← De Roos van Dekama

De Roos van Dekama (part 2 of 3)

Part 2 of 3 · J. van Lennep · Public domain text

About this edition

Source: Project Gutenberg e-text #19161, public domain in the United States · text not rewritten or summarized · How RedLectern is built

 

Contents (3)

Continue:

De Roos van Dekama (part 2 of 3)

"Welnu!" zeide de monnik: "volgens mijn voornemen zouden wij allen ons dezen avond aan boord begeven en morgen met het aanbreken van den dag het Sparen uitzeilen. De Jonkvrouw zou inmiddels, slechts door eenen dienaar vergezeld, en beiden in een geschikte vermomming, om geen argwaan te verwekken, zich van hier over Utrecht naar Harderwijk begeven, alwaar wij haar met het vaartuig zouden wachten."

"Ziedaar juist wat ik ook zou aangeraden hebben," zeide de Abt, al hijgende en blazende, "indien mij de vermoeidheid niet had belet te spreken."

De Olderman overdacht een wijl het voorstel: "het middel is gewaagd," zeide hij eindelijk: "maar ik geloof, dat het slagen kan. Intusschen moeten wij de gedachte der Jonkvrouw er over vernemen."

"En wel terstond," hernam vader Syard: "want zoo het aangenomen wordt, dient het dadelijk ten uitvoer te worden gebracht."

Beiden begaven zich hierop bij Madzy, welke zij in dien droevigen staat van neerslachtigheid vonden, waarin men volkomen bereid is, zich als een kind te laten leiden en elken raad te volgen, niet omdat hij ons verstandig toeschijnt, maar omdat ons alles even onverschillig is. "Zoo mijn waarde voogd begrijpt," zeide zij, "dat ik op deze wijze reizen moet, heeft hij slechts te bevelen:--alleen moet ik weten, aan wiens geleide ik zal worden toevertrouwd."

"Ziedaar juist de grootste zwarigheid," zeide Aylva: "de goede Feiko is trouw en wakker genoeg; maar hij is nooit buiten Friesland geweest: hij is den weg en de zeden des lands niet kundig, en zijn tongval zou hem spoedig verraden. Een leidsman uit den omtrek kunnen wij niet vertrouwen."

"Indien de jonkvrouw zich aan mijne zwakke bescherming durft toevertrouwen," zeide vader Syard, "zal het mij wellicht gelukken, haar, met behulp onzer Lieve Vrouwe en van Sint-Odulf, mijn patroon, in veiligheid te geleiden waar zij wezen moet."

Dit aanbod werd dankbaar aangenomen: en zooras de Abt aan vader Syard het gevraagde verlof verleend had tot de reize, en de vereischte dispensatie, om het geestelijk kleed voor een korten tijd af te leggen, ontvouwde de monnik zijn plan nader aan Aylya, en, het noodige geld van den Olderman ontvangen hebbende, verliet hij het klooster.

Hij kwam echter weldra terug, doch schier onkenbaar voor zijn beste kennissen. Een buis of jak, van een stoffage, welke men te dier tijd met den naam van grauwen ezel bestempelde, hing hem om 't lijf: zijn beenen staken in twee zware modderlaarzen met omgeslagen randen. Een blauwe kaper, die vastzat aan een soort van pelgrimskraag, welke hem tot even over de schouderen viel, bedekte zijn hoofd, en een groote, breedgerande hoed hing hem op den rug. Onder den arm droeg hij een pakje, waarin zich een boerinnengewaad bevond, dat voor Madzy bestemd was. Hij had zich deze beide vermommingen in de hut des boschwachters aangeschaft. Elske, die nu de hoop had opgegeven van haar man terug te zien, had aan den monnik, op zijn verzoek, de daagsche kleeren van Walger en haar zondagspak voor een ruime belooning afgestaan en zich tevens verbonden, dezen verkoop, althans een paar dagen, geheim te houden.

Zonder een woord te spreken, had Madzy zich van hare versierselen ontdaan en de nederige kleedij aangetrokken, welke voor haar bestemd was: en het was eerst toen zij afscheid van haar voogd nam, dat zij haar somber stilzwijgen afbrak met de nauwelijks hoorbare vraag: "Weet gij iets van den armen gewonde?"

"Hij leeft!" antwoordde Aylva: "en God geve hem een spoedig herstel. Maar, mijn lieve!" vervolgde hij, toen hij haar de blauwe oogen erkentelijk ten hemel zag opslaan: "gij moet hem vergeten; want hij leeft niet voor u. Het is slechts aan een Fries, dat de dochter van Sjoerd Dekama hare hand moet wegschenken: en zoo Adeelen een zoo onwaardeerbaren schat verstoot, er zullen er anderen gevonden worden, die hem meer op prijs weten te stellen.--Ga nu, mijn engel! en mogen u alle Heiligen geleiden."

Madzy omhelsde hem met vervoering, doch zweeg: haar gemoed was vol; maar zij kon noch spreken, noch schreien: zij sloeg haar mantel op, haalde haar kap over 't gelaat, en, den arm des monniks nemende, ging zij met hem het achterpoortje uit, naar de plaats, waar Feiko hen met de paarden verwachtte. Spoedig kwam de trouwe dienaar terug met de tijding, dat beiden zich verwijderd hadden.

Het bleek weldra, hoe noodzakelijk de gemaakte spoed was geweest; want nauwelijks waren er eenige minuten verloopen, toen het huis door een aanzienlijke ruiterbende omsingeld werd en de aanvoerder zich aanmeldde met de tijding, dat hij uit 's Graven naam Jonkvrouw Madzy Dekama kwam afhalen.

"Het doet mij leed, dat ik u haar niet kan afstaan," zeide Aylva, on een koelen toon: "maar zij was gisteravond zoo ontsteld en ziek van het voorgevallene, dat zij terstond met een Harlinger vaartuig naar Friesland is teruggekeerd."

"Ziedaar iets, waarvan wij ons zullen moeten verzekeren," zeide de hopman, en gaf hierop aan zijn wapenknechten last, het gebouw te doorzoeken. Toen echter alle nasporingen vruchteloos bleken te zijn, zond hij zijn volk in onderscheidene richtingen uit en stuurde zelfs een boodschap naar den mond van 't Snaren, om te vernemen, welke schepen er vertrokken waren; doch al zijn handelingen strekten slechts, om hem te doen zien, dat zijn moeite vergeefsch en dat de vogel alreeds gevlogen was.

Intusschen hadden de beide vluchtelingen de aanzienlijke bleekerijen, welke toen reeds aan de omstreken van Haarlem een alom erkende vermaardheid gaven, rechts laten liggen en een achterweg ingeslagen, welke, over het grondgebied van den Heer van Heemstede, door een bevallige landstreek heenkronkelde. Aan hun linkerzijde vertoonde zich weldra het achtbaar slot met zijn breede grachten en talrijke torentransen, in 't midden van uitgestrekte weiden gelegen, terwijl aan de andere zijde schilderachtige heuvels oprezen, wier helling rijkelijk met struikgewassen begroeid was, waarboven de sombere eiken hun nog dorre takken naar boven staken. Nette en wel geschilderde woningen getuigden alom van de welvaart en rust, welke de landstreek genoot; en de kunstelooze, vroolijke liederen der landbewoners, die van hun werk terugkwamen om het middagmaal te gebruiken, gaven te kennen, dat zij met hun lot tevreden waren. Over Bennebroek, dat zich uit de overblijfsels van een vervallen nonnenklooster tot een vroolijk dorpje vervormd had, kwamen de reizigers in de zandige Hillegommer duinen en bereikten langs dien weg de groote heirbaan weder van Haarlem naar Leiden. Vader Syard had besloten over laatstgemelde stad naar Utrecht te reizen, en had hiermede een dubbel oogmerk. Vooreerst begreep hij, dat, zoo Madzy vervolgd werd, men haar eerder op den weg naar Amsterdam of in Kennemerland zoeken zoude, dan aan de zuidzijde; en dat zij beiden op den grooten landweg, die met reizigers bedekt was, minder in 't oog zouden loop en, dan op achterwegen. Ten tweede vreesde hij te verdwalen, zoo hij binnenwegen nam, en wilde geen geleider nemen, ja zelfs zoo min mogelijk geluid geven, ten einde de Friesche tongval hem niet verraden mocht.

Het was vrij vol op den weg: doch daar de meeste reizigers van het feest terugkwamen en dus denzelfden kant uitgingen als onze vluchtelingen, zoo hadden zij weinig aanstoot te lijden en gingen vrij onopgemerkt verder. Wel wendde nu en dan een kloeke landbewoner, die op zijn vluggen draver, met ledige manden beladen, van de stad keerde, waar hij vruchten was gaan verkoopen, een rijke Leidenaar, wiens stevige merrie een deel snuisterijen droeg, te Haarlem gekocht en tot geschenken voor zijn huisgezin bestemd, of zelfs een jonge Edelman, die zijn trotschen klepper liet op en neder huppelen, in 't voorbijgaan een oog naar de bevallige rijdster; maar geen van allen giste, dat het fijne neusje, 't welk alleen uit den dicht over de oogen getrokken kaper te voorschijn kwam, aan de Roos van Dekama behoorde; en het strak en ontzag inboezemend gelaat van haar metgezel was wel geschikt om een ieder af te schrikken, die zijn nieuwsgierigheid verder had willen uitstrekken.

De beide reizigers reden op een gelijken, doch niet snellen draf voort, uit vrees van iemand uit 's Graven gevolg, dat slechts kort voor hen naar 's-Hage vertrokken was, achterop te rijden, en zonder een woord te wisselen. De monnik zweeg, als wij gemeld hebben, uit voorzichtigheid: en Madzy had genoeg aan de droevige gedachten, die zich van haar ziel hadden meestergemaakt. Pijnigend waren de verwijten, die zij zich zelve onder 't voortrijden deed. Zij beschouwde zich als de oorzaak van al de onheilen, die in de laatste dagen waren voorgevallen. Zij beschuldigde zich, Adeelen te hebben misleid, aanleiding te hebben gegeven tot de verwonding van Deodaat, ja tot des Graven toorn, die weldra, vreesde zij, op een geduchte wijze haar vaderland zou treffen. En echter, wanneer zij het gedrag overdacht, door haar in de laatste dagen gehouden, dan kon zij, bij het gemoedelijkste onderzoek van hare handelingen, niet zien, waarin zij dan eigenlijk gedwaald had, en vond zij niet, dat zij ergens verkeerd in gehandeld had, dan alleen, door Deodaat toe te laten, haar aan te spreken. Maar dit was zoo onverwacht geschied en in zulk een oogenblik van verwarring, dat zij niet inzag, hoe zij dat onderhoud op een geschikte wijze zoude hebben kunnen vermijden. Intusschen kon zij midden in haar druk niet nalaten, een soort van verlichting te gevoelen, dat zij van het aan Adeelen gegeven woord ontslagen was. Zij bespeurde nu, dat zij hem nimmer had kunnen gelukkig maken, maar dat zij stellig met iemand van zijn onhandelbaren aard hoogst rampzalig zou geworden zijn. Die gedachte, dat zij weder vrij was, streelde haar, ja, doch tevens dacht zij met schrik aan den blaam, dien Adeelen, bij zijn terugkomst in Friesland, op haar werpen zoude, en aan de verachting van haar landgenooten, waaraan hij haar onverdiend prijs zou geven: en dan wenschte zij soms haars ondanks, dat een stille wijkplaats haar mocht geschonken worden, niet in het adellijke Rijnsburger klooster, waar weelderige loszinnigheid en dartele uitspanningen den boventoon hielden, maar in een stil en vreedzaam gesticht, waar zij haar tijd in kalme rust zou verdeelen tusschen het betrachten van godsdienstplichten en van liefdewerken.--Dan ach! zij zorgde, dat zij ook daar den jongeling niet uit haar geest zou kunnen bannen, wiens bleeke en doodsche trekken haar nog onophoudelijk voor oogen zweefden.

Op deze wijze zetteden zij hun weg voort, zonder zich langer op te houden dan noodig was, om aan hunne paarden eenige verversching toe te dienen, trokken Leiden onverhinderd door en reden den oever van den Rijn langs tot aan Bodegrave. Hier vernamen zij, dat de weg hooger op reeds vernield was op last van de stad Utrecht en dat de doortocht aan sommige Hollanders reeds geweigerd was. Dit deed vader Syard besluiten, een poging te doen, Utrecht langs een omweg te bereiken: en links den eersten zijweg inslaande, was hij tegen het vallen van den avond met zijn reisgenoote zonder hindernissen op het Stichtsche grondgebied aangekomen, waar zij zich tegen alle vervolging beveiligd mochten achten.

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

WAARD. Mijnheer! 'k bedien de lui voor een civielen prijs. LODEWIJK. Ik weet wel, hospes, dat is te Utrecht zoo de wijs.

Langendijk. Het wederzijds huwelijksbedrog.

De herberg van het dorpje, waar onze reizigers stilhielden, maakte een niet onaanzienlijke vertooning, in vergelijking met de overige woningen, die in een halven cirkel verspreid lagen rondom een groot grasperk, met eenige ijpeboomen beplant, onder wier gebladerte ettelijke biggen en schapen hun voedsel zochten, of zich in gezelschap van eenige kwakende eenden laafden in een plas of waterkom, midden in het perk aanwezig, en aan welken sommige oudheidkenners van vroegere dagen beweren dat het dorp zelf zijn naam verschuldigd was. Anderen echter leidden dien naamsoorsprong af van de veenen, die in den omtrek gevonden worden; want Plaswijk, hetwelk men thans vergeefs op eenige kaart zou zoeken, daar het in de Hoeksche en Kabeljauwsche twisten grootendeels in assche gelegd en sedert met de naburige gemeenten ineengesmolten is, lag juist op de grensscheiding tusschen de lagere veen- en weilanden van Amstelland en den hoogeren Stichtschen grond. Het leverde hierdoor ook van beide kanten een geheel verschillend uitzicht op; want achter de huizen zag men kampen met haver en wintergerst beteeld, en door kleine hagen of dijkjes vaneengescheiden, langs welke tallooze musschen en vinken op en neder vlogen: terwijl aan de overzijde onafzienbare landerijen zich uitstrekten, met poelen en slooten doorsneden, en rijk in prachtig rundvee. Alleen aan de oostzijde werd het uitzicht belemmerd door een boschje, waarboven het slot Nyenstein, hetwelk den Bisschop van Utrecht toebehoorde, zijn ronden toren slechts even ophief.

"Kunnen wij hier vernachten, moeder?" vroeg de monnik aan de dikke, gezonde kasteleines, die met een vroolijken glimlach op den mond en de handen in de zijden, de deur uit kwam scharrelen, zoodra zij de beide reizigers voor haar woning had zien stilhouden.

De waardin antwoordde niet op deze vraag. Waarschijnlijk was zij in een tweestrijd met zich zelve, als willende zij, aan den eenen kant, haar nieuwe kalanten niet afschrikken, indien zij bekende dat zij geene plaats meer had, en aan den anderen, haar ziel met geen logen bezwaren. Zij hield zich dus, of zij de vraag niet gehoord, of niet verstaan had, en zich dadelijk half omkeerende, riep zij naar binnen: "Peer! Kees! hei daar! komt hier en helpt me dien huisman ereis! waar zijn de luiaards! hier Trui! kom ereis uit en hou de paarden van de lui vast, dat ze af kunnen stijgen."

En Trui, een frissche boerenmeid, kwam de herberg uitdraven en nam met haar purperkleurige handen de teugels der beide rossen, terwijl haar meesteres er Madzy afhielp, eer deze nog wist of zij blijven zou dan verder gaan.

"Ik vroeg u, moeder!" zeide vader Syard droogjes, en nog altijd in den zadel blijvende, "of wij hier vernachten kunnen."

"Komt binnen maar, menschen," zeide de kasteleines, Madzy met een beschermenden lach op den schouder kloppende: "Kees zal wel zorg dragen voor die knollen."

En inderdaad, Kees, een half blinde, half lamme boerenknecht, kwam strumpelende voor den dag uit een schuurtje, dat aan de herberg paalde, en vatte post naast zijn medehelpster Trui.

De monnik, ziende dat Madzy zich reeds genoodzaakt zag tegen wil en dank de waardin te volgen, steeg nu ook af: en terwijl de beide dienaars de rossen als in zegepraal naar de stalling voerden, trad hij naar de meesteres en vatte haar bij den arm, juist zooals zij zich gereedmaakte, met Madzy binnen te treden.

"Een oogenblik, vrouw!" zeide hij, haar met een strakken blik aanziende: "voor wij binnengaan, wenschten wij te weten, of er al of niet kans voor ons is hier hedennacht te vertoeven, althans of gij mijner nicht een slaapstede kunt bezorgen."

"Dat zal de vraag zijn," zeide de waardin: "doch komaan! het oude spreekwoord zegt: er kunnen vele makke schapen in een hok; maar gaat toch binnen, goede lien, wij zullen er in 't voorhuis over praten."

"Neen, met uw verlof!" zeide de monnik, die door de opene deur verscheidene lieden in het voorhuis bijeen zag en zich niet onnoodig aan het gezicht wenschte bloot te stellen, "dat niet: hier geeft gij mij antwoord of wij rijden terstond verder."

"Wel, dat zou toch wat erg zijn," hernam de vrouw, al grinnekende en zich de handen wrijvende: "den Roerdomp voorbij te rijden zonder eens binnen te zijn geweest! neen huisman! dat gaat niet. Het huis is wel mooi vol; doch met overleg komt men wijd; en wij zullen het wel zoo schikken, dat gij tevreden zijt."

"Mijn nicht is wat vermoeid," zeide de monnik, "en wenschte wel, terstond haar kamer te betrekken, en daar wat te gebruiken."

"Zoo!" zeide de kasteleines, de onderlip vooruitstekende, en Madzy met een verwonderd gelaat aanziende: "is die deerne te grootsch om aan den gemeenen haard te zitten, waar ik de knapste vrouwlui uit den omtrek, ja zelfs deftige poortersvrouwen uit Utrecht en Grouda heb ontvangen: en waar nooit anders dan bescheiden volk wordt toegelaten; en denkt gij dat de herberg van Maaike Jaspersz een klooster of een bijenkorf is, waar ieder zijn eigen celletje heeft?"

"Ik voel mij wat ongesteld," zeide Madzy op een smeekenden toon.

De zachte en innemende stem der Friezin scheen eenigen indruk op het hart der waardin te maken: althans zij bracht haar gelaat weder in een vriendelijke plooi, en Madzy op den schouder kloppende: "wij zullen zien," zeide zij: "maar waarlijk; ik moet eens bedenken!--Truitje! is het achterkamertje al besproken?"

"Daar ligt de Leidsche koopman in lakens al sedert een half uur te ronken," zeide de dienstmaagd, die zich weer bij hen gevoegd had: "de man wenschte morgen met den dag weer op reis te gaan."

"Ja! morgen! als zij hem morgen maar laten doorreizen," mompelde de waardin: "doch dat is hetzelfde: er zal geen kans zijn den man meer uit zijn bed te krijgen:--en is er nog een plaats in de groote kamer open?"

"Dat 'loof ik niet," antwoordde Truitje: "laat zien: daar is de Ydeljaander met zijn kameraad in één bed, en die gast van straks in het andere, met dien kerel, die zulk een zwarten mantel om heeft, en oogen nog zwarter dan zijn mantel."

"Dat is tot daar aan toe," viel haar Maaike Jaspersz in de rede: "een meid uit een ordentelijke herberg behoeft de jonge knapen niet in de oogen te kijken.... laat zien:--de bedsteden zijn bezet; maar er zal nog wel een ledig hoekje zijn om een stroozak te leggen."

"Wat beduidt al dat gehaspel?" vroeg vader Syard vertoornd: "gij wilt mijn nicht toch niet in uw groote kamer plaatsen? Ik heb voor haar een kamer alleen verzocht."

"Recht zoo, huisman!" hernam de waardin: "maar gij zult zelf ook wel een plaatsje willen hebben?"

"Ik ben met een weinig stroo in de schuur tevreden," zeide de monnik: "mits mijn nicht slechts wel bezorgd zij."

"Ja! ik zal haar mijn eigen bed dienen te geven:--maar een goed akkoord bederft geen crediet: en mij dunkt, dat een kleine schadeloosstelling boven den gewonen prijs...."

"Zoo het slechts daaraan hapert," hernam de monnik, haar een paar stukken van achten in de hand stoppende: "hier is al wat voor de moeite, die wij u veroorzaken: maar haast u! en laat ons het verblijf zien, dat gij aan mijn nicht wilt geven."

"Komaan, kind!" zeide de waardin, terwijl zij met de eene hand het geld opstak en met de andere Madzy voortstuwde: "zien zullen wij: en het zou mij verwonderen, indien gij niet tevreden waart."

Madzy trok haar mantel nog dichter over haar gelaat en vergezelde nu met vader Syard haar geleidster naar binnen. Met een haastigen stap traden zij het voorhuis door, waar eenige menschen rondom het vuur bijeen zaten, gingen een paar smalle zijtrapjes op en bevonden zich weldra in een klein vertrekje onder het dak, hetgeen zich, wat de zindelijkheid betrof, vrij wel voordeed; maar dit was de eenigste verdienste. Behalve dat het er geweldig heet was, waren er geene andere meubelen te vinden dan een koffer ter berging van het linnengoed der waardin, en een stoel, waarop haar nachtgewaad lag. Vader Syard, vreezende dat Madzy dit verblijf vrij ongeschikt zoude voorkomen, wilde bedenkingen opperen; maar Madzy verklaarde, dat zij er volkomen genoegen mede nam.

"Wel dat geloof ik," zeide vrouw Jaspersz, terwijl zij haar boeltje bijeenpakte, en met een bezemstok de dekens instopte: "er hebben hier wel knapper lui in geslapen: zooals laatst de eigen zuster van Barta Bartels, die vrouw is van den Overman van het Weversgilde te Leiden: en nooit heeft iemand ergens over geklaagd:--als over de muggen misschien: maar die ontzien rijk noch arm: en als men den geheelen dag gereisd heeft, zooals gijlieden, naar ik aan uw paarden zien kan, dan slaapt men wel in, eer men de steken voelt. Maar wat zult ge nu gebruiken?"

Madzy antwoordde, dat zij zich maar dadelijk ter rust wenschte te begeven, en verzocht de waardin haar eenig vleesch en brood te brengen, dat zij op haar bed zou nuttigen.

"Dat zei je geworden," zeide de waardin: "ik heb een kostelijke zijde spek hiernevens hangen: en daar zal ik je een snede van brengen, beter dan je ooit gegeten hebt."

"Waarlijk," zeide de monnik, zoodra de waardin vertrokken was, "indien ik geweten had, dat hier zoo weinig gelegenheid ware, om behoorlijke huisvesting te erlangen, ik had u nimmer laten binnenkomen. Dat is voorwaar geen verblijf voor de erfdochter der Dekama's!"

"Men moet zich op reis behelpen," zeide Madzy, met een vriendelijken lach: "en schoon deze peul vrij hard schijne en het hier onverdraaglijk warm zij, heeft alles echter een zindelijk voorkomen. Wat dunkt u? zou ik het venster durven openlaten? De nachten zijn niet koud en ik zal in mijn kleederen te bed gaan."

Vader Syard zette het raampje open, en zag naar buiten. "Gij zijt, geloof ik," zeide hij, "hier tegen allen onverhoedschen overval beveiligd."

"Inderdaad, ik zit hier hoog en droog en zal niet licht een bezoek ontvangen, of het moest dat van een verdwaalde kat zijn!.... maar zeg mij, Vader! wien zou het slot toebehooren, dat ik ginds boven het geboomte zie?"

"Dat slot," antwoordde de monnik, "wordt thans bewoond door iemand, die ons van dienst kan wezen en een veilig geleide naar de plaats onzer bestemming bezorgen. Het is mijn voornemen, hem nog hedenavond te bezoeken; althans indien het u geene ongerustheid veroorzaakt, zoo ik mij gedurende een halfuur van dit huis verwijder."

"Wat zou ik vreezen?" zeide Madzy: "en wie zou mij hier zoeken?--doch gij spreekt raadsels, goede Vader! wie kan die slotvoogd wezen, wiens bescherming ons van zoo grooten dienst zal zijn?"

"Ik heb u niet gezegd, dat het de slotvoogd ware, mijn dochter! de man, dien ik zoek, is thans slechts een tijdelijke bewoner van Nyenstein: wie hij is zal zich eenmaal, wellicht spoedig, ophelderen: tot nog verbiedt mij een heilige plicht zijn naam te noemen;.... ook hoor ik onze waardin reeds terugkomen: en ik acht mijne tegenwoordigheid hier verder onnut. Hebt gij nog eenige bevelen voor mij? anders beveel ik u der bescherming onzer Lieve Vrouwe aan, en wensch u wel te rusten."

"Rust wel, eerwaarde vader!" zeide Madzy: "en ontvang mijn hartelijken dank voor uw trouwe zorgen."

De monnik vertrok en liet de Jonkvrouw alleen met de waardin, welke haar het avondeten bracht. Madzy gevoelde wel eenigen trek om haar te vragen, wie de geheimzinnige bewoner ware van dat slot, daar zij met den monnik over gesproken had; maar het gevoel van bescheidenheid, haar ingeschapen, weerhield die vraag op hare lippen. Zij begreep, dat de monnik goede redenen moest hebben, waarom hij haar het geheim niet mededeelde en achtte het daarom ongepast, een anderen weg in te slaan om daarachter te geraken. Ook zou zij weinig tijds gehad hebben om een vraag te doen, daar de waardin, wier nieuwsgierigheid was opgewekt geworden door het gunstig uiterlijke van Madzy, die haar mantel had afgedaan, en door de fijnheid van het linnen, dat onder hare boerinnenkleeding zichtbaar was, haar overlaadde met een vloed van vragen, waarop de Jonkvrouw slechts half verdacht was en die zij, het veinzen ongewoon, met moeite wist te beantwoorden. Wel had zij reeds gezegd (gelijk zij dit met den monnik had afgesproken), dat zij uit Alkmaar was en met haar oom naar Utrecht reisde om aldaar een bloedverwant te gaan bezoeken; maar toen de waardin haar over eenige nadere bijzonderheden begon te ondervragen, geraakte zij al meer en meer in de war en wist zich eindelijk niet meer te redden dan door grooten vaak en vermoeidheid voor te wenden. Echter zou haar de belangstellende nieuwsgierigheid van vrouw Jaspersz nog geene rust hebben gelaten, zoo niet een rumoer, in het benedenhuis ontstaan, de aandacht van deze getrokken had.

"Ik moet eens zien wat daar gebeurt," zeide zij; "ik geloof waarlijk dat zij weer aan 't bekkesnijden zijn. Maar ik zal hun doen zien, wie of baas in mijn huis is, zij of ik. Gij neemt het mij niet kwalijk, hoop ik, dat ik u alleen laat. Wij waren zoo recht genoeglijk aan 't keuvelen; maar de zaken gaan voor alles, en ik ben maar een arme weeuw alleen en moet nacht en dag in de weer zijn om te zorgen dat mij de kaas niet van 't brood gehaald worde. Tot wederziens dan. Goede nachtrust!"

En met deze woorden kloste zij de trap af en vond werkelijk bij het komen in het voorhuis, dat haar tegenwoordigheid aldaar noodzakelijk vereischt werd. De aanleiding van den ontstanen twist was de volgende:

De monnik had, toen hij de trap afdaalde met het oogmerk van zich naar het kasteel te begeven, het belang gevoeld om zich, voor hij het huis verliet, te vergewissen, welk slag van lieden hij in de herberg achterliet en of zijn reisgenoote ook iets van hen te vreezen had. Bovendien, schoon het vasten gewoon, had de voor hem ongewone beweging zijn eetlust aangewakkerd en verlangde hij naar eenige verversching. Hij verzocht dus bij zijn intrede in het voorhuis aan de dienstmaagd, hem een snede brood met een teug water te halen.

"Water!" klonk een stem van den haard: "laat dat aan de kikkers, huisman. Eilieve! kom mede in 't gelag en wij zullen u van onzen drank schenken."

De monnik wendde bij deze uitnoodiging het oog naar het aldaar vergaderd gezelschap. Onder een schouwe van uitgebreiden omvang, hoedanige er wellicht niet meer, dan in sommige afgelegen Geldersche of Overijselsche dorpen te vinden zijn, en waarin ettelijke stukken vleesch te rooken hingen boven het altijd brandend turvenvuur, zaten eenige lieden op lage houten bankjes in een halven kring om een tafeltje. Dicht aan den wand bevond zich de man, die tegen den monnik gesproken had, en wiens kleeding een wapenknecht aanduidde, terwijl zijn roode neus en de kan, welke hij op de eene knie vasthield, hem als een vlijtigen aanbidder van den wijngod deden kennen. Wat de uitdrukking van zijn gelaat betrof, zij was die van iemand, die steeds genegen schijnt, ieders woorden kwalijk op te nemen: en schoon zijn voorstel aan vader Syard op zich zelf verplichtend was, de norsche en onaangename toon, waarop het gedaan werd, nam er alle verdiensten van weg, en gaf zooveel te kennen, als dat de man, tot wien het gericht was, er zich ten hoogste mede vereerd moest achten en dat een weigering kwalijk zou worden opgenomen.

Naast dezen persoon waren twee lieden gezeten, kermisgasten van beroep, althans voor zooverre men dit kon afleiden uit hun vreemde spraak en kleedij, uit hun verbrand gelaat en uit de kast, welke nevens hen stond, en waarop een dier lag te slapen, welks soort de schaduw, welke de tafel daarover wierp, belette te onderscheiden. Drie dorpelingen, vaste klanten van de herberg, maakten met de bovengenoemden het gezelschap uit; want men kon bezwaarlijk een zevende mederekenen, die, afgezonderd van de overigen, op een bank tegen den muur lag en geheel bedolven scheen onder een grooten zwarten mantel.

"Ik dank u, goede vriend!" zeide de monnik tot den wapenknecht: "uw voorstel is hupsch; maar ik mag het niet aannemen."

"Hoe nu!" zeide de man met het zwaard op een hoogen toon: "zijt gij een kerel? gij komt nog wel op een goed paard aanrijden, en zoudt vrekkig genoeg zijn om een dronk te weigeren?--Ik zou bijna denken, dat gij al uw munt te Haarlem verslempt, en geen onnoozel kopstuk meer overgehouden hebt, om eens met eerlijke lui te klinken."

"Ieder weet best wat vertering hem lijkt," zeide de monnik: "mits slechts de waardin niet klage over kwalijke betaling; bovendien, goede vriend, kan ik om een andere reden uw voorslag niet aannemen; ik heb nog een boodschap in het dorp te verrichten, en moet haast maken." Dit gezegd hebbende, zette hij zich op eenigen afstand aan een klein tafeltje.

"Bij mijn zolen!" zeide een der dorpelingen: "gij zult niemand in 't dorp meer op vinden dan ons drieën: het is al bijkans halfacht, en ieder gaat hier met de kippen op stok, uitgenomen wij, die hier alle avonden klokke zeven uren post vatten, om een Christenplicht te verrichten."

"Een Christenplicht!" herhaalde de wapenknecht: "ik ben waarlijk benieuwd te weten, hoe gij dat uitlegt?"

"Wel!" hernam de vorige spreker: "is vrouw Jaspersz niet een weduwvrouw, en zeit de pastoor ons niet alle Zondagen, dat wij de weduwen en weezen hebben voor te staan? Mij dunkt, ik kan niet vromer handelen, dan dat ik een goede vertering bij haar maak."

"Dat gij hier vertering maakt is zeker, Melisbuur!" zeide een der andere dorpelingen: maar of vrouw Jaspersz er veel zijde bij spint, daaraan zoude ik haast twijfelen:--hoe dikwijls in 't jaar hoort zij de klank van je geld?"

"Eilieve! wij zullen elkaar wel eenmaal met gesloten beurzen betalen," zeide Melis, lachende, "want ik denk haar met Kerstmis te trouwen en dat zal de rekening effen maken:--maar dat tot daar aan toe: die nieuwe gast moet er zoo niet afkomen:--zeg eens paai! wien duivel zoekt gij zoo laat op het dorp?"

"Ik zoek iemand, die mij met geen nuttelooze vragen zal lastig vallen," antwoordde de monnik, droogweg.

"Dien kunt gij in uw tasch steken, Melisbuur!" zeide een der andere landlieden, lachende,

"Ik geloof, dat de vlegel lust heeft, met mij aan 't snijen te komen," zeide Melis, de hand aan het heft van zijn zakmes slaande.

"Foei Melis! een oud man!" hernam degene, die zooeven gesproken had, terwijl hij hem tegenhield.

"Indien hij oud is," zeide Melis, "moest hij op zijn woorden hebben leeren passen en geen onbeschofte taal voeren, wanneer men hem in 't ordentelijke een vraag doet."

"Had hij maar school gegaan bij mijn aap," merkte een der kermisgasten aan, in wien mijn lezers aan dit gezegde den hansworst van Barbanera zullen herkend hebben: "meester Cezar, dat vrome beest, geeft nooit andere dan bescheidene antwoorden."

Deze geestige zet werd door al de aanwezigen met een luid gelach ontvangen. Vader Syard, zijn eenvoudig maal uit de handen der dienstmaagd aannemende, vergenoegde zich met te zeggen:

"Indien gij, mijn zoon! in de plaats van met ongure dieren, met vrome lieden verkeerd hadt, zoudt ge althans de lessen der beleefdheid jegens vreemdelingen beter hebben leeren in acht nemen."

"Hij spreekt bylo of hij een pater ware," zeide Daamke, wiens vroolijkheid verdubbelde. Barbanera, die naast hem zat, zag op dit oogenblik den monnik in 't gezicht, die hem echter niet herkende, daar zij elkander slechts eenmaal aan het ziekbed van Elske gezien hadden, en de kwakzalver thans den wassen neus niet ophad, die hem anders vermomde.

"Een pater!" herhaalde de wapenknecht met een schuinschen blik op den monnik: "hij is dan waarschijnlijk uit het Karthuizer convent te Arnhem, waar de monniken, zooals men weet, nooit uitgaan dan met een mooi Mariëndaalsch zusje."

"Of het een mooi zusje was, is nog de vraag," zeide de hansworst: "want zij was zoo dichtgestopt als een metworst, toen zij ons voorbijstoof.

"Niet zoo ingestopt," zeide de wapenknecht, "of ik heb een voetje gezien, dat ik in mijn vuist had kunnen sluiten, en een blank malsch handje, dat de kruik vasthield. Zeg eens, huisman! is 't je dochter, of je vrouw! want ik wil je wel van je reisgenoot ontslaan, zoo je haar voor een slok verkoopen wilt."

"Dat ware met recht kat in den zak koopen," zeide Daamke.

"Nu, wij konden haar wel eens bekijken gaan," hernam de wapenknecht, opstaande: "zij zit zeker bij moeder Treuzel in de keuken."

"Ja! laat zien of wij haar kennen," zeide Melis, zijn voorbeeld volgende.

"Een oogenblik, goede vrienden!" zeide vader Syard, zich voor de deur stellende, met zulk een vastberadene houding, dat de beide gasten een poos besluiteloos stonden: "ik ben een man van jaren en ongewoon om met rauwe gasten als gij zijt te vechten; maar ik zou nog kracht genoeg hervinden om den eersten, die zich verstoutte aan den wervel van deze deur te raken, zijn vermetelheid duur betaald te zetten."

Onder het uiten dezer woorden sloeg hij de dorre hand aan den degen, die aan zijn zijde hing.

Melis trad een stap terug: schoon eenigszins door den drank verhit, was hij niet beschonken genoeg of hij besefte, dat een aanval op den vreemdeling in dit geval meer dan een gewoon messengevecht zoude wezen en hem strafbaar maken voor het gerecht. De wapenknecht echter, meer oploopend en stout, trok zijn zijdgeweer half uit en wilde op den monnik aandringen, toen het gewaad van dezen zijne opmerkzaamheid wekte: "wat duivel!" riep hij, plotseling stilstaande: "hoe komt gij aan dat pak?--Dat zijn mijne kleeren.... mijne laarzen.... mijn tasch!"

Deze opmerking, in stede van den monnik van zijn stuk te brengen, gaf aan het schrander oordeel van vader Syard integendeel een wapen in de hand, waarvan hij zich met wakkerheid bediende.--"Uw naam is Walger!" zeide hij.

Inderdaad, het was Walger, die, na zijn vrouw, gelijk wij vroeger verhaalden, te hebben mishandeld, zijn hut had verlaten in den waan dat zij dood was. Den avond van dien dag teruggekomen zijnde, om zich van de gegrondheid zijner vrees te verzekeren, had hij door het venster naar binnen gezien, en Madzy, den monnik en de beide Italiaansche Ridders bemerkt bij de legerstede, waarop zijn vrouw, dood zoo hij meende, lag uitgestrekt. Vervuld van schrik had hij geene uitkomst geweten als in de vlucht, en ten einde spoediger weg te komen, had hij de paarden der Ridders losgemaakt, en een daarvan bestijgende, was hij met de twee naar Leiden gedraafd, waar hij ze een paar dagen later aan den Ridder van den Rooden Arend verkocht had, die, van hem vernemende dat hij dienst zocht bij de Stichtschen, hem met een aanbeveling aan Jonker Robbert van Arkel naar Utrecht had gezonden, waar hij aangenomen en met een wederkeerige boodschap naar Plaswijk was gestuurd.

"Moordenaar!" vervolgde de monnik, op een bestraffenden, doordringenden toon: "wat hebt gij met uwe vrouw gedaan? weet gij niet dat zoowel de wet des Heeren als die der menschen het doodslaan verbiedt? En in plaats dat gij in zak en asch uw misdaad beschreien, en door berouw en boete de genade Gods afbidden zoudt, vind ik u hier dartelend en wijn drinkende, als de menschen in de dagen Noachs deden, voor de zondvloed kwam en ze allen van de aarde wegnam.--Beef! want het bloed zal bloed eischen en de wraak zal u vervolgen, waar gij ook schuilen moogt."

Walger trad onthutst en bedremmeld terug: en terwijl de overigen, die weinig of niets van des monniks toespraak begrepen hadden, hen beiden met bevreemding aanzagen, kwam de waardin juist op het gerucht af.

"Wat beduidt dit, vrienden?" zeide zij: "mijn herberg is een ordentelijk huis en ik wil hier geen rumoer hebben. Een eerlijke bekkesnijderij op Zon- en Feestdagen of met kermis, in goede eendracht, dat gaat er nog mede door; maar in de week en dat nog wel 's avonds, verkies ik geen ruzie in huis."

"Er is geen ruzie ter wereld, moeder Jaspersz!" zeide een der boeren: "daar is Melisbuur, die u ongetrouw wordt en eens effentjes een vriendelijk bezoek wil gaan afleggen bij de deerne, die hier t' avond gekomen is."

"En denkt gij, leelijke slungel," vroeg de waardin, met de handen in de zijden naar Melis toestappende, "dat ik dat van u velen zou? Ga zitten man!" vervolgde zij, terwijl zij hem bij de schouders nam en op zijn bank neerkwakte: "en drink je zoopje; maar wee je gebeente, zoo je verder dan het voorhuis je pooten durft zetten.

"De droes!" zeide de hansworst: "vriend Melis! zoo gij u ooit bekeeren wilt, doe dan als je daar eerst zeidet: neem moeder Jaspersz tot vrouw en zij zal u spoedig zoo tam maken als een lammetje."

"Hij mij tot zijn vrouw nemen!" riep de waardin: "Maaike Jaspersz laat zich niet zoo nemen: ik wou nog liever, dan dat ik zoo'n apenbakkes in mijn slaapkamer zag en mijn zuur verdiend penningske door zijn keelgat wandelen. Hij moest maar liever eens denken, hoe hij bij mij in 't krijt staat, en wachten tot hij mij betalen kan, eer hij zooveel praats had. Maar ik zeg alsnog: die buiten het voorhuis komt, neem ik bij de lurven en gooi hem de deur uit."

Hoewel de wakkerheid der waardin en het gezag, dat zij over haar gasten scheen uit te oefenen, vader Syard eenigszins geruststelden, begreep deze echter niet heen te moeten gaan zonder alvorens nog eenig gewicht aan haar vermaning bij te zetten: "luistert vrienden!" zeide hij: "ik ga naar het slot, en zoo iemand in mijne afwezigheid zich verstout mijn nicht te beleedigen, beloof ik hem morgen een plaats in de kelders van het kasteel."--Dit gezegd hebbende, begaf hij zich het huis uit.

"Ik lach wat met zijn dreigen," zeide Walger, zijn onbeschaamdheid terugvindende, zoodra hij den scherpen blik des monniks niet meer te vreezen had: "de slotvoogd zal zich wel wachten mij een vinger aan te raken. Ik heb op het kasteel althans zooveel invloed als die oude gek."

"Vertrouw daar niet te veel op, vriendje," zeide de hansworst: "het zou mij niet verwonderen, indien die grijskop langer dan gij, kennis had met dengene, die op dat slot huisvest."

"En wie huisvest er dan op?" vroeg Melis: "behalve de oude Peter en een aantal uilen en kraaien!"

"Zeg daar maar niets van," zeide een der andere boeren: "ik heb er niet later dan gisteravond een Ridder zien binnenrijden in volle wapenrusting met een helm op 't hoofd en op een fraaien zwarten hengst gezeten."

Hier lichtte de reiziger die op de bank lag, en die zich het vorige tooneel volstrekt niet had aangetrokken, even het hoofd op; doch hernam terstond weer zijn onverschillige houding.

"Wie weet dat beter dan ik," zeide Walger, "die hem het paard verkocht heb waar hij op zat? een echten kastiliaan, dat beloof ik u."

"Is het sedert niet lang, dat gij paardenkooper geworden zijt?" vroeg Daamke: "voor weinige dagen stondt gij nog in den Hout naar onze kunstverrichtingen te kijken, met het wapen van Holland op uw jachthuis."

"Heugt u dat!" zeide Walger: "welnu, wat steekt daarin? ik heb een ander beroep bij de hand genomen."

"Gij neemt andere dingen ook," zeide de hansworst: "want gij hebt bij uw vertrek twee paarden meegepakt."

"Wie durft dat zeggen," riep Walger, met drift opstaande en de hand aan het geweer slaande.

"Dat durf ik zeggen," hernam Daamke: "ik, die er bijna klappen om gehad heb."

"Goede hemel!" riep de waardin uit, terwijl zij haar handen naar boven hief: "een paardendief in mijn huis."

"Zottin, geen dief!" zeide Walger, terwijl hij wrevelig weder plaats nam: "maar, dewijl het toch morgen, naar men zegt, oorlog wordt tusschen Holland en het Sticht, moest al wat onder het Bisdom behoort mij danken, zoo ik twee paarden op de Hollanders heb prijsgemaakt en aan den Bisschop de aanwinst bezorgde van een knappen kerel als ik ben."

"'t Is dan zeker ook om afbreuk te doen aan de Hollanders," vervolgde Daamke, "dat gij uw Hollandsche vrouw half doodgeslagen hebt?"

"Lieve Maagd!" herhaalde de waardin: "een dief en een wijvesmijter! kameraad! je zoekt maar een andere herberg op, dan de mijne."

"Hoe nu!" zeide Walger, "heeft de oude Peter mij niet zelf hier gebracht en u gezegd dat ik een Bisschoppelijke wapenknecht was en dat gij mij zoudt herbergen?"

"Dat is waar," antwoordde de waardin: "maar...."

"En zoudt gij denken," vervolgde Walger, met meer en meer drift, "dat de slotvoogd of zelfs de Bisschop mij zoude vragen wat ik in Holland verricht had en mij niet gaarne absolutie geven voor het kwaad, dat ik er mocht hebben uitgevoerd? Komaan! tap nog een kan ouden wijn en laat er niet meer over gesproken worden."

"'t Is wel!" zeide de waardin: "maar daar gij morgen wel eens in 't hoofd zoudt kunnen krijgen om weer naar de Hollanders over te loopen, zal ik zorgen, dat ik bij uw vertrek de paarden tel, die op stal staan."

"En wat u betreft," vervolgde Walger, zich tot den hansworst wendende, zonder acht te geven op het gezegde der waardin, "zoo er nog een woord over het voorgevallene bij Haarlem uwe lippen ontrolt, zweer ik u, dat ik u kennis met mijn zwaard zal doen maken, en uw veelvervig pak van den kraag af tot de hoos toe de kleur van uw bloed doen aannemen."

"Kom! kom!" zeide Daamke: "heb maar zooveel praats niet: die lange Fries van den Heer van Aylva mocht eens terugkomen en u afranselen zooals hij in den Haarlemmerhout deed."

"Schurk!" riep Walger: "wat let mij of...."

"Welnu," zeide de waardin, met een nieuwe kan terugkomende: "begint gijlieden weer? komt! drinkt als vroolijke gezellen met elkaar en laat dat eeuwige gekijf varen. 't Is of gij heden allen van den Booze bezeten zijt: er is hier geen wijs mensch dan ik en die goede man, die op de bank ligt te slapen."

"Slapen!" zeide Walger: "ja, zoo gij 't maar gelooven wilt. Wij hadden hem ook wel eens kunnen aanstooten, om te zien of hij ons beter bescheid zou doen, dan de paai die zoo even heenging. Wie weet, misschien is hij wel een spion van den Graaf, gezonden om ons te verderven."

"Licht mogelijk," zeide Melis: "mij dunkt, hij deed beter van naar zijn nest te gaan, zoo hij niet met ons wil aanzitten."

"Wij kosten hem wel eens even wakker schudden," zeide Walger.

"Gij zult den man stil laten liggen," zeide de waardin: "hij heeft zijn avondeten genomen en zonder afdingen betaald: en ik zie niet, waarom hij niet evenveel recht zou hebben om rustig te slapen, als gij om rustig te drinken."

"Nu! maar eventjes," hernam Walger: "ik zal den man geen kwaad doen. Ik wil hem voor de grap slechts eens laten ruiken, of hij ook trek krijgt om mede te doen." En zijn kroes volschenkende, zwaaide hij naar den reiziger toe, en hield dezen het vocht onder den neus; maar de vreemdeling, plotseling opstaande, en den mantel afwerpende, die hem bedekte, vertoonde hem de welbekende gelaatstrekken van Reinout van Verona.

"Onbeschaamde dief!" zeide hij: "kunt gij dan niemand met rust laten."

De eerste indruk, welken deze verschijning op Walger deed, was, dat hij zwichtte voor het zedelijk overwicht, hetwelk iemand van hoogeren rang doorgaans op zijn minderen uitoefent. Hij herstelde zich echter weldra, vooral toen hij bemerkte, dat Reinout geene andere wapenen droeg dan een dolk.

"Ter hulp, Vazallen van het Bisdom!" riep hij: "ziet daar, zooals ik zeide, een zendeling van den Hollander, een flikflooier van Graaf Willem, wiens vangst meer genoegen aan de Kapittel zal doen dan de inneming van een kasteel."

"Indien het zoo is," zeide Melis, met de andere boeren toetredende, "dan ware het zeker wel de moeite waardig?...."

"Lompe kinkels!" zeide Reinout, de armen kruisende en in een onbeweeglijke houding blijvende staan: "is dan de oorlog reeds verklaard, dat gij zoo bulkt? Vermoeit u niet onnoodig; want mijn weg leidt naar Utrecht en ik zal hem vinden zonder uw geleide. Wat u betreft, schurk!" (zich tot Walger wendende) "gij bezorgt mij het paard terug, dat gij mij volgens uwe eigene bekentenis ontstolen hebt."

Walger stond eenigszins versuft, te meer, daar hij aan de weifelende houding der boeren besmeurde, dat er weinig staat was te maken op hun bijstand, en dat zij nog nuchter genoeg waren om te begrijpen, dat een beleediging, eenen gunsteling des Graven, eenen Edelman aangedaan, in allen gevalle hachelijke gevolgen voor hen zou kunnen hebben.

"Welnu!" herhaalde Reinout, met een donderende stem: "mijn paard! hebt gij mij niet verstaan?"

"Bij Sint-Maarten!" zeide eindelijk Walger, op den koppigen toon van iemand, die zijn besluit genomen heeft en op al de kansen is voorbereid, "indien gij uw paard wilt hebben, zoek het dan, waar het te vinden is."

"Ik geloof," zeide Daamke, die dit gansche tooneel met een vroolijk meesmuilen had aangezien, "dat hij uw paard en dat van uw vriend in den buidel draagt, die aan zijn gordel vast is:--althans voor zooverre de lieve beestjes zijn keelgat niet reeds zijn doorgereden."

"Beken!" zeide Reinout: "aan wien hebt gij mijn paarden verkocht?"

"Dat laat zich raden," zeide de nar: "aan dien Ridder met den rooden arend, die gisteren op het slot gekomen is."

"Welnu! volg mij dan naar het slot," zeide Reinout met drift tegen Walger.

"Perdonatemi!" zeide Barbanera, opstaande en hem terughoudende: "zoudt gij den morgen niet afwachten?" voegde hij er bij in de Italiaansche taal: "ik stel mij borg, dat de Ridder op het slot u de paarden zal teruggeven, en dat wel zonder zwarigheid te maken;--maar, zoo gij mij gelooft, zullen wij hem in zijn rust niet storen."

"Het is wel, Paolo," zeide Reinout: "maar intusschen hebben wij elkander nog veel te zeggen, en deze kerel moet ons niet ontsnappen."

"Wilt gij mij gevangenhouden?" vroeg Walger, die, hoewel het gezegde des Ridders, dat in 't Italiaansch gehouden was, niet verstaande, genoeg aan zijn gebaren begreep wat hij zeggen wilde, en meteen haalde hij zijn zwaard half uit.

"Hoe nu! weer vechten?" riep de waardin: "wij zullen vechterijen genoeg hebben als de oorlog uitberst. Hou uw gemak, of ik zet u de deur uit, zoowaar ik Maaike Jaspersz heet."

"Hij zou niets liever verlangen," zeide Daamke, lachende, "hij heeft evenveel trek om te blijven als een verzadigde muis, die in de val zit."

"Welnu! waarom gaat hij dan niet?" vroeg de waardin: "ik heb al last genoeg van dien oproermaker en zal blij zijn zoo ik van hem ontslagen raak."

"Ik zal gaan of ik zal blijven, juist zooals 't mij goeddunkt," zeide Walger, zijn beker ledigende en met een koppige houding weer plaats nemende: "wat het paard van dien Ridder betreft, ik heb het niet gestolen, maar in 't bosch opgevangen: en daar het op den stal van 't kasteel staat, kan hij het ieder oogenblik van den dag terugvinden. Zoo ik reden had van uit Holland te vluchten, hij zal ze ook wel gehad hebben en misschien erger dan ik."

Reinout zweeg en sidderde: de woorden van Walger hadden een dieper uitwerking gedaan dan deze zelf vermoeden kon.

"Komt!" zeide een der boeren: "laat ons een einde aan al dat gehaspel maken. Het wordt laat: nog één kroes en daarmede afgedaan."

"Wel gezegd," zeide Daamke: "het is altijd betamelijk ter ruste te gaan, wanneer de kan ledig is."

Allen dronken hierop, behalve Reinout, die met groote stappen het vertrek op en neder wandelde. Zoodra de drank op was, trokken de dorpelingen af en begaven zich de gasten naar hun slaapverblijf, Walger wierp zich zonder een woord te spreken op zijn legerstede, alwaar weldra een zwaar gesnork aanduidde dat hij in diepe rust was: de hansworst volgde zijn voorbeeld en Barbanera maakte zich gereed hetzelfde te doen, toen Reinout hem weerhield.

"Gij zijt mij nog het einde van uw verhaal schuldig," zeide hij in 't Italiaansch.

"Wat zal ik u zeggen?" zeide de kwakzalver, de schouders ophalende en Reinout met een blik aanziende, die zooveel zeide als: "gij zult thans minder dan ooit in staat zijn, mijn ontdekkingen goed te beloonen,"--"ik heb u niet veel meer te verhalen; want het zal hoe langer hoe meer onzeker zijn, of gij, dan wel uw vriend Deodaat de echte zoon van Bianca is."

"Mijn vriend Deodaat slaapt om niet weer op te staan," antwoordde Reinout met een somberen blik: "welke rechten hij moge gehad hebben, zij zijn in de mijne versmolten. Er is geen keuze meer tusschen hem en mij."

"Met dat al:" zeide de kokeler....

"Hier Paolo!" zeide Reinout, hem naar zich toe trekkende: "ik vermaan u, niet langer met mij te spotten. Bij God! ik heb gedaan wat ik onmogelijk had gedacht: ik heb mijn besten vriend, mijn wapenbroeder een dolk door het hart gejaagd. Gelooft gij dat ik, na zulk een daad, voor den moord van een ellendeling als gij nog zou terugdeinzen? Neen, bij de Almacht! Gij zult mij alles mededeelen wat gij weet: en wel terstond. Rijkdom en eer, de helft van mijn vermogen wachten u zoo gij spreekt;--uw dood is zeker, zoo gij langer aarzelt!"

Paolo bedacht zich een oogenblik. Eindelijk, ziende dat het Reinout ernst was, en indachtig, dat zijn plannen, om zich te verrijken, toch zonder eenige vrucht zouden blijven indien hij niet sprak, gaf hij hem te kennen, dat hij alles verhalen zou wat hij wist. Voor wij echter aan onze lezers den uitslag van hun onderhoud mededeelen, voegt het ons te zien wat vader Syard wedervoer bij zijn avondbezoek op het kasteel.

TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Wie op beloften steunt of die van waarde schat, Bedriegt zich zelf en maakt dat andren hem beschimpen: Indien men laken koopt, het krimpt gemeenlijk wat; Maar 't geen ons wordt beloofd zal doorgaans alles krimpen.

De Regt.

Het was niet zonder meermalen het gelaat naar de herberg om te wenden, dat de monnik het plein was overgestoken en zijn weg voortzette, verdeeld tusschen de ongerustheid, welke de onbeschaamde ruwheid der gasten bij hem achterliet, en de bekommering, waarin hem de onzekerheid bracht over den uitslag van zijn voorgenomen bezoek. Toen hij echter een hoek was omgeslagen en de herberg uit het gezicht verloren had, verhaastte hij zijn tred en verbande, zooveel in zijn vermogen was, alle andere gedachten, om slechts aan het toekomstig lot van zijn dierbaar vaderland te denken.

De laan, welke hij nu volgde en die recht op den ingang van het slot aanliep, was aan de eene zijde beplant met een rij schrale berken, wier witte bladeren door den westenwind aangeraakt, in gestadige, ritselende beweging waren. Aan de andere zijde was een sloot, wier groene zoom met heestergewassen begroeid was, en over wier effen water talrijke zwaluwen heen en weder vlogen. Aan het einde van deze lange en eentonige laan gekomen, vond zich de wandelaar aangenaam verrast, daar hij eensklaps een ruime vlakte ontdekte, die een uitgestrekt en in vele opzichten schilderachtig uitzicht opleverde. Tusschen rijke graanvelden en groene weilanden kronkelde eene kleine rivier. Haar oever was hier en daar door bevallige bosschages bezet, wier welig groen de laatste stralen der ondergaande zon met liefelijke tinten kleurden. In 't verschiet zag men de torens van een paar rijke en welvarende dorpen, en verder nog, over de vlakte, den halfvolbouwden kegel van de Utrechtsche Domkerk, die, sedert voltooid, na zoovele eeuwen, als tot een baak en wegwijzer aan de omliggende landstreken verstrekt. De rivier, waarvan wij gesproken hebben, besproeide in eene van hare veelvuldige bochten een onbebouwd, eenigszins rijzend stuk gronds, hetwelk, door een breede, rijkelijk met kroos bedekte gracht omgeven, met de laan, waaruit de monnik kwam, gemeenschap had door middel van een brug, uit losse planken samengesteld, die bij het minste gevaar voor overval konden worden weggenomen. De brug overgaande, kwam men langs een pad, met keisteenen bevloerd, tot den ringmuur van het slot, waarom een tweede gracht gegraven was, wel niet diep, doch ondoorwaadbaar door den modder, waarmede zij gevuld was, en aan de binnenzijde nog bovendien verdedigd door een dubbel rasterwerk, hetgeen wel gedeeltelijk verrot of vervallen, maar echter voor spoedige herstelling vatbaar was. Een klein poortje, slechts even breed en hoog genoeg om een ruiter te paard door te laten, leidde tot de ophaalbrug, over die gracht geworpen, en was evenals de brug gedekt door twee torentjes, op den buitenmuur geplaatst. Een smalle ronde gang aan 't eind der brug bracht in het slot zelf, 't geen slechts uit een grooten vierkanten toren bestond, van zwaren steen gebouwd, maar zonder eenige sieraden dan den mantel van klimop, waarmede de natuur hem aan de eene zijde wel had willen voorzien; en zonder andere versterkingen, dan de zoodanige, welke de dikte der muren en de gelegenheid der plaats opleverden. De gedaante van dit oud en ruw gedenkstuk van vroegere eeuwen stak zelfs in dien tijd, toen dergelijke gebouwen nog meer algemeen waren, somber en treurig af tegen het vroolijke landschap, daaromheen gelegen, en de grijsgrauwe trans deed, vooral aan de zijde, waar het klimop niet gegroeid was, dezelfde uitwerking als een koude sneeuwhoop in het vroege voorjaar op een bloembed doet.

De oude kroniekschrijver, aan wien ons verhaal ontleend is, vermeldt niet of vader Syard zich met dusdanige vergelijkingen bezig hield, toen hij een langen blik op den ouden toren vestigde. Hoe 't zij, hij trad de eerste brug over en, aan het kleine poortje voor de ophaalbrug gekomen, tilde hij den zwaren hoorn op, die met een ijzeren ketting aan den muur gehecht was, en blies een paar schelle noten. Hij moest echter dit sein tweemalen herhalen eer hij gehoor kreeg: althans eer een mager gelaat, dat zich aan de overzijde achter een kijkgat in den toren vertoonde, hem bewees, dat zijn verzoek om binnengelaten te worden verstaan was.

Waarschijnlijk was de wachter, die den vermomden monnik gadesloeg, over zijn onderzoek voldaan: althans hij klom af, en de binnendeur van den toren ontsluitende, bleef hij aan den overkant achter de ophaalbrug staan.

"Wien zoekt gij? en wat wilt gij zoo laat?" riep hij, zijn hoofd achter om de klep van de brug stekende, den monnik toe.

"Goede vriend!" zeide deze: "laat uw brug neer, ik moet uw Heer spreken en heb geen tijd te verliezen."

"Gij zijt oud genoeg," zeide de wachter, "om te weten, dat ik geen Heer heb dan onzen Bisschop, en dat die in 't Zuiden van Frankrijk woont."

"Om 't even, dan moet ik den Ridder spreken, die hier huist."

"Die is weer vertrokken," riep de portier, zijn hoofd terugtrekkende: "en zoo, God zegene u."

"Hij had mij toch gezegd," zeide de monnik, met drift, "dat hij mij nooit gehoor zou weigeren, indien ik het vroeg in Sint-Maartens naam."

De portier gaf geen antwoord; maar een geraas van sleutels en ketens liet zich hooren: en weldra ging de valbrug naar beneden.

"Daar hadt gij immers wel mede kunnen beginnen," zeide de portier, "zonder mij op te houden met al uw onnoozel gereutel, dat niets ter zake doet. Ga binnen en wacht mij. Zoodra ik de brug weder heb opgehaald, zal ik mijn Heer gaan waarschuwen."

Vader Syard liep een kromme gang ten einde en vertoefde een wijl op een klein binnenpleintje, terwijl de man, die hem ingelaten had, na alles weer behoorlijk gesloten te hebben, een smal wenteltrapje opklom, dat naar de bovenvertrekken geleidde. Spoedig kwam hij terug en verzocht den monnik met hem te gaan. Deze volgde zijn geleider, die hem een paar verdiepingen hooger bracht, tot zij aan een zware eikenhouten deur kwamen, waar zij aanklopten. Een stem van binnen gaf verlof om in te komen: de portier ontsloot de deur en ging vervolgens dadelijk weer naar beneden.

Vader Syard trad het vertrek in, hetwelk achtkantig en vrij ruim was, naardien het een gansche verdieping des torens uitmaakte, en dus den geheelen omvang bevatte, welken de binnenmuren overlieten, uitgenomen vier hoeken, waarvan er drie tot kabinetjes dienden en het vierde de trap verborg. Uit de nauwe venstergaten had men een ruim uitzicht op den omtrek; doch de opening liet bijna geen licht meer in, dan noodzakelijk bleek te zijn. De wanden waren naakt en met spinrag bedekt: ruwe figuren, met krijt en houtskool op den muur geteekend, en waarmede men, zoo het scheen, de gedaanten van krijgsknechten had zoeken na te bootsen, duidden aan, dat hier meermalen gewapenden hun nachtwaken met dergelijke uitspanningen hadden vervroolijkt. Meubelen waren volstrekt nergens te zien: en een open koffer, met onderscheidene voorwerpen gevuld, kondigde alleen de nabijheid aan van menschen. Vader Syard wendde dan ook terstond het oog naar de eenige plaats, welke bewoond scheen, gelijk de lichtstraal aanduidde, welke uit de halfgeopende deur van een der kabinetjes op den vloer scheen. Hij trad derwaarts en zag nu in dezen afgezonderden hoek een tafel met papieren, waaraan de man zat, in wien hij terstond dengene herkende, wien hij zoeken kwam.

Deze droeg echter thans noch het gewaad van Barbanera, gelijk in het schuurtje bij den Hout, noch de wapenrusting eens ridders, als op het Zand te Haarlem, noch de kleeding zonder naam, als in de cel des monniks, maar een ruimen en gemakkelijken tabberd, die hem los om 't lijf hing, en hier en daar geopend, het eenvoudig huisgewaad eens edelmans vertoonde. Voor hem stond een beker met zuiver water, en een stuk brood met sterkers, waarmede hij zijn avondmaaltijd scheen te zullen doen. Hij sloeg een onverschillig oog op den monnik, toen deze voor den ingang van het kabinetje stand hield: en wendde terstond, zonder hem te herkennen, zijn blikken weer op het blad, dat voor hem lag, om den begonnen volzin te eindigen. Hierop vroeg hij, zonder op te zien:

"Van wien komt gij, huisman?"

"Ik kom uit mijn eigen naam," antwoordde de monnik.

"Bij Sint-Maarten!" zeide de andere: "ik ken die stem: maar wat duivel! ik ken dat gelaat ook. Welke vreemde gebeurtenis voert u hier, Vader! en hult den vromen monnik in het gewaad van een boschwachter?"

"Ik heb vreemder vermommingen gezien dan deze," zeide vader Syard, op een stekeligen toon: "en had niet verwacht, dat gij mij het vreemde van mijn gewaad zoudt verwijten."

"Ga zitten, Vader!" zeide de Stichtenaar, hem een zetel aanwijzende: "en zeg mij eens, hoe en waarom gij u hier bevindt."

"De oogenblikken zijn te kostbaar en mijn tijd is te beperkt om dien met beuzelen door te brengen," zeide vader Syard: "ik breng u gewichtig nieuws."

"Dat de Graaf naar 's-Hage is en heden of morgen de stad Utrecht ontzegt. Ik wist dit reeds.--Of is er meer?"

"En dat de Friesche gezanten heden verlof gekregen hebben met slecht bescheid."

"Waarlijk! ziedaar inderdaad een nieuws, dat goud waardig is. En wat zal men in Friesland doen?"

"Waarschijnlijk zich wapenen en gereed zijn, als de Graaf ons aanvalt."

"Ik had mij gevleid, dat zij van hunnen kant den aanval zouden beginnen en onze Stichtenaren met de wapenen ondersteunen. Die Jonker van Adeelen scheen daartoe niet ongenegen."

"Naar ik de Friezen ken, zullen zij zich ongaarne mengen in een twist, die hun niet aangaat; doch met onbezweken moed den vreemden krijgsman van hun erf afweren."

"Het ware toch hun belang, zich met Utrecht te vereenigen, eer de Hollanders ons een voor een en alzoo met beter kans beoorlogen;--of moeten wij doen als de kat, en de kastanjes voor u uit het vuur halen?"

"Wij zullen, volgens onze overeenkomst, vaardig zijn om onzen grond te verdedigen; maar ik twijfel of gij éénen Fries zult vinden, die geneigd is voor eene hem vreemde zaak te strijden: en dit was ook onze bedoeling niet."

"En waarom niet? Ik ken den invloed, welken uw Abten in Friesland bezitten, en ik ken evenzeer den invloed, dien broeder Syard op de Abten heeft. Onze afspraak was immers, dat gij hen zoudt overreden, zich voortaan geheel en uitsluitend aan den Utrechtschen stoel te onderwerpen: welk beter bewijs van die onderwerping kunnen zij geven, dan door een kruisvaart tegen de Hollanders te prediken, nu het Bisdom bedreigd wordt."

"Versta mij wel," zeide de monnik: "ik heb, ja, beloofd alles in 't werk te stellen om de kloosters in Friesland meer af hankelijk dan tot nu van den Bisschop te maken; maar ik had daarmede alleen in 't oog de geestelijke zaken, de tucht en de orde in het kerkbestuur, welke te niet gaan, zoo geene vaste hand onze monniken in toom houdt: nooit is het bij mij opgekomen eenen Fries te willen dwingen om voor een vreemde zaak de wapens op te vatten. In het gesprek met Adeelen gevoerd, hebben wij een bondgenootschap bedoeld, een gelijktijdige oorlogsverklaring, waarbij het Bisdom ons zoude stijven; maar nooit was het onze meening, hulpbenden herwaarts te zenden. Herinner u onze afspraak: het oogenblik, dat het Sticht tegen Holland opstijgt, zal ook Friesland de wapenen aangrijpen om zijn erfgoed te verdedigen."

"Met uw verlof," hernam de Stichtenaar: "zeg niet dat gij op den avond, dat wij met Adeelen spraken, niet onderricht waart van de voornemens der Kapittels: gij wist dat er een uitbersting volgen moest: gij waart toen geneigd, mij van dienst te zijn: Adeelen was dit even zoo: ik zie niet, in welken opzichte de staat van zaken tusschen ons beiden veranderd is?"

"Wij hebben elkander verkeerd begrepen," zeide de monnik, de schouders ophalende: "Adeelen haat den Graaf zooveel als gij dit kunt doen; maar hij zal het evenzeer als ik ongepast oordeelen, dat een Fries zich in deze omstandigheden buiten zijn land begeeft, om de Hollanders te bestrijden, en dat nog wel onder een vreemden aanvoerder."

"Ik weet nog niet, aan wien Utrecht het beleid van den oorlog zal toevertrouwen," zeide de Stichtenaar: "maar ik vlei mij, dat de veldheer, dien zij bekomen zullen, niet aarzelen zal, om aan de Friesche hulpbenden te vergunnen, onder hun eigen banier te strijden."

"Hoe!" riep de monnik uit, met een verwondering, welke hij niet verbergen kon: "zult gij zelf dan niet het opperbestuur van den strijd aanvaarden?"

"Gij vergeet," zeide de Stichtenaar, met een spotachtigen glimlach, "dat de Bisschop te Grenoble is, en dat alleen hij tot het opperbestuur gemachtigd is."

"Is het dan tijd tot boerten?" riep de monnik op een bitteren en verwijtenden toon: "hoe! als Jan van Arkel, door het lossen der verpande sloten, door het afbetalen der schulden van het Bisdom, door het aanwerven van krijgsbenden, den toorn des Graven tegen het Sticht ontstoken heeft, zal hij dan achterblijven en zich schuilhouden in de ure des gevaars?"

"Broeder!" zeide de Stichtenaar, op wiens gelaat de taal des monniks een meer ernstige tint had teruggebracht: "de tijden zijn voorbij, toen een Bisschop van Utrecht, zonder andere wapenen dan een misboek en een kruis, en zonder ander gevolg dan eenige geestelijken in plechtgewaad, een zegevierenden Graaf op de bres kon staande houden, en hem en zijn geheele leger doen sidderen voor den vloek des banbliksems. Het zijn de ridderdegen en de veldheersstaf, die hij thans moet zwaaien, wil hij zijn gezag niet miskend en bespot zien."

"Welnu! laat hij die dan zwaaien. Is dit niet juist wat ik bedoelde?"

