Geschiedenis van Suriname (part 3 of 4)
Niettegenstaande reeds meermalen van regeringswege bij de eigenaars van plantaadjes was aangedrongen, tot het aanleggen en behoorlijk beplanten van kostgronden, tot voedsel voor de slavenmagten, was hierin veel nalatigheid betoond. Er werd hier nu bij publicatie op nieuw toe vermaand, en eene boete van f 1000 tot f 5000 op verzuim in deze gesteld. Een ander misbruik, namelijk, waarbij de meesters van slaven deze laatsten uitzonden om werk op te zoeken, en daarvoor week- of maandgeld te doen opbrengen, werd bij publicatie van 20 December 1824 verboden [1157]. Ook werd tijdens het bestuur van de Veer de Notificatie van 14 Augustus 1782, waarbij de afzonderlijke verkoop van moeders en kinderen verboden werd, geamplieerd [1158]. Ten einde het wegloopen der slaven, zoo veel mogelijk te voorkomen, werd verboden, om slaven uit te zenden naar de rondom Paramaribo gelegen bosschen om brandhout enz. te kappen of ook om te visschen tenzij dat hun een permissie-billet door hunnen meester werd afgegeven; de meesters werden tevens verpligt indien een hunner slaven langer dan driemaal vier en twintig uren zich zonder verlof had verwijderd, hem als weglooper bij de policie aan te geven, ten einde de opsporing gemakkelijker te maken [1159].
Toen de Veer in Suriname kwam had er nog steeds een vrij aanzienlijke sluikhandel in slaven plaats; zelfs bestond daarvan een georganiseerd stelsel. De Nederlandsche regering wilde, met het oog op het tractaat in 1818 met Groot-Brittanje gesloten, waarbij men zich verbonden had den slavenhandel krachtdadig te weren, hieraan een einde maken. Zij beval daarom strenge vervolging dergenen, die zich hieraan schuldig maakten; als straf werd hierop gesteld eene boete van f 10,000 Hollandsch, eerloosverklaring en opsluiting voor den tijd van 15 jaren; terwijl de schepen waarmede de verboden slavenhandel werd gepleegd, zouden verbeurd verklaard worden [1160]. Om de contrôle gemakkelijk te maken en alzoo de vermeerdering der slavenmagten door ter sluiks aangevoerde slaven, krachtig te kunnen tegengaan, werd een verbeterde inrigting der slavenregisters bevolen, waarbij de mutatien die bij de magten plaats vonden voor Paramaribo binnen de drie en voor de buitendistricten binnen de veertien dagen aan de bevoegde authoriteit moesten worden opgegeven [1161].
De Veer hield getrouw de hand aan deze verordeningen, doch berokkende zich hierdoor vele vijanden; daar zelfs de leden van het Hof van Policie, die planters of administrateurs waren, den verboden handel niet slechts oogluikend hadden laten begaan, maar hem zelfs soms, als belanghebbenden, begunstigd hadden.
In het jaar 1824 was een Fransche brik La Legère met eene lading van 353 slaven door een Engelsch kapitein sir Thomas Cochrane in Suriname opgebragt en aan den Gouverneur de Veer uitgeleverd.
Onmiddellijk na de uitlevering van de brik La Legère werd de bevelvoerder van dien bodem, Pierre Poussin, en de Supercarga Jean Marie Bled, voor het Hof van Policie en Criminele Justitie, vervolgd wegens pogingen tot overtreding van de wetten op den slavenhandel; daar het echter bleek dat dit vaartuig te Nantes uitgerust en van Fransche papieren voorzien was, en dat geen enkele slaaf aan land was gebragt tijdens de aanhouding van Sir Thomas Cochrane, werd door het Hof besloten het vaartuig met de slaven, onder gewapend geleide, naar eene Fransche bezitting te sturen en aan dat Gouvernement uit te leveren. Zijner Majesteits Brik van Oorlog de Kemphaan, gecommandeerd door den Kapitein Luitenant ter zee J. W. van Rijn, werd met de uitvoering van deze commissie belast en verliet op den 8sten Januarij 1824, gelijktijdig met de Brik La Legère, de reede van Paramaribo; doch bij het afvaren van de rivier geraakte laatstgemeld vaartuig aan den grond, de beide vaartuigen lieten het anker vallen ter hoogte van de plantaadje Jagtlust; in dien zelfden nacht verschalkte men de waakzaamheid der brik de Kemphaan dermate, dat door den bevelvoerder Poussin en den supercarga Bled het grootste gedeelte der slaven met twee ponten van boord der Legère werden ontvoerd.
Daar het gerucht van dit schandelijk bedrijf den volgenden morgen ter oore van den Gouverneur kwam, werd onmiddellijk een Adjudant aan boord van de Kemphaan afgezonden om naauwkeurige berigten in te winnen, en toen de Commandant eene sloep aan boord van de Fransche brik stuurde, werd het gerucht maar al te waar bevonden.
De Gouverneur het gewigt der zaak beseffende, vaardigde dadelijk eene Proclamatie uit, waarbij embargo gelegd werd op alle schepen en vaartuigen, te gelijker tijd dat de rivier met gewapende sloepen werd afgezet om alle communicatie naar beneden af te snijden; terwijl onderscheidene militaire patrouilles werden uitgezonden in de rigting waar men vermoeden kon dat de slaven waren ontvoerd. Aan het hoofd van eene dezer patrouilles stelde de hoogbejaarde Gouverneur zich in persoon, en had het geluk in den nacht van den elfden Januarij den Supercarga met de ontvoerde slaven in de gronden der plantaadje Pomona te arresteren.
De zaak werd toen andermaal voor het Hof van Policie en Criminele Justitie gebragt en door eene condemnatie achtervolgd, terwijl de slaven als vrije arbeiders aan het Gouvernement werden uitgeleverd.
Hieruit blijkt, dat de Gouverneur de Veer, verre van eenige oogluiking te gedoogen, met de meeste energie dien verfoeijelijken handel trachtte te beletten. De Britsche Minister Canning betuigde in een brief aan Lord Granville, destijds Britschen Gezant te 's Gravenhage de dankbaarheid van zijn Gouvernement over het hoogst eervol gedrag bij deze gelegenheid, door den Gouverneur van Suriname, in de uitvoering der bevelen van zijnen Souverein, betoond. Die brief was geschreven naar aanleiding van een rapport van den Engelschen Regter in het gemengd Geregtshof tot wering van den slavenhandel, die te Suriname gevestigd, ooggetuige was geweest van de geheele toedragt der zaak [1162].
De heer Jan Gerard Ringeling vroeger Gouvernements-secretaris, gehuwd met eene dochter van den Gouverneur de Veer heeft in twee rekwesten (31 October en 27 November 1827) aan Z. M. het koloniaal bestuur en voornamelijk den toenmaligen Raad Fiscaal Mr. Evert Ludolf Baron van Heeckeren beschuldigd, dat men middel had weten aan te wenden, om, in plaats van de wezenlijke bedoelde slaven, anderen, door ziekte en rampen uitgemergelde en vermagerde Negers en Negerinnen, uitschot van hospitalen en ziekenhuizen aan het Gouvernement over te leveren en dat zelfs drie à vier der slaven van de Brik Legère in eigendom van genoemden heer van Heeckeren waren gekomen. Ringeling heeft verder in die adressen vele grove beschuldigingen tegen de regering en de hoofdambtenaren in Suriname geuit; zoodat de regering het noodig heeft geacht eene Commissie van onderzoek te benoemen bestaande uit de heeren Mr. Fiers Smeding, Mr. C. L. Mirandole en L. B. Slengarde. De resultaten van dat na de aftreding van de Veer ingesteld onderzoek is met consideratiën van den Commissaris-Generaal van den Bosch aan de Nederlandsche regering gezonden. Volgens een brief aan den Minister voor de Marine en Koloniën Elout is gebleken, dat niet alleen de beschuldigingen tegen de Veer niet bewezen, maar geheel valsch zijn bevonden, en dat zelfs die aantijgingen naar het oordeel dier Commissie op sommige punten zijn te beschouwen, als eene openlijke laster, met voorbedachtelijke verzwijging van belangrijke omstandigheden, tot waar verstand der zaak noodig.
De Veer ontving namens Z. M. eene stellige en openlijke verklaring, waarbij hij volkomen geregtvaardigd werd van alle aantijgingen van Ringeling [1163].
In Julij 1823 heerschte in de kolonie Suriname eene zware Catharrale verkoudheid (de griep geheeten), aan de gevolgen waarvan vele, vooral bejaarde menschen stierven [1164].
Des nachts tusschen den 11den en 12den April 1825 verbrandden ter reede van Paramaribo twee Nederlandsche koopvaardijschepen, Willem de Eerste en Betsy, het eerste van Amsterdam en het tweede van Rotterdam [1165]. Den 20sten September van hetzelfde jaar en den 19den Februarij van het volgende gevoelde men te Paramaribo eenige ligte schokken van aardbevingen [1166].
In het jaar 1827, tusschen den 25sten en 26sten Februarij, des nachts te 12 uren, ontstond er brand in de Keizersstraat, naast de Portugesche Joden Synagoge, in het huis bewoond door den heer Richard O'Ferrall, senior. Gemelde heer had eene vrolijke partij bij zich aan huis en zond een negerjongen naar boven om Madera-wijn te halen; door de onvoorzigtigheid van dezen jongen, die een kaars in de hand had, ontstond er brand, waarbij drie huizen in de asch werden gelegd, en het daaraan belendende huis van W. van Uytrecht, op last van den Gouverneur de Veer, door de matrozen van de koopvaardij-schepen omver gehaald werd; waardoor de voortgang der vlammen gelukkig werd gestuit [1167].
Den 21sten December 1823 arriveerde in de kolonie de schrijver M. Lesschenault de la Tour, komende van Cayenne, om eenig onderzoek omtrent den Landbouw in Suriname te doen; hij vertoefde aldaar tot den 13den Maart 1824, wanneer hij naar Cayenne terug keerde [1168]. In 1825 hield de Luitenant-Generaal Baron C. R. F. Krayenhoff, op deszelfs reize naar Curaçao, zich van den 15den tot den 19den Junij te Suriname op [1169].
In October 1825 kwam voor de eerste maal eene stoomboot, een Fransch oorlogsvaartuig, Caroline genoemd, op de rivier Suriname, gecommandeerd door den heer Louvrier, welke met dezelve van Cayenne was gekomen [1170]; en den 24sten Mei 1827 arriveerde de eerste stoomboot uit de Nederlanden, van Hellevoetsluis, voor de stad Paramaribo, welk driemast vaartuig, de Curaçao genoemd, door den heer J. W. Moll gecommandeerd werd [1171].
De privilegiën der Joden waren nu voor hen niet meer noodig, daar zij geheel met de belijders der andere gezindten werden gelijk gesteld. Bij publicatie van 20 Junij 1825 werd het Koninklijk besluit van 2 April 1824 des betreffende bekend gemaakt [1172].
Eene der gewigtigste gebeurtenissen, tijdens het bewind van de Veer, was de reductie van het Surinaamsch kaartengeld die weldra door deszelfs geheele intrekking gevolgd werd.
Veel is hierover geschreven en zeer verschillend is die maatregel beoordeeld; om eenigermate hierover met juistheid te kunnen oordeelen achten wij het noodig de aanleiding hiertoe kortelijk te herinneren.
Gelijk wij reeds meermalen hebben doen opmerken: er was zeer veel papierengeld in Suriname in omloop, dat geen degelijken waarborg bezat; dat moeijelijk kon worden gerealiseerd en welks waarde facultatief van het meerdere of mindere crediet afhing.
Bijna bij elk te kort dat in den loop der tijden in de koloniale kassen ontstond, had men de toevlugt genomen tot het maken en uitgeven van kaartengeld. Een tijd lang was dit goed gegaan, daar dit kaartengeld, bij gebrek aan ander circuleerend medium, tegen de waarde van klinkende munt werd aangenomen. Er zijn zelfs voorbeelden van, dat het soms hooger dan contante klinkende specie gewaardeerd werd. In den Engelschen tijd echter onderging het eene belangrijke daling; bij de komst van Bonham tot het bewind, in 1811, was het kaartengeld zoo laag in waarde gedaald, dat f 48 kaartengeld gelijk stond met een pond sterling of f 12 dus als 4 tot 1. Door den ijver van Bonham, die bezuinigingen invoerde en die naauwlettend toezag op de administratie van 's lands finantiën, werd het zinkend crediet van Suriname hersteld en als een bewijs hoeveel die goede zorg vermogt is het feit te noemen, dat tijdens de overgave der kolonie aan Nederland de agio op het kaartengeld slechts 25 procent bedroeg, dus 1 1/4 Surinaamsch tot 1 Hollandsch Courant [1173]. Sedert dien tijd was er weder eene belangrijke daling gekomen, waarop wij reeds op bladz. 611 hebben gewezen.
Dit duurde steeds voort; in 1821 werd de verhouding als: 182 Surinaamsch tot 100 Holl. Courant, in 1826 als 310, ja, 327 tot 100 Hollandsch Courant.
Wat was er tegen die gestadige daling van het kaartengeld en gelijktijdige verhooging van den wisselkoers te doen? Men was ten einde raad en wendde zich tot den Koning, opdat deze maatregelen mogt beramen ten einde dien noodlottigen gang van zaken te stuiten.
De Koning gaf aan die wenschen gehoor en overwegende dat, de meer en meer toenemende daling van het papieren- of kaartengeld, den finantiëlen staat van Suriname aan gedurige onzekerheden blootstelde en de belangen der ingezetenen hierdoor zeer leden en het alzoo dringend noodzakelijk was een eindperk te stellen aan het verkeerde dat uit zoodanigen stand van zaken voortsproot, wenschte hij de Muntstelsels in de kolonie en in den Moederstaat in overeenstemming te brengen, terwijl hij dacht op deze wijze den gezonken staat van het crediet in de kolonie weder op te beuren. Bij Koninklijk Besluit werd dus bepaald, dat met ingang van den 1sten Januarij 1827 het Nederlandsche Muntstelsel, zoodanig als hetzelve, bij de wet van 28 September 1816 voor het Moederland was vastgesteld, te Suriname in werking zou worden gebragt; zoodat op hetzelfde tijdstip de gouden, zilveren en koperen muntspeciën, in Nederland gangbaar, op denzelfden voet in de kolonie gangbaar zouden zijn; insgelijks de billetten door de Nederlandsche bank te Amsterdam en de billetten der Algemeene Maatschappij ter bevordering van Volksvlijt te Brussel. Doch om nu tot dit gelijke muntstelsel te komen werd een krachtig middel aangegrepen, namelijk eene reductie van het kaartengeld van 310 tot 100, gelijk in artikel 4 van de des betreffende publicatie wordt gezegd: »In overeenstemming met het hier boven bepaalde zal, te rekenen van den 1sten Januarij 1827, geene andere wettige munt te Suriname bestaan, dan die bij de wet van 28 September 1816 (Staatsblad No. 5) omschreven; zullende echter voorloopig, en tot aan deszelfs intrekking of inwisseling, het Surinaamsch papieren of kaartengeld in omloop blijven, in de verhouding van drie honderd tien Surinaamsch tot honderd gulden Nederlandsch Courant-geld [1174].
Welk een krachtige greep, welk een buitengewone maatregel was die reductie--was het niet iets ongehoords, iets zeer onbillijks om het kaartengeld vroeger van gelijke waarde met klinkende specie tot minder dan een derde terug te brengen? Het scheen immers wel zoo te zijn; want vroeger bestond nog altijd de mogelijkheid, dat de waarde van het Surinaamsch Courant zich herstelde; thans was die kans door het Koninklijk Besluit voor altijd verloren.
»In Nederland"--zoo zegt o. a. de heer de Mesquita op bladz. 4 zijner reeds aangehaalde brochure: »was door den Franschen overheerscher tot vermindering der staatsschuld de waarde der effecten getierceerd, en eene der eerste voorzieningen van den Souvereinen Vorst was eene poging om het herstel van deze grieve aan de Natie te verzekeren! Maar eene finantiële operatie, ten gevolge waarvan hij, die 310 guldens in contanten meende te bezitten, dezelve op de waarde van 100 guldens verminderd zag, kon niet dan een nadeeligen indruk maken op de Surinaamsche bevolking, en leverde eene groote schade op, vooral aan diegenen, die met Nederland in geene dadelijke betrekking stonden en de drukking van den wissel-agio op geene regtstreeksche wijze hadden ondervonden?"
Ofschoon deze bewering wel eenigen schijn van waarheid behelst en zelve in sommige opzigten niet geheel ongegrond is, gaat men toch te ver indien men deze daad der Nederlandsche regering met die van Napoleon (de tiercering) op eene lijn plaatst. De feitelijke toestand in Suriname was zóó, dat f 310 Surinaamsch niet meer gold dan f 100 Hollandsch Courant, niet slechts ondervonden dat degenen, die met Nederland in dadelijke betrekking stonden, regtstreeks, maar zijdelings deelde ieder hierin, daar de prijzen der waren enz. naar deze verhouding werden geregeld en werd door het Koninklijk Besluit aan alle hoop op eene mogelijke verhooging der waarde van het kaartengeld de bodem ingeslagen; aan den anderen kant werd eene toenemende vermindering gekeerd en juist daarvoor vreesde men en daartegen had men de hulp van Z. M. ingeroepen. Wij zijn geen lofredenaars van dezen maatregel der Nederlandsche regering; doch onpartijdigheid gebiedt ons dien maatregel niet als een Napoleontisch dwangmiddel te doen beschouwen.
Bij hetzelfde besluit, artikel 9-14, werd de oprigting van een Grootboek van Surinaamsche 5 pCt. rentegevende koloniale schuld bevolen, waarvan het bedrag dat van f 2,400,000 voorloopig niet zou te boven gaan, om te voorzien in de behoefte van geldsomloop en ter geheele vernietiging van het Surinaamsch papieren- en kaartengeld.
Hierdoor kwamen voor f 2,400,000 banknoten van de Maatschappij der Volksvlijt te Brussel te Suriname in omloop, benevens f 400,000 in zilver en koper; doch men had over het hoofd gezien, dat terwijl ook dat Brusselsch bankpapier in Nederland geldig was, het weldra voor betalingen en remises aan het Moederland zou worden gebruikt en de kolonie alzoo spoedig geheel van circuleerend Medium worden ontbloot. Want de Surinaamsche kooplieden ontvangen de Nederlandsche koopwaren, en betalen ze, zoo zij die bezitten, met producten en anders met geld; maar de meeste producten worden in natura naar Nederland gezonden aan de Nederlandsche eigenaars, zonder dat daarvoor eenige waarde in de kolonie terugkomt. Te Suriname zijn schier geene producten te koop.
Daar de invoering van het Nieuwe Muntstelsel invloed moest uitoefenen op de bestaande Landsbelastingen werd een nieuw finantieel stelsel desbetreffende toegezegd en hierin zijn met het oog op de reductie van het kaartengeld hardheden, ja, onbillijkheden voor de Surinaamsche bevolking te vinden.
Zoo bedroeg o. a. het hoofdgeld voor de slaven, het ordinaire en extra-ordinaire was reeds zamengevoegd, f 7.50 Surinaamsch en dus volgens den toenmaligen koers f 2.41, en dit werd nu op f 5 Holl. gebragt dus 107 1/2 pCt. verhoogd, terwijl verscheidene belastingen niet met 210 pCt. maar sommige slechts met 150 pCt. werden herleid.
Het zegelregt o. a. onderging mede hierdoor eene aanmerkelijke verhooging. Voor een zegel van f 2 Surinaamsch, dus volgens den koers 64 Cent Hollandsch, moest f 1 worden betaald en zoo verder in evenredigheid [1175].
Het nieuwe Tarief, naar hetwelk nu de Leges en Emolumenten voor 's Landskantoren moesten worden berekend, viel mede niet ten voordeele der ingezetenen uit [1176].
Niettegenstaande deze verhoogde belastingen was de tegenwoordige finantiële toestand niet gunstig en zouden de vermeerderde uitgaven voor de dienst van het volgend jaar niet uit de inkomsten kunnen bestreden worden, tenzij deze laatsten naar evenredigheid werden verhoogd. Gouverneur en Raden oordeelden: »dat geene meer billijke of geschikte middelen waren voorgekomen, dan dezulke, welke geenszins op de klasse der goede ingezetenen drukken, die, volgens het bestaande Belastingstelsel, reeds zijn bezwaard; en waardoor tevens alle standen der Maatschappij, welke daarvoor vatbaar kunnen geacht worden, in de publieke lasten zullen deelen"--en zij voerden dien ten gevolge een patentregt op den handel, neringen, beroepen en bedrijven in. De belastingschuldigen werden in vijf klassen verdeeld en moesten betalen f 500--f 400, f 200--f 100 of f 50 benevens voor ieder drie gulden zegelregt [1177].
Terwijl er omtrent de Criminele regtspleging veel onzekerheid heerschte en het eene reglement vaak het andere wedersprak werd er groote behoefte gevoeld, dat ook hierin voorziening geschiedde; doch die noodzakelijke herziening bleef lang uit. In October 1827 werd het reglement van den 10den October 1798 nogmaals gepubliceerd en, om ten minste eenigen regel te hebben, werd bepaald, dat men voorloopig zich hier naar moest gedragen [1178].
In 1828 werden door Gouverneur en Raden voorschriften ingevoerd op het houden der registers van den burgerlijken stand en tot het beter constateren van den staat der bevolking van Paramaribo [1179].
Intusschen heerschte er in Suriname veel ontevredenheid en allerlei klagten over een slecht beheer drongen in het Moederland door. De Nederlandsche regering vermeende dat in vele opzigten veranderingen moesten geschieden, en zij zond daartoe den Generaal Majoor J. van den Bosch als Commissaris-Generaal voor de Nederlandsche West-Indische bezittingen naar Suriname en de W.-I. eilanden. Van den Bosch was voorzien van opene brieven des Konings, waarbij hem magt werd verleend, om als 's Konings vertegenwoordiger in die gewesten, den staat van zaken aldaar na te gaan en de noodige voorzieningen te doen plaats grijpen enz. [1180].
De zending van van den Bosch, de gevolgen daarvan, het brengen van Suriname en de W.-I. eilanden onder een Gouverneur, waartoe de schout bij nacht Paulus Roelof Cantz'laar werd benoemd, zullen wij in het volgende hoofdstuk behandelen. Wij vermelden nu slechts dat Generaal van den Bosch den 28sten April 1828 per Z. M. brik van Oorlog de Zwaluw, in Suriname arriveerde; en slechts zes dagen later per Z. M. Corvet de Panther, de Schout bij nacht, gewezen Gouverneur van Curaçao, P. R. Cantz'laar, terwijl de Veer, op last van Z. M. door Z. M. Commissaris eervol uit zijne betrekking van Suriname werd ontslagen, waarvan hij den 20sten Mei bij publicatie kennis gaf [1181].
De Veer liet zich de grief van niet tot den meer omvangrijken post van Gouverneur-Generaal der gezamenlijke West-Indische bezittingen te worden verkozen, met gelatenheid welgevallen, in het bewustzijn van zijne pligten altoos naauwgezet te hebben betracht en de goedkeuring des Konings te hebben verdiend: hij had, zoo als hij in een brief aan Minister Elout schreef, evenwel plan gehad, om zijn ontslag te verzoeken.
Eerst later kwam men tot de erkenning, dat er geene noodzakelijkheid had bestaan, om den Landvoogd deze grief aan te doen. De Commissaris-Generaal van den Bosch erkende de diensten door de Veer den lande bewezen in den volgenden brief aan den afgetreden Gouverneur:
»Paramaribo, den 26sten Julij 1828, No. 255.
Ik heb de eer gehad te ontvangen uwe missive van den 24sten der vorige maand, waarbij Uwe Excellentie heeft aangetoond de diensten door U Hoog Edel Gestrenge gedurende een tijdvak van ruim 32 jaar, in de onderscheiden moeijelijke en aanzienlijke betrekkingen, aan den staat bewezen, en verder het verlangen te kennen geeft, om eene belooning te verwerven, aan die langdurige diensten geëvenredigd.
Het strekt mij tot een wezenlijk genoegen Uwe Excellentie de verzekering te kunnen geven, dat ik van het gewigt dier diensten ten volle overtuigd ben. Gaarne erken ik mede, dat de finantiële staat dezer kolonie, onder uw Bestuur aanmerkelijk verbeterd is, en, op een gering niet noemenswaardig verschil na, komen uwe opgaven, met de boeken geheel overeen. Ik vlei mij dat Uwe Excellentie, na deze rondborstige verklaring mijner gevoelens, zal beseffen, hoe streelend het voor mij zoude wezen, aan de begeerte van U Hoog Edel Gestrenge te voldoen; doch de beslissing van Zijne Majesteit, geloof ik in deze niet vooruit te mogen loopen.
Niemand dan onze Koning weet beter bewezen diensten te erkennen en te beloonen, en ik zou gewis aan de belooning, waarop U Hoog Edel Gestrenge aanspraak heeft, hare waarde benemen, indien ze niet onmiddellijk door Zijne Majesteit zelve werd toegekend. Intusschen zal het mij eene genoegelijke taak wezen, den Koning met mijne bevinding bekend te maken, en Hoogstdenzelven mijne gunstige gevoelens ten aanzien van Uwe Excellentie mede te deelen; terwijl ik van mijne zijde de belangen der uwen, die mij worden aanbevolen, altijd volgaarne, daar waar pligt en gelegenheid het toelaten, bevorderlijk zal wezen.
Ik verzoek Uwe Excellentie, met de opregte dankbetuiging voor de aan mij bewezen diensten, de verzekering te willen aannemen, der bijzondere hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn
Uwe Excellentie Dienstw. Dienaar, (get.) J. van den Bosch."
De belooning door Zijne Majesteit op dit gunstig rapport en op de voordragt van den minister Elout toegekend, is geweest een verhoogd pensioen (f 8,000, zijnde f 2,000 boven dat waarop hij op grond zijner dienstjaren en fournissementen aan het pensioenfonds aanspraak had) en de vergunning om de distinctive van den rang van Generaal-Majoor te mogen dragen.
De Veer bleef na zijne aftreding in Suriname wonen, alwaar hij in den nacht van den 1sten op den 2den Februarij 1838 overleed.
In eene brochure geschreven door zijnen zoon G. S. de Veer vindt men het volgende:
»Als Gouverneur van Suriname vemogt hij den slavenhandel te fnuiken, het financie-wezen en de geld-circulatie in gezonden staat herstellen, den wederaanbouw van Paramaribo te bevorderen en de kolonie in hoog bloeijenden staat over te geven.
Hij is ten grave gedaald in het bezit der liefde en achting van allen die hem gekend hebben. Rijk is hij in dienst getreden, arm is hij gestorven en dat ten gevolge van zijne dienstverrigtingen, terwijl hij te kiesch dacht om datgene te reclameren, waarop hij, naar het getuigenis van den Graaf van den Bosch, zijn regt kon doen gelden. Zooveel mogelijk werden die deugden, na zijnen dood erkend en aan zijne kinderen beloond, door een regtvaardig besluit van wijlen Koning Willem den Eerste, waarvoor zij hem steeds dankbaar zullen zijn."
De Surinaamsche Couranten van 3 Februarij 1838 waarbij zij het berigt van het overlijden van de Veer mededeelden, legden mede een gunstig getuigenis van den ontslapen landvoogd af:
»De diep betreurde overledene heeft," zoo luidt o. a. een dier berigten: »toen hij de teugels des bewinds in dit gewest voerde, de groote taak aan zijn verhevenen stand verbonden, namelijk om het geluk dezer kolonie te bevorderen, geenszins uit het oog verloren; zijn uiterlijk waardig en beminnelijk voorkomen won dadelijk alle harten, en dwong elk die hem van nabij kende tot liefde, eerbied en hoogachting.
Eene gelukkige mengeling van waardigen ernst en bevallige zachtmoedigheid, rondheid, opregte verknochtheid aan vorst en vaderland, en het innige verlangen den bloei der kolonie te bevorderen, waren de hoofdtrekken van zijn beminnelijk karakter; hij was een braaf echtgenoot, een teedere vader, en een getrouwe vriend; alles wat tot de godsdienst betrekking had was hem heilig en eerwaardig, en toen hij op den avond zijns levens in stille rust zijne overige dagen in den schoot zijner betrekkingen sleet, kenmerkte hij zich door edele eenvoudigheid en burgerlijke deugden."
Eene schets van den algemeenen toestand van Suriname in die dagen levert slechts enkel lichtpunten op. Omtrent den finantiëlen staat merken wij slechts aan, dat dezelve nog wel niet in alle opzigten voldoende kon worden genoemd, doch evenwel onder het bestuur van de Veer veel was vooruitgegaan. In dien tijd werd nog niet aan subsidie gedacht, en nogtans waren bij het einde van zijn zesjarig bestuur niet alleen de schulden uitgedelgd, maar gaf hij in 1828 de kolonie over in zulken finantiëlen toestand, dat de Commissaris-Generaal daaruit termen vond tot het besluit dat Suriname het te kort der eilanden zou dekken.
Wij gelooven dat deze beschouwing van den Commissaris-Generaal al te gunstig was, ten minste dat de bedoelde hoop ijdel is geweest en dat Suriname eerlang in den treurigen toestand geraakte van zelve te moeten worden gesubsidieerd, in plaats van de eilanden bij te staan, bewijst de geschiedenis.
Er waren ook nu onder de aanzienlijken verscheidene, die ruime schatten door landbouw en handel verwierven; de hoogere klassen der Surinaamsche Maatschappij genoten beter onderwijs dan vroeger; meerdere beschaving ontbrak niet; doch godsdienst en zedelijkheid bleven op een lager trap, en de verhouding tusschen de meer bevoorregte en de lagere klasse was droevig. Vooroordeel en onverschilligheid hadden een afscheidsmuur tusschen hen opgetrokken. Afgescheiden van de eerste was de laatste aan zich zelve overgelaten en ten prooi gegeven aan allerlei ellende en de daarmede gepaard gaande ondeugden en misdrijven. Verschil van kleur werd als een smet op een deel der bevolking geworpen, en daardoor tusschen de verschillende standen der burgermaatschappij eene verwijdering bewerkt, die voor het algemeen belang ten hoogste nadeelig was.
De armoede met al hare afgrijsselijkheden had zich binnen de verblijfplaatsen van vele der lagere klasse gevestigd; --krankheid wierp menigeen op het ziekbed, waar gemis aan geneeskundige hulp en artsenijen de hoop op herstel deed ontzinken. Gebrek liet zich in huisgezinnen gevoelen, waar men, verstoken van inkomsten, buiten staat was in de dagelijksche behoeften te voorzien; onkunde en zedebederf vereenigden zich met bijgeloof en losbandigheid, waar godsdienstig en verstandelijk onderwijs ontbraken, en de opvoeding van het opkomend geslacht onder die klasse leidde tot een staat van barbaarschheid, die het ergste deed vreezen, daar de brandstoffen die de grondzuilen van het staatsgebouw moesten ondermijnen en het algemeene welzijn verwoesten, voorhanden waren.
Men ontveinsde zich dien onrustwekkenden toestand niet; men zag den nood der armen, het diep verval der lagere klasse, doch had geen moed zich harer aan te trekken, en van de hoogte waarop men meende te staan tot haar af te dalen, ten einde haar tot de betrachting harer pligten op te wekken, en zoo doende het ontoereikend gezag der wetten te helpen onderschragen.
Wel ontbrak het niet aan bewijzen van barmhartigheid en hulpbetoon; doch er werd meer gevorderd om het bestaande kwaad te keer te gaan, de behoefte des tijds te bevredigen en de toekomst voor gevaar te behoeden.
De Geneesheer Martinus Mauritz Alexander Coupijn, Surinaamsch kleurling, deelde, in de maand November 1827, aan een kring van een viertal vrienden een door hem gevormd plan mede, ten doel hebbende om,--uit aanmerking van de kommervolle omstandigheden, waarin de minvermogenden verkeerden, door het verschaffen van kostelooze geneeskundige hulp aan behoeftige zieken, hun toestand in dat opzigt, zoo veel mogelijk te verbeteren. Dit prijsselijk voornemen vond onmiddellijk weerklank in de harten der aanwezigen, en de ijverige en uitnemende Nicolaas Gerrit Vlier, een kleurling en zoo in regterlijk ambtsbetrekking als anderzins een sieraad van zijn stand, die daarbij tegenwoordig was, deed aanstonds het voorstel, om hem en de overigen toe te laten zich bij hem aan te sluiten en den kring wijder uit te strekken, naar gelang de behoefte aan stoffelijke en zedelijke hulp, dit noodzakelijk mogt maken.
Coupijn, wiens vurige wensch het was, voor den lijdenden natuurgenoot nuttig te zijn, verheugde zich over dien bijval en vereenigde zich volkomen met het gedane aanbod.
De beide eerstgenoemden benevens de heeren Samuel Ferdinand Flu, Jan Carel Stuger en J. C. Muller, Az., ontwierpen daarop de grondslagen tot eene inrigting ter betooning van liefderijke weldadigheid, ter bevordering van beschaving en zedelijkheid, tot opwekking van nijverheid en volksvlijt, en alzoo tot verspreiding van algemeen volksgeluk.
Dit ontwerp, welks aanleiding reeds spoedig een negen en twintigtal menschenvrienden aan de zijde van Coupijn en zijne vrienden deed scharen, werd in eene vergadering op den 28sten November deszelfden jaars 1827, goedgekeurd en mitsdien op dien dag opgerigt: de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid.
Dat de edele voornemens dezer waardige mannen, onder den zegen Gods en de medewerking van welgezinden, met goeden uitslag bekroond werden zullen wij later gelegenheid hebben op te merken. Hier slechts gewagen wij van de vestiging dier Maatschappij als van een der weinige lichtende punten, wier aanblik verheugt. Omtrent het lot en de behandeling der slaven valt weinig anders te vermelden, dan het reeds meermalen in den loop der geschiedenis medegedeelde. Hun lot, enkele gunstige uitzonderingen daargelaten, was en bleef hard; de behandeling liet steeds veel te wenschen over.
De Christelijke liefde der Hernhutters ging echter voort, met waar hun een deur werd geopend den slaven het Evangelie te brengen. Hun arbeid in Paramaribo werd zeer gezegend; het getal der onderwezenen nam toe, zoodat er behoefte bestond aan een ruimer bedehuis; hieraan werd voldaan, en in 1827 de bouw van een ruim en luchtig gebouw begonnen, dat in het volgend jaar voltooid en den 21sten Julij plegtig ingewijd werd [1182]. Nam de gemeente te Paramaribo toe, dit was echter niet het geval met de gemeenten op de plantaadjes, waarop door hen godsdienstig onderwijs aan de slaven werd verleend. Integendeel, het oude vooroordeel bleef bestaan; de kosten van onderhoud van het Etablissement bij het voormalig fort Sommelsdijk (zie bladz. 407) waren groot en de zendelingen hadden met velerlei tegenspoeden te kampen, zoodat zij zich eindelijk genoodzaakt zagen, na verloop van tijd, deze plaats weder te verlaten. Scheen het alzoo weder geheel nacht te worden, de Heer gedacht in zijne genade aan de armen in de schaduwen des doods hulpeloos nedergezeten, en er kwam uitkomst, er daagde een licht op, waarover de kinderen Gods zich verheugden.
Eenige ingezetenen kwamen op het denkbeeld om eene Maatschappij te stichten met het doel, om de Moravische broeders in hunnen arbeid der liefde, tot uitbreiding van het Christendom onder de slaven inzonderheid, maar ook tevens onder de verdere heidensche bevolking, te ondersteunen.
De verwezenlijking van dat plan, waarop 's Heeren zegen rustte, mede te deelen behoort tot de volgende afdeeling.
VIJFDE TIJDVAK.
TWEEDE HOOFDSTUK.
Van de optrede van P. H. Cantz'laar als Gouverneur-generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen (1828) tot de aftreding van B. J. Elias (1845).
De Nederlandsche regering--de voortreffelijke Elout was toenmaals Minister voor de Marine en Koloniën en zijn invloed strekte steeds ten goede voor 's Lands-bezittingen in vreemde werelddeelen--verlangde door de zending van van den Bosch als Commissaris-Generaal naar Nederlandsch West-Indië, den bloei en de welvaart dier bezittingen te bevorderen; zij hoopte dat van den Bosch door in haren geest werkzaam te zijn, door een krachtig bestuur aldaar te organiseren en door de zamenstelling van een aan de behoefte des tijds en der kolonie voldoende nieuw regerings-reglement, dit doel zou bereiken.
Voor Suriname, waarover wij thans alleen spreken, was veel te doen.
Het finantieel vertrouwen in de kolonie was zeer geschokt en moest, zoo veel mogelijk, worden hersteld; het gebrek aan circuleerend medium deed zich al spoedig op nieuw gevoelen en eischte voorziening; de landbouw kwijnde en had behoefte aan opbeuring; de afwezigheid der eigenaren werkte steeds zeer nadeelig op den bloei der volkplanting en eene productie te scheppen, die niet aan afwezigen behoorde kon slechts dit kwaad doen verminderen. Verder--eene onafhankelijke regterlijke magt bestond er niet in Suriname, daar zij met de wetgevende en bestierende magten als zamengesmolten was, en vele misbruiken daarvan het gevolg waren; deze te weren door de regterlijke magt, zoo veel dit mogelijk ware, op den zelfden voet als in Nederland in te rigten was eene noodzakelijke behoefte; want het Justitie-wezen lag gedompeld onder verouderde vormen en chicanes. Het binnenlandsch bestuur miste behoorlijke regeling en toezigt: de Veer was een goed man, doch bezat niet genoeg energie en sommige personen, waaronder vooral de toenmalige Procureur-Generaal van Heeckeren wordt genoemd, oefenden een nadeeligen invloed op hem uit; de aristocratische partij had een ruim veld, doch de geringere klasse werd door haar onderdrukt en verguisd.
Het onderwijs en het armwezen waren diep gedrukt. De inlandsche bevolking was geen voorwerp van 's lands zorg. Het vooroordeel tegen kleurlingen en joden was in volle kracht. Het huwelijk onder de kleurlingen kende men slechts bij uitzondering, enz., enz. Alles hijgde naar verandering, verbetering, opheffing. Het lot der slaven te verbeteren geboden godsdienst en menschelijkheid en het waarachtig belang der kolonie vorderde het.
De Nederlandsche regering was van een en ander dezer krijtende behoeften bewust en begeerde ernstig dezelve te gemoet te komen en verbeteringen aan te brengen enz.,--zij zond daartoe van den Bosch in wien zij een groot vertrouwen stelde en aan wien zij eene groote magt toekende. Van den Bosch nam bereidwillig de belangrijke taak op zich; hij beschaamde het in hem gesteld vertrouwen niet en gebruikte de hem verleende magt ten goede der kolonie.
Ofschoon reeds door gezette studie met den toestand van Suriname vrij goed bekend, vermeerderde hij die kennis door, tijdens zijn verblijf in de kolonie, met een onbevangen blik rond te zien; hij merkte veel op dat voor een minder geoefend oog onopgemerkt zou zijn gebleven; terwijl zijn helder oordeel de juiste gevolgtrekkingen wist te maken.
Als zijn voornaamste werk moet beschouwd worden: de zamenstelling van een Nieuw Reglement op het beleid der regering van de Nederlandsche West-Indische Bezittingen. Hij arbeidde daaraan met allen ijver en, reeds den 21sten Julij 1828, vaardigde van den Bosch eene publicatie uit, waarbij de voltooijing van dezen arbeid werd bekend gemaakt en bepaald, dat de nieuwe verordeningen, met 1 Augustus daaraan volgende, in werking zouden komen.
Overeenkomstig het daaromtrent reeds in Nederland door de Hooge regering verordende, werden Suriname en de West-Indische eilanden onder hetzelfde bestuur van een daartoe benoemden Gouverneur-Generaal gebragt, die te Paramaribo resideren zou. Dit was reeds feitelijk geschied door de benoeming van en de aanvaarding des bestuurs door P. R. Cantz'laar, op den 20sten Mei 1828.
Volgens het Nieuwe Regeringsreglement werd de werkkring van den Gouverneur-Generaal nader omschreven. Zijne magt werd zeer uitgebreid, terwijl het Hof van Policie en Justitie ophield te bestaan; het werd den 22sten Julij 1828 ontbonden en de leden, onder dankbetuiging voor hunne bewezen diensten honorabel ontslagen.
In plaats van het Hof van Policie werd den Gouverneur tot het beleid der regering toegevoegd: een Hooge Raad, waarvan de leden echter niet uit de kolonisten, bij verkiezing van stemgeregtigden ter electie aangeboden, zou worden zamengesteld, en zelfs niet uit eene voordragt door den Raad zelven worden gekozen, maar bestaan zou, uit vier ambtenaren, in rang op den Gouverneur volgende als: de Procureur-Generaal, de Controleur-Generaal der Financiën, de Commissaris-Generaal voor 's Rijks domeinen en de Commissaris voor de Inlandsche bevolking, de slaven daaronder gerekend en tevens belast met de zorg voor het Armwezen, het onderwijs en de kerkelijke zaken. De President van het Hof van Civiele en Criminele Justitie, benevens de President van den Gemeente raad der kolonie Suriname, konden door den Gouverneur-Generaal, in zeer bijzondere gevallen, wanneer zulks door hem in het belang van de dienst noodzakelijk werd geoordeeld, worden opgeroepen om als adviserende leden aan de beraadslagingen deel te nemen.
De algemeene en bijzondere wetten moesten in den Hoogen Raad worden geconcipieerd of, in zoo verre die door de Gezagvoerders op de W. I. eilanden ter sanctie worden ingezonden, onderzocht en gearresteerd; doch alvorens eenige wet van kracht kon zijn, moest dezelve door of van wege Z. M. worden goedgekeurd. In dringende gevallen echter was de Hooge Raad bevoegd besluiten uit te vaardigen, onder nadere approbatie van het Gouvernement, waarvan echter onmiddellijk kennis moest worden gegeven.
In de vergaderingen van den Hoogen Raad zou met meerderheid van stemmen worden besloten; bij het staken der stemmen had de Gouverneur eene beslissende; hij kon, wanneer hij zulks oorbaar voor den lande, en voor 's Konings dienst noodig rekende, onder zijne speciale verantwoordelijkheid, met de minderheid concluderen, en zelf naar zijn gevoelen alleen het besluit doen opmaken.
Alle verordeningen, besluiten, bevelen enz. van het Hoofdbestuur moesten worden uitgevaardigd: op naam van den Gouverneur-Generaal in Rade.
Terwijl genoemd Collegie alzoo eenigermate de wetgevende magt vertegenwoordigde werd de regterlijke magt thans bepaald hiervan afgescheiden en aan een afzonderlijk Collegie opgedragen. »De regtspleging wordt," zoo luidde artikel 40 en 41 van het Regerings-reglement: »uitgeoefend door een Hof van Civiele en Criminele Justitie, residerende te Suriname, zamengesteld uit een president, die Meester in de regten moet zijn; vier gegradueerde leden, en twee leden uit de ingezetenen, welke niet zullen behoeven gegradueerd te zijn, bijgestaan door een Griffier. Het Publiek Ministerie bij de regterlijke collegiën in Suriname wordt uitgeoefend door of namens den Procureur-Generaal."
Tot competentie van dit Hof behoorden alle burgerlijke zaken in de kolonie Suriname, welke de som van drie honderd gulden te boven gingen en de strafzaken, welke voor meer dan 10 dagen gevangenis, of eene boete van meer dan f 200 of, voor zoo verre slaven aanging, met een getal van meer dan honderd slagen zouden behooren te worden achtervolgd.
Bij genoemd Hof kon men ook appelleren voor zaken beregt door de regtbank van kleine zaken.
Deze regtbank van kleine zaken zou tevens uitmaken eene regtbank van Policie, en regt spreken in zaken, bij de bijzondere Reglementen aan te wijzen; zij zou worden zamengesteld uit een President, twee leden, vier assessoren (plaatsvervangers), een Griffier en twee Deurwaarders. De President moest zijn Meester in de regten; voor de beide leden, te kiezen uit de meest geachte ingezetenen, werd graduering wenschelijk, doch niet volstrekt noodig geacht.
Uitgezonderd de opschorting van een doodvonnis door den Gouverneur-Generaal of de Gezagvoerders op de eilanden, werd in artikel 60 van het Nieuwe Regeringsreglement de onafhankelijkheid der regterlijke magt uitdrukkelijk erkend: »Geen politiek gezag zal voor het overige eenigen invloed op de deliberatie der Regterlijke Collegiën kunnen uitoefenen, maar zullen dezelve, vrij en onafhankelijk, regt spreken in naam of van wege den Koning, zooals zij in goede justitie zullen vermeenen te behooren."
Het hoogst uitvoerend gezag in de kolonie Suriname berustte bij den Gouverneur-Generaal, tevens Bevelhebber over Land- en Zeemagt en Schutterij; de algemeene aangelegenheden, bij welke het Gouvernement in Europa meer onmiddellijk belang had, als: de regtspleging, de verdediging, de geldmiddelen, de landbouw, de koophandel en scheepsvaart, werden ter behandeling aan den Gouverneur-Generaal en den hem toegevoegden Hoogen Raad opgedragen.
Daarentegen zouden de huishoudelijke aangelegenheden van de ingezetenen, als: de plaatselijke policie, het beheer van de gebouwen en goederen aan de Gemeente toebehoorende, het toezigt over de administratie van Publieke Inrigtingen, Etablissementen, Weeskamers, Onbeheerde Boedelskamer, Openbare Eeredienst, Armen-inrigtingen, Schoolonderwijs, enz. moeten worden behartigd door een Plaatselijk of Gemeentebestuur.
Dat Gemeentebestuur zou bestaan uit een President, twee Wethouders en acht Raden, geadsisteerd door een Secretaris, twee Commiesen en drie Klerken. Uit de leden moest voor ieder buiten district twee Heemraden worden benoemd, aan wie de handhaving der Policie enz. in ieder district werd opgedragen. Geene reglementen door het Gemeente-bestuur uit te vaardigen zouden kracht van wet erlangen, tenzij door de hoogere Autoriteiten in de kolonie goedgekeurd.
Omtrent de finantiën werd bepaald, dat ten behoeve van het algemeen bestuur, de regtspleging en verdediging, algemeene of 's landslasten, onderscheiden van de bijzondere of Gemeente-lasten, zouden worden geheven. Het beheer der Algemeene Finantiën en de daaruit voortvloeiende regeling der Landstaxen werd opgedragen aan den Hoogen Raad, onder onmiddellijk toezigt van den Controleur-Generaal van Finantiën. Met het oppertoezigt over 's Rijksdomeinen, als: 's Lands-plantaadjes, slaven, bosschen, gebouwen en andere eigendommen, werd de Raad-Commissaris-Generaal, onder den Gouverneur-Generaal belast. Aan dien Raad-Commissaris werd tevens het oppertoezigt ten aanzien van de behandeling der Inlandsche bevolking, slaven daaronder gerekend, het Armwezen, het Onderwijs en de Kerkelijke zaken opgedragen. Dien ambtenaar werd aanbevolen, te zorgen, dat de Christelijke Godsdienst zoo veel mogelijk onder de Heidensche bevolking werd uitgebreid en door alle gepaste middelen aangemoedigd, en was hij bijzonder belast met de zorg voor de goede behandeling der slaven; terwijl hij moest toezien dat alle misbruiken en mishandelingen ten aanzien van slaven werden tegengegaan en geweerd.
Van den Bosch verlangde zeer om verbetering in den toestand der slaven te brengen.
Getuigt hiervan reeds de aanstelling van een Ambtenaar, wiens instructie hem verpligtte zich hun lot aan te trekken; daarenboven verklaart hij zich, bij artikel 117 van het Nieuwe Reglement, nadrukkelijk tegen het onregtvaardig beginsel dat slaven in regten alleen als zaken en niet als personen werden beschouwd. Genoemd artikel luidt:
»De slaven zullen, wat de dagelijksche behandeling betreft in betrekking tot hunne eigenaars beschouwd worden te staan als onmondigen tot hunne Kurators of Voogden, aan welke wel het regt verbleven is, om eene vaderlijke tucht over dezelve uit te oefenen, doch tegen welker mishandeling alle publieke Autoriteiten verpligt zijn te waken, en toe te zien, dat de wet, in hun belang ontworpen, striktelijk worde gehandhaafd; wordende bij deze het onregtvaardig beginsel, dat zij in regten alleen als zaken en niet als personen kunnen beschouwd worden, definitivelijk afgeschaft."
Van den Bosch wenschte ook nadere voorzienigingen en wijzigingen van het in 1784 uitgevaardigde slavenreglement, dat niet meer aan de eischen van den tijd voldeed, als zijnde:
1o. te streng voor den slaaf;
2o. te toegevend voor mishandelingen; en
3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en de verdere materiële verzorging.
Hij drukt dien wensch uit in artikel 18:
»Het hoofdbestuur in iedere kolonie zal bijzonder zorg dragen, dat de werktijd, de voeding en kleeding der slaven behoorlijk worde geregeld en vastgesteld, en al die verbeteringen tot stand brengen, voor welke dit belangrijk gedeelte der Policie vatbaar mogt zijn."
De heldere en onbevangen blik van van den Bosch bespeurde weldra, hoezeer het onderscheid van kleur en godsdienst, ook bij de vrije bevolking, eene klove tusschen burgers en burgers daarstelde, die, onregtmatig in wezen, door veelzijdige miskenning en achteruitzetting de ontwikkeling van een groot deel der bevolking belemmerde en tot groot nadeel der kolonie strekte. Hij trachtte dit vooroordeel tegen te gaan door benoeming van verdienstelijke kleurlingen en Joden tot belangrijke betrekkingen, zijnde dit de eerste schreden, die kleurlingen en Joden op den weg van openbare ambten hebben gedaan; terwijl hij tevens in artikel 116 der algemeene bepalingen tegen dit vooroordeel te velde trekt in de volgende bewoordigingen:
»Aan alle vrije lieden, burgers der kolonie, om het even van welke godsdienst of kleur, worden gelijke burgerlijke regten toegekend; alle publieke Autoriteiten worden uitgenoodigd, om, door hun voorbeeld, de dienaangaande nog bestaande vooroordeelen tegen te gaan."
De handel en vaart op en van de kolonie Suriname bleef provisioneel beperkt uit en naar het moederland; de Noord-Amerikaansche handel en vaart en die van de ingezetenen der Nederlandsche West-Indische eilanden, aan welke dezelfde voorregten als aan de Noord-Amerikanen werden toegestaan, bleef echter op den ouden voet geoorloofd. Om het finantieel vertrouwen te herstellen en te voorzien in het gebrek aan Circuleerend Medium werd door van den Bosch het plan tot oprigting eener West-Indische bank gevormd, die ook in het volgend jaar tot stand kwam. Hij wenschte niet slechts de geldcirculatie te verbeteren, maar ook hiermede de opbeuring van den landbouw enz. in verband te brengen. Ook liet van den Bosch eene Landsplantaadje aanleggen, op Voorzorg, op den regteroever der Saramacca, tegenover de post Groningen, waarop o. a. proefnemingen in het belang van den Landbouw zouden geschieden, terwijl ook de invoering van stoomfabrieken zoo veel mogelijk werd aanbevolen.
Uit een en ander blijkt genoegzaam dat de Commissaris-Generaal van den Bosch, met ijver, de goede bedoelingen der Nederlandsche regering trachtte te bevorderen, en drage zijn werk ook al den stempel der onvolmaaktheid, dat alle menschelijk werk eigen is, wij houden ons overtuigd, dat, ware men in zijn geest voortgegaan, Suriname ongetwijfeld in bloei zou zijn toegenomen en niet tot dien achteruitgang zijn geraakt, als waartoe de kolonie is vervallen; ofschoon wij tevens gelooven, dat zijne hoopvolle verwachting wel wat hoog gespannen was toen hij tot het besluit kwam, dat Suriname het te kort der eilanden zou kunnen dekken [1183].
Van den Bosch toonde belangstelling in al wat tot bevordering van het welzijn van Suriname kon verstrekken.
Onder de middelen die de beschaafde klasse der kleurlingen aangreep om zich zelven op te heffen, behoorde het aangaan van wettige huwelijken, en het oprigten der reeds genoemde Maatschappij van Weldadigheid, die ten doel had de ondersteuning der behoeftigen en het verschaffen van onderwijs aan de kinderen van minvermogenden. De Israëlieten, die evenzeer als de kleurlingen door de zoogenaamde Aristocratie van Suriname verstooten werden, vereenigden zich met hen. Door die vereeniging bewogen zij zich eenvoudig op Philantropisch terrein. De magthebbenden in Suriname werden bevreesd, en zij schreven aan de oprigters geheime bedoelingen toe, die echter door de openbaar gemaakte statuten duidelijk werden weersproken. De uitnemendste der kleurlingen hadden zich tot van den Bosch begeven, hem den toestand blootgelegd en zijne ondersteuning verzocht.
Hij woonde, vergezeld van den Gouverneur-Generaal Cantz'laar, eene vergadering van het bestuur bij, en overtuigde zich van de edele beginselen, waarvan de oprigters uitgingen en hij vermeende dat die inrigting een weldadigen invloed op de mindere klassen zou kunnen uitoefenen, en, onmiddellijk nam hij die Maatschappij in bescherming en beval hare belangen, op eene nadrukkelijke wijze, bij het Koloniaal Gouvernement aan. Die jeugdige plant nam hierdoor in hooge mate in zedelijke kracht toe en werd sedert met meer belangstelling gadegeslagen. Het voorbeeld van den Commissaris-Generaal werkte gunstig; er traden spoedig velen tot genoemde Maatschappij toe; het getal harer leden vermeerderde aanzienlijk en--zij werd hierdoor in staat gesteld veel in het belang van Surinames behoeftige bevolking te doen.
Eene andere Maatschappij werd mede te dezer tijd opgerigt, waardoor veel goeds is verrigt, namelijk: Maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname.
De ontwerpers tot stichting dier Maatschappij waren de heeren:
Mr. E. L. Baron van Heeckeren, Procureur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen; D. Janssen Eijken Sluijters, Predikant bij de Evangelisch Luthersche Gemeente te Paramaribo; A. Roelofsz, Predikant bij de Hervormde Gemeente; Mr. H. R. Haijunga, Lid van het Hof van Civiele en Criminele Justitie; en F. Beudeker, oud Lid van het Hof van Policie, eigenaar en administrateur.
Dit ontwerp kwam tot stand gedurende het verblijf van van den Bosch en werd hem door deze heeren bij Missive van den 7den Junij 1828 voorgesteld. Daar het doel der stichting in die Missive naauwkeurig en helder wordt uiteengezet, laten wij haar hier volgen:
»De ondergeteekenden, zich overtuigd houdende van den heilzamen invloed, welken, sedert ruim eene halve eeuw, de Moravische Broeders op de godsdienstige vorming der slaven en vrijlieden in deze kolonie gehad hebben, en wenschende aan deze belangrijke instelling meerdere uitbreiding te geven, hebben geoordeeld, dat, ter bereiking van dit doel, allezins dienstbaar zoude zijn de oprigting van eene Maatschappij of Genootschap, ten oogmerk hebbende de bevordering van het godsdienstig onderwijs onder onze zwarte bevolking, door middel der Moravische Broederen.
De bedoelingen en werkzaamheden dezer Maatschappij worden genoegzaam kenbaar door de zoo even gegevene omschrijving.
Het doel zou niet zijn bevordering van beschaving in het algemeen, maar bijzonder onder de zwarte bevolking dezer volkplanting, waartoe wij negerslaven en vrijnegers, zoo ook de kleurlingen of gemanumitteerden, of ook vrijgeborenen, die tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs genegen zijn, betrekken; en men zoude dit doel, bij uitsluiting van andere daartoe leidende middelen, eeniglijk trachten te bereiken door middel der Moravische Broeders, welker goede pogingen ter godsdienstige vorming onzer slaven, men door de meest gepaste middelen zoude trachten te ondersteunen, ten einde den kring hunner werkzaamheden uit te breiden, en aan hun onderwijs eene meer en meer doelmatige strekking te geven.
De blanke bevolking der kolonie te gering zijnde, dan dat men voldoend resultaat van dezelve ten deze zou kunnen te gemoet zien, acht men het, ten einde hiertoe te geraken, vóór alles noodig, dat deze Maatschappij zich gelijktijdig zoo in deze volkplanting als in het Moederland vestige, ten einde men alzoo beproeve, wat men met vereenigde krachten zou kunnen uitwerken, om op eene wenschelijke uitkomst te kunnen doen hopen.
Het ligt in den aard der zake, dat de eerste en voornaamste bemoeijingen dezer Maatschappij zoude behooren te zijn de daarstelling van een genoegzaam fonds, hetwelk uit de jaarlijksche contributiën der leden en de vrijwillige giften harer begunstigers zoude worden te zamen gebragt.
Indien de pogingen ter daarstelling van een zoodanig fonds met een eenigzins gunstigen uitslag zoude mogen worden bekroond, zoude hetzelve moeten worden aangelegd:
1o. om, voor zoo verre de voorhanden penningen nog niet genoegzaam zouden mogen worden bevonden, om aan de tegenwoordig bestaande instelling, door vermeerdering van leeraars als anderzins, eene meerdere uitgestrektheid te geven, de middelen van vervoer van Paramaribo naar de Plantagiën en terug voor de broederen gemakkelijk te maken; zulks zoude kunnen geschieden door het aankoopen van eenig vaartuig, hetwelk ter vrije beschikking der Broeders zoude staan, waarbij men ook wel zou willen voegen den aankoop van de daartoe behoorende roeinegers, indien men niet vreesde, dat zoodanige aankoop het fonds, vooral in den beginne, te zeer zoude verzwakken, en men overigens niet de meest gegronde hoop voedde omtrent de goede gezindheid van het Gouvernement, om ten dezen met landsslaven of zoogenaamde vrije arbeiders te willen ondersteunen;
2o. om, bij versterking en accrescement der geldmiddelen, het getal der alhier gevestigde Broederen te vermeerderen.
Men kan toch niet ontkennen, dat, bij vermeerdering van dezelver getal, de gelegenheden tot het ontvangen van godsdienstig onderwijs zich uit den aard der zake moeten vermenigvuldigen, gelijk het evenzeer ontwijfelbaar is, dat aan zoodanige wenschelijke vermeerdering tot dus verre hinderlijk is geweest de kostbaarheid, waarop, zonder ondersteuning van buiten, de uitzending van meerdere leeraren der broedergemeente zou te staan komen;
3o. om, bij eene zoodanige vermeerdering van Leeraren, hun de gelegenheid te verschaffen, of gemakkelijk te maken, om in Paramaribo de hand te slaan aan het onderwijs der slavenkinderen, ten einde dezelve in de beginselen van het lezen en schrijven niet langer onkundig blijven, en zij dus met te meer vatbaarheid het godsdienstig onderwijs zoude kunnen ontvangen;
4o. om ook buiten Paramaribo, liefst op eenig bevolkt middelpunt, in eene der divisien, een etablissement op te rigten, waar twee, drie of meer broeders, hetzij bij afwisseling, hetzij bij uitsluiting, hun vast verblijf zouden houden, ten einde van daar, zoo aan het evengemeld onderwijs der jeugd, als bijzonder aan de godsdienstige belangen der slavenmagten in den omtrek, voor zoo ver deszelfs eigenaren of administrateuren zulks zouden willen gedoogen, bevorderlijk te zijn;
5o. om door de verspreiding van het verwacht wordende Neger-Engelsch Nieuwe Testament, tegenover den Nederlandschen tekst, tot de kennis der Heilige Schrift, bijzonder onder de geringere volksklasse in deze kolonie, bij te dragen.
Bij deze hoofdtrekken gelooven zich de ondergeteekenden voor alsnog te moeten bepalen: Zij gevoelen te wel, dat men ten dezen te zeer van personen, tijden en omstandigheden afhankelijk is, dan dat zij niet zouden schroomen voor het tegenwoordige in meer bijzonderheden te treden. Zij vermeenen echter genoeg gezegd te hebben, om Uwe Excellentie met den aard en den geest hunner bedoelingen bekend te maken, en vertrouwen dat Uwe Excellentie gaarne hare goedkeuring daaraan zal geven, en hunne pogingen zal willen schragen, door alle zoodanige middelen als bij Hoogstdeszelven daartoe mogten voorhanden zijn, terwijl zij, bekend met de godsdienstige gezindheid van Zijne Majesteit, ook van die zijde de meeste welwillendheid en bescherming te gemoet zien."
Deze Missive werd vergezeld door een Reglement voor de Maatschappij, in hetwelk, behalve de punten, in de Missive behandeld, het beheer en de regeling der zaken aan twee afdeelingen werd opgedragen, waarvan de eene te Paramaribo, en de andere in Nederland gevestigd zoude zijn.
Reeds den 10den derzelfden maand Junij ontvangen de ontwerpers een goedkeurend antwoord van van den Bosch; hierdoor bemoedigd gingen zij voort, en alzoo werden de handen der Moravische broederen gesterkt. Deze waardige mannen maakten met dankbaarheid van de gelegenheid gebruik, om in ruimeren kring dan tot dus verre, het Evangelie van genade den armen slaven te verkondigen; met, door deze hulp, versterkte krachten arbeidden zij aan de bevordering van het geestelijk heil der slaven; en steeds zetten zij dit werk der liefde voort, trots vele miskenningen en teleurstellingen. De Heer ondersteune hen!
Het hoofddoel der zending van van den Bosch, het zamenstellen van een reglement op het beleid der regering, met de daartoe behoorende bijzondere verordeningen, afgeloopen zijnde, verliet hij op den 1sten Augustus 1828, op welken dag de nieuwe reglementen in werking zouden komen, de kolonie, en vertrok, over Nickerie, naar Nederland.
Dat de zending van van den Bosch weinig aan de hoopvolle verwachtingen en goede bedoelingen der Nederlandsche regering heeft beantwoord, lag niet aan den persoon van van den Bosch, die met ijver en getrouwheid, de hem opgelegde taak, naar zijn beste weten heeft volbragt; doch andere omstandigheden waren daarvan de oorzaak. Het voornemen der toenmalige Nederlandsche regering met de zending van van den Bosch, om regtvaardig en billijk jegens allen te zijn, bereikte geen doel; want wat baat het milde regtvaardige beginselen in de wet op te nemen, zoo de personen met de ten uitvoer legging dier wet belast, of zelven niet van die beginselen doordrongen zijn, of de zedelijke kracht missen om ze, trots allen tegenstand, te handhaven en toe te passen? Daarom dan ook gelukte het der reactionaire partij, de mildere beginselen omtrent de behandeling der slaven en tot wegneming van het vooroordeel tegen de kleur door van den Bosch aanbevolen, zoo al niet geheel krachteloos te maken, ten minste lang tegen te houden en derzelver ontwikkeling te belemmeren. Niet alle Gouverneurs waren gezind of bezaten de noodige geestkracht om der reactionaire partij het hoofd te bieden en de Nederlandsche regering zelve leende te dikwijls het oor aan die partij en ondersteunde de goedgezinde Landvoogden niet genoegzaam.
P. R. Cantz'laar, een dapper zeeofficier, van 1816 Gouverneur over de eilanden St. Martin en Saba, en sedert 1820 Gouverneur van Curaçao, had het bestuur over Suriname en de West-Indische eilanden aanvaard, onder den titel van Gouverneur-Generaal over de gezamenlijke West-Indische bezittingen. De taak hem opgedragen, om de nieuwe reglementen, overeenkomstig de bedoeling der Nederlandsche regering, ten uitvoer te leggen was reeds uit den aard der zake geene gemakkelijke taak. Daarbij heerschte er in Suriname veel gisting; er waren aldaar vele ontevredenen, en men uitte die ontevredenheid op verschillende wijze. Reeds vóór de aanvaarding van het bestuur had Cantz'laar een naamloos geschrift ontvangen, »houdende lasteringen en calomnie tegen sommige ambtenaren." In eene zijne eerste publicatiën betuigde hij zijne verontwaardiging en ontevredenheid over dergelijke laakbare handelwijze; doch berigtte tevens, dat de weg tot hem openstond voor elk en een iegelijk, die vermeende eenige billijke of grondige klagten of bezwaren te hebben tegen de ambtenaren in de kolonie [1184].
Zoo lang de Commissaris-Generaal in Suriname vertoefde, stond de Gouverneur-Generaal, als het ware eenigermate op den achtergrond; hij had evenwel veel met hem gewerkt en begeerde in denzelfden geest te handelen. Na het vertrek van van den Bosch, beijverde Cantz'laar zich om den nieuwen toestand te bevestigen, waartoe onderscheidene nadere bepalingen en instructiën werden daargesteld.
Onder het oppertoezigt van het Gemeente-bestuur werd gesteld: de plaatselijke en landelijke policie, het brandwezen, de waag enz., welk een en ander door speciale reglementen en instructiën nader werden geregeld [1185]. Het bestuur van de Curatele en onbeheerde Boedelskamer en het Collegie van Raden en Houtvesters en Commissarissen der gemeene weiden werden ontbonden en het beheer daarvan provisioneel aan eene Commissie uit den Gemeenteraad opgedragen [1186]. Strenge verordeningen omtrent het wegloopen der slaven werden uitgevaardigd en het oppertoezigt op het nakomen er van berustte mede bij het Gemeentebestuur [1187].
Ofschoon de slavenhandel regtstreeks uit Afrika verboden was en dit verbod streng gehandhaafd werd, strekte zich dit niet uit op het vervoer van slaven, respectivelijk van de eene Nederlandsche kolonie in de West-Indië naar eene andere, of van en naar zoodanige vreemde kolonie, waar de directe invoer van slaven uit Afrika niet geoorloofd was. Deze reserve behouden bij het Koninklijk besluit, betreffende de afschaffing des slavenhandels van 17 September 1818, werd in een K. B. van 5 Julij 1825 vernieuwd en, krachtens een koninklijk rescript van 11 Junij 1830, werd den 26sten October 1830 door Cantz'laar eene publicatie uitgevaardigd, waarbij de uitvoer van slaven van de West-Indische eilanden werd aangemoedigd door het uitloven van premien (f 25 voor elken gezonden werkbaren slaaf en f 12,50 voor een gezonden slaaf beneden de 16 en boven de 12 jaren oud); terwijl op den uitvoer van slaven uit Suriname daarentegen eene belasting van f 100 werd gesteld [1188].
Deze bepaling moest strekken om zoogenaamd den landbouw in Suriname te bevorderen; doch, dat zij wreed voor de aldus van hunne verwandten gerukte slaven was, schijnt niet van genoegzaam gewigt te zijn beschouwd geworden.
De belastingen in Suriname, speciaal die op den in- en uitvoer, het Hoofdgeld, de Additionele verhooging, het Patentregt, de Administriële, het Zegelregt en de Transportregten werden gewijzigd, en tot stijving der koloniale Finantiën de reeds in het moederland bestaande belasting, bekend onder den naam van Regt van Successie, ingevoerd [1189].
De leges en emolumenten, welke op de publieke kantoren, ten behoeve van den lande en voor de ambtenaren zouden worden geheven, werden bij publicatiën van 23 December 1828 geregeld [1190].
Nieuwe verordeningen omtrent de binnenlandsche scheepvaart, het havenregt enz. werden uitgevaardigd [1191]; de posterij werd op een meer geregelden voet gebragt en de briefporten verminderd [1192]; het uitoefenen der notariële practijk door vijf gezworen klerken te Paramaribo en een in het district Nickerie residerende, werd onder behoorlijk toezigt van den Procureur-Generaal en den Griffier van het Hof van Civile en Criminele Justitie gebragt [1193], en verder werden verscheidene min of meer belangrijke reglementen, instructiën, publicatiën enz., enz. daargesteld en uitgevaardigd.
Ten gevolge der bemoeijingen van den Commissaris-Generaal werd in 1829 in Suriname opgerigt de Particuliere West-Indische bank.
De regering vermeende te gemoet te komen, aan de door de ingezetenen van Suriname meermalen uitgedrukte begeerte om hulp en medewerking van het Nederlandsch Gouvernement ter verbetering van den geldsomloop, enz., enz., door het daarstellen eener inrigting, die de strekking had, om den geldsomloop behoorlijk te regelen, den wissel zoo veel mogelijk voor agio te bewaren, en door het voorschieten van gelden aan ingezetenen (planters), den landbouw en daardoor den bloei en de welvaart van Suriname te bevorderen. Het kapitaal dezer bank werd bepaald op f 3,000,000, welke som in Nederland zoude berusten, terwijl als representatief daarvan eene gelijke som in bankbilletten van 1/2 gulden tot f 1000 zou worden uitgegeven.
De billetten dezer bank zouden in het gebrek aan Circulerend medium voorzien, en tot wettige betalingen dienen, zoo voor belastingen, als voor allerlei aard, voor Suriname en de West-Indische eilanden; terwijl de tot dusverre als 's Lands munt gangbare billetten van de Maatschappij ter bevordering van den Volksvlijt te Brussel, hiervoor konden worden opgewisseld van 1 Julij tot 31 Augustus 1829.
Tweemaal elke week zouden bij de directie, zonder oponthoud of korting, wissels op hare Agenten in Nederland verkrijgbaar zijn.
Verder zouden de operatien der Bank, indien de staat harer fondsen dit toeliet, worden uitgestrekt: tot het escompteren van wisselbrieven, afgegeven door geaccrediteerde grondeigenaars of Administrateurs of kooplieden of handelshuizen in de West-Indische bezittingen gevestigd, tegen goeden waarborg en eene billijke provisie, en tot het voorschieten van kapitalen op suiker en andere plantaadjes in de Kolonie Suriname, welke kapitalen zouden worden aangewend tot het plaatsen van stoomwerktuigen, ter bevordering van den landbouw, of tot het invoeren en uitbreiden van de Indigo teelt.
Als waarborg voor de houders der Bankbilletten worden, behalve het crediet van drie millioen in Nederland, [1194]
a. alle panden en voorwerpen door de bank beleend, en
b. eene som van honderd en vijftig duizend gulden, welke jaarlijks uit de Koloniale kas te Suriname in de kas der bank zou worden gestort. [1195].
De oprigting der Particuliere West-Indische bank was eene voor Suriname zeer belangrijke instelling. Evenwel heerschte er eenige onbestemdheid bij derzelver zamenstelling; want volgens den naam, was zij eene particuliere bank; doch dan werd met regt gevraagd: wie was dan de bankier en waar waren de drie millioen waarborgskapitaal gedeponeerd?
Uit eene redenering in 1845 van den toenmaligen Minister van Koloniën Baud blijkt, dat de regering vruchteloos naar een bankier in Nederland, genegen om drie millioen ter beschikking van die bank te houden, had gezocht, en toen de eerste voorschotten uit andere (niet genoemde) fondsen had gedaan [1196]. Dat het eer eene Gouvernements-bank kon worden genoemd toonde de zamenstelling van het bestuur; de Hoofd-directie toch bestond uit: den Gouverneur-Generaal, den Procureur-Generaal, den Controleur-Generaal en twee bezoldigde Commissarissen, een vasten Secretaris, benevens het noodige getal Ambtenaren en klerken. Ook andere omstandigheden deden haar met regt als eene staatsinrigting beschouwen. De regering noemde haar echter niet bepaald eene staatsbank, daar zij immer hoopte een bankier te vinden, waardoor zij werkelijk Particuliere bank kon worden.
In Suriname begroette men, zonder zich veel over die tweeslagtigheid te bekommeren, de oprigting der bank met blijdschap. Onmiddellijk werkte zij gunstig ten verbetering van den geldsomloop, dat dan ook zeer gewenscht was, want de in 1827 ter vervanging van de zeven millioen Surinaamsch kaartengeld ingevoerde Brusselsche bankbilletten en specie ten bedrage van f 2,400,000 was in den korten tijd van twee jaren reeds tot f 1,600,000 verminderd. Van de gelegenheid om geregeld twee maal per week wissels op Holland te verkrijgen, zonder betaling van agio, werd ruimschoots gebruik gemaakt; zoodat van 1829 tot 1831 voor f 1,260,000, meer wissels door de bank werden getrokken dan overgemaakt.
Het gronddenkbeeld van van den Bosch, bij het oprigten der bank, was om eene productie te scheppen niet toebehoorende aan afwezige eigenaars: 1o door het aflossen van Nederlandsch hypotheken, waartoe de bank de fondsen zou voorschieten; 2o. door het aanleggen eener groote suikerplantaadje voor rekening der bank; doch dit denkbeeld werd niet geheel verwezenlijkt; want het blijkt niet dat er bepaalde aflossing van Nederlandsche hypotheken plaats heeft gevonden. Evenwel werd de landbouw gebaat door het verschaffen van gelegenheid tot het opnemen van gelden ter verbetering van werktuigen als anderzins op plantaadjes. In de jaren 1829 en 1830 werden door de Particuliere W. I. bank aan een twaalftal personen eene som van f 1,200,000 beleeningen gedaan.
Negen dier geldopnemers leverden het bewijs, dat de heilzame bedoelingen van Z. M. op goede gronden rustte, en met gunstige gevolgen konden worden bekroond. Onderscheidene suikerplantaadjes kwamen daardoor in bloei; terwijl andere als uit de asch van verlaten koffij en katoengronden, met vollen luister verrezen en in bloei toenamen; doch omtrent de drie andere geldopnemers, kan niet een even gunstig getuigenis worden afgelegd. De Directie der bank had bij het gehoor verleenen aan de laatst gemelden niet slechts alle voorzigtigheid uit het oog verloren, maar zelve tegen den geest der bepalingen gehandeld, daar zij aan drie personen belangrijke kapitalen voorschoot, wier effecten de waarde daarvan niet bezaten, en die, uit hoofde van hunne enorme schulden, bij geen burger crediet hadden; ten bewijze waarvan diene, dat de tusschenkomst van Commissarissen der bank vereischt werd, om door acceptatiën van de schulden der geldopnemers, hunne hypotheken te doen doorgaan.
De directie was dus overtuigd, dat de drie bedoelde geldopnemers geen oogmerk hadden, om eenige verbeteringen aan hunne plantaadjes te brengen, maar het voorschot der bank slechts wilden bezigen, om hunne schulden tot een goed geheel te brengen; de Directie wist dus dat hier misbruik van de goede bedoelingen van Z. M. zou worden gemaakt, en, in plaats van zulks, volgens het advies van Commissarissen tegen te gaan, heeft zij alleen om staatkundige redenen, aan die aanvraag voldaan.
Dergelijke onvoorzigtigheden bragten de Bank groot nadeel toe, en waren eenigmate mede oorzaak, dat in de laatste helft van het jaar 1830, de bank, op last van hooger gezag, opgehouden heeft, om beleeningen te doen.
Hierdoor werd de hoop van vele eigenaren en van velen, welke middellijk of onmiddellijk bij verbetering of uitbreiding van landbouw belang hadden, ten eenemale vernietigd.
De groote Gouvernements-suikerplantaadje Voorzorg, die tevens een der steunpilaren der bank moest worden, werd spoedig verlaten, en dit--op aandrang der kolonisten zelven. Die onderneming toch werd door hen als gevaarlijk afgeschilderd, omdat zij het vereenigingspunt worden moest van de zoogenaamde vrije gouvernements arbeiders (menschen van prijsgemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst genomen, doch niet veel beter dan slaven behandeld), die men veiligheidshalve--zoo heette het--liever verspreid, dan bij elkander te werk gesteld zag.
