel, Weesperkarspel; -parochie: Sint Annaparochie, Jacobiparochie. Groot is het aantal plaatsnamen, die heiligennamen zijn, of althans hiermee samengesteld: Sint Nicolaas, Sint Truiden, Sint Anne ter Muiden, Sint Joris Winge (Z.-Brabant), Sint Odiliënberg.
d. Onze plaatsnamen bergen ook historie. Gaarne vermelden zij den naam van een persoon en een door iemand bekleede waardigheid: 's Hertogenbosch, 's-Gravenhage, Zierikzee (waarschijnlijk verkort uit Zierikseport, d.i. stad van Zierik, d.i. van Siegerik), Stevensweerd, 's Heerenberg, Hillegom, Doetinchem: huis van den zoon van Dodo. Aan den oorsprong der plaats herinneren de stedenamen op -burg: Middelburg, Doesburg, Valkenburg en, met behoud van het oude, vrouwelijke woordgeslacht, Terborg.
e. Sommige plaatsnamen drukken slechts in het algemeen een wijkplaats uit, vooral die op -wijk, poort, donk, dorp, stad: Katwijk, Nieuwpoort, Beek en Donk, Raamsdonk (deze soort vooral in Brabant), Noorddorp, Willemstad; -heem, heim, veelal verkort tot -hem, -em, -um, -om: Heemstede, Herdershem, Reckhem, Hattem, Woudrichem, Sassenheim, Haarlem (Heslehem), Heukelum, Heelsum, Hillegom, Bennekom (Benninchem).
f. De plaatsnamen op -ingen en -ongen drukken, zooals gezegd (I, bl. 16), meestal de afstamming van een bepaalden persoon uit.
g. Eigenaardige vormen vertoonen de Friesche en Groninger plaatsnamen. Zij staan niet buiten de boven beschreven groepen, maar vormen toch in hun Friesche kleedij een merkwaardige eenheidsfiguur. Over den aard der nederzetting en vestiging vertellen ons: Ureterp; Poppingawier, Oosterwierum, Engwier; Holwerd, Rauwerd; Gaasterland; Grootegast, Lutjegast, waar gast evenwaardig is met het Hollandsche geest, b.v. in Endegeest, Oestgeest. Ik vermeld nog: Tietjerkseradeel (tjerk beteekent kerk); Oostergo (gouw); Weststellingwerf (stelling beteekent rechterstoel); Abbega, Oudega (ga, gea is dorp); Munnekezijl, Pieterzijl; Koningsdiep (diep is een kanaal of gegraven vaart). Zie Friesche Volksalm. 1840, bl. 137; 1841, bl. 165.
h. Sommige plaatsnamen werden ook door den lokatief uitgedrukt, die met den datief is samengevallen; b.v. Venendaal, d.i. -dale, Bloemendaal, d.i. -dale: in het Bloemendal. Zoo ook Nieuwersluis, Ouderkerk; en verder Den Haag, Den Helder, Den Bosch; eindelijk de plaatsnamen op -ingen, -schoten, -hoven, -huizen, -buren, -bergen enz., b.v. Groningen, Voorschoten, Vollenhoven, Veenhuizen, Kloosterburen, Steenbergen. Plaatsbepalend is ook het voorzetsel te, de proklitsche vorm van toe (mag ik belangstellenden even wijzen op het verwante Oudlatijnsche en-do?), b.v. in Terborg, Terneuzen; ook op komt herhaaldelijk voor: Opbroek, Opmeer.
Aldus zijn onze plaatsnamen gegroeid uit enkel- of meervoudige karakteriseerende benamingen van nationalen, historischen, kerkelijken, plaatselijken aard. Zij zijn een organisch produkt van den volksgeest, die oorspronkelijk alleen de bedoeling had, die plaats te kenmerken en te onderscheiden van andere, en niet, haar een blijvenden naam te geven. Zij hangen dus innig met de plaats zelve samen en zijn derhalve geen kunstprodukt, geen opgeplakte etiketten, zooals de nieuwere plaatsnamen,--even kunstmatig trouwens als de stichting van het dorp, de stad, die zij heeten te kenmerken. De etymologische, historische, folkloristische waarde van zulke moderne benamingen is nul.
Ten slotte nog enkele beschouwingen over de vormingen op -loo, -drecht, -rode: rade.
Loo is de oude vorm voor "akkermaalshout, eikenbosch". Wij vinden het in plaatsnamen als Venloo (Veenbosch), Corbeek-Loo, Tremeloo, Baarloo; maar ook in Grolle (naast Groenloo), Wamel (uit Wameloo), Gorsel (uit Gerstloo), Pamel, Steenhuffel enz. Den uitgang -drecht vindt men in Woensdrecht = Wodani Trajectum (I, bl. 90), Papendrecht, Zwijndrecht. Somtijds beteekent het "veer, overvaart", andermaal "drift", d.i. veedrift, weideplaats, waarheen het vee gedreven wordt. Wij hebben hier weer de Frankische cht uit ft, zie bl. 39. Waar wij te doen hebben met het Latijnsche traiectum, als in Woensdrecht en eveneens in Utrecht en Maastricht, wordt beslist een veerplaats of doorwaadbare plaats aangeduid.
Het meest belangrijk uit taal- en vooral uit kultuurhistorisch oogpunt zijn wel de plaatsnamen samengesteld met -rode en -rade. Zij herinneren, evenals die op -woud, -holt, -loo, -horst, aan het feit, dat zoovele oude nederzettingen werden gevestigd aan den rand van een bosch. Langzamerhand werden de boomen gerooid en het land omgeploegd, en aldus voor bouwland geschikt gemaakt, en zulk land heette rode of rade. Zie over dit onderwerp vooral Gallée, Nomina Geographica Neerlandica II, bl. 32 vlg., III, bl. 348, 352; Jos. Habets, ib. bl. 73 vlg.
Wij weten, dat de marke een grensland was, een binnen bepaalde grenzen omsloten gebied. Ieder markgenoot had recht op een of meer aandeelen in de onverdeelde gronden; hij mocht dus ook in later tijd bepaalde gedeelten ontginnen, die dan wéer later in privaatbezit overgingen. Rode en rade drukken dus den aard der werkzaamheid uit èn het verkregen resultaat. Een vaste grenslijn tusschen de plaatsnamen met beiderlei vormen samengesteld is moeilijk te trekken, te meer, daar de vroegere spelling van een plaatsnaam zoo vaak afwijkende vormen vertoont. Over het algemeen mag men echter zeggen, dat namen met -rade bezuiden de Uerdinger linie, dus in Ripuarisch Limburg, het meest voorkomen: Asenraai, Bingelrade, Doenrade, Vaasrade, terwijl het domein van het Salische Frankisch voor het meerendeel den vorm -rode vertoont: Brederode, Berkenrode, Sint Oedenrode. In België vindt men, met uitzondering van Rade bij Lembeek en Rath bij Antwerpen, uitsluitend rode: Sint Pietersrode, Nieuwrode, Waanrode enz., een feit van niet te onderschatten beteekenis, vooral wanneer men bedenkt, dat de namen op -rade eigenlijk slechts in de Nederlandsche provincies Limburg, Overijssel en Gelderland voorkomen. Westelijk van de Maas, en in de provincies Noord-Brabant, Holland, Zeeland en Utrecht vindt men -rade zoo goed als niet (merkwaardig is echter de groep Venray, Tienray, Castenray). Ook in het zuiden en in het midden van Hessen hebben de namen op -rode en -roth verre de bovenhand, en eveneens in de streken, die zuidelijk van de Moezel gelegen zijn. Maar in oostelijke en noordoostelijke richting heerscht pariteit tusschen -rode en -rade, tot in Sleeswijk toe. Dit alles wijst in ieder geval op een grooter eenheid voor de bevolking der westelijke en zuidwestelijke rode-groep.
Hiermee is weer een belangrijk gegeven gewonnen voor de stambepaling van ons land. Ook de studie eener enkele provincie kan ons hiervan overtuigen. Beschouwt men de plaatsnamen van Gelderland, dan zal men zien, dat een deel, grootendeels ten oosten van den IJssel, en als welks zuidgrens ten naasten bij de Oude IJssel kan dienen, in taalkundig opzicht dichter bij de plaatsnamen van Overijssel staat, terwijl de plaatsen tusschen Waal en Maas meer tot het Brabantsch naderen, die in de Lijmers zich eng aansluiten aan de taal van het land van Kleef en Emmerik, en het Noorden van de Veluwe tot aan het Gooi weer meer het idioom van de Graafschap en Overijssel nadert. Naar wij zien, komt hier het Saksisch, Frankisch en gemengd Saksisch-Frankisch karakter der bevolking vrij goed tot zijn recht.
Ook op Franschen bodem treft men Nederduitsche plaatsnamen aan; zie hierover Joh. Winkler, Plaatsnamen in Frankrijk (Gent 1894). Hoofdbron voor de studie der plaatsnamen zijn de ten deele aangehaalde studiën in de Nomina Geographica Neerlandica, uitgegeven vanwege het Nederlandsch Aardrijkskundig Genootschap. Zie ook Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal, bl. 139 vlg.; C. V. D. Bergh, Handboek der Middelnederlandsche Geographie2, passim; R. Andree, Braunschweiger Volkskunde, bl. 59, vlg.; Tijdschrift IV, bl. 212; Friesche Volksalman. 1897, bl. 48.
4. Nadere opmerkzaamheid verdienen nog de straatnamen, die een eigenaardige, vrij zelfstandige groep vormen te midden der Nederlandsche plaatsnamen. Hier geldt dezelfde opmerking, dat nl. de onbewuste benamingen--wat betreft het doel der naamgeving--ook de meest karakteristieke zijn, althans eenigermate innerlijk met de bedoelde straat samenhangen. Kunstmatig is de naamgeving naar bekende persoonlijkheden, hoeveel goeds en nuttigs daarin ook mag gelegen zijn, en hoe onbeduidend de organische straatnamen ook mogen lijken of zijn. Tot de meest eenvoudige behooren Langstraat, Hoogstraat, Houtstraat, Beekstraat, Nieuwstraat, Breestraat, Varkensmarkt; verder namen, die de richting aangeven en natuurlijk meer belang hadden in een tijd, die geen stoomwezen of elektriciteit kende: Utrechtschestraat, Naamschestraat, Mechelschestraat, Haarlemmerstraat. Herhaaldelijk treffen wij hier dezelfde formatieve bestanddeelen aan als in de namen van steden en dorpen; zoo b.v. Bemuurde Weerd (Utrecht), de dijk langs de Vecht, even beneden de stad. Historische namen zijn niet b.v. Waterlooplein of Plein 1813, maar wèl de Venloosche Keisersgats (steeg, vlg. Gasse), waardoor keizer Napoleon volgens de overlevering zijn weg nam. Hiertoe behooren ook--of zullen behooren--de straatnamen, die wijzen op kerken, gestichten, kloosters, in die straat gelegen: Mariastraat, Jansstraat, Minrebroederstraat, Agnietenstraat,--ik behoef hier slechts een greep te doen in de straatnamen van Utrecht, zoo rijk aan historie! De Utrechtsche Keistraat schijnt haar naam te danken aan het huis De Krakeling, door Jonker Meyster gebouwd Achter Sint Pieter, en waar een stuk kei boven de achterdeur was aangebracht; zie Scheltema, Mengelwerk V, 2 bl. 214. De Groninger Kijk-in-'t Jatstraat schijnt aldus genoemd naar het hoekhuis, prijkend met een zonderlingen kop, waaronder de woorden: "ick kick nog int", dat moet worden aangevuld door: "in 't jat", d.i. ik kan nog in de straat zien; zie Groninger Volksalman. 1838, bl. 134. Natuurlijk vinden wij in de straatnamen ook tal van verouderde vormen, b.v. rak in Damrak, met de beteekenis "strook land langs het water", en in het Venloosche Schriksel, immers het werkwoord schrikken, Middelnederl. scricken, beteekende oorspronkelijk "met groote passen loopen", ook "springen", men denke aan schrikkeljaar. Het Hasseltsche schrikschoen beteekent "schaats."
5. In de plaatsnamen vertoont zich op zeer sprekende wijze het psychologisch moment van den klemtoon, zoowel in plaatsnamen in den engeren zin des woords (stads- en dorpsnamen), als in namen van straten, grachten enz. Deze klemtoon wordt door Jespersen zoo juist de Einheitsdruck genoemd, omdat hij wil vereenigen wat bijeenbehoort, en scheiden, wat dient uit elkaar gehouden te worden. Dit accent is nu eens initiaal, dan weer finaal. Rust de klemtoon op het eerste lid, dan verleent hij dit een zekere waarde; wij kunnen dan spreken van waardeaccent. Daarentegen ligt de eigenlijke karakteristieke eenheidsklemtoon steeds op het laatste lid. Hierdoor wordt sterker de eenheid van het geheel op den voorgrond geschoven, doordat men nl. over het eerste lid als 't ware heenglijdt, en den hoorder voorbereidt op hetgeen komen moet; en dit is weer overeenkomstig den algemeenen regel, dat de spreker het tempo verhaast, als hij er zich van bewust is, dat hij nog een lange reeks van klanken moet afwerken. Hij spreekt dan "in éen adem." Aldus spaart de spreker in deze benamingseenheid zijn krachten op voor het laatste lid als einddoel, en hij slaat de finale zoo krachtig mogelijk aan. Ook de hoorder vat eerst bij deze finale de voorafgaande syllaben samen. Wij spreken hier van het eigenlijke eenheidsaccent. Vgl. Jespersen-Davidsen, Lehrbuch der Phonetik (Leipzig 1904), bl. 175, 212.
Bij woorden als bloémkrans, áchterdeur, uítpakken, in tegenstelling met burgemeéster, volvoéren, misbruíken, verpákken is dit alles helder en klaar. Maar bij aardrijkskundige namen, vooral bij plaats- en straatnamen wordt de zaak meer ingewikkeld, en alleszins gerechtigd was een vraag, door Prof. Niermeijer over "De klemtoon in Amsterdamsche straatnamen" in Vragen en Mededeelingen I, Ser. I, 8, 25 Febr. 1910, bl. 92 gesteld.
Het wil mij voorkomen, dat wij, uitgaande van de natuur en de algemeene vereischten voor waarde- en eenheidsaccent, voor aardrijkskundige woorden den regel aldus kunnen formuleeren: 1. Zij dragen het initiale accent, wanneer het eerste lid als het voornaamste beschouwd wordt; zij dragen het finale accent, wanneer het tweede lid òf het geheele woord belangrijker beschouwd worden dan het eerste lid. 2. Het eerste lid kan als het belangrijkste beschouwd worden òf om zich zelf, òf ter wille van de tegenstelling. 3. Het tweede lid wordt als het belangrijkste beschouwd, wanneer men oordeelt, dat het de plaats op voldoende wijze bepaalt.
Laat ik nu allereerst als voorbeeld kiezen de straatnamen der stad Venloo, wat men mij als geboren Venlonaar niet ten kwade zal duiden. Men zegt: Kérkstraat, Maásstraat, Vleéschstraat enz.; maar Maaspoórt, Keulschepoórt, Gelderschepoórt, Roermondschepoórt, en eveneens Oude-márkt, Ariënsplaáts, Hakkesplaáts. Waarom? Omdat men desnoods kan zeggen: "die of die persoon woont aan de poort, op de markt, op de plaats", welke aanduiding dan nader kan worden bepaald; maar het is vlakweg onmogelijk te zeggen: "hij woont in de straat". Zoo kan men ook best zeggen: "hij woont op het Schriksel", en daarom draagt bij samenstelling deze straatnaam zelfs terwille van de tegenstelling niet het initiale accent: Maasschríksel, Helschríksel. Slechts als antwoord op de vraag: "Op wèlk Schriksel?" zal het antwoord luiden: "Op het Maásschriksel" of "op het Hélschriksel". Maar waarom dan Moésmarkt (groentemarkt)? Omdat de koop- en verkoopwaar hier het eerste lid tot het voornaamste maakt.
Maken wij nu de toepassing voor de Amsterdamsche straatnamen. Altijd: Heerengrácht, Prinsengrácht, Martelaarsgrácht;--Torensluís, Weteringscháns, Nieuwendíjk, Zeedíjk, Muiderpoórt, Weesperpoórt, Waterloopleín, Marinierspleín, Nieuwmárt. Het meest kenschetsende, en op-zich desnoods voldoende lid draagt het accent. Maar: Heérenstraat, Prínsenstraat, Kálverstraat, waar straat ten slotte een soort van toonloos achtervoegsel geworden is; en eveneens: Bótermarkt, Áppelenmarkt. Schijnbare uitzonderingen zijn Utrechtschestraát, Leidschestraát (evenals te Leiden Haarlemmerstraát), omdat straat daar oorspronkelijk de beteekenis had van "straatweg". Ook het initiale accent op Káttenburg en Wíttenburg is goed verklaarbaar, omdat -burg alle determineerende beteekenis verloren heeft. Wat eindelijk het accent op de samenstellingen met steeg betreft, dat hangt af van een plaatselijk waardeeringsoordeel. In de meeste steden schijnt men het met gracht, plein op éene lijn te stellen, en zoo spreekt de Amsterdammer dan ook van Halvemaansteég, Torensteég, Balkinhetoogsteég, Heintjeshoeksteég; te Rotterdam daarentegen schijnt men te accentueeren: Mólsteeg, Hoófdsteeg.
Ten slotte de plaatsnamen. Men kan zeggen: "Hij woont op den Dam, in de Meer", vandaar: Amsterdám, Watergraafsmeér, Enkhuízen, Blokzíjl; maar: Voórburg, Veénendaal, en eveneens Vénloo, Óploo, Héngeloo, Zwíjndrecht, Dórdrecht, Sássenheim, Núnhem, Aúdergem (Brabant), Sint Oédenrode.
Nu konstateeren wij, dat het finale accent, het ware eenheidsaccent, veld wint ten koste van het initale waardeaccent; en wel, omdat de naam langzamerhand meer in waarde en beteekenis verliest, afslijt en zuiver formule wordt. De plaatsnamen volgen in deze de algemeene sociale richting der taal, en zij zullen te spoediger deze richting volgen, naarmate de plaatselijke taal een levendiger sociaal karakter draagt. Zoo zien wij het initiale accent vaak in finaalaccent veranderen. Maar zoo gebeurt het ook, dat sommige plaatsnamen verschillend worden uitgesproken. De bewoners zelf noemen hun woonplaats b.v. Genemuíden, omdat de naam voor hen tot simpele aanduidingsformule is afgesleten; terwijl personen daarbuiten ofwel het oorspronkelijke initiale accent nòg houden, of ook blijven houden, om de plaats van andere op -muiden te onderscheiden, en dus zeggen: Génemuiden.
6. De spotnamen van steden en dorpen berusten grootendeels op een bekrompen gevoel van plaatselijke genoegzaamheid en laatdunkendheid, dat ruime wederzijdsche waardeering, ja zelfs erkenning van volks- en stamgenootschap belet. Natuurlijk draagt een te nauw besloten-zijn binnen de wallen en een te eng vasthouden aan de plek, waar men geboren en getogen is, hiervan de meeste schuld. Zóo blijven de oude volkseigenheden stellig het best bewaard; maar de keerzijde der medaille is niet zelden kleingeestig chauvinisme en min vriendelijke verhouding vooral tot naburige steden en dorpen, somtijds zelfs onderlinge afgekeerdheid, die voorheen tot bloedige vechtpartijen aanleiding gaf.
Nu moet men deze afgekeerdheid ook weer niet te hoog aanslaan. Het mag dwaas lijken, dat men de Leeuwarders en Dokkumers elkaar als Leeuwarder Galgelappers en als Dokkumer Garnaten hoort uitschelden, en evenzeer, dat Amsterdammers en Haarlemmers elkaar spottend de namen van Koeketers en Muggen toevoegden,--men moet ook open oog hebben voor de komische zijde van het geval en in aanmerking nemen, dat de spotnaam veelal boozer lijkt dan de bedoeling en niet zelden slechts een onschuldige, typische en typeerende uiting van schalkschen spotlust is. Somtijds is de spotnamen zelfs een eerenaam.
De plaatselijke spotnamen zijn oud en levenskrachtig; ook teelt de volksgeest telkens weer nieuwe, al is het in mindere mate. Kieskeurig is het volk hierin allerminst. De namen berusten op een geschiedkundig feit, op het wapen van de stad, op een bijzonder voorval, waarvan dan de belachelijke zijde het sterkst belicht wordt; andere zijn ontleend aan een bijzonderen tak van handel, van nering of bedrijf, of danken hun ontstaan aan de een of andere plaatselijke lekkernij. Van de tallooze spotnamen laat ik hier de meest bekende volgen. Plaatsruimte belet mij, telkens de verklaring er bij te voegen; laat ik hiervoor verwijzen naar het desbetreffende hoofdstuk in Winkler's Studiën in Nederlandsche Namenkunde, bl. 3 vlg. en naar De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197 vlg. Het talrijkst zijn de spotnamen in de Friesche en Vlaamsche gewesten.
Friesland. Leeuwarden: Speknekken en Galgelappers. "De Leewarders, omdat se soo skriel waren, dat se gien nije galge betale waden, die hewwe daar fan de bijnaam kregen van Leeuwarder Galgelappers tot 'e dag fan fandaag toe."
Harlingen: Tobbedounsers, d.i. Tobbedansers, daar de Harlinger stoffenverwer als 't ware te dansen stond in de tobbe.
Sneek: Dúmkefretters. Dúmkes zijn een bijzonder soort klein gebak in vorm en groote als een mansduim.
Bolsward: Oaljekoeken (oliekoeken, worden bedoeld lijnkoeken).
Hallum: Koekefretters.
Dokkum: Garnaten (Garnalen). Hoe ze aan dien naam kwamen, wordt uitvoerig verteld in de Rimen ind Teltsjes fen de Broarren Haltertsma.
Franeker: Klokkedieven, omdat het wapenschild hunner stad een gouden klok vertoont op een blauw veld. Ook de ingezetenen van Oudewater, Delfzijl, Schermerhorn en Carolinensijl (Oost-Friesland) dragen dezen naam.
Ameland: Balkedieven, immers hun wapenschild vertoont op de eene helft drie balken; verder Schalken en Guiten.
Workum: Brijbekken, hetzij van brij, hetzij van het eigenaardig rollen der r, dat de Hollander brouwen heet. Men zegt dit ook van de Zwollenaars.
Hindeloopen: Tjeunken, oorsprong onbekend; ook wel Uilen.
Staveren: Ribbekliuwers, van het eigenaardige, snel-vorderende schaatsenrijden (ribben wijst op een overoud gebruik van te rijden op koeribben), dat men "klauwen" noemt.
Berlikum: Hounefretters (Hondevreters), wellicht naar aanleiding van een gevelsteen, voorstellende een hond in een pan.
Peasum: Hountsjes (Hondjes).
Wierum: Katsjes (Katjes).
Winaldum en Baard: Katten.
Midlum: Rotten.
Warga: Brêgebidlers (Bruggebedelaars), vanwege den bruggetol.
Ureterp: Oanbreide Hoasen (Aangebreide Kousen).
Eernewoude: Luzeknippers.
Warns: Skiepeloarten (Schapekeutels).
Winsum: Spinsekken (Spinzakken), daar zij eertijds het gesponnen garen in groote zakken naar de naburige stad brachten.
Irnsum: Kattekneppelders (Kattenknuppelaars), een naam, die met het bekende kermisvermaak samenhangt (I, bl. 140, 269).
Rinsumageest: Hounewippers (Hondewippers), van een soortgelijk kermisvermaak.
Sint-Anna-Parochie: Raapkoppen.
Onze-Lieve-Vrouwen-Parochie: Wortelkoppen.
Oldeboorn: Toermjitters (Torenmeters). In de XVIIe eeuw zou te Oldeboorn een nieuwe kerktoren gebouwd worden. Het moest de hoogste toren worden, hooger zelfs dan die van Tzum. De Boornsters vaardigden dus twee man af, om den Tzummer toren te meten. Maar toen zij na volbrachten arbeid in de herberg zaten, wisten de Tzummers listiglijk een paar ellen van het touw af te snijden. Van daar de spotnaam van
Tzum: Lyntjesniders (Lijntjesnijders).
Grouw: Tsjiisfordounsers (Kaasverdansers). Een groepje lustige Grouwsters hadden eens geen geld meer, om den speelman te betalen. Een van de dansers deed dit toen met kaas uit zijns vaders pakhuis.
Akkrum: Skytstoelen. Of deze meubels te Akkrum bijzonder mooi waren? Zulk een oud meubelstuk uit het begin der XVIIIe eeuw, dat gespaard bleef, vertoont niets opmerkelijks. Wèl opmerkelijk is het rijmpje, dat er op geschilderd staat:
In 't jaer 1710 Werd ick voor het eerst gesien, Ick was versierd al nae behooren Als kackstoel voor den eerstgeboren Uyt de houwlickstrou Van Geert Ackrum en syn vrouw.
Makkum: Strânjutten (Strandroovers). Daarentegen is Miigen een eerenaam, want hij wijst er op, dat de Makkumers dit Friesche woord, dat "magen, bloedverwanten", in 't bijzonder "neven, kleinzonen" beteekent, nog in eere houden.
Lollum: Stippers. Door stip wordt een mager sausje aangeduid.
Molkwerum: Tsjoensters (Heksen) heeten de vrouwen.
Birdaard: Skiepekoppen (Schapekoppen).
Wirdum: Toerkefretters (Torentjevreters), dewijl zij in 1680 een der beide kerktorens, toen de geldmiddelen gering waren, voor afbraak verkochten.
IJlst (Drylst): Kjipmantsjes (Koopmannetjes), een soort moppen.
Zie verder nog het rijke materiaal bij Waling Dijkstra t.a.p. I. bl. 288-294.
Groningen. Groningen: Molboonen (Kindersnoeperij), Kluunkoppen (Kluun is een bijzonder soort bier), Klaereproevers.
Delfzijl: Klokkedieven, Krabben. Men beweert, dat de bewoners een ruim geweten hebben, wat het plunderen van gestrande schepen betreft. Bij ongeluk komt eensdaags een Delfsylster in den hemel. Maar een Damster (Appingedam en Delfzijl kunnen elkaar niet zetten) weet den H. Petrus, die met de zaak verlegen is, goeden raad te geven. Een paar engelen moeten buiten de hemelpoort roepen: "Een schip in nood!" Aldus geschiedt, en ziedaar, bij 't hooren van dien kreet snelt de Delfsylster naar buiten, zoo hard hij loopen kan.
Wagenborgen: Aardappeldoggen.
Ter Munten: Koedieven.
Zuidlaren: Witmakers.
Uskwerd: Metworsten.
Meeden: Ketelschijters.
Grijpskerk: Smalruggen.
Garnwerd: Gortvreters.
Bafloo: Koarschoevers (Kaarschuivers).
Winsum: Gladhakken.
Bedum: Geutslikkers.
Holwierde: Doofpotten.
Ezinge en Sauwert: Koevreters.
Onderdendam en Niehove: Poepen.
Den Andel: Turken.
Drente. Meppel: Muggespuiters of Muggen. Een groote muggenzwerm omzweefde eens de spits van den toren te Meppel. De burgers dachten, dat het rook was, en begonnen den vermeenden torenbrand te blusschen. Men denke aan de Maneblusschers van Mechelen en Middelburg. Een anderen naam, de Kloeten, danken zij aan de groote kluiten boter, die nog tot in de tweede helft van verleden eeuw door de boeren uit den omtrek daar ter markt werden gebracht.
Grolloo: Knollen.
Anderen: Moeshappers,
Elp: Koekoeken.
Annen: Oelen.
Assen: Straatslipers, Tellerlikkers en Biggen.
Borger: Schöttellikkers.
Broekskreek (d.i. Mantinge, Balinge en Garminge): Stalpoalen.
Buinen: Poepen.
Duurse: Geldbeurzen en Boksen.
Dwingeloo: Doeven.
Eelde: Hekkenspringers en Geelgatten.
Zie verder Nieuwe Drentsche Volksalmanak 1903, bl. 55.
Overijssel. Zwolle: Blauwvingers. In 1682 viel te Zwolle de toren van de Sint-Michiels kerk in. Het klokkenspel werd aan Amsterdammers verkocht, die den aanmerkelijken prijs in louter dubbeltjes betaalden, waaraan de Zwollenaars zich blauwe vingers konden tellen.
Kampen: Steuren. Naar verluidt, vingen de Kampenaars oudtijds in hun rivier eens een reusachtigen steur. Met het oog op een gastmaal, dat zij over eenigen tijd wilden aanrichten, werden zij te rade, hem voorloopig nog wat te laten zwemmen; en om hem naderhand beter te kunnen vinden, bonden zij hem een bandje met een belletje om den hals. Men zegt, dat een echte Kampenaar, als hij over de IJsselbrug gaat, nog heden altijd in 't water tuurt, of de steur er soms nog is, want: "Je kunt het toch maar nooit weten."--Ik maak hier de opmerking, dat de spotnamen in vele gevallen samenhangen met een domineerenden karaktertrek van de bevolking: vasthoudendheid, gierigheid, sluwheid, bekrompenheid enz. Nu is het een feit, dat men meestal de minder gunstige hoedanigheden bij zijn gebuur opmerkt en de gunstige over het hoofd ziet.
Blankenham: Brijhappers.
Blokzijl: Katten.
Genemuiden: Rudekikkers en Ruusvorens.
De Kuinder: Kroggen.
Zwartsluis: Bleien of Bleisteerten.
Hengeloo: Windmakers.
Delden: Kwekkeschudders.
Oldenzaal: Gruppendrieters, d.i. die hun behoefte doen in een greppel.
Deventer: Stokvisschen, Poepen en Geutendrieters.
Borne: Meelvreters.
Over de benaming Tukker voor Twentenaar is veel geredetwist. De waarschijnlijkste afleiding lijkt mij die van tukker, een vogeltje, dat zich veel in de eenzame heidestreken van Twente ophoudt; elders draagt het den naam van heikneutje of robijntje. Naar dezen vogel zijn dan ook verscheidene Twentsche hoeven benaamd, en deze vindt men steeds aan den heikant. In de volkstaal noemt men de heidebewoners vaak Heettukkers: Driem. Bladen VII, bl. 84; VIII, bl. 51; anders VIII, bl. 92. Laat ik hier terloops aan de zegswijze herinneren: "Ij kommt oet 't land van de Tukkers, woar ze onzen leeven Hèèr "Doe" neumt."
Gelderland. Nijmegen: Knotsendragers.
Zutfen: Metworsten.
Lochem: Koolhazen.
Doesburg: Mosterdpotten.
Enspijk: Hanenknippers. Deze benaming zou het gevolg zijn van een artikel in de Tielsche Courant, waarin de inwoners van Enspijk als "Enspiksche Hanenknippers" werden begroet. Men zou daar nl. hebben voorgesteld, ter gelegenheid van het kroningsfeest den 12den Mei 1874 tot opluistering der feestelijkheid hanen, van hun vederen ontdaan, tegen elkander te laten vechten; zie het opstel van Anspach in De Navorscher XXVI, bl. 264.
Nunspeet: Knutten en Huibasten. Hieronder verstaat men personen, die veel wei of hui in hun "bast" drinken.
Driel: Vleescheters. De bewoners van Driel hadden in de Middeleeuwen een kerkelijke vergunning, waarbij hun werd toegestaan, ook in den Vastentijd zuivel- en vleeschspijzen te gebruiken: Kist, Kerkelijk Archief I, bl. 176, III, bl. 469.
Elburg: Pepernoten.
Harderwijk: Bokkingkoppen.
Uddel: Heugters.
Haaften: Kraaien.
Ek en Ingen: Kladden.
Zoelen: Kozakken. In 1814 was daar een troep kozakken gelegerd, die weigerden het veld te ruimen, nu hun diensten niet meer noodig waren. Op bevel van den souvereinen vorst moest nu de Tielsche schutterij in samenwerking met den landstorm deze plunderzieke gasten verjagen; zie Driem. Bladen III, bl. 54.
Utrecht. Amersfoort: Keisleepers of Keitrekkers. De bewoners vonden nl. eens op een heideveld een zeer grooten keisteen. Triomfantelijk sleepten zij hem naar de stad, en plaatsten hem op de Varkenmarkt (1661).
IJsselstein: Apenluiders, dewijl zij eens bij vergissing de doodsklok luidden voor een dooden aap: De Navorscher IV, Bijblad, bl. XXXVIII.
Limburg. Weert: Rogstekers. Men verhaalt, dat er oudtijds een vrachtkar o.a. met rog beladen van Antwerpen naar Roermond reed. Bij Weert viel een rog van de kar en bleef in het wagenspoor liggen. Een Weertenaar zag het hem onbekende gedrocht en liep verschrikt naar de stad om hulp te halen. Gewapend trok men er op uit, dreef den rog een spiets door het lijf en voerde hem als oorlogsbuit zegepralend naar het stadje mee.
Nederweert: Pinstekers.
Venloo: Wannevliegers. Een snaak had doen uitroepen, dat hij met behulp van twee wannen over den Lichtenberg zou vliegen. Toen de burgerij vergaderd was, vroeg hij, of ze al ooit een mensch hadden zien vliegen. Neen, riep het volk. Welnu, hernam hij, dan zult gij het ook heden niet zien, en maakte zich met het te voren opgehaalde geld uit de voeten. Naar een eigenaardige gebaksoort spreekt men ook van Venloosche Moppen. Door de Blerikschen worden de Venlonaars Reubeslikkers (Raapslikkers) genoemd.
Blerik: Wortelepinnen, door de Venlonaars aldus genoemd. Vergelijk de spotnamen van St-Anna-Parochie en Onze-Lieuwe-Vrouwen-Parochie.
Venraay, Horst enz.: Peelhazen.
Helden: Kuzen.
Sittard: Laammekers. Lam maken = zwaar op de hand zijn. De Sittardenaars zelf bedoelen: zich op hun manier ten koste van anderen vermaken.
Noord-Brabant. Heusden: Wieldraaiers. Het stadje voert een wiel in zijn wapen.
Os: Dubbeltjessnijders.
Werkendam: Brijbroeken.
Woudrichem: Mosterdpotten.
Schijndel: Hopbellen.
Uden: Kaaieschijters.
Sint-Oedenrode: Papbuiken.
Zeeland. Cadzand: Peren. Dit pere is het Fransche père en wordt gebezigd tusschen personen van ongeveer gelijken leeftijd in de vertrouwlijke omgangstaal.
Middelburg: Maanblusschers. Het schijnen van de maan op den toren werd voor brand gehouden. Men noemt ze ook Schavotbranders.
Vlissingen: Flesschedieven, van de flesch op het wapenschild.
Goes: Ganzekoppen, van de gans in het wapen.
Zierikzee: Koedieven, Steenkoopers, Torenkruiers.
Axel: Aardappelkapers.
Zaamslag: Strooplikkers.
Sluis: Windmakers.
Noord-Holland. Schagen: Roodjes. Naar men beweert hebben vele Schagenaars rossig haar.
Alkmaar: Gortzakken, ter oorzake van de vele grutterijen. Ook Ketelkruipers.
Schermerhorn: Mollen, naar den mol in het wapen.
Langendijk: Koolstruiken, omdat in de vier dorpen, die den Langendijk vormen, kool de hoofdteelt is.
Egmond aan Zee: Vischteven, men denke aan de Tsjoensters van Molkwerum.
Groot Schermer: Wildjes, naar hun woest gedrag bij het kermishouden.
Oostzaan: Kooleters.--Men noemt ze ook het Volk van Klaas Kompaan, een naam, dien zij te danken hebben aan hun ouden dorpsgenoot, den beruchten Oostzaner kaper Claes Gerritsz Compaen; zie Boekenoogen, De Zaansche Volkstaal, bl. 488.
Zaandam: Galgezagers. De oorsprong ligt in het omzagen van de galg, waaraan de schuldigen van het Zaandammer turfoproer (Mei 1678) hingen: Boekenoogen, t.a.p. bl. 223.
Amsterdam: Koeketers, een zeer oude spotnaam. Maar men zegt het ook van de Zaandammers, en eveneens van de inwoners van de Koog, Krommenie en Uitgeest. Die van Medemblik, Hoorn, De Kreil, De Beemster en Jisp heeten Moppen.
Texel: Kwallen.
Den Helder: Traanbokken.
Enkhuizen: Vijgen.
Hoorn: Krentebollen.
Lutjebroek: Uilen.
Heiloo: Rapenplukkers.
Ursem: Langslapers.
Monnikendam: Monnikentroeters.
Purmerland: Platpooten.
Zaandijk: Krentekakkers.
Westzaan: Kroosduikers.
Wormer: Boonpeulen, Steenegooiers, Uilen.
Wormerveer: Gladooren.
Broek-in-Waterland: Vinken.
Beverwijk: Klapbessen.
Assendelft: Kiplanders, Spanjaarden.
Haarlem: Muggen.
Naarden: Kalven.
Zuid-Holland. Leiden: Peueraars, Blauwmutsen, Hondendooders en Sleuteldragers, het laatste weer naar de sleutels in het wapen.
Delft: Kalfschieters. In 't jaar 1574 wilden eenige Spanjaarden een aanslag op Delft beproeven. Maar tijdig ontdekt zijnde werd hun, toen ze al lang buiten schot waren, een hagelbui van kogels achterna gezonden. Slechts een kalf werd hierdoor gedood: De Navorscher III, bl. 373.
Gouderak: Rakkers, berustend op volksetymologie.
Schiedam: Toovenaars. Men zegt: "Twintig van Schiedam, negentien kunnen tooveren."
Hillegom: Hangkousen.
Den Haag: Ooievaars (naar het wapen), Waterkijkers, Bluffers.
Gouda: Gapers.
Oudewater: Klokkedieven, vgl. Franeker, Delfzijl enz.
Rotterdam: Kielschieters, omdat zij een bootje, dat met de kiel naar boven in de Maas dreef, voor een walvisch hielden, waarop zij hun geweren afvuurden.
Dordrecht: Schapedieven.
Den Briel: Zeelepers en Puiers.
Gorichem: Blieken.
De Zuidnederlandsche spotnamen zijn zeer talrijk. Dit strookt wel is waar met den opgewekten, levendigen, schalkschen gemoedsaard van Vlamingen en Brabanders. Maar als de gemoedsaard den doorslag geeft, dan is het vreemd, dat juist de zuidelijke provinciën van Noord-Nederland zoo betrekkelijk arm aan spotnamen zijn, terwijl zij hoogtij vieren in de Friesche gedeelten en in Noord-Holland met zijn rijken Frieschen inslag. Het wil mij voorkomen, dat woelzucht en onbuigzaamheid, uitbottend in twist en tweedracht, in dezen tot een overeenkomstig partikularisme hebben gevoerd.
West-Vlaanderen. Brugge: Zotten.
Kortrijk: Pastei-eters.
Diksmuiden: Boterkoppen.
Meenen: Taartenbakkers en Wagenwielvangers.
Poperingen: Keikoppen en Gekken.
Heist-op-Zee: Keuns (Konijnen).
Blankenberge: Geernaarts, d.i. Garnalen, vergelijk den spotnaam der Dokkumers.
Nieuwkerke: Schapen.
Yperen: Kinders. Deze naam heeft een loffelijke beteekenis. Hij is, volgens de overlevering, ontleend aan een gezegde van Margaretha, wier zoon Willem van Dampierre door geldelijke bijdragen van de bewoners van Yperen uit de gevangenschap der Turken was bevrijd. "Het zijn onze kinders van Yperen", zou Margaretha gezegd hebben, "die ons dit bewijs van liefde hebben gegeven." Zie Belgisch Museum I, bl. 270.
Oost-Vlaanderen. Gent: Heeren en Stroppedragers; zie Volkskunde XXIII, bl. 242.
Dendermonde: Knaptanden.
Baasroode: Kalefaters.
Opdorp: Platte Keesboeren.
Ninove: Wortels.
Ronse: Zotten, Vliegenvangers en Slekkentrekkers.
Oudenaarde: Boonenknoopers. Men noemt ze ook Kiekefreters.
Dat komt zóó: De Gentenaars lieten voortijds de kiekens en ander pluimgedierte op de markt te Oudenaarde opkoopen. Toen ze nu eens, om Philips den Goeden rijkelijk te kunnen onthalen, volgens de Oudenaarders hierin wat te radikaal te werk gingen, trachtten deze hen dit te beletten en voegden hun toe: "Wij kunnen zelf onze kiekens wel opvreten"; zie Belgisch Museum V, bl. 440.
Geeraartsbergen: Bergkruipers.
Onkerzele: Tooverheksen, vgl. de Toovenaars van Schiedam.
Mendonk: Palingstroopers.
Wachttebeke: Zotten.
Moerbeke: Smeerkoeketers.
Exaarde: Blauwbuiken.
Aalst: Witvoeten, Draaiers en Ajuinen.
Akkergem: Koolkappers.
Limburg. Neerpelt: Torenblusschers.
Peer: Muggeblusschers, vgl. de Muggespuiters van Meppel.
Hasselt: Beekrotten (maar slechts de Hasselaars, die op de Beek wonen, vgl. bl. 15).
Antwerpen. Antwerpen: Sinjoren. In dezen naam schuilt een herinnering aan den Spaanschen tijd, toen de aanzienlijke Antwerpenaren den Spaanschen titel van Señor droegen.
Mechelen: Maneblusschers, zie Volkskunde XXI, bl. 236.
Turnhout: Muggeblusschers, vgl. Peer en Meppel.
Lier: Schapekoppen.
Rethy: Kortooren.
Ramsel: Poteerddabbers.
Huigene: Eters.
Meerhout: Katten en Knikkers.
Arendonk: Gorteters, Tjokkers en Pinnekenmakers.
Poppel: Janhagelmannen.
Liezele: Pieren.
Breendonk: Meutes (nuchtere kalven).
Hoboken: Mestblusschers.
Wilrijk: Geitekoppen.
Bornhem: Boschkrabbers.
Gierle: Schijters.
Hove: Keeskoppen.
Loenhout: Pezerikken en Moeszakken.
Oost-Halle: Joden.
West-Halle: Smousen.
Willebroek: Vaartkapoenen.
Hoogstraten: Speelzakken.
Brecht: Struiven, Halfhouten en Mastendoppen.
St. Amands: Gipsheeren.
Zoersel: Drijvers en Kluppelaars.
Ook hier weer, zooals men ziet, naast louter smaadnamen, verscheidene benamingen aan nering en bedrijf of aan plaatselijke eigenaardigheden ontleend.
Volge nu een keuze uit het overgroote aantal der Brabantsche spotnamen; voor de volledige opsomming en meer ampele verklaringen betreffende sagen raadplege men A. De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 197-241 en J.Th. de Raadt, Les Sobriquets des communes belges (Bruxelles, 1904), passim.
Beersel: Keesboeren en Boterdieven.
Bertem: Tuischers (paardenkooplui).
Boschvoorde: Bessembinders.
Brussel: Kiekefretters. Deze schimpnaam zou opklimmen tot de XIVe eeuw, nl. tot den veldslag van Baesweiler, waar een sterk Brabantsch leger door de hertogen van Gulik en Gelder en den graaf van Berg totaal verslagen werd. Deze nederlaag wordt door den kroniekschrijver Jean Froissart aan de gulzigheid der Brusselaars toegeschreven; er dient echter gezegd, dat hij slechts van zalm-, forel- en palingpastei spreekt, en niet uitdrukkelijk van kiekens gewaagt.
Zij heeten verder: Apendrillers. Eens betrokken twee bejaarde burgers te middernacht op den toren van Wollendries (bij de Wolstraat) de wacht. Plotseling zagen zij een vreemdsoortig wezen het wachthuis binnendringen, en vol angst sloegen zij op de vlucht--voor een aap, zooals naderhand bleek.
Diest: Mostaardschijters; zie Ons Volksleven IX, bl. 102.
Dormaal: Weerwolven en Vuurmannen.
Elsene: Hondenknagers; deze spotnaam dagteekent wellicht uit tijden van hongersnood.
Esschene: Patattenboeren.
Gooik: Telloorlekkers.
Hal: Vaantjesboeren, van wege de processievaantjes.
Leuven: Peetermannen. Sint Pieter is de patroonheilige van de stad. Men noemt ze ook de Koeischieters, omdat naar verluidt, de Leuvenaars een kudde hoornvee voor vijanden aanzagen. Zie Volkskunde V, bl. 169; Ons Volksleven VIII, bl. 38.
Linkebeek: Moeliedauwers. Zij duwden eens iemand uit scherts in een moelie (baktrog); maar de grap liep verkeerd af.
Messelbroek: Kalotten.
Molenbeek: Vaartkapoenen; vgl. Willebroek.
Schaarbeek: Ezels. Oud-Schaarbeek telde vele hoveniers en molenaars, die Brussel voorzagen van groenten en meel; het gewone vervoermiddel was een ezelkarretje.
Scherpenheuvel: Keerskatten, naar de processiekaarsjes, die zij aan de pelgrims verkoopen.
Sichem: Heeren. Ten tijde van Maria-Theresia zond het gemeentebestuur van Sichem, naar verluidt, een verzoekschrift naar de Generale Staten van Brabant, dat aldus aanhief: "Wij, Heeren van Sichem, vragen aan U lieden de toelating om eene merkt te mogen oprichten." Waarop geantwoord werd:
"Als gij sijt Heeren en wij lieden, Dan sal de merkt van Sichem nooit geschieden."
Den spotnaam van Heeren draagt een groot aantal Brabantsche dorpen.
St. Gillis: Koolkappers.
Tienen: Kwêkers. Tijdens een oorlog wilden de Tienenaars de Leuvenaars in een hinderlaag lokken, maar het gesnater der eenden waarschuwde den vijand; zie echter Ons Volksleven VIII, bl. 37.
Men noemt ze ook Maneblusschers en Boterpotten, omdat ze in 1830 hun veste met boterpotten verdedigden.
Ukkel: Kersenkrakers.
Vilvoorde: Peerdefretters.
Vorst-bij-Brussel: Hondenfretters.
Wambeek: Klaverboeren.
Zout-Leeuw: Waterheeren.
DE VOLKSKUNST.
Staat de mensch tegenover God en de maatschappij als redelijk en maatschappelijk wezen, als zinnelijk wezen staat hij tegenover de natuur, en als zoodanig zijn zijne betrekkingen deels van praktischen, deels van theoretischen aard. Praktisch is hij werkzaam op ekonomisch gebied;--bij het volk, wij zagen het reeds, gaat de ekonomie geheel op in woningbouw en grondbeheer; theoretisch werkzaam toont hij zich in kunst en wetenschap. Immers de geest van den mensch is een spiegel van het heelal: een mikrokosmos. Maar die wereldopvatting is geen doode, volstrekt-passieve afspiegeling, maar veeleer tevens een opgewekte werkzaamheid. Want bij het aanschouwen voegt zich het wèl-bewuste omvatten en doordringen van het objekt, de reproduktie van het aanschouwde in beelden en vormen, kleuren en tonen, groepen en typen.
Kunst is: zelf-openbaring van den geest door belichaming van het ideale in de stof. Zij beduidt een streven, met de beste zielekrachten in te grijpen in de buitenwereld, en kan zelfs beschouwd worden als een worstelen om bezit en behoud van de ideale goederen des levens. De volkskunst streeft niet steeds naar de hoogste idealen; maar zij volgt toch ook den zieledrang, te scheppen en te belichamen, en met streelende zelfvoldoening vermeit zij zich in hetgeen verstand en wil en fantasie konden wrochten. En waar het scheppend vermogen te kort schiet, daar neemt het volk volle welbehagen in de bevrediging van zijn navolgingsdrift. De enkeling kan als volwassene met zijn nuchter verstand de momenten van lust en welbehagen meestal zelfs niet meer bevatten, die de speeldrift hem als kind zoo ruimschoots toedeelde. Maar het volk leeft en blijft leven, evenals het kind, in een tooverland van fantasie; zijn navolgingsdrift is speeldrift, en die speeldrift verwekt den lust te zingen, te rijmen, te bouwen, te schilderen, te sieren. In dezen zin mag men zeggen, dat ook bij de hoogere, de kultuurkunst, de speeldrift ten grondslag ligt.
Want volkskunst en kultuurkunst, of, zoo men wil, beschavingskunst [17], zijn geen wezenlijk-verschillende begrippen; zij berusten beide op dezelfde aesthetische grondvesten, gelegd in den bodem der éenvormige menschelijke natuur. Principieele verschillen bestaan tusschen volkskunst en kultuurkunst evenmin als tusschen de kunstuitingen der kultuurvolken en die der natuurvolken, hoe ruw en tastend deze laatste dan ook zijn mogen.
Wat de volkskunst soms mangelt aan scheppend kunnen of aan bewuste stelselmatigheid, dat wint zij niet zelden in oorspronkelijkheid, in spontaneïteit van uitingsvermogen, in frischheid van opspattende levenskracht. Teert de kultuurkunst op konventioneelen vormenschat en slijt zij droeve dagen in kwijnende bloedarmoede, dan kan de volkskunst haar versche levenskracht in de aderen gieten. Al mist zij den glans der polijsting, al vormen tal van onedele bestanddeelen vaak het ruwe omhulsel,--kernglans en kernreinheid zijn er niet minder om, ja zijn er vaak te veiliger om beschut.
Bovenkultuur zonder kunst is ondenkbaar; maar onderkultuur evenmin. De volkenkunde kent dan ook geen kultuur_looze_, wel kultuur_arme_ volken; en men mag zeggen, dat mèt het kunstgehalte de kracht en teerheid van het volkswezen groeit. "Een volk zonder kunst is geestelijk dood", schrijft Poelhekke. Het sterft den hongerdood. Want het haken van het volk naar kunst onder allerlei vormen, zelfs dan, wanneer overbeschaving in die vormen het snelstwerkend venijn verborgen heeft, kan mede gelden als bewijs voor de eeuwige waarheid: dat de mensch van brood alleen niet leven kan.
Gevoel voor het schoone en behoefte aan uiting en bevrediging van dit schoonheidsgevoel behoort tot het mensch-zijn, is het normale bij het individu en moet tevens als een normaal maatschappelijk verschijnsel worden beschouwd. Want bij de volkskunst treedt het sociaal-psychische element sterk op den voorgrond; ook de volkskunst behoort tot de "sociale feiten", wier substraat de gemeenschap is, en die met hun imperatief karakter een sterken, dwingenden invloed op het individuëele leven uitoefenen.
Kunst, zelf-bewust vormen en scheppen, is een terugwerken, een op beurt ingrijpen van den vrijen menschelijken wil in de buitenwereld, die wil en gedachte door haar inwerking heeft bepaald. Kunst is zelfopenbaring, en volkskunst is de zelfopenbaring der volksziel, maar tevens een worstelstrijd om levenslicht en levenslucht, om niet onder te gaan in het individuëele en banale, om niet te worden overweldigd door de doode en doodende stof. Waar het volk zijn eigenwaarde nog beseft, daar kan het op den duur geen weerstand bieden aan die drift, dien scheppingslust van eigen beeld en gelijkenis, die wortelt in zijn verstandelijk kenvermogen en het koningszegel drukt op zijn pogen en wrochten; ja, die een trek is zijner Godverwantschap. Het gevoel dezer Godverwantschap is zelfs de bron van het menschelijk artistieke welbehagen.
Natuurlijk staan niet alle kunsten en takken van kunstnijverheid op dezelfde trap, en evenmin staan den kunstdrang geschikte middelen ter realiseering in gelijke mate ter beschikking. De volkskunst kan soms gering en onbeduidend schijnen; andermaal beweegt zij zich in de lijnen van een stuitend realisme, al is dit niet het produkt eener ziekelijke hyperkultuur. Maar weer andermaal--welk een schat van naïeve frischheid en oorspronkelijkheid!
Van de zoogenaamd permanente kunsten bespreek ik slechts de bouwkunst en de dekoratieve kunst; van de momentane, wier scheppingen strikt genomen verdwijnen met de spanne tijds, waarin zij voltooid worden, behandel ik eerst de lagere vormen van raadsels, spreekwoorden en zegswijzen, om daarna langs de sprookjes- en sagenladder op te klimmen tot het volkslied.
I. Raadsels en Spreekwoorden.
De raadsels behooren tot de lagere trappen der kunstuitingen, in die mate, dat de litteratuur van sommige laag ontwikkelde volken--ik denk o.m. aan de bewoners der Battalanden--zoo goed als uitsluitend uit raadsels en volksverhalen bestaat.
Meestal zijn de raadsels gestoken in rythmischen vorm, en naast het gewone rijm vertoonen zij veelal nog assonantie, stafrijm en andere eigenaardige klankvormingen en vervormingen. Het waardevolle ligt stellig in de eigenaardige karakteristiek der dingen, al is die uiteraard vaak duister en al mag men hierbij niet uit het oog verliezen, dat het volk de dingen en begrippen niet zelden zoo geheel anders karakteriseert dan wij. Zoo worden in een oud raadsel van de zeven vogels zonder bezwaar de bij en de vleermuis meegeteld. Het intieme wezen van het raadsel is de drang, het onpersoonlijke te verpersoonlijken, het gewone op te smukken, het zinnelijke te vergeestelijken, en aan die beeldspraak de scherpzinnigheid van een ander te toetsen.
Het volksraadsel kan bogen op een reusachtige oudheid en verspreiding. Van de eilanden in de Noordzee tot Meklenburg en zuidwaarts tot de Alpen reikt het duizendjarige raadsel van de sneeuw, die door de zomerwarmte smelt. Op Ameland luidt dit:
Daar vloog een vogel Vederloos Op een boom Bladerloos, Toen kwam een juffrouw Mondeloos, Die at den vogel Vederloos Van den boom Bladerloos.
Ik schrijf "Vederloos" enz. met hoofdletter, want het is hier werkelijk als eigennaam bedoeld. Zoo heet de kers Roodrok, het varken Knorrepot, de appel Gladkop, de ooievaar Hap-op, de donder Holderdebolder, de wieg Wikkeldewakkel, de kikvorsch Hipperdewip, Hip-op, Ikkerdebik, de zwaan Mijnheer De Wit, het water Juffer De Lang. Dit zijn klanknabootsende en begrips- en gevoelverklankende benamingen, zooals ook het kind die zoo gaarne aan levende en levenlooze zaken schenkt, alvorens met de veelal afgesleten benamingen bekend en vertrouwd te raken.
Merkwaardige raadsels vinden wij vooral in het Oosten: bij de Hebreeën, de Perzen, de Indiërs, de Arabieren; maar ook bij de oude Germanen en niet het minst bij de Grieken en Romeinen. Het gaat trouwens, wat de onderlinge verwantschap betreft, met de raadsels als met de sprookjes, en het is uitermate moeilijk bij gelijkenis van patroon over de autochthonie onzer volksraadsels te oordeelen. Zoo kennen wij b.v. een Grieksch raadsel in dezen vorm:
Daar was een man, en 't was geen man, Hij liep op een pad, en 't was geen pad, Hij droeg water zonder vat; Rà, rà, wat is dat?
(Een bruidegom, die op het ijs liep met een stukje ijs in zijn hand).
Een Latijnsch raadsel luidt bij ons:
Die het maakt behoeft het niet, Die het vraagt behoudt het niet, Die het koopt begeert het niet, Die het heeft die weet het niet.
(Een doodkist).
In vele gevallen is vervorming van litteraire raadsels (kultuurraadsels) tot volksraadsels na te wijzen of althans zeer aannemelijk. De gewone gang van zaken is echter omgekeerd.
1. De beschrijvende raadsels zijn verreweg de schoonste. Het regent hier beeldspraken en gelijkenissen. Het volk praat dan kinderlijk-gemeenzaam met en over steenen en bloemen langs de wegen, en allerlei levende en levenlooze dingen. "Hier ziet gij beurtelings de wijde natuur met heure verschijnselen", schrijft Amaat Joos, "de sneeuw, het witte laken, dat Onze Lieve Vrouw over land en zand spreiden komt; den donder, het roode veulen dat ginder verre staat te briesschen; de wolken, de duizend lapkens die zonder naald of twijn aaneengenaaid zijn; het ijs, de groote plank die door God over de waters geleid wordt; de zon, het wonder ding dat door het glas valt en 't niet en breekt; de sterren, het geld dat ge niet tellen kunt; den hemel, het laken waar niet aan te vouwen valt;--den mensch met al zijn bedrijf en gerief: den mond, rood huizeken, de tanden, witte stoelekens, en de tong, rood tapijteken; de keers, madameken met een wit kleedje aan en een rood hoedeken op; de lamp, aardig ding dat zijn vleesch eet en zijn bloed drinkt; den vingerhoed, zoo klein en toch zoo rijk in vensters als een koningshuis; de naald, stalen peerdje dat rijdt met vlassen steertje; de egge, heeren die het land omkeeren; de zeilen van den meulen, roode wijvekens die malkander nutteloos achterna loopen; den meulen, hooge droge boom die altijd bloem draagt;--de dieren die loopen en vliegen: den haan, wonderen profeet die de dooden verrijzen doet; de spin, aardig wijfken dat, zonder naald of draad, zijn roksken 't onderste boven naait; de vlooi, stout boven stout, die iedereen, te water en te lande, aanranden durft; de koe, vreemd gestel van vier gangers, vier hangers en twee tuinenbrekers [overoud raadsel, nawijsbaar van Noorwegen tot de Alpen];--de boomen en planten met hunne vruchten: de kool, die op éenen poot staat en heur hoofd in heur herte draagt; den doorn, manneken uit het veld met een rood hoedeken op zijn hoofd; het vlas, koning met de blauwe kroon; het graan, dat tusschen twee steenen zijnen naam verliest; den kriekelaar, die op éen been staat en duizend steenen draagt; den eik, honderdduizend nesten en in ieder nest een ei; den appel, met zijn groene muren en witte geburen; de noot, die op haar stoeleken zit met een groen kazaksken aan."