"Hoe nu!" zeide de Stichtenaar met een fijnen glimlach, terwijl hij een zegepralenden blik op den monnik sloeg: "is het een geestelijke, die mij dezen raad geeft? Ecclesia abhorret a sanguine."

Vader Syard zag den spreker eenige oogenblikken met verbaasdheid aan, terwijl hij in diens beweegbare trekken zocht uit te vorschen, welke de geheime bedoeling zijner woorden kon zijn. Het kwam hem onbegrijpelijk voor, waarom de Bisschop, die door zijne daden, hoe verschoonbaar, ja hoe prijselijk in sommige opzichten, toch aanleiding tot den oorlog gegeven had, en die de noodzakelijkheid erkende van het zwaard aan te gorden, weigerachtig zou kunnen blijven om zich aan het hoofd der zijnen te plaatsen. Hij maakte eindelijk een aanmerking in 't wilde, evenals iemand die, in de duisternis rondtastende, de hand uitstrekt zonder te weten wat hij vatten zal.

"Mag ik vragen," zeide hij, "of het slechts een proef is, waarop gij mij zetten wilt? of sluiten uw woorden een wezenlijke tegenstrijdigheid in?"

"Noch het eene noch het andere, goede Broeder! en ik zal geen mijner woorden terugnemen. Ik begrijp echter uwe verwondering: en ik geloof dat de groote hoop, die de innige drijfveeren onzer daden niet kent, als gij zoude oordeelen. Gij denkt, dat wraak alleen, of zucht naar meerder gezag in het hart van Jan Van Arkel woont;--beiden bestaan bij hem;--wie zou het ontkennen?--maar slechts in een ondergeschikten zin."

"Ik zie niet," zeide de monnik, "welke andere redenen er kunnen aanwezig zijn....."

"Arme man! gij zelf, welk doel beoogt gij met uwe geheime woelingen? waarom hebt gij zelf zoo vurig verlangd naar een oorlog tusschen Friesland en den Graaf?"

"Omdat ik mijn vaderland liefheb:--omdat alleen die oorlog in staat is, de binnenlandsche beroeringen aldaar te doen ophouden, en ons van het juk van Holland te ontslaan."

"Recht zoo! er kunnen dus edele drijfveeren bij iemand bestaan, al beoordeelt hem de menigte slechts naar den schijn.--Welaan!--Het ware reeds op zich zelf een grootsch denkbeeld, het Sticht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed; maar er ware nog meer te doen dan dit!--Er was een tijd, monnik! althans onze jaarboeken verhalen het, dat bisschop Adelbold zijn heerschappij over al de omliggende landstreken voerde, dat Hertogen en Graven zich het een eere rekenden, dienstbare betrekkingen aan zijn hof te vervullen; die tijd moet en kan terugkomen:--maar zoo het Sticht zijn aloud overwicht herwint, het moet zulks niet te danken hebben aan de loutere eerzucht zijns Bisschops, om na den dood van dezen weer tot een staat van onderdanigheid te geraken, om als een luchtverheveling slechts voor een korten stond aan den gezichteinder der eeuwen te schitteren. Neen Broeder! dat overwicht moet duurzaam blijven;--maar daarom moet het ook een onmisbaar gevolg zijn van den loop der omstandigheden, en ontspruiten uit de noodzakelijkheid, die machtige heerscheres der wereld.--Ik weet het, indien ik mij thans aan het hoofd der mijnen stelde, en hen ten strijde riep, dat mijn naam in de eerste oogenblikken van opgewondenheid als een talisman zou werken; maar wanneer dat eerste vuur van geestdrift had uitgebrand, wat zou dan het gevolg wezen? Bij den minsten tegenspoed, door onze wapenen ondervonden, zoudt gij den jaloerschen naijver der Kapittels en de bet-weterij van Vroedschappen en Overlieden de schuld daarvan op mij zien werpen: men zou tegen den Hollandschen Bisschop het wantrouwen, ja den haat der gemeente weten op te wekken: of zoo men al aan de oprechtheid van mijnen haat tegen het huis van Avennes geloof sloeg, het zou slechts zijn om mij te beschuldigen, dat ik het geluk van het Bisdom aan eigen heerschzucht had opgeofferd:--verdeeldheid zou weldra in onze vergadering en in ons leger heerschen, en Graaf Willem zou zonder moeite zegevieren over een gewest, door tweedracht verzwakt.--Neen! zoo ik het masker afwerp en mij aan de oogen mijner onderzaten vertoon, het zal slechts dan zijn, wanneer de oorlog een bepaalden, stelligen uitslag doet voorzien; wanneer de Stichtenaars de noodzakelijkheid zullen gevoelen van een opperhoofd: wanneer zij luidkeels om hun Bisschop roepen: dan zal ik onder hen verschijnen als de gezant uit den hoogen, die hen onder de banier van orde en wettigheid komt scharen: dan zal ik meester zijn, mijne voorwaarden voor te schrijven aan hen en aan die Kapittels en regenten, die de beste bedoelingen eens Bisschops verlammen zouden; en--gelijk ik hoop--tevens aan al wie hunne onafhankelijkheid belaagt."

De monnik, nog weinig overtuigd, schudde het hoofd, en wierp een twijfelachtigen blik op den Bisschop, (want het wordt eindelijk tijd aan den tot nog toe onbekenden jongeling, den titel te geven, die hem toekomt): "gij vergeet," zeide hij: "dat de Graaf het wakkerste krijgshoofd is van zijn tijd, en dat, zoo zijn wapenen Utrecht bemachtigen, uw ontwerp in duigen ligt."

"Ook die kans is door mij voorzien; en het hangt slechts van den uitslag des oorlogs af, of ik als legerhoofd dan wel als middelaar zal optreden. In beide gevallen zal mijn komst gezegend worden, en het is slechts door aan mijn Stichtenaren te toonen, hoezeer ik hun onmisbaar ben, dat ik de ontwerpen, door mij gevormd, zal kunnen ten uitvoer leggen."

"Het vertrouwen der Stichtenaren zal slechts een armhartige pleister op de wond zijn," zeide vader Syard, "ingeval Graaf Willem overwint, en u erger voorwaarden oplegt dan die, waarop hij u tot Bisschop deed aanstellen."

"Graaf Willem is thans machtig," hernam de Bisschop: "maar geloof mij, zijn gezag heeft den hoogsten top bereikt en kan met anders dan dalen. Hij heeft geen zoon:--komt hij te sterven, dan vervalt Holland aan den eersten, die moed en beleid genoeg heeft, het te winnen. Het Huis van Henegouwen zal met Willem den Vierden ophouden;--maar de Bisschop van Utrecht is onsterfelijk."

Vader Syard bleef een wijl in diep nadenken verzonken: hij was nog weinig gerust omtrent den uitslag van des Bisschops vooruitzichten; want hij beschouwde die als onzekere luchtkasteelen, door het jeugdig en opgewonden brein des jongelings ontworpen, en hij kon geene hooge staatkunde toeschrijven aan iemand, die, ja, in vele opzichten blijken van volharding had gegeven, maar zich evenzeer gekenmerkt had door daden, welke in 's monniks oogen een buitensporige loszinnigheid ademden. Bovendien was de monnik geheel uit het veld geslagen door de tijding, dat de Bisschop zich niet bekend wilde maken:--daarmede ging al zijn hoop te leur om de Friesche geestelijkheid eenparig te doen handelen, hetwelk hij had gedacht te kunnen bewerkstelligen, wanneer hij in naam en op het gezag des kerkvoogds, des erkenden vijands van Willem den Vierden, tot haar sprak. Hij besloot dus nog eene poging te doen, om hem tot een openlijke handelwijze over te halen.

"Ik ben bezorgd," zeide hij, "dat gij de kans om zulke schoone plannen ten uitvoer te brengen, reeds verspeeld hebt, en weldra gedwongen zijn zult het masker af te lichten."

"En hoe dat?" vroeg de Bisschop met eenige bevreemding.

"Uw komst alhier zal niet langer een geheim meer zijn. Die Barbanera en zijn hansworst boezemen mij weinig vertrouwen in, en zullen spoedig, wat zij weten, voor een weinig gouds aan den Henegouwer verklappen."

"De laatste weet niets: en wat den kokeler betreft, hij was een noodzakelijk werktuig; maar het heeft uitgediend en zal verbroken worden, eer het mij schaden kan."

"Die Walger, dien ik in de herberg van 't dorp heb gezien, weet ook meer dan noodig is....."

"Hij kent slechts den Ridder van den Rooden Adelaar, meer niets."

"De bedienden van het slot en de dorpelingen, die u hier zagen komen....."

"Er is hier geen vaste bediende, dan de oude Peter, die u inliet:--en van dien heb ik geen verraad te vreezen. De dorpelingen weten niets meer dan mijn eigene knapen, die mij voor een vazal van 't Bisdom aanzien. Zoo ik aan mijn broeder Robbert, die in mijn afwezendheid mijn zaakgelastigde was, niet had moeten schrijven, en door hem den gang der zaken besturen, en zoo een gelukkig toeval mij niet te Haarlem in broeder Syard mijn ouden leidsman door de Friesche kloosters had doen ontmoeten, zou mijn geheim slechts bij twee lieden berusten."

"Maar zoo de Hollanders dit grensslot bestormen en u vangen?"

"Ook denk ik hier niet te blijven. Ik ga naar Utrecht en zal daar onbekend den loop der zaken afwachten."

"Of wellicht," zeide de monnik, de wenkbrauwen samentrekkende, "zal de Ridder van den Rooden Arend voor den Bisschop van Utrecht zijn leven wagen."

De Bisschop glimlachte; en zonder deze aanmerking te beantwoorden, schoof hij zijn stoel naderbij:--"En nu, Pater!" zeide hij, "nu heb ik u al mijn vertrouwen geschonken. Gij kent mijn inzichten, wilt gij die bevorderlijk zijn? Wilt gij medewerken aan het groote doel, om al de landen, welke om de Zuiderzee liggen, aan het gezag des Bisdoms te onderwerpen?"

"Nog eens," antwoordde de monnik, "aan het kerkelijk gezag ja;--geenszins aan het wereldlijk beheer."

"Gij wilt dan zelfs mijn bondgenoot niet blijven?--Bedenk, dat ik u wederkeerig mijne hulp heb toegezegd, indien de Graaf u aanvalt."

"Onze wenschen en gebeden zullen voor u zijn," zeide de monnik: "verder vrees ik, dat gij weinig in Friesland verkrijgen zult, althans zooals gij bedoelt."

"Denk nog dezen nacht over mijn voorstel na. Wellicht zijt gij morgen vroeg tot andere gedachten gekomen."

"Morgen met den dag moet ik weder vertrekken," zeide de monnik: "een der oogmerken mijner komst was vrijgeleide door het Sticht te verzoeken voor mij en voor een reisgenoot, aan mijn opzicht toevertrouwd; doch daar gij niet bekend wilt zijn...."

"Ik zie u morgen weer," zeide de Bisschop, op een koelen toont: en meteen van zijn zetel oprijzende, blies hij op een zilveren fluitje, dat hem om den hals hing, waarop weldra de oude Peter, dezelfde man, die den monnik had bovengebracht, zich aan den ingang der zaal vertoonde.

"Geleid dien man weer buiten," zeide de Bisschop: "en laat alles verder wel gesloten blijven."

Dit bevel geuit hebbende, groette hij den monnik met een minzame beweging der hand, en ging wederom zitten, terwijl vader Syard, na een stijve buiging, het vertrek verliet, en zijn geleider volgde, die hem buiten het kasteel voerde.

Het was in een weinig tevreden stemming, dat de monnik de terugreis deed. Het gesprek met den Bisschop had hem geene dier uitkomsten opgeleverd, waarmede hij zich gevleid had: in plaats van stellige hulp en bondgenootschap, had hij zelfs geene onvoorwaardelijke beloften ontvangen: en verre van den Bisschop naar zijne hand te doen loopen, had hij moeten ondervinden, dat Jan van Arkel zich sterk of wijs genoeg waande om zijn eigen weg te gaan zonder zich veel om de Friezen te bekreunen, welke hij zelf tot afval genoopt had. De monnik zag nu duidelijk in, dat de Bisschop, hoe loszinnig en wispelturig ook, hem nog te fijn was geweest: en hij gevoelde denzelfden wrevel, welke een bekwamen en oplettenden schaakspeler zou bevangen, die zich overwonnen zag door een weerpartij, welke slechts ternauwernood een oog op het spel geworpen en achteloos daarheen gespeeld had. Wij moeten intusschen aan vader Syard het recht doen wedervaren, dat, hoewel gekwetste eigenliefde het hare toebracht om hem in een kwade luim te brengen, zijn ontevredenheid echter nog een andere, meer edele oorzaak had. Hij had namelijk, steunende op des Bisschops vroegere toezegging, een verbond tusschen het Sticht en Friesland als een zekere zaak beschouwd, en daarom ook geoordeeld dat het oogenblik voor de Friezen gekomen was om het Grafelijke juk af te schudden: en hij zag met schrik de gevolgen in van een vredebreuk met Holland, indien de Bisschop niet verkoos gezamenlijk met hen en openlijk te handelen. Hij doorzag spoedig, dat, zoo de Graaf zijn wapenen eerst tegen het Sticht wendde, hem daarna het ten onder brengen van het door binnenlandsche partijen verdeelde Friesland te gemakkelijker vallen zou. Alleen troostte hem nog de hoop, dat de Bisschop, eerlang door de omstandigheden gedrongen het masker af te lichten, hem die volmacht zou schenken, welke hij noodig oordeelde om met gepaste klem in Friesland te kunnen spreken en aldaar dien invloed uit te oefenen, welken hij, tot herstel des vredes van binnen en tot afwering des vijands van buiten, begreep te moeten aanwenden.

Onder deze gepeinzen trad hij de herberg binnen. Het was reeds volkomen duister geworden: het voorhuis was ledig en verlaten, 't geen hem te meer genoegen deed, dewijl hij daaruit opmaakte, dat zich de luidruchtige gasten ter ruste hadden begeven. Bovendien ontving hij van de dienstmaagd de geruststellende verzekering, dat Madzy boven in diepe sluimering lag, waarop hij zich zonder verdere woordenwisseling naar den stal begaf. Na zich verzekerd te hebben, dat de beide paarden goed verzorgd waren, strekte hij zich ter ruste neder op het stroo, dat hem in een hoek van den stal bereid was: maar de bekommernissen, welke zijn gemoed vervulden, lieten hem niet toe, vroeger dan tegen het aanbreken van den dag het oog te luiken.

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Soete meysken, dat verslagen Dus beroyt loopt en ontkleet, Ick moet v hier eenmael vragen, Wat is de oorsaeck van v leet? Meysken segt my toch de reden, Wie ghy syt en hoe ghy heet.

D. Pietersz. Pers.

De vermoeienissen van den vorigen dag hadden vader Syard, toen deze eindelijk ingesluimerd was, in zulk een vasten slaap gestort, dat hij niet, gelijk hij gehoopt had, met het aanbreken van den dag, maar zelfs later dan gewoonlijk ontwaakte, en bij zijn komst buiten de deur met schrik ontwaarde, dat de zon hooger dan naar gewoonte aan den hemel stond, en dat hij het uur reeds had laten voorbijgaan, waarop hij zijn vertrek met Madzy bepaald had. Hij haastte zich dus naar het voorhuis, alwaar hij de waardin opzocht en haar verzocht, de jonge deerne, die met hem gekomen was, te laten roepen.

"Denkt gij ons weer te verlaten, huisman?" vroeg de waardin, zonder zich nog gereed te maken aan zijn verzoek te voldoen.

"Wij moeten vertrekken," antwoordde hij, "en wij zouden reeds een paar uren onderweg zijn geweest, indien de stalknechts mij tijdig hadden gewekt, gelijk ik uitdrukkelijk verzocht had!"

"Ja! wat zal ik u zeggen, huisman!" zeide de waardin: "'t zijn luie vlegels, en zij zijn vroegtijdig naar het land geweest om de paarden op te halen; want God weet het, als de oorlog begint, zooals men vreest, dan zal er binnen weinige dagen geen ezelsvolen meer op het veld zijn, of het is goede prijs. Ik ben ondertusschen maar blij dat die paardendief van gisteravond voor dag en voor dauw weer vertrokken is: hij zag mij er net naar uit om haantje de voorste te spelen, als 't op plunderen zou aankomen."

"Dat kan wel zijn, moeder!" zeide de monnik; "maar wees nu zoo goed, en ga mijn nicht waarschuwen, dat zij zich gereedmake."

"Ik ga al," zeide de waardin: "zij zal nog wel in een zoete rust liggen; want de jongelieden zijn doorgaans lui en lekker: hei! ho! toen ik op haar jaren was, hield ik er ook van, mij in de veeren nog eens om te draaien, maar als men eens een arme weeuw is en de zorg heeft voor een herberg, waar dag en nacht volk aankomt, dan verleert men het lange slapen wel."

Dit zeggende trok zij naar boven; maar zij was ternauwernood vertrokken, of vader Syard hoorde een angstig gegil en zag haar terstond daarna terugkomen, het gelaat geheel verward en verwilderd.

"Goede hemel! wat is er gebeurd?" vroeg de bezorgde monnik: "is u eenig leed overkomen?"

"Een priester! een priester!" schreeuwde de beangste vrouw: "de Booze zelf ligt in eigen persoon in 't bed van uw nicht."

"Vrouw!" riep de monnik, haar met geweld bij den arm grijpende: "wat durft gij zeggen? Wat beduidt dit?"

"Ik zeg u, dat de Booze haar den hals heeft omgedraaid en in hare plaats in bed is gaan liggen."

"Vrouw!" herhaalde de monnik, met een wilden blik: en hij zelf holde de trap op, die naar het kamertje geleidde.

Aan de deur gekomen van het slaapvertrek hield hij echter een oogenblik stand. Een gemoedsbezwaar overviel hem. Ofschoon meer verlicht en minder bijgeloovig dan de groote menigte, betwijfelde de monnik zoomin als iemand uit die eeuw het bestaan van booze geesten en van de macht, die zij over de menschen uitoefenden; integendeel was dit een geloofsartikel, hetwelk hij niet slechts zelf moest aannemen, maar ook aan anderen onderwijzen en inprenten. Hij was tevens wel gerust, dat de duivel niet machtig was te kampen tegen al, wie hem met geestelijke wapenen bestreed; maar de gedachte kwam pijlsnel bij hem op, dat hij, door zich in een wereldlijk gewaad te steken, als het ware afstand gedaan had van die overmacht, welke zijn stand hem op al de geesten der onderwereld geschonken had. Hij werd echter opgebeurd door de troostende bemoediging des Apostels: "weerstaat den duivel, en hij zal van u vlieden:" en onder het uiten van een "Domine! libera nos!" trad hij het slaapkamertje binnen en stapte met mannenmoed naar de bedstede toe.

Bij den eersten aanblik echter, dien hij daarop geworpen had, rilde hem een kille huivering door de leden; want hij zag tot zijn ontzetting, dat werkelijk de plaats, waar Madzy gelegen had, was ingenomen door een ander wezen, waarvan alleen de wanstaltige ruige kop uit de dekens te voorschijn kwam. Was dit nu de Booze?--Zulks was hem nog niet terstond duidelijk; maar hij achtte het betamelijk zich daarvan te verzekeren: hij vermande zich, en toen hij, genaderd zijnde, het dek opsloeg, sprong het wangedrocht als uit den slaap op en vertoonde hem den duivel, zoo het al een duivel was, in de gedaante van meester Cezar, den aap van Barbanera. Vol gramschap greep hij het verschrikte dier in den nek en kwam er de kamer weer mede uit.

Aan de benedentrap ontmoette hij de kasteleines, haar dienstmaagd, de beide inmiddels van 't werk gekeerde stalknechts en den hansworst, allen geknield en ijverig bezig hun pater nosters te zeggen en kruisen te slaan. "Hier is uw duivel!" riep de monnik: "maar waar is nu de Jonkvrouw gebleven?"

"Cezar!" riep de hansworst, opspringende: "wel mannetje! waar heb je gezeten?"

De aap, zijn meester ziende, ontwrong zich aan den monnik en sprong vroolijk in de armen, welke zich openden tot zijn ontvangst.

"Vrouw!" vervolgde de monnik, terwijl hij met vlammende oogen naar de waardin toetrad: "waar is de jonkvrouw gebleven, die ik aan uwe bescherming heb toevertrouwd?"

"Wat Jonkvrouw!" zeide de waardin, opstaande, en nog altijd onthutst en verschrikt: "meent gij de deerne, die met u kwam! Mijn lieve God! wie weet het?"

"O! ik ben een ellendeling, een ongelukkige," riep vader Syard, zich voor het hoofd slaande, "ik ben den slechten herder, den huurling gelijk, die zijn schapen verlaat; de wolf is gekomen en heeft het lam medegenomen."

"Nu!" zeide de kasteleines: "indien het lammetje weg is, is zij met haar eigen wil vertrokken. Wie weet of zij niet op het pad is achter den Jonkman, die zoo straks van hier gegaan is met den ouden kokeler?"

"Die zijn naar het slot gegaan," zeide Daamke: "en zullen straks keeren."

"Ei kom!" zeide de dienstmaagd: "het lieve schaap zal een morgenwandeling doen en wel zoo aanstonds weer hier zijn."

"Heeft zij haar goed bovengelaten?" vroeg de kasteleines.

Allen snelden de trappen op; maar bij onderzoek bleek het, dat Madzy in haar onderkleederen moest vertrokken zijn, want haar kap, haar schoenen en haar mantel lagen nog ter plaatse, waar zij die bij het te bed gaan had neergelegd.

"'t Is onbegrijpelijk," zeide de monnik: "en echter! maar al te waar;--doch ik ga niet van hier voor zij teruggevonden is."

"Zie dien ouden uil eens," zeide de nar, "die zich verbeeldt, dat een jonge knappe meid geen beteren reisgenoot krijgen kan dan hem: en voorwaar zij is vrijwillig opgedrost, want, ik heb den man met den zwarten mantel, die gisteravond op de bank lag te ronken, straks aan meester Barbanera hooren zeggen, dat hem, juist toen hij zich te bed wilde begeven, een wit spook was voorbijgesneld, dat hij echter niet goed onderkennen kon, omdat hij de lamp in handen had."

"Schurk!" zeide de monnik: "de Jonkvrouw is geene nachtwandelaarster."

"Of de dame, die gij met u hadt, eene Jonkvrouw was, weet ik niet," hernam Daamke, "maar dat zij in den nacht wandelt, is zeker: want Ridder Reinout, of hoe hij heeten mag, heeft duidelijk een vrouwspersoon de kamer zien overloopen, en toen hij haar volgde, is zij als een gejaagde kat de deur uitgeloopen en heeft die achter zich dichtgeslagen."

"Ridder Reinout!--Ha! nu ontwikkelt zich het geval!" riep de monnik: "was die vreemdeling Ridder Reinout van Verona?.... Zoekt overal, vrienden! er is goud te verdienen voor hem, die haar weervindt!"

"Bij mijn zolen," zeide Daamke, hem naoogende: "de rook verraadt het vuur; het balken den ezel, de kuch den grijskop;--maar een mooie meid, die zich schuil wil houden, wordt zoo gemakkelijk niet teruggevonden."

Niettegenstaande deze weinig hoopgevende spreuk van den hansworst stonden de beide boerenknechts, verlokt door het uitzicht op gewin, gereed om de voortvluchtige te gaan opzoeken en beraadslaagden reeds onderling, welken weg zij in zouden slaan, toen zich van de zijde van Utrecht een verward gedruisch liet hooren en men weldra een talrijke bende, uit ruiters en voetknechten samengesteld, het dorp zag intrekken.

"Daar is het lieve leven al gaande," riep de kasteleines: "de Stichtsche benden komen dorp en slot bezetten, en wij zullen den oorlog uit de eerste hand hebben."

Zij bedroog zich niet: althans wat de eerste helft van haar verzekering betrof: spoedig stonden de gewapenden op het plein geschaard; een aantal hoplieden trok in de herberg; en bij de onvermijdelijke drukte en bediening, welke deze nieuwe gasten veroorzaakten, waren vader Syard en zijne nasporingen spoedig vergeten.

Wij zullen intusschen onzen waarden lezer, die waarschijnlijk omtrent het lot van het lieve meisje eenigszins bekommerd wezen zal, de opheldering geven van haar plotsling verdwijnen.

Madzy had zich, gelijk wij gezien hebben, dadelijk na het vertrek der waardin ter ruste begeven en was, niettegenstaande het rumoer in het onderhuis, spoedig ingesluimerd. Haar slaap was echter geenszins van dien verkwikkenden aard, waarop haar jeugd, haar gezond gestel en de vermoeienissen van den dag haar aanspraak gaven. 't Zij, dat die vermoeienissen te groot waren geweest, 't zij, dat de gebeurtenissen der verloopen week, en vooral het schriktooneel van den vorigen dag haar te sterk voor den geest zweefden, 't zij, dat een ongesteldheid haar overvallen had, 't zij dat al deze oorzaken gezamenlijk op haar werkten, haar slaap was onrustig en afgebroken: droomen en nachtgezichten vervulden haar verbeelding en deden haar gedurig met schrik en siddering ontwaken.

Eindelijk droomde zij, dat zij zich op de Zuiderzee bevond, in een klein vaartuig, hetwelk alle moeite deed om de kust van Friesland, welke zij voor zich zag, te bereiken, maar gedurig door de golven weer terug werd geslagen. De manschap van dat scheepje bestond alleen uit edele Ridders, in vollen wapendos, maar hun harnassen waren verroest, hun pluimen hingen verflenst van den helmkam af en hun wapenrokken waren gescheurd en druipende van het zeewater, dat gestadig over het dek sloeg:--en wat het ijselijkste was, achter elk helmvizier grijnsde haar een vervaarlijk doodshoofd tegen, en onder de harnassen hoorde men het gerammel van dorre beenderen. De Graaf van Holland alleen was onder die menigte kenbaar: blootshoofds stond hij aan het roer; maar zijn gelaat was nog afschuwelijker om te aanschouwen dan het ontvleesde geraamte der overige schepelingen. Geene kleur, geene beweging bezielde meer het aangezicht, de haren waren aan het hoofd ontvallen en ontelbare merkteekens van nog versche wonden doorkruisten het in alle richtingen; maar het oog bleef, starend en als verglaasd, onafgebroken op de kust gevestigd. En daar, aan die kust, liet zich een niet minder akelig tooneel aanschouwen. Een lange sleep van monniken, aangevoerd door vader Syard, geleidde, onder het zingen der psalmen voor de afgestorvenen, een doodbaar naar het klooster van Sint-Odulf en in die doodbaar, (dit gevoelde Madzy door die innerlijke bewustheid, welke ons in droomen eigen is, en ons als door ingeving datgene weten doet, hetwelk voor het vleeschelijke oog onzichtbaar is,) was het lijk van Deodaat vervat. De abt sloot den trein, en toen de deuren van het kerkgewelf achter hem waren toegeslagen, kwam de oude man alleen naar het strand en, staande op het Roode Klif, herhaalde hij op een sleependen toon de voorspelling betreffende de Roos van Dekama. Onder het opzeggen dier rijmen begonnen zijn gelaatstrekken te veranderen: de blozende wangen vielen in: het blanke vel des paters werd bruin en vaal van kleur: de ronde buik kromp in: en in de plaats van den gezonden vader Volkert zag Madzy een afschuwelijke gedaante, gelijk aan die, onder welke men den boozen geest afschildert, welke haar tandenknersende van den rand der vensterbank begluurde.

Zij wreef zich de oogen uit: het was geen droom: die gedaante zat daar, deed een sprong, en was naast haar bedstede.

Met een gesmoorden gil vloog zij haar legerstede uit, haar kamer en de trap af: zij opende een deur: eene nieuwe stof tot ontsteltenis: daar stond de moordenaar van Deodaat, of zijn schim, midden in het vertrek.

Het arme meisje sprong terug, naar beneden: dan, o God! die zoo gevreesde Reinout volgde haar: zij stoof de huisdeur uit, ijlde zonder te weten waarom of waarheen, de eerste laan de beste in: hare knieën ontgaven haar: haar krachten waren bezweken: een dikke sluier viel voor haar oogen: het bewustzijn ontweek haar: en zij zeeg bezwijmd op het vochtige gras neder.

Wij moeten haar voor een korte poos onzes ondanks in dien bedroefden toestand laten, om ons naar den Bisschop van Utrecht te begeven.

Deze was spoedig na het gesprek met den monnik zijn slaapstede gaan opzoeken, mede slecht tevreden over den uitslag van het onderhoud. Zijn doel toch was, gelijk ons gebleken is, niet slechts om het Bisschoppelijk gezag in Utrecht onafhankelijk te maken van allen vreemden invloed, maar ook om dat gezag over de naburige gewesten uit te breiden: hij had zich gevleid, in vader Syard een bekwamen en behulpzamen handlanger te zullen vinden; maar 't bleek hem thans genoeg, hoe weinig deze genegen was, de Friezen aan te sporen, om het eene juk met het andere te verwisselen: ja, hij zag in, hoe weinig hem het bondgenootschap met Friesland zou baten zelfs in het bestrijden van den Graaf. De teerling was echter geworpen, en Arkel behoefde geen groot waarzegger te zijn, om niet te voorzien, dat de Graaf weldra in het Sticht zoude vallen met een legermacht, welke zoowel de krijgsroem van Willem IV als de ingeschapen naijver der Hollanders tegen de Stichtenaars talrijk en ontzaglijk zou maken. "Mits slechts de adel zich goed houde," zeide Arkel bij zich zelven: "de burgerij van Utrecht zal zich wakker genoeg betoonen: en een stad als deze is niet in een paar dagen te overrompelen. Zij slechts de overwinning betwist, ziedaar al wat ik verlang! Maar Friesland moet een wending geven aan de wapenen der Hollanders.--Mocht ik slechts dien Adeelen nog eenmaal spreken: hij is eerzuchtig en heeft invloed bij de Friezen:--hij zou mij meer dienst doen dan die monnik, wien ik ter kwader ure mijn vertrouwen heb geschonken en die het nu wellicht zijn plicht acht, zijn landgenooten tegen mijne bedoelingen te waarschuwen. Hij zal niet naar Friesland keeren, zoo ik het verhoeden kan:--hij is te gevaarlijk:--ook die Barbanera!--ik vrees, dat hij reeds geklapt heeft. Welnu, ik moet mij van hem ontslaan."

Met dit besluit begaf hij zich ter ruste; en daar hij tot die gelukkige menschen behoorde, die alle wereldsche zorgen uit het hoofd kunnen zetten, zoodra zij de veeren ruiken, was hij dadelijk ingeslapen. Hij had echter gelast dat men hem met den dag zou wekken; want hij vermoedde, dat er volk uit Utrecht komen zou, en hij wilde op hunne komst zijn voorbereid. Hij was dan ook reeds, zoodra de zonnestralen de daken van het slot vergulden, in de cel, waar hem vader Syard gevonden had, teruggekeerd.

Hij opende het raam: de frissche morgenlucht verkwikte hem: er was een weinig regen gevallen, en van grasplanten en struiken steeg een balsemende geur naar boven: vroolijk zongen de vogels hun morgenlied en loeide het vee in de weide. Hij sloeg thans echter minder acht op het bevallige schouwspel der ontwakende natuur; want zijn gedachten waren geheel verdiept in de berekening der versterking, waarvoor het slot vatbaar was, en van den tijd, welken de vijand zou moeten besteden om het te bemachtigen.

"De boel is in een verwaarloosden toestand," dacht hij, "maar de grachten zijn breed en diep: en de wallen stevig genoeg om den stormram te tarten. Met vijftig man, wèl voorzien van wapenen en eetwaren, kan men het drie weken uithouden tegen vijf duizend:--en zoowel langs den heirweg als langs de rivier allen toevoer beletten. Het buitenpoortje zal nog wat versterkt, en die boompjes aan de overzijde moeten gekapt worden; daar achter kan zich een gansche bende verbergen en veilig de wallen beschieten.... maar ik geloof dat er reeds een vijand achter loert.... is dat niet een menschelijke gedaante, die daar in het gras ligt?--Deze of gene arme landlooper zonder huisvesting, of een dronkaard, die de kroeg wat spade verlaten heeft;--maar neen!" riep hij uit, bij nadere beschouwing een klein voetje bemerkende, dat over het pad lag, en een lange haarvlecht, die donker afstak tegen de witte kleeding: "dat alles behoort aan een vrouw, misschien wel aan een jonge en schoone vrouw? Hoe komt die hier blootgesteld aan nachtlucht en regen?"

Zijn nieuwsgierigheid was opgewekt, en, voegen wij er dit tot zijne eer bij, ook zijn medelijden:--hij riep zijn getrouwen Peter, en ging met dezen buiten het slot.

Weldra was hij ter plaatse gekomen, waar hij het voorwerp van zijn aandacht had bespeurd: en hij ontdekte terstond, dat hij welgedaan had met zich zonder verwijl derwaarts te begeven; want een jong meisje, schoon als de dag, maar nauwelijks gedekt en bleek als een doode, lag daar uitgestrekt in het vochtige gras: en ofschoon het flauw en pijnlijk zwoegen van haar boezem aanduidde dat zij nog leefde, een langer verblijf op die koude en vochtige plaats had haar doodelijk kunnen zijn.

Bij den eersten opslag meende Arkel, dat hem die trekken bekend voorkwamen; maar daar hij Madzy slechts eenmaal, op het steekspel, en wel in haar schitterenden dos gezien had, herkende hij haar niet, ja was hij er verre af van te vermoeden, dat het bleeke boerinnetje, wier hoofd thans op zijn knie leunde, de Roos van Dekama kon zijn. Hij tilde haar behoedzaam van den grond, droeg zijn lieven last binnen het slot en legde dien, bij gebrek van andere gelegenheid, op zijn legerstede, nadat de oude Peter, door hem vooruitgezonden, die met versch linnen had voorzien. Het was eerst daar, dat Madzy, die tot dien tijd buiten kennis gebleven was en slechts eenige flauwe en onverstaanbare klanken had geuit, het eerste teeken van bewustheid gaf, na eenige teugen te hebben genomen uit een beker met wijn en water, welken Arkel haar met de trouwhartigheid eener oude baker had aan den mond gebracht.

"Waar ben ik?" zeide zij, de blauwe oogen opslaande en vervaard om zich heen ziende.

"Vrees niets, lieve kleine!" zeide Arkel: "maar drink liever nog eens: gij hebt het koud gekregen daar in 't natte gras: dek u maar goed toe en het zal wel beter worden."

"Neen, neen," zeide Madzy, den arm des jongelings afwerende, en pogende op te staan: "hier blijf ik niet?--Waar ben ik toch?--Wie heeft mij hier gebracht?--Waar is vader Syard?"

"Vader Syard!" herhaalde de Bisschop: "ja waarlijk! dat meisje spreekt den Frieschen tongval!--Aha!" dacht hij bij zich zelven: "voert de vrome pater zulk gezelschap tot zijn opbeuring mede?--Lief meisje!" vervolgde hij overluid: "gij behoeft ons niet te vreezen: wij hebben het beter met u voor dan vader Syard, of wie het ook zij; want zonder ons zoudt gij nog in het vochtige gras liggen, waar wij u gevonden hebben."

"Het is dan waar," zeide zij, met wilde blikken in het rond ziende: "ik heb het dan niet gedroomd?--O wat heb ik arm meisje gedaan?--het was ijselijk!--de booze zelf!.... en Reinout!.... maar breng mij toch terug bij.... om Gods wil! zend naar de herberg.... daar is mijn oom.... hij zal ongerust over mij wezen.... zend naar hem.... ik zal u wel beloonen."

"Uw oom!" herhaalde Arkel: "zooeven noemdet gij vader Syard: is die uw oom?"

"Noemde ik....? ach God! ik weet niet wien ik noemde.... ik ben ongelukkig;--maar zend naar de herberg.... de waardin weet het.... Waar ben ik toch? O wee!"

"Ik zal aan uw verzoek voldoen," zeide de Bisschop, haar met een vriendelijken blik aanschouwende: "ik zal uw oom gerust doen stellen:--intusschen, dek u warm toe en drink nog eens;--want waarlijk, het is om de koorts te krijgen, zoo een geheelen nacht daar buiten te liggen."

"Ach! ik moet u zeer schuldig en dwaas voorkomen.--Maar God weet het, toen ik den moordenaar zag, was het mij of ik.... o God!"

Hier verborg zij snikkend haar hoofd in 't kussen en begon over al haar leden te beven.

"Ik zal uw boodschap laten doen," zeide Arkel: "stel u gerust, maar wees van uw kant een weinig vertrouwelijk. Zeg mij, wie zijt gij?"

"Mijn oom zal u alles zeggen," hernam de ongelukkige Madzy. "O! laat hem toch weten...."

Hier belette haar een nieuwe aanval van beving voort te gaan en Arkel, zelf met haar verlegen, verwijderde zich met den ouden slotbewaarder uit het vertrek. In de groote bovenzaal gekomen, ging hij aan het raam staan en begon, de armen over elkaar geslagen en het hoofd hangende, te overpeinzen wat er te doen stond, en hoe hij best zou handelen. Dit stond echter bij hem vast, dat hij vooreerst niet voldoen zou aan het verlangen van de schoone onbekende, en noch haar oom, noch de kasteleines uit den Roerdomp zou laten halen; want de bekoorlijkheden zijner gevangene hadden te veel indruk op hem gemaakt, dan dat hij er aan kon denken, haar weer uit zijn macht te laten gaan; even zoomin als de vos om het konijn te laten ontsnappen, dat in het hol van Reynaert een schuilplaats gezocht zou hebben. Het zal bij onze lezers wellicht verwondering baren, dat Jan van Arkel, op een oogenblik, waarin hij hoofd en handen vol had met de hooge staatsaangelegenheden, waarin hij gewikkeld was, en nu hij door gevaren van allerlei aard bedreigd werd, zich nieuwe zorgen op den hals verkoos te laden, door een minnenhandel, welke zijn toestand nog neteliger maken moest;--ja sommigen zullen wellicht denken, dat hij los genoeg was om zijn hooge ontwerpen aan een paar schoone oogen op te offeren; maar hier was de Bisschop de man niet naar; en voor hem was een liefdesavontuur als dit niet meer dan een verpoozing, dienstig om er voor eenige oogenblikken van zwaardere werkzaamheden bij uit te rusten: en de moeilijkheden daaraan verbonden, lichte bezwaren, welker wegruiming hij slechts als een spel beschouwde. Bovendien bestond er nooit iemand, minder zwaartillend dan hij: en bij het bejagen zijner inzichten steunde hij altijd op het medewerken der omstandigheden, welke hij, alsnog in de jaren der hoop zijnde, zich niet slechts gunstig afschilderde, maar ook doorgaans met een behendigheid, den grootsten staatkundige waardig, te zijnen voordeele wist aan te grijpen. Zoo plaatste hij nu voor een wijl al zijn staatzuchtige plannen op den achtergrond, om alleen te denken over de wijze, waarop hij het lieve meisje, dat hem door de goede fortuin in handen gespeeld was, in zijn macht behouden zou. Dat hij een geestelijke en wel een kerkvoogd was, wien het betaamde, zijn kudde met een goed voorbeeld voor te gaan, en dat een betrekking tusschen hem en een jonge deerne even onwettig als onbetamelijk was, dit waren bedenkingen, welke in het minste niet bij hem opkwamen: de gelofte van kuischheid was een dier verbintenissen, wier overtreding bij den toenmaligen zedelijken toestand der geestelijkheid het minste geteld, en, voegen wij er bij, wier overtreding het minst berispt werd; ja het was geen ongewone zaak, prelaten te zien, die erkende minnaressen en erkende basterds hadden en toch daarom niets minder geacht en gezien werden. Daarbij dient in aanmerking te worden genomen, dat Jan van Arkel nog jong en in de kracht van zijn leven was: dat hij, schoon tot den geestelijken stand opgeleid, echter altijd smaak had blijven voeden voor ridderavonturen: en eindelijk, dat hij een groot gedeelte van zijn leven reizende en buiten alle betrekking had doorgebracht: en het zal niemand verwonderen, dat de mijter en kromstaf zich niet als terugschrikkende teekens tusschen hem en de beeltenis der schoone Friezin kwamen plaatsen.

"Peter!" zeide hij eindelijk tegen zijn getrouwen dienstman: "gij hebt gehoord wat die deerne gevraagd heeft?"

De oude man vergenoegde zich met een stijven hoofdknik.

"Ik ben overtuigd, Peter! dat dit maar ijdele praatjes zijn, om ons om den tuin te leiden. Gij hebt ook wel opgemerkt, dat zij stamelde, en zich meer dan eens versprak?"

Peter bevestigde deze aanmerking op dezelfde wijze.

"Welnu! gij weet ook, van welk belang het is, dat niemand ons hier zie, dan die hier noodig heeft: en zoo wij aan de herberg de komst van dat meisje ruchtbaar maakten, hadden wij hier weldra het bezoek van al de oude wijven en leegloopers uit het dorp te wachten: en wij zouden ons niet slechts aan ontdekking, maar ook aan bespotting blootstellen."

Het droog gelaat des slotbewaarders nam de scheeve uitdrukking aan van iemand, die door zijn betrekking gedwongen is hetgeen men hem opdringt voor goede munt aan te nemen; doch die wel wil te kennen geven, dat hij zich niet om den tuin laat leiden. Arkel hield zich, of hij dit niet bemerkte en ging op denzelfden koelen toon voort:

"Het zou echter strijdig met alle menschelijkheid zijn, dat arme meisje, 't welk hard ziek schijnt en misschien wel in de hersenen gekrenkt is, de deur uit te zetten; en het zal daarom nuttig zijn, het oogenblik af te wachten, dat zij wat kalmer en bedaarder is, om haar te ondervragen, en zoodoende achter de waarheid te komen; ten einde te ontdekken, hoe wij met haar handelen moeten."--Hier zweeg hij; Peter zag hem met een open mond aan; alsof hij zeggen wilde: "is dit alles wat gij mij hebt te zeggen?"--Maar de Bisschop had zijn welsprekendheid alleen gelucht om hem van de wijs te helpen en te paaien met een schijnbare reden, waarom hij niet aan het verzoek van Madzy voldeed.

"Ga eens zien!" zeide Arkel na eenige oogenblikken zwijgens, "of de oude draagstoel nog bruikbaar is: het kan zijn dat wij dien noodig hebben."

Peter ging na een nieuwe hoofdbuiging de kamer uit: en Arkel, op deze wijze een lastigen getuige verwijderd hebbende, begaf zich weder naar het slaapvertrek. Zijn logeergast echter niet door een onverhoedsche verschijning willende verschrikken, tikte hij zachtjes aan de deur. Geen antwoord ontvangende, herhaalde hij het geklop eenigszins harder; maar wederom zonder vrucht.

"Ik ben wel dwaas," zeide hij bij zich zelven, "zoovele plichtplegingen te maken jegens een boerinnetje, dat mij wellicht niet eens dank zal wijten voor mijn bescheidenheid."

Met deze gedachten opende hij de deur en wendde het oog naar het bed: dit was ledig, en Arkel stond niet weinig verwonderd, toen hij Madzy in een hoek zag zitten, bleek als een doek, en gewikkeld in de beddelakens.

"Nader mij niet," zeide zij, bevende en klappertandende: "ik ken u niet: ik weet niet of uw bedoelingen eerlijk zijn."

"Stel u gerust, lief kind!" zeide Arkel: "het zou schandelijk zijn, indien ik misbruik maakte van uw ziekelijken en hulpeloozen toestand. Ik heb naar het dorp gezonden, gelijk gij mij verzocht hadt, en ik ben bereid u alle diensten te bewijzen, die gij noodig mocht hebben: maar nogmaals, veroorloof mij, uw vertrouwen af te vergen. Gij schijnt geene landloopster te zijn; en echter heb ik u, slechts halfgekleed, en stijf van koude, op den weg vinden liggen, als iemand die geen nachtverblijf had."

Madzy begon op deze vraag nog harder te beven; maar na een teug water genomen te hebben uit een nevens haar staanden beker, herstelde zij zich een weinig en antwoordde:

"Ik mag mij aan niemand vertrouwen, tenzij ik wete aan wien. Kwel mij niet met vragen, bid ik u. Ik geloof dat uw bedoelingen goed zijn, doch ik mag waarlijk niets zeggen, zoolang mijn oom niet hier is."

"Is vader Syard uw oom? Gij hebt hem straks genoemd."

"Heb ik hem waarlijk genoemd?--Ach! ik heb de koorts: ik weet niet wat ik gezegd heb."

"Gij hebt hem genoemd," hernam Arkel, terwijl hij, de overmacht gevoelende, welke hem deze woorden gaven, aan Madzy ontsnapt, en den invloed niet willende verliezen, door deze omstandigheid verkregen, een doordringenden blik op haar vestigde; "en verschoon mij, dit doet mij aan uw oprechtheid twijfelen, vader Syard is mijn vriend: ik heb hem in de verleden week te Haarlem en gisteravond nog hier ter plaatse gesproken:--hij heeft mij niet verhaald, dat hij een nicht bij zich had."

Madzy zweeg en zag sidderend voor zich.

"Wel is waar," vervolgde de onbarmhartige Bisschop: "er waren te Haarlem twee meisjes in zijn gezelschap;--maar de eene was een adellijke Friezin, en de andere haar kamerjuffer.... Zoudt gij eene van beiden zijn?"

In den waan, dat de jongeling, die voor haar stond, wellicht een Stichtsch edelman, en haar van dienst kon zijn, begon Madzy over te hellen, om hem eenig vertrouwen te schenken; "ik weet," zeide zij, "dat vader Syard gisteravond ergens een bezoek wilde gaan afleggen;--waart gij de persoon, tot wien hij zich gewend had?"

"Wel waarschijnlijk," antwoordde Arkel.

"Welnu! nog eene vraag! gij hebt hem gesproken, zegt gij. Hoe was zijn gewaad?"

"Ik moet zeggen," zeide Arkel, die al meer en meer begon te bespeuren, dat hij geene gewone boerin voor zich had: "dat zijne vermomming hem meer veranderde dan de uwe, hoe vreemd die ook zij, u veranderen kan in de oogen van al, wie u eenmaal aanschouwd heeft."

"Welnu!" hernam Madzy: "indien gij hem zoowel kent, dan zal hij u ook wel mededeelen wie ik ben."

"Bij Sint-Maarten," zeide Arkel lachende, ofschoon half knorrig, dat de schoone hem met al haar onschuld nog te slim was: "men zegt wel met grond, dat hij, die een vrouw wil vangen, vroeg moet opstaan. Ik ben met den dag uit het bed geweest: en nog zijt gij mij te gauw. Welaan! ik zal dan eerbiedig wachten, dat het uur van vertrouwen geslagen zij. Ondertusschen, geloof mij, blijf niet in dien hoek zitten beven. Ga gerust in bed en tracht u te verwarmen: het doet mij in de ziel leed, dat hier geene vrouw is om u te verzorgen; maar daaraan is voor 't oogenblik niets te doen. Ik beloof u plechtig, dat niemand deze kamer zal binnentreden buiten uw verlof."

Met deze woorden maakte hij een koele buiging en wilde vertrekken; maar de zachte stem van Madzy deed hem aan de deur vertoeven.

"Ik geloof," zeide zij: "dat gij mij van ondankbaarheid beschuldigt. Misschien, ja waarschijnlijk, hebt gij mij het leven gered. Wanneer eens dat uur van vertrouwen, waar gij van spreekt, zal geslagen zijn, dan hoop ik u mijn erkentenis te betuigen op een wijze, uwer en mijner waardig."

Arkel verstond deze woorden slechts half; want hij stond opgetogen in verrukking over den engelachtigen glimlach, die er mede gepaard ging, over de bevallige uitdrukking van Madzy's gelaat, over de hemelschoone oogen, waaraan de koorts een buitengewone levendigheid bijzette, en welke zij, bespeurende met welk een vurigen blik hij naar aanstaarde, zedig neersloeg: en hij had wellicht het gesprek verder voortgezet, had niet het geluid van den hoorn aan de buitenpoort zijn opmerking getrokken. Hij stamelde eenige beloften van verontschuldiging, zeide dat wellicht haar oom daar zijn zoude, en vertrok, de deur weder zorgvuldig achter zich sluitende. Een oogenblik daarna kwam de oude Peter hem berichten, dat er een vreemdeling met een zwarten mantel voor de poort was, die hem verlangde te spreken.

"Ik wacht niemand meer.--Wie kan hij zijn? Wist hij het woord? zoo ja, laat hem dan bij mij;--maar wacht nog een oogenblik:--ik moet op allen overval verdacht zijn."

Dit zeggende haalde hij uit een koffer een mantel, een wassen neus en valschen baard, een samaar, in 't kort een geheel gewaad voor den dag, gelijk aan dat, hetwelk Barbanera droeg, wanneer hij zijn kunsten vertoonde en waarvan deze een dubbel stel had. Na deze plunje te hebben aangeschoten, gaf hij aan Peter vrijheid den vreemdeling binnen te laten, en plaatste hij zich aan zijn tafeltje in dier voege, dat hij geheel in de schaduw van het raamkozijn zat. Eenige oogenblikken daarna liet Peter Reinout de kamer in en vertrok weder. De Italiaan bleef eenigszins verrast aan de deur staan toen hij de gedaante zag van Barbanera, wien hij zooeven buiten het slot verlaten had. Zijn vermoedens, zoo hij er nog eenige had, waren geheel opgelost.

TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Het is een krijghmans beê: gy mooght die niet ontzeggen.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

"Deze vermomming zal u weinig baten, Heer Ridder! of wie gij wezen moogt," zeide Reinout op een schamperen toon: "het gewaad van den kokeler belet mij niet, mijn bestrijder op het steekspel te herkennen."

"Bij mijn zaligheid!" riep Arkel lachende, terwijl hij neus en baard afwierp: "gij zijt, geloof ik, de brave Ridder, die mij als een dief wilde laten vatten. Welaan! voor u althans zou ik mij schamen een vermomming aan te houden.--Misschien komt gij mij rekenschap vragen van mijn gedrag: en ik beken, dat ik u wat onbeleefd van 't paard gesmeten heb; maar, wat zal ik zeggen? gij drongt mij zoo nauw op 't lijf: en ik had gewichtige redenen om onbekend te blijven."

"De reden van mijn bezoek is tweevoudig," zeide Reinout "in de eerste plaats kom ik mijn paard terugeischen."

"Uw paard," zeide Arkel, eenigszins donker kijkende: "bij Sint-Maarten! ik heb het hoogst noodig: en ik heb het eerlijk aan den man betaald:--maar verder! wat begeert gij nog?"

"Omstandigheden, wier verhaal hier te lang zoude ophouden, hebben mij genoodzaakt, den dienst des Graven te verlaten. Ik wil mij onder de banieren der Stichtschen scharen.--Men heeft mij gezegd, dat gij mij daarin zoudt kunnen van dienst zijn."

"Ik! wie is de ekster, die dat geklapt heeft?" vroeg Arkel, met eenige drift.

"Iemand, die uw vertrouwen schijnt te bezitten, de kokeler Barbanera."

"Ziedaar een waardigen vertrouweling, dien gij mij toekent," zeide de Bisschop met bitterheid.

"Mij dunkt, het is zoo vreemd niet, daar gij beiden ééne kleerkas hebt," hernam Reinout meesmuilende.

"Wij zullen zien.--Heeft Barbanera u ook geleerd, op welke wijze men toegang bekomt tot dit slot?"

"Zoo is 't!--maar wees daarom niet ontevreden op een getrouwen dienaar: hij wist dat ik u spreken wilde: en hij gaf mij daarom de middelen aan de hand om u in stilte te spreken en een opschudding te vermijden, welke u onaangenaam ware geweest."

"En," vroeg de Bisschop, haastig: "heeft die getrouwe dienaar u nog meer verhaald?"

"Veel, wat mij zelven betreft: niets wat u aangaat."

"Zoo!--en uw naam....?"

"Was tot nog toe Rinaldo van Verona: welhaast hoop ik er een anderen te voeren."

"Inderdaad!--en gij wilt dienst nemen bij de Stichtschen?"

"Misschien!--dat zal van de voorwaarden afhangen."

"Gij verlaat den dienst van Graaf Willem, den meester aller soldaten," zeide Arkel, op een toon, die niet vrij was van spotternij: "om uw arm te leenen aan een hoop luie monniken en dikgebuikte schepenen?"

"Den Bisschop wil ik behulpzaam zijn."

"En weet gij, of de Bisschop, die in verre landen is, den gang der zaken goedkeurt?"

"Ik weet het," antwoordde Reinout, "zoo goed als iemand het weten kan, die het uit zijn eigen mond vernomen heeft."

Dit beweren kwam Arkel een weinig gewaagd voor; want hij herinnerde zich niet, ooit ergens dan op het steekspel van Reinout te hebben gezien of gehoord. Hij vergenoegde zich dus met op een koelen toon te zeggen: "gij kunt des Bisschops meening niet kennen: want ik heb goede redenen te gelooven, dat gij zijn persoon niet kent."

"Ik ken ten minste," zeide Reinout, hem scherp aanziende: "het hooge voorhoofd en den valkenblik der Arkels, 't zij een monnikskap, een ridderhelm of eene kwakzalversmuts die bedekke."

"Ongelukkige!" riep Arkel uit, de hand aan zijn dolk slaande: "gij kent den leeuw en gij durft u wagen in zijn hol?"

"En waarom niet, indien ik mij evenals hij voor de jagers verbergen moet?--maar steek vrij uw dolk op:--van mij hebt gij geen verraad te vreezen. Ik heb uw geheim bewaard, toen ik uw gesprek met den monnik van Sint-Odulf beluisterd had, ofschoon ik toen nog aan den Graaf getrouw was: en ik zal het thans niet verklappen, nu ik zijn dienst heb afgezworen."

"En wie waarborgt mij," vroeg Arkel, "dat gij niet morgen mijne zijde zult verlaten?"

"De Graaf begeert mijn hoofd. Waant gij, dat ik geneigd ben, hem dat te brengen?"

"Die lust moet dan spoedig bij hem zijn opgekomen; of gij hebt het erg verbruid; want eergisteren nog waart gij zijn getrouwe medekamper:.... maar zacht! waart gij het niet, die een anderen Ridder, uw boezemvriend, gelijk ik vernam, tot een strijd uitdaagde op leven en dood?"

Reinout verbleekte en beet op de lippen. "Hij was mijn boezemvriend," zeide hij met een weifelende stem: "maar het heeft zoo moeten zijn. Zie deze vlekken," vervolgde hij, zijn mouw toonende: "het is het bloed van Deodaat, mijn wapenbroeder."

"Ik hoop dat het in open kamp was," zeide Arkel: "intusschen, ik beklaag u beiden; zulk een overwinning moet even zwaar vallen als de nederlaag."

Op dit oogenblik trad, zeer gelukkig voor Reinout, de oude Peter binnen en meldde zachtjes den kokeler bij zijn meester aan.

"Ik zal bij hem komen," hernam de Bisschop: "welaan!" vervolgde hij tot Reinout: "uw mannelijke uitdaging heeft mij getoond, dat gij een rechtschapen Ridder zijt, en als zoodanig mijn vertrouwen waardig. De tijd spoedt voort: en ik heb nog veel te verrichten. Gij vergezelt mij nog heden naar Utrecht. Wij zullen onderweg ons gesprek vervolgen. Wees zoo goed, mij zoolang in de zaal te wachten."

Met het uiten dezer woorden vertrok hij, de deur zorgvuldig achter zich sluitende. "Ofschoon ik," zeide hij bij zich zelven, "veel vertrouwen stel in 's Ridders eerlijkheid, hecht ik nog grootere zekerheid aan een goeden sleutel.--Aha! meester Barbanera, loopt gij op deze wijze met mijn geheimen te koop? Bij Sint-Maarten! wij zullen zorgen, dat uw geklap niemand meer hindere."

Beneden aan de trap gekomen, vond hij Barbanera en wenkte dezen, hem in een zijvertrek te volgen.

"Hebt gij tijdingen?" vroeg hij hem, in zuiver Italiaansch: "dat gij ons zoo vroeg reeds de eer van uw bezoek verschaft?"

"Ik kwam de bevelen van uwe Hoogwaardigheid vernemen," zeide de kwakzalver: "en daar de Stichtsche benden hier weldra zijn zullen, achtte ik het plicht, dat intijds te doen."

"En was het ook plicht," vroeg Arkel, op een strengen toon: "onze geheimen toe te vertrouwen aan dien windbuil, die mij zooeven is komen opzoeken?"

"Ik heb hem niets toevertrouwd," zeide Barbanera: "hij wist reeds alles: en daar ik vreesde, dat hij babbelen mocht, achtte ik het voorzichtiger hem in uwe handen te leveren."

"Gij hadt mij ten minste kunnen waarschuwen," zeide Arkel: "maar hoe kent gij den knaap?"

"Ik ken hem beter, dan hij althans gisteren zich zelven nog kende: en dit is zeker, dat hij u van dienst kan zijn. Wat zoudt gij wel geven, Hoogwaardigste! om in Friesland een vermogenden vriend te bezitten, op wiens erkentenis gij zoudt kunnen staat maken?"

"Dit ware een goede aanwinst," zeide Arkel, "maar wat heeft dit met dien Reinout te maken? In welk verband...."

"Welnu!--Zoo die Reinout eens de zoon ware van den Heer van Aylva?"

"Welke zotte vertelsels zijn dat?--Die Ridder is een Italiaan, zooals gij....."

"Juist! van moederszijde; maar ik kan hem de bewijzen in handen leveren, dat hij de zoon des Frieschen Oldermans is:--wat dunkt u dat dit geheim waardig is?"

"Dat geheim is goud waardig," zeide de Bisschop: "hebt gij het hem reeds medegedeeld?"

"Zooveel als noodig was, ja;--maar u wil ik de bewijzen ter hand stellen, opdat gij er de vruchten van inoogst."

"Zeer onbaatzuchtig voorwaar!" zeide Arkel: "maar vermoedelijk wilt gij mij het geheim verkoopen, omdat Reinout de middelen niet bezit om het u te betalen?"

"Het ware zeker onbillijk," zeide Barbanera, "dat ik de tafel voor uwe Hoogwaardigheid bereidde, en geen kruimpje voor mij zelven overhield."

"Recht zoo, voortreffelijke Barbanera! dan, ik heb nog een dienst van u te vergen. Hierboven ligt een jong meisje, dat wellicht de hulp van een geneesheer noodig heeft."

"Is het garnizoen versterkt?" vroeg de kokeler, meesmuilende.

"Zwijg, en ga bij haar. Onderzoek eenvoudig, of zij ziek is, ja dan neen:--geene van uw kwakzalverskunsten. Zie slechts, of zij in staat is, de reis naar Utrecht te ondernemen."

Barbanera zweeg en volgde zijn meester tot voor het vertrek van Madzy. Deze, zich vleiende, vader Syard te zullen zien, haastte zich, den kokeler, toen deze aanklopte, te verzoeken van binnen te komen, maar zij zag verbaasd op, bij het beschouwen van een onbekend gelaat; want, gelijk men zich herinneren zal, zij had Barbanera nooit gezien dan aan Elskens ziekbed, waar hij zijn wassen neus voorhad.

"Lieve kind!" zeide de kokeler: "il signor castellano ebbe mij tot u gezonde. Hij is over la vostra sanitá bekommerd, en eef mij, il suo medico, verzocht u al die hulp toe te breng, welke la mia arte verschaffen kan a voi."

Zonder erg te denken, stak Madzy den geneesheer haar blanke hand toe en vroeg hem, wie de edele Burchtvoogd was, onder wiens dak zij zich bevond.

"Non lo sapete?" vroeg Barbanera: "bene! hij zal wil ebbe self il piacere van u bekend te maak met il suo nome.... ma per Dio!" riep hij uit, terwijl hij haar meer aandachtig beschouwde: "ikke u ook eb kezien, un' altra volta: ikke fraak moet: il signor castellano, wete hij, wie isse gij?"

"Wat meent gij?" vroeg Madzy, eenigszins onthutst: "ik versta u slechts half."

"Gij hebt la febbre, de koortse," zeide Barbanera, opstaande, en Madzy's hand latende varen: "maar vien dall' agitazione, dal freddo: niet is pericolòsa 'il viaggio non può farvi male."

Met deze geruststellende uitspraak rees hij op, en Madzy in onzekerheid latende, keerde hij bij zijn meester.

"Welnu?" vroeg deze: "is zij in staat een reis te doen?"

"Ja; maar zij heeft geen kleeren genoeg. Wil ik om de hare zenden?"

"Zoo dit ongemerkt geschieden kan, ware het niet kwaad; want ik vrees dat hier gebrek aan plunje is."

"Maar," hernam de kokeler: "kent uw Hoogwaardigste het meisje, dat daar in de kamer ligt?"

"Zoo ik mij niet bedrieg, is zij een Friezin, een nicht van pater Syard, of zoo iets."

"Alles behalve: het is een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize, de bruid van Seerp Van Adeelen, Madzy Dekama."

"Gij raaskalt. Hoe zou een Friesche Jonkvrouw van adellijken huize hier in 't gras komen te liggen?"

"Ik weet het niet. Zooveel is zeker, dat ik haar terstond herkend heb, en dat...."

Hier werd zijn rede gestoord door een herhaald hoorngeschal aan de buitenpoort.

"Daar schijnt haast bij te wezen," zeide Arkel, zich voor een kijkgat plaatsende, vanwaar men op den buitenmuur en op de laan zag: "bij alle duivels! daar is uw trouwe Hans, zoo rood als een kalkoensche haan, die ons zeker de komst der Stichtsche benden komt melden.... en ginds zie ik een paar wapenknechten de laan afkomen, zeker om bezit van het kasteel te nemen:.... en wat verder komt vader Syard in eigen persoon.... juist op gelijke afstanden, als de drie boden in de schilderij van den vromen Job. Ik had heden ten minste zes hoofden noodig;--maar alles met overleg! en wij zullen, den eenen voor, den anderen na, wel helpen. Ho! Peter! laat slechts één persoon te gelijk in!"

Peter, die aan de overzijde der valbrug stond, gehoorzaamde aan den gegeven last, en het poortje voor den hansworst openende, sloeg hij het weer dicht voor den neus der Stichtsche wapenknechten.

"Heer Ridder!" riep Daamke, zoodra hij Arkel zag (wiens waren naam hij niet kende): "daar zijn de Stichtenaars en komen het kasteel bezetten. Hun bevelhebber is, naar ik hoor, Wouter van IJselstein."

"Onbekend, Goddank!" zeide Arkel: "welk een slag van een man is hij?"

"Een jonge, ruwe gast, naar mij toeschijnt," antwoordde Daamke.

"Voortreffelijk! dan is er geen kwaad bij. Ga spoedig, met Barbanera, mijn twee dienaars roepen, en laten zij zich wapenen. Hei! Peter! ontsluit de poort voor de hoplui;--maar laat al wie verder komt tot nader order wachten."

De poort ging weder open, en Wouter van IJselstein trad met een ander hopman binnen. Peter geleidde hen met alle deftigheid naar het zij vertrekje, waar Arkel gezeten was.

"Zijt gij de slotbewaarder?--of welke betrekking vervult gij hier?" vroeg IJselstein op een hoogen toon aan den Bisschop.

"Met uw verlof", zeide Arkel, terwijl hij zonder op te staan, den vrager van 't hoofd tot de voeten beschouwde: "wie zijt gij zelf, die mij hier vragen komt doen?"

De bevelhebber scheen eenigszins verrast door deze fiere toespraak; gelijk het meer gebeurt aan lieden, die een hoogen toon voeren, wanneer zij iemand vinden, die hen staan durft. Hij geraakte verlegen, en zag zijn makker zijlings aan.

"Welnu!" vervolgde Arkel, die zich als een kind vermaakte met de bedremmelde houding des hopmans: "ben ik u geen antwoord waardig? komt gij hier alleen binnenstuiven om weer terug te keeren als een schaatsenrijder, die de baan ten einde gereden is?"

"Wij komen hier," antwoordde IJselstein, die zijn stoutmoedigheid had teruggevonden, "om het slot te bezetten in naam van het Bisdom van Utrecht."

"Ik ken hier niemand dat recht toe," antwoordde Arkel, "dan den Bisschop, mijnen Heer en den uwen. Hebt gij een lastbrief, door hem geteekend?"

"Vriend!" zeide IJselstein: "zoo gij een dienaar des Bisschops zijt, zult gij weten, dat hij bij zijn vertrek zijn gezag aan de Kapittels heeft overgedragen, uit welker naam ik spreek."

"De Kapittels mogen vrij over kerkelijke aangelegenheden beschikken," hernam Arkel, die er genoegen in vond, den hopman in de war te brengen, en tevens naricht zocht te bekomen omtrent sommige punten, waarin hij belang stelde: "maar zij hebben niets met des Bisschops bijzondere eigendommen te schaffen. Hier ben ik meester, tot zoolang zijn Hoogwaardigste terugkeert."

"Dit slot is gebouwd tot dekking der grenzen," zeide IJselstein: "en daar men eerstdaags oorlog met Holland verwacht, zoo heeft men begrepen, hier inlegering te zenden. Gaan de Kapittels hunne macht te buiten, zij mogen zulks aan den Bisschop verantwoorden: ik volg mijn last, en zal dit slot bezetten met mijn volk, zonder uw verlof te vragen."

"Vergeet niet," zeide Arkel, met een verachtelijken glimlach: "dat uw volk hier nog niet ingetrokken is. Voor 't oogenblik ben ik nog niet in uwe macht: gij zijt in de mijne."

IJselstein zag beurtelings den Bisschop en zijn makker aan. Men had hem binnen Utrecht verzekerd, dat er zich niemand op het slot bevond dan een oude dienaar: en hij stond verbaasd, een man te vinden, die als meester sprak.

"Hoe nu!" vervolgde Arkel, "zijt gij de brave borst, die dit kasteel tegen de Hollanders verdedigen moet? en de bloote stem van een wapenloozen man doet u beteuterd staan, ofschoon gij met u beiden, en in 't harnas zijt?"

"Mijn Heer! wie gij ook wezen moogt," zeide IJselstein, met fierheid: "weet, dat ik voor geen vijand sidder: en dat, zoo uwe woorden een beleediging insluiten, ik gereed ben, mij met u in besloten kamp te meten, waar gij goedvindt, alles ingevalle gij uit adellijk bloed gesproten zijt. Maar ik beken, ik sta versteld, hier iemand aan te treffen, die uit de hoogte tot ons spreken durft, en de macht der Kapittels in twijfel trekken."

"Zoo! nu spreekt gij als 't betaamt," zeide Arkel: "hoor! ik laat mij wel vinden. Dezen namiddag kunt gij met uw volk hier binnentrekken, want ik ben verantwoord, zoodra gij met overmacht aankomt; maar het moet mij vergund wezen, voor dien tijd mijn zaken behoorlijk in orde te brengen."

"Ik heb bevel," zeide IJselstein, "geen oogenblik te vertoeven met het bezetten van het kasteel."

"Zeer wel," hernam Arkel: "maar het schikt mij nu niet, het u terstond te leveren; gij kunt uw volk gaan halen; maar dan breek ik de bruggen af en gij komt er toch niet spoediger binnen. Stem dus liever goedschiks in mijn voorslag."

"Wie zijt gij toch?" vroeg IJselstein, hem met verbazing aanstarende.

"Wie ik ben doet niets ter zake. Neemt gij mijn voorslag aan, ja of neen?"

De beide hoplieden zagen elkander een poos besluiteloos aan, maar gaven eindelijk hun toestemming.

"'t Is wel, mijn makkers! Na den middag kunt gij hier vrij den meester komen spelen. Vaart nu wel.--Peter! leid die hoplieden uit en laat den huisman binnen, die aan de poort staat."

"Victorie!" riep hij Barbanera toe, die hem na het vertrek der hoplieden naderde: "had ik een greintje beleefdheid gehad, die gansche bende ware reeds op ons dak;--maar ik heb hem de tanden laten zien, en de wolf zal niet in de kooi komen, voor de schapen er uit zijn. Hoor eens, Barbanera! die vrome monnik daar komt zijn Friesche Jonkvrouw zoeken; maar ik heb andere voornemens met haar; ik zal hem met een kluitje in 't riet zenden: wacht gij hem af, wanneer hij zich verwijdert: beloof hem zijn Friezin terug en sluit hem onder 't een of ander voorwendsel in de kelders van het slot."