Met het ophouden der beleeningen ontstond een ander kwaad, namelijk het niet in circulatie brengen van het bankpapier. De bank ontving jaarlijks uit de koloniale kas eene som van f 150,000, was zij nu voortgegaan met het doen van doelmatige beleeningen, dan ware het papierengeld van zelve weder in omloop gekomen, maar nu zij hiermede ophield en jaarlijks toch die som bleef ontvangen, verminderde natuurlijk de circulatie.
Weldra waggelde de West-Indische bank op hare grondslagen. De reeds genoemde onvoorzigtigheid; het verlaten der Gouvernements plantaadje; het niet tot stand komen van de benoodigde drie millioen kapitaal; het door staatkundige rampen plotseling opdroogen der bron, waaruit de eerste voorschotten waren verleend, dat alles te zamen bereidde haren ondergang.
In het begin van 1831 adverteerde de Directie der Particuliere West-Indische bank kortaf in de Surinaamsche Courant, dat provisioneel geene wisselbrieven op het Ministerie van Koloniën zouden worden afgegeven, en kort daarna (den 3den Mei 1831) verscheen eene publicatie van den Gouverneur-Generaal, waarin o. a. werd gezegd: dat, de beroerten in Zuid-Nederland (de onlusten in Belgie) eene groote belemmering hebben doen ontstaan in alle takken van bestuur, en voorzeker ook de geldelijke gesteldheid van 's lands schatkist in het vaderland in onvoorziene ongelegenheden moeten hebben gewikkeld. Voorts werd bij die publicatie overwogen, dat het Koloniaal Gouvernement zorgen moest: »dat de tijdelijke belemmering in den financiëlen staat bij het Nederlandsch Gouvernement niet werd verhoogd door koloniale inrigtingen, welke zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen, en zonder eenige der welbegrepen belangen dezer volksplanting in de waagschaal te stellen, wijzigingen worden ondergaan." [1197] Daar er reeds acht maanden na het uitbreken van den opstand in Belgie waren verloopen, is het wel te vermoeden, dat de Gouverneur van den Minister van Koloniën eenige voorschriften omtrent zijne te volgen handelwijze had ontvangen en dus niet anders vermogt te handelen. Mogt Cantz'laar werkelijk vermeend hebben, dat het ophouden van het afgeven van wissels door de Bank slechts eene eenvoudige wijziging was, die zonder aanmerkelijk bezwaar voor de goede ingezetenen kon plaats hebben, dan getuigt het niet van zijn helder inzigt in finantiële zaken; want die wijziging was eene hoogst belangrijke en had zeer droevige gevolgen.
In Artikel 1 der bedoelde publicatie van 3 Maart werd wel, schijnbaar lijnregt in strijd met de advertentie van de bank, gezegd: »Het afgeven van wisselbrieven zal bij voortduring plaats hebben," maar deze belofte werd niets beduidend door de bijvoeging: »edoch niet verder of meerder dan naar evenredigheid van het bedrag der ter escompte aangeboden wissels, en mitsdien in diervoege, dat de Particuliere West-Indische bank al de door dezelve af te geven wissels door eigen remises dekken kan."
Daar er nu geene wissels ter escompte aan de bank werden aangeboden, omdat er dadelijk agio ontstond, en ieder particulier op wissel winst aanbood; daar de bank geene eigene remises bezat of konde verstrekken en in tegendeel reeds in twee jaren voor f 1,126,000 meer had getrokken dan overgemaakt (zie bladz. 654), kwam het volkomen op hetzelve neder als of men de advertentie der Directie had gecopieerd.
De afgifte van wissels op het Ministerie van Koloniën hield geheel op, en de bank had reeds opgehouden met het doen van beleeningen, in een woord: die inrigting was argent court; zij ging den doodslaap in en werd, ondanks eenige stuiptrekkingen, herleefde zij niet meer [1198].
Zoodra als de Bank ophield nieuwe beleeningen te sluiten, terwijl de gedane moesten worden afgelost en het geld daarvoor in de Bank stroomde, ontstond er spoedig gebrek aan Circulerend kapitaal, omdat de bank als crediteur voor de nog loopende hypotheken bankbilletten ontving en niet op nieuw uitgaf.
Ook daalden de bankbilletten in waarde, want de bepaling in artikel 3 der publicatie van 3 Mei 1831, dat zij de volle waarde zouden behouden baatte niet, daar men voor wissels op nieuw agio moest betalen en, naarmate van de rijzing des wisselkoers, daalde het papier.
De handel werd hierdoor gefnuikt. Menig faillissement of surseance van betaling was het uitsluitend gevolg van den treurigen finantiëlen toestand der Kolonie en hierdoor kwamen berouw, mistrouwen en afkeer bij den Hollandschen koopman, om op nieuw met de volkplanting betrekkingen aan te knoopen, daar die zoo ligt verlies konden opleveren. Niet slechts de groothandelaar of planter leed hierdoor, maar ook niet minder de nijvere burger of de bezoldigde ambtenaar, die de noodzakelijkste levensbehoeften, als: boter, vleesch enz., uit Nederland aangebragt, tegen de hoogste prijzen moest betalen, daar de verkoopers door het slechte crediet van Suriname, niet dan tegen een verhoogde markt, konden koopen en derhalve hunne waren aan de Surinaamsche ingezetenen zoo veel duurder van de hand moesten zetten [1199].
De hoopvolle verwachtingen omtrent verbetering en uitbreiding van den landbouw hadden in 1829 sommige kolonisten opgewekt, een Surinaamsch Landbouwkundig-genootschap op te rigten onder de zinspreuk: Prodesse Conamur, waar men te zamen kwam, om onderling over onderwerpen daarmede in verband staande, te spreken; waar vragen ter beantwoording werden opgegeven, enz. [1200]. De benoeming van een bekend Landbouwkundige, den heer M. D. Teenstra, niet slechts tot Inspecteur van bruggen, wegen, enz., maar tevens tot Rijks-Cultivateur, den 27sten April 1831, mag mede worden beschouwd als eene poging tot opbeuring van den landbouw; hij ondervond echter vele tegenwerking in de kolonie; men dankt aan hem vele belangrijke geschriften over Suriname.
Het ophouden der beleeningen door de West-Indische Particuliere Bank; de lagen prijzen der suiker en andere omstandigheden deden de hoopvolle verwachtingen in rook vervliegen. In de laatste jaren werden ook weder eenige plantaadjes door de Marrons aangevallen en afgeloopen, waartegen boschpatrouilles werden uitgezonden [1201]: in het kort Suriname ging niet vooruit.
Tijdens het bestuur van Cantz'laar werden nadere voorzieningen gemaakt tegen de uitbreiding der Boassie; de verzending der aan deze vreesselijke ziekte lijdenden naar het Etablissement Batavia, aan de Coppename, ter hunner verpleging ingerigt, werd verpligtend gemaakt. [1202]
Toen in 1831 de Cholera-Morbus heerschte, nam de koloniale regering maatregelen, om, »onder den zegen van den Alvermogende" het overbrengen der smetstof in Suriname tegen te gaan, door de schepen uit besmette plaatsen komende aan eene soort van quarantaine te onderwerpen. Als zeer gestreng mag wel artikel 3 worden aangemerkt, waarin bepaald werd, dat de Gezagvoerder, Stuurlieden of Chirurgijn, die, ter kwader trouw, valsche opgaven deden, met den dood zouden worden gestraft [1203].
In het jaar 1829 werd het kaperschip Dorego van Buenos Ayres, benevens zijn prijs, het driemastschip Lébre van Brazilië door den Kapitein-Luitenant W. J. van Esch, commanderende Z. M. Brik van Oorlog, de Valk, te Paramaribo opgebragt. Hierdoor ontstond een langdurig en ingewikkeld proces en eerst den 13 October 1830 werd het vonnis uitgesproken, waarbij het Opperhoofd Bariteaud tot twintig jaren dwangarbeid veroordeeld werd; Stevan Donay, 1ste luitenant, tot 15 jaren; Manuel Echanes, victualie-meester, en Charles Stewart, stuurman, ieder tot eene gevangenis voor den tijd van drie jaren [1204].
Het onderwijs liet nog veel te wenschen over; echter kwam er eenige verbetering. Er bestonden zes scholen in Paramaribo; in 1830 (den 5 Junij) werd in de Luthersche kerk een soort van Examen gehouden, en 134 kinderen met prijzen beschonken.
Cantz'laar trachtte naar zijn beste weten, het belang der kolonie te bevorderen; hij wordt geroemd als een man van een regtschapen en achtenswaardig karakter, bezield met eene warme zucht voor regtvaardigheid, als een gestreng regent, niet geneigd tot de te groote toegevendheid van vroegere gezaghebbers, doch tevens welwillend en verwijderd van persoonlijke en zelfzuchtige inzigten [1205].
Cantz'laar voerde echter de teugels van het bewind niet lang. Uit hoofde eener ongesteldheid droeg hij den 11 November 1831 de voorloopige waarneming van het bestuur aan den Procureur-Generaal Baron van Heeckeren op; en reeds eenige dagen later (den 18 December)overleed hij.
Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren nam nu als Gouverneur-Generaal ad interim het bestuur op zich [1206]; terwijl hij, op aandrang van sommige ingezetenen, bij Koninklijk Besluit van den 6 Maart 1832, definitief tot die betrekking werd benoemd [1207].
Het ophouden van de operatiën der Particuliere West-Indische bank, door van den Bosch ontworpen, veroorzaakte bij velen in Suriname ontevredenheid jegens de regering in het moederland en de regering, die zich door den drang van verschillende omstandigheden buiten staat bevond, om den wensch der kolonisten naar voorziening in deze te voldoen, kwam hierdoor in eene moeijelijke stelling. Zij wilde gaarne andere bezwaren door de kolonisten voorgesteld, wegnemen, en de reactionaire partij, welker invloed in Suriname aanzienlijk was, maakte van deze gezindheid der regering gebruik, om de ontwikkeling der milde beginsels door van den Bosch voorgestaan, tegen te houden.
Reeds in 1830 was een uitvoerig adres, door 50 ingezetenen van Suriname onderteekend, aan Z. M. den Koning ingediend; waarbij bezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur, enz. nader uiteen werden gezet.
Vijf hoofdbezwaren tegen de toenmalige inrigting van het bestuur werden door de adressanten aangewezen, als:
1o. het aangenomen stelsel, dat de koloniën geheel en al zich zelven moesten onderhouden;
2o. het stellen der gezamenlijke Nederlandsche West-Indische bezittingen onder één Gouvernement-Generaal, voor zoo verre daarmede verbonden was, de ondersteuning welke de eene kolonie aan de andere te verleenen had;
3o. de, ten gevolge van een en ander, gevorderde te hooge belastingen;
4o. de, uit de ontoereikendheid der reeds te hooge belastingen, ontstaande zwakheid of ongenoegzaamheid der Militaire magt ter verdediging en bescherming der kolonie; en
5o. het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie's gewijze te verkoopen.
Ten einde het gewigt der drie eerste hoofdbezwaren aan te toonen, wezen de adressanten er op: hoe Nederland vele voordeelen van Suriname ontving door het monopolie ten behoeve van het Moederland, dat echter ten nadeele der kolonie strekte; trok het moederland alzoo groote voordeelen van de kolonie, »het moest" zoo redeneerden de adressanten: »wilde het die blijven behouden, den ondergang van Suriname die een zoo groot verlies voor Nederland zou opleveren, trachten te voorkomen. Reeds bij het oude Octrooi was bepaald, dat de onkosten van de verdediging der kolonie door de West-Indische Maatschappij gedragen moest worden [1208]; Frankrijk en Engeland bekostigden ook nu nog het onderhoud van het garnizoen en suppleerden de tractementen der civiele ambtenaren, en de laatstgenoemde staat daarenboven bevorderde den W.-I. cultuur door beschermende regten (protecting duty) [1209]; de billijkheid alzoo eischte dat de Nederlandsche staat de Kolonie niet aan zich zelve overliet, waar eigen hulpmiddelen te kort schoten."
En zij schoten te kort, want behalve vele rampen, waaronder vooral de brand van 1821 moest worden geteld, werkte de lage prijs der Koloniale producten zeer nadeelig op den landbouw. De koffij en het katoen stonden voorbeeldeloos laag; de suiker was door de overlading der Nederlandsche markten van vreemde suiker [1210], de Melassie door een hoog inkomend regt in Amerika sterk gedaald. De kosten van de administratie der plantaadjes, van het onderhoud der slaven en der gebouwen, waren zoo belangrijk dat de opbrengst van verscheidene plantaadjes ter naauwernood toereikende was ter bestrijding van genoemde onkosten. Was reeds het stelsel dat de Koloniën zich zelven moeten onderhouden onbillijk, de onbillijkheid voor Suriname was zoo veel te grooter, om daarenboven verpligt te worden de te korten der West-Indische eilanden te dekken, van welke eilanden Suriname geen wederkeerige voordeelen genoot. De belastingen waren dien ten gevolge hoog opgevoerd: de hoofdgelden waren sedert 1816 bijna verdubbeld; de landstaxen of akkergelden, de uitgaande regten op de Koloniale producten en de inkomende op de bijna onmisbare Noord-Amerikaansche provisiën, de zegelbelasting enz. enz. waren aanzienlijk verhoogd. Nieuwe belastingen waren ingevoerd, als: in 1827 het patentregt en in 1829 het regt van successie; terwijl slechts de geringe belasting bekend onder den naam van Kerkelijke contributie à f 2.10 Surinaamsch op iedere plantaadje en de quotisatie van winsten en inkomsten die jaarlijks ongeveer f 60,000 opbragt, en die het minst den eigenlijken landbouw drukte, waren afgeschaft.
En hoewel bij eene publicatie van den Commissaris-Generaal van 30 Julij 1828 was bepaald, dat van de producten naar Nederland uitgevoerd, een uitgaand regt van 5 pCt. moest worden betaald, en die waarde zou moeten berekend worden naar een telken drie maanden te regelen tarief, was aan deze laatste bepaling geen gevolg gegeven en werd alzoo o. a. de suiker nog berekend tegen 11 cent, de prijs in 1829, ofschoon ze nu slechts 5 cent gold, zoodat men in plaats van 5 pCt. 11 pCt. uitgaand regt moest betalen.
De planter ontving ook niet meer zoo als vroeger huur van het Gouvernement voor zoogenaamde Commando slaven, maar was thans verpligt zijne negers, welke tot onderhoud der Communicatie wegen of tot verdediging der kolonie door het Gouvernement werden opontboden, af te staan, zonder hiervoor betaling te kunnen eischen, en eindelijk: de belasting genaamd Akker of Canon of recognitie gelden, betaald voor uitgegeven gronden, hield vroeger op, indien de eigenaars dier gronden, zoo ze niet meer vruchtbaar waren of door gebrek aan genoegzame slavenmagt niet konden bearbeid worden, ze tot het domein van den staat deden terugkeeren, doch dit nu was den planter, sedert 1827 niet langer geoorloofd.
En toch niettegenstaande al de aanzienlijke verhooging van belastingen en niettegenstaande de meerdere aangehaalde omstandigheden, die de kolonisten drukten, kon toch de kolonie bezwaard met de ondersteuning der W.-I. eilanden zich zelve niet onderhouden [1211], en bleek dit uit hetgeen door rekwestranten als het 4de der hoofdbezwaren was aangewezen, de ongenoegzaamheid der militaire magt, waardoor het Cordon, onder Nepveu opgerigt ter verdediging tegen de wegloopers, bijna verlaten, de nog enkele militaire posten zeer zwak bezet waren en er geene militaire patrouilles tot opsporing of ten minste tot verontrusting der gevlugte slaven konden worden uitgezonden; ten gevolge waarvan de deserteurs vermeerderden, niettegenstaande het lot der slaven benijdingswaard? was. [1212]
De rekwestranten beschouwden als voorname oorzaak dier desertiën, de openbaarmaking door den druk, en de wijze der redactie van het 117 artikel van het Nieuwe regerings-reglement, waardoor verkeerd begrip en gisting bij vele negers was te weeg gebragt, daar zij nu vermeenden onderdrukt te worden en in den waan verkeerden, dat de koning de afschaffing der slavernij wilde. Die heeren vreesden dus ook dat de nieuwe slaven-reglementen een ongunstigen indruk zouden kunnen maken, zoo zij niet uiterst voorzigtig werden opgesteld.
Over het 5de hoofdbezwaar, het verbod om negermagten, zonder hunne toestemming van de eene plantaadje naar de andere te verplaatsen, of dezelve partieel en familie's gewijze te verkoopen, waren de rekwestranten vooral uitvoerig.
Zij beweerden dat de teelt van koffij en katoen onvoordeelig was en men dus zich meer en meer op de suikercultuur ging toeleggen, en nu wilden de negers uit luiheid, als beducht voor zwaarder werk, niet naar de suikerplantaadjes en verzetteden zij zich soms met de eigenzinnigheid en weerbarstigheid aan alle onbeschaafde volken eigen. Slechts zoo het Gouvernement krachtig tusschen beide kwam en de regten (?) der eigenaars handhaafden gaven de slaven toe, waarvan eenige voorbeelden door de rekwestranten werden bijgebragt [1213].
Omtrent het noodzakelijke van partieelen verkoop werd door rekwestranten, aangemerkt, dat zonder deze de suikerstaten niet konden worden uitgebreid, geen stoommachines geplaatst en de thans ongelijkmatige verhouding der beide seksen niet verbeterd. Van het onregt en het lijden dat hierdoor den negers werd aangedaan, van de geweldadige verscheuring van familiebanden, van de mogelijkheid dat desniettegenstaande de verhouding der seksen niet gunstiger zou worden, zoo de winzucht des meesters liever krachtige mannen voor de suikercultuur dan zwakkere vrouwen verlangde, werd natuurlijk niet gerept; de adressanten verzwegen al datgene wat niet regtstreeks hunne belangen betrof.
Het antwoord der Nederlandsche regering was in vele opzigten gunstig voor de adressanten.
Bij Koninklijk besluit van den 29 November 1831, gepubliceerd te Suriname den 6 Februarij 1832, werd goedgunstig bepaald:
Artikel 1 a. Dat de tauxatie, welke tot grondslag der heffing van het uitgaand regt op de suiker diende verder zoude geschieden, door eene gemengde Commissie van Ambtenaren en belanghebbenden, ten einde dat regt, volgens de vroegere verordening, bedrage 5 pCt. van de waarde, zonder meer;
b. dat de betaling van akkergelden van plantaadjes, met toestemming der regering verlaten, geheel zou ophouden van het oogenblik, dat de amotie beschouwd kon worden als volbragt te zijn.
Art. 2. Dat het terugnemen van plantaadjes te Suriname in den boezem van het Domein zou worden toegelaten; zullende, bij het beoordeelen van verzoeken daartoe strekkende, moeten worden uitgegaan van het beginsel, dat aan het meerder bijeentrekken der slavenmagten geene andere beletselen moesten worden in den weg gelegd, dan die, welke volstrektelijk door het algemeen belang werden gevorderd, enz.
Art. 3. Dat van en met den 1 Januarij 1832, buiten bezwaar der Surinaamsche kas, zou worden voorzien in het te kort der geldmiddelen van Curaçao, St. Eustatius en St. Martin [1214].
Men ziet ook weder hieruit, dat de door de Surinamers zoo menigmaal luide aangeheven klagten over verwaarloozing door het Nederlandsche Gouvernement niet altijd billijk waren. Ook nu had de Nederlandsche regering, niet slechts gehoor verleend aan billijke verzoeken der rekwestranten, maar was zelfs verder gegaan, en had de belangen der slaven opgeofferd, ten behoeve hunner meesters (zie artikel 2). De regering gaf den meester toe, doch trad niet krachtig op ter bescherming der slaven: de reeds door van den Bosch toegezegde reglementen op de behandeling en tucht der slaven bleven nog lang achterwege.
Een te Suriname geconcipieerd reglement op de Manumissie der slaven werd door Z. M. goedgekeurd en bij publicatie van den 23 Maart 1832 in werking gebragt [1215]. Voor ieder gemanumitteerde boven de 14 jaren moest f 500, en beneden de 14 jaren f 300 als borgtogt door den meester worden gestort, waaruit, indien de gemanumitteerde tot armoede mogt vervallen in zijne alimentatie werd voorzien; ook moest het bewijs worden geleverd, dat hij in eenig erkend kerkgenootschap was opgenomen. De gemanumitteerde had aanspraak op alle Burgerlijke en Staatkundige regten, doch bleef tijdens zijne minderjarigheid onder voogdij van zijns vroegeren meesters.
In October 1832 werd eene gezondheids-commissie ingesteld, mitsgaders eenige maatregelen genomen voor het geval dat de Cholera Morbus, die toenmaals in Europa heerschte, zich in de kolonie mogt openbaren [1216].
Suriname bleef genadig van de Cholera verschoond, doch eene andere ramp echter trof de kolonie in den nacht van den 3 op den 4 September 1832, namelijk eene hevige brand, die een aanzienlijk gedeelte der stad Paramaribo verwoeste.
Na den noodlottigen brand van 1821, waardoor de stad voor een groot gedeelte in de asch werd gelegd, was de opbouwing der verbrande perceelen wel langzaam voortgegaan, o. a. was de kerk der Hervormde Gemeente nog niet herbouwd; evenwel prijkten op het verbrande terrein reeds weder sommige fraaije nieuwe woon- en pakhuizen, zij- en achtergebouwen, vooral tusschen de Knuffelsgracht en de Joden Breestraat, waar de brand in 1821 gestuit was. Dan helaas in den nacht van den 3 op den 4 September werd laatstgenoemd schoon en rijk gedeelte door de vlammen vernield, en met eene ongelooflijke woede sloeg het vuur over de 88 voet breede Joden Breestraat in de huizen aan de andere zijde; zoodat de gebouwen, welke zich tusschen de Joden Breestraat, de Steenbakkersgracht en de Maagdenstraat bevonden, allen, op een huis na, verbrandden of zware beschadiging ontvingen. De kerk en pastorie der Luthersche Gemeente werden mede eene prooi der vlammen; de kerk der Moravische broedergemeente, ofschoon in groot gevaar verkeerende, bleef echter bewaard.
Te zamen waren 46 woonhuizen verbrand en 13 afgebroken of zwaar beschadigd; zijnde het getal der zij- en achtergebouwen voorzeker driemaal meer geweest. De schade aan roerende en onroerende goederen geleden werd op f 800,000 geschat. Verlies aan menschenlevens had men bij deze brand niet te betreuren; ook waren er weinig goederen ontvreemd, indien men de daartoe zoo menigvuldige gelegenheid in aanmerking neemt.
De brand was ontslaan in een winkelhuis van den heer Mozes Nunes Monsanto; voor en aleer het huis van den heer Monsanto in volle vlam stond, ontwaarde men reeds brand in de achtergebouwen van de belendende huizen, terwijl de vlam met een ongelooflijke snelheid en verbazende woede van het eene tot het andere huis oversloeg. Het drooge saisoen, de groote voorraad van brandbare koopmansgoederen, in de pakhuizen der kooplieden aanwezig, zoo als: olie, pik, teer, loodwit, sterke dranken, terpentijn en zelfs buskruit, dit alles gaf het vuur een vreesselijk voedsel: zwarte rookkolommen van eene ontzagchelijke hoogte stegen onder een schrikkelijk gedruisch der vlammen en het noodgeschrei van eene menigte van have en goed beroofd wordende ingezetenen ten hemel. De geheele lucht was als met een zwart rouwfloers, onder hetwelk een ijsselijk licht flikkerde, overdekt; wijd en zijd verspreidde zich een vuurregen met vlammende lichten en een schrik en angst aanjagend geknetter, onder verschillende winden, over de geheel van hout gebouwde huizen der stad, die dezelve niet alleen dreigden eene prooi der vlammen te maken, maar ook zelfs op afgelegen plaatsen sommige daken, met hout of zoogenaamde singels gedekt, der huizen deed ontvlammen, welke niet dan door spoedig aangebragte hulp voor geheele vernieling gewaard bleven.
De verbazende hitte dreef de tot hulp toegesnelde menigte op een te grooten afstand, om duurzaam werkzaam te kunnen zijn bij het afbreken der onder den wind staande huizen; evenwel bij het aanbreken van den dageraad, op den volgenden morgen, werd men eindelijk den brand meester. Het vaardig daarstellen van een brandpad, waarbij, ten einde de overlooping van het vuur voor te komen, alle brandbare stoffen werden weggedragen en de grond zelfs van de kleinste stukjes hout gezuiverd, werd onder den zegen van God, met een gelukkig gevolg bekroond. Militairen en matrozen, burgers en slaven beijverden zich de woede der vlammen te stuiten; twee dagen en twee nachten werd de dienst bij de brandspuiten waargenomen. Door wijkmeesteren werd in de onderscheidene wijken der stad met eene lijst en een armbus rondgegaan, ter inzameling van het bijdragen voor de noodlijdenden ten gevolge van dezen brand, welke collecte de som van f 3,843.10 heeft opgebragt.
In het eerst was men algemeen van gevoelen, dat de brand door een noodlottig toeval of onvoorzigtigheid was ontstaan. Toen echter kort daarna in onderscheiden gedeelten der stad een begin van brand werd ontdekt, dat gelukkig telkens in tijds werd gebluscht, begon men te vermoeden, dat boosaardig opzet en kwaadwilligheid in het spel waren. De Gouverneur-Generaal vaardigde daarop eene notificatie uit, waarbij eene premie van f 5000 voor elken vrijen persoon en den vrijdom, benevens eene premie van f 2000 voor en ten behoeve van elken slaaf, werd uitgeloofd, die den schuldige of de schuldigen aangaven of opspoorden en in handen der justitie overleverden.
Het bleek weldra dat het vermoeden van brandstichting gegrond was. Vier jeugdige negers, Cojo, Mentor, Present en Frederik waren uit vrees voor straf hunne meesters en meesteressen ontloopen. Cojo in dienst bij eene vrije negerin Peggie genaamd, had bij het verkoopen van door hem, op last zijner meesteres, uitgevente broodjes 2 1/2 cent te weinig ontvangen, en eene geduchte kastijding voorziende, durfde hij niet tot zijne meesteres terug keeren; Frederik, 16 jaren oud, die door zijne meesteres, de gestrenge en hardvochtige Jodin Samson, rondgezonden was, om koekjes te verkoopen had eenige centen (8 cent) verloren, en even als Cojo bevreesd voor een bloedig pak, vlood hij in het bij Paramaribo gelegen bosch; twee andere jonge slaven voegden zich hier bij hen, en eindelijk bevonden zij zich met hun zessen in gemeld bosch, en werden in hun voornemen om weg te blijven door een ouden neger Tom versterkt en aangemoedigd.
In deze hunne schuilplaats konden zij echter niets bekomen, en door een onwederstaanbaren honger naar de stad gedreven, wilden zij trachten, om het even hoe, zich voedsel te verschaffen.
De honger, een zoo scherp zwaard, dreef hen tot het stelen van eetwaren in de buitenbuurten, welke te bemagtigen toen nog alleen hun doel was; doch overal bespied, verjaagd en als wild roofgedierte nagezet wordende, namen wrevel en menschenhaat toe; en daarbij door den nood gedrongen middelen uit te denken, om spijs te bekomen, rijpte bij hen het verschrikkelijke plan om brand te stichten bij den Jood Monsanto, die in zijn winkel een grooten voorraad zoutevisch en pekelvleesch had, ten einde bij de algemeene ontsteltenis eten te kunnen stelen. In het proces worden ook nog van andere grootere plannen dier wegloopers gewaagd, die echter niet meer dan grootspraak bleken te zijn.
De aanleiding tot deze vreesselijke misdaad was dus vrees voor straf wegens het verlies van eenige weinige centen.
Het ligt buiten ons bestek, om uitvoerig mede te deelen hoe de schuldigen in handen der justitie geraakten of den loop van het tegen hen gevoerde proces te beschrijven. Teenstra heeft in zijn werk »de Negerslaven in de kolonie Suriname," een en ander reeds uitvoerig behandeld en uit dat werk nemen wij de voornaamste feiten daaromtrent, soms met zijne eigen woorden, over.
Wij vermelden dus nog slechts, dat het Openbaar Ministerie, waargenomen door den heer de Kanter, Procureur-Generaal, eischte, dat: Cojo zou gehangen, het hoofd daarna afgehouwen en ten toon gesteld worden; de andere schuldigen en medepligtigen met tamarinde-roeden gegeeseld en twee hunner Mentor en Present daarenboven gebrandmerkt en die allen voor langeren of korteren tijd, in bandietenboeijen geklonken, tot dwangarbeid zouden worden verwezen.
Het Geregtshof vermeende dat deze straf niet zwaar en afschrikkend genoeg was, en in naam des Konings regt doende, veroordeelde het Cojo, Mentor en Present levend te worden verbrand; Winst en Tom te hangen en de overige strengelijk met tamarinde-roeden te doen geeselen, in bandietenboeijen te klinken, enz.
Dit vonnis werd op Zaturdag den 26 Januarij 1833 ten aanschouwe van eene talrijke menigte ten uitvoer gelegd. Wij onthouden ons van verdere beschrijving van deze executie, die stuitend voor het menschelijk gevoel, een treffend voorbeeld oplevert, hoe het stelsel der slavernij de eischen van godsdienst en menschheid miskent, en onder voorwendsel van een exempel tot afschrikkend voorbeeld te stellen, in de negentiende eeuw, in eene Nederlandsche kolonie, geregtelijk wreedheden deed plegen, waarvoor de menschheid gruwt.
Spoedig begon men het nu laatst verbrande gedeelte der stad op te bouwen. Tot aanmoediging der ingezetenen, om de afgebrande huizen zoo spoedig mogelijk weder te doen opbouwen werd door het Gemeente-bestuur bepaald, dat de nieuw opgebouwde huizen 6 jaren vrijdom van belasting zouden erlangen; die geheel van steen of klei werden opgetrokken, 25 jaren [1217]. De herbouw der Luthersche kerk werd door den Stads-Architect C. A. Roman voor eene som van f 28,500 aangenomen; die der Hervormde Gemeente voor f 55,000; beide Gemeenten werden door aanzienlijke bijdragen van liefdegiften uit het moederland hiertoe in staat gesteld [1218].
In den nacht van den 17den op den 18den Mei deszelfden jaars 1833, ontstond er brand op de plantaadje Waterloo in het district Neder-Nickerie; de daardoor veroorzaakte schade werd op ruim f 70,000 geschat [1219].
De gevolgen van de Belgische revolutie en daarmede in verband staande verwikkelingen met Engeland en Frankrijk deden zich ook in de Kolonie gevoelen. Het den 2den Januarij 1833 op alle Nederlandsche schepen, uit hoofde van de vijandelijke gezindheid der genoemde mogendheden jegens Nederland, gelegde Embargo belemmerde den handel geweldig, en, terwijl de producten der Kolonie niet geregeld konden worden uitgevoerd en de landbouw hierdoor werd gedrukt, werden door verminderden aanvoer ook de levensmiddelen schaarsch en duur [1220].
De kolonie werd in staat van verdediging gesteld, en de leden der schutterij bezetten het fort Zeelandia, de sleutel der stad Paramaribo. Bij proclamatie van 28 Mei 1834 werden den ingezetenen van Suriname dank toegebragt voor de moeijelijkheden en opofferingen, die zij zich daarbij hadden getroost [1221].
Reeds waren van tijd tot tijd door de Koloniale regering, bij onderscheidene publicatiën, veranderingen en wijzigingen gemaakt betreffende het Regerings-reglement van 1828, waarbij aan de duidelijkheid niet veel werd gewonnen, daar de eene bepaling met de andere soms in lijnregte tegenspraak was Als een bewijs hoe men een vast beginsel mistte, noemen wij alleen, dat de regtspleging ten aanzien van misdrijven in 1830, bij publicatie werd bepaald, dat dezelve in 1831 gewijzigd, in 1832 op nieuw veranderd, en in 1834 zoogenaamd vereenvoudigd en later weder door andere bepalingen daaromtrent werd vervangen.
Vereenvoudiging in het bestuur der Kolonie was ongetwijfeld zeer gewenscht; want het onderhoud van een legio ambtenaren, waarvan sommige weinig te doen hadden, veroorzaakte enorme kosten, waartoe hooge belastingen noodig waren, terwijl men onder bergen van reglementen, ordonnantiën en publicatiën, bij herhaling gealtereerd en geamplieerd, als begraven was. Men beproefde dan ook die vereenvoudiging, en een Nieuw Regerings-reglement, werd, bij koninglijk besluit van 9 Augustus vastgesteld en den 3den December 1832 in de Kolonie gepubliceerd [1222].
Men was in de zamenstelling van dit reglement echter niet zeer gelukkig geweest, want dit zoogenaamde middel ter vereenvoudiging maakte de zamenvoeging van onderscheidene autoriteiten noodzakelijk, en--hierdoor werden de, bij het Regerings-reglement van 1828 gescheiden magten: die der wetgevende, regterlijke en uitvoerende, weder meer vereenigd. Ofschoon die zamensmelting in genoemd regerings-reglement niet is uitgedrukt, en men het, op goede gronden, daarvoor moet houden, dat zulks nimmer de bedoeling van Z. M. is geweest, zoo is evenwel die zamensmelting een uitvloeisel van sommige bepalingen dier wet, of met andere woorden gezegd, de bepalingen dier wet hebben tot het misbruik aanleiding gegeven.
Volgens het Nieuwe regerings-reglement berustte, even als vroeger, het hoogste gezag bij den Gouverneur-Generaal. Tot het beleid der regering stond hem een koloniale Raad ter zijde, die zamengesteld zou zijn, uit: den Procureur-Generaal, den Administrateur van Finantiën (nieuwe titel voor dien van Controleur-Generaal van Finantiën) en uit zes van de aanzienlijkste ingezetenen, die de eerste maal door den Koning zouden worden benoemd, de volgende keeren, uit eene nominatie van drie personen, door het Collegie zelve opgemaakt. Een weinig meer invloed dan bij het reglement van 1828, waarbij alleen ambtenaren den Hoogen Raad uitmaakten, werd alzoo den ingezetenen op de wetgevende magt toegekend. De Koloniale Raad was eene flaauwe afschaduwing van het vroegere Hof van Policie; eene zeer flaauwe echter, want slechts in betrekkelijken zin was het een wetgevend Collegie.
»De Koloniale Raad met geen ander oogmerk ingesteld zijnde, dan om den Gouverneur-Generaal, waar hij zulks noodig mogt achten, te adviseren en voor te lichten, zoo zullen diensvolgens in de vergaderingen van denzelven geene onderwerpen in deliberatie worden gebragt, dan welke tot een der genoemde einden door den Gouverneur-Generaal zullen worden voorgedragen" (art. 10).
»Doch was de invloed dezer zes honorifieke leden van den Kolonialen Raad niet buitengewoon gewigtig in betrekking tot de wetgevende magt, daarentegen werd hun een belangrijk gedeelte der uitvoerende toegekend, door dat hun als Heemraden, onder den Gouverneur-Generaal, het bestuur over de buiten-districten werd opgedragen (art. 44, 45 en 46).
Tevens oefenden zij eene regterlijke magt uit:
»Voor zoo verre twee of meer Heemraden daartoe in bijzondere gevallen door den Gouverneur-Generaal zullen worden gecommitteerd, zullen dezelve eene gedelegeerde Regtbank uitmaken, zoo dikwijls de verstoorde rust of oproerige bewegingen in de buiten-districten eenig regterlijk onderzoek mogt noodzakelijk maken."
»Deze Regtbank, bij welke de Procureur-Generaal het Regt der Hooge Overheid zal waarnemen, zal de plano en buiten figuur van proces dit onderzoek te werk stellen, en zoodanige straffen mogen opleggen, als waartoe Commissarissen tot de kleine zaken bevoegd zijn" (art. 47). Als zoodanig bezaten dus de leden van den Kolonialen Raad eene wetgevende, uitvoerende en regterlijke magt [1223].
De regtspleging zou worden uitgeoefend door het Geregtshof der kolonie Suriname, zamengesteld uit: een President, en drie leden, allen Meesters in de regten en vier leden uit de ingezetenen, die hiertoe geen regterlijken graad behoefden te bezitten, een Griffier en een Adjunct-Griffier.
De Regtbank van kleine zaken werd opgeheven, terwijl de zaken vroeger aldaar beregt, zouden worden opgedragen aan eene Commissie bestaande uit een der gegradueerde leden als President en twee gewone leden, geassisteerd door den Adjunct-Griffier. Die Commissie werd jaarlijks door den Gouverneur-Generaal benoemd, en door die jaarlijksche benoeming oefende de uitvoerende magt (de Gouverneur-Generaal) eenigermate invloed op de regterlijke uit.
Het beheer der Finantiën bleef, als vroeger, onder oppertoezigt van den Gouverneur-Generaal, berusten bij den ambtenaar, die nu den titel van Administrateur van Finantiën voerde.
Het Gemeente-bestuur voor Suriname werd afgeschaft en de Commissiën tot de zaken der Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedels-Kamer, vroeger door leden van hetzelve waargenomen, opgedragen aan eene Commissie, bestaande uit de Gouvernements-secretaris en twee leden van het Geregtshof [1224].
De Gouvernements-secretaris, welke, volgens artikel 12 van het Reglement in de vergaderingen van den Kolonialen Raad moest assisteren en de pen voeren, werd door latere bepalingen en voorschriften een persoon van gewigt en oefende vrij wat uitvoerende magt uit.
Behalve toch de reeds genoemde betrekking van President der Commissie van de zaken der Wees-, Curatele en Onbeheerde Boedels-Kamer werd aan hem de functien opgedragen, die behoorden tot de ingetrokken betrekking van den Raad Controleur der Inlandsche bevolking, zoo in betrekking tot de slaven, boschnegers en Indianen, als die van praesis van het Collegium Medicum, van de Commissie tot de Melaatschheid en van de Hoofdcommissie tot het Gezondheidsbestuur [1225].
Uit een en ander omtrent het Regeringsreglement medegedeelde blijkt genoegzaam, dat hetzelve veel aanleiding tot misbruiken gaf; want aan de eene zijde, bepaalden de wetgevers (in betrekkelijken zin toch kon men den Kolonialen Raad als zoodanig beschouwen) zelve, hetgeen zij aan den anderen kant, als uitvoerders (Heemraden) moesten uitrigten of doen bewerkstelligen; zij konden dus ook alle bepalingen uitleggen, beperken of uitbreiden naar mate hun gezag of belang zulks vorderde. Vooral omtrent de bescherming der slaven was dit Nieuwe Reglement veel minder krachtig dan dat van 1828, en bespeurt men hier duidelijk den invloed van de reactionaire partij.
Het reeds bij het adres in 1830 als te mild aangehaalde artikel 117 kwam hier niet meer voor; de betrekking van Raad-Commissaris voor de Inlandsche bevolking, o. a. bepaald met de bescherming der slaven belast, was ingetrokken en hoewel men in artikel 72 leest: »De slavenbevolking wordt aan de bijzondere bescherming van de koloniale regering aanbevolen" getuigt van halfheid, de 2de alinea van hetzelfde artikel: »zij zal steeds de doelmatigste middelen aanwenden, om, voor zoo verre zulks zonder inbreuk op regten der eigenaren, en zonder de rust en veiligheid der kolonie in de waagschaal te stellen, geschieden kan, den toestand der slaven te verbeteren, en aan derzelver welzijn bevordelijk te wezen".
De tusschenzin hier door ons cursief gesteld, beneemt immers alle kracht aan die door de regering beloofde bescherming. De Hooge Regering betoonde zich hierbij zwak; zij had meer gehoor verleend aan de drogredenen der slavenmannen, dan aan de stem van menschelijkheid en regtvaardigheid.
De werken van Teenstra en anderen getuigen hoe vele mishandelingen jegens slaven straffeloos werden gepleegd, en--al ware het ook dat door sommigen een betere handelwijze werd gevolgd, zoo voldeed de Hooge Regering niet genoegzaam aan den pligt van iedere goede Regering om de zwakken te beschermen: bepaaldelijk was er achteruitgang in deze tusschen 1828 en 1832. Ook over de slavenreglementen vernam men in langen tijd niets.
En toch eene betere behandeling der slaven zou in het belang der kolonie hebben gestrekt. Gestadig vonden desertiën plaats, en in de laatste jaren werden weder eenige plantaadjes door de wegloopers aangevallen. Een togt door de Aucaner-boschnegers naar het beruchte weglooperskamp Kraboello in 1834 ondernomen, werd met een gunstigen uitslag bekroond. De Aucaners doodden vier der Marrons en namen vier anderen gevangen. In September 1835 werden meerdere expeditiën uitgezonden; eene patrouille aan welks hoofd zich de Burger tweede Luitenant Montecattini bevond, ontdekte een kamp en vernielde het; terwijl de wegloopers gedeeltelijk sneuvelden of in handen hunner vervolgers vielen. Men deed liever boschtogten die veel geld kostten en waarmede doorgaans vele wreedheden gepaard gingen, dan dat men trachtte door een goede behandeling der slaven de desertie te voorkomen [1226].
In 1834 werd, ten behoeve van de kolonie, in Noord-Amerika gebouwd, en vervolgens in koloniale dienst gesteld, de schoener Henriette Elisabeth; terwijl in 1836, door den Ingenieur Thomas Keen, een stoomvaartuig, genaamd Willem de Eerste, werd gebouwd en bestemd voor de vaart op de binnenwateren. In November 1837 werd een tweede schoener, de Beschermer, door het koloniaal Gouvernement gebouwd [1227].
De Communicatie werd door het in de vaart brengen dezer vaartuigen veel verbeterd, zoodat de hiertoe benoodigde geldsommen werkelijk tot nut der kolonie verstrekten; sommige kolonisten beklaagden er zich echter over, dat men bij den ongunstigen staat der finantiën te veel kosten hieraan had besteed, daar zij vermeenden dat men hetzelfde doel: verbeterde communicatie, met minder kosten had kunnen bereiken. Vooral echter werden, met regt, luide klagten aangeheven over de groote sommen, die aan de vertimmering van het Gouvernements-gebouw werden besteed. Reeds onder bestuur van de Veer was het geheel vertimmerd, zoodat het daarna het Nieuwe Gouvernements-gebouw werd genoemd, en desniettegenstaande liet van Heeckeren hetzelve in Maart 1834, voor een groot gedeelte afbreken, om het veel fraaijer, en ook alleen daarom te doen opbouwen. De laatste verfraaijing moet de koloniale kas ongeveer twee tonnen gouds hebben gekost [1228].
In 1835 genoot Suriname het voorregt van Prins Hendrik der Nederlanden, destijds Adelborst 1ste klasse, in de kolonie te zien. Z. K. H. kwam onder geleide van den kapitein ter zee Arriens, met het fregat de Maas en Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door den kapitein luitenant ter zee Ferguson, den 24sten Junij 1835 te Paramaribo aan en vertoefde in de kolonie tot den 6den Julij.
Onderscheidene feesten werden gegeven en Suriname's ingezetenen toonden hunne liefde en gehechtheid aan Oranje op ondubbelzinnige wijze. Tijdens het verblijf van den Prins werd op den 5 Julij de nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente door den predikant A. Roelofs plegtig ingewijd, waarbij Z. K. H. tegenwoordig was [1229]; ook legde de Prins den eersten steen van de nieuwe Hoogduitsche synagoge te Paramaribo (een zeer ruim en fraai gebouw) [1230].
Dat men in het algemeen en de hooge Autoriteiten in het bijzonder zich beijverden om den Prins al het fraaije te laten zien en het minder gunstige voor hem verborgen te houden, wordt door Teenstra medegedeeld, en Halberstadt verhaalt in zijn werkje »Vrijmoedige gedachten over de oorzaken van den tegenwoordigen staat van verval der kolonie van Suriname" o. a., dat toen Prins Hendrik zich in Suriname bevond, een zestigtal Engelsche grond- en goedbezitters aldaar, zich vereenigd hadden, om den jongen Vorst een adres van hulde en eerbetuiging aan te bieden. De door hen uit hun midden benoemde Commissie werd echter, op beleedigende wijze, de toegang ontzegd, onder het schrale en zich zelf tegensprekende voorwendsel: dat het aanstaande vertrek van den Prins, Z. K. H. tot de ontvangst geen tijd overliet; terwijl elkeen wist dat de waterstand der rivier dat vertrek nog onmogelijk maakte. »De vrees," schrijft Halberstadt, »dat er op die audiëntie waarheden zouden gezegd worden, was er niet vreemd aan" [1231].
Onderscheidene publicatiën betreffende min of meer belangrijke zaken werden van tijd tot tijd uitgevaardigd; eene der belangrijkste was die van 19 November 1834, waarbij een Nieuw Reglement op het lager schoolwezen en onderwijs in werking werd gebragt. Het onderwijs moest zoo veel mogelijk, op de wijze als in Nederland, klassikaal worden gegeven; het godsdienstig onderwijs moest zich bepalen bij de Bijbelsche Geschiedenis en de zedekundige lessen, in dezelve vervat, met zorgvuldige vermijding van hetgene met de begrippen van eenig erkend kerkgenootschap zoude strijdig zijn, en mitsdien de Geschiedenis des Nieuwen Testaments alleen des Zaturdags kunnen behandeld worden; ook moesten geene schoolboeken worden gebruikt, die eenigen aanstoot aan de eene of andere Godsdienstige gezindheid konden geven [1232].
Eene groote sensatie verwekte de uitvaardiging van een Nieuw Reglement voor de schutterij te Paramaribo, op 31 December 1835. Vooral mishaagde de bij artikel 42 bevolen indeeling in vier compagniën, waarvan de eerste zou bestaan uit: gehuwde en weduwnaars, en die, welke schoon niet gehuwd, uit een wettig huwelijk geboren of door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie gewettigd waren; de tweede en derde compagnie uit de ongehuwden, welke uit geen wettig huwelijk waren geboren en niet door opgevolgd huwelijk of brieven van legitimatie waren gewettigd geworden; de vierde compagnie uit vrijgeboren en gemanumitteerde negers, hetzij gehuwden, hetzij ongehuwden.
Men vond hierin eene aanranding, eene verguizing van des Burgers regten en de daarstelling van een laakbaar onderscheid tusschen den een en den anderen burger. Deze bepaling greep diep in het Surinaamsch leven in. Het is een betreuringswaardig feit, dat de onwettige kinderen onder de vrije bevolking (bij de slaven wordt volgens de wet des lands geen huwelijk toegestaan) verre het aantal der wettigen overtreffen, en ofschoon niet te sterk tegen die losbandigheid kan worden getuigd, was het zeker zeer onregtvaardig om de kinderen voor de schuld hunner ouderen te doen boeten, door hen te plaatsen in eene afzonderlijke compagnie en alzoo als het ware, te brandmerken; terwijl de schuldige bewerkers daarentegen in eere gehouden en boven hen werden verheven.
Vele burgers bragten met bescheidenheid hunne bezwaren tegen art. 42 en eenige andere artikelen in; de Gouverneur schorste daarop wel de uitvoering, doch (12 Januarij 1836) gaf hij echter bevel aan de Commissie, met de inschrijving voor de schutterij belast, om een register te vormen, waarin de gehuwden en ongehuwden, de wettige en onwettigen, de vrijgeborenen en de gemanumitteerden, ieder afzonderlijk moesten worden ingeschreven, met oogmerk om naar den letterlijken inhoud van het door den Gouverneur-Generaal in overleg met den kolonialen Raad, uitgevaardigde reglement, de schutterij te organiseren.
Deze daad verwekte groote ergernis bij velen en de gisting in de stad vermeerderde, zoodat in de maand Mei 1837 eenige ongeregeldheden plaats vonden. Van Heeckeren bevreesd voor opstand liet de stukken geschut der Fortres Zeelandia en van de ter reede liggende oorlogsschepen tegen de stad rigten. Ligt had bij de toenemende spanning ontzettende gevolgen hebben kunnen ontstaan, zoo de Gouverneur hardnekkig hadde volgehouden, doch hij zelf hiervoor beducht luisterde naar goeden raad, en bij publicatie van 31 Mei werden artikel 42 en verscheiden andere artikelen van het reglement ingetrokken of gewijzigd, zoodat de schutterij bijna weder op den ouden voet hersteld en de gewone koloniale verdeeling in blanken, kleurlingen en negers werd behouden; den 18den, 20sten en 21sten Mei werden de staf- en verdere officieren benoemd of bevestigd [1233].
Deze spanning hield op, evenwel leverde de gang van het beheer, gedurende van Heeckeren de betrekking van Gouverneur-Generaal vervulde, grond tot vele klagten op. Voornamelijk geeft Halberstadt in zijn reeds meergenoemd werkje hieromtrent een ongunstig getuigenis. Door van Heeckeren op onbewezen beschuldiging uit zijn ambt ontslagen, wendde Halberstadt, in het vaderland teruggekeerd, langen tijd vergeefsche pogingen aan om regt te verkrijgen [1234]; hierdoor is misschien de bittere toon, welke in dat geschrift heerscht, te verklaren; mogelijk oordeelt hij hierdoor eenigermate partijdig, doch ook in andere geschriften (uitgegevene en onuitgegevene) wordt een ongunstig getuigenis omtrent de regering van van Heeckeren gegeven. Willekeur heerschte er door den invloed der reactionaire partij, en de door van den Bosch voorgestane milde beginselen werden niet tot ontwikkeling gebragt.
Op den 7den Februarij 1836, werd met veel plegtigheid op het Etablissement voor melaatschen, Batavia aan de Coppename, de aldaar opgerigte R.-C. kerk, toegewijd aan St. Roch, ingewijd [1235].
Den 25sten Junij van hetzelfde jaar werd door van Heeckeren de eerste steen gelegd voor het zoogenaamde stadhuis, zijnde een steenen gebouw, waarin de kantoren van den Administrateur van Finantiën, van den ontvanger, van de gezworen klerken, en van het Collegie van kleine zaken werden geplaatst [1236].
Den 5 Mei 1837 werd de nieuwe Synagoge der Nederlandsche Israëlitische Gemeente, aan de Keizerstraat, plegtig ingewijd [1237].
In 1835 op den eersten April, werd in het kerkgebouw der Evangelische Broedergemeente, het vijftigjarig bestaan der Maatschappij tot Nut van het Algemeen gevierd [1238]; omtrent de werkzaamheden van de Surinaamsche afdeeling dier Maatschappij, die sedert 19 jaren bestond, kunnen wij uit gebrek aan verslagen, weinig mededeelen.
In 1837 werd door eenige ingezetenen besloten tot het daarstellen van een liefhebberij-tooneelgenootschap en tot het oprigten van een tooneelgebouw, waaraan gevolg werd gegeven en op den 5den Mei van het volgende jaar van het tooneelgebouw Thalia de eerste steen gelegd [1239].
Vele klagten omtrent het toenemend verval van Suriname vindt men in verschillende geschriften van dien tijd vermeld; vooral werd ook zeer geklaagd over de toenemende agio op wissels, op nieuw ontstaan door het ophouden van de operatien der P. W. I. Bank. Om hieraan eenigermate te gemoet te komen, werd 18 Mei 1838 gepubliceerd, dat Z. M. het Koloniaal Gouvernement gemagtigd had om, gedurende twaalf maanden, tot een bedrag van f 100,000, aan wissels op het Gouvernement in het Moederland te disponeren [1240].
Van Heeckeren vroeg verlof voor een jaar tot het doen eener reis naar Nederland; dit verlof werd toegestaan en het beleid der regering, tijdens zijne afwezigheid, opgedragen aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal [1241].
Van Heeckeren vertrok den 5den Junij eerst naar Curaçao, alwaar hij reeds den 15den Junij daaraanvolgende overleed [1242].
De Kanter aanvaardde ad interim het bestuur en gaf daarvan bij Proclamatie van 2 Junij 1838 kennis [1243].
Dit interims-bestuur duurde ruim een jaar. Door de Kanter werden eenige publicatiën houdende wijzigingen van sommige reglementen uitgevaardigd, en de invoer van slagtvee aangemoedigd door het voor één jaar vrijstellen van inkomende regten [1244]; en ook werd namens de Kanter ter kennisse van de ingezetenen gebragt, dat Z. M. op nieuw een crediet van f 100,000 verleende [1245].
In den vroegen morgen van den 11den Januarij 1839 werd te Paramaribo een vrij hevige schok van aardbeving gevoeld [1246].
Den 7den Julij arriveerde de korvet Amphitrite, kapitein-luitenant J. F. Tengbergen, aan boord hebbende den Schout bij nacht, Julius Constantijn Rijk, benoemden Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen [1247].
Rijk nam den 16den Julij 1839 het bestuur van de Kanter over [1248]; de toestand van Suriname was ongunstig toen Rijk het bewind aanvaardde en tijdens zijn bestuur verbeterde denzelve niet, ofschoon hij wel gezind en niet van bekwaamheid ontbloot was. Tot aanmoediging van den kleinhandel en tot wering van de daarbij bestaande misbruiken werden verordeningen door Rijk vastgesteld [1249]. De algemeene liquidatie van het voormalig Departement van de Nieuwe Wees-, Curatele- en Onbeheerde Boedelskamer, thans vervangen door een Collegie van Onbeheerde Boedels, met een verantwoordelijken Curator, werd door bepalingen daaromtrent gemaakt, bevorderd [1250].
Een Nieuw Reglement op het Brandwezen in de kolonie werd ingevoerd den 12den Mei 1840 [1251], en verder verscheidene publicatiën van min of meerder belang omtrent een en ander uitgevaardigd.
Door ongunstige weêrsgesteldheid en andere oorzaken stegen de prijzen der levensmiddelen, waardoor velen der geringere volksklasse en de slaven zeer gedrukt werden. Bij publicatie van 9 December 1840 werd o. a. aan den Cipier van Zeelandia veroorloofd het door hem tot dien tijd ontvangen kostgeld voor civiel gegijzelden van f 1.20 tot f 1.50 te brengen [1252]. In het volgend jaar werd de toestand nog ongunstiger, zoodat voor een bos bananen de ongehoorde hooge prijs van f 2, werd betaald. Het kostgeld der zieke, in privé-hospitalen opgenomen, slaven werd toen met 10 pCt. per dag verhoogd [1253]; de invoer van slagtvee werd nu voortdurend vrijgesteld en de uitvoer verboden [1254].
In het laatst van het jaar 1841 hield deze schaarschte op en de vermeerdering van het kostgeld der zieke slaven werd dadelijk ingetrokken [1255].
Nog altijd was het reeds bij de komst van van den Bosch (in 1828) beloofde reglement op de behandeling der slaven achterwege gebleven. Van den Bosch had behalve eenige reeds genoemde, voor dadelijke toepassing vatbare bepalingen, algemeene beginselen vastgesteld, die de grondslagen moesten uit maken van een nieuw slavenreglement, hetwelk door het koloniaal bestuur ontworpen en aan den koning ter bekrachtiging gezonden zou worden.
Het koloniaal bestuur had daarop een reglement ontworpen, hetwelk toen het bij den Raad van State werd onderzocht, bleek veeleer een reglement tegen dan voor de slaven te zijn. Sedert had men wel gedachtenwisselingen daarover gehad, doch men was daarmede tot 1839 nog geen stap verder gekomen. Intusschen had de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana plaats gehad, en men begreep dat men toch eindelijk iets moest doen.
Toen Rijk naar Suriname vertrok ontving hij bevel van den Koning om de zaak tot een eindbesluit te brengen; een nieuw ontwerp van reglement werd vervaardigd en naar Suriname verzonden; doch onder Rijk evenwel kwam deze zaak niet tot stand.
Rijk zag een hoog belang in de medewerking van eigenaren en administrateuren en trachtte die medewerking te verkrijgen. In een brief van den 14den Maart 1842 deelde hij den voornamen inhoud der nieuwe verordeningen aan de individuele leden van den kolonialen raad mede, hen daarbij uitnoodigende en het hoog belang onder het oog brengende, om de eigenaren en administrateuren tot dadelijke en vrijwillige invoering van de hoofdpunten dier verordeningen aan te sporen, zoodat, wanneer het reglement later in den wettelijken vorm zou verschijnen, hetzelve slechts zou bestendigen, wat de eigenaren reeds uit eigene beweging aan de slaven hadden ingewilligd.
Bij dit ontwerp was bepaald, om vooreerst geene speciale ambtenaren te benoemen tot handhaving van het reglement in de districten, en dit geheel te laten aankomen op de goede trouw der eigenaren en administrateuren. Rijk ontveinsde het echter niet, dat, wanneer deze pogingen mislukten, er niets anders zou overblijven dan het benoemen van een slaven-protector met eenige adjuncten [1256].
Er kwam noch van het een noch van het andere iets tot stand; in 1842 werden over dat ontwerp de consideratiën en advijs gevraagd van eene speciale commissie in Nederland. De regering hoopte dat dit onderzoek zou leiden tot eene gewenschte eindbeslissing, doch--gelijk wel te begrijpen was--dit baarde slechts nieuw uitstel [1257]. En toch verbetering van het lot der slaven was zoo hoog noodig; er geschiedden zoo vele wreedheden; men leze daaromtrent de feiten door Teenstra medegedeeld, die daarbij bijzonderheden opgeeft, welke niet te loochenen zijn, doch wier lezing de haren te berge doet rijzen. Wij vermelden ze niet op nieuw, maar halen slechts aan, een door den Minister van Koloniën J. G. Baud in de vergadering der Tweede Kamer van 14 Maart 1843 medegedeeld feit, ten bewijze hoe het toen nog vigerend reglement van 1784 te toegevend was voor hem die de slaven mishandelde. Volgens arrest van het Geregtshof van Suriname van het jaar 1841 werd een vonnis geveld in de zaak van een plantaadje-directeur, beschuldigd van jegens een aantal der aan zijn beheer toevertrouwde slavinnen (waarvan er achttien in het arrest worden genoemd) de huisselijke jurisdictie te hebben misbruikt, tot het bereiken van oogmerken, die de Minister niet noemen wilde, waardoor dikwijls tooneelen van wanorde waren ontstaan. Op grond van het reglement van 1784, werd het schandelijk gedrag van dezen directeur blootelijk gestraft met eene geldboete van f 60,51 H. C. en met verbod om verblijf te houden op de plantaadje, die het tooneel zijner ergerlijke handelingen was geweest. Dit laatste gedeelte der straf heeft eenigen schijn van gestrengheid, vermits het den beklaagde van zijn middel van bestaan schijnt te hebben beroofd; doch dit was ook niet meer dan schijn. Hij zag zich weldra, als directeur op eene andere plantaadje, op nieuw met de roede der huisselijke tucht gewapend, en, op de voordragt van een lid van den Kolonialen Raad, hersteld in eene soortgelijke openbare betrekking, als hij bekleed had in de afdeeling, waaruit hij zich had moeten verwijderen; eene betrekking die onder hare pligten telt, het helpen zorgen voor de goede nakoming van wetten en verordeningen, inzonderheid wat de behandeling der slaven betreft [1258].
Dit hier medegedeelde pleit niet zeer voor de energie van Rijk, om de slaven tegen willekeurige behandelingen te beschermen, daar hij het oor leende aan het verzoek van een lid van den kolonialen raad om dien slavenbeul weder in eere te stellen. Rijk heeft niet veel in het belang dier ongelukkigen kunnen doen. Nieuwe bepalingen omtrent het vanggeld (hatelijke benaming) voor weggeloopene slaven, kunnen daaronder zeker niet worden gerekend. Van f 3 tot f 100 premie werden uitgeloofd voor het vangen en opbrengen van een weggeloopen slaaf, en voor een doodgeschoten weglooper eene premie van f 10 op het vereischt bewijs deswege (wij weten dat hiermede de afgehouwen hand wordt bedoeld [1259].) Evenmin pleit voor zijne energie het besluit waarbij aan de Regtbanken van Hoofd-Ingelanden in de districten Coronie, die uit slaven-eigenaren bestond, de bevoegdheid werd toegekend, om de straffen voor de wegloopers, zonder hooger beroep, toe te passen, en dit alzoo niet langer ter cognitie van het Geregtshof te Paramaribo te brengen [1260].
Na het staken van de operatien der bank was er van lieverlede agio ontstaan op den wissel. In 1841 was die agio reeds 30 à 40 procent. De Administrateurs in Suriname bragten die agio niet altoos in het crediet hunner principalen, en dezen drongen er eindelijk met ernst op aan. Nu haastten de administrateuren zich om een wettelijk verbod tegen de agio te verkrijgen en dit gelukte hun.
Rijk vaardigde den 16den October 1841 eene publicatie uit, waarbij straf werd bedreigd tegen de depreciatie van het bankpapier, of met andere woorden: tegen het nemen van agio op wissels, die op het Buitenland werden afgegeven [1261].
Rijk vermeende op deze wijze het openbaar crediet te bewaren voor verdere schokken; terwijl hij hoopte en daartoe vele middelen bij het Ministerie van Kolonie aanwendde, dat de regering gevolg zou geven aan de niet nagekomen verpligtingen omtrent de particuliere West-Indische bank.
Sommige honoraire leden van den koloniale raad zagen hierin geen heil, ook de regering in het moederland keurde dien maatregel op staathuishoudkundige gronden af, en het gevolg er van was, dat die Administrateuren, die den ontrouwen rentmeester wilden spelen, nu onder den dekmantel van dat verbod, die agio voor zich konden behouden, want de agio bleef bestaan; slechts de officieren der Marine leden hierdoor onmiddellijk verlies, daar zij genoodzaakt werden hunne wissels bij den administrateur van finantiën à pari te escompteren, terwijl zij van particulieren verscheidene procenten maken konden [1262].
Tijdens het bestuur van Rijk werd men tweemaal door brand ontrust. De eerste op 23 September 1839, in het huis van den heer A. Samuels aan de Keizerstraat, veroorzaakte gelukkig weinig schade; die op 31 December 1841 in het fort Zeelandia ontstond, had ontzettende gevolgen kunnen hebben, bij de droogte en vooral door de nabijheid van het Kruiddepôt, doch door spoedig aangebragte hulp werd hij weldra gestuit [1263].
In 1839 beproefde men door de uitgave van een tijdschrift »de Kolonist," toegewijd aan de welvaart van Suriname, de belangstelling voor hetgeen ten goede der kolonie kon strekken, op te wekken; doch die proeve mislukte; slechts een jaargang van 16 nommers bestaat er van; men moest de verdere uitgave staken.
In December van hetzelfde jaar, vormde zich eene Maatschappij ter voorziening in de ordentelijke begrafenis van personen, binnen de stad Paramaribo overlijdende, wier bloedverwanten zich niet aldaar bevonden [1264].
In de maand Maart 1841 werd er een tooneelgezelschap Polyhymnia opgerigt [1265].
Op den 9den Januarij 1842 arriveerde te Paramaribo het prachtig stoomschip Clyde, Luitenant ter zee Woodcraft, komende van Londen, en bestemd voor de Brievenmail [1266].
De abdicatie van Z. M. Koning Willem den eerste op den 7den October 1840, werd bij Publicatie van 5 Junij 1841 den volke bekend gemaakt, en het Generaal Pardon aan alle Militaire gecondemneerden, bij gelegenheid van de troonsbeklimming van Koning Willem den tweede, den 28sten November 1840, uitgevaardigd den 24sten Maart 1841 [1267].
Een Reglement op de verdeeling der kolonie in divisien en ter verzekering van de goede orde en veiligheid in dezelve, was reeds in 1835 bij Koninglijk besluit gearresteerd, met last om dit Reglement, met overleg van den kolonialen Raad, te toetsen aan de bestaande verordeningen, en daarna dadelijk in werking te brengen; doch dit was tot dien tijd toe vertraagd. Rijk verlangde dit voor zijn vertrek, dat aanstaande was, in werking te brengen; hij won het advies van den kolonialen raad, men vaardigde in Maart 1842 eene publicatie uit, waarbij het Reglement eindelijk kracht van wet erlangde [1268].
Den 31sten Maart 1842 droeg Rijk, geroepen tot vervulling der betrekking van Directeur-Generaal der Marine, het bestuur over aan Mr. P. de Kanter, Procureur-Generaal [1269].
Rijk verliet den 5den April daaraanvolgende met de korvet Juno de Kolonie Suriname [1270].
De Kanter voor de tweede keer, als Gouverneur-Generaal a. c. der Ned. West-Indische bezittingen opgetreden, wenschte den kleinen landbouw en veeteelt aan te moedigen. Hij beloofde daartoe premien van f 100 tot f 400 uit aan die ingezetenen, meest vrijlieden of gemanumitteerde slaven, welke zich bij het aanleggen van kostgronden in den omtrek der stad door ijver en doelmatige bewerking van den grond enz. onderscheidden. Verscheidenen dezer lieden trachtten zich op deze wijze een behoorlijk middel van bestaan te verschaffen; terwijl de aankweeking van het zoo onontbeerlijk voedsel (bananen), van aardvruchten of groenten, of ook van tabak, specerijen enz. eene gewenschte zaak was, en deze tak van landbouw ook zeer verdiende aangemoedigd te worden. Ter aanmoediging van het aankweeken van hoorn- of rundvee en schapen werden premien van f 100 tot f 500 uitgeloofd. Vermeerdering en veredeling van den veestapel was zeer noodig, en reeds meermalen, ook o. a. in het landbouwkundig genootschap, was deze zaak besproken; Teenstra had ook daarover in 1832, in eene gehouden rede, belangrijke wenken gegeven.
Sommige ingezetenen hadden verwacht dat de Kanter definitief tot Gouverneur-Generaal zou worden aangesteld, doch het Nederlandsch Gouvernement had zijne keuze daartoe op den heer Burchard Jean Elias, Secretaris-Generaal bij het Ministerie van Koloniën, laten vallen en die keuze kon zeer gelukkig genoemd worden; want Elias was een man wiens kunde, goede trouw, eerlijkheid en standvastigheid gunstig bekend waren, en Suriname had behoefte aan een man, die aan bekwaamheid en eerlijkheid de noodige energie paarde om met kracht verouderde misbruiken aan te tasten, en vooral ook om met ernst het lot der slaven te verbeteren; hij beproefde dit en--ondervond vele tegenwerking.
Elias kwam in November 1842 in Suriname aan en nam den 13den derzelver maand het bestuur van de Kanter over [1271].
Reeds spoedig na zijne aankomst zag hij zich verpligt, om sommige ambtenaren en authoriteiten, die hem trotseren wilden, tot hun waar standpunt terug te brengen, ja zelfs eenige individuen van de in Suriname bestaande magten van zich te verwijderen, aangezien hij weldra de slinksche wegen en middelen begreep, welke zij aanwendden, om hierdoor eene zekeren invloed op hem te verkrijgen, en, ware het mogelijk, zoo doende door hem te heerschen, zoo als wel vroeger in de kolonie had plaats gevonden [1272].
Vooral echter maakte Elias zich gehaat, omdat hij met ernst zich het lot der mishandelde slaven aantrok.
Gelijk wij reeds meermalen deden opmerken: telkens was de invoering van een nieuw slaven-reglement vertraagd. Toen Elias als Gouverneur-Generaal naar Suriname vertrok, werd hem door de Nederlandsche regering opgedragen, om, na plaatselijk onderzoek, een reglement zamen te stellen, hetwelk op de ondersteuning der eigenaren zou mogen rekenen, maar onder herinnering tevens, dat het de pligt der regering was, om zich door geene zwarigheden te laten terughouden van het op een billijken voet, regelen van de betrekking tusschen meester en slaaf.
Elias wenschte den hem opgedragen last trouw te vervullen, doch ondervond hierbij veel tegenwerking.
Sommige Amsterdamsche kooplieden,--met droefheid vermelden wij dat hieronder hoofden van aanzienlijke handelshuizen, die overigens eerbied en achting verdienden, zich bevonden--protesteerden tegen elke wijziging in de bestaande reglementen, zonder vooraf daarop hunne goedkeuring te hebben verleend; zij achtten wijzigingen zonder die goedkeuring, eene inbreuk op hun regt van eigendom, en betwistten het Gouvernement het regt om wijzigingen in de bestaande reglementen te brengen zonder schadeloosstelling aan de eigenaren.
Dit protest door de reactionaire partij in Suriname uitgelokt, werd daarna in de kolonie een spoorslag tot heftigen tegenstand. Enkelen die Elias reeds medewerking hadden beloofd trokken zich nu terug. En echter, er moest een einde aan komen: want de eigenaren en administrateuren hadden nog niet aan den wensch van Rijk voldaan; zij hadden nog geen initiatief genomen. Elias uitte openhartig zijne meening omtrent de behandeling der slaven en joeg hierdoor de kolonisten tegen zich in het harnas. Hij hield het er voor, dat de huiselijke jurisdictie, ingesteld bij het reglement van 1784, reeds eene beperking had ondergaan ten gevolge de verordeningen in 1828 door van den Bosch uitgevaardigd, en dus--zoo als ze somwijlen werd uitgeoefend--onwettig was; terwijl hij anderdeels, na eenige ondervinding, het gevoelen aankleefde, dat, wilde men eenig nut stichten door het nieuwe reglement, men de handhaving hiervan niet aan de Administrateurs en Directeurs maar aan onzijdige ambtenaren moest opdragen. En niet slechts uitte hij deze meeningen, maar hij ging verder: hij wilde grenzen gesteld zien aan de zoogenaamde huiselijke tucht; hij maakte waar zij die grenzen overschreed haar tot een punt van onderzoek en zond de strafregisters naar Nederland, opdat men daar beter dan vroeger omtrent den werkelijken staat van zaken zou worden ingelicht.
In die strafregisters (weekrapporten van den Adjunct-Luitenant van Policie en van den Cipier van het fort Zeelandia) komen er dikwerf 100 zweepslagen voor, die door dienaren der justitie, op aanvrage des meesters, met uitsluiting van onderzoek van derden, werden toegediend. Die ambtenaren, dienaren der justitie, vonden hieruit een groot gedeelte hunner inkomsten en het tarief der emolumenten klom met het getal der slagen. Elias meldde aan de Nederlandsche regering dat het getal slagen met tamarinde roeden wel eens twee tot drie honderd bedroeg, alvorens hij de grenzen der huiselijke tucht tot een punt van onderzoek had gemaakt, en toch wordt hem in de adressen der Amsterdamsche kooplieden verweten, dat hij de onmisbare huiselijke tucht onder de slaven belemmerde.
De reactionaire partij in Suriname was zeer verbolgen op Elias, en werd dit telkens meer. Hiertoe droeg het volgende bij: Van wege het Britsch Gouvernement resideerde te Paramaribo nog steeds een Regter-Commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel. Die handel evenwel bestond niet meer, zoodat eigenlijk de functie van den heer Shanley weinig te beduiden had. Die heer, een negervriend, ergerde zich meermalen over de handelwijze, die sommige meesters omtrent hunne slaven volgden. Meermalen beklaagde hij zich hier over,--kan men dit den slavenvriend ten kwade duiden? Evenwel die bemoeijingen lagen buiten zijne functie en ook ging hij somwijlen hierin wat ver; Elias onderrigtte hiervan den Minister van Koloniën, eene diplomatieke correspondentie tusschen 's Gravenhage en Londen volgde daarop en Shanley werd door zijn Gouvernement teruggeroepen.
Wij zien uit deze handelwijze van Elias, dat hij geen inmenging van vreemden duldde, en desniettegenstaande werd hem ten laste gelegd, dat hij onder den invloed van Shanley stond. Zekere Röperhoff werd beschuldigd van een ouden slaaf geweldig te hebben laten kastijden; er werd een onderzoek bevolen, en het scheen, dat die beschuldiging eenigzins overdreven was geweest. Men vermoedde, dat Shanley hierin de hand had gehad. Röperhoff zond daarop een adres aan Elias, waarin hij op hoogen toon en op eene zeer onvoegzame wijze aandrong op het noemen van hem, die een dergelijk lasterlijk gerucht ten zijnen aanzien had verspreid, daar hij anders eene actie ter zake van laster en hoon tegen Elias zoude moeten institueren.
Daar Röperhoff in zijn adres den eerbied, dien hij aan den Gouverneur-Generaal verschuldigd was, èn als ingezeten èn als lid van den Kolonialen Raad, uit het oog had verloren, schorste Elias hem in laatstgenoemde betrekking, bij resolutie van 11 September 1843. [1273]
Bij de terugkomst van een der afwezig geweest zijnde effectieve leden van den Kolonialen Raad, had Elias de resolutie van 26 Maart 1842, waarbij o. a. zekere Freudenberg tot tijdelijk lid benoemd was, eenvoudig ingetrokken. Er werd aan Freudenberg geen eervol ontslag verleend, èn omdat hij slechts tijdelijk had gefungeerd, èn omdat hij aan den Gouverneur-Generaal, werkelijk gegronde reden tot ontevredenheid had gegeven.
De leden van den Kolonialen Raad beklaagden zich echter hierover in zeer onvoegzame termen en namen deze gelegenheid te baat, om Elias de belemmering der zoo volstrekt onmisbare huiselijke tucht, zonder welke geen slavenstand denkbaar is, te verwijten [1274].
De Gouverneur-Generaal hield den Minister van Koloniën op de hoogte van het gebeurde; een Koninglijk besluit van 5 October 1843, in de eerste plaats ten gevolge van gebeurtenissen te Curaçao uitgevaardigd, werd mede ter kennisse van den Kolonialen Raad in Suriname gebragt. Bij dit besluit werden de Koloniale Raden gewaarschuwd tegen: het aansporen van ingezetenen tot het onderteekenen en inzenden van adressen of petitiën aan hoogere magten, inhoudende klagten tegen de handelingen der Koloniale gezaghebbers, en tot middellijk of onmiddellijk deelnemen aan dergelijke petitiën, terwijl aan ieder vrij gelaten werd, om, bij individueel adres, eerst aan den raad en vervolgens aan hoogere magten klagten te doen. Die hiertegen handelde, kon door den Gouverneur-Generaal ontslagen of tot ontslag worden voorgedragen [1275].
De Amsterdamsche kooplieden, daartoe door de reactionaire partij in Suriname aangezocht, trokken zich de zaken aan, en vroegen, ofschoon onder eenige verzachtende termen, de terugroeping van Elias [1276].
De Minister J. C. Baud vroeg feiten, waarop de bewering der adressanten: dat de tegenwoordige Gouverneur-Generaal meer hartstogtelijk dan welberaden philantrophische denkbeelden voorstond, en dat in zijne gedragingen de behoudende beginselen werden gemist, steunde [1277].
In een nieuw adres (25 November 1843), merken de Amsterdamsche kooplieden aan, dat de van hunne correspondenten ontvangen berigten, over het algemeen de gesteldheid als zorgelijk voorstellen, en dat die overeenstemming de gewigtigste aller daadzaken was [1278]; zij wilden zich liefst onthouden van eene lange reeks van daadzaken op te noemen; doch maken slechts melding van het gebeurde met Röperhoff, en de inbreuk die de Gouverneur-Generaal maakte op de huiselijke jurisdictie, welke binnen de kolonie van oudsher is gebruikelijk geweest, en zonder welke ook tot een zekeren graad geen slavenstand denkbaar is [1279].
Later wendden de Amsterdamsche kooplieden zich per adres tot den Koning en daar zij hierop geen antwoord ontvingen, leverden zij den 2o October 1844 een nieuw adres in, waarbij zij om antwoord aandrongen, en daarop 11 November 1844 eene afwijzende dispositie van den Minister, als daartoe door den Koning gemagtigd, ontvingen [1280].