Op het dorp, in den blijden, gullachschen landelijken kring voelt dit raadsel zich weer het meest thuis en bij voorkeur, wij hoorden het, kleedt het veld en weiland, plant en dier, akkerbouw en veeteelt in een fantastisch gewaad. Het legt zijn oor te luisteren naar de geheimzinnigheden der levende en levenlooze natuur; en lichtelijk neemt het een plaatslijke tint aan, in overeenstemming met de landstreek, waar het vertoeft.
1.
Holderdebolder Liep over den zolder; En zeven mansheeren Die konden Holderdebolder niet keeren.
(De donder).
2.
Verre boven de drieschen Hoorde ik een peerdeken brieschen; Daar is noch wijf noch man, Die dat peerdeken breidelen kan.
(De donder.--België).
3.
Mijn moeder kent een laken, dat kan zij niet vouwen, Mijn vader kent een appel, dien kan hij niet schellen, Mijn zuster kent kralen, die kan ze niet tellen.
(Hemel, maan, sterren).
Belgische vorm:
Laken, dat ge niet vouwen kunt, Een appel, dien ge niet schellen kunt, En geld, dat ge niet tellen kunt.
4.
Tusschen hier en Romen Staan zeven hooge boomen; 't Zijn geen iepen, 't zijn geen esschen, Je zult het niet raden, al was je met z'n zessen.
(Het zevengesternte).
5.
Achter in mijn vaders tuin, Daar staat een boom met kralen, En die die kralen tellen kan, Die is de baas van allen.
(De sterren).
6.
Lapken, lapken, Duizend lapken, 't Is genaaid zonder naald of twijn, 'k Geef u te raden, welk lapken dat zou zijn.
(Een wolk.--Dendermonde).
7.
Tusschen hemel en aard Staat een lange groene gaard. 't Zijn geene eiken, 't zijn geene esschen, Je zult het niet raden, al waart je met zessen.
(De regenboog.--Limburg).
8.
Ons Lieve Vrouwken van Laken Spreidt een wit laken Op land en zand, Maar niet op den waterkant.
(De sneeuw.--Antwerpen).
9.
Daar staat een juffrouw in de deur, Met een witte schorldoek veur. Hoe meer dat ze staat, Hoe meer dat ze vergaat.
(De sneeuw).
10.
Eene planke Van Godes danke; Het en is noch hout noch eeke, Noch eeke noch hout. Als gij het kunt raden, Geef ik u eene ton met goud.
(Het ijs.--België).
11.
Daar gaat een ding om het huis, Dat kijkt door alle gaatjes.
(De zon).
12.
Rondom de meulen Liepen twee pèretjes speulen. Der is geen eenen ouwen man, Die déé twee pèëren keeren kan.
(De zon en de maan.--Zeeland).
13.
Toen ik was jóng en schóon, Droeg ík een bláuwe króon. Toen ík was óud en stíjf, Slóegen ze me óp het líjf. Tóen ik wás genóeg gedrágen, Wérd ik van prínsen en gráven gedrágen.
(Het vlas).
14.
Eerst zoo wit als vlas, Dan zoo groen als gras, Dan zoo rood als bloed, En dan zoo zwart als roet.
(De braambes).
15.
Van binnen wit, van buiten zwart, Drie ruggen en geen start.
(De boekweitkorrel).
16.
Der sit in jifferke yn 't grien, Mei in mooi read rokje oan. Als men ze knypt den skriemt se, En dôch het se in stiennen hert.
(De kers.--Friesland).
17.
Daar staat een boom in 't Westen, Met twee en vijftig nesten, Ieder nest met zeven jongen, Râ, wat namen zij ontvongen?
(Het jaar).
Talloos zijn de raadsels van het ei. Sommige vormen zijn bekend bij alle Germaansche stammen.
Ons bekend rijmpje:
18.
Hummeltje Tummeltje klom op den wagen, Hummeltje Tummeltje viel van den wagen, Daar is geen eene timmerman, Die Hummeltje Tummeltje maken kan,
waarvan een Vlaamsche lezing luidt:
19.
Hippekentippeken op de bank, Hippekentippeken onder de bank; Daar is geen smid in Ingeland, Die Hippekentippeken maken kan,
vertoont in Brunswijk den vorm:
Hummelke Trummelke lag up'r bank, Hummelke Trummelke feil von'r bank; Et was kein doktor in'n gansen land, De Hummelke Trummelke we'er mâken kann.
In Engeland luidt het raadsel aldus:
Humpty Dumpty sate on a wall, Humpty Dumpty had a great fall, Three score men and three score more Cannot place Humpty Dumpty as he was before.
Bekend in geheel het zuidelijk volksgebied (dus ook b.v. in Hollandsch Limburg) is het eiraadsel:
20.
Ik klopte al op een witte deur, Daar kwam een bruine pater veur.
Ruim verspreid is ook het raadsel van de Snijboonen, natuurlijk met de noodige varianten:
21.
Achter in mijn vaders tuin Daar staat een boom met groente; Hier een boom, daar een boom, Ieder boom een tak; Hier een tak, daar een tak, Ieder tak een nest; Hier een nest, daar een nest, Ieder nest een ei; Hier een ei, daar een ei, Ieder ei een zwart plek op 't gat; Râ, râ, wat is dat?
Ik kan niet nalaten nog op enkele waardevolle raadsels te wijzen, waarin zoo menige trek van dichterlijke natuurbeschouwing en gevoel voor het landschappelijk-schoone spreekt:
22.
Oude, grijze, grauwe, Staat alle nachten in de dauwe, Heeft vleesch noch bloed En is voor alle menschen goed.
(De molen).
23.
Er vloog een vogel snel Al over de diepe del (de zee); Hij droeg botten en beenen En had er zelve geene.
(Het schip).
24.
Achter molens duun Dèr leit in oud peerd bruun, Zonder kop en zonder steert, Al syn ribben leggen verkeerd.
(Een omgeploegd stuk land.--Ameland).
25.
Daar waren eens vier zustertjes, Die klommen op hooge mutstertjes; Daar waren eens vier broertjes, Die klommen op hooge stoeltjes; Ze naaiden zijden kapjes Van honderd duizend lapjes, Zonder naald en zonder twijn: Je zult het niet raden, al ben je fijn.
(De spin, die haar net maakt).
26.
Er ging een mannetje door den dam Met een fluweelen wammesje an.
(De mol).
Of ook:
27.
Jan De Bruin Zat in den tuin, Hij had geen paard of ploeg, En toch bouwde hij land genoeg.
(De mol).
28.
Daar is een ding Dat pinkt Dat knipt en winkt En lacht en vinkt ... 'k Zou alzoo wel willen pinken, Knippen en winken Lonken en vinken, Gelijk dat ding Dat pinkt En knipt en winkt En lonkt en vinkt.
(Een Ster--Vlaanderen).
29.
Daar gíng een mánnetje óver den díjk Mét zijn óogjes kíjkerdekíjk, Mét zijn háartjes krúlderdekrúl; Je zúlt het niet ráden, al werd je dúl.
(Het schaap).
30.
Het is, waarin het water vloeit, Het is, waarop de bloeme bloeit, Het is, waarop bij dag en nacht De moede mensch de rust verwacht, Het is, gelijk men dikwijls zegt, Van dat, waarin men dooden legt.
(Het hout.--Land van Waas).
Somtijds is de inkleeding van het raadsel dramatisch. Zoo vraagt de ketel aan het water, dat uit de pomp vloeit:
31.
Dribbel drabbel dribbelgat, Hwêr komst dou fen dinne? --Ut de ierde, Swart forbarnde tsjettelkop.
(Friesland).
Hoogst merkwaardig is het gesprek tusschen weide en beek, dat zeer oud is en wijd en zijd verspreid:
32.
--Du kromme, du lange, Van waar komde gegangen? --Ei du met dijn geschoren gat, Waarom vraagde mij dat?
De Zeeuwsche vorm luidt:
33.
--Joe kromme, joe slomme, Wèr kom je van dèn gezwomme? --Joe afgeschoren schietgat, Wèrom verwiet je me dat?
Men vergelijke hiermee het Brunswijksche:
--Lanke krummumme, wo wutte hen? --Korte vorschorne, wo frägste nâ, Kann mînen weg bî dâge un bî nacht finnen.
2. De verhalende raadsels zijn somtijds zeer ingewikkeld. De oplossing omvat niet zelden een vrij groot aantal personen of zaken en raakt zelfs historische gebeurtenissen, veelal verhalen uit het Oude Testament. Zoo b.v.
34.
De kist, die leefde, Die er in zat, beefde; De kist, die at, Die er in zat, Bad.
(Jonas in den visch.--België).
Ook het raadsel van de sneeuw, waarvan boven sprake was (bl. 87), is een verhalend raadsel: de sneeuw valt op een boomtak, smelt door de zonnewarmte en droppelt er van af.
35.
In 't Land van Cadsant Ging een man over zijn land Met 'nen ginger, Met 'nen springer, Met 'nen hoepsasa; Hij hield iets in zijn handen; Hij ging al zoo zeere Om zijn land te keeren.
(Hij ging met een paard en een riek).
36.
Hoop en vrees zat op den wagen: Hij zag tweebeen vierbeen dragen. Heeren raadt en zegt het mij, Als ge 't niet raadt, dan ben ik vrij.
Dit raadsel maakt op ons een vrij zonderlingen indruk. Maar het dagteekent uit oude tijden en past in het kader der raadselverhalen, waardoor misdadigers, ter dood veroordeeld, zich het leven konden redden door de rechters een raadsel op te geven, dat deze niet kunnen oplossen. Wij moeten hierbij in aanmerking nemen, dat voorheen hoogernstige menschen zich bezighielden met elkander raadsels op te geven. De raadsels behooren tot de groep van folktoristica die, bij het wijzigen van de tijden, van de ouderen tot de jongeren, en van de hoogere tot de lagere kringen zijn afgedaald. Dit bewijst niet, dat wij in de hedendaagsche raadsels den detritus, den afgesleten vorm hebben, maar dat de volkskunst uit ruimere kringen verbannen is. Zoo ging het met het Sint-Maartensvuur, met het luilak-gebruik enz. (vgl. I, bl. 104, 194). Bekend is de raadselwedstrijd tusschen Wolfram van Eschenbach en den toovenaar Klingsor; en eveneens de raadselstrijd van Odhin met koning Heidhrekr in de Oudnoorsche Edda. Deze lost b.v. het raadsel op, door Odhin, als Gestumblindi, hem gesteld: wie het paard is, dat ter vergadering rijdt, met drie oogen, tien voeten en één staart,--antwoordende, dat het Odhin op het achtpootige paard Sleipnir is (vgl. I, bl. 72).
Bovenstaand raadsel nu werd aan de rechters opgegeven door een veroordeelde, die de belofte had weten te verkrijgen, dat hij zijn leven zou kunnen redden als hij een raadsel kon opgeven, dat de rechters niet vermochten op te lossen. De oplossing luidt: toen de misdadiger op een wagen naar de galg gevoerd werd, had hij een ooievaar zien vliegen met een kikvorsen in den snavel. Hij hoopte, dat niemand het mocht raden, en vreesde de terechtstelling. Somtijds is het ook de vrouw, de moeder of de dochter van den schuldige, die verzoekt het raadsel te mogen opgeven.
Een raadselverhaal, dat nog leeft in West-Vlaanderen en in het Meetjesland, geldt een moeder, wier drie zoons soldaat moesten worden. De koning ontsloeg hen van den dienst, indien de moeder hem een raadsel wist op te geven, dat hij niet kon oplossen. Bij het ter kerk gaan vond zij in het doodenhuisje een doodshoofd liggen, waarin een musschennest met vijf jongen. Van daar dit raadsel:
37.
Ik ging en ik kwam Waar ik vijf levenden uit éenen doode nam; Die vijf maakten mijn drij vrij; Weet ge 't, zegt het mij.
Een variant hiervan is het verhaal van de vrouw, die haar echtgenoot door een raadsel kan redden. Langs den weg vindt zij een paardenschedel, waarin spreeuwen nestelen. Op den bepaalden dag keert zij terug, neemt de vijf jongen uit het nest en geeft het raadselverhaal op:
38.
Toen ik henenging en wederkwam, Vijf levenden uit den doode nam, De zesde maakte den zevende vrij, Nu, heeren, raadt en zegt het mij.
Wijd en zijd verspreid is ook het raadselverhaal met het motief, dat een man, tot den hongerdood veroordeeld, heimelijk door zijn dochter met de borst wordt gelaafd. Zoo stelt deze het raadsel:
39.
Gezogen, gezogen, Landsheeren bedrogen, Kind geweest En moeder geworden.
Dit luidt in West-Brabant (Ternath en omstreken) aldus:
40.
Heeren bedrogen, Muren doorzogen, Wiens kind ik ben, Wiens moeder ik wierd.
"Muren doorzogen", omdat hier de dochter haar vader door een buis in den muur met voedsel laafde.
Tot de groep van raadselverhalen dienen ook gerekend te worden het overgroot aantal raadseltjes, waar personen of zaken naar het getal der beenen of pooten tweebeen, driebeen enz. genoemd worden. Zoo b.v.:
41.
Tweebeen zit op driebeen En trekt aan vierbeen.
(Het melkmeisje).
42.
Tweebeen zat op driebeen, Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten, Toen nam tweebeen driebeen, Om er vierbeen mee te smijten.
(Een man pakt een drievoet om er een hond mee te smijten).
3. De eigenlijke, direkt-vragende raadsels werden door Guido Gezelle kwelvragen genoemd. Het zijn inderdaad kwelraadsels in zoo ver zij den gevraagde trachten te verschalken door hun algemeene bewoordingen, door hun listig bijgevoegde gedachten, hun afleiden van de aandacht, hun verrassende zinspelingen, hun opzettelijk maskeeren van den juisten klemtoon, hun dubbelzinnige woordopvatting.
Tot de meest bekende behoort wel het raadseltje van Keizer Karels hond:
43.
_K_eízer _K_árel _h_ád een _h_ónd, _H_óe _h_éet _K_eízer _K_arels _h_ond?
De naam van den hond was Hoe. Let hier vooral weer op het stafrijm en eveneens op de allitteratie. Als tweede versregel hoort men vaak: "Ik leg het woord al in uw mond", of iets dergelijks, Deze regel is stellig een bijvoegsel van jongeren datum.
Vergelijk hiermee, wat betreft het antwoord in de vraag, het Achterhoeksche:
44.
Krom omgebogen, Vlecht door getogen (getrokken), Wan ik jou 't zekg, Zul ei 't niet roan.
(De wan).
Zeer bekend is nog het kattenraadsel:
45.
Daar ging een mannetje over de brug, Met zeven katten op zijn rug, En ieder kat had zeven jongen, Râ, râ, hoeveel pooten over de brug gongen?
(Twee).
Op de tweeduidigheid van het woord heeten spekuleert het raadsel:
46.
Koolwarmoes, die koud is En drie dagen oud is, Hoe heeten ze dat in Brabant?
(Boven het vuur).
Overoud is ook het volgende raadselrijmpje, waarbij de oude versmaat weer even onmisbaar is, als bij dat van Keizer Karels hond:
47.
A'msterdám, die gróote stád, Met hóeveel létters spélt men dát?
(Met drie: d a t).
Volgen nu nog eenige raadselvragen in denzelfden trant: 48. Waarom dragen de meeste boerinnen rooie kralen? (Om den hals).--49. Wat voor haar had Mozes' hond? (Hondenhaar).--50. Hoe is de eerste vloo over den Rijn gekomen? (Bruin).--51. Hoeveel eieren kon de reus Goliath nuchteren op? (Eén).--52. Wat weegt zwaarder, een pond veêren of een pond lood? (Even zwaar).--53. Wie gaat op zijn kop naar de kerk? (De spijkers in de schoenen).--54. Hoeveel krullen zijn er in een rechten varkensstaart? (Geen een).--55. Welke weg wordt niet begaan? (De melkweg).
Meer spottend van aard, en dus eigenlijk behoorende tot de volksluim, zijn raadsels als deze: 56. Waarom knijpt de haan zijn oogen toe, als hij kraait? (Omdat hij zijn liedje van buiten kent).--57. Wie heeft de eer, den koning bij den neus te vatten? (De barbier).--58. Wie steekt er 's morgens het eerst zijn neus in de kerk? (De sleutel).--59. Hoe hiet Mozes, toen hij klein was? (Mozesje).--60. Wie zit tot over de ooren in de schuld? (Wie een slaapmuts draagt, die nog niet betaald is).
Eindelijk, tot de letterraadsels behooren: 61. Wat staat er midden in den hemel? (De letter m). Zoo ook:
62.
't Is in de vrouw en niet in den man, 't Is in 't bier en niet in de kan, 't Is in 't koren en niet in de wan, 't Is in Karel en niet in Jan; Zeg mij wie dit raden kan.
(De letter r).
4. In de raadselsprookjes, ook bij ons in ruime mate bekend, huwt de koning veelal zijn dochter uit aan dengene, die bepaalde raadsels kan oplossen, of wel raadsels opgeeft, die niemand raden kan. In andere sprookjes komen raadsels ook buiten dit verband voor, zoo b.v. in het verhaal van den herdersknaap, die antwoord geeft op de drie vragen: "Hoeveel water is er in de zee? Hoeveel sterren staan er aan het uitspansel? Hoe hoog is de hemel? Geheel als raadsel op te vatten is een sprookje als het volgende, ons door Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 143 meegedeeld:
Er was eens een meisje, dat vrijde met een ruiter. Zij wist niet, hoe die ruiter heette en evenmin, wie hij was. Eens op een avond kwam hij bij haar te paard, en vertelde haar, dat hij een mooi groot slot had, daar wilde hij haar heen brengen; maar het was heel ver weg. En toen nam hij haar bij zich op het paard en reed met haar weg, zeer ver, zeer ver, door den duisteren nacht, zoo snel, zoo snel, dat geen vogel zoo snel vliegen kon. En de ruiter zong:
Het maantje dat schijnt er zoo helder, Het paardje dat loopt er zoo snelder, Zoetliefje, zoetliefje, berouwt het je niet?
Eindelijk kwamen zij aan het slot. En toen trouwden ze en hebben bruiloft gehouden. En het meisje is nooit weer bij haar vader en moeder teruggekomen.
Raad eens, wat is dat?--
Dat meisje had de tering en de ruiter was de dood.
Zeer eigenaardig is het slot van vele raadsels. Soms klinkt het uitdagend: Je kunt het niet raden, al was je met je zessen,--in geen zeven jaar,--al ben je fijn,--al werdt je dol,--tot Baafmis,--tot Sinter Merten,--tot morgen noen. Andermaal wordt de oplosser geprezen: Als je het raadt, ben je bekwaam; en evenzoo wordt hij, die het op moet geven, gelaakt. Sommige raadsels zeggen den oplosser een belooning toe; wellicht berustte dit voorheen op werkelijkheid.
Zie vooral de voortreffelijke voordracht van Dr. Boekenoogen, in de Handel. en Mededeel. van de Maatschappij der Nederl. Letterkunde te Leiden, 1900-1901, bl. 36, waaraan ik menig raadsel en menige beschouwing ontleende; en A. Joos, Raadsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1885), mijn hoofdbron voor de Zuidnederlandsche raadsels. Verder Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 257; A. De Cock, Volkskunde XVII, bl. 25, XVIII, bl. 45; Schoonjans, Volkskunde XXII, bl. 85 vlg.
Zijn de raadsels meer uitingen van het gevoelsleven, in de spreekwoorden van een volk openbaart zich vooral de volkswijsheid en praktische levenservaring in beknopten, ja gedrongen vorm: het spreekwoord is de bijzondere vorm, waarin het volk inkleedt zijn waarnemingen en ondervindingen op ethisch gebied, de uitkomst van zijn denken, de slotsom van zijn waarneming in een bijzonder geval.
De man-uit-het-volk houdt van dubbelzinnigheid in zijn raadsels, maar niet in zijn spreekwoorden en zegswijzen, al vertoonen die vaak een emphatisch karakter. Hij noemt de dingen bij hun naam, en ook preutschheid ligt hem verre. Zoo is heden ten dage het spreekwoord, en zoo was het in de hooge oudheid en bij alle volken. Het behoort, wij zagen het reeds, tot de eigenaardige vormen, waarin de spreektaal zich vertoont. Voor een groot deel zijn de spreekwoorden gemeen-goed van het geheele menschdom. Het zijn "gevleugelde woorden", die, hebben zij eenmaal de omheining der tanden overschreden, vrij en onbelemmerd rondfladderen, de karavanen begeleiden op hun tochten, neerstrijken op de masten der snelzeilende en snellerstoomende schepen, landen en zeeën doorkruisen in alle richtingen. Vele Nederlandsche spreekwoorden zullen wij dan ook elders weervinden, en deze overeenkomst zal dan weer berusten hetzij op historischen, hetzij op algemeen-menschelijken grondslag. Laat ik hier slechts wijzen op het verdienstelijke boek van Dr. W. Suringar, Erasmus over Nederlandsche spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen van zijnen tijd (Utrecht 1873); de verhouding van Nederlandsche spreekwoorden tot Grieksche en Latijnsche springt er duidelijk in het oog.
Toch bewaart het spreekwoord steeds frischheid en jonge, opgewekte levenskracht. Want het loopt van mond tot mond en wordt telkens verjongd, ja telkens opnieuw geboren, of legt althans een ander gewaad aan, bont en druk in het Zuiden, sober en stemmig in het Noorden, steeds overeenkomstig den aard, het karakter, de levensverhouding, de sociale groepeering der taal- en kultuurgemeenschap. Het krijgt een lokale kleur en kleurt weer de taal van den spreker op overeenkomstige wijze. Het spreekwoord is een kunstvorm van de taal van den gemeenen man--, en als zoodanig wensch ik het hier met enkele woorden te behandelen.
Natuurlijk kan te dezer plaatse van een verzameling van spreekwoorden in de verste verte geen sprake zijn. Noch Tuinman's, noch Harrebomé's spreekwoordenboek, noch Stoett's magistrale verzameling wensch ik te overtroeven. Slechts zou ik aan enkele voorbeelden duidelijk willen maken, hoe zich het volkskarakter in spreekwoorden uit, tevens, voor zoover mogelijk, rekening houdende met hun socialen oorsprong, d.i. met het sociale milieu, de sociale groep, waaruit zij zijn opgegroeid.
Aanschouwelijkheid kunnen wij niet als karakteristiek kenmerk van het Nederlandsche spreekwoord laten gelden. Formuleeringen als: "beter éen vogel in de hand, dan tien in de lucht" vindt men ook elders in menigte. Ook het stafrijm, als in "kap en kogel (kat en kogel) verliezen", "met bed en bult vertrekken" enz., is algemeen-Germaansch en aan vele andere volken niet vreemd; men denke b.v. aan het Latijnsche cras credo, of sanus salvus, dat in het Fransch sain et sauf werd. Alleen mag men beweren, dat de allitteratie in onze spreekwoorden en spreekwoordelijke uitdrukkingen nog welig en met onverzwakte groeikracht voorttiert. Dit geldt ook voor de assonantie en het rijm: zij staan in gunste, en verschalken ons, als wij den waren zin van een spreekwoord trachten te achterhalen. Zoo berust de uitdrukking "zooals het reilt en zeilt" (of "treilt en zeilt", Zuidnederl. "reist en zeilt") op een rijmloos: "zooals het rijdt en zeilt", d.i. zooals het schip voor anker ligt ("rijdt") en zooals het zeilt; zie Stoett, Spreekwoorden no. 1646. De symmetrie in onze spreekwoorden, het streven om beide zindeelen aan elkaar gelijk te maken, als: "wat niet weet, wat niet deert",--"komt tijd, komt raad", is wellicht een flauwe herinnering aan den bouw der beide Oudgermaansche halfverzen. Over deze en andere eigenheden zie vooral Verdam, Geschiedenis der Nederl. Taal3, bl. 159 vlg.
Voorbeelden van deze en dergelijke ongekunstelde kunstvormen in onze volksuitdrukkingen en spreekwoorden zijn in groote getale bijeengebracht door A. Joos in zijn keurig boekje: Schatten uit de Volkstaal (Gent 1887). Aan het Tweede Deel, dat de "Gepaarde woorden of wederwoorden" bevat, ontleen ik het volgende.
Stafrijmen. Bakken en boteren (druk bezig zijn).--Biezen en bijzen.--Hij is begraven zonder bimmen of bommen.--Blikken noch blozen.--Boe noch ba zeggen.--Buigen of bersten.--Vóor dag en dauw.--Door dik en dun.--Ditje's en datje's.--Van alles dubbel en dik hebben.--Dit is maar een gapen en gieten (gemakkelijk).--Gibberen en gabberen (zonder reden lachen). --Groen en geel.--Daar zal hen noch haan over kraaien.--Hij kwam hink en honkel aan (stijf of krom).--Hij wil hot noch haar (ongewillig, aan de voermanstaai ontleend).--Kant en klaar.--Hij gaat naar kerk noch kluis.--Kijven en krakeelen.--Kind noch kraai hebben.--Iemand buiten de deur zetten met kisten en kasten.--Klitsen en kletsen (met de zweep).--Klodderen en kladderen.--Spreken over koetjes en kalfjes.--Kort en klein slaan.--Voor kost en kleeren zorgen.--Kris en kras.--Iemand van lap en leer geven (een pak slaag).--Lief en leed.--Listen en lagen.--Lonken en liefoogen.--Lui en lekker.--Vergaan met man en muis.--Perk en paal stellen.--Van Pontius naar Pilatus sturen.--Met potten en pannen.--In rep en roer.--Rijden en rotsen.--Schade en schande.--Schobben en schooien.--Slag om slinger vechten (hevig).--Dat gaat zonder slag of stoot.--Sloffen en sleffen (al slepende gaan).--Stijf en stom staan.--Taal noch teeken geven.--Vast en veilig.--Iemand nijpen tusschen vel en vleesch (bedektelijk berispen).--Visch noch vleesch zijn.--Het is altijd vuur en vlam.--Vrij en vrank.--Wankelen en weifelen.--Hij gaat door weêr en wind.--Hij weet van wijken noch wankelen.--In zulke handen wint en woekert het geld (groeit het aan).--Wisjes en wasjes.--Zuur en zoet.--Zuchten en zagen (ontevreden zijn).--Zwieren en zwaaien.--Zwoegen en zweeten.
Eindrijmen. Blikken en flikkeren.--Bobbels en knobbels.--Brassen en plassen.--Dringen en wringen.--Drinken en klinken.--Hij kan gaan noch staan.--Garen en sparen.--Gedrang en geprang.--Gelapt en getapt, gelapt en getrapt (gansch versleten).--Met geld en geweld.--In geur en fleur staan.--God noch gebod ontzien.--Goed en bloed geven.--Hij komt aan zijn kost met habben en krabben (moeilijk).--In handel en wandel.--Zich verdedigen met hand en tand.--Daar bleef helder noch pelder of spelder over (niets).--Tegen heug en meug.--Van hoeten noch toeten weten.--Hoog en droog zitten.--Hotst het niet, dan botst het.--Hou en trouw.--Huis noch kluis hebben.-- Jan en alleman.--Kikken noch mikken.--Zich kunnen kleeden en reeden.--Knotteren en stotteren (lastig zijn).--Krinkelen en winkelen (bochten maken).--Land en zand koopen (rijk worden).--'t Is alles krank en mank.--Mikken en prikken, totdat ze gaan vliegen (de gelegenheid laten voorbij gaan).--Iets van naadje tot draadje uitleggen.--Naam en faam verliezen.--Met pak en zak vertrekken.--Met raad en daad iemand bijstaan.--Rapen en schrapen (gierig zijn).--Rooken en smoken.--Wij hoorden ruit noch muit (niets).--Schot noch lot betalen (niets).--Schrijven en wrijven.--Smeren en teren (smullen).--Stank voor dank.--'t Vriest steen en been.--Steen en been klagen.--Loopen langs stegen en wegen.--Met tijd en vlijt.--Vrij en blij.--De zaak zooals zij waait en draait.--Wasschen en plassen.--Wroegen en zwoegen (hard werken).--Daar blijft geen zierken of geen spierken meer over.--Altijd zot of bot zijn.--Zwieren en tieren.
Halve rijmen. Dag en nacht werken.--'t Zijn al eindjes en tuitjes (stukjes en brokjes).--Ergens gewonnen, geboren en getogen zijn.--'t Is met den zieke halen en dragen (nu wat beter, dan wat slechter).--Iets volhouden bij hoog en bij laag.--Jokken en gekken.--Iets opeten met ooren en pooten (vgl. het allitteerende "met huid en haar").--Met stukken en brokken.--Tusschen waken en slapen.
Rijmlooze weder woorden. 't Is uit en amen.--Iets voor een appel en een ei verkoopen.--Baas en meester zijn.--Iets achter banken en stoelen steken.--Begekken en bespotten.--Over berg en dal.--Op dag en uur.--Door deur en venster slaat de rook naar buiten.--Na lang dingen en bieden.--Iemands doen en laten kennen.--Hij is al lang dood en begraven.--Eenzaam en verlaten.--Eer en faam verliezen.--Hij wil noch eggen noch aarden (is ongewillig).--Door eksters en kraaien uitgescholden worden.--Eten en smullen.--'t Is gedurig gaan en komen.--Iemand bedreigen met galg en rad.--Gelaarsd en gespoord.--'t Moet altijd gelepeld en geboterd zijn (gepast).--Bij leven en welzijn.--Iemand kennen van haar tot pluim.--Vol haat en nijd zijn.--Daar zijn haken en oogen aan.--Hals over kop.--Met handen en voeten.--Have en goed.--Hij geeft om hel noch duivel.--Een leven, dat hooren en zien vergaat.--Een man van ijzer en staal.--Als kat en hond zijn.--Men moet kiezen of deelen.--Met koets en paard.--Het heeft kop noch staart.--Met kousen en schoenen in den hemel komen.--Lachen en boerten.--Iets wagen op leven en dood.--Mager en gezond.--Iemand man en paard noemen.--Bedorven in merg en been.--Moord en brand roepen.--Bij nacht en ontij.--Oud en wijs genoeg zijn.--Tusschen pot en glas spant de duivel zijn netten.--Proper en net.--Rust noch duur hebben.--Iemand snap en beet geven (bits antwoorden).--Slaven en wroeten.--Stellig en vast.--Vergaan tot stof en asch.--Loopen langs straten en wegen.--Op tijd en uur.--Verhuizen met tafel en bed.--Van toeten noch blazen weten.--Vast en zeker.--Met vedel en fluit.--Van iemands vleesch en bloed zijn.--Vloeken en zweren.--Vrede en peis (peis en vree).--Bij weêr en ontij.--Iets doen uit wrok en nijd.--Zang en dans, zang en spel.--Iemand niet kunnen zien of luchten (niet kunnen uitstaan). --Zonde en jammer.
Tot de algemeene faktoren, die invloed op den spreekwoordenschat van ons volk hebben uitgeoefend, behoort zeer stellig het bijbellezen; ik noem slechts: "waar het hart van vol is, loopt de mond van over";--"die een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in" enz., zie b.v. Dr. E. Laürillard, Opgave en toelichting van spreuken en gezegden in de volkstaal aan den Bijbel ontleend (Amsterdam 1875), en C. F. Zeeman, Nederlandsche Spreekwoorden, spreekwijzen, benamingen en volksuitdrukkingen aan den Bijbel ontleend (Dordrecht 1877). Ook de invloed van Vader Cats is niet te onderschatten. Maar voor ons meer van belang dan het ontleende is het oorspronkelijke, meer dan het vreemde, het litteraire en kunstmatige, is het karakteristieke: wij bevinden, dat onze volksspreekwoorden en uitdrukkingen worden gekenmerkt door de eigenaardigheden van Frieschen, Saksischen en Frankischen volksaard, door vaderlandsche beroepen en bedrijven, door klimaat en gesteldheid van den bodem, door sociale invloeden van allerlei aard. Over het algemeen komt tot uiting een groote mate van praktisch-nuchter overleg, gepaard aan gulle trouwhartigheid.
Bij de Saksers met hun gesloten halle-huis weerspiegelt zich vooral het berekende en terughoudende in de gangbare spreekwijzen van het gewest. Ik geef enkele voorbeelden uit Twente:
't Mot nen grooten sprekkert wezen, diê 't nen zwiêgert verbettert.
In der tiêd, dat zich nen wiêsen bedenkt, kan zich ok nen gek bedenken.
Met fiêne leu en stofreggen, door woj met bedroggen.
Aj 'n ekster uutstuurt, krie 'j 'n bonte vogel weer in huus.
Aj 't gat oetleent, möj oet de ribben schiêten (al te goed is buurmans gek).
Leer um leer, kulst doe mîj, ikke dîj weer!
Ai-j twee slimmen in de wan doot, komp ter altied wal een slimmen boaven. Vgl. Driem. Bladen III, bl. 48; IV, bl. 127, V, bl, 65.
Maar ook, hoeveel innigheid en poëzie schuilt niet om den huiselijken haard onder het reuzendak van het halle-huis! Of is zij niet bij uitstek dichterlijk de uitdrukking, die men in Twente bezigt voor "als het wintert": "as de witte bijen vleegt?" Dit karakteristieke hallehuis vinden wij met al zijn onderdeden in de spreekwoorden weer.
Het dak: Doar is te völ dak op 't hoes (er zijn te veel luisteraars).
De onderschuur: Wisse bis doe baas--in 't onderschoer as de hond er nig is (Denekamp).
De hilde (zoldering boven den koestal): Asset eenmoal op de gaffele hef, krigget ok wol op de hilde.
De haard: Ieder raakt de assche op ziênen kooken.--Den 't vuur schelt (mankeert), zoch 't in de assche.--An de pan sloan, dat 'n kettel der van rapt (grootspreken, ook wel lasteren).
De gemoedelijke Graafschapper denkt bepaaldelijk aan het ekonomische voordeel, dat zijn haard met de ruime schouw hem biedt. Een voorn uitwerpen om een kabeljauw te vangen heet bij hem: "met een metwo(r)st noa een ziêje spek gooien." Het gelag betalen is "het haal schoeren."
Men lette voorts op de groote rol, die de huisdieren spelen in het Saksische spreekwoord:
Wat hes door? "Niks." Door kans de kat met doodvoeren.
Der um hen drêjen as de kat um 'n gleuinigen pap.
Ai-j de kat op 't spek bindt, dan wil het 't nich vretten.
Alles moêst, wat van katten komp.
Van 't hondengeleuve wezzen.
't Geet um as 't hondebiêten (op beurt).
Zoo drok, as de hond, di zeuven tellers te likken hef.
Armeleu ossen en riekeleu kinder bint vroo groot.
Nauwverwant zijn de Drentsche en Groninger spreekwoorden. Wat Drente betreft, "eerst bijna ontoegankelijk, later opzettelijk buitengesloten, lang op zich zelf aangewezen", hier hebben uiteraard tal van oude zegswijzen het leven kunnen rekken; zie Dr. J. Bergsma, Woordenboek bevattende Drentsche woorden en spreekwijzen (Groningen 1906) I, passim, en voorts Drentsche Volksalman. 1839, bl. 185, 207 vlg. Veel poëzie mag men bij de stroeve bevolking der Drentsche veendorpen niet verwachten. Van iemand, die een blauwe scheen kreeg, heet het: "hij heeft het achterhek mede gekregen";--iemand in gevaar brengen: "iemand het vuur op de hilde beuten";--wie wil geven, maar liefst het geld in den zak houden: "hij wil poesten en houden het meel in den mond"; volgens schriftelijke mededeeling van zeer geachte zijde zou dit echter moeten zijn: "poesten en houden het meel in den zak". Beteekenis: hij wil wel varkens houden, doch geen meel verbruiken; hij wil bij kleine hoeveelheden uit den meelzak nemen, er uit poesten of met den mond blazen, zóo weinig, dat de inhoud van den zak niet vermindert. Het gezegde betreft gierigaards.--De een is nog minder dan de ander vertolkt de Drentenaar: "huis is karnemelks borge" (echter ook Veluwsch: Geldersche Volksalman. 1879, bl. 175). Typisch is vooral de zegswijze voor het begrip sterven: "de vork neerleggen".
Uit een eigenaardigen trek, dien wij ontmoetten in de Drentsche volksgebruiken, b.v. te Weerdinge, Emmen, Meppel en Hoogeveen, bleek, hoezeer de bijenteelt in die streken in eere staat (I, bl. 293, 294). Dit getuigt ook het spreekwoord. Hoe meer voorspoed, hoe meer onwilligheid, kleedt men gaarne in dezen vorm: "hoe meer de iemen winnen, hoe heiliger zij binnen";--hoe meer werk, hoe meer verdienste, luidt: "hoe meer werk, hoe meer honig";--wie wil verdienen, moet vaak het zure voor lief nemen: "die honig wil likken, moet lijden, dat de bijen hem steken".
Bij de Groninger spreekwoorden en zegswijzen ontwaren wij vooral een gezond en typeerend realisme. "As-te Grönnegers 't lief vol (h)ebb'n, goan ze vot", klinkt wel wat erg prozaïsch. Maar ook ethisch-hoogerstaande spreekwijzen zijn niet zeldzaam, als: "'t is nou oart, moar 't zal wel voart wor'n", gezegd van iemand, die in overmoed, uit overvloed geboren, versmaadt wat hij later zal moeten missen. Kerngezond van geest en taal, en gehard van lijf en leden, zóo zijn de echte Grönnegers: "frisch weer zegg'n ze nog, al klappertann'n ze van koalle". Vgl. Driem. Bladen VI, bl. 118.
Het besliste, vastberadene, stugge Friesche karakter uit zich in den stelligen, gedrongen vorm der Friesche spreekwoorden. Ook vindt het zeemanswezen zijn weerklank.
Der iz modder oonne kloet (als de kloet veel gebruikt wordt, valt heel wat schoon te maken, dus: hier valt heel wat zuiver te maken. Ook wel gebruikt, als een jongen een meisje met geld trouwt).
Teecken je dij kaets (aan het kaatsspel ontleend: onthoud dit wèl).
It is better te sparjen mei brea (brood), as sonder brea.
Hij makket schien fjild (hij maakt het veld schoon, verkoopt ontijdig, is een verkwister).
It giet oer koarren in klampen (het gaat alle maten te buiten, eigenlijk gezegd van het water, dat bij storm langs vele wegen het schip binnendringt).
Hâd je mar dom, den bin je frij fen pompen.
Dij het ien swiere boppelest (hij zeilt met een te zwaren bovenlast; wordt ook gezegd van iemand, die beschonken, die "topzwaar" is).
Az de schippers sijllen, schôftjen se neat.
Al tijden isser op sijn afterschip (hij komt altijd te laat).
Aade tiercken (kerken) habbe tioestre glesfinsteren.--
Typisch om hun gedrongen kortheid zijn nog:
Quaelck won, quaelck spon (kwalijk gewonnen, kwalijk gesponnen).
Aad jold, aad hea, aad brae stiet ien wol to stae (oud goud, hooi, brood komt iemand wel te stade).
It hea op, in de kou dea (het hooi op en de koe dood, d.i. als de man sterft, is zijn goed opgeteerd).
Hij kin doeke noch swimme (hij kan duiken noch zwemmen, weet zich niet aan te passen, is maatschappelijk onbruikbaar).
Sa scheper, sa hoen (zoo schaapherder, zoo hond).
Hoe meer wij nu de zee naderen, westwaarts, in de richting van onze Hollandsche en Zeeuwsche laaglanden, waar het Friesch element zoo duidelijk valt waar te nemen, hoe meer de taal het afgepaste en stugge karakter verliest, hoe soepeler en smijdiger zij wordt in klank en uitdrukking. En toch waait ons krachtiger de frissche zeewind tegen en vindt het zeewezen een ruimer vertegenwoordiging. De volkstaal krijgt hier veeleer den stempel van eenigszins ruwe hartelijkheid, als van zeelieden, die den voet aan wal zetten; maar zij blijft frank en vrij, zonder slinkschheid en kronkelwegen, lijnrecht als de slooten en kanalen, die de polders talloos doorsnijden. De spreekwoorden der kultuurtaal zijn doorgaans van Hollandsche afkomst en het loont de moeite zich te overtuigen van den invloed, dien water en scheepvaart op onze spreekwoorden en zegswijzen hebben uitgeoefend. Moge een ander oordeelen, dat men het ijzer moet smeden, als het heet is, de Hollander beweert, dat "men moet zeilen, terwijl de wind dient." Maakt iemand veel verteringen, dan "haalt hij zijn zeil in top"; versukkelt hij zijn tijd, dan "gaat hij met de laatste schepen onder zeil"; inslapen is "onder zeil gaan"; toornig opstuiven "met opgestoken zeilen komen aanzetten"; bedaren is "het zeil inbinden"; en verder:"stijf onder zeil zijn";--"achteruit zeilen";--"klein zeil voeren";--"zeil op iets maken";-- "een oog in 't zeil houden";--"alle zeilen bijzetten";--"iemand in de zijde zeilen";--"met een nat zeil loopen";--"langs den wal zeilen";--"met zeilen voor den mast liggen";--"bakzeil halen";--"in iemands zeilen waaien." Ook bij huwelijksbeschouwingen speelt het zeil een voorname rol. "Een vrouwenhaar trekt meer dan een marszeil," meent men; en wil het geval, dat een vrouw voor een man niet past, dan luidt de uitspraak: "dat is geen zeil voor dat schip."
Laat ik nog enkele scheepstermen en zegswijzen in herinnering brengen. "Iemand aanklampen";--"iemand afschepen, aftakelen, van bakboord naar stuurboord zenden";--"iemand aan boord klampen, op sleeptouw nemen, in 't vaarwater zitten, een steek onder water geven";--"het anker lichten, laten vallen";--"roeien met de riemen, die men heeft";--"tegen den stroom oproeien"; --"in het riet sturen";--"met de nachtschuit komen";--"leelijke streken op zijn kompas hebben";--"aan het roer zitten";--"de vlag strijken";--"bijdraaien";--"de huik naar den wind hangen";--"voor de haaien zijn";--"naar wal sturen";--"kant noch wal raken";--"aan lager wal zijn";--"de beste stuurlui staan aan wal";--"oude schepen blijven aan land";--"uitkaaien"; --"iemand aan den dijk zetten";--"op 't droge zitten."
Luide spreekt ook het visschersbedrijf. "Visschen, terwijl het water blond is";--"een schelvisch uitwerpen, om een kabeljauw te vangen"; --"een visch (snoek) vangen";--"visch moet zwemmen"; --"geen vin verroeren";--"in troebel water is het goed visschen"; --"glad als een aal";--"iemand aan zijn angel krijgen";-- "geld (boter) bij de visch";--"aan den haak slaan";--"achter het net visschen"--"het neusje van den zalm."
Maar wie het Hollandsche landschap kent met zijn eindelooze, malsche weidevlakten, zijn slooten, zijn knotwilgen, zijn windmolens, zijn prachtig vee, begrijpt, dat nog andere tonen in de spreekwoorden der bevolking tot uiting moeten komen.
Op den heerlijken wintertijd met zijn nationaal ijsvermaak wijzen uitdrukkingen als: "het ijs breken";--"zich op glad ijs wagen";-- "op oud ijs vriest het licht";--"over ijs van éen nacht gaan";-- "beslagen ten ijs komen";--"een scheeve (rare) schaats rijden". Betrekking op den veestapel hebben: "de koe bij de horens vatten";-- "de koetjes loopen in mijn weiden";--"zijn koetjes op het droge hebben";--"over koetjes en kalfjes praten";--"als de kalveren op het ijs dansen";--"oude koeien uit den sloot halen". Belangrijk is vooral de zegswijze "veel koeien, veel moeien", niet slechts, omdat hier moeien bewaard is gebleven, het meervoud van moeie "moeite", vergelijk het Hoogduitsche Mühe, maar meer nog, dewijl het vermogen in rijkdom aan vee berekend wordt.
Holland is ook het land van de windmolens: "dat is wind op zijn molen";--"de molen is door den vang" (de zaken loopen verkeerd);--"hij heeft een slag van den molen weg (beet)";-- "hij loopt met molentjes". Maar Holland is vooral het waterland, "door den mensch ontwoekerd aan de zee", schrijft bewonderend Edmondo de Amicis, "een kunstland, door de Hollanders gewrocht, in stand blijvend, omdat de Hollanders het behoeden, verdwijnend, wanneer de Hollanders het prijs gaven". Bevat het spreekwoord "die 't water deert, die 't water keert" niet heel wat volkswijsheid en historie? Hier wordt het Hollandsche volk geteekend in zijn strijd met het vochtige element. Oudtijds moest, luidens dit spreekwoord, zich ieder tegen het water verdedigen, zoo goed hij kon. Het water te keeren, was aan ieders initiatief overgelaten, en niet zelden liepen de afzonderlijke belangen uiteen: het was de periode van het partikularisme. Maar de kracht van den enkeling bleek aldra onvoldoende tegen het geweld van storm en vloed. De noodzakelijkheid, bij gemeenschappelijk gevaar het water terug te dringen of af te leiden, eischte onverbiddelijk vele handen, ja eischte gemeenschappelijk handelen en deed de persoonlijke belangen terugwijken. Aldus leerden onze voorouders met kracht, uit eendracht geboren, te handhaven het erfdeel hunner vaderen.--Wat zal nu in verband met deze ontwikkelingsgeschiedenis de beteekenis zijn van dat andere spreekwoord "Gods water over Gods land (akker) laten loopen"? De oorspronkelijke zin kan m.i. niet zijn een laf en lijdelijk toezien, maar, na volbrachten plicht, kalme berusting in Gods wil. En vooraleer het Nederlandsche volk die vrome, niet-loome berusting verliest, kan er nog heel wat water door den Rijn, de Waal, de Maas, de Schelde loopen.
Het water leerde ons volk arbeidzaamheid en zindelijkheid tevens; immers het steeds en aldoor weer schuren van huisraad en ander koper- en ijzerwerk vindt zijn oorzaak in de vochtigheid van het klimaat. Arbeidzaamheid en zindelijkheid zijn een tweeling-karaktertrek onzer natie, een trek, die zijn oorzaak vindt in het vochtige element en zoo voortreffelijk, kort en krachtig, belichaamd wordt in het spreekwoord, dat wij het Hollandsche zouden willen noemen bij uitstek: Rust Roest.--En mag ik voor Zeeland in het bijzonder nog eens herinneren aan het wèlverdiende: "goed rond, goed Zeeuwsch?"
Bij de zuidelijke Franken, in Brabant, Limburg, de Lijmers, de Overbetuwe, het Land van Maas en Waal en het grootste deel van België, wordt de spreekwijze losser en levendiger, vertoont zij meer sprankelend vernuft en humor, meer kleur en poëzie. Wij trekken ons nu van de zee terug en gaan door het wuivende graan en de geurende boekweitvelden, langs de blonde oevers van Maas en Schelde, of door het zonnige, lachende heuvelland langs moeizame kronkelpaadjes, of over de eindelooze, golvende Brabantsche wegen. Wellicht ontmoeten wij op onze wandeling een vroolijke verhuispartij, of een bruiloftsstoet met vedel en trom, of zijn wij getuigen van den fieren uittocht eener zelfbewuste schuttersgilde naar het feestterrein, of mogen wij aanzitten aan een welvoorzienen kermisdisch. Want gulle gastvrijheid viert hier hoogtij, en evenzeer gulle vroolijkheid, ja uitgelatenheid, terwijl jolige scherts de overvloedige gerechten rijkelijk kruidt.
Hoe spiegelt zich dit drukke, landelijke, feestelijke leven in spreekwoorden en zegswijzen:
Alles op tiêd en bookeskook (boekweitkoek) in den herfs. [18]
Hê it, dette zweit, en hê werk, dette kald wuurd.
Hê hêt de paplêpel weggelag (is gestorven).
Wie doller gebrouwe, wie bêter beer (hoe lichter men de zaak opvat, des te meer valt zij mee).
Den bessem oêtstêke (zie I, bl. 276).
Beer van Paters vêtje.
Beer op melk verhaampt zich neet (verdraagt zich niet).
Op de foekepot speule (lawaai maken, zie I, bl. 142, 157).
Geine gek van Sint Merte make (niet overdrijven, heeft betrekking op het Sint Maartensfeest).
Hê is good gelaaie (heeft veel gedronken).
Det geit door 't getuug hêr (gaat te ver).
Hê is van naat holt gemak, van de nate gemeinte, lös (lust) zie naat.
_B_otermelk is _b_oere-medesien.
Van eine _k_ale _k_ermis toês kome.
Achterum is 't kermis.
Achter mienen rök is 't kermis.
Lache wie (as) 'ne kermishond.
Zoeë zinge ze neet, as ze van Kêvelêr kome.
Gein schutterie zonder keuning.
Drij moal keuning is keizers rech.
Koeël is good ête, maar dan mot 't verke der door loupe.
Land bemiste lieët zich neet foppe.
Lekker is gouw de kêl aaf.
Eine lintworm in 't liêf hebbe.
Melk is beer veur de jonge, beer is melk veur de alde.
Ik bin 't meug (moe) wie kalde pap.
Moos is geine spekkóok.
't Zoeë drök hebbe as de pan mit Vasteloavend.
Ein ploog (ploeg), die werk, roes neet.
De ploogestert stik (steekt) um door de boks oêt.
't Geit um zoeë dun as pompwater.
Hê lieët reube good moos zien.
Hê hêt 't spek hoeëg hange.
Det is zoovuël as 'n vleeg in 'nen brouwkêtel.
Eine mnd hebbe as 'n woafelpan.
Zoolang de vogel op de mas (mast, schietboom) steit, maag me der noa scheete.
Pêrstand (paardentand) en vrouwehand mote noeëts stil stoan.
Einen in de wan kriege, mit eine wanne (met iemand sollen).
Van ei joar mot me de ploog neet aan de wand hange (als 't een jaar tegenvalt, moet men nog niet moedeloos worden).
Zoeë zak, zoeë zoatgood (zoo ouders, zoo kinderen).
Waat m'n aan 't verke voort, krieg m'n aan 't spek truuk.
Alles vergeit, behalve de koestert, dê blief altiêd achter.
Geliêk vieë lek zich gêr.
Now is de bok vet!
Det is gei klein beer (dat is geen smaldoek).
Ermeluus pannekeuk en riekeluus krengde (ziekte) ruuk me wiêd.
Eine vildershond, ein halversdochter (pachtersdochter), en ei meulepêrd,--zien veur 'nen boer niks wêrd.
Kald beer zit werm blood.
Hê is 'nen dröpkeshèlige, dê in alle herberge verierd wuurd.
Hê hêt de plaat um (ziet er deftig uit, als een schutterskoning).
Hê hink mier aan de vaan as de ganse bronk wêrd is (bronk is hier de gilde-optocht).
Hê hêt zien bein mit muggevet ingesmêrd (om te dansen).
Den eine speulman is den andere ein deuntje schüldig.
De letste man de zak ophalde (tot het laatst blijven).
Hê hêt de vogel aaf.
Maar men zou verkeerd doen, met te meenen, dat de Zuidnederlandsche spreekwoorden zich uitsluitend bewegen op het terrein van spel en scherts en feestgelag, met het landleven als ondergrond. Kent gij spreekwoorden, die in diepen levensernst kunnen wedijveren met dat hoog-ernstige: "Groeëter is 't leid, det gevare (gereden), as det gedrage wuurd"? Kent gij er, die het in warmte en innigheid kunnen halen bij dat gevoelvolle: "Al is de mooder nòg zoeë erm, ze dek (dekt) toch werm"?
Zeer veelvuldig zijn ook de spreekwoorden en zegswijzen van religieuzen aard, of die tot het Roomsch-Katholieke geloof in zekere betrekking staan. Tot deze laatste groep behooren:
Hê is in Roeëme gewês en hêt de Paus neet gezeen.
Me mot de kerk in 't midde loate.
Doa is gei kerkske zooë klein, of ter duvel bouwt zich ei kapelke dernêve.
Pastoeër zêgent zich zelf 't iers (eerst).
Pastoeër deut gein twieë misse veur eí geld.
Rêgent 't op de pastoeër, dan druubdet (of: druubbet) op de köster.
Hê steit doa wie 'n Poaskers (stijf-deftig).
Me mot eeder hellige ziene was (kaars) gêve (men moet ieder geven, wat hem toekomt).
Ein hieël litanie schöld op zien rêkening hebbe.
Waat 'n kruuts--geí (geen) kruuts!
Hê hêt den oferstok gevêg.
Eemand zien evangelie, de ach zalighede lêze.
Zich eine stoal in den hemel verdeene.
Hê hêt eine kop wie eine Karthuzer.
Têge de klippe van de hel aan (met de uiterste krachtsinspanning).
Me mot O.L. Hieër neet noa de ouge wille stêke.
Hê zuuter oêt as 't ieëwig lêve.
Hê zuuter oêt as 'n bedrökte Magdalena.
Maar ik sprak daar zoo juist van spreekwijzen, die een beslist Christelijk volkskarakter openbaren, en ook deze zijn niet gering in aantal. Ik volg hier met enkele wijzigingen den bekwamen schrijver van de Kijkjes in Limburg in den Limburger Koerier (CCCLXIX), en noteer de spreuken weer, voor de eenvormigheid, in het Venloosch dialekt; ik wensch echter uitdrukkelijk op te merken, dat zij algemeen-Zuidnederlandsch zijn.
Waat God wilt behalde Zal verheite (verheeten) noch verkalde
klinkt het met kalme berusting. Kan het anders? Als iemand zijn werk begint, zegt hij: "In Gods naam". Soms klinkt dat: "In Godsnaam: des neet gevlook". Vertelt hij van zijn voornemens voor de toekomst, dan zal hij nooit verzuimen er bij te voegen: "As God bleef' (als 't God belieft). Verricht hij het een of ander goed werk, dan doet hij dat "ter iere Goads" of "om Goads wil." Wil hij met aandrang iets vragen, dan zegt hij "Ik bêj dich um Goads wil." Met elk goed werk weet hij, dat hij verdient "eine Godsloeën." En slaagt hij in een zijner ondernemingen, heeft een moeilijk werk ten einde gebracht, ontvangt hij een gunstige tijding, dan volgt een hartelijk "Goddank."
"God loeënt och", zei vroeger de kerkmeester voor elk centje, dat in de schaal gelegd werd bij zijn rondgang door de kerk. "God loeënt och", zegt thans nog de arme, als hij een aalmoes krijgt aan de deur. Maar komt de arme om een aalmoes bij iemand, die niets te geven heeft, dan zegt deze: "God wil os helpe." Of hij hiermede te kennen wil geven, dat hij zelf geholpen moet worden?
Gaat iemand op reis, dan luidt het nog vaak ten afscheid: "Gank, det dich God bewaar!" En spreekt men over een afgestorven maag of vriend, dan blijft diens naam wel zelden zonder de bijvoeging "zaliger gedachtenis", of: "God gêf um den hemel", of "God truës zien zieël."
Meer bepaaldelijk in Vlaanderen hoort men nog: "Vree is God mee";--"God beschikt over nacht";--"geef God geen beschimmeld brood";--"God geeft de koe, maar niet bij de hoornen", d.w.z. de mensch moet krachtig meewerken en de handen uit de mouw steken;--"'t is alles goed wat God wil";--"men moet God naar de oogen zien";--"ik was liever zijn rozenkrans, dan zijn paard;--"als de eene bedelaar den andere iets geeft, dan lachen de engelen in den hemel." Zie Pr. Van Duyse, in het Belgisch Museum V, bl. 192. Het geestige, boertige van het Vlaamsche spreekwoord blijkt vooral uit verzamelingen als die van A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen over de vrouwen, de liefde en het huwelijk, in Volkskunde XI--XX (ook afzonderlijk uitgegeven). Verder: A. de Cock, Spreekwoorden en zegswijzen, afkomstig van oude gebruiken, in Volkskunde IX--XVII; Spreekwoorden, zegswijzen en uitdrukkingen op volksgeloof berustend, in Volkskunde XIX--(onvoltooid); Geldersche Volksalman. 1819, bl. 175; Welters, Feesten, Zeden, Gebruiken en Spreekwoorden in Limburg; Limburg's Jaarboek VII, bl. 159, 293; VIII, bl. 73, 238; XVI, bl. 64, 228, 284; XVII, bl. 45; Mélanges Paul Frédéricq, bl. 51.