"Hoogwaardigste!" zeidede kokeler, verbaasd.

"Welnu! hebt gij mij niet verstaan? Vader Syard verraadt mij: en ik moet hem eenigen tijd afgezonderd houden;.... maar," voegde hij er bij, als bedacht hij zich: "waar zijn uw bewijzen, dat die Reinout de zoon is van den Heer van Aylva."

"Dat geheim is goud waard," zeide Barbanera: "en ik ben de eenige, die er van bewust is...."

"Welnu!" zeide Arkel, een goudbeurs uithalende: "haast u: er is weinig tijds over, en zoo ik thans het geheim niet weet, zal het mij niet baten."

"Ziehier," zeide de kokeler, de beurs aannemende, "den brief, waarmede Bianca di Salerno haar zoon aan Carlo della Scala vertrouwde:--en hier den ring, dien Aylva aan zijn echtgenoote schonk.--Het overige is Reinout bekend."

"'t Is wel," zeide Arkel, den ring en het geschrift bij zich stekende: "zeg nu aan Peter, dat hij den monnik binnenlaat."

Barbanera vertrok. "Sic vos non vobis!" dacht hij bij zich zelven: "de Bisschop zocht mij te verschalken en zelf den prijs voor het geheim in te oogsten; ik dorst hem de bewijsstukken niet weigeren:--hij had mij vermoord;--gelukkig heeft hij het beste stuk niet, morgen trek ik naar Den Haag, verhaal aan Graaf Willem, wat de vrome Jan van Arkel brouwt, ontvang een goede belooning, en zorg dat de Olderman daarna alleen door mij onderricht worde, wie zijn ware zoon is."

Met deze gedachten zette hij zich onder aan de trap, zich verheugende over de toekomstige belooningen, die hij verwachtte. De ongelukkige dacht weinig, dat zelfs het goud, zooeven ontvangen, hem van geen dienst meer zijn zoude.

"Welnu! mijn waarde Pater!" zeide Arkel, zoodra vader Syard in zijn tegenwoordigheid stond: "hebt gij al eens over mijn voorstellen nagedacht? Hoe nu! geen antwoord! wat is er gebeurd? Uw oogen staan zoo verwilderd: uw gelaat is bleek als dat van een doode."

"Hoogwaardigste!" zeide de monnik: "ik bevind mij in de uiterste verlegenheid. Ik had mij belast, om Jonkvrouw Madzy Dekama, welke de Graaf van Holland in het klooster te Rijnsburg wilde plaatsen, door het Sticht heen, naar Harderwijk te brengen, waar de Heer van Aylva haar wacht,.... en zij is dezen nacht uit de herberg verdwenen."

"Gij verwondert mij," zeide Arkel: "het was ook geene taak, passende aan een man van uwen stand en jaren, een jong meisje tot leidsman te strekken.--Maar wat kan ik daaraan doen?--ik ben geen omroeper."

"O, wees edelmoedig, Heer Bisschop! ik ben een ijdele dwaas geweest. Ik heb gesteund op eigen krachten en ben beschaamd gemaakt. Maar wees grootmoedig! Gelast dat men haar zoeke. Zij moet hier ergens schuilen."

"Mijn waarde Pater!" zeide Arkel op een deelnemenden toon: "ik ben hier geen meester. Wend u tot Wouter van IJselstein, die de Stichtsche benden aanvoert; klaag uw nood aan den Baljuw; dan hebt gij de burgerlijke en de gewapende macht op uwe hand."

"En gij, zijt gij niet de Heer, het hoofd van beiden?" zeide de monnik met waardigheid. "Eén woord van uw mond en ik kan vrucht van mijn nasporingen verwachten. Weigert gij mijn verzoek, dan stoot ik overal het hoofd."

"Gij zoudt dus verlangen, dat ik, om een weggeloopen deerne, mijn voornemen verzaakte en de vermomming afleidde, die ik zoo moeizaam bewaard heb?"

"Gij zult die toch niet lang meer kunnen bewaren; men is op het dorp reeds nieuwsgierig. Men wil weten, wie de vreemde Ridder is, die het slot betrokken heeft. Men voedt argwaan.... en al had men dien niet, uw eer, uw plicht gebieden...."

"Monnik!" zeide Arkel op een strengen toon: "wilt gij mij mijn plicht leeren?"

"Ja! dat moet ik, wanneer gij dien vergeet. Een kerk, als die van Utrecht, een welvarend land als het Sticht, moeten niet opgeofferd worden aan de dwaze grillen van ijdele staatzucht. Ik terg mogelijk uw gramschap; maar uw hart is te groot, te edel, om langer de rol vol te houden, die gij ter kwader ure gekozen hebt, die de omstandigheden voor een poos konden wettigen, maar die thans onbetamelijk, ja onstaatkundig wordt. Wees u zelf weer. Treed als een waardig kerkvoogd voor den dag en handel, gelijk het belang van de kerk en van den grond, dien gij beschermen moet, u gebieden."

"Wij spraken over het schoone Friezinnetje, dat gij met u voerdet," zeide Arkel op een ijskouden toon.

Vader Syard zag den Bisschop met zooveel ernst in de oogen dat deze, hoe hij ook altijd meester over zich zelven bleef, niet nalaten kon, die innige gewaarwording van onrust te gevoelen, welke den schuldige treft, wanneer hij den blik van een eerlijk man ontmoet. Hij begreep dus, het onderhoud te moeten afbreken, en zich in zijn zetel werpende: "Pater!" zeide hij: "ga uwe litaniën elders zingen: mijn tijd is te kostbaar om die aan te hooren."

"Gij hebt gelijk," zeide de monnik: "en elk oogenblik dat ik hier langer blijf is voor mij verloren. Heer Bisschop! vaarwel! ik ben slechts een arme monnik; maar God weet het, ik wilde niet met u ruilen."

Met deze woorden verliet hij het vertrek. Aan de benedentrap gekomen, hoorde hij zich op eens bij zijn naam noemen: hij wendde het gelaat om en zag onder een donker afschutsel iemand staan, die hem wenkte te naderen.

"Wat wilt gij? wie zijt gij?" sprak de monnik: "mijn oogenblikken zijn kostbaar."

"Piano! stille!" zeide Barbanera: "gij zoeke la Signora Dekama, isse so niete?"

"Hebt gij eenig naricht van haar?" vroeg de monnik, haastig naar hem toetredende.

"Zij isse hiere, nella potestà del signore Vescovo," hernam de Italiaan: "hij eeft aar doen wegpak."

"Die onverlaat! ik moet naar hem toe!"

"Piano dan! Silenzio! kom iere: ikke sal u brenk pij aar. Datemi la mano: is ier donkere."

Dit zeggende, trok hij den monnik met zich mede in den kelder, aan wiens ingang hij zich bevond.

"Blijf mij ier wakte," zeide hij: "ik zal kaan haal la Signora."

"Blijft er beiden wachten, tot het jongste bazuingeschal er u uitroept," zeide Arkel, die den monnik beneden gevolgd was: en hij sloeg de kerkerdeur met geweld dicht: "Ziezoo!" zeide hij: "daar zijn er ten minste twee, die mij vooreerst niet zullen hinderen."

Vervuld van deze geruststellende gedachte, stapte hij de donkere gang weder uit, en zag den hansworst, die onder de hand eens naar het dorp geweest was, met een pak onder den arm en meester Cezar op den schouder, over de brug aankomen.

"Nog een bondgenoot," dacht Arkel, "die uit den weg geruimd moet worden:--intusschen wil ik mij niet te ras van alle nutte werktuigen berooven. Die knaap weet niet wie ik ben; althans zoo Barbanera het hem niet verteld heeft.--In allen gevalle kan hij mij nog van dienst zijn. Ik geloof niet, dat hij verstand genoeg heeft om mij kwaad te doen.--Hola ho! meester Hans! wat brengt gij voor goeds?"

"Zoo ik niets goeds breng, breng ik althans goed," zeide Daamke: "meester Barbanera heeft mij ingefluisterd, dat ik ongemerkt de kleeren van die weggeloopen deerne moest buitmaken en hier brengen. Ik heb van de drukte, die er aan den Roerdomp is, gebruik gemaakt, en hier is de buidel."

"Voortreffelijk;--maar wat is dat juweel, hetwelk uw broeder in de hand houdt?"--Dit zeggende wees hij op een schitterend kleinood, daar Cezar mede speelde.

"Bij mijn zolen!" zeide de hansworst: "dat schijnt wat fraais. Hier Cezar! voor den dag er mede."

Maar de aap scheen niet genegen, zijn buit aan zijn meester af te staan. Hij schudde den kop, zag Arkel en Daamke beurtelings grijnzende aan, klemde het kleinood tegen de borst en poogde te ontsnappen. Eindelijk werden zijn beide tegenpartijders het pronkstuk meester, en nu zag Arkel duidelijk, dat het een gouden haarnaald was van een kunstig maaksel, waaraan een kostbare parel hing.

"Hoe komt het juweel in de handen van dat dier?" vroeg Arkel met bevreemding.

"Vermoedelijk heeft hij het buitgemaakt in het vertrek, waar de Jonkvrouw geslapen heeft, die hedenmorgen verdwenen is."

Een snel denkbeeld, hetwelk hij terstond met welgevallen aangreep, kwam den Bisschop als een lichtstraal voor den geest. "Dit juweel," zeide hij, "kan mij van dienst zijn! Hier meester Daamke! neem het terug, bestijg uw ezel, rijd naar Harderwijk:--daar zult gij de Friesche afgevaardigden vinden, wachtende op de Jonkvrouw en op vader Syard. Verhaal hun, dat beiden in handen van den Graaf zijn gevallen, dat gij dit gezien hebt, dat zij met u gesproken heeft, u verzocht heeft, dit aan haar naastbestaanden te melden, en u dit juweel ter belooning geschonken heeft: zeg hun, dat zij hen smeekt, haar hoon te wreken. Ga! een treffelijk loon wacht u, indien gij mijn bevel met beleid en spoed ten uitvoer brengt."

"Maar," zeide de hansworst, hem met wijdopgespalkte oogen aanziende: "'t is met dat al immers niet waar?"

"Om 't even," antwoordde de Bisschop: "wat gaat u dat aan? Is uw geheele leven niet een logen? Liegt gij niet op alle markten en kermissen, dat de steenen er van zweeten?"

"Nu ja," zeide Daamke: "dat brengt mijn beroep mede en ieder gelooft er het zijne van; maar of nu dat Friesche volkje zich door een praatje om den tuin zal laten leiden, dat is nog de vraag: en die Seerp Van Adeelen draagt een broodmes op zijde, waar ik ongaarne kennis mee zou maken."

"Zot! zij zullen uw verhaal evengoed slikken als de zoete koek, die zij bij de kaas gebruiken. Het staat aan u, uw verhaal met zulke versieringen te omkleeden, dat zij u wel zullen moeten gelooven. Ik heb u immers meer gehoord en weet, hoe geestig gij een vertelling weet op te smukken."

Niemand is er op aarde, hetzij dan vorst of hansworst, of hij is gevoelig voor vleierij: en Daamkes eigenliefde vond zich dan ook door Arkels laatste woorden zoodanig gestreeld, dat hij de hem opgedragen boodschap aannam en zich verwijderde.

De Bisschop, na alvorens eenige woorden met den getrouwen Peter te hebben gewisseld, betreffende de wijze, waarop deze de gevangenen moest behandelen, begaf zich naar het vertrek van Madzy, die zich opnieuw in haar verwachting teleurgesteld vond, toen zij, in stede van den monnik, haar gastheer terugzag, wiens koel en ernstig wezen weinig goeds beloofde.

"Meisje!" zeide hij, op een langzamen, indrukwekkenden toon: "ik heb naar de herberg gezonden: maar men weet daar evenmin als hier, waar de man gebleven is, dien gij zegt, dat u vergezelde. De kasteleines kan niets tot uw voor- of nadeel getuigen: zij beklaagt zich alleen, dat gij bij nacht en ontijde haar huis verlaten hebt. Hier zijn uw kleederen, welke zij u terugzendt."

Met deze woorden overhandigde hij haar het pakje, dat Daamke had medegebracht.

"Helaas!" zuchtte Madzy, met angstig handenwringen: "moet ik dan zoo miskend worden? o! ik smeek u, edele Heer! laat mij van hier gaan. Mijn paard staat aan de herberg: ik zal een wegwijzer nemen--maar ik moet weg:--mijn maagschap zal ongerust over mij wezen."

"Gij zult gaan waarheen gij wilt," zeide Arkel op een onverschilligen toon: "doch alleen laat ik u niet vertrekken. Het dorp is bezet en de weg vol krijgsvolk: een reis door het Sticht zou, voor een meisje alleen, gevaarlijk zijn. Gij zijt bovendien ongesteld en de arts verbiedt alle zware beweging. Maar ik heb u een anderen voorslag te doen. Het is mijn voornemen van hier te gaan; en zoo onze wegen niet te ver uit elkaar loopen, wil ik u gaarne naar het doel uwer reis voeren: een gemakkelijke draagstoel is tot uw dienst: en zoo gij niet gezien wilt wezen, zal u ook daartoe de gelegenheid verschaft worden."

Madzy zag Arkel aan, terwijl hij sprak, als wilde zij in het binnenste zijner ziel lezen. Zijn woorden schenen verstandig: zijn aanbod was, in de omstandigheden, waarin zij verkeerde, hoogst aannemelijk: zij had des te minder aanleiding hem te mistrouwen, wegens de koele beleefdheid waarmede hij haar behandelde: en toch lag er in zijn toon en houding iets opgesloten, dat haar, zij wist zelve niet waarom, onwillekeurig huiveren deed. Zoo zeker is het, dat het bedrog, hoe listig het ook achter het masker der waarheid schuilen moge, altijd een kleur behouden blijft, welke heenschijnt door het vernis, waarmede het omtogen is, moeilijk te verbergen is voor het oog der rechtschapenheid, en evenmin kan weggenomen worden als de lucht der verdorven spijs, hoe ook met specerijen vermengd.

Arkel bemerkte den twijfel, welke Madzy omtrent de oprechtheid zijner bedoelingen scheen te koesteren. "Misschien," zeide hij, "vreest gij u aan het geleide toe te vertrouwen van iemand, die u nog onbekend is. Gij zijt meesteres van te handelen zooals gij begeert. De hemel beware mij, uw vrijheid in 't minst te belemmeren. Zoo gij het verlangt, zal een mijner dienaars u naar het dorp terugvoeren: maar ik herhaal u, gij zult het vol krijgslieden vinden. Wat meer zegt, eer een paar uur verloopen zijn, zal ook dit kasteel bezet worden. Zoo gij daarentegen in mijnen voorslag stemt, zult gij de bescherming genieten van den Ridder met den Rooden Adelaar, wiens wapenfeiten op het steekspel te Haarlem u misschien ter oore zijn gekomen."

"Hoe!" zeide Madzy, verrast: "zijt gij die Ridder, door wien Reinout van Verona van 't paard geworpen werd en die...."

Hier zweeg zij eensklaps; want zij voelde dat zij zich versproken had, en, zich de beschuldiging van paardendieverij herinnerende, vreesde zij te veel gezegd te hebben.

"Die ben ik," zeide Arkel: "en gij, zijt gij niet de edele Jonkvrouwe van Dekama, wier weergade niet gevonden werd onder al de schoonen, die op het feest aanwezig waren?"

Madzy verbleekte. "Ridder!" zeide zij: "gij hebt mij herkend; o! bij al wat heilig is, maak geen misbruik van hetgeen u een toeval heeft doen weten."

"Kon men u miskennen, na u eenmaal gezien te hebben?" zeide Arkel, den hoffelijken toon hernemende: "wel is waar; ik wilde in den aanvang mijn oogen niet gelooven; want ik kon niet beseffen, hoe de schoone erfdochter van Dekama in boerengewaad op den gemeenen weg zou liggen."

"Ik reken," zeide Madzy, "dat ik het aan mijn eer verplicht ben, u de omstandigheden te verhalen, welke aanleiding gegeven hebben tot mijn komst in dit kasteel."

Hierop gaf zij hem een beknopt verslag van de redenen, die haar genoopt hadden in vermomming het Sticht te doorreizen, en van hetgeen haar in 't holle van den nacht de herberg had doen ontvluchten. Arkel wist de verschijning van den boozen geest, dien zij waande gezien te hebben, niet anders dan aan een spel van haar verbeelding toe te schrijven; maar des te beter kon hij haar ontmoeting met Reinout oplossen. Hij verzweeg haar echter de aan wezigheid van dezen laatste op het slot, maar wist door een paar vragen behendig uit te vorschen, om welke redenen die Ridder des Graven dienst verlaten had.

"Het komt mij vreemd voor," zeide hij eindelijk, "dat uw geleider zoo spoedig verdwenen is. Het zou mij, uit de gansche toedracht der zaken, niet bevreemden, indien hij voornemens was geweest, u aan uwe vijanden over te leveren. Intusschen was het misschien uw geluk, dat u hier gevoerd heeft: onder mijn geleide zult gij veilig kunnen reizen en welhaast in de armen uwer vrienden de ongemakken der reis vergeten.--Voor 't oogenblik zal ik u verlaten en u gelegenheid geven u te kleeden: zoo gij inmiddels iets noodig hebt, gelief slechts op den vloer te stampen en men zal zich gereedmaken om aan uw wenschen te voldoen."--Met deze woorden nam hij zijn afscheid.

"Ik heb haar!" zeide Arkel verheugd, tot zich zelven, zoodra hij de kamer verlaten had. "Het vinkje heeft lang om de baan heen en weer gefladderd; maar het is eindelijk onder het net gekomen en ik heb slechts toe te halen. Bij mijn zaligheid! Ik heb vandaag heet werk gehad! In twee uren tijds en zonder helpers den hoofdman eener bende verschalkt: Syard en Barbanera hunne geheimen onttroggeld en die twee listige en gevaarlijke vertrouwelingen opgesloten: een hansworst van de hand gezonden om Friesland in rep en roer te brengen: een adellijke Jonkvrouw geknipt--en een Ridder bovendien:--bij Sint-Maarten! dien had ik bijna vergeten! het wordt tijd, dat ik hem uit zijn gevangenis verlosse! hij zal zeker reeds toornig wezen over mijn verwijl."

DRIE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

LODEWIJK. Gy zult Baron zijn, Jan!

Langendijk. Het wederzijds huwlijksbedrog.

Het was gelijk Arkel gedacht had. Reinout, onverduldig geworden van niemand te zien komen, en wanende dat men hem gevangen wilde houden, was juist bezig, met zijn dolk de kracht van het deurslot te beproeven, toen hij zijn gastheer hoorde aankomen en dezen terstond daarna over zich zag staan.

"Ik heb u wat laten wachten," zei de Arkel, op dien hoffelijken maar koelen toon, waartegen alle toorn af komt stuiten, evenals een afgeschoten pijl over de oppervlakte van het ijs heenglijdt: "vergeef mij: ik heb veel en zwaar werk bij de hand gehad. Op den weg zal ik u alles verhalen. Indien ik tot op dit oogenblik misschien wat te erg den meester jegens u gespeeld heb, zoo staat het aan u thans de rollen te veranderen. Van stonden aan zult gij Heer, en ik slechts uw schildknaap zijn. Gij zult uw paard terugbekomen: en daarbij, indien gij ze uwer niet onwaardig acht, de wapenrusting van den Ridder van den Adelaar. Deze vermomming kan u van dienst zijn; want ook in 't Sticht zoudt gij lieden kunnen vinden, die den moord van Deodaat zouden wenschen te wreken."

Reinout stond verzet: "den moord!" herhaalde hij: "wie heeft u sedert ons gesprek met de omstandigheden...."

"Om 't even," zeide de Bisschop; "dat alles zal zich wel ophelderen. Onderweg ben ik tot uw dienst om den tijd met mededeelingen over en weder te korten: voor 't oogenblik zullen wij den innerlijken mensch gedenken; want na al wat ik verricht heb, roept mijn maag mij toe, dat het tijd is te rampeneeren. Hei ho! Peter!"

Peter kwam binnen met de dienaars van Arkel, die, na een tafel uit het celletje in de zaal te hebben geschoven, eenige spijzen opdischten, waaruit een verkwikkende geur opsteeg, welke de zinnen des Bisschops liefelijk scheen aan te doen.

"Kom!" zeide hij: "neem plaats, Heer Ridder! en zet alle grillen uit uw hoofd. Peter! is de draagstoel gereed?"

"Ik heb het paard van de deerne uit de herberg laten komen en er voorgespannen," zeide de trouwe dienaar.

"Voortreffelijk!--komaan, wakkere Ridder! laat het hoofd niet hangen; maar proef liever eens van dezen wijn: het is geen lacryma Christi, gelijk men in uw vaderland drinkt, noch Sint-Jans-wijn, gelijk men op de feesten te Haarlem dronk, noch van het roode druivensap, dat te Avignon op de tafel des Heiligen Vaders prijkt; maar eenvoudig Bleeker van de vruchtbare velden, die door vader Rijn besproeid worden. Hij is er echter niet te minder om, nu hij eenige jaren in de kelders van dit oude kraaiennest gelegen heeft; en wanneer gij in Utrecht zijn zult, hoop ik u beter te onthalen: ik heb er nog Kamerijks bier liggen: en dat, weet gij, is het puik van alle bieren. Wees heil! heer Ridder! dit gaat u voor! op onze goede reis, en den gelukkigen uitslag onzer wenschen."

Reinout beantwoordde den hem toegebrachten dronk; maar de sombere gedachten, welke zijn ziel vervulden, hadden hem in een stille afgetrokkenheid doen vervallen. Het was hem onmogelijk te deelen in de vroolijke luim des Bisschops, die, met een levendige gemakkelijkheid, welke Reinout in andere oogenblikken met bewondering zou hebben beschouwd, zijn post van gastheer vervulde, uit elke spijs of drank, die hun voorgediend werd, gepaste stof ontleende tot een geestig betoog, waarin hij zijn fijne proef als lekkerbek en zijn begaafdheden als man van de wereld ten toon spreidde. Wie hem gezien had, zooals hij op de netste en volmaakste wijze een duif opsneed en toebereidde, en wie hem tevens had hooren redeneeren over ringduiven en pauwstaartjes, gekapte nonnen en brievendragers en allerlei andere soorten van duiven, en over de wijze van die te stoven met eieren en citroen, of op te vullen met zoete melk, zes dooren van eieren en sjalotten en pieterselie quantum sufficit, of over de wijze, waarop het half doorgespouwd beestje, dat hij in de hand hield, op de reis bewaard was gebleven, in een oud charter, met boter wel gesmeerd, door middel eener voorafgemaakte omwenteling in fijngehakte ajuin, peper en zout, en het daarna braden van alles te zamen op een rooster, zou weinig gedacht hebben, dat diezelfde man, die geheel was overgegeven aan het genot van een goed gebraad, en zijn buik tot zijn afgod verkoren scheen te hebben, een oogenblik te voren in een maalstroom was rondgesleept van hooge staatkundige plannen en inzichten en van kleine en verwarde verwikkelingen van allerlei aard. 't Is omdat Arkel een van die gelukkige (?) egoïsten was, wier hart altijd in rust blijft, hoe werkzaam ook hun brein moge wezen: die alleen voor zich zelven levende, hun gevoel verhard hebben tegen alle indrukselen van buiten, en zich van lieverlede de kunst hebben eigen gemaakt om alle onaangename denkbeelden en lastige zorgen te verbannen, van elke omstandigheid des levens slechts die zijde aan te grijpen, welke hun het aangenaamste toeschijnt, en daardoor nimmer dulden, dat het genot van het oogenblik vergald worde door pijnlijke herinnering aan het verledene of zorg voor de toekomst.

Welke voorstelling men zich wijders, uit het vroeger verhaalde, van het karakter des Bisschops moge vormen, dit is zeker, dat de tijd, waarin hij leefde, en de omstandigheden, waarin hij zich geplaatst vond, veel toebrachten om hem daden te doen bedrijven, welke, ja, terecht als misdadig beschouwd, maar, naar den zedelijken maatstaf van zijne eeuw beoordeeld, meer verschoonbaar kunnen gerekend worden. Jan van Arkel was een dier menschen, die zich op de wereld als bij wijze van uitzondering vertoonen, met alle begaafdheden toegerust, maar met een hart vol onverzadelijke en nimmer rustende begeerten: een dier gevaarlijke wezens, die door een eeuwige behoefte aan werkzame beweging worden verslonden: die op de gewone stervelingen met een glimlach van verachting nederzien en niet tevreden zijn met een dagelijksche bestemming: een dier genieën, die door de nakomelingschap somtijds vervloekt, maar door den dichter en den wijsgeer beschouwd worden met diezelfde bewondering, waarmede zij een onrustbarend gesternte aan de bogen des hemels gadeslaan. Reeds in zijn eerste jeugd bezat hij de stoutmoedige onbeschroomdheid van een meer gevorderden leeftijd: zijn moed was even onbetwijfelbaar als zijn eerzucht onbepaald, zijn brein even vernuftig en vruchtbaar in uitkomsten als zijn manieren hoffelijk en bevallig waren. Hij verstond evenzeer de kunst om zich door een aangenamen omgang bemind te maken bij hen die hij noodig had, als om zijn vijanden onder de geweldige wapenen der bespotting te verpletteren. Hij was vasthoudend in al wat hij ondernam, en nimmer af te brengen van een eenmaal gevormd besluit; maar daar die vaste wil, om zijn zin te doen, zich dikwijls ook in kleine en onbelangrijke voorwerpen vertoonde, nam die, door een zonderlinge tegenstrijdigheid, niet zelden den schijn van loszinnigheid aan en bracht hem in ongelegenheden, waaronder een ander bezweken en de fabel van het algemeen zou geworden zijn; maar waarin hij slechts een gelegenheid meer vond, om zijn onuitputtelijk vernuft, en zijn behendigheid in het partij trekken van elke omstandigheid, te doen schitteren. Zoo hij echter dat vernuft hoofdzakelijk tot duistere kuiperijen en staatslisten aanwendde, en zoo zijn hart, dat van nature open en edel was, zich reeds spoedig met een driedubbele ijskorst omschorste, dit moet, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, hoofdzakelijk aan de omstandigheden worden toegeschreven. In een anderen tijd geboren, had hij, naar zijn keuze, òf in de rij der beroemdste helden òf aan de zijde der volkomenste staatslieden een eervolle plaats kunnen bekleeden; maar in zijn eeuw mocht het hem niet vergund zijn, openlijk naar den oorlogsroem te dingen; en was de staatkunde nog niet, als later, eene eerverschaffende wetenschap.

Hij was tot den geestelijken stand gedrongen geweest, terwijl zijn neigingen als kind reeds naar den wapenhandel helden; zijn onrustige geest had hem in het stille klooster niet toegelaten zich te vergenoegen met het betrachten der eentonige en weinig beduidende werkzaamheden aan zijn betrekking verbonden: eenmaal zich in den stand geplaatst ziende, waartoe vaderlijke dwang hem verwezen had, nam hij voor, zich daarin een naam te maken:--niet zoozeer nog uit eerzucht, als wel om zich te ontslaan van hetgeen hem het onverdraaglijkste van alles was, de afhankelijkheid van anderen. Hij had daarom ook zijn ledige uren nuttig besteed: en het was aan iemand als hij, die met een gelukkig geheugen, een scherpzinnig oordeel en een vasten wil begaafd was, niet ongemakkelijk gevallen, om het spoedig door ijver en studie zooverre te brengen, dat zijn tijdgenooten hem als een wonder beschouwden, en de ergernis over 't hoofd zagen, veeltijds door hem gegeven, wanneer hij, als zich daartoe de gelegenheid aanbood, of gedurende de dagen dat hij zijn ouders bezocht, in de ridderspelen zijner broeders en van andere jeugdige edellieden deelde:--uitspanningen, welke hij verschoonde, door aan te voeren, dat zij voor zijn gezondheid, die van 't letterblokken kwijnde, noodzakelijk waren. Naarmate hij echter in jaren vorderde, werden dergelijke oefeningen, welke men in den beginne door de vingeren gezien had, gestrenger berispt en hem eindelijk door den Prior van zijn klooster volstrekt verboden. De jongeling kon geen dwang verdragen, en meer dan eens ontstond bij hem de lust om den monnikskap weg te smijten en alleen met lans en zwaard de wereld in te gaan. Hij was echter nu eenmaal aan het gemakkelijke kloosterleven gewend, en wanneer hij de voordeelen, aan den geestelijken stand verknocht, overwoog, maakte hij de slotsom op, dat hij te veel zou opofferen om dien te verlaten en als dolend Ridder honger te lijden. Het viel hem echter zwaar om aan zijn geliefkoosde uitspanningen vaarwel te zeggen;--en nu vormde hij het besluit om zich oogenschijnlijk naar den wil zijns kloostervoogds te schikken, maar in 't geheim te doen wat hij verkoos: in 't kort, hij veinsde, alle wereldsche gedachten te laten varen en zette zich met meer ijver dan ooit aan zijn studiën; maar dikwijls, terwijl een ieder hem in zijn cel waande, verdiept in afgetrokken bespiegelingen, of ter bedevaart naar deze of gene heilige stad, was hij, vermomd of onder een valschen naam, bij jachten of ridderspelen tegenwoordig en deelde in een vermaak, dat hem te meer smaakte omdat het verboden was.

Eindelijk bereikte hij het doel van zijn verlangen, en de invloed van Graaf Willem bracht hem op den Bisschoppelijken zetel; maar hoe groot was zijn teleurstelling, toen hij ontdekte, dat hij bestemd werd, om ook daar niet zijn eigen meester, maar de speelpop eens anderen te worden. Dit verdroot hem: en hij besloot zich ook van deze afhankelijkheid te ontslaan. Zijn handelingen als Bisschop, vroeger door ons verhaald, getuigden, hoezeer hem dit voornemen ernst was en met welk een vastberadenheid hij dit wist door te zetten. Het Sticht bewonderde een kerkvoogd, die, reeds op zulk een jeugdigen leeftijd, met zulk een ijver de belangen van het Bisdom wist te behartigen, en aller harten waren met smart vervuld, toen hij zijn grootsch opzet bekroonde door zijn vrijwillige ballingschap naar Frankrijk. Wat hem betrof, hij had een driedubbel oogmerk bereikt; hij had de harten der zijnen gewonnen: hij had het Sticht onafhankelijk gemaakt van vreemden invloed: en hij vond zich in een vreemd gewest, vrij en onbelemmerd als de vogel in de lucht, op een plaats, waar niemand zijn gangen bespiedde en waar hij zich dus kon overgeven aan al de genoegens, waarvoor zijn boezem blaakte. Maar, te midden dier vermakelijkheden, ontving hij van zijn broeder en vertrouweling de tijding, dat Graaf Willem zijn verloren invloed in het Sticht op alle wijzen zocht te herwinnen. Het was toen dat de wijdluchtige plannen, welke wij hem hoofdzakelijk aan vader Syard hebben hooren mededeelen, in zijn brein tot rijpheid kwamen. Het begon hem nu ook te vervelen, op steekspelen lauweren in te oogsten, welke hem geene eer aanbrachten, vermits zijn naam onbekend bleef: en de stem der staatzucht verdrong eindelijk alle andere neigingen uit zijn borst. Ten einde den staat van zaken beter te leeren kennen, vertrok hij in stilte uit Grenoble en maakte, gelijk wij gezien hebben, zijn aankomst in Holland slechts aan weinigen bekend. Het steekspel te Haarlem was voor hem nog een beproeving, aan welke hij geen weerstand kon bieden en die bijna zijn geheele plan van onbekend te blijven had in duigen geworpen. Echter was het hem in zooverre voordeelig geweest, doordien het hem in kennis gebracht had met Reinout, van welken hij zich nu hoopte te zullen bedienen als van een nuttig werktuig, dat hij naar zijn verkiezing kon gebruiken of vernielen:--vernielen, ja; want gelijk wij uit zijn handelwijze met vader Syard en Barbanera gezien hebben, aarzelde hij niet, tot bereiking van zijn doel, die middelen aan te wenden, welke de zedekunde verwierp, maar die gepredikt worden door de noodzakelijkheid, welke hij, met vele staatslieden ook van latere dagen, als de bestierder onzer daden eerbiedigde.

Men vergeve ons deze uitweiding, die zeker lang genoeg is om onzen dischgenooten de gelegenheid te hebben gegeven hun maal te eindigen; na welks afloop Arkel eensklaps een verhandeling over de onderscheidene kersensoorten afbrak met aan de dienaars last te geven om de wapenrustingen te halen. Men gehoorzaamde: en nu gespte de Bisschop zelf Reinout het harnas aan, en zette hem den helm op 't hoofd met den rooden Arend, welken hij zelf op het steekspel gedragen had: terwijl hij zich vergenoegde met de nederige rusting van een eenvoudigen schildknaap.

Nauwelijks waren zij ten volle gewapend, toen zich trompetgeschal liet hooren, en Peter het bericht kwam brengen, dat Wouter van IJselstein met zijn bende voor de poort stond.

"Dat is een vierde uurs vroeger dan de afspraak was," zeide Arkel: "zij zullen niet binnenkomen voor het oogenblik, dat ik bepaald heb."

Dit zeggende ging hij de zaal uit en begaf zich naar het verblijf van Madzy, die, nu geheel gekleed, hem zat te wachten.

"Ik hoop, dat het u aan niets ontbroken heeft," zeide hij, de oogen slaande op een schotel, welken de voor alles zorgende Peter haar gebracht had, en die nog onaangeroerd was.

Madzy verzekerde hem, dat men haar met alle mogelijke voorkomendheid bediend had, doch dat zij niet in staat was geweest, iets te nuttigen.

"Gij hebt kunnen hooren," hernam Arkel, "dat de Stichtsche bende voor de poort staat. Een draagstoel is gereed voor u en gij kunt voor ieder onbekend blijven.... indien gij namelijk het besluit genomen hebt, van met ons te vertrekken."

Dit zeggende, bood hij haar de hand aan om haar de deur uit te brengen.

"Ridder!" zeide zij, terwijl hare oogen een zoo edele uitdrukking aannamen, dat de hardvochtige Arkel een onrustige beweging in de borst gevoelde: "ik vertrouw mij aan uwe rechtschapenheid. Het zou schandelijk van u zijn, indien gij mij misleidet."

Na het uiten dezer woorden, welke de Bisschop slechts met een hoofdbuiging beantwoordde, legde zij hare hand in de zijne en, zich het gelaat met haar kaper bedekkende, vergezelde zij haar geleider.

Intusschen waren Wouter van IJselstein en de zijnen ongeduldig geworden: en de eerstgemelde, wanende dat men hem misleid had, begon met zijn strijdbijl op de buitenpoort te rammelen, toen Arkel, die Madzy in haar draagstoel gebracht had, zich aan de binnendeur vertoonde.

"Met uw verlof, vrome Heeren!" riep hij hun toe: "breekt gij nu reeds de poorten af, om aan de Hollanders, wanneer zij komen zullen, een vrijen en onbelemmerden intocht te verschaffen?"

"Wij hadden verwacht die open te vinden," zeide Wouter brommende: "en het was onze afspraak...."

"Dat gij na éénen zoudt binnengelaten worden," zeide Arkel: "en indien gij uwe oogen gelieft te slaan op den zonnewijzer, die daarginds tegen den toren gespijkerd is, zult gij zien, dat ik mijn belofte nakom. Wees zoo goed en schaar uw volk op het buitenwerk, dan zal ik u intusschen kennis doen maken met het slot."

IJselstein voldeed aan het verlangen des Bisschops, waarna deze hem en zijne hoplieden de wallen rondleidde, hem de zwakke en sterke punten aanwees, hem de verbeteringen opgaf, welke hier en daar nog te maken waren, en verscheidene middelen aan de hand deed om partij te trekken van de gelegenheid van den grond: bij zijn inlichtingen een zoodanige kennis van zaken ten toon spreidende en zoovele blijken van een juist oordeel gevende, dat allen hem verbaasd aanstaarden, en elkander vroegen, wie toch de man ware, die er meer van af wist dan een van hen.

Na deze wandeling bracht Arkel hen in de zaal, waar hij hun Reinout voorstelde als een Duitsch Ridder, die van het steekspel te Haarlem gekomen was, en thans naar Utrecht reisde om het Sticht in gevalle van oorlog te dienen tegen den Graaf van Holland. Met een beker wijns werd het onderhoud besloten, en eenige oogenblikken later zaten Arkel en Reinout te paard en reden zij de slotbrug over, gevolgd door de twee dienaars van eerstgenoemde, mede te paard, en de draagstoel, waarin Madzy zich bevond, en welke door een boerenknaap gemend werd. IJselstein en de getrouwe Peter deden hun uitgeleide tot over de brug. Gereed om den tocht aan te vangen, scheen Arkel zich nog iets te herinneren: hij wendde zijn paard om, en, Peter op zijde komende, fluisterde hij hem zachtjes in 't oor:

"Wat de twee gevangenen in den kelder van het slot betreft, gij zorgt, dat zij onder geen voorwendsel hoegenaamd iemand te zien of te spreken krijgen."

"Ware het dan niet beter," zeide Peter, "dat men hen liet uithongeren? Het zijn twee onnutte monden meer op het slot."

"Wacht er u wel voor: hun bloed zou van u teruggeëischt worden. Niet dan in de hoogste noodzakelijkheid moeten zij opgeofferd worden."

En zonder in verdere opheldering te treden, haastte hij zich weder naar zijn gezelschap.

"Ziedaar een juweel van een dienaar," zeide hij, terwijl zij nu gezamenlijk den weg op naar Utrecht reden, tegen Reinout: "of liever een persoonsverbeelding der dienstbaarheid. Er is geen hond, hoe getrouw ook, die zoo volkomen en zonder aarzelen de bevelen zijns meesters volbrengen zal. Zoo ik hem gelastte, onzen Heiligen Vader van zijn zetel te gaan halen en mij dien, aan handen en voeten gebonden, hier te brengen, hij zou het doen ook."

"Is het verknochtheid aan uw huis, of aan uw persoon, welke hem aldus doet handelen?" vroeg Reinout.

"Het is mij onbewust. Vraag aan het hondje, dat in huis geboren is, waarom het één der huisgenooten bij voorkeur op zijn wandelingen vergezelt, het dier zal er u evenveel reden van geven als mijn oude Peter. De man was een dienaar mijns vaders; maar van mijn geboorte af was hij bij mij. Mijn vader had hem gezegd: 'gij Peter! zult Jonker Jan bedienen,' en hij heeft den hem opgedragen last volbracht. Toen ik naar Frankrijk vertrok, zeide ik tot hem: 'Peter! gij zult het slot Nyenstein gaan bewonen en er niemand op laten, en zorgen dat ik het bij mijn terugkomst vinde zooals ik het gelaten heb:'--en Peter vertrok naar het slot, en toen ik voor een paar dagen terugkwam, vond ik op de trap een handschoen, dien ik er, bij mijn vertrek, vier jaren geleden, had laten vallen."

Reinout glimlachte even over dit voorbeeld van nauwkeurigheid: maar weldra hernam zijn gelaat een ernstige plooi en reed hij weder zwijgend en treurig voor zich heen.

"Ik had verwacht," zeide de Bisschop, "dat gij uw zwarten hengst met meer genoegen zoudt hebben teruggevonden na een scheiding van zes dagen; maar waarlijk, gij slaat niet meer acht op hem, als ware hij de ezel van Barbanera's hansworst."

Reinout zuchtte diep; want inderdaad, zijn hart werd door de pijnlijkste aandoeningen gefolterd. Hij had gedurig de beeltenis voor zich van zijn wapenbroeder, van den vriend zijner jeugd, van dien Deodaat, met wien hij altijd zoo innig verknocht was geweest en wiens moordenaar hij geworden was. Hij herdacht die gelukkige en kommerlooze dagen, toen zij, eens van zin en ziel, geene gedachten voor elkander verborgen, leed en lief te zamen deelden en altijd gereed waren elke opoffering voor elkander te doen: toen zij, in spijt hunner twijfelachtige geboorte, aan 's Graven hof geëerd en gezien waren, de fortuin hun toelachte en de roem hun laurieren bood;--en thans! welk een onderscheid!--als een moordenaar zwierf hij rond, half overgeleverd aan de genade van een onbekende, wiens inzichten hij niet doorgrondde, vervallen uit den eerestaat, waarin hij geplaatst was en beladen met den vloek van velen. En met dit al, zoo hevig is de macht van een dwazen hartstocht, hij zou zelfs nu nog zijn liefde niet hebben willen opofferen om zijn vriend in 't leven terug te roepen:--hij zou zijn tegenwoordig ongeluk niet tegen zijn vroeger geluk hebben willen ruilen: en hetgeen hem meest folterde was niet zoozeer berouw over zijn euveldaad, als spijt over het nuttelooze van zijn feit: het was woede over de kloof, die hij zelf tusschen Madzy en hem gedolven had: het was bruisend verlangen om haar terug te zien: het was heete liefdekoorts, zonder tusschenpoozen, zonder nadenken, zonder hoop. O! had hij geweten, dat het voorwerp dier brandende drift slechts weinige schreden achter hem, en éénen weg met hem uitreed; niets in de wereld had hem teruggehouden om haar uit haar draagstoel te lichten en haar met zich te voeren in spijt van alle hinderpalen:--en zij, de arme duif, had zij slechts kunnen vermoeden, dat de Ridder, wiens gedaante zij nu en dan door de reten der lederen gordijnen onderscheidde, de gehate Reinout ware, zij had zich liever in den Vechtstroom geworpen, dan een stap verder te gaan.

"Ik beken," zeide eindelijk Reinout tot zijn reisgezel, "dat mijn omstandigheden niet van een vroolijken aard zijn; en dat de onzekerheid, waarin ik nopens de toekomst verkeer, niet wel in staat is mij op te beuren.... dan, gij hadt mij beloofd, mij opheldering te geven omtrent uw gedrag jegens mij."

"En belofte maakt schuld, nietwaar?--Welnu! ik beken u openhartig, dezen morgen mistrouwde ik u en daarom hield ik u in bewaring: maar een onderhoud met Barbanera loste mijn zwarigheden op. Ik schroom niet, u mijn vertrouwen te schenken. Gij kent mij reeds als den man, aan wiens zaak gij uw arm en uw ervarenis kwaamt aanbieden; maar, wat u misschien vreemd zal voorkomen, in plaats van u mijn bescherming te schenken, moet ik om de uwe vragen."

"De mijne!" herhaalde Reinout verbaasd: "welke bescherming kunt gij van een ongelukkigen zwerver verwachten?"

"Ik zal u zulks verklaren. Staatkundige redenen, wier gewicht u later blijken zal, verbieden mij, vooralsnog mijn rang en naam openbaar te maken. Ik reken op uwe stilzwijgendheid, en zoo ik u geen eeden afverg, is het, omdat ik u tot geen verraad in staat acht. Indien ik mij alleen in Utrecht vertoonde, zou ik vermoedens wekken en het zou mij spoedig onmogelijk vallen zoo onbekend te blijven als ik verlang. Daarom wil ik er slechts als uw schildknaap verschijnen, in wien niemand den kerkvoogd vermoeden zal. Mijn broeder Robbert heeft een woning besteld voor den Ridder van den Rooden Adelaar: die zult gij betrekken: gij zult er meester in zijn; ik zal onder uwe vleugelen schuilen."

"En onder wiens vleugelen," vroeg Reinout, "zal onze reisgenoot schuilen, die zich in gindschen draagstoel bevindt?"

"Wat die betreft, zij (want het is eene zij) zal een paar vertrekken in onze woning bekomen, waar ik begeer, dat niemand, wie hij zijn moge, haar kome storen. Wat meer is, ik verlang, dat niemand pogingen aanwende om haar te zien, veelmin met haar te spreken."

"Ik versta u: en ik weet, dat het niet geoorloofd is, aan geestelijk eigendom te raken."

"De Graaf van Holland is minder nauwgezet," zeide Arkel: "hij zou den geheelen Dom in zijn tasch steken zonder er een oogenblik berouw over te gevoelen;--maar, nu ik u mijn voornemen heb medegedeeld, verwacht ik wederkeerig uw vertrouwen. Ik weet, dat Barbanera u niet slechts mijn geheimen heeft medegedeeld; hij heeft u ook openbaringen omtrent u zelven gedaan."

"Gij weet ook dit!...."

"Ik weet, dat gij, nog liever dan mij te vergezellen, naar Friesland zoudt reizen, indien gij aldaar met zekerheid aan den Heer van Aylva bewijzen kondet, dat gij zijn zoon zijt."

"Inderdaad!" zeide Reinout: "doch hij heeft mij een nader bewijs beloofd, zoodra...."

"Zoodra gij in staat zoudt wezen, dit met goud te betalen, daarvoor ken ik hem genoeg. Ik weet, dat onze kwakzalver zijn waren zoomin als zijn valsche geheimen anders dan tegen klinkende munt verkoopt."

"Ik heb," liet Reinout zich ontvallen, "hem bewogen, met mij naar Friesland te gaan, zoodra...."

"Zoodra gij mij goedschiks kunt verlaten, nietwaar?.... Zoo! ja! dus is uw reis naar Utrecht slechts een voorwendsel om verder te komen: en zal ik mij eerstdaags een schildknaap zonder meester bevinden?--Het zij zoo! Alleen zult gij nog eenige dagen op uw vriend den kokeler moeten wachten; want ik heb hem tot een geheime zending uitgezonden."

Reinout zweeg en beet op de lippen, terwijl Arkel achter zijn helmvizier lachte. Wellicht zal men zich verwonderen, dat de Bisschop, die zooveel belang stelde op het bondgenootschap der Friezen, niet dadelijk aan Reinout de bewijsstukken, welke hij bij zich had, terhandstelde en hem naar Friesland afvaardigde; maar, behalve dat hij den Ridder noodig had om zijn komst te Utrecht bedekt te houden, was hij nog niet overtuigd, of deze zijner wel indachtig zijn zoude, wanneer hij in Friesland kwam, en wilde hij den Italiaan wat nader doorgronden, eer hij hem een zoo belangrijke zending opdroeg.--Met deze bedoeling ging hij aldus voort:

"Er is, geloof ik, nog een andere reden, waarom een reis naar Friesland u hoogst aangenaam zijn zou. Men verhaalt, dat, zoo Deodaat viel door den dolk van zijn boezemvriend, zulks alleen geschiedde, omdat hij wat dieper in de gunst van zekere Madzy Dekama gedrongen was dan den anderen aangenaam was."

"Dewijl gij alles weet," zeide Reinout, "waartoe dan deze nuttelooze vragen? Ja! ik heb mijn vriend gestraft, omdat hij mij trouweloos behandeld, ja, laaghartig verraden had."

"De wijze, waarop gij u gewroken hebt," zeide de Bisschop, "getuigt, dat het bloed uwer Italiaansche moeder feller door uw aderen stroomt, dan dat van uw Frieschen vader; maar gij hebt het dom aangelegd: ik begrijp, dat men iemand uit den weg ruimt, die ons hinderlijk is; maar dat men zulks uit loutere wraakzucht doet en zonder er eenig nut uit te trekken, dat kan ik .... gij zult mijn vrijpostigheid verschoonen .... niet anders dan aan een aanval van zinneloosheid toeschrijven.--Wat hebt gij met dien moord gewonnen? Aylva zelf zal er u om haten."

Reinout zweeg en zag zuchtend voor zich neder; hij gevoelde de juistheid van Arkels gezegde: ofschoon zijn hart gruwde van een stelsel, waarbij een moord in koelen bloede meer verschoonbaar gerekend werd dan een moord in drift gepleegd.

"Maar één ding moet gij mij nog verhalen," zeide Arkel: "hoe zijt gij toch uwe gevangenis ontkomen?"

"Seerp Van Adeelen, wien ik als mijn medeminnaar haatte, toonde zich mijn vriend. Hij verschafte mij een dolk. Toen ik nu in den toren van het jachthuis zat opgesloten, viel mij een middel ter ontkoming in, waar ik vroeger weleens van had hooren gewagen; doch hetgeen ik altijd als onmogelijk beschouwde. Het bestaat hierin: men houdt het gevest van den dolk met beide handen stijf vast, plaatst de punt tegen den buitenmuur en zet zich op het lemmer te paard: dan daalt men af: de scherpe punt glijdt den muur langs naar beneden: terwijl de kracht, waarmede men den dolk tegen de steenen aandrukt en de zwaarte van het lichaam zelf beletten dat hij uitschiet.--Het raam was onvoorzien: ik beproefde het: en het gelukte mij boven verwachting."

"Ziedaar een kunstgreep, behendiger dan die van meester Barbanera."

"Van hem gesproken, hoe komt die gelukzoeker aan uwe kennis en aan uw vertrouwen?"

"Oho!" zeide Arkel: "mijn nieuwe meester begint zijn gezag al uit te oefenen; maar ik zie geene redenen om niet aan uwe nieuwsgierigheid te voldoen. De oude gauwdief is te Grenoble, waar hij baardscheerder was, in mijn dienst getreden. Ik gaf hem, ruim vier maanden geleden, zijn afscheid, omdat ik bemerkte, dat hij mijn belangen minder goed behartigde dan de zijne. Toen ik een paar maanden later, begreep, dat mijne tegenwoordigheid alhier noodzakelijk was, verliet ik Grenoble onder voorwendsel eener reis naar Italië en nam mijn weg over Zwitserland en Duitschland. Te Keulen gekomen, hoorde ik van een steekspel spreken, dat te Haarlem gehouden stond te worden. Terstond was mijn besluit genomen: dit, dacht mij, was een heerlijke gelegenheid om onbekend in deze gewesten te verschijnen. Ik schafte mij de wapenrusting aan, die gij thans draagt, dankte mijn dienaars af, nam in mijnen dienst de beide knapen, die ons vergezellen en mij niet kennen, en trok door. Te Nijmegen gekomen, vond ik de stad opgepropt met reizigers: ik moest mijn intrek in een slechte herberg nemen: daar vond ik Barbanera, die mij terstond herkende. Ik begreep zijn stilzwijgen te moeten koopen, en tevens oordeelde ik, dat hij, wiens schranderheid ik kende, mij van dienst zoude kunnen zijn. Den hansworst had hij in Duitschland opgedaan: van dezen was geen ontdekking te vreezen, maar ik vond in hem een geschikten en ijverigen bode. Te Leiden werd mijn paard ziek: ik liet het daar met mijn wapenen en dienaars, en hield mij bij Haarlem verborgen: den dag voor het steekspel kocht ik de paarden, die wij thans berijden, van iemand, die zich voor een paardenkooper uit Asperen uitgaf...."

"Van een onbeschaamden dief," zeide Reinout: "die meer van uwe zaken schijnt te weten, dan wel dienstig is. Althans hij verhaalde gisteravond, dat gij hem voor den dienst des Bisschops geworven hadt."

"Gekheid! hij weet niets!--Ik had spoedig in den neus, dat hij met zijn persoon machtig verlegen was: ik zond hem daarom naar mijn broeder met een brief in cijferschrift, waarin ik meldde: dat ik te Plaswijk antwoord wachtte. Dit bracht mij de knaap gistermiddag. Ondertusschen had hij bij de Stichtschen dienst genomen."

"En .... die draagbaar," zeide Reinout: "heeft die u op uwe reizen bestendig gevolgd?"

"Neen!" antwoordde Arkel droogjes weg; "die is mij somtijds voorgegaan;--maar ik had verzocht, dat daarover niet gesproken zou worden. Gij weet nu al wat gij verlangt te weten. Wij zouden onzen tred wat kunnen verhaasten."

Onder het uiten dezer woorden, gaf hij zijn paard de sporen: en de trein reed op een vluggen draf naar Utrecht voort.

VIER-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

O simpele vogels! de listige knippen Bedriegen u schendig door 't veinzende voer. 't Zoet fluitje speelt vrede: 't loos net dekt den vloer Der weiden, waarop gy uw welstand laat glippen.

Poot.

Wij moeten bij den aanvang van dit Hoofdstuk ons bedienen van een voorrecht, hetwelk aan samenstellers of uitgevers van dergelijke verhalen als het onze nooit is betwist geworden, en onze geschiedenis, die tot nu toe den tragen slakkengang is gegaan, een tijdperk van zes weken vooruit laten springen. Uit de nieuwe tooneelen, welke onzen lezers zullen worden voorgesteld, zal hun genoegzaam blijken, wat er in den tusschentijd is voorgevallen met die personages, waarin zij belang stellen.

Wij verplaatsen hen dan met ons in een kleine, maar naar den aard des tijds met smaak behangen en gemeubileerde kamer, in een huis te Utrecht, het uitzicht hebbende over een onbezocht en somber kerkhof, en tegen de hooge wallen van het daaraan grenzend klooster. In dit vertrek was Madzy Dekama aan een welgewreven eikenhouten tafel gezeten, en hield zich met eenig vrouwelijk handwerk bezig. Zij droeg thans noch de Friesche kleeding, welke haar vroeger zoo wel stond, noch het boerinnenpak, waarin zij van Haarlem gevlucht was; maar een eenvoudig morgengewaad, dat het midden hield tusschen de dracht des adels en die van de gegoede burgerklasse. Treurige denkbeelden waren op haar voorhoofd te lezen en in haar nedergeslagen oogen, wier glans door ziels- en lichaamssmarten eenigszins verdoofd schenen: meer dan eens bleef hare hand werkeloos op het borduurraam rusten, ontviel de naald aan haar blanke en vermagerde vingeren en zakte haar hoofd als in somber gepeins op den boezem neder. Op eenigen afstand van haar was een burgervrouw van middelbare jaren aan 't spinnewiel gezeten. Zij scheen minder stof tot gewichtige overdenkingen te hebben, althans haar tong klapte onophoudelijk voort en hield gelijken gang met de snorrende draden, die zich door hare handen bewogen. Wat het uiterlijke der vrouw betrof, welke aan Madzy tot gezelschap en oppassing gegeven was, zoo was haar gestalte verre beneden de middelmatige; maar dit gebrek in hoogte werd vergoed door den omvang der ledematen, vooral van het hoofd, dat evengoed op de schouders van een Goliath had kunnen prijken, te meer, dewijl het met alleszins ruwe mannelijke trekken voorzien was, onregelmatig en grimmig van uitdrukking, en de kin en bovenlip zelfs met talrijke geelgrijze haren versierd waren. Het was niet zonder moeite, dat het den opmerkzamen beschouwer gelukte, in dat groote hoofd de oogen te vinden, welke schier geheel verborgen waren tusschen de zwaar vooruitstekende wenkbrauwen en het gerimpelde perkament, dat zij voor wangen liet doorgaan. Een nieuwsgierig onderzoeker had echter, schoon niet dan bij zeer hellen dag, de kleur van het rechteroog kunnen bepalen, zijnde vaalgrijs, en de uitdrukking, zijnde nagenoeg die eener loerende kat;--want wat het linkeroog betrof, dit was sedert jaren gesloten en kon dus al de nasporingen tarten. Van onder den ingedrongen neus en de dikke loodkleurige bovenlip, staken twee monsterachtige tanden haar ongelijkvormige punten tusschen de dikke lippen uit: in één woord, er ontbrak slechts een snuit, en het geheele hoofd had zeer goed voor den kop eens olifants kunnen doorgaan.

Alleen het aanhoudend gezelschap van dit vrouwelijk wanschepsel ware reeds genoegzaam geweest om bij Madzy, ook indien zij voor 't overige geene redenen tot droefgeestigheid had gehad, onlust en droefgeestigheid te verwekken, te meer, daar de onderwerpen van haar gesprek zelden van de uitgezochtste waren, en haar luim doorgaans alles behalve aangenaam was; intusschen moeten wij dit zeggen tot eer van Juffer Mechtelt (zooals zij zich noemen liet), dat zij, ook dan wanneer zij het meest ontevreden en tot brommen en knorren geneigd was, nimmer anders dan de zoetste en vriendelijkste woorden bezigde, welke vaak door hun liefelijkheid in een omgekeerde reden stonden tot den inhoud van haar gezegde. Tot een staaltje van haar onderhoud diene het navolgende gesprek, dat zij met Madzy bezig was te voeren.

"Lief kind!" zeide zij: "hoe gaat het al? hoe ziet ge zoo treurig? vlot het werk niet, of hebt ge muizenissen in 't hoofd?"

"Mij dunkt," zeide Madzy, "ik heb weinig reden tot opbeuring. Verwijderd van de mijnen, opgesloten in een vreemd huis, waar ik met niemand een woord kan wisselen over hetgeen mij naast aan 't harte ligt...."

"Met niemand? En wie ben ik dan, hartje? Is Juffer Mechtelt geen vrouw van genoegzame ondervinding om vertrouwen te ontvangen en raad te geven? Ho! ho! schatje! ik heb zoo menige jongedochter met mijn beetje ervaring bijgestaan: en zij hebben zich er altijd wel bij bevonden, dat hebben zij. Daar was Betje van de Molenwerf, een onnoozel mulderskind, dat een paar bruine kijkers in het hoofd had en verder geen rijkdom; maar het schaap liet zich leiden en was zoo handelbaar als een stuk was, dat was zij. En is zij door mijn toedoen niet de vrouw geworden van den dikken Bartel Bartelsz, den overman van het slachtersgild? en wandelt zij niet op elken feestdag zoo dapper met een gelemmerd kleed en een huif van Amsterdamsch zwart als de dochter van een banjer heer?--En daar is Emmeke, de dochter van Teunis met de Kodde, die haar ouders allebei dood waren, dat waren ze; en heb ik haar niet in kennis gebracht met de rijksten van Utrecht? en windt ze nu niet den ouden Proost van Sint-Salvator om haar duim als een kluw garen? en drinkt ze niet uit een zilveren kroes, wat ze lust? dat doet ze. En wie anders als ik is oorzaak dat Adriaan van Montfoort zoo verslingerd werd op het blonde Femmeke, schoon het maar een arm schepseltje was, dat met radijs en biet op de markt zat, dat hij al zijn geld en goed aan haar verdaan heeft, en zijn vader hem heeft moeten opsluiten, dat heeft hij, wilde hij hem niet kaal geplukt zien als een vink?"

Het scheen, dat de bewijzen, waarmede Mechtelt aan onze heldin zulk een hooge gedachte van haar bekwaamheid als raadgeefster meende in te boezemen, op deze laatste geenszins de gehoopte uitwerking maakten; althans de Jonkvrouw zag haar met een blik van verontwaardiging aan en loosde vervolgens een diepen zucht.

"Waarlijk poesje!" vervolgde Mechtelt: "gij bezondigt u, met zoo te kijken als een kip op een streep, dat doet gij. Zijt gij niet door onzen waardigen meester van den dood gered? En heeft hij u niet, toen gij hier aankwaamt met de koorts op 't lijf, doen genezen en verzorgen of ge zijn lijfelijke en vleeschelijke zuster waart? en mij tot uwe oppassing laten komen, wetende, dat niemand beter dan ik de kunst versta, met zieke meisjes om te gaan? Laat hij het u wel aan iets ontbreken? En is hij niet bereid, u al te geven wat gij verlangt? beproef het eens: vraag hem wat gij wilt, en gij zult zien dat het u geworden zal, dat zal het! En dat hij zoo mild is als de Graaf van Gelder, die, om zijn duifje genoegen te geven, toen zij om een nieuwen kaper vroeg, heel naar Compiegne zond, omdat daar de beste kappen gemaakt worden. En hebt ge geen lakens van Bourgondisch linnen? En eet ge niet alle dagen goed rundvleesch en volop wittebrood? ofschoon er velen hier in de stad zijn, die zich alleen met groentestelen en erwteschillen moeten tevreden houden, dat moeten zij! en blij zouden wezen, indien zij een stuk hondevleesch vonden, nu alles zoo peperduur is met dat satansche beleg, dat men een goudstuk voor een gestopten beuling geeft, dat doet men!"

"Dat moet niet zijn," zeide Madzy, bewogen door de schilderij, welke Mechtelt van den toestand maakte, waarin de burgerij van Utrecht verkeerde, en welke inderdaad niet vergroot was: "dat mag zoo niet blijven. Ik wil geen overvloed, wanneer om ons heen ellende en honger worden geleden. Mijn disch moet voortaan eenvoudig en zelfs schraal zijn. Ik zal hierover met onzen gastheer spreken."

"Wat een dwaasheid, engeltje!" riep Mechtelt, vervaard en verontrust door het gezegde van Madzy, en in haar verbeelding reeds al de lekkernijen, welke zij met haar deelde, ziende verdwijnen en plaats maken voor den soberen pot der arme burgerij: "ik hoop, dat gij wijzer zult zijn: denk toch, dat gij pas ziek geweest zijt en gezond voedsel noodig hebt, dat hebje! Pas begint er weer een blos op de koontjes te komen en gij zoudt uw best doen om hun die aschmanskleur terug te bezorgen, die zij hadden toen ik u 't eerst zag."

"En gij zoudt verlangen," zeide Madzy, "dat die blos op mijn wangen gekocht werd door de bleekheid op die van anderen? O God! ik zal geen stuk meer kunnen eten, nu ik verneem, dat elk stuk van achten, hetwelk voor mijne tafel wordt uitgegeven, het onderhoud van een lijdend huisgezin had kunnen verzekeren."

"Nu! ik mag het lijden," zeide Mechtelt: "maar gij krijgt het van onzen Heer niet gedaan, boutje! hij is een mild en edel meester, dat is hij! die niet wil, dat iemand in zijn huis gebrek lijde."

"Hij is edelmoedig, al te edelmoedig zelfs," zeide Madzy; "maar ik wil hem niet langer tot last verstrekken. Het is tijd, dat ik dit huis verlate. Nog heden wil ik hem mijn besluit mededeelen."

"Dit huis verlaten!" herhaalde Mechtelt, die bleek ware geworden indien de grauwe tint van haar gelaat voor eenige verandering ware vatbaar geweest: "heden mijn tijd, engeltje! hoe komt gij aan die dwaze gedachte? En waar zou een schoon kind als gij tegenwoordig heen? Wij zitten hier in Utrecht zoo nauw opgesloten als een pruimepit binnen de vrucht, dat doen wij! en waarachtig! al de meisjes hier in de stad zouden een waskaars aan de Heilige Maagd branden, indien zij zoo gelukkig waren als gij, dat zouden zij! en zij zouden er duim en vinger voor likken, om onder bescherming van een zoo mild Heer te komen; en gij zoudt hem verlaten en u noodeloos blootstellen? hij zou het nooit dulden."

"Hoe!" zeide Madzy, verwonderd en verontrust: "Nooit dulden! wat meenen deze woorden? Ik veronderstel toch, dat ik mijn eigene meesteresse ben en hier niet langer zal behoeven te blijven dan mij goeddunkt."

De lippen van Mechtelt vertrokken zich bij dit gezegde tot iets, dat een glimlach beteekenen moest: "och mijn hartje!" zeide zij: "gij kunt er niets van meenen. Daar was Klaartje van den Abeele: die was door den Jonker van Gaesbeek van de Tielermarkt afgetroond, en mede naar zijn slot gevoerd: die sprak al zoo bout als gij, dat sprak zij; en wel mocht zij het doen; want zij had een aardig penningske aan geld en een schoone erfenis van haar moei te wachten en was bovendien van goeden huize, zijnde een nicht van den Heer van Mynden, ofschoon een beetje van de linkerhand, dat 's waar;--maar er was geen week verloopen, of zij schikte zich in haar toestand: en vroolijk heeft zij met den Jonker huisgehouden, en hem zes kinderen als wolken geschonken, dat heeft zij: en de oudste er van neemt nu het huishouden waar van den Pastoor te Jutfaas, dien vromen man, die haar met de pen opvoedt, dat doet hij."

"Vrouw!" riep Madzy uit, terwijl zij met ontsteltenis oprees (want het onvoorzichtig gesnap der vuige koppelaarster had bij haar vermoedens gesterkt, welke, ja, nu en dan bij haar waren opgerezen, maar die haar onschuldig en argeloos hart haar altijd verborgen had): "Vrouw! wat bedoelt gij met dat alles? wat heeft men met mij voor? Ik blijf geen dag langer in dit huis. Ziedaar!" vervolgde zij, een gouden doekspeld op de tafel leggende; want zij vreesde zich te verontreinigen, indien zij die Mechtelt in handen gaf: "neem dit tot belooning der diensten, die gij mij in mijne ziekte bewezen hebt: ik ga het eerste klooster het beste zoeken en mij onder de bescherming stellen der abdis.--Van daar zal ik mijn dank aan uw meester doen toekomen."

Onder het uiten dezer woorden had zij zich naar de deur begeven; maar Mechtelt was, na haar met een verbaasd oog te hebben aangestaard en de doekspeld op haar mouw te hebben gestoken, naar de deur gewipt, waar zij Madzy met haar kromme dikke vingers bij de kleeren greep.

"Zacht wat! zacht wat! lief engeltje!" riep zij: "men gaat hier zoo niet uit zonder de toestemming des meesters. Ik ben bij u gekomen als waakster: en ik zal u bewaken, lief dotje! dat zal ik.--En schreeuw maar niet, hartje! het zou u toch niet helpen, och heden neen!"

In dit oogenblik werd de deur eensklaps van buiten geopend en Arkel trad binnen. Beide de vrouwen traden op zijn verschijning onthutst terug: Mechtelt, omdat zij vreesde, dat hij haar handelwijze haar kwalijk mocht afnemen, en dat zij niet gaarne een plaats verliezen zoude, waar zij goed loon en goed eten kreeg:--en Madzy, omdat zij op een oogenblik verrast werd, waarin het den schijn had, als ware zij handgemeen met haar bewaakster, een bezigheid, weinig overeenkomstig met haar stand en geboorte.

"Hoe nu!" zeide Arkel, terwijl hij verbaasd staan bleef: "de wangen van onze lieve zieke gloeien, alsof zij van nieuw af de koorts had gekregen! En het oog van Juffer Mechtelt flikkert als een nachtlamp die uitgaat! Heeft hier een twist plaats gehad? Ik wil niet hopen, Freule, dat deze vrouw zich onbetamelijk tegen u gedragen heeft. Bij Sint-Maarten! zij had minder gewaagd met de Domkerk in brand te steken, dan met u de minste beleediging aan te doen."

"Wie zou zulk een lief schepseltje beleedigen?" zeide Mechtelt: "Lieve Maagd! ik dacht dat alles voor het beste ware, dat dacht ik. Maar dat engeltje wilde zonder afscheid heen wandelen, dat wou ze: en daar ik betaald worde om haar te bewaken, zoo dacht ik geen kwaad te doen met haar te wederhouden, dat dacht ik."

"Gij dacht als een oude zottin," zeide Arkel, haar verstoord aanziende: "is het hier een gevangenis? en is de Jonkvrouw niet vrij te gaan waar zij heen wil?--Alleen smart het mij," voegde hij er bij, terwijl hij Madzy met een minzamen, eenigszins weemoedigen blik aanzag, "dat gij zoudt hebben kunnen besluiten te vertrekken, zonder mij vergund te hebben, afscheid van u te nemen."

Madzy bloosde en zag voor zich; want, hoewel zij geen berouw gevoelde over haar poging om het huis te verlaten, zoo zag zij zelve in, dat deze handelwijs den schijn had van ondankbaarheid tegen haar gastheer: en zij was vrouw genoeg om gegriefd te worden door het verwijt, dat in zijne woorden lag opgesloten. Zij weigerde dan ook de hand niet, haar aangeboden door Arkel, die, radende wat in haar ziel omging, zich innerlijk gelukwenschte met eene omstandigheid, die haar eenigszins jegens hem in 't ongelijk stelde: en zij liet zich zwijgend door hem terugleiden naar de zitplaats, welke zij verlaten had.

"Vertrek!" zeide Arkel tegen de oude vrouw: "en beef, indien ik ooit weder bemerk dat gij uw plicht te buiten gaat, of de achting uit het oog verliest, die gij aan deze Jonkvrouw verschuldigd zijt."