In Suriname nam intusschen de spanning toe. De vergaderingen van den Kolonialen Raad, werden niet dan met lange tusschenpoozingen gehouden; de Gouverneur-Generaal bleef van dezelven weg, daar hij in de gegevene omstandigheden met de honoraire leden geene zitting kon en wilde hebben; de Gouvernements-secretaris, die door meergemelde leden in een brief aan den Gouverneur-Generaal gerigt, op eene meer dan onvoegzame wijze aangerand was, verscheen er evenmin om de pen te voeren; terwijl zelfs de Administrateur van finantiën, niet minder met hen in gevoelens verschillende, zich insgelijks van die bijeenkomsten verwijderd hield. Door dit alles ontstond nu eene stagnatie in den loop der zaken. Van den eigenlijken oorsprong evenwel dezer verwarring: het reglement op de behandeling der slaven, vernam men niets meer [1281].
De reactionaire partij in Suriname zocht nieuwe en sterker sprekende beschuldigingen tegen Elias en zij meende die te vinden in het volgende:
De publicatie van Rijk, waarbij het nemen van agio op wissels naar Nederland werd verboden, trof geen doel en was dadelijk door de Nederlandsche regering als tegen goede beginselen van staathuishoudkunde strijdende afgekeurd; zij wilde dit verbod daarom intrekken, doch vond hierin tegenstand bij den Kolonialen Raad; zes maanden daarna bragt Elias de zaak op nieuw ter tafel, aanmerkende dat er steeds in weerwil van het verbod, agio op buitenlandsche wissels werd genomen, en dat (dit is letterlijk in de notulen vermeld) het verbod dus ten dekmantel strekte voor degenen, die in het geheim agio bedingen, zonder die aan de betrokkenen in rekening te brengen. De Koloniale Raad erkende de juistheid dezer aanmerking, doch gaf nogtans in overweging, om, in het belang van het Gouvernement zelf, de intrekking voor als nog uit te stellen, waartoe Elias zich andermaal liet overhalen. In het midden van 1844 zag hij zich evenwel genoodzaakt, om aan dat uitstel een einde te maken.
Hij ontving namelijk bevel, om aan de officieren van het Nederlandsch Eskader in de West-Indiën de vrije beschikking te laten over de wissels, welke zij op het Ministerie van Marine te trekken hadden. Die wissels moesten zij tot dusver krachtens een bevel van den vorigen Gouverneur-Generaal, à pari escompteren bij de West-Indische bank; een bevel waartegen het departement van Marine vertoogen had ingeleverd, als schadelijk èn voor die officieren èn voor zijne begrooting. Nu moest wel gelijk van zelf sprak, het verbod tegen de wisselagio worden ingetrokken, vermits de officieren van Marine niet mogten worden blootgesteld, om ter zake van het verkoopen hunner wissels boven de pari-koers, door het openbaar ministerie te worden vervolgd. Die intrekking had dus plaats en wel bij eene publicatie van 19 Junij 1844 [1282].
Al deze omstandigheden waren te Paramaribo van openbare bekendheid. Men wist dat de Minister van Marine dezen maatregel in het belang zijner geadministreerden had uitgelokt. Men wist, dat er verder niets achter schuilde. [1283]
Nu echter meenden de honoraire leden van den Kolonialen Raad een middel gevonden te hebben, zich op den Gouverneur-Generaal te kunnen wreken; nu hadden zij, hetgeen hun vroeger ten eenemale ontbroken had, een bewijs tegen den Gouverneur-Generaal; en het kwam er nu slechts op aan, om hunne committenten in het moederland te bewijzen, dat deze laatste maatregel van den Gouverneur-Generaal op de geldelijke belangen der Amsterdamsche huizen influenceren zou: de zwakste zijde van deze laatsten moest men derhalve aantasten.
Er werd eene comparitie belegd; en het kostte den honorairen leden van den Kolonialen Raad voorzeker niet veel moeite, om een aantal administrateuren van plantaadjes hun gevoelen te doen omhelzen. Onder laatstgenoemden bevonden zich een effectief en twee provisioneele leden van het geregtshof, en deze beiden werden gekwalificeerd, om van het verhandelde een zoogenaamd proces-verbaal uit te brengen [1284].
Dit stuk is eene aaneenschakeling van onwaarheden. Men veinsde onbekendheid met hetgeen een ieder wist. Men huichelde vermoedens, die bij niemand bestonden. De zaak werd verdraaid, verwrongen, en men beschuldigde de Regering van opzettelijk voornemen, om de waarde van het West-Indisch bankpapier te verminderen. Vele ingezetenen, aan wie men naderhand dat fraaije stuk ter mede onderteekening aanbood, weigerden dit met verachting.
Van dit proces-verbaal werd door Elias een afschrift aan den Minister van Koloniën verzonden; èn om den onbetamelijken inhoud van dat stuk èn om het zich gedragen tegen het Koninklijk besluit van 5 October 1843, werden de honorifieke leden van den Kolonialen Raad en de heeren Penard, H. J. Roux en Pichot l'Espinasse, ongegradueerde leden van het Geregtshof, uit hunne respective betrekkingen ontslagen bij koninglijk besluit van 6 November 1844 en, bij een tweede, provisioneel de vacante plaatsen in den Kolonialen Raad aangevuld, door het aanstellen van Gouvernements-ambtenaren; terwijl aan den Gouverneur-Generaal werd opgedragen de Heemraadschappen te doen vervullen zoo als hij meest oorbaar zou achten [1285].
Deze maatregel veroorzaakte groote sensatie. De daarbij betrokkenen en hunne partij, beschouwden zich zeer verongelijkt--en de Amsterdamsche kooplieden wendden zich eerst nog tot den Minister van Koloniën (27 November 1844) en daarna (21 Februarij 1845) tot de Tweede Kamer, waarbij zij hevige beschuldigingen tegen den Gouverneur-Generaal en tegen den Minister van Koloniën over verregaande autocratie, ja, schennis der grondwet, inbragten.
Werd deze kwestie alzoo in den boezem der Tweede Kamer overgebragt en hadden daarover belangrijke discussiën plaats, ook uit Suriname kwam eene stem, die gansch anders luidde, dan die van de afgezette honorifieke leden van den Kolonialen Raad en van de Amsterdamsche kooplieden. In eene brochure getiteld: Beschouwing van het adres van Bosch Reitz c. s. door eenige ingezetenen der kolonie Suriname, Mei 1845, werd aan Elias regt gedaan, en het gedrag van de partij der reactie in het ware licht gesteld [1286].
Uitnemend wordt in dat werkje wederlegd het door de adressanten omtrent den Gouverneur-Generaal gezegde, dat hij in volslagen isolement verkeerde; dat hij alreeds door zijne antecedenten buiten staat gesteld, door veelvuldige omstandigheden belet werd, om voortaan in de kolonie eenig nut te stichten--dat die wijze van terug getrokken te leven, afgescheiden van allen, die in de kolonie redelijken invloed uitoefenden, en steeds omringd van lieden, die het vertrouwen van het algemeen nooit bezeten of sedert lang verloren hadden, botsing en tweedragt tusschen al de gevestigde authoriteiten te weeg gebragt had, aanranding van de onafhankelijkheid der regterlijke magt; allerwege toenemende ontevredenheid over, en wantrouwen tegen al de handelingen van het bestuur, gepaard met bezorgdheid voor de toekomst, belemmering der onmisbare huiselijke tucht over de slaven, geschokt vertrouwen bij den eigenaar, en door de vereeniging van al die zamenwerkende oorzaken, te midden van de toenemende magteloosheid van het openbaar gezag, schrikbarende waarde vermindering der bijzondere eigendommen.
Al de massa van beschuldigingen, zonder aanvoering van een enkel feit, worden achtereenvolgens ontzenuwd en duidelijk wordt aangetoond, dat de droevige staat van Suriname uit andere oorzaken dan uit de handelwijze van Elias ontstond. De Nederlandsche regering, door het niet voldoen aan hare verpligtingen omtrent de Particuliere bank enz., en de stijfhoofdigheid van de reactionaire partij, die alle verbeteringen tegenwerkte, waren voor een groot deel hiervan de oorzaken; terwijl andere omstandigheden als: groote vuurrampen, niet voordeelige oogsten, daling der koloniale producten, hiertoe hadden medegewerkt.
Eenige publicatiën over het zoo mogelijk weren van besmettelijke ziekten, tot het meer geregeld innen van 's Lands belastingen, ter voorziening tegen lediggang en vagabondage enz., enz., waren achtereenvolgens uitgevaardigd.
Tijdens het bestuur van Elias werden er toebereidselen gemaakt tot de proeve van Europesche kolonisatie aan de Saramacca. Meermalen was deze zaak besproken; in Nederland had men berigten ingewonnen, plannen gemaakt en voorstellen daaromtrent gedaan, alvorens bij het Ministerie van Koloniën het besluit werd genomen, om op 's lands kosten, eene Europesche kolonisatie in Suriname te beproeven, volgens het plan der heeren van den Brandhoff, Betting en Copijn, predikanten te Elst bij Amerongen, Beets en Wilnis.
Voorloopig werden 50 gezinnen, die zich daartoe aangeboden hadden, aangewezen, om met hen de kolonisatie te beproeven.
Bij Koninklijk besluit van 25 Januarij 1843 werd de heer Betting benoemd, om, vergezeld van twee bekwame landbouwers, als voorbereidings-commissie naar Suriname te gaan, ten einde, onder medewerking van het koloniaal bestuur, eene geschikte plek uit te kiezen, om daarop de noodige ontginningen en de stichting van een dorp van 55 huizen te doen bewerkstelligen.
Den 22sten Junij 1843 kwam genoemde heer met drie landbouwers, waarvan een zijn gezin had medegenomen, in Suriname aan.
De ontwerpers hadden hunne keuze bepaald gevestigd op eene landstreek aan de rivier Coppename, niet ver van het toen in volle werking zijnde etablissement van houtvelling Andresa. Eene op die plaats ingesteld onderzoek door Elias, den kapitein Esser, den Administrateur van Finantiën Leers en de commissie, overtuigde allen van het ongeschikte, om aldaar de vestiging te beproeven.
Men wenschte de nederzetting te doen plaats vinden, waar zij buiten aanraking der oude bevolking bleef, uit vrees, dat de aanraking met een door het stelsel van slavernij bedorven maatschappij, nadeelig op de moraliteit der nieuwe landbouwers werken zoude; doch ware dit in principe niet af te keuren, aan den anderen kant, werd hierdoor het doel gemist, om de landbouwende bevolking in de kolonie een goed voorbeeld te geven, het verderfelijk vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen weg te nemen en den landbouw te veredelen.
Verscheidene zeer geschikte punten in de nabijheid van Paramaribo, regtstreeks of zijdelings aangewezen, werden, om bovengenoemd beginsel, verworpen en naar een punt omgezien, waar de aanraking met bevolking ten minste niet groot was.
De Militaire post Groningen aan de Saramacca scheen hiertoe geschikt, en hier zou de nederzetting, behoudens eene volkomen gelijkstelling in burgerschapsregten, eene afzonderlijke huishouding vormen, waarover het koloniaal bestuur slechts een controlerend toezigt zoude voeren, en alzoo, in zekeren zin, een imperium in imperio worden gegrondvest. [1287] Groningen tot punt van vestiging gekozen zijnde, vormde Ds. Betting een plan voor den aanleg van 50 woningen, en 14 akkers grond voor iederen landbouwer: om dit te voltooijen ware eene slavenmagt van 500 zielen noodig geweest. Doch de heer Leers vermeende dit met circa 40 slaven, die later met 15 à 20 versterkt werden, te kunnen doen.
Al spoedig ontstonden klagten over ontoereikende magt, anderzijds over verkeerd gebruik dier magt. In drie en een halve maand werd niets meer uitgevoerd dan het vellen van 50 akker bosch, waarvan ongeveer de helft uitgewerkte en dus niet voor cultuur geschikte grond. Twee der Europesche landbouwers bedierven door onberadene proeven nopens de kracht van hunne gestellen tegen het klimaat, hunne gezondheid. Ds. Betting werd geheel ontmoedigd en wantrouwde aan het welslagen der onderneming.
Verschillende rapporten werden naar Nederland gezonden en voorloopig de werkzaamheden gestaakt. Een Ministerieel bevel tot hervatting der gestaakte voorbereidings-werkzaamheden hield den uitdrukkelijken last in aan Ds Betting, om de aangevangene taak te voltooijen. De verlatene en geïnnundeerde plantaadje Voorzorg, tegenover Groningen gelegen, werd nu tot punt van nederzetting bepaald.
In Julij 1844 werden de werkzaamheden hervat. De bekwame stads-architect J. A. Voigt, ontwierp een plan tot het bouwen van 50 goed betimmerde en op goede voetstukken gestelde woningen, waarvan ieder f 1000 zoude kosten. De administrateur van finantiën, Leers, vond dit veel te hoog; latere door de Gebs. Mesquita (J. J. en L. A.) ingediende plannen, een à f 750 en een à f 600, werden om dezelfde reden verworpen, en in plaats daarvan aan een timmerman Halfhide dit werk opgedragen.
Met primo December 1844 ving Halfhide zijn arbeid aan. Geweldige aanhoudende regens, achterlijkheid in het verstrekken van bouwgereedschappen en materialen uit de stad belemmerden den voortgang van het werk en in plaats van in 26 weken (tegen het begin van Junij 1845 werden de 50 eerste kolonisten verwacht) 50 dezer gebouwtjes daar te stellen, kreeg Halfhide er in 30 weken met veel moeite 23 klaar.
Elias stelde wat te veel vertrouwen in den administrateur van finantiën Leers; deze die niet vele goede vruchten van de kolonisatie verwachtte, wilde het Gouvernement op zoo weinige kosten mogelijk jagen, en behandelde alles op de zuinigste wijze, doch door de te groote zuinigheid van Leers kwam er van het werk der voorbereiding tot ontvangst der kolonisten bijna niets te regt; voor de ontvangst der kolonisten was niet behoorlijk gezorgd, en toch men liet hen komen. De heeren van den Brandhoff en Copijn met 50 huisgezinnen kolonisten vertrokken uit Nederland, en in Suriname dacht men, dat, indien zij er eenmaal waren, alles zich wel van zelf zou schikken. Welke droevige gevolgen de onvastheid van handeling, het gebrek aan genoegzame landbouwkundige kennis bij heeren bestuurders, de zuinigheid van den administrateur van finantiën enz., enz., hadden, zullen wij in het volgende hoofdstuk zien [1288].
De discussiën in de Tweede Kamer over de Surinaamsche kwestie namen een aanvang; doch vóór ze ten einde waren gebragt, had reeds Elias bij herhaling zijn ontslag gevraagd, daar hij moede was langer den strijd voort te zetten met de partij der koloniale reactie, die gesteund door geestverwanten in het moederland, hem in al zijne handelingen ten beste der kolonie, belemmerden. Hij erlangde eindelijk het zoo begeerd ontslag.
Vóór het vertrek van Elias publiceerde hij het Koninglijk besluit van 6 April 1845, waarbij de zes door hem tot het waarnemen der vacante Heemraadschappen gekozene kolonisten, tot leden van den kolonialen Raad werden benoemd [1289]. Z. M. was op voordragt van den Minister van Koloniën, na vernomen loffelijk getuigenis van den Gouverneur-Generaal omtrent hunne geschiktheid en bekwaamheid, daartoe overgegaan; hierdoor hield de provisioneele voorziening, die ook in de Tweede Kamer werd afgekeurd, op.
Bij Koninglijk besluit van 9 April 1845, werd de Administratieve afscheiding der kolonie Suriname van Curaçao en de overige Nederlandsche West-Indische eilanden bepaald; de ingang van den tijd dier afscheiding zou later worden vastgesteld [1290].
Den 21sten April 1845, werd bij Koninglijk besluit aan Elias een eervol ontslag verleend, en zoo zeer verlangde hij om de teugels van het bewind neder te leggen, dat hij zelfs de komst van zijn opvolger niet afwachtte, maar reeds den 16den Julij de waarneming der loopende zaken, tot de komst van den nieuw benoemden Gouverneur, opdroeg aan den Procureur Generaal de Kanter, als oudste lid van den Kolonialen Raad.
Elias verliet de Kolonie, waar hij gepoogd had nut te stichten, doch door vele tegenwerking dit niet had vermogt; hij keerde naar Nederland terug, en leefde sedert dien tijd als ambteloos burger. Hij was verheven boven lof of hoon der wereld; daarom heeft hij zich niet willen verdedigen tegen hetgeen men hem ten laste had gelegd, omdat zijne regtvaardiging eene smet zoude zijn voor iemand, dien hij gaarne sparen wilde. Sedert zijn ongeveer zestien jaren verloopen en--Elias is geregtvaardigd. In Suriname dragen de achtingswaardige mannen, die hem aldaar kenden, hem steeds de meeste achting toe; zijn bestuur wordt door velen met liefde herdacht, en zelfs zijne geduchtste vijanden in de kolonie, geven hem thans de eer van een ervaren, standvastig en onpartijdig Landvoogd.
De reactionaire partij in Suriname, gesteund door Amsterdamsche kooplieden, scheen te zegevieren, daar de verwijdering van den gehaatten Landvoogd hun gelukt was; doch hun zegepraal was niet volkomen, want Z. M. benoemde tot Gouverneur van Suriname den wakkeren Baron van Raders, toen gezagvoerder van Curaçao, en die Landvoogd had reeds overtuigende bewijzen gegeven, dat hij wel de belangen der aan zijn bestuur toevertrouwde bezittingen, met geestkracht en onverzwakten ijver, zocht te bevorderen, maar wars was om eene partij te vleijen, die hare stem verhief tegen de zoogenaamde autocratie der pen, om die, welke de zweep en de spaansche bok tot werktuigen heeft, ongehinderd te kunnen laten bestaan [1291].
In Junij 1845 werden de discussiën over de Surinaamsche aangelegenheden in de Tweede Kamer voortgezet en ten einde gebragt.
Eene commissie, benoemd tot onderzoek der zaak, bragt den 18den Junij haar verslag uit. In dat verslag werd erkend, dat door vroegere Landvoogden willekeurige handelingen waren begaan, doch omtrent Elias aangemerkt, dat geen enkele handeling van dien ambtenaar is bekend geworden, die aanleiding zou kunnen geven, om hem zoodanig te beschuldigen, als de adressanten, (de 46 Amsterdamsche kooplieden) hadden gedaan.
In dat rapport der commissie werd vooral gewezen op het niet nakomen der regering van hare verpligtingen omtrent de Particuliere West-Indische bank, en werd dit door haar van een zoo groot gewigt beschouwd, dat zij in een bij haar Rapport overgelegd concept-adres aan den koning, waarbij de belangen van Suriname aan Z. M. ten dringendste werden aanbevolen, de bereidheid der Tweede Kamer bekend maakte om met Z. M. de vereischte wettelijke maatregelen te nemen, ten einde de koloniale administratie, des noods uit 's Rijks middelen in staat te stellen, om de verpligtingen volkomen na te leven, die in 1829 aan de Particuliere West-Indische bank bij K. B. opgelegd waren.
Een voorstel van eenige leden om den koning bij adres o. a. als de meening der Kamer te doen kennen, dat de hoofdbepalingen of beginsels van het octrooi van 1682 nog verbindende kracht bezaten, vond geen genoegzamen bijval en het concept-adres der commissie werd aangenomen en vervolgens den koning aangeboden.
Als gevolg daarvan kan het Koninklijk Besluit van 1 Julij 1843 worden beschouwd, waarbij besloten werd als oninbaar te doen afschrijven:
a. eene vordering van f 647,212.7 1/3 ten laste van Suriname, wegens nadeelig verschil tusschen de vandaar ontvangen remises en de voor die kolonie gedane betalingen, in de jaren 1837-1842, toen Suriname heette niet gesubsidieerd te zijn, en echter blijkens deze uitkomst eene subsidie ontving;
b. eene vordering als voren van f 35,156.53 waarmede het aan de kolonie Suriname in 1844 verleende subsidie van f 150,000 was overschreden geworden [1292].
Ook ter kwijting der verpligtingen van de Particuliere West-Indische bank en ter gemoetkoming aan het gebrek aan Circulerend Medium werd door de Regering plannen gevormd, die onder het bestuur van van Raders zijn uitgevoerd.
VIJFDE TIJDVAK.
DERDE HOOFDSTUK.
Van de optrede van R. F. Baron van Raders als Gouverneur van Suriname (1845) tot het tegenwoordig bestuur van R. F. van Lansberge 1861.
De nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Renier Frederik Baron van Raders, door onderscheiden omstandigheden opgehouden, kwam eerst den 9den October 1845 te Suriname aan.
De reactionaire partij in de kolonie had reeds op den avond van zijne komst gelegenheid, om op te merken, dat ook hij de autocratie van zweep en spaansche bok haatte en daartegen zoo veel mogelijk de slaven wilde beschermen. Door den tijdelijken Gouverneur de Kanter uitgenoodigd om dien avond ten zijnen huize te komen doorbrengen, werd den nieuw benoemden Landvoogd aldaar, bij die gelegenheid, door het muziekcorps van het garnizoen eene serenade aangeboden. Terwijl hij aandachtig naar de uitvoering luisterde, hoorde hij een vreemdsoortig geluid. Op zijne vraag, wat dit was? werd hem geantwoord, dat dit geluid veroorzaakt werd door de zweepslagen der Bastiaans, die daarmede de slaven wegdreven. Van Raders verzocht dat men dit naliet; men voldeed hieraan, en nu konden ook slaven zich verlustigen in het genot dat de vrijen smaakten [1293].
Reeds dit feit kenmerkte de gezindheid van den man door 's Konings keuze geroepen de opvolger van Elias te zijn, en zijne verdere handelingen waren daarmede in overeenstemming.
Den 13den October 1845 nam van Raders het bewind van de Kanter over [1294].
Van Raders verzocht inlichtingen omtrent de drie à vier maanden te voren in Suriname aangelande kolonisten, en ontving zeer ongunstige berigten, waarop hij onmiddellijk besloot, reeds den dag na de aanvaarding van het bestuur, naar de plaats hunner vestiging aan de Saramacca te gaan, ten einde door eigen aanschouwing den toestand aldaar te leeren kennen en, waar hij kon, hulp aan te brengen. Tot dien tijd was nog niemand van Gouvernementswege bij de kolonisten geweest om hun een welkomstgroet te brengen; de Kanter koesterde echter het voornemen om er eerstdaags heen te gaan en ging nu met den nieuwen Gouverneur.
De toestand der kolonisten was ellendig. Den 10den Mei 1845 hadden de schepen Susanna-Maria en Noord-Holland, waarop de eerste kolonisten (29 huisgezinnen en ruim 30 vrijgezellen, te zamen 208 personen, onder geleide van Ds. Copijn en den schoolmeester van Hateren) waren ingescheept, de Nederlandsche kust verlaten. De reis werd gelukkig en voorspoedig volbragt, slechts een ziekelijk kind was gedurende dezelve overleden; dertig dagen later (den 9den Junij) kwamen beide schepen voor de monding der Suriname. De stoomboot, die de schepen de Saramacca op had moeten slepen, verscheen niet en was tot eene andere bestemming gebezigd. Twee koloniale schoeners bewezen nu de noodige hulp, doch door laag tij belemmerd, hadden de schepen 9 en 12 dagen noodig om de plaats hunner bestemming te bereiken.
De hitte tusschen deks, waar het meerendeel der kolonisten bij het opwerken der schepen op de rivier, verpligt waren te blijven, was ondragelijk; het vooruitzigt echter weldra de plaats hunner bestemming te bereiken, hield allen in eene opgeruimde stemming.
In den morgen van den 21sten Junij 1845 bereikte de Susanna-Maria Voorzorg, doch welk eene teleurstelling beidde daar de hoopvolle kolonisten! De voorbereidende maatregelen ter hunner ontvangst waren weinig gevorderd; de som van vijftig duizend gulden daaraan besteed, was als weggeworpen. Eenige hutten met strooijen (palmbladeren) daken, sommige nog maar half voltooid, in eene regte lijn tegen den groenen horizon van ondoordringbaar bosch, leverden een weinig uitlokkend gezigt voor de kolonisten op. Toen het anker was gevallen, hadden er aan boord van het schip ijzingwekkende tooneelen plaats. Vrouwen en kinderen jammerden en schreiden; de mannen liepen, bij den aanblik hunner bestemming, als wanhopenden en woedenden over het dek. De meesten weigerden om van boord te gaan; eenigen, die nog gelden bezaten, boden dezen den kapitein voor de terugreis aan [1295].
Ds. Copijn, die gedacht had alles in behoorlijke orde te vinden, stond als verplet, toen hij met den werkelijken stand van zaken bekend werd. Hij sprak evenwel den kolonisten moed in, en zijne kernachtige taal vol onmiskenbare liefde en trouw stak hen een riem onder het hart, en zij en de andere kolonisten, die den volgenden dag met de Noord-Holland aankwamen, lieten zich aan wal brengen.
Waren de woningen ellendig, daarenboven aan huisraad, aan alles was gebrek. Geen voet gronds was bebouwd of productief gemaakt. De levensmiddelen door een der koloniale schoeners aangebragt bestonden in vaten Amerikaansche tarwe, blom en gezouten spek; alsmede eenige vaten rijst en spek. Aan bakken van brood viel niet te denken; de oven was defect en er ontbrak een baktrog. De kolonisten waren verpligt zich hoofdzakelijk met spekkoeken te voeden.
Slechts een gedeelte kon te Voorzorg onder dak worden gebragt, en dat nog zóó, dat in elk der woningen 7 tot 10 personen moesten huisvesten; de overigen betrokken de gebouwen van de vroegere militaire post Groningen aan de overzijde der rivier gelegen.
De ongezonde huisvesting, de slechte voeding en de teleurstelling, die allen zoo zeer had geschokt, deden eene ziekte ontstaan. Weldra vielen slagtoffers; de geneeskundige hulp van een scheepschirurgijn, met een medicijnkist was ongenoegzaam. De krachtige taal van Copijn bewoog het koloniaal Gouvernement hulpe te zenden.
Intusschen verwachtte men de overige kolonisten onder geleide van Ds. Brandhoff. Men sloeg in der haast eenige loodsen voor hunne ontvangst op; voordat deze echter voltooid waren lieten de schepen Antonio en Eugenie, waarop 15 huisgezinnen en eenige ongehuwde personen, te zamen 122 zielen, het anker voor Voorburg vallen.
Een tiental der eerst aangekomen kolonisten was reeds ten grave gesleept, en de overigen waren allen ziek. De ziekte nam een ernstig karakter aan en tastte ook de laatst aangekomenen aan. Geneeskundigen, Apothekers en oppassers snelden toe; ponten met medicijnen en ververschingen werden aangevoerd; doch alles te vergeefsch, het was te laat!
De Phoenix, met welk schip eenige hoornbeesten en ander vee werden aangevoerd, ontscheepte zijne 36 kolonisten op de Plantaadje Mijn Vermaak, een paar uren beneden Voorzorg gelegen; doch ook aan dezen deelde zich de besmettelijke ziekte mede en nam eenige hunner weg. Binnen weinige maanden stierven meer dan de helft der aangekomen kolonisten en onder deze de door de kolonisten geliefde en betreurde bestuurder Ds. Copijn (23 Julij). Zoo stonden de zaken toen van Raders den 15den October 1845 Groningen bereikte. Hij werd aldaar opgewacht door Ds. van den Brandhoff en eenige achter hem geschaarde vermagerde kolonisten, die ter verwelkoming van den Gouverneur een vreugdekreet trachten te slaken, doch uit hunne ontvleeschte borsten slechts een galm konden voortbrengen, onbeschrijfelijk van toon en bedroevend van uitwerking.
Van Raders bezocht de kolonisten in hunne schamele verblijven, waar velen ziek ter neder lagen; hij vreesde voor geene besmetting, maar ging persoonlijk tot hen, sprak hun woorden tot opbeuring en bemoediging toe en overlegde met den Bestuurder hoe verder te handelen.
Het bezoek van den Gouverneur en het van hem komend woord van bemoediging, deed hen zigtbaar goed; de epidemie had haar keerpunt bereikt, ofschoon ze eerst in Januarij 1846 geheel had uitgewoed, nadat zij 189 slagtoffers had gemaakt; en de kolonisten werden met nieuwen moed bezield.
Ds. Brandhoff had bij zijne komst de plaats de vestiging Voorzorg, als zeer ongezond, afgekeurd en liet nu op den tegenovergestelden post Groningen een vijftigtal woningen maken, die ieder f 700.-- dus te zamen f 35,000 kostten. Twee honderd delfnegers en timmerlieden werden hiertoe in het werk gesteld en de kolonisten betrokken achtereenvolgens de woningen en erven. Veldgereedschappen, gevogelte, runderen en ander vee werden aangeschaft; de kolonisten werkten met ijver en toch--veel geld is nutteloos verspild en de kolonisatie aan de Saramacca is mislukt, èn omdat de plaats tot vestiging slecht gekozen was èn omdat het geheele plan niet met behoorlijke kennis van zaken was gevormd en de uitvoering er van daarenboven aan iemand was opgedragen, die hiertoe de noodige landbouwkundige kennis miste: Ds. Brandhoff bleek niet de geschikte persoon te zijn tot bestuur eener dergelijke onderneming.
Van Raders die reeds op Curaçao met ijver getracht had den landbouw aan te moedigen en nieuwe cultures te scheppen, die waren zij onder zijn toezigt voortgezet, welligt belangrijke uitkomsten zouden hebben opgeleverd, achtte het ook zijn pligt om een en ander naar zijn beste vermogen te bevorderen.
Ons bestek laat niet toe in het breede alles te vermelden wat van Raders in deze heeft gedaan en wat hij verder van plan was te doen, zoo hij behoorlijke medewerking van de hooge regering en anderen in plaats van de nu ondervonden tegenwerking had genoten. Wij kunnen slechts een en ander aanstippen.
Van Raders heeft o. a. getracht, om door het aankweeken van Paragras den veeteelt te verbeteren; proeven daartoe genomen voldeden goed, doch vonden geen navolging; hij wenschte den Maïsbouw te bevorderen, waardoor de geringere volksklasse en de slaven een beter voedsel dan banannen konden erlangen, (zie "Eenige woorden ter aanprijzing van den Maïsbouw in de kolonie Suriname"); men bleef echter liever den ouden sleur volgen. Wat betreft proeven om nieuwe cultures, geschikt tot den uitvoer, te scheppen, heeft men hem geen tijd gelaten, of door tegenwerking belemmerd, om te bewijzen, dat zijne plannen op gezonde landbouwkundige beginselen rustten.
In December 1845 vaardigde van Raders eene publicatie uit; waarbij, ter aanmoediging van den invoer van werkvee en geschikte werktuigen voor landelijk bedrijf de invoer daarvan in 1846 werd vrijgesteld, welke termijn na bekomen autorisatie telkens verlengd werd [1296].
Vooral heeft van Raders zich omtrent de kolonie verdienstelijk gemaakt door zijne pogingen tot bestrijding van het algemeen heerschende vooroordeel, dat veldarbeid den vrijen man onteerde.
Dit vooroordeel belemmerend voor den toekomstigen bloei van Suriname, werkte in alle opzigten nadeelig.
Vele gemanumitteerde slaven bevonden zich te Paramaribo; doch moeijelijk kon men hen bewegen veldarbeid te verrigten, daar deze hen in de oogen van anderen vernederde, en--zoo sprak men--met de slaven op eene lijn stelde. Van tijd tot tijd waren door de koloniale regering wel eenige pogingen aangewend, om hen van dit vooroordeel te genezen, doch vruchteloos.
In 1835 hadden zich op den grond Voorzorg aan de Saramacca, daartoe als eene geschikte plaats aangewezen, wel eenige huisgezinnen gevestigd, doch de uitkomsten hadden niet aan de verwachting beantwoord [1297]. Kleine stukken land rondom de stad waren uitgegeven en de arbeid aldaar aangemoedigd [1298]; dit was wel niet geheel onvruchtbaar gebleven, evenwel werkte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, te sterk, om hiervan vele vruchten te kunnen oogsten.
Van Raders zag met helderen blik, dat indien men dit vooroordeel kon overwinnen, niet slechts reeds dadelijk velen werden gebaat; maar dat ook hierdoor in het vervolg, bij eventueele emancipatie en bij latere kolonisatiën, belangrijke voordeelen zouden worden verkregen.
Hij sprak dikwijls met de leden van den Kolonialen Raad en anderen, over de middelen die men zou kunnen aanwenden, om den veldarbeid bij de vrije klasse der bevolking in eere te brengen, waarvan hij meer heil voor Suriname verwachtte, dan van de kolonisatie aan de Saramacca, zoo als die was ingerigt, of van het plan der centralisatie, dat door de hooge regering werd voorgestaan. Niemand geloofde dat hiertoe mogelijkheid bestond. Van Raders liet zich hierdoor echter niet afschrikken; hij hield niettegenstaande dergelijke ontmoedigende mededeelingen, zijn doel steeds voor oogen en zocht door gepaste middelen hetzelve te bereiken.
Eenige vrijwilligers van het garnizoen maakten den tuin, achter het Gouvernementshuis, die in verwaarloosden toestand verkeerde, in orde; een paar dier militairen legden aan de voorzijde een heester-bloemperk aan, en--om door eigen voorbeeld het vooroordeel tegen dergelijk werk door vrijen, weg te nemen--leende de Gouverneur soms de hand tot het planten en pooten. Een moestuin voor de garnizoens-menage, vroeger een door ruigte verwilderd terrein, werd daargesteld. Reeds hoorde men door vrouwen uit de volksklasse aanmerken: »Zie wat die blanken kunnen verrigten! waarom werken onze mannen en broeders niet even zoo als zij?" Dergelijke gezegden waren goede voorteekenen.
Eenigen tijd daarna kwamen twee vrije kleurlingen, timmerlieden, hunnen nood bij den Gouverneur klagen, wegens gebrek aan werk in hun vak. Van Raders bewoog hen in zijn tuin te arbeiden en gaf hun ieder een nieuwen zilveren gulden, toen nog zeer schaarsch in Suriname, tot belooning. Nu vervoegden er zich weldra andere vrijlieden tot den Gouverneur, aan wie hij te kennen gaf, dat hij hun niet in zijn tuin, maar elders wel een zilveren gulden wilde laten verdienen, namelijk met het verleggen der steenbakkersgracht buiten Paramaribo.
Het duurde wel vier à vijf weken vóór zij hiertoe wilde overgaan; eindelijk verklaarde zes vrijlieden genegen te zijn tot het aangeduidde werk. Zij kwamen op den bestemden dag, maar nog schoorvoetend; nog ontbrak hun de zedelijken moed om de spade op te vatten; toen nam de Gouverneur zelf de spade op en ging lustig aan het delven. Dat voorbeeld werkte en weldra werd het ijverig nagevolgd. Nog eenigen tijd--en de bespotting, waarmede het verrigten van delfwerk door vrijen, werd aangezien, was overwonnen. Zoo wel blanken, als vrije kleurlingen en negers, stapten, de schop op den schouder dragende, met zekere fierheid door de straten van Paramaribo. Om die overwinning blijvende te maken, werd een feest verordend zoo als vroeger nimmer in Suriname was gezien.
In de Surinaamsche Courant van 1 September 1846 leest men daaromtrent het volgende:
»Gisteren vierde deze volkplanting den gedenkwaardigsten dag, die immer voor Suriname's burgers is aangebroken; een dag waarop een nieuwe tijdkring, een nieuw leven voor dit gewest is aangevangen.
In den morgenstond kondigde een kanonschot van het fort Zeelandia, den daarzijnden feestdag aan, en wapperden, met zonsopgang, van de ter reede liggende schepen, van de publieke en vele particuliere gebouwen, de Nederlandsche driekleur. Met geestdrift stroomde, van alle kanten, de volksmenigte naar het einde der Steenbakkersgracht, alwaar de plegtige inwijding van het nieuwe kanaal zou plaats vinden. Onder opwekkende muziek, togen de Schutterij en het Garnizoen naar de aangeduide plaats en schaarden zich aan weêrszijde der aangelegde vaart, waarvan de brug met eene eerepoort was voorzien. De hooge Autoriteiten en verschillende genoodigden, benevens de dames, verzamelden zich in eene op het veld keurig ingerigte en met vlaggen, bloemwerk en loof versierde tent, voor welke, aan weêrszijde eerepoorten met toepasselijke opschriften waren geplaatst.
Ongeveer zeven ure, verscheen Zijne Excellentie de Gouverneur met Hoogstdeszelfs gezin, in een rijtuig, voorafgegaan en gevolgd door eene eerewacht te paard, uit aanzienlijke burgers zamengesteld.
Na eene korte poos, begaf zich de Gouverneur, gevolgd door de Autoriteiten en genoodigden met hunne dames, volgens de orde van het programma, onder het spelen der muziek, in optogt naar het afgebakend terrein.
De werklieden, ten getale van honderd en elf, waren in orde in het bed der vaart, in twee rijen verdeeld, naar hunne ploegen geschaard, en verbeidden vol verlangen het oogenblik der plegtige inwijding van hun aangevangen werk."
De Gouverneur hield daarop eene gepaste toespraak.
»Na deze rede werd de Nederlandsche vlag van de seinpaal nedergelaten, en de koninklijke standaard opgeheschen, onder het lossen van een saluut van 21 schoten uit het veldgeschut, terwijl Zijne Excellentie de eerste schop gronds uitgroef, hetwelk gevolgd werd door de verschillende autoriteiten, genoodigden en particulieren, waarna de dames zulks met den troffel verrigtten."
Een der arbeiders bragt vervolgens den Gouverneur de hulde zijner dankbaarheid in treffende bewoordingen toe, en eindigde zijne rede met het aanheffen van den juichtoon:
»Leve de Baron van Raders!" welke uitroep door al de arbeiders met geestdrift herhaald werd.
De Procureur-Generaal de Kanter uitte, in hartelijke bewoordingen den besten heilwensch voor het welgelukken eener proeve, zoo belangrijk voor het welzijn van Suriname en zijne bevolking.
De delvers gingen onder het spelen der muziek, met lust en opgewektheid voort. Een algemeen hurrah, een juichtoon van: Leve de baron van Raders, weergalmde door de lucht. 's Middags hadden volksvermaken plaats; 's avonds werd de tent heerlijk verlicht en de eerepoorten geïllumineerd, terwijl een landelijk bal het volksfeest besloot.
Het voornaamste doel: het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen, weg te nemen, was bereikt.
De hoop om op deze wijze een bevaarbaar kanaal naar Kwatta te delven, aan welks boord ongeveer zestig boeren-huisgezinnen konden gevestigd worden, werd verijdeld, door tegenwerking der hooge regering.
Van Raders had globaal berekend, dat hiertoe jaarlijks f 80,000 zou noodig zijn; hij deelde dit den Minister van Koloniën mede en vroeg om drie maandelijksche toezendingen van f 20,000. De Minister echter keurde het plan af en 25 December 1846 ontving van Raders bevel het werk te staken.
Van Raders hoopte nog den Minister door nadere ontvouwing van het groote nut van zijn plan tot voortzetting er van te bewegen; hij zelf stelde f 5000 beschikbaar en de leden van den Kolonialen Raad te zamen f 7500, om het werk tot nadere beschikking te doen voortgaan. Telkens boden zich nieuwe arbeiders aan; het verrigten van dergelijk werk werd niet langer als vernederend beschouwd; een hoogst schadelijk vooroordeel was overwonnen; Franschen en Engelschen, uit de naburige koloniën Cayenne en Demerary, gewaagden, in periodieke geschriften en officieele rapporten, met hooge ingenomenheid, van de proeve door van Raders met zoo veel merkwaardige bekwaamheid genomen, en stelden zich hiervan veel goeds voor; in de Tweede Kamer werd deze maatregel door den heer van Golstein ter sprake gebragt en beschouwd als aanmoediging te verdienen,--doch de Minister van Koloniën bleef die poging afkeuren en het werk moest voor goed worden gestaakt. Het was echter niet vruchteloos geweest; een goed zaad was uitgestrooid en bragt vruchten voort. De veldarbeid is door van Raders in Suriname meer in eere gebragt.
Eene Maatschappij ter bevordering van den Landbouw onder de vrije bevolking werd in Maart 1847 opgerigt en trachtte den opgewekten lust te bestendigen. Ook zij had met vele moeijelijkheden te kampen. Voornamelijk door het achterwege blijven der geldelijke hulp haar door particulieren toegezegd (de som van f 31,800.-- was voor het eerste jaar ingeschreven en men ontving slechts f 19,100) en door het buitengewoon droog saisoen, [1299] waren de uitkomsten gering; evenwel was ook deze poging ter bevordering van het goede doel niet geheel vruchteloos [1300].
Het gerucht van den door vrije kleurlingen en negers te Paramaribo betoonden lust tot dergelijken arbeid drong tot de boschnegers door, en het gegeven goed voorbeeld vond bij hen navolging; bij verschillende stammen werd lust tot werkzaamheid opgewekt; sommige boden hunne diensten aan, en daarom werd het onvoorwaardelijk verbod om Boschnegers te logeren, in zoo verre gewijzigd, dat ieder die verlangen mogt Boschnegers op zijn erf of grond te ontvangen, daartoe onder eenige bepalingen verlof kon krijgen [1301].
Was van Raders zeer teleurgesteld; hij verloor echter den moed niet, maar voer ijverig voort te doen, wat hij in het belang der kolonie vermogt.
De suikerplantaadje Catharina Sophia, was in 1833 door de Particuliere West-Indische bank ingekocht of overgenomen, in gedeeltelijke betaling van daarop jegens die bank gevestigde schuld, wegens eene aanzienlijke som van geleend geld; de daarnaast gelegen koffijplantaadje Johanna Catharina en de daar tegenover gelegene Mijn Vermaak, waren om dezelfde redenen aan de bank of liever aan het Gouvernement vervallen: na 1845 is de Catharina Sophia meer eigenaardig Gouvernements-plantaadje genoemd.
De suikerplantaadje Catharina Sophia was bij de komst van van Raders in verwaarloosden toestand; een aantal der beste plantaadje slaven, waren gedetacheerd naar Groningen en Voorzorg tot ondersteuning der aldaar gevestigde kolonisten en, tot ongeluk der plantaadje, was in 1844 uit Europa eene gecompliceerde machinerie van Derosne en Cail gezonden, die aldaar, op last van den Minister van Koloniën, moest worden opgezet, doch waarvan, bij de oprigting, door gebrek aan technische kennis verscheidene misslagen waren begaan, waardoor zij volstrekt niet voldeed.
Van Raders trachtte door herbouwing van de reeds afgebroken oude batterij ten minste te zorgen dat er (muscovado) suiker kon worden gemaakt. Hij stelde later den Minister voor, eene eenvoudige, weinig kostende en proefondervindelijke goede machinerie uit Londen te laten komen, waardoor de Gouvernements plantaadje tevens het voorbeeld eener verbetering in de afwerking van het suikersap had kunnen geven, die volgens zijne berekening, de waarde van de jaarlijksch uit Suriname vervoerd wordende 30 millioenen Amsterdamsche ponden suiker een millioen gulden zou hebben doen rijzen; doch de Minister Pahud kon zich met dat denkbeeld niet vereenigen [1302].
De bestuurder der plantaadje, De Niefeld, werd door van Raders ontslagen, ofschoon deze zich hierdoor veel onaangenaamheden berokkende, doch 's lands belang gold bij hem boven persoonlijk. Onder een nieuwen bestuurder (Humpreijs) ging alles beter en in plaats van 3 1/3 okshoofd suiker, vroeger in een langgerekten dag gemaakt, klom dit nu tot 5 okshoofden in 10 uren [1303]. De verkorting van den werktijd baatte in het bijzonder de arme slaven, en van Raders stelde grooten prijs om hun lot te verbeteren. Eene uitdeeling van schoenen, als eene belooning aan de meest oppassende gouvernementsslaven door hem gedaan, werd hem door de administrateurs zeer ten kwade geduid; men maakte allerlei overdreven en verontrustende voorstellingen, wegens dit doen ophouden van »de voornaamste teekenen der slavernij;" en zelfs werd van Raders door den Minister belast hiermede niet verder voort te gaan.
Tegen het, zonder voorkennis van den Gouverneur, sloopen van plantaadjes en doen overbrengen van slavenmagten van de eene op de andere plantaadje werd door van Raders aan eene reeds bestaande Notificatie van 7 September 1819, bij Resolutie van 19 Mei 1847, herinnerd. Dat hij geen geweld gebruikte, om slaven tegen hun zin te verplaatsen, strekt hem tot eere; de meesters waren hierover echter niet te vreden en de minister werd bewerkt, om van Raders aan te schrijven, om meer toegeefelijkheid jegens de eischen der meesters te gebruiken;--ofschoon hierdoor de eischen der billijkheid ten opzigte der slaven niet erkend werden [1304].
Van Raders trachtte de Administrateuren tot eene mildere handelwijze hunner slaven te bewegen en wees hun daarbij op de teekenen der tijden, op de pogingen, die reeds in Nederland werden aangewend tot vrijmaking der slaven; doch hierdoor werd de reactionaire partij zeer verbolgen tegen hem, en zij vond steun bij sommige Amsterdamsche kooplieden, en ook tegen van Raders vormde zich eene cabale.
In Mei 1848 rigtte de tijdelijke Minister van Koloniën, Rijk, zich per circulaire tot de in Nederland gevestigde belanghebbenden bij de kolonie en drong met ernst aan:
1o. Matigheid en zoo veel doenlijk vermijding van ligchamelijke straffen:--beperking van de magt daartoe aan de directeurs en plantaadje-bedienden verleend, en overbrenging van die magt bij bevoegde autoriteiten.
2o. Goede zorg voor de huisvesting der slaven; en naauwkeurig toezigt, dat hunne woningen van behoorlijke waterloozing voorzien en rondom rein en open gehouden worden.
3o. Toereikende voedingsmiddelen van betere qualiteit dan de slaven tot dus ver bekwamen.
4o. Ruimere uitdeeling van kleeding.
5o. Beperking van den duur van verpligten arbeid tot hoogstens 9 uren per etmaal, met bepaling, dat de zondag hun nimmer ontnomen, maar tot hunne Godsdienstige opleiding bestemd wierde.
6o. Betere geneeskundige behandeling der zieken; betere verzorging der zwangere vrouwen en kinderen.--De behandeling der slaven liet veel te wenschen over en Rijk beklaagde zich, dat hoewel hij die verbeteringen reeds bij zijn vertrek uit de kolonie (1842) had aanbevolen, sedert dien tijd nog niets gedaan was. Daarop had in Augustus 1848 eene zamenkomst van de te Paramaribo wonende eigenaren en administrateuren plaats. Men nam aan, de voorgestelde verbeteringen in te voeren en trapsgewijze uit te breiden; men prees des Ministers »wijze en menschkundige bedoelingen;" men hield nog eenige vergaderingen, benoemde eene commissie--en toen bleef alles bij het oude.
Inmenging van particulieren in de behandeling der slaven, werd te Suriname als daad van Majesteitsschennis (de meesters waren immers souvereins over hunne slaven) beschouwd. Groot dan ook was de verontwaardiging der slaveneigenaren en administrateuren, toen de Hoofdvoorstander van de zending der Evangelische broedergemeente in de kolonie Suriname, Otto Tank, bij zijn verblijf in Nederland, in eene circulaire aan de eigenaars en administrateuren in Nederland, eerlijk en openhartig den toestand in Suriname blootlag. Terwijl hij in die circulaire aandrong tot het verleenen van meerdere vrijheid aan de zendelingen, om de slaven het Evangelie te verkondigen, en van hen verzocht zooveel mogelijk de belemmeringen daartegen weg te nemen, waagde hij het eene vergelijking te maken tusschen de Engelsche koloniën en Suriname. »De toestand der Engelsche koloniën in West-Indië", zoo schreef hij o. a. »is volgens de getuigenissen der hooge Overheid, op de plaats zelve ingewonnen, over het geheel genomen gunstig; maatschappelijk geluk en welvaren in verbond met zedelijkheid en kunstvlijt, nemen overal toe in uitgebreidheid en kracht. Dit is mijne eigene ondervinding, en ik zou meenen laakbaar te handelen, Mijne Heeren! wanneer ik mijne overtuiging voor u, gelijk het voor vrije Nederlanders betaamt, niet eerlijk en rondborstig deed kennen. Daarom wil ik ook dit niet terughouden. Terwijl ik Suriname reeds kende, heb ik nu ook de meeste slavenlanden in West-Indië en Noord-Amerika bezocht en naauwkeurig gadegeslagen, met deze uitkomst, dat ik de slaven nergens aan die slechte behandeling heb onderworpen gezien, als in Suriname. Waar ziet men elders de negers naakt en door zweepslagen gewond langs de straten gaan? zelfs niet bij den arbeid zijn de Negerslaven op de Deensche eilanden ongekleed. Waar dan bij ons, moet de Neger straf ondergaan, alleen omdat hij eene klagt heeft ingeleverd; waar wordt hij zoo onmenschelijk gestraft als bij ons? Het naast met ons gelijk, staan de Franschen, en dan volgen de Spanjaarden."
Hadden de zendelingen steeds gezwegen, uit vrees voor vermeerderde tegenwerking, uit vrees dat het lot der arme slaven des te ellendiger zou worden; hadden zij immer den regel gevolgd, zich niet met de, zoo als zij het noemen, »handhaving der plantaadje policie" te bemoeijen, de waardige Tank was van dezen regel afgeweken: hij kon niet langer zwijgen. Maakte de mannelijke taal van Tank indruk in Nederland; in Suriname was men er zeer gebelgd over. Die taal streed zoo geheel tegen hetgeen men steeds den menschen in Holland trachtte diets te maken, namelijk, dat het lot der slaven in Suriname veel gelukkiger was, dan dat van millioenen vrijen in Europa en duizenden in Nederland.
Men moest alzoo trachten: Tank tot een leugenaar te maken.
Drie ingezetenen van Paramaribo Egbert van Emden, H. G. Roux en Frouin trokken zich de zaak aan en riepen de Moravische broeders in Suriname tot verantwoording. Zij stelden den toenmaligen Hoofdvoorstander der zending in Suriname H. T. W. Pfenniger een aantal vragen ter beantwoordiging voor, ten einde de beschuldiging van Tank te wederleggen. Die vragen (59 in getal) goed te beantwoorden, was voor Pfenniger eene zware taak; hij kwam hierdoor in eene moeijelijke positie, want hij mogt de waarheid niet verkrachten, en toch was er, naar de meening der broedergemeente, alles aan gelegen, om de vrije bevolking van Suriname niet tegen zich in te nemen, daar zij den liefde-arbeid der Broedergemeente zoo zeer belemmeren konde. Hij antwoordde meestal ontwijkend en veroordeelde den stap van Tank, om, tegen den door de Broeders aangenomen regel, zich met de uitwendige toestanden en instellingen en met de staatkundige en burgerlijke aangelegenheden van het land, waar zij werkzaam zijn, in te laten, als »een niet genoeg overdachten stap."
Eene brochure werd daarop door genoemde heeren uitgegeven, waardoor zij vermeenden dat de overdrijving van Tank in een helder licht werd gesteld, doch ieder die dezelve onpartijdig en met aandacht leest, zal moeten erkennen, dat ook daaruit blijkt, dat Tank waarheid heeft gesproken [1305].
Tank keerde niet naar Suriname terug, en de Broedergemeente volgde sedert dien tijd nog stipter den gestelden regel van over deze dingen het zwijgen te bewaren. Om niet alles te verliezen moesten zij den slavenhouders veel toegeven; om den armen slaven eenige droppels uit den vollen beker des Evangelies toe te kunnen dienen, getroostten zij zich te zwijgen, waar zwijgen soms zoo moeijelijk viel. Wij veroordeelen die lieve broeders daarom niet, ofschoon, volgens onze overtuiging, spreken meermalen pligt ware geweest. »Al wat openbaar maakt is licht."
Een getuigenis der waarheid als door Otto Tank gedaan kan niet zonder gevolgen blijven. De belangstelling in het lot der slaven vermeerderde. In Mei 1850 schafte van Raders de enorme kosten en lastige formaliteiten bij het manumitteren van slaven af. Voortaan zou voor elke vrijgeving ten behoeve der koloniale kas, aan leges niet meer worden betaald, dan f 12. Ook werd den Gouverneur hierbij vrijheid verleend, tot het vrijstellen van de bij de wet verordende borgtogt [1306]. Eindelijk ook, 6 Februarij 1851, verscheen het koninglijk besluit, waarbij: Reglementen op de behandeling der slaven, en op het onderhoud, den arbeid, de huisvesting en de tucht der slaven in Suriname, werden bekrachtigd, welke reglementen bij publicatie van 6 Mei 1851 in de kolonie werden afgekondigd en alzoo kracht van wet erlangden [1307].
Was reeds in 1828 door van den Bosch de noodzakelijkheid van de wijziging van het slavenreglement van 1784 betoogd; eerst 23 jaren later werd hiertoe overgegaan--en ofschoon werkelijk milder dan het reglement van 1784,--was toch ook dat van 1851: 1o. te streng voor den slaaf; 2o. te toegevend voor mishandelingen; en 3o. ongenoegzaam met opzigt tot de voeding en verdere materiële verzorging.
De invloed van belanghebbenden bij den Surinaamschen landbouw in Nederland gevestigd, en die van Plantaadje bestuurders in Suriname, was hierin niet te miskennen. De bekendwording echter van de slavenreglementen deed velen in Nederland de oogen open gaan omtrent den waren toestand in Suriname, zoo lang kunstiglijk verborgen. Velen in Suriname oordeelden de nieuwe reglementen evenwel nog te mild jegens de slaven, en daar geene speciale ambtenaren ter controlering, volgens het plan van Elias, werden aangesteld, overtrad men meermalen ongestraft derzelver mildste bepalingen.
Omtrent de verpligtingen door de West-Indische bank op zich genomen, en op wier vervulling in 1845, in de Tweede Kamer, zoo sterk was aangedrongen, werd bij Koninglijk besluit van 6 Februarij 1847, bepaald, dat de door de Bank uitgegeven biljetten konden worden ingewisseld tegen schatkistbiljetten, rentende 5 pCt, aflosbaar in Nederlandsche muntspeciën [1308].
Vijftien duizend schatkistbilletten elk van f 100.-- werden achtereenvolgens uitgegeven en uitgeloot [1309]. In September 1849 werden zij tegen Nederlandsche muntspeciën ingewisseld; en bankpapier niet langer als geldige betaling aangenomen dan tot 30 Junij 1850 [1310]. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg had, en waarvan de waarde steeds wisselvallig was, hield dus op langer in Suriname te bestaan.
Meermalen waren uit Suriname klagten opgegaan, dat de handel tot het Moederland en Noord-Amerika was beperkt; die beperking werd thans opgeheven. De mildere begrippen omtrent handel en zeevaart wonnen in Europa veld en werden ook in Nederland gehuldigd.
Den 22sten Maart 1848 werd door van Raders het Koninglijk besluit van 17 December 1847 gepubliceerd, bij welk besluit de handel en vaart op de kolonie Suriname is opengesteld voor alle volken, met welke het koningrijk der Nederlanden in vriendschap leeft [1311]. Den 20sten April werden de regten op den in- en uitvoer nader geregeld. De regten op in- en uitvoer met vreemde schepen bedroegen het dubbelde van dien in Nederlandsche [1312]. Bij nadere bepalingen van 17 Februarij 1849 werden de regten op den uitvoer met vreemde schepen verminderd. [1313] Bij afzonderlijke overeenkomsten werden later de schepen van eenige mogendheden met de Nederlandsche gelijk gesteld [1314].
Aan schepen van vreemde natiën werd dus nu toegang tot Suriname verleend; wel werd hierdoor den handel eenigermate verlevendigd; evenwel waren de voordeelen hiervan niet zoo groot voor de kolonie als men zich had voorgesteld, want daar de meeste eigenaren of hypotheekhouders van Surinaamsche plantaadjes door de kantoren der fondshouders vertegenwoordigd, te Amsterdam wonen, bleef de consignatie meest tot die kantoren bepaald en werden ook steeds de meeste artikelen voor plantaadje-gebruik van daar verzonden.
Den 11den Mei 1849 werd het overlijden van Z. M. Willem den tweede, te Tilburg op den 16den Maart, in het 57ste jaar zijns levens, en de aanvaarding der Regering door Z. K. H. den Prins van Oranje, onder den naam van Willem, den derde, op 21 Maart, bij publicatie bekend gemaakt [1315].
In October 1850 werden de Hoofdgelden voor de vrije bevolking afgeschaft, en door eene belasting op het personeel vervangen [1316]. Vermelding van eenige branden en meer of min belangrijke gebeurtenissen, tijdens het bestuur van van Raders, gaan wij, om niet te uitvoerig te worden, voorbij, maar wij kunnen deze periode niet besluiten, zonder eerst nog een vlugtigen blik op de kolonisatie aan de Saramacca te werpen.
Ds. van Brandhoff had op de nieuw gekozen plaats van vestiging, Groningen, woningen laten maken; terwijl in de andere behoeften der kolonisten zoo goed mogelijk werd voorzien. De arbeiders togen zoodra zij hersteld waren, in het begin van 1846, ijverig aan het werk, en reeds in October 1846, kon de tot hunne hulp gezonden slavenmagt naar huis terugkeeren.
In weerwil van schimp en spot arbeidden zij ijverig aan de ontginning en bebouwing hunner akkers, en moesten daartoe zelfs groote stukken gevallen bosch opruimen, en toen, in October 1846, de slavenmagt vertrokken was, hebben zij het afgebroken werk van deze, bestaande in het verbeteren en voltooijen van wegen, waterleidingen enz., opgevat en voortgezet.
Ds. van den Brandhoff hoopte, dat Groningen spoedig een stad zou worden. De zandige bodem aldaar kwam hem geschikt voor tot de eerste landbouwkundige proeven der kolonisten; deze proeven zouden het terrein ontginnen en in geschikten staat brengen, om later op hetzelve de stad te bouwen, terwijl alsdan aan de boeren, na zich hier aan het klimaat te hebben gewend, en in de kolonialen landbouw naar hunne behoeften, geoefend zijnde, verder uitgebreide gronden konden worden aangewezen. In plaats dat de stad als middelpunt van handelsverkeer, het gevolg zoude zijn van zich gunstig ontwikkelenden landbouw, zou hier de stad het uitgangspunt zijn voor deze ontwikkeling.
Ds. van den Brandhoff liet het terrein door regte breede straten voor de wijken der geprojecteerde stad verdeelen, en langs deze straten de erven voor de boeren uitmeten, zoodat elke boer een stuk grond verkreeg, ongeveer groot genoeg voor zijn aanvankelijke tuinbouw, maar geen voet grond overhield tot weide. Aan dezen aanleg met inbegrip van hetgeen noodig was, om zijn eigen verblijf tot eene fraaije in den Italiaanschen smaak gebouwde en winstgevende villa te maken, is drie vierde der bovengenoemde gehuurde slavenmagt gebezigd geworden. Door het andere een vierde gedeelte is p. m. 40 akkers banannen te Voorzorg aangelegd.
De velden begonnen reeds onder de nijvere handen der kolonisten, een geheel ander aanzien te verkrijgen, doch de langdurige droogte van 1846, bragt den moed der kolonisten op nieuw aan het wankelen en deed aan het welslagen der onderneming wanhopen. Sommige kolonisten keerden naar Nederland terug en de anderen moesten grootendeels hun onderhoud erlangen uit het magazijn van levensmiddelen.
Eindelijk, 25 Maart, vielen de eerste regens; de gronden herkregen hunne vruchtbaarheid, en een ieder der kolonisten was, binnen weinige maanden, in het bezit van een overvloed van aardvruchten en groenten; doch de te verre afstand van Paramaribo belette voordeeligen verkoop derzelven. Stapelproducten werden niet verbouwd. Proeven om nieuwe producten tot den uitvoer te verkrijgen mislukten, niettegenstaande welwillende ondersteuning van de zijde van van Raders.
Men liet de kolonisten nu in daghuur werken, voornamelijk tot den aanleg van breede wegen, en uitgebreid wandelpark, of tot proefnemingen in den tuin van den bestuurder. Ds. van der Brandhoff had het te druk met de administratieve bureau-arbeid, om zich veel met den landbouwende te bemoeijen. Uit zijne kamer of van zijn balkon gaf hij zijne bevelen, en nam zelden de moeite om de werkzaamheden der landbouwers in oogenschouw te nemen.
Bij het daggeld een sober bestaan vindende, zonder eenige hoop zelve onafhankelijke landbouwers te worden, wendden de kolonisten zich tot den bestuurder, om eene verbetering in hun lot te verkrijgen, doch zonder eenig gevolg. Eindelijk bragten zij hunne klagten voor den Minister, en zelfs voor den troon des Konings. Het magazijn van levensmiddelen werd daarop weder voor korten tijd en gedeeltelijk opengesteld. Enkelen maakten daarvan gebruik; anderen verlieten de nederzetting en vestigden zich te Rama, aan de boven Suriname, echter met ongelukkig gevolg.
De kolonisten, die te Groningen waren overgebleven moesten hun bestaan in daggelden zoeken. In 1849 werden zij bezig gehouden, om Voorzorg op nieuw voor eene vestiging van kolonisten in te rigten; doch toen de magt,--die door het aanhoudend vertrek meer en meer verminderd was--voor dit grootsche werk ontoereikend werd bevonden, werden de voor dagloon werkende kolonisten gebezigd voor den aanleg eener weide, op eene ruime schaal en zoodanig, dat zij alleen voordeelen kon geven aan den Bestuurder en zijn adjunct. Bij gemis aan weiland, waardoor het stalvoeder op verren afstand moest worden gehaald, waren reeds eenige kolonisten verpligt geweest, hun vee te verkoopen of te slagten.
Nog werden er van wege het bestuur, met de daghuurders, eenige proeven genomen met het planten van Cacao, die echter weinig voldeden.
Zoo sleepte de kolonisatie nog eenigen tijd haar treurig bestaan voort. Goede raadgevingen, door eenige welgezinden ondersteund, werden in den wind geslagen of stuitten af èn op reglementaire bepalingen èn op het plan, waarnaar de onderneming was aangevangen en door den bestuurder werd voortgezet. Ongeveer 6 1/2 tonde gouds werd verspild, van welke som de kolonisten zelven hoogstens 1/6 hebben genoten.
En toch werd bewezen dat de Nederlandsche landbouwer in Suriname wel werken kan en zijn brood verdienen, zonder schade voor zijne gezondheid. Vijf huisgezinnen besloten zich te Paramaribo te gaan vestigen; zij vertrokken naar die stad, leefden eenigen tijd bekrompen, tot dat van Raders zich hun toestand aantrok; hij liet vijf woningen voor hen bouwen en gaf ieder twee koebeesten ter leen. En deze en later aankomende boeren hebben hun toestand verbeterd en zijn tot betrekkelijke welvaart gekomen [1317].
In 1851 heerschte in Suriname de geele koorts en ten gevolge dezer epidemische ziekte stierven vele personen, o. a. werden verscheidene zendelingen der Broedergemeente (9 broeders, 4 zusters en 1 kind), die nog niet lang in de kolonie vertoefden, door deze ziekte aangetast en ten grave gesleept, waardoor de zending een gevoelig verlies onderging. Ook onder de militairen en het scheepsvolk maakte deze gevaarlijke ziekte vele slagtoffers. In September o. a. overleden de kapitein, benevens eenige matrozen van een Oostenrijks schip de Venezia. Het werd daarop door de twee of drie overblijvende personen verlaten en toen door de onbeheerde Boedelskamer genaderd.
Genoemd schip was bevracht voor rekening der heeren van Heukelom en Vollenhoven, te Amsterdam. De correspondent der bevrachters, de heer P. R. Planteau beproefde om de overgebleven schepelingen van hun voornemen, om dien bodem te verlaten, terug te brengen, doch te vergeefsch; waarna hij het aan het departement der onbeheerde Boedels overgaf.
Het Collegie van Commissarissen van genoemd departement aanvaardde het schip, liet het ontzegelen en inventariseren, en, ingevolge Art. 19 van het Reglement voor het Departement van onbeheerde Boedels, moest, binnen vier weken, bedoeld schip worden verkocht.
Vóór dit collegie hiertoe overging rigtte zij zich per missive tot van Raders, ten einde hem te vragen of hij ook, om mogelijk groot verlies voor de eigenaren te voorkomen, wegens het exceptionele van het geval--met afwijking van het bestaande reglement,--maatregelen wilde nemen tot conservatie van de regten der eigenaren. Ook andere personen gaven aan van Raders den raad, om in dit geval tusschen beide te treden en de bestaande wet niet te laten toepassen, doch van Raders zag hierin zwarigheid en vreesde, dat wanneer hij de werking van bestaande reglementen schorschte, het Gouvernement voor de gevolgen van zoodanige handeling, wanneer zij later soms bevonden werden, nadeelig voor belanghebbenden te hebben gewerkt, verantwoordelijk zou worden gesteld. Hij wendde evenwel pogingen aan, om het schip weder in de handen van den heer Planteau te doen overgaan, en bood hem daartoe de hulp van het Bestuur en ondersteuning met volk aan; die heer weigerde, volgens den raad hem door zijn advocaat gegeven, zich hiermede in te laten.
Van Raders had, bij de kanaalgraving gemeend vrijheid te vinden, om, van het, bij Koninklijk besluit van 14 Mei 1845, bepaalde bij artikel 4, verleende bevoegdheid gebruik te maken, ten einde, zonder vooraf bekomene authorisatie der Hooge regering, eene zaak, die met het welzijn of het nut der kolonie in naauw verband stond, aan te vangen; doch hij ontving daarover van de Hooge regering, bij Ministerieel schrijven eene teregtwijzing. In genoemd Ministerieel schrijven van 14 December 1847, werd aan van Raders de juistheid van het door hem gedane beroep op zijnen ambtseed niet toegegeven: »vermits" zoo schreef de Minister, de door UHEG. bezworene verpligting om den bloei en de welvaart der aan u toevertrouwde bezitting voor te staan en te behartigen, en om alles te doen wat een goed en getrouw Gouverneur schuldig is en behoort te doen; geheel ondergeschikt zijn moet aan eene ongekrenkte naleving van het Regerings-reglement, en van de verdere door of van »wege den Koning gegeven algemeene of bijzondere instructiën of bevelen."
Behalve deze den waardigen Landvoogd zeker grievende, ernstige teregtwijzing, had van Raders 11 Januarij 1849 een schrijven van den Minister ontvangen, om zijn ambtelijk gezag aan te wenden ten einde de bijeentrekking der slavenmagten te bevorderen, en was hem hierbij weder aangezegd, »dat het handelen naar eigene inzigten, zonder zeer overwegende redenen, wanneer die inzigten in strijd zijn met stellige voorschriften van het opperbestuur, niet kan worden toegelaten."
Van Raders met het oog op deze wenken, wilde in eene zaak, die met het welzijn der kolonie in geen verband stond geene discretionaire magt tot stremming van den loop des regts aanwenden; hij liet de zaak hare gewone wettelijke loop en, dientengevolge werd het meergenoemd vaartuig de Venezia binnen den bij de wet bepaalden tijd 24 September 1851 in het openbaar verkocht aan Mr. Barnét Lyon q. q. voor Hart Lyon voor de som van f 5100.
Het was eene eenvoudige zaak, waarbij van Raders volkomen overeenkomstig de wet had gehandeld en toch was deze wettige handeling oorzaak van zijn ontslag. De Oostenrijksche Ambassadeur beklaagde er zich over en eischte schadevergoeding; de Amsterdamsche kooplieden van Heukelom en Vollenhoven deden hetzelfde; de Minister van Koloniën Pahud keurde de handeling af; de Ministerraad vereenigde zich met dit afkeurend oordeel; den Koning werd in overweging gegeven om van Raders een eervol ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname te verleenen, en Z. M. teekende 29 December 1851 het besluit waarbij de Generaal-Majoor R. F. Baron van Raders eervol ontslagen werd [1318].
Van Raders een verdienstelijk Landvoogd, werd aan de diplomatie opgeofferd, of--beter gezegd--aan eene reactionaire partij, zoo in Suriname als in Nederland, wier invloed zich hierbij heftig gelden deed.
Den 1sten Maart 1852 droeg Baron van Raders in eene zitting van den kolonialen Raad, het bestuur over aan Mr. Philippus de Kanter, Procureur-Generaal, die alzoo de derde maal de functie als Gouverneur a. i. aanvaardde. [1319]
In de door van Raders gehouden afscheidsrede kon hij naar waarheid getuigen, dat zijn zesjarig verblijf in de kolonie niet geheel zonder nut was geweest. Feiten spraken. Bij zijne komst in het bestuur was de koloniale kas f 190,000.-- aan de Reserve-kas verschuldigd; bij de aftreding van van Raders lag daarentegen f 80,000.-- ter beschikking; 's Lands plantaadjes en gebouwen en verdere eigendommen, waren in beteren staat dan vroeger; de communicatie in de stad, was door het aanleggen van nieuwe bruggen verbeterd, en de beoefening van den landbouw door de vrije bevolking in eere gebragt. Tijdens het bestuur van van Raders waren ook belangrijke wetten en Reglementen, namens het Opperbestuur, uitgevaardigd. Het papieren geld, dat geen soliede waarborg bezat, was door Nederlandsche muntspeciën vervangen; de handel en vaart, zoo lang tot en van het moederland beperkt, was voor vreemde natiën opengesteld en eindelijk waren de lang toegezegde reglementen op de behandeling der slaven tot stand gekomen.
Van Raders vertoefde nog tot den 8sten April in de kolonie. Hij ontving voor zijn vertrek vele bewijzen van sympathie van de ingezetenen: Een adres dat vele onderteekeningen bevatte, werd hem door eene commissie aangeboden, in dit adres werden zijne, der kolonie bewezen, diensten erkend; een aantal der vrije werklieden bragten hem in persoon hunne hulde toe, en verzochten zijne voorspraak bij Z. M., opdat zij bij vernieuwing in staat mogten worden gesteld om, door eigen arbeid, met eere hun brood te kunnen verdienen; en de Europesche kolonisten, gevestigd aan het kanaal van Kwatta dankten hem, bij een adres, in ongekunstelde taal, voor de hulp hun meermalen zoo edelmoedig verleend.
Van Raders verliet den 8sten April Suriname, en keerde naar Nederland terug.
Aldaar aangekomen heeft hij per memorie aan Z. M. de onbillijkheid van zijn ontslag betoogd. Is Zijner Majesteits regering wel niet op den genomen maatregel terug gekomen, zij heeft echter meermalen bewezen, door het benoemen van van Raders in belangrijke commissiën, dat zijne verdiensten door haar op prijs worden gesteld. Tot het ambteloos leven teruggekeerd geniet de Baron van Raders de achting van allen die hem kennen; ook van hen, die, in sommige opzigten, met hem in beginsel verschillen. Steeds blijft hij belang stellen in den bloei en de welvaart eener kolonie, die een tijdlang aan zijne zorg was toevertrouwd en levert daarvan de onloochenbaarste bewijzen.
De Gouverneur ad interim, de Kanter overleed den 14den Junij 1852, waarop het oudste lid van den Kolonialen Raad C. Barends het tijdelijk bestuur op zich nam [1320].
Vier dagen later arriveerde per schip Cortgene, de nieuw benoemde Gouverneur van Suriname Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf Altenstadt, in de kolonie, welke den 22sten Junij 1852 het bewind aanvaardde [1321].
Overeenkomstig de aangenomene mildere begrippen, omtrent handel en zeevaart, werden zoo als reeds in 1849 (zie bladz. 722) met eenige, thans met vele bevriende natiën tractaten gesloten, waarbij die beginsels gehuldigd werden; [1322] de kustvaart werd aangemoedigd door vermindering van baak-, los- en steigergeld [1323]; de openbare verkoop te Paramaribo der voortbrengselen van plantaadjes en gronden werd gemakkelijker gemaakt door het afschaffen van verscheidene lastige formaliteiten [1324]; de briefwisseling werd nader geregeld en door verlaging van het port bevorderd [1325].
De verandering in het Nederlandsch muntstelsel, waarbij de gouden standaard werd opgeheven en de zilveren aangenomen, werd ook voor West-Indië verbindend gemaakt; terwijl evenwel, om de geldcirculatie te bevorderen, sommige vreemde zilveren munten tegen vastgestelden koers, als wettig betaalmiddel ook bij betalingen in 's lands kassen konden worden gebezigd [1326].
In Nederland was door openlijke behandeling der zaken de toestand van Suriname meer bekend geworden en meer belangstelling in het lot der slaven opgewekt. In de vergaderingen der volksvertegenwoordiging werd meermalen op welsprekende wijze aangetoond dat hierin verandering en verbetering moest komen en meer en meer won de overtuiging veld, dat alleen afschaffing der slavernij werkelijk de gewenschte verbetering kon daarstellen; de Nederlandsche regering erkende mede, dat de slavernij tegen godsdienst en menschelijkheid streedt, en dat hare afschaffing een eisch des tijds en tevens in het belang der kolonie was.
De nieuwe reglementen op de behandeling der slaven waren in velerlei opzigten onvoldoende; treffend werden de leemten er van aangetoond in het bekende werk van van Hoëvell »slaven en vrijen onder de Nederlandsche wet." In dat werk werd een getrouw tafereel geleverd van het leven en lijden der slaven in Suriname; andere geschriften gingen vooraf of volgden; openbare voordragten werden over deze zaak gehouden; de sluijer die zooveel ellende voor het oog der Nederlanders verborg, werd verscheurd, en toch nog gelukte het der reactionaire partij voor een wijle de afdoening dezer groote schuld te vertragen; en de opgewekte belangstelling bij velen in Nederland te doen verminderen.
Werden de nieuwe slavenreglementen met reden in Nederland als onvoldoende geacht, in Suriname daarentegen werden zij door hen, die tot het oud regime behoorden met onwil ontvangen en niet naar behooren nageleefd. Elke latere wijziging in gemelden zin baarde ontevredenheid bij de mannen der reactie; dus ook die welke in Februarij en September 1854 werden gepubliceerd, en waarbij nadere verordeningen omtrent verstrekking van kleeding en voedsel enz. werden vastgesteld [1327].
De overtreding van het verbod omtrent het sloopen van plantaadjes en het vervoeren van slavenmagten naar elders, anders dan na verkregene toestemming van den Gouverneur werd met straf bedreigd [1328]; de premien vroeger gesteld [1329] op den invoer van slaven van de West-Indische eilanden naar Suriname werden ingetrokken, de uitvoer niet langer belast [1330] en alzoo ten minste de handel in slaven niet langer aangemoedigd; omtrent het vervoeren van enkele slaven van de eene naar de andere plantaadje werden ook regelen gesteld en de verpligting opgelegd hiervan vooraf kennis te geven [1331].
Er werden alzoo wel van tijd tot tijd mildere bepalingen omtrent de behandeling der slaven gemaakt, en ook in de kolonie openbaarde zich bij velen een loffelijke zucht om het beheer over slaven meer overeenkomstig de eischen van menschelijkheid te voeren; doch behalve dat het geheele stelsel der slavernij afschuwelijk is en noodzakelijk tot onregtvaardigheid leidt, waren er ook droevige uitzonderingen en vonden ook nu nog slechte behandeling ja mishandelingen van slaven plaats, die de menschheid onteerden.