Vele van deze spreekwoorden vinden wij op de Veluwe weer, in zoo menig opzicht met het zuidelijk volksgebied verwant. Vooral tal van spreekwoorden en zegswijzen, die op den akkerbouw en het akkerleven betrekking hebben, zijn gemeenschappelijk. "Anspan kriigen" heeft te Uddel de beteekenis van een maat, een makker, een medehelper krijgen.
Zeer eigenaardig, vooral ook met het oog op het Veluwsche landschap, is de zegswijze: "met den plaggenwagen komen", d.i. geen aanzoek gekregen hebben. Als een boerendeern, bij gelegenheid van de kermis, geen vrijer gehad heeft en ze komt ook zonder jongen thuis, dan is ze "met den plaggenwagen weergekomen", en dan moet ze "den volgenden dag de speken (spaken) gaan opzoeken": Onze Volkstaal III, bl. 250, 251.
Het spreekwoord neemt een eigenaardigen vorm aan in de apologische spreuk of exempel-spreuk. Deze legt een ervaringsbeginsel of ook maar een gewone zegswijze, aan een mensch, die zich in een ongewone situatie bevindt, in den mond, of nog komischer, aan een dier, en ontwikkelt aldus een groote komische kracht. Zoo b.v.: "Alles met mate, zei de snijder, en hij sloeg zijn wijf met den ellestok", een gezegde, ook in het buitenland ruim verbreid.-- "Elk zijn meug, zei de boer, en hij at vijgen".--"Alle beginselen zijn moeilijk, zei de boer, toen moest hij de koe bij den staart in den stal trekken".--"Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, toen woog hij het brood te licht".--"Alle baten helpen, zei de wolf, en slikte een mug af".
Twente: Dat is 'n ander keurn, zèj de muller, en hê beet in 'nen moezenköttel.
Salland: Alles is maar een weet, zèj de boer, en hi bloazen met z'n gat de lampe uut.
Groningen: Das-t-er aine zunde staine, zee de oeling, dou vradd'e en slakk op en mainde, dat 'n proeme was.
Limburg: Waat now gezonge, zach de köster, doe stond de kerk in brand.
Getroffe, zach de jong, doe smeet hê zie vader en oug oêt.
Alles is maar gewuënte, zach den bekker, doe vêgde hê mit de kat den oaven oêt.--
Men vindt ook tweeledige. Zoo b.v. Limburg: Det is aangebrand, zach de vrouw, doe de jong wat in de botermelk vond.--Aangebrand, hêt det ouk bein? zach de jong, en heel (hield) eine mölder in de huëchte.
Nu zijn juist deze apologische spreekwoorden voor ons van groote waarde, omdat zij getuigenis afleggen van de wijze, waarop bepaalde maatschappelijke personen of standen denken en spreken, al dingt het luimige karakter dezer volksgezegden op de waarheid der opvatting heel wat af.
De Boer. Alles heeft zijn inzicht, zei de boer, en hij keek in zijn muts.
Daar zal een bakkie theewater op smaken, Dominé, zei de boer, en hij had zijn vrouw begraven.
Dat is een groote wetering, zei de boer, en hij zag de zee.
Dat is een schoone vondst, zei de boer, en hij spleet een zwavelstok in zestienen.
Ik deug niet in de huid, zei de boer, toen hij op sterven lag, en hij sprak de waarheid.
Ik ga eens zien, of mijn familie slaapt, zei de boer, en hij keek in het varkenskot.
Ik houd niet van hangen, zei de boer, maar ik moet wel.
Het Besje. De jeugd wil er uit, zei het besje, en zij reed op een bezemstok.
De onderdrukten hebben het hard, zei besje, en zij zag een luis knippen.
Het is de jonkheid, zei besje, en toen speelde een zeventiger met buitelmannetjes.
Zuinig, zei besje, lekker is maar een vinger lang.
Zuinig, zei besje, de boter is duur.
De Vrouw. Het overleggen is 't al, zei de vrouw, en zij braadde het spek in de boter.
Zij maken den bokking hoe langer hoe kleiner, zei de vrouw, en ze zag sprot liggen.
Daar kom je kaal van af, zei de vrouw tegen haar man, en hij kwam van den barbier.
De Man. Alle ding laat zich eten, zei de man, en hij at garnaal en krabben.
Het oog wil ook wat hebben, zei de man, en toen sloeg hij zijn vrouw een blauw gezicht.
De Knecht. Ik en mijn baas hebben de zolder vol hooi liggen, zei de knecht, en hij was blij als hij zijn weekgeld kreeg.
De Meid. Als ik eens vrij man word, zei de meid, dan eet ik ieder dag gort met rozijnen.
Die ligt op zijn uiterste, zei de meid, en zij zag een botertonnetje, dat tennaastenbij leeg was.
De Dief. Alle beginselen zijn zwaar, zei de dief, en voor de eerste maal stal hij een aanbeeld.
Ik moet er meê wezen, zei de dief tegen het loopende volk, en hij reed naar de galg.
Kwaad gezelschap, zei de dief, en hij ging tusschen den beul en een monnik naar de galg.
De Ambachtsman. Goed overleg is het halve werk, zei de broddelaar, en hij zette den lap naast het gat.
Wat duurt er eeuwig, zei de metselaar, toen had hij een oven van Friesche turf gemetseld.
Een handwerk heeft een gulden bodem, zei de wever, en hij zat op een hekel.
't Is een vette buit, zei de visscher, en hij haalde een walbaars op.
Alle vrachtjes lichten, zei de schipper, en hij smeet zijn vrouw over boord.--
Ten slotte nog enkele voorbeelden ter verluchting van het apologische dieren-spreekwoord.
Laat de dooden rusten, zei de arend tot de raaf, en hij verslond een levende duif.
Hou je gemak, zei de havik, toen hij de duif plukte.
Wij scheiden zóo niet, zei de haan tegen de pier, en vrat ze op.
Scheiden is bitter, zei de hond, toen was hem de haas ontloopen.
Goeden dag samen, zei de vos, en hij kwam in het ganzenhok.
Alle ding daar het behoort, zei het varken, en het kroop in de geldkast.
Kort beraad, goed beraad, zei de wolf, en hij hapte naar het schaap, dat hem ontsnapte.
Gelijk bemint zijns gelijk, zei de luipaard, en hij verslond een bonte kraai.
De druiven zijn zuur, zei de vos, toen hij er niet bij kon. Zie Kirghbijl ten Dam [J.A. Alberdingk Thijm], Vaderlandsche karakterschildering in onze spreekwoorden, in De Dietsche Warande IV, blz. 213 vlg.
Bij het bepalen der psychologische waarde van het spreekwoord dient men vooral te letten op oorsprong en ontwikkeling of vervorming. Zoeken naar den oorsprong beteekent zoeken naar den oudsten, niet naar den "waren" of "eigenlijken" vorm. Want de volksspreekwoorden behooren tot de levende taal- en begripsorganismen, die steeds nieuwe groeikracht vertoonen en immer nieuwe loten uitschieten, welke dan met evenveel recht groeien in de vrije lucht en ópranken naar het licht als de oude moederstam.
Om nu zekerheid te krijgen omtrent den oorsprong, dient men vooral niet te veel af te gaan op de innerlijke waarschijnlijkheid, maar de beste methode is, den taal- en voorstellingskring, de sociale groep op te sporen, waarin de uitdrukking het best past en waar zij zonder beeldspraak is. Dit is b.v. het geval met de uitdrukking "op zijn eigen houtje", aan de zeemanstaal ontleend, waar "zijn eigen hout" inderdaad in de beteekenis van "schip" gebruikt werd; zie Eymael, De Nieuwe Taalgids, bl. 97.
Maar aldra verlaat het spreekwoord zijn oorspronkelijk milieu en fladdert in velerlei gedaanten rond heinde en ver. Somtijds heeft opzettelijke nieuwvorming plaats, zooals in de uitdrukking van Busken Huet: "Gods water over Gods akker laten kabbelen"; maar Huet schreef geen volkstaal. Verreweg de meeste vervormingen zijn onbewust. Zij berusten op klankassociaties, als: "dat loopt de spuitgaten uit," voor "de spuigaten";--"over éen kant scheren", voor "over een kam scheren"; of ook op begripsassociaties. Zoo schrijft De Vooys in zijn artikel "Een principiële opmerking bij het etymologiseeren van spreekwoorden en spreekwoordelike uitdrukkingen" in De Nieuwe Taalgids, bl. 178 vlg., waar hij deze geheele materie zoo voortreffelijk behandelt: "Voor een heet vuur staan zal waarschijnlik eerst een soldaten- of matrozenuitdrukking geweest zijn, maar het "hete vuur" kan nu heel goed het beeld van een bakker, een glasblazer of een kok suggereren. Men kan in een dergelijk geval wel uit de oudste plaatsen het oudste-- desnoods het "oorspronkelike"--beeld trachten te vinden, als men dat maar niet als het "echte" of "eigenlike" tegenover de latere "onechte" of "verbasterde" stelt. Feitelijk is de uitdrukking, ondanks de gelijkheid van klank en betekenis, iets anders, iets nieuws geworden. De vernieuwing gaat zich uiterlik openbaren, als er wijziging in de woorden het gevolg van is." Zoo dacht men bij de uitdrukking "de bom breekt uit" aanvankelijk aan een vat, waar de bom (de spon) uitspringt. Maar door de klankgelijkheid van dit bom met bom "kogel" heeft zich weldra een ander beeld in de plaats geschoven, en in verband hiermee werd uitbreken vervangen door barsten, losbarsten of springen. Hier heeft het gewijzigde beeld ook de geheele beteekenis doen veranderen. De oude beteekenis "het geheim is uitgekomen" is geweken voor "er is een beslissende uitbarsting gekomen". Het volk heeft dus een geheel nieuw spreekwoord gewrocht, zoowel wat beteekenis als wat vorm betreft. Dit feit is van belang voor de psychologie van het volksleven, maar ook voor de historie der kunstvormen, waarin het volk zijn gedachten en gevoelens pleegt en weet te kleeden. Die vormen zijn ook lokaal gekleurd, niet alleen door de sociale, maar ook door de ekonomische, de geografische, de ethnische geaardheden en toestanden. "Er moet nog veel water door de Maas vloeien", wordt elders: door de Waal, den Rijn, de Schelde, de Leie, de Demer enz.;--"een schelvisch, een spiering uitwerpen om een kabeljauw te vangen", wordt in Limburg: "een avel uitwerpen om een snoek te vangen", en in het Oosten van ons land: "met een metworst naar een stuk (zijde) spek gooien". Het Hollandsche: "zoo oud als de weg naar Kralingen", luidt in Limburg: "zoo oud als de weg naar Keulen, naar Aken, naar de Peel". Het Drentsche spreekwoord: "Armelui's ossen en rijkelui's kinder zijn gauw groot", heeft in Limburg den vorm: "Ermeluus holt is gauw gehouwe en riekeluus kinder zien gauw getrouwd".
Tot de kunstvormen van de volkstaal behoort ook de volksluim, die zich vertoont in de grilligste gedaanten.
1. Zeer veelvuldig zijn de woordspelingen op plaatsnamen, waarvan ik hier enkele staaltjes laat volgen. Ook gefingeerde namen vindt men er bij.
Naar Molleghem zijn; naar 't Pierenland zijn (dood en begraven zijn): Vlaanderen;--naar Piepenbroek zijn: de Veluwe.
Bleijenbeek (bij Afferden) gaat voorop (een blij lijk).
Well is Well, maar in alle huizen is het niet Well: Limburg.
Te Wellerlooi Daar zingen de veugelkes zoo mooi. Te Well ook wel, Maar niet zoo mooi als in in de Looi.
Naar Boxmeer gaan (zijn beurs trekken, zinspeling op het woord boks "broek").
Van Lekkerkerk zijn.
Een mond opzetten zoo wijd als Montfort.
2. Plaatsnamen in luimige gezegden zonder woordspeling.
Zoo lang als Elmpt (een lang Duitsch dorp op de Limburgsche grens).
Een gezicht zetten zoo lang als Posterholt.
Zoo breed als Geilenkirchen: Sittard.
Hij is te Ool nog niet over! (gehucht bij Roermond).
Hij komt van de Merumer markt: Roermond.
Hij is een uit de Maaseyker vier uitersten (d.i. "lui, lekker, kaal en hoovaardig").
Dat ligt tusschen Maastricht en Allerheiligen (nergens).
Van Bommel tot Den Bosch (volop).
Van Helmond komen (drukte maken).
Naar Zuidbroek gaan, zegt men te Hoogezand voor "een dutje doen"; te Venloo heet dit: "naar Tegelen gaan", enz. Men noemt natuurlijk steeds een naburig dorp.
Ik ga naar Sebaldeburen apen drillen (als de Groninger niet wil vertellen, waar hij heen gaat).
Een boterham, waardoor men Maastricht kan zien.
Op Kessenicher veêren slapen: Belgisch Limburg.
Altijd hooger, als het orgel van Gangelt: Sittard.
Op de Akerstraat (buurt van Hoensbroek) bakt men de koek maar aan éen kant (de huizen liggen slechts aan éen kant van den weg). Hetzelfde zegt men b.v. van Buggenum (L.) en Oudeschild (Texel).
Iemand naar Geelbroek (tusschen Beilen en Assen), naar den Kollenberg (Sittard), naar den Heksenberg (Heerlen), naar de Mookerhei wenschen.
3. Spotrijmpjes op steden en dorpen.
Oostergoo het land, Westergoo het geld, De Wouden het verstand, De Steden het geweld.
Dokkum is een oude stad, Een oude stad boven maten, Daarom verkoopt men anders niet Als taai en ook garnaten.
De Amelander schalken, Die stalen eens drie balken s Avonds in den maneschijn, Daarom zal 't hun wapen zijn.
Neêr-Langbroek Die schrale hoek! Daar wonen niets dan edellui En bedellui, Ridders En broodbidders; Daar staan anders niet als kasteelen en nesten, Sterkenburg is het beste.
Deventer is een koopstad, Zutfen is een loopstad, Lochem is nog wat, Maar Borkeloo is een hondegat.
Amsterdam ligt aan het IJ, Monnikendam, daar wonen wij; Edam is een nest, Hoorn doet zijn best, Enkhuizen staat op tonnen, Medemblik heeft het gewonnen.
Peer is nog een stad, Achel is nog wat, En Bree is een paddegat.
Brugge is zot, Gent is bot. Kortrijk heeft 'nen zin, Ronse heeft van den duvel in.
Wing, Wang, Laar, Herpen over Orsmaal, Hal al bovenal, Dormaal is een verkensstal.
Die van Balen (prov. Antwerpen) komen geloopen, Om den Molschen toren te koopen, Die van Balen, die waren nie zot, En ze gongen er mee naar 't verkenskot.
Dendermonde Leeg van gronde, Klein van goed, Hoog van gemoed.
De volontairen van Grammont (Geeraardsbergen) Die lieten stelen hun kanon. Zij exerceerden lijk de koeien, En zij stalen al de Savooien. Rakkedok--kedok! Mee 'nen krommen kop; Z'hebben een geweer Lijk 'nen bloemkoolstok.
Herenthals is 'ne nest, Die der wonen, weten het best.
Hersel--de macht, Westel--de pracht.
Hooglee--groote pracht, Verre gezien en weinig geacht.
Hooglee Schoone stee, Lichtervelde lacht er mee.
Eessen Is een deesem, Zane is een trog, Werken loopt er om nog, Handzame is een leegaard, Koekelare is alderbest, Bovekerke is 'n kakkernest.
Te Langedijk Daar zijn ze rijk, Daar eten ze gort met krenten! En waarom zouden zij dát niet doen, Ze leven er van hun renten.
Daar kwam 'nen boer van Leuven, Van Leuven kwam 'nen boer; Hij meende gaan te dorschen, En viel op zijnen vloer.
Enumatil Daar kijken ze gril, Daar staat geen kerk of toren; Als de snik komt, blaast de jong op 't horen.
Maasland, Vet land De bedelêren komen van dien kant.
Die van Mol die zijn geschoren, Ze hebben vier wijzers en geenen toren; Die van Geel, die zouden loopen, Om de wijzers af te koopen; Die van Balen zijn jaloesch, Ze hebben 'nen toren lijk 'ne kroes.
Rijke Vörsel Arm Mal Lomp Zoersel Mager Hal (Kempen).
Tiegem--berg en dal, Ingoigem--lang en smal, Ootegem--de fleure van al!
Te Zulte in 't zand, Hoe meer dat 't regent, Hoe beter land.
Loon-op-Zand, Licht volk, licht land, Ze schooien den kost, En ze stelen den brand.
Herten, Merum en Ool, Drie dorpen en éen pastoor.
De Bressianen (van Breskens) Zijn hanen, Maar voor Schoondijke Moeten ze wijken. En komen die van Groe, Dan houden ze beter hun deuren maar toe.
Koevorden is een fraaie stad, Dalen is een moddergat, Wachtum is een eendenpoel, Hesselen is een koningsstoel.
Zooals men ziet, wordt met sommige plaatsen de spot gedreven, om eigen woonplaats op te hemelen. Dit laatste is uitsluitend beoogd in het Veluwsche:
Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al.
En eveneens in het Groningsche:
Riepster klokkengeklang, 't Lopster örgelgezang, 't Zandster bouwland, En Steemer kouland, Dat is het kroontje van Grönnegerland.
Maar het kan óok zijn, dat de regels: "Kootwijk is een zoetendal, En die er is, die blijft er al" oorspronkelijk bij een meer uitgebreid rijmpje hebben behoord. Men vergelijke:
Zuidhorn is een bloemendal, Die er woont, die blijft er al, Noordhorn is een moddergat, Die er komt, die vindt er wat! Oldehove, die stompe toren, Daar wil de koster zijn wijf vermooren. Niehove loopt in 't rond, Daar loopen de meisjes kakelbont. Feerwerder katten Springen over latten, Vangen de muzen Bij honderd en duzend, Braden ze in de pan, En eten er alle dagen van.
Tiel is een stad, Echteld is een gat, IJzendoorn is een waterpoel, Ochten is een koningsstoel.
Bommel, Bommel blinkt schoon, Waardenburg spant de kroon, Tuil is 't alderbest, Hafte is een kraaiennest, Hellouw is een eendenpoel, Herwijne is een schettestoel, Vuren is een errem land, Dalem ligt aan den Waterkant, Gorkum is een schoone stad, Schelluinen is een hondegat.
Een enkel voorbeeld van plaatsnamenrijmpjes, die de taal kort en treffend karakteriseeren:
De Visvlieter bellen, Zeggen van zèllen en wèllen, De Boerumer bollen Zeggen van zollen en wollen, En de Kollumer luden Zeggen van zuden en wuden.
Zie Driem. Bladen IX, bl. 47, 48.
4. Spotrijmpjes op voornamen en familienamen.
Antoon:
Toontje Mijn zoontje, Wanneer zal 't zijn? T'avond in de maneschijn.
Jan Baptist:
Jan Baptiste, Suiker in de kiste, Vleesch in de pot, Jan Baptiste is waarlijk zot.
Jan:
Jan Koekepan, Met 'nen spijzen boterham.
Jan Bakt eieren in de pan, Bakt eieren in den schoen, Dan herre geen pan van doen.
Jan, mijne man, is altijd ziek, Heel de weke, heel de weke, Jan, mijne man, is altijd ziek, Heel de weke, maar 's Zondags niet.
Jozef:
Seven, Laat mij leven, 'k Zal u een stuk van mijn hemdslip geven.
Marianne:
Marjanne, Boter in de panne, Boter in de pot, Is Marjanneke nog nie zot!
Piet:
Piet Valt in 't riet, Dat men hem niet meer ziet.
De Smedt:
Smedt, Een panneke vet, Een panneke rapen, En daarmee moet Smedt slapen.
Van Boeck:
Frans van Boek, Dikke snoek, Zonder knoopen aan zijn broek.
Verbist:
Mijnheer Verbist Lag in de kist, Zonder dat vader of moeder het wist.
Verhagen:
Jan Verhagen Draagt zijn beste broek alle dagen.
5. Alliteerende volksluim.
_M_ulders _M_ans _m_oet _m_ijn _m_oeder _m_ooi _m_eel _m_alen, _m_ooi _m_eel _m_oet _M_ulders _M_ans _m_ijn _m_oeder _m_alen.
_W_ie _w_eet _w_aar _W_illem _W_aanders _w_oont? _W_illem _W_aanders _w_oont _w_ijd _w_eg, _w_ijd _w_eg _w_oont _W_illem _W_aanders (elders: _W_illem _W_itjes).
De _k_at, die _k_rabt de _k_rullen van de trap (tevens assonantie).
6. Spotrijmpjes op standen en ambachten.
Bakker:
O jonges wat 'n pret! Morgen wordt 't brood afgezet! Twee centen in 't geheel, O wat kijkt die bakker scheel!
De bakker van den hoek, Die heeft vannacht geblazen, De zemelen uit zijn broek, Hij hangt ze voor de glazen, Gelijk een peperkoek.
Apotheker:
Mijnheer den apotheker, Ik ben het niet zeker, Maar geef me voor twee cents en half Platluizenzalf. 't Is niet voor mij, 't Is voor mijn kameraad, Die aan de deur staat.
Boer:
Rotte patatten Mee schelle' va' visch, Dat eten de boeren As 't kerremis is.
Kleermaker:
Kleeremaker, Luizekraker, Lapkesdief! Ge heb gestolen van mijn gerief!
Koster:
Bimbambeieren! De koster lust geen eieren, Wat lust hij dan? Spek in de pan, Met een roggen boterham.
Paternoster, Slaat den koster, Slaat hem een bult, Dat hij rond de kerk krult.
Lantaarnopsteker:
Ik kom aan, Ik zet neer, Ik kruip op, Ik steek aan, Ik ga neer, Ik neem op, Ik ga heen.
Jantje komt, Jantje komt, Jantje de lanteernman! Vroeg en laat Op de straat, Om te zien, hoe alles gaat.
Molenaar:
Mulder, mulder, korendief, Groote zakken heeft-ie lief, Kleine wil-ie niet malen, De duvel zal hem halen!
Soldaat:
Soldaat Kameraad, In de Peperstraat! En hij pakte zijn geweer, En hij schoot ze omveer.
Wever:
Daar zat 'ne wever op zijn getouw, Blauw van honger en grauw van kou, Hij weefde al dit en hij weefde al dat, En hij weefde 't hemdeken van zijn gat
7. Spotrijmpjes op gebreken en mismaaktheden.
Bultenaar:
't Is den bult Zijn eigen schuld, Dat hij zijn kas moet dragen; Dat hij gaat Bij Pier van Timst, Die zal zijn kas afzagen.
Bult karkas, Viool op bas, Viool en fluit, Trekt er maar uit!
Gierigaard:
Gierigaard, Langen baard, Uitgedroogde moordenaar!
Linksche:
Slinkepoot Den duvel is dood, Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
Manke:
Mankepoot Den duvel is dood, Ga naar d'hell' om uw vesperbrood!
Rosharige:
Ros haar, Ros bloed, Zelden goed.
Scheelziende:
Schelewip, Schelewap, Papzak!
Ik heb een vogeltje gevangen En het beestje kan niet zien, Schele Pauwelien, Schele Pauwelien.
8. Wat de klokken vertellen.
De klokken van Ledegem luiden:
Lui Leegem Luizebestier, En hooveerdig!
Volgens Rond den Heerd IX, bl. 116 kleppen de klokken van Caneghem, als er iemand gestorven is:
Bim! bam! bom! 't Moet al dood, Klein en groot, Arm en rijk, Al gelijk.
De inwoners van Wieze bij Dendermonde worden door de naburige dorpen voor gekken uitgescholden. Vandaar, dat deze het klokkengelui van Wieze vertolken:
Wieze is zot, Toebak dol.
9. Tot de rubriek van de Volksluim behooren natuurlijk ook de duizenden uien, moppen of boertige verhalen, die bij het volk in omloop zijn en dermate onmisbaar lijken in het hedendaagsche volksleven, dat De Meyere zich afvraagt, of de moppenverteller van heden niet de sprookjesverteller van vroeger zijn zou?--Een zeer eigenaardige uiting van den volkshumor is ook de parodie, en hierover nog enkele korte opmerkingen.
Van het diep-gevoelvolle Sterrelied, dat wij I, bl. 143 hebben meegedeeld, bestaan parodieerende varianten als:
Herodes, de koning, kwam zelve veur: zijn broek was gescheurd en zijn hemd stak er deur.
Zij kwamen al veur een bakkerij: daar kochten ze éen koek en ze stalen er drij.
Zij liepen tot bij een herbergier: daar dronken ze een pot en ze zaten bij 't vier.
Hoe het komt, dat deze varianten in het oude sterrelied werden ingelascht, is op afdoende wijze door Boekenoogen in het Jubelnummer van Volkskunde (1914), bl. 24 vlg. verklaard. Maar men wachte zich, parodieën als deze te zwaar op te vatten en aldus verkeerd te beoordeelen. Het is een feit, dat de parodie, met name in het zuidelijk volksgebied, vooral geestelijke personen en zaken treft, ja het heiligste niet schijnt te sparen. Maar inderdaad kunnen de meeste dezer parodieën als vrij onschuldige scherts beschouwd worden, die zelfs een zekere gemeenzaamheid en vertrouwelijkheid met het geestelijke veronderstelt. De geparodiëerde gebeden, die plaatselijk den naam dragen van wilde gebeden en veelal in de kinderwereld terecht gekomen zijn, vindt men uitvoerig behandeld in De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 168 vlg. Een andere groep vormen de pastoorspreeken, ook in het noordelijk gebied niet onbekend; zie Volkskunde XX, bl. 73, 117, 178, 232; XXI, bl. 37, 80, 101, 150, 239. Een geliefd thema is dat van den pastoor, die op den preekstoel zijn meid wil waarschuwen, dat zij den eendvogel niet mag laten aanbranden. En zoo begint hij dan:
Marie tentum Keert en wentum Want de entum Die verbrentum.
De dienstbode begrijpt de bedoeling en het onheil is afgewend. Maar de aandachtige toehoorders waren van oordeel, dat de pastoor nog nooit zoo veel en zoo mooi Latijn gesproken had.
II. Sprookjes, sagen en legenden.
Sprookjes, sagen en legenden zijn dichterlijke volksverhalen, die ontstaan zijn en opgroeien uit het volk en door de mondelinge volksoverlevering worden voortgeplant.
De meest dichterlijke onder deze scheppingen van den volksgeest is het sprookje. Het is een volstrekt-fantastisch volksverhaal, zonder beperking van plaats, persoon of tijd. Het ontstaat in den volksmond zonder bepaalde aanleiding, enkel en alleen om der wille van zich-zelf. Het wordt geboren uit den naïeven, spontanen drang, zich te verlustigen in het spel der verbeelding. Niet onjuist heeft men het sprookje genoemd: "een anonieme schepping der volksfantasie".
Daarentegen is de sage gebonden aan plaats, persoon of tijd; somtijds hangt zij samen met een bepaald volksgebruik. Men onderscheidt mythische sagen, aldus genoemd, omdat zij wortelen in algemeen-animistische opvattingen of in een bepaald mythologisch systeem (zie I, bl. 63); Christelijke sagen, die Christelijke figuren of tafereelen borduren op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon; en historische sagen, met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Heeft nu zulk een historische sage betrekking op de levens of de krachtdadige voorbede der heiligen, dan noemt men ze met den bijzonderen naam van legende.
Aan ruimte noch tijd gebonden zwerft het sprookje rond, raadselachtig vaak in zijn oorsprong, raadselachtig in zijn plotseling verdwijnen; nu eens geblakerd door tropischen zonnebrand, dan weer verkleumd door het striemen van de noordsche kou,--maar steeds het aanminnige, blonde volkskind, steeds de weldoende lichtfee, die hutten en paleizen met haar hemelgaven binnenzweeft. Het sprookje... verplaatst niet alreeds het verkleinwoord ons terstond naar de sfeer van het kinderlijke, naïeve, aanminnige en ongekunstelde?
Nu eens legt het de plechtwade aan van het kultuurdicht, dan weer het stralenkleed van de mythe, een ander maal den bonten lijfrok van het volkslied of het schamele plunje van het volksverhaal, maar ook dan vertoont het zich niet zonder lieflijke majesteit, zonder frissche bekoorlijkheid.
De sproke is echter niet slechts zwervelinge, niet slechts wereldburgeresse. Zij heeft óok een nationaal karakter en voegt zich geheel in het koloriet der vertelling en in de karakteriseering der personen naar de zeden en gewoonten van het land, waarin zij leeft. En hierin ligt een bewijs voor het feit, dat het sprookje werkelijk een volksleven leidt, dat het zijn immer jeugdige levenskracht put uit het volk, dat sprookjeskunde en volkskunde hand in hand gaan.
"Daar was eens een koning en een koningin en die hadden drie dochters. De jongste, braaf en onschuldig, werd door haar vader medoogenloos tot vrouw gegeven aan een grimmig monster. Dit nu was een schoone, betooverde jongeling, die elken nacht zijn werkelijke gedaante weer aannam, maar zóo door zijn geliefde niet mocht gezien worden. Geduldig droeg de zwaarbeproefde koningsdochter haar lot; vaak echter zwichtte zij voor menschelijke zwakheid, en telkens moest ze dan haar vergrijp zwaar uitboeten. Doch eindelijk vatte zij liefde op tot haar man en op hetzelfde oogenblik wierp deze zijne gedaante van draak (leeuw, wolf, beer) af en vertoonde zich in volle schoonheid."
Ziedaar, geachte lezer, de kern van een bekend Nederlandsch sprookje. Maar ook elders is het geen onbekende. Bij Slaven, Grieken, Albaneezen, Rumenen, Italianen, Kelten en Kalmukken kort men de avonden met gelijkluidende verhalen. Als sprookje van Amor en Psyche vinden wij het in een roman van den Romeinschen schrijver Appuleius; Raffaël bracht het op doek; Thorwaldsen en Canova belichaamden het in het kille marmer; Calderon achtte het niet te gering, om het te vereeuwigen in een Auto Sacramental. Zoo hebben ook onze Sprookjes van Moeder de Gans hun parallellen bij alle Indogermanische volken; de schurkerijen van Reintje zijn bij de Zoeloe's bekend; en Kaffers, Samojeden en Kalmukken scheppen behagen in vertelsels als die van Tijl Uilenspiegel en Hans den Reuzendooder.
Waar lag dan wel de bakermat dezer "anonieme scheppingen der volksfantasie"? Hoe zijn ze gevormd, wie gaf hun de gedaante, waarin zij zich thans vertoonen?
Toen de gebroeders Grimm in 1812 hun Kinder- und Hausmärchen der Deutschen in het licht gaven, deed de vergelijkende sprookjeskunde haar intrede in de wetenschappelijke wereld. Wel was hun hoofdstreven er op gericht, dezen sprookjes-schat te maken tot gemeengoed voor geheel Duitschland, maar de grootsche onderneming kon ook haar wetenschappelijk resultaat niet missen. Jammer genoeg was hun theorie al te eenzijdig. Naar hun oordeel zijn de Germaansche sprookjes de afgesleten vorm, het diamantgruis der mythen van eertijds: "das Mythische gleicht kleinen Stückchen eines zersprungenen Edelsteins, die auf dem von Gras und Blumen überwachsenen Boden zerstreut liegen". Het sprookje weerspiegelt dus de mythologische voorstellingen en gebruiken onzer Germaansche voorouders, ja van het geheele Indogermaansche ras. Sprookjes zijn niets dan verkleurde mythen van goden of halfgoden. Taalverwantschap en stamverwantschap gaan met sprookjesverwantschap hand in hand. Hieruit volgt, dat de oorvorm onzer sprookjes behoorde tot het religieuze gemeengoed der Indogermanen.
De oorsprong der sprookjes dekt zich dus met den oorsprong der mythologie. Jacob Grimm kan op algemeen-mythologisch gebied beschouwd worden als de voorlooper van Max Müller; en zoo huldigt dan ook hij de meening der naturalistische school, dat de mythen een afspiegeling zijn van de meest indrukwekkende natuurprocessen. Het kon niet anders, of het op- en ondergaan der zon, het dagelijks wederkeeren van dag en nacht, de heldere sterrenhemel, de strijd tusschen licht en duisternis, tusschen zomer en winter,--dit alles moest een diepen indruk maken op den natuurmensch. Wilde hij nu zijn gewaarwordingen ten opzichte dezer natuurtafereelen aan anderen meedeelen, dan werden deze door persoonsverbeelding als menschelijke handelingen voorgesteld. Ging de zon op of onder, men zeide, dat zij geboren werd of stierf; werd ze verduisterd, dan heette het, dat zij met een ontzaglijk monster den strijd aanbond. Maar weldra ging de oorspronkelijke beteekenis der beeldspraak verloren, en nu werden de voorstellingen der natuurprocessen tot mythen, en naderhand veelal tot sprookjes. Volgens de latere natuurmythologen, die meer de animistische opvatting huldigden, stelden de Indogermanen zich de hen omringende natuur van meet af aan als bezield voor. Zoo is dan de Schoone Slaapster oorspronkelijk de in winterslaap verzonken aarde, en de prins, die haar wekt met een kus, de lentezon; zoo is de reus in Klein Duimpje de ijzige wintervorst.
In het jaar 1859 stelde de groote Sanskritist, Theod. Benfey, hoogleeraar te Göttingen, tegenover deze theorie, die de bakermat onzer sprookjes ten slotte in het Indogermaansche stamland zocht, zijne Indische hypothese. In de klassieke inleiding zijner vertaling van het Pantschatantra beweert hij, dat de bakermat der sprookjes in Indië ligt, en wel in het Indië der geschiedenis. Dáar spon de spin haar web, dat zijn draden over geheel de bewoonde wereld wierp. Eerst sedert de XIe eeuw n.Chr. zijn deze Indische sprookjes Europa binnengedrongen. In het Noorden diende het Boeddhisme als voertuig en liep de weg over Tibet, Mongolië, Siberië en Rusland; in het Zuiden ging de propaganda uit van den Islam, en deden de Perzen, Arabieren, Turken en Grieken dienst als bemiddelaars. Deze bemiddeling was hoofdzakelijk van literairen aard.
Deze hypothese trok in ruime kringen de aandacht en werd door velen gevolgd; ik noem slechts Cosquin. Het feit valt dan ook niet te loochenen, dat een groot aantal sprookjes uit Indië tot ons gekomen zijn, óok reeds door Alexander den Grooten, door de volksverhuizingen, de Tartaren. Maar anderzijds blijft het onbetwistbaar, dat er vóor het tijdperk van het historische Indië in Europa reeds tal van volksverhalen hebben bestaan. Over de prioriteit van de Grieksche, in het bijzonder der Aesopische fabels, kan worden getwist. Maar de sprookjes, die door de Homerische gedichten worden omsloten of aangeduid, maar het verhaal van Midas met de Ezelsooren kan onmogelijk aan het historische Indië zijn ontleend. Verder wordt in dit systeem de invloed der letterkunde niet weinig overschat. Het ligt in den aard der zaak, dat de letterkunde meer uit den volksmond, dan het volk uit de letterkunde overneemt. Geschreven verzamelingen oefenen op het volk slechts een zeer geringen invloed uit.
Maar het zou onbillijk zijn, Benfey eenzijdig naar de Indische hypothese te beoordeelen. Hij heeft méer gedaan. Hij heeft, en dit is voor ons van het grootste belang, het sprookje getrokken uit den dichten mythologischen nevelsluier, en het gekenmerkt als een produkt der volkskunst met mythologischen en kultuur-historischen achtergrond. Hij heeft open oog gehad voor de wisselwerking tusschen literaire en populaire traditie, en het begrip der ontleening heeft hij ter overwinning gevoerd.
Intusschen werd het vasthouden aan de Indische hypothese steeds moeilijker, steeds onhoudbaarder, naar mate men meer opvallend-overeenstemmende sprookjes ontdekte bij de meest verscheidene en verst afgelegen volken, over den geheelen aardbodem. Vooral de sprookjesschat van Amerika vroeg om oplossing. Hoe kwamen de letterkundige sprookjes van het historische Indië bij de Huarochiri's van Zuid-Peru? Hoe kwam de Boeddhistische Jason-mythe op Samoa? Hoe kwam het oudste ons bekende sprookje, opgeteekend ten tijde van Mozes, naar Egypte?
Bédier scheen in zijn Fabliaux (Paris 1897) een bevredigende oplossing te brengen. Zonder aan sommige sprookjes en sprookjesbestanddeelen een groote mate van autochthonie en zelfstandigheid te willen betwisten, en zonder ook het feit der ontleening in twijfel te trekken, ontkende hij slechts den overwegenden invloed van Indië, de strooming van uit éen bevoorrecht centrum, op éen gegeven tijdstip der geschiedenis. Bij alle volken kunnen sprookjes wording en wasdom verkrijgen, en zoo gebeurt het, dat van uit verschillende milieu's, veelal bezwaarlijk nader aan te duiden, tal van sprookjes de grenzen hunner bakermat overschrijden en zich tooien met de nationale dracht en aannemen de eigenaardige denk- en zegswijze van de meest onderscheiden volkeren.
Hand in hand met beschouwingen en verklaringsmethoden als deze ging een verruiming der theorie van het animisme. Men leerde het beschouwen als een primitieve wijsgeerige wereldbeschouwing, geboren uit een geestestoestand, waarin de mensch geen scherpe scheidslijn weet te trekken tusschen zich zelf en de hem omringende natuur; waarbij de kloof tusschen mensch, dier, plant en mineraal is overbrugd (I, bl. 64); terwijl men door animisme in engeren zin ging verstaan zielengeloof en doodenkultus. Maar zulk een geestestoestand doet ook allerlei opvattingen, maatschappelijke instellingen en gebruiken ontstaan, die evenzeer voor mythen- en sprookjesvorming in aanmerking komen. Hij overheerscht bij de natuurvolken, maar is ook in zekere mate bij de kultuurvolken aanwezig en kweekt daar nog steeds soortgelijke voorstellingen en gebruiken, men denke slechts aan den Vegetationsdämon bij de Germanen. Het sprookje is dus niet slechts diamantgruis, niet altijd de afgesleten vorm der mythen van eertijds. De sprookjes-telende aandrift van het volk is nimmer gedoofd en, zonder toevoeging van het religieuze moment, stond en staat de sproke naast de mythe, ja zij kan ook de embryonale vorm der mythe zijn, in zoover bij de niet-kultuurvolken de mythe zich vaak ontwikkelt uit het sprookje. De lentezon, die de aarde uit haar verstijving roept, kan het aanzijn schenken aan een zonnemythe, maar ook aan sprookjes als dat van de Schoone Slaapster in het Bosch, door den prins uit haar slaap gekust, en hetzelfde geldt voor de vertelsels van Klein Duimpje, Blauwbaard enz. En wanneer de natuurmensch bij het neerdwarrelen van de sneeuwvlokken zei, dat de goede God zijn ganzen plukte--een nog thans gangbare uitdrukking--, dan kon dit gezegde, deze voorstelling van het natuurproces, het begin eener natuurmythe zijn, maar evengoed van een sprookje, dat onafhankelijk van, zij het ook parallel mét een mythe, die in soortgelijke natuurbeschouwing wortelde, kon voortleven.
Ziedaar de uitkomsten, waartoe de voornaamste vertegenwoordigers der anthropologische school: Mannhardt, Bastian, Tylor, Andrew Lang in deze materie geraakten.
"De verrassende overeenkomst der sprookjes berust op de gemeenschappelijke denkwijze des volks, onafhankelijk van plaats en van tijd, stoelt op een overeenkomstige openbaring der volksziel"--dat is wel de formuleering, die wij aan Bastian's Völkergedanken verschuldigd zijn. Zoo zijn dan de groote menigte der sprookjes niet in éen land, maar op verschillende plaatsen en tijden ontstaan: een polygenesis, de zon-rijpe vrucht van den algemeen-menschelijken drang naar het wonderbaarlijke en van de algemeen-menschelijke scheppende fantasie. Jammer genoeg hebben Bastian c.s. niet voldoende rekening gehouden met het feit, dat de geestelijke eenheid van het menschelijke geslacht slechts een eenheid is van aanleg, geschiktheid en neigingen. Maar een psychische neiging gaat niet steeds, of niet steeds op eenvormige wijze, of niet steeds in denzelfden graad tot de daad over, omdat de menschelijke vrijheid tusschenbeide treedt.
De laatste theorie draagt den naam van "Finsche theorie" en wordt hoofdzakelijk verdedigd door Antti Aarne in zijn Leitfaden der vergleichenden Märchenförschung (Hamina 1913).
Aarne verwerpt de naturalistische en anthropologische theorie en keert vrij wel tot de historische opvatting terug. Voor hem is elk sprookje oorspronkelijk éen gesloten geheel, éen afgeronde vertelling, die slechts eens, op een bepaalde plaats is ontstaan. Daarin vindt men beschouwingen en gebruiken, die dagteekenen uit een vroegere kultuurperiode, maar het is onnoodig daarom het geheele sprookje tot die periode terug te brengen. De sprookjes zijn dichtwerken, gewrocht met het opzettelijk doel, de hoorders op te vroolijken door de grillige speling der fantasie; maar zij zijn niet alleen in Indië ontstaan, doch eveneens in Noord- en Zuid-Europa. De varianten berusten louter op psychologische gronden: de verteller vergeet een trek, lascht aan het begin of het einde een verwanten trek in, verbindt, kontamineert verscheidene sprookjes tot een geheel. Hierbij speelt het drietal en de analogie een groote rol, een dierengeschiedenis wordt tot een menschelijk avontuur, een sprookje tot ik-vertelling, een verhaal wordt pasklaar gemaakt voor andere landen, tijden, zeden.
Hoeveel waars deze historisch-geografische methode ook bevat, wij mogen ze slechts als een korrektief van de anthropologische (of juister: ethnologische) aanvaarden. Aarne scheert de verschillende soorten van sprookjes veel te veel over éen kam. Het sprookjeslied vertoont inderdaad een vrij vasten vorm, maar soepeler is reeds het dierensprookje en het allerbeweeglijkst zijn de tooversprookjes. Men dient niet alleen open oog te hebben voor het zuiver-konstruktieve, maar ook voor het individueel-artistieke moment: in hoeverre is het sprookje een kunstprodukt, en welk aandeel hebben in de uitwerking de verteller en het luisterend publiek?
Aarne heeft vooral te weinig aandacht gewijd aan de studie der sprookjes-motieven. Natuurlijk is elk sprookje een vertelling van een bepaalde, vaste samenstelling, maar het heeft toch zijn voorgeschiedenis. Natuurlijk is het niet ontstaan door willekeurige vermenging van bepaalde motieven, maar de dichter kan toch geput hebben uit den voorraad van oud, ja zeer oud volksgoed, gangbaar in zijn omgeving. En waarom zouden die motieven niet een afzonderlijk bestaan kunnen hebben geleid? En waarom zouden enkelvoudige motieven niet op verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar, kunnen zijn ontstaan, zoodat hun aanwezigheid in meerdere sprookjes niet pleit voor verwantschap?
Slechts dan kan de overeenkomst tusschen bepaalde volksverhalen onmogelijk door het gemeenschappelijke denken en voelen van den mensch verklaard worden, wanneer het patroon, de bewerking, de bijkomende omstandigheden dermate identiek zijn, dat men een genetischen samenhang redelijker wijze niet in twijfel kan trekken.
Zoo vinden wij b.v. in de Punjâb, in Bretagne, bij de Albaneezen, moderne Grieken en Russen, een sprookje, waarin een jong man in het bezit is van een tooverring. Deze ring wordt hem ontstolen, en teruggebracht door de hulp van dankbare dieren, aan wie de jonge man weleer diensten bewezen had. Zijn vijand heeft den ring in den mond, maar de dankbare muis steekt haar staart in den neus van den dief, doet hem niezen, en zoo komt de tooverring te voorschijn.
Nu wil het mij voorkomen, dat Oskar Dähnhardt in zijn Beiträge zur vergleichenden Sagen und Märchenforschung den regel onjuist stelt, door te bepalen, dat telkens "Wanderung" moet worden aangenomen, zoodra sprookjes of sagen in meer dan éen motief overeenstemmen. De twee motieven van den tooverring en van de dankbare dieren in bovenstaand sprookje vind ik beslist onvoldoende om te besluiten tot verwantschap. Daarentegen lijkt mij het handelen van de dankbare muis dermate individueel, dat deze bijzonderheid éens voor altijd moet zijn uitgedacht. Zie ook mijne Essays en Studiën, bl. 205 vlg.; Aug. V. Löwis of Menar, Kritisches zur vergleichenden Märchenforschung, in de Zeitschrift des Vereins für Volkskunde XXV, bl. 154; Gustav Meyer, Essays und Studiën zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I: Zur vergleichende Märchenkunde, bl. 145-289; A. Gittée, Curiosités de la vie enfantine (Paris 1899), bl. 109 vlg.
Een trek, dien de natuurmensch met de kinderwereld gemeen heeft, is o.a. deze, dat hij in nauwere gemeenschap leeft met de dierenwereld, dat de afstand tusschen mensch en dier aanmerkelijk inkrimpt. Het lijkt in zulk een geestestoestand dan ook niet meer dan natuurlijk, dat de dieren spreken en handelen als menschen. En dit geldt niet alleen voor de huisdieren, neen, ook de dieren en vogelen des wouds en des velds deelen in die sympathie en treden in de sprookjes handelend, helpend, waarschuwend, beloonend, straffend op. Zoo ontmoeten wij muggen, vliegen, bijen, mieren, kevers en vlinders; everzwijn, vos, wolf, haan, beer, hert en ree; vrij schaarsch ezel, otter en wezel. Fabelachtige sprookjesdieren zijn de meerkat, de beruchte zeeslang--óok bekend uit onzen komkommertijd--en eveneens de zeeslang der lucht, dan de grijpvogel, die vaak als bewaker van schatten dienst doet. Het eenhoorn is het symbool van het diepe, van menschen verlaten woud. Vooral de draak is een fantasiedier, dat wel oorspronkelijk een uitbeelding is van de vurige onweerswolk. Hij vereenigt de gedaanten van slang, hagedis en vogel, ligt op den grond en hoedt de schatten met zijn vlammenden adem. Het draakmotief is dan ook ruim verspreid. Merkwaardig is het, dat ook de leeuw zoo vaak voorkomt, zonder dat persoonlijke aanschouwing mag worden verondersteld. Men vergisse zich niet, door dit feit te plaatsen op rekening van een vreemde herkomst; het geldt hier slechts den sterken indruk, door uiterlijk en levenswijze van dit koninklijk dier op de volksverbeelding gemaakt, maar enkel door de faam en de talrijke wapenschilden. Ook de adelaar kan als zoodanig worden beschouwd. Mythologische beteekenis hadden aanvankelijk naar alle waarschijnlijkheid stier, koe, paard, wolf, bok en everzwijn. De visschen zijn slechts zelden naar hun soort aangeduid; de snoek komt dan het meest voor, terwijl de dolfijn het sprookjesdier der oudheid bij uitstek was. In het volgende Vlaamsche sprookje is sprake van een goudvischje, dat echter plaatselijk door een kikvorsch vervangen wordt. Wij hebben hier de motieven van den dankbaren visch, over de geheele wereld verspreid, en van de drie wenschen, waartoe de hier geuite reeks van wenschen moet worden teruggebracht. Ik ontleen het aan Pol de Mont en Alfons de Cock, Dit zijn Vlaamsche Wondersprookjes (Gent 1896), bl. 238.
Van Janneken Tietentater en het Vischje uit de Zee.
Er was eens een manneken en die heette Janneken Tietentater. Het ventje was doodarm, zóo arm, dat hij met zijn vrouw onder eenen mostaardpot woonde, en, om iets te eten te hebben, alle dagen naar de zee ging visschen.
Zoo, op zekeren dag, dat hij weer op de vangst uit was, ving hij een schoon goudvischken, en tot zijn groote verwondering begon het eensklaps te spreken: "Och Janneken", zei het, "laat me toch leven, ik zal U al geven wat gij verlangt. Als gij iets wilt hebben, roep me maar".
Zonder aarzelen wierp Janneken het wonderbare vischje terug in 't water en spoedde zich naar huis, om dat vreemd geval aan zijne vrouw te vertellen. Deze had al zoo dikwijls over hunne armoede geklaagd, en was dus niet weinig verheugd, toen zij dat nieuws hoorde. "Keer seffens weer naar de zee", zegde zij, "en vraag ons een schoon huis, want dat wonen onder eenen mostaardpot staat mij al lang tegen".
De man trok op naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
Op hetzelfde oogenblik stak het goudvischje zijn kopje boven.
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou zoo gaarne in een schoon, groot huis wonen, gelijk de rijke menschen".
--"Ga naar huis, ge zult het hebben".
Daarop keerde de visscher terug en in plaats van zijnen mostaardpot, vond hij inderdaad een prachtig huis, met een koetspoort, prachtig genoeg voor den burgemeester van eene stad! Zijne vrouw stond hem af te wachten, zoo fier als een kalkoensche haan.
"Wij wonen nu in een rijk huis", zei ze, "dat is waar, maar het is niet gemeubeld. Ge zult dus weer bij het vischken moeten gaan en meubels vragen".
's Anderen daags trok de man nogmaals naar het zeestrand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?" vroeg het vischje dadelijk.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Zij zou zoo gaarne haar huis vol schoone meubels zien".
--"Ga naar huis, ge zult ze hebben".
En het goudvischje had niet gelogen, want Janneken vond al de kamers van zijn huis, van onder tot boven, zoo rijkelijk gemeubeld, dat hij zijn oogen bijna niet kon gelooven. Maar zijne vrouw was niet voldaan. "Nu ontbreekt er ons nog geld", zei ze, "we moeten immers schoon gekleed gaan, en lekker eten en drinken hebben, en eene koets met een koppel paarden. Ge moet dus terugkeeren bij het vischje, en veel geld vragen".
Zoo 's anderen daags begaf de man zich weer naar het strand, en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneke mijn manneken?" vroeg het vischje weer.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne veel geld hebben, om schoone kleederen te koopen, en goed eten en drinken en eene koets met twee paarden".
--"Ga naar huis, ge zult het hebben!"
En het goudvischje had wederom de waarheid gezegd, want toen Janneken t'huis kwam, vond hij al de kasten en laden vol goud- en zilverstukken. Nu hadden ze geld "met de macht", zoodat zij fijne brokjes aten, lekkeren wijn dronken en kostelijke kleederen droegen. Ook hielden zij knechten en meiden, en reden alle dagen met de koets uit. 't Was een koningsleven, en toch verlangde de vrouw nog meer.
"Ik zou wenschen, dat gij koning waart, en ik koningin", zei ze op zekeren dag tot haren man, "dan zouden we de rijkste zijn van 't land en iedereen zou voor ons moeten bukken. Keer terug naar de zee, en vraag dat aan 't vischje".
's Anderen daags toog de man opnieuw naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
--"Wat belieft er U, Janneken mijn manneken?" vroeg het vischje, dat weer onmiddellijk aan de oppervlakte verscheen.
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne koningin zijn en ik koning!"
--"Ga naar huis, ge zult het zijn".
En van dien dag af woonden Janneken en zijne vrouw in een koninklijk paleis en overal, in de boven- en benedenzalen, blonk en schitterde alles, dat hunne oogen er van schemerden. Ze waren in 't goud gekleed, zaten op een gouden troon, aten uit gouden tellooren en dronken uit gouden bekers. Knechten en meiden gehoorzaamden hun als slaven en de rijkste menschen kwamen vóor hen nederbuigen. Doch, in hare hoovaardij, wilde de vrouw nog hooger klimmen en ze zei tot haar man: "We kunnen van het vischje toch alles verkrijgen, wat wij zouden wenschen; welnu, ga morgen nog eens naar de zee, en zeg aan het goudvischje, dat gij verlangt God te zijn, en ik Onze Lieve Vrouwe".
Ja, den volgenden dag ging de man weeral naar het strand en riep:
"Vischken, vischken uit het water, Kom bij Janneken Tietentater!"
Op éen, twee, drie, was het vischje daar weer, en vroeg:
--"Wat belieft er U, Janneken, mijn manneken?"
--"Mijn vrouwtje, mijn Soozeke-Grilletje, die hadde zoo gaarne haar willetje".
--"Wat is er haar willetje dan?"
--"Ze zou gaarne Onze Lieve Vrouw zijn, en ik God".
En het vischje antwoordde met eene barsche stem:
"Daar is maar één--één God, Gij zijt een zot, Kruip weer onder uwen mostaardpot".
En thuis vond Janneken zijne vrouw opnieuw onder den mostaardpot zitten, met eenen neus van eene el lang, en ze schreide, dat ze snikte.
(Santvliet en Wijneghem).
Het motief der Drie Wenschen vindt men nog in een sprookje van dezen naam bij Waling Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 126, in Volkskunde XV, bl. 34: Van den smid, die niet sterven wilde, en XVII, bl. 17: Van de drie wenschen (Nederlandsche sprookjes en vertelsels, medegedeeld door G. J. Boekenoogen).--
Ook de vogels worden meestal slechts in het algemeen aangeduid; uitzondering maakt de musch: brutale huisgast, de leeuwerik: zangeres van het morgenrood, de zwaluw: geluksvogel, de nachtegaal: lenteverkondiger, de ooievaar: kinderbrenger en kindervriend; verder nog de uil, de adelaar en enkele anderen. In het hier volgende sprookje, eveneens aan de Vlaamsche Wondersprookjes ontleend (bl. 235), is slechts sprake van een vogeltje, dat zingt in de boomkruin. De booze moeder en de vogel die het uitbrengt zijn de motieven.
Van de booze Moeder en den straffenden Noteboom.
Daar waren eens twee kinderen en die heetten Janneken en Mieken. De Moeder kon Janneken niet lijden, maar Mieken zag ze doodgaarne.
Op zekeren dag zei ze tot de kinderen: "Gaat naar het bosch, om hout te rapen." En ze gaf Mieken eene lekkere, witte boterham, terwijl Janneken niets kreeg dan eene droge snede roggebrood.
Toen de jongen en het meisje nu naar huis keerden, had Mieken schier al het doode hout alleen opgeraapt; zij had een vollen schoot, terwijl Janneken bijna niets had kunnen zamelen.
Als de Moeder dat zag, gaf zij Mieken een schoonen, blozenden appel, maar aan Janneken niemandal.
"Krijg ik nu ook geenen appel, Moederf" vroeg hij, met een droef gezicht.
--"Gij!"... riep de Moeder met een groote verontwaardiging. Doch een oogenblik daarna bedacht zij zich en zei: "Welnu, voor dezen keer, ja, ga dan maar op den zolder naar de kist, en haal er eenen appel uit."
Maar het leelijke wijf volgde Janneken heimelijk op hare zokken, de zoldertrap op, en als de jongen het scheel van de kist had opgeheven, en zijn hoofd er juist instak, boef! sloeg zij uit al hare macht de kist weder toe, zoodat de kop af was, en met een harden bons neerviel....
Nu kapte de booze moeder haar kind in stukskens, om er soep van te koken, en de beenderen liet zij Mieken onder den noteboom in den tuin begraven.
Als de vader 's middags van zijn werk thuis kwam, vroeg hij, waar zijn Janneken was, want hij had het jongsken innig lief.
"Hij is hout rapen," zei de vrouw.
--"... Maar wat vreemden smaak heeft die soep toch!" merkte de man na een poosje zwijgens aan, terwijl hij zijn vrouw in de oogen keek.
--"Och, wat zou het anders zijn dan een beetje aangebrand!"
Als hij gegeten had, ging de vader in zijnen tuin, en toen hij onder den noteboom kwam begon op eens een vogeltje in de kruin te zingen:
Mijn moeder heeft mij vermoord, Mijn vader heeft mij geëten (gegeten) En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' Onder den noteboom gesteken (gestoken).
En roef! daar viel met een zwaren plof een volle zak geld vóor vaders voeten neder. Dadelijk liep hij naar binnen en vertelde, wat aardig geval hem nu overkomen was.
Mieken ging ook in den tuin zien. En op den boom ging het vogelken weer aan den gang met zijn droevig liedje:
Mijn moeder heeft mij vermoord, Mijn vader heeft mij geëten En mijn zuster heeft mijn' beentjes al' Onder den noteboom gesteken.
En zie, daar viel uit de lucht een schoon blauw satijnen kleed vlak vóor de voeten van het meisje. Met een popelend hartje raapte zij het op en stormde er mee binnen.
Dan kwam de moeder toegeschoten, in de hoop dat er voor haar ook wel iets ten beste zou wezen. Maar nauwelijks was ditmaal het liedje ten einde of, pardaf! daar viel een zware zak met harde steenen recht op den kop der booze moeder,--zoodat zij morsdood bleef liggen. (Antwerpen).