Madzy zag verlegen op en was zelfs op het punt om de waakster terug te roepen; want sedert haar komst te Utrecht had zij haar gastheer nooit anders als in tegenwoordigheid van Mechtelt ontvangen: en hoe verachtelijk dit schepsel ook ware, haar bijzijn gaf echter eenigen meerderen schijn van welvoeglijkheid aan zijn bezoeken: maar de afschuw, welke de taal, zooeven uit haar mond vernomen, in de reine ziel der Jonkvrouw verwekt had, was oorzaak, dat deze haar voornemen varen liet en zelfs zich verlicht voelde in haar afwezigheid.

Arkel had intusschen een zetel genomen en zich over Madzy aan de tafel gezet. Er verliepen eenige oogenblikken eer hij begon te spreken. Er was een kommervolle gedachte op zijn gelaat te lezen: en zijn anders zoo levendige oogen stonden strak op den grond gevestigd. Zijn somber wezen en afgetrokken houding leverden een zonderlinge tegenstrijdigheid op met zijn gewaad, hetwelk zwierig en smaakvol was, en wel geschikt, om zijn natuurlijke begaafdheden te doen uitkomen. Sierlijk golfden zijn lokken van onder uit de muts van Gentsen scharlaken, die met bevallige plooien over de eene zijde afhing. Een overrok van dezelfde rijke stoffage, met loshangende mouwen, en door een gordel om 't lijf gesloten, liet een wit zijden buis zien, met zilverdraad doorweven: terwijl de blanke hozen in roode laarsjes staken, wier punt en opslagen met zilveren kwastjes waren voorzien. In 't kort, hij geleek meer op een hoveling, die bij een schoone zijn hof komt maken, dan op den geheimen inwoner eener belegerde stad.

"Het is dan waar," zeide hij eindelijk met een diepen zucht, "gij hadt het besluit gevormd, iemand, die u tot nog toe slechts blijken van eerbied en welmeenendheid gegeven heeft, zonder afscheid, zonder waarschuwing, te verlaten?"

"Ridder!" zeide zij, hem met een vrijen, openen blik in 't aangezicht ziende: "het wordt eindelijk tijd, ronduit te spreken. Ik ben slechts een jong, onervaren meisje, door een droevigen samenloop van omstandigheden onder vreemden gebracht: en ik ben niet in de zeden, gewoonten en spreekwijzen van dit land bedreven: maar ik spreek slecht en recht, gelijk het mijn landaard eigen is: ik zal dan ook geen schoone woorden zoeken; maar mij uitdrukken zooals ik het meen.--Wel dan:--ik heb in uwe woning gastvrijheid genoten, en ik ben er u dankbaar voor. Maar ik ken u niet: ik weet niets van uw rang en stand: ik weet niet, of gij gehuwd of ongehuwd zijt:--dit alleen is zeker, dat het mij niet betaamt, langer onder uw dak te blijven: en gij zelf zult beter gevoelen dan ik het voegzaam uit kan drukken, dat ik, verwijderd van de mijnen, een andere bescherming behoef dan die, welke gij mij verleenen kunt."

"Ik heb vermeend," zeide Arkel, "de welvoeglijkheid in acht te nemen, door u het gezelschap eener bejaarde vrouw te verschaffen. Het smart mij, dat zij die taak onwaardig schijnt te zijn en dat ik mij in de keuze bedrogen heb."

"Hebt gij u waarlijk in de keuze bedrogen?" vroeg Madzy, hem scherp aanziende: "dan zijt gij wel ongelukkig geweest; want uit den inhoud van hare woorden, die ik mij schamen zou te herhalen, had ik bijna opgemaakt, dat zij niet zonder oogmerk bij mij was geplaatst....; maar wij zullen dat daarlaten. Toen gij mij voorsteldet uw slot onder uw geleide te verlaten, deed ik zulks alleen, omdat ik op uw belofte rekende van mij weer bij de mijnen te voeren. Dit heeft geene plaats gehad. In hoeverre het niet nakomen van uw woord alleen belet zij geworden door mijn ziekte en het daarop gevolgd beleg, zullen wij liefst niet onderzoeken. Maar thans ben ik hersteld en ik verlang een voegzamer verblijf. Reeds gedurende mijn ziekte heb ik meermalen den wensch geuit, om naar een klooster vervoerd te worden:--het is mij steeds geweigerd uithoofde van zwakte.... het zij zoo!--die reden bestaat thans niet meer."

"En de gedachte is niet eenmaal bij u opgerezen, dat gij, door dit huis te verlaten, den ongelukkigen bewoner daarvan alles zoudt ontrooven, wat hem het leven draaglijk maakt?"

"Hoe!" riep Madzy uit, verschrikt van haar vrees zoo spoedig verwezenlijkt te zien.

"Ja, bekoorlijke Madzy!" zeide Arkel, zich voor haar nederwerpende: "ik zeg niet te veel: met u verlies ik al mijn geluk op aarde. Hoe! heeft al mijn zorg voor uw welzijn, al mijn streven om uw toestand te veraangenamen, om uwe wenschen te bevredigen, hebben mijn zuchten, de tranen, mij soms in uw bijzijn ontvallen, nog niet genoeg gesproken? en moet mijn mond er nog de betuiging bijvoegen, dat ik u onuitsprekelijk bemin? Zie dezen arm," vervolgde hij, zijn linkermouw opstroopende en het verband toonende, dat om den arm geslagen was: "heden werd hij in den strijd gekwetst: en ik zegende den pijl, die mij wondde: want mij verheugde de gedachte: Madzy zal weten, dat ik haar vijanden bestreden heb. Neen Madzy! neen, gij zult niet onbarmhartig en onverbiddelijk wezen: gij zult mij niet verlaten, mij, die u zoo teeder liefheb, om u te gaan blootstellen aan de onzekere kansen van een zwervend leven. O! wend uw gelaat niet af! zie niet toornig! laat ik in uw oogen een enkelen blik van deernis lezen voor zooveel liefde."

Neen! het was geen blik van deernis; het was een blik van diepe verontwaardiging, welken Madzy vestigde op den man, dien zij aan hare voeten zag.

"Gij hebt schandelijk en onridderlijk met mij gehandeld," zeide zij: "gij hebt mij met valsche beloften misleid om mij in uwe macht te houden: en ik ben dwaas genoeg geweest om geloof aan uwe betuigingen te hechten. Laat mij van hier gaan: gij hebt geen recht om mij mijns ondanks terug te houden."

"En wat is dan mijn misdaad geweest?" vroeg Arkel: "is het mij te wijten, zoo de omstandigheden hebben te zamen gewerkt om uw verblijf in dit huis te verlengen? Ik beken, ja, dat ik dit gunstig toeval gezegend heb, dat ik, toen elke blik, dien ik op u sloeg, elk woord, dat ik uit uwen mond hoorde, mij eene nieuwe voortreffelijkheid in u ontdekken deed, den hemel gesmeekt heb, om het tijdstip nog verre te verlengen, waarin gij van scheiden zoudt gewagen, ja, zoo 't zijn kon, het voor eeuwig te verschuiven.--Is dat een misdaad, u te beminnen? ja! dan ben ik de grootste misdadiger onder den hemel; want mijn liefde voor u is sterker, dan ik die uit kan drukken. En waarom zoude u die liefde vertoornen? Ben ik dan zoo onwaardig, u te verdienen? Gij zelve, gij hebt u kunnen overtuigen, dat ik als Ridder de wapens weet te voeren: om u alleen heb ik gestreden tegen dien trotschen Graaf, die u vervolgde! en zoovele wakkere oorlogslieden, voor deze muren gevallen, kunnen tot getuige strekken of uwe zaak mij ter harte is gegaan. Wat mijn adel betreft: er is geen huis, ook dat des Graven niet, dat zich op een hoogere en schoonere afkomst beroemen kan: o! versmaad mij niet: niemand is meer in staat dan ik, u een gewenscht en heerlijk lot te doen verwerven. Wat kan u dat Friesland, waaraan gij zoo gehecht schijnt, anders beloven, dan treurige, eentonige dagen, in verveling doorgebracht op een koude, vochtige stins, waar uw oog niets ontwaart dan een weide, een korenveld en een meertje: waar gij geen ander gezelschap vindt, dan boeren, wier taal geen schepsel kan verstaan, en edellieden, nog lomper en onverdraaglijker dan uw boeren. Maar aan mijne zijde zullen uwe dagen vroolijk en blijde daarheen vlieten: al de vermaken, al de weelde, die de wereld ons aanbiedt, zullen u worden toegevoerd: geen wensch zult gij kunnen vormen, die niet terstond zal verhoord worden. De keur van de schatten, welke de aarde ons aanbiedt, al de genoegens, welke het leven veraangenamen, al de pracht, welke het maagdenhart kan streelen, zal ik aan uwe voeten brengen: niets zal mij te kostbaar, te moeilijk vallen, om uw geluk te bevorderen: en ik zal mij heilrijk noemen, indien nu en dan slechts een enkele blik van tevredenheid mijne pogingen beloont."

"Ridder!" zeide Madzy: "indien ik in vrijheid ware en in 't midden van de mijnen, en gij kwaamt dan mijn hand en mijn liefde vragen, dan zou ik u doen hooren, hoe ik over uwe voorstellen dacht. Thans moet ik die alleen met stilzwijgen beantwoorden. De vogelaar kan het onnoozele vinkje in 't kooitje sluiten of den kop inknijpen; maar hij vergt niet van het arme dier, dat het vrijwillig in zijn kerker blijve, of het rondfladderen aan de koord boven het genot van Gods vrije lucht verkieze."

"Moet ik," vroeg Arkel, "uit uwe woorden zelven, niet afleiden, dat ik als de vogelaar moet handelen en u als het eigendom beschouwen, dat mij een gelukkig toeval in handen heeft gespeeld?"

"Neen!" zeide Madzy, ontsteld: "zoo laag zult gij niet handelen. Zoo er nog een sprank van eer in uw boezem overblijft, laat mij dan van hier vertrekken."

"En waar zoudt gij heengaan? het leger des Graven sluit onze muren in: vruchteloos deedt gij een poging om te ontkomen. Gij zoudt in zijn handen vallen, en Rijnsburg zag u weldra binnen zijn muren."

"Liever mijn leven in Rijnsburg, dan een dag langer in dit huis gebleven;--maar uw zwarigheid wegens de macht des Graven is ijdel. Ik zal hier in Utrecht nog wel een schuilplaats vinden."

"Beproef het eens," zeide Arkel met een boozen glimlach, "bel slechts aan de poort van het eerste klooster het beste. O! de geestelijke zusters zullen u met opene armen ontvangen, wanneer zij vernemen, dat gij zes weken hebt doorgebracht in de woning van een wakker jong Ridder, zonder ander gezelschap dan de eerzame Mechtelt Dirksdochter."

Al het bloed van het onschuldige meisje vloeide naar haar hart terug op het hooren van deze taal; want zij voelde er al te wel de juistheid, de vreeselijke waarheid van: het denkbeeld, dat haar goede naam op een zoo schandelijke wijze was blootgesteld aan verdenking, ja wellicht onherstelbaar verloren, was voor haar geschokt zenuwgestel te schrikkelijk om verduurd te worden. Zij zonk in haar stoel, bedekte zich het gelaat met beide handen en smolt in tranen weg.

"Ween niet, beminde vrouw!" zeide Arkel, wiens hart niet boosaardig genoeg was om haar diepe droefheid onbewogen aan te zien: "ween niet: mijne liefde voor u zal alles vergoeden. Een woord uit uwen mond: en geene kwellingen zullen u langer het leven vergallen; maar ziet dit wel in: gij zelve zijt voortaan alleen meesteres van uw lot. Verlaat deze woning, en gij zult door laster uw goeden naam zien bezwalken: gij zult tot een voorwerp van spot en minachting verstrekken aan de zoodanigen, die niet waardig zijn uwe schoenriemen los te binden;--doch blijf bij mij, en macht en aanzien zullen uw deel zijn en gij zult onder uw voeten vertreden al wie de stoutheid heeft om u slechts een norsch gelaat te toonen."

"Neen!" snikte Madzy: "zulk een afschuwelijke boosheid heeft nooit bestaan. Verfoeilijk mensch!" vervolgde zij, hem met ijzing aanziende: "wie zijt gij?"

"Wie ik ben," antwoordde Arkel, "zal misschien de toekomst ontsluieren. Wie ik ben, is nog een raadsel voor den blinden hoop; maar dit kan ik u zeggen, dat het slechts van mij afhangt, met de voornaamsten in 's Graven leger gelijk te staan, ja boven hen den voorrang te bekleeden: dat één woord van mijnen mond het beleg kan doen opbreken, den oorlog eindigen en aan deze stad de rust hergeven."

"Elk uwer woorden," zeide Madzy, zich van hem afwendende, "maakt u nog gruwzamer in mijne oogen. Eén woord van u kan den oorlog doen eindigen!--en gij zwijgt? Bezigt gij uwe macht dan als Satan, alleen om kwaad te doen?"

"Neen meisje!" zeide de Bisschop: "in welk ongunstig daglicht gij mijne handelingen ook verkiest te zien, mijn doel omtrent dit gewest was edel en groot. Ik heb wellicht in de middelen gefaald; maar zoolang mij dit niet gebleken is, moet ik op het ingeslagen spoor blijven voortwandelen. Wat u betreft, tracht, ik smeek er u om, de kalmte te hervinden en overweeg bedaard hetgeen ik u gezegd heb. Vrees niet, dat ik mijn macht over u misbruiken zal. Ik zou mij schamen, van met geweld te verkrijgen, hetgeen ik alleen aan de overtuiging en, kan 't zijn, aan de liefde wil dank weten."

"Geen nadenken, geene overweging," zeide Madzy, terwijl zij haar oogen afdroogde en met waardigheid oprees, "zijn in staat, eenige verandering in mijn besluit teweeg te brengen. Gij hebt mij nog sterker dan te voren doen gevoelen, dat mijn verblijf alhier onbetamelijk is: en al moest mijn vertrek mij aan schande blootstellen, het zal mij lichter vallen, onverdiend de beschuldiging van anderen te dragen, dan die, welke ik mij zelve doen zou door te blijven. Het bewustzijn van de zuiverheid mijner bedoelingen zal mijn troost zijn, indien de laster mij beticht; maar eeuwig naberouw ware mijn deel, zoo ik thans, nu ik uwe bedoelingen verstaan heb, aan uwe hoop door mijne tegenwoordigheid een zweem van grond gave. Bijaldien gij mij dus hier wilt houden, zal de trotsche Ridder, die zoo prat is op zijn adel en zijn macht, tegen het arme meisje, dat geene wapenen heeft dan hare onschuld en hare tranen, geweld moeten gebruiken."

"Dat zal onnoodig zijn," zeide Arkel, het onrustig gevoel, dat zich van hem, in weerwil zijner hardvochtigheid, meester begon te maken, achter een bitteren lach verbergende: "zoo uw meisjesarm sterk genoeg is om door eiken deuren en ijzeren tralies heen te breken, is het u vergund van hier te gaan. Tot dien tijd zult gij moeten leeren, u aan uw kerker te gewennen."

"Welaan!" zeide Madzy: "er blijft mij een middel over om mij aan uw dwang te onttrekken: en gij zult het genoegen hebben nog een offer te voegen bij al diegene, waarmede gij deze rampzalige stad hebt opgevuld. Ik zal geen stuk brood meer eten:--dan voor 't minst zal mij de dood van uw dwang bevrijden."

"Madzy!" zeide Arkel, ontzet over de wending, welke het onderhoud begon te nemen: "o! spreek zoo niet!.... zoo gij wist....; maar neen; ik mag niet spreken."

"Voleind," zeide zij: "onderdruk de eerste edelmoedige gedachte niet, die in uwe ziel komt opgerezen."

"Helaas!" hernam hij, "zoo gij wist, waartoe mij het lot veroordeelt, gij zoudt deernis met mij gevoelen. Een stalen, een onverbiddelijke wet verbiedt mij jegens u te handelen gelijk ik zoo gaarne wilde, verbiedt mij voor het aangezicht der wereld te zeggen: ik bemin Madzy Dekama en zoek haar tot gade. En nu dit hart mij mijns ondanks dwingt u te beminnen, moogt gij slechts daarvan kennis dragen en moet ik hard tegen u zijn, omdat het oogenblik, dat u aan mijne macht ontrooft, mij meteen alle hoop voor de toekomst ontneemt. Mijn woorden schijnen u raadsels toe;--welaan! ik zal duidelijker spreken,--Madzy Dekama! ik ben...."

Hier deed zich op eens een stem hooren, welke op luiden toon om den schildknaap Otto riep. Zoodra de Bisschop dit geluid vernam, zweeg hij eensklaps, sloeg zich voor 't hoofd en snelde de deur uit, welke hij echter niet vergat met voorzichtigheid weder achter zich te sluiten; waarna hij zich naar den kant begaf, van waar het geroep gekomen was.

Madzy bleef dus weder aan haar zelve overgelaten, en, gelijk men denken kan, ter prooi aan de droevigste gepeinzen. O! hoe betreurde zij opnieuw den dag, toen zij voor 't eerst het land van haar geboorte verlaten had. Hoe suisde haar, gelijk een kwellende geest, die voorspelling in de ooren, welke aan de Roos van Dekama zooveel leeds toezeide, indien zij de zee overtrok. Twee gedeelten dier voorspelling waren reeds uitgekomen: zij had vleiers en minnaars gevonden: en zij was in een beangsten toestand gebracht. Zou het derde deel ook eens uitkomen? Ach! vruchteloos scheen het haar toe, zich met een ijdele hoop te vleien; want de terugkeer van haar voorspoed was aan een voorwaarde verbonden, wier zin duister, wier vervulling bijna onmogelijk scheen; want van welken vorst kon het orakel spreken? en wiens buit kon in de tegenwoordige omstandigheden de roof der Friezen worden?

Zij zocht nu haar toevlucht bij Hem, buiten Wiens wil geen musch ter aarde en geen haar van het hoofd valt, en smeekte Hem, ook haar, in den pijnlijken toestand, waarin zij zich bevond, niet te willen verlaten. Haar gebed was lang en innig; en meer dan eens werd het door heete tranen afgebroken;--maar, toen zij weder oprees, gevoelde zij zich gesterkt en opgebeurd, en met een kalm gelaat besloot zij naar lot te verwachten. Het duurde niet lang of haar moed werd opnieuw op de proef gesteld, want zij hoorde iemand, die met rassche schreden haar vertrek genaken kwam. Een onwillekeurige trilling beving haar: zij vermande zich echter en rees op. De deur ging open:--maar wie schildert haar verbazing, haar opgetogenheid, toen zij, in de plaats van haar gevreesden vervolger, Aylva's dienaar, den getrouwen Feiko voor zich zag.

Hoe deze in zulk een gepast oogenblik verscheen, zullen wij in het volgende hoofdstuk ophelderen.

VIJF-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Il faut suivre Cassandre ou choisir Antigone.

Voltaire. Olympie.

Toen Arkel zich uit het vertrek van Madzy verwijderd had, was hij naar den kant gegaan, waar het geroep vandaan was gekomen en waar hij spoedig Reinout vond, die, altijd onder de aangenomene wapenrusting van den Ridder des Rooden Adelaars, bezig was met hem overal te zoeken.

"Gij hebt welgedaan van te komen, Otto!" zeide hij met een luide stem: "ik zou u bijna reeds zijn gaan opzoeken in de verbodene vertrekken," voegde hij er zachtjes bij.

"Wat is er gebeurd?" vroeg Arkel, haastig met hem in een zijvertrek gaande: "is de vijand in de stad?"

"Neen!" zeide Reinout, wiens gelaat van angst en toorn scheen te gloeien: "maar ik wilde u het vertrek doen verlaten, waar gij u in bevondt, en waar ik niet binnen mocht komen, zonder mijn belofte te schenden."

"Wat is er dan zoo dringends?" vroeg de Bisschop, die reeds in een kwade luim gebracht was door den slechten uitslag van zijn bezoek bij Madzy, en bij wien deze woorden van Reinout weinig geschikt waren een betere stemming te doen ontstaan.

"Bisschop van Utrecht!" zeide Reinout, hem met fonkelende oogen aanziende: "wie is het meisje, dat gij daar in de gindsche kamer houdt opgesloten?"

"Stil! stil toch!" zeide Arkel, zich verbijtende: "gij weet immers, dat ik slechts uw schildknaap ben."

"Geef antwoord!" hernam de woedende jongeling, "of ik ga uw naam overluid op de markt schreeuwen."

"Dat ware vrij ondankbaar van uwentwege," zeide Arkel: "maar herinner u, dat gij mij uw woord gegeven hebt van geen onderzoek te doen naar hetgeen gij thans begeert te weten."

"Ik herinner mij niets van dien aard," zeide Reinout: "integendeel weet ik zeer wel, dat ik u alleen beloofd heb, niet in de verboden kamer te komen en dat gij verder geen eeden van mij gevergd hebt; ik zou uwe geheimenis geëerbiedigd hebben, indien mij met een toeval zooeven had doen ontdekken, hoe schandelijk ik door u beleedigd ben geworden."

"Beleedigd! door mij!" herhaalde Arkel: "en wat hebt gij dan vernomen?"

"Ik heb zooeven dat oude wijf ontmoet, hetwelk gij tot de oppassing, zoo 't heet, der zieke deerne had aangenomen, ik hoorde haar mompelen: zij vloekte op u; zij beklaagde zich dat gij haar had toegegrauwd, en dat zij meer last had van eene zotte Friezin, dan van al de mooie meisjes, die zij ooit onder haar bewaring had gehad:--ik weet niet, welk vreeselijk vermoeden mij beving; maar ik ondervroeg haar: en de overtuiging, die ik verkregen heb, is, dat die Friezin niemand anders is dan de door mij altijd aangebeden Madzy Dekama."

"Ik zal die vervloekte koppelaarster laten geeselen," zeide Arkel, met de vuist op de tafel slaande.

"Gij kendet mijne liefde voor dat meisje," vervolgde Reinout: "en niettemin zocht gij haar aan uw schendigen lust op te offeren?"

"Ho! dat gaat te ver!" zeide Arkel: "ik had, dunkt mij, evenveel recht als gij, om haar mijn hof te maken."

"Maar gij hebt vergeten," ging Reinout voort, "dat gij mij door die handelingen hoondet: dat ik uw geheim in mijne macht heb: dat, eer de avond daalt, gansch Utrecht en het geheele leger des Graven weten kunnen, hetgeen gij zoo gaarne zoudt willen verbergen!"

"Welaan!" zeide Arkel, met bitterheid: "het moge ontdekt worden: ik heb mij over geen sluipmoord te schamen."

"Neen!" hernam Reinout: "maar een geestelijke, die de wapens voert, is door die daad zelve vervallen van zijn waardigheid."

Arkel zweeg en ging met groote stappen het vertrek op en neder, terwijl zijn hoofd vervuld was met onaangename gedachten. Wat baatten hem nu al zijn fijn gesponnen listen? wat de vernuftige wijze, waarop hij Madzy in zijn geweld had weten te houden en zich van Reinout tot zijn belang bedienen? Hij werd (en voor 't eerst van zijn leven) door een folterenden hartstocht gekweld, waar hij alleen verstrooiing gezocht had: hij had met beschaamde kaken gestaan voor het eenvoudige meisje, waarop hij zich gevleid had een gemakkelijke zegepraal te zullen behalen: en hij zag zich in de macht van een man, wien hij slechts als een werktuig zijner hooge plannen beschouwde. Het was hem evenals degene, die een bergstroom over zijn landgoed heeft afgeleid, met de hoop van de wateren tot voordeel van zijn plantsoen en landerijen te zullen gebruiken, en die integendeel het nat boven peil ziet wassen en alle moeite moet aanwenden om niet zijn oogst onherstelbaar bedorven te zien. Maar zoodra Arkel eens zooverre gekomen was, dat hij een recht begrip gekregen had van het netelige en hachelijke zijns toestands, riep hij zijn vindingrijken geest te hulp: en deze begaf hem ook nu niet: weldra was bij hem het besluit vastgesteld om aan den storm, hoe geweldig die hem ook tegenwoei, een mannelijken weerstand te bieden. Hij besefte intusschen, dat hem zulks niet zoude kunnen gelukken, dan ten koste zijner meest geliefkoosde uitzichten; maar gelijk de schipper, die een rijke lading overboord werpt om zijn schip te behouden, zoo aarzelde hij niet, om de streelende hoop op het bezit der schoone Friezin te laten varen, zoo hij door die opoffering zijn eer en waardigheid voor schipbreuk behouden kon. Eerst echter trachtte hij nog eene poging te doen.

"Reinout!" zeide hij: "ik belach uw ijdel geklap. De laatste uitval is voorspoedig geweest: Graaf Willem is gekwetst in zijn tent teruggevoerd: de verslagenheid heerscht onder de Hollandsche benden. Nooit kon ik gunstiger tijdstip vinden om mij aan mijn brave Utrechtenaren bekend te maken: om, sterk door de algemeene stem, die zich voor mij verklaren zoude, hem te doen zwijgen, die mij in verdenking poogde te brengen."

"Vlei u daar niet mede," zeide Reinout met bitterheid: "Willem moge gekwetst zijn, maar het is slechts aan den voet; en zijn geest blijft even helder als te voren: elke uitval kost opnieuw ons dapperen, en zoo de verslagenheid ergens heerscht, het is in deze wallen, waar gebrek en ziekte reeds woeden en geene hoop meer is dan op een spoedige overgave."

"Dwaze vrees! de stad kan het nog lang uithouden: en weldra snelt Gelder met talrijke legerscharen aan tot ontzet."

"Gelder!" herhaalde Reinout, met een hoonenden lach: "hij heeft zich met Holland vereenigd: en gezamenlijk bedreigen zij deze wallen."

"Hoe!" riep Arkel: "zou de leeuw een aandeel in den buit aan den tijger afstaan? en van waar hebt gij op eens die schoone tijdingen?"

"Van de raadzaal, waar de Kapittels en de vroedschap met benauwde gezichten bijeenzitten:--men heeft een wapenstilstand van vier en twintig uren gesloten: men vreest oproer onder 't volk, dat reeds mompelt van overgaaf. Ha! wat een schoon gezicht zal het zijn, u naast het paard des Graven te zien gebonden, wanneer hij in zegepraal door de bres binnentrekt."

"Dan bindt men u gewis aan den staart," zeide Arkel wrevelig.--"Maar waartoe zal dit alles leiden? Gij waant mij vrees aan te jagen: en intusschen zijt gij zelf de eenige, die hier te vrezen hebt."

"Ik kan slechts het leven verliezen, dat sedert lang voor mij geene waarde meer heeft: maar voor u is alles verloren."

"Laat mij daarvoor zorgen," zeide Arkel met fierheid: "ondankbare! ik had ook voor u gezorgd; maar gij zelf, gij schijnt er genoegen in te scheppen, om alles omverre te stooten, wat ik voor uw heil had bedacht."

"Hoe!" zeide Reinout, hem verbaasd aanstarende: "wat beduidt deze ontijdige scherts?"

"Ik scherts niet:--ik had mij gevleid, om, wanneer eens de wapenen onze rechtmatige zaak hadden doen zegevieren, en ik in staat zoude zijn, mijn erkentenis en vriendschap te toonen aan hen, die mij blijken van trouw gegeven hadden, om u dan, tot loon uwer dapperheid, de schoone Madzy in den arm te voeren en u tevens als den wettigen zoon van den Heer van Aylva te doen erkennen."

"Welke nieuwe list bedenkt gij thans?" vroeg Reinout, meer en meer verwonderd.

"Een list? hoor toe, of ik listig met u handel. Madzy Dekama kwam vermomd op mijn slot Nyenstein een schuilplaats zoeken. Zij was uit de handen des Graven ontsnapt, die haar in 't klooster te Rijnsburg wilde steken."

"'t Kan wezen! verder!"

"Uit deernis nam ik haar mede: zij had mij haar naam geopenbaard:--doch onder voorwaarde van geheimhouding:--ik vond geene vrijheid, u dien mede te deelen."

"Zij gaf u haar naam te kennen!"

"Laat ik vervolgen:--hier komende, bevond zij zich te ziek om verder te reizen: ik liet haar genezen: intusschen bekende zij mij haar afschrik voor u:--voor u, Reinout! die een onschuldigen medeminnaar in haar bijzijn den doodsteek had gegeven.--Daarom verzweeg ik aan u beiden, dat gij met elkander onder één dak woondet."

"Gij deedt zeker wel," zeide Reinout, met bitterheid, "niets daarvan te melden aan uw bijzit: men kan met zulke kostbare schatten niet te geheim wezen."

"Ridder!" zeide Arkel op een toon, welken Reinout niet miskennen kon, "bij de eeuwige zaligheid, welke ik eenmaal hoop in te gaan! zooverre is het er van af, dat Madzy Dekama mijne bijzit zoude zijn, dat ik u plechtig kan betuigen, nooit een meer zuivere, meer engelreine ziel te hebben leeren kennen."

"Ik geloof u," zeide Reinout: "verder!"

"Ik poogde echter, haar afkeer tegen u te overwinnen. Tot dusverre ben ik slechts ten halve geslaagd.--Welaan!--na hetgene er tusschen ons is voorgevallen, kan ik niet langer met u als met een vertrouwden vriend, gelijk te voren, omgang hebben. Wij moeten scheiden.--Verlaat mij, verlaat Utrecht!--voer Madzy met u!--tracht haar afkeer in liefde te veranderen:--en voorts, neem dezen ring: Aylva zal hem erkennen: het was zijn gift aan uwe moeder Bianca di Salerno: neem dezen brief, dien zij aan Carlo della Scala schreef om...."

"Mijn God! de brief, dien wij aan den Pelgrim medegaven! Hoe komt gij aan deze stukken?"

"Om 't even! gij weet dat Barbanera in mijnen dienst was:--wat hij u voor goud wilde afstaan, geef ik u om niet:--en nu, verzuim geen tijd, om de gunst des Oldermans te winnen. Madzy zal wellicht aan den zoon van haar voogd de hand schenken, welke zij den onbekenden Italiaan volstandig bleef weigeren."

"Droom ik? of waak ik?" zeide Reinout, duizelend, met de bewijsstukken in de hand, het vertrek op en neder gaande: "mensch!" riep hij op eenmaal uit, terwijl hij Arkel aanstaarde: "misleidt gij mij niet? zeg mij, herhaal mij, dat gij mij niet misleidt, en ik zal u aanbidden."

"Dat behoeft niet," zeide Arkel, glimlachende: "bezorg mij slechts een duizendtal wakkere Friezen en ik scheld u alle erkentenis kwijt."

"Madzy zou de mijne zijn!" riep Reinout, uitgelaten van blijdschap. "Ik heb u miskend, Heer Bisschop! maar waarom ook zoolang gezwegen?"

"Stil!" zeide Arkel: "wees slechts kalm, en laten wij de middelen beramen, welke tot het doel kunnen leiden, dat wij beoogen. Op welke wijze komt gij met uwe schoone veiligst buiten Utrecht en door 's Graven leger heen? dit vereischt een bedaard overleg."

Maar tot bedaard overleg bestond thans geene mogelijkheid; want een plotseling gedruis, dat zich aan de huisdeur hooren deed, belette hen elkander te verstaan en noodzaakte hen te gaan zien, wat aanleiding tot die opschudding gaf.

Het schouwspel, dat zich aan hun oogen voordeed, ware in elk ander oogenblik wel geschikt geweest om hunne lachspieren in beweging te brengen. In het voorportaal stond de eerzame Mechtelt Dirksdochter luid te schreeuwen en alle mogelijke moeite aan te wenden om zich te verweren tegen den aanval van onzen welbekenden vriend, meester Cezar, die op haar schouder had postgevat en bezig was met zijn voorpooten haar kapsel op een deerlijke wijze te havenen. Aan de deur vertoonde zich de wakkere hansworst, pogende binnen te dringen, in spijt van Arkels dienaars, die hem met geweld tegenhielden: en achter hem, op die stoep, bleef een kloekgebouwde knaap bedaard afwachten, wat de uitslag der tweespalt zou zijn.

Arkel en Reinout lachten echter niet: de laatste omdat zijn ziel nog te veel vervuld was met het aangename vooruitzicht, 't welk zich voor hem opende, dan dat hij op iets anders acht had kunnen geven: de eerste, omdat de onverwachte verschijning van den hansworst hem zeer in verlegenheid bracht; daar deze, door de vermelding van zijn boodschap naar Harderwijk, hem bij Reinout tot een logenaar kon maken. Hij stapte echter naar hem toe, en vroeg, wat er gaande was.

Maar het was niet gemakkelijk, terstond een duidelijk antwoord op deze vraag te bekomen. Wel traden de dienaars terug en poogde Daamke zijn boodschap te verrichten; maar de luide kreten van Mechtelt, die gestadig schreeuwde dat zij 't besterven zou, beletteden dat men iets anders hooren kon: en het was noodig dat de hansworst haar van het kwellende dier verloste ('t geen echter niet dan ten koste van haar hoofdtooisel en van een goed deel der enkele grijze haren, die zij nog overhad, kon volbracht worden) eer er eenige stilte kwam.

"Kan mij nu iemand verhalen," vroeg Arkel, "wat aanleiding gegeven heeft tot dit onhebbelijk rumoer?"

"Deze knapen wilden mij niet binnenlaten," zeide de hansworst: "ofschoon ik een boodschap voor uwe Edelheid heb."

"Deze vent wilde binnendringen," riepen de dienaars, "ofschoon wij last van u hadden, hem weg te jagen, wanneer hij zich weder vertoonde."

"En ik, arme ziel! die met den twist niets te maken had," riep Mechtelt, "en er een paar woordjes van vrede wou tusschen spreken, ik zie mij aanvliegen door dat ongure beest! O wee! mijn arme kapsel!"

"Nu! nu! bedaar, Mechteltje!" zeide Arkel: "het lieve diertje heeft zeker gemeend, zijn moeder te omhelzen. Intusschen moet ik u zeggen, dat ik uwe diensten niet langer hier in huis van doen heb; ziehier een goudstuk, dat uwe moeite ruim beloonen zal; maar pak u uit mijn gezicht. Gij," vervolgde hij tot Daamke: "volg mij in het zij vertrek. Ridder!" (tegen Reinout) "gij zult mij wel voor eenige oogenblikken willen verschoonen?"

Reinout, voor wien dit voorval niets belangwekkends had, keerde naar zijn vertrek terug: Daamke volgde den Bisschop: de dienaars gingen lachende naar de keuken terug, en Mechtelt, zich dus verlaten ziende, begon haar gemoed lucht te geven tegen den onbekende, die nog altijd als een paal tegen de voordeur stond.

"Is het geene schande," zeide zij, "zoo voor het oog van de menschen een trouwe dienares weg te zenden, die bij Hertogen en Graven is werkzaam geweest, en bij Kerkvoogden ook, dat ben ik. Daar was de Graaf van Gelder, wiens ziel bij God is; die heeft mij een maand lang op zijn huis te Rozendaal gehad bij zijn zoetelief: en gaf mij dubbel loon toen ik vertrok en nog twee zilveren ringen tot een vereering, dat gaf hij!--En daar was de Domproost Gwy, de oudoom van den Graaf van Holland, de vroolijkste en vriendelijkste man, die ooit een mis gelezen heeft, (onze L. V. zij met hem) die kwam ook dikwijls zijn leed bij mij verzetten, dat kwam hij, en nooit lieb ik een onvertogen woord van hem gehad: en des Graven vader zelf, die nu in 't paradijs is, heeft hij ook niet meer dan eens met mij gesproken, of ik zijn vleeschelijke zuster ware? en mij altijd de hand boven 't hoofd gehouden, dat heeft hij."

"Ik moet dan zeggen, dat des Graven vader een raren smaak heeft gehad," zeide halfluid de onbekende, die aan zijn tongval een vreemdeling scheen, en niet recht begreep, welke verplichtingen die heeren aan Juffer Mechtelt konden gehad hebben.

"Maar men kent den vogel aan zijn veeren," vervolgde het wijf, zonder acht te slaan op zijn aanmerking: "dat waren edele, brave Heeren, die wisten wat een mensch toekomt, dat dag en nacht voor het lieve brood moet sloven, en altijd zorgen, ieder tevreden te stellen. Maar deze spreeuw, die mij zoo onbeschaamd afjakkert, wat is hij anders dan een kale, stomme nachtegaal, die nu eens voor schildknaap en dan weer voor heer speelt, die opeens uit de lucht komt gevallen, zonder dat iemand weet waar vandaan, met zijn kameraad van den rooden Arend, en met zijn Friesch kwikstaartje, dat meer kuren heeft in haar pink dan al de meezen van Utrecht in haar heele lijf, dat heeft zij."

Deze laatste woorden schenen den vreemdeling uit zijn onverschilligheid op te wekken: en zijn breede hand op den schouder van Mechtelt leggende: "wat praat gij van Friesche kwikstaarten?" vroeg hij: "houdt dat heer er Friesche kwikstaarten op na?"

"Waarachtig!" zeide zij: "en ofschoon ik altijd dicht ben als een pot, dat ben ik, (gelijk wel gebleken is, toen de Heer van Zuylen van mij wilde te weten komen, waar zijn zoon alle avonden zat), na zulk een behandeling als ik nu heb ondergaan, zal ik spreken zoo luid als ik kan, dat zal ik! en vond ik een edelen Fries, die er wat voor overhad om 't fijne van de mis te verstaan, ik zou hem wel in 't oor fluisteren dat Madzy Dekama hier zit opgesloten."

"Wat zegt gij, wijf!" riep de verbaasde Feiko (want de vreemdeling was geen ander dan hij): "Freule Madzy opgesloten! en wie Satan durft dat doen?"

"De man die daar is binnengegaan," antwoordde Mechtelt met een hoonenden lach: "Aha! Heer Otto! of hoe gij u ook mocht verkiezen te noemen! Wij zullen zien, hoe u dit peertje smaken zal, dat zullen wij: en gij zult uw onbeschoftheid tegen mij duur betalen! Te zeggen, dat zulk een onguur dier mij voor zijn moeder aanzag!"

Dit laatste gedeelte van haar redeneering was een alleenspraak; want Feiko was reeds het vertrek binnengesneld, waar zij hem op gewezen had. Daar had ondertusschen het navolgende onderhoud plaats gehad tusschen den Bisschop en den hansworst.

"Welnu!" was Arkels eerste vraag: "Wat brengt gij?"

"Ik heb uw bevelen volbracht."

"Waarlijk!" zeide Arkel, op een onverschilligen toon: "ik geloof dat er ruim zes weken verloopen zijn, sedert ik u gezien heb; en ik weet op zijn best meer, wat die bevelen waren."

"Om aan die Friesche Heeren te Harderwijk te verhalen, dat Jonkvrouw Madzy....-"

"Ja! ik herinner mij.... Verder!"

"Nu! zij keken mooi op hun neus, toen ik de tijding bracht;--maar daar was een zekere Feiko bij.... ik heb den man eens leelijk slaag zien krijgen, te Haarlem."

"Ter zake!--al die uitweidingen verlang ik niet."

"Nu! die Feiko wilde met alle geweld naar Rijnsburg om Jonkvrouw Madzy te gaan opzoeken."

"Ik wensch hem goede reis.--Wat wijders?"

"En zoo keerde de man, die den weg niet kende, met mij terug; want ik was ook juist van zins, meester Barbanera op te zoeken: en wij gingen eerst naar Plaswijk, waar ik bleef: en Feiko trok naar Rijnsburg: hij is een hupsche kerel, die Feiko: en ik had hem beloofd, te Plaswijk op hem te zullen wachten...."

"Maar wees dan toch wat kort! wat gaan mij al uw reizen aan?"

"Joost haal mij! wij hebben van den een noch van den ander iets vernomen. Te Rijnsburg wist men van geene Madzy Dekama, zooals ik trouwens ook wel dacht: en te Plaswijk wist men evenmin waar meester Barbanera was: ik heb alleen zijn kast gevonden en die meegenomen om voor den man te bewaren.--En toen Feiko weer terugkwam te Plaswijk en hoorde van de kasteleines, dat er een vermomde Jonkvrouw bij haar had gehuisvest en dat zij 's nachts van daar geloopen was, en dat er den volgenden dag een draagkoets den Ridder van den Arend naar Utrecht gevolgd was, kreeg hij kwaad vermoeden, en zoo besloten wij samen u te gaan opzoeken."

"Gij zijt een ezel," zeide Arkel: "wat deedt gij hem te Plaswijk te brengen? en kondet gij hem niet met een kluitje in 't riet sturen?"

"Ja, wat zal ik zeggen? ik was zelfs nieuwsgierig om te weten waar meester Barbanera gebleven was:--en zoo trokken wij samen naar Utrecht, zonder zelf te weten hoe wij er zouden binnenkomen; maar gelukkig is er heden een wapenstilstand gesloten: en zoo werden wij doorgelaten voor een paar goede woorden, die mijn reismakker aan een kleinen springer van een schildknaap gaf en voor een paar kunsten, die meester Cezar deed."

"Freule Madzy! freule Madzy! waar is freule Madzy?" riep Feiko, die op dit oogenblik de kamer binnenstoof.

"Wat is er van uw dienst?" vroeg Arkel: "en wat beduidt deze woeste manier van binnen te stuiven?"

"Ik zoek Jonkvrouw Madzy Dekama, die gij opgesloten houdt," riep de eerlijke Feiko: "ik moet mijn brave Jonkvrouw terughebben."

"Nu! nu!" zeide Arkel, met bedaardheid: "maak slechts zulk een geweld niet. Niemand denkt er aan, om uw Jonkvrouw tegen haar zin hier te houden."

"Hoe!" zeide Feiko, verbaasd blijvende staan, en zich omtrent in den toestand bevindende van iemand, die een stok heeft opgenomen om een hond te verjagen, door wien hij denkt te zullen worden aangevallen, en die integendeel het beest kwispelstaartend naar zich toe ziet komen, om hem de handen te likken.

"Welnu!" vervolgde Arkel, tegen Daamke: "ik bedank u voor uw tijding; maar uw diensten heb ik niet langer noodig. Uw meester Barbanera heb ik niet in mijn zak;--ik meen gehoord te hebben, dat de Graaf hem heeft doen opknoopen."

"Laat u dat niet ontmoedigen," zeide Feiko, terwijl hij den bedrukten hansworst op den schouder klopte: "gij zult met mij naar Friesland terugkeeren: en men zal er geene huisvesting noch een stuk brood weigeren aan den man, die mij geholpen heeft, om mijn Jonkvrouw terug te vinden."

"Waarom niet?" zeide Arkel, wien het op eens voor den geest kwam, dat hij zich van deze gelegenheid bedienen kon: "gij zegt, gij zijt onverhinderd door het vijandelijke leger gegaan?"

"Zooals ik u verhaalde," antwoordde Daamke: "Uwe Edelheid weet, dat potsenmakers overal tolvrij zijn, mits de aap een paar kunsten doe."

"En wat mij betreft," zeide Feiko, "ik heb een aardigen kleinen duivel van een schildknaap ontmoet, die mij te voren meer gezien had," zeide hij: "en toen ik hem verhaalde, dat ik Freule Madzy ging zoeken, liet hij mij terstond door; en hij had zelfs de vriendelijkheid van mij te zeggen, dat als ik terugkwam, ik slechts naar Jonker Zweder van Naaldwijk moest vragen en hem melden of ik geslaagd ware."

"Uitmuntend!" zeide Arkel, "welnu! heden nog zult gij vertrekken. Wij zullen dadelijk de middelen beramen om uw terugreis te verzekeren. Wacht mij slechts een oogenblik hier."

Dit gezegd hebbende, haastte hij zich naar Reinout, aan wien hij het gebeurde mededeelde: zoodra zij het te zamen eens waren geworden over de beste wijze, waarop de reis zou kunnen plaats hebben, ging de Italiaan zijne toebereidselen maken, en keerde Arkel naar de beide nieuwaangekomenen, aan wie hij zijn ontwerp voor zooverre hun aanging mededeelde en het noodige onderricht gaf.

"Maar kan ik nu mijn Jonkvrouw niet zien?" vroeg Feiko, die van ongeduld brandde.

"Jawel!--en zoo gij wilt, kunt gij haar tevens verzoeken, zich reisvaardig te maken. Ziehier den sleutel van haar vertrek. Gij gaat de trap op, de lange gang die voor u is ten end, en opent de laatste deur aan uw linkerhand."

Recht in zijn schik nam Feiko den sleutel in de hand en ijlde naar Madzy's verblijf. Onbeschrijflijk was de vreugde van den getrouwen dienaar, en niet minder hare blijde verwondering, bij hun ontmoeting. Hij huppelde naar haar toe, kuste haar de handen, wreef zich een traan uit de oogen, sprong in de rondte en deed ongeveer al de bewegingen, welke een trouwe huishond in 't werk stelt bij het wederzien zijns lang afwezigen meesters.

"Feiko!" riep zij: "mijn trouwe Feiko! gij hier? o! dan ben ik niet geheel van den Hemel verlaten."

"Verlaten!" herhaalde hij: "'t mocht wat, Freule! heden nog gaan wij op reis: de edele Heer van dit huis heeft mij zelf gezegd, het hing alleen van u af te vertrekken, wanneer gij wildet. Hoezee! wij zeggen vaarwel aan Utrecht en zien ons vrije Friesland weer, waar men geen zes weken heeft rond te loopen, eer men zijn kennissen terugvindt."

"Hoe!" zeide Madzy, die een zoo spoedigen omkeer in haar lot niet had kunnen verwachten en nauwelijks wist of zij waakte of droomde: "en wie heeft gezegd dat ik vertrekken kan wanneer ik wil?"

"Dat heb ik gezegd," zeide Arkel, die ongemerkt Feiko gevolgd was en nu de kamer binnentrad. "Ga nu, mijn goede Feiko! en maak dat alles vaardig zij, gelijk onze afspraak was."

"Blijf Feiko!" riep Madzy, beangstigd; maar de trouwe dienaar was reeds vol ijver naar beneden gesneld.

"Vrees niet langer, een oogenblik met mij alleen te zijn," zeide Arkel, terwijl hij in een deemoedige houding voor Madzy bleef staan: "het is de laatste reize. Gij zijt getuige van mijn dwaasheid geweest: wees het ook van mijn naberouw. Ja, ik heb onwaardiglijk met u gehandeld; maar ik wil herstellen, wat ik misdaan heb. Deze brave dienstknecht, wien de hemel zelf ons schijnt toe te zenden, en twee getrouwe gidsen zullen u naar Friesland teruggeleiden:--Ik gevoel, dat ik geene vergiffenis verdiend heb voor mijn vergrijp jegens u; maar uwe ziel is te rein, te edel, om wrok te voeden wegens een misdaad, alleen door uwe bekoorlijkheden voortgebracht."

Hier viel hij op ééne knie voor haar neder en boog het hoofd in diepen ootmoed. Madzy zag hem aan en zij had den moed niet, haar rechtmatige gramschap jegens haren verdrukker te blijven behouden. En welke vrouw, tenware zij haar kunne had afgezworen, zou wrok hebben kunnen voeden jegens den schoonen jongeling, wiens gelaat zoo innemend, zoo bevallig was, op wiens voorhoofd de naam van edelman in zulke sierlijke trekken geschreven stond, in wiens oogen een traan van boete fonkelde en die geknield aan haar voeten lag.--Bewogen reikte zij hem de hand toe: "sta op Ridder!" zeide zij: "en moge God u vergeven, gelijk ik het doe. Zoo wij scheiden, zal het in vriendschap zijn."

"Uw goedheid boezemt mij stoutmoedigheid in," hernam Arkel, oprijzende: "niet om mijnentwil, maar om hooge, gewichtige redenen, welke gij eenmaal misschien doorgronden zult, smeek ik u, laat hetgeen tusschen ons is voorgevallen voor elk een geheim blijven."

"Ik beloof het u," zeide Madzy: "maar het smart mij van u, Ridder, dat gij u tot daden liet vervoeren, waarvan gij geheimhouding verzoeken moet. Neem den raad van een eenvoudig meisje aan, en handel nimmermeer in 't verborgen anders dan gij in 't openbaar zoudt handelen."

De fijne, de listige Arkel, de man, die zijn medemenschen slechts als poppen beschouwde, bestemd om door hem met onzichtbare draden bewogen te worden, was getroffen, geschokt door de eenvoudige, reine taal der waarheid, ontvloeid aan de lippen van een onschuldig meisje, dat hij kort te voren nog als een lichte prooi beschouwd had: "Engel!" zeide hij, in vervoering hare hand kussende: "ach! spreek niet één woord meer; want gij zoudt mij het scheiden al te smartelijk maken. O! waarom verbiedt mij die gevloekte gelofte u te beminnen, gelijk gij verdient bemind te worden."

"Een gelofte!" herhaalde Madzy verbaasd: "een gelofte! Wat zijt gij dan? Een Ridder van Sint-Jan?"

"Meer dan dat," antwoordde hij met een gesmoorde stem: "ik ben een priester, Madzy! ik ben" (hier fluisterde hij) "de Bisschop van Utrecht."

"Heilige God!" riep zij met verbazing uit: "gij?"

"Nu geen woord meer;--gij weet mijn geheim!--het zal u heilig blijven.--Voort! voort! aan de deur wachten uw geleiders."

En met deze woorden voerde hij de ontstelde maagd, aan wie alles wat zij zag en hoorde een droom scheen, haar vertrek uit naar beneden.

"En nu, vaarwel aan alle liefdedroomen!" zeide de Bisschop, toen hij zich 's avonds alleen bevond en zich vermoeid in zijn zetel wierp: "Ellendige wezens, die wij menschen zijn! Ik, die niets op de wereld meer bejaagde dan mijn onafhankelijkheid, ik was op het punt de slaaf te worden van een paar schoone oogen! Maar, God lof! ik heb als een andere Simson de banden dier tweede Delila verbroken.... en ik zal hem niet in zijn dwaasheid volgen, om zich mede onder de puinhoopen te begraven, welke hij op 't hoofd zijner vijanden storten deed.--God zegene u, schoone Madzy, en geve u een voorspoedige reis! Zoo die reis mij slechts een paar duizend wakkere Friezen bezorgen kon, dan ware er wellicht nog kans het beleg te rekken.--In een tegenovergesteld geval!--welnu, ook dan is mijn besluit genomen!"

ZES-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Zoo vlught de nachtegael het vogelvangers garen, En valt in 's arends klaauw.

Vondel. Maria Stuart.

Ofschoon Madzy's verlangen om Utrecht zoo spoedig mogelijk te verlaten, en de noodzakelijkheid om van den gesloten wapenstilstand gebruik te maken, de toebereidselen tot het vertrek hadden verhaast, was het echter reeds laat in den namiddag, toen onze heldin met haar gezelschap de Witte poort uittrok, voorafgegaan door Arkel zelf, die in zijn dos van schildknaap des Ridders van den Rooden Arend, welke bij het krijgsvolk welbekend was, hun een onverhinderden aftocht verschafte, en uitgeleide deed tot aan de overzijde der stadsgracht. Hier hield hij een oogenblik stil, en, Madzy naderende, boog hij met eerbied zijn gehelmd hoofd over de hand, welke zij hem ter afscheid toestak, waarna hij, zonder een enkel woord te spreken, de teugels wendde en langzaam weder naar binnen reed, terwijl de Jonkvrouw met haar geleide haar weg vervolgde. Madzy bereed het paard, waarop Arkel bij zijn vertrek van Nyenstein gezeten was geweest: en weinig dacht zij, dat de vos, die een zoo zachte en gelijke beweging had, eens het eigendom geweest was van dien ongelukkigen Deodaat, wiens beeld al de vreemde voorvallen, die zij ondergaan had, nog geenszins uit haar geest hadden geweerd. Naast haar reed Feiko, wiens oplettend oog al de bewegingen van het paard zijner wedergevonden meesteres gadesloeg, ten einde in staat te zijn, zoo er iets gebeurde, dadelijk met zijn hulp bij de hand te kunnen zijn. In de achterhoede kwam onze goede hansworst op zijn ezel, met den aap op den schouder en de tooverkast van meester Barbanera op den rug, en beweerde al lachende, dat zijn vracht zwaarder was dan die van grauwtje, en dat hij nabij de eerste rustplaats beproeven zou, de kast op den ezel te zetten en zelf op de kast te gaan zitten. Nevens hem reed een Cistenser monnik, welken laatsten Arkel, zoo 't heette, uit overmaat van voorzorg, hun tot gids en gezelschap had medegegeven. Hoewel beiden elkander veel te vragen hadden, zetteden echter Madzy en Feiko hun weg in stilte voort, liever verkiezende, hun onderhoud uit te stellen tot zij in 't open veld en veilig waren; want niettegenstaande den wapenstilstand, en de gerustheid, welke het gezelschap eens potsenmakers inboezemen moest, bleef het een gewaagd stuk, aldus door een legerplaats heen te trekken, waar men veel kans had kwalijk behandeld te worden, en Madzy bovendien gevaar liep van herkenning, welke haar opzet ten eenenmale zoude verijdelen. Zij reed dan langzaam en met omsluierd gelaat, zonder op te zien, vooruit; maar Feiko daarentegen liet gestadig, zoowel uit bezorgdheid voor haar als uit nieuwsgierigheid, den blik nu her- dan derwaarts weiden, om te onderzoeken of er ook eenig gevaar ophanden ware, en om te beschouwen wat bezienswaardig scheen. Reeds hadden onze reizigers rechts en links van zich een paar dier hooge stormtuigen laten liggen, waarvan er dertien om de benarde stad waren opgericht, en waaruit, onder de bedekking van de talrijke boogschutters, die zich op de bovenste verdieping bevonden, steenen kogels van een ontzettende zwaarte in de stad werden geschoten. Thans echter waren die gevaarten verlaten en alleen door een kleine wacht bewaakt. Zij bevonden zich nu aan den ingang der belegeringswerken, achter welke men tallooze horden, karren met aarde, en andere voorwerpen onderscheidde, tot demping der gracht bestemd; maar de belegeraars, afgetobd na de vermoeienissen der vorige dagen, lagen meest allen in diepen slaap uitgestrekt en genoten die rust, welke de wapenstilstand hun toeliet gedurende vier en twintig uren ongestoord te smaken. Met dat al geraakten de vluchtelingen niet binnen het rasterwerk, waarmede deze legerschans omsloten was, zonder door de schildwachten te zijn aangehouden; maar dezen, zoodra zij Feiko en Daamke voor dezelfde personen herkenden, welke dien morgen door Jonker Zweder van Naaldwijk tot aan de poort waren geleid, lieten hen onverhinderd doortrekken, 't zij uit eerbied voor den hun gegeven last, 't zij uit aanmerking van den wapenstilstand, 't zij eindelijk omdat zij te lui en te vermoeid waren om nadere bevelen te gaan vragen.

Onze reizigers waren alzoo de werken doorgekomen, welke de stad als met een ring omsloten, en bevonden zich op een ruimen grond, waar zij het vooruitzicht hadden, vooreerst niet te zullen worden aangehouden;--want de tenten lagen, uithoofde van plaatselijke omstandigheden, niet langs den weg, dien zij volgden, maar aan weerszijden, meer landwaarts in; terwijl schier elk krijgshoofd of Baanderheer zijn eigen kamp had, zoodat men niet slechts ééne legerplaats zag, maar ongeveer evenveel legerplaatsen als er bevelhebbers waren, naar de gelegenheid van den grond hier en daar over de vlakte verspreid. Niet zonder moeite echter vervolgde de kleine stoet zijn weg langs de groote heirbaan op Amersfoort, die zelfs in gewone tijden niet gemakkelijk te berijden was; maar thans, zoo door veelvuldige regens als door den gestadigen overtocht van voet- en paardenvolk, legerwagens, karren met steenen, mondbehoeften, en andere benoodigdheden voor de belegeraars, bijna onbruikbaar was geworden. De zon, welke sedert een paar weken achter donkere wolken was verscholen geweest, had echter onze reizigers, even nadat zij Utrecht verlaten hadden, met haar welkome stralen komen verkwikken, als wilde zij haar verschijning tot een goed voorteeken voor den aangevangen tocht doen verstrekken, en bij onze lieve zwerfster de hoop doen herleven, dat na de bange onspoedsdagen, welke zij had doorgestaan, het geluk opnieuw voor haar zou dagen. Een los zuidenwindje verdreef de dunne en waterlooze wolken, welke nog in het luchtruim zweefden, en dartelde in het loof der hooge eikeboomen, welke van verre zichtbaar waren, en wier breede kruinen op een schitterende wijze door het zonnelicht bestraald werden. Vroolijk staken de witte legertenten, die zich van afstand tot afstand vertoonden, tegen het donkere groen af der omliggende bosschages. Nu en dan schitterde hier en daar onder het somber geboomte de glans van een lanspunt of van een helm, die een straal der zon terugkaatste en als een weerlicht in de donderwolk flikkerde. Daar, om die legerplaatsen, heerschten levendigheid en woeling, en boden zich tooneelen aan, nu eens bevallig en schilderachtig, dan weder treurig en hartverscheurend, meestal beide tevens. Men zag vlugge ruiterbenden, door blinkende Ridders aangevoerd, wier veelkleurige banderollen sierlijk boven hun hoofd golfden, heen en weder draven, over de koren- en boekweitvelden, waarvan, helaas! de halmen, voor nog de aren hun wasdom bereikt hadden, waren afgemaaid om tot voeder voor de paarden te dienen: men zag talrijke wagens, beladen met het puin der afgebroken of afgebrande erven en met de takken en tronken van neergehouwen boomen, ter demping der grachten aangevoerd en misschien geleid door de ongelukkige bewoners en eigenaars zelven, door den onbarmhartigen soldaat tot dien arbeid geprest. Men zag krijgslieden zich vermaken met een kegelspel, met den wedloop, met het schieten met den boog;--en daarlangs, hunne in den krijg gekwetste makkers met karren vol vervoeren. Hier en ginds lagen er nog, die bij den laatsten uitval het leven hadden ingeschoten, en wier lichamen, in slooten en greppels, of achter struiken nederliggende, nog door hun krijgsmakkers niet ontdekt waren. Het gevoelige hart van Madzy was door dergelijke schouwtooneelen diep geroerd: en menigwerf wendde zij de oogen van de haar omringende landstreek af, om die naar den blauwen hemel te wenden: "ja!" dacht zij dan bij zich zelve: "hier op aarde is alles woeling en onrust! Daarboven alleen woont vrede."

Terwijl Madzy aldus peinsde, en Feiko, hoe ook brandende van nieuwsgierigheid om eens haar wedervaren recht te verstaan, niet dan met moeite de vragen bedwong, welke op zijn lippen zweefden, en welke de eerbied voor haar neerslachtigheid alleen wederhield, kwam Daamke, wien het gezelschap van den monnik begon te vervelen, hun op zijde. "Nu!" riep hij: "bij Sint-Julfus: zoo die Cistenser broeder al de deugden, die hij betrachten moet, zoogoed waarneemt als die der stilzwijgendheid, is er in het Paradijs geen stoel te goed voor hem; want de vent spreekt evenmin of hij doof en stom ware en laat zoo weinig van zijn bakkes zien als een beurzensnijder, die met een diefleider hetzelfde veer moet oversteken."

"Hij zit met dat al goed in den zadel," zeide Feiko, even omziende: "en ik zou mij bedriegen, indien hij niet meer in zijn leven gedaan had, dan vigiliën te zingen en missen te lezen:--in waarheid!" herhaalde hij, nogmaals omziende: "hij rijdt puik! puik! de Heer van Aylva zit niet beter te paard."

En door die warme belangstelling gedreven, die elken liefhebber van paarden, hoeveel te meer een Frieschen liefhebber, bezielt, kon onze goede Feiko niet nalaten, in spijt van zijn bezorgdheid voor de Jonkvrouw, telken reize het hoofd te wenden om de rijkunst van den vromen pater te bewonderen, die, zonder te bemerken dat men acht op hem sloeg, tusschen de ooren van zijn paard voor zich neder keek en voor niemand eenige gedachten scheen te hebben dan voor het moedige ros, dat hij bereed.

"Voorwaar!" riep onze vroolijke hansworst, terwijl hij de blikken in 't rond sloeg en zijn tong in vrijheid vierde: "ziedaar een schoon schouwspel! bij Sint-Julfus! mijn waarde Cezar, mochten wij eens samen over die velden trekken als de strijd volstreden is en het slagveld verlaten! Wat een vette buit ware daar voor u en mij ten beste.--Voorwaar! ik heb vrij wat legers gezien; maar men zoude er moeilijk een aantreffen, zoo rijk en prachtig als dat van den Graaf! Wat dunkt u, vriend Feiko! zou de tiendepart van dat troepje niet genoegzaam wezen om uw landje in te pakken?"

"Laten zij in tiendubbelen getale komen," antwoordde Feiko: "dan waren wij pas gelijk; want als zij komen, staat geheel Friesland als één man op; en zij zullen nog een harden dobbel hebben, dat beloof ik u."

Op dit oogenblik gaf Madzy een gil en haar paard deed een zijsprong. Het dier was geschrikt voor een lijk, dat dwars over den weg lag uitgestrekt. Feiko, die juist dat oogenblik omkeek naar den monnik, ware te laat gekomen om Madzy te helpen, indien haar paard gestort ware; maar de pater, hoeveel hij oogenschijnlijk zich alleen met zijn eigen ros bezig hield, toonde zich op dit oogenblik meer bij de hand dan de trouwe dienaar zelf, en was dadelijk aan de zijde der Jonkvrouw. Hij kortte de teugels, zoodra hij bespeurde, dat zij, zonder iemands hulp, haar vos weder in bedwang had, en bleef in de achterhoede.

"Wees voorzichtig, Jonkvrouw!" riep Feiko verschrikt:--"wat duivel, Pater! gij hebt uw oogen overal en zoudt er vlugger bij zijn dan ik."

Een half gesmoord gemompel, dat men niet duidelijk kon onderscheiden of het een gebed dan een vloek ware, was het eenige antwoord, dat de monnik gaf.

Madzy had intusschen haar paard bij het lijk doen stilhouden.

"In Gods naam!" zeide zij: "vrienden! ziet toch eens; misschien leeft hij nog."

"'t Is een Bisschoppelijke ruiter," zeide Daamke, het lijk met zijn zotskolf aanstootende: "zie eens! hij is reeds stijf."

"Dat gezicht heb ik meer gezien," zeide Feiko, de wezenstrekken des gesneuvelden aandachtig beschouwende.

"Dat geloof ik wel," zeide Daamke, lachende: "heugt u den Haarlemmerhout niet meer, en den koddebeier, met wien gij zoo dapper aan 't bakkeleien zijt geweest?"

"Bij mijn zaligheid!" zeide Feiko: "het is dezelfde man; maar hoe duivel komt hij hier in het pak van een Bisschoppelijken ruiter?"

"Zeker is hij bij een uitval gebleven," zeide de potsenmaker: "wie had kunnen denken, toen wij, zes weken geleden, te Plaswijk bij den kroes zaten, dat ik u hier zoo ongelukkig zoude vinden rotten? Daar hebt gij nu wat aan gehad, om uw wijf te slaan en met eens andermans paarden door te gaan. Ik geloof wel, Jonkvrouw! dat uw vos voor hem schrikte. Zij zijn oude kennissen."

"Hoe!" zeide Madzy: "was die ongelukkige de man...."

"De man van Elske, met uw verlof," zeide Daamke: "en de dief van het paard, dat gij berijdt. Maar kom!" vervolgde hij, de bleekheid bespeurende, welke deze herinneringen over Madzy's gelaat hadden verspreid: "het wordt tijd om verder te gaan, indien wij nog heden te Amersfoort willen zijn."

Bedrukt en sidderend begaf Madzy zich weder op weg. "Gij waart dan te Plaswijk," voer zij voort: "en dat dier, was het met u?"

"Bij mijn zotskolf! Jonkvrouw!" zeide Daamke: "nu ik mij wel bezin, moet gij geen goed oog op mijn Cezar hebben; want, alles wel beschouwd, begin ik te begrijpen, dat hij u uit uw slaapplaats verdreven heeft."

Madzy bloosde; want zij zag nu in, hoe ongegrond haar schrik in dien nacht geweest was, en hoevele onaangenaamheden zij zich had kunnen besparen, indien zij geen gehoor had gegeven aan de eerste opwelling van den angst, maar bedaard onderzocht, of de verschijning, welke haar verraste, natuurlijk ware of niet. "Cezar! Cezar!" zeide zij, het beest met den vinger dreigende: "gij hebt mij vrij wat onheils berokkend."

"Kom!" zeide de hansworst: "gij moet het hem vergeven, Jonkvrouw! om der goede diensten wille, welke hij u bewees, door dat zaterdagsche wijf, dat u zoo gebruid heeft, een frisschen knauw te geven."

"Stil!" zeide Madzy: "over haar verlang ik niets meer te hooren, noch ten goede, noch ten kwade.... maar zeg mij, ziet gij ginds geen stormhoeden blinken achter de heggen?"

"Juist! wij komen hier aan den buitensten cirkel van de legerplaats: en daar is geen bidden voor; wij moeten er door. Zij houden scherpe wacht hier, dat beloof ik u: en ware het niet door dien Jonker van Naaldwijk geweest, wien God loone en spoedig zijn riddersporen met eere doe verwerven, wij hadden er wel eeuwig kunnen staan blauwbekken. Ik hoop intusschen, dat wij hem weer ontmoeten; maar 't zij hoe 't zij, Jonkvrouw! er moet een vroolijk gelaat getoond worden en een liedje gezongen: hoe luidruchtiger wij zijn, hoe minder kwaad vermoeden wij zullen wekken."

En aanstonds ving hij aan met een heldere stem een liedje te zingen, waar de inhoud ongeveer van was als hier volgt:

DE VEERMAN AAN DE LEK.

Jan Carels zit aan het Lekkerveer En vaart met zijn pontje al heen en weer: En wie aan Jan Carels geen tol betaalt, Hij wordt met zijn pontje niet overgehaald.

Daar roept hem een monnik, een man van verstand: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!" "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "De monniken dragen geen beurs op zij." "Dan spreek je mij straks van mijn zonden vrij. De pater zijn tol met een aflaat betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--

Daar roept hem een kook'ler, een geestige kwant: "Ei, spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Mijn aapje is kaal en zijn baas is als hij!" "Welaan dan: zoo doe hij drie sprongen voor mij; De kook'ler zijn tol met een kunstje betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald!"--

Daar roept hem een meistreel, de veêl in de hand: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "De meistreel is arm, geloof mij vrij." "Welaan dan: zoo zingt gij een deuntje voor mij. De meistreel zijn tol met een liedje betaalt, Of hij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--

Daar roept hem een meisje, een bloem in de hand: "Ei spoedig: gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Och, veerman, zoo waar, 'k heb geen penning bij mij."-- "Zoo schenk mij uw bloem en een kusje daarbij." Het meisje haar tol met een kusje betaalt, Of zij wordt door Jan Carels niet overgehaald."--

Daar roept hem een Heer, rijk in goed en in land: "Ei spoedig! gij veerman! naar d' overkant!"-- "Mijn pontje is klaar," zegt de vroolijke gast: "Maar heb je nu al in de beurs getast?"-- "Neen lomperd, van veergeld is de adeldom vrij."-- "Dan blijf je maar, vriendje, aan de overzij; Want wie aan Jan Carels geen tol betaalt, Die wordt met zijn pontje niet overgehaald."

Hij had zijn lied geëindigd, toen zich reeds eenige wapenknechten, die hier aan de voorposten stonden, en deels op hun strijdkolven, zeisen of bogen leunende, deels langs den weg nederzittende, zijn gezang beluisterden, met een vroolijk gelach, hetwelk aan Madzy tot een goed voorteeken verstrekte, onze reizigers kwamen omringen.

"Welzoo, meester hansworst! alweer terug?" riep een der soldaten hem toe: "en nogal wel met uw aap?--Begon het u in Utrecht al te vervelen?"

"Men heeft er een al te schralen pot," antwoordde Daamke, "voor lieden, die houden van volop te schransen, gelijk meester Cezar en ik."

"Ik geloof het wel," hernam de krijgsman: "en wat mij het meest verwondert, is dat men er u beiden niet aan 't spit gestoken heeft, en uw ezel er bij. Maar, bij mijn zolen! uw gezelschap is verdubbeld sedert hedenmorgen."

"Bij Sint-Julfus!" zeide Daamke: "dat is buit, dien ik gemaakt heb: gevangenen van mijn zotskolf, die ik uit de mijterstad medebreng. Plaats! plaats! ruimbaan voor Daamke den alwillensdwaas en zijn gevangenen." En hij deed deze woorden vergezeld gaan door eens dapper met zijn zotskolf in de rondte te zwaaien.