De landelijke policie, die aan Heemraden en onder dezen aan Burgerofficieren was opgedragen, liet veel te wenschen over, ten opzigte van de bescherming der slaven tegen willekeurige behandeling van de zijde hunner meesters. Niet--zoo als Elias gewenscht had,--aan onzijdige ambtenaren, maar aan Administrateuren en Directeuren was de handhaving der reglementen, de bescherming der slaven opgedragen, en dat deze heeren niet te streng jegens hunne gelijken zouden zijn, kon men reeds à priori voorzien, en leerde verder de ondervinding.
Schmidt auf Altenstadt bezat noch de geestkracht van Elias noch den ijver van van Raders. Zijn ziekelijk ligchaamsgestel belemmerde hem in vele opzigten en eene magtige partij maakte gebruik om invloed te verkrijgen en de zaken naar haar inzigt te bestieren. Hij wilde bezuinigingen invoeren, doch ging hierbij menigmaal op onverstandige wijze te werk, zoo dat besnoeid en bezuinigd werd, waardoor menigeen te kort werd gedaan, terwijl hij een verrotten boel naliet, waarvan de herstellingen het drie dubbele zijner zoogenaamde besparingen heeft gekost.
Den 28sten November 1852 vierde de Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid haar 25-jarig bestaan, in het Kerkgebouw der Hervormde Gemeente.
In eene sierlijke rede werd door den heer J. C. Muller, Az, de geschiedenis der Maatschappij medegedeeld, en haar tegenwoordige toestand geschetst. Orgelspel en feestliederen verhoogden de feestvreugde; een groot getal van belangstellenden en nieuwsgierigen waren opgekomen tot bijwoning van dit feest en vele blijken van belangstelling werden gegeven. En zij verdiende die, want zoowel uit de feestrede, als uit het overzigt van de werkzaamheden, de bemoeijingen en het wedervaren der maatschappij door den Secretaris uitgebragt, blijkt dat haren werkkring hoogst belangrijk was. Zij ondersteunde behoeftigen door hun, bij ziekte genees- en heelkundige hulp te verleenen, doch ze dan verder tot werkzaamheid op te wekken en door het verstrekken van gereedschap enz. in staat te stellen, met eere hun brood te verdienen, en slechts bij uitersten nood meer bepaald te bedeelen. Hare zorg, om de kinderen dier behoeftigen behoorlijk schoolonderwijs te verschaffen, was vooral een uitnemend middel der Maatschappij tot welzijn der arme bevolking, terwijl zij zich ook nog later die kinderen aantrok, door hen, zooveel dit mogelijk ware, in zoodanig ambacht of zoodanige werkzaamheid te doen opleiden, als waartoe zich hunne keuze bepaalden en zij de geschiktheid bezaten. Eene opgerigte spaarbank ging de verspilzucht tegen en werkte zeer gunstig. Het oprigten van een weduwen- en weezenfonds, had om de beperkte middelen achterwege moeten blijven. In 1855 heeft zij ook gepoogd door het uitgeven van een tijdschrift nuttig te zijn. Ons is echter niet gebleken, dat hiervan meer dan een jaargang is verschenen.
De maatschappij had met veel tegenwerking te kampen gehad, doch aan de andere zijde had zij deelname bij velen en ondersteuning van het koloniaal Gouvernement ondervonden. Eenmaal zelfs was haar eene gift van f 100.-- uit naam van Koningin Victoria uit Groot-Brittanje toegezonden. Ruim 71 duizend gulden was door de maatschappij ontvangen en ten nutte der behoeftige bevolking besteed geworden. En nog steeds breidde zich haar werkkring uit en ging zij voort ten nutte der behoeftigen in Suriname te arbeiden.
Werkte deze maatschappij op philantropisch gebied en kan zij op gunstige uitkomsten wijzen, ook de maatschappij ter bevordering van het godsdienstig onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname, die den 4den Julij 1854 haar 25-jarig bestaan vierde, had met zegen gearbeid. Zij was in staat geweest, om den zendingsarbeid der Broedergemeente met de belangrijke som van f 101,828.74 te ondersteunen. Het grootste deel dier geldsom f 80,630 was echter door het moederland bijgedragen; het overige was gedeeltelijk uit contributiën der leden in Suriname en verder uit interessen en vooral ook door subsidiën van het koloniaal Gouvernement bijeengebragt. Het Gouvernement had meermalen van zijne belangstelling bewijs gegeven; maar het getal leden in Suriname was niet zeer aanzienlijk, en bedroeg in 1854 slechts 62.
De Broedergemeente had de aangeboden hulp ten nutte gemaakt en een personeel van 28 broeders en 24 zusters werkten thans met onbezweken trouw op dezen akker; reeds een getal van 163 plantaadjes, kon in zekeren zin als onder hunne leiding staande, worden aangemerkt, 19,419 negers en kleurlingen, als onderwijs genietende beschouwd [1332]. Groote dingen heeft de Heer met kleine krachten gedaan. Zijne kracht wordt steeds in zwakheid volbragt.
De kolonisatie te Groningen aan de Saramacca, ging meer en meer achteruit. Van 1849 tot 1853 verlieten de kolonisten achtereenvolgens het genoemd etablissement. Voor de laatste vijf gezinnen die nog te Groningen waren gebleven, werden in 1853 vijf woningen gebouwd aan den gemeenen landsweg bij Paramaribo. Ook aan hen zijn door Schmidt auf Altenstadt koeijen ter leen gegeven en een voorschot van leeftogt tot December 1853, tot een gezamenlijk bedrag van p. m. f 4000, dus p. m. f 800 voor ieder gezin. In 1854 konden zij reeds in hunne eigene behoeften voorzien, en zij gingen vooruit, daar hun aantal vee, dat bij hunne vestiging 18 stuks bedroeg, in 1855 reeds tot 43 stuks rundvee en 2 ezels was toegenomen. De vijf huisgezinnen, die onder van Raders zich bij Paramaribo hadden gevestigd, bezaten nu reeds 79 stuks hoornvee en twee ezels, en hadden reden om te vreden te zijn. Ook anderen vestigden zich aldaar en hun welvaart nam toe, en dit noopte ook anderen, die nog regts en links omzwierven, zich in de nabijheid der stad neder te zetten [1333].
Dat het climaat van Suriname den Europeschen landbouwer niet belet om, bij behoorlijken levensregel den landbouw te drijven heeft de ondervinding geleerd; terwijl slechts verkeerd genomen voorbereidings-maatregelen, slecht gekozen plaats der vestiging en verkeerd bestuur als de voorname oorzaken van de mislukking der kolonisatie aan de Saramacca moeten worden beschouwd.
In een ander gedeelte der kolonie, namelijk aan de Marowijne, werd door een ondernemend man, zekeren Kappler, eene proef ter kolonisatie genomen.
Aan de Marowijne bestond vroeger de militaire post Armina, en niet ver vandaar, een piket van eenige manschappen, onder het commando van een korporaal, op eene plaats aan den linker Marowijne oever, post Frederik Willem Hendrik geheten. In 1839 werd een jonge Duitscher, August Kappler, commandant van dit piket. Door eene aaneenschakeling van zeer interessante gebeurtenissen en omstandigheden, welke hij ten deele in een werkje [1334] heeft bekend gemaakt, en waarbij hij eene volharding en een geduld aan den dag legde, welke inderdaad bewonderingswaardig zijn, werd deze eenvoudige man de grondlegger van eene Europesche volkplanting, die werkelijk goede vruchten beloofde.
Kappler die later door het koloniaal Gouvernement tot Assistent-posthouder bij de Aucaner Boschnegers werd aangesteld, voor welke betrekking hij f 700.-- ontving, had in die streek 10 akkers land geheel van bosch laten bevrijden. Vroeger bevond zich aldaar een Indiaansch dorp. Nadat dit door deszelfs bewoners was verlaten geworden, nam Kappler daarvan bezit en dreef jaren lang op deze plaats handel met de Boschnegers en Indianen, terwijl hij met gehuurde negers, een kleinen hoek grond tot verkrijging van voedsel bearbeidde.
Door den Wurtembergsche consul te Amsterdam kwam hij in aanraking met het handelshuis Kreglinger en Comp. in genoemde stad, van welk huis hij voortaan zijne waren ontving en met welks chef hij in vertrouwde briefwissel kwam.
De mogelijkheid van een uitgebreider houthandel met de Boschnegers aan de Marowijne werd in Suriname ingezien, en ten gevolge daarvan vestigde zich een jaar na de nederzetting van Kappler, een half uur hooger op, zekere Montecattini. Deze man, een Corsikaan van geboorte, vroeger Directeur eener plantaadje, was reeds sedert lang met de Boschnegers bekend, die voor hem, uithoofde der vele boschpatrouilles, die hij meest met een gelukkig gevolg als burger-officier gemaakt had, [1335] en waarvoor hij van eenige Hollandsche handelshuizen een eeredegen had ontvangen, veel eerbied bezaten. Hij was daarenboven eenigen tijd fungerend posthouder in de Cottica geweest en had zich als zoodanig in zulk eene hooge mate het vertrouwen der boschnegers weten te verwerven, dat het groot-opperhoofd hem tot zijnen specialen vriend koos en beiden tot bevestiging van hunne vriendschap wederkeerig elkanders bloed dronken.
Geheel anders was het met Kappler gesteld, die toen ten tijde nog geen assistent-posthouder was. Hij wist zich in het geheel niet op zulk een voet met de Boschnegers te stellen, dat hij voordeel daaruit trekken kon; hem kenden de Boschnegers van vroeger slechts als "Coprali" (korporaal), wat in hunne oogen niet veel te beteekenen had. Hier zagen zij hem zijnen akker zelf bebouwen, zijn hout splijten en zijn eten zelf koken. Dit gaf hem geheel het aanzien van een »Potti-bakkera" (arme blanke), waarvoor zij weinig eerbied hadden.
Montecattini had buitendien nog het groote voordeel, dat hij, zoo al niet zeer--echter toch meer--bemiddeld was dan Kappler, die niet had, dan hetgeen hij zelf verdiende, en daarvan nog oude schulden in Paramaribo afbetalen moest.
Terwijl dus Montecattini schepen naar de Antilles, met het van de Boschnegers gekochte hout, konde bevrachten, bepaalden Kapplers ondernemingen zich daartoe, dat hij van tijd tot tijd met het grootste levensgevaar eenige blokken cederhout, aan een corjaaltje gebonden, over zee naar Paramaribo of dwars over de Marowijne naar Mana in Fransch Guijana ter verkoop bragt.
Zoo ging het eenige jaren, totdat bij Kappler het plan ontstond om Europesche, voornamelijk Wurtembergsche, houtwerkers naar Suriname te laten overkomen. Daar hem hiertoe echter de middelen ontbraken, deelde hij zijn plan aan den heer Kreglinger mede, die zich niet ongenegen betoonde hem hierin behulpzaam te zijn.
Kappler ging in 1852 naar Europa, sloot een contract met Kreglinger en Co., reisde vervolgens naar Wurtemberg en engageerde aldaar voor de onderneming 19 personen, waaronder 8 mannen en vijf vrouwen, terwijl eene overeenkomst werd getroffen tot een tweede transport voor het volgende jaar, waarvan de zorg aan een jongen houtvester, Bühler, werd opgedragen, die hiermede als assistent van Kappler naar Suriname zou vertrekken.
In de maand Julij 1853 kwam Kappler, die in Wurtemberg gehuwd was, met 19 personen te Albina (naar zijne vrouw aldus genoemd) aan.
De voorbereidingsmaatregelen tot ontvangst der kolonisten, aan zekeren Stein, een vroegeren Directeur, opgedragen, waren nog niet geheel voltooid. Men ging echter met moed woningen bouwen, kostgrond aanleggen, en het schip, dat de Immigranten overvoerde, werd beladen met een voorraad hout, deels door Kappler reeds vroeger van de Boschnegers, deels door Stein gedurende zijne afwezigheid aangekocht.
Alles ging aanvankelijk goed; de arbeiders werkten met ijver en hunne gezondheid was voldoende; doch weldra ontstonden er moeijelijkheden tusschen Kappler en zijne Wurtembergers. Het door hem met de werklieden aangegaan contract, om hun f 1.-- per dag, vrije huisvesting, vrije kost en vrije geneeskundige behandeling te verstrekken, kon niet altijd behoorlijk worden nageleefd. De Wurtembergers klaagden somwijlen onbillijk en Kappler, die een driftig, opvliegend gestel bezat, was niet de man om zulke klagten met bedaardheid aan te hooren.
Schmidt auf Altenstadt bezocht in November 1853 het etablissement en zocht zoowel door zijne tegenwoordigheid als door zijne toespraak en die van den heer Wullshläger, voorstander der Moravische Broedergemeente, de overeenstemming tusschen Kappler en de werklieden te herstellen, waarin hij tamelijk wel slaagde.
Den 23sten April 1854 kwam het tweede transport, uit 19 personen (10 mannen, 4 vrouwen en 5 kinderen) bestaande, onder geleide van Bühler. Nu rezen spoedig nieuwe onaangenaamheden, voornamelijk tusschen Kappler en Bühler, welke laatste een wetenschappelijk gevormd man, maar vol roode socialistische denkbeelden was.
Door tusschenkomst van den Gouverneur werden de verschillen tusschen Kappler en de arbeiders bijgelegd. Bühler werd door den Procureur-Generaal in de stad ontboden en ontving bevel het land te verlaten, doch hij stierf nog vóór zijn vertrek aan de gele koorts, die toenmaals te Paramaribo heerschte.
De gezondheidstoestand bleef voldoende en de geschiktheid tot den arbeid bij de werklieden was bevredigend. Veel was er reeds gedaan, doch het eigenlijk doel, om, met behulp der werklieden, een geregelden houthandel te drijven, werd niet zoo volledig bereikt als Kreglinger en Co. zich hadden voorgesteld. Kreglinger had uitgegeven f 30,000; Kappler had f 7000 bijgedragen en in April 1855 was voor f 21,000 aan hout verzonden. Mislukt kon alzoo deze proeve niet worden genoemd. Kreglinger werd echter ongenegen meer geld in de zaak te steken en de gedurige twisten tusschen Kappler en de werklieden belemmerden den voortgang. Kappler zag ook spoedig in, dat de tegenwoordige onderneming niet aan de verwachting die men daarvan koesterde, zou beantwoorden, daar zij te kostbaar was;--slechts als landbouw drijvende kolonie kon zij den ondernemers de gewenschte winst opleveren. Kappler drong hierop bij Kreglinger aan, doch diens associé was tegen iedere uitbreiding der zaak; men vroeg de hulp van het gouvernement, doch dit sloeg alle geldelijke ondersteuning af. Deze onderneming verloor alzoo hare belangrijkheid.--Op Montecattini's oord waren in 1854 14 Europeanen werkzaam, die allen gezond bleven en aan de verwachting beantwoordden.
Eene Duitsche commissie van vier leden, Prof. P. Duterhofen, J. Schunk, C. F. Noak en Dr. T. Voltz, gingen in 1853 naar Suriname, om aldaar na te gaan en vervolgens het Nederlandsche Gouvernement voor te lichten, in hoeverre dat land voor eene kolonisatie met Duitschers geschikt zou zijn, en welk gedeelte der kolonie zou kunnen worden aangewezen, om, met hoop op een goeden uitslag, eene dergelijke onderneming tot stand te brengen.
Twee harer leden keerden in 1854 naar Europa terug; van de beide overgeblevenen overleed Dr. Voltz in 1855 te Paramaribo en J. Schunck nam in 1855 de terugreis aan. Over het plan werd met de regering onderhandeld, wederzijds voorstellen gedaan, doch de zaak kwam niet tot stand.
Ofschoon door die Commissie geen eigenlijk gezegd verslag is ingezonden, waren echter eenige aanteekeningen, door Dr. Voltz en Prof. Dutterhofer gemaakt, bij het koloniaal archief berustende. Hiervan is door het Indisch Genootschap, na verkregen toestemming van den Minister Rochussen, eene vertaling gemaakt en deze, met belangrijke uitbreidingen, geplaatst in het tijdschrift van genoemd Genootschap, en aan dit zeer belangrijk opstel zijn de voornaamste bijzonderheden omtrent de door Kappler beproefde kolonisatie ontleend [1336].
Schmidt auf Altenstadt, gedrukt door een ziekelijk en melancholisch gestel, verlangde naar rust en vroeg om ontslag uit de betrekking van Gouverneur van Suriname. Hij erlangde dat ontslag eervol en droeg het bestuur der kolonie, den 23sten Augustus 1855, over aan den Generaal-Majoor Titulair Charles Pierre Schimpf, die, door Z. M. tot Gouverneur van Suriname benoemd, het bewind dien dag aanvaardde [1337].
Ten gevolge van het in 1848 voor Suriname aangenomen stelsel van vrijheid van handel werden achtereenvolgens Consuls of Consulaire agenten van bevriende natiën in Suriname aangesteld, en hieromtrent tractaten gesloten. Met Belgie was hiertoe het eerst eene overeenkomst aangegaan [1338]; Frankrijk en Amerika volgden nog in hetzelfde jaar, en later werden verscheidene tractaten omtrent deze aangelegenheid ook met andere natiën gesloten. [1339]
Het inkomen in de rivier Suriname was voor met de kust onbekende zeelieden niet gemakkelijk, want, daar het gat van Braamspunt meermalen digt spoelde en de tonnen soms slecht lagen, voeren de schepen dikwijls, bij nacht of mistig weder, de Suriname voorbij of bleven op de modderbank vastzitten. Door de kapiteins werd bij herhaling op verbetering aangedrongen en eindelijk hieraan gehoor gegeven, door een oud schip tot vuurschip aan te leggen [1340]. Waren--zoo als wij op bladz. 723 aanmerkten--in het eerst de voordeelen van den vrijen handel gering, spoedig veranderde dit. Toen de vrije handel en de vrije vaart in Suriname werden geproclameerd, dreven de behoudsmannen daarmede den spot.--Men waande de kluisters, waarin de Amerikaansche handel was geslagen, onverbreekbaar, en de melassie, het eenige product, dat de Amerikanen, met eenig voordeel konden uitvoeren.--Vreemde schepen (behalve uit de Vereenigde Staten) zouden de kolonie niet komen aandoen, dewijl de voortbrengselen der plantaadjes toch aan de fondshouders in Nederland moesten worden afgescheept. De natuur der zaak, die zich op den duur geen geweld laat aandoen; de omstandigheden, die steeds aan veranderingen en wisselingen onderhevig zijn, bragten een geheel ander resultaat te voorschijn. De Amerikaansche schippers, die het despotisme der administrateurs van plantaadjes en de Amerikaansche kooplieden (die gezamenlijk eene lijn trokken) moede waren, verkozen hunne ladingen niet meer tegen melassie te ruilen, maar voor contant geld te verkoopen, en suiker, cacao of koffij, als retourlading, in te koopen. Hierdoor werd aan het monopolie een grooten slag toegebragt. Onderscheidene kleinhandelaars traden op en kochten de cargas der Amerikaansche schippers, ten spijt der vaste leveranciers van de plantaadjes, en de administrateurs zagen zich verpligt toe te geven, om niet met de melassie te blijven zitten. De hooge prijzen, waarvoor de provisiën aan de plantaadjes werden opgeschreven,--en waarvan de administrateurs 10 procent genoten--daalden verbazend, ten voordeele der effecten, terwijl de melassie in prijs steeg. Daarbij kwam, dat verscheidene plantaadjes, die langen tijd onder sequestratie waren, en, om de ongehoorde voordeelen, die de Amerikaansche kooplieden--in compagnie met de administrateuren,--daarvan trokken, aangehouden werden, nu publiek verkocht en door ingezetenen ingekocht werden. De nieuwe eigenaren, zelf in de kolonie gevestigd, trokken toen partij van den vrijen handel en de vrije vaart; kochten hunne slavenprovisiën goedkoop in en genoten het voordeel van de steeds hooger en hooger stijgende prijzen der producten. Toen begon ook de cacao-teelt (een artikel veel gevraagd door de Amerikanen) toe te nemen, en nu verheugt zich ieder, dat de vrije handelsbeweging bijna al de in Suriname gevestigde eigenaren tot welvarende planters heeft gemaakt. Tonnen gouds aan schulden zijn achtervolgens afbetaald en op de reede van Suriname vertoonen zich thans de vlaggen van vele natiën, die vroeger nooit aan de vaart op Suriname hadden gedacht.--Zijn door vrijen handel reeds dergelijke voordeelen verkregen, hoe veel meerdere zullen er verworven worden, indien, door afschaffing der slavernij, vrije arbeid met vrijen handel hand aan hand gaan, om nieuwe bronnen op te sporen, waardoor volkswelvaart kan worden bevorderd.
Door een inwoner van Suriname, Hart Lyon, werd, na verkregen concessie, eene binnenlandsche stoombootdienst ingerigt, waardoor de communicatie met verscheidene plantaadjes verbeterd en het vertier bevorderd werd.
In 1856 werd eene nieuwe patentwet uitgevaardigd [1341]; verschillende verordeningen tot betere regeling van civiele en strafzaken bij het regtswezen gemaakt [1342]; de werkzaamheden van den Procureur-Generaal verligt door, tot hoofd der policie, onder hem, een provisioneele commissaris aan te stellen [1343]; terwijl tevens, door vermeerdering van het getal der wijkmeesters, als Hulpambtenaren der Policie, een beter toezigt op het onderhoud en de reinheid der wegen, waterleidingen enz. kon plaats vinden [1344]. Ook werd het reglement op het brandwezen gewijzigd [1345]; de burgerlijke geneeskundige dienst nieuw geregeld [1346] en verder verschillende huishoudelijke reglementen en verordeningen gewijzigd of nieuw daargesteld.
De onderscheidene stammen der bevredigde Boschnegers leefden nog steeds op hunne gewone wijze, afgescheiden van de overige bevolking, in Suriname's uitgestrekte wouden. De Moravische broeders hadden reeds meermalen getracht eene zending onder hen te vestigen. Bij den stam der Saramaccaners hadden zij een goed onthaal gevonden en bleef de verkondiging van het Evangelie der genade onder hen niet ongezegend. Het klimaat scheen echter aldaar voor blanken zeer ongezond te zijn en verscheidene broeders en zusters bezweken, als offers hunner Christelijke liefde, op dit arbeidsveld. Toch zou de lieve broedergemeente hiermede zijn voortgegaan, indien niet door meerdere uitbreiding van het zendingswerk op de plantaadjes, dit bij hun gering aantal, onmogelijk ware geworden.
In 1840 was, op aandrang van de kleine gemeente van Boschnegers, op nieuw een zendingspost gevestigd; doch de zendeling, broeder Schmidt, werd in 1843 door den Heer tot zijne eeuwige rust geroepen. Reeds vele vruchten had hij van zijnen arbeid mogen aanschouwen; zijne weduwe bleef nog elf maanden bij de gemeente; andere zendelingen volgden, maar bezweken en in 1854 moest men, hoe noode ook, opgeven om deze post door Europeanen te laten bedienen. Evenwel was het zaad niet te vergeefs uitgestrooid: een deel was in de goede aarde gevallen en de Heer had er wasdom aan verleend. Nog blijft daar eene gemeente bestaan, door zoogenaamde Nationaal-helpers, uit de familie van het opperhoofd Arabi, bediend. Zij schijnt er als een licht in eene duistere plaats en werkt door leer en voorbeeld gunstig op de verdere bevolking.
Het onderling wantrouwen tusschen de Boschnegers en de Europeanen, ofschoon nog niet geheel opgehouden, verminderde; door houtvelling en houthandel kwamen zij van tijd tot tijd in aanraking met de overige bevolking; de vrees, die men, somwijlen zeer overdreven, voor hunne getrouwheid aan de blanken had gekoesterd, verdween meer en meer, en alzoo kon de lastige contrôle en de beperkende bepalingen, om zich van hunne woonplaats te verwijderen en naar Paramaribo te komen, veilig worden opgeheven. Hiertoe werd dan ook besloten en bij resolutie van 26 Augustus kennis gegeven: dat het opperhoofd, op daartoe gedane uitnoodiging, beloofd had met een goed voorbeeld zijne ondergeschikten voor te gaan; terwijl de verdere bevolking verzocht werd, om door hare handeling jegens de Boschnegers hun vertrouwen in te boezemen en de goede bedoelingen van het Gouvernement te bevorderen [1347].
In Nederland was de belangstelling in Suriname en in het bijzonder voor de nog steeds in slavernij verkeerende negers toegenomen. Verscheidene stemmen, zoo in als buiten de Vergadering der Volksvertegenwoordigers, werden in hun belang gehoord. De Nederlandsche regering bleef niet doof voor deze stemmen; zij zelve begeerde den smet, die, door het laten voortduren der slavernij, op de Nederlandsche natie kleefde, uit te wisschen en--bij Koninklijk besluit van 29 November 1853 werd eene staats-commissie benoemd: tot het voorstellen van maatregelen ten aanzien van de slaven in de Nederlandsche bezittingen. Die Commissie hield onderscheidene zittingen, beraadslaagde lang en bragt eerst in 1855 haar eerste rapport uit, en voegde daarbij een plan tot afschaffing der slavernij in Suriname, dat--vrij algemeen afgekeurd--als zeer onpractisch werd beschouwd.
De toenmalige Minister van Koloniën, Mijer, diende in 1857 wetsvoorstellen omtrent deze aangelegenheid aan de Tweede Kamer in, waarbij het plan der staats-commissie wel eenigermate gevolgd, doch hier en daar belangrijk gewijzigd werd. In beide ontwerpen evenwel was het onregtvaardig beginsel opgenomen, dat de slaven de gelden voor hunne vrijmaking, door den staat aan de eigenaren te verleenen, later moesten terug betalen. Dergelijk beginsel kon in de Vergadering der Volksvertegenwoordiging op geen genoegzamen bijval rekenen en vóór de openbare behandeling werd het voorstel van Minister Mijer ingetrokken.
Intusschen had het reglement op de behandeling der slaven van 1851 tot hevige critiek aanleiding gegeven en in de Kamer was zeer aangedrongen om, in afwachting der eventuele Emancipatie, reeds dadelijk enkele bepalingen van het reglement in milden zin te wijzigen. Bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 werden overeenkomstig dezen wensch eenige wijzigingen daargesteld [1348].
Ter zelfden datum werden door den Koning onafhankelijke ambtenaren benoemd, die, onder den titel van Landdrosten, het bestuur over de divisien zouden aanvaarden, toezigt houden op de behoorlijke naleving der slavenreglementen en--alzoo de zich zelven controlerende Heemraden vervangen.
Verder beschouwden de vrienden der slaven als eene aanvankelijke overwinning en zegepraal hunner beginselen: de benoeming van Mr. J. W. Gefken, Secretaris van de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij, tot Procureur-Generaal te Suriname. Zij stelden zich hiervan veel goeds voor.
Velen in Nederland voedden hoop, dat de zoo noodige hervorming in Suriname, de wenschelijke afschaffing der slavernij weldra tot stand zou komen; in Suriname zelve vermeenden zij, wien het heil der kolonie en het lot der onderdrukte slaven ter harte ging, dat voor Suriname weldra een betere dag zou aanbreken; sommigen geloofden reeds aan de kimmen de dageraad van dien zoo vurig gewenschten dag te bespeuren; doch--die hoop werd verijdeld.
In de kolonie zelve vervielen het eerst die gemaakte illusien, daar de naakte werkelijkheid haar verdreven--en in Nederland bleef men nog eene wijle in den zoeten droom, dat nu in Suriname alles beter ging, en dat de afschaffing der slavernij aldaar behoorlijk voorbereid werd, terwijl officieele verslagen berigtten, dat de slavernij er slechts in naam bestond.
Zoo sluimerde men eenigen tijd voort;--daar deden zich schrille kreten van gemartelde slaven hooren; als door den adem des winds werden zij over de groote wateren heêngevoerd en ook in Nederland vernomen, en hier ontwaakten sommige slavenvrienden uit hunnen droom, doch, velen, wien het onaangenaam was aldus uit zoete mijmeringen verstoord en tot vernieuwde krachtsinspanning geroepen te worden, openden wel een weinig de oogen, maar, in plaats van op te springen en zich als één man rondom de standaart des regts en der vrijheid te scharen, en, met wettelijke wapenen, onregt en dwinglandij, in Nederlandschen naam, jegens weerlooze schepselen bedreven, te bestrijden, sluimerden zij spoedig weder in en--vergenoegden zich met de gedachte eenmaal toch iets te hebben gedaan in het belang der slaven. Bovendien--zoo redeneerden sommigen--men bleef immers lid der Nederlandsche maatschappij ter bevordering van de afschaffing der slavernij en was dit niet genoegzaam blijk van voortdurende belangstelling? men had zelfs zijn naam geplaatst op een der adressen aan Z. M. of aan de Tweede Kamer, waarbij op afschaffing der slavernij werd aangedrongen, en wie kon dit telkens doen?--daarbij het werd zoo vervelend, bij herhaling te spreken of te hooren van die negers, die zóó ver af woonden, en dán hunne vrijmaking zou zoo veel geld kosten en men behoefde geld voor zaken in het binnenland, voor werken van algemeen nut: de eerste verschijnselen der spoorwegkoorts begonnen zich te vertoonen.
Terwijl de ijver van velen verflaauwde, werden er echter nog altijd gevonden, die niet aan de eindelijke zegepraal van een beginsel wanhoopten, waarin zij overtuigd zijn, dat kracht ligt, omdat het goed is, en, die, trots alle tegenwerking, ja, zelfs trots alle flaauwheid, voortgaan met de zaak der arme slaven ter harte te nemen, omdat zij weten, dat de Heer aan hunne zijde is en Hij op Zijnen tijd het juk der slaven verbreken zal. Kent de Heer zijn tijd, zij, die op Hem hun vertrouwen stellen, weten, dat het altijd hun tijd is om te doen wat goed en Hem welbehagelijk is.
Toen Schimpf in Suriname aankwam, nog vóór de overneming van het bestuur van Schmidt auf Altenstadt, bij wien hij tijdelijk zijn intrek had genomen, toonde hij belang te stellen in verschillende aangelegenheden, en onderhield zich meermalen met achtingswaardige personen over hetgeen ten goede voor de kolonie zou kunnen strekken. Vooral werd zijne aandacht bepaald bij den toestand der vrijlieden (gemanumitteerde slaven en afstammelingen van dezelven); hun toestand vorderde dringend verbetering en toen Schimpf het bestuur had aanvaard, poogde hij dien toestand te verbeteren, en reeds in hetzelfde jaar (19 December) verscheen er eene publicatie, die hiervan het bewijs leverde.
Bij die publicatie werd, tot bevordering van den kleinen landbouw en ter aanmoediging van arbeidzaamheid onder de minvermogende vrije bevolking, de publicatie van 17 Julij 1846, betreffende de uitgifte van gronden aan den staat behoorende, in zoo verre gewijzigd, dat van de verschuldigde pacht, f 10 per bunder, vrijstelling kon worden verleend, doch waarbij tevens den pachter de verpligting werd opgelegd om, binnen drie maanden na uitgifte van den grond, een aanvang met de bebouwing te maken, daar de grond, bij gebreke daarvan, door het bestuur zou terug genomen worden [1349].
Schimpf wilde meer voor de vrijlieden doen; hij wenschte een soort van Mettray daar te stellen, ten einde aan genoemde vrijlieden gelegenheid te verschaffen, om hunne kinderen eene behoorlijke opvoeding te doen erlangen. Een doelmatig plan daartoe was hem, reeds kort na zijne komst, van eene achtingswaardige zijde voorgesteld. Ware dit opgevolgd, er zou werkelijk eene inrigting tot stand zijn gekomen, die zeer ten nutte van Suriname's bevolking had kunnen strekken; doch het werd niet gevolgd en--het Surinaamsche Mettray op Lustrijk, later daargesteld, werd eene inrigting, die veel geld aan den lande heeft gekost, zonder eenige goede vrucht voor de bevolking op te leveren.
Toonde Schimpf, bij het aanvaarden zijner betrekking, belang in het waarachtig welzijn van Suriname te stellen; bewees hij dit door daden;--had men alzoo gegronde hoop om veel goeds van zijn bestuur te verwachten,--spoedig verdween die hoop, want Schimpf kwam onder den invloed der reactionnaire partij.
Die partij, welke steeds de ontwikkeling van goede en heilrijke beginselen in Suriname heeft tegengehouden, wier nadeelige invloed op de belangen der kolonie zoo onloochenbaar is, wier listige handelwijze wij meermalen hebben aangetoond, trachtte immer de Landvoogden op hare zijde te krijgen. Bij Elias en van Raders was haar dit niet gelukt en--van daar de heftige oppositie tegen die waardige mannen van de zijde dier partij, die niet rustte vóór deze verwijderd waren. Onder het kort bestuur van Schmidt auf Altenstadt, die door een ziekelijk gestel gedrukt, zich niet veel met de zaken had kunnen bemoeijen, was haar invloed toegenomen, en--nu een nieuwe Landvoogd aan het bewind kwam, van wien men reden had te verwachten, dat hij zelf de teugels van het bestuur in de hand zou nemen,--nu werd het der reactionnaire partij van het grootste gewigt, om hem op hunne zijde te verkrijgen--en door hem te heerschen.
Daartoe moesten, in de eerste plaats, de achtingswaardige mannen, die den Landvoogd met goeden raad dienden, uit zijne omgeving worden verwijderd;--men maakte hen verdacht, door ze als republikeinen, heethoofden enz. den Gouverneur voor te stellen, en deze maatregel gelukte. Verder moest men trachten Schimpf, in het belang der partij zooveel mogelijk met de partij te identificeren en in den geest derzelve te doen handelen. Hem werd alzoo telkens voorgehouden, dat zekere fermiteit een voornaam vereischte was om de kolonie te besturen, en dat vooral te veel toegevendheid jegens de slavenbevolking steeds verkeerd was, want dat zij daardoor tot buitensporigheden zou overslaan (allerlei schrikbeelden werden opgehangen!) en dat het noodig was, in het belang der kolonie, het gezag der meesters te handhaven en zich hierbij niet te laten afschrikken door de sentimentele denkbeelden daaromtrent van dwaze philantrophen, die geen verstand van die dingen hadden. Men trachtte Schimpf te beduiden, dat hij, op deze wijze handelende, zich werkelijk verdienstelijk jegens de kolonie zoude maken, en--prikkelde alzoo zijn eerzucht. Schimpf leende het oor aan die vleijers, luisterde niet langer naar goeden raad en de reactionnairen slaagden aanvankelijk in hunne pogingen. Zij veranderden nu, in zekeren zin, hun tactiek, daar zij, die vroeger steeds zoo heftig tegen elke wezenlijke of vermeende magtsaanmatiging der Gouverneurs opkwamen, thans soms daden toejuichten waarbij Schimpf zich werkelijk zekere discretionaire magt aanmatigde;--zij deden alzoo omdat de Gouverneur meer en meer in hunnen geest begon te handelen, en zij alzoo hoop voedden hem geheel tot hun werktuig te maken en door hem te regeren.
Vooral verkreeg een gewezen Israëliet, de heer Egbert van Emden, een grooten invloed op Schimpf. Genoemde heer, die in nog jeugdigen leeftijd uit Amsterdam in Suriname gekomen, in de kolonie zijn fortuin heeft gemaakt en zich door onderscheidene middelen tot de hoogte heeft weten te verheffen, die hij in de Surinaamsche Maatschappij inneemt, kan zekere bekwaamheid niet ontzegd worden; doch die bekwaamheid werd gebezigd ter bevordering van de belangen der zijnen en der reactionnaire partij en strekte alzoo niet tot bevordering van het welzijn der kolonie. De invloed van van Emden op Schimpf werd bijna onbepaald; niet slechts erlangden zijne verwanten en vrienden bij voorkeur winstgevende betrekkingen; maar Schimpf raadpleegde hem in alles en deed bijna niets zonder vooraf het oordeel van van Emden te hebben ingewonnen.
Gedurende het bestuur van Schimpf werden de goede bedoelingen der Nederlandsche regering meermalen verijdeld; want, zoo ze niet in zijnen geest of in die der reactionnaire partij waren, verzette hij er zich tegen met eene stijfhoofdigheid, die menigmaal de plaats van zelfstandigheid inneemt en somtijds ten onregte voor fermiteit wordt aangezien.
Hierdoor ook bleef hetgeen, bij behoorlijk overleg en goede uitvoering, ten zegen der kolonie had kunnen strekken, zonder vrucht, gelijk o. a. de stichting van het Mettray, het lievelingsplan van den Gouverneur.
Dit Mettray werd opgerigt op een kostgrond Lustrijk, aan de Commewijne, vrij ver van de stad, en die, als niet behoorlijk ingepolderd, moerassig en ongezond was. De geheele inrigting was van dien aard, dat de vrijlieden er geen vertrouwen in stelden; er werd dan ook slechts een zeer gering getal kinderen opgenomen. Niettegenstaande van vele zijden op het ondoelmatige van het plan werd gewezen, dreef Schimpf het door en beantwoordde de gemaakte bezwaren met het magtwoord: »zoolang ik Gouverneur van Suriname zal wezen, zal Mettray op Lustrijk blijven, het koste wat het wil."
Hoe de goede bedoelingen der Nederlandsche regering in Suriname verijdeld werden, blijkt o. a. uit de bekende zaak met de Chinesche Immigranten. Door hen, die de afschaffing der slavernij tegenstaan, wordt immer beweerd, dat eene voorafgaande Immigratie noodig zij, en aangedrongen, dat de regering hierin den planter te gemoet kome. Om hieraan eenigermate te voldoen had het Nederlandsch Gouvernement aan den Nederlandschen Consul te Macao belast Chinesche arbeiders voor Suriname aan te werven; hieraan werd voldaan en met 500 Chinezen een contract gesloten om voor een bepaalden tijd en tegen vastgestelde voorwaarden in die kolonie veldarbeid te verrigten.
Dat het geroep om Immigranten meestal slechts als een voorwendsel ter vertraging der Emancipatie wordt gebezigd, werd hier op nieuw duidelijk bewezen. De Chinesche Immigranten werden in April 1858 te Suriname verwacht; in het Gouvernementsblad werd dit bij herhaling bekend gemaakt; doch in plaats dat zich dadelijk vele huurders aanmeldden, kwamen er slechts enkelen en deze nog onder voorbehoud: van voor hen voordeelige conditiën te bedingen.
Schimpf gaf aan die vorderingen toe, waardoor het Gouvernement groote geldelijke schade leed, dat echter niet kon vermeden worden, zoo hetzelve de Immigranten niet alle voor zijne rekening wilde nemen; maar hij ging verder; want, toen de Chinezen in het laatst van April in Suriname aankwamen, werd door hem de bepalingen van het door den Nederlandschen Consul met hen gesloten contract ten voordeele der huurders gewijzigd. En toch nog vonden zij moeijelijk huurders.
De Chinezen, ontevreden over de eigenmagtige wijzigingen en over de behandeling, die zij op de plantaadjes ondervonden, weigerden op enkele plantaadjes te arbeiden en kwamen in verzet, het eerst op de Drie Gebroeders, toebehoorende aan van Emden, den vriend van den Gouverneur. De Chinezen werden zonder vorm van proces, in strijd met de bestaande reglementen [1350], met rietslagen door de policie afgestraft, terwijl die onwettige behandeling later meermalen werd herhaald.
De Nederlandsche regering is op dit feit van onwettige strafoefening [1351] opmerkzaam gemaakt; in de Tweede Kamer is de Minister van Koloniën (Rochussen) er over geïnterpelleerd; doch--gelijk meermalen--heeft de Nederlandsche regering zich tegenover de Surinaamsche reactie zwak betoond. Het door den Nederlandschen Consul met de Chinesche arbeiders gesloten contract is niet krachtig gehandhaafd; men heeft de Chinezen niet in het gelijk gesteld, gelijk regtmatig ware geweest, doch getracht een en ander zoo wat te schikken, te plooijen; vele Immigranten zijn door het Gouvernement in dienst genomen, anderen (op voor het Gouvernement zeer nadeelige voorwaarden) bij sommige planters, en later is de schuld der mislukking dezer proeve van Immigratie geworpen op de Immigranten zelven, die zich niet openlijk in geschrifte kunnen verdedigen, en wie men dus gemakkelijk beschuldigen kan [1352].
Willekeurig werd ook door Schimpf gehandeld omtrent de bij Koninklijk besluit van 1 Julij 1856 benoemde ambtenaren (Landdrosten), die voor eene behoorlijke naleving der reglementen op de behandeling van de slaven moesten waken en aan wie het beheer der divisiën zou worden opgedragen.
In de instructie dier ambtenaren heerschte zekere onbestemdheid, want, door hen ter beschikking van den Gouverneur te stellen, werd de al of niet plaatsing aan den Landvoogd eenigermate overgelaten, en van die onbestemdheid werd in Suriname gebruik gemaakt, om de goede bedoelingen der regering te verijdelen. In Suriname heeft, vooral de reactionnaire partij, bezwaar tegen een onpartijdig en deugdelijk toezigt over de behandeling jegens de slaven, en vooral indien dit zal worden uitgeoefend door mannen, die niet als voorstanders van het oude regime bekend staan. Schimpf handelde dus geheel in den geest dier partij toen hij de naar Suriname gezonden Landdrosten, onder verschillende voorwendsels, niet in functie liet treden. Een geruime tijd hebben deze ambtenaren voor niets tractement genoten; sommigen zijn in andere betrekkingen geplaatst; terwijl anderen, het langer wachten en doorbrengen van hunnen tijd in ledigheid moede, naar Nederland zijn teruggekeerd.
Door verkeerde toepassing kunnen zelfs maatregelen van eene goede strekking geheel de tegenovergestelde uitwerking hebben. Dit was o. a. het geval met een maatregel, die door den heer Mr. Donker Curtius, tijdens hij als waarnemend Procureur-Generaal fungeerde, na eenige proeven, werd voorgesteld en door den Gouverneur aangenomen, en die ten doel had: het afstraffen der slaven met zweepslagen te verminderen. In de daartoe strekkende publicatie van 19 December 1857 werd gezegd, dat: in overweging was genomen, dat sedert eenigen tijd met goed gevolg, in plaats van de gewone straffen van lichamelijke kastijding of opsluiting, aan slaven is opgelegd de straf van opsluiting met of zonder boeijen en dwangarbeid aan publieke werken, volgens beschikking der Policie, en dat daarom de Procureur-Generaal, de Landdrosten van Nickerie en Coronie, eigenaren en administrateuren, welke bevoegd waren aan slaven zekere straffen op te leggen, vrijheid werd verleend dezelve te doen vervangen door de genoemde. Die oprigting van een corps strafwerkers had gunstig kunnen werken, zoo de ligchaamsstraffen hierdoor werkelijk verminderd waren; doch daar het bestuur en de handhaving der tucht soms aan personen werden toevertrouwd, die hiervoor geheel ongeschikt waren, trof het geen doel. Zweep- en stokslagen werden soms op de openbare straat toegediend; het lot der strafwerkers was ellendig, terwijl de arbeid aan 's landswerken in verachting werd gebragt en dus tegen het goede beginsel van van Raders, en dat Schimpf anders zelf voorstond en ook bij de werkzaamheden aan het Saramacca-kanaal wilde bevorderen, gehandeld.
Het valt ligtelijk te begrijpen, dat, waar men aan een Koninklijk besluit, omtrent de plaatsing van Landdrosten eene uitlegging wist te geven en eene leemte in hetzelve wist te benuttigen, waardoor de goede bedoeling er van geheel verijdeld werd; waar maatregelen, zoogenaamd in het belang der slaven genomen, ter verzwaring van hun lot strekten, ook de toepassing der in milden zin gewijzigde slavenreglementen veel te wenschen overliet, en dat willekeur vaak in plaats van regt kwam.
De blik van Schimpf werd zoo beneveld, dat hij, hetgeen toch zoo duidelijk en zoo dagelijks en zelfs in zijne naaste omgeving kon opgemerkt worden, niet meer scheen te zien, en in een officieel verslag aan de regering berigtte, dat: »de slavernij in Suriname slechts in naam bestond." In krijtende tegenspraak met dergelijke officieele berigten was de mededeeling in sommige Nederlandsche dagbladen van feiten van mishandeling den slaven aangedaan, die elk gevoelig hart met deernis voor de ongelukkigen en met afgrijzen voor de daders dier geweldadigheden vervulde. Men trachtte in Suriname de feiten te loochenen, doch te vergeefs. De waarheid kon niet ontkend worden en zelfs in het den 29sten December 1860 aan de Tweede Kamer ingediend regeringsverslag over 1858 werden verscheidene dier feiten bevestigd. Boschpatrouilles werden op nieuw gehouden; weggeloopen slaven ten bloede gegeeseld; wreedheden door slavenmeesters en meesteressen begaan, en--de koloniale regering beschermde den zwakke niet; terwijl men, zoo men acht geeft op de vonnissen door de regterlijke magt tegen enkele meesters gewezen, met grond kan beweren, dat de straf op misbruik van magt voor de meesters meer in naam dan in werkelijkheid bestond [1353]. Ook de hoop, die de slavenvrienden op de komst van den Procureur-Generaal Gefken hadden gevestigd, werd grootendeels verijdeld, daar hem, ofschoon hij welgezind was en het goede voorstond zoo veel hij vermogt, meestal de kracht en magt ontbrak om werkelijk verbetering in het lot der slaven te brengen. Op velerlei wijzen werden zijne pogingen daartoe verijdeld, zijne kracht verlamd en--ook hij bleef niet geheel vrij van den invloed dier partij, welke Schimpf zoo geheel beheerschte.
Tijdens het bestuur van Schimpf werden er ook malversatiën in publieke kassen ontdekt, als: in de kas van den Weesmeester en Curator Lionarons en van den Inspecteur der Domeinen, van de nijverheid en den landbouw, tevens Commissaris en Secretaris der opgeheven particuliere West-Indische bank, A. Wildeboer. Tegen den eerstgenoemde was Schimpf meermalen gewaarschuwd, doch hij had deze waarschuwingen niet geacht voor dat het te laat was. Toen de malversatie werd ontdekt heeft de schuldige zich zelven van het leven beroofd; Wildeboer onttrok zich door de vlugt aan geregtelijke vervolging.
Verscheidene belangrijke bouwwerken zijn onder het bestuur van Schimpf daargesteld; doch liet Schmidt auf Altenstadt, uit te vergedreven zuinigheid, veel verwaarloozen, Schimpf daarentegen, zeer bouwlustig zijnde, nam niet altijd den niet gunstigen staat der koloniale kas in acht; verscheidene 's Landswerken hadden zonder eenig bezwaar achterwege kunnen blijven; andere hadden veel minder behoeven te kosten. De oprigting eener steenfabriek en kalkbranderij voor rekening van het Gouvernement was eene proeve, die als mislukt kon worden beschouwd; belangrijke sommen zijn daaraan ten koste gelegd, zonder aan de verwachting te beantwoorden. Het ontbrak den Gouverneur ook hierbij aan geen goeden raad door deskundigen gegeven, doch hij luisterde daar niet naar, en alzoo werden de gewenschte uitkomsten niet verkregen.
Uit een en ander is genoegzaam op te merken, dat de toestand van Suriname gedurende het bewind van Schimpf niet vooruitging, en toch, toen hij in 1858 zijn voornemen te kennen gaf om de teugels van het bestuur neder te leggen en om zijn ontslag verzocht, werden in Suriname pogingen aangewend om hem daarvan te doen afzien. Schimpf gaf als reden van zijn gevraagd ontslag, zijn geschokten gezondheidstoestand op en dat hij buitendien zich met de inzigten van den Minister van Koloniën (Rochussen) niet kon vereenigen.
Wel had die Minister in de Kamers der Volksvertegenwoordigers den Gouverneur van Suriname geprezen, toen lof zeker misplaatst was, doch Schimpf schijnt volkomen instemming met zijne beginselen te hebben verwacht, en uit de in 1858 door den Minister ingediende wetsvoorstellen, tot afschaffing der slavernij en misschien ook wel uit niet openbaar bekende aanschrijvingen, was het tegendeel gebleken, De reactionnaire partij wenschte Schimpf te behouden en trachtte hem door adressen te bewegen zijn ingediend verzoek om ontslag in te trekken; terwijl tevens een adres door haar aan Z. M. werd toegezonden, met verzoek, om het door den Gouverneur gevraagd ontslag niet in te willigen.
Door den invloed der reactionnaire partij, die daartoe onderscheidene middelen aanwendde [1354], werden deze adressen door verscheidene personen onderteekend, doch het baatte niet. Schimpf gevoelde dat zijn toestand onhoudbaar was, hij bleef op zijn ontslag aandringen en het werd hem verleend.
Tot zijn opvolger werd benoemd Reinhart Frans van Lansberge, tot dusver Gouverneur van Curaçao en onderhoorigheden, die in Augustus 1859 in Suriname kwam en den 11den dier maand het bestuur van Schimpf overnam [1355].
Bij de komst van den nieuwen Gouverneur vleiden zich velen, dat hij de zoo noodzakelijke hervormingen in Suriname met kracht zou bevorderen; zich het lot der slaven met ijver aantrekken; zijne ooren sluiten voor de inblazingen der reactionnaire partij en werkelijk een Landvoogd zijn, waarop Suriname trots kon wezen.
Van Lansberge schijnt die in hem gestelde verwachtingen niet te beschamen, en, terwijl hij waardigheid en minzaamheid in zich vereenigt, dragen zijne handelingen blijk, dat hij het goede voor Suriname wenscht en ook het lot der slaven wil verbeteren. Thans zijn sedert twee jaren verloopen en--ofschoon wij de goede bedoelingen van van Lansberge gaarne willen erkennen en hem de eer geven van werkelijk in vele opzigten te toonen, dat hij het heil der aan zijne zorgen toevertrouwde kolonie wil behartigen, gelooven wij echter, dat men van het bestuur van van Lansberge niet al te veel verwachten moet; want gebreken van den ouderdom beletten hem meermalen met die geestkracht te handelen, welke voor een Gouverneur van Suriname zoo onontbeerlijk is; hij moet te veel aan anderen overlaten, en dat hiervan door sommigen misbruik wordt gemaakt, is, indien men met den toestand in Suriname eenigermate bekend is, niet te verwonderen.
Te veel blijft in Suriname alles bij het oude, en toch is er aan verandering en verbetering groote behoefte.
Het Surinaamsch Mettray op Lustrijk werd eenigen tijd na het vertrek van Schimpf opgeheven.
In Februarij 1860 werd in eene Buitengewone Algemeene Vergadering besloten Lustrijk, waar het Mettray gevestigd was, te verkoopen en die inrigting te verplaatsen in de nabijheid van Paramaribo, overeenkomstig 's volks verlangen. Aan dit eerste is gevolg gegeven, doch aan het tweede heeft men nog niet kunnen voldoen. Sedert zijn pogingen aangewend om met medewerking van het Gouvernement de Volksscholen te vermeerderen en uit te breiden, waarvan de resultaten nog niet bekend zijn.
Meermalen was het gebrekkige der Surinaamsche wetgeving gebleken, en den 30sten September 1852 was bij Koninklijk besluit eene staats-commissie ingesteld, om deze zaak te onderzoeken en voorstellen te doen tot invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische koloniën, zooveel mogelijk in overeenstemming met die van het moederland. Zeven jaren later werd de regering overtuigd, dat die invoering, in het belang der koloniën, ten spoedigste gevorderd werd; en bij Koninklijk besluit van 28 December 1859 werd Mr. L. Metman, Lid dier genoemde staats-commissie, benoemd tot Commissaris speciaal, belast met alles wat betrekking had tot de invoering eener nieuwe wetgeving in de West-Indische koloniën, en hem als Secretaris toegevoegd Mr. H. M. van Andel, Advocaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden.
Aan de Gouverneurs van Suriname en Curaçao werd opgedragen om, op voordragt en in overleg met genoemden Commissaris, die wetgeving voorloopig in te voeren, onder voorbehoud van 's Konings nadere goedkeuring [1356].
Metman en zijnen Secretaris van Andel kwamen den 26sten April 1860 te Suriname aan; Metman beijverde zich van den hem opgedragen last te kwijten; doch hij vermogt zijn arbeid niet ten einde te brengen, daar hij reeds den 5den October 1860 overleed. Zijn overlijden schokte veler gemoederen en vervulde menig hart met diepe droefheid. In den korten tijd, dien hij in Suriname doorbragt, had hij veler achting verworven; eene onafzienbare schare volgde dan ook den lijkstoet toen zijn stoffelijk overblijfsel in de groeve der verteering werd nedergelaten,
Weder werd dus deze zaak vertraagd; bij Koninklijk besluit van 2 December 1860 werd de voortzetting van de, ten gevolge van het overlijden van Metman, gestaakte werkzaamheden betreffende de gemelde wetgeving opgedragen aan de Commissie, vroeger reeds den heer Metman tot voorlichting toegevoegd, onder presidium van den Procureur-Generaal Gefken. Die arbeid is nog niet voltooid, doch nu zal na deszelfs voltooijing de nieuwe wetgeving niet dadelijk worden ingevoerd, maar vooraf aan Z. M. ter bekrachtiging worden gezonden.
In de laatste dagen van Augustus (1860) maakte de Gouverneur, met den heer Metman en eenige andere heeren, eene reis naar de Marowijne, waaromtrent in de Surinaamsche Courant belangrijke bijzonderheden worden medegedeeld.
Men bezocht de Fransche straf-etablissementen aan de overzijde der Marowijne gelegen, en werd door de Fransche autoriteiten met veel beleefdheid ontvangen. Door den Gouverneur en bijhebbend gezelschap werd ook het etablissement Albina bezocht. Na het ophouden van de houtvelling aldaar heeft Kappler eenige landbouwkundige proeven gedaan en zich voornamelijk op de veeteelt toegelegd; welke laatste, door relatiën met zijne Fransche naburen, niet onaanzienlijk waren. De vroeger aldaar gevestigde Wurtemburgers zijn hier en daar in de kolonie verspreid; sommigen hebben zich naar Demerary begeven [1357]. Een Indiaansch kamp, ongeveer een uur boven Albina gelegen, hetwelk onder het Caraïbisch opperhoofd, Petrie, staat, werd mede aangedaan. Eenige geschenken, daartoe van Paramaribo medegenomen, werden aan die Indianen, die zich verdienstelijk hadden gemaakt, uitgedeeld.
Het Groot Opperhoofd der Aucaner Boschnegers, Byman, bragt met eenige andere kapiteins den Landvoogd een bezoek. De Aucaners oefenen tevens een soort van gezag uit over de Bonni-negers, afstammelingen van Marrons, die, onder hun opperhoofd Bonni, zoo lang voor hunne vrijheid tegen de blanken hebben gestreden, en van welken strijd wij in onze geschiedenis meermalen melding hebben gemaakt. De Aucaners grondden dit gezag op vroegere den blanken tegen de Bonni-negers bewezen diensten en wilden ook hen beletten, die aan de overzijde der Marowijne woonden, met de Fransche onderdanen in aanraking te komen.
Hierover is door den Gouverneur en een der Fransche autoriteiten met het Groot-Opperhoofd en bijhebbende kapiteins gesproken, waarbij werd aangetoond, dat dit gezag onwettig of ten minste verjaard was; tevens werd bepaald, dat later eene commissie zou worden gezonden, om deze zaak af te doen. Die commissie vertrok daartoe in November 1860.
In het eerst had men eenige moeite den Aucaner hoofdman te bewegen aan den eisch van het Gouvernement toe te geven. Toen de provisioneele Inspecteur der Domeinen, van de Nijverheid en den Landbouw, tevens belast met het toezigt over de verschillende Boschnegerstammen, mededeeling deed van het doel zijner zending, stond Byman op en gaf in bewoordingen, die niet altijd even kiesch waren en nu en dan zelfs gepaard gingen met bedreiging, te kennen: »dat het Nederlandsch Gouvernement het regt niet had om de Bonni-negers, die--èn omdat zij door zijne voorzaten in de met hen gevoerde oorlogen waren ten onder gebragt en sedert door de Aucaners in het belang der kolonie in toom waren gehouden, èn, ten gevolge van de met hen gesloten vredestractaten, slaven zijn van de Aucaners--vrij te geven; dat, indien het Nederlandsch Gouvernement slaven wenscht vrij te geven, dat het dan met zijne EIGENE SLAVEN een begin moest maken."--Deze rede, te lang om in deszelfs geheel hier te worden wedergegeven, besloot hij met de verklaring: »dat hij en de zijnen in de vrijverklaring der Bonni-negers niet zullen toestemmen en liever het leven verliezen willen, dan dat te gedoogen;" tevens de betuiging doende: »dat de Aucaners nog magt genoeg bezitten om de blanken te benadeelen; dat de Hollanders, uit vrees voor de Franschen, in de zaak der Bonni-negers hadden toegegeven en hij en de zijnen zich dus maar aan het Fransch Gouvernement zouden onderwerpen [1358]."
Na eenige over- en wedersprekingen werden de zaken echter tot genoegen van partijen geschikt, waarna de Commissarissen en twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich naar het dorp der Bonni-negers begaven, om aldaar alles nader te regelen.
Te negen ure des voormiddags van den 18den November (1860) waren de gezagvoerders der verschillende dorpen rondom het Groot-Opperhoofd, in het raadhuis (eene groote opene hut) vergaderd. Rondom de hut waren toeschouwers van beider kunne en van elken leeftijd geschaard, om getuige te zijn van de blijde boodschap, die haar zou worden verkondigd.
De Commissie, in costuum en uniform als bij de groote vergadering in Auca (10 November), binnengetreden zijnde, plaatste zich naast het Groot-Opperhoofd, terwijl de twee afgevaardigde Aucaner-kapiteins zich nevens haar nederzetten. Eene diepe stilte en een gewenscht decorum heerschten onder de verzamelde menigte. De heer E. J. Slengarde, belast met het Commissariaat der Inlandsche bevolking, rigtte het woord tot de vergadering; schetste in korte en duidelijke bewoordingen het doel waarmede de Commissie in haar midden was verschenen, en schilderde het groote voorregt af, dat den Bonni-negers is te beurt gevallen, om vrij en onafhankelijk verklaard te zijn van de Aucaners, met kwijtschelding, door het Nederlandsch Gouvernement, van de gevolgen ter zake van al het voorgevallene met hunne voorzaten.
Daarna werd de acte van amnestie en ontheffing van alle contrôle zijdens de Aucaners, en gelijkstelling met alle andere Boschnegers, waarmede het Gouvernement overeenkomsten heeft gesloten, vervolgens, in triplo, door de Commissie, het Groot Opperhoofd, den gezagvoerder der verschillende dorpen en de beide afgevaardigde Aucanen-kapiteins onderteekend, en daarvan een afschrift van het laatste tractaat (zie blz. 743) in eene blikken bus aan het Groot Opperhoofd overhandigd, met gelukwenschingen, zoo aan hem als zijnen onderhoorigen, wegens de hun geschonken vrijheid.
De vreugde der Bonni-negers kende toen geene grenzen; oud en jong wierpen zich ter neder, namen met den mond aarde op en legden ze op de voeten van de leden der Commissie, die daarna door hen, onder het galmen van vreugdekreten en het lossen van eereschoten, het dorp werden rondgedragen [1359].
Met de mededeeling van de blijdschap dier negers sluiten wij de geschiedenis van Suriname. Wij hadden zoo gaarne gewenscht deze geschiedenis te kunnen besluiten met de vermelding van het afkondigen eener goede wet omtrent de afschaffing der slavernij. Wij hadden zoo gaarne willen eindigen met de mededeeling: »En Nederland heeft eindelijk den smet der slavernij uit haar midden weggedaan; de vloek der slavernij in Nederlandsche bezittingen is opgeheven; groot was de blijdschap der vrijgemaakte negerbevolking toen zij deze tijding vernam; in kinderlijke vreugde vierde zij feest over de verbreking van die zwaar knellende banden, en vele lof en dankpsalmen stegen omhoog om den Heer der Heeren voor hare bevrijding te danken; de naam van onzen geëerbiedigden Koning werd zegenend door haar in de gebeden herdacht en het »leve de Koning! heil voor Willem den derde! Oranje boven!" werd in de stad gejubeld en van plantaadje tot plantaadje blijde herhaald; Suriname gaat nu eene betere toekomst te gemoet."
Wij hadden zoo gaarne gewenscht alzóó te mogen eindigen; maar--het is ons niet vergund. Wel zijn door den afgetreden Minister Rochussen achtervolgens drie ontwerpen van wet ingediend, doch geen derzelve is tot wet verheven; nog onteert het behoud der slavernij den Nederlandschen naam; nog worden in Nederlandsch koloniën menschen van gelijke bewegingen als wij, gelijk de runderen des velds, gekocht en verkocht; nog wordt onder Nederlandsch bestuur het eerlijk huwelijk voor duizende natuurgenooten onmogelijk gemaakt; nog worden in Nederlandsche koloniën dikwerf de teederste banden des bloeds als niet bestaande geacht; nog worden aldaar mannen en vrouwen met snerpende geeselslagen, naar den luim huns meesters, gekastijd; nog wordt de ontwikkeling van Suriname tegengehouden; doch--wanhopen wij daarom? Neen, ganschelijk niet. Onze hope en verwachting is in de eerste plaats op den Heer, die de smeekingen der verdrukten hoort en verhoort; ten andere, onze Koning, een Willem van Oranje, heeft reeds meer dan eens betuigd, dat hij de afschaffing der slavernij wil en ook zijn nieuw gekozen Raadsman, de Minister van Koloniën Loudon, heeft in de Kamer der Volksvertegenwoordigers verklaard, dat hij ernstig bezig is met de zamenstelling van een nieuw ontwerp betreffende deze zaak. Wij verwachten dat de Nederlandsche regering en de volksvertegenwoordigers de handen zullen in een slaan om de afschaffing der slavernij, eene daad van regtvaardigheid, waarover zelfs in den hemel vreugde zal zijn, spoedig tot stand te brengen.
Volgens onze belofte, in de inleiding van dit werk, willen wij nog eens een blik om ons heên slaan in den tegenwoordigen toestand van Suriname. Wij vestigen dien dan het eerst op de oude oorspronkelijke bewoners van Suriname's ondoordringbare wouden, de Indianen. Wij zagen de heeren der ruwe, maar schoone schepping van Guyana, die kinderen der natuur, in talrijke scharen ronddolen, zich met jagt en vischvangst generen, hier en daar hunne eenvoudige hutten opslaan [1360]; straks, in die levenswijze gestoord door de komst der Europeanen, vruchteloos zich hiertegen verzetten, en daarna meer en meer in de ontoegankelijke wouden teruggedreven. Wel hebben de vrome Hernhutters hen daar opgezocht, om hun het Woord des levens te verkondigen, en was zelfs eenigen tijd bij hen ook eene bloeijende zending gevestigd. In den negeropstand en de daardoor ontstane verwikkelingen werd het voornaamste zendingstation verwoest, en zijn de Hernhutters door verschillende omstandigheden genoopt geworden de zending onder de Indianen op te geven.
Sedert dien tijd dolen de oorspronkelijke bewoners des lands om en komen weinig in aanraking met de Europeanen. Hun aantal neemt gestadig af en kan niet met eenige zekerheid worden opgegeven; hunne hartstogt tot sterken drank, hunne gebrekkige voeding, het gemis aan geneeskundige hulp en verpleging en hunne uiterst gebrekkige huisvesting zijn voorname oorzaken dier steeds toenemende vermindering.
De Indianen zijn achterlijk in beschaving en hebben zeer weinig begrip van godsdienst. Als eene merkwaardige bijzonderheid mag dus hier worden vermeld, dat eenigen hunner, behoorende tot de stam der Arowakken, die op de plantaadje Killenstein voor dagloon werkzaam zijn geweest, door de Roomsch-Catholieke priesters gedoopt zijn [1361].
Wanneer door de afschaffing der slavernij een andere toestand wordt geboren, waardoor het onderling verkeer tusschen de verschillende gedeelten der bevolking van Suriname zal worden bevorderd, is het te wenschen, dat ook de Indianen in het genot der beschaving zullen deelen, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst.
Moge het Evangelie der genade hun op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus eene zoodanige zijn, dat die arme onkundige Heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden!
De Boschnegers, de afstammelingen van hen, bij wie wij ons in de geschiedenis dikwerf hebben bepaald, van wie wij--zij het dan ook in ruwen vorm--edele daden hadden te vermelden, toen zij met de wapenen in de hand hunne vrijheid verwierven en die sedert behielden, leven nog steeds afgezonderd van de overige bevolking der kolonie.
Hun getal bedraagt, bij benadering, tusschen de zeven en acht duizend; zij zijn in drie stammen verdeeld, als: Aucaners ruim 3000; Saramaccaners ruim 4000 en Becoe- of Musinga- of Maturie-negers ruim 300 personen. De Aucaners wonen aan de oevers der Marowijne, de Saramaccaners aan de oevers der Boven-Suriname en de Becoe- of Musinga-negers aan die der Boven-Saramacca. Nu laatstelijk is ook (zie bladz. 759) een verdrag gesloten met de Bonni-negers, die den linkeroever der Marowijne bewonen; zij zijn uitgenoodigd om zich meer in het bewoonde gedeelte der kolonie neder te zetten.
De Boschnegers wonen in afzonderlijke dorpen, boven de watervallen gelegen. Uithoofde der vele klippen en ondiepten, die slechts bij eenige Indianen en bij henzelve bekend zijn, is het moeijelijk hunne verblijfplaatsen te genaken. Eene reis van Paramaribo tot daar duurt verscheidene dagen, en kan niet zonder hunne hulp worden volbragt. In het regensaizoen is de vaart stroom opwaarts moeijelijk ten gevolge van den geweldigen stroom, en in den droogen tijd is zij gevaarlijk door de vele klippen, slechts door eenige duimen water bedekt. In elk der dorpen oefent een kapitein eenigermate het gezag uit; doch over elk der stammen regeert een groot opperhoofd, bij hen Graman (Gouverneur) genoemd.
Twee posthouders en twee correspondenten zijn, van wege het koloniaal Gouvernement, bij hen aangesteld. In plaats van de gewone geschenken, die hun vroeger door het Gouvernement, volgens verdrag, werden gezonden, ontvangen thans de drie Groot-Opperhoofden toelagen, en worden er slechts zeldzaam en, in geringe hoeveelheid, partieele geschenken gegeven [1362].
Wel maken de Saramaccaners de talrijkste der drie stammen uit, doch de Aucaners, die door een langer verkeer en handel meer met het beschaafdere gedeelte der kolonie in aanraking zijn gekomen, staan als aan het hoofd der Boschnegers en worden door de andere stammen als hunne meerderen beschouwd. Naar de raadgevingen der Aucaners wordt gretig door de andere geluisterd, en hun voorbeeld meermalen blindelings gevolgd; hetgeen men vooral kan opmerken bij hunne aankoopen te Paramaribo; wat een Aucaner koopt wenscht ook een Saramaccaner of Becoe-neger te bezitten.
De beschaving der Boschnegers is nog zeer gering; als de minst beschaafde onder hen worden de Becoe- of Musinga-negers gerekend. Wel is in den laatsten tijd eenige meerdere toenadering zigtbaar tusschen de Boschnegers en de overige bevolking, doch het wantrouwen van de zijde der Boschnegers tegen de Blanken is nog niet genoegzaam geweken, om die toenadering meer volkomen te doen zijn.
In het algemeen leven de Boschnegers in eene droevige onkunde omtrent de waarheden en vertroostingen der godsdienst. Alleen bij de Saramaccaners is eene zending der Broedergemeente gevestigd geweest, welke zending niet ongezegend was en waarvan nog vruchten gezien worden. De Aucaners, die de blanken wantrouwden, betoonden zich steeds ongenegen om een zendeling te ontvangen. Volgens berigt van den meermalen genoemden en in hun midden gevestigden Kappler begint die afkeerigheid echter te wijken--en er wordt ook reeds over gedacht, om ook hun het woord des levens te verkondigen. Door den stam der Becoe- of Musinga-negers zijn in 1858 eenige jongens en meisjes afgestaan, om eene behoorlijke opvoeding te erlangen [1363], en ook door hen wordt Christelijk onderwijs begeerd. Reeds hebben eenige lieden van dezen stam onderwijs van de Hernhutters ontvangen; reeds is een geschikt gebouw door hen opgerigt, waar nationaal-helpers de Schrift lezen en in gebed en gezang voorgaan, en waar verscheidene negers opkomen, om te hooren van de groote dingen Gods.
Met genoegen wijzen wij op die enkele lichtpunten, doch wij zijn ook overtuigd, dat eerst na afschaffing der slavernij met eenige gegronde hoop op goeden uitslag onder de Boschnegers kan worden gearbeid. Dan zal het wantrouwen, dat zij nog steeds den blanken toedragen, meer en meer ophouden; de Boschnegers zullen zich meer in dadelijke betrekking met de overige bevolking stellen; zij zullen meer geneigd worden tot geregelden arbeid, daar zij nieuwe behoeften zullen leeren kennen, en omdat de verachting, die in eene slavenkolonie op den arbeid kleeft, door afschaffing der slavernij wordt weggenomen. Zullen de Boschnegers dan alzoo werkelijk aan de kolonie tot nut zijn; zij zullen ook deelen in de voorregten der beschaving en hetgeen vooral van hoog gewigt is: de gelegenheid om hun het Evangelie der genade te verkondigen wordt hierdoor der Broedergemeente gemakkelijker; en die Broeders en Zusters begeeren niets liever dan den kring te vergrooten, waarin zij werkzaam kunnen zijn tot uitbreiding van het rijk des Heeren; doch om daartoe de Boschnegers in hunne verwijderde woonplaatsen op te zoeken, is hun wegens hun gering aantal onmogelijk.
De slavenbevolking in Suriname bestaat uit ongeveer 37,000 personen. Zeven en dertig duizend personen leven in Suriname (eene Nederlandsche bezitting!) nog onder het knellende juk der slavernij. Hoe hun lot is hebben wij in de geschiedenis meermalen doen zien; moge het door mildere reglementen en door betere behandeling dan vroeger iets minder zwaar zijn, het blijft toch nog steeds zeer droevig. Al nemen wij aan, dat de kwellingen en mishandelingen hun vroeger bijna dagelijks aangedaan, thans tot de uitzonderingen behooren, ook nu nog geschieden er dingen, die het hart met weemoed vervullen: de toestand van den slaaf is in vele opzigten treurig en het behoud van dien toestand strijdt tegen godsdienst en menschelijkheid.
Als een lichtpunt in dezen duisteren nacht moet de zegen worden beschouwd, die de Heer verleend heeft aan den trouwen zendingsarbeid der lieve Broedergemeente.
Ruim zestienduizend personen, zoo volwassenen als kinderen, zijn door de Hernhutters gedoopt; behalve dezen leven nog tien à elfduizend als onder den klank des Evangelies; op ruim 180 plantaadjes wordt door de Broedergemeente onderwijs gegeven [1364]. Vele belemmeringen worden den getrouwe Broeders nog onderscheidene malen in den weg gelegd bij dien arbeid der Christelijke liefde; de onnatuurlijke toestand èn door de slavernij geboren èn in stand gehouden, als: de onmogelijkheid tot het aangaan van een wettig huwelijk onder slaven; het dientengevolge niet erkennen van het vaderschap en nog zoo veel meer, zijn struikelblokken tegen gevorderde heiliging des levens bij den Christelijk onderwezen neger. Vele belemmeringen zullen opgeheven, vele struikelblokken weggeruimd worden, indien het afschuwelijk stelsel der slavernij voor goed wordt vernietigd. Ook de Roomsch Catholieken hebben zich in de laatste jaren de godsdienstige belangen der slaven aangetrokken. Ongeveer zeven duizend zijn door hen gedoopt, waarvan veertien honderd godsdienstig onderwijs ontvangen. Hunne gemeente op het Leprozen-gesticht Batavia aan de Saramacca is voornamelijk door den ijver en trouwe zorg van den voormaligen Apostolischen Vicaris, Bisschop Grooff, tot eene aanmerkelijke uitbreiding gekomen; zij telt thans ongeveer 350 personen [1365].
Ofschoon men den Roomsch Catholieke Priesters hier bij zekeren ijver niet zou willen ontzeggen, mag men echter evenmin verzwijgen, dat door sommigen van hen geen naauw toezigt op de zedelijkheid der aan hunne zorg toevertrouwden wordt gehouden. Zij zijn hierin veel minder getrouw dan de Zendelingen der Broedergemeente.
De vrije bevolking in Suriname bedraagt ongeveer zestien duizend personen. Veel van hetgeen op bladz. 171-78 omtrent hare verdeeling in onderscheidene standen en omtrent haar toestand van bladz. 178-201 is medegedeeld, kan ook nu nog van toepassing worden beschouwd. Er is echter hier en daar eenige verandering. De zoogenaamde Aristocratie van Suriname bestaat thans niet meer zoo zeer uit planters, maar meest uit Administrateurs van plantaadjes, gelijk wij reeds vroeger hebben doen opmerken, waar wij op bladz. 312 vermeldden: »Het rijk der Surinaamsche planters spoedde ten einde; dat der Administrateurs, hetgeen nog tot heden voortduurt, begon. De Agenten der Hollandsche eigenaars, »Administrateurs" kwamen in de plaats der vorige bezitters en verwierven zich groote rijkdommen en oefenden grooten invloed op dien gang van zaken uit."
Dit is nog het geval. De administrateuren van plantaadjes, hoewel weinig in getal, maken eigenlijk de magthebbenden in Suriname uit. Zij heerschen niet slechts over het grootste gedeelte der slaven, maar ook een voornaam deel der vrije bevolking is in mindere of meerdere mate van hen afhankelijk. Zij beheerschen ook de voornaamste tak van den handel en hebben de geldcirculatie in hunne magt. Niettegenstaande den toenemenden achteruitgang der eigenaren trekken zij een enorm hoog commissie-loon der opbrengsten van den kolonialen landbouw, en velen van hen genieten daarenboven een niet gering aandeel in de voordeelen der levering van goederen ten behoeve van de slavenmagt der onder hun beheer staande plantaadjes. Zij oefenen over die slavenmagt eene bijna onbegrensde magt uit, ondanks de beperkende bepalingen der wet ten gunste der slaven.
Onder de weinige personen, die in Suriname wonen, aldaar eigenaars van plantaadjes zijn, behooren eenige Engelschen; voornamelijk in de districten Nickerie en Coronië [1366]; welke districten in bloei toenemen. In laatstgenoemd district wordt veel katoen verbouwd. Ook in de oude kolonie zijn enkele Engelschen, in strijd met de wet huns lands, eigenaars van plantaadjes en slaven. Een van hen, H. Wright, heeft er zeer aanzienlijke bezittingen.
De voornaamste handelaren, vooral die in Amerikaansche waren, vergaârden zich meermalen, in korten tijd, een groot fortuin, door de levering van hunne waren, dikwerf in stille of geheime vennootschap met administrateuren van plantaadjes. Zij zijn daardoor meesters van de markt en bepalen onderling de prijzen naar hun goeddunken. Wel worden er van tijd tot tijd inschrijvingen aangekondigd op de levering van slavengoederen, doch ieder in Suriname weet, dat dit meermalen slechts voor de leus is, en dat de vaste leveranciers al zeer zeldzaam van de toewijzing onzeker zijn; waartoe verscheidene kunstgrepen worden aangewend.