Iets anders is het eigenlijke dierensprookje. Hier zijn de dieren veeleer uitsluitend de handelende personen, en slechts bij uitzondering wordt een mensch geduld.
Het dierensprookje is ook onderscheiden van de dierenfabel. Deze is er op uit, het menschelijke door het dierlijke uit te drukken en bevat strekking, moraal en satire. Het sprookje daarentegen moraliseert niet, althans niet oorspronkelijk, het wil slechts naïef waarnemen en trouw weergeven, wat in de dierenwereld plaats heeft. Tusschen mensch en dier loopt immers geen scherpe grenslijn, meent het volk; slechts openbaart het dier zijn eigenschappen en neigingen meer onbevangen dan de mensch. En de taal? Die bezitten de dieren evengoed, maar de mensch mist de gave, die te verstaan.
Ik geef nu een dierensprookje met het bekende verzamelmotief van een reisgezelschap, dat langzamerhand bij elkander komt, en dat men ook vindt in de Bremer Stadtmuzikanten. Het is ontleend aan de verzameling van Pol de Mont en Alfons de Cock: Dit zijn Vlaamsche Vertelsels (Gent 1898), bl. 47.
De Kerkzangers van Sinter-Goelen.
De molenaar van Zavelberg had een ezel, die in zijnen dienst stram en stijf geworden was. Nu was het beest zoo oud als de straat en deugde niet meer voor het werk. Daarom wilde zijn meester Grauwtje aan kant zetten en hem voor zijn vel verkoopen.
Toen de ezel gewaar werd, dat hij in den mulder zijn gratie niet meer stond, besloot hij de plaat te poetsen.
"Ik kan in Sinter-Goelen nog kerkzanger worden", dacht hij; "al ben ik oud, mijne stem klinkt nog goed en helder". En hij sloeg de Brusselsche baan in.
Als hij 't kasteel van den baron voorbijging, kwam hem de zwarte jachthond tegen, zoo treurig als een lijkbidder.
"Wat scheelt er u?" vroeg de ezel.
"Och", was 't antwoord, "omdat ik op de jacht met mijne stijve pikkels de hazen niet meer kan inhalen, loop ik hier iedereen in den weg. Van 's morgens tot 's avonds is 't altoos hetzelfde liedje: allo, oude rakker, van onder mijne voeten. Ge zoudt liever dood zijn dan zoo te leven".
"Sukkelaar, waar gij verdriet in maakt!" zei de ezel. "Ga met mij mede, ik trek naar Sinter-Goelen om kerkzanger te worden. Uwe stem is nog kloek, en 't is een vet postje op onze dagen."
De hond liet het zich geene tweemaal zeggen en ging met den ezel de Brusselsche baan op.
Een beetje verder, aan een leemen huizeken, zagen zij een kat aan de deur zitten met een gezicht gelijk Pietje de Dood, en haar miauw! miauw! scheen uit 'nen grafkelder te komen.
"Wat is er met u gebeurd?" vroeg Langoor.
"Ja", zei de poes, "vraag mij zoo'n dingen! Ik ben half blind van ouderdom, en kan bijkans geene muizen meer vangen. En ik krijg zoo luttel eten, dat ik somwijlen scheel zie van honger. Ik had nu juist een klein broksken spek gestolen, en voor zoo'n bagatel wierd ik de deur uitgesmeten en kreeg dan nog pardoef, terwijl de muizen in de schapraai mij vierkant uitlachten. Zoudt gij er niet van doodvallen?"
"Doodvallen", zei de ezel, "toe dan. Ga met ons mede. Al zingt ge valsch, ge zult altijd goed genoeg zijn om de vespers te helpen zingen. Wij gaan naar Sinter-Goelen kerkzangers worden".--En de kat trok mee de Brusselsche baan op.
In den valavond kwamen onze drie muziekanten aan een boerenhof. De haan kraaide zonder ophouden en zoo hard, dat de ezel hem vroeg, wat er ophanden was.
"Mijn liedje is hier bijkans uit", zei de haan. "Een uur geleden kraaide ik ""goed weder tegen morgen"", en als de pachteres dat hoorde, riep zij tot de meid: ""de haan voorzegt goed weêr tegen morgen, 't zal hem een dure keer zijn. Want nu mogen wij ons kermisvolk verwachten, en meester Rookop moet in de soep".
"Ge moet stapelzot zijn om hier te willen blijven", zei de ezel, "als gij weet dat zij u, vandaag nog misschien, een kopje korter zullen maken. Sterven is het laatste, jongen, en iets beters dan dat is niet ver te zoeken. Kom met ons mede; wij worden kerkzangers in Sinter-Goelen; met uwe stem is daar goud te winnen!"
De haan vloog bij 't gezelschap, en gezamenlijk wandelden zij de Brusselsche baan op.
Tegen den avond kwamen zij aan Zoniënbosch en zagen nergens huis noch kluis. Ze moesten van den nood een deugd maken en zich tevreden houden met het logement, dat er in 't gras en in de bladeren te vinden was. De ezel en de hond legden zich onder 'nen hoogen beuk; de kat klauterde in de takken en de haan vloog in den top. Eer hij zijn gemak nam om een uiltje te vangen, keek de haan, uit voorzichtigheid, eens naar alle kanten rond. En hem docht, dat hij ginder ver een flauw lichteken zag schemeren. "Daar moet een huisje zijn, en menschen", dacht hij. En seffens vertelde hij dat nieuws aan zijne kameraden. De ezel, die er bitter weinig van hield in bosschen te slapen, stelde voor, onmiddellijk op te kramen, en recht naar dat lichtje te gaan. De anderen keurden dat voorstel goed en op éen, twee, drie, waren zij op de been.
Langzamerhand zagen zij het lichteken dichter bij komen en grooter worden, totdat zij, op den duur, vóor een klaar verlicht roovershuis stonden. De ezel, die de grootste was, ging eens door het venster kijken. "Sapperdeboeren!" zegde hij, "ze zitten hier aan een kermistafel. Er wordt gedronken en geschonken, gegeten en gesmeerd, dat het gezicht alleen mij doet watertanden. Zoo ik daaraan mijn buiksken eens mocht deugd doen".
"Ja, dat ware een kansje voor ons", zei de hond, "want mijn buik is zoo hol, dat hij rammelt. Maar hoe die gasten buiten gekregen?" Ze staken de koppen bijeen, om te gaar die zaak te overleggen, en op twee minuten hadden zij een plan gereed. Zij wilden de roovers eens met eene fraaie serenade vereeren.
Langoor plaatste zich met zijne voorpooten op het venster, de hond wipte op zijnen rug, de kat klauterde op den hond, en de haan ging boven op de kat haren kop zitten. Dan begonnen zij, op een teeken, muziek te maken: de ezel giegaagde, de hond baste, de kat miauwde en de haan kraaide. En al te gelijk sprongen zij door 't venster het huis binnen, terwijl de ruiten, rammelend, in in duizend stukskens vlogen. Ge kunt denken, wat helsch lawaai dat maakte. De dieven meenden, dat al de duivels losgelaten waren, en vluchtten bijkans dood van schrik het bosch in.
Nu zetten zich onze vier kerkzangers op hun zeventien gemakken aan tafel, en aten en dronken, dat hun buik gespannen stond gelijk eene trommel. Moe gegaan en dik gegeten, begonnen ze naar rust te trachten, maar eerst en vooral bliezen zij het licht uit. Nu koos elk de slaapplaats, die hem best beviel: de ezel leide zich op den mesthoop neer, de hond aan de achterdeur, de kat op de warme assche van den haard, en de haan vloog op de vorst van 't huis. En drie minuten na dien waren ze allemaal in slaap.
Intusschen was 't middernacht geworden. En als de roovers geen licht meer zagen of geen gerucht meer hoorden, begonnen zij zich over hunne lafhartigheid te schamen. "Wij hebben ongelijk gehad zoo gauw op den loop te gaan", zei de kapitein, en hij zond zijnen luitenant op onderzoek uit. Deze vond alles stil en ging in de keuken om licht. Hij aanzag de vlammende kattenoogen voor gloeiende kolen en stak er een sulferstekje tegen, om zoo vuur te krijgen. Maar poesje verstond geen lachen, vloog in zijn gezicht en krabde hem links en rechts. Gij kunt peinzen, hoe de kerel verschoot. In een ommezien was hij de keuken uit en op de vlucht. Maar aan de achterdeur beet de hond hem in zijn been, en als hij den mesthoop voorbijstoof, gaf hem de ezel met zijnen achterpoot nog 'nen fellen stamp. En de haan, door al dat geroezemoes wakker geworden, kraaide er dapper op los: koekeloerekoe! koekeloerekoe!
Jemenis menschen! hadt ge toen den dief zien loopen; een haas kon hem niet volgen. Buiten adem kwam hij bij zijne kameraden toe, en had moeite om te vertellen, wat hem voorgevallen was. "Och!" zeide hij, "in ons huis zit een kwade tooveres. Zij is op mij gevlogen en heeft met hare lange nagels heel mijn gezicht opengekrauwd; en aan de buitendeur staat een schildwacht en die heeft mij een steek in 't been gegeven; en wat verder ligt een zwart monster, en dat heeft mij met 'nen ijzeren stok geslagen, dat mijn ruggebeen kraakte. En boven op het dak riep iemand: "Hou den dief! Hou den dief!" Ge kunt wel denken dat ik mij uit de voeten maakte".
De roovers trokken men 'n druipneus dieper het bosch in, en durfden sedert in hun huis niet meer te komen. Maar onze vier kerkzangers woonden er zoo goed en gerust, dat zij daar hun leven versleten en Sinter-Goelen Sinter-Goelen lieten. (Denderwindeke).
Men vergelijke hiermee no. XVIII van dezelfde verzameling, getiteld: De wereld vergaat, en eveneens no. XXXVI: Van den halven haan. In het sprookje van de vier reizigers, bij A. Joos, Vertelsels van het Vlaamsche Volk (Gent 1889-91) no. 86, heeft het reisgezelschap met wolven te doen en niet met dieven.
De lezer herinnere zich, hoe de booze moeder het arme Janneken aan stukken sneed om er soep van te koken. Men rekent dergelijke trekken tot de ethnologische motieven, en heeft gemeend, er sporen van kannibalisme in te kunnen ontdekken. Naar het welbekende verhaal in Homerus' Odyssee noemt men dit het Polyfemus-motief. In een sprookje der Duizend en éen Nacht luidt het als volgt. Op zijn derde reis leed Sindbad en zijne gezellen schipbreuk, redde zich op een eiland en bereikte een prachtig paleis. Bij avond treedt er een vreeselijke reus binnen, groot als een palmboom, en midden in het voorhoofd vlamt éen enkel overgroot oog. Achtereenvolgens begint hij nu de scheepsgezellen op te peuzelen, tot eindelijk Sindbad met de negen moedigsten den slapenden cycloop met een gloeiend braadspit het oog uitboort, om dan ijlings op in der haast getimmerde vlotten het ruime sop te kiezen. Maar de reus slingert hun geweldige rotsblokken na en allen, behalve Sindbad, komen om.
In onze Nederlandsche sprookjes is dit het Klein-Duimpjes-motief geworden: de volwassenen zijn in kinderen veranderd, Duimpje (Odysseus-Sindbad) is hier de pientere jongste broeder, en de reus verliest niet het licht zijner oogen, maar slechts zijn zeven-mijlen-laarzen. Ook komt het niet tot menscheneten, want Duimpje redt zich en zijn broeders het leven. Wellicht is de woning van den menscheneter het doodenrijk, waarop ook het vereenigd voorkomen der drie lijkkleuren: wit, zwart en rood (ook tooverkleur) schijnt te wijzen. Dat zoo vaak sprake is van den jongste van 3 of 7 of 12 kinderen, wien het beschoren is, koning te worden of de bruid huiswaarts te voeren, zou wellicht kunnen wortelen in het erfrecht van den jongste in de Germaansche landen. De jongste wordt door zijn broeders dan ook niet met goede oogen aangezien, maar hij is doorgaans de slimste, zooals blijkt uit het verhaal der Twee Broeders, het oudste ons bekende sprookje, dat ten tijde van Mozes in Egypte werd opgeteekend; zie hierover mijne Essays en Studiën, bl. 216. Sommige elementen hiervan vinden wij in onze sprookjes weer: "de man, wiens hart in een voorwerp bewaard wordt"; "de sprekende koe, die den held waarschuwt voor het hem dreigend gevaar"; "de opgeworpen hinderpaal tusschen vervolgers en vervolgde"; "het sympathetische teekenen, dat de dood van den afwezigen broeder verkondigt" enz. De verhouding tusschen de twee broeders is nog dezelfde in een Friesch sprookje, welks aanhef ik hier laat volgen (Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven II, bl. 3 vlg.).
Van grooten Oege en kleinen Oege.
Er waren eens twee broeders, die heetten beide Oege. De een was groot en sterk, maar zeer dom en lomp; de ander was een klein en nietig ventje, maar zeer leep en verstandig. Groote Oege was rijk, hij had wel dertig koeien, kleine Oege was arm, hij had maar eene koe. En zij hadden ieder een oude grootmoeder bij zich inwonen voor huishoudster.
Eens kwam er een bedelaar bij kleinen Oege om een aalmoes. De kleine man zei: "Ik kan u niets geven, ik ben zelf arm, maar ga naar mijn buurman, die is rijk".--De bedelaar ging nu bij grooten Oege vragen, maar die zei: "Denk je, dat ik je wat geven kan? Ik heb moeite genoeg om zelf aan den kost te komen".--"En je buurman zegt, ge zijt een rijke boer", zei de bedelaar.-- Dit maakte den grooten domkop wrevelig, hij zei: "wil die kleine leelijkerd mij de schooiers op het lijf zenden? Dat zal ik hem betaald zetten".--In zijn dolle drift liep hij naar den weg, waar de koe van den kleinen Oege liep grazen, trok zijn zakmes en sneed het beest den hals af.
Men vergelijke hiermee het begin van een door Boekenoogen, Volkskunde XIII, bl. 240, meegedeeld sprookje:
Van Grootoog en Klaainoog.
Waz'n rais twei neefs; ain haitte Grootoog en anner Klaainoog. Zei waz'n baaiden boer, maor Grootoog har 'n groot spul (boerderij) en molk 'n stuk of twaalf kôi'n en Klaainoog was maor 'n luddik keuterboerke en har ain kou. Nô wol 't ongeluk, dat Klaainoog zien kou wat aan schoensche kant was (niet in de weide wilde blijven) en nô en den ien Grootoog zien land kwam. Grootoog ging noa zien neef en zee: "As dien kou mie dat nog ainmoal weer bakt, den steek ik hom dood, doar kens dien reek'n maor noa moak'n". "'k Ken er nait meer aan doun", zee Klaainoog, "'n mensk mout doun, wat hai nait loat'n ken."
't Hil nait lank aan, of kou kwam weer ien Grootoog zien land en Grootoog hil zien woord en stook kou dood.
In Vlaanderen (Leuven, Aerschot, Wambeek, enz.) luidt de aanhef aldus:
Van Pachter Eentand.
Er waren eens twee broeders, en die woonden nevens malkaar. De een had drie paarden, de ander maar éen enkel, en daarom werd deze pachter Eentand genaamd.
Vier dagen elke week leende Eentand zijn enkel paard aan zijnen broeder, die hem de twee andere dagen zijne drie paarden liet gebruiken.
Op zekeren dag, dat Eentand met alle vier de paarden aan 't werk was, riep hij, iederen keer dat er volk voorbijging: "Hu, al mijn paarden!"
Zijn broeder verbood hem zoo te spreken, maar vruchteloos. Toen dreigde hij Eentand zijn éene paard den kop in te slaan, in geval hij nog een enkelen keer "al mijn paarden" durfde roepen.
Eenige stappen verder, als Eentand volk zag afkomen, klonk het weer: "Hu, al mijne paarden!"
"Pardaf", zei de broer, en sloeg met eenen marteel Eentand's paard den kop in.
Talrijk zijn ook de mythische motieven. Ik sprak reeds van het doodenrijk, dat de Oude Germanen zich dachten als het rijk van Wôdan-Odhin, als het schimmenrijk, en ook wel als gelegen in de diepte der zee. Deze verschillende opvattingen hebben hun neerslag in de sprookjesmotieven. De boomen en bloemen, die uit de aarde opgroeien, bevatten vaak de ziel van den overledene (I, bl. 65); bloemen ontspruiten ook op de graven. Op zielengeloof en doodenkultus berust verder het motief der dankbare dooden, niet zelden in den vorm van dankbare dieren, en het verlossingsmotief: de verlossing geschiedt door het oplossen van een raadsel, het beantwoorden van een vraag, het uitspreken eener formule of door standvastigheid in het gevaar. Hiertoe behoort eigenlijk ook het sprookje van Roodkapje, oorspronkelijk een door een monster verslonden, maar naderhand weer bevrijd goedaardig wezen. Van bevrijding door heldenmoed gewaagt het sprookje van Doornroosje. Al deze mythische opvattingen wortelen in den gemeenzamen bodem van het primitief-wijsgeerige animisme, dat de direkte ondergrond is van het omvangrijke motief der vormveranderingen.
De sprookjesgroep, die ons bezig houdt, noemen wij tooversprookjes in tegenstelling met de dierensprookjes. Toch worden alle min of meer met den tooverstaf aangeraakt en juist dit verleent hun de eigenaardige fantastische bekoorlijkheid. Tooverij of magie, in engeren zin, is een beslist mythisch bestanddeel, hoe dwaas het ook zijn moge, in de magie de bron der religie te willen zien. Tooverij schenkt ook de befaamde onwondbaarheid door tooverhemd, dierenvet, bad in tooverbloed enz. Zie hiervoor A. de Cock, De onwondbaarheid en de Achilleshiel, in Volkskunde XXIII, bl. 169.
Naar men weet heeft Laistner den droom als mythischen faktor ingevoerd; en inderdaad kunnen vele motieven als droommotieven worden beschouwd. Aldus in de sprookjes van den tooverslaap, die ons Doornroosje, Sneeuwwitje en de Zevenslapers in het geheugen roepen. Al de hoofdpersonen van deze sprookjes moeten wachten op verlossing uit den slaap; een gewaarwording, die den droomenden mensch herhaaldelijk bevangt. Talrijk zijn ook de sprookjes, waarin een droom een beslissende rol speelt, doordat hij of wel de werkelijke toekomst voorspelt, of de menschen tot ijdele hoop verleidt,--vertelt Homerus ons niet reeds van de twee droompoorten aan het paleis van den nacht? De eene is van hoorn, de andere van elpenbeen: door deze gaan de vleiende, bedriegelijke droomen, door gene de waarachtige, die ter voleinding voeren. Hiertoe behooren verder het wenschmotief, men denke aan het wensch-tafeltje met allerlei spijzen en het overbekende tafeltje-dek-je; het vergeetmotief, als in het sprookje van de Ware Bruid; het raadsel- of sfinxmotief, ons bekend uit het verhaal der koningsdochter, die slechts wilde trouwen met iemand die haar kon vastpraten, en van den koning, die geen andere vrouw tot koningin wilde nemen dan haar, die zich voor hem zou vertoonen "niet bij dag en niet bij nacht, niet gekleed en toch niet naakt, niet te voet en ook niet te paard", zie Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven II, bl. 50, 68, 71; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 31, 352, 390 (een vernuftige boerendochter zette zich bij het vallen van den avond op een ezel, omhing zich met een groot vischnet, en trok zoo naar 't paleis); en dat van de zware, onoplosbare taak of van het labyrinth, in de Germaansche sprookjes vervangen door het groote, sombere woud.
Zoo kom ik eindelijk aan de karakter-motieven, waartoe op de allereerste plaats wel de sluwheid behoort, meestal verbonden met kleine lichaamsgestalte, als bij Klein-Duimpje, in het Groningsch Keuteldoemke, zie Volkskunde XIII, bl. 111, in het Limburgsch Duumpke-Mezuumke, wellicht ontstaan uit Duumpke-mie(n)-zeunke; zoo ook in het Geldersch verhaal van den Slimmen Jan, Volkskunde XIII, bl. 247, en van den Slimmen Schoenmaker, De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 216. Andermaal wordt de domheid tot motief, veelal verbonden met forsche, rijzige lichaamsgestalte. De domme begrijpt meestal een gegeven leer niet. Hiertoe behooren onze sprookjes van Diertien, Jan den Boer, Sterken Hans of Wolfjonk en Nog dommer dan dom. De historie van Tijl Uilespiegel wijkt slechts in zoover af, dat hij in al zijn dwaze streken een opzettelijke schalk is.--Sterkte en dapperheid, lafheid, geluk vertoonen zich zóo regelmatig, dat zij kwalijk een motief kunnen genoemd worden. Het ongeluk wordt tot motief bij den ongeluksvogel, wien alles tegenloopt. Ook de luiheid is een gewild motief, maar dan een grootsche, ekstatische luiheid, een eigenschap, die den drager begenadigt, burger te worden van het Luilekkerland! Het lange slapen is het eerste sprookjes-kenteeken dezer luiheid. De nieuwsgierigheid wordt doorgaans bestraft en hangt nauw samen met het motief van het verraden geheim, dat wij in het oude sprookje van Midas met de ezelsooren vinden, en van het vraagverbod: Amor en Psyche, de Zwaanjuffer, Blauwbaard, wanneer dit verhaal althans om zijn historische kern niet tot de sagen moet gerekend worden, zie Funck Brentano in de Vragen van den Dag XIX, bl. 483, 556, 649. Ook wordt de eenvoud vaak beloond, hetgeen wij zien in de formule van Asschepoester, een meisje trouwens zóo schoon, dat haar schoonheid zich reeds door haar schoentjes verraadt.
In het Oosten, en ten deele ook in Italië, was het sprookjesvertellen een beroep, uitgeoefend door vakmannen in het vertellen, aan het hof, in de paleizen, voor de groote volksmenigte. Vertellers van dien aard bezitten een zekere kunstvaardigheid en techniek, en berekenen en versterken den indruk door dramatische middelen; zij verhoogen de spanning en maken jacht op effekt. Zóo ontstonden b.v. de sprookjes der Duizend en een Nacht. In den Oosterschen verhaaltrant is veel novellistisch en fantastisch, de volksaardige grondslag wordt niet zelden geheel door kunstmatig geteelde woekerplanten overgroeid.
De Nederlandsche, Duitsche, Engelsche, en grootendeels ook de Fransche sprookjes zijn geheel anders. Zij zijn kinderlijk en schijnen voor kinderen bestemd. Zeker, zij worden verteld onder de dorpslinde op zomeravonden, zij korten de gezelligheidsuren der spinningen, voor zoover die nog in eere zijn (I, bl. 273). Maar het midden, waar zij bij uitstek thuis hooren, is toch de huiselijke kring, met name de kinderkamer: moeder en grootmoeder vertellen, de kinderen vormen het luistergrage publiek.
Dit feit vindt weerklank in vorm en aanleg onzer sprookjes. Een slot, dat de vernietiging van het goede en edele beduidt, verdraagt de kinderziel niet. Maar ook in den loop van het verhaal zelf wordt het harde en gruwzame, dat b.v. de IJslandsche sprookjes kenmerkt, zooveel mogelijk verbannen. Verder vermijdt men het geraffineerde, het te zeer prikkelende, het eindeloos spannende: het kind moet naderhand kunnen inslapen en vriendelijke droombeelden moeten het omzweven. Maar vooral, het sprookje moet eenvoudig zijn en verstaanbaar, moet liggen binnen het bereik der kinderziel. Juist hierdoor echter is de oude sprookjeskern beter bewaard gebleven: vooreerst, omdat het gekunstelde ontbreekt, maar ook, dewijl het kind steeds op dezelfde wijze wil verhaald hebben. Zelfs een lichte verandering duldt het niet: "dat is niet juist, niet goed," zegt het dan. Want het kind houdt de sprookjes voor waar.
Een bijzonder karakter vertoonen nog de Nederlandsche sprookjes. Onder de dieren heeft de ooievaar natuurlijk een eereplaats, maar merkwaardiger is de natuurschildering. In 't Oosten en Zuiden van ons land speelt het verhaal meestal nog in het woud, maar in het Noorden aan en op zee. Toch voelt het sprookje zich in het woud beter thuis, en het verwaait en vervaagt wel eenigszins in onze kale, kille laaglanden. Hoe schenkt het dichte, donkere bosch ook zoo echt de sprookjes-stemming, de zalige beklemdheid, het heerlijke angstgevoel! Dáar drukt verlatenheid en eenzaamheid op het verdwaalde kind. Aan reuzen en dwergen, monsters en verscheurende dieren is het weerloos prijsgegeven. Vooral wanneer de nacht neervlerkt. Maar eindelijk herleeft toch de hoop op redding, als ginder, heel ver, een zwakke lichtschemer trilt: "en toen zagen ze in de verte een lichtje branden".
Met name echter: humoristische gemoedelijkheid kenschetst onze sprookjes. Maar deze gemoedelijkheid is inniger in het zuidelijk volksgebied, en helt meer over tot het banale of platte in het noordelijk.
Een afzonderlijke groep vormen de natuurverklarende sprookjes; deze behandel ik in het Zesde Hoofdstuk III.--
--Daar was eens een man, --Toe, luistert dan, --Daar was eens een' vrouw, --Toe, luistert nou, --Daar was eens een heer, --Och! ik vertel niet meer.
Ziedaar een staal van de zoogenaamde kwelsprookjes, die ik tot het laatst bewaard heb, en wier finale werkt als een koude waterstraal. Algemeen verspreid zijn ook de kwelvertelsels van het Kalverstaartje en van den Gouden Sleutel:
Er was eens een man, die groef zijn tuintje wat om en vond toen een houten doosje. In dat doosje vond hij een kalverstaartje,--en ware dat kalverstaartje wat langer geweest, dan zou mijn vertelseltje ook wat langer geweest zijn.--
Eens 's winters, toen er veel sneeuw lag, werd een arme jongen door zijn ouders met een slede uitgezonden om brandhout te halen. Toen hij nu in het bosch de slede opgehoopt vol had geladen met doode takken, wilde hij, voor hij naar huis terugkeerde, een vuurtje maken om zich wat te warmen. Hij ruimde daartoe de sneeuw wat weg, en vond toen op den grond een kleinen gouden sleutel. Verder zoekende vond hij aldra onder de sneeuw ook een ijzeren kistje, met een sleutelgat zoo klein, dat men het nauwelijks zien kon. Hij probeerde, en gelukkig! de sleutel paste. Hij draaide het sleuteltje eenmaal om,--en nu moeten wij wachten, tot hij het kistje heel en al geopend heeft, dan zullen wij verder vernemen, welke wonderbaarlijke dingen er in waren opgesloten.
Minder bekend wellicht is het volgende Limburgsche kwelsprookje.
In overoude tijden kwam eens een groot geheimzinnig schip de rivier afdrijven en ankerde nabij een havenstad. Zwart was de kiel, zwart de mast, zwart de zeilen en al het takelwerk. Geen kapitein stond op de brug, geen stuurman aan het roer, geen matrozen op het dek of in het want,--alles was eenzaam en akelig stil. Het volk uit de havenstad drong op de kade om het schip samen, maar niemand verstoutte zich het vaartuig te betreden. Eindelijk achtte de magistraat het zijn plicht een onderzoek in te stellen. Ook het ruim vond men ledig, op éen kajuit na: daar zat een klein, zwart manneke, en ter linkerzijde van hem lag een zwaard, ter rechter een korst brood.
Toen nu niemand wist te zeggen, wat dit beduidde, ontbood men een eerbiedwaardig kluizenaar uit den omtrek, en deze gaf eindelijk de gevraagde verklaring. "Het zwaard", zoo sprak hij, "beteekent lange jaren van bloedigen oorlog; de korst brood even zoo vele jaren van bitteren hongersnood"....
"En het zwarte manneken dan?" vraagt wellicht een ongeduldige hoorder. Waarop het antwoord luidt: "Dat moogt gij zoolang likken, tot het blank is".--
Behalve de reeds vermelde literatuur, zie nog A. De Cock, Rond den Heerd, Sprookjes voor jong en oud (Gent 1890); Uit de Wonderwereld, Sprookjes voor groote en kleine kinderen (Gent 1889); Fr. Coeckelbergs, Sprookjes, Legenden, Sagen en Liederen, afgeluisterd te Heyst-op-den-Berg (Antwerpen 1903); C. Claerbout, Sprookjes en Verhalen uit het Thieltsche (Pithem 1890); J. van Lantschoot, Volksvertelsels uit Meetjesland, (Gent 1895); J. Vermast, Vertelsels uit West-Vlaanderen (Gent 1890); Ad. Lootens, Oude Kindervertelsels in den Brugschen tongval (Brussel 1868); H. Poelhekke, Woordkunst, bl. 99; Ad. Thimme, Das Märchen, (Leipzig 1909), passim; Gustav Meyer, Essays und Studien zur Sprachgeschichte und Volkskunde (Berlin 1885) I, bl. 145 vlg.; M. A. Perk, in De Gids 1882 III, bl. 237; Prof. J. V. D. Vliet, in De Gids, 1894, II, bl. 452; Prof. J. J. Speyer, in De Gids 1892, III, bl. 520 vlg.
Van het sprookje verschilt de sage, dewijl deze, zooals reeds gezegd, gebonden is aan tijd, gewoonlijk zelfs aan éen moment, als hoofddatum opgevat; het sprookje immers breidt zich uit over jaren en jaren. De sage is ook plaatselijk beperkt, hecht zich vast aan een bepaalden berg of stroom of meer van het geboorteland en heeft een meer nationaal karakter; het sprookje speelt ergens ter wereld, onbepaald, en gaat van pool tot pool, van oceaan tot oceaan. De sage eischt geloof aan de waarachtigheid van het verhaalde; ook het sprookje vraagt vertrouwen, doch slechts schertsender wijze, en het is meer novellistisch van aard. De sage is armer, eentoniger, het sprookje geestiger en biedt meer afwisseling. Waar de sage een religieus bestanddeel omvat, heeft het bovennatuurlijke den boventoon; het sprookje is in weerwil van al het wonderbaarlijke meer menschelijk. De sage staat ethisch, het sprookje artistiek hooger. Vooral de Germaansche sage wordt gekenmerkt door den adel der persoonlijkheid, de hooge opvatting van eer en plicht, de innigheid en reinheid van het zieleleven. Geschonden trouw wordt doorgaans door de straf op den voet gevolgd. Op Nederlandschen bodem onderscheidt de sage zich door grooten eenvoud en soberte, hoogen ernst en rustigen verhaaltrant.
De mythische sagen wortelen over het algemeen in animistische opvattingen, of in een bepaald mythologisch systeem. Na de uitvoerige bespreking der volksreligie in het eerste deel, bl. 62 vlg., kunnen wij ons hier met deze algemeene verklaring en verdeeling tevreden stellen. Ook vindt men daar ter plaatse reeds tal van Nederlandsche mythische sagen vermeld; ik wensch hier nog slechts enkele voorbeelden aan toe te voegen.
Spook- en Tooversagen. Een typische spookgeschiedenis mag m.i. in een boek als dit niet ontbreken. Ik ontleen ze aan de Vlaamsche Vertelsels van De Mont-De Cock, bl. 321. Het zeer verspreide verhaal draagt den naam: Van het betooverd Kasteel. Spooksagen als deze vormen vanwege haar geringe lokaliseering als het ware den overgang tusschen sprookje en sage. Jan, die twintig jaar den koning had gediend, waagt het, te gaan overnachten in een kasteel, waar het spookte.
...In éen, twee, drie had hij een warm vuurtje aangelegd en zijn beslag gereed gemaakt. Dan zette hij zich in eenen leuningstoel, op zijn zeventien gemakken, bij den haard, in afwachting, dat de koekdeeg aan 't rijzen zou gaan. Intusschen was het elf uur van den nacht geworden, en Jan begon te bakken. Maar de koek was nog maar half gaar, of pardof! daar viel een heel menschenbeen door den schoorsteen in de pan, en--de koek lag in de asch!
"Suikerloot", riep Jan, "al éen bedorven". Hij raapte het been op, smeet het in den hoek der schouw en herbegon te bakken. Maar, pardof! een tweede been plofte in de pan, en ... de koek lag weer in de asch!
"Sapperlot", vloekte Jan, "al twee bedorven!" Hij gooide het been bij het andere en ging weer aan 't werk, ongelukkiglijk met hetzelfde gevolg, want nu viel er een menschenarm in de pan, en de koek was weer om zeep. En zoo duurde het nog eenigen tijd voort: den vierden keer viel de andere arm, den vijfden de heele ribbenkast, en ten slotte een menschenschedel!
Jan wierp heel dien santenboetiek op 'nen hoop in den hoek van den schoorsteen, zonder zich daarvoor kwaad bloed te maken. "Zou 't nu eindelijk gedaan zijn!" riep hij, terwijl hij eens even naar omhoog in de schouwpijp keek. "Nu wordt het tijd, want mijn beer begint te dansen". En hij opnieuw aan 't bakken. Ditmaal liep het goed af, ook eene tweede en eene derde maal, en Jan speelde de koeken gretig binnen. Maar toen hij nu eens met een vluchtigen blik naar "zijn knekelhuis" keek, bemerkte hij tot zijne verwondering, dat de verschillende beenderen leven gekregen hadden en zich samenvoegden tot een menschelijk geraamte!
"Wel, vriend Magermans", zei Jan tot het spook, "hebt gij geenen lust, om een koekje mee te eten?" Maar hij kreeg geen antwoord. "Die zwijgt, stemt toe", zei Jan, en meteen nam hij een halfgebakken pannekoek, en smeet dien het spook in 't aangezicht, dat hij er aan bleef plakken.
Daar sloeg het middernacht op den toren van de dorpskerk. "Doe de deur open", zei het spook nu, en het wees met den vinger naar de kelderdeur.
"Doe ze zelf open, als ge niet te lui zijt", zei Jan. Het spook wenkte den soldaat hem te volgen en ging de kelderdeur openen.
"Daal nu de trappen af", sprak het.--"Doe het zelf", zei Jan. Het spook daalde de trappen af, gevolgd door den soldaat met een brandende kaars in de hand. Vóor een grooten blauwen steen, in den keldervloer, bleef het spook stilstaan. Hier raakte het eventjes de handen van onzen gast aan, en deze voelde, dat ze gloeiend heet werden. "Hola, kerel, denkt ge mij te verbranden?" riep Jan. "Herbegin maar niet, of ik zal u 'nen anderen dans leeren".
"Hef dien steen op", sprak de geest.
"Hef hem zelf op, als ge niet te vadsig zijt", zei Jan. Het spook nam nu den steen weg, en Jan bemerkte eenen put, waarin drie volle kisten goud naast elkander stonden.
"Ziet ge dit goud?" vroeg het spook. "Dat alles heeft mij toebehoord, toen ik op dit kasteel leefde, maar ik heb er geen goed gebruik van gemaakt. Daarom moest ik branden en hier elken nacht terugkeeren, tot er iemand gevonden werd, die dat geld een goede bestemming zou geven. Gij zult het doen, en van nu af is mijne straf uit". Tot teeken der waarheid legde het nogmaals de hand op Jan, en hij voelde, dat ze nu koud was. Dan sprak het weer: "De eerste kist is voor u; de tweede is voor den arme; de derde is voor de kerk". Daarop verdween de geest, en Jan stond daar alleen.
's Morgens ging hij zijn wedervaren aan den graaf (den kasteelheer) vertellen. Deze was heel blij, dat zijn kasteel nu van de spoken verlost was, en liet Jan gewillig toe het goud uit te deelen, zooals het spook had voorgeschreven. Onze soldaat, thans schatrijk geworden, keerde terug bij zijne moeder, en leefde met haar nog lang en gelukkig.
Daar kwam de Dood met zijn wagen met doodenkruid, en voerde hen alle twee de wijde wereld uit.
De spooksage is hier met een schatsage verbonden; dit is o.a. ook het geval met de Neerlintersche sage van het Blauwe Spook, die men vindt in Hagelander IV, bl. 90 vlg. De spoken zijn veelal familieleden, die terugkeeren en om gebed vragen of om vervulling eener door hen of door een ander niet volbrachte gelofte, zoo b.v. het spook van de Langesloot en van Tusschendijken, bij Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. 146, 154. Overeenkomstig luidt een sage, ons door Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 150 meegedeeld:
Een bakker te Hoorn had een vrouw en twee kinderen. Zijn vrouw werd doodziek en hij beloofde haar op haar sterfbed, dat hij de kinderen bij een buurvrouw, een heel braaf mensch zou uitbesteden. Maar toen zij gestorven was, kwam hij die belofte niet na.
Van dien tijd af begon het avond aan avond te spoken. Er werd gerommeld, geschuifeld, gestampt en ander leven gemaakt. En altijd op denzelfden tijd begon het leven weer en werd het na een poos weer stil.
Hij wist niet wat hij er aan doen moest en sprak er den predikant over. Deze besloot zich met eigen oogen en ooren te overtuigen en bleef dus op een zekeren dag waken en las onderwijl in den bijbel. Op den gewonen tijd begon het spoken weer en toen dat een poosje zoo geduurd had, zei de dominee: "Wat is er van uw verlangen?" "Ik heb geen rust", antwoordde het spook, "voor mijn man zijn belofte omtrent de kinderen vervuld heeft". "Die zal vervuld worden", sprak de dominee.
Toen vertelde hij den bakker wat hij gehoord had en deze heeft de kinderen toen bij de buurvrouw uitbesteed; en het spoken is sedert voorgoed opgehouden.--
Hoeveel betooverde meren en kasteelen schenken er niet een tooverwaas aan het Nederlandsche landschap! Diep bedolven in het Bleeke Meer--ook Prinsenmeer en Koningsmeer genoemd--nabij Stavoren ligt de schat der Friesche Koningen, gelijk de schat der Nibelungen in den Rijn. En waar de Niers met groote kronkelwegen de velden doorstroomt, daar verjoeg eens een hoogmoedige ridder in zijn verwaten trots een arme pelgrim van zijn erf. Slechts de jongste dochter had deernis met hem, maar vermocht den vloek niet meer te bezweren, die zich ging ontladen over het misdadig slot. Daar doet de torenklok twaalf doffe slagen weerklinken...en het kasteel zinkt weg in de diepte. Maar toen de lente weer kwam, ontsproten aan den voet van den heuvel, waarop de burg gelegen was, hyacinthen, primula's en anemonen, als herinnering aan de jonkvrouw, die niet geheel was ontaard.--Andere plaatsen, als het Solsche Gat, zijn betooverd, omdat daar een moord werd gepleegd. Klokkekuilen, die het gebeier der verzonken klokken nog menigen nacht, vooral op Kerstnacht, doen hooren, hebben allen hun genetische sagen. Voeg bij deze toover- en spooksagen nog de groep van volksverhalen, die betrekking hebben op personen, welke het vermogen bezitten, iemand "vast te zetten" of, zooals het heet, die "de vrije kunst" verstaan; van deze vindt men een zeker aantal bij Boekenoogen in Volkskunde XIX, bl. 142 vlg., en De Cock, ib. XXIV, bl. 142. Zie verder De Cock, Brabantsen Sagenboek I, bl, 118-161; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 46, 51; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen (Amsterdam 1909) I, bl. 96; Geldersche Volksalman., 1835, bl. 28; 1845, bl. 37; P. Oosterlee, Legenden3 (Nijmegen 1913), bl. 96.
Daar bestaat een soort van betoovering, die zeer oud of onsterfelijk maakt of voor geruimen tijd de gave der vergetelheid schenkt. Algemeen vermaard is de sage, zooals zij is gelokaliseerd in het Zevengebergte, onder de benaming van Der Mönch von Heisterbach; men kent ook de Nederlandsche bewerkingen van W. Müller's gelijknamig gedicht. Maar ook in Groot-Nederland is dergelijke sage inheemsch, getuige het volgende, te Hekelgem uit den volksmond opgeteekende verhaal over "Het Kluizevogelken van Affligem".
Op zekeren dag wandelde een heilige pater uit de abdij van Affligem in de wijde bosschen, rondom het klooster gelegen. Op eens werd zijn oor getroffen door het hemelsch gezang van een vogeltje. Vol bewondering houdt hij het vogelken in 't oog en daar het van boom tot boom vliegt, volgt hij het immer na. Zoo brengt het hem tot bij een kluis, die met een gouden draad is afgespannen. De draad opent zich bij het naderen van den monnik en sluit zich achter hem weer dicht. De pater zet zich neer op een bank naast de kluis en luistert nog altijd even gretig naar het wonderbaar gezang van het vogeltje.
Maar ten slotte houdt het gezang op, en toen eerst dacht de pater er aan, naar de abdij terug te keeren. Hij komt voor de poort en klopt aan. Een portier verschijnt en vraagt: "Wien mag ik bij den Abt aandienen?"--"Wel broeder, kent ge mij niet? Ik heb slechts eenige uren geleden het klooster verlaten", antwoordt de monnik.--"Gij zijt mij geheel vreemd", herneemt de portier.--"Onmogelijk", protesteert de pater; "ga den heer Overste en mijne andere broeders verwittigen; die zullen mij wel herkennen".
Maar niemand herkende hem. Toen kwam de abt op de gedachte, den vreemdeling zijn naam te vragen; en zoekend in de vergeelde en bestoven registers der oude abdij bevond men, dat de onbekende monnik juist honderd jaar geleden de abdij verlaten had. Ter herinnering aan dat voorval is naderhand op de plaats der oude kluis een kapel gebouwd, die men de Kluizekapel noemt. Vergel. De Cock, Brabantsch-Sagenboek I, bl. 69.
In deze lezing van de sage is een nieuw sagenmotief ingelascht, n.l. het vogeltjesmotief, dat men in een andere, wellicht meer oorspronkelijke lezing, ons door Wolf, Niederländische Sagen no. 148 meegedeeld, met het tekstmotief verbonden vindt. De kloosterling denkt n.l. na over het schriftwoord: "Duizend jaren zijn voor Uw oogen als de dag van gisteren". Zie nog Zeitschr. d. Vereins für Volkskunde XI, bl. 298.
Men zou tot deze groep de sage van den Wandelenden Jood kunnen rekenen, en ik moet toegeven, dat zij eenige trekken van het zoogenaamde Matthusalem-motief bevat. Maar ik reken ze toch liever tot de historische sagen.
Zeer merkwaardig voor inhoud en verspreiding der sagen in het algemeen is die van den te Gast genooden Doode, over geheel Europa verspreid. Te 's-Hertogenbosch luidt zij als volgt:
Langen tijd geleden leefde te 's-Hertogenbosch een Jonker, die aan God noch gebod geloofde en een zeer zondig leven leidde. Op zekeren avond twistte hij in een drankhuis over de vraag of er na den dood nog een leven is, en hij hield staande dat, wat dood is, dood blijft. Bij het naar huis gaan moest hij over een kerkhof en toevallig schopte hij tegen een doodshoofd. "Ha ha!" riep hij luid, "dat treft. Als gij nog leeft, kom dan straks het avondmaal met mij nemen!" En lachend ging hij verder. Thuisgekomen ging hij welgemoed aan tafel. Daar gaat de bel en de meid ziet een vreemdeling voor de deur staan. Zij brengt hem binnen en de vreemdeling zegt tot den Jonker: "Gij hebt mij zooeven te gast gevraagd, zooals gij ziet, beantwoord ik aan uwe uitnoodiging". De Jonker voelde zich ijskoud worden, maar nog meer, toen de man zijn mantel aflegde en zich vertoonde als een afschuwelijk geraamte. De Jonker viel in onmacht en de meid, die kwam toeloopen, vond geen spoor meer van den vreemdeling. De Jonker bleek zijn verstand te hebben verloren en stierf krankzinnig.
Men ziet het, de sage moraliseert: goddeloosheid en onteering van den doode worden streng gestraft. Ongeveer eensluidend zijn de lezingen, die wij aantreffen in Vlaamsch-Brabant (Wambeke en Ternath), Oost-Vlaanderen (Welle, bij Denderleeuw), Noord-Holland, waar de sage nog als lied gezongen wordt, b.v. te Broek in Waterland, Antwerpen en Gent, Limburg (Vroenhoven), waar volgens 't Daghet in den Oosten XX, bl. 100 vlg. insgelijks de sage nog als lied voortleeft, in West-Vlaanderen (Brugge) en in Fransch-Vlaanderen (Godewaartsvelde). In het buitenland blijft de moraal: eer de dooden. Aldus in de lezing: het Doodshoofd te Gast, die wij ontmoeten in Bretagne, Morbihan, Nantes, Zevenburgen, Tirol, IJsland, Spanje, Luik, Metz, Picardië, Gascogne, en eveneens in de lezing: de Gehangene te Gast, vooral in Duitschland verspreid: Saksen, Pruisen, Meklenburg, Silezië, maar ook wel in Bretagne; eindelijk in de lezing op het motief: de Doode (niet: gehangene) te Gast, welke zich over Denemarken, Zweden, Noorwegen, Rusland, Holstein en Bosnië uitbreidde, maar ook wel in den Elzas en Zevenburgen gevonden wordt. De ongeloovigheid wordt echter in geen dezer lezingen gestraft, zoodat deze trek uitsluitend karakteristiek blijft voor de Nederlandsche inkleeding der sagestof. Nu heeft A. de Cock in eene voordracht, gehouden in de Koninklijke Vlaamsche Academie (Verslagen en Mededeelingen 1909) de stelling zeer aannemelijk gemaakt, dat deze trek afkomstig is van eene redaktie, die men in Poirters' Masker van de Wereld vindt; hij zelf ontleende hem aan een schooldrama, dat in 1615 te Ingolstadt gedrukt en in den herfst van hetzelfde jaar door de studenten van het Jezuïten-college aldaar werd gespeeld. Dit drama berust waarschijnlijk weer op een Italiaansche volkssage.
Met opzet heb ik deze sage wat uitvoeriger behandeld, omdat ik ze van belang acht voor het goed begrip der onderlinge verhouding tusschen volkssage en kultuursage en der inwerking van de kultuurdichting op vorm en voortbestaan der sage. Wij zien de sage ongerept en onafhankelijk van den kunstvorm. Andermaal levert zij aan den dichter stof tot bewerking. Maar opnieuw dringt het thema de volksmassa's binnen en legt het populaire sagenkleed weer aan.
"Van oudsher is de band tusschen sagen en kunstdichten nauw geweest", schrijft Poelhekke. "Veel sagen danken hun voortbestaan alleen aan den dichtvorm, waarin zij zijn overgebracht. Zou de Loreley-sage zoo verbreid zijn, als Heine ze niet had bezongen? En heeft Staring niet veel aandeel in het blijven voortleven van de sagenstof in zijn Jaromir en andere gedichten verwerkt? Er is zelfs voor nagenoeg alle sagen een tijd gekomen, waarin dichters de overgeleverde stof opzettelijk gingen omwerken, ze gingen verdiepen vooral, waarin ze het zieleleven der personen nader uitsponnen, en zoodoende menige sagenfiguur geheel wijzigden": Woordkunst, bl. 84, 85; vgl. De Beiaard I, i, bl. 49.
Maresagen. Op de Veluwe gaat de sage van een boerenknecht, die met de kar hakhout van Wiessel naar Nunspeet moest brengen en 's avonds bij den Hoogen Duvel belandde. Een uitdagend:
"Griepke, Griepke, grauw, A'j' me hebben wilt, griep me dan gauw"
bekwam hem slecht. Want een vlam sloeg uit den weg omhoog, een dreunende slag volgde, 't paard steigerde hoog op, en tegelijkertijd zag de man een groot zwart gevaarte op hem afkomen, dat met vurige klauwen naar hem greep. Het werd een rit op leven en dood. Straks stootte de mare een woedend gebrul uit en een aantal weerwolven met groen-lichtende oogen sprongen te voorschijn. Eindelijk bereikten ruiter en paard den reddenden stal. Maar des anderen daags vond de boer het arme dier dood op het stroo liggen. Want de mare had zich weten te wreken op het onschuldige dier. Zie G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 100; Welters, Limb. Legenden II, bl. 38, 39; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 96, 99.
Vooral heksensagen vindt men allerwege. Het eigenaardige bestaat hierin, dat deze in den grond animistische sagen sterk met Christelijke bestanddeelen zijn vermengd; zie I, bl. 77.
Een afzonderlijke groep der mythische sagen vormen de natuursagen, die berusten op verpersoonlijking der elementen of op verklaringen der natuurverschijnselen. Over de kabouters weet o.a. de Noordbrabantsche Volksalmanak 1870, bl. 253 vlg. te verhalen, hoe een boer uit Duizel, die den heelen dag in de hei turf had gestoken, in het schemeruur met zijn "spaai" op den rug over den Eerselschen dijk huiswaarts keerende, eenige schreden voor zich uit een knaapje zag voortdrentelen, dat hem, wonder genoeg, niet ouder leek dan enkele maanden. Maar toen hij het wicht had ingehaald, bleek dit een mannetje te zijn met grijze haren en grijzen ringbaard; het haalde zijn "smoorske" voor den dag en vroeg hem een pijpje tabak, waarvoor de boer ten slotte rijkelijk beloond werd. Sagen over Witte Vrouwen, reuzen, dwergen, vuurmannen en meerminnen treft men rijkelijk aan, zoo b.v. in de verzamelingen van Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, bl. II, 18, 52; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 44; Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 29 vlg., 38; De Cock, Brabantsch Sagenboek I, bl. 168-215; De Mont-De Cock, Vlaamsche vertelsels, bl. 326, 331. Het schoone verhaal van het Meerminneken (ib. bl. 332), dat met lange, losse haren vol waterbloemen uit het water oprees, terwijl zij zong:
"Een wateren dak, een paleis van kristal.... Daar spelen mijn lievekens allemaal.... Visscherken, werp er uw tonneken uit.... De walvisch komt en zoekt naar buit",
is veeleer wondersprookje dan sage. Wat de natuurverklarende sagen en sprookjes betreft, deze zullen wij naderhand afzonderlijk behandelen.
De Christelijke sagen borduren Christelijke figuren of tafereelen op heidensch, of althans op zuiver-fiktief patroon. Wanneer van Sinterklaas verteld wordt, hoe hij, hoog te paard, den ruimgeplooiden bisschopsmantel om de schouders geslagen, op zijn trouwen schimmel over de daken rijdt, om zijn geschenken door den schoorsteen te werpen,--dan is dit een Christelijke sage, want de Sleipnir berijdende Wôdan-Odhin levert het patroon. En evenzeer is dit het geval met de Christelijk-getinte verhalen, die men wel eens in bezweringsformules vindt ingelascht; daar staan Jezus, Petrus, Michaël en Stephanus eenvoudig op de plaats van Wôdan en de zijnen, die op hun avontuurlijke aardsche tochten niet zelden een verrekten paardenpoot genazen.
Van dien aard is ook de sage van Sint-Elooi en den smid.
Op zekeren keer, vertellen De Mont en De Cock, bl. 364, was St.-Elooi op wandeling en hij kwam in een vreemd dorp. Daar zag hij een smidse, en boven de deur, op een uithangbord, las hij deze woorden:
Bij Jan Hamers, paardesmid, Meester-boven-meesters.
"Wat", dacht St.-Elooi, "is die kerel zoo verwaand, dat hij zich boven heel de wereld durft verheffen? Ik ga eens zien".
Hij trok binnen, en vroeg aan den smid, of hij bij hem mocht werken.
"Kunt gij beslaan?" vroeg de smid.
"--Ik geloof, dat het wel gaan zal", was 't antwoord.
"--Welnu, toon wat je kunt", zei de smid, die zag hoe een boer naderde met een paard, dat aan zijne achterpooten moest beslagen worden.
Sint-Elooi trok een schootsvel aan en zette zich aan 't werk. Op éen, twee, drie had hij een hoefijzer gereed. Dan nam hij den poot van 't paard, sneed hem af met zijn mes, en met éenen slag van den hamer zat het hoefijzer vast. Daarna paste hij den afgesneden poot aan het been, en zette ze weer aaneen. En wat vooral wonder was: het paard had geen enkelen druppel bloed verloren. Voor den tweeden poot handelde Sint-Elooi op dezelfde wijze.
De smid, die alles van nabij had gadegeslagen, kon zijne oogen niet gelooven. "In alle geval, nu weet ik, hoe het in zijn werk gaat", peinsde hij. En daar hij erg jaloersch was, zond hij den Sant twee, drie dagen nadien weg.
Kort daarop kwam er een ander paard, en de smid wilde St.-Elooi nu eens nadoen. Hij haalde zijn broodmes voor den dag en sneed het paard zijnen poot af. Het bloed stroomde uit de wonde, dat het deerlijk was om te zien, en het beest brieschte, sloeg en trappelde van de pijn. De verschrikte smid haastte zich om het hoefijzer vast te nagelen, maar den afgesneden poot weer aan het been zetten, dat ging volstrekt niet. Intusschen bloedde het paard altijd voort en was bijna dood. En Meester-boven-meesters, die van den stalknecht eene heele karrevracht verwijtingen en verwenschingen naar den kop kreeg, wist niet wat beginnen, en stond daar te zweeten van schaamte. Gelukkiglijk kwam St.-Elooi juist voorbij. De smid riep hem binnen en smeekte hem om hulp.
"Waarom zet gij dan op uw uithangbord " "Meester-boven-meesters?" " vroeg St. Elooi. En de hoovaardige kerel wist geen woord in te brengen. St.-Elooi wilde evenwel hand noch vinger aan het paard steken, vooraleer de smid hem beloofd had zijn uithangbord weg te nemen en op den zolder te werpen; toen zette hij den poot weer aaneen en het paard was volkomen hersteld.
De smid van zijnen kant hield woord, en was van zijnen hoogmoed genezen.--
Volstrekt-fiktief, omdat persoon en hoedanigheid van den heilige totaal sekondair worden, zijn de fantastische sagen van Sint-Petrus aan de hemelpoort. Men tracht den goeden heilige op allerlei wijze beet te nemen, om toch maar niet voor eeuwig te worden buitengesloten. Nu heeft de portier des hemels ook wel zijn nukken en grillen; en zoo wilde hij eensdaags uitsluitend kavalerie toelaten. Een arme kerel, die zich niets te verwijten had, werd onbarmhartig afgewezen. Maar een kwezel, die daar juist aankwam, weet raad. "Zet U op mijn rug", stelde zij voor, "dan rijden wij zoo de hemelpoort binnen". Zoo gezegd, zoo gedaan. Sint Pieter keek hen glimlachend achterna en mompelde: "Daar heb je nu een merrie zonder staart".
Een afzonderlijke groep vormen de sagen van den Wandelenden Christus, die hetzij alleen, hetzij in gezelschap van Petrus, of van Petrus en Johannes, evenals voorheen de goden, op aarde komt rondwandelen, om te zien, hoe alles reilt en zeilt. Deze sagen zijn niet zelden verbonden met het motief der drie wenschen.
Met het Christendom deden leer en voorstelling van een volstrekt-boosaardig wezen, dat de menschen kwelt, haar intrede in de Germaansche wereld. De duivelssagen behooren tot de Christelijke groep. Deel I, bl. 95 vgl. heb ik uitvoerig besproken, op welke wijze en onder welke gedaanten de duivel optreedt en hoe hij de menschen tot een kontrakt met hem weet te verleiden. Hij verschijnt veelal om vloekers, zondagsschenders en drinkebroers te straffen, en ook bij verwenschingen, al zijn die zoo ernstig niet bedoeld. Verder komt in menige historische sage een duivelsmotief voor, ik herinner slechts aan de Faustsagen en haar Nederlandsche parallel, Marieke van Nimegen. Zie ook Welters, Limburgsche Legenden II, bl. 49; Wolf, Niederländsche Sagen, no. 316, 319, 324, 325, 327; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen II, bl. 64; De Mont-De Cock, Vlaamsche Vertelsels, bl. 316, 319; Limburg's Jaarboek IV, bl. 253; enz.
Ik kom nu tot de historische sagen, volksverhalen met een historische kern, die door de fantasie werd uitgebreid of gewijzigd. Met "historische kern" bedoel ik een historisch feit, maar ook een historische persoon, een historisch woord, een historische voorstelling, teekening, opschrift, benaming enz.
De feiten zwellen aan, groeien in omvang en beteekenis, worden met andere verward en verbonden, vereenigen zich met de meest heterogene bestanddeelen. Zoo of anderszins worden oorspronkelijk-zelfstandige sagen vereenigd, als b.v. de sagen van de Tafelronde, den Graal en Parzival; andermaal wordt de oorspronkelijk-eenvormige sage in meerdere gesplitst.
Ook de personen groeien sterk in de volksverbeelding, tot haast bovenmenschelijke wezens. Zij vereenigen niet zelden op zich de daden van naamverwante of bloedverwante personen, ja van figuren, hun aanvankelijk geheel vreemd. Toovermotieven hechten zich aan hen vast, met name dat der onsterfelijkheid. Immers: groote mannen kunnen niet sterven. Vandaar, dat Karel de Groote slaapt in den Karlsberg bij Nürnberg, Barbarossa in den Kyffhäuser.