"Hou! hou! dat gaat zoo gauw niet," zeide de krijgsknecht: "wij moeten eerst uw gevangenen eens bekijken: of denkt gij, dat wij die jonge meid, die daar met u trekt, op een paard, dat een Ridder zou passen, tolvrij zullen laten doorgaan? en dien monnik, zonder dat hij een veer zou laten?--Neen man! gij hebt het zelf gezongen; een kusje van de deerne; en de pater zal ons absolutie geven voor al de zonden, die wij bedreven hebben of nog voornemens zijn te bedrijven."

Madzy ontstelde eenigszins op het hooren van deze redenen; vooral toen zij de onbeschaamde blikken bespeurde, welke sommigen uit de bende op haar wierpen, en de grove uitdrukkingen hoorde, waarvan zich deze en gene onder hen bediende.

"Waar is uw aanvoerder?" vroeg Feiko, vooruitrijdende: "Jonker Zweder heeft ons hedenmorgen uit diens naam veroorloofd ongehinderd te gaan en terug te keeren."

"Tut! tut!" zeide een van de bende: "hij zou wel dwaas zijn, die hem roepen ging. Elk zijn beurt, vriendje! De kans is nu voor ons, en niet één zal er door zonder tol te betalen."

"Ik heb er niets tegen om u een klein rantsoen te betalen," zeide Madzy: "noem uw eisch; maar bedenk, dat wij arme reizigers zijn."

"Arm of niet," zeide de soldaat, Madzy naderende, en de beweging makende, alsof hij haar van het paard wilde helpen: "een mooi meisje, dat haar rantsoen met kusjes betalen kan, is altijd rijk genoeg."

Madzy gaf een flauwen kreet van angst; maar Feiko, in gramschap ontstoken over de onbeschaamdheid des lansknechts, dreef zijn paard met zulk een geweld tegen dezen aan, dat hij achterover tuimelde. Op hetzelfde oogenblik waren twintig strijdbijlen en kolven opgeheven en bedreigden den getrouwen Fries, die, zich evenmin door het aantal latende afschrikken, als hij zulks te Haarlem gedaan had, zijn knuppel met beide handen rondzwaaide en op de hoofden der aanvallers deed nederkomen.

"Wij zijn op de flesch!" riep de hansworst, wiens dapperheid, gelijk ons vroeger gebleken is, niet van de schitterendste was: en meteen vierde hij de teugels van zijn ezel. Het dier holde met een snelheid voort, alsof het in Navarre, dat vaderland der beste grauwtjes, geboren ware geweest. Wel zonden hem de boogschutters eenige pijlen achterna; maar de tooverkast, die den nar op den rug danste, verstrekte hem tot een schild: en in weinige oogenblikken was hij uit het gezicht.

Wat Madzy betrof, op hetzelfde tijdstip, waarin de kloeke daad van Feiko de aandacht der bende op hem had gevestigd, was de cistenser monnik haar op zijde gekomen.

"Vlucht!" zeide hij: en meteen den teugel van haar paard grijpende, zette hij het zijne in galop; maar, om de pijlen te vermijden, volgde hij niet de groote heirbaan zelve, doch stuurde de beide rossen een zijlaan in, die evenwijdig met den landweg liep, van welken zij door een rij berkeboomen was afgescheiden.

Madzy, onmachtig de snelle vaart te bedwingen, welke de monnik aan haar paard gegeven had, reed een wijl hijgende en schier sprakeloos naast hem: nauwelijks waren zij echter een honderd roeden verder, of zij greep den monnik angstig bij den arm: "Om Gods wil!" riep zij: "laten wij niet verder gaan! Zij zullen den armen Feiko vermoorden!"

Maar de monnik scheen òf weinig over het lot van den dienaar bekommerd te zijn, mits het hem slechts gelukte, de meesteres in veiligheid te brengen, òf te beseffen, dat zij, door terug te keeren, slechts zich zelven in gevaar zouden brengen, zonder Feiko van eenigen dienst te kunnen wezen: terwijl juist diens achterblijven een afleiding ten hunnen voordeele verwekte. Hij gaf dan ook geen antwoord; maar moedigde, met het korte zweepje, dat hij in de hand had, het paard van Madzy aan om met des te meer snelheid voort te rennen.

Het gevaar was echter slechts tijdelijk voorbij; want zij waren nog maar een voorpost doorgekomen en mochten dus met recht weldra een nieuw oponthoud verwachten. Dit deed zich zelfs spoediger op dan zij dachten. Eenige roeden verder maakte de weg een bocht, en bevonden zij zich eensklaps op een open pleintje, waar zij een schouwspel zagen, wel geschikt om hun bezorgdheid gaande te maken.

De plaats, waar zij gekomen waren, was omtrent cirkelvormig en met een dubbele rij stevige rasters omringd, welker punten naar hen waren toegekeerd. De ingang was nauw en werd 's nachts door een valboom gesloten, welke nu echter was opgehaald. Links stonden eenige tenten, onderscheiden in vorm en grootte: op sommige prijkten banderollen, welke den rang en adeldom der bewoners aankondigden. Tegenover de tenten zag men karren en ander voer- en oorlogstuig. Krijgsknechten van onderscheiden wapen wandelden heen en weer of waren bezig met het polijsten en opscherpen hunner bijlen en seizen: enkelen ook met het spel: timmerlieden waren werkzaam aan het vervaardigen of bruikbaar maken van allerlei storm werktuigen:--in 't kort, het was een tooneel vol gewoel;--maar op het oogenblik, dat Madzy en haar reisgenoot aan den ingang kwamen, scheen de aandacht van al de aanwezigen op eenmaal te worden afgetrokken door zeker voorwerp, dat zich midden op den weg bevond, en waar omheen zich allen ras verzamelden. Wat het echter ware, kon noch de Jonkvrouw, noch de monnik ontdekken, daar de toevloed der omstanders gedurig aangroeide en zulks verhinderde.

De monnik had voor den ingang de beide paarden doen halthouden en van onder zijn kap eenige donkere blikken om zich heen geslagen, ten einde te ontdekken, of er geen mogelijkheid ware, zijn weg te vervolgen, zonder de gevreesde omheining binnen te rijden; maar hij zag spoedig, dat hiertoe geene mogelijkheid bestond: en terwijl hij dus besluiteloos rondzag, reed Madzy, die inmiddels haar tegenwoordigheid van geest herkregen had, onvervaard het poortje binnen.

"Verzoek uw hopman hier te komen," zeide zij, zich met waardigheid tot een ouden krijgsknecht wendende, die met een speer op den schouder kwam zien, wat dit bezoek te beduiden had.

"Wat duivel! komt gij uit de lucht vallen?" vroeg de speerman, over deze toespraak en nog meer over hun onverwachte verschijning verwonderd: "slapen zij op de voorposten? Ziedaar een dronken hansworst, een monnik en een jonge deerne, die zij doorlaten en ons zonder geleide op ons dak sturen, alsof het kamp een kroeg ware, waar elke leeglooper onverhinderd insnijdt."

Madzy achtte het onnoodig den nieuwsgierigen krijgsman te antwoorden, dat men aan de voorposten waakzaam genoeg was. "Ga!" zeide zij: "en haast u, bevel aan de voorposten te zenden, om den man, met wien zij bezig zijn, geen leed te doen, maar onverhinderd hier te brengen."

"Wat hamer!" zeide lachende een uit den hoop (want inmiddels waren ettelijke krijgslieden naar dit nieuwe voorwerp hunner nieuwsgierigheid komen aan wandelen): "zijn wij onder 't spinrokken vervallen, dat wij bevelen ontvangen van een jonge meid?"

"Gij kunt vrij lachen," zeide de speerman, die het eerst gesproken had, en wien een grijze baard en een verbrand, met een paar breede litteekens versierd gelaat als een ouden gediende leerde kennen: "er moet iets aan de voorposten gebeurd zijn: en ik geloof, dat ik wel zal doen, te handelen juist zooals die deerne het mij verzocht."

"Zie dien ouden snoeshaan," hernam de andere soldaat: "altijd hoffelijk, als ware hij een Ridder, die zijn meisje dient."

"Eene zeer juiste aanmerking," zeide de veteraan: "waarvoor gij, Gilles Adriaansz! het voorrecht zult hebben met uw vijf man naar den voorpost te gaan en te zien of alles rustig is.--Zoo er lieden aangehouden zijn, breng ze hier. Ik zal zelf naar den hopman gaan."

Dit gezegd hebbende, richtte hij zijn schreden naar eene der tenten, terwijl Gilles Adriaansz, weinig tevreden met den hem opgedragen last, waartegen hij zich echter niet dorst te verzetten, de vijf man, welke onder zijn bevel stonden, bijeenriep en met hen naar den voorpost wandelde.

"Wat wilt gij?" vroeg de monnik met een fluisterende stem aan Madzy.

"Mijn oogmerk is, bij den hopman op een vrijgeleide aan te dringen: zoo hij mij weigert, welaan! dan zal ik mij bekend maken en den uitslag afwachten. Hetzij dan een klooster in 's Hemels naam."

De monnik scheen te willen antwoorden: maar hij weerhield zich: en een doffe zucht was het eenige blijk van verwondering of ontevredenheid dat hem ontsnapte.

In dit oogenblik werd Madzy's aandacht door een ander schouwspel gewekt. De hoop, die het midden van het plein vervulde, was gedund en gedeeltelijk uiteengegaan, en liet haar den armen hansworst zien, die, van zijn ezel gevallen zijnde, met zijn kast, waarin eenige pijlen staken, op den rug, niet kwalijk op een stekelvarken geleek, en langs den grond kroop, onder het aanheffen van droevige weeklachten.

De goede Madzy, wanende dat de arme Daamke een wond had bekomen, stuurde haar ros naar hem toe en vroeg hem met deelneming of hij gekwetst ware.

"Gave de goede God," zeide de hansworst, "dat de pijl mij getroffen had, en niet mijn trouwen vriend en makker."

"Hoe!" vroeg Madzy: "wie dan? wie is gewond?"

"Zijn broertje is gewond," riepen verscheidenen onder de omstanders lachende uit.

Nu eerst zag Madzy, dat het voorwerp van Daamke's bittere smart geen minder persoon was, dan de behendige meester Cezar, die, terwijl de hansworst voor de op hem afgeschoten pijlen vluchtte, het gewaagd had, eens over de kast heen te kijken en in dat noodlottig oogenblik een pijl door den kop gekregen had. Het arme dier lag levenloos in den arm zijns meesters, die het met de teekenen der diepste droefheid aan zijn hart drukte en met heete tranen bevochtigde.

"Lacht vrij, steenen harten!" kreet hij: "lacht vrij: er zullen nimmer zoovelen om zijn dood lachen, als hij bij zijn leven lachen deed; maar uw arme meester zal niet meer lachen, nu gij hem ontnomen zijt, mijn lief en aardig snaakje! Ach! hoe netjes kon hij op 't commando een buiging maken voor 't gezelschap, en doodliggen, net zooals nu!--maar nu zal hij niet weer opstaan, en het is over met al zijn grapjes, over voor altijd! Och! wat hebben wij al samen doorgebracht! en lief en leed, zoet en zuur altijd gedeeld! en dat ik u nu zoo moet verliezen! och! och! ik ben alles kwijt:--mijn meester; die zelfs de beste kokelers van Gaskonje in bekwaamheid overtrof! en mijn Cezar, die hooger sprong dan een springer van Poitou! Och! ik heb alles verloren!"

Ofschoon Madzy juist niet veel verplichting aan den overledene gehad had, gevoelde zij zich niettemin geroerd door den toon van innigen rouw, waarmede de hansworst zijn verlies betreurde. Het was duidelijk te zien, dat zijn smart bij den dood van zijn ruigen metgezel niet daaruit ontsproot, dat hij met hem de bron van zijn winsten en bestaan verloor, en dat hij hem ook niet beklaagde, gelijk een kind zijn vogel of een oude huishoudster haar mopshond betreurt, uit eenig kinderachtig zwak voor het beest; maar dat zijn gevoel sproot uit een oprechte, teedere verknochtheid, die het gevolg van een langdurigen, schier broederlijken omgang was, en van alle denkbeelden van baatzucht afgescheiden.

Onze heldin had echter niet lang tijd om haar meewarigheid te toonen; de oude speerman keerde terug met een jeugdigen schildknaap, die haar de boodschap bracht, dat zijn meester haar wachtende was, en haar tegelijk de hand bood om haar van 't paard te helpen. Terwijl zij, afstijgende, den knaap bedankte, zag zij hem in 't gezicht, en het kwam haar voor, als had zij hem voordezen nog eens ontmoet. De spotachtige glimlach, die op zijn lippen zweefde, scheen deze meening te bevestigen.

De monnik steeg insgelijks af, als met het oogmerk om zijne reisgenoote te vergezellen; maar de veteraan verhinderde dit: "de Ridder heeft nog onlangs gebiecht," zeide hij: "hij heeft nu alleen van de deerne gesproken:--misschien," voegde hij er bij, lachende om zijn eigene geestigheid, "zal hij een priester noodig hebben als het meisje van hem af is."

De monnik trilde van toorn; maar hij hield zich in; en tegen zijn paard leunende, bleef hij staan, als in diep gepeins verzonken, terwijl de naastbijstaande knechten meenden hem in zich zelven te hooren mompelen: "ja! 't is misschien beter, dat zij alleen gaat.... wie zou haar kunnen weerstaan?" Sommigen echter merkten op, dat hij gedurende Madzy's afwezigheid blijken gaf van innerlijke onrust en dat hij meer dan eens met de hand krampachtige bewegingen maakte en onder zijn kleed voelde, alsof hij een wapen zocht om zich tegen een onverwachten aanval te verdedigen.

Ondertusschen was Madzy haar jeugdigen leidsman gevolgd, die haar, tusschen twee rijen tenten door, geleidde naar die des bevelhebbers.

"Onze goede Heer van Beaumont is thans niet in het kamp," zeide de schildknaap, haar op een prachtig paviljoen wijzende, dat gesloten en waar de banier van afgenomen was: "hij is den Graaf gaan bezoeken, die een wond aan den voet bekomen heeft. Daarom breng ik u bij mijn meester, die in zijn afwezigheid over dezen post bevel voert."

"En wie is uw meester, goede schildknaap?" vroeg Madzy.

"Ho! Jonkvrouw!.... dat zult gij ras bespeuren.... iemand, wien de schoone Madzy niet vergeefs om een gunst zal vragen, dat beloof ik u."

"Gij kent mij?" zeide zij verbaasd:.... "maar nu ik mij wel herinner, ik heb u ook gezien, in een anderen dos!--zijt gij niet de neef van die vriendelijke Jonkvrouw van Naaldwijk, welke mij op den Vogelesang met zooveel hartelijkheid behandelde?"

"Juist geraden, schoone Jonkvrouw! Ik ben Zweder van Naaldwijk, en heb de muts van den page voor den stormhoed verwisseld, om de edele wapenkunst te leeren bij den braven Ridder, voor wiens tent wij ons thans bevinden."

Dit zeggende hield hij stil voor een paviljoen, dat wel niet zwierig of prachtig, maar toch ruimer scheen dan de overige. Een schildknaap, ouder dan Zweder, stond voor den ingang bezig met een klein hamertje de bulten en blutsen uit zijns meesters harnas te kloppen.

Na aangediend te zijn, trad Madzy de tent binnen. Het eerste voorwerp, waar haar oog op viel, was een sluier, met zilveren lieren geborduurd en afhangende over een wapenrusting, die midden in de tent prijkte. Haar tweede blik viel op den bewoner der tent: en zij had moeite om zich staande te houden, toen zij in dezen de onvergeetbare trekken bespeurde van hem, wiens beeltenis haar zoo vaak voor oogen zweefde, van Deodaat van Verona.

De verrassing van den Ridder was groot: echter minder dan de hare; want Zweder had hem reeds gemeld, dat hij Feiko verlof gegeven had om binnen Utrecht te gaan; maar weinig had hij durven hopen, dat die trouwe dienaar zoo voorspoedig in zijn onderneming geslaagd zou zijn, om denzelfden dag nog, en wel met Madzy terug te keeren.

Een vroolijke glimlach helderde het gelaat des Ridders op: hij gaf Zweder een wenk om zich te verwijderen en, de eenige zitbank opnemende, welke zich in de tent bevond, zette hij die voor Madzy neder, terwijl hij intusschen geene andere woorden vinden kon om zijn blijdschap te schetsen, dan: "is het mogelijk? welk een gezegend toeval vergunt mij dit genoegen? 't Is meer dan ik had kunnen hopen of verwachten!"

"God zij geprezen! gij leeft dan nog," was alles wat Madzy uit kon brengen: haar gemoed was zoo vol, de verrassing zoo volkomen, en haar blijdschap zoo groot, dat zij zich op het punt gevoelde van in flauwte te vallen. Terwijl zij wankelende een steun zocht, onderving haar de arm van Deodaat. Zij zonk met het hoofd tegen zijn schouder en weende.

O! welk een vloed van zoete, van hemelsche aandoeningen doorstroomde het gemoed des jongelings. Zij, welke hij zoo onuitsprekelijk teeder beminde, zij, welke hij gevreesd had nimmer terug te zullen zien, zij lag vertrouwelijk in zijn arm: haar adem beroerde zijn wang en hare tranen getuigden, dat het weerzien haar niet onverschillig was. Met welk een onstuimige vreugde sloeg hem het harte, toen hij het hare daartegen voelde kloppen! Maar wat wagen wij, het gevoel te malen, dat zijne ziel vervulde? Al wie, gelijk hij, eenmaal het geluk heeft gesmaakt, van het geliefde voorwerp na een scheiding, die men eeuwig dacht, terug te zien, zal die gewaarwordingen gevoelen; voor anderen zouden wij die vruchteloos beschrijven.

Weldra echter vervloog als een zalige droom de zoete vreugde, welke ook Madzy in deze omarming smaakte, en vertoonde zich het wezenlijke van haar toestand voor haar oogen. Zij schaamde zich, aan hare zwakheid te hebben toegegeven. Zachtjes maakte zij zich uit de armen van Deodaat los, eer deze nog de stoutheid had durven gebruiken, om het gunstige oogenblik waar te nemen en op den mond, wiens adem hij voelde, een vurigen kus te drukken: zij zette zich op de zitbank neer en zag bedeesd voor zich.

"Madzy! aangebeden Jonkvrouw!" stamelde Deodaat, terwijl hij voor haar nederknielde, en hare handen met eerbiedige liefde aan hart en lippen drukte.

"Ridder! dit moet zoo niet zijn," zeide Madzy: "ons laatste onderhoud heeft al reeds genoeg gekost: ik verheug mij hartelijk, u weder hersteld te zien."

"De wond is spoedig geheeld geweest," zeide Deodaat: "en zou ik die niet zegenen, nu zij mij het genoegen verschaft van een woord van belangstelling uit uwen mond te vernemen!"

"Ridder!" zeide Madzy, weemoedig het hoofd schuddende: "waartoe dient het, een ongelukkig meisje, dat al genoeg geleden heeft, met ijdele plichtplegingen te overladen! De oogenblikken zijn te kostbaar en het zal toch de laatste reis zijn, dat wij elkander zien."

"IJdele plichtplegingen!" riep Deodaat: "ach! kunt gij dit ernstig zeggen?--maar gij hebt gelijk:--ik herinner mij ter goeder ure, dat gij de verloofde bruid van Seerp Van Adeelen zijt."

"Seerp Van Adeelen zal nimmer mijn echtgenoot worden; hij zelf, hij heeft mijn hand afgeslagen."

"Mijn God!" riep Deodaat: "waar kan de man bestaan, die zulk een prijs weigert?"

"Veroordeel hem niet," zeide Madzy, blozende en verward: "hij moest denken dat ons gesprek op den Vogelesang een.... het gevolg van een afspraak was.... en dat ik u.... dat mijn hart.... in 't kort, hij beschouwde mijn gehouden gedrag uit een ongunstig oogpunt.... en misschien had hij niet geheel ongelijk.... ik had u nooit moeten aanhooren."

"Gij zijt wederom vrij!" riep Deodaat, wiens oogen van vreugde fonkelden: "en waarom zou dan mij de hoop worden afgesneden?"

"Helaas!" zeide Madzy, terwijl haar blauwe oogen, door tranen bewolkt, hem aanzagen met een onbeschrijfelijke uitdrukking van teederheid en weemoed: "waarom schept gij er behagen in, mij en u zelven te kwellen, door een vooruitzicht te willen voeden, dat nimmer kan verwezenlijkt worden?"

"En waarom, vraag ik op mijne beurt," zeide de Ridder, "waarom zoudt gij, uit wier lieve oogen slechts zachtheid en welwillendheid spreken, zoo wreed zijn, om mij de laatste troosteres des menschdoms, de hoop, te ontzeggen? Zal een teedere, belangelooze liefde niet in staat zijn uw hart voor mijn smeekingen gevoelig te maken? O! verschuif het tijdstip zooverre gij wilt; maar ontzeg mij het uitzicht niet, van u eenmaal de mijne te mogen noemen."

"Ridder!" hernam Madzy, op een minzamen, doch vasten toon: "ik wil u oprecht antwoorden. Indien ik in deze streken geboren ware, of gij een Fries waart, zou mij misschien het aanbod uwer liefde niet onverschillig zijn. Ik heb achting voor u,.... en mijn hart had u wellicht boven anderen verkozen.... neen!--spaar uwe betuigingen en antwoord mij nog niet: ik heb niet uitgesproken.--Gij zijt geen Fries, Ridder! en mijn landaard, altijd afkeerig van vreemden, zou thans meer dan ooit de dochter van Friesland verachten, die hare bezittingen in de handen van uitlanders deed overgaan. Haat en vervolging zouden mijn loon zijn, indien ik tot zulk een stap besloot: en daarin zoudt gij deelen:--wij zouden het land mijner vaderen moeten verlaten:.... ook dat, zult gij zeggen, ware slechts een geringe opoffering voor al, wie zulks met het beminde voorwerp doet; en het kan zijn, dat geene bezittingen opwegen tegen armoede met den lieveling van ons hart;--maar!--ik zou een grooter schat verliezen en dien wil ik niet opofferen:--mijn goede naam ware onherstelbaar verloren."

"Uw goede naam!" herhaalde Deodaat, verbaasd, ja eenigszins gevoelig: "'t is waar, mijn geboorte is nog duister; maar mijn eer is onbevlekt."

"Gij misduidt mijne woorden. Oordeel zelf: Adeelen verdenkt mij: door u te huwen, zou ik zijn vermoedens niet alleen bevestigen, maar geheel Friesland zou in den waan geraken, dat ik mijn bruidegom verraden had om eenen anderen mijn min te schenken."

"Adeelen verdenkt u!" herhaalde Deodaat, zich voor 't hoofd slaande: "ik dwaas! en ik ben de oorzaak van uw verdriet. Helaas! ik gevoel het: gij behoordet mij te haten; maar ik zweer het u, zoodra mijn plicht het gedoogt, zal ik den trotschen stijfkop in Friesland komen opzoeken: en wee hem! zoo hij zich een woord durft laten ontvallen, dat beleedigend voor uwe eer mocht zijn."

"Een dergelijke onvoorzichtigheid zou slechts verkeerde uitwerkselen hebben," zeide Madzy: "mijn land is niet als Frankrijk, waar de eer van een vrouw aan de punt van 't zwaard hangt."

"Gij hebt misschien gelijk," zeide Deodaat: "en toch behoort er iets gedaan te worden. Madzy! op mijn woord, op welken hoogen prijs ik uw bezit zoude stellen, toch zag ik u nog liever de gade eens anderen, dan dat de minste vlek op uw naam kleefde, die ik er af kon wasschen."

"Wel!" hernam de Jonkvrouw: "laat ons dan beginnen met voor het tegenwoordige te zorgen. Een langer onderhoud met u zou juist geschikt zijn, om stof te geven aan de opspraak, die gij voorkomen wilt. God weet het: het is mij lief, u wèl gezien te hebben; maar had ik geweten, dat men mij tot u voerde, ik had mij wel gewacht dit onderhoud te vragen."

"Hoe!" zeide de Ridder: "gij wist niet.... en wien zoekt gij dan?"

Madzy was juist begonnen hem een kort verslag te geven van haar oogmerk om naar Friesland te trekken, toen de gedachte, dat Feiko misschien het offer van zijn trouw geweest was, haar op eens als een dolksteek door 't hart kwam, en zij zich zelve bitter verweet, om hare dwaze liefde, dien braven dienaar een oogenblik te hebben vergeten.

"Om Gods wil, Ridder!" zeide zij, "mijn trouwe Feiko!.... hij is aan de voorposten slaags geweest met uw volk! ik ben doodelijk bekommerd over hem."

"Wij zullen naar hem laten vernemen," zeide Deodaat: "Zweder!"

De jonge schildknaap trad binnen.

"Ga eens vernemen wat er van den man geworden is, die aan de voorposten gevochten heeft."

"Ik ben zooeven naar het wagenplein geweest," zeide de knaap: "de man is er afgekomen met eenige builen: zij hebben hem wel gebonden en wachten op uw bevel omtrent hem."

"God zij geloofd!" zeide Madzy: "waarlijk, de goede Feiko was misschien wat haastig; maar hij wilde mij verdedigen tegen...."

"Hoe!" riep Deodaat! "men heeft u aan de voorposten durven beleedigen?"

"Ik bid u," antwoordde Madzy, reeds vreezende te veel gezegd te hebben: "laat dit geval niet nader onderzocht worden. Ik wil niet, dat er om mijnentwil iemand leed geschiede."

"Zooals gij verkiest is het wel! Zweder! ga, en zeg dat men den man ontboeie.--En nu, Jonkvrouw! verschoon mij, gij waart op het punt van mij te gaan verhalen...."

Madzy voldeed aan zijn verzoek en deelde hem mede, hoe zij van Utrecht naar de zeekust reizen wilde, om aldaar een gelegenheid te zoeken, ten einde naar Friesland over te steken, en vrijgeleide voor haar en de haren verzocht. Zij verzweeg al wat tot hare gevangenschap betrekking had, ten einde de gelofte van geheimhouding niet te breken, die zij den Bisschop gedaan had. Zij besloot, met aan Deodaat te verklaren, dat, indien hij door zijn plicht gehouden was haar aan den Graaf over te leveren, zij zich te dien opzichte aan zijn bescheidenheid overliet, en niet begeerde, dat hij om harentwil zijn krijgsmanstrouw te kort zou doen.

"Ik heb betreffende u geene bevelen van mijn Graaf ontvangen," zeide Deodaat: "ook geloof ik, dat het bevel om u in een klooster te plaatsen slechts het gevolg eener overijlde drift was, en hem sedert lang ontgaan is. Maar al had hij mij een zoodanigen last gegeven, dan nog zou mijn ridderplicht, die mij heiliger is dan mijn plicht als 's Graven dienaar, mij hebben voorgeschreven, dien ronduit af te slaan. En hij zelf zou mij in een bedaard oogenblik hebben dank geweten, dat ik hem een dwaze daad bespaard had."

"Ridder!" zeide Madzy, hem haar hand toereikende: "gij zijt een edel mensch! en waar ik mij ook moge bevinden, ik zal u mijn leven lang met een dankbaar hart gedenken.--Maar nu.... o! bedenk wat ik zeide: wij moeten scheiden."

"Ach," riep Deodaat: "hoe kunt gij tevens zoo goed en zoo wreed zijn? Gij zijt als de Engelen, die (gelijk mij wel verhaald is) aan den Heiligen Mozes het beloofde land toonden, maar hem niet toelieten, daar binnen te gaan. En toch, zoo zoet zijn mij uwe woorden, dat ik de ellende, waarin een hulpelooze liefde mij stoot, tegen geen geluk ter wereld zou willen verruilen.--Dan genoeg!--Hier scheiden wij!--Ik durf mij zelfs het genoegen met vergunnen, u tot buiten de deur te geleiden: een uwer dienaars mocht mij herkennen: en ons onderhoud, hoe kort het ook geweest zij, zou argwaan kunnen wekken indien ik u vergezelde.--Zweder! Zit terstond op en neem zes ruiters met u!--geleid deze.... dit meisje met al wie tot haar gezelschap behooren tot aan de poorten van Amersfoort. Noch aan haar, noch aan iemand der haren mag het minste leed gedaan worden, of ik zal het gestreng straffen. En laat Boudewijn intusschen het paard van de.... van dit meisje hier brengen. Gij hebt mij verstaan."

"Volkomen, Heer Ridder! ik zal voor de Jonkvrouw zorgen als ware zij mijn liefste," zeide Zweder, met een kluchtige deftigheid.

"Hoe nu, knaap! weet gij....?"

"Uwe Edelheid weet zoowel als ik," antwoordde Zweder, "dat men Jonkvrouw Madzy Dekama niet miskennen zal, wanneer men haar eens gezien heeft. Maar Uwe Edelheid kan op mij staat maken. Ik kan hooren, zien en zwijgen;--daarvoor ben ik page geweest."

Met deze woorden verwijderde de schalk zich uit de oogen zijns meesters, wiens voorhoofd zich reeds begon te fronselen. Want als men verliefd, en hopeloos verliefd is, is men weinig geneigd om jokkernij te verdragen.

Slechts enkele woorden wisselden de beide gelieven na het vertrek van Zweder. Echte liefde en weemoed zijn niet spraakzaam: en wat zouden zij elkander meer gezegd hebben, dat zij niet reeds wisten of gevoelden? Ja zelfs schenen beiden, als het ware, verlichting te ontvangen, toen het hoefgetrappel en het gebriesch der paarden het uur van scheiden aankondigde.

Deodaat deed een schrede voorwaarts, en de hand van Madzy vattende, drukte hij die met drift aan zijn mond en stamelde een gesmoord vaarwel. Zij beantwoordde zijn handdruk, zag hem met een blik vol teederheid aan, en haalde toen haar kaper over 't gezicht. Zij traden de tent uit en zagen Zweder met zijn ruiters in den zadel gezeten, en Boudewijn, des Ridders anderen schildknaap, die het paard van Madzy gereed hield. Stilzwijgende besteeg zij het moedige dier.

"Een wakker beestje!" zeide Boudewijn: "maar wat hamer, heer Ridder! het gelijkt, als 't eene ei op 't andere, naar den vos, die u ontstolen is."

"Inderdaad!" zeide Deodaat, verwonderd van zijn paard te herkennen: "maar des te beter!"

Madzy, die het gesprek slechts half gehoord had, wenkte Deodaat vriendelijk met de hand toe en vertrok, door de knapen vergezeld. Op het plein teruggekomen, vond zij er den monnik nog in dezelfde houding bij zijn paard staan, den hansworst nog altijd treurende over den dood van zijn aap, en haar getrouwen Feiko, die er niet weinig gezwollen en verhit uitzag, en vrij kwalijk ging, 't geen hem niet belette Madzy met de luidruchtigste blijdschap te gemoet te komen, en te betuigen, dat hij er gaarne eens zoo slecht ware afgekomen, nu alles zoo gelukkig was afgeloopen.

Onze vier reizigers gingen nu weder onverhinderd op weg, onder geleide van Zweder, die hen ingevolge het bevel zijns meesters tot Amersfoort vergezelde, van waar zij de Eem afzakten en een visscherspink afhuurden ten einde hen naar Friesland over te voeren. Wij zullen hen intusschen vooruitreizen, en daar dit Hoofdstuk reeds lang genoeg is geweest, in een volgend onderzoeken hoedanig de staat in Friesland gesteld was.

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

....Die zich inbeeldt, door het bukken, Te vinden 't einde van den nood, Is van gesond verstand ontbloot. 't Moet er heel door, of wel aan stukken.

Anon, bij Scheltema. Mengelw. II, 11, 129.

Wij verzoeken alsnu aan onze bescheidene lezers zich met ons in Friesland te willen verplaatsen, en wel op den vroegen morgen van den dag, volgende op dien, waarop de in ons vorige Hoofdstuk vermelde voorvallen hadden plaats gehad. Langs al de wegen, welke naar een geestelijk gesticht, een adellijke state of een stad geleidden, zag men lieden aankomen, onderscheiden in rang, gewaad en uitrusting, doch die allen, door den ernst, die op hun gelaat te lezen was, door den aard der gesprekken, met welke zij zich onderweg bezighielden, en door den spoed, waarmede zij hun weg vervolgden, zonder zich langer aan de herbergen op te houden, dan noodig was om zonder af te stijgen zich zelven en hunne paarden te verfrisschen, die allen, zeggen wij, te kennen gaven, dat hun doel gewichtig en zij van het belang daarvan doordrongen waren. Onder deze reizigers waren de Stamhoofden licht te onderscheiden aan de vurige rossen, die zij bereden, aan de Oostersche pracht hunner kleederen en aan den stoet van volgers, die hun vergezelde: 't zij uit loutere staatsie, 't zij uit voorzorg tegen aanranding en hinderlagen, welke, bij de menigvuldige veeten en geschillen tusschen de onderscheidene geslachten, geene ongewone verschijnselen waren. De geestelijke heeren waren reeds van verre kenbaar aan het lang en effenkleurig gewaad hunner orde, aan den telgang der rijpaarden, en aan den sleep der monniken en conversen, dien zij met zich voerden. De afgevaardigden uit de steden, meestal deftige burgers met welgeronde buiken, waren in vergelijking van de overige leden der samenkomst slechts gering in aantal; want slechts enkele steden hadden als zoodanig stem in de landsvergaderingen, en de meeste stonden nog onder het tijdelijk of erfelijk bestuur van dezen of genen veelvermogenden Edelman, die er zijn state had, en die aan de burgers zijn bescherming verleende.

Al deze verschillende reizigers richtten hun weg naar het boschachtig oord aan de zuiderkust van Friesland gelegen, dat de plaats bevatte, welke ditmaal tot het houden van een algemeenen landdag, werf of weerstal bestemd was. Men had met opzet deze plaats verkozen boven den Upstalboom nabij Aurich, waar anders de groote landsvergaderingen gehouden werden, eensdeels omdat men zich aan de overzijde van de Lauwers minder over de voornemens van den Hollandschen Graaf bekreunde: anderdeels, omdat de Friezen der beide Gouwen en van de Sevenwolden zich op een tijdstip, dat men een landing der Hollanders vreesde, niet van de westelijke grenzen wilden verwijderen.

Naarmate zij het bestemmingsoord genaakten, lieten de meesten hun paarden, welke tot nog toe over de harde kleiwegen met vlugheid hadden doorgedraafd, een meer bedaarden tred aannemen, zoowel om niet al te verhit aan te komen, als omdat de aard van den grond niet toeliet, met reeds vermoeide rossen spoedig te vorderen. Immers, het Gaasterland, hetwelk zij nu bereikt hadden, is in zooverre van het overige Friesland onderscheiden, dat het uit een zandigen heidegrond bestaat, volkomen gelijk aan dien van het Gooiland en Muiderberg, waarmede het waarschijnlijk in vroeger tijden, evenals met Urk, vereenigd was, eer nog de aandrang des waters den dam, door de natuur om het Zuidermeer gevormd, verbroken en dien plas met de Noordzee vereenigd had. Slechts op enkele plaatsen, voornamelijk langs de kust zelve, was die grond bebouwd geworden; maar voor 't overige leverde hij weinig anders op, dan ruige, steenachtige heiden, hier en daar met bosschen en struiken begroeid, en doorsneden met hobbelige en schier ongebaande wegen, waar men dikwijls gevaar liep geen uittocht aan te treffen en altijd te kampen had met de oneffenheid van den grond, de over het pad kruipende doornestruiken en heesters en overal verspreide keisteenen, zoodat men aanhoudende oplettendheid en overleg noodig had om niet van het goede spoor te geraken. Ofschoon vermoeiend, had echter dit gedeelte der reis zijn bekoorlijke zijde. Op een schilderachtige wijze verlichtte de morgenzon de bruine dennestammen of kleurde zij het versche Augustusloof der eikestruiken met vuurroode glansen, welke heerlijk afstaken tegen het donkere groen daarachter, het purper der tallooze heidebloemen of het bontkleurig gebloemte der kamperfoelie, welke zich in onbeperkte weelderigheid om alle struiken heenslingerde en de lucht met liefelijke geuren vervulde. Nu eens werd de weg door hoog geboomte overschaduwd, en reed men onder een gewelf van takken en gebladerte, waar schier geen lichtstraal door kon breken: dan weder ontmoette men een herberg of hoeve, met haar akker, tuin of boomgaard, aangenaam gelegen in den hoek, door twee kruiswegen gevormd, en voor wier deurpost de huisgenooten het ochtendmaal gebruikten, en een tafereel opleverden, het penseel des schilders waardig: wat verder zag men op een groene terp een oude stins, wier grijsachtige muren, door de zon beschenen, schitterend uitblonken tegen de boomen daaromheen geplant: dan weder werd het oog op het onverwachtst verrast door een ruim en prachtig uitzicht, waar de heuvel zeewaarts nederglooide, en de afdalende zijweg zich als in de golven scheen te verliezen, terwijl het landschap een bekoorlijk tooneel opleverde van golvende graanvelden, hier en daar afgewisseld door welig hakhout, heldere meertjes en bloeiende heidevelden, met de zee in 't verschiet, en daarover de West-Friesche kust, welke den gezichteinder sloot. Het romantische van dit oord maakte echter weinig indruk op de meerderheid der bezoekers, en zoo het schouwspel der hen omringende natuur al eenig gevoel in hun boezem deed ontstaan, het was dat van medelijden met een landstreek, welke, zoo 't hun voorkwam, stiefmoederlijk bedeeld was, als zijnde geheel onbruikbaar voor goede weiden en slechts gedeeltelijk geschikt voor den graanbouw, die nog daar te boven niet dan schrale oogsten scheen op te leveren.

Het was, gelijk reeds gezegd is, in 't midden van dit oord, dat zich de plaats bevond, tot den weerstal bestemd. En inderdaad, moeilijk had men een betere gelegenheid tot een zoodanig oogmerk kunnen aantreffen. Het was een onbebouwd stuk gronds van ongeveer honderd vijftig schreden lang en nagenoeg even breed, waarop twee hoofdwegen uitliepen, en dat bijna aan alle zijden door geboomte was ingesloten. Het gewone gebruik, dat van dit kamp gemaakt werd, was om er de rechtsdagen te houden van Westergoo, tot welk gewest het Gaasterland alstoen nog behoorde: later werd het een marktplaats, waar, bij sommige feestelijke gelegenheden, de reizende kooplieden uit de omliggende gewesten hun waren kwamen uitventen: welke laatste bestemming het nog ten huidigen dage onder den naam van de wilde merkt behouden heeft.

Over dit geheele veld henen waren van afstand tot afstand kleine aarden wallen in den vorm van zitbanken verspreid, die aan de oppervlakte van den grond de gedaante gaven van een roskam, en waarvan nog enkele in wezen zijn, schoon meerendeels in een vervallen staat. Deze zitplaatsen waren reeds vroeg in den morgen bezet geweest door een talrijken drom verkoopers van drank en eetwaren, welke zich derwaarts hadden begeven in de blijde verwachting, dat zij een goede winst zouden doen door aan de hongerige magen der aankomenden de gelegenheid te verschaffen, zich, na de moeite der reis, met eenige ververschingen te laven. Slechts korten tijd echter werd hun het bezit van den grond vergund en weldra werden zij van de door hen ingenomene plaatsen afgedreven door de conversen van het Sint-Odulfs-klooster, aan welke de goede orde was opgedragen. De alzoo verjaagde en verstooten kooplieden vonden geen ander middel om hun voordeel te betrachten, dan dat van zich aan de uitgangen der landwegen te plaatsen, en aldaar de aankomst der afgevaardigden af te wachten: en het duurde ook niet lang of dezen vertoonden zich, zooals het gemeenlijk gaat, eerst bij tusschenpoozen en in geringen getale, en vervolgens in groote menigte te gelijk: terwijl eindelijk sommigen, die van verre plaatsen aankwamen of tegenspoed op reis gehad hadden, geheel alleen verschenen. Zij betraden echter den weerstal niet dan te voet, hebbende zij hun paarden met hun gevolg aan de naastbijgelegene herbergen achtergelaten of derwaarts teruggezonden.

Het was geen onbelangrijk schouwspel, de leden der vergadering gade te slaan, zooals zij voor den aanvang der beraadslagingen over het veld verspreid waren, onder het gebruiken der ververschingen, hun door de kramers verschaft. Hier zag men de geestelijke heeren in gesprek, hun onderlinge ijverzucht onder den uiterlijken vorm van beleefdheid verbergende: wat verder een paar oude wapenbroeders, die elkander in langen tijd niet ontmoet hadden, elkander met een blijden groet de hand drukken: ginds wandelden eenige rijke Vetkoopers te zamen, en onderhielden zich over nieuwe plannen tot het verbeteren van gronden, het droogmaken van plassen of het oprichten van fabrieken, om, kon het zijn, den Groningers de loef af te steken; terwijl zij met een schamperen blik van verachting werden aangezien door dezen of genen Schieringer Edelman, die van geene takken van welvaart hooren wilde dan van jacht en vischvangst vooreerst, en daarna een weinig vetweiderij. Eindelijk kon men nog, aan de donkere blikken en norsche antwoorden van anderen, de verwijderingen opmerken, door meer bijzondere veeten verwekt: welke, voor 't oogenblik en om de heiligheid der plaatse gesmoord, slechts op een gelegenheid wachtten om weder uit te barsten.

Het was eerst op den middag, en toen men begreep, dat de aanwezigen genoeg uitgerust waren en de ontbrekende leden niet komen zouden, dat men een aanvang maakte met de beraadslaging. De driftige Adeelen, die van de eersten verschenen was, was ook de eerste die het sein daartoe gaf, door met zijn staf eenige helderklinkende slagen te geven op een zwaar schild, dat midden op het plein boven de zitplaats des voorzitters aan een ouden dwergachtigen eikeboom was opgehangen en waarop het wapen van Friesland was afgebeeld, zijnde een man, die in volle wapenrusting onder een boom stond, in de eene hand een lans en in de andere een ontbloot, naar den schouder gekeerd zwaard vasthoudende.

Nu begaven zich langzamerhand de aanwezigen naar de hun wachtende zitplaatsen. De vaste rangschikking, welke in andere landen op dergelijke bijeenkomsten de orde van zitting bepaalde, werd hier niet, of althans niet rechtens in acht genomen, dan alleen voor zooverre de kloostervoogden betrof, aan wie op de landdagen altijd de eerste plaats werd toegekend: terwijl de wereldlijken zonder onderscheid van rang of geboorte door elkander zaten. Wel duldde men oogluikend, dat de machtigste en voornaamste Edelen, of de Grietluiden, de beste plaatsen innamen (zijnde die welke zich dichtst aan den zetel des voorzitters bevonden); maar menig afgevaardigde uit de steden zette zich zonder plichtplegingen onder hen, en de algemeene regel scheen te zijn, de eereplaatsen aan de oudsten en achtbaarsten in te ruimen. Ik bedrieg mij: er was nog eene rangschikking; maar van een geheel anderen aard, en deze bestond daarin, dat, evenals in de wetgevende lichamen van latere dagen, ieder zich voegde bij de partij waartoe hij behoorde, waarvan het gevolg was, dat aan de eene zijde enkel Schieringers, en aan de andere Vetkoopers gezeten waren; evenals twee legers, welke met moeite door de overmacht in bedwang gehouden en belet werden elkander aan te vallen en de vergadering in een krijgsveld te veranderen.

Eindelijk hadden allen plaats genomen; in rijen achter elkander; maar zoodanig, dat ieder het gelaat naar het midden gekeerd had, waar de Heer van Aylva, aan wien het beleid van de vergadering was opgedragen, aan den voet des eikebooms gezeten was, hebbende nevens zich een monnik van Sint-Odulf en een van Luidinga-kerke, om aanteekening te houden van het getal der aanwezigen en van het besluit der vergadering.

Zooras de wakers zich verzekerd hadden, dat geene onbescheidene nieuwsgierigen zich in den omtrek van het plein bevonden, en dat al de daar tegenwoordige personen werkelijk stemgerechtigden waren, en toen de woeling, die een oogenblik te voren geheerscht had, voor een diepe stilte had plaatsgemaakt, nam Aylva het woord en bepaalde de vergadering bij het oogmerk der bijeenkomst: zijnde namelijk om een besluit te nemen, hoedanig men handelen zoude, ten einde vriendschap en vrede met Holland te bewaren, zonder de onafhankelijkheid van Friesland in de waagschaal te stellen. Hij deed daarbij nogmaals verslag van het wedervaren der afgevaardigden te Haarlem: hij verhaalde, hoe zij eerst met groote onderscheiding behandeld, maar later op een beleedigende wijze waren weggezonden; hoe een vrijgeborene Friesche Jonkvrouw door dwang in 's Graven macht was gehouden, en hoe diezelfde Graaf een onderwerping geëischt had, welke zij, zoo aan iemand, dan alleen aan den Keizer verschuldigd waren. Hij ontveinsde niet, dat er van de zijde van Friesland aanleiding was gegeven tot de handelwijze des Graven; en dat men dezen door eenige rekkelijkheid te betoonen en door een tijdige toenadering, te vriend had kunnen houden; maar hij voegde er bij, dat het thans de tijd niet meer was, om het gebeurde angstig te onderzoeken, en dat de blik alleen naar de toekomst diende gewend te worden. Hij besloot zijn rede met het verzoek, dat al wie iets ten nutte van het algemeen mocht weten zijn gevoelen rond en onbewimpeld verklaren zoude.

De rede van Aylva werd door eenige oogenblikken stilte opgevolgd. Hoe vreemd het na al het vroeger verhandelde ook klinke, de gemoederen in Friesland waren in 't algemeen tot den vrede geneigd. Na lange en noodlottige oorlogen, welke veel manschappen en schats gekost hadden, na gedurige stroop- en plundertochten van West-Friezen en Nooren ondergaan te hebben, had men gedurende eenige jaren een vrede mogen smaken, die niet verstoord werd dan door de binnenlandsche twisten, welke echter toen nog de trap van woede niet bereikt hadden, waartoe zij later geraakten. Vooral de Vetkoopers, die, het meest gegoed zijnde, ook het meeste te verliezen hadden, waren, en niet zonder grond, beducht voor dien machtigen Graaf, die honderd krijgslieden stellen kon tegen éénen Fries. Men wenschte, ja, de onafhankelijkheid des lands te bewaren, maar men schroomde, die van 't zwaard te doen afhangen: en de meerderheid was dus, als Aylva, niet ongeneigd den Graaf een schaduw van heerschappij toe te kennen, mits hij slechts de daad zelve niet uitoefende. Een toestemmend hoofdgeknik en een streelend gemurmel was derhalve de uitwerking, welke de toespraak des Oldermans bij de meerderheid teweegbracht: en men zag elkander met goedkeurende oogen aan, als wilde men te kennen geven, dat een ieder zich gerustelijk bij het gehoorde kon voegen en dat men slechts te overleggen had, op welke wijze het voorgestelde doel best bereikt kon worden. Maar er was ook in de vergadering een machtige partij, wier hart naar het strijden haakte, wier afkeer tegen Holland onoverwinbaar was, en die geen vrede of verzoening met den Graaf, tot welken prijs ook, begeerde: en deze partij bestond niet slechts uit afgevaardigden van Oostergoo, die veelal door hunne belangen aan Holland vijandig waren; maar zelfs menig inwoner van Westergoo (dat anders, door zijn betrekkingen met de overzijde, voor Hollandschgezind gehouden werd) had zich aan haar aangesloten, vooral sedert de onbuigzame Seerp Van Adeelen hun het voorbeeld had gegeven, die, zich daardoor ook in Oostergoo wel gezien makende, van lieverlede als de ziel en het hoofd der oorlogzuchtige partij werd aangemerkt. Hij had dan ook Aylva's taal onverduldig aangehoord: en zoo hij eenige oogenblikken aarzelde het woord op te vatten, het was omdat hij hoopte, dat iemand van meer leeftijd en gewicht zou opstaan en den indruk wegnemen van hetgeen de Olderman had gezegd. Maar toen zijn fonkelende oogen zich vruchteloos nu her- dan derwaarts hadden gewend, en hij nergens iemand ontdekte, vaardig om het woord te nemen, rees hij op en drukte zijn meening in de navolgende bewoordingen uit:

"Friezen! ik doe, met u, hulde aan de voortreffelijke wijze, waarop de edele Aylva den toestand van ons vaderland heeft geschilderd: hij heeft ons onthaal bij dien trotschen Graaf en de beleedigingen, daar ondervonden, en het leed, dat ons nog te wachten staat, in heldere trekken afgemaald;--maar indien ik, indien gij geroepen zijt, om hier alleen te beslissen, hoe men 's Graven vriendschap en den vrede zal kunnen bewaren, en te gelijk onze onafhankelijkheid, dat kostbaar erfdeel onzer vaderen,--dan verklaar ik ronduit, dat men ons evengoed had kunnen verzamelen om de vraag op te lossen, hoe wij zonder dijk of dam den springvloed zouden kunnen beteugelen. Zijne vriendschap! de vriendschap van een Graaf van Holland! van hem, welken en geboorte en stand en geneigdheid van de wieg af tot onzen doodvijand, en kan 't zijn, tot onzen dwingeland maken! van hem, die ons volk als een hoop dorpers beschouwt, onwaardig om het stof af te likken, dat aan de schoenen zijner laagste dienaars kleeft! van hem, die niet aflaat, wanneer hij kan, te gewagen, hoezeer hij ons veracht en versmaadt!--Vrede met Holland! met Holland, dat sinds eeuwen her onzen handel met nijdige oogen aanziet, dat Oost- en Noordzee met zijn schepen bedekt en ons den toegang weigert, dat op ons vlamt om onze akkers te verwoesten, onze weiden te blakeren, onze landen braak te leggen, den rooden haan in onze huizen te steken en onze landgenooten in slavernij te brengen!--En denkt gij, dat het met een schaduw van onderwerping zal tevreden zijn? Zal de wolf, die de schaapskooi beloert, zich vergenoegen met den plas ledig te drinken, waarin zich de kudde spiegelt, en den schijn voor het wezen nemen?--Neen! zoo hij er kans toe ziet, hij zal de kooi bespringen, en, al is zijn honger geboet, hij zal uitmoorden, zoolang hem de tanden niet verstompt zijn.--Gelooft mij: elke poging, aangewend om onze natuurlijke vijanden te winnen en voor ons in te nemen, zal slechts strekken om hen nog roofzuchtiger, nog opgeblazener te maken, om hunne vorderingen te vermeerderen en het juk, dat ons drukt, te verzwaren. Ik stem voor alles; maar niet voor het bevestigen onzer eigene schande. Neen! laten wij allen tot den laatsten toe in een eerlijken krijg vallen door het zwaard onzer vijanden; maar niet zelven den strop om de halzen slaan en het einde daarvan nederig aanbieden aan wie ons wurgen wil. Het is niet door onderwerping, dat wij de trotsche ziel van Willem zullen buigen. Voorkomen wij hem: dan eerst zal hij aarzelen, en zich tweemalen bedenken, eer hij ons aanvalt. De bulhond vervolgt den vluchtenden lafaard, doch deinst terug voor hem die standhoudt en hem onder de oogen durft zien. Lang genoeg hebben wij lafhartig geduld, dat Hollandsche huurbenden op onzen bodem rondwaarden; dat Hollandsche ambtslieden het recht spraken in onze steden: dat het wapen eens vreemden Graafs aan onze raadhuizen werd aangeslagen. Hij beschouwt ons als zijne lijfeigenen: en dit, Friezen! dit voegt het ons te toonen dat wij niet zijn. Hij beproeve het, en ondervinde hij, die zich in ijdelen waan, laatdunkend, den Heer aller Koningen en den meester aller soldaten noemt, dat hier een vrij en onafhankelijk volk woont, hetwelk zijne bedreigingen weet te verachten, zijn geweld te trotseeren, en wellicht zijn overmoed te fnuiken.--Ik heb uitgesproken."

Een stille en effen rivier, welke kalm tusschen gelijke boorden vloeit, brengt overal rust en vrede aan de landstreek, die zij besproeit; maar een zware en hollende sneeuwval, die onweerstaanbaar van de bergen nederschiet, laat achter zich niets dan onrust en verwarring. Zoo ontstond ook bij de vergadering, die na de taal van Aylva bedaard gebleven was, een driftig en ongedurig gewoel en gemompel, toen Adeelen zijne rede geëindigd had. Verschillend echter waren die bewegingen, naarmate de meeningen en bedoelingen verschillend waren; maar zij waren daarom niet minder bij allen te bespeuren. Diegenen, welke het met Adeelen hielden, poogden door luidruchtige toejuichingen klem aan zijn woorden te geven: de vredelievenden daarentegen, die zijn taal als dwaas en onvoorzichtig beschouwden, konden hun wrevel niet bedwingen, en sommigen zelfs riepen, dat men hem het zwijgen behoorde op te leggen als zijnde hij verder gegaan, dan het doel medebracht, waartoe de landdag beschreven was. Niet dan met veel moeite gelukte het aan Aylva, de vergadering te bewegen om tot rust te keeren en aan te hooren wat ook andere sprekers mochten in 't midden brengen. Er trad er dan ook meer dan een op, zoo om de macht des Graven op te vijzelen en de ijdelheid van allen wederstand te betoogen, als om de woorden van Adeelen te ondersteunen; langzamerhand begonnen de uitdrukkingen minder bezadigd te worden; partijzucht mengde zich in de adviezen: men verweet elkander bijoogmerken: de gramschap begon in menig oog te fonkelen, en menige blik van uitdaging werd geslagen op hem door wien men zich beleedigd achtte. Dan toen Worp Ropta van Metslavier zwoer, dat hij nimmer het lemmer zou ontblooten in een zaak, welke door een Helbada werd voorgestaan, en deze laatste, over zulk een hoon vergramd, de hand aan 't zwaard sloeg, en de gemoederen zoo verhit waren, dat men het doel der samenkomst geheel uit het oog begon te verliezen, om alleen aan onderlinge veeten te denken; terwijl Aylva vruchteloos het zwijgen poogde op te leggen, was het Adeelen, die de beide partijen tot stilte wist te brengen. Met vastberadenheid sprong hij van zijn zitplaats op, en tusschen beiden:

"Zwijgt! zwijgt allen!" riep hij met een donderende stem: "wordt het hier een kinderspel?--Wat zijt gij, gij allen, tot wie ik spreek?--Vetkoopers en Schieringers?--IJdele dwaasheid! ziet op het schild.--Wat staat daarop afgebeeld?--Is het het merk der Vetkoopers?--Is het een vette koe?--Past maar op! de Hollanders zullen haar melken.--Is het een schieraal, de leus der Schieringers?--Draagt zorg, dat de Hollanders uwe meren niet leegvisschen.--Neen Friezen! het is het wapen van Friesland: een gewapend man!--Wapent u dan!--Zorgt, dat niemand in staat zij uwe onafhankelijkheid te belagen:--en dan, twist met elkaar als gij het niet laten kunt!--ik heb ook getwist,--met onzen braven abt van Lidlum, die daar zit;--maar wij hebben vriendschap gemaakt:--want de Hollanders lachten in hun vuist.--Spreekt bedaard!--want bij den hemel! den eersten, die zijnen landgenoot weer een verwijt durft doen, smijt ik de vergadering uit!"

Deze toespraak, met horten en stooten, doch met klem en in een gepast oogenblik voortgebracht, maakte meer indruk op de aanwezigen dan de meest welsprekende en sierlijke taal had kunnen teweegbrengen. De opgewondene afgevaardigden kwamen tot rust; maar niet tot eenig besluit: en het scheen onzeker hoe lang de beraadslagingen nog hadden kunnen duren, toen een onverwacht rumoer op den landweg gehoord werd en een nieuwe wending aan heur loop kwam geven. De Abt van Sint-Odulf, die juist aan 't woord en bezig was der vergadering te verhalen dat broeder Syard, die nu God wist waar was, hem wel verteld had, hoe de wolven in Brabant, bij winterweer, zelfs de herders aanvielen, en dat Adeelen, die misschien nooit een wolf gezien had, over die beesten maar liever niet had moeten spreken; de Abt, zeggen wij, zich onverhoeds in zijn rede gestoord ziende, zweeg bot-stil en zag met een open mond naar de plaats, waar het gerucht vandaan kwam. Aylva wilde iemand derwaarts zenden, om te onderzoeken wat het ware, toen men de wachters terug zag treden met een besluitelooze houding, als wisten zij niet, of zij volgens hun plicht aan den nieuwaangekomene den toegang moesten vrijlaten of ontzeggen:--en nu vertoonde zich, zweetende en blazende, met de hem eigene verwaandheid en zelfvoldoening op het vuurrood gelaat, aan de verwonderde oogen der aanschouwere, het klein en onbeduidend figuurtje van meester Claes Gerritsz, den voormaligen Marktschrijver van Haarlem.

Maar hij bekleedde nu een andere waardigheid. Zijn bedilzucht en neuswijsheid hadden hem ondraaglijk gemaakt aan zijn stadgenooten, maar vooral aan het bestuur. Om zich van hem te ontslaan, had men geen beter middel weten te vinden, dan om hem bij den Graaf aan te bevelen, toen deze naar een geschikten persoon omzag ten einde hem te vertegenwoordigen op de rechtsdagen in Westergoo, en tevens eenige kleine eigendommen des Graven te bestieren, in dat gewest gelegen: welke betrekking tot dien tijd aan een Fries vertrouwd was geweest, maar welke de Graaf nu in zijn ontevredenheid aan een Hollander wilde opdragen. De eigenliefde van den Marktschrijver was te groot om hem zulk een post te doen afslaan, met welk gevaar die ook scheen verzeld, en hij had zich dan ook voorgesteld, zich bij de Friezen eens recht te doen gelden en hun te leeren, welk ontzag zij den Grave schuldig waren. Ofschoon hij met vrij wat gemompel en stugheid ontvangen was geworden, had hij zich daaraan weinig gestoord; maar was onverschrokken den hem eigen toon blijven voeren: en daar hij buiten dat geene ware redenen tot klachten gegeven had, en zijn mederechters, vooral die van Stavoren, Hollandschgezind waren, had hij tot nog toe geene dadelijke weerstreving aan zijn bevelen gevonden. Maar nu was hem op eens in de ooren gewaaid, dat er in Gaasterland een landdag zou gehouden worden: hij wist, dat zulke vergaderingen meermalen hadden plaats gehad en door de Graven oogluikend geduld waren geworden; maar hij was tevens van meening, dat men niet mocht verzuimen, des Graven ambtenaar daarop te noodigen: en toen die noodiging, welke hij zoolang vruchteloos gewacht had, niet tot hem kwam, begreep hij ook ongenoodigd derwaarts te moeten gaan, ten einde te zorgen, dat 's Graven persoon aldaar behoorlijk werd vertegenwoordigd en er niets plaats vond, strijdig met de hem verschuldigde eer. Met dit moedig voornemen had hij Stavoren, zijn woonplaats, verlaten, en was te voet, daar alle paarden en vervoermiddelen genomen waren, naar den weerstal gekuierd, waar hij nu, ofschoon wat laat, kwam opdagen.

Zijn onverwachte verschijning maakte op de aanwezige menigte nagenoeg een gelijken indruk als die, welke in onze tijden zoude veroorzaakt worden door de komst van een deurwaarder of gerechtsbode op een beurs, in een academiezaal, in een leesgezelschap of in elke dergelijke vergadering, welke men gewoon is als een vrijplaats aan te merken. Ieder zag den ongeroepen gast met verbazing, sommigen met toorn, anderen met verachting, velen met een bedenkelijk hoofdschudden aan; doch niemand week van zijn plaats en elk wachtte af, wat de uitslag van dit tooneel zou zijn. Zonder van zijn stuk te geraken, stapte de wakkere ambtenaar voort, groette hier en ginds een bekende met een beschermenden hoofdknik, zette de borst hoog op en keek, toen hij zich eindelijk midden in den kring bevond, rechts en links aan de zijden des voorzitters naar een plaats uit, hoedanig hij begreep dat met zijne waardigheid zou overeenkomen. Maar alles was bezet en niemand scheen genegen hem tot zijn buurman te dulden, veelmin voor hem plaats te maken. Integendeel gaven de norsche en dreigende blikken, welke hij van alle zijden ontmoette, hem genoegzaam te kennen, dat het dwaasheid zou wezen, hier zijn vermeend recht te doen gelden. Weinig gesticht over dat onthaal en bemerkende dat zijn persoon hier omtrent denzelfden indruk maakte als een bunsingstaart zou doen in een duivenhok, bleef hij eenige oogenblikken staan: en men kon aan den scheeven trek van zijn gelaat bespeuren, dat de vrijmoedigheid, welke hem bij zijn opkomen bezield had, langzamerhand begon plaats te maken voor verlegenheid, en dat hij den stillen wensch voedde, liever die fraaie reis niet te hebben ondernomen. Eenig half gesmoord gelach en een suizend gemompel begonnen zich reeds aan alle kanten te doen hooren, toen Aylva, wenschende een uitbarsting te voorkomen, den nieuwaangekomene toesprak:

"Wie zijt gij? En wat komt gij hier zoeken?"

"Verheugd, u te zien, mijn waarde Heer van Aylva!" zeide Claes Gerritsz, de hand aan den voorzitter toestekende, welke zich echter hield als bemerkte hij zulks niet: "ik dacht weinig, toen wij malkaar laatst binnen Haarlem zagen, u zoo spoedig weer en dat wel hier te zullen ontmoeten. Maar, als het spreekwoord zegt: bergen ontmoeten zich niet, maar...."

"Maar kort en goed," viel Aylva in: "wat is het doel uwer komst?"

"Lieve Hemel! Is het hier geen landdag?--Ik kom een weinig laat, 't is waar: maar daar was geen ezelspoot in Stavoren te krijgen...."

"En daarom zijt gij maar op de uwe gekomen," riep Adeelen, lachende.

"Maar, gij hebt geene noodiging ontvangen," hernam Aylva.

"Zeker een verzuim; want moest ik, als gemachtigde, en ik durf zeggen als vertegenwoordiger van den Graaf, zoo op den rechtsdag van Oostergoo als opzichtens Kempenesse, Aldenum en Hofland, niet zitting op uwe landdagen hebben, ten einde mijne stem te kunnen uitbrengen in het belang der Heerlijkheid?"

"Ziedaar wat iedereen u niet even gaaf zal toestemmen," zeide Aylva: "hadt gij mij vroeger deswege geraadpleegd, ik zou u een dergelijken stap hebben afgeraden: en," vervolgde hij halfluid, "ik rade u thans nog in goeden ernst: maak u uit de voeten; want ik zie hier menig gelaat, dat u weinig goeds belooft."

"Hoe!" zeide de Ambtman, onthutst om zich heen ziende: "ik wil niet hopen, dat men mij mijn recht van zitting zou betwisten. Bij het Privilege, in 1299 door Graaf Jan I geschonken aan...."

"Wat wil hij?--wat vraagt hij? weg met den onbeschaamde!" riepen nu verscheidene stemmen, terwijl de woorden van den Ambtman, die de naastbijzittenden alleen vernamen, als een loopend vuurtje bij de vergadering rondgingen.

"Welnu!" riep Adeelen: "Friezen! zou een uwer nog aarzelen? gij ziet het!--op onze landdagen zelve durft die onbeschaamde Graaf zijn verspieders zenden."

"Men moet den zot aan den paal hangen en het alarm op zijn buik trommelen!" riep Helbada.

"Zijt bedaard, vrienden!"--riep Aylva: "laat mij hem ondervragen. Vriend!--Ik vraag u nogmaals, volhardt gij bij uw opzet om hier zitting te nemen?"

"Volgens art. VII van het Privilege van Graaf Floris V," hernam Claes Gerritsz, die nu te verre gegaan was om terug te keeren, "zullen ter plaatse, waar de Graaf zich niet in persoon bevindt, alle Schouten, Schepenen, of in zijnen naam aangestelde personen...."

Hier werd hij in de onmogelijkheid gebracht om zijn rede te vervolgen door de geweldige kreten, die van alle zijden omgingen.

"Hij verlangt zitting onder ons," riep Aylva met luider stemme: "Hij vordert die als vertegenwoordiger des Graven."

"Aan den paal moge hij hem vertegenwoordigen!" schreeuwde Helbada.

"Wij willen geen verspieder van Graaf Willem!" riepen anderen: "wij zijn vrije Friezen en dulden geen vreemdeling op onzen weerstal.--Is er geen water in de buurt?--Het ware niet kwaad hem een dooping te geven!"

En reeds drong menigeen op den Ambtman aan, om door daden klem aan zijn woorden te geven.

"Ik stel u verantwoordelijk voor de gevolgen," kraaide Claes Gerritsz zijn schrille stem tot den hoogsten toon verheffende welken zij bereiken kon; "denkt om het artikel: al zoo wie een Schout, Schepen ofte anderen 's Graven Ambtman, door woorden, bedreigingen ofte daden zal beleedigd hebben...."

"Toon ons uw lastbrief om hier te verschijnen, of verwijder u," zeide Aylva, op een gestrengen toon: "de gemoederen zijn verhit: en ik sta niet in voor hetgeen u kan overkomen."

"Hier is de opene brief," zeide Claes Gerritsz, een perkament voor den dag halende, "waarmede mij onze doorluchtige Graaf en Heer heeft aangesteld tot...."

"Wij zullen u het lezen besparen," zeide Adeelen, die, inmiddels genaderd zijnde, het perkament hem uit de handen rukte en over de hoofden heen in het bosch smeet, waar het bij het zegel aan een boomtak hangen bleef.

"Ben ik hier in een vergadering van oproermakers?" vroeg de Ambtman, zich met drift tot Aylva wendende, die, onbeweeglijk op zijn zitplaats blijvende, beurtelings hem en Adeelen met een afkeurenden blik beschouwde.

"Gij ziet uw kaarteblad hangen," vervolgde Adeelen: "welnu! zoo gij geen lust hebt, om daarnevens te waaien, pak u dan van hier; want, bij het zwaard van mijn stamvader, Koning Adegild, ik geef u ter prooi aan de roofvogels, zoo gij een oogenblik langer vertoeft."

"Geene onberadenheid, Seerp Van Adeelen!" riep Aylva, op een strengen toon: "dat een ieder zijn plaats herneme; en gij, Hollander! wie gij wezen moogt, zie uw aanstelling te krijgen en verwijder u. Zoolang Friesland bestaat, hebben zijn zonen nimmer een vreemdeling op hunne landdagen gedoogd."

Adeelen begaf zich naar zijn zitplaats terug: en ofschoon hij in zijn hart den vreemdeling een goede waterdooping beloofde bij de eerste gelegenheid de beste, oordeelde hij echter, dat hij hem voor dezen dag met rust kon laten, en verheugde zich innerlijk over een voorval, dat hem aanleiding geven kon tot nieuwe en krachtige vertoogen ter aanprijzing van den krijg met Holland. De vergadering volgde zijn voorbeeld en schikte zich weder tot orde: en de Ambtman, het perkament, dat een der wapenknechten hem half verscheurd had toegebracht, weder toevouwende, maakte zich gereed om te vertrekken, toen er een nieuw gedruis op den landweg ontstond; maar ditmaal van de zijde van de Lemmer: hoefgetrappel deed zich hooren: een viertal personen steeg aan den ingang af, en de wakkere Feiko kwam juichende het plein oploopen.

"Daar is zij! daar is freule Madzy weer," riep hij, springende, en zijn muts in de hoogte werpende.

En inderdaad, men zag Madzy optreden, door den monnik en den alwillensdwaas gevolgd. Den avond te voren aan de Lemmer geland, hadden zij aldaar vernacht, en vernemende, dat zij Aylva op den weerstal zouden vinden, waren zij 's morgens derwaarts gereden.

"Mijn dochter!" riep Aylva, haar te gemoet komende en haar met teederheid omarmende: "zijt gij het waarlijk?"

"Hoezee voor Madzy Dekama!" riepen Helbada en Worp Ropta, deze reis eenstemmig: "Hoezee voor de Roos van Dekama!" riepen Schieringers en Vetkoopers: "Hoezee!" riep de gansche vergadering. Adeelen alleen bleef zwijgend en koel dit tooneel beschouwen.