Bij de Israëlieten vindt men tegenwoordig weinig eigenaars van plantaadjes. De eens zoo bloeijende Joden-Savanne is nagenoeg geheel verlaten. Enkele laatste afstammelingen van vroeger aanzienlijke Portugeesch-Israëlietiesche geslachten leven daar in ellendige hutten, met schamel huisraad, en teren er uit naast de marmeren grafzerken hunner vaderen [1367].
In den regel vindt men onder de Joden in Suriname weinig welvaart; men treft er slechts een enkel welgestelden en eenige weinige gezetenen aan, doch de meesten zijn verarmd, velen zelfs behoeftig.
De kleinhandel wordt door verscheidene van hen gedreven; in den laatsten tijd zijn vele joden met het een of ander Gouvernementsambt bekleed. Zelfs is een Israëliet stads armen-schoolmeester. In plaats van terugzetting is thans meer begunstiging, ten koste van anderen, hun deel.
De kleurlingen zijn in onderscheidene betrekkingen werkzaam. Sommigen van de meer aanzienlijken onder hen bezitten plantaadjes; anderen zijn in den handel opgeleid; ook zijn er die min of meer belangrijke betrekkingen in het bestuur of bij de regterlijke magt bekleeden. Er zijn kleurlingen, die door talenten uitmunten. Vooral moet hierbij genoemd worden (om van de levenden niet te gewagen) de heeren Mr. H. C. Focke en Mr. J. G. Palthe van Wesenhagen, die niet slechts een sieraad der balie uitmaakten, en de belangrijke hun toevertrouwde ambten met ijver en getrouwheid waarnamen, maar die zich ook op litterarisch gebied onderscheidden.
De laatste daarenboven was met eene warme liefde voor zijn vaderland bezield en beoogde bij alles het heil der kolonie te bevorderen; hij trok zich door woord, pen en voorbeeld het lot der verdrukte slaven aan.
Ter nagedachtenis van Focke werd een eenvoudig gedenkteeken op zijn graf opgerigt; Palthe van Wesenhagen, die in het vorige jaar overleed, heeft zich een gedenkteeken gesticht in de dankbare harten van die landgenooten, welke zijne verdienste op prijs wisten te stellen; de arme, de verdrukte--de slaaf, zegent zijne nagedachtenis;--zelfs tegenstanders droegen hem eerbied toe.
Onder de kleurlingen vindt men bekwame bouwmeesters en geschikte ambachtslieden en verder worden allerlei beroepen en bedrijven door hen uitgeoefend.
Het bestaand vooroordeel tegen de kleurlingen is veel verminderd, doch echter nog niet geheel verdwenen. Als een klein bewijs diene de mededeeling, dat bij de Hervormde gemeente tot voor weinige jaren nog geen kleurling tot ouderling of diaken voor de stad, wel voor de districten, was benoemd; terwijl de Luthersche gemeente, in deze de Hervormde in verdraagzaamheid vooruit was, door reeds veel vroeger, bij de vervulling van deze ambten, niet op kleur, maar op godsdienstige degelijkheid acht te geven. Bij de geringere klasse der kleurlingen, uit, in latere tijden, gemanumitteerde slaven of afstammelingen derzelve bestaande en bij de vrijnegers van denzelfden staat heerscht nog veel armoede. Dikwerf wordt dit aan luiheid en onverschilligheid toegeschreven; somtijds is dit de ware oorzaak, doch ook meermalen oordeelt men hierbij onredelijk, en worden andere omstandigheden niet in aanmerking genomen.
Toen de Gouverneur van Raders trachtte het vooroordeel tegen veldarbeid door vrijen te overwinnen, gelukte dit--zoo als wij zagen--tamelijk wel; het was echter niet genoeg lust tot den arbeid te hebben ingeboezemd; er moest den werkman ook gelegenheid tot arbeiden worden gegeven. Van Raders zag dit goed in, en poogde voor een geruimen tijd hierin te voorzien door het laten graven van het geprojecteerde kanaal naar Kwatta. Toen dit werk echter op hooger gezag moest worden gestaakt, werd de vrijman weder aan zijn lot overgelaten, want de later door eene Maatschappij hiertoe ingestelde pogingen (zie bladz. 714) moesten, bij gebrek aan genoegzame deelneming, worden gestaakt.
»Men zegge niet" merkt R. E. in het Surinaamsch Weekblad van den 23sten September 1860 aan: »hij kan wel werk vinden als hij maar wil; hij kan hout hakken, de straat schoonmaken, hij kan een kostgrondje aanleggen, ja, dat alles kan hij wel doen en nog veel meer, maar de straat is niet altijd vuil, het door hem gehakte hout kan hij niet altijd aan den man brengen; evenzoo gaat het met de voortbrengselen van zijn kostgrond, want als zijn koren of zijne rijst rijp zijn, dan is zij dit ook bij anderen en er is overvloed aan de markt; intusschen moet hij toch in de behoeften van zijn huisgezin voorzien en hem blijft niets anders over dan zijne producten ver beneden prijs en waarde aan hebzuchtige opkoopers af te staan, of--gebrek te lijden."
In dat zelfde artikel wordt op de wenschelijkheid gewezen, dat de regering, evenals op Java, de rijst tegen een bepaalden prijs opkoopt. Misschien zijn hiertegen ook bezwaren, doch zeker is het dat de armoede des vrijmans niet altijd uit luiheid voortkomt. In 1860 zelfs boden eenigen dier lieden zich aan tot het verrigten van delfwerk (het zwaarste werk) op plantaadjes, doch zij vonden geen gerede huurders, niettegenstaande door slavenmannen zoo dikwijls over gebrek aan arbeiders wordt geklaagd. Hadden die vrijlieden het vooroordeel tegen plantaadje-arbeid overwonnen; de planter wilde geen vrije nevens zijne slaven dulden, zoodat ook eerst na afschaffing der slavernij in deze verbetering te hopen is.
Tot de vrije bevolking moet medegerekend worden het te Suriname aanwezige garnizoen, dat doorgaans tusschen de acht à negen honderd man sterk is. Aan deze magt is meer bepaald de verdediging der kolonie toevertrouwd; het grootste gedeelte is op de forten Zeelandia en Nieuw-Amsterdam in garnizoen; op enkele andere plaatsen zijn echter ook militairen gedetacheerd. De zeemagt bestaat uit 250 à 260 man. Het corps negerjagers, thans koloniale guides geheeten, is tot 10 man versmolten; in de laatste tijden is het niet aangevuld.
De schutterij te Paramaribo bestaat uit ruim 500 man; de gewapende burgerwacht in de divisien uit ongeveer 400 vrijen en 700 slaven.
Het grootste gedeelte der blanke bevolking en der meer aanzienlijke kleurlingen behooren tot eene der beide Protestantsche gemeenten, der Hervormden of der Lutherschen. De Hervormde gemeente bestaat uit ongeveer 5000 leden. In de stad wordt zij door twee predikanten, de heeren van Schaick en Conradi bediend; in de Nickerie is sedert 1858 de predikant G. L. Batenburg ter vervanging van den eenige jaren vroeger overleden Wichers aangesteld.
Van Schaick ook niet onbekend op litterarisch gebied, predikt mede van tijd tot tijd op eenige bij de stad gelegen plantaadjes in het Neder-Engelsch; Batenburg geeft op sommige plantaadjes in zijn distrikt godsdienstig onderwijs.
De predikant der Luthersche gemeente, de waardige Moes, telt onder zijne gemeente eenige leden, die tot den slavenstand behooren. Als president der Maatschappij ter bevordering van het onderwijs der gekleurde bevolking van Suriname, en ook op verschillende andere wijze heeft hij getoond veel belang in het lot der slaven te stellen.
Tot de Moravische broedergemeente behooren, behalve de Broeders en Zusters zelve, geene blanken; hunne godsdienstoefeningen worden evenwel meermalen door ernstige godsdienstige blanken en kleurlingen bezocht. Hun gezegende werkkring strekt zich uit tot vrije kleurlingen en negers, doch voornamelijk tot de in slavernij zuchtende negers.
Ook bij de Roomsch Catholieke gemeenten worden weinige blanken gevonden; omtrent hun arbeid onder de slaven hebben wij reeds een en ander medegedeeld.
De beide Israëlietische gemeenten bestaan: de Nederlandsche uit ongeveer 750, de Portugesche Israëlieten uit ongeveer 700 personen. Sedert lang waren de beide Israëlietische gemeenten zonder leeraar. In 1858 is echter een Opper Rabbijn voor beiden uit Holland gezonden. De heer Lewenstein aanvaardde den 22sten Januarij 1859 zijn ambt te Paramaribo. Thans wordt om de 14 dagen beurtelings in eene der synagogen godsdienstoefening gehouden en ontvangt ook de Israëlietische jeugd van hem godsdienstig onderwijs.
In den regel is het godsdienstig bewustzijn in Suriname niet zeer ontwikkeld; echter worden er gunstige uitzonderingen gevonden. Bij een gedeelte der vrije gekleurde bevolking worden zoogenaamde psalm-gezelschappen gehouden, waar men bijeenkomt om psalmen en geestelijke liederen te zingen. Wel vindt men soms in die kringen veel verkeerdheden en wordt er soms meer op de zangkunst gelet, dan ten doel gesteld om den Heer hiermede te verheerlijken en zich zelven te stichten; echter zijn ze ook daartoe niet geheel onvruchtbaar en mag het betrekkelijk goede hier niet geheel voorbijgezien worden.
Gastvrijheid wordt steeds in Suriname op ruime schaal geoefend, liefdadigheid is eene deugd, die in Suriname niet vergeten wordt. Meermalen wezen wij hierop. Bij het vernemen der droevige tijdingen omtrent den watersnood, waardoor Nederland in het begin van dit jaar werd bezocht, ontsloot menigeen in Suriname de beurs en gaf mildelijk; zelfs de zuur verworven penningskens der slaven werden op het altaar der liefde geofferd [1368].
Onder de instellingen van liefdadigheid neemt de meergenoemde Maatschappij van Weldadigheid eene eerste plaats in. Wel zijn de eigenlijk bedeelden in gering aantal--in 1858 verleende zij alzoo slechts aan 8 personen onderstand,--doch belangrijk is haar werkkring, door haar pogen om personen voort te helpen, te ondersteunen, tot werkzaamheid op te wekken, enz. Bevordering van het schoolonderwijs is een voornaam gedeelte harer werkzaamheden, en de oprigting eener spaarbank, waardoor de spilzucht wordt tegengegaan, levert goede vruchten op. In December 1858 bedroeg het fonds dier spaarbank f 23,833,91.
In uiterlijke beschaving staat Suriname weinig achter bij Nederland. Behalve op de scholen der Broedergemeente, wordt te Paramaribo op 21 scholen onderwijs gegeven. Op eene hoofdschool, drie stads-armenscholen en veertien particuliere, benevens eene school door Roomsch-Catholieke geestelijke zusters gehouden en twee bewaarscholen ontvangen ongeveer 1650 kinderen te Paramaribo onderwijs, waarvan 520 gratis van het Gouvernement en 80 op kosten der Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid. Aan de Nickerie worden door een aldaar geplaatsten hulponderwijzer twintig kinderen, waarvan twaalf gratis, onderwezen.
Sommigen dier scholen laten nog wel veel te wenschen over en over het algemeen wordt, zoo men de scholen der Moravische broedergemeente en eenige anderen hiervan uitzondert, het ernstig positief godsdienst-element veel gemist, evenwel moet erkend worden, dat de gelegenheden tot bekomen van onderwijs in de laatste jaren veel vermeerderd zijn. Doch vermeerdering en uitbreiding van het onderwijs voor de eigenlijke volksklasse is nog hoogst wenschelijk en vordert noodzakelijk voorziening [1369].
Tot het ontvangen van middelbaar en hooger onderwijs is geene gelegenheid in Suriname; de ouders, die dit voor hunne zonen begeeren, zijn nog altijd genoodzaakt hen daartoe naar Europa te zenden. Door de oprigting van vrij goede Fransche scholen vervalt de noodzakelijkheid om ook de dochters der meer aanzienlijken tot het erlangen van eene beschaafde opvoeding naar Nederland te zenden. Dit geschiedt dan ook nu veel minder dan vroeger.
Is uiterlijke beschaving in Suriname toegenomen, vermeerdering van waarachtige godsvrucht is onder de vrije bevolking weinig te bespeuren. Ligtzinnigheid en onzedelijkheid heerschen nog steeds in ruime mate. Het huwelijk is er nog niet in genoegzame eere, en het leven met concubines is er nog zoo zeer in zwang, dat slechts weinigen er zich over ergeren.
Groot is het aantal onwettige kinderen, die jaarlijks worden geboren. In het regerings-verslag van 1858 wordt gemeld, dat in dat jaar bij de Hervormde gemeente gedoopt zijn: 218 kinderen, waarvan slechts 54 in echt en 164 buiten echt waren geboren; bij de Lutherschen 120 kinderen van vrijen [1370], waarvan 29 in echt en 91 buiten echt;--dus in het geheel 83 wettige kinderen tegen 255 onwettigen, zoodat het getal in onecht geboren meer dan 3/4 bedraagt.
Voegt men hierbij de hoererij der blanken en vrije kleurlingen met de slavinnen, die zoo sterk is, dat men voorbeelden vindt van mannen, die te gelijker tijd met zeven of acht slavinnen betrekkingen onderhouden, die er heden eene wegjagen morgen eene bijnemen; terwijl dikwerf de slavinnen gedwongen worden zich aan de lusten harer meesters te onderwerpen, dan verkrijgt men eenig denkbeeld van het lage peil der zedelijkheid in Suriname en--in alle slavenkoloniën. Ook dit is een droevig doch natuurlijk gevolg der slavernij. Dat afschuwelijk stelsel demoraliseert niet slechts den slaaf, maar ook den vrije.
De bekende Staatsman Minister Baud zeide hieromtrent in eene redevoering in de Staten-Generaal (10 December 1854): »Wat mij betreft, ik heb in maatschappijen geleefd, waar de slavernij bestaat, en de indruk, dien ik daar heb ontvangen, is, dat de slavernij niet slechts de slaven, maar ook den meester verdierlijkt; elke maatschappij, waar slavernij bestaat, is eenige graden lager op de schaal der zedelijkheid dan eene maatschappij uit enkel vrijen bestaande."
Reeds uit deze oorzaken moest het Nederlandsche volk, bij wie godsdienst en zedelijkheid toch nog op prijs worden gesteld, de afschaffing der slavernij tot elken prijs begeeren; zelfs al ware het dat stoffelijke voordeelen de instandhouding van dezelve deden wenschen; doch ook dit is niet het geval.
Wel hebben eenige individuen stoffelijke voordeelen onder het stelsel der slavernij genoten; het getal evenwel derzelve was gering en een naauwgezet onderzoek der geschiedkundige bronnen, waarvan hier de resultaten zijn medegedeeld, hebben mij volkomen overtuigd, dat Suriname nimmer een wezenlijke bloei of een degelijke welvaart heeft gekend;--en thans, terwijl slavernij nog tot schande van den Nederlandschen naam in eene Nederlandsche bezitting bestaat, kwijnen landbouw en handel in die kolonie.
Is er in de laatste jaren meer uitbreiding aan de suikercultuur gegeven, en is de opbrengst daarvan vrij aanzienlijk, andere cultures daarentegen zijn grootendeels vervallen, en die uitbreiding der suikercultuur geschiedt ten koste van de gezondheid en het leven der slavenmagt; enkele gunstige jaren uitgezonderd, neemt het getal der slaven--de productieve kracht van Suriname--gestadig af. Gedurende de onzekerheid, de wijfeling, die ten deze reeds zoo vele jaren heeft geheerscht, wordt de ondernemingszucht uitgedoofd. Zijn er eenigen, die zich hierover niet bekommeren, die voortgaan de slaven uit te mergelen, om eene dadelijke stoffelijke winst, en verder redeneren: »après nous le déluge," of die, gelijk de Schrift een dwaze voorstelt, in zorgelooze ligtzinnigheid zeggen: »laat ons eten en drinken en vrolijk zijn, want morgen sterven wij," het betere gedeelte, de kern der vrije bevolking, ziet ook verlangend uit naar de afschaffing der slavernij, daar slavernij alle ontwikkeling tegenhoudt en Suriname bij een langer voortduren van dat verderfelijk stelsel noodzakelijk ten val moet komen.
En toch verneemt men nog van een gedurig protest uit Suriname tegen de afschaffing der slavernij, of van pogingen om dezelve te vertragen. Dit verwondere niemand. Eenige weinigen in Suriname hebben belang bij het behoud van dit afschuwelijk stelsel, doch deze weinigen zijn bij den tegenwoordigen stand der zaken de magthebbenden, onder wier juk niet slechts de slaven zuchten, maar ook een groot gedeelte der vrije bevolking gebukt gaat. Deze zijn eenige administrateuren van plantaadjes en handelaren in Amerikaansche waren, gelijk wij reeds vroeger aanmerkten; zij worden hierin ondersteund door enkele Amsterdamsche handelshuizen, de zoogenaamde fondshouders, hoewel het aandeel van deze laatstgenoemden in de op de plantaadjes gevestigde hypotheken soms zeer gering is. Elk, die met dergelijke negotiatiën eenigzins van nabij bekend is, weet ook, dat die heeren dikwijls geen enkelen cent uit hunne privé-beurs zullen derven als de gansche hypotheek te niet ging; maar handelsbelangen en betrekkingen met de Administrateurs in Suriname doen hun belang hebben in het behoud der slavernij, onverschillig of de aandeelhouders in de hypotheken, ooit iets van hunne geleende gelden terug bekomen. Duurt voor het tegenwoordige het rijk der Administrateuren nog voort, het begint te wankelen, nog eene wijle en het stort in. De Nederlandsche regering en volksvertegenwoordiging zullen de handen ineen slaan, de slavernij zal in Nederlandsche koloniën weldra worden afgeschaft, en met deze daad van regtvaardigheid gaat Suriname eene betere toekomst te gemoet. Nieuwe handelsondernemingen zullen worden daargesteld; nieuwe frissche elementen zullen er een nieuw leven doen ontstaan. Veel, wat goede ondernemingen in den weg stond, zal worden weggenomen. Kolonisatie van Hollandsche en Duitsche landbouwers zal meer uitbreiding erlangen. Dat Europeanen ook door geregelden arbeid, mits men behoorlijke voorzorgen in acht neemt, met eere het brood huns bescheiden deels kunnen verdienen heeft de ondervinding geleerd.
Van de kolonisten, die vroeger tot het etablissement aan de Saramacca hebben behoord, zijn thans nog een honderdtal in de kolonie en een gelijk getal is sedert aldaar geboren. De mislukking der kolonisatie aan de Saramacca en de latere omzwervingen der kolonisten hebben wij reeds medegedeeld; thans leven zij voor het grootste gedeelte in de nabijheid van Paramaribo. Zij bezitten thans te zamen p. m. 350 runderen, 160 stuks klein vee en 25 trekezels. Hunne gronden beslaan p. m. 1300 akkers, uit eigen middelen aangekocht, 60 akkers in vruchtgebruik en 160 akkers gepachte grond. Hierop hebben zij aangebouwd 18 woningen met toebehooren, waaronder er zijn die f 1300 hebben gekost; eindelijk dient hier nog bij vermeld, dat 140 dezer lieden hun eigenlijk bestaan door den landbouw vinden, terwijl de overigen òf in openbare betrekkingen geplaatst zijn òf zich met een of ander burgerlijk bedrijf generen [1371]. Immigranten uit andere oorden zullen na de afschaffing der slavernij in Suriname komen. Eene Immigratie van vreemde arbeiders, goed geleid, kan mede gunstig werken, en in vereeniging met de geheel vrije negerbevolking den landbouw uitbreiden.
Eene onberaden Immigratie, een gedurige stroom van Heidensche koelies, zou, uit het oogpunt van godsdienst en zedelijkheid, niet te wenschen zijn. Daarbij, zoo men tot elken prijs vreemde arbeiders laat komen, ten einde de loonen kunstmatig te verminderen, zal teleurstelling worden ondervonden en zal hierdoor de neger genoopt worden zich in de bosschen terug te trekken, daar hij als vrije arbeider evenmin billijkheid bij den blanke ontmoet, als toen hij als slaaf voor hem sidderde.
Eene goede behandeling, regtvaardigheid en billijkheid daarentegen zullen den neger na het verkrijgen zijner vrijheid doen arbeiden, en hem brood voor zich en de zijnen, door eigen arbeid verdiend, op waren prijs doen stellen. Geene vermomde of geene nieuwe slavernij besta in Suriname.
Is de groote daad van regtvaardigheid, de afschaffing der slavernij, geschied, dan volge hieruit andere hervormingen. Regtspraak en regtspleging worden behoorlijk geregeld en zijn geheel onafhankelijk van de politieke magt. Het bestuur der kolonie worde aan bekwame degelijke mannen opgedragen; het zij een billijk regtvaardig, maar tevens krachtvol energiek bestuur. Begunstiging van personen, tot dus verre helaas zoo dikwijls geschied, houde op. Talentvolle, achtingswaardige mannen in de kolonie worden niet langer achter gesteld, om enkele familiën als met ambten te overladen; geen ambt zij langer eene sinecure. De Koloniale Raad besta niet enkel uit eigenaren en administrateuren, maar ook andere daartoe geschikte mannen worden hiervoor gekozen. Voor eene constitutionnele regering als Nederland is Suriname nog niet rijp; indien zij al dadelijk na de afschaffing werd ingevoerd, zoude de zoogenaamde Surinaamsche Aristocratie ze tot het vormen eener oligarchie misbruiken. Eerst moet de bevolking, ten minste een groot deel derzelve, meer worden ontwikkeld en hare vrijheid van slaafsche banden op regten prijs leeren stellen, voor zij geroepen kan worden tot het uitoefenen van staatkundige regten en pligten. Anders zou een groot deel zoo ligt een speelbal worden van eenige weinigen, die, in plaats van de afgeschafte zweep en tamarinde stokken, andere middelen tot bedwang zouden aangrijpen, die alle vrije ontwikkeling tegenhielden.
Doch, is eene zekere gewijzigde autocratie voor Suriname nog eenigen tijd noodig, zij ontaarde niet in eene volstrekte onbegrensde alleenheersching. Zij worde door wijze en regtvaardige wetten beperkt en ook in deze moet een redelijken vooruitgang zijn. Vooral worde de nog in Suriname bestaande censuur der drukpers afgeschaft. Vrijmoedige beoordeeling van regeringsdaden is vooral noodig in een land, waar, om de bestaande omstandigheden, de vertegenwoordiging des volks nog betrekkelijk weinig invloed hierop kan uitoefenen. De regering worde door de vrije pers op misbruiken opmerkzaam gemaakt, waarvoor zij anders misschien blind zou wezen, of die men voor haar verborgen zou willen houden.
Godsdienstig en maatschappelijk onderwijs worde bevorderd en uitgebreid.
De handen der Moravische broeders worden gesterkt; en vrome mannen en vrouwen uit Nederland sluiten zich bij hen aan, of arbeiden, met het oog op den Heer, in eigen kring ter bevordering van godsvrucht en kennis [1372].
De Christenen in Nederland drukken wij deze zaak ernstig op het hart.
Hij, die, ter vervulling van het een of ander ambt, door de regering wordt geroepen; hij, die, door handelsbelang of industrie of door iets anders, gedrongen wordt zich naar Suriname te begeven, roepen wij met de dáár aanwezige bevolking toe: »Zij uw wandel eerlijk in alles" en ieder, die den Heer in Zijne genade heeft leeren kennen, trachtte door leer en voorbeeld Hem te verheerlijken en anderen tot Hem te leiden.
Daartoe verleene de Heer Zijnen Zegen en schenke Hij de kracht.
Zoo ga Suriname eene betere toekomst te gemoet; zoo worde die dierbare kolonie eene schitterende paarl aan de kroon van den beminden Vorst uit het geliefde stamhuis Oranje-Nassau, onzen Willem den Derde; onze Koning worde tot in lengte van dagen gespaard, om van de, onder zijn bestuur, ingetreden betere toekomst van Suriname veel goeds te vernemen, en zijne kinderen en kindskinderen mogen als waardige Vorsten zich steeds verblijden over het geluk, de welvaart, het heil van Nederland en deszelfs overzeesche bezittingen, waarvan Suriname een belangrijk deel is en meer en meer worden kan.
OVERZIGT VAN DEN ZENDINGSARBEID DER BROEDERGEMEENTE IN SURINAME.
Bij onze inleiding van de Geschiedenis van Suriname beloofden wij aan het einde een overzigt te geven: van den zendingsarbeid der Broedergemeente, welke zoo zeer door den Heer gezegend werd. Wij voldoen gaarne aan deze belofte, doch, daar de Geschiedenis zelve bij de bewerking uitgebreider is geworden, dan volgens ons oorspronkelijk plan, zoo moeten wij--ofschoon noode--korter zijn, dan wij wel gewenscht hadden.
Uitzending der Broederen naar Suriname en eerste vestiging aldaar.
Op bladz. 109 vermeldden wij reeds dat de vrome Spangenberg, een der eerste Bisschoppen van de Moravische broedergemeente, een waardig medestander van den edelen graaf van Zinzendorf, op zijne doorreize naar Engeland te Amsterdam vertoefde. In Holland werd belangstelling voor de Broedergemeente opgewekt, en eenige jaren later vestigden, voornamelijk op aanzoek van de vorstelijke weduwe MARIA LOUISE VAN ORANJE, sommige Broeders zich in de Nederlanden.
Deze vestiging, den strijd, die de Broeders weldra tegen sommige Hervormde predikanten te voeren hadden, en de vele moeijelijkheden welke zij aldaar hadden te overwinnen, gaan wij thans stilzwijgend voorbij.
Spangenberg trad in onderhandeling met de directeuren der Sociëteit van Suriname, en, nadat men het over de voorloopige voorwaarde eens was geworden, werden drie Broeders, George Piesch, George Berwig en Christiaan von Larisch, in het jaar 1735, tot onderzoek daartoe afgevaardigd.
Von Larisch overleed te Suriname en de beide eerstgenoemden keerden in 1736 naar Holland terug, om verslag van hunne zending te doen.
Het oorspronkelijk doel was om aan de negerslaven in Paramaribo en op de omliggende plantaadjes het Evangelie te verkondigen. In hetzelfde jaar 1736 gingen twee Broeders, Johan Güttner en Christoffel Dähne, op uitnoodiging van een heer in Amsterdam, naar Berbice, om aldaar aan de negers op zijne plantaadje het woord des levens te brengen. De onderhandelingen met de Directeuren der Sociëteit van Suriname werden voortgezet en in 1739 erlangde de Broedergemeente eene concessie ter nederzetting aan de Suriname.
Vijf Broeders werden daarop afgezonden, die behouden in Suriname aankwamen. In eene kleine woning aldaar moesten zij zich kommerlijk behelpen en in hun onderhoud door eigen handenarbeid voorzien.
Dit zou hen echter niet hebben verdroten, zoo zij aan hun vromen wensch, om het arme slavenvolk te spreken van een Heer, die ook hen lief had, gevolg hadden kunnen geven--doch die wensch werd nog niet vervuld.
De eigenaars der slaven en de andere in Paramaribo wonende Europeanen waren voor het grootste gedeelte tegen de Hernhutters ingenomen; verschillende lasterschriften, niet slechts van eenige Aterlingen, maar zelfs van Gereformeerde kerkeraden, uit Holland gezonden, werden in Suriname verspreid en valsche geruchten jegens hen uitgestrooid. Hunne huiselijke godsdienstoefeningen, waaraan ook weldra andere heilbegeerige zielen deelnamen, waren vooral een doorn in het oog van den kerkeraad van Paramaribo; door dezen werden zij zoo zeer gehaat en vijandelijk behandeld, dat zij in het volgend jaar (1740) zich genoodzaakt zagen de stad te verlaten en zich op eene nabij liggende, geheel vervallen en kleine plantaadje neder te zetten.
Werd hun hier den weg versperd, zij verloren echter den moed niet en beproefden toen onder de Indianen hunne zendingswerkzaamheden aan te vangen.
I.
ZENDING ONDER DE INDIANEN.
De Broeders, wier personeel sedert met twee Broeders en twee Zusters versterkt was, besloten eene kleine plantaadje aan de Cottica te koopen. De gelden, daartoe benoodigd, moesten zij wel door ijverigen handenarbeid winnen, maar dit ontmoedigde hen niet, doch andere moeijelijkheden noodzaakten hen dit station weldra te verlaten.
De keus van de plaats der vestiging was niet gelukkig. De opbrengst der plantaadje was niet genoegzaam om in hun onderhoud en de kosten der zending te voorzien, en ook waren zij te ver van de Indianen verwijderd; daarbij kwamen er--iets wat onder de zending der Broedergemeente tot de uitzonderingen behoort, oneenigheden, waardoor het gemeenschappelijk arbeiden verstoord werd. Zekere kortelings aangekomen zendeling, Regnier, was hiervan de oorzaak.
Omstreeks het jaar 1745 was de Broedergemeente dus genoodzaakt dit onvruchtbare station op te heffen; de Broeders verlieten Suriname en begaven zich naar Berbice om de wakkere zendelingen aldaar ter zijde te staan.
Suriname werd dus verlaten, doch, daar Paramaribo zoo uitnemend gelegen was voor eene zending onder de negers en tot ondersteuning van ver afgelegen zendingsposten, hield men de verlaten post in het oog en hoopte zich daar later weder te vestigen.
Die hoop werd verwezenlijkt. De Broeders in Berbice hadden door den heftigen tegenstand der blanken het ook aldaar voor dit oogenblik moeten opgeven den negerslaven van de genade des Heeren te spreken; ook zij hadden zich daarop tot de Indianen gewend. Na veel strijd werd hun arbeid gezegend en uitgebreid en ontstond aldaar te Pilgerhut (Pelgrimshoede) eene gemeente uit Inboorlingen bestaande.
In het laatst van 1747 werd het smeeken der Broeders verhoord; een honger naar het woord des levens ontwaakte onder de Indianen. In Maart 1748 werd eene oude Indiaansche vrouw als eersteling gedoopt. Tegen het einde van Junij waren reeds 39 Indianen in de Christelijke kerk opgenomen; de gemeente nam toe in bloei; vooral toen in 1748 de uitnemende zendeling Schuman, de Apostel der Arawakken genoemd, tot hulpe kwam. In 1757 bestond aldaar reeds eene gemeente van 300 zielen.
Men poogde ook nu de zending in Suriname weder aan te vangen. In 1754 begaven zich de reeds genoemde Dähne en zekere Marcus Ralfs naar Paramaribo, waar zij hun kleedermakers handwerk uitoefenen en als agenten der zending trachten zouden in de stoffelijke behoeften der zending te voorzien. Zij zouden de aankoopen doen voor de afgelegen zendingstations benoodigd; de uit Europa aankomende Broeders ontvangen; de goede verstandhouding met de koloniale regering trachten te bevorderen, en verder al datgene te doen wat tot welzijn der zending strekken kon.
Met veel getrouwheid en ijver waren die Broeders in dezen hunne kring werkzaam. Wekken die daar te Paramaribo op de kleermakerstafel gezeten Broeders onze bewondering op, zijn zij ons in zoo velen ter beschaming; ook de inwoners van Paramaribo lieten langzamerhand hunne vooroordeelen vallen. De handel en wandel der Broeders getuigden zoo zeer van een Christelijken geest, dat de laster verstomde, en terwijl hun kleermakersbedrijf van jaar tot jaar in belangrijkheid toenam, verheugden zij zich ook over vermeerderd vertrouwen bij de regering en andere aanzienlijke personen. De voormalige Gouverneur van Berbice, Lösner, die den arbeid der Broeders van nabij had gadegeslagen, had zich te Paramaribo met ter woon gevestigd en legde omtrent hen een gunstig getuigenis af bij den toenmaligen Gouverneur van der Meer. Na verkenning van het terrein, en na toestemming der sociëteit te hebben ontvangen, bouwden 5 zendelingen en 8 Indianen, aan de rivier Saramacca, Saron. De ligging was, om met de Indianen in aanraking te komen, geschikt, doch tevens zeer ongezond; verscheidene Broeders vonden hier een vroegtijdigen dood.
Ook hier werd het woord der prediking door den Heer gezegend. Zelfs de meer woeste Caraïben kwamen aldaar om het woord te hooren, dat van liefde en vrede en genade getuigt. Reeds bij het einde van 1757 waren er 30 Indianen gevestigd.
Dähne vertrok uit Paramaribo in 1757, om zich aan de Corentijn te vestigen; terwijl Ralfs alzoo alleen als agent te Paramaribo achter bleef. Eenige Indianen hielpen Dähne aldaar eene hut bouwen, doch verlieten hem daarna; slechts een, Christoffel genaamd, bleef nog eenige maanden bij hem. Toen deze man ziek werd, zeiden doortrekkende Indiaansche toovenaars tot hem: »Gij zult bij dezen blanke nimmer gezond worden, want de duivel heeft de magt over hem, en de blanke zelf zal ziek worden." Christoffel luisterde naar deze woorden, en, toen hij eenigzins hiertoe in staat was, ging hij weg en liet Dähne alleen in de wildernis achter, ofschoon vele Indianen hem van tijd tot tijd kwamen bezoeken, aan wie hij dan het Evangelie verkondigde.
»Ik heb toen," schreef deze waardige man: »met mijn lieven Heiland alleen huis gehouden, met een vergenoegd en zalig hart gedaan wat ik kon, en de Heiland troostte mij, door Zijne lieve nabijheid in deze wildernis zoo krachtig, dat ik regt zalige tijden heb doorgebragt."
Dähne, die hier van alle menschelijke hulp verstoken was, moest zwaarder arbeid verrigten, dan ooit te voren, en kreeg door overspanning en ontbering hevige koortsen; doch de Heer verliet zijn getrouwe dienstknecht niet; Hij beschikte het, dat de zendeling Schuman hem bezocht en artsenijen medebragt, waardoor Dähne spoedig weder herstelde. Dähne verkeerde meermalen in levensgevaar: Een tijger sloop des nachts brullend rondom zijne nederige hut, die uit vier palen met een dak van palmbladen bestond, onder hetwelk hij zijne hangmat ophing; hij vreesde den tijger niet; wel nam hij de voorzorg 's nachts een vuur in zijne hut te ontsteken, doch als dit uitging, bleef hij kalm in zijne hangmat liggen; zijn vertrouwen was op den Heer en dat werd niet beschaamd.
Op zekeren avond, als hij zich ter ruste wilde begeven, viel een tamelijk groote slang van een lat van het dak op hem, slingerde zich twee tot driemaal om zijn hals en hoofd en drong zich immer vaster. »Ik dacht," zoo verhaalde hij, »dat kon wel mijn dood veroorzaken, en schreef daarom met krijt deze omstandigheid op de tafel tot narigt voor de Broeders, opdat zij niet in de waan zouden verkeeren, dat de Indianen schuld aan mijnen dood hadden" (welk eene liefelijke teedere bezorgdheid). »Intusschen viel het mij in, om, in vertrouwen op het woord des Heeren (Marcus 46-18) den slang van mij af te werpen; ik deed dit daarop met zulk eene kracht, dat iets van mijn vel mede ging." Het was duister, hij wist niet wat er van den slang geworden was, doch Dähne legde zich rustig in zijn hangmat neder en de Heer bewaarde Hem, zoodat hem er niets kwaads van overkwam. Het grootste gevaar echter dreigde hem van de wilden en gruwzame Caraïben, welke in November 1757 het voornemen hadden opgevat om hem te vermoorden. Hoe hij door Gods genade ook nu gered werd, willen wij hem met zijne eigene woorden laten verhalen:
»Als ik 's middags zou gaan eten kwamen 50 mannen, in hunne Canoes zittende, aan; zij verlieten die en omringden mijne hut. Eenige van hen hadden ijzeren bijlen en houwelen, anderen zwaarden en dergelijke moordtuigen meer bij zich. Ik ging tot hen en verwelkomde hen op vriendelijke wijze in het Arawakkisch; zij antwoordden mij barsch: »ik moest Caraïbisch met hen spreken." Intusschen merkte ik op, wie het bevel voerde. Terwijl zij onder elkander Caraïbisch spraken en merkten dat ik dit niet verstond, kwam hun tolk voor en vroeg mij in het Arawakkisch: »Wie heeft u veroorloofd hier te bouwen en te wonen?" waarop ik antwoordde: »De Gouverneur." »Waarom zijt gij hier in het land gekomen?" Nu vervoegde ik mij tot het Opperhoofd en zeide hem met vrijmoedigheid: »Ik heb broeders aan de overzijde der zee, die gehoord hebben, dat in dit land Indianen wonen, die hun Schepper niet kennen; deze broeders nu hebben mij hierheen gezonden, omdat ik eerst de spraak dier Indianen zou leeren en hun dan, wat ook voor hen het voornaamste is, zou mededeelen. Ook zullen er weldra nog meer tot datzelfde doel hierkomen."
»Zijt gij een Spanjaard?" »Neen", »of een Franschman?" »Neen." »Zijt gij dan een Hollander?" »Ik kom wel uit Holland, doch eigenlijk nog verder. Genoeg zij het; ik ben een dier broederen van de overzijde der zee, die u liefhebben." »Hebt gij dan niet gehoord, dat de Indianen u zullen doodslaan?" »Ja, doch ik heb het niet geloofd, en gij zelven hebt onder uwe Indianen lieden, die bij mij zijn geweest, en weten, dat ik u lief heb." »Dat is waar, en zij hebben mij gezegd, dat gij een andere Christen, dan de andere blanken waart." »Nu, als gij dan weet dat ik u lief heb, hoe zoudt gij mij dan kunnen doodslaan?"
Het opperhoofd hernam lagchende: »Dat is waar ook!" Nu veranderden allen in hunne gebaarden en de kring ging uiteen. Slechts de aanvoerder bleef bij mij en vroeg mij vele dingen, die ik hem zoo goed mogelijk verklaarde, en toen hij hoorde, dat geene andere blanken, dan de Broeders hier woonden, werd hij vriendelijk, en bij zijn vertrek gaf hij mij, op mijn verzoek, van zijne levensmiddelen en beloofde mij weder te komen. »Zoo hielp de Heiland mij genadig van dag tot dag, zoodat ik bij het einde des jaars groote reden had om Hem te loven en te danken."
Dähne leefde onder menigerlei nood en ontbeering getroost voort in de hoop, dat weldra Broeders uit Europa tot zijne hulpe zouden komen, hetgeen echter eerst in 1759 geschiedde. Intusschen deed hij in zijne eenzaamheid wat hij kon; hij prees de hem bezoekende Indianen de zondaarsliefde van Jezus aan, en bekwam van hen levensmiddelen (cassaves); was bij alle ontbeering vrolijk en zalig in de nabijheid van zijnen Heiland en genoot eindelijk de vreugde, dat eenige Indianen zich in zijne nabijheid hutten bouwden, en alzoo brak ook voor Ephraim (zoo werd die nederzetting genoemd) een tijd van genade aan.
De gemeente te Saron werd voornamelijk door Caraïben bezocht, die met troepen van 10 tot 20, zelfs in Augustus 1760 met 100 aankwamen, om zich aldaar te vestigen. Zoo ging het werk Gods verblijdend vooruit, toen eensklaps eene bedroevende gebeurtenis het verstoorde. De Caraïben vingen meermalen gevluchte negerslaven op, leverden ze hunnen heeren over, ten einde de f 60 vanggeld te verdienen. (Vervloekte slavernij!) De Boschnegers, hierover vertoornd, namen daarop het besluit Saron te verwoesten, zoodat de Indianen genoodzaakt zouden zijn dien omtrek te verlaten. Toen in 1761 de Caraïben naar hunne oude woonplaats waren gegaan, om levensmiddelen te halen, en Saron alzoo van hare krachtigste mannen ontbloot was, voerden de Boschnegers hun voornemen uit. Op Zondag den 25sten Januarij, toen de gemeente de prediking bijwoonde, kwamen de Boschnegers, schoten met geweren en pijlen en staken het zendingshuis in brand. Allen moesten vlugten en Saron werd verwoest, waarna de Boschnegers vertrokken [1373]. Twee Broeders, Schirmer en Cleve, keerden eenigen tijd daarna terug om te beproeven de verstrooide gemeente van Saron weder bijeen te verzamelen. Tot hunne bescherming erlangden zij een detachement van 14 soldaten. Honger en krankte volgden en de minst gevaarlijke zieke moest menigmaal den anderen kranke verplegen, doch kon niets dan cassave en water hiertoe geven; de Broeders evenwel smaakten, bij alle droefheid, toch meermalen de groote blijdschap, dat de Indianen ook bij deze beproevingen zich aan den Heiland vasthielden en Hem nog stervend beleedden; er kwam hulp uit Europa, een Broeder en Zuster, doch beiden vonden er spoedig hun graf.
Schirmer en Cleve versaagden niet en Saron kwam omstreeks 1762 weder in bloei. De Indianen echter leefden in gestadige vrees voor de aanvallen der oproerige negers, die steeds in den omtrek kruisten; vele Indianen verlieten deze plaats, en in 1779 moest de zending aldaar worden opgegeven. In de kleine gemeente te Ephraim brak in 1762 eene hevige koorts uit, en, bij den negeropstand in 1767, moest ook dit station worden verlaten.
Eene nieuwe nederzetting, Hoop genaamd, werd daarop in 1764 aan de Corentijn gevestigd en hier scheen in den aanvang de arbeid zeer gezegend te worden. Na vier jaren stonden er reeds 10 Indiaansche hutten en Schirmer en Cleve predikten aan 80 tot 100 zielen het woord der verzoening. Doch in 1766 werd Schirmer en in 1768 Cleve van hunnen arbeid afgeroepen door den Heer, die hun in de ruste bragt en het genadeloon aan trouwen arbeid in zijne dienst verbonden deed genieten. Het overlijden dezer mannen was een zware slag voor de zending.
Gedurende een geruimen tijd was er te Hoop slechts een arbeider, Jacob Erdmann Burchhardt; in 1784 kwam er versterking, doch de zending ging niet vooruit. Zoo stonden de zaken, toen in 1789 Johan Jakob Gottlob Fischer uit Wurtemberg te Hoop aankwam; hij leerde spoedig de Arawakkische taal en legde zich bijzonder toe op het onderwijs der jeugd.
In 1790 werd eene groote school gebouwd; 11 Indianen bouwden nieuwe huizen, in geregelde orde, en die van appel- en andere vruchtboomen werden omringd. Kinderen en volwassenen werden tot nuttigen arbeid opgeleid. Grond ter cultuur van cassave werd aangelegd; velden met koorn en banannen zag men weldra in hunne volle schoonheid prijken. In October 1791 werden aan 108 bewoners eenige verordeningen voorgelezen, waardoor de Heidensche levenswijze zou ophouden en eene geregelde Christelijke hiervoor in de plaats komen; de Indianen beloofden die bepalingen te zullen nakomen. Caraïben en Waraauen voegden zich bij hen, en de geordende gemeente trok zoodanig de aandacht der Indianen in den omtrek, dat velen genoopt werden zich ook daarheen te begeven. In 1795 trokken 109 Indianen naar Hoop, en onder deze 36 Waraauen, die zich door bijgeloof, ligtzinnigheid, afkeer van arbeid en diefstal kenmerkten en der nieuwe gemeente alzoo tot een slecht voorbeeld waren.
De verovering van Berbice in 1796 door de Engelschen maakte het verkeer moeijelijker en belette de nieuwe kolonisten hunne waren te verkoopen. Friderici liet echter in 1798 den Indianen toe om voor hunne bijzondere zaken naar Berbice te gaan. Dat rustig verkeer met de naburige kolonie, zelfs gedurende den krijg, hield echter op door eene onvoorzigtigheid van Fischer. Deze namelijk hielp de bemanning van een gestrand Engelsch schip, die zich voor Noord-Amerikaners uitgaven, naar Berbice te komen. Hierop ontving hij bevel om met zijne familie den zendingspost Hoop te verlaten. Hij begaf zich daarop, tot groote smart der gemeente, naar Noord-Amerika
In 1799 werd het verkeer met Berbice weder toegestaan. Na het vertrek van Fischer zette Broeder Klüge met zijne nationaal-helpers, met ijver den arbeid voort; in 1800 kwam Broeder Schulz hem ter hulp, en in 1801 waren te Hoop 208 inwoners, waaronder 169 gedoopten. Echter geraakte de gemeente door de toenemende neiging der Arawakken tot dronkenschap en een zwervend leven in verval. In 1808 werden door eenige ligtzinnige booze jonge lieden de zendingsgebouwen in de asch gelegd. Het grootste gedeelte der Indianen verliet toen de nederzetting aan de Corentijn; andere pogingen werden aangewend, om hen hier en daar te verzamelen, doch in 1815 moest de zending eindelijk onder de Indianen worden opgegeven, daar de werkzaamheden op de plantaadjes onder de negerslaven aan de Nickerie al de krachten der Broeders vorderden.
Zoo hield de zending der Broedergemeente onder de Arawakken geheel op, en die gezegende plaatsen, waar eenmaal Gods lof werd verkondigd, waar liederen ter Zijner eere weerklonken, zijn thans met digt bosch bewassen, waaruit men slechts het geschreeuw der papagaaijen en van andere woudbewoners hoort. In Pilgerhut (Berbice) is geen pelgrim meer, Saron is niet langer een bloeijenden tuin, Ephraim draagt geene vruchten en op Hoop--hoopt men niet meer. Echter, zoo eenmaal de stem van den Archangel de dooden ter opstanding roept en de klank der laatste bazuin ook in deze wouden wordt gehoord, zullen ook dáár graven zich openen, uit welke Indianen met hunne leeraren en leermeesteressen zullen opstaan, die Hem zullen roemen en loven tot in eeuwigheid, Die zich hunner zielen heeft ontfermd en ten eeuwigen leven bekwaam gemaakt.
En in den tijd? Wij herhalen het vroeger gezegde. Na de afschaffing der slavernij zal het verkeer van de Indianen met de Europeanen worden bevorderd;--dan ook is het te wenschen, dat de Indianen zullen deelen in het genot der beschaving, en vooral in de vertroostingen der Christelijke godsdienst. Moge het Evangelie der genade hun dan op nieuw worden verkondigd en moge de wandel der belijders van Christus een zoodanige zijn, dat die arme onkundige heidenen niet geërgerd, maar gesticht en voor den Heer gewonnen worden. Daartoe verleene den Heer zijne genade, daartoe schenke Hij zijne kracht, de zegenende invloeden des Heiligen Geestes.
II.
ZENDING ONDER DE BOSCHNEGERS.
In 1762 was de langdurige strijd met de Boschnegers (zie bladz. 136 tot 154) geëindigd; een vredes-tractaat was door de koloniale regering in 1760 met de Aucaners en in 1762 met de Saramaccaner-negers gesloten (zie bladz. 154-160). De toenmalige Gouverneur van Suriname, Wigbold Crommelin, wenschte, dat de Broedergemeente ook onder hen eene zending zoude vestigen; de Saramaccaners zelven deden aanzoek om Christenleeraars en de Broedergemeente verheugde zich een nieuwen werkkring te vinden, om het Evangelie te verkondigen.
Rudolph Stoll en Thomas Jones werden daartoe uit Hernhut gezonden en kwamen, onder leiding van den ons reeds bekenden Broeder Dähne, die ter herstelling zijner geschokte gezondheid eenigen tijd in Europa had vertoefd, in 1765 te Paramaribo aan.
In December van hetzelfde jaar aanvaardden zij de reis naar de dorpen der Boschnegers. De vaandrig Dörig (meermalen in de Geschiedenis genoemd) stelde hen aan de grenzen als hunne toekomstige Leeraars aan de Kapiteins der 12 Negerdorpen voor, onder de betuiging, dat hetgeen zij aan de Broederen deden, goed of kwaad, de koloniale regering het zou aanmerken als aan haar te zijn geschied. De Kapiteins gaven luide hunne vreugde te kennen, en ieder wilde gaarne een Broeder bij zich nemen. Deze echter besloten zich voorloopig niet van elkander te scheiden.
In Februarij 1766 bereikten zij over de gevaarlijke watervallen Senthea Kreek, alwaar het Groot-Opperhoofd Abini hen vriendelijk ontving en eene hut voor hen liet bouwen. Jones overleed eenige dagen na zijne aankomst; Dähne keerde later naar Europa terug, zoodat Stoll alleen overbleef, hoewel andere Broeders en Zusters hem later ter hulpe kwamen.
De hoofdman Abini verloor kort daarop het leven in een gevecht met nog in opstand levende Negers. Eer hij ten strijde trok had hij de Broeders aan zijn zoon Arabi, een verstandig jongman, met de volgende woorden aanbevolen: »Ik weet wel is waar niet regt welk soort van lieden dit zijn en waarom zij hier willen wonen; ik geloof echter, dat God ze mij toegezonden heeft." En Arabi vergat deze woorden zijns vaders niet en betoonde den Broeders vele toegenegenheid en vriendschap.
Naauwelijks waren de Broeders zoo ver gevorderd, dat zij den Boschnegers in hunne eigene taal het doel hunner komst verklaren konden en hun alzoo wezen op den eenigen God en op Zijnen Zoon Jezus Christus als den Heiland der zondaren, of daar verhieven de afgodspriesters (Gado of Obia-mannen of Lokemans. Zie bladz. 118-19) en voornamelijk de oude vrouwen, een luid geschrei aan. Deze lieden dreigden de andere Negers met den toorn hunner goden, daar zij zich met den Gran-Gado (Grooten God) der blanken hadden ingelaten. Zelfs offerden en baden zij om die goden te verzoenen, en--de Obia-mannen zochten op allerlei wijze het volk tegen de Broeders in te nemen.
De Broeders waagden het niet des avonds uit hunne hutten te komen en werden door sommigen gewaarschuwd, dat zij ongetwijfeld zouden vermoord worden. Echter hielden de Broeders hunne huiselijke godsdienstoefeningen met open deuren, opdat welligt een der nabij wonende negers een gunstigen indruk hiervan mogt erlangen, en verder vertrouwden zij op den Heer. »Er is werkelijk meer gevaar dan wij weten", schreven zij in 1767, »doch wij verlaten ons op Hem, die magtiger is dan alle anderen. Wil Hij ons tot offer doen strekken, wij zijn bereid. Hij doe ons slechts zijne zalige nabijheid genieten."
De Heer sterkte deze geloofsmannen; niemand legde de hand aan hen. Bedroefd over de verstoktheid der volwassenen beproefden zij twee knapen, Scipio, een schoonzoon van Abini, en Grego, onderwijs te geven. Nog drie knapen voegden zich hierbij en toen hunne vijandig gezinde moeders dezen van hen wegnamen, bleven Scipio en Grego luisteren naar de verhalen van de liefde des Heeren. Zij leerden zingen en bidden met de Broeders, en Stoll vertaalde met hunne hulp eenige liederen en een gedeelte van het Nieuwe Testament.
Daar Senthea Kreek het middelpunt van den geheelen stam was werden de offerfeesten onder groot getier en geraas gehouden en de Broeders verlangden dus naar eene rustiger standplaats. Arabi voldeed aan hun verlangen en bouwde hen een huisje, een weinig meer zuidwaarts, te Quana; terwijl de zending door de aankomst van Broeder en Zuster Kersten werd versterkt. Arabi gevoelde zich, ofschoon zijn Grangmama (Grootmoeder), eene afgodspriesteres, hem hierover duchtig bespotte, meer en meer tot den Heer getrokken. Zijn voorbeeld werkte gunstig; andere negers wilden nu ook meer van den Heiland hooren. De Broeders begonnen nu des Zondags eene openbare godsdienstoefening te houden, en hadden in het begin verscheidene toehoorders, doch de ijverende Obia-mannen, en voornamelijk eenige vrouwen, verontrustten hen gestadig. Slechts bij Arabi vatte het woord der verzoening wortel in het harte en den 6den Januarij 1771 werd hij, als eersteling van dit in diepe duisternis verkeerend volk, gedoopt.
De meeste inwoners woonden de doopplegtigheid van Arabi bij, die op zijne eigene begeerte den naam van Johannes erlangde, doch daarna verhief zich een ontzettende storm onder dit volk, en voornamelijk waren de vrouwen woedend. Een dorpshoofd dreigde den Broeders den dood; door de genade des Heeren werd echter geen haar van hun hoofd gekrenkt.
In 1773 werd weder een neger, Janke, gedoopt en ontving den naam van Simeon. In December 1774 werden de Broeders genoodzaakt zich naar Bambeï te verplaatsen. Reeds in het volgende jaar mogten zij weder vier negers doopen, en onder deze hunne eerste leerlingen Scipio en Grego, welke de namen van David en Christiaan bekwamen. Zoo was het begin eener Christengemeente dáár, die door woord en wandel het Evangelie beleed.
Het Evangelie begon de harde harten der negers te verteederen. Een zoon van den bekenden zendeling onder de Indianen aan de Berbice, Schuman, arbeidde met groote trouw en ijver. Zijne medearbeiders waren door den Heer opgeroepen en hij zelf door eene zware krankte aangegrepen. Toen sprak hij uit zijne hangmat het Woord des levens tot zijne toehoorders. De prediking van dezen kansel droeg goede vruchten; in 1780 werden eenige vrouwen, waaronder zich de vrouw en zuster van Arabi bevonden, voor het Evangelie gewonnen, en toen was een groot bolwerk des Satans gevallen. Het Evangelie drong meer en meer in de harten der natie en verkreeg vasten voet in de kringen van het huiselijk leven.
Weldra bestond de gemeente uit 24 gedoopte of doop-candidaten.
In 1790 ontstond er eene bijzondere opwekking onder de Boschnegers, veroorzaakt door een vroegeren afgodspriester, die twee jaren geleden gedoopt en toen den naam van Paulus had ontvangen. Deze man had niet bij de Broeders gewoond, maar had het door hen gepredikte Woord vernomen, en de Heilige Geest had het vruchtbaar gemaakt. Zijn eenvoudig, doch levendig en krachtig getuigenis en zijn geheel veranderden levenswandel maakten een diepen indruk op zijne landgenooten; andere gedoopten vereenigden zich met hem en de Broeders werden uitgenoodigd hem te komen bezoeken.
Toen de Broeders aldaar aankwamen werden zij met de grootste vreugde ontvangen; de afgodische voorwerpen werden weggeworpen, en van 's morgens vroeg tot na middernacht zaten die lieden bij den zendeling neder om van den Heiland te hooren, die ook hen gekocht had met zijn bloed. De oude vrouwen, vroeger zoo verstokt en zoo vijandig, werden nu ook begeerig naar het woord Gods, en de gemeente wies en nam toe.
Doch nu kwam er eene nieuwe beproeving. Verscheidene zendelingen stierven, ook de in hunne plaats tredenden; slechts één, Broeder Wietz, bleef over. Door de regering tot posthouder bij de Boschnegers benoemd deed Wietz met den Hoofdman Arabi verscheidene ambtsreizen en verkondigde alzoo het woord aan vele negers. In Bambei zelf werd de gemeente gesterkt door nationaal-helpers en nam in kracht en sterkte toe. Wietz vertaalde voor hen: eene harmonie der vier Evangeliën, de Apostolische Brieven en de geloofsleer der Broeders. In de uit 49 gedoopten bestaande gemeente werd tot meerdere uitbreiding dezelfde inrigting gemaakt als aan andere zendingsgemeenten. De inlandsche helpers toonden in hunne voordragten eene goede gave te bezitten zich duidelijk uit te drukken.
Wietz bleef, niettegenstaande zijne gezondheid geschokt was, met zijne vrouw tot April 1801 op zijnen post. Toen echter keerde hij tot herstel zijner gezondheid met zijne echtgenoote naar Europa terug.
Voortdurende gevallen van ziekten maakten gedurig verwisselingen van zendelingen noodzakelijk. De Gouvernementsbetrekking van posthouder wikkelde de Broeders menigmaal in moeijelijkheden; en toen men hen, op hun herhaald verzoek, hiervan in 1812 ontsloeg, gingen uiterlijke voordeelen voor hun bestaan verloren. In 1813 verliet de laatste zendeling het land der vrijnegers, terwijl hij de verzorging der gemeenten aan den eerwaardigen Johannes Arabi en aan Christiaan Grego overdroeg. Het klimaat was doodend voor den blanke, negen broeders en zes zusters waren daar als offer hunner Christelijke liefde bezweken; doch hun werk was niet zonder vrucht geweest en van de gemeente bleef, dank zij 's Heeren trouwe zorg, onder veel strijd en moeite, een overblijfsel bestaan.
Johannes Arabi en Christiaan Grego zetten met getrouwheid het werk der Evangelie-verkondiging voort; zij bezochten meermalen de Broeders te Paramaribo en bleven steeds met hen in geestelijke gemeenschap. Ofschoon er later veel achteruitgang in de gemeente ontstond en verscheidene tot heidensche gewoonten waren terug gekeerd, bleven Johannes Arabi, met Christiaan Grego en Simon Adoeka, hunne Christelijke belijdenis getrouw. Johannes Arabi overleed in 1821; voor zijn verscheiden beval hij zijne kinderen aan Christiaan, zijnen broeder in den Heer, op roerende wijze aan: »Als ik sterf," zoo sprak hij, »ga toch voort mijnen kinderen den weg des Heeren te leeren; want zij zullen in zijne hand blijven." Dit geloofsvertrouwen werd niet beschaamd, want, hoewel zij voor een tijd afweken, keerden zij tot den Heer terug, die zijne genade aan hen niet onbetuigd liet.
Nog veertien jaren na den dood van Arabi bleven de Boschnegers zonder leeraar; Christiaan Grego ging in 1824 in de ruste zijns Heeren in, zoodat Simon Adoeka van de oude gemeenteleden alleen overbleef. Treurig werd het verval der gemeente; de zonen van Arabi weken af en het scheen als of het gebed en de verzuchtingen huns zaligen vaders onverhoord zouden blijven. Doch de trouwe Heer vergat ze niet. In het jaar 1835 werden de zonen van Arabi de vermaningen huns vaders op nieuw gedachtig en door een innerlijken drang gedreven begaven zij zich naar Paramaribo om weder het woord des levens te hooren en voor zich een leeraar te verzoeken.
Bij de verkenningstogten door verschillende zendelingen daarop gedaan werd het Evangelie diep in het boschland gebragt. In de hoop van weldra een leeraar te zullen verkrijgen verzamelde het kleine hoopje gedoopten zich te Gingeh en kwam van daar dikwijls in de stad. Eindelijk werd een kerkje en zendingshuis gebouwd en Job, een der zonen van Arabi, kwam daar met anderen bidden, zingen en in eenvoudigheid over de dingen des eeuwigen levens spreken.
Eerst in het jaar 1840 werd de wensch der Boschnegers naar een leeraar vervuld. Broeder en Zuster Schmidt betrokken den nieuwen post. Met kracht verhief zich op nieuw de Heidensche geest; doch Schmidt en zijne trouwe gade lieten zich hierdoor niet ontmoedigen en voeren voort in veel strijds en veel gebeds het Evangelie te verkondigen, en hun werk werd ruimschoots gezegend [1374]. In 1843 nam de kleine gemeente zoo zeer in bloei toe, dat de Heidenen er door getroffen werden, en zelfs toovenaars de kerk kwamen bezoeken. Eene nieuwe beproeving echter wachtte de negergemeente, daar het den Heere behaagde zijne trouwe dienaar Schmidt tot zich te roepen. Schmidt ging in 1845 tot de eeuwige rust in. Zijn Christelijk afsterven, zijne laatste vermaningen bleven niet zonder vrucht. Zijne weduwe bleef nog elf maanden alleen bij de negergemeente en werd door den trouwen nationaal-helper Job, die door woord en wandel predikte, ondersteund.
Kort na het zalig afsterven van Broeder Schmidt kwam de toenmalige hoofdvoorstander der zending Otto Tank aldaar. Hij werd door de gemeente met hartelijke blijdschap begroet, en ook hem op nieuw de wensch naar een leeraar op het hart gedrukt. In Februarij 1846 werd aan dien wensch voldaan; Broeder Meissner werd naar Bambei (men had dit station uit herinnering aan de vroegere vestiging alzoo genoemd) gezonden ter vervulling van de door het overlijden van Schmidt opengevallen plaats. Hij kwam daar, huwde met de weduwe Schmidt, en arbeidde met zegen; doch eene ziekte, eene soort van verlamming, noodzaakte hem ter genezing met zijne vrouw naar Europa te gaan. In den herfst van 1848 keerden zij echter tot groote vreugde der negergemeente tot haar terug. Evenwel door aanhoudende en telkens wederkeerende krankheden werden zij genoodzaakt in 1849 Bambei en zelfs Suriname voor goed te verlaten; doch ook nog in Europa bleven zij de hun dierbare gemeente niet slechts in de gebede gedenken, maar onderhielden briefwisseling met sommige gemeenteleden.
In het jaar te voren trof ook de negergemeente een groot verlies: Job, de lieve, trouwe Job, ging na een kort ziekbed in tot de vreugde zijns Heeren. Hier en bij andere ziek- en sterfbedden werden treffende getuigenissen van 's Heeren genade en liefde afgelegd. Later werd nog weder beproefd om de zendingsarbeid aldaar voort te zetten, doch het element was doodend voor Europeanen, evenwel vreesden de Broeders, welke daarheen gezonden werden, hiervoor niet. Vele blijken van Christelijken moed werden daar gezien; vooral moet men de Christelijke moed bewonderen van Zuster Hartman, die een geruimen tijd alleen overbleef, en, niettegenstaande eene ongeneeslijke ziekte, niet ophield zich het geestelijk heil der negers en voornamelijk het onderwijs der jeugd aan te trekken. Eindelijk bezweek ook zij en overleed 30 December 1853. Het zendingsbestuur te Paramaribo vond geene vrijheid om, daar het werk der zending onder de slaven zoovele krachten vereischte, meer Broeders of Zusters naar het zoogenaamde doodenland te zenden. De zending werd dus opgeheven. De gemeente blijft echter bestaan; de trouwe nationaal-helpers komen meermalen in de stad, om de geestelijke gemeenschap met de Broeders te onderhouden, en keeren van daar versterkt en bemoedigd naar het Boschland terug, om die gemeente op te bouwen in geloof en kennis. Er blijft eene kerk bestaan en de Heer ziet er in genade op neder, bewaakt, beschermt die kleine gemeente.
Welk eene uitbreiding kan zij erlangen als, na de opheffing der slavernij, de Boschnegers zich meer in aanraking met de overige bevolking zullen stellen, en de waardige Broedergemeente beter gelegenheid zal erlangen hun, volgens hunne begeerte, het Woord des levens te verkondigen.
Ook bij de Auca-negers wijkt de tegenstand; de Becoe- of Musinga-negers vragen naar leeraars en onderwijs [1375]. De weg des Heeren wordt bereid. Hij zal zijne liefde en genade ook hen doen bekend maken, die er nu nog niet van hebben gehoord. Voor het volk, dat in de duisternis zit, zal een groot licht opgaan. Velen zullen zich verheugen in het licht van de zon der geregtigheid. De bazuin des Evangelies zal niet te vergeefs in de wouden van Suriname klinken. Onze Heer zal lof, dank en aanbidding, nu en in alle eeuwigheid ontvangen.
III.
ZENDING ONDER DE NEGERSLAVEN.
Was de eerste poging der Broedergemeente, om den slaven het Evangelie te verkondigen, door den heftigen tegenstand der blanke bevolking, vruchteloos, en had men zelfs, na mislukking der eerste zending onder de Indianen, Suriname moeten verlaten, in 1754 echter kwamen er op nieuw twee Broeders als Agenten der zending te Paramaribo, zoo als wij reeds bladz. 784 hebben vermeld, ten einde voornamelijk de stoffelijke belangen der zending voor te staan.
Die Broeders waren ijverig bezig in de eenvoudige werkkring, die hun was aangewezen. Hun kleêrmakers-bedrijf verschafte hun niet slechts het noodige voor hun onderhoud, maar daarenboven konden zij hierdoor de afgelegen zendingstations ondersteunen.
Om des te beter hun handwerk te kunnen drijven kochten de Broeders in 1767 eene eigene woning en een stuk grond, waar zij een tuin en, aan het einde daarvan, eene begraafplaats aanlegden, welke zij met een hek omringden. Een der Broeders, Christiaan Friedrich Gastman, werkte hieraan met zoo veel ijver, dat zijne vrouw tot hem zeide: »Gij zult zeker wel de eerste zijn, die hier zal komen te liggen."--en waarlijk; nog in hetzelfde jaar ging hij in tot de vreugde zijns Heeren; en was zijn lijk het eerste, dat op dien Godsakker der aarde werd toevertrouwd, om den dag der opstanding te verbeiden.
Bij de uitbreiding van hun beroep hadden de Broeders hulp noodig en huurden alzoo 10 à 12 negers, die als gezellen of leerlingen met hen arbeidden. Waren de Broeders ijverig in hun handwerk, deden zij met lust al datgene wat hunne hand vond om te doen, zij vergaten echter de hoogere dingen niet. Dáár op die kleêrmakers-tafel zittende, werd door de Broeders een zaad uitgestrooid, dat onder den dauw des Heiligen Geestes vruchten opleverde, waarover in alle eeuwigheid zal gejuicht worden.
Na lang wachten genoten de Broeders de vreugde, dat (in 1768) bij drie hunner negers eene levendige begeerte ontstond, om den weg des heils nader te leeren kennen. Zij kwamen daartoe des avonds bij een der Broeders (Kersten), die hunne taal magtig was, om nader onderrigt. Deze verhaalde hun dan van de menschwording en den dood des Heeren Jezus, en van het heil door Hem voor zondaren verworven. »Hoe het ons verheugde," schrijft hij in een zijner brieven, »nu wij, na lang wachten, eindelijk negers zien, wier harten door den Heer is geopend, en bij wie eene begeerte naar het Woord des levens komt, kan ik niet beschrijven."
Toen de eerste opwekking onder de slaven was ontstaan, kwamen er weldra meerderen tot de Broeders, om van deze dingen, die hun zoo liefelijk, maar toch ook zoo vreemd klonken, te hooren. Toen Broeder Kersten, ter vervulling der zending onder de Boschnegers was vertrokken, zette Broeder Rose de avondvergaderingen alleen voort; terwijl hij aan hen, bij wie de belangstelling toenam, bijzonder onderrigt gaf. Wel moest hij de tijd uitkoopen, want zijne beroepsbezigheden lieten hem weinig over, en twee, tot zijne hulp uit Europa gezonden Broeders, overleden kort na hunne aankomst. Doch de Heer sterkte en troostte hem en gaf hem in het volgend jaar de vreugde, dat twee negers het Woord met blijdschap aannamen, en toen zij daarna ziek werden, getuigden zij, dat de Heer hun nabij was, en ontsliepen met die betuiging op hunne lippen.
Rose bezorgde hunne begrafenis en gebruikte deze gelegenheid om tot de verzamelde Heidensche negers te spreken van het lijden en sterven van Jezus Christus ter verzoening van de zonden der geheele wereld. Velen dier negers kwamen later in de zondagsvergaderingen.
Kersten, door de uniteits-conferentie uit het boschland terug geroepen en tot voorstander der Surinaamsche zending benoemd, keerde naar Paramaribo terug, tot groote blijdschap van Rose. De belangstellende toehoorders vermeerderden; negen werden als doop-candidaten ingeschreven en ontvingen afzonderlijk onderwijs, en--den 21sten Julij 1776 werd de eersteling der negerslaven te Paramaribo gedoopt, waarbij hij den naam van Christiaan ontving. Nog in datzelfde jaar werden acht negers en eene negerin gedoopt.
Het gedrag der nieuw bekeerden was zoodanig, dat vele regeringsleden en bijzondere personen den wensch uitten, dat alle negers zich bekeeren mogten. Niet alle meesters echter dachten alzoo; er waren ook onder dezen, die hunne slaven jammerlijk mishandelden indien zij de predikatiën der Broeders bezochten; doch de arme zwarten leden liever onregt dan weg te blijven van de plaats waar hun werd verkondigd: het Woord der verzoening, dat van zulke heerlijke beloften getuigt; zij verdroegen hiervoor gaarne smaad en slagen.
Het werk Gods onder de negerslaven ging voortdurend met zegen voort; bijna elke maand werden er door den doop in de Christelijke gemeente ingelijfd. De gedoopten wandelden waardiglijk het Evangelie; op den 31sten Mei 1777 kwamen vier van hen voor de eerste keer ten avondmaal; in het volgende jaar elf en zoo breidde zich de Negergemeente al meer en meer uit.
Daar het aantal der toehoorders steeds vermeerderde, bouwden de Broeders op hunnen grond eene kerk tot gebruik der Negergemeente. Bij de feestelijke inwijding derzelve, op den 31sten Mei 1778, werd een liefdemaal met 52 negers gehouden. Blanken en zwarten, vrijen en slaven aan eene tafel, wel was dit een vreemd verschijnsel in Paramaribo! doch de Heer, die Zijn bloed voor de verzoening der geheele wereld stortte, zag er met welgevallen op neder. Des namiddags hield Kersten de eerste preek.
Eenige weken later kwam de Gouverneur (Jan Nepveu) met zijne vrouw en een talrijk gezelschap der aanzienlijkste personen de prediking en eene doopplegtigheid bijwonen. Den volgenden Zondag werd de toeloop der blanken zoo sterk, dat er naauwelijks plaats voor de vele negers was. Kersten hield toen eerst eene korte rede in het Hollandsch; betuigde zijne blijdschap over de belangstelling der blanken, doch vervolgde, dat, daar de kerk door de Broeders gebouwd was, om aldaar de negers het Evangelie te verkondigen, zoo zou hij overgaan om hun in hunne taal het Woord der verzoening in Jezus bloed en dood te prediken. Daarop zong hij met luider stemme: »Looft den Heer alle gij Heidenen," waarop de kleine zwarte gemeente zingend antwoordde: »En prijst Hem alle gij volken! Alleen God in de hoogte zij de eere, enz." Niettegenstaande het groot gemengd aantal van blanke toehoorders, onder welke zich ook verscheidene Joden bevonden, heerschten stilte en orde tot aan het einde; en allen waren verwonderd over de aandacht der Negers en over hun harmonisch gezang.
In het jaar 1779 ontvingen de Broeders een stuk land, buiten de stad, van de regering ten geschenke, tot begraafplaats der Christen-negers. De opwekking onder de slaven ging gezegend voort; gewoonlijk waren bij de prediking twee honderd aandachtige toehoorders tegenwoordig. Het getal der gedoopten en der avondmaalgangers vermeerderde en weldra moest de kerk worden vergroot; verscheidene heeren uit Paramaribo gaven daartoe bijdragen.
Ook opende zich aan het einde van hetzelfde jaar eene deur voor de Broeders, om de slaven op de plantaadjes het Evangelie te verkondigen. Zekere heer Palmer, eigenaar van de plantaadje Fairfield, tien uren van Paramaribo, aan de Commewijne gelegen, noodigde de Broeders uit aan zijne negers (150) Gods Woord te prediken.
De Broeders gaven gaarne aan deze roepstem gehoor. Toen Broeder Kersten hun de liefde des Verlossers bekend maakte, hieven deze arme slaven de handen ten hemel en dankten God met luider stemme, dat Hij dit liefelijke woord ook tot hen deed komen.
Later werden de bezoeken ook tot andere plantaadjes uitgestrekt. Eene vaste zendingspost werd noodig geacht, ten einde beter aan de zich meer en meer openbarende behoefte der negers naar het Evangelie te kunnen voldoen. De regering schonk den Broeders daartoe in 1785 een stuk grond, bij de zamenvloeijing der Commewijne en Cottica, Sommelsdijk, naar een vroeger aldaar gelegen fort genaamd. De plaats was ongezond en moerassig en de beide eerste zendelingen, die zich aldaar vestigden, vielen als slagtoffers dier ongezonde ligging. Intusschen had men hoop daar met kracht werkzaam te zijn. Vele negers der naburige plantaadjes kwamen er om de prediking bij te wonen; het woord Gods werkte met kracht en reeds aan het einde van 1786 waren 164 zielen onder de leiding der Broeders. Evenwel deden er zich groote zwarigheden op. Dewijl de negers van de plantaadjes niet anders dan te water naar Sommelsdijk konden komen, omdat hieraan gevaren waren verbonden, zoodat werkelijk in 1788 drie negerinnen, bij hare terugkomst van Sommelsdijk, in de rivier verdronken, zoo weigerden de meesters hunnen slaven langer naar Sommelsdijk te gaan. De Broeders werden dus genoodzaakt de plantaadjes te bezoeken.
De Negergemeente te Paramaribo nam gestadig toe en bestond weldra uit: 101 gedoopten, van welke 49 avondmaalgangers, en 40 doop-candidaten, te zamen alzoo uit 141 personen. De nieuwe Gouverneur Texier, die in 1779 Nepveu was opgevolgd, toonde zich, na een met de Broeders gehouden onderhoud, bereid hunne pogingen ten beste der negers te ondersteunen. Hij werd door eigen aanschouwing meer en meer overtuigd welke kracht tot verandering en tot heiliging des levens door de prediking des Evangelies bij de slaven werd verwekt. Ook sommige meesters werden hiervan overtuigd en enkele woonden den doop hunner negers met aandacht bij; anderen daarentegen waren zeer vijandig en zochten hunne slaven door dreigementen en slagen van het bezoeken der kerk af te houden.
De Broeders kozen weldra uit de beproefdste gemeenteleden eenige helpers en helpsters, die hun het opzigt over de steeds aanwassende gemeente hielpen houden. Toezigt was zeer noodig, want, bij den aanwas der gemeente vond men, zoo als overal, er ook onder, die op een zondigen dwaalweg geraakten, welke de Broeders in den geest der zachtmoedigheid, doch tevens met Christelijke ernst, hiervan zochten terug te brengen.
Aan het einde der vorige eeuw bedroeg de Negergemeente te Paramaribo reeds meer dan 300 leden. De Broeders, ten einde de vermeerderde kosten der zending te dekken, rigtten bij hun kleêrmakerswinkel nog eene bakkerij en eene horlogiemakerij op, waar gehuurde negers als knechts arbeidden.
Indien wij de geschiedenis van de zending onder de negerslaven eenigzins uitvoerig wilden mededeelen, zou de ons nog overgebleven ruimte hiertoe niet toereikend zijn. Het kost ons echter opoffering om van eene zaak, die zoo hoogst belangrijk is en die zulke groote blijken van Gods goedertierenheid en trouw, en van onbezweken ijver en vurige liefde der Broedergemeente oplevert, slechts kortelijk melding te kunnen maken. Een ding troost ons hierbij: de berigten, uitgegeven door het Zendinggenootschap te Zeist, zijn in veler handen, en hier toch vindt men de belangrijkste berigten over dit rijk gezegend werk medegedeeld. Dat toch elk in den lande, die de uitbreiding van Gods koningrijk ter harte gaat, zich verkwikke bij het lezen dier berigten en meer en meer worde opgewekt om den arbeid der Broedergemeente met gave en gebed te ondersteunen. Wij moeten ons bij onze verdere mededeelingen tot het aanteekenen van eenige hoofdbijzonderheden bepalen.