Historische gezegden kunnen eveneens aan sagen het aanzijn schenken. M.i. is de Ahasverus-sage, de sage van den Wandelenden Jood, hoogst waarschijnlijk ontstaan uit het woord van Jezus tot Petrus: "Zoo wil ik, dat hij blijve, totdat ik kome; wat gaat het u aan? Volg gij mij!" (Jo. XXI: 22, 23). En de tekst vervolgt: "Er ging dan de sprake onder de broederen, dat deze discipel niet zal sterven." 't Is waar, deze woorden hebben betrekking niet op Ahasverus, doch op "den discipel, dien Jezus lief had." Maar tot gevleugelde woorden herboren, konden zij spoedig op andere personen overgaan.
Historische voorstellingen, teekeningen, opschriften hebben tal van sagen geteeld; dit feit behoort tot de zoogenaamde ikonografische volkskunde. Naar alle waarschijnlijkheid ontstonden b.v. de legenden der martelaars, wien men den naam van Cefaloforen of "hoofddragers" gegeven heeft, als volgt. Men dient te weten, dat de kern dezer legenden deze is, dat onmiddellijk na de marteling het lichaam van den heilige zich verheft tot groote verbazing der beulen, het bloedige hoofd in de hand neemt en zich begeeft òf naar zijn woning, òf naar de plaats, waar hij wil vereerd worden. Pater Cahier heeft een lijst van ongeveer tachtig zulke martelaars opgemaakt, en nog, zegt hij, is zij verre van volledig. Welnu, in een der homilieën van den H. Johannes Chrysostomus vindt men dezen tekst: "Evenals soldaten zich met vertrouwen tot hun koning wenden, wanneer zij hem de wonden kunnen toonen, in zijn dienst ontvangen, zoo ook vertoonen zich deze heilige martelaren aan den Koning des hemels, hunne hoofden in hunne handen, en verkrijgen van Hem alles, wat zij maar wenschen." Tengevolge dezer woorden werd de voorstelling van een heilige, die het hoofd in de handen droeg, het type der onthoofde martelaren. Doch weldra ging de oorspronkelijke beteekenis van dit type te loor en mèt de symbolische voorstelling ontspon zich een net van legenden, dat zijn draden over geheel Europa, met name over Frankrijk wierp.
Eindelijk, sagen kunnen ontstaan uit den drang naar verklaring van duistere benamingen; maar dit verschijnsel, dat tot de etymologische volkskunde behoort, behandel ik afzonderlijk, evenals de sagen, die berusten op natuurverklaring.--
Aldus geboren verlaat de sage allicht haar bakermat, en fladdert rond, al is zij vrij wat meer gebonden en meer beperkt in haar vlucht dan het kosmopolitische, slechts nationaal-getinte sprookje. Gaarne tooit zij zich met het gewaad der heldensage en neemt zij den epischen kunstvorm aan. Volgens den Leipziger psycholoog Wilhelm Wundt, Völkerpsychologie V, 2, ontspringt zij uit het sprookje om dan, volgend de lijn harer geleidelijke ontwikkeling, zich te ontplooien in heldensage en epos. Uit het sprookje is zij ontstaan door het binnendringen van historische elementen. Deze opvatting kan echter den toets der kritiek niet doorstaan. De sage verschilt niet slechts van het sprookje door de bewuste scheiding der twee werelden van het zinnelijke en bovenzinnelijke, die in het sprookje vervloeien, en door hare sterke individualiseering van personen en zaken en haar ethische strekking; maar bovenal verschilt zij juist door haar wording. Zij kronkelt niet slechts als klimop om de verweerde bouwvallen van een oud kasteel, zij bestraalt niet slechts personen en gebeurtenissen,--maar zelfs een gezegde, een naam, een teekening kan haar doen ontluiken. Wel is het vaak moeilijk, haar van het sprookje te onderscheiden: zij loopen evenwijdig, zij nemen motieven van elkaar over,--wat wonder bij tweelingdochters van eenzelfde frissche volksopvatting en volksverbeelding?
Vooral de heldensage wortelt niet in de wazige sprookjeswereld, maar in de historie, of liever, in de berichten van indrukwekkende, beteekenisvolle historische gebeurtenissen. In haar kern en oorsprong is zij tot poëzie geworden geschiedenis en zij wordt verder voortgeplant door de kunst van dichter of zanger. En de Germaansche heldensage bij uitstek is de schepping van een in het licht der geschiedenis vóor ons liggend tijdperk. "Het sprookje is de groote schatkamer geweest", schrijft Prof. Sijmons, "waaruit helden- en godensagen de edelgesteenten en kleinodiën haalden om haar figuren te tooien. Sprookjestrekken fladderen nauwelijks zichtbaar rond als zomerdraden en hechten zich aan den helm van Achilles en Siegfried zoo goed als aan Apollo's en Balder's plechtgewaad. In den loop van enkele eeuwen worden tastbare historische personen sprookjeshelden. Diederik, de groote Oostgotenkoning, bestrijdt reuzen, dwergen en draken. De sage meent het goed met haar lieveling; zij versmaadt geen enkel uit de bonte menigte van losse motieven, die de sprookjeswereld haar kwistig aanbiedt, om haar held steeds meer los te rukken van zijn menschelijk-historischen wortel, en toch blijft ze in haar opvatting van zijn geheele verschijning, van zijn rechtvaardigheid, zijn kalme rust, zijn lankmoedige vredelievendheid en tevens onweerstaanbare dapperheid, aan het geschiedkundige beeld van den edelen vorst, wien zelfs zijn vijand bewondering schonk, op merkwaardige wijze trouw": Heldensage en Sprookjes, in de Verslagen en Mededeel, der Koninkl. Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde 1910, bl. 597.
Zóo is dus de sage een stuk werkelijke geschiedenis. Hoogst onbetrouwbaar wat de feiten betreft, verdient zij wat den geest betreft soms volle vertrouwen. Zij beeldt de idee uit, die in de historische gebeurtenissen leeft, zij vertolkt den geest der natie. De Germaansche heldensage is opgebloeid in de stormen der volksverhuizing, wier merkwaardige persoonlijkheden zij op merkwaardige wijze heeft weten vast te houden. Zie ook Poelhekke, Woordkunst, bl. 79, 90.
Meerdere onzer historische sagen zijn van elders hierheen gekomen. Aldus de reeds vermelde Ahasverus-sage met haar sterk-uitgesproken ethische strekking: Ahasverus heeft zich vergrepen aan den Gezalfde des Heeren, tot straf zal hij op aarde moeten rondzwerven zonder rust noch duur. Het blijven-leven is hem ten vloek, het niet-kunnen-sterven de gruwzaamste pijniging--want de dood is toch óok rust, is weldaad en verzoening.
Wolf verhaalt in zijn Niederländische Sagen de Vlaamsche lezing aldus: Omstreeks 1640 ontmoetten twee burgers, die in de Looierstraat woonden, in het Soniënbosch een ouden, grijzen man, met gehavende kleeren van overoude snit. Zij verzochten hem, mee de herberg binnen te gaan, hetgeen hij ook deed; maar hij zette zich niet, doch dronk staandevoets. Toen hij met beide burgers weer buiten kwam, vertelde hij hun heel veel, en wel meestal geschiedenissen, die voor vele eeuwen waren afgespeeld. Hieruit bemerkten de burgers spoedig, dat hun gezel Isaak Laquedem was de Jood, die Jezus het rusten voor zijn deur weigerde, en verlieten hem hevig ontsteld.
De sage van den Joodschen Wandelaar is nog steeds gangbaar onder ons volk. En hier, evenals elders, maken de dichters zich met graagte van de plooibare stof meester, om Ahasverus te maken tot een strekkings-figuur, en eigen streven en aanschouwing tot uiting te brengen. Aldus Ten Kate in zijn Ahasverus op den Grimsel, Heijermans in het schouwspel Ahasverus, Vermeylen in den roman De Wandelende Jood.
Van elders kwam ook de sage van Faust, van Karel Martel, van Koning Arthur, van Keizer Karel. Daarentegen zijn de sagen van de Vier Heemskinderen--"de Vier Heysmanskinderen op éen paard", zooals het in Limburg heet--en van den Zwanenridder van Nederlandschen oorsprong, al kregen zij hun literairen vorm, die naderhand weer produktief werd, het eerst in het buitenland.
Ieder gewest heeft zijn eigenaardige sagen; niet het minst het land van de zee en van de duinen, het land van de wouden, wildernissen en waranden, het land van de eindeloos vele poelen, van de burchten, ridders en minstreelen:
O Kenmerland! o Kenmerland! O land van meiren en van wouden! O land, door 't forsche woord bezield! Hoe heeft m' een stoute pracht vernield, Die voorgeslachten hier aanschouwden! Hoe heeft (helaas!) een later teelt De paerlen van uw kroon verspeeld. En 't êelgesteente er uitgewrongen! O land van trotschheid en van kracht-- Hoe is uw eikenknots geknakt, En u een rietstaf opgedrongen! Hoe heeft m' een boozen moord gepleegd Aan 't fiere schoon van uw waranden, En in behoeftes maagre handen De schatten van uw pronk geleegd.
Maar die grootheid van weleer sluimert nog in de sagen voort, door Hofdijk zoo keurig gestoken in dichterlijke kleedij. Te Aelbrechtsberg en Tetterode verhaalt men van den meirplas, welks oeverzoom bijna de oorzaak was geworden van een noodlottigen broedertwist. Spaarndam en Akersloot's sagen: Volbrachte Eed en Proef van Trouw weerspiegelen het bonte, gevaarvolle visschersleven; Heiloo herdenkt in de Kracht des Geloofs de oude tijden onzer kerstening; kloosterrozen bloeien en wierookwolken walmen rond Bergen, Egmond, Alkmaar en Heiloo, ter gewijde stede, waar gebeden werd en geleden en geboet: Prior Henryck van Heyloo, Hoogste Troost, Sint-Cosmas-en-Damiaan-kapel, Sint-Aelbrechts Aanklacht, de Moedervloek, de Groote Worp, Kloosterroof. De strijdknots suist en de oorlogskreet schalt in den Sint-Vincents-Nacht van Schoorl. Bloedige oorlog met de Friezen drenkt den bodem en de overlevering van heel Kennemerland; maar ook de strijd met de Noormannen galmt na in zoo menige sage van de Egmonden en van Haarlem, getuige het Paardenrif en O.L. Vrouwe van Haerlem. In den Stalboef van Castricum en den Jachtstrooper van Santpoort dreunt paardengetrappel en hoorngeschal; in den Lijfknaap van Castricum kruisen elkaar de zwaarden om het bezit eener betwiste schoone; elders kletteren de wapenrustingen der ridders op het steekspel, rinkelen de bekers en bokalen, klinkt het smeltende lied der minstreelen. Maar Bergen en Egmond, Alkmaar en Heiloo, Limmen en Akersloot, Castricum en Heemskerk, Heemstede, Assendelft en Santpoort, zij allen gewagen van minnelust en minnesmart, van vrouweneer en riddertrouw, ja trouwe tot aan gene zijde van het graf.
Mag ik afscheid nemen van Holland zonder de Damiaatjes van Haarlem te herdenken, en den Bouwmeester van Sint Bavo, die onbekend wilde blijven, een sage, die slechts deze idee schijnt te willen uitbeelden, dat geweldige kunstwerken als de Sint Baafskerk niet het gewrocht zijn van éen persoon, maar van het geheele volk, in zijn moedig streven door hoogere macht gesteund?
De sagen der Friezen, zoo prat op hun eigen aard en volkswezen, zijn voor een groot deel oorsprongssagen: Friso, Saxo en Bruno; Naam en Herkomst der Friezen; Hengist en Horsa; Afkomst der Westfriezen; het Roode Vaandel en de IJzeren Kroon; het Roode Klif enz. Andere verhalen hebben betrekking op de bekende Friesche onbuigzaamheid: Koning Radboud weigert zich te laten doopen; Koning Karel en de Friezen; Friesche Stijfkoppen e.a. Ook weet men te verhalen, hoe Leeuwarden door vrouwen werd gered. Dit nu is geenszins merkwaardig, daar hetzelfde van tal van andere plaatsen wordt verhaald; zoo werd ook Haarlem gered door Kenau Hasselaer en Venloo door Geertrui Bolwater. Eigenaardiger is, dat Franeker gered werd, doordat twee maagden de laatste brooden van de wallen wierpen. De vijand dacht nu, dat de stad geen gebrek had en hief de belegering op. Naar men weet, ging in de Oudheid een dergelijk verhaal over het opbreken van de belegering van het Kapitool door de Galliërs.
Ook Zeeland heeft zijn oorsprongssagen, zoo b.v. de Herkomst van hertogen en volk van Walcheren.
Utrecht, de bisschopszetel, kent natuurlijk grootendeels bisschopssagen: Bisschop Frederik van Utrecht; Odulf van Utrecht en de Kerk te Staveren; Dood van Bisschop Koenraad van Utrecht. Ook weet de sage te verhalen, hoe Albertus Magnus de gunst verkreeg, dat de Predikheeren zich te Utrecht mochten vestigen.
In Noord-Brabant en vooral in Gelderland wordt de sage weer romantischer. Ik herinner aan Sophia van Heusden, de Engelsche koningsdochter, die door het gezantschap werd aangetroffen, zijde spinnende op een rood spinnewiel; en aan de sage van Wichard, die moedig het monster met zijn vervaarlijk "Gelre"-geroep versloeg. Elsa, de dochter van den hertog van Braband en Limburg is het, die den zwanenridder ziet naderen, om het tegen Frederik van Telramonde, die haar valschelijk beschuldigd had, op te nemen. Hij neemt Elsa tot vrouw; maar eindelijk vraagt deze hem naar naam en afkomst en hij moet vertrekken. Ook te Nijmegen en elders is de Zwanenridder geen onbekende.
Maar ook de Limburgsche sagen wijzen op een roemrijk verleden. Venloo beschouwt Valuas, een stamhoofd der Brukteren, als zijn stichter. Meer sporen hebben de Noormannen achtergelaten. Naar men verhaalt, kwamen zij tegen het einde der IXe eeuw de Maas afzakken en sloegen hun kamp op te Elsloo, van waar zij door Karel den Dikken werden verdreven. Tusschen Tegelen en Belfeld, ter plaatse van de Snelle Sprong, stond het kasteel van Erbert van Belfeld, die den Noorman Hermold, belager zijner schoone gemalin Ida van Lommel, bedwong. Te Born en omstreken leeft steeds voort de herinnering aan koning Santibald of Zwentibold, uit Lotharingen afkomstig. God gaf hem eens in den slaap de gedachte in, een gift te doen aan de arme menschen, die hij zoo menigwerf leed had toegevoegd. Des morgens deed hij een man te paard stijgen en liet verkondigen, dat er zooveel dorpen aan de gift zouden deelachtig worden, als de man binnen den tijd van het noenmaal zou omrijden. De ruiter reed dan over Born, Guttecoven, Limbricht, Sittard, Munstergeleen, Geleen, Beek, Elsloo, Stein, Urmond, Grevenbicht, Papenhoven, Buchten, en zoo naar Holtum. Daar vond hij een oud wijf aan den slagboom staan, dien zij halsstarrig gesloten hield. Nu reed hij om Holtum, en bereikte Born nog, toen de koning en zijn gasten water namen na den maaltijd. Zoo bleef Holtum van de gift in weide- en heidegronden uitgesloten.
Geurige legenden ranken ook om de tinnen en kanteelen der heerlijke burchten van Amstenrade en Valkenburg, Haelen en Horn, en treuren op de zerken, die de glorie dekken van het keizerlijke stift te Thorn. Weert's glorie is de dappere Jan van Weert, wiens typisch tafellied ons door Jos. Habets in een geschriftje over deze legendarische figuur wordt medegedeeld. De laatste strofe luidt:
Sa hitsig! vult de hompen, Soo lang het vat nog houdt. Gesellen, laat ons pompen, Dees nectar, geel als goud Is voor gansen niet gebrouwd.
Over de Mookerheide gaat de sage, dat daar eens een beslissende veldslag zal geleverd worden, waar zelfs Turken bij tegenwoordig zullen zijn. De laatste koning van Pruisen zal er bij een roodharigen hoefsmid zijn paard laten beslaan, maar midderwijl zulke ongunstige tijdingen ontvangen, dat hij, zonder het einde dezer operatie af te wachten, het hazenpad zal kiezen.
Meer geschiedkundige waarde, vooral ook voor den geest van dien tijd, hebben de sagen van de bokkenrijders, die tot het einde der XVIIIe eeuw het Zuiden van Limburg onveilig maakten; van Schelkensbeek, waarover de beruchte Schinderhannes een touw met bel gespannen had, dat hem en zijn bende waarschuwde, zoo vaak iemand voorbij kwam--intusschen wordt deze sage ook wel elders verteld--; en eindelijk van den Kozakkenberg bij Belfeld, waar in het begin van verleden eeuw de Kozakken gelegerd waren, die het vleesch niet braadden, maar het enkel zacht reden onder het zadel.
In Brabant en Vlaanderen vertoont de sage een voornaam en tevens intiem karakter. Voornaam, immers zij gewaagt van Julius Caesar (Caesarsberg te Leuven), van Clovis, van Karel Martel, van Karel den Grooten, van de graven van Leuven en de hertogen van Brabant, van Karel V, van Albert en Isabella, en toch zijn de verhalen, b.v. die op Karel V betrekking hebben, zoo intiem, dat zij den anekdotischen vorm zeer nabij komen. Dit pleit ontwijfelbaar voor den geest van gemeenzaamheid tusschen vorst en volk.
Zoo verhaalt men te Molenbeek bij Brussel het volgende:
Op een avond kwam Keizer Karel laat voorbij Berchem; hij was op weg naar zijn stad Brussel. Hij ging een herberg binnen, waar veel drinkebroers zaten, die aan het twisten raakten over het beheer van den keizer. Meest allen keurden het bestuur van Karel goed; doch eenigen laakten het in krasse bewoordingen.
Keizer Karel kwam tusschen beide en verklaarde, dat het bestuur diende te worden afgekeurd.
"Wat gij, leelijke vreemdeling, gij durft hier onzen koning komen lasteren?"
En ze grepen hem vast en wierpen hem naar buiten.
Karel kwam te Brussel.
's Anderen daags liet hij de twee partijen in zijn paleis ontbieden. Toen zij in den keizer den vreemdeling van den vorigen avond herkenden, sloeg allen de schrik om het hart; de bedillers, maar ook degenen, die hem de deur hadden uitgeworpen.
Maar de keizer lachtte en schonk allen een belooning.
Tot zijn voorstanders sprak hij:
"U beloon ik, omdat gij mijn bestuur hebt verdedigd. Gij zijt goede vaderlanders. Ik verdiende aan de deur te worden gezet".
En tot de bedillers:
"En u kan ik niet straffen, omdat ik mijzelf zou moeten straffen. Maar weest in 't vervolg voorzichtiger".--
De naam van Jan Primus, hertog van Brabant, is waarschijnlijk vervormd tot Gambrinus.
In Vlaanderen leeft nog steeds de sage van Lyderick de Buck, den zoon van Saluwaart en Ermegarde, die door een tweegevecht zijn moeder uit de macht van Finard, den geweldige, bevrijdde. Door voortreffelijke wetten en instellingen heeft hij het Vlaamsche volk opgevoed; ook worden voorbeelden van groote strengheid van hem verhaald. Wat betreft de sage van Breboen en Swane, dien ik hier te wijzen op de meening van Dr. Blöte, waarvolgens de sage van den Brabantschen Zwaanridder drie perioden heeft doorgemaakt: de Boulognesche, de Brabantsche en de Kleefsche. De Boulognesche voorstelling was zelfs in Brabant tot 1322 de alleen heerschende. Zij is het, die verhaalt, hoe de zwaan den ridder met een gouden ketting in een scheepje voorttrok en naar Nijmegen bracht. De ridder trad daar op als strijder voor de hertogin van Bouillon en hare dochter tegen den hertog van Saksen.
Nog een menigte strikt plaatselijke Vlaamsche en Brabantsche sagen zou ik hier kunnen vermelden, aan gebouwen, straten, bronnen verbonden, zoo b.v. van den Sint Baafstoren en het Engelandgat te Gent, den Drij-Hoedengang te Brussel, de Minneborre te Schaarbeek. Maar het zou den omvang van dit boek overschrijden. Ik volsta dus met enkel nog te wijzen op sommige volksverhalen, die met gebruiken in verband staan, zoo b.v. ter verklaring van Vrouwkesavond te Brussel (I, bl. 149); andere interpreteeren uithangborden of wapenschilden.
Zie Wolf, Niederländische Sagen, passim; Dijkstra, Uit Friesland's Volksleven I, passim; Hofdijk, Kennemerland; De Cock, Brabantsch Sagenboek III, bl. 1--160, 197, 280; Welters, Limb. Legenden I, passim, II, bl. 93; Poelhekke, Woordkunst, bl. 87; Dr. J. F. D. Blöte, Das Aufkommen der Sage von Brabon Silvius, dem brabantischen Schwanritter, in de Verhandelingen v.d. Koninkl. Akad. v. Wetenschappen, N.R. V, 4, vgl. Taal en Letteren XII, bl. 1 vlg.; G. V. D. Wall Perné, Veluwsche Sagen I, bl. 62; Noordbrabantsche Alman. 1841, bl. 168; Karl Wehrhan, Die Sage (Leipzig 1908).
"De legenden", schrijft Dr. Gisb. Brom, "zijn ons onder menig opzicht dierbaar. Op de eeuwenoude muren van het nooit verouderde Christendom groeiden ze welig als het altoos groene klimop. Een frissche geur van poëzie en geestelijk leven waait er ons uit tegen."
Men heeft de legende verweten, een voortwoekerende slingerplant te zijn, een vampier met reuzenarmen. Ten onrechte. "Neen, voor wie over de gave der onderscheids beschikt", meent Pater Kronenburg, "voor wie de legende in haar diepste wezen aanschouwt en in het ware licht weet te plaatsen, is zij veeleer eene veilige getuige der oude tijden, een trouwe bodin van een reeds eeuwen verdwenen geslacht, die uit haren hoorn van overvloed voor ons uitschudt wat onze vaderen met beminnelijke naïeveteit dachten, met argeloozen eenvoud geloofden, met onwrikbare standvastigheid verhoopten. En behoort dat zieleleven niet tot het gebied der geschiedenis?" En hij vervolgt: "Zij is de goudlichtende tooverfee, die met kwistige hand de bloemen van de verbeelding en het kinderlijk gevoel plukt, tot kransen en festoenen strengelt en die slingert om de stramme zuilen van den hoogen waarheidstempel, opdat de waarheid, die daar troont, niet louter voor de rede, maar ook voor het gevoel aantrekkelijk zij."
Ziedaar zoo voortreffelijk, als weinigen het vermogen, de kultuur-historische waarde geschetst van die Christelijke geschiedsagen, welke betrekking hebben op de levens of op de krachtdadige voorbede der heiligen.
Doel der legende--ook als zoodanig is zij wezenlijk onderscheiden van de andere sagen--was en is stichting, en het is bewezen, dat zij een weldadigen invloed op de wereld der Middeleeuwen heeft uitgeoefend. Maar het historisch bestanddeel, soms uitsluitend de persoon van den heilige of het geloof aan of het vertrouwen in dien persoon, is vaak met allerlei fantastische verhalen, ja sprookjesmotieven verbonden. Veelal berust de legende op schriftelijke overlevering; immers oorspronkelijk waren de legenda de "te lezen stukken" van de levens der heiligen op hun feestdag.
Inderdaad waren de Middeleeuwen het bloeitijdperk der legende, en de Middeleeuwsche legenden, met name de Marialegenden, liggen in voortreffelijke verzamelingen en besprekingen vóor ons. Ik noem hier slechts de namen van De Vooys allereerst, en verder van Alberdingk Thijm, Kronenburg, Kruitwagen, Honigh, V. Vloten. Maar de volkskundige let op het heden, en het verleden dient hem slechts om het heden te ontraadselen en toe te lichten. Nu vinden wij die legenden somtijds als reflexen in onze volksverhalen en volksliederen. Maar de legende-vormende aandrift des volks is toch ook, vooral in het zuidelijk volksgebied, nog niet geheel verdord. De Vooys verhaalt in zijn Middelnederlandsche Legenden en Exempelen, bl. 95, van een ridder, die in een klooster ging en daar slechts het Ave Maria kon leeren. Uit zijn graf "wies een scoen lelye...ende op elke blat van der lelyen stond ghescreven "Ave Maria" in gulden letteren." Welnu, in de hedendaagsche legende keert de trek van het ontspruiten van bloemen, met den naam van Maria, op het graf van een vroom persoon en Mariavereerder, niet zelden weer. Ook weet men te Butten, nabij Tongeren, te verhalen, dat uit het graf van den heiligen martelaar Evermaar, die als vrome pelgrim den H. Servatius te Maastricht wilde vereeren, een slank en bevallig boompje met verrukkelijken bladerdos en de heerlijkste vruchten opgroeide. Deze verhalen en trekken kùnnen berusten op Middelnederlandsche exempelen, maar toch ook op hedendaagsche, of althans onafhankelijke legende-vorming.--
De allervoornaamste zijn de Marialegenden, en wel in de eerste plaats degene, die op een bedevaartplaats betrekking hebben. Het bezoek van de meeste dezer plaatsen ging uit van het volk en nam langzamerhand in beteekenis toe. De berichten ontstonden in die kringen, welke aan de bedevaarten deel namen en deze wilden aanbevelen en bevorderen, dus gewoonlijk weer in de volkskringen. "In Folge solcher Entstehung", schrijft Stephan Beissel S. J., "richtet sich die Ausgestaltung der Erzählungen nach der Art ihres Volkes und ihrer Gegend. In Gebirgsländern finden Hirten, Holzhacker oder Jäger das Gnadenbild in Felsenhöhlen, anderswo entdeckt man es beim Pflügen oder beim Hüten einer Herde, sehr oft bei oder in einer Quelle. Am Meeresstrande verdanken Wallfahrtsorte ihren Ursprung der Rettung aus Sturmesnot. Dort und an Flüssen oder reissenden Bächen kommen Statuen herangeschwommen. Wo Irrlichter oder phosphoreszierende alte Stämme den Wanderer schrecken, erblicken Leute wunderbare Lichterscheinungen zu denen Engelsgesang hinzutritt": Wallfahrten zu unserer Lieben Frau in Legende und Geschichte (Freiburg i/B1913), bl. 8.
Men ziet dus wederom, hoe het volksverhaal strookt met de omgeving. Herders vinden een Mariabeeldje in een put of bron, of in het drijfzand van een riviertje, en hechten het dan aan een boom, meestal een eik of een linde, de veelgeliefde boom onzer vaderen: aldus te Uden (O.L. Vrouw Ter Linde), Roermond (O.L. Vrouw in het Zand), Oirschot (O.L. Vrouw ten Heiligen Eik), Scherpenheuvel, Anderlecht, Assche, Echt (O.L. Vrouw van Schilberg), Handel enz. Dit laatste zou door een herder gevonden zijn op een doornenstok. Vol moed werd de hand aan het werk geslagen, om daar ter plaatse een kapel te doen verrijzen, en een buitengewoon teeken kwam Maria's instemming met dien arbeid verkondigen. Want toen in die zandige streek het noodige water begon te ontbreken, ontwelde er eenklaps een kleine put, waarin het water nimmermeer ontbrak.
Ook verhaalt de volkslegende, hoe O.L. Vrouwe eens in dezen put haar kleedje gewasschen en op den doornstok te drogen heeft gehangen.
Het beeldje van O.L. Vrouw van Eiteren (IJsselstein) werd door slootgravers gevonden en aan den pastoor van IJsselstein ter hand gesteld. Deze plaatste het in zijn kerk, maar tot drie maal toe verdween het daaruit, en werd dan telkens weer op de oorspronkelijke vindplaats aangetroffen. Iets dergelijks is het geval te Assche, Echt, Ommel, Meerveldhoven (O.L. Vrouw ter Eik), Wessem, Venloo (de Bedrukte Lieve Vrouw). Ook legt het beeldje wel een processieweg af, als te Maastricht (Ster der Zee) en te Werchter, of bidt den kruisweg, als te Halle. Het verdient opmerking, dat het volksgeloof bij verplaatsing of ommegang van mirakuleuze beelden schier altijd een merkwaardig halte- of rustpunt weet aan te wijzen. Ongeveer tusschen Asten en Ommel, vlak langs den grintweg, verheft zich een kleine heuvel, waarop vroeger drie linden stonden; daar, zeggen de landlieden uit den omtrek, heeft O.L. Vrouw van Ommel gerust.
Ook vinden schippers het beeld aan boord, zooals wordt verhaald van O.L. Vrouw van Hoorn. Vaak komt het de rivier afdrijven, hetgeen wellicht als de volkstraditie van O.L. Vrouw van Wilsveen mag worden aanvaard. Ik vermeld verder nog: Antwerpen, Venloo, Gent (O.L. Vrouw ter Riven), en Aalst (O.L. Vrouw ten Druiven).
De legende van O.L. Vrouw ten Druiven luidt aldus: In de VIIe eeuw overstroomde de Dender een gedeelte der stad Aalst. In dezen nood riep men Maria aan, en ziet--daar kwam een Mariabeeld op wijngaardranken aandrijven. En niet zoodra had men het beeld opgevischt, of het water vloeide weer in de bedding terug. In 681 bouwde de H. Amandus daar een kapel.
Zoo kwam ook in de XVe eeuw, gewiegd op de golven der Noordzee, die destijds het gehucht De Keins, nabij Schagen, nog vrij bespeelden, een beeldje aandobberen, dat, toen het van het zeewier ontdaan was, een Mariabeeldje bleek te zijn.
Te Oostrum en te Elshout, in het Land van Heusden, was een in éen nacht welig opgeschoten grasveld het teeken, dat Maria daar een heiligdom wenschte.
Ik gaf hier slechts enkele trekken uit wat men zou kunnen noemen de oorsprongslegenden van de talrijke bedevaartplaatsen ter eere van Maria in Groot-Nederland. Maar men begrijpt, wat een schat van legenden elk dier heiligdommen bergt. Hiervoor kan ik slechts verwijzen voor Nederland naar J. A. F. Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland (Amsterdam) VI, Maria's Genade-oorden en Miraculeuze Beelden, en voor België naar A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, Legenden of Echt Christelijke Sagen, en Fr. St. Schoutens, Maria's Vlaanderen (Oost-Vlaanderen), Maria's Vlaanderen (West-Vlaanderen), Maria's Brabant, Maria's Antwerpen (Aalst 1903--1905).--
Maar daar leven nog zoovele andere Marialegenden onder het volk. Twee heilige bisschoppen van Maastricht, Monulfus en Gondulfus, zouden uit hunne graven zijn opgestaan, om te Aken de wijding van den beroemden Mariadom bij te wonen. Een andere bisschop dier stad, Sint Amandus, wordt op Maria's bestel door den Engel Gabriël bezocht, met de boodschap, dat hij op de bijzondere hulp zijner hemelsche beschermster mag bouwen. In Noord-Brabant ontmoeten wij dan de beroemde legende van Fulco van Bern, den dapperen ridder, die voor zijn vijanden vluchtend, met zijn paard over de Maas zwemt, en door Maria, "gekleed in hemelsblauw", wordt beschut. Te Roosendaal verhaalt men, dat vóór lang vervlogen eeuwen aldaar een Mariakapel zou gebouwd worden, en toen men niet kon beslissen op welke plaats, nam men zijn toevlucht tot het gebed. En zie, den volgenden dag waren op eene weide de ossen van een landman wit van kleur geworden, en was een roode, zijden draad rondom hen gespannen. Dit werd de uitverkoren plek voor het heiligdom.--Dichterlijker is de stichting van het klooster Mariënwater te Couwater bij Den Bosch. Ook hier onzekerheid omtrent de plaats. Maar in den nacht hoort een landman in een zijner bijenkorven een zachte, zoetklinkende muziek, en ziet in den korf een kerkje met twee kloosters, door de bijen van was gemaakt.
Op den Veluwezoom hoorde een vroom grijsaard engelenmuziek en zag hij schitterende lichten boven een plek zweven, 't Werd voor hertog Reinoud II van Gelder de aanleiding, om daar het klooster Munnikhuizen te stichten. In Utrecht leefde in de abdij van Oostbroek een monnik, die, de verslapping van zijn klooster vooruitziende, O.L. Vrouwe bad, om nu toch maar aanstonds te sterven. En ziet, hij stierf op dat uur.
Overijssel is rijk aan Maria-legenden, vooral door de stichtingen van Gerrit den Groote (Geert Groote) en van de Windesheimers. Op den Agnietenberg bij Zwolle was Maria zelve verschenen aan een ouden broeder en had hem tot volharding aangemaand. Aan een jeugdig meisje, Gerbrich ten Voerde, die van een wild paard was gevallen, verscheen zij "aangekleed, zooals men haar in den Vasten pleegt te versieren", en zij genas de zieke en leidde haar terug naar Meester-Geertshuis.
In het klooster Yesse bij Groningen wordt een kaars voor een Mariabeeld door ongeziene hand ontstoken, en hoe vaak ook uitgedoofd, telkens ontvlamt zij opnieuw.
Ook Holland heeft vermaarde Maria-legenden. De allervermaardste is wel die van Walter, ook in het buitenland onder veelsoortige vormen verspreid. Terwijl Walter een mis ter eere van Maria bijwoont, vervangt deze hem in het steekspel, en Walter verricht daar schijnbaar wonderen van dapperheid. Toen hij dit vernomen had, sprak Walter tot zijn wapenmakker Walewijn: "Nu wil ik als monnik in nederig kloosterkleed haar ridder worden. Hier is haar godgevallig huis Hemmenrode; vriend, gaat gij met mij mede?" En Walewijn antwoordde: "Ik wil Christus dienen, ja ik ga met u mede". Zoo onderwierpen zich beiden aan den kloosterregel. Walter leerde den souter zingen en overtrof de broeders in het devoot bidden en dienen.
In België geeft Maria eveneens vaak te kennen, waar ter plaatse zij een kerk wil gesticht hebben, zoo b.v. te Alsemberg, waar het vlas op een akker plotseling rijp wordt. Het bovenstaande verhaal van den ridder Walter leeft te Bierbeek en te Leefdaal. Ook zou Maria dezen ridder eens een gouden kruis hebben vereerd door een priester als tusschenpersoon. Aan het kruis was namelijk een strookje perkament bevestigd met de woorden: "Overhandig dit kruis vanwege Maria, Moeder van Jezus, aan ridder Walter van Bierbeek".
Elders keert door Maria's voorspraak een doode jongeling tot het leven terug; of wordt een onschuldig veroordeelde door O.L. Vrouwe verlost. Maar de allerberoemdste Maria-legende, de heerlijkste, geurigste roos uit de geheele gaarde der volkslegenden, is wel die van Beatrijs, de dienaresse van Maria, die, toegevend aan den prikkel des vleesches, veertien bange jaren in zonde ronddoolde, maar tenslotte berouwvol naar haar klooster terugkwam. Daar had Maria al die jaren hare taak van kosteres trouw waargenomen. Welnu, deze legende speelt in het klooster Vrouwenperk op het gebied van Wezemaal of Rotselaar, bij Leuven.
Maar wij moeten ook de andere heiligenlegenden althans even aanstippen. Nederland is rijk aan bronnen, waarmee een heiligenlegende verbonden is. Zoo kennen wij de St. Geertruifontijn te Bergen op Zoom, den St. Oelsput te Best, den St. Valentinusput te Westhoven, de St. Surafontein te Dordrecht. Zij ontsprong op de plaats, waar de heilige Sura of Sotheris ter dood werd gebracht. De St. Aelbrechtsput te Egmond welde op onder de lijkkist van den vorstelijken belijder--zoo luidt de traditie--bij het opgraven van diens eerbiedwaardig gebeente, terwijl Houthem (L.) boogt op zijn St. Gerlachusput, die jaren lang den vromen kluizenaar zou hebben gelaafd. In het Jekerdal bij Maastricht, te Cannes, niet ver van het kasteel Aigremont, vloeit een St. Servatiusbron, die de doorluchtige Maastrichtsche kerkvoogd bij groote droogte met zijn staf uit den dorren grond zou hebben geslagen. Een analogen oorsprong schrijft de legende toe aan een menigte andere putten, zoo b.v. aan de St. Landoaldusbron te Wintershoven bij Tongeren en aan den Servatiusput te Nunhem (L.).
Maar verreweg de meeste van Nederlands heilige bronnen zijn gewijd aan de eerste geloofsverkondigers Bonifacius en Willibrordus.
Een dezer is een zoogenaamde hippokrene of paardenbron, éen der drie Bonifaciusputten te Dokkum. Op de plaats, waar de geloofsheld het leven liet, zonk, naar verluidt, het paard van iemand uit koning Pepijn's gevolg met de voorpooten in den grond; en nauwelijks was het paard er uit geholpen, of daar spuit met kracht een kristalheldere waterstraal opwaarts. Ik wensch hier even er aan te herinneren, dat ook een hoefslag van Wôdan's ros een frissche bron doet opborrelen.
Andere bronnen zijn weer bij dorstnood ontstaan, zoo b.v. de bron te Heiloo. Hiervan wordt het volgende verhaald. Toen de H. Willibrord de plaatsen, nabij de zee gelegen, rond ging, deed zich eens gebrek aan zoet water gevoelen en moest hij zien, hoe zijn medearbeiders van dorst versmachtten. Hij riep dan een hunner en beval hem een kuiltje te maken. De bisschop knielde neder en bad, dat God, "Die voor zijn volk in de woestijn water had doen vloeien uit de rots, met diezelfde barmhartigheid uit den zandigen bodem water voor zijne dienaren zou doen opborrelen". En ziet, onmiddellijk wordt het kuiltje gevuld door eene zoetwaterbron.
Eindelijk, een groot aantal bronnen dragen den naam van de H.H. Bonifacius of Willibrordus, omdat deze heiligen er in gedoopt hebben: aldus de twee andere Bonifaciusbronnen te Dokkum, aldus de Willebrordsputten te Osch, Diessen, Deurne, Zoutlande, Bakel, Asten, Maarhees, Geisteren, Venraai, Stamprooi, en voorheen te Berchem, bij Antwerpen. Zulke bronnen noemt men kerstputten of kerstpoelen, en de historische kern der legenden is ongetwijfeld deze, dat de geloofsverkondigers verscheiden heidensche bronnen zullen gekerstend hebben, door er de heidenen de genade der wedergeboorte te doen deelachtig worden.
Is het wonder, dat nog zoovele andere legenden Neerlands vroegste geloofsverkondigers verheerlijken? Hierin uit zich de dankbaarheid van den volkszin. Te Maastricht verhaalt men van den bisschops- en pelgrimsstaf, de drinkschaal en den sleutel van den H. Servatius; nog leeft te Susteren in de volkslegenden de H. Willibrordus, te Odiliënberg de H.H. Wiro, Plechhelmus en Otgerus. Te Noordwijk weet men te vertellen, hoe de H. Jeroen door de Noren gemarteld werd; hoe hij een eeuw na dien aan een godvruchtig landbouwer, met name Nothbodo, verscheen, en hem gelastte, zijn gebeente over te brengen naar Egmond, in het heiligdom van den eerbiedwaardigen Adalbert.
Maar nog andere banden verbinden de heiligen aan ons volk. De H. Hereswit vereenigt de traditie van Strijen en Thorn (L.), welks vorstelijke abdij zij stichtte. De nagedachtenis van den heiligen bisschop en belijder Bernulphus houdt men in het Utrechtsche en verre daar buiten in eere. Sint Hatebrand verbindt weer Noord en Zuid, de Groninger Ommelanden met Antwerpen, waarheen men zijn gebeente overbracht. De H. Sura wordt als volksheilige vereerd te Dordrecht, de H. Lidwina te Schiedam, de H. Norbertus te Gennep, waar men nog het Norbertuspad en het Norbertuspoortje wijst, Sinte Kunera te Rhenen, Sint Gerlacus te Houthem en in geheel Zuid-Limburg, terwijl de eerbiedwaardige Ailbert in vrome herinnering blijft voortleven te Rolduc, door hem gesticht. De stad Delft is fier op hare Geertruida van Oosten. En zoo eert het volk den H. Trudo te Sint Truiden, de H. Adilia te Haspengouw, de H. Aleidis te Schaarbeek, de H. Alena te Dilbeke, Sinte Gudula te Brussel, de eerbiedwaardige Ida, van wie gezegd wordt, dat "die visschen in den water tot haren handen quamen en desgelijcks die voghelen", te Leuven, Sint Veronus te Lembeek, Sint Bavo door geheel Vlaanderen. In de omstreken van Brussel zweeft nog de geest van eerbiedwaardigen Ruysbroec, eerste prior van het klooster te Groenendaal, bij wiens verscheiden de klokken van Deventer, de verblijfplaats van Gerrit den Groote, vanzelf begonnen te luiden. Ook wijst men nog een boom in het Zoniënbosch, waaronder de groote mysticus gewoon was te schrijven en te mediteeren.
Zie Kronenburg, Maria's Heerlijkheid in Nederland V, bl. 301 vlg.; Neerlands Heiligen in de Middeleeuwen (Amsterdam 1899), Neerlands Heiligen in later Eeuwen2 (Amsterdam 1908), passim; Schoutens, Maria's Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Brabant, Antwerpen, passim; A. de Cock, Brabantsch Sagenboek II, bl. 64-345; Wolf, Niederländische Sagen, passim; J. J. van der Horst, Oud en Nieuw, Nederlandsche legenden (Leiden 1887), bl. 1, 41, 367 enz.; Hofdijk, Kennemerland: De Macht des Geloofs; Schrijnen, Essays en Studiën, bl. 245 vlg. (Volkskunde XV, bl. 168); H. Welters, Limburgsche Legenden, passim.
III. Het volkslied.
"Zij worden heel niet gemaakt, zij groeien, zij vallen uit de lucht, zij vliegen als herfstdraden over land, nu hier, dan daar heen; op duizenden plaatsen tegelijk worden ze gezongen ..." Zóo teekent Th. Storm de liederen, die opbloeien uit den volksgeest, die meeleven het leven des volks ...
Een rijken schat van poëzie legt het volk in zijn gebruiken. Wanneer de landman het zaad hoog opgooit, dat het welig opschiete; wanneer de Westvlaamsche "boeier" het paard 's avonds te voren in het oor fluistert, dat het den volgenden morgen een doode moet vervoeren; als de Limburgsche bruid zorgvuldig het zelfvervaardigde bruidshemd bewaart, dat haar eens als doodsmantel zal dienen,--dan is dit hooggestemde volksdichting, al zijn het "Lieder ohne Worte". Maar stelt die aandoening zich in klankbeweging en wordt deze gevoelsverklanking geschakeerd door rythmische en melodische stembuigingen, dan wordt geboren het volkslied.
Het woord "lied" heeft geen betrekking op het getoonzette of gezongene, maar op het uitermate zingbare. Het lied is de eenvoudigste uitdrukking van een stemmingsgeheel, het versnippert de gemoedsstemming niet, om er de ontwikkeling van voor oogen te stellen, maar zingt een éenvormige, zich-gelijkblijvende, boven de begrippen der woorden zwevende stemming uit, het beweegt zich in korte strofen, meest van vier tot acht regels, die de natuurlijke maat van vier, of drie en vier versvoeten hebben. Maar elke strofe bevat de geheele stemming, wier aroma zich als bloemengeur verbreidt.
Het melodische lied is dus uiteraard welluidend en eenvoudig. Teeder als een zucht en toch weelderig van rythme en bloeiend van klank. En nu bereikt het zangerige juist in de volkskunst een hoogtepunt, daar erlangt de eenheid van rythme en mimiek bij spel, bij arbeid en dans zulk een volmaaktheid, dat zij de hoogste norm schijnt te naderen.
"Het volkslied een uiting der volksziel": een uitspraak als deze dient natuurlijk niet verstaan te worden in den geest der vroegere romantiek, alsof wij met een niet te benaderen, anoniemen, scheppenden volksgenius te doen hadden. Niet het kollektieve volk, neen, de man-uit-het-volk is de auteur. Maar juist òmdat hij uit-het-volk is, omdat hij het volk begrijpt en het volk hem, omdat hij deel heeft aan den aard van het volk, dat werkelijk dichter is in zijn gebruiken, zijn beelden en uitdrukkingen en niet het minst in zijn stemmings- en gevoelsuitingen,--juist dáarom is hij in staat een volksgedicht te scheppen.
Volgens Otto Böckel, Psychologie der Volksdichtung (Leipzig 1906) is de roep de kern van het volkslied. Alles wat de mensch aan lief en leed ondervindt, wat hem schokt en schrijnt, hem verheugt of prikkelt of afschrikt, ontlokt hem gezangvormige klanken. Deze klanken nu zijn vatbaar voor ontwikkeling. Zij kunnen groeien in omvang en melodie; veelal wordt hun klankgehalte versterkt door het stafrijm. De vreugderoep is de bevoorrechte gevoelsuitdrukking in den bloeitijd des levens, is verklanking van liefde en lust; men denke slechts aan refreinen als:
Hei 't was in de Mei, Mei, Mei, Hei 't was in de Mei.
De smartroep handhaaft zich voornamelijk bij de lijkklacht. Maar het arbeidslied bovenal wijst op de ontwikkeling van de volkslyriek uit de gevoelstonen. Hier immers voegt zich bij de klanken een voor de poëzie onmisbaar bestanddeel: het rythme. Gevoelsuitingen en muziek gingen aanvankelijk steeds gepaard; het rythme kwam van elders. En nu is het de groote verdienste van Karl Bücher, er ons op gewezen te hebben, hoe deze onmisbare faktor zich ontwikkelde uit den rythmischen vorm, dien het volk aan een inspannenden arbeid ter afwisseling gaf. Het rythme gewerd de volkspoëzie dus vooral uit het arbeidslied, waartoe het danslied in hoofdzaak moet worden teruggebracht. Hoe ouder de arbeidsgezangen zijn, des te enger schijnen zij met de arbeidsverrichting samen te hangen.
Zoo is dan het volkslied een dichtzang, die organisch uit het volk in zijn gevoelen en verrichten is gegroeid; het is onmiddellijk ontsprongen aan het gevoel der natuurvolken en, van de kultuurvolken, in zooverre hun gewaarwordingen en uitingen behooren tot het domein der onderkultuur. In en door het zingen plant het zich voort. De dichter is meest onbekend, omdat op den bodem der onderkultuur, der naïeve volkskunst, dichterlijke individualiteit kwalijk gedijt. Het lied is alles, op den zanger wordt weinig acht geslagen. Het lied wordt beschouwd als gemeengoed, omdat het uiting geeft aan de gevoelswereld, welke aan alle volksgenooten gemeenzaam is. Ging het ook niet aldus met de grootsche scheppingen der Middeleeuwsche bouwkunst? Gelijk het volk deze als zijn eigendom beschouwde, door er voortdurend aan te wijzigen en aan bij te bouwen naar willekeur, zoo heeft ook het volkslied nimmer een authentieken vorm, is het als 't ware steeds in vlottenden toestand, staat het aan allerlei veranderingen, verkortingen en toevoegsels bloot. De aanhef van het lied openbaart echter meestal zijn afkomst.
Het volkslied deelt dus het lot van het sprookje; en evenals van sprookjes-motieven, zoo mag men ook van liederen-motieven spreken. Trouwens volkslied en sprookje bestaan elkander in den bloede door hun gemeenschappelijk sterk-algemeen karakter, óok dan, wanneer zij niet geheel samenvloeien, zooals in het sprookjeslied. Bijzonderheden worden verwaarloosd, tijd en plaats zelden vermeld. Veelal wordt de hoorder in eens midden in de handeling verplaatst. Ook moraliseert het volkslied evenmin als het sprookje.
Toch verraden de motieven doorgaans hun herkomst, en wel niet alleen de sociale groep, waarin zij geboren werden, maar ook den landaard en het klimaat van hun geboortegrond. In laaglanden als de onze is een Hoogduitsche Juchzer ondenkbaar. Weidevelden geven iets eentonigs en zwaarmoedigs. Maar de zee schenkt opgewektheid en kleurigheid van toon. "Friesland zingt niet": die uitspraak is overdreven, maar geenszins van waarheid ontbloot. De innigheid van het Saksische halle-huis vergoedt veel van het trage en monotone in taaleigen en landschap. In het land der Franken, met den Keltischen ondergrond, voelt het volkslied zich het behaaglijkst.
Wat is nu het verschil tusschen volkslied en kunstlied? Laat ik vooreerst opmerken, dat ik de benaming "kunstlied", wanneer zij moet dienen, een tegenstelling te vormen met volkslied, niet aanvaard. Is het volkslied dan géen kunst? Tegenover het _volks_lied staat niet het kunstlied, maar het _kultuur_lied, evenals tegenover de _volks_taal staat de _kultuur_taal: "kultuur" heeft hier natuurlijk de waarde van "bovenkultuur". Welnu, een wezenlijk verschil zie ik tusschen beide niet. Kan het anders? Er bestaat immers geen wezenlijk, maar slechts een gradueel onderscheid tusschen onder- en bovenkultuur. Het kultuurlied geeft slechts veredelde, of somwijlen zoogenaamd veredelde volkskunst. De vorm is meer verfijnd, de auteur is zich ook bewust, een kunstprodukt te scheppen. Verder is hij meestal bekend en zorgt voor de rechten van zijn vaderschap. Maar hij kan putten uit de volksschatkamers, en zóo kan het volkslied vaak tot kultuurlied worden, om straks wellicht weer in den volksmond tot volkslied te worden vervormd: maar dán zal het de afgesleten vorm zijn! Steeds dient de kultuurdichter echter met het volk voeling te houden; en laat ik het woord van Poelhekke hier bij voegen, dat de verfijnde kunst der hooger ontwikkelden, van de meerderen in de techniek, "nooit de bron waaruit zij is ontsproten mag vergeten, op gevaar af aan bloedarmoede te gaan lijden": Woordkunst, bl. 122; vgl. De Beiaard I, 1, bl. 43 vlg. Verder: Karl Bücher, Arbeit und Rhythmus. Abhandl. der Philolog.-histor. Classe der königl. Sächsischen Gesellschaft der Wissenschaften (Leipzig 1896) XVII, V, vooral hoofdstuk 4, bl. 74: Der Ursprung der Poesie und Musik; Otto Schell, Das Volkslied (Leipzig 1908); Otto Bremer, Zum Versbau der Schnaderhüpfel, in het Festschrift Karl Weinhold gewidmet (Strassburg 1896); Gustav Meyer, Essays und Studien I, bl. 289-408: Zur Kenntniss des Volksliedes; Schrijnen, Essays en Studien bl. 258 vlg.: Litausche Volkszangen; Dr. N. Geerts, Oorsprong en wezen van het volkslied, in de Handelingen van het zevende Nederl. Filologenkongres, bl. 109 vlg.
Het Nederlandsche volkslied heeft lang gewacht op de waardeering, die het toekwam. Ik bedoel hier niet de historische waardeering, die het profane en geestelijke lied ruimschoots gewerd door den voortreffelijken arbeid van Kalff, Moll, Acquoy, De Vooys, Knuttel en anderen. Maar eerst in 1907 was Groot-Nederland in het bezit van een verzameling van volksliederen, die de vergelijking b.v. met de Duitsche soortgelijke werken van Böhme en Erk kon doorstaan: ik bedoel de drie deelen van Flor. van Duyse's Oude Nederlandsche Volksliederen (Den Haag 1900-1907). Ook kunnen wij niet ontkennen, dat het Hoffmann von Fallersleben is, dus een Duitscher, die hier te lande de belangstelling in onze eigen vaderlandsche liederen heeft gaande gemaakt. Sedert dien kunnen wij wijzen op de gedeeltelijke verzamelingen van Snellaert, J. F. Willems, De Cousemaker, Carton, Lootens en Feys, Jan Bols, Van Vloten, J. en L. Alberdingk Thijm en Blyau en Tasseel. Oud en nieuw, volkslied en kultuurlied, oude, bewerkte en nieuwe melodieën vindt men vergaderd in Coers' Liederboek van Groot-Nederland. Zie vooral Dr. F. Scheurleur, Nederlandsche Liedboeken ('s Gravenhage 1912).
Behoudens haar vergelijkende waarde zijn al deze verzamelingen voor de volkskunde slechts van belang, in zooverre zij liederen zeer onlangs uit den volksmond opteekenden. Want, ik kan het niet vaak genoeg herhalen, de volkskunde is de kennis en het wetenschappelijk onderzoek van het heden, is de ethnologie der thans levende kultuurvolken. Ik geef dus van elk der verschillende soorten volksliederen slechts die stalen, waarvan ik ofwel persoonlijk kennis nam, of van wier voortleven ik mij anderszins kon vergewissen. Sommige liederen berusten, wat den tekst betreft, op schriftelijke overlevering, welke uitsluitend ten doel heeft, het geheugen ter hulp te komen. Eenige families houden er zelfs lijvige geschreven liederboeken op na. In dit geval is de schriftelijke traditie gelijkwaardig met de mondelinge.
Een enkel woord ook over de muziek van het volkslied. Zij berust voor een groot deel op de volksmuziek der Middeleeuwen, die zelf gesproten is uit de Oudchristelijke Latijnsche kerkmuziek. Wanneer wij nu weten, dat deze kerkmuziek in hoofdzaak niets anders is dan gekerstende Grieksche en Grieksch-Romeinsche muziek, zooals door Fr. A. Gevaert en A. Möhler uitvoerig is aangetoond, dan komen wij tot het verrassende resultaat, dat in de brokstukken van het hedendaagsche volkslied de muziek der heidensche klassieke oudheid nog voortleeft.
Inderdaad doorloopt het volkslied der Middeleeuwen de Aeolische, Dorische, Iastische en Hypolydische toonladders, door het Roomsche Antiphonarium aan de oude muziek ontleend. En wanneer het ons heden voorkomt, of een volkslied sterk op een kerkelijke hymne of eenig ander Gregoriaansch kerkgezang lijkt, dan is dit geen verbeelding, maar werkelijkheid; en de overeenstemming berust niet op toeval, maar op genetischen samenhang. Zoo is de melodie van het bekende lied van Halewijn, dat nog op vele plaatsen en met vele varianten in den volksmond leeft, niets anders, dan die van het Credo uit de Missa in duplicibus; en die van de Koninginne van Elf Jaren berust op het Veni Creator. Voor verdere beschouwingen verwijs ik naar Fl. van Duyse, Het oude Nederlandsche Lied I, Inleiding, bl. XVI vlg., en vooral naar zijn uitvoerige verhandelingen: Het eenstemmig Fransch en Nederlandsch wereldlijke Lied in de Belgische gewesten (Brussel 1896) en De Melodie van het Nederlandsche Lied in hare Rhythmische vormen (Brussel 1902).
Allereerst dus, met het oog op de geboorte van het volkslied in het algemeen, volge hier het arbeidslied. De melodie hiervan is zonder twijfel oorspronkelijker en zelfstandiger dan die der verhalende, erotische, geestelijke e.a. liederen, daar zij het nauwst met den inhoud samenhangt.
Niet alleen in Nederland, maar van den Brennerpas tot aan de Noordzee klinken hei-liedjes in den trant van ons
Hoog op een! een, twee, een, twee, drie! hoog op vier! vijf, een meer! hoog op zes! fiks op, enz.
Gegroeid in melodie en in vorm klinkt het lied:
Haal op je hei! Hij is gewassen Al in de klei, Al in den grond Daar staat hij prompt, Zóo staat hij beter, enz.
Overeenkomstig de sociale groepeering van het volk zal het arbeidslied zich verder moeten splitsen in dorschlied, smidslied, visscherslied enz., en vooral aan die bedrijven dienen te beantwoorden, waarin rythmische beweging het werk begeleidt. Men denke ook aan het liedje, dat bij het snijden der meifluitjes gezongen wordt, terwijl de jongens rythmisch met het hecht van het mes op de wilgenbast kloppen (I, bl. 191).
Een Zeeuwsch karnliedje luidt aldus:
Kêrne, kêrne beuter, Drie pond in een scheutel, Drie pond in een kannetje, 't Is van moeder Jannetje.
Uit Friesland:
Tsiis, tsiis, tsjerne! Bûter komt fer reamme [room], It gearret sa wol, it gearret sa wol, Mei eltse stiet in amerfol.
Spinlied uit Ochten:
1.
Spin, spin, m'n lieve dochter, Dan krijgde gij een hoed! Ja, ja, mijne moeder, Die staat mij zoo goed.
Refrein:
'k Kan lappen en spinnen, Een zweer aan den vinger Doet mij er zoo zeer.
2.
Spin, spin, m'n lieve dochter, Dan krijgde gij een jak! Ja, ja, mijne moeder, Dat staat mij zoo knap.