"Verschoont mij, edele Friezen!" zeide Aylva, "zoo ik een oogenblik aan mijn gevoel toegeve:--ik zie, met vreugd, dat gij allen in de blijdschap dezer heuglijke ontmoeting deelt.--Maar zeg mij, mijn kind! hoe zijt gij uit de handen der Hollanders ontkomen?"

"Aan God alleen komt de dank toe voor mijn redding," antwoordde zij, hem de hand kussende; "maar ik weet, gij handelt hier over 's lands belangen: veroorloof mij voort te reizen: mijne tegenwoordigheid is hier onvoegzaam.--Waar zal ik u afwachten?"

"Ga in vrede, mijn dochter! Wacht mij aan mijn huizinge te Awert: daar zal ik u komen afhalen. Zorg ook, dat uwe reisgenooten aan niets gebrek hebben. Ik zal straks na den afloop der vergadering bij u zijn."

Madzy wendde zich om, en, de vergadering met heuschheid groetende, maakte zij zich gereed te vertrekken.

"Men zal zorg voor u dragen, goede vader!" zeide Aylva, ziende dat de monnik, die Madzy verzelde, onbeweeglijk staan bleef.

"Ik heb mijn last nog maar gedeeltelijk volbracht," zeide deze, "'t is niet slechts om de Jonkvrouw te geleiden, dat men mij uitzond: ik heb ook aan deze vergadering een mededeeling te doen, welke geen uitstel lijden mag."

Bij deze woorden, welke Madzy's geleider op een krachtigen, doordringenden toon uitsprak, vestigden alle oogen zich op hem. Aylva zag eenigszins verwonderd op: hij scheen zich te willen herinneren, waar en wanneer hij die stem vernomen had. Adeelen deed verbaasd een stap voorwaarts en vestigde een blik vol verwachting op den onbekende. Madzy bleef plotselings staan als van den bliksem getroffen; haar gelaat werd met een doodskleur overtogen en teekende de angstigste verwachting. Claes Gerritsz, om wien niemand zich meer bekommerde, keerde insgelijks snel terug en trachtte den monnik in 't gelaat te zien.

"Wij laten niemand op onze landdagen toe dan een Fries," zeide Aylva: "of dezulken, die mededeelingen hebben te doen, de belangen van Friesland betreffende."

"In die beide hoedanigheden vraag ik gehoor," zeide de onbekende, "de zoon van Sjoerd Aylva heeft aanspraak op de eer van een Fries genoemd te worden. Mijn vader! schenk mij uw zegen."

Onder het uiten dezer woorden liet hij zich voor Aylva op de eene knie neervallen, te gelijk den kap omslaande, die zijn gelaat tot nog toe bedekt had. Adeelen stond verstomd. Madzy gaf een angstigen gil: en Aylva kon het gevoel van ontzetting niet bedwingen, dat hem door de leden waarde, toen hij in den jongeling, die hem den vadernaam schonk, Reinout van Verona herkende.

"Wat wil dit?" zeide hij: "is dit een scherts, dan is zij afschuwelijk!"

"Geene scherts!" zeide Reinout, zonder van houding te veranderen: "of heeft de zoon van Bianca di Salerno geen recht, een zegen af te smeeken, die hem te lang onthouden werd?"

"Gij!" riep Aylva in hevige ontroering: "gij de zoon van Bianca di Salerno?"

"Geloof mijn woorden niet: geloof dezen ring: dit perkament: mijn opvoeding aan het huis van Carlo della Scala: en de omstandigheden, welke uw huwelijk vergezeld hebben, en waarvan ik u een getrouw naricht geven kan."

Aylva nam met een bevende hand den ring aan; maar nauwelijks had hij er de oogen op geslagen, of de aandoeningen, welke dat gezicht bij hem verwekte, overstelpten hem. Het was op zich zelf reeds ontroerend genoeg eensklaps een zoon terug te vinden, wiens bestaan zelfs hem onbekend was; maar dien zoon te herkennen in den moordenaar eens jongelings, die zijn achting en genegenheid gewonnen had, dit was te sterk voor zijn gevoel: en bedwelmd, zich het gelaat met de handen bedekkende, viel hij op zijn zetel neer.

"God! wat heb ik gedaan?" riep Reinout, opspringende: "de ontroering, de vreugd zullen hem dooden. Wee mij! dat ik zoo onvoorzichtig was. Kom tot u zelf, mijn vader! het is uw zoon, die daarom smeekt."

De hardvochtige Friezen waren bewogen. Sommigen traden toe om hulp te verschaffen aan den Olderman: Madzy bleef gelijk het beeld der wanhoop als op haar plaats genageld staan. Zij sidderde wanneer zij aan de toekomst dacht, en zag in 't vooruitzicht Reinout, nu gerugsteund door zijn betrekking met Aylva, haar weder met zijn hatelijke liefde vervolgen.

Maar een nieuw voorval kwam den zonderlingen toestand, waarin zich de aanwezigen bevonden, nog verwikkelen. Claes Gerritsz, die gelijk een aal tusschen de om Aylva verzamelde Friezen was doorgekropen, lei onverhoeds de hand op Reinouts schouder: "ik neem u gevangen," zeide hij, "als moordenaar van Ridder Deodaat, en als voortvluchtig uit 's Graven gevangenis."

"Hoe! wat? wat zal dat?"--riepen verscheidene stemmen.

"Biedt mij de hand, trouwe onderzaten van Graaf Willem!" vervolgde de Ambtman, die in zijn blinden ijver vergat dat hij een naam aanriep, die hier weinig gezag had: "Reinout van Verona, dien gij hier ziet, ligt onder den ban des Graven:--ik eisch dat hij in mijne handen worde overgeleverd."

Reinout keerde zich met een half verwonderden, half toornigen blik naar den spreker: "Er is geen Reinout van Verona meer," zeide hij: "dus is de ban uws Graven nietig:--en wat Deodaat betreft, die is zoo levend als ik:--gisteren althans genoot hij nog een goede gezondheid."

"En al ware die lage vrouwenverleider door uw toedoen naar de hel verhuisd," zeide Adeelen: "welk kwaad had daarin gestoken? En wat maakt u zoo stout," vervolgde hij tot Claes Gerritsz, "om niettegenstaande onze waarschuwing, u hier te vertoonen? Pak u van hier, of ik sla u 't hoofd van den romp."

"Neen!" zeide Reinout, partij trekkende van deze omstandigheid en den bevenden Haarlemmer bij den arm grijpende: "Laat hij nog een oogenblik blijven. Friezen! kan ik u beteren waarborg van mijne gezindheid geven, dan de beschuldiging, die dit nietig wezen tegen mij inbrengt? Graaf Willem heeft mij gehoond en mijn diensten met ondank beloond. Gij hoort het! ik ben onder een armhartig voorwendsel, om een verwonding bij een onzaligen twist, door hem veroordeeld en vogelvrij verklaard. Ik ben hem niets meer schuldig. Mijn arm en mijn hart behooren voortaan Friesland alleen."

"Wèl gesproken!" zeide Adeelen: "en wie anders denken moge, Seerp Van Adeelen houdt u voor een echten Fries."

Dit zeggende schudde hij de hand van Reinout en velen der aanwezigen volgden zijn voorbeeld.

"Goddank!" zeide Madzy, die intusschen naar haar voogd was toegetreden en zich uitsluitend met dezen had bezig gehouden: "hij opent de oogen weder."

"Wat is hier gebeurd?" vroeg Aylva, langzaam tot zich zelven keerende: "was daar niet iemand, die zich den zoon van Aylva noemde?--Maar neen, de zoon van Aylva kan geen sluipmoordenaar zijn. Ha! Madzy! mijn kind, gij daar?--Gij zijt toch altijd mijn dochter!"--

"O! laten wij van hier gaan, mijn vader!" zeide zij: "laten wij naar een plaats gaan, waar gij rust kunt nemen," herhaalde zij, ziende dat Aylva weder ineenzakte.

Aylva gaf geen antwoord: maar de beweging zijner handen en van zijn hoofd gaf te kennen, dat hij stemde in haar voorstel. Door Madzy, den trouwen Feiko en eenige vrienden geleid, verwijderde hij zich. Reinout, dit gewaarwordende, trad toe om ook zijnen bijstand aan te bieden.

"Wat wilt gij?" vroeg Madzy, hem met een blik van verontwaardiging aanziende: "verlangt gij hem te vermoorden?"

"Moet niet de zoon zijn vader bijstaan?" zeide Reinout met een smeekend oog: "wie heeft meer recht dan ik, hem te vergezellen."

"Terug!" zeide Madzy met fierheid: "verdien eerst den naam van zijn zoon te dragen, en waag het vroeger niet, hem onder de oogen te komen."

Reinout beet zich op de lippen; maar hij gehoorzaamde, gevoelende dat alle aandrang in zulk een oogenblik slechts zou dienen, om haar nog feller tegen hem in te nemen. Zij verwijderde zich dan zonder verder oponthoud, met Aylva en Feiko, terwijl meester Claes Gerritsz dit oogenblik insgelijks waarnam om zich uit de voeten te maken. Wat Daamke betrof, hij keerde naar zijn ezel: want hij had op eens het voornemen opgevat Reinout zijn dienst aan te bieden.

Na het vertrek van Aylva bleef de vergadering gedurende eenige oogenblikken in een staat van verwarring en besluiteloosheid, daar men het oneens was, of men de beraadslagingen zou voortzetten, dan wel of die behoorden geschorst te worden. Eindelijk echter drong Adeelen, gerugsteund door de aanzienlijksten der vergadering, het besluit door, om te hooren, wat Reinout had mede te deelen. Tevens bewerkte hij, dat voorloopig aan den Abt van Lidlum, zijn voormaligen vijand, het voorzitters-gestoelte aangeboden werd, en verwierf zich door dezen voorslag de toegenegenheid eener aanzienlijke partij. Iedereen keerde tot zijn plaats terug, en aan Reinout werd het woord verleend.

"Friezen!" zeide hij: "ik heb slechts één woord te zeggen; maar ik weet dat, nu de nood mij dringt, het uit te spreken, het weerklank in uw aller harten vinden zal. Te wapen!--Het is de vraag niet meer, of gij den Graaf met vleiende woorden paaien, of gij zijn toorn verzoenen kunt. Zijn besluit is vast bepaald. Eer dit seizoen ten einde is, ziet gij zijn vloot aan uw kusten landen. Ik kom van Utrecht: het kan geen maand meer weerstand bieden, tenzij het ontzet worde. Zwicht het, dan trekt het zegevierend heir naar dit gewest. Voorkomt dezen slag door een manmoedig besluit. Zendt een heir naar het Sticht en valt den Graaf in zijne legerplaats aan. Laten uwe schepen de Hollandsche havens benauwen en langs de kusten stroopen. Zoodoende zult gij den moed der belegerden aanwakkeren en verwarring en schrik onder de benden des Graven brengen. Hij zal genoodzaakt zijn, zijn macht te verdeelen: zijn bondgenooten zullen hem afvallen, en de erfgrond uwer vaderen zal door geen vreemden voet bezoedeld worden."

Men beseft licht, hoe welkom de redenen van Reinout waren in de ooren van Adeelen en diens oorlogzuchtige vrienden. Maar ook zij, die in den beginne niet van krijg hadden willen hooren, zagen zich, nadat Reinout, op hun verzoek, hun de gronden van zijn raad nader had toegelicht, gedwongen te erkennen, dat er geen andere uitweg ware, dan krijg te voeren; en dat het in dat geval beter ware, den vijand aan te tasten, nu hij nog in strijd gewikkeld was, dan te wachten, dat hij het Sticht ten ondergebracht had. De partij der heethoofden dreef dus boven, gelijk zulks schier bij alle staatsberoeringen het geval is, en na eenige woordenwisseling werd er zonder merkbare tegenkanting besloten, een leger naar Utrecht te zenden.

ACHT-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Gy zijt mijn Kodoman, en Cyrus' nazaat waard.

Bilderdijk. Darius aan Alexander.

De maar, dat men niet slechts het Hollandsche juk afschudden, maar zelfs den oorlog op vreemden bodem zou gaan voeren, was spoedig Friesland rondgegaan; maar minder spoedig ging het verzamelen van een leger, om die onderneming te volvoeren. Het lichten van krijgsvolk in de steden was te dier tijd in alle landen een zaak, aan groote moeilijkheden onderhevig; maar in Friesland bleek zulks in dit geval eene onmogelijkheid te wezen: de poorters verklaarden ronduit, dat men hen steeds bereid zou vinden om de grenzen van hun land te verdedigen; maar dat zij nimmer daarbuiten zouden gaan oorlog voeren. De kloostervoogden waren evenmin geneigd, hun conversen uit te zenden: en ten platten lande begrepen de boeren dat het geene zaak was, tegen den oogsttijd van huis te gaan. Wat de Edelen betrof: leenplicht was in Friesland onbekend; en het viel hun moeilijk, aan hun onderhoorigen de noodzakelijkheid te beduiden, van zich op vreemden bodem te gaan wagen ten gevalle van een kerkvoogd, die hun onbekend en ten eenenmale onverschillig was. De heilige drift, die het besluit van den landdag had ingegeven, was merkelijk bekoeld: en nu men het in 't werk zou stellen, zag men er eerst het onuitvoerbare van in. Het vuur der tweedracht begon ook spoedig weer te blaken: en onderlinge vijandschappen deden de landsaangelegenheden vergeten, terwijl bijna geen edelman zijn stins durfde verlaten, uit vrees van in zijn afwezigheid door den vijand te worden aangevallen: evenals in de fabel van den arend en de zeug, die beide te huis blijvende, elk bezorgd dat de andere zijnen jongen leed zoude doen, van honger omkwamen, en aan hun gemeenen vijand, de kat, ten prooi vielen.

Nog eene omstandigheid werkte mede om de vorming van een leger te belemmeren: deze was gebrek aan eenheid in het uitvoerend bewind. Voorheen had men in netelige omstandigheden een Potestaat verkoren, die, met een macht bekleed, niet ongelijk aan die eens Dictators te Rome, het hoofdbeleid der verrichtingen op zich nam; thans echter geschiedde dit niet: eensdeels, omdat men huiverig was geworden, het gezag aan een enkele toe te vertrouwen: anderdeels omdat de eene partij ongenegen was, toe te stemmen in de keuze van een Potestaat uit de andere. Het opperbewind was daarom toevertrouwd geworden aan een raad van velen, 't geen zeker niet tot bespoediging der zaken strekte. Wel deed Adeelen zich in dien raad krachtig gelden; maar hij leerde nu ook bij ondervinding, dat voortvarendheid in 't besluiten, en spoed in het uitvoeren, twee geheel afgescheidene dingen zijn.

Ook van de strooptochten, waartoe men had verklaard, te zullen overgaan, was niets gekomen. De poorters van Stavoren, althans de vermogenden onder hen, waren over 't algemeen Hollandschgezind: en velen dreven handel met het graafschap: maar zelfs die, welke op de Oostzee voeren, en uithoofde van hun belang moesten verlangen, dat de handel van Holland gefnuikt werd, waren in dit tijdsgewricht bezorgd, daden van aanranding te bedrijven of goed te keuren, welke maatregelen van weerwraak konden tengevolge hebben: want zij wisten, dat een Hollandsen smaldeel voor het Vlie kruiste, en velen hunner wachtten rijkbevrachte schepen te huis, welke zij niet gaarne door Hollandsche kapers zouden zien prijsgemaakt. Zoomin uit deze als uit eenige andere haven van Westergoo zeilden dus roofschepen naar Holland uit: en men bepaalde zich ook daar, en wel nog slechts flauw, alleen tot verdedigingsmiddelen.

Na in deze weinige woorden den toestand, waarin zich Friesland bevond, te hebben afgebeeld, zullen wij terugkeeren tot de schoone Madzy en haar voogd, den Heer van Aylva.

Deze had zich, na het verlaten van den landdag, naar een kleine stins begeven, op een paar uren afstands van het Gaasterland nabij het dorp Caudum gelegen, en Awert-state genaamd. Op dit gebouw, hetwelk sedert lang in het bezit van zijn geslacht was, was door hem een pachter geplaatst, onder voorbehoud echter van een paar vertrekken voor zich en de zijnen. Zijn voornemen was niet geweest aldaar te vertoeven; doch zich den volgenden dag naar zijn gewoon verblijf bij Scadaert in Wonseradeel te begeven; dan, een geweldige aanval van koorts, die hem dadelijk na zijn aankomst overviel, noodzaakte hem van dit plan af te zien. Madzy bleef, gelijk men gissen kan, bij hem; en daar de eene zuster van Aylva ondertusschen overleden, en de andere met een edelman in Groningen gehuwd was, kwam de gansche zorg op haar alleen neder; en zij vervulde jegens haar voogd op de teederste wijze al de plichten eener liefhebbende dochter, terwijl Sytsken (die op de maar der terugkomst van haar meesteres dadelijk naar Awert-state gereisd was) haar in deze taak op de dienstvaardigste wijze ondersteunde. De toestand van den zieke werd weldra van een bedenkelijken aard, en de arts, zijnde een convers uit het naburige Sint-Odulfsklooster, gebood, dat men alles zorgvuldig zou vermijden, wat strekken kon om het geschokt gemoed van den kranke door nieuwe aandoeningen te kwetsen.

Eens, op een schoonen avond, had Madzy het vertrek des Oldermans verlaten, met oogmerk, om voor eenige oogenblikken versche lucht te scheppen: een genot, waarvan zij nu een geruimen tijd was verstoken geweest. De toestand van den zieke had sedert een paar dagen eenig uitzicht op beterschap doen geboren worden: hij lag in een zachte sluimering: en Sytsken, in zijn vertrek gezeten, had aan Madzy beloofd, haar te zullen roepen zoodra hij ontwaakte. Zij was dus, te dezen opzichte gerust, de deur uitgetreden en verkwikte zich met de liefelijke buitenlucht, welke haar tegenwoei. Zich niet verre van huis willende verwijderen, wandelde zij een geruimen tijd op en neder voor de stins, welk gebouw uit een verzameling van onderscheidene woningen bestond, waarvan de voornaamste, die zich aan de westzijde bevond en tot verblijf voor den Heer strekte, van steen opgetrokken, twee verdiepingen hoog en met een gekartelden toren voorzien was, waarboven thans de banier van Aylva woei, zijnde een lazuur veld met een ster en een halve maan van goud. Aan dien toren grensde een half houten, half steenen huis, hetwelk door den pachter en zijn huisgezin betrokken werd en waaraan eenige lagere gebouwen, als de schuur, de stal, de bakkerij en dergelijken paalden. Hier en daar zag men nog sporen van versterking, door den bouwmeester aangebracht; maar deze waren bij vervolg van tijd tot andere gebruiken besteed: en het eenige verdedigingsmiddel, dat nu nog overig bleef, was in de dikte der muren van het hoofdgebouw gelegen, en in de breede gracht of sloot, die het erf van den landweg scheidde. Een ophaalbrug en daarnaast een plank of vonder voor de voetgangers waren de eenige middelen, langs welke toegang naar de stins verleend werd, terwijl een groote bulhond, die gedurig langs den rand van het water heen en weder liep, den al te vrijpostigen voorbijganger door zijn norsch aanzien en onophoudelijk geblaf beduidde, hoe gevaarlijk het zoude zijn, tegen den wil des bewoners dien toegang te willen gebruiken. Ja zelfs, toen Madzy zich op de werf vertoonde, bleef het dier haar, schoon zij van binnen kwam, eenigszins schuins aanstaren, stond stil en begon te knorren, terwijl het zijn gewone wandeling niet hernam, dan toen de pachtersvrouw, die in haar zomerhuisje zat, hem van verre toegeschreeuwd had, dat hij zich bedaard had te houden.

Niet lang echter had Madzy in eenzaamheid de werf en den hof op en neder geloopen, toen zij in haar mijmering gestoord werd door een kletterend hoefgetrappel op den landweg, en weldra eenige ruiters zag aankomen, die voor de brug stilhielden. Twee hunner stegen af: en nu herkende zij in dezen, niet zonder siddering, Seerp Van Adeelen en Reinout, die, na hun paarden aan de zorg hunner dienaars te hebben toevertrouwd, aan gene zijde des vonders bleven staan.

"Roep uw hond terug, vrouw!" schreeuwde Adeelen: "wij komen den Heer van Aylva bezoeken."

De pachtersvrouw gehoorzaamde en de beide edellieden traden de werf op.

De eerste gedachte van Madzy was, binnen te gaan en zich te onttrekken aan een gezelschap, dat zoo onwelkom was. Zij begreep echter spoedig, dat dit weinig zoude baten en dat de ruiters waren gekomen, òf om den Heer van Aylva te spreken, 't geen zij moest zoeken te beletten, òf om een onderhoud met haar zelve te hebben;--en dan was zij nog minder voor hen beiden vervaard, dan zij voor een hunner afzonderlijk zoude geweest zijn.

"Madzy Dekama!" zeide Adeelen, toen hij haar genaderd was: "wij wenschen den Olderman te spreken."

"Dat mag niet geschieden," zeide zij: "de arts heeft het stellig verboden."

"Zijn wij van dat verbod niet uitgesloten? het kan een ouden getrouwen vriend immers niet betreffen?"

"Het betreft iedereen, wie hij ook wezen moge. De zieke is nog zwak en moet alle aandoeningen mijden."

"Gij zult toch," zeide nu Reinout, "den zoon niet blijven weigeren, de sponde zijns vaders te naderen."

"Meer dan iemand," antwoordde Madzy, zonder hem te durven aanzien: "was het niet het onverwacht hervinden van dien zoon, dat hem in die krankheid stortte? Zoo gij den man niet dooden wilt, vertoon u dan niet aan hem, voor hij u ontbieden laat."

De beide jongelingen zagen elkander eenige oogenblikken besluiteloos aan.

"Gelooft mij," vervolgde Madzy: "dringt heden niet aan op een onderhoud, dat geene andere dan schadelijke gevolgen kan met zich sleepen. Zoodra mijn waarde voogd zijn krachten heeft terugbekomen, twijfel ik niet, of hij zelf zal het onderhoud verlangen, dat hij nu niet in staat is te verduren."

"Welnu!" zeide Adeelen: "indien gij den ouden Heer achter de traliën wilt houden, dienen wij ons te onderwerpen. Dan, mijn boodschap is nog niet geëindigd:--gij hadt mij vroeger rechten op uw hand geschonken: ik kom u die teruggeven."

"Ik dacht dat gij dit reeds gedaan hadt, Seerp Van Adeelen!" zeide Madzy, op een fieren toon: "althans, na het gedrag, door u te Haarlem gehouden, beschouwde ik mij niet langer aan u verbonden."

"Des te beter! Ik herhaal het slecnts, opdat gij weten zoudt, dat gij, zonder vrees van mij te verstooten (een vrees, die juist nooit zeer zwaar bij u gewogen heeft) de ooren kunt leenen aan den zoeten praat van dezen Ridder."

"Adeelen!" riep zij verontwaardigd uit: "ik ben geen koopwaar, welke men van de eene in de andere hand kan doen overgaan."

"Ziedaar een punt, waaromtrent uw laatste reisavonturen nog eenigen twijfel zouden kunnen doen ontstaan. Een juffer, die nu met dezen, dan met genen Ridder over 's Heeren wegen reist, die weken lang bij een Edelman huisvest, welke Edelman noch haar man, noch haar broeder, noch haar voogd is, die bij schoone Ridders in hun eigen tent bezoeken gaat afleggen, moest, dunkt mij, liever over zulke glibberige punten heenstappen."

De oogen van Madzy flonkerden van verontwaardiging, terwijl zij beurtelings van Adeelen naar Reinout dwaalden.--"Neen!" borst zij eindelijk uit: "zulk een afschuwelijk samenweefsel van laster werd nooit gesponnen! Ridder Reinout! zijt gij de verspreider dier geruchten? zoo is uwe ziel nog zwarter, dan ik mij die had voorgesteld.--Maar neen! zoo boosaardig kunt gij niet zijn. U is het bewust, u kan het althans bewust zijn, dat, zoo de schijn mij al beschuldigt, mijn eer zonder vlek of smet is gebleven. Zeg dien man, die mij beleedigen durft, dat hij zich bedriegt, en dat ik tegen mijn wil in Utrecht ben opgehouden en dat ik u niet kende, toen gij mij als reisgenoot vergezeldet."

"Kan ik krachtiger bewijs geven, hoe hoog ik u in eere houde," zeide Reinout, "dan de verklaring zelve, dat ik het mij tot het hoogste geluk zoude rekenen, indien gij mij tot uw Ridder wildet verkiezen? Geef mij slechts eenen lichtstraal van hoop, en mijn zwaard zal elken boezem bedreigen, waarin een gedachte, uwer onwaardig, mocht opstijgen."

"Ik weet het," zeide Madzy, met een afkeerige beweging, "uw zwaard is ras geneigd, de scheede te verlaten. Maar uw voorwaardelijk aanbod is onvoldoende. Wie heeft aan Adeelen die valsche berichten medegedeeld, zoo gij het niet geweest zijt?"

"Ik heb hem niets dan de waarheid gemeld," zeide Reinout: "de tevolgtrekkingen en de wijze van voordracht zijn van hem. Maar dit verklaar ik u, Seerp Van Adeelen! dat, schoon gij mij met Ridder-handslag tot wapenbroeder verkoren hebt, schoon ik u dank en trouw verschuldigd ben, dat ik u, als elk anderen, den Ridder-handschoen zal toewerpen, zoo gij u een woord laat ontvallen, beleedigend voor de eer dezer Jonkvrouw."

"Zooals gij wilt," zeide Adeelen, wrevelig; "ik ben met u gegaan om u een dienst te bewijzen, niet om twist te zoeken. Er heerscht reeds tweedracht genoeg in Friesland."

"Hoe!" zeide Madzy: "is nog de haat der partijen niet uitgedoofd, bij de gevaren die ons bedreigen?"

"Trekt gij u nog de zaken van Friesland aan?" zeide Adeelen, met een spottenden lach.

"Gij behandelt mij onwaardiglijk, Seerp!" zeide Madzy: "misschien moest ik zwijgen en uwe woorden alleen met verachting beantwoorden! maar ik kan niet vergeten, dat uw ouders mijne weldoeners, dat gij de vriend mijner jeugd waart. Bij de schim uwer zalige moeder, Adeelen! ik ben onschuldig, en de Zuiderzee zal een droge heide worden, eer ik ophoude, een echte dochter van Friesland te zijn."

"'t Is mogelijk!" zeide Adeelen, de schouders ophalende: "welnu! ik wil u dan wel melden, dat de Graaf, zoo ik hoor, den tocht naar Friesland uit het hoofd heeft gezet en bij Dordrecht een vloot laat bouwen om Eduard van Engeland tegen Frankrijk te ondersteunen: dat er nimmer schooner gelegenheid ware, een pleiziertocht in Holland te doen, zoo niet iedereen gek was geworden: dat wijders de Vetkoopers en Schieringers vuilaardiger zijn dan ooit; dat de monniken van Bloemkamp met den Proost van Pingjum zijn slaags geweest: dat Lidlum en Luidingakerke overhoop liggen: dat Wybe Reynalda en Seppe Ribalda elkaar hebben bevochten en beiden gesneuveld zijn: dat Helbada's zoon, Douwe, door Worp Ropta in een hinderlaag gelokt en vermoord is; dat er geene stins in Oostergoo is, waar geen boom op staat [32] en dat Utrecht zich liever vandaag dan morgen moet overgeven, indien het zijn redding van ons verwachten moet."

"O mijn ongelukkig vaderland!" zuchtte Madzy: "wat moet er van u worden?"

"Dat weet ik niet," zeide Adeelen: "ik kan niet alles alleen af. Aylva ligt ziek: vader Syard, die zooveel praats had, is verdwenen:--denkt slechts om zich zelf:--maar zooals het nu is zal het niet blijven, of ik werp mijn zwaard in 't meer en word een monnik.--En nu vaarwel!"

Dit gezegd hebbende, verwijderde hij zich, sprong op zijn paard en was spoedig buiten het gezicht. Madzy wilde zich nu terstond naar huis begeven; maar Reinout hield haar staande.

"Uw hart is nog tegen mij ingenomen," zeide hij, op een smeekenden toon: "maar kunt gij op mij eeuwig vertoornd blijven, wegens een opwelling van gramschap, welke haar oorzaak en tevens haar verschooning in mijn blakende liefde vond?"

"God beware mij, Ridder!" zeide Madzy: "dat ik u gestreng zou veroordeelen. Hij zelf heeft u een eeuwig naberouw gespaard, door niet toe te laten dat uw moorddadig opzet den dood van uw evenmensch ten gevolge had:--wat zeg ik? den dood van uw boezemvriend, van hem, die u sedert uwe geboorte als een broeder bemind had.... en die, ik betuig het u, u geene oorzaak tot zulk een handelwijze gegeven had?"

"En toont dit juist niet de kracht mijner liefde voor u," vroeg Reinout, "dat ik hem, die mij zoo dierbaar was, eraan opofferde?

"Dit toont alleen, dat gij een hartstochtelijk mensch zijt," zeide Madzy: "een liefde, die tot misdaad vervoert, is geenszins de ware liefde, zooals ik mij die heb voorgesteld."

"Welnu dan!" zeide Reinout: "zij maakt voor 't minst die misdaad verschoonlijk.--Maar ik wil het u niet verbloemen: ja! ik heb afschuwelijk gehandeld! Ik wil gelooven, dat Deodaat niet zoo schuldig was, als ik dacht: ik heb, meer dan eens, in eenzaamheid, mijn halsvriend betreurd:--maar nu, nu leeft hij weder, en het is niet langer de hand eens moordenaars, die Reinout van Aylva u aan durft bieden."

"Ridder!" hernam Madzy: "ik mag u niet vleien met een ijdele hoop. Tracht mijn achting, tracht de uwe te herwinnen, en dan zal Madzy Dekama u eeren als den zoon van iemand, wien zij boven elk ander vereert."

"Wel, in naam van dien braven man bid ik, trek uw onbarmhartige uitspraak in. Ach! Ik vermoed het: mijn vader zelf is tegen mij ingenomen wegens mijn wandaad. Wees gij de engel, de middelaarster, die ons weer te zamen brengt en hem met mij verzoent. Hij ziet, hij hoort slechts door uwe oogen: zoo uw bijstand mij faalt, hoe zal ik genade bij hem verwerven? Maar een woord van u, en hij schenkt mij vergeving en liefde: en dan, bedenk het zelve: gij hebt gehoord in welk licht Adeelen uw gedrag heeft durven plaatsen? Is er een beter middel om zijnen, om ieders mond te doen zwijgen, dan om uw hand te schenken aan hem, die ze niet zou afbidden indien hij niet van uw deugd overtuigd ware."

"Ik weet een beter middel," zeide Madzy: "het is van uw liefde af te slaan, en daardoor te toonen, dat ik den laster niet vreeze.--Wat voorts uw verzoening met uw vader betreft, wees gerust, dat Madzy Dekama blozen zou, haar invloed op hem te misbruiken, door zijn hart van u te verwijderen."

"Ik vertrouw dit," zeide Reinout: "oordeel zelve, welke waarde ik aan die betuiging hecht, daar ik mij door u een recht laat ontnemen, dat ik bij elk ander zoude doen gelden, dat namelijk, van mijn vader in zijn krankheid te verzorgen."

Hier werd hun gesprek gestoord door Sytsken, die, de deur uitkomende, zich tot Reinout wendde en hem te kennen gaf, dat de Olderman verlangde hem te spreken.

"Is het mogelijk!" riep Reinout uit, terwijl een glans van vergenoegen zich over zijn gelaat verspreidde: "ik zie met blijdschap, dat de toestand mijns vaders niet zoo erg is, als mij die werd afgeschilderd."

"God geve," zeide Madzy: "dat deze ontmoeting zoo gezegend voor u afloope, als ik dit van harte wenschte. Maar zeg mij, Sytsken! heeft de Olderman uit zich zelven naar den Ridder gevraagd?--Wist hij, dat die zich hier bevond?"

"Wat zal ik zeggen?" zeide Sytsken: "zooeven werd hier vrij heftig gesproken: onze goede Heer ontwaakte ervan. Hij gelastte mij te vernemen, wat er gaande was: en daar ik hoorde, dat het gerucht hier vandaan kwam, ging ik even met den neus aan 't venster en zag Seerp Van Adeelen, die als een pauw heenstapte, en den Ridder, die met u sprak, en toen zei ik het den Olderman en vroeg of ik de Jonkvrouw roepen zou, gelijk gij mij bevolen hadt te doen, als hij wakker werd. De oude Heer ging recht overeind in 't bed zitten, zoo fiks gelijk hij nog niet gedaan heeft: 'Sytsken!' zeide hij: 'ga den Ridder verzoeken hier te komen.'--'Maar,' zei ik, 'uw Edelheid weet, wat de arts heeft gezegd.'--'Ik weet het,' zeide de oude Heer; 'maar ik begeer hem te spreken en 't zal mij geen nadeel doen.'--En zoo volgde ik zijn last."

"O! voldoe dan terstond aan zijn verlangen, Ridder!" zeide Madzy: "en moge de uitslag van uw onderhoud zijn als gij dien wenscht."

Een dankbare blik was het antwoord van Reinout, en hij volgde zijn geleidster met een blijmoedigheid, die niet vrij was van ontroering. Weldra bevond hij zich in het vertrek, waar Aylva op het ziekbed lag uitgestrekt.

De Olderman richtte zich op toen zij binnentraden: hij zag zwijgend Reinout aan, die zich naast zijn sponde op de knie liet neervallen en de vermagerde hand van Aylva kuste. Deze trok haar zachtjes, zonder ruwheid, terug, verzocht Sytsken een waterkruik naast het hoofden einde te plaatsen en vervolgens het vertrek te ruimen. Zoodra hij met Reinout alleen was, wenkte hij hem, een stoel te nemen en zich te zetten. De jongeling gehoorzaamde zwijgend, in pijnlijke verwachting van hetgeen er volgen zoude.

"Ik heb verlangd, mij met u te onderhouden," zeide Aylva; "onze laatste ontmoeting heeft mij geschokt, ik wil dat niet ontveinzen: met dit al hebt gij recht om gehoord te worden. Wees zoo goed en verhaal mij thans eens omstandig de gebeurtenissen, waarop gij uw recht grondt, van mij vader te noemen."

Reinout gehoorzaamde. Hij vermeldde de wijze, waarop hij bij Carlo della Scala gekomen was, herhaalde hetgeen Barbanera hem betreffende Bianca had gezegd, en door ons in het achtste Hoofdstuk geboekt is, en gaf vervolgens verslag hoe hij bij dit zonderling toeval, in dezen zijn ouden bekende Paolo ontmoet had, aan wien hij de ontdekking der waarheid verschuldigd was.

"Ik herinner mij dien Paolo," zeide Aylva, nadat Reinout zijn verhaal geëindigd had: "hij leide het te Milaan op mijn leven toe, en schoon hij het vertrouwen van mijn Bianca schijnt genoten te hebben, blijkt het mij thans, dat hij haar zoowel als den dwingeland van Verona gelijktijdig gediend en gelijktijdig bedrogen heeft. Wellicht is hij het geweest, die aan Bianca de valsche tijding van mijn dood deed weten: en ook hieruit kan ik mij de reden verklaren, waarom hij geschroomd heeft, mij te Haarlem te komen opzoeken en mij daar reeds het geheim uwer geboorte mede te deelen. Ach! dat hij het gedaan hadde! Ik had hem een bedrog, dat zoovele jaren geleden plaats had, gaarne vergeven: en wellicht had dan de euveldaad geene plaats gehad, die sedert uw naam bezoedeld heeft."

Reinout zuchtte: "Wijt die euveldaad" zeide hij, "aan gekrenkte spijt wegens slecht beloond vertrouwen, aan een opwelling van onbedachten toorn: aan het Italiaansche bloed, dat mij door de aderen vloeit.... misschien ook aan het Friesche... want naar ik bemerk, men ziet er hier te lande ook niet veel kwaad in, elkander het staal in 't hart te jagen:--in allen gevalle, Deodaat leeft nog: en gewis, zijn hart heeft mij vergeven. Zou mijn vader gestrenger over mij oordeelen?"

"Leeft hij nog?" vroeg Aylva, verheugd: "God zij geprezen! hij was een edel jongeling! en wel waardig," vervolgde hij met een zucht, "van uit ridderbloed gesproten te zijn.--Hij was met u opgevoed, nietwaar?"

Reinout wendde zich spoedig om, zoodat hij met den rug naar het licht kwam te zitten; want hij voelde, dat hij op deze onverwachte vraag bloedrood werd. Hij had met opzet de omstandigheid, dat Deodaat met hem te gelijk aan Carlo della Scala was toevertrouwd geworden, aan Aylva verzwegen: niet zoozeer omdat bij hem zelven nog eenige twijfel omtrent de echtheid zijner geboorte uit Bianca bestond, als uit vrees, dat de Olderman nog tusschen hem en Deodaat zou twijfelen, daar toch de bepaling, wie van beiden Bianca's zoon ware, alleen van de verklaring van Barbanera-Paolo afhing, die niet tegenwoordig was, en aan wien Aylva bovendien wellicht weinig geloof zou slaan.--Intusschen was hij dubbel tevreden, van deze omstandigheid geene melding gemaakt te hebben, nu hij uit Aylva's woorden kon afleiden, dat Deodaat hem als zoon meer welkom zou geweest zijn dan hij. Hij zweeg dan eenige oogenblikken, en antwoordde toen: "Hij was een braaf en beminnelijk mensch: de speelmakker mijner jeugd.... evenals ik door den edelen Carlo als zoon aangenomen: wij hebben samen veel lief en leed doorgestaan:--hadden wij niet beiden ons oog op Madzy laten vallen, wij waren eeuwig vrienden gebleven."

"Nu spreekt gij, zooals ik het gaarne heb," zeide Aylva: "en ik ontwaar met vreugde, dat gij hem recht doet, en dat uw misdaad alleen een gevolg van gramschap was en niet uit een boos gemoed ontsproot. Neen: ik mag niet langer twijfelen. Deze brief is van Bianca's hand! De edele Carlo heeft die zeker herkend--en gezwegen, om haar rampspoedig lot niet te verzwaren!--Deze ring--ik gaf hem aan Bianca bij ons huwelijk. Barbanera heeft dien, zegt gij, van haar ontvangen?"

"Hij heeft haar gezien, voor hij zich naar dit land op reis begaf en hem toen van haar ontvangen om tot bewijs mijner geboorte te strekken." (Dit had Barbanera aan Reinout in de herberg te Plaswijk verhaald.)

"Zij zou dan nog leven!" riep Aylva in vervoering uit: "leven... maar in de slavernij van dien afschuwelijken dwingeland!--O God! zoo ik naar mijn herstelling zou wenschen, het ware om haar uit hare boei te verlossen!--Kom!" zeide hij, na eenige oogenblikken zwijgens; "ik ben vermoeid; maar wat geschieden moet, dient niet langer te worden uitgesteld. Roep Feiko binnen."

De dienaar verscheen, en ontving last, om Madzy, den pachter, en Aylva's huiskapelaan te ontbieden. Zoodra deze binnen waren, gaf hij laatstgemelden bevel, een verklaring op te maken, waarbij hij, Sjoerd van Aylva, Reinout als zijn wettigen zoon en erfgenaam erkende. Dit stuk, opgesteld zijnde, werd door aller onderteekening, voor zooverre zij schrijven konden, en door de overigen met hun kenmerk bekrachtigd.

"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva: "kniel neder en ontvang den vaderlijken zegen."

Reinout viel op beide knieën voor het bed; maar een kille huivering rolde hem door de leden, toen Aylva hem de handen op het hoofd leide en den vaderlijken zegen over hem uitsprak. Hij wist niet, waaraan hij het gevoel moest toeschrijven, dat hem drukte; maar de aandoening, welke hem overstelpte, was gelijk aan die, welke volgens zijne gedachten, Jakob moet gekweld hebben toen hij den zegen aan zijn broeder ontstal. Hij rees op en omhelsde Aylva: maar hij bleef koel bij die omhelzing: hij droeg den Olderman eerbied toe; maar hij ondervond die warme kinderlijke liefde niet, welke hij zich verbeeldde dat in het hart eens zoons jegens zijn vader wonen moest. Hij trad een stap achterwaarts en toen de huispriester hem met deftigheid, Feiko met belangstelling, de pachter met onderdanigheid en Madzy op een recht welmeenenden toon gelukwenschten, gevoelde hij zich bijna ongelukkig.

"En nu, mijn zoon!" zeide Aylva, "nu heb ik rust noodig. Neem den Heer kapelaan en deze verklaring mede, reis mijn goederen rond en bezoek mijn gezin. Het is voegzaam en nuttig, dat gij een en ander leert kennen. Uw bekwaamheid en kennis in krijgszaken is mij bekend. Gij zijt nu een Fries, en het betaamt u het vaderland te dienen. Gij kunt in de tegenwoordige omstandigheden van nut wezen. Beschik over al het mijne naar uw goeddunken, voor zooveel gij oordeelt, dat zulks voor Friesland heilzaam kan zijn."

"Ik hoop, mij uw vertrouwen niet onwaardig te maken," was alles, wat Reinout kon uitbrengen: en, een kort afscheid nemende, verliet hij de ziekekamer en weldra de stins, vergezeld van den huispriester.

"Welnu, Ridder!" vroeg hem aan den ingang Daamke, die na den landdag in zijn dienst getreden was en zijn ezel tegen een paard, zijn zotskolf tegen een zwaard en zijn narrenpak tegen het gewaad eens speermans verruild had: "hoe is uw wedervaren geweest?"

"Ik ben voorgoed erkend als erfzoon van Aylva," antwoordde Reinout, terwijl hij met een bedrukt gelaat te paard steeg.

"Als erfzoon van Aylva," dacht Daamke: "en hij kijkt zoo sip als een hoen, dat op 't sterven ligt! Men zou waarlijk zeggen, dat het hem leed deed.--Bij Sint Julfus! Indien mij zulk een geluk overkwam, ik zou waarlijk in staat zijn van blijdschap den dood van mijn goeden vriend Cezar te vergeten."

NEGEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

Que diable allait-il faire dans cette galère?

Molière. Les fourberies de Scapin.

Eenige dagen waren er verloopen sedert het tooneel, dat wij in ons vorige Hoofdstuk vermeld hebben, toen in den vroegen morgen een vaartuig, dat het wapen van Amsterdam aan den mast voerde en oogenschijnlijk een lading bier in had, zich in 't gezicht der Zuiderhaven van Stavoren vertoonde. De nacht was koel geweest: maar nu was de lucht spakerig en als met een gaas bedekt: terwijl de zon, die rood als bloed door dien nevel scheen, een heeten dag voorspelde. De wind, welke gedurende den nacht frisch uit het zuidwesten gewaaid had, was met den dag uitgeschoten en belette het vaartuig zijn weg te vervolgen met dien spoed, welke de omstandigheden schenen te vorderen. De schipper stond zelf aan het roer; en zijn oog, dat onafgebroken op de lucht gevestigd was, scheen met verlangen uit te zien naar de geringste verandering in de streek, die de wind hield, om daarvan terstond een voordeelig gebruik te maken; terwijl de vijf matrozen, die de manschap uitmaakten, aan den voorsteven bijeenzaten in een wel ledige houding maar die slechts één woord verwachtte om in een werkzame te veranderen. Naast den schipper zat iemand, in den bloei zijner jaren, op een blauwen mantel neder, met witte lieren bezaaid. Zijn gewaad was echter dat van een koopman; zijn oog gaf onrust en ongeduld te kennen en scheen bestendig den schipper te ondervragen, die echter te voorzichtig was om dien zwijgenden blik te willen begrijpen. Eindelijk kon de jongeling zich niet langer bedwingen, en, het hoofd oprichtende, dat tot nog toe op de vlakke hand geleund had, ving hij met de volgende woorden het onderhoud aan:

"Hoe jammer, dat de wind niet uit denzelfden hoek is blijven waaien: wij waren anders met het aanbreken van den dag al binnen de haven geweest."

"Gij hebt gelijk," zeide de schipper; "maar tegen de elementen valt niets te doen."

"Intusschen," zeide de koopman; "zoo wij niet gisteravond, door wiens schuld weet ik niet, op die zandbank waren vastgeraakt, hetgeen ons zeker drie uren heeft opgehouden, zouden wij reeds lang binnen zijn."

"Door wiens schuld?--Door de schuld van die hagelsche Friezen! van die ongelukskinderen, die de bakens verzet hebben om ons een schipbreuk te bezorgen: gij kunt overtuigd zijn, dat zij al sinds lang voor een overval vreezen, en er op uit zijn geweest om den overtocht moeilijk te maken."

"Ik geloof met u," zeide de koopman, "dat zij op hun hoede zijn, en daarom had ik gistermorgen reeds willen gaan om bij nacht in Stavoren te kunnen komen en het slot te bemannen, eer iemand de lucht van ons voornemen kreeg. Maar dat satansche volk kwam zoo laat aan:--Houdt u toch stil daar beneden," zeide hij, opstaande en op den bodem stampende: "en schept moed! wij zullen wel in de haven zijn binnen een half...." (hier zag hij den schipper aan, die het hoofd schudde:) "binnen een uur...." (de schipper trok het gezicht tot een scheeven lach en wendde het hoofd om.) "Boudewijn! houd toch stilte! wat ik u bidden mag."

"Wij zijn zoo stil als wij kunnen, Heer Ridder!" riep een stem van beneden; "maar die arme kerels zijn ziek als honden en het vaartuig stoot als een kreupele hit."

"Geen nood," zeide de schipper: "dat zal niet lang duren: wij komen zoo in slecht water: en dan krijgen wij een oppertje."

"Ja! mij dunkt, wij moeten er haast zijn," zeide de koopman, of liever de Ridder: "ik begin de huizen al te onderscheiden."

Maar dit vooruitzicht was ijdel; want na weinige oogenblikken liet de schipper het vaartuig wenden en de wal verwijderde zich weer.

"Eilieve!" zeide de Ridder: "waar gaan wij nu weer heen?"

"Thans zal het gelukken," zeide de schipper: "wij zijn boven den wind en krijgen zoo dadelijk hoog water. Met een paar gangetjes zijn wij er!"

De Ridder nam geduld, en de armen over de borst kruisende, sloeg hij een aandachtig oog op de Friesche kust. Recht voor hem uit verhief zich de hooge heuvel uit zee, die nog heden, ofschoon door het golfgeweld dagelijks afnemende, zijn naam van het Roode Klif bewaard heeft. Tegen de helling en aan den voet dier hoogte graasde een talrijke kudde schapen, die al meer en meer naar de kruin terugweek, naarmate de vloed kwam opzetten. Ten noorden van het Klif en aan het einde van een zomerkade, bestemd om de invretende zeegolven te keeren, strekte zich een groene smalle landstrook uit, aan wier uiterste einde zich het klooster van Sint-Odulf met zijn hoogen toren en vergulden koepel in al zijn luister verhief: en eindelijk, nog meer noordwaarts en aan den hoek van Friesland, deed zich het trotsche Stavoren op met zijn schitterende daken en ruime kerkgebouwen, met zijn dubbele haven, en zijn ver vooruitstekende kaaien, waarmede het de zee te omarmen scheen. Het gelaat des jongelings werd somberder nog dan het geweest was, en een vloed van gewaarwordingen overstelpte hem.

"Daar is die kust dan," dacht hij: "die kust, welke ik zoo gaarne als vriend betreden had! Daar leeft, voor wie ik met wellust al mijn bloed zoude offeren, en wier landgenooten ik thans bestrijden ga!--Zal ik haar nog zien?--Ach! zoo zij te Haarlem en te Utrecht mijn hand versmaadde, hoeveel te meer zal zij dit hier doen, nu ik als vijand kom!"

Terwijl Deodaat, wien mijn lezers aan deze uitboezeming herkend zullen hebben, aldus stond te peinzen, kwam de jongste der matrozen, een nauw volwassen knaap, hem op zijde.

"Onze onderneming begint onder slechte voorteekens, Heer Ridder!" zeide deze.

"Dat doet zij, Zweder! maar een goed krijgsman mag nimmer den moed opgeven!"

"Ook geef ik den moed niet op, Heer Ridder! en heb voor mij zelven geene zorg. Zoo gij sneuvelt in dezen tocht, 't geen God verhoede! dan sneuvel ik met u, en dan is Zweder van Naaldwijk toch met eere gevallen. Maar ik ben bezorgd voor de vloot van den Graaf, die zeker reeds moet uitgezeild zijn. De matrozen zeggen, dat er weer storm zal komen; waar zij het aan zien, weet ik niet; maar zij dienen er verstand van te hebben."

"Wij willen hopen, dat des Graven stuurlieden het ook zullen zien, en de vloot niet noodeloos aan gevaar blootstellen. Met dat al, er schijnt een vloek op deze onderneming te liggen."

"Ja! ja," zeide Zweder: "die voorspelling van Graaf Reinout en van den kokeler is menigeen voor den geest gekomen in deze laatste dagen! en, zoo ik hoor, heeft de Heer van Beaumont den Graaf nog gebeden den tocht niet aan te vangen, zonder tevens eenige benden te land te zenden."

"Welnu! dat zal immers geschieden," zeide Deodaat. "De Bisschop heeft bevel gezonden aan zijn vazallen in Drenthe en in het Oversticht om gewapenderhand in Friesland te vallen."

"De Bisschop is een looze vos," hernam Zweder, met een glimlach: "hij wil ook zijn aandeel in den buit niet missen;--maar ik ben overtuigd, dat zoo de vloot eens niet landde ('t geen God verhoede!) de heldendaden van 's Bisschops leger zich zouden bepalen tot het plukken van heidebloempjes op de vlakten van Drente om er kransjes van te vlechten;--maar zie eens, Heer Ridder! Daar naderen wij den wal weer. Is dat nu Stavoren?--Eilieve!--mij dunkt, daar staan menschen op de kaai."

"Dat doen er net," zeide de schipper: "en dat voorspelt ons weinig goeds. Al die vrome lui staan daar ook niet bloot om naar den wind uit te zien. Ik zou zeer bedrogen zijn, indien die Workummer visscher, die ons gisteren, toen wij op de bank zaten, kwam vragen of hij het anker op mocht zoeken, dat wij gekapt hadden; indien die Workummerman, zeg ik, ons niet vooruit ware.--Ja bij mijn ziel! daar ligt zijn schuit al in de haven!--De kans is verkeken, Ridder!--en wij zullen wel doen den steven te wenden."

"Dat niet," zeide Deodaat: "althans niet, voordat mij de onmogelijkheid blijkt, van mijn last te volbrengen. Maak slechts haast, want elk oogenblik vermeerdert de noodzakelijkheid om spoedig aan wal te zijn."

"Ook goed!" zeide de schipper: "nog een paar gangetjes en wij zijn er."

In weerwil van de haast, die hij predikte, was Deodaat niet ontevreden, dat het vaartuig nog die twee gangetjes te doen had, vermits hem zulks den tijd gaf, om nogmaals bedaard na te denken, welke handelwijze hij volgen moest. Des Graven last was geweest, dat hij binnen Stavoren, alwaar vele burgers nog Hollandschgezind waren, op een bedekte wijze eenig volk ontschepen zoude, het kasteel bemannen en de stad in bedwang houden, ten einde alzoo de Graaf dadelijk bij zijn landing een vast punt zou hebben, van waar hij zijn krijgsbewegingen kon besturen. Deze taak van Deodaat was hachelijk en de uitslag onzeker, daar men in Holland niet juist met den stand der zaken bekend was, en niet wist of men op de goede gezindheid der burgerij van Stavoren kon blijven vertrouwen, welke daarenboven door de overmacht der overige Friezen of door een oploop van het gepeupel kon machteloos gemaakt worden. Deodaat had daarom de noodzakelijkheid ingezien, bij verrassing te handelen en zijn krijgsknechten onder den valschen bodem verborgen van een schip, dat van boven met biervaten geladen was. Zijn plan was, dit volk bij nacht te ontschepen en daarmede naar het kasteel te trekken; hetwelk (althans zoo luidden de laatste berichten, door Claes Gerritsz gezonden) geene Friesche bezetting had; maar door twee of drie lieden bewaakt werd, op wier trouw aan den Graaf men kon afgaan. Door vertraging bij inscheping en door tegenspoed op reis was er nu een dag verloren gegaan en was het noodzakelijk geworden, de onderneming tot den volgenden nacht te verschuiven. Intusschen gaf de groote menigte menschen, op de kaai verzameld, geene geringe bezorgdheid aan Deodaat, of niet zijn plan verraden en reeds te Stavoren bekend ware: en hij oordeelde het raadzaam, zich hiervan te verzekeren ten einde de zijnen niet nutteloos ter slachtbank te brengen. Het besluit, dat hij ten gevolge dier overdenkingen nam, was dan ook datgene, hetwelk hem de menschelijkheid en de voorzichtigheid voorschreven, hoewel het voor hem zelven het meeste gevaar inhad.

"Boudewijn!" riep hij: "kom boven, maar leg eerst uw harnas af! En gij Zweder! hoor mij."

Beide schildknapen waren spoedig bij hem.

"Mijn voornemen," zeide hij, "is alleen en onverwijld de stad in te gaan, om kondschap te nemen hoe de zaken staan: het schip op stroom latende liggen. Binnen drie uren kom ik weder bij u; immers zoo ik alles bevind, gelijk wij wenschen. Kom ik niet terug, dan is het een teeken, dat mijn leven of mijn vrijheid bedreigd wordt: gij wendt in dat geval den steven en boodschapt den Graaf mijn wedervaren."

De twee schildknapen zagen elkaar met onrustige blikken aan.

"Welnu!" zeide Deodaat: "hoe kijkt gij zoo zwart? Wat hapert er aan?"

"Ridder!" zeide Boudewijn: "bij God, ik laat u niet alleen gaan:--gij zoudt omkomen in dat vervloekte nest! Laat ons liever, of al te zamen terugkeeren, of terstond met het volk aan wal springen en naar het kasteel trekken, eer die Friesche lomperds den tijd hebben om te bespeuren wat wij in ons schild voeren."

"Zie eens!" zeide Deodaat, naar de stad wijzende: "ziet gij daar eenig blijk van een vriendelijk onthaal?"

De afstand, waarop zij zich nu bevonden, liet hun toe, dadelijk te bespeuren, dat niet slechts de volksmenigte op de kaai en de hoofden was aangegroeid, maar ook zag men, achter de aldaar verzamelden, ruiters heen en weer draven en hier en daar een helm en een speer in 't zonlicht flikkeren.

"Mij dunkt, gij weet reeds genoeg," zeide de schipper tot Deodaat: "en behoeft niet aan wal te gaan om verzekerd te zijn, dat men u daar een slechte welkomst voorbereidt. Gij zijt een wakker Ridder en ik maar een slechte pekbroek; maar neem den raad aan van een oud man en keer, zonder van boord te gaan, met ons terug. Ik ken die Friezen vanouds: zij zijn niet mak als zij beginnen, en hoe best ik altijd met hen overweg gekend heb, ik viel ongaarne in hunne handen."

"Uw raad is welgemeend, schipper!" zeide Deodaat: "maar het komt hier op plichtsvervulling aan en geen denkbeeld van gevaar kan mij daarvan afschrikken. Door nu terug te keeren, zouden wij de Friezen, zoo zij kwaad vermoeden hebben, daarin versterken en des te meer op hun hoede doen wezen. Indien wij daarentegen nu stil op stroom blijven liggen, is wellicht tegen den avond die volkshoop uit elkaar en heeft niemand erg in ons. Daarom ook wil ik aan wal gaan; dan zal de achterdocht van zelf wijken."

"Neem mij dan in Gods naam mede, Heer Ridder!" merkte Boudewijn aan: "gij zoudt in ongelegenheid kunnen komen, en...."

"Neen vriend!" zeide Deodaat: "gij keert weer naar beneden. In u zou elk den krijgsman ontdekken. Ook is uw post bij 't volk, dat gij aan moet voeren."

"Maar ik mag toch meegaan!" riep Zweder, hem met gevouwen handen naderende: "ik zie er immers volkomen als een scheepsjongen uit; in mij zal niemand erg hebben: en ik zal ongemerkt wellicht nog meer kunnen vernemen dan uw Edelheid."

"Knaap!" zeide Deodaat getroffen: "ik mag het voor uw ouders niet verantwoorden."

"Gij hebt aan mijn ouders beloofd, mij tot een braaf Ridder te maken zooals gij," zeide Zweder: "en dus, het eenigste dat gij niet verantwoorden kunt, is mij te beletten, in de gevaren te deelen, waarin de Ridderplicht u noodzaakt u te begeven."

"Zal ik het anker laten vallen, Ridder?" vroeg de schipper: "wij hebben hier een goede ligplaats."

"Doe het," zeide Deodaat, terwijl hij Zweder, die hem biddende en smeekende bij het kleed hield, van zich afweerde: "en sein om een boot."

Een en ander geschiedde: en terstond zag men een groote beweging aan wal: in weinige oogenblikken waren niet ééne, maar een twintigtal booten bemand, die met alle haast en als om strijd naar het Hollandsche vaartuig toe roeiden; terwijl al de schepen en schuiten in de haven zich met toeschouwers vervulden, waarvan sommigen tot in de toppen der masten klommen om te ontdekken of zij ook iets in het scheepshol van den bierhaalder konden ontdekken.

"Zie eens! hoe beleefd zijn de Friezen geworden!" zeide Deodaat: "wij vragen slechts één boot, en er komen er wel twintig. Past maar op, mijn maats! dat er geen ongenoodigde gast aan boord kome."

"Wij zullen den eersten, die het waagt, met den tandenstoker op zijn kop komen, dat hij het klimmen verleere," zeide de schipper.

"Alles wel! alles wel!" klonk het weldra van alle kanten van het schip, dat nu van bootjes omringd was.

"Waarom komt gij niet aan 't hoofd liggen met uw tjalk?" riepen ettelijke stemmen.

"Ik moet met de eb naar Makkum," riep de schipper.

"Dat kunt gij wel uit uw hoofd zetten," riep men van beneden: "wij krijgen zwaar weer binnen 't uur en dan zult gij blij zijn hier in de haven te liggen."

Intusschen deden verscheidene bootslieden moeite om het vaartuig te beklimmen.

"Handen af!" riep de schipper, een eind hout opheffende: "handen af! wat beduidt dit? Die koopman kan toch niet met u allen te gelijk meegaan. Bij Sinter-Klaas! die een hand aan 't schip slaat sla ik de hersens tot gruis. Gij allen kent Krijn Jansz, en gij weet dat hij woord houdt."

"Deze is er het eerst geweest," zeide Deodaat, op een boot wijzende, die aan stuurboord lag: "wij zullen de keus op haar bepalen."

Maar op hetzelfde oogenblik werd hij met geweld bij den arm gevat en naar bakboordszij getrokken door een Fries, die, terwijl de schipper en zijn maats het schip aan weerszijden tegen alle aanranding beschermden, tegen de roerpen was aan boord geklommen.

Deodaat sloeg de hand aan zijn dolk en wendde zich om, met oogmerk om deze onheusche handelwijze te keer te gaan; maar hij liet af en beschouwde aandachtig het gelaat van den Fries, dat hem niet onbekend voorkwam.

"Indien gij wijs wilt zijn, blijf dan aan boord en wend dadelijk den steven," fluisterde hem de Fries met drift in het oor.

"Ik moet aan wal zijn," zeide Deodaat: "maar wie zijt gij, die mij zoo ongevraagd raad komt geven?"

"Kent gij Feiko niet meer?" hernam de Fries: "gij hebt mij eens het leven gered en ik wil het u op mijn beurt doen."

"Welnu!" zeide Deodaat: "ik dank u! en ik zal met uwe boot aan wal gaan."

"In Gods naam dan!" zeide Feiko: "maar laat niet blijken, dat gij mij kent. Hei, ho! Rienk Westra! waar is de boot? De koopman gaat met ons mee."

De boot van Rienk Westra was spoedig naast het vaartuig, tot groote spijt van al de overige varensgasten.

"Vaarwel schipper!" zeide Deodaat: "gij onthoudt onze afspraak. Kom! wij moeten voort."

"God zegene u!" zeide Krijn Jansz, hem de hand drukkende: "en brenge u behouden in de haven uwer hoop."

Deodaat steeg af: maar nauwelijks was hij in de boot, of hij ontdekte tot zijn leedwezen, dat Zweder, die zich aan een touw had laten afglijden, er reeds zat, met een riem in de eene en een aarden pot in de andere hand.

"Gaat gij toch mede?" vroeg hij, zijn ongenoegen onder deze onverschillige vraag verbergende.

"De schipper heeft melk noodig," zeide Zweder: "en ik ga die te Stavoren halen."

De boot verwijderde zich met snelheid, gevolgd door de andere varensgasten, die haar ettelijke vloeken nazonden.

"Wat vertoont men heden te Stavoren?" vroeg Deodaat, als begreep hij de reden van dien volksoploop niet: "is er een mysteriespel of een processie te wachten, dat alle man dus op de been is?"

"'t Is marktdag," antwoordde Rienk Westra.

"En komt men hier meer gewapend te markt?" vervolgde Deodaat, op eenige krijgslieden wijzende, die hij in 't verschiet zag.

"Somtijds!" hernam de Fries met een hoonenden lach: "wanneer men menschenkoppen te koop vent."

"Zoo! nu begrijp ik u," zeide Deodaat: "er wordt dan heden recht gedaan."

De bootsman zag hem met een schamperen blik aan, en met verdubbelde kracht voortroeiende, neuriede hij het volgende referein van een oud Friesch deuntje:

"Onedelen en dorpers hangt men op. Maar de edelen vreezen den strop, Zij varen liefst zonder kop Ter helle! ter helle! ter helle!"

Een onwillekeurige huivering voer door de aderen van Deodaat, en Zweder werd bleek. Gaarne had deze laatste, die bijna overtuigd was dat zij den dood tegengingen, den Ridder willen betuigen, nog terug te keeren; maar deze, begrijpende dat alle poging daartoe vruchteloos zijn zoude, vermits zij van barken waren ingesloten, wenkte hem te zwijgen. "Er zijn ook gewapende lieden aan wal," dacht hij; "en bijgevolg menschen, die eergevoel in 't lijf hebben. Zoo wij alleen met een blind gepeupel te doen hadden, ware ik niet gegaan: maar al wie een degen draagt zal mij niet laten vermoorden."

Zij waren nu aan het hoofd gekomen, waar de verzamelde menigte hen wachtte. Waar Deodaat het oog wendde, op elk gelaat las hij onbeschaamde nieuwsgierigheid en kwalijk verborgen haat; maar bij de menigte heerschte die doodelijke stilte, welke niet zelden bij volksopschuddingen, gelijk in de natuur, de voorbode is van den geweldigsten storm. In een oogenblik was Feiko tegen de dwarshouten opgeklommen en bood hij de hand aan Deodaat om hem te volgen. Het was echter geene gemakkelijke zaak daar boven te komen; want de toevloeiende volkshoop drong zich onder een dof gemurmel van: "daar is hij!" zoo sterk om Feiko heen, dat deze nauwelijks gelegenheid had, den voet aan wal te blijven houden.

"Plaats wat! plaats wat! leegloopers!" riep hij, bij zijn best, de omstanders rechts en links achteruitstootende: "zoo gij ons bekijken wilt, geeft ons dan ten minste de gelegenheid van voet aan wal te zetten: denkt gij, dat men hier komt om uwe leelijke bakkessen te zien?--met u hebben wij niets te maken!"

"Misschien wij met u lieden," bromde een uit den hoop tusschen de tanden.

"Kunt gij mij den weg wijzen naar meester Claes Gerritsz, den Ambtman?" vroeg Deodaat aan Feiko, toen hij eindelijk met Zweder boven op het hoofd gekomen was, waar zij nauwelijks genoeg ruimte vonden om op de beenen te staan.

"Hoort! hij wil naar den Ambtman!--hij mag hem gezelschap houden!--daar zal hij net op zijn plaats wezen!" mompelde het volk, terwijl het hoonende blikken op den Ridder wierp.

Deodaat zweeg en vergenoegde zich kalm om zich heen te zien, terwijl hij Feiko volgde, die hem niet zonder moeite en kracht van ellebogen een weg baande door den volkshoop, die zich slechts opende om zich weer dadelijk achter hen te sluiten. Wat Zweder betrof, deze liep achter zijn meester, in de meest achtelooze houding mogelijk, slechts nu en dan vloekende tegen de omstanders, die hem tegen 't lijf drongen.

"Voorzichtig wat, lomperds!" zeide hij: "gij zult mijn pot breken."

"Als men u den hals maar niet breekt, mijn boutje!" snauwde een afzichtelijk vrouwmensch hem toe (want het betere deel van het menschelijk geslacht had mede niet weinig vertegenwoordigsters onder de menigte): "hoor mij dien kwaden guit eens aan."

"'t Zou toch jammer wezen, Makke!" zeide een andere vrouw: "'t is een aardig borstje en het ware zonde, dat hij aan een staak hing."

Onze Ridder was nu de hoofdstraat ingetreden van die toenmaals zoo welvarende en thans zoo geheel vervallen stad. Wel had het tijdperk van haar hoogsten bloei opgehouden te bestaan, en begon haar handel door de mededinging der Hollandsche steden eenigszins te verminderen; maar nog was haar later verzande haven in goeden staat en druk bezocht:--en de inwoners genoten juist dat tijdperk van welvaart, zoo doodelijk voor een volk of stad, waarin men op vroegere winsten teert, en aan weelde gewoon, de noodige inspanning laat varen om te zorgen, dat de vroegere bloei door geene latere armoede vervangen worde. Sierlijke huizen vertoonden zich aan weerszijden: de stoepen waren wel niet met goud beslagen, gelijk een kroniekschrijver verhaalt, die waarschijnlijk verkeerdelijk stoepen voor stoopen (of drinkkannen) las, maar alles ademde toch die weelde, pracht en overdaad, welke aan de inwoners den naam van: de verwende kinderen van Stavoren had doen geven. Wat echter thans aan de stad een minder vroolijk aanzien gaf, was, dat in de huizen der aanzienlijkste meest Hollandschgezinde bewoners, de blinden gesloten waren: alleen zag men zich hier en daar een angstig gelaat vertoonen, dat om een deurpost of over een luik heenkeek en, na een blik van medelijden op Deodaat geslagen te hebben, terstond weder verdween.

De gemeente begon onder 't voortgaan luidruchtiger te worden. Hier en daar werden vervloekingen gehoord tegen de Hollanders en tegen den Graaf: Rienk Westra, de varensgast, begon zijn deuntje weder aan te heffen, en het referein werd door honderden herhaald. Dit lied werd door een ander gevolgd, waarvan het slot was, dat de vogel in de knip zat: en voorts door meer, alle weinig geschikt om de gerustheid van Deodaat te vergrooten.

"Een wapeldjepinga!" riepen nu sommigen uit den hoop: "Eilieve! koopman, laat ons eens hooren welk een landsman gij zijt: zeg mij eens na: raed hird reekt rierrene lyre; zonder haperen, hoort gij." [33]

Het bloed des Ridders kookte hem in de aderen, en hij had er veel voor gegeven om op zijn ros te zitten en dat gepeupel voor zich heen te doen wegstuiven. Hij besefte echter, dat zijn lot, en misschien ook dat van de manschappen, die hij aan boord had gelaten, er van afhing, dat hij koelbloedig bleef, en hij wist zich ook bedaard te houden, tot zoolang de Workummer visscher, die zijn komst, naar hij vermoedde, verklikt had, hem op zijde kwam.

"Ja hij is het wel," zeide hij, na hem met een zwenk te hebben gadegeslagen: "het is de man, die ons verrassen wou; maar hij is zelf verrast. Maatje! maatje! gij zit in de knip: en het is jammer voor u, dat gij die koopmanspij hebt aangeschoten; want hadt gij een ridderharnas aangehad, gij hadt nog met eer kunnen onthoofd worden; maar nu is het hangen, vriendje!"

"Ga uw weg, vriend!" zeide Deodaat, "ik versta u niet."

"Zie mij dat wittebroodskindje eens aan!" hernam de visscher: "hij zou mij niet verstaan!"