Gedurende de oorlogstijden van 1793 en tijdens Suriname onder Engelsch bestuur was, verkeerde de zending in grooten nood. De Engelsche regering wenschte den arbeid der Broederen wel te ondersteunen, doch de stremming van het verkeer met het vaste land van Europa verhinderde de overkomst van nieuwe arbeiders, om de plaatsen te vervullen van hen, die door ziekte of dood in hunne werkzaamheden waren gestoord.
Het getal der negerslaven aan de Commewijne en Cottica, welke tot de Christelijke gemeente behoorden, bedroeg in het begin dezer eeuw nog slechts 96, waarvan 55 alleen op de plantaadje Fairfield. De verdere werkzaamheden werden zeer verhinderd door de afkeerige gezindheid der plantaadje-directeuren. Eindelijk vond de Uniteits-Conferentie zich in 1817 genoodzaakt deze post op te heffen. De negers van Fairfield werden nu, om de acht weken, door de Broeders uit Paramaribo bezocht. Op uitdrukkelijk verlangen van den Engelschen predikant Austin, eigenaar der plantaadje Kleinhoop, werd, sedert Januarij 1819, ook aldaar het Evangelie aan de slaven verkondigd.
Mogt het zendingswerk op de buitenposten vele moeijelijkheden ondervinden, te Paramaribo nam de gemeente steeds toe. Talrijke negers en kleurlingen, zoo vrijen als slaven, voegden zich bij haar. Bij de hevige kinderziekte, die in 1819 zoo vele slagtoffers maakte (ruim 2000 personen), waren de Broeders meermalen getuigen van de genade en trouw des Heeren, die zich aan de sterfbedden van vele gemeenteleden zoo krachtig openbaarde, dat velen juichend ontsliepen. Zelfs uit den mond der Heidenen hoorde men in dien tijd meermalen uitdrukkingen, als: »Niemand, geene Goden der negers, niemand kan mij helpen, dan alleen de ware God, die mij geschapen heeft" en dergelijken. De begraafplaats moest worden vergroot, en de gedoopte negers sloegen ijverig de hand aan het werk, ten einde het houtgewas uit te roeijen, de sloten er om heen te graven en het geheel met eene limoenhaag te omringen.
Bij den vreeselijken brand van 1821 werd de zendingskerk als door een wonder gespaard, en weldra was zij te klein om de toenemende gemeente te bevatten. Zes en negentig volwassenen werden in dat jaar gedoopt. De scholen, waar de negerkinderen in het lezen en zingen, en in het van buiten leeren van spreuken en liederen, onderwijs ontvingen, namen in bloei toe. Van de Neger-Engelsche vertaling van een te Londen gedrukt werkje: »Hoofdinhoud van Jezus leer," werd gretig gebruik gemaakt.
Ook op de plantaadjes vertoonde zich een nieuw leven. Verscheidene eigenaars verzochten den Broederen hunne slaven Christelijk onderwijs te komen geven. Op Breukelerwaard werd eene kerk voor de negers gebouwd en in 1825 ingewijd. Molhoop, Vlaardingen, Lustrijk, La Singularité en meer andere plantaadjes werden nu regelmatig bezocht.
Den 21sten Julij 1826 was het 50 jaren geleden, dat de eerste neger door den doop in de Christelijke gemeente werd ingelijfd. De herinnering hieraan werd door de Negergemeente feestelijk herdacht. Vele stadbewoners namen aan deze feestviering deel. Gedurende den vijftigjarigen arbeid onder de slaven waren 2477 gedoopt; toenmaals bevonden zich 1800 negers onder de leiding der zendelingen.
De aanzienlijke vermeerdering der gemeente had den aanbouw eener ruimere kerk noodzakelijk gemaakt; waartoe de onkosten meerendeels door vrijwillige bijdragen van welwillende Surinamers waren gedekt. Zij werd den 21sten Julij 1818 ingewijd. »Het was een hartverheffend gevoel," schrijft een zendeling, »onze broeders en zusters uit de negers, allen rein in het wit gekleed, naar de sekse afgezonderd, te aanschouwen. Verder was het overige der kerk, tot op de derde galerij, onder het dak, opgevuld met aanzienlijken en geringen, blanken, kleurlingen en zwarten, Christenen, Joden en Heidenen, die allen stil en eerbiedig nederzaten, terwijl tot lof en aanbidding van den eenigen waren God gesproken, gebeden of gezongen werd."
In 1828 werd de Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstig onderwijs onder de slaven enz. opgerigt (zie bladz. 645). De Broeders werden uitgenoodigd aan de beraadslagingen van het bestuur deel te nemen en ondervonden verder veel ondersteuning, door middel dezer Maatschappij, welker stichting als eene zeer belangrijke en verblijdende gebeurtenis voor de zending kan worden aangemerkt.
Reeds door het bouwen eener ruimere kerk was in de stad aan een grooter aantal slaven gelegenheid gegeven het woord Gods te hooren. Door de Broeders was mede godsdienstig onderwijs aan de kinderen in de stad gegeven, welk onderwijs vooral goede vruchten opleverde, toen men aan die kinderen ook het woord Gods in handen kon geven. Door het Britsch en Buitenlandsch Genootschap was eene vertaling van het Nieuwe Testament in het Neger-Engelsch bezorgd; waarvan de Broeders slechts afschriften bezaten. Zoodra het ruchtbaar werd, dat dergelijke boeken waren te bekomen, wenschten vele negers zich dien kostbaren schat aan te schaffen. Ongeveer dertig stuks werden ten geschenke gegeven aan zulke schoolkinderen, welke vlug en goed konden lezen, en deze kinderen waren niet zelden de werktuigen, waardoor hunne ouders met de Heilige Schrift bekend gemaakt werden. Het getal kinderen, die vrij geregeld de school bezochten, bedroeg toenmaals reeds honderd en dertig. De zondagschool werd ook door volwassenen bezocht.
In 1831 zond men van Zeist aan de Broeders eene drukpers, met al hetgeen noodig was om Neger-Engelsche schoolboeken te drukken. In 1835 werd de Negergemeente verblijd door de ontvangst van een orgel voor de nieuwe kerk, mede uit Zeist gezonden. De kerk was bij den brand van 1832 weder, gelijk in 1821, door Gods goedheid, bewaard gebleven, terwijl de kerken der andere gemeenten in de asch waren gelegd. De Broeders boden hun bedehuis der Hervormde en Luthersche gemeenten aan, ten einde daarin de kerkedienst waar te nemen, van welke vriendelijke aanbieding door de Hervormde Gemeente gebruik werd gemaakt. Door de koloniale regering werden de Broeders uitgenoodigd het fort Nieuw Amsterdam te bezoeken om aldaar te prediken en door het Geregtshof werd hun de zielezorg voor de gevangenen opgedragen. Deze welwillende gezindheid der regering oefende ook invloed uit op de stemming van bijzondere personen, en de vooroordeelen tegen de Broeders verminderden bij den dag.
Het aantal plantaadjes, waar het den Broeders vergund werd het Evangelie te verkondigen, bleef lang zeer klein. De opzigters der plantaadjes, voor zoo verre zij niet als vijandig tegen het zendingswerk waren bekend, zagen echter tegen de onkosten op, die het godsdienstig onderwijs der slaven vorderden. Want, daar in Suriname meest alle reizen te water moeten geschieden, en de zendelingen, die te Paramaribo van hun handwerk leefden, geene middelen bezaten om zich roeibooten en negers voor hunne maandelijksche bezoeken op de plantaadjes aan te schaffen, moesten de Directeurs hen laten afhalen, of van de eene naar de andere plantaadje vervoeren. Ook moest men bij een dergelijk bezoek den slaven eenigen rusttijd gunnen tot het bijwonen van de predikatie en het onderwijs in de godsdienst.
Een ander bezwaar was, dat, wegens den verren afstand van sommige plantaadjes van Paramaribo, het den Broeders aldaar moeijelijk viel hen te bezoeken, waarom zij zeer wenschten meerdere zendingsstations in de kolonie te kunnen oprigten, van waar de toegang tot de negers der omliggende plantaadjes gemakkelijker was. Deze beide bezwaren werden opgelost door de reeds gemelde Maatschappij. Door haar werd in het gebrek aan roeibooten en negers voorzien, en in 1835 de tot het doel gunstig gelegen plantaadje Charlotte-burg aangekocht en den Broeders ten gebruike afgestaan.
Sedert dien tijd treedt eene nieuwe periode der zending in. Nog hadden wel de Broeders vele bezwaren te overwinnen: onwil bij verscheidene directeurs en administrateurs, ongeloof, verblindheid en gehechtheid aan Heidensche gewoonten bij de negers, doch de Heer gaf aan zijne dienstknechten en dienstmaagden kracht en in Zijne kracht bestreden zij de vesten des Heidendoms en--overwonnen. Meerdere vaste zendingsposten werden opgerigt, waarop Broeders en Zusters met groote trouw werkzaam waren.
Twee zwakke weduwen, zuster Voigt op de plantaadje Andresa, aan de Coppename, en zuster Hartman op Bergendal aan de Boven Suriname, arbeidden aan de grenzen van het zendingsveld. Door onderwijs der kinderen, door toespraken en vermaningen aan de volwassenen, door een heiligen wandel waren deze vrouwen tot grooten zegen voor de negerbevolking.
Broeder Jansa, de apostel der Warappa-kreek, ondernam een veldtogt tegen de afgodstempels en de gevreesde afgodspriesters. De Heer, die met hem was, schonk hem de overwinning. De Heilige Geest opende veler harten en verwekte bij de negers een honger en dorst naar het woord des levens en maakte de prediking vruchtbaar.
Sedert 1850 vooral zijn meerdere vaste posten gevestigd en heeft men pogingen aangewend om regelmatige scholen voor de kinderen op de plantaadjes op te rigten, doch hierbij had men groote zwarigheden te overwinnen. Eene circulaire, waarbij de Broeders aan de planters vroegen hun kweekelingen af te staan, om op hunne school tot nationaal-helpers en onderwijzers te worden gevormd, bleef zonder vrucht; eerst een uitdrukkelijk bevel van de in Nederland wonende eigenaars maakte de plantaadje-bestuurders gewilliger om kweekelingen voor deze school af te staan. De eerste knaap, die men daartoe afstond, was een kreupele, die door zijn ligchaamsgebrek niet geschikt voor den veldarbeid was.
In het jaar 1851 eindelijk kwam die school tot stand, op het nabij Paramaribo gelegen Beekhuizen. Tien kweekelingen werden opgenomen en ontvingen onderrigt in den Bijbel en de Catechismus, in het rekenen en zingen; eerst in 1856 werd het den Broederen veroorloofd onderwijs in het schrijven te geven. In December 1858 bedroeg het getal der aanwezige kweekelingen veertien. Over hun gedrag en vorderingen waren de Broeders en ook anderen, die de school bezochten, zeer te vreden.
In 1856 heerschte de gele koorts in hevige mate in Suriname en maakte vele slagtoffers. In tien maanden overleden, zoo in de stad als op de buitenposten, veertien Broeders en Zusters. Doch de Heer sterkte de Broedergemeente ook in deze beproeving; een nieuwe frissche gebedsijver ontvlamde, de vermoeiden werden verkwikt en tot nieuwen ijver aangevuurd. Steeds werden nieuwe strijders gevonden, die de plaatsen der gevallenen wilden vervullen, zoodat de zending zich uitbreidde en op vastere grondslagen werd gevestigd. Het Para-district maakte lang eene droevige uitzondering. De administrateurs waren aldaar de zendelingen wel genegen, maar de negers bleven lang afkeerig. Het scheen, dat Satan zich hier als in zijne laatste vesting tot het uiterste wilde verdedigen. Broeder Mense ging echter in de kracht zijns Heeren die vesting aantasten. Met het instorten van twee der grootste afgodstempels, die immer in Suriname bestonden, en waarvan de eene 150 jaren bestaan telde, werd de eerste bres geschoten en drong het Evangelie ongehinderd het land in. Eerst werd dit district uit de stad bezocht, doch reeds in 1851 kon aldaar eene eigen post, Berseba genaamd, worden aangelegd, waar in 1858 eene kerk werd opgerigt [1376].
Thans is het getal der zendingsetablissementen tot 12 gestegen. Ruim dertig Broeders en Zusters, getrouwelijk door nationaal-helpers bijgestaan, zijn op dit arbeidsveld werkzaam. In Paramaribo zijn ongeveer 6000; op 180 plantaadjes 20,000 personen, die in meerdere of mindere mate onder het geklank des Evangelies leven. »De velden zijn wit om te oogsten; bidden wij den Heer dat Hij arbeiders geve in dezen wijngaard."
Het was ons eene regte verkwikking aan het einde van onzen arbeid eenige oogenblikken te mogen wijden om op lichtpunten te wijzen. Wij danken onzen God, die ons het voorregt schonk, om, nadat wij zoo veel droevigs hadden moeten vermelden, ook te kunnen gewagen van die dingen, die het hart des Christens met blijdschap vervullen. Wij wilden hiermede wel besluiten, doch waarheidsliefde dringt ons ook nog met een enkel woord te spreken van de groote belemmeringen die het zoo gezegende werk der zending ondervindt. Wij spreken hier niet van de hardheid der harten, noch van de neiging tot afgodsdienst, noch van de ligtzinnigheid, die zich nog zoo dikwijls bij de negers openbaren. Waar van zending, waar van Evangelieverkondiging sprake is, wordt dit in onderscheiden schakeringen ondervonden. Wij spreken hier slechts van de belemmeringen, die onafscheidelijk zijn aan het stelsel der slavernij.
Nog wordt de verkondiging van het Evangelie van genade door sommige Administrateurs en Directeurs tegen gehouden; nog blijven plantaadjes voor de zendelingen gesloten; nog wordt het onderwijs der kinderen op velerlei wijze belemmerd. Op sommige plantaadjes wordt het den zendelingen wel veroorloofd eene preek voor de negers te houden, doch hun niet toegestaan de oude, zwakke en zieke slaven te bezoeken. Met hoeveel voorzigtigheid moet de zendeling zich uitdrukken, om de waarheid niet te verkrachten, en toch den meester niet te veel aanstoot te geven, opdat hij niet het geheele werk verstore. Welk een hinderpaal voor de uitbreiding van het rijk Gods onder de slaven is de hoererij der blanken, met de onder hunne magt staande slavinnen. Welk een droevig gevolg der slavernij is het, dat er geen wettig huwelijk onder de slaven kan worden aangegaan en de regten van het vaderschap niet worden erkend. Hoe dikwijls wordt het met moeite onder zuchten en tranen gezaaide moedwillig door den blanke verstoord. Hoe vele voorbeelden zouden wij hiervan kunnen mededeelen; wij onthouden er ons echter van. »Hoe verwoestend de slavernij is voor de zedelijke magt der maatschappij, daarvan wordt men ten volle overtuigd, wanneer men slechts eenigermate met het leven in de kolonie is bekend geworden. Intusschen willen wij ons werk nog voortzetten en niet vertragen, in weerwil van den tegenstand derzulken, die, om hunne persoonlijke bedoelingen, zich met onze prediking der verzoening in Christus niet kunnen vereenigen; wij willen in de kracht van Christus strijden tegen de duisternis, en ook daarin ons geloof, dat de wereld in ons en rondom ons overwint, betoonen, dat wij ons, na meer dan honderdjarigen arbeid, nog blijven schikken in en naar de bestaande betrekkingen, die door God worden toegelaten; opdat, wanneer de kracht van Christus den slavenstand opheft, Hem ook eere moge bereid worden van onze verdrukking en droefenis, en de wereld erkenne, dat in Hem alleen ware vrijheid te vinden is." Zoo sprak de waardige Otto Tank, wiens ernstige gemoedelijke taal bij de blanke bevolking te Suriname ergernis verwekte. In eene maatschappij, verpest door de slavernij, tracht men immer de stem van waarheid en regt te versmooren. Worde de slavernij dan spoedig afgeschaft, want, gelijk de tegenwoordige hoofdvoorstander der zending te Paramaribo schreef: »De vrije ontwikkeling van het Godsrijk, de geestelijke en verstandelijke beschaving der negerbevolking, wordt in het algemeen door de bestaande slavernij in eene hoogere mate belemmerd, dan het, uit de verte gezien, wel schijnt, en dit is de onzegen (vloek), die op haar rust; om deze rede voornamelijk, en niet alleen om den uitwendigen toestand der slaven, is de slavernij verwerpelijk en verfoeijelijk. Des te meer verheugen wij ons, dat thans het zekere vooruitzigt op hare afschaffing bestaat."
Spoedig kome die dag; de Heer doe hem weldra aanbreken; Zijne liefde dringe ons daartoe mede te werken.
Zoo door mijn geringen arbeid afkeer tegen de slavernij en belangstelling in Suriname's blanke-, gekleurde- en negerbevolking eenigermate vermeerderd worde, zoo is mijn doel met het schrijven van de Geschiedenis van Suriname bereikt, en ik zal er den Heer voor danken, die mijne zwakke krachten gesterkt heeft. Worde Zijne kracht ook in mijne zwakheid volbragt; zij dit werk ter Zijner eere.
NASCHRIFT.
Door gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij inzage verleend in de officieele bescheiden, door den heer Baron van Heeckeren op 's Rijks-Archief gedeponeerd, welke betrekking hebben op den tijd (1831-1838), dat hoogstdeszelfs vader, de heer E. L. baron van Heeckeren, Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen was. Toen ik deze gunstige beschikking ontving, was de geschiedenis bijna, het tijdvak van van Heeckeren reeds geheel afgedrukt. Kon ik dus de resultaten van het onderzoek dier belangrijke bescheiden niet ter plaatse, waar zij eigenaardig behooren, mededeelen, in een naschrift willen wij echter het voornaamste daaromtrent aanstippen.
Uit die belangrijke bescheiden onder anderen blijkt, dat het onwaar is, hetgeen soms wel eens door de partij der reactie beweerd en als bewijs van de goede behandeling der slaven is aangevoerd, namelijk, dat de afschaffing der slavernij in de Britsch West-Indische bezittingen door de slaven in Suriname bijna met onverschilligheid werd vernomen, en dat er van geen onrust onder de slaven sprake was. Integendeel leest men gestadig van oproerige gezindheid der slaven, in het nabij Britsch Guyana gelegen district Nickerie. Reeds in 1831, toen de kwestie der emancipatie in Engeland ter sprake kwam, was het gerucht daarvan in de Nickerie ter oore der slaven gekomen, en, volgens berigt van den Landdrost Tyndall aan van Heeckeren, heerschte er in het geheele district dien ten gevolge een oproerige geest onder de slaven en sprak men van eene zamenspanning tot opstand op nieuwjaarsdag [1377]. De President van het Gemeente bestuur, de Baljuw enz. werden daarop naar de Nickerie gezonden, met last om de gesteldheid der zaken te onderzoeken en verder naar bevind te handelen. Zij begaven zich naar het bedoelde district en--als naar gewoonte--werden de belhamels met gestrengheid gecorrigeerd [1378].
Desniettegenstaande bleef er een onrustige geest onder de slaven heerschen ten gevolge van verspreide geruchten omtrent de meerdere vrijheid, die de slaven in Berbice genoten. Vele slaven liepen weg en daar de Britsche autoriteiten hen niet dwongen naar hunne meesters terug te keeren, zocht de koloniale regering dit op allerlei wijze te beletten. De kustvaart der Engelschen werd verboden en als represaille zouden de van Britsche koloniën ontvlugte slaven mede niet terug gegeven worden [1379].
De Amsterdamsche kooplieden, belanghebbenden bij de Surinaamsche plantaadjes, vreesden zeer voor de gevolgen der Britsche Emancipatie; zij wendden zich per rekwest tot Z. M., met verzoek, om het garnizoen met 2000 man te versterken, ten einde in staat te zijn een mogelijken opstand der slaven te bedwingen. Het garnizoen werd daarop met 200 man versterkt [1380].
Toen de afschaffing der slavernij in Britsch Guyana tot stand was gekomen, werd de communicatie tusschen het Nickerie-district en de Berbice strengelijk verboden [1381]. Daar de gewone maatregelen niet genoegzaam waren, werd een vaartuig op de Corentijn gestationneerd, om de ontvlugting der slaven te beletten [1382]; terwijl de heer G. de Veer naar Demerary werd gezonden, ten einde van het Britsche Gouvernement de uitlevering van de gevlugte slaven te vragen [1383].
In 1837 had mede op nieuw een opstand der slaven in de Nickerie plaats; na hunne veroordeeling door het geregtshof te Paramaribo werden zij, onder geleide van 30 à 40 man militairen, naar de Nickerie terug gezonden, om daar hunne straf te ondergaan [1384].
Telkens vindt men ook gewag gemaakt van ontvlugting van slaven uit de andere gedeelten der kolonie, terwijl vele boschtogten ter verstoring der wegloopers plaats vonden.
Hetgeen zoo dikwerf door de slavenmannen beweerd is en nog beweerd wordt omtrent het geluk der slaven, wordt op nieuw door deze feiten wedersproken en wij zeggen het den graaf de Gasparin na, waar hij zegt: »Eene instelling, die het kwade toelaat, het in groote mate in 't leven roept, zeggende: dat de mensch een ding is, die instelling teelt noodzakelijk meer misdaden, meer misbruiken, meer verkrachtigingen, meer laagheden, dan de verbeelding der romanschrijvers ooit zal kunnen te voorschijn roepen. Wanneer een geheele stand het regt niet heeft, noch om zich te beklagen, noch om zich te verdedigen, noch in regten te getuigen; wanneer zijne stem zich niet kan doen hooren op eenige wijze hoegenaamd, dan is het veroorloofd de bekoorlijke tafereelen te verwerpen, die ons van zijn geluk worden opgehangen.
Men zou geheel onbekend moeten zijn met het menschelijk hart en met de geschiedenis, om den minsten twijfel hieromtrent te kunnen blijven koesteren.
Daarbij komt, dat zij, die, gelijk ik, eigenhandig de regterlijke stukken onzer koloniale slavernij hebben doorzocht, vreeselijk wantrouwend zijn geworden en gevaar loopen met een ongeloovig oog de beschrijvingen te beschouwen dier arkadische toestanden, welker waarde wij hebben kunnen toetsen!" [1385]
De gewone middelen ter correctie der slaven--en deze waren toch nog al krachtig--schijnen sommige meesters nog niet genoegzaam te zijn geweest tot bedwang der slaven, waarom meermalen door meesters aan het Gouvernement verlof werd gevraagd, om slaven, die zich slecht gedroegen, op 's lands fortificatiën te doen arbeiden, onder strenge discipline en zonder dat de meester huur hiervan behoefde te trekken. Dat verzoek werd meestal toegestaan, mits de eigenaar de onkosten der boeijen betaalde [1386]. Ook werd vermeerdering van het getal policie-dienaren noodzakelijk geacht en hun getal werkelijk met zes vermeerderd, ten einde meermalen ontdekte verbindtenissen tusschen slaven van Paramaribo en wegloopers, die in den omtrek huisden, tegen te gaan [1387].
Van de vergunning om slavenmagten bijeen te trekken (zie bladz. 665) werd ruimschoots gebruik gemaakt en gedurig leest men van overschrijvingen van slaven op de privé namen der eigenaren. Verscheidene malen werd toestemming verleend tot het afzonderlijk verkoopen der kinderen van hunne moeders, waartoe dan echter de moeder toestemming moest verleenen. Of deze toestemming altijd vrijwillig en zonder dwang van buiten werd gegeven, laten wij in het midden.
Op bladzijde 656 gewaagden wij als in het voorbijgaan, op grond van door ons ingewonnen inlichtingen, dat: de zoogenaamde vrije gouvernements-arbeiders, menschen van prijs gemaakte slavenschepen genomen, en door het Gouvernement in dienst gesteld--niet veel beter dan slaven werden behandeld; in officieele bescheiden wordt deze bewering bevestigd; de Britsche gezant leverde klagten bij onze regering in, dat de zoogenaamde vrije arbeiders als slaven behandeld werden en onder eene zeer strenge tucht stonden. De Gouverneur werd door den Minister opgedragen hieromtrent rapport te doen [1388]. Dit rapport hebben wij niet gevonden, doch uit verscheidene omstandigheden blijkt, dat de tucht over de zoogenaamde vrije arbeiders uiterst gestreng was.
De tegenwoordigheid van den Engelschen commissaris van het gemengd geregtshof tot wering van den slavenhandel was velen een doorn in het oog--(men zie o. a. het later gebeurde daaromtrent (bladz. 691) onder het bestuur van Elias.) Die Engelsche heeren werden door de slaven in zekeren zin als hunne beschermers aangezien, ofschoon zij omtrent hen niets te gebieden hadden. Het geval waarop Halberstadt, in zijn op bladzijde 678 aangehaalde werkje, doelt, betreffende willekeurige handelwijze van het koloniaal Gouvernement omtrent zekeren Engelschen grondeigenaar, den bij ons bekenden John Bent, staat ook hiermede eenigermate in betrekking.
John Bent had in September 1833 aan J. H. Lance, den Engelschen regter in het gemengd geregtshof ter wering van den slavenhandel, in die kwaliteit een brief geschreven, waarin hij als aanklager optrad tegen zekeren Nicholson (een Engelschman), wonende in het district Nickerie: »dat die het er op toeleidde, om zekere slaven uit de naburige Britsche kolonie Berbice met geweld te vervoeren, en dat Nicholson getracht zou hebben den bevelhebber van zekere op de kolonie varende schoener Carolina J. Green daartoe te verleiden. Lance, die de kolonie eerlang stond te verlaten, had dien brief medegedeeld aan de betrokkene partij en aan zijnen opvolger Dalrymph, terwijl hij--daar deze zaak buiten zijne competentie was--de beslissing aan den Gouverneur overliet, vertrouwende, dat deze betamende maatregelen zou nemen.
Van Heeckeren was over deze handelwijze van Bent zeer gebelgd; hij zag hierin eene bedoeling, om, door het kenbaar maken van deze zaak aan het Engelsch gouvernement, in de kolonie eene Engelsche jurisdictie, immers eene Engelsche surveillance te vestigen over inwoners en burgers der kolonie, en botsingen tusschen beide gouvernementen mogelijk te maken. Uit het ingesteld onderzoek bleek niets misdadigs van Nicholson, en daar Bent--zoo vermeende van Heeckeren--met vilipendentie van Nederlandsche autoriteiten zijne medeburgers bij een vreemden regter, tot geheel andere einden tegenwoordig, had aangeklaagd, zou men, krachtens artikel 67 van het reglement, wel vrijheid hebben gevonden om Bent uit de kolonie te verbannen. De Gouverneur vergenoegde zich evenwel slechts met:
a. Bent het Burgerregt te ontnemen: zijn naam zou in het Burger-register worden doorgehaald;
b. den Procureur-Generaal te gelasten op Bent een wakend oog te houden; en
c. Bent te bedreigen, dat, wanneer hij verder aanleiding daartoe gaf, hij de kolonie zou moeten ontruimen [1389].
De Nederlandsche regering berustte in de handelwijze van van Heeckeren ten opzigte van Bent, »ofschoon men er anders wel aanmerkingen op zou kunnen maken, doch men vertrouwde, dat de Gouverneur het beste weten zou wat met de eer en de waardigheid van het koloniaal Gouvernement overeenkwam." [1390]
In Januarij 1836 werd Bent weder in zijn burgerregt hersteld [1391], en later schijnt de verhouding tusschen hem en den Gouverneur beter te zijn geworden, daar Bent bij de zending van de Veer naar Demerary (zie bladz. 814) in den arm werd genomen, ten einde die zending, zoo mogelijk, te doen gelukken [1392].
Op voordragt van G. N. G. Vlier, omtrent een plan tot proefneming van kolonisatie met de vrije bevolking van Paramaribo, ten einde hen tot den landbouw op te leiden, werd in 1833 eene commissie gevormd [1393]. Het plan was om 20 huisgezinnen op Voorzorg te plaatsen; ieder huisgezin zou f 600 voorschot ontvangen, terwijl zij voor hunnen arbeid geen slaven mogten bezigen. De commissie besloot provisioneel de proefneming met zes huisgezinnen te nemen [1394]; onderscheidene omstandigheden, waarbij ook de ongeschiktheid van het terrein oorzaak waren, deden die proefneming mislukken.
Door het Nederlandsch gouvernement werd zekeren Bouni, voormalig Controleur der Bosschen, in dienst der Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Volksvlijt te Brussel, naar Suriname gezonden, ten einde te onderzoeken welk hout aldaar geschikt bevonden werd voor 's Rijks dienst en welke de beste wijze was dit te verkrijgen [1395].
Bouni overleed, kort na zijne aankomst te Suriname, waardoor het beoogde doel grootendeels werd gemist; de Minister van Koloniën verzocht echter den Gouverneur, dat men voortging met de nasporingen en tot proef een Rijks transportschip bevrachtte met 10,000 kubiekvoeten hout; dat men een plan vormde tot het oprigten van een corps negers, speciaal voor de houtvelling, en poogde betrekkingen met de Boschnegers aan te knoopen, ten einde hout van hen te koopen, ook ijzerhard, pokhout en letterhout, geschikt voor meubelmakers, door welker meerdere waarde de vrachtprijs minder kostbaar zou worden [1396].
Er is van tijd tot tijd eenig hout naar Nederland verzonden, doch deze handel kan nog veel uitbreiding erlangen.
Na de wegruiming van eenige moeijelijkheden, werden in 1836 nieuwe vredestraktaten met de onderscheidene stammen der Boschnegers gesloten [1397], en in 1838 ook den Becoe- en Musinga-negers veroorloofd houtwaren naar de Beneden-Saramacca af te voeren [1398].
Dikwijls kwamen bij de Commissie van onderwijs, aan wie het toevoorzigt en de verzorging, de opvoeding en het onderhoud der behoeftige weezen was opgedragen [1399], verzoeken in tot het oprigten van eene school voor arme kinderen, die daarop gratis onderwijs konden erlangen, daar het slechts aan eenige kinderen op de stadsschool verleend voorregt veel te beperkt was. In 1836 werd aan dit verzoek gehoor verleend: het vroegere cholera-hospitaal werd tot school en onderwijzerswoning ingerigt; het onderwijs zou zich bepalen tot lezen, schrijven, rekenen, de zedeleer en koraalgezang;--dit laatste echter slechts voor zoover de kinderen in een der Christelijke kerkgenootschappen waren opgenomen. De onderwijzer zou eene bezoldiging van f 1200 ontvangen [1400]. Later werden twee stadsscholen opgerigt: eene voor gealimenteerden en eene voor kinderen van behoeftige ouders [1401]; en werd ook in eene betere verzorging der behoeftige wezen voorzien.
Op Bladz. 671 schreven wij, dat vereenvoudiging in het bestuur der kolonie zeer gewenscht was, want dat het onderhoud van een legio ambtenaren, waarvan sommige weinig te doen hadden, enorme kosten veroorzaakte. Uit de officieele bescheiden blijkt, dat dit inderdaad zeer groot was, en het moet ons verwonderen, dat de Nederlandsche regering toeliet, dat groote sommen verspild werden (zie bladz. 677), daar de slechte staat van 's lands geldmiddelen niet veroorloofde onkosten voor Suriname te doen en telkens bij den Gouverneur werd aangedrongen om remises te zenden [1402].
Tijdens het Embargo (zie bladz. 671) door Engeland en Frankrijk op de Hollandsche schepen gelegd, werden de meeste ladingen uit Nederland naar Suriname en omgekeerd met neutrale schepen vervoerd. Dit verzwaarde echter de kosten en handel en landbouw werden hierdoor gedrukt.
Ook ondervond de handel belemmeringen door de voorzorgsmaatregelen tegen de cholera-morbus genomen (zie bladz. 661); vooral echter beklaagden zich de zeeofficieren bij de quarantaine over de moeijelijke dienst en bij herhaling wendden zij zich hierover tot den Gouverneur [1403].
Met veel lof wordt gewaagd van den dienstijver en de belangelooze behartiging van het welzijn der volkplanting door den R. C. pastoor J. Groof. Uit aanmerking daarvan werd hem uit de koloniale kas toegelegd eene gratificatie van f 1000 's jaars [1404], en erkende Z. M. deze zijne diensten, door hem tot Ridder der orde van den Nederlandschen Leeuw te benoemen [1405].
In het journaal van van Heeckeren van 8 April 1835 vindt men vermeld, dat zekeren heer Mr. J. M. Lotze het verzoek heeft gedaan, om het oude archief der kolonie te analiseren en te bearbeiden. Van Heeckeren begreep, dat dit voor de kennis der Geschiedenis van Suriname belangrijk kon zijn en stond hem dus zijn verzoek toe; en zoo lang als hij ter gouvernements-secretarie werkzaam zou wezen, zou hij als ambtenaar worden aangemerkt en hem schrijfbehoeften enz. worden verstrekt [1406]. Wij hebben niets verder van de resultaten van dien arbeid vernomen en vestigen daarom de aandacht op deze bijzonderheid, daar hiervan misschien een of ander bij het koloniaal archief berust en welligt nuttig kon zijn voor verdere nasporingen ten behoeve der Geschiedenis van Suriname.
CHRONOLOGISCHE TAFEL
der voornaamste gebeurtenissen in de geschiedenis van Suriname vermeld.
Jaren. Bladz.
1492. Ontdekking van Amerika 12 1499. Eerste ontdekkingsreizen naar Guiana 24 1500. Tweede ontdekkingsreizen naar Guiana 24 1580. Togten der Hollanders en Zeeuwen 28 1593. Guiana wordt, in naam van Filips den Tweeden, door 26 Domingo de Vera, in bezit genomen 1595. Togten van Walther Raleigh 28 1596. Togten van Laurens Keimis 28 1599. Togten van van Hollanders en Zeeuwen 29 1605. Eerste proeven ter kolonisatie door de Engelschen 30 1606. Tweede proeven ter kolonisatie door de Engelschen 30 1608. Derde proeven ter kolonisatie door de Engelschen 31 1614. Octrooi aan de Hollanders en Zeeuwen verleend, om de 29 nieuw ontdekte havens van Guiana, met uitsluiting van anderen, te bevaren 1624. Proeve ter kolonisatie door de Franschen 31 1630. Vestiging van kapitein Marechal in Suriname 32 1640. De Franschen nemen bezit van Suriname 32 1650. Lord Willoughby, Graaf van Parham, laat eene 33 volkplanting in Suriname aanleggen 1662. Koning Karel de Tweede van Engeland schenkt Suriname 34 bij giftbrief aan van Parham 1664. Vestiging der Joden in Suriname 37 1667. Vermeestering van Suriname door Abraham Crijnsen 40 -- Suriname wordt door de Engelschen onder John Hermans 43 hernomen 1668. Suriname wordt bij verdrag aan de Hollanders 45 teruggegeven 1668. Philip Julius Lichtenberg wordt tot Gouverneur van 46 Suriname benoemd 1669. Lichtenberg komt in Suriname en aanvaardt het 48 bestuur 1671. Lichtenberg keert naar Nederland terug 48 1672. Pieter Versterre aanvaardt a. i. het bestuur, onder 48 den titel van Luitenant-Gouverneur 1677. Pieter Versterre sterft. 48 -- Abel Thisso wordt Luitenant-Gouverneur. 48 -- Tobias Adriaensen aanvaardt het bestuur, onder den 48 titel van Kapitein-Commandeur der Provincie Suriname 1678. -- keert naar Nederland terug 48 -- Johannes Heinsius wordt Gouverneur 49 1679. Oorlog met de Indianen 50 1680. Honderd en vijftig man troepen komen uit Zeeland ter 51 versterking van het garnizoen -- Heinsius sterft 51 1682. De hulptroepen keeren naar Holland terug 51 -- Laurens Verboom neemt a. i. het bestuur op zich 52 -- De nieuwe West-Indische Compagnie wordt opgerigt en 53 Suriname bij octrooi aan haar afgestaan 1683. De W.-I. Compagnie verkoopt 1/3 aandeel van Suriname 54 aan de stad Amsterdam, 1/3 aan Cornelis van Aersens, Heer van Sommelsdijk en de nieuwe eigenaars noemen zich in dat contract: "De geoctroijeerde Sociëteit van Suriname", onder welken titel de directie wordt gevoerd 1683. Sommelsdijk wordt tot Gouverneur benoemd, komt in 59 Suriname en aanvaardt het bestuur 1684. Sommelsdijk stelt een raad van Policie en Justitie 61 aan 1685. Op de Joden-Savanne wordt eene Synagoge gebouwd. 72 1686. Fransche Emigranten komen als volksplanters in 65 Suriname. -- Labadisten komen als volksplanters in Suriname. 67 1688. Sommelsdijk laat eene kerk bouwen aan de Cottica 62 -- Sommelsdijk wordt door oproerige soldaten vermoord 78 -- Vredenburg neemt a. i. met de Raden van Policie het 81 bestuur op zich 1689. Johan van Scharphuisen wordt tot Gouverneur van 84 Suriname benoemd en aanvaardt het bestuur -- De Franschen wagen een aanval op Suriname, die 85 mislukt. 1696. Van Scharphuisen keert naar Nederland terug 86 -- Paulus van der Veer aanvaardt als Gouverneur het 86 bestuur. 1707. Paulus van der Veer keert naar Nederland terug 87 -- Willem de Gruijter wordt Gouverneur 87 1707. Willem de Gruijter sterft 87 -- François Anthony de Rayneval neemt a. i. het bestuur 87 op zich. 1710. Johan de Goyer wordt Gouverneur 88 1712. Mislukte aanval der Franschen, onder Cassard 89 -- Hernieuwde aanval en brandschatting der kolonie door 89 Cassard. 1713. Twisten tusschen de Geoctroijeerde Sociëteit van 95 Suriname en de Kolonisten 1715. Johan de Goyer sterft 102 -- François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden 102 van Policie a. i. het bestuur op zich 1716. Johan Mahony wordt Gouverneur 102 1717. Johan Mahony sterft 102 -- François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden 102 van Policie a. i. het bestuur op zich 1718. Jean Coutier wordt Gouverneur 102 1721. Jean Coutier sterft 102 -- François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden 102 van Policie a. i. het bestuur op zich 1722. Mr. Hendrik Temminck wordt Gouverneur 102 1724. De eerste koffij van Suriname te Amsterdam 107 aangebragt 1727. Mr. Hendrik Temminck sterft 102 -- François Anthony de Rayneval neemt met twee Raden 103 van Policie a. i. het bestuur op zich 1728. Mr. Karel Emelius Henry de Cheusses wordt Gouverneur 103 -- Verwoesting van plantaadjes door gevlugte 103 negerslaven 1730. De Cheusses laat een nieuw Gouvernementshuis bouwen 103 1733. De eerste Cacao verzonden naar Amsterdam 108 1734. De Cheusses sterft 103 -- Johan François Cornelis de Vries neemt met twee 103 Raden van Policie a. i. het bestuur op zich -- Jacob Alexander Henry de Cheusses wordt Gouverneur 103 1735. Jacob Alexander Henry de Cheusses sterft 103 -- Johan François Cornelis de Vries neemt met twee 103 Raden van Policie a. i. het bestuur op zich -- Johan François Cornelis de Vries sterft 103 -- Twee Raden van Policie nemen a. i. het bestuur op 104 zich -- Mr. Joan Raye wordt Gouverneur 104 1737. Mr. Joan Raye sterft 104 -- Gerard van de Schepper neemt a. i. het bestuur op 104 zich. 1738. Gerard van de Schepper wordt definitief tot 105 Gouverneur benoemd 1739. Vestiging der Moravische Broeders in Suriname 108 1742. Oprigting eener Mijncompagnie 110 -- De Schepper erlangt zijn ontslag 105 -- Mr. Joan Jacob Mauricius wordt Gouverneur 105-163 -- Johann Pfaff eerste Luthersche Predikant komt in 200 Suriname 1743. Kinderpokken, heete koortsen en andere ziekten 219 heerschen in Suriname 1744. Het Hof van Civiele Justitie wordt uitgebreid 165 -- De Luthersche kerk wordt gebouwd 178 -- Een gebouw voor het Hof van Policie, tevens tot 178 Hervormde kerk, gebouwd -- Mauricius neemt voorzorgsmaatregelen tegen een 207 aanval der Franschen 1745. Brand te Paramaribo 219 1746. Zware boschbrand in Suriname 219 -- Hevige tegenstand tegen Mauricius 208 1747. Komst van Boerenfamiliën ter kolonisatie in Suriname 218 -- Mauricius tracht vrede te sluiten met de Marrons 221 1749. Oprigting van eene kas tegen de wegloopers 220 1750. Prins Willem de vierde wordt door HHM. gemagtigd om 222 maatregelen te nemen tot herstel van rust en orde in Suriname; hij zendt de heeren van Spörche, Bosschaert Stenis en de Swart als commissarissen naar de kolonie, ten einde de zaken aldaar te onderzoeken -- De genoemde commissarissen komen in Suriname aan en 223 beginnen hun onderzoek 1751. Mauricius wordt door de commissie (ongeschonden 224 zijne eere en met behoud zijner gagie) provisioneel ontslagen, ten einde in persoon zijne zaak in Holland te kunnen verdedigen -- H. E. van Spörche neemt provisioneel het bestuur op 224 zich en de andere commissarissen keeren naar Holland terug -- Begin der finantiële crisis; --geldleening van een 233 millioen guldens door Willem Gideon Deutz 1752. Van Spörche sterft 236 -- Baron van Verschuer neemt onwettig, en met 238 voorbijgang van den Commandeur Crommelin, provisioneel het bestuur op zich 1753. Crommelin wordt door de Prinses Gouvernante en de 241 Sociëteit van Suriname in zijne regten hersteld; van Verschuer moet aftreden en Crommelin wordt a. i. Gouverneur -- Tegenstand der Cabale tegen Crommelin 242 -- Twisten tusschen de Hervormde Predikanten en het Hof 244 van Policie 1753. Tweespalt onder de Hoogduitsche Joden 245 -- Mauricius wordt in zijne eer hersteld 247 1754. P. A. van der Meer tot Gouverneur van Suriname 251 benoemd; komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur -- Maatregelen van voorzorg tegen een gevreesden inval 251 der Spanjaarden -- Aan het Orange-pad bij Para wordt eene kolonisatie 253 beproefd 1756. Van der Meer sterft 258 -- Jan Nepveu neemt, tijdens de afwezigheid van 258 Crommelin, a. i. het bestuur op zich -- Crommelin keert in de kolonie terug 259 1757. Crommelin aanvaardt a. i. het bestuur 259 -- Crommelin wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 260 1758. Een nieuw hospitaal wordt gebouwd 274 1760. Het hospitaal wordt voltooid 274 -- Vrede met de Aucaner-Boschnegers gesloten 156 1761. Twisten tusschen Crommelin en het Hof van Policie 266 -- Eerste uitgifte van kaartengeld 263 1762. Crommelin stelt voor een nieuw slavenreglement zamen 292 te stellen, doch ondervindt hierbij veel tegenwerking -- Vrede met de Saramaccaner-Boschnegers gesloten 158 1763. Hevige brand te Paramaribo 274 -- Opstand der slaven in Berbice 280 1764. Twee brandspuiten worden uit Nederland aangevoerd 275 -- Openbare putten voor drinkwater worden gemaakt 275 -- Kinderpokken onder de slaven 274 1765. Het opperhoofd der Saramaccaner-Boschnegers 284 ondersteunt de zending der Broedergemeente 1766. Aardbeving te Suriname 275 1767. Hevige boschbrand 275 1768. Crommelin vraagt verlof om naar Nederland te gaan; 297 dit verzoek wordt toegestaan en Jan Nepveu a. i. het bestuur opgedragen 1770. Crommelin ontvangt op zijn verzoek eervol ontslag 298 uit de betrekking van Gouverneur; hij vertrekt vervolgens naar Nederland, en Jan Nepveu wordt definitief tot Gouverneur aangesteld -- Nieuwe geldleeningen door de kolonisten 302 1772. Oprigting eener drukkerij door Mr. 316 Beeldsnijder-Matroos -- Oprigting van het corps negerjagers 320 -- Een corps van 800 soldaten, onder Fourgeoud, gaat 324 naar Suriname, ten einde den opstand der negers te breidelen 1772. Sommige togten tegen de wegloopers worden met 332 afwisselend gevolg gedaan 1773. Het corps, onder Fourgeoud, komt in Suriname 325 -- Twisten tusschen Fourgeoud en Nepveu 334 -- De eerste boschtogt wordt door Fourgeoud gedaan. 338 -- Toenemende finantiële moeijelijkheden ten gevolge 306 van onberaden geldleeningen -- Oprigting eener liefhebberij-comedie 317 1774. Eerste wekelijksche uitgifte eener courant. 316 1775. Oprigting van eenen Hollandschen Schouwburg 318 -- Nieuwe hulptroepen komen uit Nederland 341 1776. Oprigting van eenen Joodschen Schouwburg. 318 -- Nepveu doet een binnenlandsch cordon, ter 349 bescherming tegen de invallen der Boschnegers, oprigten -- Bonni vlugt over de Marowijne op Fransch 350 grondgebied. -- De eerste negerslaaf wordt door de Moravische 358 Broeders gedoopt 1777. De Fransche Intendant Malouet komt in Suriname om 351 over de op Fransch grondgebied gevlugte negers, met den Gouverneur, te onderhandelen -- Door de Sociëteit wordt een Boekhouder-Generaal 351 aangesteld. 1778. Fourgeoud verlaat de kolonie 353 -- Voorzorgsmaatregelen tengevolge van den tusschen 355 Engeland en Amerika uitgebroken oorlog 1779. Nepveu sterft 356 -- Bernard Texier neemt a. i. het bestuur op zich 356 -- Bernard Texier wordt definitief tot Gouverneur 360 aangesteld -- Hevige ziekten onder menschen en vee 362 1780. Voorzorgsmaatregelen bij het uitbreken van den 365 oorlog tusschen Nederland en Engeland -- Toeneming van de Broedergemeente onder de negers. 381 -- Een natuurkundig-gezelschap opgerigt. 383 1781. Hulp door de Franschen aan Suriname betoond. 374 -- Het Collegium Medicum opgerigt. 383 1783. De vredes preliminariën met Engeland geteekend. 380 -- Het zendingsstation der Broedergemeente onder de 381 Indianen wordt door de Boschnegers verwoest. -- Texier sterft. 384 -- Wolphert Jacob Beeldsnijder-Matroos neemt a. i. het 385 bestuur op zich. -- Nieuwe aanvallen der wegloopers 390 1783. Oprigting van een Letterkundig Genootschap onder de 417 zinspreuk: "Docendo Docemur" 1784. Pogingen tot herstel van den geschokten finantiëlen 387 toestand -- De vrede met Engeland hersteld 390 -- Betere regeling van het brieven-vervoer 396 -- Beeldsnijder-Matroos draagt het bestuur over aan den 397 tot Gouverneur benoemden J. G. Wichers 1785. De uitoefening der R. C. godsdienst wordt 407 toegestaan; R. C. priesters komen in Suriname en er wordt eene R. C. kerk en pastory gebouwd -- De privilegiën, Ascamoth enz. der Portugesche Joden 411 worden gewijzigd -- Het eeuwfeest van de stichting der Synagoge op de 411 Joden-Savanne wordt plegtig gevierd -- Het Genootschap der Surinaamsche Lettervrienden 419 wordt opgerigt 1787. De R. C. kerk wordt, met het celebreren eener 409 Hoogmis, ingewijd 1789. Nederlaag der Bonni-negers 435 1790. Een Landbouwkundig-Genootschap wordt opgerigt 424 -- Het etablissement Voorzorg, aan de Saramacca, ter 439 verpleging van Boassi lijders, wordt opgerigt -- Wichers vertrekt naar Nederland 439 -- J. J. Friderici neemt a. i. het bestuur op zich 440 1792. J. J. Friderici wordt definitief tot Gouverneur 440 aangesteld -- Bonni wordt gedood 444 1793. Invloed der Fransche revolutie op den gang der zaken 461 in Suriname -- Oorlogsverklaring van Frankrijk aan Engeland en 452 Nederland -- Maatregelen genomen tot verdediging der kolonie 453 tegen de Franschen -- Afschaffing der Slavernij in Cayenne, bij decreet 455 der Nationale Vergadering in Frankrijk 1795. Maatregelen genomen tot verdediging der kolonie 469 tegen de Engelschen -- Opheffing of vernietiging van de Geoctroijeerde 470 Sociëteit van Suriname 1796. Tijding in Suriname ontvangen van de verwijdering 459 van Prins Willem de Vijfde, uit Nederland, enz. -- Invoering der nieuwe orde van zaken in Suriname 462 -- Opstand der slaven in Berbice 464 1796. De oorlogsverklaring van Engeland aan de Bataafsche 476 Republiek wordt in Suriname bekend gemaakt. 1796. Friderici laat, zonder toestemming van het Hof van 477 Policie, kaartengeld maken 1799. Spaansche hulptroepen komen in Suriname 480 -- De Engelschen nemen het protectoraat van Suriname op 485 zich, terwijl Friderici Gouverneur blijft 1801. Vredes-preliminairen tusschen Frankrijk en Engeland 493 geteekend -- De vrede tusschen Frankrijk en Engeland te Amiens 493 gesloten 1802. O. W. Blois van Treslong komt Suriname, in naam der 494 Bataafsche Republiek, overnemen -- Friderici wordt geschorscht 495 -- Blois van Treslong neemt, met twee Raden van 496 Policie, provisioneel het bestuur op zich -- De handel met Holland wordt heropend 498 1803. Pierre Berranger, tot Commissaris-Generaal en 500 Gouverneur a. i. van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 1804. De Engelschen vertoonen zich op de Suriname. 503 -- De kolonie wordt bij capitulatie aan de Engelschen 504 overgegeven -- Sir Charles Green wordt tot Gouverneur van Suriname 513 benoemd en aanvaardt het bestuur -- De handel van en naar Engeland wordt opengesteld 520 1805. Green keert naar Engeland terug 541 -- William Carlyon Hughes wordt Luitenant-Gouverneur 541 -- Nieuw kaartengeld uitgegeven 544 -- Opstand van een gedeelte der negerjagers. 548 1806. Beperkende bepalingen van den slavenhandel in 546 Suriname ingevoerd 1807. De afschaffing van den slavenhandel in Suriname 547 bekend gemaakt -- Klagten der inwoners over de handelingen van de 555 beambten, bij het Custom-house 1808. Verlevendiging van den handel 557 -- Hughes sterft 557 -- John Wardlau neemt a. i. het bestuur op zich 557 1809. Cayenne wordt door de Engelschen veroverd 558 -- Charles Baron Bentinck, tot Gouverneur van Suriname 559 benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 1810. Er wordt eene kerk voor de Hervormde Gemeente 563 gebouwd. 1811. Bentinck sterft 564 -- Pincon Bonham aanvaardt voorloopig het bestuur 564 -- Bonham tracht orde in de verwarde finantiën te 565 brengen 1812. Bonham wordt definitief tot Gouverneur aangesteld 569 1813. John Bent wordt tot Administrateur der 569 verhypothekeerde plantaadjes benoemd en komt daartoe in Suriname 1813. De commissie van John Bent verwekt veel 573 ontevredenheid in Suriname en een hevige tegenstand openbaart zich 1814. De tegenstand wordt heviger 583 -- De Commissie van John Bent wordt opgeheven 586 -- De vrede tusschen Frankrijk en Engeland wordt 590 hersteld, Nederland herwint zijne nationaliteit -- De handel van Suriname met Holland wordt op nieuw 592 geopend 1815. Suriname zal weder onder Nederlandsch bestuur komen 592 -- De kolonisten in het distrikt Nickerie wenden 593 pogingen aan, om onder Engelsch bestuur te blijven, of ten minste vrijheid te erlangen met Engelsche koloniën handelsbetrekkingen te mogen onderhouden -- Er worden voorbereidende maatregelen genomen, om 595 Suriname aan het Nederlandsch bestuur over te geven 1816. Willem Benjamin van Panhuijs neemt Suriname, in naam 596 van den Koning der Nederlanden, van Bonham over -- Van Panhuijs aanvaardt het bestuur als Gouverneur 599 -- De nieuwe orde van zaken wordt geregeld 601 -- Van Panhuijs sterft 606 -- Mr. Cornelis Rijnhard Vaillant neemt a. i. het 607 bestuur op zich 1817. Nieuwe schoolwetten worden in Suriname ingevoerd 607 1818. Tusschen Engeland en Nederland wordt een tractaat 608 gesloten tot wering van den slavenhandel -- Nieuw kaartengeld wordt gemaakt 612 1819. De kinderpokken rigten te Suriname groote 609 verwoesting, voornamelijk onder de slaven, aan 1821. Paramaribo wordt door een hevigen brand voor een 612 groot deel in de asch gelegd 1822. Vaillant geeft het bestuur over aan den nieuw 616 benoemden Gouverneur, Johannes de Veer 1823. De griep heerscht in Suriname en maakt vele 623 slagtoffers 1825. Twee koopvaardijschepen verbranden ter reede van 623 Paramaribo -- De privilegiën der Joden worden, omdat zij, met de 624 andere ingezetenen, gelijke regten erlangen, ingetrokken 1826. Reductie en intrekking van het Surinaamsch 626 kaartengeld 1827. Een nieuw muntstelsel wordt in Suriname ingevoerd 628 -- De Surinaamsche Maatschappij van Weldadigheid wordt 634 opgerigt 1828. De Generaal-Majoor J. van den Bosch komt als 630 Commissaris-Generaal in Suriname -- De Veer erlangt zijn eervol ontslag 630 -- P. R. Cantz'laar aanvaardt het bestuur als 630 Gouverneur-Generaal der Nederlandsche West-Indische bezittingen -- Een nieuw Regeringsreglement, waarbij Suriname en de 639 W. I. eilanden onder een bestuur wordt gebragt, wordt ingevoerd -- De Maatschappij ter bevordering van het Godsdienstig 645 onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in de kolonie Suriname wordt opgerigt 1829. De Particuliere West Indische bank wordt opgerigt 652 -- Een Landbouwkundig Genootschap, onder de zinspreuk: 658 "Prodesse Conamur", wordt opgerigt -- Een kaperschip wordt opgebragt 659 1831. De Particuliere W. I. bank houdt op met het doen van 656 beleeningen -- Cantz'laar sterft 660 -- Mr. Evert Ludolph Baron van Heeckeren neemt a. i. 660 het bestuur op zich 1832. Van Heeckeren wordt definitief tot 660 Gouverneur-Generaal aangesteld -- Door eenige negerslaven wordt brand te Paramaribo 666 gesticht -- Een nieuw regerings-reglement wordt ingevoerd 672 1833. Drie negerslaven, die brand te Paramaribo hadden 670 gesticht, worden bij vonnis veroordeeld om levend te worden verbrand, welk vonnis aan hen wordt voltrokken -- Door Frankrijk en Engeland wordt embargo op de 671 Nederlandsche schepen gelegd 1834. Verscheidene togten tegen de wegloopers worden 676 gedaan -- Een nieuw school-reglement wordt ingevoerd 678 1835. Prins Hendrik komt in Suriname 677 -- De nieuw gebouwde kerk der Hervormde Gemeente te 677 Paramaribo wordt ingewijd -- De eerste steen der Hoogduitsche Synagoge te 677 Paramaribo wordt gelegd -- Een nieuw reglement voor de schutterij wordt 678 uitgevaardigd 1836. Genoemd reglement wordt door velen afgekeurd en dien 679 ten gevolge ontstaat eene groote sensatie te Paramaribo 1836. Op het etablissement voor de Boassie-lijders, 680 Batavia, wordt de aldaar gebouwde R. C. kerk ingewijd 1837. Nieuwe Hoogduitsche Synagoge ingewijd 680 1838. Van Heeckeren sterft 681 -- Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op 681 zich 1839. Julius Constant Rijk tot Gouverneur-Generaal 682 benoemd, komt in Suriname en aanvaardt het bestuur 1840. Er heerscht in Suriname schaarschte aan 683 levensmiddelen 1841. De agio op den wissel wordt hooger en Rijk beproeft 687 dit tegen te gaan 1842. Rijk keert naar Nederland terug 688 -- Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op 688 zich -- Burchard Jean Elias tot Gouverneur-Generaal benoemd, 689 komt in Suriname en aanvaardt het bestuur -- Elias ondervindt vele tegenwerking van de partij der 689 reactie 1843. Voorbereidende maatregelen tot vestiging van 699 Hollandsche kolonisten worden gemaakt 1845. Het administratief beheer van Suriname wordt van de 702 W. I. eilanden gescheiden -- Elias ontvangt, op zijn verzoek, een eervol ontslag 702 -- Renier Frederik Baron van Raders, tot Gouverneur van 705 Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur -- De Hollandsche kolonisten komen te Voorzorg aan de 706 Saramacca aan -- Er heerschen hevige ziekten onder de nieuw 708 aangekomen kolonisten 1846. Plegtige opening der werkzaamheden aan het 712 geprojecteerde kanaal naar Kwatta 1847. De billetten der particuliere West Indische bank 721 worden tegen gereed geld ingewisseld 1848. De voorgestelde verbeteringen van het 718 slaven-reglement vinden weinig bijval te Suriname -- Vrije handelswetten worden in Suriname ingevoerd 722 1849. De kolonisten van Voorzorg en Groningen verlaten 726 successivelijk de nederzetting aldaar 1851. De gele koorts heerscht in Suriname en maakt vele 726 slagtoffers -- De nieuwe slaven-reglementen worden ingevoerd 721 1852. Baron van Raders erlangt zijn eervol ontslag en 728 keert naar Nederland terug -- Mr. Philippus de Kanter neemt a. i. het bestuur op 729 zich -- De Kanter sterft 730 1852. Jonkheer Johann George Otto Stuart von Schmidt auf 730 Altenstadt tot Gouverneur van Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 1852. De Maatschappij van Weldadigheid viert haar 733 vijfentwintig jarig bestaan 1854. De Maatschappij ter bevordering van Godsdienstig 734 onderwijs onder de slaven en verdere Heidensche bevolking in Suriname viert haar vijfentwintig jarig bestaan 1855. Schmidt auf Altenstadt erlangt, op zijn verzoek, 740 eervol ontslag -- Charles Pierre Schimpf, tot Gouverneur van Suriname 740 benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 1859. Schimpf erlangt, op zijn verzoek, eervol ontslag 754 -- Reinhardt Frans van Lansberge, tot Gouverneur van 754 Suriname benoemd, komt in de kolonie en aanvaardt het bestuur 1860. Mr. L. Metman, benoemd tot Commissaris, speciaal 756 belast met alles wat betrekking had tot invoering eener nieuwe wetgeving in West-Indië, komt, tot uitvoering van dezen last, in de kolonie Suriname -- Metman sterft 756 -- De Bonni-negers worden van de cijnsbaarheid der 758 Aucaner-negers ontheven
"OCTROY OFTE FONDAMENTEELE CONDITIËN, ONDER DEWELKE HAAR HOOG MOG. TEN BESTEN EN DE VOORDEELE VAN DE INGESETENEN DESER LANDEN, DE COLONIE VAN SURINAME HEBBEN DOEN VALLEN IN HANDEN ENDE ONDER DIRECTIE VAN DE BEWINTHEBBEREN VAN DE GENERAALE NEDERLANTSCHE GEOCTROIJEERDE WEST-INDISCHE COMPAGNIE."
"De Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden:
Allen dengenen die dezen sien ofte horen lesen, salut. Doen te weten:
Nademaal wy in die persuasie zijn, dat de Colonie van Suriname van sodanige constitutie ende gelegentheit is, dat deselve in niet veele jaren tot een considerabele Colonie van dese Landen gemaekt soude konnen werden, doch dat hetselve met weynig hope van succes kan werden ondernomen, bij aldien den ondernemer sich niet getroost van in den beginne groote kosten te supporteren, alleenlijk op verwachtinge van na verloop van vele jaren de vrugten van sijn uijtgeschoten geldt ende arbeid te genieten, ende dat een colonie nootsakelijk in sijn geboorte moet smoren, indien men de Coloniërs in den aanbeginne swaarder belast, als sij bequaam ende magtig zijn te dragen, in plaatse van deselve door hulpe ende assistentie te ondersteunen mitsgaders door Privilegiën ende fondamentele wetten te versekeren, dat se in het toekomende in geene ondragelijke lasten sullen werden geïnvolveert; want door sodanigen maniere van doen de albereijts aanwezende Coloniërs ondergehouden en alle anderen afgeschrikt werden, omme tot voortsettinge van sodanigen Colonie, ende op hope van het doen van voordeel en van welvaren ende van het paisibel jouisseren van dien, sich mede derwaarts te begeven; ende dat ter contrarie, indien men de coloniërs in den aanbeginne sachtelijck en selfs met hulpe ende assistentie handelt, mitsgaders dat men haer volkomen gerustheijdt geeft datse voor het toekomende, als sy in staet van middelen ende welvaren souden mogen wesen gekomen, niet en sullen werden geexactioneert, ofte met schattingen uijtgeput, een Colonie op een welgelegen plaetse gefondeert wesende, aan een kleijn begin in korten tijdt door toevloeijinge aan alle kanten tot een bijsonder en groot werck gemaeckt kan werden; ende dat de Generale Geoctroijeerde West-Indische Compagnie deser Landen, sich niet ongenegen en toont, om op soodanige gronden en andere fondamentele en onveranderlijke conditiën de bescherminge ende den opbouw van de voorsz. Colonie van Suriname door de Heeren Staten van Zeelandt eenige jaren geleden, ondernomen, ten besten van dese Landen en van de gemelte West-Indische Compagnie verder voort te setten en soo mogelijck onder de genadige toelatinge en zegen van Godt Almachtig, tot het gewenscht en beoogmerckt eijnde te brengen. Soo ist; dat Wy mede considererende, dat het voordeel ende welvaren, dat in gevalle van verhoopt succes van deselve Colonie sal proflueren, door accres van Commercie ende Navigatie, door het debit van veelderhande Manufacturen ende vruchten door het Manufactureren van de rouwe waaren, dewelke van daer in retouren herwaerts gebracht ende gemanufactureert wesende, wederom in andere handen gedebiteert ende verhandelt werden door den consinuelen aenbouw en de reparatie van schepen derwaerts varende, en van de worm aldaer opgegeten wordende, door het aanqueecken van zeevarend volck en bequame Matrosen ende uijt andere Hoofden meer sal komen, aen alle de Ingezetenen gesamentlijck ende sulcks vervolghens aen den staet selve, goedtghevonden hebben, gelijck Wij goedtvinden bij desen, de voorsz. Colonie van Suriname met alle hare appendensien en dependensiën onder de conditiën en fondamentele onveranderlijcke Articulen hierna volgende te cederen en over te geven aen de gemelde Generale West-Indische Compagnie deser Landen, om bij deselve gheaenvaert te werden, met alsulken recht als de voorzsz. Compagnie is, hebbende op alle hare conquesten, gelegen in de Limiten van den Octroije, aen haer verleent met dat onderscheijdt alleen, dat de meer ghemelte compagnie ten eeuwigen dage niet bevoeght sal zijn, ofte vermogen eenighe de minste veranderinge te brengen in datgene, hetwelcke by de volgende Articulen bepaelt ende gelitimeert staet, dewijle wy de voorsz. Articulen gunnen, consenteren en accorderen, gelijck wy doen by desen, als een octroy ofte privilegie gegeven ten voordeele en tot gerustheyt van alle diegene, dewelcke sigh op de voorsz. Colonie albereyts ter neder hebben gesteldt of noch sullen komen te begeven, sonder dat daervan oyt ofte oyt selfs by de Machten van dese Landen, ten nadeel van de Opgezetenen aldaer sal moge werden gerecedeert.
ART. I.
"Dat de Ed. Mog. Heeren Staten van Zeelandt de voorsz. Colonie van Suriname met haer Geschut, Amunitie van Oorlogh, ende wat des meer zy, mitsgaders alle vordere appendentiën ende dependentiën van dien, en in dier voegen, als de gemelte haer Edele Mog. de selve Colonie althans besitten, sullen overleveren aen de gemelte generale geoctroijeerde West-Indische Compagnie; met dien verstande, dat alle lasten ende voordeelen ofte profijten van de voorsz. Colonie, sullen komen ende begonnen hebben te lopen voor reeckeninge van de geseyde Compagnie, op den dagh dat het octroy sal werden gearresteert, ende dat alle voorgaende lasten en gemaeckte schulden, hetzy soldije van de Militie, Gagiën ende Tractementen, ofte andere, uyt wat hoofde die soude mogen voorkomen, ende van wat natuyre die soude mogen zijn geen uytgesondert, ter verantwoordinge in lasten sullen blijven van de gemelte haer Ed. Mog., sonder dat oyt of oyt de voorsz. Compagnie ter sake van dien aengesproken en gemolesteert, ofte by eenigh rechter als schuldig sal mogen werden aengesien, en veel min geoordeelt.
ART. II.
"Dat de voorsz. Compagnie gehouden sal zijn voor den tijdt van tien achter een volgende jaren, aen alle de Coloniërs en Opgezetenen aldaer, indistinctelijk te verleenen exemptie en immuniteyt van alle lasten, waermede althans beswaerdt zijn, uytghenomen alleen het Lastgeld van de schepen, ende het Waeghgeld, in voegen als hetselve by het vierde Articul sal gereguleerd werden tot voorkominge van frauden en disordres dewelcke als nu ten merckelijken nadeele van de Colonie selfs aldaer in swang gaen.
ART. III.
"Dat oock alle diegenen dewelcke hier nu sigh op de voorsz. Colonie sullen komen ter nederstellen, voor gelijcke thien jaren sullen hebben gelijcke vrijheyt en exemptie.
ART. IV.
"Dat de voorsz. eerste thien jaren ge-escouleert wesende, de gemelte Compagnie niet en sal vermogen oyt of oyt eenighe Lasten of Impositiën op te stellen, ofte te heffen buyten diegene dewelcke in dit Articul specifiquelijck staen ter neder gestelt, ten ware uyt noot ende te gelijckelijck met vry en liber consent van den Gouverneur ende den Politycquen Raet aldaer, dewelcke mede ten dien eynde, door de Coloniërs selve ende uyt de beste onder haer geformeert sal werden; ende namentlijk sal de voorsz. Compagnie noyt meer mogen trecken als drie guldens voor yder last dat een schip groot is, voor uytgaen, in gelijcke drie guldens voor inkomen, wegens het Lastgeldt voor de schepen, ende voor de binnelasten niet anders als vijftigh pont suycker voor yder Opgezeten, soo Blancken als Negros, wegens Hooft-gelt jaerlijcks en twee en een half per cento van de waerde van alle goederen, dewelcke van daer na dese Landen sullen werden versonden, ofte aldaer verkocht wegens Waegh-gelt, sullende ten dien eynde ende specialijck mede tot voorkominge van veele frauden ende disordres aldaer een of meer Wagen werden opgerecht, ende by yder Wage gestelt een bequame Keurmeester die de Suyckeren sullen moeten keuren, of die bequaam zijn om gelevert te konnen werden, ende sullen aldaer alle goederen by betalinge ofte afleveringe t'elckens ende soo meenighmael als verkocht ofte van daer na dese Landen versonden werden, het voorsz. Waegh-geldt van twee ende een half per cento subject zijn, ende moeten werden gewogen en voorgeslagen.
ART. V.
"Dat de voorsz. Compagnie nu door dese overdracht Meester en Eygenaer werdende van de geseyde Colonie, niet en sal vermogen ten rigoureusten te procederen tot inning van de schulden, dewelcke aldaer wegens reets aengebrachte ende geleverde slaven uytstaende heeft; maer dat tot gerustheydt van soodanige Coloniërs, dewelcke tot prompte betalinge onmachtigh zijn, deselve sal gedaen werden in drie termijnen, yder van twaelf maenden, en waervan de eerste sal wesen verschenen twaelf maenden na dat de Compagnie in de reëele possessie van de gemelte Colonie sal wesen gekomen.
ART. VI.
"Dat dewijle de gemelte Colonie niet wel kan worden voortgeset, dan door middel van Swarte Slaven ofte Negros ende dat niemandt buyten de voorsz. Compagnie in dese Landen bevoeght is eenighe slaven te halen van de kuste van Africa, alwaer alleen in gehandelt werden, soo sal de voorsz. Compagnie geobligeert zijn, aen de geseyde Colonie jaerlijck te leveren sodanigen aental slaven, als aldaer sullen wesen gerequireert.
ART. VII.
"Ende opdat tot bijsondere voortsettinge van alle wercken en plantagiën aldaer, een yegelijk Colonier of Planter, en soowel de kleyne of onmachtigen, als de groote ofte machtigen van hare nodige Negros mogen werden voorsien, sal de gemelte Compagnie gehouden zijn de Negros, dewelcke van tijdt tot tijd sullen werden aengebracht publyck te verkopen, en by twee stuk t'effens op te veylen, wel verstaende, dat deselve Compagnie, om versekert te zijn van de voldoeninge van de prijs die voor de voorsz. Negros sal werden uytgelooft, by het verkopen van de voorsz. Negros sal mogen bedingen sodanige sekerheyt als deselve sal oordelen tot haer gerustheidt dien aengaende te konnen strecken.
ART. VIII.
"Dat de betalinge der alsoo publyck verkochte Negros sal geschieden in drie termijnen yder van ses maenden, gereguleerd na de tijdt dat de suyckeren bequamelijckst gelevert konnen werden; des sal alsdan de voorsz. betalinge precise moeten werden gedaen, ende by nalatigheidt van dien de gebrekige by wegen van parate executie, en sonder eenige Rechtspleginge tot een effective voldoeninge gecompelleert werden; met dien verstande evenwel, dat het den Gouverneur vry sal staen, ter requisitie van de Coloniërs en Planters te verleenen provisioneele surcheantie van de voornoemde executie, doch niet anders dan om merckelijcke redenen, dewelcke hen daer toe soude mogen brengen, en op speciale approbatie van de Heeren Bewinthebberen van de voorsz. Compagnie.
ART. IX.
"Dat dewijle tot den aenbouw van voorsz. Colonie mede ten hoogsten nootsakelijck is, dat het getal der blancke Menschen aldaer, soo veel en spoedigh mogelijck geaugmenteert werde; soo sal de Compagnie besorgen, dat derwaerts uyt dese Landen soo veel Personen mogen werden getransporteert, als de voorsz. Compagnie sal konnen en bequaem wesen uyt te wercken.
ART. X.
"Dat ten dien eynde alle schepen uyt dese Landen derwaerts aenleggende, gehouden sullen zijn (indien de geseyde Compagnie sulcks soude mogen begeren) yder twaelf Personen over te voeren, voor een somme van dertigh guldens voor yder Persoon, wegens transport en kostgelt te genieten, te kosten aen haer Lastgeldt in het uytgaen en inkomen half en half, twee Personen voor een, indien beneden de twaelf jaren zijn.
ART. XI.
"Dat om de voorsz. Colonie krachtelijck en so veel mogelijk voort te setten en om alle voordeelen, dewelcke hy verhoopt succes van deselve sullen komen af te vloeijen, te doen vallen in de schoot van de Coloniërs en Planters aldaer ende van de Ingezetenen van desen staet, den Handel en Traffycque op Suriname, ende van daer indistinctelijck liber en open sal zijn aen alle ingezetenen van desen staet, blijvende niettemin geobligeert in conformité van den octroye van de voornoemde Compagnie, de selve Compagnie te erkennen, en aen haer by forme van recognitie te betalen het Lastgeldt in het vierde van dese fondamentele Articulen geëxpresseert, en daer en boven te stellen cautie, van niet te sullen komen op de kuste van Africa, ofte alle de plaatsen alwaer de voorsz. Compagnie den handel privative heeft, ende met uytsluitinge van de Ingezetenen van desen staat, ende dat sy met de voornoemde hare schepen en laandinge wederomme in dese Landen sullen retourneren, sullen de voorsz. schepen, het geseyde Lastgelt betaelt, ende cautie gestelt hebbende, aanstonds t' haerder requisitie aen hare pasporten en commissiën, door de gemelte Compagnie geholpen ende ge-expedieert moeten werden, ten eynde in haer voorgenomen reyse niet mogen belet, ofte in faveur van andere schepen opgehouden werden; daer en boven tot particuliere gerustheyt van gemelte haer Edele Mogende de Heeren Staten van Zeelandt, werdt mede vastgestelt, dat derselver Ingezetenen in t' gaan en wederkomen, en aldaer te Lande behouden, sullen ten allen tijden de vrije en onbekommerde Navigatie, Commercie en inwoninge, sonder dat die oyt sal mogen werden gesloten, of in eenigen manieren hoger, swaerder ofte meerder, sullen mogen werden belast, gelimiteert ofte in haar vrijheyt bepaelt, als ten aensien van eenigh Ingezeten van Hollandt, ofte van eenige andere Provincie sal vermogen te geschieden, maar dat alles op het fondament van dit Octroy aan de Ingezetenen van alle de Provinciën egaal sal zijn, soo wel de lasten als de voorrechten, zonder disstinctie onder gelijcke verbintenisse.
ART. XII.
"Dat den Handel en de Vaert op ende van de Voorsz. Colonie alleen, sal mogen geschieden, directelijck uit en na dese Landen, ende dat oock vervolgens alle de vruchten, waren, en gewassen nergens heen, als directelijck op dese Landen sullen mogen worden gesonden, mitsgaders ook alle Behoeften voor de voorsz. Colonie gerequireert, uijt desen Landen ende nergens anders van daen derwaerts werden gebracht.
ART. XIII.
"Ende opdat de voorsz. Ingesetenen derwaerts traffiquerende, gerust mogen gesteld wesen, dat sy in de voorsz. liberteijt van derwaerdts ende herwaerdts te navigeren, door de schepen van de Compagnie niet en sullen werden geprejudicieert, door de avantagiën, die de deselve Compagnie aan haer eijgen schepen soude genegen mogen sijn te geven ende toe te brengen, soo sal de gemelte Compagnie bij desen aennemen van geen meerder schepen derwaerts te sullen senden, als die gerequireerd sullen werden en machtigh zijn, om de noodige Negros daer na toe te voeren ende de suijckeren ende andere waren, door den verkoop der voorsz. Negros, ofte door de opgestelde Impositiën eijgen geworden zijnde aen de voorsz. Compagnie, van daer af te halen, sullende de voorsz. Compagnie geen goederen van Particulieren in hare schepen vermogen te doen laden en overvoeren, als alleen in die schepen, die slaven daer hebben gebracht.
ART. XIV.
"Dat de Koopluijden daer te Lande aengekomende wesende met hare schepen en goederen, sullen mogen gaen liggen op alle soodanige Plaetsen, als sy sullen oordeelen voor haer commodienst ende profijtelijckst te wesen; mits daerinne aen de Compagnie selve, ofte aen andere Opgezetenen geen belemmering komen te geven, en dat daerdoor de gemelte Compagnie in haer impositiën en Gerechtigheden niet en werde verkort, waer op den Gouverneur en Raeden seer exactelijck sullen hebben te reflecteren.
ART. XV.
"Dat gelijck het yder een vry staet, met sijn persoon, Familie en Goederen in de voorsz. Colonie te komen, het oock alsoo sal wesen gepermitteert aen een yegelijk, dewelcke alrede sigh daer ter neder gesteld heeft, ofte sal komen te stellen, ten allen tijde van daer te vertrecken met hare Slaven, Beesten en verdere roerende goederen, en dat naer soodanige andere Plaetsen ofte Eijlanden als het haer sal believen, konnende tot het voorsz. transport, huuren afkoopen alsulcke Schepen of Vaartuigen, als sy tot haer voorsz. desseijn hen sullen oordeelen dienstig te wesen.