Refrein:
'k Kan lappen, enz.
(Driem. Bladen III, bl. 42).
Uit Zeeland:
Draaie, draaie wieltje, Morgen komt Machieltje, Als Machieltje nièt en komt, Dan komt Jacob Janssen, Die zal je leeren dansen, Hier een stoel en daar een stoel, Op ieder stoel een kussen.
Ten slotte een strofe van een Vlaamsch spinliedje, dat het midden houdt tusschen arbeidslied en sprookjeslied:
Al onder den weg van Maldegem, Malle-Malle-Malle-Malle-Maldegem, Al onder den weg van Maldegem, Daar zat een wijf dat spon. Dat wijf dat zat en spon, Gielegon, Al op een houten wieleken, Wiele-wiele-wiele-wiele-wieleken, Al op een houten wieleken, Daar was geen draaiing aan! (bis).
Oogstlied uit Woubrechteghem (Oost-Vl.):
Het laatste voer is op de baan, Dat in den boer zijn schuur moet gaan, De luie boeren alleen hebben nog staan.
Ik vermeldde dit liedje reeds I, bl. 281, en daarvóor het rhythmische Noordhollandsche oogstlied, dat inzet met de regels:
De wumpel, de strumpel, de kanne met bier, Die hebben we hier op ons plezier!
Ook enkele dorschliedjes gaf ik reeds op bl. 284. In zijn geheel luidt het Friesche liedje als volgt:
It klitst, it klatst 't Giet juwn toa gest, Op tzies in brea Mey 't heale gea.
As wij houndert krye Wy zilt neat zwye, Dan jouwt dy frouw Uws spek in strouw Goe bjear dar by Is aeck uws fly.
Dr. H. Blink vertaalt deze stroofjes:
Het klitst en klatst Het gaat van avond te gast Op kaas en brood Met het heele dorp.
Als wij honderd [zakken] krijgen, Wij zullen het niet verzwijgen Dan bakt de vrouw Voor ons spekpannekoeken En goed bier daarbij Dat voegt ons wel.
Op wisselmaat berust verder het vlasslijterslied, het visscherslied, het maaierslied, het smidslied, het touwslagerslied, het kuiperslied, het molenaarslied. Op maatbeweging gaat ook het soldatenlied terug, daar dit toch hoofdzakelijk een marschlied is. Ook het jagerslied is in den grond een marschlied. Sterk-rhythmisch is verder het schippers- en roeilied, en ook het matrozenlied, dat men hoort in de havensteden; dit ontstond bij het anker lichten of bij het hijschen der zeilen. Zie ook Dr. De Vooys, Volkskunde XXIV, bl. 154 vlg.
Ten slotte nog een weversliedje, ons door de Graafschapsbode van 16 Maart 1907 medegedeeld [vgl. Driem. Bladen VII, bl. 627]:
"Hungel de bungel de boeze, Achter onzen hoeze Daor steet 'nen grooten nöttenboom, Daor zat 'nen wêver op 'nen toog, He wos nich, watte etten zol, Zoere, zoere kernemelk Met gerstebrood, Sloat den luien wêver dood! Loat em nog en betjen lêven, Dan zal e wal better wêven; Zet em op 't spiendvat, Sloat em met de panne veur 't gat, Hè, boer, wat plêrt dat".
Het hoog-poëtische liefdeleven klinkt bijzonder zuiver door in het bruiloftslied. Oorspronkelijk omvat dit lied zoowel de klacht bij het verlaten van het ouderlijk huis, als het jolige vreugdelied bij het overschrijden van den drempel der nieuwe woning. Maar men vindt het nog slechts in bloei bij volken met hoogst eenvoudige en sobere levenswijze, zoo b.v. bij de Lithauërs. In de Nederlandsche gewesten is het vrijwel uitgestorven. Het lieve stroofje van Cremer in Bruur Joapik:
Hier 'en reuske, en doar 'en flikske, Weer 'en tekske en weer 'en strikske; Bluumpkes moar Bij mekoar Rood en gruun veur 't jonge paar
zal wel een kultuurdichtje in den volkstoon zijn. Laat ik echter wijzen op het Bathmensch bruiloftslied, dat wij vinden in de Driem. Bladen II, bl. 60, 61:
Algemeen Bathmensch Bruiloftslied.
Willen wij er eens ommegaan, En zien of ik ze niet vinden kan? Ja, hier heb ik ze gevonden, Ja, met haar bruin haar. 't Is gevonden, ik zal haar kiezen,
Al voor een draai. Zij is mager al om te geven. En geef niet over in dezen stond, Of geef haar een zoentje voor haren mond, Al zoo nat, Al zoo glad. Onder mijne voeten, Uitverloren, Uitverkoren, Waar zal ik het zoeken? Onder deze lesse besse, Mooie meisjes samen! Mooi meisje met je blauwe rok, Mag ik eens met u ganen? Neen, neen, dat ziet zoo niet! Ja, ja, dat ziet zoo wel! Keer u eens om en ik meen je wel! Keer je nog eens omme, Nog eens weder omme! Ik heb den heelen dag geloopen, Mijn geld is door de keel gekropen (geloopen) O, en zie zoo, En bij ons gaat alles zoo! En allo!
Met het bruiloftslied hangt ten nauwste het danslied samen, en de schakel vormt het bruiloftsdanslied, oorspronkelijk wel op de deel uitgevoerd. Zoo b.v.:
Ik heb mijn geld Op hoopen gesteld, Gestapeld op elkander. Ik heb mijn liefje trouw beloofd, Een trouw van diamanten.
Ziedaar, schoone jonkheer, Daar heb-je mijn hand van eer. Ziedaar, schoone jonkvrouw, Daar heb-je mijn hand van trouw, En daarop zoen ik jou.
Het oude danslied vindt men vooral nog terug in het kinderlied. Wij zagen herhaaldelijk, hoe een oud gebruik overal elders werd uitgeschakeld, om in onzen tijd bij de kinderen terecht te komen; zoo b.v. het Paasch- en St. Maartensvuur, de ommegang met de Pinksterbloem en de Luilak, het kaarsje-dansen met Driekoningen, het raadselopgeven, het pandverbeuren enz. Dezen weg zijn vooral vele reidansen gegaan. Hier en daar, op bruiloften en boerenkermissen, wisten zij zich nog op het platteland staande te houden, maar zij verdwijnen meer en meer. En evenzoo ging het met allerlei drinkliedjes en pandspelletjes. "Reien als het ,Patertje langs den kant' ,de Zevensprong' en ,Haal open de poort' geven ons te zien, hoe onze voorouders dansten, voordat de uit den vreemde ingevoerde draaiende wals en polka de oude slepende reidansen verdrongen": Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 16.
Bij deze reidansen schrijden de kinderen langzaam hand aan hand voort op de maat van het gezang, terwijl zij nu eens een kring vormen en dan weer een ketting, die zich onder een poort van armen voortbeweegt. Wij hebben hier een rest van den Oudgermaanschen dans. Het "Patertje langs den kant," waarvan ik de eerste strofe met de melodie laat volgen, was echter geen bruiloftsdanslied, maar een Meidanslied; vgl. I. bl. 190.
Daar ging een pa-ter-tje langs den kant, Hei, 'twas in de Mei, hij vat-te zijn zoe-te-lief bij de hand, Hei, 't was in de Mei zoo blij, Hei, 'twas in de Mei!
Nog een enkel woord over de waarde van het kinderlied. Het vertoont de resten van nog zoovele andere oude volksgebruiken. In een rommelpotliedje, waarvan ik I, bl. 165 melding maakte, wordt gesproken van "een stroobant", welks beteekenis mij niet helder leek. Intusschen geloof ik, dat wij hier een aanduiding mogen zien van het oude gebruik, stroo onder het lijk in de kist te leggen, wat vooral kan blijken uit de vergelijking met de volgende regels uit een XVe eeuwsch handschrift:
Ende een wilghen kiste ende een stroen bant, Hiermede word ik sent int ander lant.
In den kindermond wordt de "strooband" in Drente wel eens tot "strop", waarbij dan gevoegd wordt de houtsoort van de kist; het resultaat luidt: "mit 'n eiken strop an." Zulke veranderingen in den kindermond zijn zeer veelvuldig en, hoe verbijsterend somtijds ook, steeds psychologisch uiterst leerzaam. Zie hierover b.v. Dr. J. Bergsma, Drentsche Volksalman. 1902, bl. 50 vlg.
Natuurlijk vinden wij ook heel wat survivals van oude geloofsvoorstellingen, die ik in het Eerste Deel besproken heb. Toch moet men in dit opzicht voorzichtig zijn. Wanneer bij het neerdwarrelen der sneeuwvlokken de kinderen te Assche jubelen:
See-se-ken schudt zijn bed-de-ken uit, en laat de pluim-kes vlie-gen!
vgl. te Brugge: "O.L. Heertje schudt zijn beddeken uit en al de pluimtjes vliegen deruit", terwijl dit elders de Engeltjes of, zooals in Noord-Brabant, Maria doet,--dan kan men wel zeggen, dat dit liedje eigenlijk op de Germaansche Godin Holda betrekking heeft, en onmogelijk is dit ook niet. Maar het kan óok zijn, dat wij hier eenvoudig met een animistische opvatting (in ruimeren zin) te doen hebben, die eertijds tot een faze van de Holda-mythe aanleiding gaf. Men moet terdege onderscheid maken tusschen hoogere en lagere mythologie.--Ook is de meening, dat Engeland=Engelland het zielenrijk zijn zou, tegenwoordig vrij wel verouderd.
Wanneer ik nu nog gewezen heb op de oude en dialektische taalvormen, die zich in menig kinderliedje gered hebben, dan hoop ik den lezer althans eenigermate van het groote belang van het kinderlied te hebben overtuigd.
Het kinderdanslied komt meestal voor bij het touwtjespringen, het rondedansen en het reidansen. Bij het touwtjespringen is het rhythme natuurlijk weer hoofdzaak: en hierin ligt de verklaring van het feit, dat den volwassenen wel eens raadselachtig voorkomt, hoe n.l. de kinderen uren en uren, en weer dag aan dag met dezelfde springspelletjes kunnen bezig blijven. De oplossing ligt in het meeslepende, in de onbedwingbare lust van het rhythme. Twee meisjes draaien het touw met gewonen tragen slag en zingen daarbij, terwijl een derde in de koord danst:
Ik heb een jas-ken ge-kocht, Naar de naai-ster ge-bracht. Zoo ge-zeid, zoo ge-daan, Om naar huis toe te gaan, In, spin, springt bij den boer maar in, Uit, spruit, springt bij den boer maar uit.
Bij de woorden "in, spin" krijgt de touwtjesspringster een mededanseres naast zich, en bij de woorden "uit, spruit" loopt de eerste weg. En zoo gaat het steeds door, met evenveel ijver en opgewektheid.--In Friesland hoort men:
Ik heb een jasje gekocht, Naar de lommert gebrocht,
en de finale luidt daar:
Van inspin, Spring er dan maar in, Van uitspruit, Spring er dan maar uit.
Dit spel biedt wel eenige verscheidenheid, en veel is ook over gelaten aan de willekeur der draaisters. Maar oneindig meer afwisseling vertoont toch het rondedansen, waarbij de kinderen nu eens gewoon luchtig op- en neerspringen op het maatgeluid van hun lied, dan weer plotseling neerhurken, dan andermaal het dansen begeleiden met handgeklap en allerlei nabootsende gebaren. Een der meest bekende kinderliedjes, dat als danslied en wiegelied tevens dienst doet, is het bekende "Klein, klein kleutertje", in Vlaanderen ook: "Klein, klein Marieken".
Te Herdersen leeft deze variant:
Klein, klein Jee-se-ken, He-je gij zul-ke kou? Komt in mijn her-te-ken wo-nen En maakt u daar een schouw.
We zullen een vierke stoken; We zullen een pappeken koken; En brengt uw liefste moederken mee, Dan zullen we zijn tevree.
Maar een der merkwaardigste dansliedjes is wel het reuzenlied. De kinderen scheppen er ontzaglijk veel genot in, vooral in België, waar de reuzen nog bestaan en dansen uitvoeren, als te Brussel, Geerardtsbergen, Hasselt, Antwerpen en Wetteren. Merkwaardig is het, dat de melodie vrij wel overeenkomstig is met die van den kerkelijken hymnus Creator alme siderum.
"Het Reuzenlied" zegt Maurits Sabbe, "herinnert ons de schilderachtige volksoptochten met de reuzenfamilies, het ros Beiaard en allerlei allegorische voorstellingen, die vroeger in bijna al onze Vlaamsche steden en stedekens geliefkoosde nummers voor het kermisprogramma waren en thans nog slechts in enkele steden van tijd tot tijd de feestelijkheden opluisteren".
Moe-der, zet de pap op 't vier, de pap op 't vier, De reus is hier, Keert u eens om, reus-ken, reus-ken, Keert u eens om, Reu-ze-gom.
Moeder, stopt algauw het vat, algauw het vat, De reus is zat, Keert u eens om, reusken, reusken, Keert u eens om, Reuzegom.
In heel wat vlugger tempo bewegen zich de dansliedjes: "'kHeb een rood, rood spiegeltje gevonden";--"Trijntje, Trijntje, Trijntje, je hebt er water bij gedaan";--"In Holland staat een huis" e.a. Tot de nabootsende dansliedjes behoort dat van den Klepperman: "Elf uren slaat de klok"; bij de woorden "klip-klip-klip" en "klop-klop-klop" houden de danseressen een oogenblik stil en klappen driemaal in de handen of trappen driemaal met den voet.
Maar ik mag van deze dansliedjes geen afscheid nemen, zonder althans vermeld te hebben het merkwaardige:
Klein' An-na zat op ma-jes-teit, ma-jes-teit ma-jes- teit, Klein' An-na zat op ma-jes-teit ma-jes-teit.
Daar zat zij nu te weenen, Weenen, weenen, Daar zat zij nu te weenen, Weenen.
Dit wordt gezongen door kinderen, die in een kring rondloopen, terwijl in het midden een meisje zit neergehurkt, met het hoofd in de handen. Het spel is drama geworden en vertolkt een ballade. Want na het zingen van de tweede strofe, treedt een tweede meisje in den kring en nu vervolgt het koor:
Daar kwam haar lieve moeder aan, enz.
Deze vraagt:
Zeg kind toch, waarom weent gij zoo? enz.
Waarop het meisje antwoordt:
Omdat ik morgen sterven moet, enz.
Nu treedt een derde den kring binnen en het koor zingt:
Daar kwam de booze Fredrik aan, enz.
Op de maat slaat Frederik het meisje nu op den rug:
Die zal haar nu den dood aandoen, enz.
Ten slotte wordt Anna door Frederik en de moeder opgenomen en gejonast, en allen zingen:
Nu wordt zij in het kistje gelegd, enz.
Dit liedje is o.a. te Voorburg, Varsseveld, Nijmegen, Zeeland bekend en hoogst waarschijnlijk uit Duitschland afkomstig. Het woord "Majesteit" ontstond wellicht uit "Breitenstein"; zie Marie Ramondt, Volkskunde XXIII, bl. 237; Karl Wehrhahn, Kinderlied und Kinderspiel, bl. 110 vlg.
Bij het reidansen staan een of meer meisjes tegenover een heelen rei, terwijl beide partijen beurtelings naderen en weer achteruit gaan. Een der merkwaardigste is het liedje van Brunelle-gezelle, waarbij een meisje tegenover een heele reeks van speelgenootjes staat. Deze beginnen te zingen, terwijl zij elkaar bij de hand vasthouden en met rhythmische stappen tot elkaar naderen:
Van waar kom-de gij ge-dre-ven, Bru- nel-le ge-zelle? Van waar kom-de gij ge- dre-ven, Brun-ne-le-ken?
Vr. Ik kom van onder de aarde, Brunneleken mijn; Enz., enz.
En het lied vervolgt:
R. Wat heb-de daar weest halen? Br. Een mandeken met aarde. R. Aan wie zul-de da geven? Br. Aan mijn beste neve [nicht]. R. Wie is uw beste neve? Br. Ik zal het u gaan toonen
Daarop kiest zij een meisje uit en keert er mee op haar plaats terug. Dit dansliedje treft men vooral in Vlaanderen, maar met varianten ook wel in Limburg en Gelderland aan.
Zie verder vooral Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied II, bl. 1237 vlg.; De Cock-Teirlinck, Kinderlust en Kinderspel II, Dansspelen; Van Ginneken, Handboek der Nederlandsche Taal, bl. 383-404; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 93 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247.
Maar behalve het danslied zijn er nog zoovele andere speelliedjes, van rhytmische speelbewegingen begeleid. Hiertoe behooren de rommelpotliedjes, waarover ik in het Eerste Deel, bl. 157 vlg. gesproken heb; de loopspelliedjes, met het diepzinnige spel van de Koningsdochter. Zie hier, hoe dit te Venloo gespeeld wordt. Een meisje ligt op de knieën. Alle meespelende kinderen houden den zoom van haar omgeslagen kleedje vast, behalve éen die tot het geknielde meisje vragen richt.
Vr. Wie zit er in den hoogen toren? A. De schoonste koningsdochter. Vr. Van wie zijn al die kindertjes? A. Van mij. Vr. Mag ik er een van nemen? A. Neen! Vr. Mag ik er een van stelen? A. Neen.
Dan vervolgt de vraagster:
'K Zal eens naar den diender gaan De diender zal u de kop afslaan.
Entrez, entrez, Laat 't meisje maar achter meê gaan.
Alle volgende meisjes herhalen nu op hare beurt hetzelfde totdat zij alle, elkaar bij het kleedje vasthoudend, achter de vraagster zijn geplaatst. Deze vraagt dan aan de koningsdochter:
Vr. Zal ik het lampje aansteken! A. Ja! Vr. Zal ik u uit den toren laten? A. Ja!
Waarop allen roepen:
Jenneke de tooverheks, Jenneke de tooverheks!--
Ook elders in Limburg, in de Zaanstreek, niet het minst in Vlaanderen is dit spel bekend; hier is het werkelijk een loopspel, want door het loopen wordt op de een of andere wijze uitgedrukt, dat de koningsdochter door haar minnaar wordt geschaakt. Mogelijk heeft dit spel een mythologischen, waarschijnlijk een historischen, in alle geval een belangrijken kultuurhistorischen achtergrond. Zie Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 115; Lootens en Feijs, Chants populaires, no. 160; De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust I, bl. 160 vlg.
Een loopspel is ook het zakdoekje-leggen, waarbij te Maarssen gezongen wordt:
Zákdoekje léggen, Níemand zéggen, Kúkelukú, zoo róept de háan, Híj heeft twée paar schóentjes aan, Eén van zij en één van leer, Híer leg ík mijn zákdoekje néer.
Men vergelijke hiermee het jagen van den rooden hoan op de spinningen in zuidoostelijk Brabant, I, bl. 273.
Van de aftelliedjes, voor wier beteekenis en belang ik verwijs naar Kalff, Het lied in de Middeleeuwen, bl. 547, vermeld ik er hier twee, behoorende tot de meest gebruikelijke typen. Overvloedige varianten vindt men bij De Cock-Teirlinck, Kinderspel en Kinderlust VIII, bl. 231 vlg. en Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 153 vlg.
Type: Onder de groene boomen.
Den Haag:
Al onder de uileboomen Daar ligt een Engelsch schip; De Franschen zijn gekomen, Zij zijn zoo rijk als ik. Zij dragen hoeden met pluimen, En ook van perkament, Wie zou er niet om huilen, Al om zoo'n leelijken vent.
Type: Rommel, rommel in de pot.
Venloo:
Rommel, rommel in de pot, Woa is Piet, woa is Kloas? Kloas is in et stelke. Waat duit hê doa? Hé sniet de koe de kop aat. Riem, tiem, twintig, dertig enz.
Hoe eenvoudig, hoe ongekunsteld, en toch hoe zuiver rhythmisch en klanktooverend doen verder ook onze balspelliedjes, zoo ruim verspreid. Uit Zwolle werden mij deze twee typen meegedeeld:
1. Kaatsebal Ik heb u al, In éene hand, In tweeë hand, Van klapperdeklap Met voetjesgestap, Van rolledebol (-bom) Zoo draai ik me om.
2. Zwart Willemijntje Zat achter 't gordijntje; Wat deed ze daar? Zij kamde het haar, Zij poetste de tandjes, Zij waschte de handjes, Zij stak ze in de zij, Zij knielde er bij, Zij stond weer op, In éene galop.
Hoe keurig zijn hier de verschillende speelbewegingen uitgedrukt en in beeld gebracht!
Eindelijk de schommelliedjes, waar bij elke beklemtoonde lettergreep de hand naar voren of naar achteren gezwaaid wordt, bieden een bonte verscheidenheid. In vele wordt gewag gemaakt van Paschen en Pinksteren, van het bim-bommen der klokken, van Sint Katherijne, van varen over de zee, van haantje-kraantje en een eitje dat barst, van den knaap, die op school den meester half dood slaat. Dit laatste motief is niets anders dan een bewerking van eene in de Middeleeuwen zeer bekende overlevering omtrent Jezus' jeugd, welke verhaalt, hoe de kleine Jezus de hand van zijn meester deed verdorren, omdat hij die tegen hem op hief, om hem wegens het niet beantwoorden zijner vragen te straffen.
Maar deze liedjes stonden meer dan de andere aan vervorming bloot, omdat zij eigenlijk meer opgedreund dan gezongen werden. Zie De Cock-Teirlink, Kinderspel en Kinderlust III, bl. 87, IV, 167 vlg.; verder Boekenoogen, Onze Rijmen, bl. 11 vlg.; Waling Dijkstra, Uit Frieslands Volksleven I, bl. 247; Van Vloten, Baker- en Kinderrijmen, bl. 129 vlg.
De wiegeliedjes en knieliedjes besprak ik reeds in het Eerste Deel, bl. 219 vlg. Niet alleen rhythmisch zijn zij van belang, maar ook, omdat zij een bijzonder soort van kinderliedjes vertegenwoordigen, nl. in kindertoon gehouden volkspoëzie: in kindertoon, wat betreft tekst en melodie, zooals moge blijken uit het lieve eenvoudige
Roe! roe! kind-je, hoe ben je toch zoo stout! Heb je pijn in 't buik-je, of zijn je voet-jes koud! We zul-len een vuur-tje sto-ken, en een pap-je ko-ken; 't Wieg-je dat gaat zwik, zwak, voor den klei-nen dik-zak.
Het minnelied zingt van persoonlijke liefde, maar ook van de liefde in het algemeen. In ons oude Nederlandsche lied beslaat deze groep een groote plaatsruimte. Maar in het hedendaagsche lied zijn de minneliederen meestal met speelliederen samengevallen of anderszins vervormd.
Tot de liedjes die, ofschoon reeds oud, nog altijd in den smaak vallen, behoort o.a. "Ik ben er de groene straatjes", waarvan onlangs nog gewag werd gemaakt in de Vragen en Mededeelingen 1910, bl. 151.
De aanvangsstrofe luidt:
Ik ben er de groe-ne straat-jes zoo dik-wijls ten ein-de ge-gaan! Daar moest ik mijn lief-je ver-la-ten, dat heb-ben mijn vrien-den ge-daan.
(Enkhuizen).
Tot de meest bekende liederen in Vlaanderen behoorde het Cecilia-lied, dat nog steeds, plaatselijk jammerlijk geparodieerd, voortleeft. Maar getuigt niet juist de parodie voor de groote populariteit? Ofschoon van vreemden oorsprong, heeft de melodie, volgens Van Duyse, onder den invloed van den Nederlandschen volkszang, hare eigen wendingen en een eigen voorkomen verkregen, en mag zij onder de fraaiste zangwijzen worden gerekend.
Ik zag Ce-ci-lia ko-men langs ee-nen wa-ter- kant, Ik zag Ce-ci-lia ko-men met bloe-me-kens in haar hand Zij zag naar ha-ren her-der, den her-der Flo-ri-aan, die ook zijn schaap-jes wei-de langs de zelf-de baan. Ce-ci-li-a ging zin-gen; haar hert docht haar 't ont-sprin-gen. Dit hoor-de ha-ren her-der; hij kwam bij haar ter-stond en kus-te zijn Ce-ci-li-a aan ha-ren roo-den mond.
Tot deze groep behooren ook de afscheidsliederen in den trant van:
Vaarwel, vaarwel, mijn zoetelief, Niet langer kan ik blijven enz.,
en de wachterliederen, wier allerberoemdste: "Het daget in den Oosten", om den verhalenden vorm bij den aanvang der derde strofe echter ook tot de balladen kan gerekend worden.
Vooral in onze noordelijke provinciën krijgt het minnelied vaak een spottenden bijtoon. Zoo b.v. in Het meisje van Sardam:
Het meisje van Sardam Met hare bruine oogen Heeft menig jongen kwant Tot wedermin bewogen. Zij is geen stuursche maagd Gelijk zoo vele binnen, Hij die haar blosjes kent Moet haar op 't meest beminnen.
Dit type vormt een schakel tusschen het minnelied en het spotlied, waaraan nauw verwant het gezelschapslied. Het spotlied is echter somtijds ook, zooals wij boven zagen, de direkte parodie van het minnelied. Teekenend lijkt mij de verzuchting:
Ik wou wel om een gulden, Dat mijn haartje krulde. Ik wou wel om een daalder, Dat ik was wat schraalder Ik wou wel om een dukaton, Dat een vrijer naast mij ston(d).
Zie Boekenoogen, Onze Rijmen 69.--Nu nog een paar andere spotliedjes, die ik bij Van Ginneken, Handboek der Nederl. Taal I, bl. 359, 419 vind.
Bergen op Zoom:
Der wàs éens een vrouw Die kóeken bakken wóu En het méel dat wóu niet rijzen En de pán viél om En de kóeken wáren króm En de mán híet Jan van Gíjzen.
Bergen op Zoom:
De vlám sloeg in de lantêre De vónken slóegen der úit, De mêskes lústen zoo gêre 'n Kop kóffie mét een beschúit.
Nijmegen en Oud-Gastel:
Klikspaan! boterspaan! Je durft niet door 't straatje te gaan. Het hondje zal je bijten, Het katje zal je krappen, Dat komt van al je klappen.
Menig spotlied biedt ons ook de waardevolle verzameling van Jan Bols: Honderd Oude Vlaamsche Liederen, bl. 155--214; zoo b.v. _De Scheresliep; De Luiaard; Van Slordig Kaatje; De Kwade Man_:
"Man en gij moet naar huis toe gaan: Uw vrouw die is ziek!"-- "Is zij ziek, dan is zij ziek! En daarmee ben ik uit het verdriet! Naar huis en ga ik niet!" enz.
Het is vooral de toon van scherts en van jolijt, die het spotlied met het gezelschapslied verbindt. Naai- of kleermakerswinkel, spinnerij, potvertering,--dáar voelt het gezelschapslied zich thuis, al is het maar onder een vorm als: "Wie in Januari geboren is". Een leuk potverteerdersliedje geeft de Groningsche Volksalman. 1897, bl. 92 vlg. Men lette op de kerkelijke melodie.
Hai-te boaln mit koa-le bot-tr smôekt ver-gif-tig lek-r As mooi wich-ter trau-wen wiln den trau-wen ze mit'n bak-r.
En het lied vervolgt:
Bakkersvrauwm dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tid verbüln, Ik was laivr 'n schoumôekrsvrauw En drôegn gladde müln. Schoumôekrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn haör tîd vrpótsn, Ik was laivr 'n weevrsvrauw En dröegn gladde linn. Weevrsvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn haör tîd vrspouln, Ik was laivr 'n speulmansvrauw En dansen väör fîouln. Speulmansvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tid vrdansn, Ik was laivr 'n boernvrauw En eetn vette ganzn. Boernvrauwm, dei hebm 't nait goud, Dei moutn häör tîd vrleezn, Ik heb laivr 'n schipprtje, Zoo'n schipprtje mout tr weezn. Dat schipprtje, dat wipprtje, Dat heb ik aal zoo laif, Veul laivr heb 'k ain schippertje, As zoo ain boernslaif.
Een typisch gezelschapslied is ook het bekende lied Van pastoor zijn koe. In Nederland en Neder-Duitschland heeft het een verspreidingsgebied van belangrijke uitgestrektheid.
Liederen als deze romancen; oorspronkelijk gedanste droeve romancen of balladen met hun in het lyrische haast opgaande episch element; minneliederen in beschrijvenden vorm en nog zoovele andere vormen de omvangrijke groep van het verhalende lied.
Tot de oudste van deze soort behoort stellig het Halewijnlied; wellicht dagteekent het uit de XIVe eeuw en was de oorspronkelijke inhoud der sage een liefdesbetrekking tusschen watergeest en sterveling. In België wordt het rond Leuven nog gehoord, en in Volkskunde XVIII verscheen een variante uit Mater, bij Oudenaarde, die tot titel voert: "Van Halewijns rijk Hof". Een andere variante vindt men in den Hasseltschen Banier van 1906, en, naar verluidt, wordt de ballade ook nog gezongen te Weert in Hollandsch Limburg.
Verder moet dit lied populair zijn geweest in 't Land van Aalst. "In mijn geboortedorp (Herdersem)", schrijft De Cock, "werd het in mijn jeugd nog door menige vrouw opgedreund. Als 15- à 16-jarige knaap zong ik aldaar op het doksaal, en ik herinner mij opperbest dat, telkens als wanneer de pastoor, die een goed muziekkenner was en steeds den vereischten toon in acht nam, het
Cre-do in u-num Deu-m.
van de Missa in duplicibus aanhief, een ietwat oudere zanger alsdan zeide: "Hoort, de voois van Erodewijk". Hierdoor werd dan bedoeld Halewijn, die elders ook als "de stoute Roland" bekend staat. Zie verder Van Duyse, Het Oude Nederl. Lied I, bl. 1 vlg.
Laat ik nu nog vermelden: De drie Koningsdochters, met zijn vele varianten; b.v,:
Daar waren drie dochterkens fijn (bis), Die wilden alle drie zalig zijn, enz.
of:
En daar vlogen drij vogelkens over den Rijn, En daar stierven drij dochterkens fijn, enz.
Dan het Jagerslied: Daar ging een jager uit jagen, Zoo ver al in het woud, enz.; De Hertog van Brunswijk; Genoveva van Brabant; Het Weesmeisje:
Aan den oever van een snellen vliet, Een treurig meisje zat; Zij weende tranen van verdriet En schreide haar oogjes nat.
of:
Zij weende en schreide van verdriet Op 't gras van tranen nat.
Ook ons lied van De drie Ruitertjes kan op hoogen ouderdom en ruime verspreiding bogen. Onze aanvangsstrofe luidt vrijwel aldus:
Toen ik op Neerlands bergen stond, Keek ik het zeegat in. Daar zag ik een scheepje zeilen, Daar zaten drie ruitertjes in, Een van de drie was naar mijn zin.
Het lied ontstond echter waarschijnlijk niet in "de landen bider see", maar in het Opperduitsche bergland. Immers de oudste ons bekende tekst vangt aan met de regels:
Ic stont op hoghe berghen, Ic sach daer so diepen dal, enz.
Zie ook Driem. Bladen X, bl. 54; Volkskunde XXIII, bl. 15. Eindelijk laat ik hier den tekst volgen van de Twee Koningskinderen, zooals men dien thans nog hier te lande aantreft: van het diepst-tragische en wellicht meest nationale onzer oude volksliederen, al berustte het ook op de Fransche kultuurbewerking van een Grieksche sagenstof. Ik ontleen aan Driem. Bladen XI, bl. 46:
De twee Koningskinderen.
Het waren twee koningskind'ren, Die hadden malkander zoo lief, Zij konden bij malkander niet komen, Zij schreven malkander een brief.
't Was des nachts twaalf uren, Het meisje lag in een droom,-- Haar zoetelief was verdronken-- Al in een waterstroom.
Het meisje sprak tegen haar moeder: "Wat doet mijn hoofdje mij zeer, Mag ik een klein half uurtje Gaan wandelen langs het meer?"
De moeder sprak tegen het meisje: "Alleen kunt gij niet gaan, Neem dan uw jongste broertje, Dan kunt gij wel henengaan."
Het meisje sprak tegen haar moeder: "Mijn broertje is veel te klein, Die verjaagt mij al de vogeltjes, Die aan den meerkant zijn."
De moeder ging naar de kerk, En het meisje ging haar gang, Zij wandelde, ja zij wandelde, Tot zij bij een visscher kwam.
Het meisje sprak tegen den visscher: "Wilt gij verdienen uw loon, Werp dan je net in het water En visch mij dien Koningszoon."
Het eerste wat of hij vischte, Dat was een Koningszoon, Zij kuste zijn roode lippen, Zij kuste zijn rooden mond.
Zij nam hem op haar armen, En droeg hem aan den kant van de zee, Zij zegt: "Adieu, nu willen wij varen, En 'k vaar altoos met je mee".
(Leek en omstreken.)
In deze, en ook in andere balladen, trilt een sprookjes-motief na. Een aanzienlijke groep echter, die van het sprookjeslied, bevat enkel berijmde en getoonzette sprookjes, die dan juist door rhythme en melodie een zekere vastheid verkrijgen. Vertoont het lied van De kwade Stiefmoeder niet zoo echt den typischen sprookjesaard?
Er was een kwade stiefmoeder, zij verkocht haar kind, Voor negentien penningen en een gouden ring.
En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!
De zeven knechten namen elk een' roed, Zij sloegen Antonnettetje zijn lichaam in bloed.
Zij leiden Antonnettetje op eenen blok, Zij kapten Antonnettetje zijn hoofdje of.
Uw dochter Antonnettetje is wel bewaard, Want zij speelt er achter in den boomgaard.
De vader reed den boomgaard wel driemaal rond, Om te zien of hij Antonnettetje niet en vond.
Op d'eerste lelie stond er geschreven, Als dat haar stiefmoeder haar hadde verkocht.
Op de tweede lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden geslegen.
Op de derde lelie stond er geschreven, Als dat de zeven knechten haar hadden vermoord.
De vader heeft de strate met messen doen beslaan, Om die zeven knechten er over te doen gaan.
En dat mooie meisje teer, En dat mooie maagdetje!
Zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied I, bl. 222; Lootens en Feys, Chants populaires flamands no. 43.--Ook het dierensprookje is rijk vertegenwoordigd; zoo b.v. De Koekoek in den Mei; Den Uil die op den Pereboom zat, zie Volkskunde IX, bl. 185 vlg; vooral ook het leuke Sterven van den Beer, Volkskunde XIII, bl. 237, vgl. De Navorscher V, bl. 88:
De beer die vond er hem zeer krank Van eene zware koorts (bis),
De zeug die vond heur in bedwang, Den dokter te ontbieden Met nog veel wijze lieden, En het beestjen die had er de koorts, koorts, koorts, En het beestjen die had er de koorts; enz.
De minste dichterlijke waarde heeft het historische lied, natuurlijk duisterder, naarmate het verder van het historische feit afstaat, dat het vermeldt of verheerlijkt. Het liedje:
Mijnheer van Son is een brave kapitein, Hij regeert er zijn volkje zoo groot als klein
heeft betrekking op een Amsterdamsch kapitein, n.l. Zeger van Son, die op 6 Sept. 1748 bij de parade ter eere van den stadhouder Willem IV behalve de gewone troepen ook eene "compagnie jongeheertjes" deed exerceeren. Hij regeerde dus werkelijk groot en klein. Zie hierover Boekenoogen, Onze Rijmen, 6 vlg., waar de aandacht gevestigd wordt op de historische kern van nog menig ander tot kinderrijm vervormd volksliedje; zoo b.v.:
De Bisschop van Munster Met honderdduizend man, Voor Groningen, voor Groningen eens kwam. De Bisschop van Munster, al weer van voren af an.
Vooral de Fransche tijd heeft op ons volk een diepen indruk gemaakt, waarvan wij de reflex vinden in het volkslied. Wie kent niet het kinderrijmpje:
Rataplan, rataplan, rataplan! Daar komen die drommelsche Franschen weer an, Ze hebben geen kousen en schoenen meer an, Rataplan, rataplan, rataplan!
Heel wat waardevoller in historisch, nationaal en artistiek opzicht is het pittige, jubelende volksliedje, dat dagteekent uit het jaar 1650:
Al is er ons Prinsje nog zoo klein en hoezee! bis
Alével zal hij stadhouder zijn; Vivat Oranje, hoezee! (bis).
In België leven insgelijks de herinneringen aan den Franschen tijd in het volkslied nog voort; ook aan de Spanjaarden en, althans tot voor kort nog, aan Jacob van Artevelde, en aan het beleg van Yperen in 1383; zie Van Duyse, het Oude Nederl. Lied II, bl. 1525-1825; Dr. J. van Vloten, Nederlandsche Geschiedzangen.
Tot welk een dorren, prozaïschen stijl het historische lied zinken kan, toont ons het volgende:
Napoleon, waar zijt gij gebleven, Napoleon, waar is uwe tijd, Eertijds was ge keizer van Genève, Daar ge nu op een eiland zijt (bis); enz.
Zie voor den volledige tekst de Graafschapsbode 16 Maart 1907; Driem. Bladen VII, bl. 62.
Maar nog dient gewezen op de groote rubriek van het feestlied, dat het geheele natuurlijke en kerkelijke jaar doorloopt, en van af Sint Maarten (11 November) tot Sint Maarten de feestgetijden met blijden jubel of droeve klage begeleidt. Ik heb deze liederen reeds besproken in het hoofdstuk over de Volksfeesten (I, bl. 99-209) en wensch dus nog slechts aan het volgende te herinneren. Al de zoogenaamde natuurliederen, winterliederen, zomerliederen, meiliederen enz. zijn feestliederen in den waren zin des woords en geven de stemming op het natuurfeest weer. Wel bewegen zich deze liederen somtijds in een bijzondere richting; zoo zijn b.v. de meiliederen dikwijls òf minneliederen òf geestelijke liederen ter eere van Maria (I, bl. 190).
Hiermee heb ik tevens mijn meening geuit omtrent den aard van het geestelijke lied, de laatste groep van het volkslied. De kerstliederen, nieuwjaarsliederen, Driekoningenliederen, passieliederen, paasch- en pinksterliederen enz., en voor een overgroot deel de Marialiederen en de liederen ter eere van andere heiligen, zijn feestliederen. En deze feestliederen, wier kader heel wat ruimheid bood--men denke aan de reeks geestelijke liederen, die de Vlucht naar Egypte behandelen, eigenlijk kerstliederen--waren of wel zuiver lyrisch, of episch-dramatisch. Men ziet het: een strenge afscheiding van het wereldlijke lied is niet door te zetten. Ook wat de melodieën betreft, schijnt er wisselwerking geweest te zijn; het geestelijk lied leende zijn wijzen en ontleende die ook weer op zijn beurt aan het wereldlijke. Trouwens hierin vond men niets stootends of oneerbiedigs, omdat in die dagen de tegenstelling van gewijd en profaan niet bestond, als tegenwoordig veelal het geval is. Hetzelfde geldt voor het kerkelijke lied, doorgaans feesthymne, maar toch ook volkslied, in zoover het daadwerkelijk uit het volk, of althans uit den volksgeest is voortgesproten. Imposante kerkelijke liederen als het Dies Irae en het Stabat Mater stoelen beslist op den volksgeest en behooren tot de schoonste loten van de Middeleeuwsche volkspoëzie.
Maar het geestelijk lied kan ook uiting geven aan het gevoel van een enkeling, kan uitzingen diens lof en dank, of vertolken diens hoop en berouw: en zoo ontstaan de roerende liederen der "Minnende ziel", de "Zieleklachten" enz., die zich wellicht hebben ontwikkeld uit geestelijke verzuchtingen als deze:
Maria, Gods Moeder, reine Maagd, Al onze nood zij U geklaagd.
Deze individuëele liederen kunnen echter ook zijn van paraenetischen aard, en dus beschouwingen behelzen over de Vier Uitertersten e.d.
Zijn dramatisch element ontleent het geestelijk lied meestal aan het feit, dat het stoelt op de dramatische vertooningen in de kerken, met name tusschen Kerstmis en Driekoningen; zie hierover vooral de beschouwingen van Knuttel in zijn uitnemend werk over het Geestelijk Lied enz., bl. 88 vlg.; Kronenburg, Maria's heerlijkheid V, bl. 434 vlg.
Hier volge een Kerstlied en een Driekoningenlied, schaarsche resten van vroegere weelde en overvloed.
Wilt uit u-wen slaap op-sprin-gen, En ver- blij-den ons al-len ge-lijk. Hier is ons een kin-de-ken ge- bo-ren Van Ma-ri--a, die uit-ver-ko-ren. Brengt de bood-schap in 't o-pen-baar Al met de-zen nieu-we-jaar.
Op ee-nen Drij-ko-nin-gen a-vond En op ee-nen Drij-ko-nin-gen dag, Dan von-den wij Ma- ri-a Mag-da-le-na Al op Heer Je-zus' graf. Sta-get op, Ma-ri-a Mag-da-le-na, Sta-get op van de bit-te-re dood, Uw zon-de-kens zijn al-le ver-ge-ven Al wa-ren zij nog zoo groot.
Een overoud passielied, in Hollandsch Limburg en in België bekend, begint met deze strofe:
Hier is 't begin van 't bitter lijden Van Onzen Heer Gebenedijde, Die ons van zonden heeft verlost, Dat heeft Zijn dierbaar bloed gekost.
Het oude paaschlied: "Christus is opghestanden, Al van der martelijen allen" enz. heeft menige verandering ondergaan. In het Spaansch leger vóor Haarlem (1573) werd het geparodieerd als:
Christus is opgestanden, te Haarlem is een buit voorhanden;
terwijl van het paaschvuur gezongen werd:
Christus is opgestanden, t' avond zullen wij vuren branden.
Als hedendaagschen vorm geven de Driem. Bladen XIII, bl. 51:
Christus is opgestanden Al van de Joden hun handen, Dus willen we allen vroolijk zijn, Christus zal onze Verlosser zijn, Halleluja!
Was Christus niet verrezen Alom met Zijn goddelijk Wezen Wij waren gebleven in grooten nood, Wij moesten allen sterven den eeuwigen dood, Halleluja! Christus voer ter hellen Om daarin vrede te stellen, Die in de duisternisse zeer lagen bezwaard, God heeft ze met Zijn eeuwige licht verklaard, Halleluja! enz.
Een afzonderlijke vermelding verdienen nog de bedevaartliedjes, die buiten het feestjaar staan en ten deele verhalend, ten deele lyrisch van aard zijn. Het refrein van een algemeen verspreid bedevaartsliedje luidt:
En zouden wij dan niet vroolijk zijn, De hemel is de onze, En was de hemel de onze niet, Dan waren wij zoo vroolijk niet, De hemel is de onze.
Ten slotte volge hier het Lied van den Boom, dat door sommigen als een danslied beschouwd wordt, omdat men het wel eens in een rondedans om een boom zingt.
Men vindt dit lied in Holland, Friesland, Limburg, Vlaanderen, echter met tallooze varianten, vooral aan het einde, waartoe de eigenaardige vorm en gang van het lied zonder twijfel aanleiding gaf. Ik geef hier de lezing van Heist-op-den-Berg, die ik voor de meest oorspronkelijke houd.
In mijnen hof daar staat eenen boom Zoo'n schoonen boom, Zoo'n liefelijken boom.
Refrein:
De boom staat in zijne eerde, Vol van weerde, En hij groeit zoo schoon!
Aan dezen boom daar komt er eenen tak, Zoo'n schoonen tak, Zoo'n liefelij ken tak. De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
Aan dezen tak daar komt er dan een blad, Zoo'n schoonen blad, Zoo'n liefelijken blad. Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan dat blad daar komt er dan een bloem. Zoo'n schoone bloem, Zoo'n liefelijke bloem. De bloem komt van het blad, Het blad komt van den tak, De tak komt van den boom.
Refr. De boom staat, enz.
En aan die bloem daar komt er eene vrucht. Zoo'n schoone vrucht, Zoo'n liefelijke vrucht. De vrucht komt van de bloem, Enz., enz.
Refr. De boom staat, enz.
Ik beschouw dit lied als een kerstlied. Waartoe hier met Van Duyse e.a. allerlei Germaansche boschvereering te hulp roepen, waartoe vooral met Pol de Mont (Nederlandsch Museum III, 2, bl. 217 vlg.) den wereldboom Ygdrasil uit de Noorsche mythologie er bij halen, wanneer de verklaring toch voor de hand ligt? En die is, dat wij hier met den boom van Jesse te doen hebben. Zelfs luidt te Deerlijk en elders het slot--dat ik echter niet voor oorspronkelijk houd--:
En op dien tak daar staat een nest, enz. En in dien nest daar lag een ei, enz. En in dat ei daar zat een kind, Een goddelijk kind, Een kind dat ons verlossen zal, Dat ons verlossen zal.
Werd Christus niet aangeduid als de spruit en de bloem uit den wortel van Jesse? En zingt Venantius Fortunatus niet in zijn kersthymne: "De wortel van Jesse heeft gebloeid en de spruit heeft vrucht gedragen?" Het was immers een lievelingsbeeld der geestelijke poëzie in de Middeleeuwen, Maria en Christus voor te stellen als de bloem en de vrucht uit den wortel van Jesse. En mocht iemand dit alles onvoldoende lijken, dan verwijs ik nog naar de veelvuldige ikonografische voorstellingen: een boom schiet op uit den slapenden Jesse, met reuzenbloemen aan de twijgen. Op en in die bloemen zitten rechts en links koningen en op den top troont Maria met het Jezuskind.
Op weinig uitzonderingen na wordt door het volk tegenwoordig weinig meer gedicht en gezongen. De zanglust, die vroeger levensbehoefte scheen, is verslapt. Hoe kan in dezen tijd het volk ook zingen? Nu de poëzie hoe langer hoe meer uit het volksleven terugwijkt, nu de ziellooze machine vervaardigt het eertijds bezielde werk, waarin de man-uit-het-volk een stuk van zijn ziel, zijn gemoedsleven, een stuk van zijn eigen-ik legde? Slechts daar, waar gemeenschappelijke handarbeid de menschen nog vereenigt, klinkt het rhytmische volkslied als eertijds: bij het maaien, het bezembinden, het stroovlechten, het tabaksbewerken, het steenhouwen, het kuipersbedrijf. Vooral echter, waar stille huiselijkheid en gezelligheid woont, hoort men des avonds bij het knappende haardvuur of op de bank vóor de woning of onder de dorpslinde nog het aloude gezang. Ook het volksfeest, voor zoover de moderne kultuur dit niet door en door verdorven heeft, de bruiloft en de kermisviering worden nog wel door het lied opgevroolijkt.
Daar zijn tijden geweest, waarin het karakter van het geheele volk zich weerspiegelde in het volkslied; en ons Nederlandsche volkslied kan de vergelijking doorstaan. Het kende niet de hartstochtelijkheid der Italiaansche, de waardigheid van de Spaansche, de sierlijke gratie van de Fransche liederen; maar in diepte van gevoel werd het nauwelijks geëvenaard. Natuurlijk kwamen ook hier de rasverschillen tot uiting, en kwam het b.v. door den beweeglijken, meer emotioneelen Keltisch-Frankischen geest beter tot zijn recht.
Maar nu....de bovenkultuur heeft de kunst grootendeels aan het volk ontnomen en voor een élite van begenadigde kunstenaars gemonopoliseerd. De middelklasse wordt meer en meer uitgeschakeld, en waar in onze landen de kultuur het hoogst stijgt, wordt de klove tusschen hoogere en lagere standen steeds dieper. Daar zingt het volk geen volkslied meer, maar bauwt in drenzige deunen de aan flarden gescheurde opera-melodieën na met schunnige variaties. En al mag nu de tegenwoordige toestand in wat te schrille kleur geteekend zijn in H. F. Wirth's dissertatie: Der Untergang des Niederländischen Volksliedes (Haag 1911), het in-droevige van den toestand kunnen wij ons niet ontveinzen.
Dankbaar zeer zeker zijn wij de hedendaagsche dichters in den volkstoon: Heve, Dautzenberg, René de Clerq, Rodenbach; dankbaar aan degenen, die werkten tot herleving, althans der waardeering van wereldlijk of geestelijk lied: Hofmann V. Fallersleben, Van Duyse, Bols, Kalff, Knuttel, Coers, Roes, en aan de vele andere wakkere voormannen, die door woord en aktie,--ik denk aan het volksorgel--den gezonden volkszang trachten te bevorderen. Maar toch vrees ik, dat deze kunstmatige poging op den duur den ondergang van het volkslied niet zal tegenhouden. Wij leven te ver van de natuur. Wereld en menschen zijn anders geworden, daarom moet het volkslied sterven. Als een schichtig ree van uit het struikgewas tuurt nog hier of daar een kind der volksmuze met zijn sprookjesoogen in een wonderlijk-vervormde kultuurwereld, vol rook, rumoer en onrust. Het volkslied vlucht voor de schrille stoomfluit, als de elven voor het gelui der klokken.
IV. Bouwkunst en dekoratieve kunst.
Terwijl de kultuurkunst vooral tot uiting komt in het bouwen van kerken, torens, raadhuizen enz., spreekt de intieme volkskunst het meest uit de woon- en bedrijfshuizen. De volksbouwkunst geeft een eigen kenmerk aan stad en land en volk: na eeuwen zelfs vertolkt zij ons den kunstzin van dat volk niet alleen, maar ook zijn geschiedenis, gebruiken, zeden en gewoonten, zijn welvaart, zijn geloof. Maar voorheen, meer dan thans, was de bouwkunst een stille opvoedende kracht, omdat duizenden handen en hoofden in haar dienst voortdurend werkzaam waren, op wie zij terugwerkende kracht kon uitoefenen. "Onder dien stillen drang worden de samenstellingen ongezochter, eenvoudiger, doelmatiger, degelijker, wordt alles typischer en expressiever, wordt de hand vaardiger en het oog gevoeliger en minder spoedig voldaan. Zóo inwerkend op tal van ambachten werkt de bouwkunst in en door dit alles terug op het gebied der kunstnijverheid en daardoor weder op het zoo uitgestrekte gebied der nijverheid": C. H. Peters, Oud-Groninger kunst, in de Gron. Volksalman. 1896, bl. 128.
Ten tijde, dat de persoonlijkheid, en met haar de persoonlijke kunstuiting, meer tot haar recht kwam,--toen ook de kleine burger of handwerksman iets voor zijn woonstede voelde en die opsierde naar vermogen, sprak uit stad en stadswoning, uit de woon- en bedrijfshuizen inderdaad voor een groot deel het karakter hunner bewoners. Maar uit die periode van persoonlijke en zelfstandige kunst hebben slechts schaarsche overblijfsels ons bereikt. "Eerst met het laatst der XVe en het begin der XVIe eeuw begint onze erfenis, maar het is eene erfenis slechts van een gevel hier, een schouw daar, eene deur of zoldering elders; een nog uit- en inwendig intakt gebleven middeleeuwsch woonhuis bezitten wij nergens", schrijft weer de Rijksarchitekt C. H. Peters in zijn voortreffelijk werk: De Nederlandsche Stedenbouw (Leiden 1910), II, bl. 380. En dit is niet te verwonderen. Ekonomische redenen hebben hiertoe geleid. Groeide een woonbuurt, een dorp, een marktplaats uit tot een stad, dan verdween mèt die ontwikkeling ook het landbouwbedrijf en de hoeve, om voor een koopmans- en bedrijfshuis de plaats vrij te laten. In de omwalde, bepoorte en omgrachte marktplaats was geen ruimte voor vrij liggende hoeven of een uitgestrekt erf, maar slechts voor kleine woningen met ziend dak. Met het klimmen van de welvaart verdichtten zich echter ook de houten huizen, drongen op in rij en gelid en zochten door verbouwen in de ruimte, wat zij beganegronds moesten missen. En zoo ontstond hetgeen ons oog in oude steden of stadsdeelen zoo aantrekt: die ongewild mooie huizenreeksen, alle eertijds in hout gebouwd, met hun sierlijke lijnen en met de welgevormde bochten, die ons vaak nog resten. Zoo ontstonden die verrassende straateffekten, ook na het verdwijnen der houten woonhuizen veelal nog bewaard, en zoo sterk kontrasteerend met den modernen slatuin-vorm. Van sierlijke Nederlandsche huizengroepen en straatgezichten leeft ook nog de herinnering in oude teekeningen uit de XVIe, XVIIe en XVIIIe eeuw, toen van dien houtbouw nog een gedeelte over was; zoo b.v. van de markt en het raadhuis te 's Hertogenbosch, de markt te Middelburg, straten uit Maastricht (b.v. de Tongersche straat ten jare 1669), Den Bosch, Amsterdam, Delft, Dordrecht, Alkmaar, Enkhuizen, Brussel, Gent, Brugge enz.
Met het verdwijnen van den houtbouw, tengevolge van branden, van stadskeuren en van andere, ekonomische redenen, werd deze zeer eigenaardige periode door den steenen huizenbouw opgevolgd. Maar ook het Middeleeuwsche steenenhuis verdween en werd vervangen door kostbaarder en rijker konstruktie.
Maar de eenvoud en soberte verdween en de gemeenschapszin werd losser. Tot de XVe eeuw voelde men zich éen met de burgers van zijn stad, was men met het wel en wee der stad op het nauwste verbonden, beschouwde men haar belangen, haar trots, haar fierheid als de zijne. En zoo verklaart men het feit, dat de burgers in dien tijd hoogst eenvoudig leefden en bouwden voor zichzelf, maar zoo ruim mogelijk bijdroegen tot het bouwen van een ruimer en sierlijker raadhuis of Godshuis hunner stad. Met de XVIe eeuw werd men behalve poorter ook lid van het gewest, waardoor de betrekking van poorter tot stad losser werd. "De Stadspoorten, vóórheen angstig gesloten, openen zich nu meer en spoediger ter opname van nieuwe elementen, van nieuwe bedrijven; met de grootte der Steden breidde zich ook het gemeenschapsbegrip uit; en toen met de Reformacie ook de 'leer der goede werken' en de zorg voor het hiernamaals zich minder naar buiten uitte, verminderde onder den invloed der welvaart langzamerhand ook de vroegere eenvoud": C. M. Peters, t.a.p. bl. 392; vgl. Oud-Groningerland ('s Gravenhage 1912), bl. 150 vlg.; A. W. Weismann, Geschiedenis der Nederlandsche Bouwkunst (Amsterdam 1912); A. J. Kropholler, in De Beiaard I, 1, bl. 114 vlg.
Voortaan besteedde men dus meer aan de eigen woning, en de wooneenvoud maakte niet zelden plaats voor woonvertoon; en met de steeds wisselende stijlen verdwenen de overblijfselen van het vroegere woon- en bedrijfshuis, terwijl de verjongingskuur een steeds sneller stap aannam.
De aard van de woonbuurt, waaruit de stad zich ontwikkelde, bepaalt natuurlijk in aanzienlijke mate den aard en aanleg der stad en den bouwvorm van het woonhuis. De steden zijn immers niet gesticht in bepaalden vorm op last harer eerste bewoners, maar gegroeid uit het mettertijd omwalde, omgrachte en bepoorte dorp. Uit de visschersbuurt op een gunstig gedekte plaats in een rivierbocht, of rond een inham, of bij den mond van een riviertak ontwikkelde zich het visschersdorp en de visschersstad: Amsterdam, Dordrecht, Kampen, Rotterdam. Waar de rivier zich verbreed had tot zeearm of zeeboezem, die tot veilige ligplaats dienden, vormden zich de havensteden: Antwerpen, Blokzijl, Harderwijk, Stavoren, Vlissingen. En hoe belangrijk deze ligging voor de stadsvorming geacht werd, blijkt wel het duidelijkst uit den faktor der taal. Immers uit het Latijnsche portus "haven, stapelplaats" ontwikkelde zich het Middelnederlandsche woord poort "stad", vanwaar de burger den naam van poorter droeg. Ook dáar vormde zich aldra een stad, waar een rivier ophield bevaarbaar te zijn: Leuven, Brussel, Yperen; en eveneens, waar twee rivieren samenvloeiden: Gent, Mechelen. Bij smalle rivieren werden de beide tegen elkaar gelegen oevers bezet: Gouda, Leiden, Utrecht. Uit kringdorpen ontwikkelden zich Bolsward, Dokkum, Leeuwarden met hun heuvelachtige op- en afloopende straten. Sterk verraden hun oorspronkelijken vorm: Middelburg, rond den burcht tegen de Noormannen, en Oldenzaal, rond de eerste Christenkerk, met hun straalsgewijze loopende straten. Het komdorp met zijn brink, dien men zoo mogelijk als marktruimte gebruikte, vinden wij terug in steden als Assen, Deventer, Groningen, Harderwijk, Steenwijk. Het streekdorp spreekt uit Amersfoort, Kuilenburg, Wageningen, Edam, Sittard, Vianen, Monnikendam. Het centrum van een dorp was ook vaak een kasteel, buiten welks omgrachting lijfeigenen, visschers, landbouwers en nijveren bescherming zochten; hieruit ontwikkelden zich de kasteelsteden met hun sprekend vast plan van aanleg: Gent, Brugge, Rijssel, Brussel, Haarlem, den Haag, Montfoort, Gorinchem, Sint-Maartensdijk.