"'t Staat u zeker schoon," zeide Deodaat, hem met een toornigen blik aanziende, "dus op een wapenloozen man te vloeken, die hier voor zaken komt."

"Een wapen kon men u wel verschaffen," zeide de visscher, en haalde tevens een breed mes uit, hetwelk hij den Ridder voor den neus hield.

"Pas op," zeide Deodaat: "gij zoudt u kunnen bezeeren. Ga uw roes uitslapen en laat mij met vrede."

"Mijn roes! Donderskind! denkt gij dat ik bezopen ben?" duwde hem de schipper toe: en zijn arm verhief zich opnieuw in een dreigende houding, toen Zweder, zijn meester in gevaar achtende, zijn melkpot aan stukken sloeg op het hoofd van den Workummer, die bedwelmd ter aarde stortte.

Deodaat keek eenigszins wrevelig om en zag Zweder met een ontevreden en droefgeestigen blik aan. Maar de val van den schipper was het teeken der uitbarsting van de volkswoede. Honderd messen waren in een oogwenk uit de scheede en evenveel dreigende handen verhieven zich.

"Zoo zij mijn leven begeeren, zullen zij het echter niet goedkoop hebben," zeide Deodaat en trok zijn dolk.

"Laat af," zeide Feiko, hem weerhoudende: "wat zoudt gij tegen zoovelen?--Zijt gij dwaas, makkers!" vervolgde hij met luider stemme: "wilt gij u van het genoegen berooven om dezen liefhebber aan een pereboom te zien hangen?"

Deze toespraak werd met een luid gelach door de naastbijstaanden opgenomen; maar die verder af waren en Feiko's woorden niet verstaan hadden, begonnen met steenen te werpen. Op dit oogenblik kwam een monnik, die het gewaad van Sint-Odulf droeg, door een zijstraat aan. Nooit was er iets magerder gezien dan die vrome man, die volkomen een wandelend geraamte scheen; alleen in zijn oogen blonk nog het levendige vuur van betere dagen. Zoodra Feiko dezen zag, snelde hij naar hem toe:

"Help toch, vrome Heer!" beet hij hem zachtjes in 't oor: "men wil Ridder Deodaat vermoorden, aan wien wij zoovele verplichtingen hebben."

De monnik naderde terstond, met verbaasdheid en belangstelling op het gelaat: "wat doet gij, mannenbroeders!" riep hij: "schaamt gij u niet, allen gezamenlijk eenen weerlooze op 't lijf te vallen?"

"Te water met hem! Hij is een Hollander! wat let ons die verbraste monnik?" riepen verscheidene stemmen.--"Neen! neen!" schreeuwden anderen,--"het is vader Syard!--welkom weer te Stavoren, vader Syard!--vader Syard heeft het verraad aan de Grietlui ontdekt! Zij hebben u slecht te eten gegeven, Vader!--Hoezee! Leve vader Syard!"

Er ontstond een weifeling onder de menigte. Rienk Westra trad toe:

"Indien gij het verraad ontdekt hebt," zeide hij tot den monnik, die werkelijk niemand anders dan onze vermiste kloosterling was, "zoo zult gij dezen man niet gespaard willen hebben: hij komt uit het schip: hij is de hoofdaanlegger, de bevelhebber der bende."

"Gij bedriegt u," zeide de monnik: "deze is niet de man waar gij hem voor houdt. Hij is een Fries en zal hier niet komen om zijn land ten val te brengen."

"Een Fries!" riep Westra, verbaasd terugtredende: "hij!"

"Monnik!" zeide Deodaat zachtjes: "bezwaar u met geen logen om mijnentwil. Ik ben...."

"Zwijg!" zeide vader Syard: "Ik ken u beter dan gij u zelven kent: of," vervolgde hij, den Ridder scherp aanziende: "weet gij, wie uw vader was?"

Deodaat zweeg en zag den monnik in stomme verbazing aan; want hij begreep niet, welk belang die man in hem konde stellen, daar hij hem nooit dan eens in de hut bij Elske ontmoet had.

"In waarheid!" zeide Feiko, die nu ook Deodaat meer aandachtig beschouwde, en begreep, nadere klem te moeten bijzetten aan hetgeen de monnik gezegd had; hoewel hij zelf niet wist of het waarheid ware dan wel een vrome leugen: "ziet hij er niet van top tot teen uit als een Fries. Kijkt hem maar eens recht aan: bij mijn zolen!--'t is volkomen de neus, .... de oogen, .... de mond van.... Ja waarachtig:--hij lijkt immers sprekend op mijn Heer van Aylva, en dien moet ik toch kennen, daar ik zijn dienaar ben. Een Fries is hij, dat zweer ik u, mannen!"

Op dit oogenblik rukte er een bende gewapend volk op, uit dezelfde straat, waaruit de monnik zoo juist van pas gekomen was. Ondanks den benarden toestand, waarin hij zich bevond, kon Deodaat niet nalaten te glimlachen, toen hij dien troep in oogenschouw nam, zoo om haar vreemde marschorde als om de zonderlinge wijze, waarop zij gewapend was, elk naar zijne verkiezing, deze met een bijl, die met een spade, een derde met een houweel; kortom, er schenen er geen twee te zijn, die dezelfde wapenen droegen.

"Hopman!" zeide vader Syard, zoodra hij den aanvoerder der bende in 't oog kreeg: "gij neemt dezen koopman onder uwe bescherming, eer hij door het volk mishandeld worde. Gij kent mij, en gij weet, dat ik niet alzoo zou spreken, indien ik geen gewichtigen grond voor mijn zeggen had."

"Met uw verlof," zeide de Hopman: "ik moet naar de haven, om dat vaartuig te beknippen, hetwelk zoo vriendelijk is geweest, ons te komen bezoeken met meer waar aan boord dan noodig was."

"Dat heeft den tijd," zeide de monnik: "volg nu slechts mijn last: of 't zou u kunnen rouwen. Gij weet, wie den aanslag ontdekt heeft."

De Hopman haalde de schouders op; maar gehoorzaamde: en Deodaat met den monnik en Feiko tusschen zijn gewapenden innemende, liet hij deze laatsten rechtsomkeert maken. Zweder, op wien niemand in de verwarring van het oogenblik acht had geslagen, mengde zich onder het volk, en volgde de bende, zijn Heer zo min mogelijk uit het oog verliezende. Weldra hield de Hopman voor een aanzienlijk gebouw stil, hetwelk het raadhuis bleek te zijn.

"Hopman," zeide nu de monnik, op dien toon van gezag, welken hij, waar het pas gaf, zoo meesterlijk wist te gebruiken: "gij vertoeft hier met uw bende, tot gij nadere bevelen ontvangt, en gij zorgt, dat niemand in het raadhuis kome, die er niet van doen heeft:--en nu! laat ons spoedig binnengaan."

"Ik behoef mijn plicht van geen paap te leeren," bromde de Hopman, terwijl Deodaat met vader Syard binnentrad: "en met dat al, ik zal maar doen wat hij zegt; want die geestelijke heeren zijn altijd in staat ons een kool te stoven."

"Is de Ambtman Claes Gerritsz hier?" vroeg Deodaat aan den stadsbode, die zich in 't portaal bevond.

"Er is hier geen Ambtman meer," antwoordde de bediende op een norschen toon: "wilt gij de Grietlui spreken, die zitten binnen. Ga maar, zij wachten u al."

DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Kom, beul en doet v werck, kom laet de deugh-niet knielen En wilt hem door het sweert van stonden aen vernielen. Siet, daer ist al geseyt. Men doet het recht te kort, Indien men niet terstont het schendigh bloet en stort.

Cats. Trou-ringh.

Deodaat trad met vader Syard de zaal binnen, welke hem geopend werd, en haastte zich een nieuwsgierig oog in 't rond te slaan op de aldaar aanwezige personen. Hij herkende terstond Seerp Van Adeelen, die, met het ongeduld op 't gelaat en de handen op den rug, heen en weer wandelde achter een tafel, aan welke eenige wereldlijke en geestelijke personen gezeten waren. De Abt van Sint-Odulf was onder deze laatsten, en men kon aan 's mans gelaat, vooral aan den doffen blik, dien hij voor zich uitwierp, ras bespeuren, dat hij niet op zijn gemak was. Wat verder stonden, in de sponning van een groot kruisraam, een drietal gewapende edellieden in een druk gesprek bijeen. Deodaat meende te hooren, dat een hunner bij zijn binnenkomst een uitroep van verbazing deed en zich toen terstond weder omwendde, zijn mantel om zich heen trekkende, als wilde hij niet herkend wezen.

"Aha! daar is onze vrome broeder Syard weer," riep de Abt van Sint-Odulf uit, terwijl zijn strak gelaat op eenmaal opklaarde: "ja! mijn waarde Broeder van Lidlum," vervolgde hij, zich tot den geestelijke wendende, die naast hem gezeten was: "het is broeder Syard, die ons tegen dat Satansche plan van den Graaf is komen waarschuwen: hij is door een bestiering Gods in de handen der Amalekiten moeten vallen om het te ontdekken. Wij achtten hem reeds dood, en ik had al gelast, dat men zielmissen voor hem zoude lezen; maar nu kunnen wij het Halleluja zingen om zijn weerkomst; hoewel gij ziet, dat de man een schrale keuken heeft gehad bij de Hollanders: ja hij ziet er waarlijk uit, of hij al dien tijd alleen op hiera picra geteerd had; en dat is niet het middel om vet te worden."

"Thans moeten wij alleen om de hiera gladii [34] denken," zeide de kloostervoogd van Lidlum, die een reusachtig man was, aan wiens forsche ledematen het harnas beter zou gepast hebben dan de monnikspij: en meteen stak hij zijn breede hand over tafel toe aan vader Syard, dien hij kende en hoogachtte, en heette hem van harte welkom. Hetzelfde deden ook de overige aldaar gezeten lieden.

"Wien brengt gij ons daar mede, monnik?" vroeg Adeelen, op een haastigen toon: "de duivel hale mij!" riep hij eensklaps uit, na Deodaat aandachtig beschouwd te hebben, "indien het die vervloekte Italiaan niet is!"

"Ik ben het zelf, Seerp Van Adeelen!" zeide Deodaat: "en ik dank het den eerwaardigen vader, dat gij mij herkennen kunt. Hij heeft mij uit de handen van het grauw verlost, dat mij te lijf wilde.--Men bereidt hier een slecht onthaal aan hen, die uwe stad bezoeken komen."

"Wanneer zij vermomd en met slechte inzichten komen, bereidt men hun het onthaal, aan verraders bestemd," zeide Adeelen, op een strengen toon. "Wat komt gij hier zoeken?"

"Mag ik weten, of ik hier voor een rechtbank sta?" vroeg Deodaat: "welke vergadering vermeet zich hier, mij te verhooren?"

"Aha! gij wilt weten, met wie gij te doen hebt?--Welnu! ik zal niet minder beleefd zijn, dan uw Graaf op den Vogelesang was.--Den Abt van Sint-Odulf kent gij: deze is zijn ambtgenoot van Lidlum: en hier zit de kloostervoogd van Bloemkamp of Oldeklooster."

Deodaat zag verbaasd op. De kloostervoogd van Bloemkamp was een breedgeschouderd ventje, barsch van uitzicht en van top tot teen geharnast.

"Hier ziet gij de Edelen Eelco Galama en Sytse Martena, en aan deze zijde Tiete Cammingha en Jouke Helbada;--gezamenlijk met mij het tegenwoordige bestuur van Friesland uitmakende. Moet ik die ginds aan 't raam staan ook noemen:--het zijn Epe Fadinga en...."

"Al genoeg," zeide Deodaat; "alleen begrijp ik niet, wat gij van een bestuur van Friesland praat, hetwelk alleen bij Graaf Willem berust, als Heer van dit gewest."

"Noch rechtens, noch in de daad heeft Willem hier iets in te brengen," zeide Adeelen: "maar ik verlang in geene woordenwisseling te treden. Wat begeert gij?"

"Mijn eerste boodschap was aan zekeren Ambtman des Graven, Claes Gerritsz genaamd," zeide Deodaat.

"Begeert gij dien te zien?"

Deodaat knikte toestemmend.

"Zie uit dat kruisraam en gij zult hem ontdekken," zeide Adeelen, met een woesten glimlach.

Deodaat, zonder de meening dezer woorden te beseffen, begaf zich naar het aangeduide raam, waarvan de drie Edelen, die er voor stonden, dadelijk bij zijne nadering terugweken, als om hem een vrijen doortocht te laten. Van het venster had men het uitzicht over een gedeelte van den stadswal: en Deodaat trad met ijzing terug, toen hij van verre het lijk van onzen armen Haarlemmer aan een pereboom zag hangen. Vol verontwaardiging begaf hij zich weder naar de tafel.

"Wie is de bedrijver van een zoo schendig stuk?" vroeg hij met fonkelende oogen: "zijn hier de wetten omgekeerd, dat men 's Graven dienaren ophangt?"

"Het doet u zeker leed," zeide Adeelen, met bitterheid, "dat gij nu met hem de middelen niet kunt beramen om ons in slavernij te brengen. Uw plan is ontdekt, hoe listig het ook overlegd ware. De muis zal in de val blijven, zelfs zonder het spek geproefd te hebben."

"Kom! kom!" zeide de Abt van Bloemkamp, met zijn gewapende vingers op de tafel trommelende: "straks waart gij zoo voortvarend, Adeelen! en nu houdt gij ons met allerlei snorrepijpen op. Wat bruit ons die Hollander? Laat hij bij zijn makker hangen.--En hoe is het? 't Is of ik Eise Makkinga nog buiten hoor met zijn krijgsvolk. Is dat schip nog niet in brand gestoken?"

Adeelen vloog naar het raam, dat op de straat uitzag: "bij alle duivels!" riep hij: "gij hebt gelijk. Wat sammelt gij, Eise?" schreeuwde hij, het venster openende: "en waarom gaat gij uw last niet ten uitvoer brengen?"

"Vader Syard heeft mij gelast, hier post te houden," antwoordde de Hopman van beneden.

"Vader Syard is een ezel, en ik gelast u te handelen als afgesproken is, en niet weer te komen voordat het schip tot pulver is verbrand. Scheer u weg!--Ik wilde wel eens weten, Pater!" zeide hij, terugkomende: "waar gij u mede bemoeit?--Ware het niet om den dienst, dien gij ons heden bewezen hebt, ik liet u opknoopen."

"Dat is te zeggen," zeide de Abt van Sint-Odulf, "gij zoudt u, geloof ik, tweemaal bedenken, eer gij een broeder van mijn klooster dorst aanranden."

"Met dat al, 't is toch vreemd," zeide die van Lidlum, "dat een wijs man, als broeder Syard, bevelen geeft, strijdig met die van de Abten en de Grietlui. Wij moeten hooren, welke redenen hij daartoe heeft gehad."

"Ik heb," zeide vader Syard, die dit luidruchtig gesprek staande en zwijgend had aangehoord, "ik heb den Hopman verzocht, voor de veiligheid van dezen Ridder te zorgen, daar ik overtuigd was, dat mijn vader Abt het hoogst euvel zou opnemen, indien men iemand onverhoeds veroordeelde in een stad, welke onder de bescherming van onzen Heiligen Patroon staat."

"Gij hebt volkomen wel gehandeld, Broeder!" zeide de Abt van Sint-Odulf: "en ik zou in uwe plaats niet anders gedaan hebben. Wij mogen niemand onverhoord ter dood brengen, veelmin toelaten, dat zulks door dat domme gepeupel worde gedaan."

"Recht zoo!" zeide een der Edelen: "verhoort dan dezen man ook; maar maakt het spoedig."

"Eer gij hiermede aanvangt," zeide Deodaat, die de noodzakelijkheid gevoelde, onbeschroomdheid tegen geweld over te stellen: "zoo wil ik vragen, of gij opgehouden hebt, het gezag van Graaf Willem, uwen Heer, te erkennen?"

"Moet men het u tienmaal zeggen?" grauwde hem Adeelen toe: "wij erkennen geen gezag ter wereld. Wij zijn vrij en willen vrij blijven."

"Welnu! het is dan als afgevaardigde van den Graaf, dat ik tot u spreek. Hier is mijn geloofsbrief!" en meteen haalde hij een perkament uit den boezem, waarmede hem de Graaf voorzien had, ten einde hij zich daarvan in een oogenblik van nood zou kunnen bedienen.

"Hij wil in alles het voorbeeld van den Haarlemmer volgen," zeide Adeelen: "die kwam ons ook met schrifturen aan boord. Ziedaar het werk, dat wij van dergelijke prullen maken!" En, het perkament verscheurende, wierp hij Deodaat de stukken in 't gezicht.

"Gij zijt een lafaard," riep de Ridder, "maar ik zal mij bedwingen, omdat mijn last niet aan u gericht is. Eerwaarde Vaderen! Dappere Edellieden! ik spreek tot u in naam des Graven, wiens weldaden met ondank geloond, wiens goedheid getergd is! Staat af van uw roekeloos bestaan!--Stoot u zelf en uw landgenooten niet in een onherstelbaar verderf, door u te verzetten tegen hem, wiens macht u allen kan verpletteren. Bedenkt, dat Utrecht, het geheele Sticht, door zijn wapenen overweldigd zijn. Het ware noodeloos het u langer te ontveinzen; eer twee dagen om zijn, zal dit land met Hollandsche wapenknechten overdekt wezen, tenzij gij u onderwerpt. Staat af van uw rasch besluit!--Legt de wapens af en zendt woorden van onderwerping en vrede. Zoo alleen kunt gij den storm afweren, die anders geweldig op uwe kusten woeden zal."

En als wilde de natuur zijn overdrachtelijke spreekwijze metterdaad bevestigen, een donderslag deed zich in de verte hooren.

"De storm!" zeide Adeelen:--"daar komt hij al; maar wij hebben dien niet te vreezen.--Friezen! gij hebt hem gehoord: welk lot hebben wij bepaald dat hem beschoren zoude wezen, die van Graaf Willem tot ons kwam?"

"De dood!" riepen schier al de leden der vergadering als uit éénen mond.

"Gij hoort het!" zeide Adeelen: "uw dood is bepaald!--Hier knapen! knevelt hem, en hangt hem naast meester Claes Gerritsz."

Deze woorden verwekten geene geringe opschudding in de zaal. Deodaat, besloten hebbende zijn leven duur te verkoopen, had reeds zijn dolk getrokken, toen hij onverhoeds van achteren werd aangegrepen door eenige staffieren, die achter een gordijn verborgen hadden gestaan en hem knevelden eer hij zich kon verweren. Vader Syard vouwde de handen met ontzetting in elkander en scheen te peinzen op een middel om den gevangene te redden: een der aan het raam staande Edelen mompelde een verwensching en deed een paar schreden voorwaarts; de Abt van Bloemkamp wenkte met de hand, dat men voort zou maken: die van Lidlum ledigde in eene teug eene geweldige bierkan, die voor hem stond: vader Volkert keek eenigszins bedrukt: de Grietlieden fluisterden halfluid met elkaar: en Adeelen bleef rustig, op zijn sabel leunende, het tooneel aanschouwen.

De Abt van Sint-Odulf scheen de eenige man van gewicht te zijn, die medelijden met den gevangene gevoelde: "Is er gezorgd voor een biechtvader?" zeide hij: "nu onze waarde broeder Syard uit de handen der Philistijnen verlost is, zou hij waarschijnlijk gaarne de gelegenheid aangrijpen zijn heilige bediening weder eens te vervullen."

"Eerwaarde Vader!" zeide de monnik: "er is nog een heiliger plicht, die op mij rust en waaraan ik gehoor moet geven. Heeft deze vreemdeling iets gedaan dat des doods waardig is? Heeft hij niet integendeel aanspraak op de dankbaarheid van Friesland, daar hij het was, die Seerp Van Adeelen uit de klauwen van het Haarlemsen gepeupel redde, en die Madzy Dekama veilig door de legerplaats van Willem liet brengen en haar vergunde tot ons te keeren?"

"Ziedaar juist wat ik nog dacht aan te merken," zeide de Abt van Sint-Odulf: "ik verheug mij dubbel in uwe terugkomst, Broeder!--Niemand wist in uwe afwezigheid mijne meening te vatten. Inderdaad, Seerp Van Adeelen was den vreemdeling een beter dank verschuldigd dan een streng touw."

"Bovendien," vervolgde de monnik: "deze Ridder komt als afgevaardigde, en het recht aller beschaafde natiën eerbiedigt de personen van gezanten en herauten."

"Dat is volkomen waar," zeide de Abt: "en ik wilde wel weten, met welk recht Seerp Van Adeelen een stuk verscheurd heeft, dat niet aan hem, maar aan ons allen gericht was?"

"Met welk recht?" herhaalde Adeelen op een schamperen toon: "ben ik hedenmorgen niet door de aanwezigen, ook door u, vader Volkert! verzocht geworden het hoofdbestier te nemen van den verdedigingsoorlog, dien wij voeren zullen? Heb ik geene machtiging van u ontvangen om te doen, wat ik oorbaar en nuttig voor 's lands welzijn zou achten? Ik had hem op eigener gezag kunnen doen ter dood brengen; maar ik heb uw aller oordeel gevraagd: en heeft zich wel ééne stem te zijnen voordeele doen hooren, toen ik voorstelde, dat hij als verrader den dood zou ondergaan? Zouden wij van ons besluit terugkeeren om het gereutel van een monnik, die zijne zinnen in een Hollandschen kerker verloren heeft en hier ongeroepen in de vergadering verschijnt?"

"Ik kwam hedenmorgen ook ongeroepen tot u, Seerp Van Adeelen!" zeide vader Syard:--"en zoo ik niet gekomen was, ware de stad met dezen nacht in handen der Hollanders."

"'t Is waar," zeide Adeelen: "gij bracht zelf den os ter slachtbank en nu de slachter zijn bijl opheft, wilt gij het beest sparen."

De Abt van Lidlum, die ondertusschen met zijn buren gefluisterd had, vatte nu het woord.

"Wij meenen," zeide hij, "dat men dezen vreemdeling in aanmerking der door hem bewezene diensten het leven zou kunnen schenken, indien hij ons de noodige kondschap wilde geven omtrent de voornemens van zijnen meester."

Deodaat had sedert den onverhoedschen aanval, op hem gedaan, een somber stilzwijgen bewaard, als gevoelde hij, dat welsprekendheid even nutteloos zou zijn als wederstand. Maar bij de woorden van den Lidlummer voelde hij al zijn geestkracht herleven. "Spaart u de moeite," riep hij uit, terwijl zijn oog met verachting op den forschgebouwden kloostervoogd rustte, "mij een zoo onteerenden voorslag te doen. Ik ben in uwe macht en het staat aan u, mij te dooden; maar weet vooraf, dat ik u allen, Edelen, Prelaten en Burgers, wat gij zijn moogt, in naam van mijnen en uwen Heer, den Grave van Holland en Henegouwen, uitmake voor rebellen en muiters, en tegen u inroep al de straffen, die uw opstand verdient.--En u bovendien, Seerp Van Adeelen! verklaar ik een onwaardige bloodaard te zijn, die van de overmacht gebruik zoekt te maken, om een bijzonderen wrok tegen mij te koelen."

Aller oogen wendden zich bij dezen laatsten uitval op Adeelen: de goedhartige Abt van Sint-Odulf knikte Deodaat goedkeurend toe; zijn ambtgenoot van Lidlum, die, gelijk men zich herinneren zal, een oude veete tegen Adeelen had, wreef zich vergenoegd de breede handen: terwijl de Edelen nieuwsgierig schenen, te vernemen op welke wijze Adeelen zich van deze betichting zoude zuiveren.

Wat dezen betrof, hoe geraakt hij zich ook gevoelde, de hoogmoed zegevierde bij hem over den toorn: "Ware ik bloot een krijgsman," zeide hij, "ik zou met vreugde de uitdaging beantwoorden, mij eens door u gedaan;--als veldheer kan ik thans het welzijn des vaderlands aan geene bijzondere twisten opofferen."

"Het is wel gezegd!" zeide de Abt van Bloemkamp, terwijl hij met de in ijzer gehulde vuist krachtig op de tafel sloeg: "niemand zal hier te lande in Seerp Van Adeelen een bloodaard zien, omdat hij de zotte gewoonten van vreemde landen niet opvolgt en zijn leven waagt, nu Friesland zijn arm en zijn hoofd behoeft. Al genoeg geredekaveld! Waarom brengt men den verrader niet ter dood!"

"Sleurt hem van hier!" zeide Adeelen.

De wachters maakten zich gereed, dit bevel te volvoeren: Deodaat zag reeds geene andere uitkomst dan den dood: hij wierp een scherpen blik op Adeelen, over wiens gelaat een glans van zegepraal verspreid was, en dwong hem, de oogen neder te slaan. Vader Syard scheen zich gereed te maken om nog eene poging te doen en iets mede te deelen, hetwelk hij niet dan op het uiterste had willen ontvouwen, toen de geheimzinnige persoon, die, aan het raam staande, tot dien tijd het geheele tooneel met een afgewend gelaat en zonder zich te verroeren had bijgewoond, eensklaps toesnelde. "Dat zal in eeuwigheid niet gebeuren," riep hij; en, te gelijk tusschen de wachters inspringende, ontrukte hij Deodaat aan hunne handen. Deze wendde zich om, en men oordeele over zijne verbazing, toen hij in zijn beschermer zijn voormaligen wapenbroeder herkende, die hem in de armen drukte.

"Reinout!" riep hij: "gij zijt mijn vriend nog! O! dan is al het verledene vergeten."

"Wat beduidt deze nieuwe dwaasheid?" vroeg Adeelen.

"Neen!" riep Reinout, wiens onstuimige ziel gedurende het verhoor een bangen kamp gestreden had, en die, eerst beschaamd op het onverwacht herzien van den man, dien hij beleedigd had, bij diens gevaar al zijn vorige vriendschap had voelen herleven: neen! ik verzet mij tegen zulk een schanddaad!--Ik zal nimmer gedoogen, dat een edel Ridder, dat de vriend mijner jeugd, aan een verfoeilijke wraakzucht worde opgeofferd. Al stond geheel Friesland op om hem aan te vallen, ik zal hem blijven beschermen, zoolang er een droppel bloeds in mijn aderen vliet. O mijn Deodaat! mijn eenige, mijn oprechte vriend! kunt gij het mij vergeven?--Ja--ik geloof nu aan uwe onschuld; want Madzy heeft mij daarvan verzekerd:--en uw eerlijk oog kan niet liegen.--Deodaat! zoo gij sterven moet, sterf ik met u, en wij zullen ten minste als vrienden vergaan."

"Reinout!" riep Deodaat, hem met vervoering de hand drukkende: "Ik hervind den vriend, dien ik verloren waande! nu kan ik gerust sterven."

"En met welk recht," vroeg Adeelen: "durft gij, die u sedert een blauwmaandag onzen landgenoot noemt, u tegen mijn wil en dien van Frieslands overheden verzetten?"

"Bloos, bloos Adeelen!" riep Reinout: "ziet gij hem aan en schaamt gij u niet? Lag zonder hem uw lijk niet te rotten op het Haarlemmer kerkhof?--Heeft Madzy Dekama hem haar ontkoming uit het Sticht niet te danken?--uw wil!--ja, het is altijd uw wil geweest, hem leed te doen?--Wat praat gij van uwen wil? moeten wij, die ons van de oppermacht eens Graven ontslaan, van uwe luimen afhangen! Waag het, hem een haar te deren, en al wat in Friesland met Aylva of Dekama vermaagschapt is valt u af."

"Luistert toch niet naar dien dwaas," zeide Adeelen: "heden verdedigt hij een man, wien hij drie maanden geleden naar de hel wilde sturen."

"De vreemdeling heeft den dood verdiend," zeide de voortvarende Abt van Bloemkamp: "en wij hebben allen daarin medegestemd. Zal dat gehaspel nooit eindigen?"

"Herroept dat schandelijk vonnis," zeide Reinout: "gij kunt er geen gezonde redenen voor inbrengen!"

"En die bende krijgsvolk, in zijn schip verborgen?" vroeg Adeelen, met bitsheid.

"Waar zijn zij? Wie heeft die gezien?--uitgestrooide praatjes, om 't slechte volk op te ruien.--Hij zegt, hij komt als afgezant, en gij verscheurt zijn geloofsbrief:--en gij veroordeelt hem onverhoord.--Moet dan de Friesche naam een schandnaam worden?"

De taal van Reinout scheen eenigen indruk op de aanwezigen te maken: de Abten van Lidlum en Sint-Odulf althans gaven blijken van goedkeuring; terwijl Cammingha en Martena een blik van ontevredenheid op Adeelen sloegen.

"Beschermt den weerlooze," vervolgde Reinout, "gij allen, die vrienden zijt van ons huis. Ik smeek u daarom, in naam mijns vaders, in naam van den edelen Aylva."

"In naam van Aylva!" herhaalde vader Syard, en zag Reinout aan met een blik van verwondering en twijfel: "maar ja," vervolgde hij: "ook ik smeek u in dien zelfden naam en in dien der rechtvaardigheid: geeft aan geene onbesuisde drift gehoor. Deze Ridder hier (op Deodaat wijzende) zou een twistappel tusschen u worden en Friesland heeft niets meer van doen, dan eensgezindheid onder zijn zonen. Schort zijn vonnis op tot na de beslissing van het lot, dat ons vaderland wacht: en dan, spant de vierschaar over hem. Dat hij intusschen op zijn ridderwoord gevangen blijve, en zij hem een eerlijke kerker aangewezen."

"Ziedaar juist, wat ik wilde voorstellen," zeide vader Volkert: "laten wij hem in Sint-Odulf bewaren: indien gij hem dan later van kant wilt maken, is het altoos nog tijd."

Op dit oogenblik keerde de Hopman Eise Makkinga terug met de tijding dat het Hollandsche vaartuig, reeds voordat hij aan de haven kwam, het anker gelicht had en afgezeild was.

"Goddank!" dacht Deodaat: "mijn brave spitsbroeders zijn gered!"

"Die tijding neemt mijn laatste bezwaren weg," zeide Cammingha, oprijzende: "en ik zie nu geene redenen meer, om bij ons overhaast besluit te blijven. Er is thans geen bewijs, dat deze vreemdeling een aanslag in den zin had, en ik acht, dat wij zonder gevaar het onderzoek tot een meer geschikte gelegenheid kunnen uitstellen."

"Voorzeker!" zeide Martena: "en ik zou bovendien niemand willen deren, in wien het huis van Aylva belang stelt."

De Abten, zelfs die van Bloemkamp, die slechts naar een afdoening van zaken verlangden, en de overige Edelen voegden zich bij het advies.

"Geef uw toestemming, Adeelen!" fluisterde Cammingha hem in 't oor, "zoo gij niet begeert, dat wij uw handelwijze aan een min zuivere reden dan aan vaderlandsliefde toeschrijven."

"Gij zijt allen een hoop dwaze kinderen," zeide Adeelen, "en gij weet zelf niet wat gij wilt. Ik heb voor den dood van dien man gestemd, omdat ik dien noodig oordeelde voor het algemeene welzijn:--en niet omdat ik hem haat, ofschoon ik geenszins schrome ook dit te bekennen. Ja! nog liever dan hem naar de gevangenis te sturen, gaf ik hem geheel vrij, in de hoop van hem in 't veld te kunnen bestrijden.--Maar dit alles doet er niets toe:--gij verlangt het allen:--en ik moet toegeven. Hij geve dan zijn woord en ga naar den duivel.... of naar Sint-Odulf."

Na deze fraaie uitboezeming, welke Adeelen geheel kenschetste, wierp hij zich in een armstoel, den rug naar de vergadering gekeerd.

Deodaat ziende dat hem niets anders overbleef, aarzelde niet om zijn woord te verpanden van gevangen te blijven: en na een korte woordenwisseling werd er algemeen goedgevonden, het voorstel van den Abt van Sint-Odulf aan te nemen. Men besloot echter, den avond af te wachten om hem derwaarts te vervoeren, ten einde hem niet opnieuw aan de woede van het verhitte grauw bloot te stellen, en hem zoolang in het raadhuis te bewaren. Dit alzoo bepaald zijnde, ontboeide men hem en bracht hem in een zijvertrekje, waar men hem alleen liet.

Een geruimen tijd had hij daar gezeten, eer hem de lust bekroop eens aan 't venster te gaan zien, dat openstond; want de Friezen waren zelven zoo gewoon, aan hun gegeven woord getrouw te blijven, dat zij ook tegen den gevangene geen argwaan voedden en dus alle voorzorg overtollig rekenden. Men had van uit dit raam het gezicht op een boomgaard, waarin enkele pereboomen groeiden, zijnde schier het eenige houtgewas, dat men, op dezen schralen en aan gedurige zeewinden blootgestelden hoek, in 't leven kon houden: over den lagen aarden wal, welke daaromheen gelegd was, en tusschen eenige huizen door, op den stadswal gebouwd, onderscheidde men een klein meertje, dat (sedert uitgemalen) ten zuidoosten van Stavoren lag: en daarover den heuvel, waarop het bevallige Coudum gelegen is. Weinig dacht Deodaat, dat een der beide torens, die hij in de verte zag oprijzen, het aangebeden voorwerp zijner eerste en eenige liefde bevatte.

Nauwelijks had hij over dit schouwspel dien onbestemden en dwalenden blik doen weiden, welke op de voorwerpen rust zonder die te zien en te kennen geeft, dat de gedachten verre van daar zijn, toen hij zich door een zachte, gesmoorde stem hoorde toeroepen. Hij zag in den tuin beneden; daar was niemand; maar nogmaals deed zich het flauwe geroep hooren; en nu ontdekte hij tusschen de bladeren van een zwaar beladen pereboom het gelaat van zijn schildknaap.

"Zweder!" zeide hij: "welk een onvoorzichtigheid.--Indien iemand u zag...."

"Stil!" zeide de schildknaap: "tracht het venster uit te klimmen. Gij kunt u over de heining redden."

"Ik mag niet: ik ben op mijn woord gevangen," zeide Deodaat.

"Des te erger.--Ik ben, toen ik u niet meer helpen kon, naar boord gezwommen en heb hun geraden zich te verwijderen."

Deodaat knikte goedkeurend.

"Zij komen echter hedenavond terug en zullen ten noorden der stad ankeren. Waar voert men u heen?"

"Naar Sint-Odulf."

"Dan weet ik genoeg," zeide Zweder, en zich uit den boom latende vallen, klauterde hij als een kat den aarden wal over en was terstond uit het gezicht. Hij had geen gelukkiger oogenblik kunnen uitkiezen; want bijna op hetzelfde oogenblik ging de deur van Deodaats tijdelijke gevangenis open en Reinout vloog in zijn armen.

"Hoe moet ik het toch verklaren," zeide Deodaat, nadat de eerste uitboezemingen over waren, "dat gij u hier in Friesland bevindt en u den zoon van Aylva noemt?"

"Gij hebt mij niet willen gelooven," zeide Reinout, "maar ik had toch geen onrecht mij met dien meester Barbanera te onderhouden. Hij heeft mij de bewijzen mijner geboorte bezorgd en mij gemaakt wie ik ben."--En hij deelde hem mede hetgeen onzen lezer reeds bekend is.

"En ik? wie ben ik dan?" kon Deodaat niet nalaten uit te roepen, nadat hij zijn vriend geluk had gewenscht.

"Gij!" zeide Reinout, blozende, en hem niet willende bedroeven, door hem te melden dat, zoo een hunner de zoon van Aylva was, de andere noodwendig die van Barbanera zijn moest; "gij zijt.... ik weet het niet:... zeker een basterd van Carlo della Scala;.... maar dat zal ook wel eens aan 't licht komen."

"Ik vrees er voor," zeide Deodaat, het hoofd schuddende: "maar, ik handel dwaas met mij daarover te bekommeren.--Gij waart dan, zoo ik u wel begrepen heb, bij het leger van Utrecht!--En gij kondet uwe oude wapenbroeders bevechten!"

"Helaas!" zeide Reinout: "het lot heeft het zoo gewild: ik zal het immers wellicht spoedig nogmaals moeten doen!--Maar thans is het mijn plicht; ofschoon ik u zweer, dat het mij tegen de borst stuit, met deze ongelikte beren ééne lijn te trekken; en dat ik dikwijls het hof van Graaf Willem terug zou wenschen, ware het niet om...."

"Welnu! voleindig!" zeide Deodaat.

"Ik durf niet:--ik zou van iemand moeten spreken, wier naam gij ook niet zonder blozen zoudt hooren:--en van die moet tusschen ons de rede nimmer meer zijn; want bij alle heiligen! Deodaat! ik zou u andermaal kunnen haten, indien ik u weer in haar gezelschap zag.--Spreken wij liever van onverschillige zaken: van Utrecht, bij voorbeeld.--O! toen ik daar tegen de uwen streed, wist ik niet wat ik deed; ik was als iemand, die van den duivel bezeten is.--Maar verhaal mij toch eens, hoe is de stad overgegaan? En op welke voorwaarden?"

"Na den afloop van den wapenstilstand," zeide Deodaat, "heeft Utrecht het nog eenigen tijd gehouden; maar men kon toch zien dat de verdediging meer slap in haar werk ging, en dat de belegerden weldra tot het uiterste zouden gebracht worden. De Graaf, geheel van zijn wond hersteld, had dan ook het bevel gegeven, dat men den laatsten storm zou wagen, die ongetwijfeld beslissend ware geweest, toen zich eensklaps als een loopend vuurtje de tijding in het leger verspreidde, dat de Bisschop uit Frankrijk terug was gekomen en zich in de tent des Graven bevond."

"Inderdaad!" zeide Reinout, glimlachende: "hij kwam wel juist van pas!"

"Wat er tusschen hen beiden is verhandeld, heb ik niet recht te weten kunnen komen; maar het schijnt, dat Jan van Arkel 's Graven vertrouwen heeft weten te herwinnen en genade voor zijn oproerige stad te verkrijgen. De Bisschop is vervolgens naar Utrecht vertrokken, alwaar hij als in triomf is binnengehaald en men hem den verlosser der stad genoemd heeft. Door zijne bemiddeling is vervolgens het verdrag der overgave tot stand gebracht, waarin voor Utrecht meer onteerende dan wel nadeelige voorwaarden vervat waren."

"En gewis, de vrome Bisschop heeft zich zelf bij die gelegenheid niet vergeten," zeide Reinout.

"Hij heeft althans tengevolge van dit alles meer gezag in de stad weten te bekomen dan een zijner voorzaten ooit gehad heeft. De Kapittels hebben niets meer te zeggen: de regenten der stad zijn door nieuwe vervangen: en de Bisschop regeert naar zijn welgevallen, daar Willem een onbepaald vertrouwen in hem stelt...."

"Ik wil het gaarne gelooven," zeide Reinout, zonder na te denken; "niemand verstaat beter dan Arkel de kunst om iedereen te winnen...."

"Hoe!" zeide Deodaat verwonderd: "van waar kent gij hem?"

"Ik?" herhaalde Reinout, verrast: "dat is te zeggen.... ik heb het gehoord."

"Neen, maar," hernam zijn vriend: "het ware mogelijk, dat gij hem gezien hadt; want er zijn lieden, die beweren dat hij zich sedert een geruimen tijd, eerst nabij Haarlem, en later in het Sticht heeft opgehouden. En hieruit nemen sommigen aanleiding om hem te wantrouwen."

"'t Ware zeker mogelijk," zeide Reinout: "dat terwijl uw Graaf met zijn vloot herwaarts komt, Arkel de gelegenheid waarname om hem den oorlog te verklaren."

"Dat ware niet mogelijk," zeide Deodaat: "want Arkel zelf zal den Graaf op den tocht vergezellen. Een der punten van het verdrag was, dat hij hem met hulptroepen zoude bijstaan in zijn onderneming tegen Friesland."

"Die verrader!" riep Reinout: "op het oogenblik, dat wij hier volk verzamelen om tot ontzet zijner stad aan te rukken!--'t Is waar! 't heeft hem niet veel gebaat, en hij heeft weinig reden om zich over onze voortvarendheid te verheugen.--En dus is des Graven vloot in vollen aantocht naar deze kust?"

"Ziedaar," antwoordde Deodaat, met een glimlach, "hetgeen ik mijn Frieschen vriend niet mag verhalen."

"'t Is waar ook," hernam Reinout lachende: "welnu! ik zal openhartiger zijn met u:--en ik zal u verklaren dat ik het weet--en wel door denzelfden vader Syard, aan wien gij uw gevangenneming en tevens uw leven te danken hebt."

"Maar, hoe wist hij?...."

"Luister!--de man heeft, ik weet niet hoe en waarom, in een kerker ergens in het Sticht gezeten. Daaruit verlost zijnde, is hem door iemand, dien hij ons niet genoemd heeft, geraden, zich zoo spoedig mogelijk herwaarts te begeven en hier de tijding te brengen dat de vloot, welke te Dordrecht werd uitgerust, niet, zooals men algemeen dacht, naar de Fransche kusten bestemd was, maar tot overweldiging van Friesland dienen moest: dat zij reeds langs de binnenwateren kwam aanzeilen; terwijl één vaartuig zou vooruitgaan om Stavoren te bedwingen. De monnik kwam met een Workummer visscher herwaarts. Onderweg stevenden zij een vaartuig voorbij, dat aan den grond zat en met bier beladen was: zij kregen vermoeden, dat dit het bewuste schip zoude wezen."

"Inderdaad!" zeide Deodaat: "hij heeft wèl geraden."

"Welnu! de monnik kwam hier en vond er Adeelen, Cammingha, mij, en een paar andere Edelen, die juist gekomen waren om de middelen van tegenweer te onderzoeken, die de stad kon aanbieden. Hij deelde ons den aanslag mede. Terstond werden er boden uitgezonden naar alle kanten. De Abten van Lidlum en Bloemkamp, die hun monniken meer met den wapenhandel dan met gebeden kwellen, en verscheidene Edelen kwamen terstond hier. Ik moet ter eere van Adeelen zeggen, dat zijn beschikkingen verstandig waren. Hij gelastte, dat men het Amsterdammer vaartuig zou laten binnenkomen en voorts prijsmaken; dit laatste ware ook gebeurd, indien men terstond gewapend volk genoeg gehad had en indien het gemeen, dat door den Workummer intusschen onderricht was van de toedracht der zaak, niet naar de haven was geloopen, waardoor uwe manschap het gevaar, dat zij liep, heeft kunnen bemerken, en zich daaraan onttrekken."

Hier kwam een bode binnen en berichtte aan Reinout, dat Adeelen hem wachtte.

"Welaan!" zeide deze: "ik moet u verlaten. Wie had ooit gedacht," vervolgde hij met een zucht, nadat de bode vertrokken was, "toen wij dien Fries uit de handen van de Haarlemmers verlosten, en ik zoo vertoornd op hem was, dat ik eenmaal, in de plaats van Graaf Willems bevelen, de zijne zou volgen?"

"Ik geloof," zeide Deodaat, "dat hij meer moeite zal hebben om zich door zijn volgelingen te doen gehoorzamen dan onze Graaf."

"Ik moet mijn oordeel opschorten," zeide Reinout, de schouders ophalende: "alles gaat hier zoo zonderling en vreemd in 't werk:--dit is zeker, dat Adeelen hier te Stavoren als meester heerscht. Het gemeen, dat alles behalve Hollandschgezind is, heeft zijn komst dadelijk gevierd met de plundering van een paar rijke kooplieden, wier getrouwheid aan vermoedens onderhevig was, met het afzetten van de vroedschap, en het ophangen van onzen armen Claes Gerritsz:--de man is zich zelf gelijk gebleven, tot zoolang hij begon te merken, dat zijn leven er mede gemoeid was: toen heeft hij van zijn Privileges, waar hij te voren den mond van vol had, op eens gezwegen, en is bitter begonnen te kermen en het uur te vervloeken, dat hij zijn marktschrijverschap te Haarlem vaarwelgezegd had.--Maar het wordt mijn tijd!--Vaarwel!--Ik moet van hier."

Hier drukten de beide vrienden elkander nogmaals de hand en Reinout verliet het vertrek, Deodaat ter prooi latende aan duizend gissingen naar den verrader, die zoo getrouwelijk al de geheimen van den aanslag des Graven aan den monnik van Sint-Odulf had medegedeeld.

EEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Daar is de vader zelf, zoo bleek en afgevast.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Aylva, nu buiten gevaar, schoon zich nog altijd zwak gevoelende, zat op den avond, die de gebeurtenissen volgde, in de beide vorige Hoofdstukken vermeld, in zijn slaapvertrek op Awertstate, en luisterde naar een oude kroniek, welke Madzy bezig was hem voor te lezen. Reeds dikwijls had het geratel der donderslagen, die men bij tusschenpoozen van den zeekant hoorde, haar belet, met hare taak voort te gaan, toen het geblaf van den hofhond, hetwelk spoedig in een vroolijk gejank veranderde, haar aanleiding gaf, de lezing geheel te staken.

"Daar zal onze goede Feiko zijn!" zeide Madzy, haar boek nederleggende: "die ons tijding komt geven, hoe het binnen de stad gesteld is."

"Hij mag voorwaar wel iets belangrijks medebrengen," zeide Aylva, "om zijn lang uitblijven te vergoeden."

"Ach!" hernam Madzy, met een zucht: "in de tegenwoordige dagen is een belangrijke zelden een welkome tijding."

"Ik ben overtuigd," zeide Sytsken, die in een hoek van het vertrek zat te spinnen, "dat hij weer bij Auke Wybinga heeft gezeten en daar zijn tijd verpraat."

Auke Wybinga was een schipper van Stavoren, die twee mooie dochters bezat, welke aan Sytsken niet weinig jaloezie inboezemden, daar zij vreesde dat de bezoeken, die Feiko nu en dan aldaar aflegde, grooten hinder mochten aanbrengen aan den aanval, dien zij voorlang op het hart van den jongeling gemaakt had.

"Wel Feiko! welke kruiden brengt gij uit het veld?" vroeg Madzy, toen de dienaar het vertrek binnentrad.

"Weinig goeds," antwoordde deze: "de Hollandsche vloot is in aantocht en misschien voor morgen op de kust."

"De Hollandsche vloot!" herhaalde Aylva: "Feiko, zegt gij waarheid?--Breng mijn wapens!--Ik heb reeds lang genoeg als een nutteloos meubel in dit slaapvertrek gesuft."

"Om 's Hemels naam! mijn goede voogd!" zeide Madzy: "denk om uw zwakheid, om uw ongesteldheid."

"Als Friesland in nood is, denkt gij dan dat een zwakheid mij tot verschooning kan strekken? Ik zal, hoop ik, nog in staat zijn een pijl af te schieten, en een lans te voeren. Hoe is de wind?--Hedennacht, zegt gij?"

"Laten wij ten minste eerst vernemen," zeide Madzy, "wat Feiko te verhalen heeft en of zijn bericht op goede gronden steunt."

"Gij hebt gelijk:--welnu Feiko! verhaal ons al wat gij gezien en gehoord hebt.... alles; daarmede versta ik het noodige, zonder uitweidingen of herhalingen."

"Zooals UEd. het beveelt. UEd. moet dan weten, dat ik met het krieken van den dag naar Stavoren was getrokken, om een pond of wat honig te halen voor den ouden schimmel, die bitter verkouden is, en hoe langer hoe meer hoest, sedert hij die pillen inneemt, die Daamke hem gegeven heeft uit de oude lapzalverkast van zijn meester.... hij deed beter, sedert hij nu toch ook een speerman is, van dat ambacht te laten varen, en ik vrees dat hij het nog eens te kwaad zal krijgen met den Abt van Sint-Odulf, die ook een handje heeft van recepten te geven; maar hij wil nog maar net doen als zijn oude baas, en menschen genezen, ofschoon hij niet eens een paard kan oplappen: zoodat ik hem dikwijls zeg: Daamke! zeg ik...."

"Wat bruien ons Daamke en zijn pillen," zeide de Olderman, ongeduldig wordende; "ik heb u gelast, geen uitweidingen te maken. Gij waart dan te Stavoren."

"Nog niet, Heer Olderman!" hernam Feiko met veel koelbloedigheid: "ik was nog maar op weg, en ik had een goed wollen buis aangetrokken, omdat de ochtenden al mooi koud beginnen te worden, al is het overdag heet: ja, het heeft gistermorgen gevroren, dat het torenplat wit was als mijn hemd.... Zoodat ik maar zeggen wil," vervolgde hij, ziende dat Aylva van drift begon te stampvoeten, "dat ik er uitzag als een Urker varensgast."

"Is dat om aan Tjetske Wybinga te behagen, dat gij u als een schipper kleedt?" vroeg Sytsken, spijtig.

"Maar Feiko!" zeide Madzy, op een zachten toon van verwijt: "wat kan het den Olderman schelen, hoe gij er uitzaagt en wat gij aan 't lijf hadt?"

"Meer dan gij denken zoudt misschien," antwoordde Feiko: "ik kwam dan te Stavoren en er was reeds meer volk op de markt bijeen dan ik wel gedacht zou hebben: en zij stonden allen op een hoop bij elkaar om een Workummer visscher: en die Workummer visscher verhaalde al heel wonderlijke dingen."

"Nu vraag ik toch eens," zeide Sytsken: "wat Feiko altijd met die varenslui te maken heeft? Is dat een gezelschap voor den dienaar van een edelman?"

"Gelooft gij, dat wij oudewijvenklap van schippers en voerlui willen aanhooren?" vroeg Aylva: "kom tot de zaak: wij hebben met uw gedraai niet noodig."

"Wij komen er al," zeide Feiko, Aylva en Sytsken beurtelings aanziende: "maar als men mij ieder oogenblik in de rede valt, zie ik geen kans om alles te vertellen zonder iets te vergeten."

"Kom, ga voort, mijn goede Feiko!" zeide Madzy, verontrust door den staat van zenuwachtige prikkelbaarheid, waarin zij bespeurde dat zich Aylva bevond: "verhaal ons alles; maar zoo kort mogelijk."

"Welnu!" vervolgde Feiko: "de Workummer verhaalde dan, dat hij met vader Syard uit de Eem was gekomen en dat...."

"Is vader Syard terug?--Is het mogelijk!" riepen Aylva en Madzy verheugd uit.

"En dat men in Holland mompelde, dat er overal volk naar de haven was getrokken om de vloot te bemannen. Dat zij wat in den zin hadden is zeker; want sedert drie dagen was er geen schuit of schip van de overzij aangekomen, ofschoon de wind voordeelig was: en er hebben ook twee gewapende koggen op den Workummer jacht gemaakt; maar oomkool was hun te vlug."

"Welnu! is dit alles?"

"Verre van dien. Tegen den avond was het windje aangewakkerd en hoopte onze maat nog voor den nacht Stavoren te bereiken, toen hij een grooten Amsterdammer bierhaalder zag, die op het Enkhuizer zand was vastgeraakt, 't geen nu dagelijks gebeurt, want de bakens zijn overal verzet of...."

"Wij weten het:--ga voort."

"Nu ging onze maat er op los; want hij had achterdocht op dat vaartuig:--ofschoon het er net uitzag als een gewone bierhaalder;--maar wat hem toch bevreemdde, was dat er een man onder de manschap was, die een mantel omhad als de Ridders dragen, met witte lieren bezaaid."

"Een mantel met lieren...." riep Madzy; terwijl een hoogrood hare wangen bedekte.

"Een mantel met lieren!" herhaalde Aylva: "was niet ridder Deodaat op het steekspel juist zoo gekleed?--Het is het wapen van de Scalieri!"

"Dat dacht ik ook zoo bij mij zelf, toen de Workummer dat verhaalde," zeide Feiko: "maar ik hield mijn mond.--En toen kwam er een ander, en vertelde dat vader Syard aan Seerp Van Adeelen gezegd had, dat de Hollandsche vloot dezen morgen af zou varen--en dat er gewapend volk in dien bierhaalder school:--en toen werd het volk zoo giftig, dat het aan 't plunderen en aan 't hangen ging."

"Hangen! wie hing men?"

"Dat zwarte gekje van een Haarlemmer;--maar daar bemoeide ik mij niet mee:--ik dacht zoo bij mij zelf: het zou toch jammer zijn, dat Ridder Deodaat, die er ons voor Utrecht zoo trouw heeft doorgeholpen, dat die nu van een slechte reis kwam."

"Dat was wel van u gedacht," zeide Aylva.--Madzy sprak geen woord; maar de uitdrukking van hare schoone oogen gaf genoeg te kennen, hoezeer zij met dat oordeel van haar voogd instemde en welk belang het verhaal van Feiko bij haar begon te verwekken.

"Nu begon ik op een middel te denken, om den goeden Ridder te verwittigen, dat hij maar beter zou doen, om den steven te wenden: en zoo peinzende, ga ik bij Auke Wybinga een slokje drinken."

"Dacht ik het niet?" zeide Sytsken: "en wist gij nergens beter raad te krijgen, dan bij die nuffen?"

"Zwijg Sytsken!" zeide Aylva: "en laat Feiko zijn rede voleindigen. Welnu--gij waart dan bij Wybinga."

"Zooals ik zeide; en met komt daar Rienk Westra aangeloopen, die bij zich zelven vloekte, dat zijn maat ziek was en dat hij alleen niet tegen de anderen varen kon;--want zij liepen nu allen naar de kaai, omdat men het vaartuig al in 't gezicht kreeg:--en ieder wou de eerste zijn om er aan boord te komen; nu, de schipper had het in den neus; want hij was op stroom gaan liggen."

"En toen?"

"Toen bood ik aan, Rienk te helpen. Iedereen die mij niet kende hield mij voor een varensgast; 'k was ook de eerste aan boord; maar jawel! wat ik ook zei, de Ridder wou aan wal met alle geweld."

"Goede God!" riep Madzy: "en hebben zij hem vermoord?" vroeg zij met een nauwelijks hoorbare stem.

"Neen!--maar 't heeft weinig gescheeld:--Ridder Reinout heeft het zooverre gekregen, dat hij op zijn woord te Sint-Odulf gevangen zal blijven."

"Reinout!" riep Madzy: "God loone hem!"

"Hij is mijner waardig," zeide Aylva, verheugd:--"maar nu de tijding der vloot, is zij echt?"

"Er werden overal manschappen op de been gebracht en boden heengestuurd:--mij heeft uw zoon gelast u te zeggen, dat gij hem heden niet zien zoudt:--zij hebben het ook druk genoeg."

"En ik zou hier stilzitten. Feiko! haal terstond mijn wapens en zadel mijn paard."

"Met uw verlof," zeide Feiko: "Ridder Reinout heeft mij ook nog gelast, u te verzoeken om hier te vertoeven, tot hij een nadere boodschap zond, hoe de zaken staan. Hij is bang, dat de nachtlucht u hinderlijk zou wezen: en dan, het begint er mooi stormachtig uit te zien ook."

"Zal ik van hem mijn plicht leeren?" vroeg Aylva, vertoornd. "Doe als ik u zeg; en gij, mijn dochter! maak u gereed elk oogenblik deze stins te verlaten, die u wellicht binnen korten tijd geene veilige wijkplaats meer verstrekken zal."

"Ach! sta mij toe, hier te blijven," zeide Madzy: "hier kan ik u, hier kan ik Friesland van dienst zijn. Zoo mijn hand te zwak is om een boog te spannen, zij kan ten minste een gekwetste verbinden. Zend al wie hulp behoeft slechts herwaarts en aan goede verpleging zal het niemand ontbreken."

"Dat weet ik," zeide Aylva: "niemand dan ik, kan beter getuigenis geven, hoe voortreffelijk een ziekenoppasster gij zijt. Nu! ik begeer dan ook niet, dat gij u terstond van hier begeeft. Ik beloof u, ik zal u gekwetsten zenden, indien zij er zijn; maar naar ik onze Friezen ken, zult gij weinig te doen hebben, en liever zullen zij zich laten doodslaan dan het veld te verlaten, zoolang zij nog tanden in den mond hebben om hun vijand te bijten.--Wees nu zoo goed en help mij, mij van dit nachtgewaad te ontdoen:--waar blijft Feiko toch?--Het is waarlijk, of de menschen van dag tot dag luier worden."

"Waarlijk, mijn waarde voogd," zeide Madzy: "gij overhaast u te zeer. Al ware de Hollandsche vloot in het gezicht, gij zoudt nog altijd tijdig genoeg komen. Bedenk toch, dat zoo gij u thans reeds zonder noodzakelijkheid vermoeit, gij uw krachten verloren zult hebben, wanneer u die het meest te stade zult komen."

"Gij hebt gelijk, mijn kind! zooals altijd;--maar zie, gij beseft dat niet, wat het voor een ouden krijgsman zegt, als hem de kreet: te wapen! in de ooren klinkt. Dan gevoelt men zich op eens weer verjongd en versterkt; dan zijn ziekte en zwakheid vergeten en de kracht der ziel schenkt ons, wat die van het lichaam ons weigeren mocht.--Maar laat ik eens aan 't raam gaan, en naar den wind zien."

"De wind is om, dunkt mij," zeide Madzy.

"Ha! welk een heerlijk gezicht," zeide de Olderman, het venster openslaande en de lucht beschouwende: "wat zeide hij, de Hollandsche vloot was nog niet in 't gezicht?--Indien zij hedenmorgen is afgezeild, moet zij met den nacht aan onze kusten wezen; want de wind is naar 't zuidwesten gedraaid en zij heeft dien vlak voor 't lapje!

"Met den nacht reeds!" zeide Madzy, verbleekende.

"Gewis;--maar niet in den staat, waarin zij de reede verliet. Geloof mij, daar zal menige mast en menige kiel ontredderd raken, en menig vaartuig aan den grond komen, eer zij de kust in 't oog; krijgen. Er is zwaar weer op zee:--zwaarder dan gij hier zelfs vermoeden kunt: merkt gij die donderbui op, die daar vlak tegen den wind intrekt. Zoo gij over den heuvel heen kondet kijken, gij zoudt de zee zien schuimen als een ziedende pot.--Aha! eindelijk is Feiko klaar."

"Waarlijk, Heer Olderman," zeide Feiko, die met de wapenrusting aan kwam dragen: "ik had niet gedacht, dat UEd. er zoo spoedig weer gebruik van zoudt maken; en er waren een paar spijkertjes aan de beenstukken noodig, die...."

"Wat beenstukken!--Geef mij slechts mijn borstharnas en mijn helm: de beenen zullen wij maar ongedekt laten:--indien wij vechten, zullen wij toch van achter de aarden wallen strijden: en dan wordt alle onnutte wapenrusting maar tot overlast.--Voorwaar!" vervolgde hij, toen Feiko hem het borstkuras had aangegespt: "ik kan toch merken dat ik mager geworden ben. Ik zou de freule er desnoods bij in bergen."

"Hoe dunner hoe beter," zeide Feiko lachende: "des te meer plaats is er naast u voor de pijlen."

"Goed gezegd, Feiko! maar waar had ik mijn hoofd? Wie zal nu mijn bloedvrienden te wapen roepen? Zeg aan den pachter...."

"O! wat dat betreft," zeide Feiko: "daar heeft Jonker Reinout al voor gezorgd. Die van Wonseradeel zijn reeds bij hem en hij heeft boden naar uw stinsen in Ferwerderadeel en Westdongeradeel gezonden."

"Hij is een brave borst, dat moet ik hem nageven," zeide Aylva met een zucht, die een zonderling contrast met zijn gezegde opleverde.

"Maar hoor!--daar is weer iemand: de hond blaft...."

"Ik herken die stem!" zeide Madzy: "ja waarlijk, het is vader Syard, die binnengelaten wil worden."

"Wat jaagt hem hier?" zeide Aylva: "Feiko! gij zult mij mijn helm achternadragen.--Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet vermoeien voor den tijd.--Hoor hoe het onweer buldert!--Ha! daar is de vrome man zelf. Wel, Vader! het verheugt mij u weer te zien: waarlijk, wij hadden ons niet met dat geluk mogen vleien."

"De Heer heeft mij verlost," zeide de monnik, "gelijk Hij Daniël uit den leeuwenkuil verloste."

"Wij zijn er beiden heel wat op vermagerd," zeide de Olderman:--daarover wel eens nader. Gij komt zeker onze Madzy eens gezelschap houden en daar doet gij wel aan. Gij zult elkander veel te vertellen hebben. Mij zult gij niet kwalijk nemen, dat ik ga, waar het vaderland mij roept. Waar zijn de Hoofden?--waar is mijn zoon?"

"Het is dan waar!--Hebt gij werkelijk een zoon teruggevonden? Is die Ridder Reinout...."

"Dat zal Madzy u alles wel vertellen:--ik moet voort: zeg mij slechts, waar ik hem vinden zal."

"Op dit oogenblik nog te Stavoren; maar...."

"Welnu! dan ga ik derwaarts. Is alles gereed, Feiko?"

Op dit oogenblik begon de storm met dubbel geweld op te zetten, zware hagelsteenen kletterden tegen de daken: het geheele zwerk was door bliksemvuur verlicht en de donder ratelde zonder ophouden.

"Om 's Hemels wil, mijn goede voogd!" zeide Madzy: "zult gij u waarlijk aan zulk een weer blootstellen? Bedenk toch, dat gij nog niet geheel hersteld zijt."

"Een heerlijk weer," zeide Aylva: "zie, de Hemel strijdt met ons. In een halfuur ben ik immers te Stavoren. Ik zal mijn mantel dubbel omslaan: en dan lach ik met een bui."

"Nog een woord, eer gij vertrekt," zeide de monnik: "God weet, of wij elkander levend terugzien. Hebt gij overtuigende bewijzen, dat Ridder Reinout uw zoon is?"

"Vanwaar die vraag?--En op dit oogenblik?" zeide Aylva:--ja, ik heb die: en, wanneer gij wilt, zal ik u die toonen. Thans is het tijd, ten strijde te gaan."

"Gij hebt gelijk," zeide de monnik, wiens anders zoo vaste ziel overmand scheen door een ontroering, die hem niet eigen was. "Maar dan heb ik nog eene bede. Ridder Deodaat van Verona is naar Sint-Odulf overgebracht. Wordt het klooster aangevallen, zoo smeek ik u, draag zorg, dat hem vriend noch vijand dere: ik bezweer u zulks, bij uw zaligheid!"

"Ik zal mijn best doen," zeide Avlva: "ik zelf heb dubbele redenen om voor zijn leven te waken: ik ben hem vergoeding verschuldigd voor het ongelijk, hem door Reinout aangedaan en voor zijn hulp aan Madzy betoond."

Na deze woorden te hebben geuit, omhelsde hij de lieve maagd: haar gedachten hadden door de rede van den monnik een andere wending genomen; thans echter, nu zij haar pleegvader gereed zag, een in zijn toestand bedenkelijken, ja hoogst gevaarlijken tocht te ondernemen, vergat zij alles, ook zelfs den teedergeliefde, om hem, aan wien zij zooveel verschuldigd was. Niet zonder moeite, en op Madzy en Feiko leunende, daalde Aylva de trap af; zoodra hij zich echter buiten en in den zadel bevond, scheen net, of zijn zwakheid geheel verdwenen was; en zijn ros de sporen gevende, reed hij, van Feiko vergezeld, in vollen draf den weg op naar Stavoren.

Zoodra hij vertrokken was, gelastte Madzy den ouden pachter eenig brandhout op den haard te werpen: en weldra zat de monnik, die op zijn wandeling doornat geworden was, zich bij een vroolijk vuur te drogen, terwijl Madzy een verwarmenden drank naast hem plaatste. Een geruimen tijd bewaarden zij het stilzwijgen: men kon zien, dat beiden elkander veel te vertellen hadden en als 't ware verlegen waren hoe te beginnen.

Eindelijk vatte de monnik het woord op: "Wij hebben wel reden om God te danken, Freule! Hij heeft ons uit groote gevaren gered: en ik had na onze zonderlinge scheiding, mij niet gevleid u ooit te zullen wederzien."

"God heeft mij gesterkt," zeide Madzy: "maar ik heb veel geleden."

"Er zijn zonderlinge geruchten van u in omloop," zeide de monnik: "men heeft mij verhaald, dat gij te Utrecht bij een Ridder waart gevangengehouden.--Mag ik vragen, was deze ook dezelfde als de burchtvoogd van het slot Nyenstein nabij Plaswijk?"

"Ik zag hem het eerst op het slot," zeide Madzy: "wie hij was heb ik gezworen te verzwijgen."

"Zooveel ik dan kan opmaken uit het onzamenhangend verhaal van uw lotgevallen, dat hier rondloopt, zijn wij beiden de slachtoffers geweest van denzelfden listigen bedrieger: en ik heb bijna reden om te gelooven, dat die zoogenaamde zoon van den Heer van Aylva mede de hand in 't spel heeft gehad."

"Die zoogenaamde zoon?--gij hebt reden om te gelooven, dat....?"

"Dat hier een samenweefsel van list en bedrog plaats heeft;--maar om des te zekerder te werk te gaan: verhaal mij, bid ik u, uwe lotgevallen sedert ik u verliet."

Madzy voldeed aan zijn verzoek: zij begon met in korte woorden de aanleiding tot haar opneming in 't slot Nyenstein te vermelden. De monnik zuchtte diep, toen hij ontwaarde, welke listen Jan Van Arkel in 't werk gesteld had, om zich van zijn prooi te verzekeren: zijn verontwaardiging steeg ten top, toen zij van haar verblijf te Utrecht gewaagde, en maakte plaats voor een aandachtig nadenken, toen hij het verslag van haar reis en van het gebeurde in 't Gaasterbosch vernam.

"Hoogst zonderling!" zeide hij, toen zij haar verhaal geëindigd had: "die Reinout heeft zich dus voor den zoon van den Olderman doen erkennen?--En die hansworst zegt gij, is nog in Friesland?"

Madzy antwoordde toestemmend op beide vragen en meldde hem, dat Daamke in Reinouts dienst was.

"Dan kan het mogelijk zijn, dat die nar iets weet en dat Reinout zijn stilzwijgendheid koopt!--Dat alles moet zich eenmaal oplossen of.... misschien.... weet gij ook, of hij de medicijnkist zijns meesters Barbanera heeft met zich gebracht?"

"Voorzeker," zeide Madzy, glimlachende om deze zonderlinge vraag: "maar ik bid u, welk belang stelt gij daarin? Gij hebt toch geen lust, zijne pillen en tincturen te gebruiken."

"Misschien!" zeide de monnik op een ernstigen toon: "ik geloof dat gij met mij van hetzelfde gevoelen zult zijn, wanneer ik u mijn wedervaren verhaal.... het onweer is nog niet verminderd: en zij zullen mij nog niet missen te Sint-Odulf.--Zoo gij dus geen vaak hebt, luister."

Nadat Madzy verklaard had, hoogst verlangend te zijn, hem te hooren, deelde de monnik haar mede wat er geschied was sedert den morgen dat hij haar in de herberg vermist had, en hoe hij vervolgens zich met meester Barbanera in het slot van Nyenstein had zien opsluiten.

"Mijn eerste gevoel," vervolgde hij, "was, gelijk gij denken kunt, een gevoel van spijt en toorn tegen hem, die mij zoo listig van mijn vrijheid beroofd had. Wat den kokeler betrof, deze bleef nog lang in den waan dat hij alleen voor de leus was opgesloten. Toen hij echter het tegendeel begon te bemerken, verviel hij tot een staat van woede en wanhoop, die aan vertwijfeling grensde, en liet geen uur voorbijgaan, zonder de vreeselijkste verwenschingen uit te braken tegen den bewerker van zijn ongeluk, terwijl hij allen troost versmaadde, dien ik hem aanbood, en mij vervloekte, zoowel als den grijsaard, die ons dagelijks door een valluik ons voedsel toediende. Mijn toestand was hoogst onaangenaam: van het daglicht verstoken, in een nauwen kelder en gedwongen, het gezelschap te dulden eens gevloekten godslasteraars;--maar ik offerde mijn lijden den Heere op en Hij verleende mij sterkte. Hij deed meer; Hij maakte mij tot het werktuig in Zijne hand om een gevallen ziel te behouden, en deed mijn lijden strekken tot de ontdekking van een geheim, dat anders wellicht verborgen ware gebleven.