ART. XVI.
"Ende opdat de Coloniërs ende Planters in Suriname mitsgaders de Ingesetenen deser Landen met deselve commercierende, volkomen gerust mogen sijn, dat de voorsz. exemptiën en privilegiën effective sullen werden achtervolght en naergekomen; soo zal den Gouverneur ende den Politiquen Raedt, in voegen de zelve hiernaer sullen werden aengestelt, gehouden zijn op haren Eedt te besorgen, dat daer jegens geen infractiën komen gemaekt te werden.
ART. XVII.
"Sullende den Gouverneur, die 't hoogste gesagh sal competeren bij de voorsz. Compagnie absolute aengestelt werden, mits de selve, ende oock sijne Instructie by hoogghemelte haer Hoog Mogende werde gheapprobeert, en dat hem by deselve haer Hoog Mogende en Sijne Hoogheidt den Heere Prince van Oranje, de nodige commissie gegeven sal moeten werden.
ART. XVIII.
"Dat den voorsz. Politiquen Raedt sal bestaan ende gecompaseert wesen nu voor de eerste maal uit thien persoonen en bij vervolgh van tijden naer het accrois van de Colonie, de Inclinatie van de Ingezetenen, ofte om andere redenen op het welghevallen en goetvinden van de voornoemde Compagnie moghten werden verhooght tot veertig persoonen incluis.
ART. XIX.
"Sullende de voornoemde Raedtspersoonen uijt de aensienlijckste, verstandighste en moderaetste onder de Coloniërs, haer levenlangh gedurende tot de voorsz. Raedsplaets beroepen werden, te weten door pluraliteit van stemmen van alle de Coloniërs een dubbelt getal genomineert wesende, sal den Gouverneur daaruit electie doen, waerinne by afstervingh ofte vertreck tot suppletie gecontinueerd sal werden, ter tijde en wijle het getal der Coloniërs soo sal wesen, dat hetselve niet wel als met een disordre soude konnen werden gepractiseert, als wanneer de Compagnie op approbatie van haer Hoog Mogende sal mogen ordonneeren, dat de nominatie tot de voorsz. suppletie jaerlijcks, op een vastgestelden dagh geschiede door de overgebleven Raetspersonen alleen; sullende echter de voorsz. veranderingh niet mogen werden gemaekt als naer dat het getal der Raedtspersoonen, ten minsten tot dertigh personen sal wesen geaugmenteert.
ART. XX.
"Dat al hoewel den gemelten Gouverneur in alle sacken zoo politijck als Militair het opperste gezag zal hebben, soo sal hy evenwel daer omtrent in saken van eenig aanbelang gehouden zijn, den gemelten Raedt te Convoceren, de sacke aldaer voordragen, ende in deliberatie leggen, en het besluijt formeren, soo en in dier voegen, als by pluraliteit van stemmen oirbaer en dienstigh geoordeeld sal wesen, sullende sodanigh besluit, soo als het soude mogen liggen, door den voornoemden Gouverneur moeten opgevolgt ende getrouwelijck ter executie geleyt werden.
ART. XXI.
"Behoudelijck nogthans, dat den gemelden Gouverneur midtsgaders den Raed gesamentlijck en yder in het bijsonder in alle saken, in deese fondamentele articulen niet specialijck gelimiteert en bepaelt, gehouden sullen zijn te obtempereren, ende op te volghen het bevel ende de ordres dewelcke haer van tijdt tot tijdt door de gemelte Compagnie gegeven, ende geprescribeert sullen werden ende dat op den Eedt by hun respectivelijck ten ingangh van hunne Bedieningen gedaen, en sulcks dat de voorsz. hare besluijten alleen plaets sullen hebben in alle saecken, dewelcke in deze Articulen als privilegiën bevat sijn, en verders in alle andere saecken, waaromtrent den gemelten Gouverneur geen specialen last en ordre ofte instructie sal hebben bekomen.
ART. XXII.
"Dat oock den voornoemden Gouverneur ende Raden sullen moeten vaceren tot het administreren van alle Criminele Justitie.
ART. XXIII.
"Dat in reguarde van de civile Justitie, afgezondert van het voorsz. crimineel, deselve geadministreert ende waergenomen sal werden door den gemelten Gouverneur, benevens ses aansienelijcke en verstandige Personen, om de twee jaren daer toe op naervolgende wijse, hetzij uijt het midden van den voorsz. Raedt, hetzij uijt de Coloniërs ofte Planters te verkiesen, sullende in dese, gelijck ook in de deliberatie van den voorsz. Politiquen Raedt, met de meeste stemmen geconcludeert werden, ende den gemelten Gouverneur niet meer als een stem hebben; dog in Cas van egualiteit van stemmen aen wederzijden, sal met het advis van den Gouverneur geconcludeert werden.
ART. XXIV.
"Dat de voornoemde zes personen twee jaren als Rechters en Raden van Justitie gedient hebbende, de eene helft van deselve sal moeten afgaen, om plaetse te maken der anderen, dewelke haer in het voornoemde emploi volgen sullen, om voor twee volgende jaren benevens den gemelden Gouverneur ende de drie aengheblevene Raden van Justitie de voorsz. Rechtbanck te besorgen, sullende de voornoemde Raden van Justitie aengestelt werden als volght: namentlijck door den Gouverneur ende den Politiquen Raedt; by pluraliteijt van stemmen, voor de eerste mael twaelf Persoonen, en vervolghens van twee jaren tot twee jaren, op den eersten dagh van Januarij zes persoonen genomineert wesende, sal den Gouverneur daaruijt voor de voorsz. eerste mael ses Persoonen verkiezen en vervolgens voor de voorsz. twee tot twee jaren drie Persoonen, en uijt de oude Raden van Justitie mede drie Persoonen, om benevens hem als vooren voor twee jaren Recht en Justitie te administreren.
ART. XXV.
"Dat de voornoemde Raden van Politie van meerder rang en respect sullen wesen, als de voornoemde Raden van Justitie, doch dat in de voorsz. respective collegiën, die gene onder deselve de preseance ende voorrang zullen hebben, voor de eerste maal, die de oudtste van jaren sullen sijn, ende vervolgens die eerst tot de voorsz. digniteijten en Bedieningen sullen wesen beroepen, met die distinatie evenwel, dat in het voorsz. collegie van Justitie, de Raden van Politie, dewelcke daartoe zouden mogen werden beroepen, altijdt uijt respect de preseance en de voorrangh sullen hebben.
ART. XXVI.
"Dat de voornoemde Raden van Politie en Justitie respective, de voorsz. hare Bedieningen sullen moeten waernemen, sonder daervoor eenige weddens of vergeldingen te genieten, maer alleen uijt liefde ten besten van 't gemeen.
ART. XXVII.
"Dat het onderhout van de Fortresse aen de Riviere van Suriname, midtsgaders het maken en onderhouden van alle vordere Fortificatiën, by aldien sulcks bevonden soude mogen werden te wesen gerequireert, sal zijn ten laste van de voorsz. Compagnie, gelijck oock het Geschut, de Amunitie van oorlogh, de soldijen en het onderhoudt van 't Guarnisoen, ende alles wat relatie heeft tot bescherminge ende defensie van de voorsz. Colonie.
SECTION XXVIII
Art. XXVIII.
"Dat de voornoemde Bewindhebberen sullen moeten besorgen, dat de Coloniërs ten allen tijden sijn voorzien van een of meer Bedienaars des Goddelijken Woordts, nadat de gelegentheijdt van de Colonie het zoude moghen komen te vereisschen ten einde de Coloniërs ende, de verdere opgesetenen aldaer in de vreese des Heeren, ende Leere ter Zaligheyt geleydt ende onderwesen mogen werden mitsgaders tot het gebruyck der Heylighe Sacramenten bequame occasie hebben, sullende de voornoemde Predicanten niet by de voorsz. Compagnie, maar by de Coloniërs en Opgezetenen selve onderhouden werden, uyt een middel ofte fonds dat den gemelten Gouverneur ende Raden daertoe op approbatie van Bewinthebberen sullen mogen ordonneren en heffen.
ART. XXIX.
"Dat oock den voornoemden Gouverneur ende Raedt op approbatie van Bewinthebberen sullen mogen stellen eenige kleyne en modicque lasten, tot verval van de noodige kosten van de voorsz. respective collegiën van Raden ende Rechters, mitsgaders tot onderhoudt van Kerckendienst, Schoolmeesters en diergelijcke, voor sooveel hetselve soude mogen werden geoordeelt nootsakelijck of dienstigh te wesen.
ART. XXX.
"Dat den voornoemden Gouverneur en Raden niet en sullen wesen bevoeght eenighe Impositiën ofte Lasten te mogen stellen ofte heffen anders als op speciale approbatie van haer Hoogh Mogende, en van de Heeren Bewinthebberen, ten eynde de gemelte Coloniërs oock mogen wesen gerust ten respecte van de buytensporigheden, waer in de voorsz. Raden selve soude mogen komen te vallen.
ART. XXXI.
"Dat den voornoemden Gouverneur sal wesen gehouden Eedt van getrouwigheyt aen haer Hoogh Mogende, mitsgaders aen de Bewinthebberen van de voorsz. Compagnie te doen ende voornoemde Raden ende Rechters gelijcken Eedt, na seker Formulier daer van te beramen, in handen van den voornoemden Gouverneur; ende dat de Soldaten, Matrosen ende verdere Bedienden, dewelcke by de voorsz. Compagnie sullen werden gesoldoijeert en betaalt, alle aanghenomen en be-eedight sullen werden op en volgens de generale Articulbrief van de Compagnie, sullende alle de Opgezetenen ende Coloniërs mede Eedt van getrouwigheydt aen den Staet ende Compagnie moeten doen Particulier Formulier daervan insgelijcks te beramen na het exempel van de Eeden der Burgeren en Ingezetenen deser Landen.
ART. XXXII.
"Laatstelijck, dat indien by experientie van eenighe jaren soude mogen werden ondervonden, dat de voorsz. Colonie te lastigh soude vallen voor de gheseyde West-Indische Compagnie, soodanigh, dat de Bewinthebberen ende de Hooft-participanten souden mogen oordeelen, dat het verder aenhouden van de voornoemde Colonie voor deselve Compagnie soude wesen seer nadeeligh en ruineus, in sulcken gevalle het de gemelte Bewinthebberen, sal wesen gepermitteert, van de voorsz. Colonie by abondonnement afstandt te mogen doen, met al sulcken effect, dat den Staet omtrent de besorginghe van de voorsz. Colonie, alsdan gehouden sal zijn ordres te stellen buyten de geseyde Compagnie.
"Weshalven wy ontbieden ende versoecken, oock lasten en bevelen allen en eenen ygelijcken die dit eenigsints aengaen magh, dat sy van dit ons Consent en Octroy, en van allen den inhouden van dien, oock de vrijheden ende exemptiën, in voegen en manieren boven verhaelt, soowel de gemelte West-Indische Compagnie deser Landen, als diegene die sigh als boven albereydts op de voorsz. Colonie hebben ter neder ghestelt ofte sigh noch souden willen ter neder stellen, doen, laten, en gedogen rustelijck, vredelijck, en volkomentlijck genieten ende gebruicken, sonder aan deselve, of hier tegens te doen ofte te laten geschieden eenigh hinder, letsel, ofte moeijenisse ter contrarie, want onse ernstige meyninge sulcks is.--Gegeven in den Hage onder het groot Zegel van den Staet, de Paraphure van den Heer Presiderende in onse vergaderinge ende de Signature van onzen Griffier, op den drie en twintigsten September 1682. Was geparapheert A. GERLAGHUS, VT.,--Onderstond, ter ordonnantie van de hooggemelte Heeren Staten-Generaal. Was geteekent H. FAGEL. Hebbende onder uyt hangen het Zegel van haer Hoogh Mogende in rooden wassche, aan een rooden zijden bandt.
NAAMLIJST DER PREDIKANTEN BIJ DE HERVORMDE GEMEENTE TE SURINAME.
Anno 1668 Ds. Baseliers, overleden 1689 Anno 1687 (Mei) Ds. Henricus Rosinus, overl. 1694. Anno 1695 (Junij) Ds. Cornelis Wachtendorp, beroepen van Kommewijne, derwaarts terug ber. September 1701. Anno 1696 (Dec.) Ds. Agidius de Hoy, ber. van Perika en Kottika, overl. Aug. 1698. Anno 1697 (Aug.) Ds. Christophorus Nucella, overl. Maart 1705. Anno 1705 (April) Ds. Cornelis Voltelin, overl. Sept. 1706. Anno 1707 (Maart) Ds. Boëthuis Moda, overl. Nov. 1708. Anno 1708 (Dec.) Ds. Justus Fauvarque [1407], overl. Sept. 1709. Anno 1710 (Julij.) Ds. Diderik Jacob Engel, overl. Sept. 1713. Anno 1712 (Nov.) Ds. David Estor*, Emeritus October 1731. Anno 1713 (Dec.) Ds. Abraham Aegidius Engel, overl. 1734. Anno 1729 (Junij) Ds. Emanuel Vieira, op zijn verzoek ontslagen Augustus 1731 en naar het vaderland teruggekeerd; terug gekomen en andermaal in dienst getreden September 1739; van hier naar Perika en Kottika beroepen Junij 1743; van daar terug beroepen naar Paramaribo Mei 1758, waar hij als Extra ordinaris Predikant dienst deed en overleed 1760. Anno 1732 (Julij) Ds. Petrus IJver* op zijn verzoek ontslagen in Januarij 1755, deed echter dienst als extr. ord. Predikant, overl. Julij 1763. Anno 1732 (Aug.) Ds. Jan Martinus Kleijn, ber. Julij 1733 naar Perika en Kottika. Anno 1734 (Dec.) Ds. Georgius Wilhelmus Montanus ber. Julij 1736 naar Altenwiedt, Graafschap Wiedt, doch vóór zijn vertrek in Junij 1738 overleden. Anno 1743 (Augs.) Ds. Eggo Fonkens van Hoevenberg. Twee dagen na zijne aankomst krankzinnig geworden, in Mei 1744 naar Holland gezonden, terug gekeerd in April 1749, doch in Junij deszelfden jaars ontslagen en naar Nieuw-Engeland vertrokken. Anno 1746 (Oct.) Ds. Lambertus de Ronde, in Februarij 1750 op zijn verzoek ontslagen en naar het vaderland vertrokken. Anno 1752 (Dec.) Ds. Lambertus Doesburgh, ber. van de Commewijne in Sept. 1756 op zijn verzoek ontslagen; Augustus 1764 weder beroepen, in Julij 1765 overleden. Anno 1753 (Aug.) Ds. Johannes van der Gaegh, overleden Febr. 1760. Anno 1756 (Sept.) Ds. Timotheus Hölscher, overleden Julij 1764. Anno 1762 (Oct.) Ds. Daniël Schouten, provisioneel beroepen, overl. Nov. 1763. Anno 1765 (Febr.) Ds. Elie Piere Louis Roijere, eerst Fransch Predikant alhier, tot de Hollandsche kerk overgegaan en in Febr. 1767, op zijn verzoek, ontslagen. Anno 1768 (Julij) Ds. Jacobus Tallans, overleden Sept. 1777. Anno 1769 (Dec.) Ds. Jan Anthony Aemilius, Augustus 1770 ontslagen en naar het vaderland terug gezonden. Anno 1770 (Oct.) Ds. Gerard Jacob Lepper, ontslagen Mei 1775, weder beroepen December 1777, overleden Julij 1778. Anno 1780 (Febr.) Ds. J. C. de Cros, beroepen van Perika en Kottika; aldaar terug geroepen April 1781, van daar weder beroepen naar Paramaribo Julij 1797, overleden October 1799. Anno 1780 (Dec.) Ds. W. P. Schierbeek, overleden Febr. 1785. Anno 1783 (April) Ds. Jon Samuel Casimir Bernard Donkerman, overl. Febr. 1785. Anno 1783 (Mei) Ds. Apollonius Adrianus Sporon, (provisioneel beroepen) overleden November 1789. Anno 1786 (Febr.) Ds. A. van Groenevelt, overleden Febr. 1800. Anno 1793 (Jan.) Ds. David Salaindre Lapra, overleden Oct. 1796. Anno 1809 (Julij) Ds. Pieter Jan van Esch, overl. Nov. 1814. Anno 1815 (Dec.) Ds. Henricus Uden Masman, weleer Predikant te Koorndijk in Zuid-Holland, van daar beroepen naar de Kaap de Goede Hoop, van daar herwaarts overgekomen, in 1826 met verlof naar 't vaderland vertrokken en Emeritus geworden. Anno 1827 (Oct.) Ds. Andries Roelofsz, beroepen van ..., Emeritus geworden en naar 't Vaderland teruggekeerd Mei 1851. Anno 1851 (Dec.) Ds. J. H. Betting, weleer Predikant te Beest in Gelderland, in 1843 herwaarts gekomen met eene commissie van onderzoek tot kolonisatie alhier, later buitengewoon dienstdoend Predikant te Curaçao. Anno 1852 (April) Ds. Cornelis van Schaick, beroepen van Dwingeloo in Drenthe. Anno 1856 Ds. Conradi, beroepen van Curaçao.
Naar aanleiding dezer opgave had de Nederduitsche Hervormde Gemeente te Paramaribo, van hare vestiging in 1668 tot 1854, zes en dertig geordende Predikanten, wordende aldus bediend:
Van .... 1668 tot Mei 1687 door Ds. Baselier. Van Mei 1687 tot Mei 1689 door Ds. Baseliers en Rosinus. Van Mei 1689 tot Oct. 1694 door Ds. Rosinus. Van Oct. 1694 tot Junij 1695 door Ds. Vakant. Van Junij 1695 tot Dec. 1696 door Ds. Wachtendorp. Van Dec. 1696 tot Aug. 1698 door Ds. Wachtend., v. Hoy en Nucella Van Aug. 1698 tot Sept. 1701 door Ds. Wachtendorp en Nucella. Van Sept. 1701 tot Maart 1705 door Ds. Nucella. Van Maart 1705 tot April 1705 door Ds. Vakant. Van April 1705 tot Sept. 1706 door Ds. Voltelin. Van Sept. 1706 tot Maart 1707 door Ds. Vakant. Van Maart 1707 tot Nov. 1708 door Ds. Moda. Van Nov. 1708 tot Dec. 1708 door Ds. Vakant. Van Dec. 1708 tot Sept. 1709 door Ds. Fauvarque. Van Sept. 1709 tot Julij 1710 door Ds. Vakant. Van Julij 1710 tot Sept. 1713 door Ds. D. J. Engel en Estor. Van Sept. 1713 tot Dec. 1713 door Ds. Estor. Van Dec. 1713 tot Aug. 1731 door Ds. Estor, A. A. Engel en Vieira Van Aug. 1731 tot Oct. 1731 door Ds. Estor en Engel. Van Oct. 1731 tot Julij 1733 door Ds. Engel, Yver en Kleyn. Van Julij 1733 tot Dec. 1734 door Ds. Engel, Yver en Montanus. Van Dec. 1734 tot Junij 1738 door Ds. Yver en Montanus. Van Junij 1738 tot Sept. 1739 door Ds. Yver. Van Sept. 1739 tot Junij 1743 door Ds. Yver en Vieira. Van Junij 1743 tot Oct. 1746 door Ds. Yver. Van Oct. 1746 tot Febr. 1750 door Ds. Yver en de Ronde. Van Febr. 1750 tot Dec. 1752 door Ds. Yver. Van Dec. 1752 tot Sept. 1756 door Ds. Yver, Doesburgh en v.d. Gaegh. Van Sept. 1756 tot Mei 1758 door Ds. Yver, v. d. Gaegh en Hölscher. Van Mei 1758 tot Febr. 1760 door Ds. Yver, v. d. Gaegh, Hölscher en Vieira. Van Febr. 1760 tot Oct. 1762 door Ds. Yver en Hölscher. Van Oct. 1762 tot Julij 1763 door Ds. Yver, Hölscher en Schouten. Van Julij 1763 tot Nov. 1763 door Ds. Hölscher en Schouten. Van Nov. 1763 tot Julij 1764 door Ds. Hölscher. Van Julij 1764 tot Aug. 1764 Vakant. Van Aug. 1764 tot Julij 1765 door Ds. Doesburgh en Roijere. Van Julij 1765 tot Febr. 1767 door Ds. Roijere. Van Febr. 1767 tot Julij 1768 Vakant Van Julij 1768 tot Aug. 1770 door Ds. Tallans en Hemilius. Van Aug. 1770 tot Oct. 1770 door Ds. Tallans. Van Oct. 1770 tot Mei 1775 door Ds. Tallans en Lepper. Van Mei 1775 tot Sept. 1777 door Ds. Tallans. Van Sept. 1777 tot Dec. 1777 Vakant. Van Dec. 1777 tot Julij 1778 door Ds. Lepper. Van Julij 1778 tot Febr. 1780 Vakant. Van Febr. 1780 tot Dec. 1780 door Ds. Cros. Van Dec. 1780 tot April 1781 door Ds. Cros en Schierbeek. Van April 1781 tot April 1783 door Ds. Schierbeek. Van April 1783 tot Mei 1783 door Ds. Schierbeek en Donkerman. Van Mei 1783 tot Febr. 1785 door Ds. Schierbeek, Donkerman en Sporon. Van Febr. 1785 tot Febr. 1786 door Ds. Sporon. Van Febr. 1786 tot Nov. 1789 door Ds. Sporon en Groenevelt. Van Nov. 1789 tot Jan. 1793 door Ds. Groenevelt. Van Jan. 1793 tot Oct. 1796 door Ds. Groenevelt en Lapra. Van Oct. 1796 tot Oct. 1799 door Ds. Groenevelt en Cros. Van Oct. 1799 tot Febr. 1800 door Ds. Groenevelt. Van Febr. 1800 tot Julij 1809 Vakant. Van Julij 1809 tot Nov. 1814 door Ds. Van Esch. Van Nov. 1814 tot Dec. 1815 Vakant. Van Dec. 1815 tot Dec. 1826 door Ds. Uden-Masman. Van Dec. 1826 tot Oct. 1827 Vakant. Van Oct. 1827 tot Mei 1851 door Ds. Roelofsz. Van Mei 1851 tot Dec. 1851 Vakant. Van Dec. 1851 tot April 1852 door Ds. Betting. Van April 1852 door Ds. Betting en van Schaick. [1408] Van 1856 1861 door Ds. Van Schaick en Conradi.
VERBETERING VAN ZINSTORENDE DRUKFEILEN.
Bladz. 2, regel 4 en 5 van boven staat: gelegen op ongeveer 57° en 54 WL. van Greenwich, en tusschen 6° en 2 NB. lees: gelegen tusschen ongeveer 57° en 54° WL. van Greenwich, en tusschen 6° en 2° NB. Bladz. 3, regel 17 van onderen staat: en van Jonkheer C. A. van Sypenstein, lees: en van Jonkheer C. A. van Sypesteyn, (de lezer gelieve overal waar de naam van Jonkheer van Sypenstein of Sypensteyn voorkomt te lezen: Jonkheer van Sypesteyn. Bladz. 7, regel 8 van boven staat: hen in hun maatschappelijk en huiselijk leven, lees: deze in haar maatschappelijk en huiselijk leven, Bladz. 7, regel 17 van onderen staat: kolonel Fourgeaud lees: kolonel Fourgeoud en verder dit overal waar deze naam anders geschreven voorkomt. Bladz. 8, regel 1 van onderen staat: tot op den tegenwoordigen tijd 1858, lees: tot op den tegenwoordigen tijd 1861. Bladz. 11, regel 4 en 5 van boven staat: liggende tusschen ongeveer 57° 54 WL. van Greenwich en tusschen 6 2 NB., lees: liggende tusschen ongeveer 57° en 54° WL. van Greenwich en tusschen 6° en 2° NB., Bladz. 13, regel 10 van boven staat: verwantschap hadden van taal en zeden enz. lees: verwantschap hadden door taal en zeden enz. Bladz. 16, regel 8 van boven staat: van deze kralen vlochten lees: van deze kralen-snoeren vlochten Bladz. 20, regel 5 van onderen staat: hij was in het gebruik zoo zeer geoefend, lees: hij was in het gebruik er van zoo zeer geoefend, Bladz. 26, regel 10 van boven staat: op den 25sten April 1594, lees: op den 25sten April 1593, Bladz. 27, regel 7 van boven staat: gelaste Domingo van Vera lees: gelastte Domingo de Vera Bladz. 29, regel 4 van onderen staat: van de heeren van Zeeland, lees: van de heeren Staten van Zeeland, Bladz. 30, regel 15 van boven staat: 22sten Mei 1614 lees: 22sten Mei 1604 Bladz. 41, regel 4 van onderen staat: Hij bevrachte lees: Hij bevrachtte (waar de tijd of wijze van het werkwoord of de naamval abusivelijk is gedrukt, gelieve de lezer dit, zonder nadere aanwijzing, te verbeteren.) Bladz. 53, regel 4 en 5 van boven staat: de zilveren vloot lees: de zilver-vloot Bladz. 57, regel 13 van boven staat: deze drie genoemde zaken, lees; deze drie genoemde zaken: (verdere fouten in de punctuatie, gelieve de lezer, zonder verdere aanwijzing, te verbeteren.) Bladz. 68, regel 16 van boven staat: meer dan veertig uren lees: meer dan tien uren Bladz. 69, regel 7 van onderen staat: deed zich spoedig gevoelen; lees; deden zich spoedig gevoelen; Bladz. 75, regel 2 van boven staat: omtrent het fort, lees: in de nabijheid van het fort, Bladz. 81, regel 5 van onderen staat: deze wilde hiertoe niet overgaan, lees: doch deze wilde hiertoe niet overgaan. Bladz. 84, regel 1 van boven staat: gerust hielden lees: rustig hielden Bladz. 84 regel 6 van boven staat: en zij zonder verderen lees: zoodat zij zonder verderen Bladz. 102, regel 9 en 10 van boven staat: tegen het weggeloopen slaven; lees: tegen weggeloopen slaven; Bladz. 103, regel 13 en 14 van onderen staat: den 26sten Januarij 1735 den tol der natuur betaalde, lees: den 26sten Januarij 1735 overleed. Bladz. 115, regel 9 van onderen staat: met commissie om slaven te handelen, lees: met commissie om slaven te halen, Bladz. 116, regel 7 van boven staat: van den kant lees: van de kust. Bladz. 120, regel 8 van onderen staat: evenzeer als wanneer zulks lees: evenzeer als zulks Bladz. 133, regel 18 en 19 van boven staat: (dit laatste vermelt ook Teenstra, negerslaven in de kolonie Suriname, bladz. 145) lees: (dit laatste vermeldt ook Teenstra, zie: negerslaven in de kolonie Suriname, bladz, 145). Bladz. 135, regel 8 van onderen staat: ordinantiën lees: ordonnantiën Bladz. 143. regel 1 van boven staat: den weg te vinden, en de vlugtelingen kenden lees: den weg te vinden; de vlugtelingen kenden echter Bladz. 148, regel 6 van boven staat: te trots om van lees: te trotsch om van Bladz. 152, regel 1 en 2 van boven staat: hun minder zwaar valt, en met meer lust en opgewektheid dan elders wordt verrigt. lees: hun minder zwaar viel en met meer lust en opgewektheid dan elders werd verrigt. Bladz. 154, regel 10 van boven staat: in het jaar 1758; lees: in het jaar 1759. Bladz. 159, regel 8 van boven staat; komt op nagenoeg dezelfde bepaling neder en bestaat lees: kwam op nagenoeg dezelfde bepaling neder en bestond Bladz. 165, regel 15 van onderen staat: in 1639 ingesteld; lees: in 1689 ingesteld; Bladz. 171, regel 5 van boven staat: soms weinig eervolle redenen, lees: soms weinig eervolle, redenen Bladz. 175, regel 16 van boven staat: van echtstukken lees: van echte stukken Bladz. 191, regel 12 van boven staat: Nadat deze gewigtige berigten afgeloopen lees: Nadat deze gewigtige bezigheden afgeloopen Bladz. 193, regel 3 van boven staat: waardoor de lees: waardoor in de Bladz. 201, regel 10 van onderen staat: en waar die heerscht; lees: en waar deze heerscht. Bladz. 205, regel 9 van boven staat: in het bosch verwijderd hadden, lees: in het bosch verwijderd had, Bladz. 206, regel 1 van onderen staat: de Raden en politie lees: de Raden van Policie. Bladz. 207, regel 10 van boven staat: van een overval vreesde, lees: voor een inval vreesde, Bladz. 207, regel 11 van onderen staat: Deze zaak gaf oorzaak lees: Deze zaak gaf aanleiding Bladz. 208, regel 11 van onderen: Een nieuw reglement van de burgermilitie, lees: een nieuw reglement voor de burgermilitie, Bladz. 211, regel 10 van onderen staat: de vrouw van Pichot en Brouwer lees: de vrouwen van Pichot en Brouwer Bladz. 217, regel 10 van onderen staat: in een kwaad licht te brengen; lees: in een kwaad licht te stellen; Bladz. 224, regel 1 van boven staat: Den 11sten 1751 lees: Den 13den April 1755. Bladz. 224, regel 19 van boven staat: en scheepte zich lees: en vertrok den Bladz. 224, regel 20 van boven staat: 31sten Mei lees, den 15den Mei. Bladz. 226, regel 1 van onderen staat: en dien zelfden da gafg lees: en dien zelfden dag gaf Bladz. 237, regel 13 van onderen staat: Den volgenden dag den was lees: Den volgenden dag was Bladz. 241, regel 8 van onderen staat: tegen het interims-bestuur van Crommelin had geprotesteerd lees: tegen het interims-bestuur van Verschuer had geprotesteerd Bladz. 247, regel 1 van boven staat: den 13den Mei 1755, lees: den 13den Mei 1753, Bladz. 250, regel 13 van onderen staat: zou oprengen lees: zou opbrengen Bladz. 252, noot, regel 8 van onderen staat: Om de gedurige moeiten lees: om de gedurige moeijelijkheden Bladz. 260, noot, regel 1 van onderen staat: Notulen G. en R., 15 Sept. 1857. lees: Notulen van G. en R., 15 Sept. 1757. Bladz. 261, noot, regel 5 van onderen staat: 25 Julij 1458. lees: 25 Julij 1758. Bladz. 267, noot, regel 2 van onderen staat: 26 Julij 1860. lees: 26 Julij 1760. Bladz. 271, regel 12 van onderen staat: Ds. Sügnens werd 11 Aug. 1668 lees: Ds. Sügnens werd den 11den Aug. 1768 Bladz. 272, regel 6 van boven staat: eener Lutersche school lees: eener Luthersche school, (lees steeds waar "Lutersch", staat "Luthersch"), Bladz. 272, regel 15 en 16 van boven staat: en ook over den den Mulatten onderwijzen wel te vreden. lees: en ook over den Mulatten-onderwijzer wel te vreden. Bladz. 280, noot, regel 7 van onderen staat: toch noch niet lees: toch nog niet Bladz. 282, regel 4 van boven staat: de tegenwoordige heeren lees: den tegenwoordigen heeren Bladz. 288, noot, regel 5 van onderen staat: 12 September 1747. lees: 12 September 1757. Bladz. 298, regel 11 van boven staat: Vooral bemoeijelijkte Mevrouw Crommelin Nepveu. lees: Vooral werd Nepveu door Mevrouw Crommelin bemoeijelijkt. Bladz. 298, noot, regel 2 van onderen staat: den 11den Mei 1800 lees: den 11den Mei 1770 Bladz. 301, regel 1 van onderen staat: tot bloedige wraakzinnig op te zetten, lees: tot bloedige wraakneming op te zetten, Bladz. 303, noot, regel 2 van onderen staat: Westerinck proeve, lees: Historische proeve, Bladz. 317, noot, regel 11 van onderen staat: uije blanke vrouwen lees: vrije blanke vrouwen Bladz. 320, regel 4 van boven staat: met 25 man vermeerd, lees: ieder corps met 25 man vermeerderd, Bladz. 325, regel 6 van boven staat: wegoopen der slaven: lees: wegloopen der slaven. Bladz. 325, regel 7 van onderen staat: 24 soldaten-negers, lees: 24 schutter-negers Bladz. 327, regel 18 van onderen staat: Hoezeer was de vorige jongeling teleurgesteld. lees: Hoezeer was de vurige jongeling teleurgesteld. Bladz. 333, regel 9 van onderen staat: hans, lees: thans, Bladz. 330, regel 4 van boven staat: in dierlijken staat lees: in deerlijken staat. Bladz. 336, regel 1 van boven staat: schotschriften der regering, honende lees: schotschriften, de regering honende. Bladz. 339, regel 14 van onderen staat: Om een corps van zestig mannen, lees: om een corps van zestig man, Bladz. 349, noot, regel 1 van onderen staat: 288 Oct. 1776, enz. lees: 28 Oct. 1776, enz. Bladz. 355, regel 8 van boven staat: moest afgetrokken: lees: moest worden afgetrokken: Bladz. 359, regel 7 van boven staat: Fredirici lees: Friderici Bladz. 363, regel 16 van boven staat: en maakte dan ook velen lees: en maakten dan ook vele Bladz. 367, regel 12 van onderen staat: Bij trommelslag werd bekend, lees: Bij trommelslag werd bekend gemaakt, Bladz. 381, regel 13 van boven staat: het ophoudend en zending lees: het ophouden der zending Bladz. 383, regel 8 van onderen staat: Den 6den December 1788 lees: Den 6den December 1778 Bladz. 384, regel 15 van onderen staat: Hij bereikte den ouderdom van 31 jaren, 1 maand en 7 dagen, lees: Hij bereikte den ouderdom van 57 jaren, 1 maand en 7 dagen. Bladz. 394, regel 6 van onderen staat: en mogelijk vredebreuk lees: en mogelijke vredebreuk Bladz. 402, noot, regel 1 van onderen staat: ukken lees: stukken Bladz. 430, noot, regel 4 van onderen staat: 3 Maart 1758 lees: 3 Maart 1788. Bladz. 432, regel 5 van boven staat: telde zich lees: stelde zich Bladz. 436, regel 2 van boven staat: nar Paramaribo, lees: naar Paramaribo Bladz. 447, regel 12 van boven staat: vindt men gewag gemaakt); lees: vindt men geen gewag gemaakt); Bladz. 448, regel 12 van boven staat: Roomsch Cathlieke lees: Roomsch Catholieke Bladz. 450, regel 16 van onderen staat: die na het vroeger met Suriname gesloten cartel lees: die nu het vroeger met Suriname gesloten cartel Bladz. 463, regel 8 van onderen staat: zou niets slechts agitatie lees: zou niet slechts agitatie Bladz. 467, regel 5 van boven staat: met alle vigeur lees: met alle rigeur Bladz. 470, regel 13 van boven staat: gewigtige te schetsen lees: gunstige te schetsen Bladz. 498 (moet zijn 496) regel 7 van onderen staat: Den 4den December 1804, lees: Den 4den December 1802 Bladz. 518 (moet zijn 514) regel 16 van onderen staat: op den 13den Mei 1504 lees: op den 13den Mei 1804, Bladz. 519; (moet zijn 515) noot, regel 9 van onderen staat: Marowyne lees: Oranjekreek Bladz. 525 (moet zijn 521), regel 11 van boven staat: 22 October 1704 lees: 22 October 1804. Bladz. 542 (moet zijn 538), regel 5 van boven staat: kandelaars, lees: kaarsen, Bladz. 542 (moet zijn 538), regel 15 van boven staat: De traan en spermacetie-olie was benoodigd lees: De traan was benoodigd Bladz. 542 (moet zijn 538), regel 17 van boven staat: de raapolie voor voor de lampen en kandelaars lees: de raap- en spermacetie-olie voor de lampen Bladz. 542 (moet zijn 538), regel 1 van onderen staat: kandelaars en zeep, lees: kaarsen en zeep, Bladz. 548 (moet zijn 543) regel 24 van onderen staat: aan wat lees: aan wal Bladz. 553 (moet zijn 549), regel 9 van onderen staat: afschaffingen lees: afstraffingen Bladz. 555 (moet zijn 551); regel 5 van onderen staat: om redenen van hezondheid lees: om redenen van gezondheid Bladz. 557 (moet zijn 553), noot, regel 1 van onderen staat: 28 Sept. 1850. lees: 28 September 1805. Bladz. 563 (moet zijn 559), regel 12 van onderen staat: Na deze gunstige toezeggen lees: Na deze gunstige toezeggingen Bladz. 563 (moet zijn 559), noot, regel 5 van onderen staat: 1 Junij 1860; lees: 1 Junij 1810. Bladz. 564 (moet zijn 560), regel 5 van onderen staat: Person Bonham lees: Pinson Bonham Bladz. 564 regel 17 van boven staat: tui de tweede f 5000; lees: uit de tweede f 500; Bladz. 566, regel 16 van onderen staat: (3 November 1813); lees: (3 November 1810) Bladz. 581, regel 9 van onderen staat: naar de geheele kolonie lees: maar de geheele kolonie Bladz. 587, noot, regel 1 van onderen staat: 8 Junij 1314. lees 8 Junij 1814. Bladz. 599, regel 11 van boven staat: Den 27sten Februarij 1861 lees: Den 27sten Februarij 1816. Bladz. 609, regel 8 van boven staat: 1801 lees: 1818 Bladz. 656, regel 17 van onderen staat: In het begin van 1831 adresseerde lees: In het begin van 1831 adverteerde Bladz. 677, regel 17 en 16 van boven staat: met het fregat de Maas, gecommandeerd door de Luitenant ter zee Ferguson, lees: met het fregat de Maas en Z. M. brik de Snelheid, gecommandeerd door den kapitein luitenant ter zee Ferguson, Bladz. 709, regel 12 van onderen staat: van Raders die reeds met ijver getracht had lees: van Raders die reeds op Curaçao met ijver getracht had Bladz. 714, regel 4 van boven staat: aan welks voet lees: aan welks boord Bladz. 714, regel 11 van boven staat: 27 December 1846 lees: 25 December 1846 Bladz. 727, regel 5 van boven staat: inventarissen, lees: inventariseren, Bladz. 727, regel 7 van boven staat: binnen zes weken lees: binnen vier weken Bladz. 727, regel 9 van boven staat: Vóór zij hiertoe overging lees: Vóór dit collegie hiertoe overging Bladz. 769, regel 2 en 1 van onderen staat: Mr. J. C. Palthe van Wesenhage, lees: Mr. J. C. Palthe Wesenhagen, Bladz. 775, regel 12 van onderen staat: meer dan 2/3 bedraagt, lees: meer dan 3/4 bedraagt. Bladz. 819, regel 9 van boven staat: stoomboot lees: transportschip.
De lezer gelieve de verdere drukfeilen en de hier en daar foutieve paginering te verschoonen.
Ook in de voorrede zijn nog een paar feilen bij de correctie over het hoofd gezien, als:
Bladz. V, regel 13 van onderen staat: de Hervormde Gemeente lees: van de predikanten der Hervormde Gemeente. Bladz. VI, regel 3 van boven staat: Jonkheer C. A. Sypesteyn lees: Jonkheer. C. A. van Sypesteyn Bladz. VI, regel 5 van boven, staat: in kleurendruk, deze woorden moeten wegvallen. Bladz. V, regel 13 van onderen staat: de Hervormde Gemeente lees: van de predikanten der Hervormde Gemeente.
AANTEEKENINGEN
[1] Door eene gunstige beschikking van den Minister van Koloniën is mij later nog inzage verleend van belangrijke bescheiden, betreffende het bestuur van E. L. Baron van Heeckeren (1831-1838), die op 's Rijks-Archief gedeponeerd waren. In een naschrift zijn de voornaamste resultaten daarvan medegedeeld.
[2] De uitvoerigste kaarten, mij bekend, zijn die, welke behooren tot het werk van Teenstra: "De Landbouw in de kolonie Suriname," en de afzonderlijke, bij het werk van jonkh. C. A. van Sypesteyn: "Beschrijving van Suriname enz." uitgegevene groote kaart, onder toezigt van genoemden heer vervaardigd. Uit deze werken zijn ook in deze geschiedenis de opgaven wegens den natuurlijken toestand van Suriname grootendeels geput.
[3] O. a. J. v. d. Bosch, "Nederlandsche bezittingen in Azië, Amerika en Afrika." 2e. deel, bladz. 173.
[4] G. B. Bosch. Reizen naar Suriname, enz., bladz 113 enz.
[5] Hartsinck, Beschrijving van de wilde kust of Guiana enz. 1e deel, bladz. 9 enz.
C. Quandt, Nachricht von Suriname und seinen Einwohnern, sonderlich den Arawachen, Warauen und Karaïben, u. s. w.
[6] Hartsinck, bl. 125.
[7] Bij Hartsinck, aan wien ook zeer veel bouwstoffen voor onze geschiedenis ontleend zijn, vindt men de beschrijvingen dier onderscheidene togten vrij uitvoerig.
[8] Hartsinck, blz. 161.
[9] J. de Laat, Beschrijving van W. I. 15de boek, 21 Cap. blad 509, Gumella, Histoire de l'Oronoque. Tom. 1. pag. 128.
[10] Resolutiën Holl. 10, 14 Junij, 7 en 22 Julij 1581.
[11] Hartsinck, bl. 207.
[12] Hartsinck, bl. 208.
[13] Hartsinck, bl. 143 enz.
[14] Nog wordt in Suriname eene zekere kreek de Marechals kreek geheeten.
[15] Sypesteyn, blz. 7.
[16] Hartsinck, 2e deel, blz. 583. Sypesteyn, blz. 8.
[17] Hartsinck, 2e deel, blz. 584. Ik veronderstel, dat onder dit groote getal van 4000 ook de uit Cayenne en Engeland gekomen Joden en de door Engelschen en Joden bereids bezeten slaven moeten gerekend worden.
[18] Historische proeve, 1e deel, blz. 49-50.
[19] Bij Hartsinck vindt men dezen geheel 2e deel, blz. 522 tot 558.
[20] Da Costa. Israël en de volken; H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland; Historische proeve enz.
[21] Swalue. Neerlands vlag.
[22] Groen van Prinsterer, Handboek der vaderlandsche geschiedenis, blz. 554; par. 362.
[23] Hartsinck, 2e. deel, bl. 585.
[24] Hartsinck, 2e. deel, bl. 585.
[25] Historische proeve, 1e. deel, blz. 52.
[26] Hartsinck, 2e deel, pag. 586.
[27] Hartsinck zegt 1e. deel, blz. 164, den 22sten October 1667, doch deze datum strookt niet met den verderen loop der geschiedenis, en is alzoo kennelijk een abuis.
[28] Hartsinck, 2e. deel, blz. 588.
[29] Hartsinck, 2e. deel, blz. 599.
[30] Hartsinck, 2e deel, blz. 599.
[31] Van Sypesteyn, bladz. 13.
[32] Sypesteyn, blz. 13.
[33] Sypesteyn, blz. 13.
[34] G. B. Bosch, Reizen naar Suriname, blz. 113.
[35] Historische proeve, 1e deel, bladz. 59.
[36] Hartsinck, 2de deel, blz. 606-607. Historische proeve, 1e. deel, blz. 59. Sypesteyn, blz. 6-14.
[37] Sypesteyn, blz. 14.
[38] Sypesteyn, blz. 5, 6. Teenstra, blz. 14-18.
[39] Om de belangrijkheid van dit origineele stuk zullen wij dit in zijn geheel in de bijlagen opnemen.
[40] Het vroegere wapen een koggeschip, werd door drie vervangen, als dat van Amsterdam, dat van het huis van Sommelsdijk en dat der kolonie.
[41] Hartsinck, 2de deel, blz. 621-646. Sypesteyn, blz. 14. Teenstra, de landbouw, blz. 27-28.
[42] De Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, bl. 96 enz.
[43] Pistorius--zie: de Kok, Vaderlandsch Woordenboek, 2de deel, blz. 100-101.
[44] Van Schaick, Geschiedenis der Herv. kerk in Suriname en West-Indië, eerste jaarg. bladz. 82.
[45] Van Sypesteyn spreekt dit voorval in zijne bijlage blz. 234 tegen, met te vermelden, dat zijne echtgenoote Margaretha du Puij de St. André Montraz eerst in het jaar 1693, dus vijf jaren na zijnen dood, overleed; maar daar de andere schrijvers dit mede niet ontkennen, zoo denk ik, dat hier geene sprake is van eene wettige vrouw, maar van een bijwijf, gelijk ik ook als zoodanig vermeld heb.
[46] Hartsinck, 2de deel, blz 650.
[47] Hartsinck, 2de deel, bladz. 648 en Sypesteyn, Historische proeve.
[48] Zie nader: de Kok, Vaderlandsch woordenboek, 2de deel, bladz. 90 enz.
[49] Zij was Marguerite du Puys de St. André Montbrun, oudste dochter van Alexandre, Marquis de St. André Montbrun, luitenant-generaal, de beroemde verdediger van Candia, en van Louise Madelaine de la Nocle. Zij kwam nimmer in Suriname en overleed te 's Gravenhage 1695.
[50] Een en ander van dit berigt wegens de Refugiés is ontleend aan een opstel in het Tijdschrift, West-Indië, 13de jaargang, blz. 109 enz. Van den hier genoemden predikaat Dalbas wordt in Surinaamsche berigten niets aangetroffen. Als eerste Waalsche predikant in Suriname wordt volgens Sypesteyn, Mauricius, enz. genoemd Jean Briffault, gekomen in 1690, overl. in 1696; Pierre Terson, gek. 1696, overl. 1697; Pierre Saurin 1697-1707 enz. Wij veronderstellen, dat Dalbas met de uitgewekenen is mede gekomen, maar niet geregeld als predikant aangesteld of erkend is geworden.
[51] Deze bezending had eene moeijelijke reis gehad; door een zeeschuimer aan boord geklampt, waren zij door hem op hunne bede wel in het leven gespaard, maar toch van geld, gereedschappen en al wat waarde had, beroofd, op zijn oud vaartuig, (hij nam dat, waarop zij zich bevonden voor zich) met een weinig spijs, aan zee en winden prijs gegeven, hoewel zij toch gelukkiglijk in Suriname aankwamen; doch men begrijpt ligtelijk in welken toestand.
[52] Het voornaamste aangaande het hier omtrent de Labadisten in Suriname medegedeelde, is ontleend aan het belangrijke werk van H. van Berkum. Sneek, 1851, 2de deel, blz. 132 enz.
[53] Pistorius, blz. 102.
[54] Sypesteyn, blz. 16.
[55] Historische proeve, 1e. deel, blz. 42, 43.
[56] Historische proeve, 2de deel, blz. 42 enz.
[57] H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, bladz. 293 enz.
[58] Hartsinck, 2de deel, blz. 647, 648.
[59] Deze publicatie vindt men in zijn geheel bij Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname, blz. 240.
[60] Men vergat hierbij zeker Ds. Baselius, die in 1668 als zoodanig was aangesteld en eerst in 1689 overleed.
[61] Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, blz. 31.
[62] Hartsinck, 2de deel, blz. 648. Teenstra, 1e. deel, blz. 33.
[63] Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 2de deel, blz. 33.
[64] Hartsinck, 2de deel, blz. 648.
[65] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[66] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[67] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 32.
[68] Teenstra. De landbouw, 2de deel, blz. 34.
[69] N. G. Kampen. Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 288.
[70] Pistorius, blz. 102.
[71] Hartsinck, 2de deel, blz. 631.
[72] Hartsinck, 2de deel, blz. 651.
[73] Hartsinck, 2de deel, blz. 672.
[74] Hartsinck, 2de deel, blz. 672.
[75] Sypesteyn, blz. 21.
[76] Sypesteyn, blz. 21 en 22.
[77] Zie H. J. Koenen, Geschiedenis der Joden in Nederland. Mr. Is. da Costa, Israël en de Volken. Historische proeve, Hartsinck.
[78] Hartsinck, 2de deel, blz. 674.
[79] Hartsinck, 2de deel, blz. 673, 674.
[80] Hartsinck, 2de deel, blz. 675.
[81] Hartsinck, 2de deel, blz. 674-679. Teenstra, De landbouw, blz. 37. Sypesteyn blz. 23.
[82] Historische proeve.
[83] Hartsinck, 2de deel, blz. 680.
[84] Sypesteyn, blz. 24.
[85] Hartsinck, 2de deel, blz. 706, 894. Teenstra, De landbouw, 1e. deel, blz. 38. Historische proeve blz. 82. Sypesteyn, blz. 24, 25.
[86] Zie Historische proeve, 1e. deel, blz. 82.
[87] Hartsinck, 2de deel, blz. 682.
[88] Sypesteyn, blz. 25.
[89] De geheele uitvoerige beschrijving van den inval van Cassard vindt men bij Hartsinck van blz. 700-722.
[90] Ondertusschen had Cassard in November door een gedeelte van zijn eskader onder den Baron de Mouans, de kolonie Berbice zoodanig gebrandschat, dat de eigenaars de heeren van Peere, Zeeuwsche kooplieden, de aldaar afgegeven wissels niet wilden betalen en de kolonie liever den Franschen overlieten; waarop in 1714 eene overeenkomst tusschen de reeders en eene Amsterdamsche maatschappij (van Hoorn en Comp.) tot stand kwam, waarbij aan dezen tegen betaling der wissels, den eigendom van Berbice verbleef. In 1713 brandschatte Cassard het eiland Curaçao. (Sypesteyn blz. 26).
[91] Hartsinck, 2de deel, blz. 719.
[92] Hartsinck, 2de deel, blz. 714.
[93] Hartsinck, 2de deel, blz. 718.
[94] Hartsinck, 2de deel, blz. 722 deelt dit uitvoerig mede.
[95] Van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 419 veronderstelt de mogelijkheid, dat familie-betrekkingen tusschen de aristocratische regering in Nederland, na den dood van Willem III, en den gouverneur van Suriname invloed uitoefenden op de ongunstige beschikking voor de kolonisten, iets dat mij echter minder waarschijnlijk voorkomt.
[96] Hartsinck, 2e deel, blz. 727, 728 enz.
[97] Sypesteyn, blz. 30.
[98] Redevoering van Mr. C. Ph. Vlier, Surinaamsche almanak 1833, blz. 278.
[99] Sypesteyn, Mr. Jan Jacob Mauricius, gouverneur-generaal van Suriname in 1742-1751.
[100] Sypesteyn, blz. 27.
[101] Teenstra, De landbouw in Suriname, 1e deel, blz. 40.
[102] Historische proeve, 1e deel, blz. 98.
[103] Historische proeve, 1e. deel, blz. 98.
[104] West-Indië 2de jaargang, blz. 28, 29. Sypesteyn.
[105] Sypesteyn en Hartsinck.
[106] West-Indië, 2de jaargang, blz. 23. Sypesteyn.
[107] Hartsinck, 2de deel, blz. 741. Historische proeve, 1e. deel, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29. West-Indië, 2de jaarg. blz. 294, 295.
[108] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.
[109] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95.
[110] Historische proeve, 1e. deel, blz. 95. West-Indië, 2de jaarg. blz. 150.
[111] Hartsinck, blz. 741. Historische proeve, blz. 94. Sypesteyn, blz. 29.
[112] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.
[113] Hartsinck, 2de deel, blz. 742.
[114] Hartsinck, 2de deel, blz. 743.
[115] Hartsinck, 2de deel, blz. 744-754, alwaar het geheele octrooi medegedeeld wordt.
[116] G. B. v. d. Bosch, Reizen in Suriname, blz. 49.
[117] In het Journaal van Gouverneur Mauricius, worden nu en dan bijzonderheden over de bergwerkers medegedeeld; onderlinge twisten tusschen de hoofden en de ondergeschikten waren ook hier aan de orde van den dag.
[118] In de journalen der gouverneurs als Mauricius, von Spörche, Crommelin enz., welke op het rijks archief berusten, vindt men verscheidene keeren van de Paltzers en later de Zwitsers, melding gemaakt, dan alles komt in de hoofdzaak overeen met het hier vermelde.
[119] Hartsinck, 2de deel, blz. 740.
[120] Octrooi van 1682, artikel 5.
[121] Sommige verkoopers van slaven scheidden met voordacht de mannen van hunne vrouwen, de moeders van hare kinderen, om daardoor de koopers te noodzaken, die daartoe behoorden, ten duurste te koopen om niet geëxposeerd te zijn, de reeds gekochten door wanhoop te verliezen; tegen welke kwade praktijken o. a. door Mauricius besluiten werden uitgevaardigd; zie journaal van Mauricius, 3 Junij 1743.
[122] Hartsinck, 2de deel, blz. 899.
[123] Zie hierover W. Bosman, Naauwkeurige beschrijving van de Guinesche Goud-, tand- en slavenkust, enz. 1704.--Deze schrijver heeft vele jaren in Guinea doorgebragt en als raad en opperhoofdman op het kasteel St. George d'Elmina, was hij wel in staat om, na grondig onderzoek, een gevestigd oordeel daaromtrent uit te brengen.
[124] W. Bosman, 2de deel, blz. 146.
[125] Hartsinck, 2e deel, blz. 901.
[126] W. Bosman, 2de deel, blz. 147.
[127] Als een voorbeeld uit vele dergelijke gevallen diene de volgende mededeeling uit het dagboek van jhr. J. J. Mauricius, gouverneur van Suriname: "11 Februarij 1751, voor den mond der rivier is gearriveerd kapt. Johan Gerritse, voerende 't schip Middelburgs Welvaren van Guinea, gedestineerd naar Berbice. Hij heeft het ongeluk gehad, toen hij met syn schip 2 à 3 dagen van de Afrikaansche kust is geweest, dat de slaaven een opstand hebben begonnen en op 't scheepsvolk syn aangevallen, weshalve sy genoodsaakt syn geweest, om daaronder te moeten schieten. De tegenweer der slaaven is so hevig en langdurende geweest, dat van ruim 260 maar 30 stuks syn overgebleeven, doch hy heeft by geluk geen één man van syn volk verlooren."
[128] Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, blz. 275 enz.
[129] Lans, die in onzen tijd door het Ned. Gouvernement naar Suriname is gezonden, om den suikercultuur na te gaan en zoo mogelijk hierin verbeteringen te brengen, getuigt in zijne brochure o. a. hetzelfde.
[130] Zie over de geneeskundige behandeling zelfs in lateren tijd het zeer belangrijke werkje van F. A. Kahn, M.D., Ridder der orde van den Ned. Leeuw, Chirur. en Chef der W.-I. troepen en hospitalen te Suriname, mitsgaders stadsdokter en physicus aldaar.--Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven.
[131] Teenstra zegt in zijn werk: "De negerslaven in de kolonie Suriname," van de kleurlingen blz. 85 het volgende. "Van alle slaven zijn de kleurlingslaven het ongelukkigste; deze door blanken en zwarten als een tusschenras beschouwde wezens, worden van beide kanten veracht en verstooten. In voeding en kleeding heeft een kleurling het niet beter dan een negerslaaf; hij is zwakker en ziekelijker, en toch vordert men even veel en even zwaar werk van hem, terwijl de snerpende zweep hem op de dunne huid gevoeliger treft dan een neger, en ofschoon onder de negers werkende, zal hij hun vertrouwen nimmer deelachtig worden."
[132] Hartsinck, 2de deel, blz. 646. »Van Sommelsdijk bepaalde, dat voortaan niemand zijne slaven meer zou mogen verminken of met den dood straffen--er bleef dus nog al eenige ruimte over."
[133] Teenstra, de Negerslaven in de kolonie Suriname, blz. 379.
[134] Hartsinck, 2de deel, blz. 916.
[135] Hartsinck, 2de deel, blz. 916. Bij zwaarder misdrijven moest de meester een schriftelijk verhaal van het wanbedrijf van den slaaf in handen van den Raad-Fiscaal stellen, om naar bevinding daarvan te kunnen handelen (des noods) met kennis van twee raden, die ten onderzoek gecommitteerd werden. In de notulen van "Gouverneur en Raden van Suriname" van 19 November 1711 komt o. a. eene bepaling voor, om hierin een zekeren regel te brengen, daar tot dien tijd toe "vele irregularitijten syn gepleegt met d'een op meerder hoeken van straaten te geesselen als andere" en werden de zeven hoeken der straten, waar geesseling of het toedienen eener Spaansche bok geschieden moest, nader aangewezen.
[136] Volgens rapport, na gedane huiszoeking door den Raad Fiscaal, had zij binnen korten tijd, 4 à 5 maanden, 6 harer negers gedood en was reeds zij voor lang door de onmenschelijke behandeling harer slaven bekend, waarvan zij "eene menigte om het leven heeft doen brengen, op tirannique en barbaarse manieren." Notulen Gouverneur en Raaden 24 December 1745.
[137] Stedman, Reizen in Suriname.
[138] Uit de rapporten, door den Raad Fiscaal aan het Hof van Policie ingeleverd, wordt deze geringachting van den doodstraf, zelfs in den gruwelijksten vorm, door de slaven, meermalen vermeld. Notulen enz.
[139] Volgens resolutie van 8 December 1686 was anders toch bepaald, dat negers, door de justitie gestraft wordende, aan de eigenaars uit de kas der modique lasten moesten betaald worden--doch zoo het om moord was, werd de schade den meester niet vergoed.
[140] Niettegenstaande dit besluit van 27 Aug. 1744, waarbij het voorstel van Mauricius werd afgewezen, is men er later op terug gekomen, en heeft het, eenigzins gewijzigd, meermalen in praktijk gebragt. Zie o. a. Notulen van 18 Dec. 1745--24 Dec. 1745--4, 7, 28 Februarij 1746 enz.--waaruit blijkt, dat verscheidene negers en negerinnen zijn veroordeeld, om gegeeseld, op het voorhoofd gebrandmerkt, de tong uit- en de ooren afgesneden te worden, en daarna in den ketting strafwerk te verrigten.
[141] Hartsinck, 2de deel, blz. 917.--Deze bepalingen werden meermalen vernieuwd en strenger gemaakt, en ook tegen het bezoeken der smokkelkroegen door slaven waren strenge bepalingen; gelijk uit verscheidene sententiën, door het hof van policie geslagen, blijkt.
[142] Hartsinck, 2de deel, blz. 755.
[143] Historische proeve, 1e. deel, blz. 99.
[144] Van Kampen, Bezittingen der Nederlanders buiten Europa, 2de deel, blz. 420.
[145] Van Kampen. De Nederl. buiten Europa. 2de deel, blz. 421.
[146] Surinaamsch placcaatboek, 7 Julij 1685.
[147] Surinaamsch placcaatboek, 10 Julij 1687.
[148] Surinaamsch placcaatboek, 8 Nov. 1698.
[149] Surinaamsch placcaatboek, 20 Feb. 1717 tot 18 Mei 1718.
[150] Notulen Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1742.
[151] Surinaamsch placcaatboek, 24 April 1726 tot 7 Dec. 1742.--Resolutie, 13 Dec. 1742.
[152] Hartsinck. 2de deel, blz. 757.
[153] Van Kampen. De Nederlanders buiten Europa. 2de deel, blz. 423. Hartsinck, 2de deel, blz. 759.
[154] H. J. Koenen. Geschiedenis der Joden in Nederland, blz. 297.
[155] Zie notulen Gouverneur en Raden, 20 Mei 1730.
[156] Schadelijk wild?
[157] Zie notulen Gouverneur en Raden, 4 Aug. 1730 en Hartsinck enz.
[158] Notulen, 14 Dec. 1730. Hartsinck, 2de deel, blz. 764 enz.
[159] Stedman. Reizen naar Suriname. 2de deel, blz. 150, gewaagt mede van eene dergelijke strafoefening, welke een ooggetuige hem medegedeeld had, waarbij de aldus gefolterde echter geene klagt uitte, ja zelfs in dien toestand een neger, die onder de galg gegeeseld werd en bitterlijk kermde, deze uiting van smart verweet, hem toeroepende: "Zijt gij een man, gij gedraagt u als een kind." Stedman verhaalt verder, dat genoemde neger drie dagen lang geleefd had, en dat eindelijk de schildwacht, die bij hem op post stond, medelijden met zijne folteringen kreeg en er een einde aan maakte, door hem met de kolf van zijn snaphaan een slag op het hoofd te geven.
[160] Hartsinck, 2de deel, blz. 763-765. Luzac, Hollandsch rijkdom, 2de deel, blz. 173-179. Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 114 enz. Notulen van Gouverneur en Raden.
[161] Van Kampen, de Nederlanders buiten Europa, 3de deel, blz. 117. Notulen van Gouverneur en Raden, 1738.
[162] De kosten van iederen togt werden op ongeveer f 100,000 begroot.
[163] Over Mauricius enz. zie het volgende hoofdstuk.
[164] Behalve het commando onder Creutz werden te gelijker tijd nog twee andere expeditiën tegen de boschnegers uitgezonden, als eene onder Mamre van 60 blanken en 272 slaven, en eene onder Goede van 8 blanken en 28 slaven.
[165] Hartsinck, 2de deel, blz. 768-771.
[166] Mauricius schrijft in zijn dagboek den 7den Julij 1750, daar hij eenen dergelijken mislukten togt vermeldt, o. a. "Tijding gekregen, dat de post in Tempate is uit geweest om de wegloopers te vervolgen, dat se ook het spoor gevonden hebben, doch door de sware regens hebben moeten wederkeeren, zeer afgemat en ziek, dewijl se tot de keel toe door de zwampen hebben moeten gaan. NB. Zoo de heeren Amsterdamsche onderteekenaars" (hij zinspeelt hier op zijne tegenpartij, die zich tegen den vrede aankantte) "maar één drie dagen een dergelijken tocht geliefden bij te woonen, zouden se een iedee krijgen, hoe gemakkelijk 't hier is de wegloopers uit te roeijen."
[167] Hartsinck, 2de deel, blz. 776.--Notulen van Gouverneur en Raden. Journaal van Mauricius, waarin meermalen gewag van deze zaak wordt gemaakt.
[168] Zie volgende hoofdstuk.
[169] Zoutwater-negers zijn die welke uit Afrika aangevoerd zijn; de afstammelingen van hen, die in de kolonie geboren zijn, worden Creolen-Negers genaamd.
[170] Deze slaven waren, na hun meester doodgeslagen te hebben, gevlugt, Notulen Gouverneur en Raden, 1 Maart 1748.
[171] Zie over de familie Araby het latere gedeelte dezer geschiedenis, dat meer over de zendingszaak handelt.
[172] De ondervinding toch had geleerd, dat met vrucht weinig tegen de boschnegers kon verrigt worden, en alzoo besloot men nu tot datgene, hetwelk reeds 10 jaren vroeger door Mauricius was voorgesteld maar toen door de meesten verworpen was.
[173] Deze Quako was slaaf bij eene Jodin geweest, die hem, niettegenstaande hij getrouw en arbeidzaam was, steeds hard behandelde; lang had hij dit verduurd, maar toen zij hem uit een vreemden gril neus en ooren wilde doen afsnijden, had hij de vlugt genomen en zich bij de boschnegers gevoegd.
[174] Een der commissarissen, de heer Zobre, was ongesteld geworden.
[175] Zie Journaal van den Gouverneur, 19, 20, 26, 27 October, 7, 8, 11 December 1760.
[176] Journaal van den Gouverneur, Sept. 1761.
[177] Bij Hartsinck vindt men de togten tegen de negers en de met hen gesloten verdragen vrij uitvoerig vermeld, 2de deel, blz. 755-813, verder bij van Kampen "de Nederlanders buiten Europa", 3de deel, blz. 110-135: Stedman, Reizen in Suriname, 1ste deel, blz. 78-96 en verder in Teenstra, Sypesteyn en onderscheidene andere geschriften, en in de notulen van Gouverneur en Raden, terwijl in de Journalen der Gouverneurs hiervan mede dikwijls melding wordt gemaakt, gelijk wij reeds hier en daar aangegeven hebben.
[178] Sypensteyn verhaalt daarvan in zijn werk »Mr. Jan Jacob Mauricius, Gouverneur-Generaal van 1742 tot 1751" dat hij reeds op zijn zesde jaar eene predikatie hield; op zijn achtste Latijnsche verzen maakte; op zijn twaalfde een heldendicht uitgaf; op zijn dertiende, student werd, en nog vóór zijn zestiende, tot doctor in de beide regten werd bevorderd.--Wij kennen de bron, waaruit Sypensteyn putte, niet en deelen deze bijzonderheden slechts op zijn gezag mede,--volgens het oordeel van kenners zijn zijne gedichten, op lateren leeftijd gemaakt, van weinig poëtische waarde.
[179] Sypensteyn, Jan Jacob Mauricius enz. bladz. 11-15.
[180] In het voorberigt van het octrooi door de Algemeene Staten, waarbij Suriname in handen en onder directie van de bewindhebbers van de Generale Nederlandsche Geoctroyeerde West-Indische Compagnie viel, wordt ten eerste haar hetzelfde regt als zij op al hare conquesten had verleend; en ten tweede bepaald, dat de gemelde Compagnie ten eeuwigen dage niet bevoegd zal zijn, of vermogen eenige de minste verandering te brengen in datgene, hetwelk bij de Articulen van voorn. octroy in 1682, gelimiteerd staat.
[181] Zie bladz. 84.
[182] Zie Hartsinck, bladz. 889.
[183] Zie notificatie 11 Mei 1742.
[184] Later in 1749 door de oprigting van een kas tegen de wegloopers verviel deze heffing.
[185] De beschrijving van de onderscheidene collegiën, kantoren, benevens de vermelding der onderscheidene ambtenaren, is voornamelijk aan Hartsinck ontleend, (zie 2e deel, bladz. 873-890), en komt volkomen met het deswege in de officieele bescheiden vermeldde overeen.
[186] Deze algemeene oproepingen waarvan wij ook in het 2de hoofdstuk 3de tijdvak spraken, moet men wel onderscheiden van de proeve van kolonisatie met Duitschers en Zwitsers.--Zie het zelfde hoofdstuk.
[187] Zie o. a. Teenstra, de Negerslaven en bladz. 37--waar geklaagd wordt, dat eigenaars en administrateurs van plantaadjes de Duitschers boven anderen voorthelpen en de eerste posten der regering soms bij voorkeur aan hen opgedragen worden.
[188] Hartsinck, 2e deel, blz. 876.
[189] Historische proeve. H. J. Koenen, geschiedenis der Joden in Nederland. Is. da Costa, Israël en de volken.
[190] Recueil echte stukken 2e. dl., blz. 183.
[191] Teenstra deelt in "de Negerslaven" op blz. 43--en een ongenoemde schrijver in een werkje "Suriname in deszelfs tegenwoordigen toestand," bladz. 48, hierover verscheidene bijzonderheden van lateren tijd mede, welke grootendeels overeenkomen met het hier vermelde.
[192] Journaal van Mauricius, 29 Jan. 1748.
[193] Amerikaansch Voyagiën, door Adriaan van Berkel, uitgegeven tot Amsterdam bij Johan ten Hoorn, 1695.
[194] Beschrijvinge van de volkplantinge Zuriname, door J. D. H. L., te Leeuwarden bij Meindert Injema, Boekdrukker en verkooper, vooraan in de St. Jakobsstraat, 1718 blz. 46.
[195] Recueil echte stukken bl. 518.
[196] Notulen, 23 Mei 1746.
[197] Notulen, 11 Junij 1748.
[198] De Hoogduitsche Joden maakten gebruik van een gesticht dat door de Portugesche Joodsche gemeente in 1719 was daargesteld, maar in 1744 bij besluit der geoctroyeerde sociëteit aan hen was afgestaan, en, bij de aanwas dier gemeente, aanmerkelijk vergroot werd.
[199] Om den lezer eenigermate een denkbeeld te geven van de uiterlijke gedaante der stad, hopen wij een paar platen te geven, waarin Paramaribo in twee onderscheidene tijdperken zal worden voorgesteld.
[200] Notulen Gouverneur en Raden, 11 Junij 1748.
[201] Recueil echte stukken, 2e deel, blz. 517.
[202] Wel was dit bij placaten verboden, doch de overtreding derzelven kon moeijelijk nagegaan worden; o. a. was bij Resolutie, 24 Dec. 1745 bepaald, dat de blanke bedienden, die vleesschelijke gemeenschap met eene slavin hielden, met f 100 zouden worden beboet. Not. G. en R.
[203] Dichtlievende uitspanning, blz. 167, ook medegedeeld door Teenstra, De landbouw in Suriname, 2de bld. 151. Sypensteyn. J. J. Mauricius, blz. 116.
[204] Creool is de algemeene benaming van de in de kolonie geborenen.--Zoo vindt men blanke Creolen d. i. afstammelingen van Europesche ouders; gekleurde Creolen of Kleurling-creolen, afstammelingen van Europesche vaders en mulatinnen of negermoeders, of ook van Kleurlingen en Kleurlingvrouwen en in het algemeen allen, die niet tot het onvermengd Europeesch ras behooren, mits zij noch Karboegers noch negers zijn. Karboegercreolen, namelijk afstammelingen van een mulat en eene negerin, of van eene mulattin en een neger. Negercreolen of de in Suriname geboren negers. Zoutwaternegers werden de negers genaamd, die uit Afrika overgebragt waren.
[205] Journaal Mauricius, 7 Mei 1749.
[206] Journaal Mauricius, 15 en 16 Nov. 1740--10 Feb. 1751 enz. benevens de notulen over deze zaak.
[207] Notulen, 24 Dec. 1745 enz.
[208] Channing.
[209] Als een bewijs van het lage peil der zedelijkheid verhaalt Stedman, die eenige jaren later in 1776 in Suriname vertoefde, dat dezelfde vrouwen, die zich luide over de ongetrouwheid harer mannen beklaagden, vaak aan goede vrienden hare slavinnen, naar eene willekeurige waardering, voor zekeren prijs in de week aanboden.
[210] Alzoo wordt de slaaf genaamd, die met de verzorging der zieken is belast. Zie F. A. Kuhn, M. D. Beschouwing van den toestand der Surinaamsche plantagie-slaven. Te Amsterdam, bij C. G. Sulpke 1828, en J. Wolbers, de Surinaamsche negerslaaf. Amsterdam, H. de Hoogh. 1854, bladz. 17, 18.
[211] Mauricius, zie bladz. 13.
[212] Een eigenlijk kerkgebouw bezaten de Hervormden in Paramaribo niet. Sedert de aankomst van Ds. Baseliers in 1668 tot den aanvang dezer eeuw, hield de gemeente hare godsdienstoefeningen in een bovenvertrek van het stadhuis, gewoonlijk het hof genoemd, op het kerkplein. Het onderste gedeelte diende tot vergaderplaats van het Hof van Policie en Crimineele Justitie, alsmede de secretarie enz. "Van Schaïck, de Hervormde Gemeente in Paramaribo. West-Indië, 1ste jaarg. bladz. 30.
[213] Reeds in 1691 was deze gemeente in het bezit van een eigen predikant, namelijk Ds. Klei.
[214] In de bijlagen zullen wij de naamlijsten der Nederd. en Fransche predikanten, benevens die der later opgerigte Luthersche gemeenten, laten volgen.
[215] Niemand ergere zich aan dit woord, het kwam in alle officieele stukken alzoo voor, en was eene in dien tijd geijkte uitdrukking.
[216] Dit Conventus kwam eenmaal in het jaar, in de maand Februarij, te Paramaribo tezamen. De predikanten en ouderlingen--zoo der stadsgemeente als die der divisie, die anders haren afzonderlijken kerkeraad hadden, verschenen aldaar om èn den staat, èn de behoeften der kerken en gemeenten te overwegen. In dit Conventus Deputatorum, ingesteld onder het Gouvernement van den heer Scharphuys, zaten ook twee Raden van Policie als Commissarissen politiek.
[217] Journaal van Mauricius, 17 Februarij 1748.
[218] Notulen Mei 1733, October 1733 enz.
[219] Notulen, 21 Mei 1733.
[220] Later was hij als predikant te Stevenswaard werkzaam. "West-Indië, van Schaïck, Hervormde Kerk 1e jaarg. p. 86."
[221] Ds. Duvoisin had kort vóór de ontvangst van dezen brief reeds zijne betrekking nedergelegd.
[222] Journaal Mauricius.
[223] Journaal Mauricius.
[224] Not. G. en R.
[225] Not. G. en R.
[226] De vertaling was reeds door zijn zoon geschied.--Recueil 2 d. bl. 4.
[227] Recueil 2 dl. bijl. 110.
[228] De Heer zij gedankt, dat de Hernhutters niet zoo oordeelden, want dan verkeerde de bevolking in Suriname nog bijna geheel in de magt des Heidendoms.
[229] Journaal Mauricius, 4 April 1746.
[230] Genoemde Jan Ark.
[231] Zie Notulen, 3 Mei 1743.
[232] Zij schijnen het hiermede echter niet zeer gelukkig getroffen te hebben; spoedig ontstond er oneenigheid tusschen den predikant, den kerkeraad en de gemeente.
Ds. Pfaff preekte slechts zelden, soms werd hij er door bevel der regering toe gedwongen.--In 1744 werd de eerste steen van de kerk gelegd en in 1744 voltooid en ingewijd.
[233] Hartsinck, 2e deel, bladz. 891.
[234] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1745.
Schetsreekening of Calculatie, waeruyt het Tantum aan den heer Fiscaal toe te leggen, mitsgaders de tractementen zoo aan den Exploiteur of Deurwaarder en deszelfs twee Substituten, alsmede alle kosten rakende het Exploiteur-ambt, te vinden zijn en de inkomsten van 't zelve Exploitementen.
Surinaamsch geld Men rekent, dat aan den heer Raad Fiscaal, volgens ZEd. eisch zal kunnen toeleggen jaarlijks f 6000 De nieuw aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder f 2000 De twee Substituut-Exploiteurs ieder f 500, dus f 1000 Huur van twee sloepen, die de Exploiteur uit zijn privé-beurs moet betalen, jaarlijks voor ieder f 100 f 200 Onderhoud van 10 slaven, die door het land zouden moeten worden gekocht, te weten voor kost, noodig onderhoud en chirurgijnsloon aan den Exploiteur toe te leggen f 300 Interest van eene somme van f 5000, dat men rekent de 10 aan te koopen slaven zullen kosten, à 8 pCt. in het jaar f 400 ---- f 9900
Waartegen men rekent, dat het Exploiteurschap zoude opbrengen, grosse mode namelijk
dat alle jaren aan citatiën, zoo voor de beide hoven van Policie en Civiele Justitie, als voor het Collegie van Kleine Zaken, boven de f 100 worden uitgegeven 500 stuks, ieder gerekend à f 4.10 f 2025 Aan Exploiten, die jaarlijks worden gedaan, zoo schat men zulks op 300 stuks, ieder gerekend op f 7.10 f 2250 Aan huur van twee sloepen en 10 stuks slaven, tot het doen van Exploiten in de rivieren met de vacantiën, welke men vooraf alhier verdeeld, namelijk, dat wanneer een Exploit wordt gedaan op plantaadjes, één getij van Paramaribo gelegen, f 18 en verder voor ieder getij meer f 18, rekent men op te brengen f 1800 Voor 't derigeren der Executiën, ieder jaar f 10 à 20 f 200 Proclamatiën, Edictaales Citatiën, maken van Inventaris, alles met de aankleve van dien, alsmede voor het visiteeren in civiele gijzelingen, rekent men hoogstens f 1800 Voorgestelde heffing van 5 pCt. voor de koopers van losse, vaste goederen bij Executie verkocht, daar men vermeent, dat de kooper weinig zien zal, rekent men f 1000 ---- f 9075
Te kort alzoo volgens Calcula f 825 ---- f 9900
Schetsrekening of Calculatie, om daeruyt te vinden een jaarlijksch bestaan voor een aan te stellen Exploiteur of Deurwaarder voor beide hoven.