Wat nu de ontwikkeling der afzonderlijke woningen betreft, diene het volgende. De hoeve ontwikkelde zich uit de hut (I, bl. 32), in woudstreken nagenoeg cirkelvormig en gebouwd uit twijgen, leem en stroo, in heidestreken uit dennenstammen met plaggenbekleeding, langs de kust uit palen in den kleigrond geheid. Deze hut in haar drie genoemde typen: leemenhut, plaggenhut en paalhut bestaat nòg. De leemenhut doet dienst als nood-, vlucht- en berghut; de plaggenhut als woning op de heide; de paalhut als visscherswoning, b.v. op Marken of te Volendam. Uit de hut ontstond mede de arbeiderswoning te platten lande.
Uit visscherswoning en hoeve ontwikkelde zich de privaatwoning in de steden: voor- en achterwand worden opgetrokken ter volle dakhoogte en het stolpdak verandert in een schilddak. Zoo is de binnenruimte grooter geworden, en in de beide opgaande eindwanden, gevels genoemd, plaats verkregen tot het maken van zooveel openingen, als het bedrijf maar vraagt. Want het bedrijfshuis en eveneens het koopmanshuis vorderen gebiedend meer ruimte en meer licht. Maar over het algemeen bleef aanvankelijk de huisbouw aan de eenvoudige, karakteristieke samenstelling der hoeve getrouw. Een verdieping wordt echter eveneens noodzakelijk; en zoo wordt het stolphuis met zijn windopen dak vervangen door een huis met een verdieping, doorgaande over de volle huisbreedte en -diepte. En wat het schilderachtig effekt van deze, uit redenen van ekonomischen aard voortgesproten, verbouwing zoozeer verhoogde: waar de stoep- of straatbreedte zulks toeliet, werd niet zelden de verdieping vier tot zes voet overgebouwd. Dit gedeelte werd dan gesteund door stijlen; en zoo ontstond een kleine, vooral bij hoekhuizen gewilde galerij. Ook noodigden deze huizen uiteraard uit tot zaag-, steek- of beeldhouwwerk, waardoor het straateffekt belangrijk werd verhoogd. Het huis droeg geen nummer: het ware noodeloos. Elk huis toch, hoezeer ook samenwerkend tot gemeenschappelijk effekt, stond op zich, vormde een eenheid op zich. Het deed zijn best gezien te worden, zegt Peters, door opschrift of uithangbord, het had iets eigenaardigs, iets karakteristieks, iets leuks, in topgevel, in uit- of terugbouw, in spelend behandeld dak of anderszins. Daar is in den houtbouw zooveel diepte, kleur, schaduw en tegenstelling!
Maar volkskunde is de wetenschap van het heden. Wat bleef dan van deze ongezochte glorie in onze volkskultuur? Helaas, terwijl de houtbouw nog gevonden wordt te Bayeux, Caen, Goslar, Hildesheim, Nürnberg, Hamburg, Lisieux, of ook in Engeland, is hij in ons land zoo goed als verdwenen.
Ook in de steden van Vlaanderen en Brabant resten misschien nog slechts een tiental houten gevels. De houtbouw leeft hoofdzakelijk nog slechts voort in onze molens, die het schilderachtig effekt van het landschap in zoo ruime mate verhoogen, in hoeven, schuren en verder in ondergeschikt gedoe.
Plat, arm en nuchter zijn de meeste baksteengevels, vergeleken bij de houten. Reeds in de XIIe eeuw waren er in de handelsstad Utrecht enkele steenen huizen of stinsen. In de XIIIe eeuw worden de huizen grooter en hooger en de voorgevel wordt rijker behandeld. Tegen het midden der XVIe eeuw wordt op het steenen huis de Renaissancestijl toegepast, die de Middeleeuwsche kunst vervangt. Maar van de bedrijfs- en winkelhuizen begon de steenbouw eerst boven den puibalk; van het houten huis hield men dus de onderpui. De behandeling was zeer uiteenloopend, maar toch kan men voor sommige steden van een vrij éenvormig type spreken. Zoo werd Amsterdam in de XVIIe eeuw gekenmerkt door zijn pilastergevels, Deventer door zijn eigenaardige baksteenen topgevels, Dordrecht door zijn karakteristieke boogvulling, Enkhuizen door zijn leuke baksteenen bedrijfshuisjes, Groningen door zijn gevels met elegante toppen, Haarlem door zijn gevels met voorspringende puntbogen boven de vensters, Delft en Den Haag door zijn schilderachtig overluifelde stoepen. Gelderland heeft nog menige fraaie gevels bewaard, met name Zutfen. Ook hier zijn, evenals te Deventer, vooral de topgeveltjes, in ogiefvorm bewerkt, zeer eigenaardig. Daar wij echter slechts met een détail-speling, en niet met een eigen konstruktief denkbeeld te doen hebben, gaat het kwalijk aan, met den Heer C. L. van Balen van een afzonderlijken, Oudgelderschen, of Geldersch-Duitschen bouwstijl te spreken. Toch heeft de Heer van Balen een dankwaardig werk verricht, door van de monumenten van den ouden steenbouw in en om het Geldersch gebied foto's te nemen of schetsjes te maken; zoo b.v. van huizen te Zutfen, Leesten (gem. Warnsveld), Bronkhorst, Voorst, Loenen (Veluwe), Lochem, Doesburg, Middachten, Doetichem, 's Heerenberg, Amersfoort, Culemborg, Tiel, Zevenaar, Huissen enz. Dit type wordt ook vertegenwoordigd in de provincie Limburg, niet het minst door het bekende "huis Schreurs" in de Groote Kerkstraat te Venloo. Vooral de geveldriehoek met zijn beide étages en forschen top wekt bewondering. De beide oude gevels van het Weeshuis, vlak tegenover de St. Martinuskerk, steken echter het "huis Scheurs" naar de kroon. Merkwaardige gevels in dezen trant vindt men verder nog te Roermond en in het Noorden der provincie.
De steenbouw ging steeds mee met de mode van den dag. In de XVIIIe eeuw verschijnt de klassieke gevel met zijn doorgaande pilasters en groot fronton; en dan volgt de deftige, rustige, vlakke gevel, die slechts uitmunt door goede proportie; tot tegen het einde dier eeuw "de karakterlooze gevel, meestal weinig meer dan een brok muur met eenige lichtgaten en een deurgat, de geschiedenis van den woon- en bedrijfsgevel en van het woonhuis komt besluiten". Aldus eindigde de stadswoning in de eerste helft XIXe eeuw "zoo karakterloos mogelijk en zelfs armer ... dan hij acht of meer eeuwen vroeger begonnen was": C. M. Peters, De Nederlandsche Stedenbouw. De Stad met hare kerken enz., bl. 438; zie verder Gelre VII; Limburg's Jaarboek XI, bl. 65, 153; XII, bl. 154; XIV, bl. 43; Bouwkundig Tijdschrift 1904.
Wat van den steenbouw voor Noord-Nederland geldt, is ook van toepassing op België, echter met dit verschil, dat het zuiden er zijn stempel op drukt. Terwijl de huisbouw in Holland doorgaans netter is, meer afgewerkt, beter beschilderd, is daarginds alles minder verzorgd, maar ook luchter en ruimer. De natuur is milder, de woning dient dus iets minder als toevluchtsoord. Wat in België zoowel als in Holland van dezen huizenbouw rest, heeft waarde voor het heden, in zoover het nog een reëele plaats in het kultuurleven inneemt, dient ter berging en verfraaiing, wordt verbouwd en bebouwd--evenals sprookje, sage en volkslied, die immers gemeengoed werden--en blijft inwerken op de geboorte van nieuwe kunstvormen. Het aantal partikuliere gebouwen, die behouden bleven, is vrij groot; ik gaf boven reeds eenige voorbeelden van den "Gelderschen" bouwtrant. Van openbare gebouwen vermeld ik de Waag te Enkhuizen, Alkmaar, Haarlem en Nijmegen; het St. Jansgasthuis te Hoorn; de Kanselarij te Leeuwarden; de Vleeschhal en het Oude Mannenhuis te Haarlem; het Stadhuis te Gent, Yperen, Franeker en Leiden (XVIe en XVIIe eeuw). Zie Volksalman. tot Nut van het Algemeen 1872, bl. 173; 1868, bl. 184; 1867, bl. 184; en verder vooral Mr. S. Muller, Oude huizen te Utrecht (Utrecht 1911); J. Briedé, Oude huizen van Rotterdam (Rotterdam 1915); J. Craandijk, De Haarlemsche Hofjes (Haarlem 1914).
Zoo biedt het stadsbeeld van thans een bonte mengeling van bouw- en kunstvormen: het kunstminnend verleden reikt de hand aan het doorgaans smakelooze heden. Toch moet men niet onbillijk zijn. Daar zijn voorbeelden van moderne straten, waar een mooi eenheidseffekt in de verscheidenheid verkregen werd, zoo b.v. de Amsterdamsche Vondelstraat, voor zoover Cuypers haar aanleg in handen had. Ook bestaat er een ernstig streven bij de moderne architekten, die het rationeele, doelmatige der Middeleeuwen in eere willen herstellen en nieuwvormingen trachten te scheppen met de gegevens der noodzakelijkheid, met de hun ten dienste staande middelen te bereiken de voormalige eenheid van karakter en verwantschap van vormen, die het veelvuldige in huis- en straateffekt tot samenstemming dwingt en in een glorievol verleden zooveel schoons heeft gewrocht. Het is waar, deze hedendaagsche kunst is heel wat meer bewust dan de vroegere, en wat aldus in huis- en stedenbouw tot stand komt is eigenlijk geen _volks_kunst meer, geen organisch gevormde kunst, opgegroeid uit den boezem des volks. Maar zij wortelt toch in de logische beginselen onzer nationale volkskunst, zij kan gedragen en gesteund worden door het volk, zij spreekt tot het volk en kan het behoeden voor reddeloozen ondergang in den zondvloed van materialisme en wansmaak. Een verblijdend teeken is het zonder twijfel, dat allerwege, ook en niet in het minst in het buitenland, de behoefte gevoeld wordt aan de steden hun aloud artistiek karakter te hergeven; en dat, al gaat de stadsaanleg niet meer van den eenling uit, naast den ingenieur en den technicus, die met allerlei ekonomische en hygiënische belangen rekening hebben te houden, ook de aestheticus een belangrijk woord heeft mee te spreken. Zie Mr. Fockema Andreae, De hedendaagsche stedenbouw (Utrecht 1912); Ch. Buls, Esthétique des villes (Bruxelles 1910); Camillo Sitte, Der Städte-Bau nach seinen künstlerischen Grundsätzen (Leipzig 1889).
Een besliste vijand van artistieken stedenbouw en straateffekt en volkskunst is de huurkazerne, de eigenaardige vorm, dien een komplex van woonhuizen in onze groote steden vertoont. Voor moderne dichtbevolkte steden, als centra van industriëele produktie op groote schaal, schijnen deze huurkazernes noodzakelijke bestanddeelen. De hygiënische en ekonomische bezwaren, die men tegen haar aanvoert, mogen slechts schijnbaar of althans sterk overdreven zijn,--aan de ethische en aesthetische beteekenis van het woonhuis, aan den kunstzin van zijn bewoners, die toch ook voor de kleine luiden de levenslasten draaglijker maakt, aan de liefde voor eigen huis en eigen erf geven deze kazernes den doodsteek.--Het vraagstuk der huurkazerne wordt uitvoerig en veelzijdig behandeld door Prof. L. Pohle, Die Wohnungsfrage (Leipzig 1910) I, bl. 21 volg., 89 vlg.
Beter dan in de steden komt te dezen tijde de volkskunst tot haar recht in de landelijke woning, hoezeer ook deze veelal het slachtoffer geworden is van moderniseering, wansmaak en kwalijk begrepen genotstreving. "De landsche huizekens", zegt Stijn Streuvels in zijn Landsche Woning, "'t is alsof ze te dansen staan tegen de zon en 't geflits dat straalt uit de kleine ruitjes, is als een lach die schatert over het landschap. Ze staan er zoo welgedaan, zoo rustig, eigen en vast,--meegegroeid uit den grond met al de omgevende dingen."
En inderdaad maken zij het leven en de blijheid uit van het Nederlandsche en Vlaamsche landschap: de huizekens, waar over dag de zonnegloed op neerzijgt als een zee van stroomend goud tusschen het groen van velden en weilanden, en waar des avonds een vredig lichtje pinkt in de stilte van een zalig-blij gezin, als in een godshuis....
Over den bodem van geheel Groot-Nederland rijen en groepen zij zich tot gehuchten en dorpen aaneen; en de dorpen, ze liggen er als gezaaid: rechts en links en heinde en ver, overal ziet men kerktorens oplijnen tegen het grijs-blauw van den gezichteinder. Zij liggen er, evenals de huizen zelf, zonder schijn van orde of regelmaat, maar toch zoo vredig en behagelijk, en juist dit ongedwongene schenkt hun de grootste bekoorlijkheid, het meest eigenaardig cachet. Zij liggen er zoo samenstemmend met al de dingen in het rond, en die ongedwongen omlijsting, dat harmonisch geheel van huis en dorp en omringende natuur, vormt een der allerbelangrijkste elementen van hun bekoorlijke, ongekunstelde schoonheid. En waar de bodem het dichtst bevolkt is, waar dorpen en woningen samendringen als om nergens een plaatsje ledig te laten, daar dringt ook sterker óp het gevoel van levensvolheid en levensblijheid.
Toch leeft elk dorp zijn eigen leven, dat de dorpstoren uitstraalt. En de vele en tallooze straatjes en wegjes en steegjes, kronkelend zonder doel, krom en planloos en hoekig, zij schijnen alle toch weer te wijzen naar éen gemeenschappelijk punt, een hoeve, een molen, een grooten verkeersweg. Tusschen de dorpen in doorkruisen hagen en slooten, dreven en weteringen de beemden en gouwen, reppen zich nijvere molens en dommelen de knotwilgen in het Hollandsche landschap. Naast eenheid ook hier weer verscheidenheid. Vooral de stroeve ernst der meer rechtlijnige streekdorpen kontrasteert met de innigheid der komdorpen en meer nog met de frivole dartelheid der groepdorpen op Frankischen bodem. Eenzaam, als het ware een leven leidend afgescheiden van de gemeenschap, liggen beschut door werven en grachten en half weggedoken achter dichte boomgroepen de afzonderlijke hoeven.
In eenheid verscheidenheid: al deze huizen en huizekens zijn gebouwd naar de sobere wetten der redelijkheid, naar de eischen van materiaal en bedrijf, naar de omstandigheden van plaats en ligging. Alle gehoorzamen zij aan de groote wet der harmonie van huis en omgeving en streven zij naar eenvoud en beperking. Zij spreken alle een klare, sobere vormenspraak, eenvoudig en eerlijk. Geen kracht is versnipperd, geen versiersel overtollig. En zoo vormt geen enkel landelijk huis een dissonant met de omgeving, een zwarte vlek op het landschap: de hoogte der muren, de lijnen van het dak, deur en venster en schoorsteen,--het is alles op maat, laat het oog kalm en het hart vredig, het lokt en wenscht en behaagt. Ook de groepeering van geboomte en bloemstruiken en groentebedden verraadt alleszins goeden smaak ... Maar toch weer verscheidenheid. De stelphoeve maakt een massieven, hoewel niet onvriendelijken indruk; onderbouw en dak moeten schutting bieden tegen de gure zeewinden. Aan den topgevel, die somwijlen een weinig naar voren springt, wordt de meeste zorg besteed. Schrille kleuren, het strandvolk eigen, treden ook hier aan den dag, zonder echter in 't minst te ontstemmen. Vooral uit zich een krachtige voorliefde voor groen en wit. De houten buitenwanden van de hoeve zijn meestal frisch groen en de kozijnen, ramen en goten wit geverfd, kleuren, die met den rooden baksteen voortreffelijk samenklinken. Dit geldt ook voor het Westen van Friesland. In het Saksische huis voert het sobere, gemoedelijke den boventoon, vooral in het meest oorspronkelijke type in Twente en in het Oosten der Graafschap. Hier overheerscht de houtbouw, vooral de vakwerkbouw, en wel op zeer aantrekkelijke wijze. Meer kunstuiting vindt men echter bij de vertegenwoordigers van dit type in Zuid-Holland, Utrecht en ten deele Gelderland, die behooren tot den weiverzorgden baksteenbouw. Vooral in Zuid-Holland kunnen verscheiden boerderijen als waardevolle kunstuitingen gelden. De Drentsche hoeve is naakt als het omringende heideveld. De Frankisch-Keltische langgevelhuizen missen het blijde kleurenspel der noorderlijke hoeven. De bouworde is schriel en onverzorgd, maar met een grondtoon van gezelligheid. Ook werd ondanks de weinig kostbare hulpmiddelen een gunstig geheel verkregen met groote lijnen en vlakken, die in juiste overeenstemming zijn met het landschap. De "Zuid-Limburgsche hoeve" vertoont een volstrekt-afwijkende bouwwijze en is voor een groot deel in mergelsteen uitgevoerd. Ook vindt vakwerkbouw een uitgebreide toepassing, zoowel voor de binnenplaats, als voor de buitengevels, met uitzondering van het woonhuisgedeelte. Het uitwendige der hoeve heeft iets sombers, iets massiefs. Maar de binnenplaats is aantrekkelijk door de rijke afwisseling der verscheiden gebouwen met hun vele deuren en vensters.
Laat ik hier ten slotte bijvoegen, dat in het zuidelijk volksgebied de steenput voor de deur, waarin de emmer rinkelt aan de keten, of aan het uiteinde van de wip in het frissche water daalt, het schilderachtige van de frontzijde niet weinig verhoogt. Zie vooral Stijn Streuvels, De Landsche Woning, passim, en H. V. D. Kloot Meyburg, Onze oude Boerenhuizen bl. XI vlg.
Nog eenige andere dak- en gevelversieringen zijn niet onbelangrijk, en wel voor het karakter onzer dekoratieve volkskunst.
Zeer merkwaardig vind ik de versiering van het Friesche huistype, waar de top van het dak boven de walmgaten bij voorkeur door zwanenfiguren wordt opgesmukt. Deze zwanen staan rug aan rug, met den hals naar boven en de koppen naar buiten gekeerd. Maar zij zijn vaak zóo sterk gestyleerd, dat de eigenlijke vorm is verloren gegaan. In Noord-Holland ontbreekt dikwijls alle versiering. Daarentegen vindt men het zwanenmotief ook in het oude gebied tusschen Stade en Buxtehude (Hannover), waar Vlamingen een volksplanting stichtten; en verder, overeenkomstig, in Noord-Vlaanderen.
Zonder twijfel hebben wij hier te doen met een stamteeken. De zwaan dient als Friesch stamdier te worden beschouwd, evenals haan en paard Saksische stamdieren waren. Daarom komen haan en paardekop als gevelversiering bij Saksische huizen voor, waarvan een ieder zich in het land van Twente kan overtuigen. Zoo vind ik in het verslag van de excursie der Nederl. Anthropologische Vereeniging naar het Saksische Land in 1914, Bijblad 1915, bl. 24: "Op de schuur bij het huis viel allereerst de gevelversiering, de oude Saksische paardenkoppen, in het oog, die men nog vindt in alle streken eens door Saksers bewoond." Veilig mag men beweren, dat karakteristiek voor de Nederlandsche dekoratieve volkskunst is het feit, dat zij deze stamdieren: zwaan, haan en paard--oorspronkelijk dierfetissen, ter afweer aangebracht--tot architektonische motieven heeft weten te vervormen. Men zie in verband hiermee Deel I, bl. 177, waar ik haan en zwaan op den palmpaasch besproken heb. De Katholieken brengen op de gevels hunner huizen gaarne een kruis aan, een kruis op een hart, of de letters I H S: een verkorting van den naam Jezus in Grieksche letters, naderhand verklaard als Jesus Hominum Salvator, bij ons: Jezus Heere Saligmaker, Jezus Heilige Sakramenten, of iets dergelijks. In dezen vorm vinden wij het woord op de Romeinsche munten van Christelijke keizers.
Als _bouw_materiaal voor huisgevels heeft het hout afgedaan, en daarmede zijn grootste beteekenis in de bouwkunst van het heden verloren. Het heeft nog waarde in de dekoratieve kunst en kleinkunst, maar ook hier nog slechts sporadisch. Men maakt zijn eigen meubels niet meer, wat men nog snijdt zijn kistjes, klompen, plankjes enz. Alleen de schipper en visscher is tot tijdverdrijf bij windstilte nog houtsnijder. De aloude houtsnijkunst--volkskunst van de verdwijnende soort--leeft nog b.v. op Terschelling, waar 's winters de voorvaderlijke stoven en bankjes gemaakt worden. Met een ruw mes snijdt men een oud, overgeleverd type van versiering, waarin dieren- en plantenmotieven.
Daarentegen is de handel in houtsnijwerk, zooals die op enkele plaatsen wordt gedreven, b.v. te Hindeloopen, voor het meerendeel een handel in curiosa en niet voor eigen gebruik bestemd.
Treden wij nu de woning binnen. Een gang is veelal afwezig, is in alle geval van later datum. Wij zagen reeds, dat de keuken een der voornaamste vertrekken uitmaakt. De vloer is zelden van leem, meestal van witte keitjes, waarin met zwarte keitjes figuren zijn gevormd, en wel in het oostelijk en in geheel het zuidelijk volksgebied. Somtijds vindt men ook blauwe plavuizen, waarover de boerin zand strooit, vaak in sierlijke figuren.
De ruime, ouderwetsche schoorsteen boven den oorspronkelijk vrij liggenden haard, de aloude offerstede, is inderdaad het middelpunt van het huiselijk leven èn op het land, èn waar hij in burgerfamilies nog de plaats bekleedt, die hem toekomt. De breede vleugels zijn bemetseld met blauw-gekleurde tegeltjes van Delftsch aardewerk, met Bijbelsche of profane tafereelen, of ook gewone landschappen met molens en bruggen, visschers, zeilende schepen, bloemen of dieren. Men vindt deze tegelsteentjes ook nog wel elders, b.v. in zijvertrekjes, maar steeds zeldzamer. Waar deze oude haard nog bestaat, daar kan men dwars door de schouw zien in de ruime, roetige pijp, waar vleesch en worsten te rooken hangen:
Boven in de schouwe Daar hangen de worsten aan touwen.
De schouw is de koker der geestenwereld. Aan de haal, welke zulk een voorname rol speelt in het dagelijksche leven (I, bl. 35, 257 vlg.), hangt de ketelhaak met den grooten ketel. Om den schoorsteenmantel, die een reusachtige ruimte omspant, loopt het schoorsteenkleedje van gebloemd katoen, dicht geplooid. Daarboven heeft de huisvrouw haar schatten aan tin en aan blauw aardewerk uitgestald. Het zijn de tinnen familieborden, die van vader op zoon overgaan. Men vindt er ook pronkappels, tabakspot, pijpen en, niet te vergeten, de tinnen of koperen koffiekan, slank van vorm,--"fier als een koffiepot", zegt de Vlaming. Boven den schoorsteenmantel staat of hangt in Katholieke streken een kruisbeeld, veelal met gewijde palm, zoowel op het land als in steedsche huiskamers. Vgl. Schotel, Zeden en gebruiken in de Zaanstreek (Haarlem 1874), bl. 8 vlg. Enkele artistieke schouwen vindt men afgebeeld b.v. in den Drentsche Volksalman. 1907, bl. 184, 186.
Om den haard of de brommende kachel verzamelt zich het gezin. Daar bespreekt men de voorstellingen der tegelsteentjes, maar ook het werk van den dag; daar luisteren de kinderen naar moeders of grootmoeders vertelsels met kloppend hart en stralenden blik; daar snort plaatselijk nog het edele spinnewiel met klos en haspel. Gaarne wordt het spinnewiel ook een plaats ingeruimd in de moderne salons, waar het zich echter niet bijster thuis moet gevoelen.
De aarden en tinnen borden en schotels pronken echter ook op richels, die langs de wanden loopen, en sieren het lijstwerk van kasten en bedsteden. De borden en kommen van Delftsch, Brugsch en Brusselsch aardewerk vertoonen soms heele tafereelen met passende spreuken. Op andere vindt men spiraalvormige versieringen, bloemen, druiven en loof in helle blauwe, gele of roode kleuren. Ook treft men wel eenvoudig bruin verglaasd aardewerk aan. Een echte volkskunst is nog de pottenbakkerij in De Lemmer.
De bedsteden, door een dubbele kast gescheiden, vullen de geheele ruimte van éen der wanden, en zijn vaak met kunstig snijwerk behandeld. Uit voorzorg tegen overstroomingen waren de onderlagen vrij hoog boven den vloer aangebracht, zoodat een voetbank of ook wel zakken met koren dienden om ze te beklimmen, en toegang te verleenen tot den stapel van zware kussens en bedden, een toestand, die plaatselijk nog wordt aangetroffen. Elders dienen roode of groene gordijnen ter afscheiding.
Het mooiste porselein, glaswerk enz. bevindt zich in de glazenkast, porseleinkast, pronkkast, kabinet, of welken naam dit waardevolste der meubelen ook dragen mag. Hier prijkt ook het mooiste glaswerk, boersche borrelglazen in tulpvorm met ingebrande spreuken, naast trekpotten en serviesgerei van allerlei slag. Zij hoort dan ook in de pronkkamer thuis. Deze kast is de glorie der boerin; het is een familiestuk, veelal van mahoniehout en met hooge glazen deur. Zij legt er ook het linnengoed en de kostbare kleedingstukken in, vooral wanneer de kisten buiten gebruik zijn. Veelal bezigt men nog de benaming kistengoed of kistentuig voor het beste lijf- en linnengoed, zoo b.v. in Limburg. De term kastengoed is een latere vervorming, doordat de kast de funktie der kist overnam, zeer verklaarbaar. Deze eikenhouten kisten zijn dikwijls fraai uitgesneden. Het deksel is schuin of vlak; vooral de voorkant, in paneelen bewerkt, heeft een betrekkelijke kunstwaarde. De oorspronkelijke zitbanken zijn thans meestal door stoelen vervangen; de oudste stoelen zijn fraai van teekening, zoowel de gewone matten stoel met zijn gedraaide pooten, als de oudvaderlijke armstoel met segrijn overtrokken. Laat ik nu nog vermelden den eikenhouten lessenaar, een eereplaats voor den Bijbel, de typisch-Hollandsche theestoof, die ook al naar het salon verhuisde, en de gezellig-tikkende klok, wier meest ouderwetsche vorm de stoeltjesklok is; eindelijk de koperen bedpan, ter verwarming van het bed, met kolen gevuld, en overdag prijkend aan den wand. Het koperwerk omvat nog kandelaars, kaarsenpannen, tondeldoozen, enz. Veel koperwerk aan den muur is een teeken van welstand. De letterdoeken vertoonen staaltjes van naaldkunst. Het Antwerpsch Museum van Folklore bezit een groote verzameling van dergelijke tot de kleinkunst behoorende huiselijke voorwerpen: vuurslagen, vuurblazers, doofpotten, waterstoven (lollepotten), kaarsensnuiters, dompers, schuimspanen enz. Een groote schoorsteenhaal uit gesmeed ijzer vertoont er als koperen versiersel een smidse met galoppeerend paard. Op ruwe zoutbakken van gebrand hout ziet men merkwaardige ingekorven meetkundige figuren. Van kunstig versierde koekijzers met spiegelschrift gewaagde ik reeds in het Eerste Deel, bl. 140. Zie over deze en dergelijke voorwerpen nog Heuvel, Volksgeloof en Volksleven, bl. 291 vlg.; K. de Meyere, De Volkswoning en hare versiering, bl. 24 vlg.
Over het algemeen is de toon in de steedsche woning iets doffer dan op het land. Maar ook hier wekt het helle groen van meubelen en deuren in zijn schrilheid geen wanklank met het wit-blauw van de muren. Alles ademt soberte en eenvoud, zelfs de meer ingewikkelde versieringen, waarin wij de symbolen van het volksgeloof vinden verwerkt: Anker en Sterren (de hoop), Vlammende Harten (de liefde), Hanen (zuiverheid), Bloempotten (rijkdom der armen); verder engelen, kruisen, varende schepen enz. In geen volkswoning ontbreekt ook de vogelkooi. Maar niet zelden is zulk een kooi een familiestuk, door huisvlijt en kunstzin gewrocht. Zij heeft fries en kroonlijstjes, deurtjes en venstertjes en balkonnetjes, en lijkt wel een paleis. Zoo vinden wij ook opgetuigde modelschepen, miniatuur-spinnewielen en, in Katholieke gezinnen, de passie Onzes Heeren in een flesch of onder een stolp. Van hoeveel taai geduld en treffende kunstliefde leggen deze voorwerpen geen getuigenis af! Ik herinner nog even aan de voorwerpen van uitgesneden of gevouwen papier: molentjes, zoutvaten, scheepjes--ook twee- en driemasters--, bisschopsmutsen enz., alles op dezelfde wijze door kinderhanden gevouwen als voor honderd jaren. Aan het kind zijn de volkstradities zoo wèl toevertrouwd! Menig lezer zal zich uit zijn kinderjaren ook nog herinneren de slang, uit een speelkaart gesneden, en die met den kop op een in 'n turf gestoken stokje of breinaald rustte. Plaatste men den turf op den warmen schoorsteenmantel, dan kronkelde het serpent heen en weer.
Ik sprak reeds van het kruisbeeld, dat boven den schoorsteenmantel een eereplaats inneemt. Naast de deur, in de slaapkamer naast de deur of boven het bed, hangt in Katholieke gezinnen het wijwatervaatje met gewijde palm, terwijl in kast of kist de gewijde kaars geborgen is. Het plaatwerk aan den muur bespreek ik nader. Op kast of schoorsteen vindt men heiligenbeeldjes, alleen staande of met de bijbehoorende versiering, die aan het geheel in België den naam van kapelleke geeft. Tot deze kappellekens behooren ook de kerstkribbetjes, niet zelden van aandoenlijken eenvoud en teederheid. Het goddelijk kind slaapt tusschen os en ezel, omglansd door hemelsch licht in een weelderig, bloemrijk landschap; boven in de lucht houden twee engelen de ster, die de koningen geleidde. Ook draagt men in de Meimaand zorg voor passende versiering van het Mariabeeld. Zie Frans de Potter, Huiselijke godsdienst onzer voorvaderen (Gent 1886), bl. 16 vlg., 24 vlg.
Weinig hedendaagsche binnenkamers beantwoorden aan bovenstaande schets in haar geheel. Ook verschilt de stoffeering natuurlijk bij verschil van gewest, godsdienst, ligging (op het land of in de stad). Bij deze schets had ik hoofdzakelijk de volkswoning in het algemeen op het oog, en op deze heeft ook betrekking de nu volgende bespreking van het volksdekoratief in spreuken, uithangborden en plaatwerk.
Spreuken vindt men in de volkswoning allerwege. In de binnenkamer, boven tegen den balk en elders, vindt men de huisspreuken: "Aan Gods zegen is alles gelegen";--"De Heer beware uwen ingang en uwen uitgang";--"Dit huis staat in Gods hand, God beware het voor brand";--"Als God met ons is, wie zal dan tegen ons zijn?" Natuurlijk wijzen taal en spelling veelal op oudere dagteekening. In het zuidelijk volksgebied wordt nog dikwijls een opschrift uit papier geknipt en achter glas in een lijstje gezet: "Hier vloekt men niet, God ziet u";--"Gedenk te sterven";--"Looft den Heer", enz. Trouwens bordjes of plaatjes met gelitografeerde spreuken vindt men door het gansche land.
Maar ook ter dekoratie van dagelijksche voorwerpen doen gewijde en profane spreuken dienst, want het volk wil den glans der poëzie spreiden over geheel het dagelijksche leven. De meest onbeduidende voorwerpen wil het ornamenteeren, opheffen uit de sfeer van het banale en niets-zeggende door naïeve rijmpjes, wijze spreuken of enkel door een paar woorden ter verduidelijking van het gebruik. Juist zoo verhoogde ook de Grieksche epische volkspoëzie de waarde en het belang van wapenen en huisraad: een enkele beknopte toelichting diende als opschrift.
Op een koperen onderschotel vindt men te midden van een krans:
Ik dien om de tafel niet te laten branden, maar pas op als ik blink, dat ge me niet schande.
Op een spiegel:
't Is maar schijn.
Op een beker:
Geen geluk Zonder druk.
Op trouwschotels:
Er is niets beter in den trouw Als liefde tusschen man en vrouw.
Op een zonnewijzer:
Ik spreek alleen, het aangezicht In 't volle zonnelicht.
Op een bord:
Weldadige Opperheer, Gij spijst ons al te zamen, U zij de lof en eer, Ons hart zegt dankend Amen.
In spijs en praat Hou middelmaat.
Na spijs en drank Geef Gode dank.
Op een rijstpapkom:
Die den arme geeft Leent den Heer.
Op een stortbekertje:
't Is u gegund, Drink als ge kunt.
Op een tafelschel:
Deze klank roept om drank.
Op een drinkglas:
Als David de vriend van Jonathan was Drinken wij onze vriendschap uit dit glas.
Op een spaarpot:
Daar niet en is, Gaat zoeken mis.
Leert sparen en vergaren, Leert geven en blijft leven.
Op een scheerbekken:
Het jaar is om Betaal de som.
Bij de intrede van het huis ziet men de gevelspreuk of het luifelschrift prijken. Tot de meest bekende behooren wel:
Dit huis staat in Gods hand.
Niets buiten God.
Vele oude gevelspreuken zijn ons bewaard gebleven en getuigen nog van de volksvroomheid, de volkskunst, den volkshumor onzer vaderen. Voor het meerendeel hebben zij voor ons slechts historische waarde. Ik volsta dus met enkele voorbeelden, ontleend aan het voortreffelijke werk van Van Lennep en Ter Gouw, Het Boek der Opschriften (Amsterdam 1869).
Andere vond ik in tijdschriften en provinciale almanakken of teekende ik persoonlijk op. Spreuken van dezen aard worden nòg aangebracht, maar steeds zeldzamer.
Elk wandel in Gods wegen.
Vergenoegzaamheid gaat rijkdom te boven.
Ziet voor u opdat gij niet en struikelt.
De Heer--regeert. Al wat adem heeft--looft den Heere. 't Is beter benijd dan beklaagd--als 't God behaagt.
Behoed ons Heer voor zonde en schand, Bewaar dit huis voor ongeluk en brand.
Menschen gij moet sterven, Gedenkt gij de zaligheid te erven.
Wie op God vertrouwt, En niet en verflauwt, God zal hem zegenen menigvoud.
Dikwijls richt zich de huisbewoner tegen lasteraars, babbelaars en kwaadsprekers; zoo b.v.:
Het ware te wenschen, Dat alle menschen, Die kwaad van anderen spreken, Zich zelven eerst bekeken. Dan zouden zij het praten Van anderen wel laten. (nabij Amsterdam).
Wie hier komt spreken van iemand kwaad, Wijs ik waar 't gat van de deur staat.
(Amsterdam).
Wat wordt er menig mensch belasterd en belogen Van menig kakelaar, die zelf toch niet en dogen.
(Hemelum).
Tot de gevelspreuken behooren ook de berijmde beroepsaanduidingen; hun bloeitijdperk was de XVIIe eeuw; maar zij komen ook thans nog voor en zijn veelal humoristisch getint.
Kaaskooper:
O wereld boos en heel verkeerd, Wat heb je al geld dat mij ontbeert! Maar de vromen moeten hier gebrek lijen, Doch zullen hierna de kaas wel beter snijen.
Aanspreker:
Bidder, Dokter, Doodgraver en Aptheker, Dat zijn vier vrinden, dit is zeker: Wanneer zij bidden om hun dagelijks brood, Zoo bidden er twee om de ziekte en twee om den dood.
Schipper:
Met scheepvaren plaisant Ik mij geneeren moet, De scheepvaart door Gods hand Het land floreeren doet.
Smid:
Houd man! Daar is de kan, Wel wijf! De kan is mijn gerijf. Maar wacht u voor de vonken. Het ijzer is heet; 't Moet eerst zijn gesmeed, En dan eens gedronken.
Wij hebben door Gods milden zegen En vlijt dees ijzersmederij Tot dienst van mensch en paard verkregen. Zijn hulpe zij ons verder bij.
Groenteverkooper:
Adam en Eva, gesteld in 't groene paradijs, Aten hun buikje vol van de lekkerste spijs, Maar zij werden verleid van den schelmschen droes, Hier verkoopt men kool, wortelen, rapen en groen moes.
(Berlicum).
Tapper:
Wel te doen en vroolijk zijn Is 't beste op dees aard. Hier verkoopt men brandewijn En haver voor het paard.
(Oud-Pekela en Rotterdam).
In het Leppersfort Is geen drank te kort.
(Gent).
Hij moet gauw zijn, die wil tappen en wijn verkoopen, Maar nog gauwer, die met het gelag deur wil loopen.
(Leuven).
Herbergier:
Ik woon hier aan den weg, Wat kan men beter wenschen Dan de zegen van den Heer En de gunst van alle menschen.
(Horn, L. en Westerwolde, Gr.)
Barbier:
Die graag zijn baard zich ziet ontnomen, Ga niet voorbij, wil binnenkomen, Van welken rang of staat, 't Zij burger of soldaat.
Ik geef aan elk fatsoenlijk man Zoo veel genoegen als ik kan, Ik doe mijn best aan alle gaar, En die 't verlangt snij ik ook haar.
(Assen).
Bakker:
Misgun geen bakkers winst, gij goede en kwade liên, Zij arbeiden het brood met lichaam, voet en knien.
(Amsterdam).
Besteedster:
Hier woont de besteedster, twee hoog, aan de linker deur, Klop je aan de rechter, dan komt de Vroemoêr veur.
(Amsterdam).
Glazenmaker:
Met glas en lood Win ik mijn brood.
(Amsterdam).
Gouddraadtrekker:
Hier trekt men naar de kunst het goud tot dunne bladen, Om ons gewin en ook voor wereldsche sieraden; Maar als wij rusten nemen wij weer ons gemak, Totdat het geld verdwijnt tot slijm gelijk een slak.
(Brussel).
Kleermaker:
Geen mensch men acht Als om zijn dracht, Dies laat mij brave kleeren maken, Wilt gij tot ambt of eer geraken.
(Enkhuizen).
Koekebakker:
Koek die zoet is Koek die goed is Koek die gaar is Proef of 't niet waar is.
(Zaandam).
Koffiehuis:
Alle anderen zijn in abuis, Maar hier is het ware koffiehuis.
(Heerlen, L.)
Kroeg:
In den cabaret, dien men hier wijst, Wordt men gelaafd en gespijsd.
(Eecke, Vlaanderen).
Kuiper:
Door kuipen werden veel tot staat en eer verkoren, Het kloppen is het best, hetgeen wij daaglijks hooren.
(Gent).
Melkboer:
Hier verkoopt men room Zeer vroom En zoetemelk Voor elk.
(Houten, U.).
Pruikemaker:
Hier maakt men pruiken om een ieder te gerieven, Van levend menschenhaar, niet van gehangen dieven.
(Gent).
Schipper:
Ik vaar ter zee op Gods genade, Dat God bewaart kan mij niet schaden; 't Zij dat ik uitvaar of wederkeere, Ik verwacht altijd de zegen des Heeren.
(Vlaardingen).
Stalhouder:
Hier stalt en verhuurt men paarden, Bij niemand zullen zij beter aarden; Ik geef haar haver en goed hooi, En, om zoo te zeggen, zuiver strooi.
(Alkmaar).
Wie wil rijden met behagen Moet naar Willem Stallaert vragen.
(Antwerpen).
Veerhuis:
In dit veerhuis, heel plesant, Ziet men de scheepjes aan alle kant Het Maasje op en neder varen; God wil dit huis van leed bewaren. Hier Tapt men Genever, Brandewijn en Bier.
(Besooien).
De volkskunst, met name de dekoratieve kunst, spreekt verder uit de uithangborden: uit vorm, voorstelling en opschrift. Daarin vertelt een stad haar geschiedenis; daarop leest men, waardoor een plaats bloeide of bloeit, bespiedt men een stuk van het maatschappelijke en huiselijke leven; maar daarin weerspiegelt ook de kunstzin der gemeente.
Wat hun oorsprong betreft, dezen zoek ik gaarne met Van Lennep en Ter Gouw in de heraldiek: het huis van den poorter was zijn kasteel, en dit moest geblazoeneerd worden met wat hij zich tot zinnebeeld gekozen had. Zoo verklaart men hun algemeenheid en het bijzonder type van sommige, b.v. in den Rooden Leeuw. Het symboliseeren van ambten en bedrijven zelf kende men echter in het oude Rome reeds evengoed als tegenwoordig: men vond daar een krans vóor een herberg, een geit vóor een melkinrichting, een molensteen vóor een bakkerswinkel enz. Voor de geschiedenis der uithangteekens verwijs ik naar het uitvoerige werk van genoemde schrijvers: De Uithangteekens in verband met geschiedenis en volksleven beschouwd. 2 dl. (Amsterdam 1868).
Als heraldische figuren vermeld ik de Kroon, of de Drie Kronen, de Keizerskroon, de Landbouw enz., voornamelijk aan de herbergen. Dit geldt evenzeer voor de Helm, het Schild, de Gouden Leeuw, de Roode Leeuw, de Roos, de Meermin, het Kruis. Ook dragen tegenwoordig meerdere hotels nog de wapens van landen, steden of personen. Andere uithangteekens zijn zinnebeeldig: de Liefde, de Trouw, de Eendracht, of ontleend aan den Bijbel: Adam en Eva, de Arke Noachs, de Geduldige Job, de Jonge Tobias, de Vlucht naar Egypte, de Samaritaansche Vrouw (b.v. te Alkmaar op de Groenmarkt), de Drie Koningen (o.a. te Amsterdam in de Paardenstraat), enz. In Katholieke streken komen de heiligen veel voor: Sint Andries, staande naast of gebonden op het Andreaskruis, Sint Barbara, staande naast of dragende op de hand den toren met de drie vensters, Sint Hubertus, vooral in België, Sint Jacob, Sint Joris, Sint Maarten, Sint Krispijn, Sint Pieter. Ook ontleent men aan de mythologie of aan het volksverhaal, vroeger natuurlijk belangrijk meer dan thans: de Dorstige Pleiaden, de Ridder met de Zwaan, de Vier Heemskinderen, de Gelaarsde Kat. Van historischen aard zijn het Schip van Damiate, o.a. te Amsterdam, in den Preekboom, te Clercken in België, de Tiende Penning, te Brielsch Nieuwland; ook schuilt in de uithangborden menige plaatselijke overlevering. Van merkwaardige personen noem ik Floris de Vijfde, Paus Adrianus, Erasmus. Vroeger hadden de uithangborden opvoedkundige waarde: want zij onderwezen het volk in de geschiedenis en de jeugd in het lezen; ook vervingen zij feitelijk de naambordjes der straten en deden dus als goede wegwijzers dienst, even praktisch als typisch en schilderachtig.
Nog steeds hebben sommige beroepen en bedrijven vaste uithangborden. Sommige apothekers en drogisten voeren den Vijzel of den Gaper, dezen waarschijnlijk, dewijl de zieke immers moet gapen, om zijn tong te laten zien, en eveneens tot het slikken der artsenijmiddelen. Kleermakers voeren de Schaar, metselaars de Troffel, smeden den Gouden Sleutel en het Proefslot, hoedemakers den Hoed, barbiers het Scheerbakje of de Kwast, herbergiers het Vat, slagers het Varken, bakkers het Brood, schippers het Schip, terwijl de Klok voor herbergiers, winkeliers en kooplieden van allerlei slag geschikt lijkt. Ook ziet men nog vaak een Moortje of Moriaan boven een tabakswinkel, Koffiebaaltjes boven een kruidenierswinkel, een Theeboom boven een theewinkel, een Haring boven een vischwinkel; terwijl het wapen van een stalhouder Twee tegen elkaar opspringende Paarden zijn op de staldeuren met het opschrift: "hier stalt en verhuurt men paarden en rijtuigen."
De meest voorkomende uithangteekens van hotels, herbergen en kroegen zijn wel: de Krans, de Toelast (groot wijnvat), 't Zwijns-hoofd, 't Zwaantje, 't Dorstige Hart, de Wildeman, de Reizende Man, de Druif, de Wijnberg, de Bok. Boven een pothuis ziet men nog wel eens den kruier in de uitoefening van zijn bedrijf en daarbij de legende: "Jan de Kruijer klopt Tapijte." Maar het bordje met Water en Vuur en bijbehoorenden ketel, die te vuur staat, zal wel met de water- en vuurkelders tot het verleden behooren. Ten slotte vermeld ik nog de Zon, de Maan (te Utrecht op de Lijnmarkt ziet men een gevelsteen: in de Vergulde Maan), de Beer, de Olifant, het Hert, het Paard, de Kat, de Haan, de Zwaan, de Papegaai, de Snoek, de Oranjeboom, de Lelie enz. enz.
De uithangteekens worden veelal door rijmpjes geïllustreerd. Ik geef enkele staaltjes.
Te Bontebok, een gehucht bij Heerenveen, vóor een herberg, waar de Bonte Bok uithangt:
Vrienden ik ben een bok, Een bok ben ik geheeten, Menigeen is een bok, Maar hij wil 't niet weten.
Uit Friesland:
Aan de eene zijde staat een varken, dat zal geslacht worden; daaronder leest men het rijm:
Dit varkentje heeft veel verdriet, Maar dat weten de varkentjes aan de andere zijde niet.
De andere zijde stelt een weide voor, waarin varkentjes rondloopen; daaronder staat:
Deze varkentjes loopen in de wei, Maar dat weet niet het varkentje aan de andere zij.
Onder een voorstelling van hond en haas;
Dit is de honte, en dat is de hoaze, En omdat ik ben 'n meester en boaze, Zet ik d'r onder: Dit is de honte, en dat is de hoaze.
Kaïn en Abel op een bakkerswinkel:
Kaïn sloeg Abel dood Al om een hoekje, Hier verkoopt men wittebrood En ook een koekje.
Te Maastricht vindt men een blauwen gevelsteen, waarop een Engel, eertijds uithangbord, met dit rijmpje:
In den Engel bemind, Treê binnen mijn vrind, Hier tapt men met pleizier Jenever en bier.
Te Delft boven een herberg, die Sint Joris voert:
In Sint Joris vol van waarden Tapt men wijn en bier en stalling voor de paarden.
Te Eindhoven hangt, of hing tot voor kort, boven een kroeg een Rustende Schutter uit, met het opschrift:
Rust met lust En drinkt met maten, Maar die geen centen heeft Moet het drinken laten.
Voor een huis, waar de Mosterdpot uithangt:
Ik lever uit Een zeldzaam kruit, Daar zijnder weinig in de stad Of 'k heb ze bij de neus gehad.
Te Dordrecht in de Nieuwstraat staat onder een Molen en een Zeilend Scheepje bij een kruidenier:
Ik laat alle winden waaijen En alle molens draaijen En alle waters vloeijen, En ieder zich met het zijne bemoeijen. Gedult overwind alles.
Een Bijenkorf vindt men niet alleen bij koekbakkers, maar ook bij kantwinkels; aldus te Rotterdam:
In de Bijkorf verkoopt men kant, Geen beter in 't Lant, Voor geld contant Strak in de hant.
Als karakteristieke uithangborden, voorkomende in het Land van Waas, worden ons door A. Vee in Volkskunde XVI, bl. 116, medegedeeld: de Boerentroost, de Vuile Gevel, Rust wat, in Trien goed bier, de Kilopint, Bij Baasken Zat enz. Ook vindt men hier o.a. de volgende berijmde uithangborden:
Te Melsele:
Ik woon op den Smoutpot alhier, Hebt ge geld, dan heb ik bier, Hebt ge er geen, dan staat er Hier naast een pomp met water.
Te Clinge:
Dorstig hartje, moe van 't gaan, Kom eens binnen in de Zwaan, Er woont een man alhier, Die schenkt genever en bier.
Om nu verder de dekoratieve volkskunst in oogenschouw te nemen, treden wij wederom het woonhuis binnen.
In menige volkswoning vindt men heden nog zorgvuldig ingelijste bidprentjes, vooral in het zuidelijk volksgebied. Met "bidprentje" bedoel ik niet "doodenprentje" of "doodsprentje", een begripsverenging van lateren datum; maar wel het oude en oorspronkelijke herinneringsprentje of -beeldeken, in kopergravure, gekleurd of ongekleurd, met berijmde gebeden, terwijl de herinnering aan de religieuze gebeurtenis, meestal eerste kommunie of vormsel, op de achterzijde geschreven staat. De gekleurde sanktjes kwamen vooral sedert de XVIIIe eeuw in zwang. De oorsprong der berijmde gebeden is meestal duister--het is immers volkspoëzie--, enkele hebben hooge dichterlijke waarde. Zoo b.v.:
Verzuchting tot Maria.
O Maria, graci-bron, Schooner als de gulde zon, Klaerder als de zilvre maen, Die men 's avends op siet staen. Oversuyver leli-bloem, Uitgelezen Maeghden-roem, Bidt u allerliefste kindt, 'T geen ghij boven al bemint, Dat mijn duijsterheijt verdwijnt, En sijn gratie mij beschijnt, Op dat ick geheel verlight Magh voldoen aan mijne plicht.
Aanroeping tot Maria Magdalena.
Sondaeres, die Christi voeten Met boetveerdigh nat begiet, Om uw sondig quaedt te boeten, Jesus door genade schiet In uw ziel een soeten regen, En hij wascht uw smetten af: Gij verkrijght den hemel-seghen, Vrij van sonden ende straf. Jesu! geeft mijn herte suchten En mijn oogen droef getraen, Opdat ick de sonden vluchten En beween', die 'k hebb' begaen.
Ook de huiszegen wordt zorgvuldig ingelijst aan den muur gehangen, bij voorkeur in de huiskamer. De gangbare voorstelling is die van Christus aan het kruis, met bijgevoegd gebed "tot den Zoeten Naam Jezus en Zijne lieve heiligen." Gods zegen wordt afgesmeekt over "het huis en al wat daar in en uit is; menschen en vee, alle eten, spijs en drank, en wat daar dakdruppelen ontvangt, dat zij gebenedijd en gezegend!" Aldus moge het gezin in den ruimsten zin, menschen en vee, gevrijwaard blijven voor alle ziekten en rampspoed. "Het heilig kruis van Jezus Christus zij het dak van dit huis; de Nagels van Jezus Christus de huisgrendels en de sloten aan de deuren; de doornen Kroon van Jezus Christus het schild van dit huis!"
In Vlaanderen zijn de meeste huiszegens afkomstig van de firma Brepols en Dierckx, Zoon, te Turnhout; dan ook van de firma Beersmans, zuiver van uitvoering en kleur.
Men vindt verder nog vaak den Duivelsdans, "den dans in eenen kring, welkers middelpunt den Duyvel is, en den omtrek alle zijne rondom staande engelen". Lucifer wordt voorgesteld ruw behaard, met hoorns, bokspooten en een langen staart, in de linkerhand een slang, in de rechter een haak. Hij leidt den dans, uitgevoerd door 34 gevallen engelen. Binnen in den kring bevinden zich nog drie muzikanten en verder dansers, drinkers en herbergiers. Buiten den kring worden de hoeken gevuld boven links door een vrouw, voor een Mariabeeld geknield, rechts door een vroom gezin, in gebed voor een kruisbeeld; beneden links een weenende vader, rechts een bedroefde moeder.
Daaronder staat een liedeken, welks eerste strofe luidt:
Let hier wel, die zijn genegen, En wiens hert vliegt tot den dans, Wat het werk is, 't geen zij plegen, Eer zij wagen nog de kans. Lucifer is daer in 't midden, Hij speelt meester van de bend'; Zonder men het kan verbidden Met zijn haek uw ziele schendt.
Een andere zeer geliefkoosde prent is de Trap des Ouderdoms, waarschijnlijk van Franschen oorsprong (firma Pellerin te Epinal). Op een stijgende en dan weer dalende trap van negen treden staan paren onder de--oorspronkelijk Fransche--opschriften: Age de l'adolescence 10 ans; âge de la jeunesse 20 ans; âge viril 30 ans; âge de discrétion 40 ans; âge de maturité 50 ans; âge déclinant 60 ans; âge de décadence 70 ans; âge caduc 80 ans; âge de décrépitude 90 ans. Beneden links ziet men het kind in de wieg, bewaakt door zijn beschermengel. Daarnaast kinderen van 3 en 4 jaar. Rechts beneden twee honderdjarigen op hun sterfbed; een engel wijst zegevierend ten hemel, terwijl de satan in wanhoopskronkelingen zich wentelt over den grond. Verder zijn nog in medaillon-vorm over de plaat verspreid de voorstellingen van het laatste oordeel, het doopsel, het vormsel, de eerste kommunie, het huwelijk, de begrafenis.
Ter bescherming tegen de ziekten van het vee vindt men veelal ook voorstellingen van de H. Birgitta of Brigitta, te midden van het vee. In het bijbehoorend gebed worden hare openbaringen vermeld.
Als versierselen van de volkswoning mag ik ook de processievaantjes niet voorbijgaan. Het zijn vrome trofeeën, uit bedevaartplaatsen meegebracht; vroeger tooiden zij hoed, huifkar en paard, thans de fiets, en thuisgekomen krijgen zij een eereplaats bij den schoorsteen,--de eigenaardige, driekantige, bont-gekleurde papieren vaantjes, waarschijnlijk een survival, althans een navolging van de aloude gilde-banieren. De voorstelling heeft doorgaans betrekking op de kerk der bedevaartplaats, of op het beeld of het leven van den heilige, daar vereerd. De meest bekende processievaantjes zijn wel die van Scherpenheuvel en, voor Noord-Nederland, van de Duitsche bedevaartsplaats Kevelaer. De verzameling van het Antwerpsche museum van Folklore telt 123 nummers, de verzameling van Heurck niet minder dan 236. Over deze processievaantjes zie vooral het opstel van Van Heurck in Volkskunde XXI, bl. 182.
Zoo kom ik als vanzelf tot de profane volksprenten of mannekesbladen, in Noord-Nederland vroeger floskaartjes, thans meestal centsprenten genoemd. In Noord-Holland en Friesland is de volksnaam echter van oudsher heilig; dit is natuurlijk zeer opmerkenswaardig, omdat de prenten, die heiligen voorstellen, er sedert eeuwen onbekend zijn. Wij hebben dus te doen met een overblijfsel uit de eerste dagen der volksprentkunst, waardoor tevens het oorspronkelijk religieuze karakter dezer kunst wordt bevestigd. Met vreugde en voldoening herinneren de lezers van meer gevorderden leeftijd zich stellig deze eenvoudige en toch zoo aantrekkelijke voorstellingen uit de dagen hunner jeugd. Thans worden zij met den dag zeldzamer. De voorstelling lijkt de kinderen-van-thans te grof, te onnoozel, het kleurenwerk te kakelbont.
Waar de Zondags-cent nog wordt uitgedeeld, besteden de kinderen dien gaarne aan hun centsplaat: vermaak voor de kinderen, vermaak ook voor de ouderen, die niet versmaden, 's avonds de legenden te lezen bij het lamplicht. Voorstellingen en kleur dezer prenten spreken allereerst tot de kleinen. De grove, zeg onhandige schets, de ìnbonte kleur pakt het kind, beeldt zoo treffend uit, wat sluimert diep op den bodem der kinderziel. Maar wat daar sluimert, gaat ook schuil in de ziel der ouderen, ligt besloten in de rijke schatkamers van het geheele volk. Daar is oogverblinding, daar ligt suggestie in de kleuren, zeer zeker; maar daar leeft ook karakter in die onbeholpen teekeningen, volkskarakter, dat deze prenten tot iets van nationale waarde stempelt. Want al ondergingen onze plaatsnijders den invloed van Frankrijk en Duitschland, door hun eigenaardige opvatting en bewerking, die voeling hield met den geest der omgeving, droeg en draagt hun werk den stempel van den Nederlandschen volksaard. Ik herinner slechts aan de treffend-mooie voorstelling van den Wandelenden Jood, "gelijk hij door Brussel trekkende is te zien geweest op den 22 April 1774"; prent en sage zijn op-ende-op Nederlandsch.
Een standaardwerk over de Vlaamsche volksprenten verscheen van de hand van Emile Van Heurck en G. J. Boekenoogen, getiteld: Histoire de l'Imagerie populaire flamande et de ses rapports avec les imageries étrangères (Bruxelles 1910). Zooals de titel reeds aanduidt, gaan de schrijvers in deze folklorisch-kunsthistorische studie verre over de grenzen van Vlaanderenland. Maar hoofdzakelijk behandelen zij toch het fondswerk der huizen Brepols, Delhuvenne, Glenisson, Van Genechten en Beersmans te Turnhout. Inderdaad is Turnhout het hart der centsprenten-industrie; ook zijn speelkaarten zijn wereldberoemd. Andere volksprenten zijn afkomstig uit Lier, Antwerpen of Schaerbeek.