De Exploiteur zal ten zijnen kosten moeten koopen twee bekwame scheepssloepen, welke men rekent dat zullen kosten hoogst f 400, die sloepen twee jaren dienende, zoo kost hem zulks jaarlijks f 200 Voor kost en onderhoud van 10 slaven, mitsgaders chirurgijnsloon à 50 per slaaf f 500 Voor het maken van een tentbootloods f 200; men rekent dat deze 4 jaren goed blijft, is dus ieder jaar f 50 ---- f 750
Alzoo kan de Exploiteur jaarlijks overhouden f 2050 ---- f 2800
Want hij zal genieten:
1. Een vast jaarlijks tractement f 2000 2. Voor huur van de twee sloepen f 200 3. Voor het onderhoud der 10 slaven f 300 4. Opbrengst huurloos, wanneer hij de slaven niet voor de dienst noodig heeft, rekent men f 30 per slaaf f 300 ---- wordt f 2800
Volgens de Notulen van 14 December 1745 werd bij de Instructie voor den nieuwen Exploiteur in artikel 29 de declaratiën bepaald.
Voor een Citatie f 4.10;--Insinuatie f 7.10;--Sommatie f 7.10;-- Renovatie f 7.10; --Aanwijzing van goederen f 7.10.
Dirigeren eene Executie eens vooral buiten vacatie f 20.00 Presentie-geld van ieder Raad in de rivieren per dag f 20.00 Presentie-geld van ieder Raad in Paramaribo per dag f 5.00 Omslag voor den tamboer f 1.10; voor vacatie in de rivieren in de 24 uren f 10.00 Huurvaartuigen en slaven, ieder 24 uren of vacatie f 8.00 Inventaris zonder voortgang der Executie f 7.10 Sondags-Proclamatie van 1, 2, 3 en 4de gebod, voor ieder f 7.10 Exploit op mandement van purge, soo wegens het afkondigen, uitroepen als het citeeren van een iegelijk, die sich partij zoude willen maken f 7.10 Copie van 't mandement op een zegel aan het raadhuis f 5.00 Het relaas of acte van Exploite f 5.00 Exploit van een mandement van ministerie en van policie f 7.10 Emolument voor den Substituut-copie van 't mandement f 1.16 Exploit op 't mandement van Benifice van Inventaris f 5.00 Edicaale Citatie op zegels, aan 't raadhuis en in de rivieren, ieder f 5.00 Het maken van Inventaris, Estimatie van goederen en verklaring bij acte doet stellen f 9.18
Vacatie per dag f 10. Copie van gedane Exploit f 4.
Arresten Interdict mitsgaders dagvaarding f 7.10.
Emolument substituut. Copie met zegel f 1.16. Presentie ter rolle f 1.16. Exploit van opdaging f 7.10. Copie der weetbrief van het arrest, mitsgaders obligatie en verdere documenten, neftens de schriftexempl. aan de overgedaagde f 4.10. Exploit van beteekening en gijzeling f 7.10. Visitatie in die gijzeling eens f 3. Copie van het rekwest en origineel mandement van gijzeling, mitsgaders 't Exploit van de beteekening derzelve en acte op zegel f 3.15.
Een insinuatie op verleende surcheange f 7.10 Een insinuatie om wederom in gijzeling te gaan f 7.10
Een edictaale citatie op 't zegel van het raadhuis en in de rivieren, alwaar de affectie is, voor ieder f 5.
Emolument voor den substituut, 't presenteren ter rolle van ieder Crediteur daarin gemeld, 6 stuivers.
[235] Recueil echte stukken, 1e deel, bl. 4 enz.
[236] In de notulen van 28 Febr. 1746 wordt ook gewag gemaakt van een voorstel van den Gouverneur om eene algemeene Landkaart te laten maken.
[237] Journaal van Mauricius, 8 Maart 1746. Na eene inspectie der nieuwe fortres deelt hij zijn oordeel daarover mede met deze woorden: "In 't geheel sie ik die fortresse aan met oogen van verdriet, als een lastig houkind, sonder dat het nut ooit geproportionneerd sal weesen na de kosten. Ze maakt een schoone parade op de kaart en als ze in Brabant lag, geloof ik, dat het een schoon stuk werk sou wesen.--Doch in den ganschen aanleg is geen attentie gemaakt op de omstandigheden van dit land. Zelfs de casernen zijn gemaakt, als of 't in 't noorden was, van steen en dichte benaauwde kamertjes, elk met een schoorsteen, correct op 't model van 't Amsterdamsche oude mannenhuis.
[238] Sypesteyn, Geschiedenis van Suriname bl. 32; Sypesteyn, J. J. Mauricius, bl. 32. Hartsinck, 2e deel, bl. 729-39; bij den laatsten schrijver vindt men het stuk in zijn geheel.
[239] Notulen van Gouv. en Raden, 25 en 26 Aug. 1744.
[240] Journaal van Mauricius, 5 Feb. 1745.
[241] Als een staaltje van de wijze, waarop de publieke opinie in Suriname zich bij dergelijke gelegenheden openbaarde, zie notulen 4 Mei 1744.
"Bij gelegenheid der verkiezing van een nieuw raadslid, gaf Mauricius zijne verontwaardiging te kennen, dat op de stembriefjes, die overluid voorgelezen moesten worden, soms baldadige en moedwillige beschimping van personen voorkwamen, ja de impertinentste en canailleuste declamatiën, waarom besloten werd dat voortaan bij dergelijke nominatiën niet anders dan de namen der bedoeld wordende personen zouden worden gelezen--en dat zoo er meer op mogt vermeld zijn dit als nietig zoude worden beschouwd."
[242] Journaal van Mauricius, 14 Dec. 1746.
[243] Journaal van Mauricius, 3 April 1748.
[244] Scherping was secretaris van het hof; hij stond alzoo onmiddellijk onder den gouverneur.
[245] Zij huwde in December 1721 te Paramaribo met Hendrik Temming, die na het overlijden van Jean Coutier, den 10den Oct. 1721 tot Gouverneur-Generaal van Suriname benoemd was en die den 1sten Maart 1722 het bestuur dier Kolonie aanvaardde. Na zijn overlijden hertrouwde zij den 17den Julij 1729 met den toenmaligen Gouverneur C. E. H. de Cheusses, welke den 1sten Februarij 1734 overleed, waarna zij ten derde male in het huwelijk trad den 10den Februarij 1737, en nu met den Gouverneur Joan Raije, die haar echter reeds den 11den Augustus van datzelfde jaar door den dood ontrukt werd. Den 7den Januarij 1742 huwde zij andermaal, nu met den predikant bij de Waalsche gemeente te Paramaribo, Anthony Audra, welke echter reeds den 17den Mei 1744 overleed, waarna zij eindelijk voor den vijfden keer (27 Mei 1748) in den echt trad met Louis Duvoisin, predikant bij de Waalsche gemeente, dien zij ook overleefde.
[246] Journaal Mauricius, 6 Febr. 1744.--Ook Sypesteyn deelt deze bijzonderheid mede.
[247] Notulen, 16 Mei 1748 enz.
[248] Journaal Mauricius, 6 Junij 1748.
[249] Kapitein der Artillerie, anders geen vriend van Mauricius.
[250] De negotie van Indiaansche of roode slaven was een voordeel aan de betrekking van Gouverneur verbonden. Daarvoor hadden de Gouverneurs zoogenaamde wervers "Bokkenruilders" in dienst, die de bovenlanden doorreisden en van de met het Gouvernement bevriende Indiaansche stammen, de door hen op andere gemaakte krijgsgevangenen opkochten, meestal in ruiling tegen blaauw katoen, kralen, ijzerwaren of sterke drank. Deze roode slaven werden in de stad gebragt, door een tolk onderzocht, of zij ook behoorden tot eene bevriende Natie en in het tegenovergestelde geval, namens den Gouverneur, aan de ingezetenen verkocht, die hen als huisbedienden of jagers gebruikten. Vroeger had deze hatelijke handel vele voordeelen opgeleverd; ten tijde van Mauricius echter bragt hij, doordat de Indianen verder in de binnenlanden trokken, zoo weinig op, dat de kosten naauwelijks uit den verkoop gedekt werden. De beschuldiging, dat Mauricius twee, hem door den vrijen neger Quassie aangebragte, roode slaven van een bevrienden stam zou verkocht hebben, was onwaar--de bedoelde slaven behoorden tot den niet bevredigden stam de Brouhahan's, enz.--Sypesteyn (Mauricius blad 90-92.)
[251] Journaal Mauricius, 13 Aug. 1743.
[252] Journaal Mauricius, 27 Dec. 1749.
[253] Journaal Mauricius, 26 Maart 1749.
[254] Journaal Mauricius, 8 Julij 1849 onder hevige koortsen uit.
24 Julij 1749. De ziekten onder de Zwitsers nemen toe, ook de ontevredenheid en wanorde.--Zij willen niet naar het hospitaal, zij willen niet innemen, zij willen voor de overgeblevene kinderen der overledenen niet de minste zorg dragen, zij willen geene bedekking van soldaten. Wat een onwil!
[255] Journaal Mauricius, 13 Nov. 1743.
[256] Journaal Mauricius, 8 Jan. 1745.--Bij deze gelegenheid drong Mauricius zeer aan op het uit Nederland doen overkomen van brandpalen. Zie blad. 295, 96.
[257] Journaal Mauricius, 13 Nov. 23 Nov. 25 Nov. 1, 2, 12 Dec. 1746.
[258] In 1797 in Februarij, ontstond er weder een boschbrand, die met afwisselende hevigheid woedende, eerst in April door den aanhoudende regen tot staan kwam.
[259] Notulen, 28 Feb. 1744.
[260] Zie Notulen, 18 Feb. 1745.
[261] Notulen, 4 Julij 1747.
[262] Journaal van Mauricius, 22 Julij 1748.
[263] 1 Mei 1749 werd door G. en R. verzoek gedaan tot het oprigten van een kas voor de wegloopers.
[264] Zie Notulen, 19 Dec. 1747.
[265] Zie bldz. 147 enz.
[266] Recueil 4 d. bl. 98 enz.
[267] Recueil 4e. deel, bldz. 347.
[268] Journaal van Mauricius, 24 Dec. 1750.
[269] Dit adres is vervolgens door HH. Commissarissen aan H. K. H. Prinses Anna (Willem de 4e was inmiddels overleden) overgegeven, die daarop berigt van HH. Directeurs inwon, welke het Mauricius in handen gaven, die er eene scherpe kritiek op leverde; daarna deed H. K. H. uitspraak, die door H.H.M. den 20sten Julij des jaars 1763 bekrachtigd werd.
Dit zeer belangrijk stuk zal met de aanmerkingen van Mauricius en de uitspraak van H.H.M. in de bijlagen worden opgenomen.
[270] Journaal van Mauricius van 11, 12, 13 April 1751.
[271] Volgens Journaal van Mauricius van 5 en 6 April 1751, waren genoemde heeren door den Commandeur, uit naam der HH. Commissarissen, geadverteerd, dat zij wel zouden doen met hunne demissie te vragen.
[272] Op de Vries was de Cabale zeer verbitterd en moest hij alzoo het veld ruimen.
[273] De benoeming van Pichot tot Prov. Fiscaal is nimmer door Directeuren erkend.
[274] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1751.
[275] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1731.
[276] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 en 29 Julij 1731.
[277] De Raad Fiscaal deed hiervan in de vergadering van het Hof mededeeling, waarop dit voor het vervolg streng verboden werd.
[278] Historische proeve 2e. deel, bladz. 135.
[279] Notulen G. en R.--12 en 16 Mei 1751.
[280] Eerst in 1754 kwam deze regeling tot stand en werd deze onder den naam "Ascamoth" door H.H.M. en de prinses Gouvernante en de Directeuren der Sociëteit bekrachtigd, terwijl alstoen tevens bij onderlinge schikking "voor deese reyse en zonder gevolg voor het toekomende" nieuwe regenten werden aangesteld: Hist. proeve 1e. d. bl. 135.
[281] Notulen G. R., 15 Mei 1731.
[282] Notulen G. R., 8 Julij 1732. Deze notulen zijn hier zeer belangrijk.
[283] Notulen, 3 Sept. 1731.
[284] Notulen van Gouv. en Raden, 16 Feb. 1752.
[285] Vóór dit Hoofdstuk ten einde is, zullen wij hier reeds op terugkomen.
[286] Later ging dit huis aan de familie Marselis Hartsinck over.
[287] Daar de Notulen van Gouvern. en Raden, anders zoo volledig der maand November 1751 ontbreken, kan dit plan der negotiatie door mij niet in zijn geheel worden medegedeeld. Ik heb het nu moeten opmaken uit de Notulen van 27 December 1751, 11 Januarij en 30 en 31 Mei 1752, toen deze zaak in discussie werd gebragt.
[288] De rente werd door Deutz gesteld op 6 percent. (Sypesteyn, bladz. 40.)
[289] De beschrijving dezer lijkstaatsie vindt men in de Notulen van Gouverneur en Raden van den 8sten September 1752 en wordt ook door van Sypensteyn medegedeeld op bladz. 50-52 van het tijdschrift van West-Indië 2de deel.
[290] Zie Notulen Gouverneur en Raden van 7, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en 15 September 1752. Journaal van Crommelin van 5, 6, 7 en 8 September 1752 en 2 Februarij 1753 en mede Sypensteyn. Geschiedkundige aanteekeningen in het Tijdschrift "West-Indië", 2de deel, bladz. 36-47.
[291] Journaal van Crommelin van 2 Februarij 1753.
[292] Verschuer overleed reeds den 17den Mei 1753.
[293] Journaal van Crommelin, van 4 Febr. 1753.
[294] Journaal van Crommelin, van 5 Febr. 1759.
[295] Notulen van Gouverneur en Raden, 13 Februarij 1753.
[296] Notulen van Gouverneur en Raden, 1, 6 en 7 Maart 1753.
[297] Notulen van het Hof van Civiele Justitie, 10 April 1753.
[298] Notulen idem, 22 Mei 1753.
[299] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Maart 1753.
[300] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1753.
[301] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Mei 1753.
[302] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 April 1753.
[303] Notulen van Gouverneur en Raden, 19 Maart, 22 en 24 Mei 1753.
[304] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Aug. 1753.
[305] Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Aug. 1753.
[306] Journaal van Crommelin van 1 Mei 1753.
[307] Journaal van Crommelin van 6 Mei 1753.
[308] Journaal van Crommelin, 11 Mei 1753.
[309] Notulen Gouverneur en Raden, 5 en 6 Julij 1753.
[310] Journaal van Crommelin, 27 September 1753.
[311] Journaal van Crommelin, 4 Julij 1753. Notulen Gouverneur en Raden, 4 Julij 1753.
[312] Journaal van Crommelin 11 Julij 1753. Jonkh. van Sypensteyn--in zijn "Mr. J. J. Mauricius," bladz. 117 en 118, vermeldt, dat zoowel de Fiscaal als Mauricius eene actie van injurie tegen Duplessis instelde, hetgeen ten gevolge had, dat hij voorloopig op de gevangenpoort te 's Gravenhage in hechtenis werd gehouden--en later bij de algemeene amnestie voor alles wat de Surinaamsche geschillen betrof, werd uitgezonderd. Eindelijk werd hem op zijn dringend verzoek vergiffenis geschonken, echter onder de voorwaarde, dat hij Duplessis alle gemaakte onkosten onmiddellijk voldoen en nimmer naar Suriname terugkeeren zou.
[313] Eene der meest beruchte cabalisten, Mevrouw de Wed. Duvoisin, overleed den 6 Aug. 1753.--Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1753.
[314] Notulen, Gouverneur en Raden, 29 Oct. 1753, Journaal van Crommelin, van den zelfden dag.
[315] Alléén Strübe was van de oude raden op nieuw gekozen.
[316] Zie bijlage.
[317] Notulen Gouverneur en Raden, 6 Nov. 1753.
[318] In de meeste werken, en zelfs in eenige Staatsstukken wordt er steeds van 600 man staatsche troepen gesproken, die met de Commissarissen mede kwamen, doch uit het Journaal van Mauricius, gelijk als uit de belangrijke mededeeling daaromtrent gedaan door Jonkh. van Sypensteyn in het Tijdschrift "West Indie" 2de deel, bladz. 48 en 90, blijkt dat er slechts een getal van 392 soldaten waaronder 44 officieren in Suriname arriveerde.
[319] Notulen Gouverneur en Raden, 24 Junij 1754.
[320] Als eene der laatste stuiptrekkingen van de cabale wordt nog vermeld dat een harer bekende aanvoerders, de heer Jan David Cellier, zich bij het uitvaardigen der amnestie in zeer beleedigende woorden hierover uitliet op eene openbare plaats, in de kolfbaan van Paul Noortman, en zich onderscheiden dreigementen tegen de thans in de regering van Suriname gezeten personen veroorloofde. Hij werd hierover aangeklaagd, in Zeelandia gevangen gezet, en na een langdurig proces, den tweeden December 1754, veroordeeld tot eene boete van f 15,000. 1/3 voor den Fiscaal, 1/3 voor de Modique lasten, 1/6 voor de armen van Paramaribo, en 1/6 voor het Sociëteits-hospitaal. Notulen, 5 Aug. 2 Dec. 1754 enz.
[321] Notulen Gouverneur en Raden, 24 October, 4 Nov., 9 Nov., 10 Dec., 11 Dec 1754 en 20 Februarij 1755.
[322] Deze moeijelijkheden herhaalden zich telkens; het verschil over de verdediging der kolonie was eene bron waaruit onophoudelijk twist en tweedragt ontstond. Terwijl de Sociëteit van haar invloed op de Hooge regering in Nederland gebruik maakte om zooveel mogelijk de balans ten haren voordeele te doen overslaan, gaven de kolonisten ook nimmer dan schoorvoetende toe en niet altijd waren zij hier in het ongelijk, niet altijd werd hun regt gedaan. Om de gedurige moeijelijkheden met de schippers, in geval van noodzakelijke verdediging te voorkomen, besloot men later (6 Mei 1756) aan de Sociëteit te verzoeken om alsdan twee oorlogsschepen te posteren. Notulen, 6 Mei 1756.
[323] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Aug. 1755 bijlage Not. 30 Aug. 1755 enz.
[324] Notulen Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1756.
[325] Notulen Gouverneur en Raden, 23 Dec. 1755.
[326] Notulen, 6 Aug. 1754.
[327] Journaal van der Meer, 11 Dec. 1754.
[328] Notulen, 6 en 26 Maart 1755 bijlage Notulen van 6 Maart No. 15 Mei 1755 enz.
[329] Notulen Gouverneur en Raden en bijlagen van 15 Mei, 3, 4, 12, 13 Junij 12 en 18 Aug. 17 Sept., 7, 24 October 1755, 24 Januarij 1756 enz. enz. enz.
[330] Journaal van van der Meer, Januarij 1755.
[331] Notulen Gouverneur en Raden, 27 Febr., 13 Junij en 9 Oct. 1755, 8 Oct., 5 Julij en 23 Julij 1756, bij deze laatstgenoemde notulen vindt men de Concept-Instructie der nieuwe weeskamer 24 Sept. 1756.
[332] Journaal van van der Meer, 18 Dec. 1755.
[333] Acta van het Conventus Deputatorum 26 Mei 1757.
[334] Bij de behandeling der zendingszaak vermelden wij een en ander uitvoeriger.
[335] Notulen G. en R., 31 Aug. 1756.
[336] Notulen G. en R., 17 Dec. 1756.
[337] Not. G. en R., 23 Dec. 1756.
[338] Not. G. en R., 7 Sept. en 24 Dec. 1756.
[339] Notulen G. en R., 27 en 28 Dec. 1756, 7 Februarij 1757. Journaal v. Crommelin, 18, 21 en 23 Jan.
[340] Not. G. en R., 8 Februarij 1757.
[341] Notulen G. en R., 7, 10, 20 Maart April en Mei 1757.
[342] Bijlage der Notulen, 26 Mei 1757.
[343] Notulen G. en R., 15 Sept. 1757.
[344] In 1761 werden zij door de heeren J. L. van Son en D. F. Dandiran vervangen. (Not. G. en R., 20 Aug. 1761).
[345] Journaal Crommelin, 12 en 17 Jan. 1758. Bijlage van Not. G. en R., 25 Julij 1758.
[346] In 1765 en 66 vermenigvuldigden zich de verkoopingen en het onder sequestratie brengen van plantaadjes van wege het kantoor Marselis.
[347] Notulen, 8 Febr. 1764.--Volgens besluit van het Hof, 19 Febr. 1767, mogten o. a. de voordeeligste katoenboomen bij waardeering niet hooger dan 12 stuivers gepriseerd worden--de minderen in kwaliteit, naar evenredigheid.
[348] Zekere Johannes Bock, die 32 jaren in Suriname had gewoond en daarna, zoo voor eigene zaken als in het belang dezer zaak, naar Nederland was gegaan, had zich hiervoor veel moeite gegeven.
[349] Notulen van G. en R. van 13 Febr. 1764 en van 4 Febr. 1765.
[350] Notulen van Gouverneur en Raden van 25 Januarij 1736.
[351] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 Maart 1761.
[352] Notulen van 19 Mei 1761.
Hartsinck, 2de deel, bladz. 857 en 858. Bij dezen schrijver vindt men ook eene afbeelding van dit kaartengeld, doch over de uitgifte is hij niet in alle opzigten naauwkeurig geweest en op zijn voorbeeld hebben ook andere schrijvers gedwaald.
[353] Zie notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums.
[354] Notulen Gouverneur en Raden, 20 Februarij 1765.
[355] Notulen Gouverneur en Raden, 3 Dec. 1765.
[356] Notulen, 8 Mei 1764. Wegens gebrek aan muntspeciën werden Directeuren verzocht f 6000 aan stuivers, f 2000 aan duiten te zenden en tevens aan ieder schipper een zak met f 600 mede te geven.
[357] Not. G. en R., 23 Aug. 1765.
[358] Notulen G. en R. 23 Maart 1767.
[359] Zie bldz. 251.
[360] Notulen van Gouverneur en Raden van 26 Junij 1760.
[361] Notulen van Gouverneur en Raden van 27 en 28 Junij 1760.
[362] Een voorstel van Crommelin, om op het pad weder een schout te plaatsen, werd door de Raden afgewezen. Notulen, 17 Febr. 1762. Doch des niettegenstaande werd op 20 Mei 1763 een schout aangesteld. Aan de aanvraag om een eigen predikant werd nimmer voldaan: de predikanten van Paramaribo zouden er preken. In 1760 werd er eene predikatie gedaan en in 1764 weder eene. Notulen van 9 Mei 1764.
[363] Reeds vroeger had Crommelin voorgesteld, om die gehate extra-ordinaire belasting te verminderen; (zie Notulen, 17 Nov. 1758) terwijl uit de Notulen van 16 Dec. 1762 blijkt, dat er alstoen in genoemde kas een saldo van f 227,345,1 voorhanden was en de vermoedelijke uitgaven op slechts 50 à 60 duizend geraamd werden.
[364] Notulen van G. en R. van 4 en 8 Dec. 1760 en 3 Febr. 1761.
[365] Notulen van G. en R. van 14 Junij en 14 Julij 1762.
[366] Notulen Gouverneur en Raden, 19 Feb. 1763.
[367] Notulen G. en R., 20 Dec. 1763.
[368] Journaal van Crommelin, 8 Aug. 1765.
[369] Journaal van Crommelin, 29 Oct. 1766.
[370] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.
[371] Journaal van Crommelin, 9 Dec. 1767.
[372] Journaal van Crommelin, 11 Aug. 1768.
[373] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Febr. 1767.--
Bij de blijvende moeijelijkheid om predikanten te verkrijgen, werd in December 1768 besloten, het tractement weder te verhoogen en hetzelve te brengen; voor de stad op f 2500, voor de districten op f 2000,--terwijl toen ook bepaald werd dat de weduwen haar pensioen buiten de kolonie mogten verteren.
Notulen G. en R., 3 Oct. 1751, 12 Aug. en 18 Dec. 1766. Journaal van Crommelin, 16 Dec. 1751, 23 Febr., 28 Maart, 16 April, 22 April, 2 Julij 1767, 29 Dec. 1767, 11 Aug. 1768 enz., enz., enz.
[374] Notulen G. en R., 2 Junij 1758, 28 Oct. 1759, 12 Aug. 1765, 10 Mei 1768, 4 Mei 1769, 11 1769 tot 14 Mei 1770 enz., enz.
[375] Notulen van Gouverneur en Raden van 28 Februarij 1759 en 8 Februarij 1762.
[376] Notulen van Gouverneur en Raden van 20 Augustus 1761 en 9 Februarij 1762.
[377] Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Mei 1768.
[378] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Mei en 13 Augustus 1760 enz.
[379] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 Februarij 1764.
[380] Journaal van Crommelin van 19 April 1763. Notulen van Gouverneur en Raden van 2 Mei 1763.
[381] Zie hierover bladz. 170-80.
[382] Notulen van Gouverneur en Raden van 23 Mei 1763.
[383] Notulen van Gouverneur en Raden van 7 Augustus 1764.
[384] Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Augustus 1766 enz.
[385] Notulen van Gouverneur en Raden van 6 December 1764, 22 Augustus en 5 October 1766.
[386] Journaal van Crommelin van 10 September 1767.
[387] Zie bladz. 219-20.
[388] In 1767 kwamen in Suriname wel verontrustende tijdingen uit Nederland over geheime voornemens, welke men vermoedde dat Engeland koesterde, om een aanval op de kolonie te doen. Men besloot toen ook wel om op zijne hoede te zijn en zich ongemerkt in staat van tegenweer te stellen, doch het opgevatte vermoeden omtrent kwade bedoelingen van Engeland bleek ongegrond te zijn geweest.
Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Mei 1767, enz.
[389] De Engelsche schippers waren dan ook immer verpligt om paarden aan te voeren; de Engelsche schipper die geene paarden aanbragt moest, zonder verder zijne lading te mogen verkoopen de kolonie verlaten. Aan deze bepaling volgens placaat van 1704 werd streng de hand gehouden.
[390] Notulen van Gouverneur en Raden van 2 April 1760.
[391] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Junij 1764.
[392] Notulen van Gouverneur en Raden van 10 December 1764.
[393] De Deserteurs werden naar Holland gezonden. Wederzijdsche uitlevering van gevlugte slaven had wel van tijd tot tijd plaats doch deze zaak was toch nog niet bepaald geregeld. Eerst in 1770 werd er tusschen Frankrijk en H.H.M. een cartel gesloten over de wederzijdsche uitlevering van Deserteurs en gevlugte slaven.
[394] Eene gansch niet onbelangrijke mededeeling omtrent die mislukte kolonisatie vindt men in het Tijdschrift "Onze Tijd" Jaargang 1859. Afl. Januarij in een artikel getiteld "Cayenne."
[395] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1766.
[396] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1763 en 5 Julij 1763, enz.
[397] Als eene bijzonderheid deelen wij het tarief mede, volgens hetwelk de soldaten die naar de Berbices gingen, bij verlies van een of meerdere ledematen een zoogenaamd soulagement zou worden toegelegd:
Voor het verlies van beide oogen f 1500. ,, ,, ,, ,, een oog f 300. ,, ,, ,, ,, beide armen f 1500. ,, ,, ,, ,, regter arm f 450. ,, ,, ,, ,, linker arm f 350. ,, ,, ,, ,, beide handen f 1200. ,, ,, ,, ,, regter hand f 350. ,, ,, ,, ,, linker hand f 300. ,, ,, ,, ,, beide beenen f 700. ,, ,, ,, ,, een been f 350. ,, ,, ,, ,, beide voeten f 450. ,, ,, ,, ,, een voet f 200.
Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Julij 1763.
[398] Journaal van Crommelin 20 en 26 December 1757, 22 Augustus 1760, enz.
[399] Over de woekerwinsten der vettewariers kwamen meermalen klagten. Zij kochten zooveel mogelijk alles op en dwongen daardoor de markt. Het Hof besloot hun reeds tot 14 gestegen getal te verminderen tot 10 (zie Notulen Gouverneur en Raden, 5 Februarij 1766) doch daar hierdoor het kwaad, in plaats van te verminderen, verergerd werd moest men spoedig op dit besluit terug komen.
[400] Journaal van Crommelin 28 November 1757 en 2 Januarij 1758.
[401] Journaal van Crommelin 23 December 1758 en 3 September 1760.
[402] Journaal van de Meer, 9 Maart 1756.
Journaal van Crommelin, 13 November 1767.
Zie verder over dezen hatelijken handel, bladz. 218.
[403] Zie bladz. 153-160.
[404] Notulen, Gouverneur en Raden, 12 Februarij 1762.
[405] Notulen Gouverneur en Raden, 5 Aug. 1767. Omtrent die zending vindt men aldaar vermeld: dat er weder drie Moravische broeders waren aangekomen, die verlof verzochten om als zendelingen onder de Saramaccaner boschnegers te gaan. De brief van den president van het zendelings-departement Hernhutt, aan Gouverneur en Raden, ademde een regt liefelijken Christelijken geest, en maakte ook een goeden indruk op het Hof. Men noemde het plan nuttig en gaf de gevraagde toestemming.
[406] Hartinck, 2e deel, bladz. 812.
Notulen Gouverneur en Raden, 2 November, 6 November 1766, 29 Januarij, 22 Junij 1767, enz.
[407] Meermalen verhuurden de boschnegers zich tot veldarbeid op de plantaadjes. Verscheidene meesters echter weigerden later het door hen bedongen loon uit te betalen, hierom werd eene resolutie tot rigtige nakoming der wederzijdsche verpligtingen uitgevaardigd (zie Notulen Gouverneur en Raden, 20 December 1764). De boschnegers, de gedurige twisten daarover moede, trokken zich terug.
[408] Notulen van Gouverneur en Raden, 3 December 1764.
Nog dikwijls wordt in de notulen van deze jongelingen melding gemaakt. Een derzelve Jeboach, schijnt een korzelig humeur te hebben gehad en werd naar Holland gezonden. Na ontvangen onderwijs in het Aalmoezeniershuis, wordt hij tot het ambacht van schilderen opgeleid en werd na zijne terugkomst in Suriname meermalen in belangrijke zendingen gebruikt en oefende een grooten invloed op zijne stamgenooten uit; twee andere werden timmerlieden.
[409] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1762.
[410] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij en 12 September 1757.
[411] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Julij 1757.
[412] In December 1757 had zij op haar ingediend verzoek scheiding van tafel, bed en bijwoning van haren man verkregen.
Notulen van Gouverneur en Raden, 13 December 1757.
[413] Notulen van Gouverneur en Raden van 11 Sept. 1759.
[414] Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761.
[415] Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Julij en 3 Augustus 1761.
[416] Notulen van Gouverneur en Raden van 17 Augustus 1761.
[417] Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Augustus 1761.
[418] Notulen van Gouverneur en Raden van 15 Julij 1762.
[419] Notulen van Gouverneur en Raden van 1 September 1762.
[420] Deze manier word eertijds meêr in Suriname gevolgd, zie o. a. "Beschrijvinge van de Volkplantingen in Zuriname" door J. D. H. L. te Leeuwarden bij Meindert Injewa 1718, bladz. 112." Straffen der Slaven. Als wanneer zij eenig kwaad, buiten de straffe des doods verdiend hebben (bedrijven), zoo werd dezelve door order van de meester, of ook wel door hem zelfs gestraft: werdende de misdadige de handen met touw te zamen gebonden, na boven aan een boom opgetrokken (of over een balk van 't huis op zekere hoogte van de grond) en daar vastgemaakt zijnde, zoo wordt hem 50 ponds op de grond staande aan de voeten vastgemaakt en die aan een gebonden, om daardoor het slingeren, schoppen met de voeten te beletten; gehouden zijnde deze strengen straf nog geduldig te lijden, of ten minste met wringen en schreeuwen haar groote ellende te beklagen..... wordt hem eerst door de meester of eenige blanke dienaren en gevolgelijk door de swarte broedergezellen, zoodanig met een zweep (gevlogten van water pinas, een soort van zeer taai riet, met scherpe doornen) geslagen en gegeeseld, dat hij eerder een gevilde of gestroopten hond gelijkende is, als een mensch. En wanneer men bevind, dat zij soms door aangedrongen pijnen so kwaadaardig zijn, dat zij somtijds haar zoeken te stikken, wijl zij de kop in de borst zetten en de adem weten in te houden, daarbij de tong nog dubbeld leggen, om door stikken haar leven te benemen, neemt men een stuk brandhout en stoot haar dat voor de tanden, so dat haar de lippen digter schroeijen als die doch anders zijn, so dat zij adem halen; en als wanneer men oordeeld haar genoeg gekastijd te hebben, losgelaten zijnde, dat de lapperige stukkende huid met een scherp zuur van lamoenzap, met pulver vermengt zijnde, dat de vorige ellendige pijnen moeten vermeerderen voor een korte wijl, strekkende verder tot ettering en de geheele genezing der wonden.....
[421] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 en 18 Dec. 1762.
[422] Notulen van Gouverneur en Raden van 31 Augustus 1762.
[423] Notulen van Gouverneur en Raden van 29 September 1762.
[424] Notulen van Gouverneur en Raden van 11 September 1760.
[425] Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1767.
[426] Notulen van Gouverneur en Raden van 5 Mei 1763.
[427] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 October 1758, 20 October 1760 en 28 December 1765 enz.
[428] Notulen van Gouverneur en Raden van 5 September 1765. Om eenigzins een denkbeeld te kunnen maken van de groote kosten dier commando's, zie men wat voor een commando berekend werd, dat drie weken zouden duren en bestaan uit: 3 officieren, 6 onder-officieren, 3 chirurgijns, 65 soldaten en 183 lastdragers; namelijk: 1080 pond vleesch, 540 brooden, 270 stoop gort, 18 pullen dram, 6 kisten patronen, 3 dito medicijnen, 18 kratsers, 150 vuursteenen, 75 ijzeren houwers, en voor de lastdragers 2448 pond bakkeljaauw, 1254 brooden, 336 stoop gort.
[429] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155.
[430] Notulen van Gouverneur en Raden van 16 December 1762. Uit aanmerking van de hooge prijzen, die in Nederland voor de suiker, cacao en katoen betaald werd, besloot men in evenredigheid daarvan, de calcula voor de belasting te verhoogen, en werd de suiker gebragt op f 75 het oxhoofd, de cacao op 10 stuivers het pond en de katoen op 15 stuivers het pond. De koffij werd toen eerst verlaagd tot 4 stuivers het pond, doch ook deze steeg spoedig weder in prijs, en werd in 1770 tot 6 stuivers het pond gekocht, Journaal van Nepveu, 21 Sept. 1770.
[431] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155.
[432] Notulen van Gouverneur en Raden van 22 Nov. 1768. Crommelin beklaagde zich in zijne afscheidsrede met bitterheid over deze omstandigheid, en de Raden bleven een scherp antwoord niet schuldig.
[433] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769 enz.
[434] Journaal van Nepveu, 25 November 1768 enz.
[435] Journaal van Nepveu, 23 November 1768.
[436] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1769.
[437] Journaal van Nepveu, 11 Mei 1770. Crommelin scheepte zich met zijne vrouw en twee dochters den 11 Mei 1770 in, en verliet eenige dagen later voor goed de kolonie.
[438] Journaal van Nepveu, 8 Maart 1770.
[439] Journaal van Nepveu, 9 Maart 1770.
[440] Journaal van Nepveu, 16 Maart 1770.
[441] Journaal van Nepveu, 12-15 October 1770.
[442] Journaal van Nepveu, 15 November 1772. Een groot feest had o. a. plaats toen de tijding in de kolonie kwam dat Prins Willem V een zoon, onze latere Koning Willem I was geboren.
[443] Journaal van Nepveu, 13 December 1769 en vervolgens, zie ook bladz. 275.
[444] Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Mei 1771.
[445] Journaal van Nepveu, 9 Februarij 1769. De Fransche Gouverneur van Martinique, d'Ennery, bezocht met een gevolg van 24 officieren in 1769 Suriname. Nepveu liet hem het merkwaardigste der kolonie zien. De heer d'Ennery was als opgetogen over vele dingen, maar voornamelijk "over de extra groote reê met kostelijke schepen," en "over de heerlijke gebouwen, o. a. op de plantaadje Tout lui fait en over het zindelijk onderhoud en de properheid die overal doorstraalde." Hij kon echter niet nalaten de opmerking te maken, "dat het folien waren, wyl dergelijke kapitalen geen evenredige interessen voor eene plantaadje konden geven, waarbij hun altijd het oog opgehouden werd."
[446] Beide zijn gezegden van Nepveu, zie Journaal van Nepveu, 28 Sept. 1770 en Notulen van Gouverneur en Raden van 7 April 1774.
[447] Historische proeve, 1e deel, bladz. 155. Aan dit werk ontleenen wij verscheidene, elders niet geboekte bijzonderheden, van dien ontstanen finantiëelen crisis.
[448] Historische proeve, 1e deel, bladz. 156.
[449] Historische proeve, 1e deel, bladz. 157.
[450] Notulen van Gouverneur en Raden van 19 Augustus 1771. Zekere A. Geselschap pleegde falsiteit in het verbinden en verhypothekeren zijner eigene plantaadje en in zijn ambt als priseur. Hij werd dien ten gevolge veroordeeld tot eene boete van f 1000 Surinaamsch, ontslag uit zijne functien en de kosten van het proces. Notulen van Gouverneur en Raden van 21 Augustus 1771. Door het te hoog taxeeren der plantaadjes werd het crediet der kolonie zeer geschokt, waarop "de instructie der priseurs verscherpt werd." Verscheidene fraudes, zoo omtrent te hooge taxatiën als van het, als vrij en onbelast verkoopen van slaven, die reeds onder hypothecair verband stonden, werden ontdekt en gestraft met geldboete van f 2000 enz. enz. Journaal van Nepveu, 21 Augustus 1773 enz. enz.
[451] In 1765 werden gekeurd 21506 oxhoofden suiker, in 1773 slechts 16486.
[452] Journaal van Nepveu, 27 Julij 1769. De slaven, laatst aangebragt door kapitein J. Boeque op den 18 gemeld, zijn meest verkocht tot f 650; zoo dat het telkens opslaat.
Notulen van Gouverneur en Raden van 14 Mei 1770.
De gezagvoerders der slavenschepen verkochten meermalen hunne lading "menschelijke wezens" uit de hand, en in massa aan groote planters. Vele ingezetenen kwamen hiertegen op, want de slaven stegen zoo hoog in prijs, dat men f 600 à f 700 per hoofd moest betalen. Het Hof hernieuwde daarom het placaat, waarbij bepaald was, dat de verkoop van slaven niet uit de hand, maar op vendue moest geschieden.
Journaal van Nepveu, 21 Junij 1770.
"De slaven worden verkocht voor 700 à 800 gulden, het gebrek aan slaven blijft echter groot" enz. enz.
[453] Journaal van Nepveu, 26 April 1771.
[454] Journaal van Nepveu, 24 April 1770.
[455] Journaal van Nepveu, 29 April 1771.
[456] Historische proeve, 1e deel, bladz. 157.
[457] Notulen van Gouverneur en Raden van 10 Augustus 1769.
[458] Journaal van Nepveu, 6 December 1769.
[459] Notulen van Gouverneur en Raden van 12 Augustus 1771.
[460] De kosten der regtspleging enz. waren inderdaad ongehoord; als een klein bewijs diene o. a. het volgende: voor het doen van één exploit, over eene som beneden de f 100, was f 26 onkosten gevallen. Notulen Gouverneur en Raden, 14 Februarij 1775.--"Heeren Raaden van Civiele Justitie nemen voor het simpel teekenen van een authorisatie op den Exploiteur, tot het in bewaarenderhand nemen van een effect, f 20 hetwelk HH. rekenmeesters voorkomt in de calamiteuse omstandigheeden tot vermeerdering van lasten voor de ongelukkigen te zijn." Notulen Gouverneur en Raden, 2 Sept. 1776. "In consideratie de zware kosten, ten laste der ongelukkige ingeseetenen, wier effecten in bewaarenderhand worden genomen of anderzints gedeposeert, achten HH. rekenmeesters het onbillijk, dat de HH. Raaden van Civiele Justitie die kosten zoozeer vermeerderen door haare hooggestelde vacatiën, voor provisiën en mondbehoeften bij gedaane assistentie in de rivieren, zelfs voor het teekenen van authorisatie, terwijl de bediening der Raden, volgens art. 26 van het octrooi, moet zijn: alleen uyt liefde en ten beste van 't gemeen, sonder vergelding te genieten." Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Augustus 1778.--Wij konden de voorbeelden zeer vermenigvuldigen.
[461] Dat besluit was genomen tijdens het bestuur van den Gouverneur Gerard van der Schepper, wanneer men om finantiële moeijelijkheden, reeds onder den Gouverneur Joan Raye ontstaan, voorloopig eene generale surcheance had toegestaan, die door HH. M. gewraakt werd.
[462] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Augustus 1773.
[463] Van dit vrijcorps zullen wij later melding maken.
[464] Zie Notulen van Gouverneur en Raden van dezelfde datums.
[465] Notulen van Gouv. en Raden, 10 Maart 1774 en 6 April 1774.
[466] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 April 1774.
[467] Volgens de schrijvers der Historische proeve--zie 1e deel, bladz. 163--werden er in 1786 slechts 80 à 90 eigenaars van plantaadjes in Suriname gevonden, terwijl het getal plantaadjes over de 500 bedroeg. Journaal van Nepveu, 1776. "Er heerscht hier tegenwoordig zoo groote armoede, dat veele blanken, die men 't niet aan zoude sien, sig met een drooge bananne moeten behelpen." Journaal van Nepveu, 5 Januarij 1779. Twee Raden van Policie hadden hunne betrekking nedergelegd: "het is zeer moeijelijk goede sujetten te verkrijgen, want diegenen, die er nog capabel en goed voor zouden weezen, sitten zoo ellendig in hunne affaires, dat men se desweegens niet op de nominatie brengen durft."
[468] Sypensteyn, bladz. 24.
[469] Historische proeve, 1e deel, bladz. 164 en 169.
[470] Reeds gaven wij hiervan eenige bewijzen bij de beschrijving der regering van Mauricius, van Spörche en Crommelin. Wij zouden die tot een groot aantal kunnen vermeerderen, zie o. a. Notulen, van Gouv. en Raden, 15 September 1769, 15 en 20 Februarij 1770 en 28 Nov. 1772, Journaal van Nepveu, 28 Junij 1770, Notulen van Gouverneur en Raden, 1775, enz. enz. enz.--doch wij zouden hierdoor te uitvoerig worden.
[471] Dit werd echter door de directeuren der Sociëteit tegengehouden.
[472] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 1773. Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773.
[473] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Mei 1772.
[474] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Feb. 1774. De gegijzelde moest aan den kastelein voor kosten betalen:
de eerste 14 dagen f 3 per dag; de tweede id. f 2 id. en verder id. f 1 id.
[475] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Aug. 1772.
[476] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Feb. 1774.
[477] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 en 17 Mei 1774.
[478] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Mei 1774.
[479] Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1774. Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Aug. 1774.
[480] In Februarij 1764 had zekere C. P. van Brabant verzocht tot den huwelijken staat te worden aangeteekend met eene Elisabeth Samson, eene rijke vrije negerin, waarschijnlijk dezelfde of eene bloedverwante der meer genoemde dame. Het Hof had toen zwarigheid gemaakt dit toe te staan, omdat in de beschrijving van Suriname, door J. D. Herlein in 1718 uitgegeven, staat, dat ten tijde van van Sommelsdijk "soodanig huwelijk by placaten zoude syn geprohibiteerd--omdat zulks toegelaten wordende op dezelve vrije blanke vrouwen met vrije neegers soude trouwen, hetwelk van seer nadeelige gevolgen voor deese colonie konde sijn." Die zaak maakte veel éclat. Het advies der heeren directeuren van de sociëteit werd hierover door het Hof ingewonnen en Elisabeth Samson diende hun een rekwest in. Het definitief antwoord hierop kwam eerst in Augustus 1767. Directeuren vermeenden, dat er geen termen bestonden om dit huwelijk te verhinderen. De zwarte dame huwde toen met zekere H. D. Zobre. (Zie Notulen van Gouv. en Raden, 13 Feb. 1764 en 17 Aug. 1767). Tegen het ongebonden in ontucht met negerinnen leven vond men geen bezwaar, wel in eene echtelijke verbindtenis.
[481] Journaal van Nepveu, 19 Feb. 1773.
[482] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Feb. 1774.
[483] Historische proeve 1e deel, bladz. 181.
[484] Journaal van Nepveu, 18 en 22 Julij en 4 Aug. 1769.
[485] Journaal van Nepveu, 5 Junij 1770.
Directeuren hadden reeds vroeger in 1768 zekeren timmerman, J. M. Augerstein, een octrooi van 6 jaren verleend tot het maken van een bijzonder soort van molens. Op het schenden van dat verleend octrooi was eene boete van f 6000. gesteld.
[486] Wij konden hiervan uit de officieele stukken een lang relaas geven, maar het zou eene gedurige herhaling zijn van zelfde feiten, die wij reeds van tijd tot tijd mededeelden.
[487] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Feb. 1770.
De versterking der militaire posten was zeer noodig--want zij, die van weinig manschappen voorzien waren, werden door de Marrons overvallen en verstrooid.
[488] Over het daarstellen van dit Cordon komen wij weder later terug.
[489] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1770 en 22 Mei 1772.
[490] Notulen, Gouv. en Raden, 6 Mei 1772 en 18 Februarij 1773.
[491] Volgens Notulen van Gouv. en Raden, 3 Mei 1773 en 4 Junij 1773, blijkt, dat, sedert men had opgehouden aan de soldaten dram te geven, ziekte en sterfte onder hen zeer toenamen, waarom men besloot hun op nieuw een rantsoen sterke drank te verschaffen. Het slechte water moest alzoo gecorrigeerd worden.
[492] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 April 1772. Op 9 buiten posten alleen lagen 145 soldaten.
[493] De premiën op het dooden of vangen van weggeloopen slaven gesteld, zouden evenzeer door hen genoten worden.
[494] Journaal van Nepveu, 15 Julij 1772, Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Julij 1772. Twee der 116 slaven voor het vrijcorps werden door de eigenaars het land ten geschenke gegeven; de overige 114 werden gezamenlijk gewaardeerd op f 143,400. Die som was enorm hoog, daar de minste op f 800 geschat was terwijl o. a. bekwame timmernegers tot den prijs van f 2400, ja f 3400 werden gebragt.
[495] Notulen van Gouverneur en Raden, 3 Aug. 1773 en 26 Aug. 1773, 8 slaven werden geschat op f 10,000 en 190 dito op f 227,955.
[496] Somwijlen werd voor een tijd het opperbevel aan een, hooger in rang staande, officier opgedragen: zoo voerde o. a. de kapitein luitenant Frederici en, na zijn overgang tot de Staatsche troepen, een tijd lang de kapitein Stoelman over hen het bevel.
[497] Op deze muts stond het volgnummer van hun corps; later bekwamen zij eene groene montering.
[498] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Mei 1777. Deze uitspraak is ontleend aan eene door den Raad Fiscaal ingeleverde memorie van het Hof van Policie, waarbij hij opkwam tegen de klagten door sommige leden, over de wanordelijkheid der slaven en het slechte toezigt door het Fiscalaat daaromtrent geoefend.
[499] Men vindt in de Notulen enkele gevallen van leden van het vrijcorps, die, om verzuim in de dienst, weder tot den staat der slavernij werden terug gebragt. Notulen van Gouverneur en Raden, van 9 Aug. 1773, enz.
[500] Meermalen werd ook door hen verzoek gedaan om uit de krijgsdienst te worden ontslagen en werd hun dit verzoek toegestaan, mits betalende de som, waarvoor zij door het land waren overgenomen, o. a. volgens Notulen van Gouverneur en Raden van 13 Februarij 1777, 3 personen, een voor f 800-, een voor f 1000-, een voor f 1200 enz. enz.
[501] Ook hiervan worden verscheidene bijzonderheden in de Notulen gevonden.
[502] De obligatiën waren verdeeld als volgt:
100 ps. à f 1000-- f 100,000-- 200 ps. à f 500-- f 100,000-- 250 ps. à f 400-- f 100,000-- 250 ps. à f 200-- f 50,000-- 500 ps. à f 100-- f 50,000-- --------- te zamen f 400,000--
(Zie Notulen van Gouverneur en Raden van 8 Februarij 1774).
[503] Notulen van Gouverneur en Raden van 18 October 1773, en 20 Mei 1774, enz.
[504] Notulen van Gouverneur en Raden van 30 Augustus 1774.
[505] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Januarij en 5 Februarij 1773.
[506] Teenstra. De Landbouw in de kolonie Suriname, 1e. deel, bladz. 43.
[507] Journaal van Nepveu, 20 Februarij 1771.
[508] Notulen van Gouverneur en Raden, 20 Dec. 1770. Journaal van Nepveu, 10 Januarij 1771. Zie ook bladzijde 319.
[509] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Maart 1771. Journaal van Nepveu, 14 Maart 1771.
[510] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij, 16 Sept. 1771, enz. Journaal van Nepveu, 10 Junij, 3 en 5 Julij 1771, enz.
[511] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Junij, 6 Julij 1771, enz.
[512] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1771. "Meer en meer loopen de slaven weg, nemen hunne geweren mede en voegen zich bij de bende van Baron. Idem 29 Junij 1772. De wegloopers hebben de Plantaadje Poelwijk afgeloopen en o. a. 21 geweren en eene groote hoeveelheid kruid medegenomen." Het Hof besloot: om te bevelen, dat de geweren, welke de slaven op de plantaadjes bezitten, naar Paramaribo moesten worden opgezonden, daar men de slaven niet meer vertrouwen kon.
[513] Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij 1772. 16 Aug., enz. Journaal van Nepveu.
[514] Stedman, reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 117 en 18.
[515] Ook Stedman verhaalt deze en andere bijzonderheden, die wij echter, soms bijna woordelijk, overnemen, uit het uitnemend geschreven boekske: "Een Levensteeken op een dooden veld, door J. Herman de Ridder, bladz. 12-17.
[516] J. Herman de Ridder, Een levensteeken op een dooden veld, bladz. 16-17.
[517] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Sept. 1771. Journaal van Nepveu, 22 Sept. 1771.
[518] Notulen van Gouverneur en Raden, 13 October 1771. Journaal van Nepveu, 13 October 1771.
[519] Zie Notulen van Gouverneur en Raden van November, December 1771, enz. enz.
[520] Journaal van Nepveu, 22 October 1771.
[521] Journaal van Nepveu, 16 November 1771.
[522] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 December 1771, 27 Julij 1772 en Journaal van Nepveu, 7 December 1771.
[523] Journaal van Nepveu, 1 Januarij, 27 Januarij en 4 Junij 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Julij en 16 Augustus 1772, enz.
[524] Journaal van Nepveu, 19 Januarij 1772. Die neger ontvlugtte later uit de boeijen.
[525] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Mei 1772. Stedman, Reize naar Suriname, 1e deel, bladz. 113, enz.
[526] Journaal van Nepveu, 15 Junij 1772.
[527] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Julij 1771. Journaal van Nepveu, 9 Julij 1771.
[528] Journaal van Nepveu, 10 Aug. 1772. Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Aug. 1772.
[529] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Sept. 1772. Journaal van Nepveu, 25 Sept. 1777.
[530] Journaal van Nepveu, 27 Sept. 1772.
[531] Journaal van Nepveu, 26 Sept. 1772.
[532] Journaal van Nepveu, 7 Oct. 1772.
[533] Journaal van Nepveu, 26 Oct. 1772.
[534] Journaal van Nepveu, 2 en 9 Dec. 1772.
[535] Journaal van Nepveu, 11 Dec. 1772.
[536] Journaal van Nepveu 27 Dec. 1772.
[537] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij 1773.
[538] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Januarij, 31 Januarij en 5 en 9 Febr. 1773. Journaal van Nepveu, 27 Januarij en 2, 4, 8 en 9 Febr. 1773.
[539] Journaal van Nepveu, 19 Julij 1773. Fourgeoud wenschte zijn volk naar de buitenposten te zenden: "alsoo se aan Paramaribo door Debauches vry meer onbequaam en buyten staat raakten: klaagende dat se genoegsaam alle aan Venus-siekte laboreerenden."
[540] Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1773.
[541] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Maart 1773.
[542] Journaal van Nepveu, 6 April 1773.
[543] Men vindt in de Notulen van Gouverneur en Raden van 4 Maart 1773 eene door de posthouders bij de beide stammen opgemaakte begrooting van het aantal en de sterkte der Saramaccaansche en der Aukaansche bevredigde boschnegers. De eerstgenoemden woonden in 12 dorpen, die 3, 6, 7 en 12 uren van elkander en 12 dagen reizens van Paramaribo verwijderd lagen. Onder hen waren 600 strijdbare mannen. De Aukaners bewoonden 12 dorpen en onder hen waren mede ruim 600 weerbare mannen.
[544] Notulen van Gouverneur en Raden, 10 April 1773.
[545] Notulen van Gouverneur en Raden, 19 en 20 April en 3 Mei 1773, enz.
[546] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 en 8 Junij 1773.
[547] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Mei 1773.
[548] Journaal van Nepveu, 8 Junij 1773. Stedman. Reizen naar Surinamen, 1e deel, bladz. 153 en 154.
[549] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Journaal van Nepveu, 14 Junij 1773.
[550] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Junij 1773. Stedman, 1e. deel, bladz. 155 en 56, 304 enz.
[551] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Junij 1773.
[552] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1773.
[553] Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Junij 1773.
[554] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Aug. 1773.
[555] Notulen van Gouverneur en Raden, 30 Junij 1772.
[556] Stedman, 1ste deel blz. 303.
[557] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Sept. 1773. Journaal van Nepveu, 12 Sept., 18 en 30 Oct. 1773.
[558] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Nov., 13 Dec. 1773 en 16 Januarij 1774. Journaal van Nepveu, 18 en 30 Oct. 1773 en 17 Januarij 1774.
[559] Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 249 en 50.
[560] Stedman, reize naar Surinamen, 1e deel, bladz. 250 en 51.
[561] Dergelijke hutten werden van de dikste takken der Manicola-boom gebouwd; met een sabel of bijl vormde men sommigen tot hoekpalen, anderen tot latten of riggels; de bladeren dienden tot dak; de Nebis of het boschtouw om een en ander zamen te hechten.
[562] Gedurig vindt men in het Journaal van Nepveu scherpe aanmerkingen over de dwaasheid van Fourgeoud, "die door in de regentijd in het bosch te gaan, nutteloos menschenlevens verspilt." Journaal van Nepveu, 1 Junij 1775, enz. enz. enz.
[563] Journaal van Nepveu, 6 Januarij, 30 Januarij, 1 Februarij, 2 Februarij, 6 Februarij 1775 enz.
[564] Journaal van Nepveu, 30 Januarij en 10 Februarij 1775.
[565] Stedman zinspeelt hier op een voorval, dat veel overeenkomst had met dat, hetgeen de afdeeling onder de Luitenant Leppert was overkomen.
[566] Deze Matakys, ook trompetters genaamd, wijl zij even als dat instrument gedraaid zijn, verheffen zich uit den grond tot eene onmetelijke lengte, en zoo digt in elkander, dat geen hond er door kruipen kan, en bij het overstappen of overspringen verwart men er gedurig met den voet in.
[567] Fourgeoud had in het eerst weinig met dit vrijkorps op, doch erkende later het groote nut, dat zij in de boschtogten bewezen. Stedman acht een Negersoldaat in de bosschen van Guiana meer waard dan zes Europeanen.
[568] De namen van de dorpen der Marrons waren: Boucou (tot stof vervallen), Gado Saby (God alleen kent my), Corsary (kom zoo gij durft), Tessy sy (Ruik er aan), Mely my (Ontrust mij), Boussy cray (De bosschen schrijen), Me Salasy (Ik zal genomen worden), Kebry my (Verberg mij); behalve deze zinrijke namen waren er ook van de ligging enz. afgeleid, als: Quammy Condre, naar den naam van een opperhoofd Quammy, Pynenburg, naar de Pyn of Latanus-boomen, die dit dorp van voren omringden, Caro Condre, van de menigte korenvelden, Reizy Condre, van de menigte daarbij gelegen rijstvelden enz.
[569] Stedman, reizen naar Suriname, 3e deel, bladz. 1-51.
[570] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 Dec. 1775, 26 Februarij, 8 Maart, 19 Aug., 27 Aug. 1776 enz.
[571] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Oct. 1776 enz.
[572] Journaal van Nepveu, 26 Julij 1776. Nepveu voegt na deze mededeeling er het volgende bij:
"Zij moesten hoezee roepen, maar hadden er niet veel lust in. Door een soopje en vooral ook met de stok werden sommigen hiertoe gebragt. Volgens naauwkeurige berekening is het corps staaten troepen 366 hoofden, alle medegerekent: 80 man zijn ziek en 100 man zijn afgekeurt, die teruggezonden zullen worden, zoodat er omstreeks 200 man overblijven; welk getal van weynig influenzie kan weesen, daar men, om een goede coup te doen, het beste volk der sociëteits-troupen hiermede moet vereenigen, terwijl door die vrugtelooze tochten in de bosschen geen volk genoeg tot dekking der plantaadjes overblijft en alzoo het langer verblijf der staaten-troepen meer na- als voordeel geeft.
[573] Journaal van Nepveu, 6 December 1776. Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Dec. 1775.
[574] Notulen van Gouverneur en Raden, 7 Dec. 1772.
[575] Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Mei 1777. Zie verder Notulen, 23 Dec. 1776, 13 en 31 Januarij, 4 Februarij en 9 Mei 1776 enz.
[576] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Mei 1777.
[577] Notulen van Gouverneur en Raden, 4 Februarij 1777.
[578] Journaal van Nepveu, 1 April 1777. Slechts een gedeelte, niet het geheele aantal der troepen, zooals Sypensteyn abusivelijk op bladz. 40 vermeldt--waren scheep gegaan. Fourgeoud ook bleef tot April 1778 in de kolonie.
[579] Journaal van Nepveu, 16 en 18 Julij, 13 Aug. 1777 enz.
[580] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 Julij, 6 Aug. en 18 Aug. 1777 enz.
[581] Notulen van Gouverneur en Raden, 26 Julij 1777.
[582] Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1778.
[583] Notulen van Gouverneur en Raden, van 1 Januarij 1778.
[584] Stedman, reize naar Suriname, 4e deel, bladz. 47.
[585] Journaal van Nepveu, 1 April 1778. Notulen van Gouverneur en Raden, 4 April 1779.
[586] Fourgeoud overleed kort na zijne terugkomst in Holland, en werd met alle krijgseer in den Haag begraven.
[587] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[588] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[589] Notulen van Gouverneur en Raden, 2 December 1777.
[590] Notulen van Gouverneur en Raden, 8 December 1777.
[591] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Febr. 1778.
[592] Journaal van Nepveu, 4 Junij 1778.
[593] Journaal van Nepveu, 17 April en 28 Septemb. 1779, enz.
[594] Journaal van Nepveu, 13 Junij 1778.
[595] Journaal van Nepveu, 17 Junij 1778.
[596] Journaal van Nepveu, 4 Junij, 21 Julij, 14 Octob., 27 Decemb. 1778, enz.
[597] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Februarij 1779.
[598] Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41.
[599] Notulen van Gouverneur en Raden, 28 Febr. 1779. Journaal van Texier, 28 Febr. 1779.
[600] Sypesteyn, Beschrijving van Suriname, bladz. 41.
[601] Notulen van Gouverneur en Raden, 12 Nov. 1779. Journaal van Texier, 12 Nov. 1779.
[602] Journaal van Texier, 19 Junij, 23 Julij, 31 Augustus, 25 October, 10 November 1779, enz., enz., enz.
[603] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 December 1779.
[604] Journaal van Texier, 12 October, 31 October, 24 December 1779, enz.
[605] Journaal van Texier, 31 October 1779.
[606] Journaal van Texier, 18 Januarij 1780.
[607] Journaal van Texier, 6 Januarij 1781.
[608] Journaal van Texier, 15 Maart 1781.
[609] Journaal van Texier, 2 September 1779.
[610] Journaal van Texier, 3 September 1779.
[611] Journaal van Texier, 23 October 1779.
[612] Journaal van Texier, 3 September 1779.
[613] Journaal van Texier, 25 Junij en 5 Julij 1779.
[614] Journaal van Texier, 22 en 29 Maart, 11 Julij 1779, 6 Febr., 10 Maart 1780, enz., enz.
[615] Journaal van Texier, 7 December 1779.
[616] Journaal van Texier, 8 December 1779.
[617] Journaal van Texier, 6 Maart 1781.
[618] Journaal van Texier, 6 en 7 Maart 1780.
[619] Journaal van Texier, 23 Maart 1780. Dikwijls gebeurde het dat de stuurlieden, die voor het eerst Suriname bezochten, deze dwaling begingen, terwijl de schepen dan groot gevaar liepen van verbrijzeld te worden. Texier wenschte dit voor het vervolg te voorkomen; hij riep de aanwezige schippers bijeen, ten einde met hen hiertegen maatregelen te nemen. De schippers waren hierover zeer verheugd en raadden aan een Kaap op te rigten, om den hoek bij Braamspunt, op het Rif bij de Winiwinibo kreek en boodden aan daarvoor ieder voor zijn schip f 20 kaapgeld te betalen. Journaal van Texier, 24 Mei 1780.
[620] Journaal van Texier, 5 Junij 1780. De kapitein van een tot assistentie gepreste Bark, leverde eene rekening van daghuur: 50 dagen à f 100 en verdere schaden en kosten f 4000, dus te zamen f 9000.
[621] Journaal van Texier, 9 Mei 1780.
[622] Journaal van Texier, 13 Januarij 1781.
[623] Journaal van Texier, 6 Maart 1781. De Engelsche schippers en een Engelsch koopman, die zich op een dier vaartuigen bevond, verzochten weldra uit de gevangenis te worden ontslagen. Met algemeene stemmen werd dit verzoek door het Hof toegestaan en hun veroorloofd op hun eerewoord in Paramaribo te gaan, onder voorwaarde, dat zij zich bij het eerste alarm weder in arrest zouden begeven. Journaal van Texier, 17 Maart 1781.
[624] Journaal van Texier, 6 Maart 1781.
[625] Journaal van Texier, 7 Maart 1781. In de sociëteits-magazijnen was slechts 30,000 pond kanonkruid en 7000 pond fijn kruid voorhanden, doch van de koopvaardijschepen werd de aanwezige voorraad mede ter beschikking gesteld.
[626] Journaal van Texier, 9 Maart 1781.
[627] Journaal van Texier, 9 Maart 1781.
[628] Journaal van Texier, 10 Maart 1781.
[629] Journaal van Texier, 15 en 30 Maart 1781.
[630] Journaal van Texier, 17 Maart 1781.
[631] Journaal van Texier, 19 Maart 1781.
[632] Journaal van Texier, 28 Augustus 1781.
[633] Journaal van Texier, 16 en 28 Julij 1781.
[634] Journaal van Texier, 22 Maart 1781.
[635] Journaal van Texier, 4 April 1781, notulen van Gouverneur en Raden zelfde datum.
[636] Journaal van Texier, 7 April 1781.
[637] Journaal van Texier, 11 April 1781.
[638] Journaal van Texier, 28 April 1781.
[639] Journaal van Texier, 12 April 1781.
[640] Journaal van Texier, 10 en 14 Mei 1781, notulen van Gouverneur en Raden zelfde datum.
[641] Journaal van Texier, 21 Augustus 1781.
[642] Journaal van Texier, 27 Julij 1781.
[643] Journaal van Texier, 8 April 1781.
[644] Journaal van Texier, 10 April 1781.
[645] Journaal van Texier, 7 en 28 April, 3--10, 18 Mei, 5 Junij. 4, 6, 10 en 17 Julij 1781, enz. enz.
[646] De beide kapiteins der oorlogsschepen en de majoor Friderici boden echter aan eene herovering te beproeven; hun den Gouverneur voorgelegd plan, om met een oorlogs- en een gewapend koopvaardijschip, op welk laatste Friderici zich met 50 man van het vrijcorps als landingstroepen zou inschepen, vond geen bijval bij den Gouverneur en het Hof en kwam alzoo niet tot uitvoering. Notulen van Gouverneur en Raden, 19 April 1781.
[647] Journaal van Texier, 16 en 17 Mei 1781.
[648] Journaal van Texier, 18 Julij 1781.
[649] Journaal van Texier, 20 Augustus 1781.
[650] Journaal van Texier, 18 Junij 1781.
[651] Journaal van Texier, 20 Augustus 1781.
[652] Journaal van Texier, 10 Junij 1781.
[653] Journaal van Texier, 6 September 1781.
[654] Journaal van Texier, 28 Julij 1781.
[655] Journaal van Texier, 12 September, 18 October 1781.
[656] Journaal van Texier, 5 September 1781. Notulen van Gouverneur en Raden, 6 Augustus 1781 enz. enz.
[657] Notulen Gouverneur en Raden, 1, 7 en 19 Junij 1781. Journaal van Texier, zelfde datums.
[658] Journaal van Texier, 24 December 1781, van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 3de deel, bladz. 286, 87.
[659] Journaal van Texier, 22, 23, 24, 25 en 26 Januarij 1782.
[660] Journaal van Texier, 31 Januarij 1782.
[661] Journaal van Texier, 6 Maart 1782. Spoedig (14 April) ontving Texier nieuwe tijding uit Berbice; men meldde van daar, dat de handelwijze der Franschen in de heroverde koloniën veel arbritairer en despotieker was dan die der Engelschen. In Junij (12 Junij) bragt een Fransch schip als arrestant mede, den heer Koppiers, vroeger Gouverneur van Berbice. Hij betuigde aan Texier, dat hij behoorlijk zijn gedrag verdedigen kon en beklaagde zich mede zeer over de Franschen, die hem haatten, omdat hij voor de ingezetenen partij koos. Zie journalen van Texier, 14 April en 12 Junij 1782. Koppiers vertrok den 7den Augustus 1782 naar Nederland. Journaal van Texier, 7 Aug. 1782.
[662] Journaal van Texier, 3 October 1780.
[663] Journaal van Texier, 28 en 30 October, 11, 15 en 16 Nov. 1781.
[664] Journaal van Texier, 23 Januarij 1782.
[665] Journaal van Texier, 3 April 1782.
[666] Journaal van Texier, 12 en 17 Mei 1782.
[667] Journaal van Texier, 10 Junij 1781. Die zoogenaamde Lettres de Marque, waren min of meer gewapende koopvaardijschepen, aan wie door den staat lettres de marque ou de représailles (brieven van schadeverhaling op den vijand) waren verstrekt.
[668] Journaal van Texier, 14 September 1782.
[669] Journaal van Texier, 10 April 1782.
[670] Journaal van Texier, 24 en 25 Julij 1782.
[671] Journaal van Texier, 12 Julij 1782.
[672] Journaal van Texier, 12 Julij 1782.
[673] Journaal van Texier, 26 en 27 October 1782.
[674] Journaal van Texier.
[675] Journaal van Texier, 5 en 11 Februarij 1783.
[676] Journaal van Texier, 3 Maart 1783.
[677] Journaal van Texier, 20 en 21 Maart 1783.
[678] Journaal van Texier, 21 Augustus 1783.
[679] De vredes-preliminairen werden van onze zijde eerst den 2den Sept. 1783 geteekend en het vredestraktaat den 20sten Mei 1784. Zie over dat voor Nederland zoo nadeelige traktaat de onderscheidene schrijvers als: Stuart, vervolg op Wagenaar, 4de deel; Rendorp, Memorie over den Engelschen oorlog, 2de deel; van Kampen, De Nederlanders buiten Europa, 3de deel; Groen van Prinsterer, enz. enz.
[680] Journaal van Texier, 13 Julij 1783.
[681] Journaal van Texier, 13 Julij 1783.
[682] Journaal van Texier, 4 Januarij 1780.
[683] Journaal van Texier, 29 Junij 1781.
[684] Journaal van Texier, 2 Februarij 1780; Historische proeve 2e deel pag. 68.
[685] Notulen van Gouverneur en Raden, 6 December 1780, 18 Mei, 8 Augustus 1781, 21 Februarij 1782, enz. enz.
[686] Journaal van Texier, 7 April 1779.
[687] Journaal van Texier, 27 September, 24 November 1782, enz. enz.
[688] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 September 1783.
[689] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 en 26 September 1783.
[690] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 December 1784.
[691] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 Februarij 1785.
[692] Journaal van Beeldsnijder Matroos, 8 April 1784.
[693] Notulen van Gouverneur en Raden, 1 Maart 1784.
[694] Notulen van Gouverneur en Raden, 31 Augustus 1784.
[695] In October 1783 werd o. a., volgens opgaaf van den ontvanger Morgues; uit de ijzeren kist ten zijnen huize aan kaartengeld en obligatiën voor eene som van f 23,000 ontvreemd. Over deze zaak werd veel gesproken; er was veel duisters in en er ontstonden vrij levendige vermoedens tegen den ontvanger zelf. Zie Notulen van Gouverneur en Raden, 6 en 7 October 1783, enz. enz. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 5 en 11 October 1783, enz. enz.
[696] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 Februarij 1784.
[697] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 October 1783.
[698] Notulen van Gouverneur en Raden, 25 November 1783. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 25 November 1783.
[699] Notulen van Gouverneur en Raden, 17 November 1784.
[700] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 November en 1 December 1783. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 27 November 1783.
[701] Notulen van Gouverneur en Raden, 16 Augustus 1784.
[702] Notulen van Gouverneur en Raden, 23 Augustus 1784.
[703] Men vindt hieromtrent soms treffende bijzonderheden in de notulen vermeld.
[704] Zie bladz. 319.
[705] Historische proeve 2de deel, blad 46, 47.
[706] Notulen Gouverneur en Raden, 18 December 1783.
[707] Notulen van Gouverneur en Raden, 10 September 1784.
[708] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 October 1783, enz. Journaal van Beeldsnijder Matroos, 8 November 1783 enz.
[709] Notulen van Gouverneur en Raden, 8 en 29 November 1784.
[710] Notulen van Gouverneur en Raden, 10 Maart 1784, enz.
[711] Notulen van Gouverneur en Raden, 17 Mei 1784, enz.
[712] Notulen van Gouverneur en Raden, 8 November 1784.
[713] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 Augustus 1784.
[714] Journaal van Beeldsnijder Matroos, 3 Maart 1784.
[715] Notulen van Gouverneur en Raden, 9 December 1784.
[716] M. D. Teenstra. De landbouw in de kolonie Suriname, 1ste deel, blz. 52.
[717] Historische proeve, 1ste deel, bladz. 183 en 193.
[718] Journaal van Beeldsnijder Matroos, 9 December 1784.
[719] Journaal van Beeldsnijder Matroos, 1, 22 en 23 December 1784, Notulen van Gouverneur en Raden, 23 en 24 December 1784.
[720] Notulen van Gouverneur en Raden, 24 December 1784. Directeuren der Sociëteit erkenden ook zijne verdiensten door hem in 1785 tot ontvanger der in- en uitgaande regten te benoemen. (Zie Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Maart 1785); hij vertrok echter kort na deze benoeming (5 Mei) naar Holland, keerde niet naar Suriname terug en overleed te 's Gravenhage den 14 September 1793. Sypensteyn. Aanteekeningen op de chronologische tafel van Gouverneurs.
[721] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1788.
[722] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Maart 1786.
[723] Van Schaick. Geschiedenis der Hervormde Kerk, bladz. 84.
[724] Van Schaick. Geschiedenis der Hervormde Kerk, bladz. 86.
[725] Notulen van Gouverneur en Raden, 11 Februarij 1788.
[726] Journaal van Wichers, 1 Februarij 1785.
[727] Journaal van Wichers, 1 Februarij 1783.
[728] Notulen van Gouverneur en Raden, 8 Maart 1786 en 15 December 1789.
[729] Notulen van Gouverneur en Raden, 22 Augustus 1786.
[730] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 December 1789.
[731] Bij het feest van het 25 jarig bestaan der gemeente, op zondag 22 November 1767, werd de plegtigheid besloten met een prachtig kerkmuzijk en het schieten der schepen op de reede, die door de stukken, liggende voor de kerk, eindelijk werden bedankt.
[732] Van deze obligatiën werden er later verscheidene aan de kerk geschonken. Anderen werden soms nog vele jaren daarna ter voldoening gepresenteerd, waardoor de Kerkeraad niet zelden in groote verlegenheid geraakte. Den 3den Mei 1786 bleef er nog voor de somma van f 1900.-- af te lossen over.
[733] Den 16den Julij 1793 werd eindelijk door den Kerkeraad het besluit genomen: de plantaadje voor de schuld aan den heer M. Broen over te geven. Eerst in 1799 echter werd het transport gepasseerd en de hypotheek geroyeerd.
[734] Notulen van Gouverneur en Raden, 27 Mei 1788.
[735] Journaal van Wichers, 17 September 1788. Het meeste van het hier omtrent de Luthersche gemeente medegedeelde is (soms woordelijk teruggegeven) ontleend aan het belangrijk opstel: De geschiedenis der Evangelisch-Luthersche gemeente in Suriname door C. M. Moes, opgenomen in het tijdschrift West-Indië, 2e jaargang.
[736] Notulen van Gouverneur en Raden, 14 Februarij 1785.
[737] Zie nader hieromtrent de hoofdstukken, die meer bepaald over de zendingszaak handelen.
[738] Deze nieuwe titel was hun eenige jaren te voren door H. H. M. verleend.
[739] Notulen van Gouverneur en Raden, 18 Februarij 1785.
[740] Notulen van Gouverneur en Raden, 21 December 1785.
[741] Historische proeve 2de deel, bladz. 18 en 19.
[742] Historische proeve, 2de deel, bladz. 18, 19. Journaal van Wichers, 10 November 1787.
[743] Notulen van Gouverneur en Raden, 15 December 1788.
[744] Zie bladz. 313 en 14.
[745] Zie bladz. 231 en 32.
[746] Historische proeve, 1ste deel, bladz. 195.
[747] Bijlage 23 van de Historische proeve, 2de deel, bladz. 151.
[748] Historische proeve, 1ste deel, bladz. 195 en 96.
[749] Teenstra. De Negerslaven in de kolonie Suriname, bladz. 335. Beschrijving van de plechtigheden nevens de lofdichten en gebeden, uitgesproken op het eerste jubelfeest van de synagogue der Portugeesche Joodsche gemeente op de Savana in de colonie Suriname, den 12den October 1785, te Amsterdam, bij Hendrik Willem en Cornelis Dronsberg. Journaal van Wichers, 11 October 1785.
[750] Historische proeve, 2de Deel, bladz. 47, 48.
[751] Historische proeve, 2de deel, bladz. 21, 22.
[752] Historische proeve, 1ste deel, bladz. 185.
[753] Notulen van Gouverneur en Raden, 5 Februarij en 3 December 1787.