De Noord-Nederlandsche volksprentkunst bloeide vooral te Amsterdam (Numan, Stichter, Van Staden); dan volgde Rotterdam (Thompson, Hoffers, Wijnhoven, Hendriksen) en Breda (W. van Bergen, C. W. G. van der Sande). De prenten, verschenen te Venloo en Gelder bij de Wed. H. en F. en C. Bontamps, zijn veeleer van godsdienstigen aard en houden verband met Turnhout. Later vonden de platen van de firma Rijnders te Amsterdam (Klein Duimpje, De Schoone Slaapster in het Bosch, Blauwbaard enz.) gereedelijk aftrek. Ook de Deventer prenten (J. M. de Lange) hadden een goeden naam; eveneens die van Zalt-Bommel (J. Noman en Zoon). Een poging, om de oude kunst te doen herleven, waagden omstreeks 1840 de uitgever Broedelet en zijn opvolger Schuitemaker te Purmerend. Rond 1860 ging de voorraad over aan Noothoven van Goor te Leiden. Vermelden wij ten slotte de "Nieuwe Hollandsche kinderprenten" van de Leidsche firma A. W. Sijthoff.
Thans is deze tak van volkskunst in Noord-Nederland zoo goed als dood, terwijl hij in België een kwijnend bestaan leidt. Want dood of kwijnend zijn smaak en belangstelling. De steendruk heeft de houtsnee alom verdrongen, en dit kwam de kunst niet ten goede. Want het groote gemak bij het weergeven van lijnen en schaduwen schiep nu een scherp kontrast tusschen het naïeve der voorstelling en het betrekkelijke raffinement der uitvoering. De houtsnee met haar hoekige, gemarkeerde omtrekken, haar breede kleurstrepen en haar sprekende kleurtonen stond beter in verhouding tot het onderwerp en bereikte een hooger dekoratief effekt. Ook hier: soort bij soort! De hedendaagsche prenten zijn pedant in haar streven naar beschaafdheid. Théophile Gautier had dit verval vermoed en gevreesd: "Fasse le ciel que la civilisation n'amène pas la décadence dans cette industrie primitive en la voulant perfectionner! Le progrès enlèverait tout caractère à ces images". Zie vooral V. Heurck en Boekenoogen, Imagerie populaire, bl. 19, 531 vlg.
De profane volksprenten danken hun oorsprong aan de religieuze, de stichtelijke volksvoorstellingen, die naderhand een meer algemeen karakter kregen. Verder dient opgemerkt, dat zij weinig verband houden met de letterkunde: niet op het gedrukte boek berusten zij, maar op het levende en gangbare volksverhaal, het volkslied, de volksluim.
Wat de bijgevoegde legende betreft, hiervan staat de kunstwaarde zeer laag. De verzen zijn stroef en gewrongen, de maat wordt zoo goed als verwaarloosd, men houdt slechts rekening met het rijm. Ook is de taal vaak zeer vrij en van platheid geenszins vrij te pleiten. Toch zijn zij belangrijk voor de volkskunde, in zoover zij veelal trouw de ruwe volkstaal weerspiegelen. Want ruwe scherts en vroolijkheid, evenzeer als zachte melancholie en teer gevoel, ligt in deze volksbladen besloten: zij zijn een onuitputtelijke bron voor de kennis van het volksleven. "Leur dessin grossier et primitif", zeggen zoo juist de schrijvers der Imagerie populaire in hun voorrede, "leur bariolage violent et fantastique ont un charme que n'ont pas les images d'aujourdhui; un charme et une beauté qu'on apréciera seulement quand le cosmopolitisme aura accompli son oeuvre néfaste d'uniformisation. Les hommes de demain regretteront amèrement de n'avoir pas connu dans leur enfance morose et sans poésie ces feuilles modestes avec leurs histoires attendries, merveilleuses ou plaisantes; cette imagerie de batailles où les tambours roulent, où les fifres sifflent, où les trompettes sonnent, où les boulets décrivent de glorieuses paraboles dans le ciel." In de volksprenten leeft het volk met zijn lief en leed, zijn fantasie, zijn kunst, zijn wetenschap, zijn kijk op de dingen-om-hem-heen.
Menschen, dieren, planten, huizen, steden zijn dan ook op zeer eigenaardige wijze voorgesteld. De prentensnijder, zelf man uit het volk, wist aan sommige bijzonderheden het noodige reliëf te geven, hier aan te dikken, daar te verzwakken, overal te vormen en te vervormen naar willekeur. Vandaar, dat alle pogingen vooraf reeds met onvruchtbaarheid geslagen waren, zoodra een klassiek-gevormd kunstenaar, niet-volksman, er zich toe zette, om de volksprenten te hervormen en te veredelen: zijn werk vond geen aftrek. De volksziel had hij niet weten te beluisteren en te vertolken.
Een der schoonste voorstellingen, en het meest geschikt voor muurdekoratie, is wel de Haan, vooral in zijn oudste, kleurige drukken. Te midden van een landschap, met een hoeve op den achtergrond, staat hij recht, in heraldische houding, met opgestoken kam, de borst vooruit, den linkerpoot omhoog. De legende luidt:
Komt kinderen ziet dez' wakkere Haan, Die u tot nijverheid spoort aan.
Later was de Hond meer gewild, minder schoon van teekening en ook van geringer dekoratieve waarde. Het rijmpje luidt:
Ziet, kindren lief, deez' trouwe hond Wacht zeker, tot zijn meester komt.
Bij een andere voorstelling vindt men:
Ziet hoe dit hondje zittend wacht, En op den wenk zijns meesters acht; Gij kinders, wie gij zijt, Wil allen hieruit leeren, Om ook uws meesters les Ten hoogste te waardeeren.
Natuurlijk wordt de Kat, het huisdier bij uitstek, niet vergeten. Zij wordt voorgesteld, gezeten op een hoek van de tafel. Daarboven als opschrift:
Geen nutter dier voor rot en muis, Als een mooi katje in uw huis, Want het doorsnuffelt alle hoeken, Om dit gedierte op te zoeken.
Onder een andere voorstelling, die een Uil als pendant heeft, leest men:
O uil, gij doet mij onregt; Het muisje was mij toegelegd.
Onder den uil:
Ja kat, dat heb ik wel geweten, Het ongegunde brood wordt meest gegeten.
Men ziet het drieledig doel dezer kinderprenten: leeren, ontspannen en versieren, maar zóo eng verbonden, dat het versieren wordt tot een leerzame ontspanning. Zij beginnen deze taak met het bekende letterspel:
Ziet knaapjes, ten geschenk een fraaie prent; En zorgt, dat ge weldra hiervan de letters kent.
Dan worden verscheiden voorwerpen beschreven uit de allernaaste omgeving: de klok, de leunstoel, de hooiberg; verder het schip, het vaandel, het orgel, de gevangenis; dan krijgen boomen en dieren een beurt. Spoedig volgen de kleurige prenten met de "mooie mannen": dragonders, geniesoldaten, grenadiers, lansiers, kanonniers, gendarmen, ja zelfs de schutterij blijft niet onvermeld:
Schutters, beschermt de stad, stelt daarin uwe eer, Dit moet de Burger doen, ja zelfs de grootste Heer; Staat Nederlanders pal, met moed voor 't Vaderland, Wanneer door 's vijands zwaard den Staat wordt aangerand.
En wat een kranige figuren, die trommelslagers der Koninklijke garde!
Inmiddels worden de kinderen ingewijd in de kennis der straatroepen, bedrijven en ambachten.
Onder een kapperswinkel ontmoeten wij deze legende:
Wij snijden het haar en scheren den baard, In onze hand is een ieder vervaard.
Het didaktisch element treedt meer op den voorgrond bij rijmpjes als dit (onder een jongen met een drijftol):
De drijftol loopt nooit zonder slagen, Gehoorzaamheid moet u behagen.
Maar vooral toch bij de dierfabel. Hier is men, met afwijking van den gewonen regel, herhaaldelijk van Lafontaine uitgegaan. Ook de geschiedenis wordt bedacht; en zoo vinden wij in beeld en rijm de voornaamste levenstrekken van Napoleon, van Prins Willem I, tafereelen uit den Russisch-Turkschen oorlog, uit de onlusten in Polen, het leven van Van Speyck enz. Groote vermaardheid heeft ook de Poolsche koning Poniotowski; en menig lezer herinnert zich nog wel Poniotowski's afscheid:
Poniotowski zeer gezwind Neemt afscheid van zijn vrouw en kind;
of ook zijn dood in de gezwollen wateren van de Elster. Zuiver-didaktisch zijn verhalen als die van de Twee Geburen, waarin de gierigheid de wijsheid bedriegt; verder de Scholier en de Bij, welk verhaal tot arbeidzaamheid prikkelt; het Kind met de Wesp; Grootvaders Geschenk; Leugentaal gestraft; Loontje komt om zijn Boontje, enz.
Tot de meest schalksche, inderdaad boeiende, ontspannende kindervertelsels behoort wel het verhaal van Jan den Wasscher, ook Jan den Aap of Lammen Goedzak geheeten. Ik laat de legende hier volgen:
Ziet Jan hier met een popje spelen; Mij dunkt het moet hem ras vervelen.
Wel Jan, wat zijn dat rare dingen! Gaat gij met meisjes touwtje springen!
Neen, dat staat zeker nimmer goed, Een jongen met een meisjeshoed.
Zoo Griet, klimt gij zonder schromen Net als een jongen in de boomen!
Kom Griet, dat gaat nu toch niet aan, Laat 't knikkren voor de jongens staan.
Nu kan het toch niet erger zijn, Zij speelt de rol van kapitein.
Griet vangt met Jan het vrijen aan; Ik vrees, dat dit niet goed zal gaan.
Jan laat zich door den priester trouwen, Dat huwlijk zal hem onheil brouwen.
Hier is de orde al te zoek, Griet ruilt hier broek voor schorteldoek.
Griet wil van geen huiswerk weten, Daarom kookt nu Jan het eten.
Als Griet en Jan aan 't eten gaan, Mag hij niet zitten, maar moet staan.
Ziet Jan eens in het water plassen, Om toch de vaten schoon te wasschen.
Nu is Jan aan 't glazen spuiten, En breekt bijna al de ruiten.
Uw onheil, Jan, is nauw te peilen; En toch moet gij de stoep nog dweilen.
Het wasschen is geen mannentaak, Maar wel het is der vrouwen zaak.
Terwijl dat Jan het huiswerk doet, Sjouwt Griet op straat met mannenmoed.
Dat Jan hier in het ziekbed lijdt, Maakt haar, dat spreekt, met recht verblijd.
Jan bakert 't kind, wat zegt ge er van? Want Jan is vrouw en Griet is man.
Jan wil het kind voor honger hoeden, Zal 't met een lekker papje voeden.
Als zijn kindje huilen wil, Houdt hij 't met een popje stil
Nu het kindje loopen leert, Wordt de vreugd van Jan vermeerd.
Daar het kind ondeugend is, Slaat hij met de roê niet mis.
Omdat Jan het heeft verbruid, Jaagt hem Griet den huize uit.
Jan en Griet bespreken beiden, Waartoe hun kind op te leiden.
Dit thema is eigenlijk slechts een onderdeel van het meer algemeene onderwerp: de Verkeerde Wereld, herhaaldelijk in de volksprenten en in de volksliteratuur van alle landen behandeld. In deze omgekeerde orde van dingen leert het kind de moeder, kruipt de man in het hondenhok, leidt de blinde den ziende, rijdt de knecht, terwijl de koning te voet loopt, staat de vrouw op schildwacht, rookt het wijf en draagt een broek, draagt de man den ezel, scheert men het varken om de wol, laat men den dief loopen, terwijl de eerlijke man wordt opgehangen.
Nu volgen de sprookjesprenten; maar wie zal zeggen, waar de grens loopt tusschen de geschiedverhalen en de bonte sprookjes van het gulden wonderland? Op het grensgebied liggen wel stellig de geschiedenis van Cartouche, de geschiedenis van Robinson Crusoë, de Antwerpsche Schipper, de geschiedenis van Genoveva van Brabant, van Tijl Uilenspiegel. Maar in het hartje van het wonderland liggen: het Betooverde Kasteel, de Betooverde Harp, Klein Duimpje, de Prins met het houten Hoofd, de Luchtprinses, de Betooverde Vijl, Luilekkerland, de Gelaarsde Kat, Roodkapje, Blauwbaard, de Zwarte Ridder, Ezelsvel, de Reiziger en de Reus, de Wraak van den Duivel, het Betooverd Paleis, Asschepoester, Kinderschrik, Maria, het kind der Toovergodin,--tafereelen en verhalen, die wij met stralend oog en kloppend hart hebben genoten in koortsige spanning en zaligen kinderangst.
Wil de lezer, wien het kinderhart nog in den boezem klopt, soms niet een oogenblik zich nog kind wanen, bij het lezen van Klein Duimken's lotgevallen?--De onderstaande lezing verschilt eenigszins van die der bijgaande prent.
Klein Duimpje, uit een kool gekomen, Wordt door de moeder aangenomen.
Hij werd, of wel d'historie liegt, In eenen holleblok gewiegd.
Ziet, zegt hij, hoe ik leerzaam ben, Ik schrijf met eene musschenpen.
De meester jaagt de school hem uit, Hij vlucht zijn huis in langs een ruit.
De moeder zegt: wel dat is fraai, En vindt hem in de eetschapraai.
Gaat, om zijn moeder meer te tergen, Zich achter eenen bessem bergen.
Hij wordt koewachter, zoo gij ziet, Doch laat hij zijne perten niet.
Wil in den kelder melk gauw drinken, Doch moet schier in de teil verdrinken.
Droogt aan een vuur zijn natten kop, Een koe, die slokt hem levend op.
Dees vette koe wordt door den pachter Terstond verkocht aan eenen slachter.
Zoo haast de man het beest legt open, Komt Duimken uit haar lijf gekropen.
Hij vaart in eene nootschelp hier Voor zijn vermaak op een rivier.
Men gaat hem, door de koorts geslagen In eenen hoed naar 't gasthuis dragen.
Genezen zijnde, leert de fiel, Uit nood hier den zeeldraaiers-stiel.
Hij stuurt hier, zoo zijn kracht behoort, Zijns meesters kempewagen voort.
Dwaalt in een bosch en ziet met schroom Een wolf ... hij kruipt op eenen boom.
Hij vindt een bedelaar slapen; strak Steelt hij zijn eten uit den zak.
De man ontwaakt, dreigt 't fieltje dol, Maar 't kruipt in 't gat van eenen mol.
Terwijl de beedlaar 't molgat sluit, Kruipt Duimken langs een ander uit.
Steelt fruit, dat hem in de oogen blinkt, Maar rolt in 't water en verdrinkt.
Onze volksprenten stellen zich ook ten doel, de kinderen binnen te leiden in den feestkring van het feestelijk jaar in Groot-Nederland. Dit jaar begint met Sint Maartensdag (I, bl. 103), en zoo zien wij dan ook op een centsprent de voorstelling van een Sint Maartensvuur, waar een jolige schaar om heen danst. Daarboven leest men:
Het is Sint Maarten, als men ziet aan 't helder vuren Der knapen, die om turf en brandhout bij de buren Zijn rond geweest en 't ook bekomen hebben, blij Met hun Sint Maartenszang, en nog wat geld er bij.
Achtereenvolgens wordt nu gewezen op de volksheiligen Sint Katharina, Sint Andries, Sint Elooi, Sint Nikolaas, Sint Pieter, Sint Hubertus e.a. Prent no. 144 van de firma Brepols geeft een zeer sprekende, pakkende voorstelling van het rijden van Sinterklaas over de daken; wij zien, hoe het paard van schoorsteen tot schoorsteen springt. Maar diezelfde prent brengt ook de liefdadigheid van den volksheilige in beeld, zijn vergelden van kinderdeugd en -ondeugd, zijn patroonschap over de stad Amsterdam:
Vier eeuwen is het reeds geleden, Dat men in 't magtig Amsterdam Hem tot Patroon of Schutsheer nam, En als een heilige heeft gebeden.
Treffend in haar eenvoud is ook de prent van Kerstnacht. In het stalleken van Bethlehem toont Maria het kindje Jezus aan de aanbiddende herders. Achter Maria staat Jozef, in overweging verzonken, geleund tegen een koe. De ezel vreet van het hooi der kribbe. Boven, hoog in lucht, een stoet van zwevende engelen; daaronder een bandelier met de woorden: Gloria in excelsis Deo.
De prent der Koningsbrieven is bestemd, uitgeknipt te worden op Driekoningendag. Zooals ik I, bl. 147 zeide, bevat zij een volledig stel afbeeldingen voor zestien personages. Ziehier enkele eigenaardige rijmpjes (andere zijn plat en onkiesch):
De Koning.
Ik ben koning van de vrienden, Mannen! spaart mijn tafel niet. 'k Heb niet lang zooveel bedienden, Dus intusschen geen verdriet.
De Voorproever.
Om scherp in mijn ambt te treden, Neem ik 't glas, dat men mij gaf, Dat verzacht en hitst de reden En men lekt zijn vingers af.
De Zot.
Wil op 't woord des konings drinken, Want, die mist op zijn gebod, Zal ik wel zoo zwart doen blinken Als het gat van dezen pot.
Nog rest mij te spreken over de kinderspelen, de prenten bestemd voor het spel te worden opgeplakt. Laat ik vermelden het Uilebord, het Harlekijnspel, en vooral het Ganzebord, met zijn "van ouds vermaard" en telkens weer "nieuw vermakelijk" ganzenspel.
Het is een echt huiselijk en tevens nationaal spel, pleitende voor de populariteit van den gansvogel in onze landen. Hoe vaak hebben wij met het ganzenspel, bij het schijnsel der olielamp, de winteravonden van Zon- en feestdagen gekort! Ook ouderen namen aan het spel deel. Die op de brug kwam, moest tol betalen; die in de herberg kwam, betaalde den inzet en moest zijn beurt laten voorbij gaan; die in de put kwam, betaalde eveneens den inzet, en bleef daar zitten, tot hij verlost werd; die in den doolhof kwam, betaalde den inzet en telde drie terug; die in de gevangenis kwam, betaalde en bleef daar, tot hij verlost werd, die--o schrik!--op den dood kwam, betaalde den inzet en moest van voren beginnen.--Zie nog Emile van Heurck, De Vlaamsche kinderprenten in Volkskunde XXII, bl. 24 vlg., 70 vlg., 101 vlg.
De bekende centsprent, die de komische volksfiguur van Harlekijn voorstelt (met het Harlekijnspel), geeft mij aanleiding een enkel woord te zeggen over het volkstooneel. Want Harlekijn is een type van ons volkstooneel en wij allen kennen hem, met zijn bont lapjespak, pruik, kanten kraag en houten zwaard. Hij is echter meer in het zuidelijke, dan in het noordelijke volksgebied thuis en kwam door Fransche bemiddeling tot ons; zelfs is hij, volgens de onderzoekingen van Driesen, oorspronkelijk van Fransche herkomst, en niet van Italiaansche, zooals men gewoonlijk aanneemt. De meest algemeen-nationale komische volksfiguur is onze Jan Klaassen, met zijn twee bochels en zijn krommen neus. Ook draagt hij de typisch Hollandsche kleederdracht; stellig is hij een internationaal type, maar wederom aan Hollandschen aard en Hollandsche zeden aangepast. Schijnbaar is hij naïef van aard, doch dit is slechts een geveinsde naïeveteit, die ten doel heeft, de dwazen beet te nemen.
Hij is ook de held van het Noordnederlandsche poppenspel, dat eveneens internationaal van aard, op Nederlandschen bodem een zeer bepaald karakter heeft aangenomen. In de XVIIe eeuw deed de Duitsche Hanswurst zijn blijde intrede in Nederland, maar hier werd hij weldra verdrongen, eerst door Hans Pekelharing, later door Jan Klaassen.
Vroeger had het marionetten- of poppenspel een vasteren vorm en vond men het b.v. in bepaalde stadswijken te Amsterdam; thans reist het over land. Wellicht ontmoet men hier of daar nog het traditioneele opschrift, dat Jan en Kathrijn vasthouden, terwijl Jan er naar wijst:
Elk past op zijn zakke.
Nog zien wij, hoe Jan in zijn slaap door vlinders wordt gestoord. Dan roept hij den Dood, om hem te verlossen; maar als de Dood komt, verjaagt hij hem met zijn knots. Met zijn befaamde klompen beslecht hij een twist tusschen zijn vrouw en een buurvrouw. Om een degenstoot te ontwijken, laat hij zich ter aarde vallen en speelt den doode. De geneesheer komt, maar Jan springt op en spot met de geneeskunst. Hij wordt door honger en gebrek bedreigd; geen brood in huis,--en Jan weet niets beters te doen, dan de kinderen om zich te laten dansen, die hij dan zonder eten naar bed stuurt. Eindelijk komt het pakkende slot met den grooten draak, die hem van het tooneel verdrijft.
In België vindt men het vaste poppenspel nog te Luik en Brussel, maar vooral te Antwerpen, het "Poesje" waarvan Ary Delen in zijn keurig artikel over het Poppenspel in Vlaanderen in Elsevier's Geïll. Maandschrift schrijft: "Hoe onwaarschijnlijk het ook sommigen al moge lijken, toch is onze karakteristieke Poesje de eenige, uitsluitende uiting op tooneelgebied, die geen haarbreed geweken is van de eigen tradities van het vlaamsche, en meer bizonder van het antwerpsche volk, dat steeds, meer nog wellicht dan om het even welk ander, een steeds hunkerende behoefte heeft aan spel" (Jan.-Juni 1910, bl. 100). Men vindt daar de vaste volkstypen van de Veldheer, Pater Franciscus, Lodewijk, de Kolenbrander, de Prinses van Turkije, de Reus Glas, Valentijn en Oerson, de Prinses van Spanje en van Majorka, de Kop, de Neus, de Grijze, de Schele; daar worden opgevoerd: De Vier Aymonskinderen, Oerson en Valentijn, Jan Onversaagd, Malegijs en Vivien, De Zeven Leugenaars enz.
Deze en dergelijke volksvertooningen hebben voor ons ook daarom vooral waarde, dewijl zij voor een groot deel de kiemcel vormen van het kultuurtooneel onzer dagen. De abele spelen, de kunstig bewerkte, ingewikkelde vertooningen, gaan zonder twijfel terug op het kerkelijk mysteriespel, een volksspel, dat weer stoelde op het liturgische drama. Maar de korte, eenvoudige klucht heeft zich waarschijnlijk eenerzijds ontwikkeld uit het poppenspel en anderzijds uit de volksvertooningen en volksoptochten bij de feesten van Driekoningen, Vastenavond, Paschen, Pinksteren enz., waarover ik uitvoerig in het Eerste Deel gehandeld heb. Ik herinner ook aan het dramatische draaksteken, I, bl. 272. Het kluchtspel vooral was gedurende eeuwen de spiegel van het Nederlandsche volksleven, door een Teniers, Van Ostade, Jan Steen e.a. zoo voortreffelijk op het doek gebracht. Tot het kluchtspel behoort ook het kermistheater.--Zie J. van Vloten, Het Nederl. Kluchtspel van de XIVe tot de XVIIIe eeuw (Haarlem 1854); J. A. Worp, Geschiedenis van het Drama en van het Tooneel in Nederland, 2 dl. (Groningen 1904).
DE VOLKSWETENSCHAP.
De behandeling der volkswetenschap zal uiteraard heel wat beknopter zijn dan die van de volkskunst. Want het volksleven is veel meer gevoels- dan geestesleven. Zelfs op het veld der wetenschap doet dit gevoelsleven zijn rechten gelden en verkiest het de bekoorlijke, dichterlijke, fantastische verklaring boven den soberen, logischen redeneertrant. Een sprookje is het volk liever dan een betoog. Zoo vertroebelt het gevoel de volkswetenschap en maakt ze in zekeren zin tot een kunstvorm.
Wetenschap is systematische oorzakelijke kennis; zij vereischt een bewust en methodisch streven naar het ware, onder eenheid van gezichtspunt. Ook de volkswetenschap streeft naar oorzakelijke kennis, naar verklaring van taalvorm, bloem, mineraal, rotsgedaante, ziekte, kracht der geneesmiddelen, weêrverschijnselen enz. En zoo komen wij weer tot een overeenkomstig resultaat als bij de overige faktoren der volkskultuur, dit namelijk: dat de volkswetenschap in wezen niet van de kultuurwetenschap verschilt. Maar afgezien nog van het feit, dat het volk zich niet bewust is, wetenschappelijk werkzaam te zijn, is het oordeel zoo min gescheiden van de fantasie, dat van een zuiver-methodisch waarheidsstreven geen sprake kan zijn.
De volkswetenschap is absoluut onkritisch. Bij de induktie worden de afzonderlijke gevallen zelfs met geen zweem van kritiek onderzocht, terwijl met de negatieve gevallen geenszins rekening wordt gehouden. Wanneer het volk zegt: "Groene Kerstmis, witte Paschen", dan brengt het de witte Paschen met de groene Kerstmis in een oorzakelijk verband; maar gebrek aan methode maakt de konklusie ongewettigd. Zoo ziet het volk ook een oorzakelijk verband tusschen de maan en het weêr, maar mocht het tot een verklaring komen, dan zou deze meer op een natuurmythe lijken, dan op een kultuurwetenschappelijke redeneering.
Toch wil het mij voorkomen, dat de kultuurwetenschap feiten der ervaring van het volk kan overnemen, om die te toetsen en te louteren,--en ook wellicht iets van het pieteitsvolle en opgewekte zijner natuurbeschouwing.
I. Volksetymologie.
De term "volksetymologie" heeft tot heel wat misvattingen en discussies aanleiding gegeven. Het eerst gebruikt in de Zeitschrift für vergleichende Sprachforschung XXIII door W. Förstemann, die in het vervormen van sommige woorden in den volksmond een bewijs van kerngezonden volksgeest zag, won deze benaming steeds meer veld, en hiermee gepaard ging een nader onderzoek van het gesignaleerde verschijnsel; ik noem slechts de namen van Max Müller, Andresen, die heel wat materiaal verzamelde in zijn Deutsche Volksetymologie, Moltzer en Verdam. Langs psychologischen weg werd naar verklaring en schifting gezocht door Steinthal, Paul en Wundt. Zoo ontstond over dit onderwerp een uitgebreide literatuur, waarvoor ik verwijs naar het artikel van den Zweed Kjederquist in Paul und Braune's Beiträge XXVII, en vooral naar de zuiver opgezette en rijk gedokumenteerde studie van C. de Vooys in de Nieuwe Taalgids II, bl. 273 vlg.
Wanneer ik hier de volksetymologie als onderdeel van de volkswetenschap behandel, dan is dit, omdat ik hierdoor eerst en vooral versta: "onbewuste klank- en begripsassociaties met of zonder wijziging van den woordvorm". Zij zijn beslist eigen aan de volkstaal met haar spontanen drang en vrijen loop, en dringen van hier de kultuurtaal binnen. Uiteraard spelen zij ook een groote rol in de kindertaal. Gelijkwaardige verschijnselen zijn dus b.v. het gangbare zondvloed, uit het Oudhoogduitsche sin-vluot "groote vloed", door het volk met "zonde" in verband gebracht, en het kinderlijke lepeltraan voor levertraan. Men zal mij wellicht tegenwerpen, dat onbewuste verschijnselen toch allerminst tot het domein der wetenschap behooren, zij het ook der volkswetenschap; waarop ik antwoord, dat het volk zich wel van zijn handelen bewust is, maar niet van het feit, dat het woordverklaring geeft, en nog minder van den wetenschappelijken ondergrond dezer handelwijze, die eenvoudig hierin bestaat, dat het volk geen genoegen neemt met het onbekende. Zoo werd het onverstaanbaar geworden sin vervangen door of liever vervormd tot het bekende zond(e) niet omdat men iets wilde veranderen, maar dewijl men meende, dat dit met het oog op het Bijbelsch verhaal wel aldus wezen moest.
Tot het domein der volksetymologie behooren dus niet: 1. Dilettantisme en beunhazerij op het gebied van woordverklaring, juist daarom zoo gevaarlijk, derwijl deze half-bakken geleerdheid zich voor onvervalschte kultuurwetenschap uitgeeft. Hierbij moet men echter in het oog houden, dat werkelijk-onbewuste volksetymologie aan halfgeleerden aanleiding kan geven tot etymologiseeren. Zoo werd het Latijnsche quiritare "luid schreeuwen" eertijds wel eens met Quirites "Romeinsche staatsburgers" in verband gebracht. Vrij dicht hierbij staat de populaire natuurverklaring (zie beneden).
2. Opzettelijke vervormingen en aanpassingen of woordspelingen. Deze toch moeten gerekend worden tot de volksluim (bl. 126); zoo b.v. Sint Reinuut: schoon op, "rein aus", voor Sint Reinout; kattegezanik voor katechesatie; zemelachtig voor zenuwachtig; hij lijdt aan de griep, eigenlijk "verkoudheid", maar met "grijpen" in verband gebracht. Immers de woordspeling behoeft evenmin als de werkelijke volksetymologie met een woordverandering gepaard te gaan. Op volksluim berust ook wel de Vlaamsche weêrregel: "Sint Andries brengt de vries, Sint Mathijs breekt het ijs.
3. Zuivere klankassociaties, als krant uit courant, die het gevolg hiervan zijn, dat de klank lastig, of de herinnering gebrekkig is. Of ook associaties, die dermate door de klanken worden beheerscht, dat men zich het nieuwe begripselement niet bewust wordt, omdat het met het begrip van het oorspronkelijke woord niets gemeen heeft. In deze laatste gevallen kan natuurlijk van het zoeken naar verklaring geen sprake zijn. Maar heel veelvuldig zijn zij niet. Als een zeker voorbeeld kan men opgeven oorlam, uit het Maleische orang lama; wellicht scheurbuik, uit schorbût; maar stellig niet het Vlaamsche scheurbek, en evenmin suikerij en zenuwbladen (Folia sennae), waarvan het volk meent, dat zij op de zenuwen werken.
Scheurbek, suikerij en zenuwbladen behooren inderdaad tot de volksetymologische associaties in engeren zin. Volstrekt natuurlijk is het, dat het volk een verband zoekt tusschen geneesmiddel en ziekte of tusschen geneesmiddel en eenige bekende stof. Zoo wordt b.v. Unguentum aegyptiacum: gips-Jacob-zalf;--de bast van Rhamnus frangula: ramenasbast;--Oleum ricini: rosijnenolie;--nieswortel: Limb. anieswortel;--Unguentum hydrargyri tegen ruit: ruiterszalf of ruitertjeszalf. Wellicht berust deze laatste vorm oorspronkelijk op bewuste woordspeling; maar naderhand wordt zulk een woordspeling vaak door naïeve hoorders ernstig overgenomen. Niet onaardig is ook de vervorming van Aloë socotrina tot Limb. sokertrienschen aloë, d.i. suikertrijnsche aloë. Zie hierover het artikel van Denis Schrijnen, Pharmaceutische Folklore, in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 833 vgl. Aloë wordt ook wel alewien.
De klankassociatie moet dus met bewuste begripsassociatie gepaard gaan. Het woord katapult begrijpt het volk natuurlijk niet. Nu wil het aan dit woord niets veranderen, maar de herinnering aan het doel van dit instrument in verband met het woord kat brengt menigeen er toe, katapult ongewild te vervormen tot kattepul, of nog meer teekenend tot kattepiel (= pijl), aldus het onbekende bestanddeel vervangend door het bekende. Dit onbekend-zijn kan ook voortkomen uit gebrekkig hooren of gebrekkig zich-herinneren. Ik wijs nog op enkele voorbeelden: drieangel (triangel), met onbewust-juiste vertaling van het eerste bestanddeel; sukerla (chokola); lekkeris (lacarissa = drop); prulleet (proleet); honinggraat (honigraat). Hagedoorn wordt volksetymologisch tot hageldoorn; hazelnoot tot hazenoot; nieuwsgierig Aagje tot nieuwsgierigaardje; meikever tot meikegel (kleuriger is het Hoogduitsche Meikleber); Nijmegen tot Nimwegen; madeliefje, Middelnederl. matelieve, is vervormd tot maagdeliefje en tot meizoe(n)tje, en dit weer dialektisch tot mêlzeûdje (zaadje). De appelen, die wij zijden-hempjes noemen, stammen uit de Engelsche stad Sydenham. Men denke ook aan de uitdrukking "straten voor stegen kennen", die in Limburg, waar men geen stegen kent, wordt: "straten voor steenen kennen"; vgl. mijn opstel in Volkskunde XI, bl. 217.
Van plantnamen noem ik nog de bijvoet (Artemisia). Met ons woord voet heeft deze benaming oorspronkelijk geen gemeenschap. Maar het volk bracht den vorm bijboot in verband met voet, omreden van het bijgeloof, dat dit kruid in de schoenen, dus bij den voet, gedragen, alle vermoeidheid bij het wandelen verdrijft. Zonnedauw, onze benaming van de Drosera, heeft zich volksetymologisch uit sinnau "immerdurende dauw" ontwikkeld. Rosmarijn, uit het Latijnsche ros marinus "zeedauw", wellicht zelf populaire vervorming van een Grieksch woord, werd rozemarijn onder den invloed van roos. Herba Mandragorae werd mandragerskruid. Het peperboompje (Daphne Mezereum) heet in Oost-Vlaanderen om zijn naakten stengel miserieboomke. Verrassende volksetymologische staaltjes vinden wij ook in de kindertaal: botram-marcheertrommel (botaniseertrommel); manheer (meneer); het reeds genoemde lepeltraan enz.; zie vooral De Vooys, De Nieuwe Taalgids I, bl. 281, X, bl. 93 vlg., 128 vlg.
Nog wensch ik de aandacht te vestigen op het feit, dat volksetymologie zoo vaak in samenstellingen optreedt. De oorzaak is deze, dat elders verdwenen woorden nog zoo vaak in samenstellingen een veilige schuilplaats vinden; zoo b.v. geeuwhonger en nachtmerrie. De verouderde vormen gee: ga en mare zijn hier met geeuwen en merrie (men denke aan het nachtspook, dat iemand "berijdt") in verband gebracht, wat klankverandering ten gevolge had.
Ook kan het begripselement zoozeer op den voorgrond treden, dat het hoofdbegrip een sterke wijziging ondergaat of zelfs geheel verdrongen wordt. Zoo beduidde pootig oorspronkelijk "koppig" en had ophemelen de beteekenis van "schoonmaken".
Verandering van den vorm, wij zagen het reeds, is strikt genomen niet noodzakelijk; slechts moet in de volksopvatting een bepaald element met een ander begrip dan het oorspronkelijke verbonden worden. In lintworm beteekende lint oorspronkelijk insgelijks "worm", terwijl men het thans met ons lint in verband brengt. Ongelikt wordt tegenwoordig met het gewone werkwoord likken verbonden; maar in werkelijkheid komt het van een werkwoord likken, dat de beteekenis van "polijsten" had. In Donderstraat is geen verandering althans hoorbaar; stellig brengen echter tal van personen haar niet met Prof. Donders, maar met donder in verband. Verder wijst ook het feit, dat plaatselijk door het volk sommige heiligen in bepaalde gevallen worden aangeroepen, op volksetymologische interpretatie, op aanknooping van het onbekende aan het bekende. Zoo b.v. wordt de H. Clara aangeroepen bij oogziekten en vraagt men haar om helder weer en zonneschijn (de vertaling is hier onbewust-juist); Sint Kathrijn brengt helder weer en zonneschijn: wellicht is rijn (rein) hier van invloed. Sint Valentijn wordt aangeroepen bij vallende ziekte; Sint Blasius tegen huidblaasjes; Sint Rosa tegen de roos, Sint Lambertus tegen de lamheid.
Van deze klank- en begripsassociatie verschilt de etymologische natuurverklaring, waarbij het volk naar zijn aard en trant, d.i. liefst door een sage, welbewust de benamingen van bloemen, boomen, mineralen, dieren, steden enz. interpreteert. De vervorming van Arum tot Aron zal wel onbewust geweest zijn. Maar gegeven deze naam, borduurt de volksfantasie op het thema voort, en spreekt aldra van Aronskelk, Aronsbaard, Aronsstaf. De Valerianella olitoria heet ook Sanctae Clarae herba; het volk gaat verder, en spreekt van kleer-ooge. Van den treurwilg weet het Vlaamsche volk te verhalen: De geeselkolom stond bij een wilgenboom. Toen nu de soldaten naar dezen wilg liepen, om de geeselroeden af te snijden, zuchtte Christus: "treure wilg, treure". Sedert dien laat de boom zijn takken hangen en heet hij treurwilg. Het nieskruid wordt plaatselijk tot Agneeskruid; dit verklaart men aldus, dat het bloeit omtrent den feestdag van Sint Agnes; ook ontkiemde het ter plaatse, waar deze heilige gewoon was geknield te bidden. Van den H. Martinus weet het volk ook dit te verhalen, dat hij eens in zijn getijdenboek een zaadje vond; hij borg het zorgvuldig in de aarde, en uit het zaadje ontkiemde de boekweit. Zie vooral Is. Teirlinck, Plantenkultus, in de Vlaamsche Kunstbode 1904 enz. (ook afzonderlijk uitgegeven te Antwerpen 1913).
Ook het Montferland heeft wel eens aanleiding gegeven tot volksetymologische natuurverklaring. Hiervolgens wilde het heidenvolk met zijn koning den hemel bestormen, en reeds had men een stuk van den Elterberg een goed eind ver gesleept, toen het aan de reuzenhanden ontviel. De vorst beval nu van verdere pogingen af te zien; want zei hij "het is toch maar een mond vol land": Geldersche Volksalman. 1901, bl. 176.
De Asperula odorata, waarvan voorheen een bundel bij zwangere vrouwen in bed gelegd werd, en dat dan ook aan Frija-Frigg, als godin der geboorte, heilig was, wordt reeds in de VIIIe eeuw, als O.L. Vrouwen-bedstroo vermeld. Ook vond de Christelijke legende een andere verklaring:
Onzer-Vrouwen-bedstroo.
Onze-Lieve-Vrouw, als zij klein was, moest op een zeer hard en ongemakkelijk beddeken slapen: hare ouders waren arm en gaven dan nog hier en daar een aalmoes.
Op zekeren dag peinsde de H. Anna:
Het bed van mijn kindeken is toch te hard. Zou ik in het veld misschien geen zacht vulsel vinden?
Zij ging uit en kwam aan een dorre streek. Zij zag er een heelen hoop Bedstroobloemekens staan.
"Nu ik heb het gevonden", riep zij uit. "Ik ga al die bloemekens plukken! O! daar zal mijn kindeken zacht op slapen". Zij sprak en deed zoo; ja, nu sliep Maria veel gemakkelijker.
Ten platten lande ziet men dikwijls de kinderen in bosschen en op magere gronden naar het bloemeke zoeken en het blijde plukken:
"Onze-lieve-Vrouw heeft er op geslapen!" zeggen zij eenvoudig.
(Uit Vlaanderen).
Eindelijk de volksetymologie van plaatsnamen.
Bezuiden Tietjerksteradeel lagen drie dorpen, die nog geen naam hadden. In een dezer dorpen kwam een dief geloopen, die vluchtte voor de dienaars van het gerecht. Allen, die hem zagen, riepen: "Grijp! Grijp!" Maar de dief ontkwam en vlood naar het andere dorp. Daar wilde men hem opvangen en riep men elkander toe: "Sa mar! sa mar!" (Zoo maar! zoo maar!). De dief ontvluchtte ook hier en kwam in het derde dorp. Hier werd hij gevat en nu riep men: "Berg hem! Berg hem!" Vandaar de Friesche plaatsnamen Garijp (Grijp), Suamar (Samar) en Bergum (Berghem). Waling Dijkstra verhaalt ons ook, hoe Foswerd ontstond, en Ylst, Nijland, Koudum, Dronrijp enz.: Uit Frieslands Volksleven I, bl. 32 vlg.; terwijl De Cock in zijn Brabantsche Sagen III, bl. 181 vlg. de populaire naamverklaring geeft van Aarschot, Beersel, Brussel, Leuven, Scheutveld en ook van Kalevoet. Toen namelijk Karel V eens naar Brussel reed over den steenweg van Alsemberg, brak zijn rijtuig ter plaatse, waar nu Kalevoet ligt, zoodat hij genoodzaakt was, te voet naar Brussel te gaan. Daarom werd deze plaats Kalevoet geheeten, d.i. Karel-te-voet.
II. Volksgeneeskunde.
Bij gezette overweging blijkt het, "dat naast de officieele therapie een andere bestaat, welke met totaal verschillende geneesmiddelen werkt, die minstens evenveel blijvende of tijdelijke aanhangers telt als de schoolgeneeskunde, en die meestal zonder bevredigende diagnose en zonder eenige duidelijke voorstelling te bezitten omtrent aard of werking der toegepaste middelen, alleen op de ruwe empirie steunende, vol vertrouwen haar zonderlinge middelen toepast. Dit is de eigenlijke volksgeneeskunde, die zich hoofdzakelijk op het gebied der therapie beweegt en haar adepten bij duizenden telt". Aldus M. A. van Andel in zijn leerzaam proefschrift over de Volksgeneeskunst in Nederland (Utrecht 1909), bl 5.
Naar men begrijpt, hangt de volksgeneeskunst ten nauwste samen met de volksreligie en tiert zij welig op den bodem van het animisme (I, bl. 64). Zij vormt een wezenlijken faktor der onderkultuur en vertoont zich in hoofdzaak éenvormig, zoowel hier als bij de natuurvolken, zooals O. V. Hovorka en A. Kronfeld in hun standaardwerk over de Vergleichende Volksmedizin (Stuttgart 1908) zeer duidelijk hebben aangetoond. Van de kwakzalverij onderscheidt zij zich door haar volstrekte goede trouw en belangeloosheid. Haar gezichtseinder is zeer beperkt, zoowel wat den aard der ziekte als wat de kracht der geneesmiddelen betreft. Als ziekten gelden eigenlijk slechts: koorts, verwonding, bloeding, roos, brand, kou, jicht, kramp, vallende ziekte, asthma en nog enkele andere. Het streven naar zelfbehoud, gepaard aan hulpvaardig dienstbetoon, vormt de gemeenschappelijke drijfveer van volks- en kultuurgeneeskunde. Natuurlijk wordt nu de kloof tusschen beide met den dag grooter. Maar hoe verder men in vroeger tijden teruggaat, hoe geringer dit verschil is. Terecht merkt Van Andel op, dat de volksmiddelen van heden de wetenschappelijke middelen van gisteren zijn.
Het is mijn taak niet, de ontwijfelbaar gezonde kern der volksgeneeskunde, n.l. die middelen aan te geven, welke berusten op doelmatige, instinktieve therapie, of op overoude elementaire, maar gezonde empirie; wel dien ik in het kort te wijzen op het zeer eigenaardige, van de kultuurgeneeskunde afwijkende, strikt-populaire in de behandeling en het toedienen der geneesmiddelen, dat uit primitieve volksvoorstellingen voortvloeit.
Inderdaad ligt bij de behandeling doorgaans deze opvatting ten grondslag, die echter met den dag in helderheid en bewustheid afneemt, dat de ziekte zelf een boosaardig, ja demonisch wezen is, of ook een worm, in alle geval een konkreet iets, dat in het lichaam huist. Zoo spreekt men b.v. van haarworm, ringworm, dauwworm; en niet onmogelijk hebben de maden, de lintworm en de lijkwormen tot deze opvatting aanleiding gegeven. Vooral de kiespijn wordt aan het knagen van wormen toegeschreven. Dit geloof staat in Mecklenburg zoo vast, zegt Gaidoz, dat een lepel met kokend water onder den zieken tand gehouden wordt. De diertjes, door den damp bedwelmd, vallen in den lepel en zijn duidelijk te zien.
Het ziektewezen kan verdreven worden op velerlei wijzen; vooral echter door bezwering, door bannen en overdragen, door sympathetische geneesmiddelen.
Niet slechts deze laatste methode, maar vrij wel de geheele volksgeneeskunde wordt beheerscht door de sympathie, die de geneeskracht van de signatuur, d.i. de teekenen der dingen afleidt. Volgens deze leer dient een geelbloemige of geelsappige plant tegen de geelzucht, een roodkleurige stelpt het bloed, een knolgewas geneest de aambeien enz. Deze volksvoorstellingen, die wij reeds herhaaldelijk in het Eerste Deel aantroffen, is sinds overoude tijden over de geheele aarde verspreid en berust op een onbepaald gevoel van gemeenschap tusschen gelijkgeaarde wezens, in dit geval tusschen het ziektewezen en het geneesmiddel. Waarschijnlijk heeft de symboliek deze sympathische opvatting uit het animisme (en fetissisme) doen geboren worden. Om een geest uit het lichaam te bannen, achtte men het reeds voldoende, bepaalde deeltjes, als haren, nagels, enz. vast te leggen of te vernietigen. Van hier tot de zuiver symbolische handeling is slechts éen stap: wat geschiedt niet slechts aan een deeltje, maar aan een overeenkomstig voorwerp, geschiedt aan het voorwerp zelf. Wil men een heks kwaad doen, wij zagen het I, bl. 79, dan maakt men een ploegijzer gloeiend en spreekt plechtig den naam der vermeende heks uit; deze zal dan de hevigste smart voelen. Daarom legt men ter verwijdering van wratten in een touwtje zooveel knoopen als men wratten heeft, en begraaft dit ergens: door deze symbolische handelwijze worden de wratten zelf begraven. De beteekenis der aanwending van roode stoffen bij bloedloop is oorspronkelijk dan ook wel deze, dat het rood-gedachte ziektewezen op de roode stof overga. Naderhand is het sympathiebegrip natuurlijk in verschillende richtingen uitgebreid.
Eindelijk wensch ik er de aandacht op te vestigen, dat de leer der signaturen niet altijd als leiddraad bij het opsporen van geneeskrachtige kruiden, maar ongetwijfeld meermalen slechts als verklaring eener reeds bekende werking heeft gediend; zie hieromtrent het artikel van Prof. Van Leersum over de Waardeering van Oude en Volksgeneesmiddelen in het Nederl. Tijdschr. voor Geneeskunde LVIII (1914), bl. 1952.
1. Bezwering is wel het meest verspreide, ook heden nog dagelijks aangewende heilmiddel, waarin animistische en specifiek-Christelijke bestanddeelen met elkaar vermengd zijn. Het bezweren is een kunst, die erfelijk is, maar zij kan slechts worden overgedragen van een man op een vrouw of van een vrouw op een man. Het formulier is eigenlijk geheim. Het wordt zacht gefluisterd of gepreveld, en het getal 3 is daarbij van bijzonder gewicht: driemaal wordt daarbij een kruis gemaakt, driemaal gespuwd, driemaal gestreken enz. Ook zijn dag en uur niet onverschillig; sommige bezweringen dienen te geschieden bij afnemende, andere bij nieuwe maan, weer andere vóor zonsopgang. De formule is òf een kort bevel, òf zij wordt ingeleid door een kort episch verhaal, waarin een gelijksoortig geval wordt uiteengezet: wij hebben dus weer met sympathie te doen. Zoo beginnen b.v. verscheidene formulieren tegen de wormen met de vermelding van Job op den mesthoop. Van een formulier uit Denderwindeke tegen brand luidt de inleiding: "De H. Laurentius werd gebraden op een rooster: hij en zwol niet op noch en verzwoor; ik hoop, dat gij ook niet zult zwellen of verzweren".--Rond den Heerd (1877) weet deze berijmde bespreking tegen brandwonden mee te deelen:
Ons' Heere Jezus kwam aldaar gegaan, Hij vond er een kindeke in brande staan. Hij nam het in Zijne gebenedijde hand En _b_luschte den ge_b_enedijden _b_rand. En 't en zwoer noch 't en zwol, En 'k hoop in Jezus' naam, dat 't ook niet doen en zol.
In deze formule vinden wij alitteratie, assonantie en rijm. Andere formules worden ons medegedeeld door Dr. Boekenoogen in Onze Rijmen, bl. 67; zoo b.v.:
Moeder Maria ging over den berg, Ze nam een tak van den heiligen boom, Ze wierp 'em over haar hoofd in den stroom. Kwik door dit, kwik door dat, Vlieg door aderen, zenuwen, pezen, Ik hoop, dat met Gods hulp dit beest zal genezen.
Het Christelijke in deze spreuken is slechts een dun laagje vernis: in den grond zijn zij volstrekt identiek met Oudgermaansche en Oudindische, waar de heidensche godenwereld optreedt.
Den korteren vorm vertoont:
Dit arm of poot Is verrukt of verstoot. 't Zal niet verrotten of verzweren In den naam des Heeren, C.A.B.
Deze en dergelijke bezweringen of besprekingen worden vooral toegepast bij verwondingen, verrekkingen, verstuikingen en spierpijnen. De strieker legt somtijds wat zeep op den zeeren enkel; dan zet hij de pet af, zegt de bezweringsformule en strijkt op bepaalde wijze over den enkel. Bij wonden zegt men te Heumen:
Ik verbinde deze wonde, Ik stille dat bloed in deze stonde, Als Christus de Heer opgevaren is.
Bij kneuzingen vindt men o.a. dit formulier:
Deze man enz. is over een berg geloopen, Deze man enz. heeft zijn hand enz. gestooten, Het moet in de Roode Zee verdwijnen, Gelijk de Wijzen uit het Oosten, En God genas het met der stond, O Heer, help mij! Amen.
2. In het bovenstaande wordt het ziektewezen verdreven. Maar met of zonder spreuk wordt dit wezen veelal ook vastgelegd, geband of wel op een persoon of zaak overgedragen. In de Friesche Wouden wordt de bilzucht het koude vuur genoemd; maar men meent, dat zij licht kan worden geweerd, door het eerst daaraan bezweken dier vóor de staldeur te begraven. Vooral de koorts wordt graag en licht overgedragen. In het Oosten van ons land snijdt men zich hiertoe den nagel in het leven en maakt dan den bast van een boom ook los tot in het leven (let op de sympathie!). Dan drukke men met den vinger het vocht daaruit tegen en tusschen het vocht van den boom: dan heeft de boom de koorts. Of men binde een kouseband of strooband om den boom, liefst een vlierboom (I, bl. 80, 130, 287), en ga dan spoedig loopen, zonder om te zien. Deze praktijk is in geheel Groot-Nederland--en verre buiten de grenzen--bekend. Men noemt dit "de koorts afbinden." Ook kan men het haar- of nagelknipsel van den zieke, of een briefje met zijn naam in een opzettelijk daartoe geboord gat in den boomstam steken. Niet zelden spreekt men hierbij het rijmpje:
Olde Marolde Ik hebbe de kolde, Ik hebbe ze noe, Ik geve ze oe, Ik bind ze hier neer, Ik krijg ze niet weer.
De koorts--of een ander ziektewezen--wordt ook met spijkers in een boom vastgehecht; zij wordt met en door dingen, die met den lijder, liefst met de zeere plek, in aanraking geweest zijn, verbrand, in 't water geworpen, in den grond gestopt, verkocht, weggeven, ja afgeschreven. Wat is eenvoudiger, dan met krijt op de deur te schrijven: "Koorts, ik ben niet thuis" (Zevenhuizen)? Of als rijmpje:
Koorts, koorts, ik ben niet thuis, Ga maar naar een ander huis.
Ook de hik wordt graag overgedragen; hiertoe dient de spreuk:
Deventer:
'k Heb de hik 'k Heb ze prik 'k Heb ze nouw 'k Geef ze aan jou.
Venloo:
Ik heb den hik Ik heb de pik Ik gêf um aan 'n noaberman, Dê 't good verdrage kan.
Dit driemaal vlug achter elkaar opzeggen. Als een kind de hik heeft, dan groeit het hart, meent het volk.
3. Bij de sympathetische geneesmiddelen wordt het verband tusschen kwaal en geneesmiddel gezocht in de oorzaak: zoo legt men haar van den hond, waardoor men gebeten is, op de wonde. Bij de jicht, die haar oorsprong in wormen heeft, geeft men den patiënt 13 regenwormen met brandewijn in;--in de kleur: een geelsappig kruid, als de stinkende gouwe, tegen geelzucht, het eten van roode bieten tegen bloedspuwen, gemalen menschenbeenderen tegen beeneter, het bloed van een zwart schaap tegen gordelroos met bloederigen, donkerkleurigen huiduitslag (Maas en Waal);--in den vorm: zoo dient het longkruid met zijn vlekjes op de bladeren, die op longknobbeltjes lijken, tegen longziekte, en hondstong met zijn tongvormig blad, tegen hondsdolheid. De bloempjes van oogentroost (Euphrasia) vertoonen een gele, oogvormige vlek; vandaar dat deze plant als een deugdelijk middel geldt tegen alle mogelijke oogkwalen;--in den aard: pieren, in een zakje op de borst gedragen, zijn van baat tegen de wormen;--in den naam: vandaar, dat de roos als onfeilbaar middel geldt tegen de huidziekte van dien naam, dat de hondsroos helpt tegen hondsbeet, leverkruid tegen leverziekte, steenbreek tegen nier- of galsteen enz. In Friesland gelooft men aan de kracht van een duif, boven de wieg gehangen, tegen dauwworm (althans overeenkomst van klank). Een merkwaardig voorbeeld geeft Denis Schrijnen in het Pharmaceutisch Weekblad 1902, bl. 1006. Te Blerik bezigt men tegen kanker veelal het volgende geneesmiddel. Een levende rivierkreeft wordt in een zakje genaaid, dat door den zieke gedurende 24 uur op de zieke plaats moet gedragen worden. Heeft hij dien tijd wakende doorgebracht, dan is de kanker op de kreeft overgegaan; het zakje wordt nu verbrand en de lijder is genezen. Maar waarom een kreeft? Dit middel is uit het naburige Duitschland overgewaaid, waar kreeft en kanker beiden Krebs heeten.
4. In het gebruik van sommige geneesmiddelen is wellicht een survival van een offer te erkennen; zoo b.v. in het bloed van een wit of zwart dier, dat door den lijder moet gedronken worden. Dit kan m.i. echter ook berusten op de animistische voorstelling, dat bloed ziele- en levensspijs is. Trouwens de volksgeneeskunde stoelt nog op tal van andere oude overwegingen en voorstellingen, die ons heden ten dage slechts zeer onvoldoende bekend zijn.
5. Met name ontgaat ons de beteekenis van vele geneeskrachtige kruiden. Velen hunner spelen een voorname rol in de tooverwereld en waren eenmaal aan de Germaansche godheden heilig, of verheugen zich thans nog in een voortsluimerende vereering van den geest der vruchtbaarheid. Op eenzame en gewijde plekken groeien zij, en zwijgend, ongezien door godheid en menschen, onder het prevelen van gebeden, en met de linkerhand moet men ze veelal plukken.
De vlier genoot den grootsten eerbied; was ook niet de kruisboom van vlierhout? De bast van den vlierstruik geldt dan ook als een krachtig geneesmiddel; hij is braakmiddel of purgans. Verder wordt hij gebezigd tegen keelpijn en waterzucht, terwijl de bladeren en bloemen gedronken worden als thee tegen verkoudheid, evenals de bloesems der linde. De aromatische bessen van den gevierden jeneverstruik (Juniperus communis) bezitten eveneens veelzijdige geneeskracht. Werden zij eertijds inderdaad als verjongend en levenwekkend beschouwd? Het duizendblad (Achillea Millefolium) heet een deugdelijk middel te zijn voor het heelen van wonden, door ijzer veroorzaakt. Geeft de naam Achillea hier wellicht de verklaring?
Een bij het volk zeer geliefde plant is het valkruid (Arnica montana), en vrij algemeen wordt zij aangewend bij kwetsuren. Eertijds stond zij tot den wolf in betrekking, zooals nog thans uit de Oostfriesche benaming Wulfsblöme en ons wolverlei blijkt. De schors en de jonge takken van den berkeboom, in de lente verzameld, zijn een bloedzuiverend, zweetafdrijvend en waterafdrijvend middel; waarschijnlijk wel, omdat hij in de lente, als hij wordt aangeboord, een sap geeft, dat verwerkt wordt tot berkenwijn. De hennep (Cannabis sativa) heeft groote magische kracht en wordt vooral als verdoovingsmiddel gebezigd. De hoogopgroeiende hopranken (Humulus Lupulus) zijn het zinnebeeld van groei en wasdom en schijnen daarom de gezondheid weer te geven aan herstellenden en bloedarmen. Ook de zelf (Salvia officinalis) staat bij het volk hoog aangeschreven: zij versterkt de zintuigen en sterkt de zenuwen.