"Een dag (nimmer zal ik dien vergeten) kwam onze oude stokwaarder niet opdagen. Het vasten gewoon, verduurde ik de ontbering van voedsel met gelatenheid; maar de deelgenoot mijns kerkers kon minder weerstand aan zijn nooddruft bieden. De volgende dag verliep:--weder geen voedsel:--gelukkig was onze waterkruik, die eenmaal 's weeks gevuld werd, nog halfvol;--maar het gemis aan spijs verzwakte Barbanera: en nu eerst werd hij vatbaar voor de woorden van vermaning en boete, die ik tot hem sprak. Hij vroeg mij om vergiffenis voor zijn handelwijze te mijwaart, hij biechte mij zijn zonden en toonde een hartgrondig berouw. Den derden dag voelde hij zijn einde naderen: en toen smeekte hij mij, om, zoo ik tegen alle verwachting het leven behield en de vrijheid terugkreeg, te herstellen wat hij verdorven had. Ik spande mijn uiterste krachten in om het verhaal te verstaan, dat hij mij half in 't Italiaansch, half in krom Latijn, half in gebroken Hollandsch deed: het kwam hierop neer, dat hij zich in 't verloopen jaar, te Grenoble in Frankrijk, in dienst van den Bisschop van Utrecht bevond, toen daar een pelgrim uit Holland aankwam, die naar Italië trok en in 't voorbijgaan den Prelaat bezoeken kwam. Deze pelgrim verhaalde aan Barbanera, eens dat zij samen spijsden, door twee Ridders uit Holland, Reinout en Deodaat van Verona, belast te zijn met het opsporen hunner familie en toonde hem een brief, die daartoe strekken moest. Niemand was beter dan Barbanera in staat aan den pelgrim eenig bericht dienaangaande te doen toekomen; want hij was vroeger in dienst geweest van Bianca di Salerno wier geheime verbintenis met den Olderman u bekend is. Hij besloot, zelf de belooning te verdienen, op de ontdekking gesteld: dat viel hem te gemakkelijker, doordien de pelgrim kort daarna ziek werd en stierf. Barbanera maakte zich van den brief meester, verliet den Bisschop en reisde naar Verona. Daar wist hij vermomd tot in het klooster te dringen, waar de dwingeland Francesco zijn gemalin sedert jaren gevangen houdt: hij deelde haar mede, dat haar zoon nog leefde, en verkreeg van hare hand den ring, haar door uw voogd geschonken, en meteen een brief, waarin zij het merk aanduidde, waaraan die zoon te herkennen ware. Van Verona reisde hij naar Holland en vond toevallig èn uw pleegvader èn de beide jongelingen te Haarlem. Gij weet, welke kunsten hij op den Vogelesang in 't werk stelde om hun nieuwsgierigheid op te wekken. Had hij toen het geheim geopenbaard, hij had zich een jammerlijken dood en veel wroeging bespaard; maar de duivel der geldzucht verleidde hem: hij wilde zijn geheim aan den meestbiedende der twee Ridders verkoopen, en naar gelang daarvan den brief van Bianca geven of terughouden. Tot Aylva dorst hij zich nog niet wenden: eensdeels omdat hij vroeger op zijn leven had toegelegd en bovendien vreesde dat Aylva te weten zou gekomen zijn, hoe hij Bianca door een valsch gerucht van haars minnaars dood misleid had; anderdeels, omdat hij hem niet wilde naderen, voor hij hem een zoon kon bieden, die zijn voorspraak wezen mocht. Toen hij later te Plaswijk Reinout vond, en beiden in den waan verkeerden, dat Deodaat dood of stervende ware, maakte hij hem diets, dat hij de wettige zoon van Aylva was, ofschoon hij zich intusschen van het tegendeel overtuigde."

"Goede God!" riep Madzy: "en van waar bekwam hij die overtuiging?"

"Op een zeer eenvoudige wijze. Toen Reinout zich 's nachts ontkleedde, zag Barbanera, dat hij het teeken miste, hetwelk Bianca, ter voorkoming van verwarring, haren zoon op de borst gegrift had."

"En zou Deodaat dat teeken....?"

"Ziedaar wat mij nog onbekend is; maar mij zoowel als Feiko trof hedenmorgen, toen ik hem onder het gepeupel zoo onvoorziens in 't oog kreeg, zijn gelijkenis op den Olderman. Dezelfde houding, dezelfde wending, dezelfde stem, alleen door den uitheemschen tongval eenigszins gewijzigd.--Maar hoor verder:--Barbanera verhaalde mij, dat hij met opzet Bianca's brief, waarin deze omstandigheid vermeld was, had achtergehouden en in zijn medicijnkist onder een dubbelen bodem verborgen. Dit bleef Reinout onbewust."

"Hemel! indien er slechts mogelijkheid is, die kist te bekomen!"

"De Italiaan overleefde zijn bekentenis niet lang. Hij is getroost in mijn arm ontslapen, mij smeekende, zoo ik in Friesland terugkwam, den Heer van Aylva deze tijding te melden. Alleen het belang mijns vaderlands kon mij doen vertragen om zijn uitersten wil te voldoen;--maar iemand moest deelgenoot wezen mijns geheims:--en in niemand kan ik meer vertrouwen stellen dan in u."

"Ik dank u, goede Pater!--En hoe werdt gij verlost?"

"Op denzelfden dag toen Barbanera stierf. Niet twijfelende, of ik zou spoedig deelen in zijn lot, had ik mij reeds ter dood bereid; toen op eenmaal mijn kerkerdeur werd opengeslagen. Een bende Hollanders had Nyenstein overrompeld: bij het doorzoeken van het slot had men ook de deur des kelders opengebroken en men bracht mij schier levenloos naar buiten. Ik vernam sedert, dat de oude dienaar des Bisschops door een beroerte uit het leven was weggerukt, zonder den tijd gehad te hebben, het geheim onzer gevangenis te openbaren. Mij schonk men de vrijheid, daar niemand reden had mij te houden. Ik hoorde, dat Deodaat van zijn wond hersteld, en in 't leger was: ik ging derwaarts, en kwam juist te Utrecht om den zegepralenden intocht des Graven bij te wonen. Deodaat echter vond ik niet: hij was naar de Gravin gezonden om haar den roem der Hollandsche wapenen te verkondigen. Intusschen begrijpende, dat de Graaf niet werkeloos zou blijven, hield ik mij nog een wijl in Utrecht op, om te ontdekken, wat hij in zijn schild voerde. De Bisschop had nu, zoo 't scheen, zijn geheel vertrouwen gewonnen. Ik begaf mij naar den listigen kerkvoogd."

"Hoe! gij dorst u opnieuw in zijn tegenwoordigheid wagen?"

"Ik wist, dat hij mij niet zou hebben durven beleedigen; want hij moest de ontdekkingen vreezen, die ik in staat was te doen. Hij ontving mij echter met nog meer vrijmoedige kalmte dan ik mogelijk achtte: ja hij was zoo gemeenzaam, als ware er niets tusschen ons voorgevallen. Mijn gevangenis schreef hij aan een misverstand toe: hij betuigde mij, niet geweten te hebben, dat ik mij met Barbanera in den kelder bevond, wien hij er alleen in dacht op te sluiten:--en inderdaad, ik kon hem het tegendeel niet bewijzen. Verder toonde hij zich zeer vertrouwelijk jegens mij, en verzocht mij terug te komen. Iets later deelde hij mij de geheime ontwerpen des Graven mede, zelfs het plan ter verrassing van Stavoren, welks mislukking, gelijk ook het verdere, u Feiko ongetwijfeld zal gemeld hebben."

"En.... waant gij, dat Reinout ter goeder trouw handelt....?"

"Zijn gedrag van heden doet mij zulks vermoeden. Hij redde het leven van Deodaat."

"En hij zelf, wie is hij dan....?"

"De zoon van Bianca's dienstjuffer. De listige Barbanera, beducht voor het ongenoegen van diegene der beide jongelingen, welken hij niet als den zoon van uw voogd zoude aanwijzen, had aan Reinout wijsgemaakt, dat hij zelf, hij Barbanera, de vader was van een hunner.--En thans!" vervolgde de monnik, opstaande, "moet ik naar Sint-Odulf keeren, en het overige van den nacht aan Friesland wijden.--Ha! Indien die looze Bisschop mij niet bedrogen had,--het ware nooit zooverre gekomen: en de arme, verachte vader Syard, had in naam van het geestelijk gezag het geheele volk op de been kunnen brengen eer Willem nog een leger bijeen had."

Op dit oogenblik kwam Sytsken de kamer binnengeloopen, met den angst op 't gelaat geschilderd.

"Heilige maagd!" riep zij: "daar is de bliksem zeker in den toren van Stavoren geslagen en de gansche stad staat in brand."

"De gansche stad? van eenen bliksemstraal, die op den toren neerkomt?" zeide de monnik: "dat zou mij vreemd voorkomen."

"Ik verzeker u," hernam Sytsken, "dat het geheele zwerk rood is van de vlam die opstijgt."

"Willen wij niet eens op het plat gaan en zien wat er te doen is?" stelde Madzy voor.

"Het zwerk rood van vuur!" herhaalde vader Syard: "dan zeker moet er iets buitengewoons hebben plaats gehad. Nu ja! ik ben bereid u te volgen."

De twee meisjes hadden reeds een paar mantels omgeslagen om zich tegen den regen te beschutten: en alle drie begaven zich op het plat van den toren, van waar men bij dag de stad Stavoren, en ook de zee kon onderscheiden. Een oogopslag was genoeg om den monnik te overtuigen, dat de schrik van Sytsken niet zonder grond was geweest. Het was nu geheel nacht; en de duisternis verhoogde den rooden gloed der vlam, die ten noordwesten opsteeg als achter een gordijn van regen, hetwelk aan het vuur een des te fantastischer aanzicht gaf. De monnik ontdekte echter spoedig, dat de brand zeer vermoedelijk een andere oorzaak had, dan die, welke er door Sytsken aan gegeven was.

"Het is niet Stavoren dat in brand staat," zeide hij: "Stavoren ligt meer westelijk: en mij dunkt, ik zie den kerktoren, die den gloed terugkaatst. Het is Norwert, waar men den rooden haan heeft uitgestoken."

"Ik hoor het alarmgeklep!" zeide Madzy: "de vijand moet geland zijn."

"Hij is geland!" riep de monnik: "ik moet geen tijd verliezen, de ure des gevaars kan voor ons klooster komen:--en dan mag niemand zeggen dat broeder Syard afwezig was."

Dit gezegd hebbende nam hij zijn afscheid en haastte zich naar Sint-Odulf over een voetpad, hetwelk langs het meer heen van den landweg af derwaarts geleidde.

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Sy quamen 's morgens met getaelen Van schepen, klein en groot; Maar toen de nacht begon te daelen Riep elck: waer is de vloot?

Geusen-liedtjen op de Armada.

Het was op den morgen van dien dag, dat de koggen, bestemd het Grafelijke leger naar de Friesche kust over te brengen, en welke met den meesten spoed den IJsel, de Vecht en het IJ waren komen afzakken, zich in de kom van de Zuiderzee vereenigd hadden en aldaar een machtige vloot gevormd van over de tweehonderd vaartuigen, die nu gezamenlijk naar de Friesche kust den steven wendden. Nooit voorheen was een heerlijker schouwspel in die wateren te zien geweest: nooit was er een tocht op de Zuiderzee beproefd geworden, ontzaglijker door het aantal, uitnemender door den rang, belangrijker door de vermaardheid van hen, die daaraan deelnamen. Geheel de adel van Holland, van Henegouwen en van het Sticht was op de vloot vertegenwoordigd: en menig heer- en ridderlijk Huis had er al zijn leden gezonden. Met een oogverblindenden luister schitterde de morgenzon op de nieuwgeverfde en geëmailleerde blazoenen en wapenborden, welke aan mast en spiegel praalden, op de vergulde helmen en op het blinkend staal van schilden en rondassen: dartel speelde de wind in de ontelbare wimpels en banderollen, of deed hij de blanke pluimen en geborduurde mantels golven op zijn adem: en die van verre dat heerlijk schouwspel had kunnen genieten, zou gewaand hebben, dat hij een vereeniging dier zeebewoners zag, van welke de Arabische schrijvers in hun vindingrijke verhalen spreken, die met goud en koralen en edelgesteenten en kostbare zeegewassen beladen, zich boven de oppervlakte der wateren vertoonen. Aan boord heerschte overal onbedwongen vroolijkheid: dartele scherts en blij gezang verwisselden elkaar en aller harten waren tot blijmoedigheid en hooge verwachting gestemd: de bezorgdheid, welke, gelijk wij verhaald hebben, bij sommigen, over deze onderneming was gevoed geweest, zoolang zij niet werkelijk was aangevangen, was verdwenen, zoodra men zich aan boord bevond: zij had voor een kommerlooze gerustheid plaats gemaakt; want hoe kon men anders, wanneer men het oog in 't ronde sloeg, en die landingstroepen zag, wier aantal omtrent gelijkstond met de gansche bevolking van Wester- en Oostergoo te zamen, en geheel uit welgeoefende strijders bestond, hoe kon men anders dan zich een gemakkelijke zege toeschrijven? Nadat Utrecht, het rijke en machtige Utrecht gezwicht was, was het toch niet te denken, dat de onderling verdeelde Friezen eenigen noemenswaarden wederstand zouden beproeven. Vroolijk schuimde de beker dan ook rond en wenschte men elkaar geluk met de bijna zekere overwinning. Ach! weinig dachten zij, die moedige Ridders en Baanrotsen, dat de blijde disch, waarom zij zich onder luide gezangen en schaterende toejuichingen verzamelden, hun doodmaal droeg!

Er was echter onder al die hooggestemde tochtgenooten een enkele, die niet in de algemeene blijmoedigheid deelde, ofschoon zijn gelaat die trachtte voor te wenden: het was het hoofd der onderneming zelf, Graaf Willem, die anders, meer dan een ander, reden moest gehad hebben om op zijn gelukster, die hem nooit verlaten had, een blind vertrouwen te stellen, indien dit al niet bij hem opgewekt werd door de gunstige voorteekenen, waaronder de tocht was aangevangen. De oorzaak zijner geheime zorg was bovendien van een zoo beuzelachtigen aard, dat hij er zelf schaamte over had; maar het innerlijk gevoel, dat hem ontrustte, was hem te sterk, dan dat hij het door redeneering of verstrooiing kon te boven komen. Op het vaartuig dat zijn vlag droeg was een prachtig paviljoen opgericht, van welks top de driedubbele Gravenkroon sierlijk schitterde tusschen een bundel van kunstig gewerkte banieren: van welks troonhemel het fluweel in purperen plooien, met gouden franje geboord, rondom afhing, terwijl rozeroode gordijnen van zijde de stralen van het zonnelicht keerden. Daarbinnen liepen banken rond, met spierwit doek overtogen en bedekt met donzige kussens van karmozijn, waar 's Graven naamcijfer of wapen in gouden letteren op prijkte: terwijl een dressoir, over den ingang geplaatst, beladen was met al de geriefelijkheden, die den smaak konden streelen, en van goud en zilver fonkelde. Dit fraai geheel was een geschenk van den Bisschop van Utrecht en de vrucht van het nacht en dag doorwerken der meest bekwame kunstenaars uit al de omliggende steden. Kort na het afzeilen was de Graaf het paviljoen binnengetreden om er al den rijkdom van te bewonderen; maar niet weinig was hij verwonderd geweest, van op het dressoir, in den voor hem bestemden drinkhoorn een briefje te vinden, waarop deze woorden te lezen waren: "denk aan de voorspelling van Reinout van Gelder."--Dadelijk na de lezing verborg hij die ontijdige waarschuwing: en, het paviljoen uittredende, vroeg hij aan den deurwachter, op een toon, dien hij zoo kalm mogelijk deed schijnen, wie er vóór hem binnen geweest ware.

De deurwachter betuigde op zijne eer, dat niemand zich verstout had binnen te treden, sedert het paviljoen gezet was, dan alleen de behangers en een paar lijfbedienden des Bisschops, ten einde zich te verzekeren dat alles in behoorlijke orde ware.

De Graaf sloeg de oogen om zich heen en ontdekte kort bij hem het vaartuig, waarin Jan van Arkel zich bevond, in zijn priesterlijk gewaad, half zittende en half liggende tusschen een hoop welgevulde kussens, op het dek gespreid. De oogen des Kerkvoogds hadden op dit oogenblik een boosaardig spottende uitdrukking; maar zoodra de Graaf hem aansprak, nam het gelaat terstond weder de effen plooi aan, die het gewoonlijk kenmerkte.

"Wij hebben nooit iets prachtigers gezien dan uw geschenk, Heer Neef!" riep hem Willem toe, terwijl de stuurlieden de schepen eenigszins nader bij elkander brachten, om het gesprek tusschen de twee aanzienlijke passagiers gemakkelijker te maken.

"Uwe Genade heeft te veel goedheid," zeide de Bisschop, zich half opheffende met de achtelooze loomheid eener half slapende kokette: "ik had wel gewenscht uwe Genade meer naar verdienste te kunnen behandelen."

"Men vindt er bewonderenswaardige dingen in," vervolgde Willem, hem veelbeduidend aanziende; "dingen, die men er niet zou verwachten. Die drinkhoorn vooral, die voor ons bestemd is, is allervreemdst en de inhoud heeft ons verrast."

't Zij dat de Bisschop aan het geval volkomen onschuldig, 't zij dat hij op alles gewapend ware, de effen kalmte van zijn trekken onderging geene de minste verandering, en hij sloeg de oogen niet neder voor den scherpen blik des Graven: "ik had gelast," antwoordde hij, op een flauwen toon, "dat men hem met Spaanschen wijn zou vullen, die, gelijk mij verzekerd werd, met tweebak genuttigd, een uitmuntend voorbehoedmiddel is tegen zeeziekte. Ik had er ook wel van mogen nemen; want, niettegenstaande het slechte water voel ik mij geheel niet op mijn gemak, en het is niet de geringste opoffering, welke ik aan uwe Genade doe, dat ik mij op zee begeef, waar ik een tegenzin in heb."

Dit gezegd hebbende, voegde hij de daad bij de woorden, en zich omwendende, zakte hij in zijn kussens neer.

"Nu ben ik even wijs," dacht Willem, terwijl hij ontevreden terugging en het dek op en neer wandelde. "Maar kom! die grillen uit het hoofd gezet. Waar is de kaart van Friesland?--Mijne Heeren! wij zullen ons plan van landing nog eens nazien."

Binnen weinige oogenblikken was hij met Walcourt, Teylingen en eenige andere vertrouwelingen, die op zijn vaartuig voeren, in het paviljoen gezeten en zocht hij, door het belangrijke onderwerp van hun gesprek, de heimelijke zorg die hem kwelde te verzetten:--ieder oogenblik liet hij aan den schipper vragen, hoe laat men aan wal zou wezen: waarop dan altijd het antwoord was, dat zulks aan God alleen bekend was; maar dat, zoo de wind niet voordeeliger werd, men genoodzaakt zou zijn, dien nacht een ankerplaats te zoeken: daar men sedert de twee laatste gangen meer achter- dan vooruitgegaan was.

"Ik heb het al gevreesd,"--zeide de Graaf, wrevelig met de vuist op tafel slaande, toen hem dit antwoord voor de vijfde maal gebracht werd:--"wanneer zal men eens vaartuigen uitvinden, die niet van den wind afhangen?"

Walcourt wilde juist antwoorden, dat dit wel een onmogelijkheid zijn zou; maar een plotselinge ongesteldheid, die hem overkwam, noodzaakte hem naar buiten te gaan: en weldra zagen Teylingen en Naaldwijk zich gedwongen, zijn voorbeeld te volgen.

"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf: "daar zijn er al drie, die wegloopen zonder verlof te vragen: het schijnt, dat aan boord de Graaf en zijn leenmannen gelijk zijn:--en men moet bekennen, dat wij mooi scheef gaan en aardig stooten.--Waar duivel is die Spaansche wijn, waar de Bisschop van sprak?"

Met deze woorden trad hij naar het dressoir toe; maar op het oogenblik dat hij de hand naar een drinkkan uitstrekte, kreeg het schip een golf in den boeg, die het fraaie kunststuk, het onderst boven sloeg.

"Daar ligt de gansche Bisschoppelijke weelde," zeide Willem, het oog slaande op den gevallen toestel, en op den wijn, die door elkander vloeide, "en wij zouden waarachtig gevaar kunnen loopen, aan boord te verzuipen, zoo niet in zeewater, dan in druivennat:--dat ware een andere dood, dan dien mij de zwarte Reinout voorspelde!.... nogal dat noodlottige orakel:--zal ik het dan niet uit mijn geest kunnen bannen?"

Hij plaatste zich nu bij het roer en zag rond; het was nog altijd een belangrijk en fraai schouwspel, die geheele vloot met den tegenwind te zien worstelen; maar de schepen leverden niet meer de schitterende vertooning op van des morgens. In het laatste uur waren meest alle banieren en wimpels binnengehaald, en men zag geene blinkende harnassen noch golvende pluimen meer. De gewapenden streden meest allen met dien onweerstaanbaren vijand, de zeeziekte, en lagen op het dek uitgestrekt.

Langzamerhand echter begon de wind te minderen: en tegen den namiddag werd het stil, zoodat men alle zeilen bij moest zetten om slechts een flauw zuchtje, dat nu uit het noordwesten woei, te kunnen opvangen en alzoo met halfwind voort te komen. Nu keerden de moed en de eetlust bij velen, en de Graaf had juist last gegeven, dat men de omgestorte kannen weder vullen zoude, toen men in 't verschiet een schip ontwaarde, dat op de vloot aanhield en weldra bijdraaide. Het was de bierhaalder, waarmede Deodaat naar Stavoren was gezeild, en die nu van den mislukten tocht terugkwam. Krijn Jansz vervoegde zich terstond aan boord van des Graven schip.

"Welnu!" zeide deze, zoodra de schipper voor hem in het paviljoen stond: "wat hebt gij ons te melden? Is het kasteel van Stavoren al onder het bedwang van onzen vriend Deodaat?"

Krijn Jansz haalde de schouders op en verhaalde hetgeen den lezer bekend is nopens den ongelukkigen uitslag zijner onderneming.

"Bij Sint-Japik!" zeide de Graaf, hem halverwege in de rede vallende: "dat is fout!--Intusschen, die Friezen beloven ons een genoegen, waar wij ons niet mede hadden durven vleien, en wij zullen althans eenige eer behalen; want er zal weerstand zijn. Maar het volk dat met u was, zit dat nog onder uwe vaten?"

"Ziedaar, wat ik uwe Genade wilde verhalen," zeide Krijn Jansz. "Die twee schildknapen van den Ridder waren maar gansch niet in hun schik, dat zij hem dus in de macht der Friezen zouden laten, zonder weerwraak te nemen. Een van hen, de kleinste, is aan wal gebleven, om te zien waar men zijn meester heenvoerde, en hem, zoo mogelijk, te verlossen. Wat den anderen betreft, dien heb ik, nadat wij Stavoren verlieten, met zijn volk in een Makkummer schuit overgezet, die wij in zee overrompeld hebben. Zij zouden zich vandaag op de hoogte van het dorpje Norwert, benoorden Stavoren, ophouden, met den nacht landen, en het dorpje in brand steken: dan kon uwe Genade op het licht aanzeilen."

"En dat zullen wij doen ook!--Dit verandert ons plan eenigszins, mijne Heeren! maar dat is om 't even. Men boodschappe deze tijding terstond aan den Heer van Beaumont. Hij houde met zijne vaartuigen op de Lemmer aan en rukke vandaar landwaarts in, terwijl wij benoorden Stavoren landen: dan vereenigen wij ons in het hart van Friesland. Ha! daar zal evenwel een kamp plaats hebben!"

"Met het verlof van uwe Genade," zeide Krijn Jansz, die op dit oogenblik buiten de tent keek: "ik vrees, dat de kamp met den storm wel de ergste wezen zal, dien gij heden zult strijden. Ik zal zien uw boodschap te doen, maar ik moet naar mijn schip keeren. Wel over!"

En zonder eenigen verderen last af te wachten, ijlde hij het paviljoen uit en sprong in zijn vaartuig over.

"Storm?" herhaalde de Graaf, verwonderd op het dek tredende. "Is de kerel dol? Het is het heerlijkste weer, dat men uitdenken kan."

"Naar binnen, Graaf!" riep de schipper, die aan 't roer stond, hem toe: "alle man op het dek! Bergt de zeilen!"

"Mij dunkt," zeide Willem, de vermaning des schippers volgende, "dat ons gezag nu geheel naar de maan is. Straks praatte ik nog van gelijkheid; maar nu zie ik wel, dat de Keizer zelf geen baas zou zijn, als hij zich aan boord bevond."

Niet lang echter kon hij zijn nieuwsgierigheid en ongeduld bedwingen. Hij trad weder naar den ingang van het paviljoen; maar hij bemerkte reeds dadelijk, dat de schipper de waarheid had gesproken. De gansche toestand der vloot was veranderd. Nergens was een zeil meer te aanschouwen: de zee had op eenmaal die gele, vale kleur aangenomen, die een geweldige, inwendige beroering verkondigt, en stak, sterk door de zon verlicht zijnde, krachtig af tegen de donkere en loodkleurige wolken, die, als een tooverslag opgewekt, uit het Oosten kwamen opdagen. Nog was het water stil om hen heen; maar het duurde geen twintig tellens, of de windvlaag, welke men van verre over de oppervlakte der zee zag aankomen, was nabij hen, en had het paviljoen omgeworpen, waarvan de rijke hangtapijten, nu als rag gescheurd, maar weerhouden door de sterke koorden, waaraan zij vast waren gemaakt, over het dek in de hoogte fladderden. Terstond snelden een paar matrozen toe en sneden die koorden los, zoodat nu dat geheele meesterstuk van kunst overboord vloog.

"Daar gaat onze heerlijkheid naar de visschen," zeide de Graaf, met een gedwongen lach; maar eene kille huivering overviel hem, toen hij de kronen, waarmede het paviljoen versierd was geweest, ter prooi der golven zag. Hij had echter schier geen tijd tot denken; want op hetzelfde oogenblik ontlastten zich de wolken in zulke hagel- en regenbuien, dat het dek een stortvloed geleek, en de gansche krijgsdos der edelen en gewapenden in een oogenblik onkenbaar was. Geen pluim was er meer, die niet gescheurd en druipend neerhing: geen wapenrok of mantel, waarin de hagelsteenen geen gaten hadden geslagen.

"Voor den duivel!" zeide Walcourt: "de Friezen zullen ons voor een koppel wilde eenden aanzien, als wij ons zoo aan hen vertoonen."

"De Graaf had ook wel naar beneden kunnen gaan," bromde Teylingen: "zoo hij er vermaak in schept, doornat te worden, ik zie volstrekt niet, waarom wij onze plunje moeten laten bederven."

"Durft gij het hem niet voorstellen?" vroeg een ander edelman.

"Ik heb het reeds gedaan; maar hij vroeg mij, of wij van zout waren. Zie eens! mijn overrok is aan flarden gehageld; en mijn helm zal meer roestvlakken bekomen, dan of hij tien jaren in den dauw gelegen had."

Terwijl zij zich dus beklaagden, stond de Graaf onbeweeglijk tegen den mast geleund. Deze schonk hem een gedeeltelijke beschutting tegen het onweder; echter had hij niet zoozeer daarom deze plaats uitgekozen: zijn oog bleef met een angstig ongeduld gevestigd op de overige schepen; en pijnlijk was de indruk, door die beschouwing teweeggebracht. De schoone orde, waarmede de vloot nog zoo kort geleden zeilde, was verbroken: het geweld van den wind, die ieder oogenblik veranderde, had de vaartuigen in een oogenblik over de oppervlakte der zee verstrooid: sommige schepen waren op zandgronden vastgeraakt, en hun half omgeslagen kielen leverden een onheilspellend schouwspel op: andere, wier manschap niet tijdig genoeg klaar geweest was, hadden den mast moeten kappen en met zeil en want overboord werpen: enkele, wier schippers stoutmoediger waren, of die door den breeden bouw minder gevaar hadden van om te slaan, hadden het fokkezeil bijgehouden, lensden op Gods genade voort, en waren spoedig uit het gezicht: de meeste echter werden nu her- dan derwaarts heengeslingerd.

De avond begon intusschen te vallen en het werd den Graaf hoe langer hoe moeilijker te onderscheiden, hoevele schepen hij nog bij zich had. Op eens kreeg hij van verre een licht in 't oog.

"Wat kan dat zijn?" vroeg hij aan een bootsgezel, die nevens hem stond.

"Dat is Stavoren, uwe Genade," was het antwoord: "en zoo de wind nog blijft aanzuidelijken, zitten wij binnen een paar uren op de Friesche kust."

De Graaf ontving deze tijding zonder schrik; maar ook zonder genoegen. Zijn last was, dit had hij wel bespeurd, niet aan Beaumont kunnen gebracht worden: zijn schoone vloot was verstrooid, en hij wist niet, hoe lange tijd er verloopen zou, eer men de schepen weder bij elkander zou kunnen brengen en de orde van de landing herkrijgen. Hij pleegde nu raad met den schipper, die het meest raadzaam oordeelde, een poging te doen om voor Enkhuizen te ankeren en daar den dag af te wachten. Dit gelukte na eenigen tijd: de lantaren werd aan den mast geheschen, en werkelijk zag men dit sein door sommige vaartuigen herhalen, die hetzelfde voorbeeld gevolgd hadden. Dan niet lang hadden zij zich op die reede bevonden, toen de schepelingen een hevige vlam ten noorden van Stavoren zagen opstijgen.

"Ha!" riep Willem, die op dit gezicht al zijn moed herleven voelde: "zij houden woord, mijn trouwe Zeeuwen! Hoe is de wind, schipper?"

"Nu sedert eenigen tijd stik zuidwest," was het antwoord.

"Dan het anker gelicht en op die vuurbaak afgezeild! Sint-Niklaas is met ons!"'

"Ik vrees er voor," zeide de bezorgde schipper: "het is hier zulk een vervloekt vaarwater, dat wij, bij nacht varende, machtig veel kans hebben om aan den grond te geraken."

"Om 't even! daar moet een poging worden aangewend. Ik kan mijn dappere strijdmakkers, dien kleinen hoop daar aan wal, niet hulpeloos laten. En dan? herschept dat vuur den nacht niet in een dag? daarop aangehouden, zeg ik: de gevolgen zijn voor mijne rekening."

De schipper haalde de schouders op en gehoorzaamde; zijn voorbeeld werd door de nabij hen liggende schepen gevolgd en weldra stevende alles naar Norwert toe: maar ofschoon sommige vaartuigen den tocht voorspoedig volbrachten, bleek het echter, dat de angst des schippers niet voorbarig was geweest; want de grootste helft van het smaldeel raakte ieder oogenblik vast en kwam dus, òf niet, òf te laat, ter bestemmingsplaatse aan.

Het vaartuig, waarop de Bisschop zich bevond, had langen tijd omtrent gelijken koers met dat des Graven gehouden. Hoewel door gestadige zeeziekte gekweld, had Arkel echter niet zonder een geheim genoegen den bedroefden toestand der vloot waargenomen. Toen het duister begon te worden liet hij den schipper bij zich komen.

"Gij behoeft u zoo niet te haasten," zeide hij: "ik ga slechts als toeschouwer mede: en als het donker is, kan ik toch niets zien."

"Hoogwaardigste!" zeide de schipper: "ik vrees, dat, indien ik niet zooveel mogelijk koers op het noorden houde, wij te ver van het Grafelijk schip zullen afdwalen: want de wind zou ons oostwaarts drijven."

"Zeer wel!" hernam de Bisschop; "maar ik heb geen trek om op het Enkhuizer Zand vast te raken. Doe mij het vermaak en poog zoo lang als gij kunt in 't goede vaarwater te blijven."

"Hoogwaardigste!" zeide de schipper verbaasd: "dan raken wij hoe langer hoe verder van de vloot en drijven misschien tot aan de Kuinder af."

"Licht mogelijk:--en indien het niet anders kan," zeide Arkel, die deze gevolgtrekking des schippers wel verwacht en daarop zijn gansche redeneering gegrond had, "dan zie ik er geen kwaad in, naar de Kuinder te trekken. Daar zijn wij op onzijdigen grond en toch aan de grenzen van Friesland.--Ja! steven gerust naar de Kuinder: als net dag is, kunnen wij altijd zien wat wij doen zullen."

De schipper gehoorzaamde: en de gewapenden van 's Bisschops gevolg, die het onderhoud niet vernomen hadden, waren niet weinig verwonderd, toen zij zich 's morgens bij hun ontwaken in de haven van de Kuinder zagen. De Bisschop ging dadelijk met zijn geestelijken en verder gevolg aan land en trok naar het nabij de stad gelegene nonnenklooster van Sinte-Martha, waar hij besloten had van de reis uit te rusten en op nadere tijding uit Friesland te wachten, ten einde naar bevind van zaken te kunnen handelen.

Hij vond bij zijn aankomst een groote beweging in het gesticht. Er was den avond te voren een vreemde dame aldaar aangekomen, die naar Friesland toog, maar door het slechte weer verhinderd was geworden hare reis te vervolgen. Zij scheen een vrouw van aanzien te zijn; althans voor zooverre men zulks moest opmaken uit hetgeen de gids, die haar vergezelde, van haar dienaars en juffers vernomen had.

Men kan licht beseffen, welke verlegenheid en verwarring het onverwacht bezoek van den Bisschop bij de vrouw Abdis en haar vrome gezellinnen teweegbracht. In het afgelegen en weinig bezochte klooster van de Kuinder waren vreemdelingen een buitengewoon, een welkom verschijnsel, hetwelk voor een geheel jaar stof tot gesprekken gaf;--maar nu twee hooge personages te gelijk! een uitheemsche Vorstin!--want dit voor 't minst moest de onbekende zijn: en het geestelijk hoofd van het Sticht.--Dat was te veel genoegen op eenmaal en bracht al de nonnenhoofdjes op hol. Waar zou men die beide bezoekers en hun gevolg plaatsen? Of de vreemde dame haar reis dien dag vervolgen zoude, was nog onzeker, want er waren reeds geruchten in omloop, dat men in Friesland met strijden bezig was:--haar weg te zenden, ware onchristelijk geweest:--en den Bisschop kon men nog veel minder terugwijzen.

Arkel kon niet nalaten, hartelijk te lachen, toen hij de verlegenheid der Abdis vernam: en zich terstond bij haar begevende, nam hij alle zwarigheid weg, door te melden, dat hij zich met elk vertrek, hoe klein ook, behelpen zou, en zijn stoet, op eenen lijfbediende na, naar de Kuinder terugzenden. Op deze wijze was alles spoedig geschikt: en niet lang daarna was de Abdis, recht opgeruimd en wel te moede, bij naar beide voorname gasten aan een goeden disch gezeten.

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoe dat een krijgsheir aan quam rukken En onze grenzen vast bestreed, Veel min ontzachlijk door getalen Van benden, dan door zegepralen: Fluks riep men: wapen!

Dullaert.

Niet verre van Stavoren, doch meer noordwaarts op, stond in den tijd, waarvan wij gewagen, een zeker dorpje, Norwert geheeten, hetwelk men thans vruchteloos op eenige kaart zou zoeken, vermits de plaats zelve, waar het zien bevond, sedert lang een prooi der invretende golven geworden is. Het was op een geringen afstand van de zee gelegen, tegen wier geweld het benevens eenig daarbij behoorend land, door een wierdijk beschut werd. Ten oosten paalde het aan een moerassigen veengrond, die zich langs het meer van Stavoren uitstrekte; ten noorden aan eenig kreupelhout, waarvan de schrale groei en de kale takken, aan dewelke niet meer dan eenige verdorde en verschrompelde bladeren hingen, getuigden, hoezeer het van den zeewind te lijden had. Op den dijk, en kort bij dit geboomte, hetwelk men voor een overblijfsel hield van het eenmaal zoo vermaarde Kreiler bosch, zat een jonge zeemansgast sedert een paar uren in de zee te kijken, die reeds al het buiten het wierdijkje gelegen land overstroomd had: en hoewel het een orkaan woei, hoewel zijn tengere ledematen doornat waren, en hem de regen in 't gezicht speelde en meermalen het zien belette, was hij nog niet van zijn plaats gerezen om een schuilplaats op te zoeken; want een krachtig denkbeeld had zich van hem meester gemaakt en deed hem het woeden der elementen vergeten. Zoolang het nog helder dag was geweest, had geen blijk van ongeduld zich op zijn gelaat vertoond, maar het werd reeds avond en nog kon hij geen vaartuig op die oppervlakte der wateren bespeuren, dan een ellendige visschersschuit, die door den storm naar de kust gedreven werd; maar deze was het niet, welke de knaap verwachtte.

"Zij zullen niet komen!" zeide hij eindelijk bij zich zelven, terwijl hij oprees en het water uit zijn muts wrong: "de Graaf zal hen bij zich gehouden hebben:--was het nu niet beter, dat ik naar Sint-Odulf trok en daar de vloot afwachtte?"

Terwijl hij dit voornemen overpeinsde, zag hij, zooveel de duisternis hem zulks toeliet, dat het visschersvaartuig begon te naderen en weldra niet ver van den dijk een ankertje uitwierp. "Voorwaar," dacht hij: "die visscher kiest ook een vreemde ankerplaats uit. 't Is waarschijnlijk een vreemdeling: anders zou hij zijn schuit wel vastleggen aan de palen, die ik ginds op de hoogte van het dorp gezien heb.--Kom! wij zullen nog een vijfhonderd tellens wachten en dan in Sint-Japiks naam hier vandaan:--mits ik slechts het houten pad door het moeras niet misloop in de duisternis; anders loop ik stellig gevaar, te smoren voor ik twintig schreden gedaan heb."

Hij begon hierop de aangename bezigheid van te tellen, welke hij ten einde bracht met de vaste overtuiging, dat hij nu gerust kon gaan; want het was omtrent stikdonker geworden. Dan, juist op het oogenblik, dat hij van den dijk wilde afspringen, hoorde hij een flauw gedruisch en gespat in het water, hetwelk zijn aandacht boeide.

"Bij Sint-Japik!" dacht hij: "ik geloof waarachtig, dat die visschers zich in dat fraaie weer met zwemmen vermaken. Nu! elk zijn liefhebberij."

Zijn nieuwsgierigheid was echter opgewekt: hij liep den dijk langs, naar de plaats, waar het geluid vandaan kwam, en hoorde weldra duidelijker nog, dat verscheidene menschenstemmen, hoezeer met zoo weinig geruchts mogelijk, door het water liepen. Dan weldra werd zijn vermoeden volkomen bevestigd; want een bliksemstraal, die opeens den ganschen zeekant verlichtte, deed hem een twintigtal gewapenden zien, die van het vaartuig naar den dijk waadden.

"Wie duivel zijn dat?" vroeg hij zich zelven af: "zeker geen vrienden van Friesland, die op zulk een ongewone wijze aanlanden.--Zouden zij het zijn? o! nog een bliksemstraaltje om hen eens recht te kunnen opnemen!"

Met dezen wensch was hij al dichterbij gewandeld, achter den dijk blijvende, om door de aankomenden niet gezien te worden: en nu hoorde hij opeens iemand in het water, die met een zachte stem aldus tot een ander sprak:

"Wij hadden wel een paar haken van boord mogen medenemen, Gillis! die vervloekte wal is zoo steil en zoo hard, dat ik waarlijk niet weet, hoe ik er tegen op zal klauteren."

"Kom maar hier: ik zal u wel een handje helpen," riep de knaap, die de stem herkende, hem van boven toe.

"Alle duivels! daar is volk aan gene zijde van den dijk!" zeide de aanvoerder der bende, terugdeinzende.

"Hoe nu!" hernam de knaap: "kent de wakkere Boudewijn de stem van zijn makker Zweder niet meer?"

"De Satan mocht u of uwe stem herkennen," zeide Boudewijn, terwijl hij de hand aangreep, die Zweder hem toestak, en tegen den dijk opklom. Dat vervloekte zeewater spat een mensch om de ooren, dat hij niet hooren of zien kan."

"Ik had den moed al opgegeven," zeide Zweder: "en was verre van u in die visschersschuit te verwachten."

"Ja man!" zeide Boudewijn: "dat was een denkbeeld van mij:--toen wij hedenmorgen Stavoren verlaten hadden, kreeg ik die schuit in 't gezicht. Wacht! zeide ik tot Krijn Jansz:--nu weet ik een beste gelegenheid om aan wal te komen, zonder dat een enkele Fries er gedachte op heeft."

"Ik vat al: gij bemachtigdet de schuit."

"Was dat niet wel verzonnen?--nu heeft de Graaf (bijaldien hij niet al tot een aas der zeehonden verstrekt, met dien hagelschen storm) tijding van ons:--en wij zullen hem die nog nader geven, dat beloof ik u."

De manschappen waren nu allen aan wal gekomen, en verzamelden zich aan de binnenzijde des dijks om Boudewijn en zijn makker, die hun mededeelde, wat hem omtrent Ridder Deodaat bekend was.

Spoedig werd nu het besluit opgemaakt. Men nam voor, Norwert in brand te steken, hetgeen het dubbel voordeel zou verschaffen, tot een baak voor des Graven vloot te verstrekken en de aandacht der Friezen derwaarts te bepalen: en vervolgens weder zee te kiezen.

"Dat is nu alles mooi en wel!" zeide Zweder: "en ofschoon het mij eenigszins tegen de borst stuit, dat mijn eerste krijgsonderneming een brandstichting wezen zal, zie ik, dat het noodzakelijk is:--maar, het is niet genoeg een besluit te nemen, waar vinden wij de brandstoffen?"

"Zotskap!" zeide Boude wijn: "alsof ik geen vuursteen bij mij had:--laat dat aan mij over, en gij zult een Sint-Maartensvuurtje zien, waarbij gij uw natte kleeren in een amerijtje zult kunnen drogen. Zeg mij maar liever, of gij zeker weet, dat het dorp onbezet is?"

"Niet slechts onbezet, maar verlaten:--de mans zijn, God weet waarheen, de vrouwen en kinderen naar Stavoren gevlucht."

"'t Is mij onbegrijpelijk!" zeide Boudewijn, na eenige oogenblikken nagedacht te hebben: "hoe kan men zich zulk eene achteloosheid verklaren van lieden, die een aanval wachtende zijn? Ik had reeds gevreesd, hier den dijk vol krijgsvolk te vinden en ik zie zelfs den staart van een dog niet."

"Hoe jammer!" zeide Zweder: "dat de Graaf hier niet tijdig genoeg wezen kan; hij ook zou zonder slag of stoot kunnen binnentrekken."

"Ja ventje! dat is waar; maar die groote nalatigheid baart mij achterdocht. Ik zorg, of zij ook slechts schijnbaar is en de vijand altemet in hinderlagen schuilt."

"Licht mogelijk," hernam Zweder: "maar dat moet ons niet beletten, spoed te maken met de uitvoering van ons plan."

Aldus sprekende, waren zij langzamerhand verder getrokken en het dorp meer genaderd. Het was en bleef stikdonker en geen geluid deed zich hooren. Weldra bevonden zij zich midden in Norwert, zonder kind of kraai te hebben bespeurd. Dadelijk gaf Boudewijn bevel, dat men de deuren van eenige woningen open zou loopen, om te ontdekken of er nog iemand schuilde; maar men vond niemand. In een paar huizen smeulde er nog vuur aan den haard.

"Goed zoo!" zeide Boudewijn: "steekt licht aan! legt dat vuur maar in de bedstede en smijt er al het droge stroo op, dat gij vinden kunt: en laat ons ondertusschen de spijskast ook eens onderzoeken: 't ware jammer, zoo er iets verloren ging."

Allen gehoorzaamden volijverig aan deze bevelen: en spoedig was de geringe voorraad van spijs en drank, welken de bewoners hadden achtergelaten, door de vermoeide krijgslieden verslonden, terwijl zij hun doornatte kleedingstukken uitwierpen en verwisselden tegen die, welke zij in de huizen vonden. Al wat nu maar brandbaar was werd op de vuren gesmeten, en in weinige oogenblikken sloeg de vlam menig dak uit.

"En nu weer naar boord," riep Boudewijn: "eer de vlam ons zelven den terugtocht afsnijde."

De bende nam den terugtocht weder aan, die nu door de vlam verlicht werd, welke het dorp weldra geheel omgeven had. Op den dijk gekomen, wendde Zweder nogmaals de oogen om, ten einde het tooneel van ellende, dat zij hadden aangericht, te aanschouwen. Het was een vreeselijk gezicht, die strijd der elementen onderling. Nu eens was het, of de zware regenvlagen de opstijgende vlam geheel zouden uitdoven;--dan weder zegevierde het geweld van het vuur en golfde het in rooden gloed langs de daken. Nu en dan stortte er een krakend gebouw in en versmoorde voor een oogenblik den gloed, die het verteerd had; maar die weldra des te feller van alle zijden onder het puin te voorschijn kwam: de zeewind gierde door de opengeborsten luiken en vensters en dreef brandende stroohalmen en half verteerde lappen zeildoek en netten landwaarts in, waar zij weldra in het moeras neervielen of door den regen werden uitgebluscht.

"Kom!" zeide Boudewijn, zijn makker bij den arm trekkende, "maak voort: men zal misschien spoedig genoeg bij de hand wezen om ons na te zitten."

"Bij Sint-Japik! men is reeds bij de hand," riep Zweder verbaasd uit, en zijn uitgestrekte hand wees naar het moeras, dat door den brand in al zijn uitgestrektheid verlicht was.

Boudewijn wierp insgelijks den blik derwaarts en hij verbleekte, toen hij ontdekte, dat, waar men het oog wendde, de geheele vlakte met gewapenden vervuld was, wier aanwezigheid, hoe onbeweeglijk zij zich ook hielden, verraden werd door het licht der vlam, dat op het ijzer der wapenen terugkaatste.

"Ik had het wel vermoed," zeide hij met een zucht.

"Zij zitten daar als kikkers, in hun moerassen of achter hun zomerdijkjes verborgen, waar geen duivel hen uit zal drijven. Zij weten, dat de gansche vloot niet ontscheept is: en zij wachten ons daar.--Maar wij zullen hun een aangename nachtrust wenschen en ons stilletjes weer naar boord begeven. Ik verwonder mij toch, dat zij, hoewel de afstand wat verre is, ons niet een pijltje toezenden."

Nauwelijks had hij deze woorden uitgesproken, of een pijl kwam sissende aangevlogen en trof hem vlak in 't voorhoofd.

"Vlucht, Zweder! vlucht allen!" riep hij onder 't nederstorten. "Het is met mij gedaan. Vlucht! en laat mij hier aan mijn lot."

Al de wapenknechten waren terstond in zee gesprongen. Zweder alleen was nog bij zijn vriend gebleven, toen hem een tweede pijl de muts van 't hoofd dreef.

"Het is uit dat vervloekte boschje!" riep hij: "wie had het gedacht? zij hebben ons willen omsingelen:--hoe gaat het, Boudewijn?"--Geen antwoord.--"Arme hals! hij is wel dood.--Dan is het zaak, dat ik voor mij zelf zorge."--Met deze woorden liet hij zich mede van den dijk afzakken en zwom naar de schuit. Op hetzelfde oogenblik kwamen de Friezen het bosch uit en zonden den vluchtelingen hun pijlen na, die echter geene of althans weinige schade deden. Meest al de tochtgenooten bereikten gelukkig het vaartuig: het anker werd gekapt, en daar het nu wederom ebbe was, dreef men spoedig ver genoeg van wal om buiten bereik te zijn. Zweder, op wien door den dood van Boudewijn het bevel was overgegaan, gaf nu last, dat men zooveel doenlijk zuidwaarts zou stevenen en een poging doen om zich met de vloot te vereenigen.--Wij zullen hem met zijn makkers goede reis wenschen en inmiddels eens gaan zien, hoe de Heer van Aylva bij zijn komst te Stavoren de zaken gevonden had.

Nauwelijks was hij de poort van Stavoren binnengereden, of hij ontmoette den Abt van Sint-Odulf, en vernam van dezen, dat de voornaamste maatregelen ter verdediging reeds genomen waren. Het was in den Raad, na lange wederspraak, aan Reinout gelukt, den Friezen te doen beseffen, dat het hun onmogelijk zou vallen, aan de Hollandsche vloot het ontschepen hunner talrijke en welgeoefende benden te beletten: daar deze, zooras het op een bestormen en bemachtigen der zeekust aan zoude komen, door hun meerdere voortreffelijkheden in rusting en wapenhandel een te groot voordeel op de Friezen zouden hebben, die slecht gedekt en bijna van geene weerbare wapens voorzien waren; waarbij kwam, dat een nederlaag, aldaar geleden, terstond verwarring en schrik onder de saamgeraapte benden brengen, en aan den vijand den weg naar 't hart van Friesland zoude banen. Hij had dus den raad gegeven, dat men de landing niet belemmeren zou, maar de Hollanders buiten de mogelijkheid stellen daarvan partij te trekken, door zelven zooveel doenlijk een gepast gebruik te maken van de gelegenheid, die de grond van Stavoren hun aanbood om een verdedigingsoorlog met voordeel te voeren. Men dient te weten, dat de landstreek om de stad heen, behalve uit eenig laag en moerassig weiland, dat langs het meer gelegen was, voornamelijk uit een heuvelachtigen heigrond bestond, over 't geheel welbebouwd, en aan onderscheidene eigenaars toebehoorende. Nu was elke bijzondere akker, met het land, dat er bij behoorde, door een aarden wal of zomerkade omringd, ter afkeering: van het zeewater, dat niet zelden bij springvloed een gedeelte van den bodem overstroomde. Deze kampen leverden dus als het ware zoovele verschansingen op, waarachter zich de gewapenden in hinderlagen konden verbergen en tusschen welke men des Graven heirmacht lokken wilde, als in een doolhof zonder uittocht, waar het van alle zijden door vijanden omringd, geene gelegenheid zou hebben, zich van zijn ruiterij te bedienen of zich in slagorde te vormen, maar overal voor een onverhoedschen aanval blootstaan. Dit stelsel van verdediging werd goedgekeurd, en men nam terstond alle maatregelen om er uitvoering aan te geven. Aan volk ontbrak het niet; want geen Fries bleef achter in de ure des gevaars: niet enkel uit loutere vaderlandsliefde; maar omdat de immer woedende onderlinge veeten hem van zijn jeugd af het hanteeren der wapenen tot een noodzakelijkheid en het vechten tot een gewoonte gemaakt hadden: ja wat meer is, tot zijn gewenscht en eenig tijdverdrijf. Alle dorpen waren dus terstond verlaten geworden, en van Hindeloopen af tot aan Gaasterland toe was de geheele landstreek met weerbare manschappen bezet: terwijl de nog gedurig opkomende benden zich aan een der beide vleugels moesten aansluiten. De rechtervleugel, zoo men overal verspreide krijgsbenden aldus noemen kan, werd door Adeelen aangevoerd: Cammingha bestierde de verdediging van Coudum af tot aan Warns: en de linkervleugel was aan Martena toevertrouwd. De Abten van Lidlum en Bloemkamp vormden met hun talrijke en welgeoefende conversen twee hulpbenden, gereed om zich overal te begeven, waar de strijd het heetste was. Reinout was bij Adeelen. Helbada en Fadinga kruisten Gaasterland door, ingevalle zich de vijand daar mocht vertoonen. In Stavoren oefende Galama het opperbewind, terwijl al de in de haven aanwezige schepen en schuiten onder zijn opzicht bemand werden, om zoo mogelijk de vaartuigen der Grafelijke vloot aan te randen en afbreuk te doen.

"En gij, Eerwaardigste!" vroeg Aylva aan den Abt, toen deze hem al die omstandigheden verhaald had. "Welken post zult gij waarnemen?"

"Wat mij betreft, ik ben een vreedzaam man," antwoordde vader Volkert, "en heb nooit tegen iemand het staal ontbloot, waar ik O. L. Vrouwe en Sint-Odulf voor dank. Ik keer naar mijn klooster en zal daar voor den goeden uitslag bidden. Dat is alles wat ik doen kan."

"God verhoore uw gebeden, Vader!" zeide Aylva: "wat mij betreft: ik zal hier blijven: Madzy heeft gelijk: ik moet mij niet zonder noodzakelijkheid vermoeien: maar waar ik van dienst kan zijn, daar zal men mij niet lang behoeven te wachten.--Ik ga nu eens naar de haven, ten einde Galama te helpen in zijn maatregelen van verdediging.--Zoo er iets te Sint-Odulf gebeuren mocht, laat het mij dan weten."

Met deze woorden scheidden zij, en de Olderman begaf zich naar de haven. Hier deed zich een dof gemompel hooren: verscheidene menschen liepen met drift heen en weer, en Feiko, naar de aanleiding van het rumoer gevraagd hebbende, kwam aan Aylva melden, hoe Norwert in brand stond, en hoe het gerucht reeds door de stad liep, dat de gansche vloot aldaar geland was.

"Dan gaan wij derwaarts heen, goede Feiko! Mijn zoon bevindt zich aldaar met onze wakkere volgelingen, en men zal niet zeggen, dat ik hen, wanneer het er op aankomt, in den steek laat zitten."

Nauwelijks waren zij de poort uitgereden of zij ontdekten reeds de vlam; maar zij hoorden geen krijgsgerucht, hetgeen Aylva aan het geweld van den storm toeschreef; zij vervolgden echter hun weg; maar spoedig vernamen zij hoefgetrappel voor zich uit, en zagen twee ruiters op hen afkomen.

"Sta!" riep Aylva, die in de duisternis niet wist of hij vriend of vijand ontmoette: "wie zijt gij?"

"Gij hier, mijn Vader!" zeide de Ridder, zijn paard intoomende. Het was Reinout, van Daamke gevolgd.

"Waarheen? En hoe staat het te Norwert?" waren Aylva's vragen.

"Norwert bestaat niet meer; maar de brandstichters zijn reeds weer gevlucht. Adeelen is van oordeel, en ik met hem, dat deze schijnbare aanval slechts een krijgslist is, om onze aandacht af te trekken, terwijl men ons van de andere zijden aanvalt. Hij zond mij naar Martena en Helbada om hen tot dubbele waakzaamheid aan te sporen en te beletten, dat zij niet, door den brand verlokt, hun benden van de plaats doen gaan."

"Voortreffelijk, mijn knaap! Toon u heden een wakkere zoon van Friesland! Ik blijf in de stad! Wellicht kan ik hier van nut zijn."

Met deze woorden verlieten zij elkander. Aylva begaf zich weder naar de haven en Reinout reed, de stad door, naar Martena.

Ondertusschen was vader Volkert in zijn klooster teruggekeerd. Dit was, gelijk wij reeds hebben aangemerkt, niet verre van de stad, doch meer zeewaarts in gelegen, aan het uiterste einde eener landtong, welke sedert door de golven is weggeslagen; wordende echter de plaats, waar het gebouw stond, nog heden door de zeelieden de kerk genaamd. Het bestond uit een hoofd- en andere kleine gebouwen, door een muur van duifsteen en een smalle gracht of sloot omringd. Het hoofdgebouw was vierkant, en bevatte vooreerst de kerk, die, van duifsteen en naar den Saksischen bouwtrant gesticht, ten westen met een vrij hoogen toren voorzien was, boven welke zich een peervormige koepel verhief, met groen koper beslagen, en volkomen gelijk aan die, welke de moskeeën der Mahomedanen versieren. Nog kan men in Friesland, op sommige plaatsen, dergelijke koepels zien, wier bouworde waarschijnlijk ten tijde der kruistochten aan de Oosterlingen is ontleend geworden. De kerkramen zagen aan de eene zijde op de zee uit, en aan de andere op een groote binnenplaats, besloten tusschen het klooster zelf, dat twee verdiepingen hoog en met talrijke kamers en cellen voorzien was. Wat de buitengebouwen betrof, deze dienden tot bakkerij, tot brouwerij en tot voorraadschuur.--Intusschen dwingt de plicht van een waarheidlievend geschiedschrijver ons, te melden, dat, op sommige tijden van het jaar, en ook thans, dit laatste gebouw ontoereikend was om den oogst te bevatten, en deze dienvolgens voor het grootste gedeelte in de kerk geborgen werd.

Zoodra de Abt binnen de muren van het gesticht gekomen was, begaf hij zich naar den refter, waar de broeders gewoonlijk op dat uur bijeenkwamen; maar zijn verwondering en ongenoegen waren groot, toen hij bespeurde, dat slechts een klein aantal monniken, en dat nog wel alleen de ouden en ziekelijken, zich aldaar bevonden.

"Salvete!" zeide hij, bij het binnenkomen: "maar hoe nu? waar zijn al de jongere broeders en de conversen?"

De oude pater Prior haalde zuchtende de schouders op: "er was niets aan te doen, Eerwaardigste!" zeide hij, zij zijn allen uitgeloopen om zich bij het leger te voegen."

"Is het waar? En tegen mijn stellige bevelen?--Het klooster te verlaten, nu zij er het meest noodig zijn?--En om wat? Om zich te laten doodslaan? Want er is niet één van hen, die de wapens voeren kan; daar heb ik voor gezorgd."

"Och!" zeide de Prior: "dat jonge volk is altijd klaar, als het op vechten en smijten aankomt. Ik heb hen nog zoeken terug te houden; maar het is ijdel preken tegen wie niet luisteren wil."

"Lang mij een teug bier, broeder Keldermeester!" zeide de Abt: "ik heb grooten dorst, en mijn tong kleeft aan 't verhemelte van al hetgeen ik vandaag heb moeten praten.--Waar is de gevangen Ridder?"

"Broeder Syard heeft, toen hij hier met hem aankwam, verzocht, dat men hem in zijne cel zoude herbergen en toedienen wat hij verlangde."

"Dat is nu alles goed en wel en juist gelijk ik het ook zou hebben voorgeschreven; maar met dat al hoop ik, dat men de cel goed gesloten heeft, en de deuren van de gang ook; want wat zouden wij, oude lieden doen, indien de Ridder eens uit wilde breken?"

"Men zal er voor zorgen," zeide de vader Guardiaan, opstaande en met een bos sleutels naar boven gaande.

"Hoe!--heeft men er nog niet voor gezorgd?--Dat kan ik van broeder Syard niet begrijpen. Men ontbiede hem eens: hij is zeker met godvruchtige overdenkingen bezig."

"Broeder Syard heeft ons insgelijks verlaten, een paar uur geleden."

"Verlaten!" herhaalde de abt, die voor het eerst begon te vinden, dat broeder Syard niet overeenkomstig zijn verlangen had gehandeld: "nu! dan verwondert het mij niet, dat de jongere broeders ongehoorzaam zijn, wanneer de oudere het voorbeeld geven.--Het is tegenwoordig een zondige wereld.--Ik had gehoopt, Broeders! dat ik heden een loflied met u zou kunnen aanheffen, ter eere van onzen broeder Syard, die uit de kaken des doods verlost is geworden; e faucibus mortis, zooals de Schrift zegt; maar de nood van het land eischt een anderen toon: en wij zullen het libera nos. aanheffen.--Men geve mij mijn koorgewaden en men steke het licht in de kerk op; met de noodige zorg van niet te dicht bij hooi of stroo te komen; want een vonkje kan ons ongelukkig maken."

De bevelen des kloostervoogds werden ten uitvoer gebracht: en korten tijd daarna liet de godvruchtige schaar, onder het kerkgewelf vereenigd, het heilige koorgezang aan.

Nog was het gezang niet geëindigd, toen men vader Syard op eens zag binnentreden. Maar in stede van zijn gewone zitplaats onder zijn broeders te nemen, bleef hij midden in het kerkgebouw en vlak tegenover den Abt staan, wien hij met een blik van ongeduld aanstaarde. Wel wenkte hem vader Volkert, zich naar zijn plaats te begeven; maar hij bleef, zonder zich aan deze vermaning te storen, onbeweeglijk stand houden. De Abt, verwonderd en toornig, deed het gezang ophouden.

"Zijt gij dronken, Broeder?" zeide hij: "num dulci vino plenus? of heeft uw gevangenschap u van uwe zinnen beroofd, dat gij u in een zoodanige houding vertoont en onze plechtigheden stoort? Ga naar uw cel en zeg de zeven boetpsalmen op, ten einde...."

"Later!" zeide vader Syard, hem in de rede vallende: "nu is dit onmogelijk:--binnen weinige oogenblikken is de vijand hier."

"De vijand, zegt gij?" herhaalde de Abt, sidderende.

"Het is zooals ik u zeg. Hij landt aan de Zuidvenne. Ik bevond mij nog op het pad langs het meer, toen ik over de hoogte heen de masten zijner schepen gewaarwerd: binnen een halfuur kunnen zij hier zijn."

Een schrikbarende stilte volgde op deze mededeeling des monniks: de verschrikte grijsaards zagen hun Abt aan, om van dezen te vernemen, wat er te doen viel; maar het anders zoo fleurig gelaat van vader Volkert was thans door de bleekheid van den angst overtogen.

"Broeders!" zeide de Abt, met een bevende stem: "wie kan er raad schaffen?"

"Ware het niet best, naar Stavoren te trekken?" vroeg de pater Prior, "daar zijn wij veilig voor 't oogenblik."

"En ons klooster aan den vijand laten?" zeide vader Syard: "wij zijn geestelijken, Vader! maar wij zijn Friezen: zouden wij het voorbeeld geven van te vluchten?"

"Maar wat wilt gij dan," hernam de Prior: "dat wij ons verdedigen, dat wij vechten? wij, zwakke en afgeleefde lieden?"

"Neen!--maar ik begeer, dat gij niet den schrik binnen Stavoren verspreiden gaat.--Onze eerwaardige Abt was heden in den Raad aanwezig: hij weet, dat de mogelijkheid van een aanval op Sint-Odulf voorzien is, hoe belangrijk men dit punt beschouwde, en wat er besloten werd."

"Gij hebt gelijk, dat gij mij daaraan herinnert, Broeder!" zeide de Abt, oprijzende; want het gevoel van zijn waardigheid en plicht begon bij hem de overhand te krijgen boven de vrees: "er is besloten, dat wij een noodsein zouden geven en den vijand zoolang ophouden, tot er hulp kwame. Gij hebt gelijk, broeder Syard: wij mogen ons heilig gesticht en de graven onzer broeders niet verlaten.--Maar, Broeder! ik weet niet, of u bewust is, dat onze weerbare mannen, tegen mijn wil, naar het leger zijn."

"Zij zijn niet in het leger," zeide de monnik. "Ik heb hen ontmoet, toen zij er naar toe wilden trekken; en hun beduid terug te keeren: zij zijn bezig, de voorpoort te voorzien."

"Wij danken u, Broeder!--Men geve dan het sein:--twee lantarens aan den kerktoren."

"Zij zijn reeds opgeheschen. Indien ik mij nu mag vermeten eenigen raad te geven, zoo is het deze: dat niemand werkeloos blijve. Het ware een dwaasheid, pogingen aan te wenden, om den lagen muur, die ons erf of onze buitengebouwen omringt, te willen verweren: wij zouden onze verdedigers noodeloos aan een zekeren dood blootstellen en hun getal zonder vrucht verminderen. Alleen tot de verwering van het hoofdgebouw moeten onze krachten besteed worden: en daartoe kan ieder, hoe oud en stram ook, van nut zijn."

"Zouden wij niet een poging doen, hen buiten den wal te houden?" vroeg broeder Agge, zijn met ijzer beslagen knods in de rondte zwaaiende.

Broeder Agge was een stevige vierkante monnik, in de kracht zijns levens, en die liever sterkte zocht in de wijnkan dan in het gebed.

"Neen Broeder!" zeide de abt: "broeder Syard heeft gelijk. Onze conversen zouden daar, waar het op een geregelde verdediging aan zou komen, niet bestand zijn tegen de geoefende krijgsknechten des vijands. Zij zijn niet tot kampen opgebracht, gelijk de conversen van Oldeklooster of Lidlum, en ik dank er God voor. Maar achter deze muren zullen zij, hoop ik, hun plicht weten te betrachten."

"Dat zullen zij!" zeide vader Syard:--"verspreidt u nu allen, en zoekt alles bijeen wat dienstig zijn kan om de voorpoort te beschutten. En gij, Broeder Rienk! die jong en vlug zijt, klim eens even in den toren en breng ons bericht terug, wat de vijand in zijn schild voert."

De jonge monnik snelde de drie ladders op, die hem in den toren brachten. De lucht was opgehelderd en de wind begon te verflauwen: weldra ontdekte hij een drom gewapenden, waarvan een gedeelte stand hield op den kruisweg, waar het pad naar Sint-Odulf met den landweg naar Stavoren ineenliep: een ander gedeelte kwam de landtong langs en recht op het klooster af. Zoodra vader Syard deze tijding ontvangen had, gaf hij last, de onderste der drie trapladders, die naar den toren leidden, weg te breken, ten einde te verhinderen, dat de vijand, zoo hij de kerk bemachtigde, in het klooster drong, dat met den toren gemeenschap had, terwijl hij tevens beval, de kerkdeur, die op een gaanderij in het klooster zelf opende, met versperringen te voorzien.

Het voorportaal des kloosters leverde ondertusschen een schouwspel op, dat in andere omstandigheden kluchtig had geschenen. Al wat draag- of tilbaar was, hadden de monniken hier bijeengesleept, als moest er een verkooping van huisraad gehouden worden. Daar kwamen, zwoegende en zweetende, de Prior en een ander stokoude grijsaard met de planken van de etenstafel aanslepen: hier zag men er, die geheele deuren, kisten en koffers droegen: sommigen zelfs hadden de steen en uit den vloer en de houten beschotten der kamers uitgebroken: de vader Keldermeester hield, ofschoon met menige verzuchting, het opzicht over het ophijschen der wijnvaten, die vervolgens naar voren werden gerold: en met al deze materialen werd een bolwerk achter de voorpoort opgeworpen, bestemd om den vijand, zoo niet geheel te stuiten, althans zoolang op te houden, tot er hulp kwame.

"Dat is wel goed, mannen," zeide vader Syard: "maar alles met beleid: beter wat minder spoed en dat de verschansing des te steviger zij. Waar is nu de vader Keukenmeester?"

De monnik, naar wien hij zocht, kwam juist met een zwaren ketel aansjouwen.

"Neen Broeder!" zeide vader Syard, "breng dien ketel maar weer weg: wij kunnen dien beter gebruiken. Leg maar een goed vuur op de binnenplaats aan en laat al de olie koken, die in 't huis te vinden zij. Onze jongere broeders zullen zich daarmede op de tinnen begeven en de ouderen zullen de vaten en ketels aandragen."

Terstond haastte men zich, dit bevel ten uitvoer te brengen; maar nauwelijks was men daarmede bezig, toen men trompetgeschal van buiten vernam. De afstand zoowel als de dikte der muren belette, dat men de aankondiging hoorde, door den Heraut gedaan, dat Jan, Heer van Beaumont, Schoonhoven en Gouda, vrijen intocht eischte.

Het was inderdaad Beaumont, die, met eenige schepen, reeds in het begin van den storm de vloot vooruit was geraakt en met het vallen van den nacht voor Stavoren was gekomen, van meening om naar Norwert te stevenen, hetwelk hij in de verte branden zag. De schuit, welke Zweder bevoer, was hem hier ontmoet: en terstond had hij het besluit genomen, aan de andere zijde bij Stavoren te landen, teneinde hierdoor den vijand in verwarring te brengen. Hij ontscheepte dan werkelijk zijn volk aan de Zuidvenne; dus noemde men een stuk gronds van eenige uitgestrektheid, landwaarts en ten zuiden van de landtong van Sint-Odulf gelegen. De bende, die hij bij zich had, was echter geen duizend man sterk: en de onmogelijkheid inziende om daarmede in het binnenland te trekken, waar hij niet wist, welk onthaal hem te wachten stond, besloot hij, op Sint-Odulf aan te rukken, het te bemachtigen en daar de komst der overige schepen te verbeiden. Den dijk langs getrokken zijnde, ging hij aan het hoofd van vierhonderd man op het klooster af, het overige gedeelte zijner benden, gelijk wij reeds gezegd hebben, aan den driesprong latende, waar zich de weg naar Stavoren en naar het klooster vereenigde, om te voorkomen, dat de vijand hem in den rug aanviel.

"Er komt nog geen antwoord, mijn Heer!" zeide de Heraut, nadat hij tweemalen vruchteloos geblazen had: "het schijnt, dat de broeders het klooster verlaten hebben."

"Misschien wel liggen zij bezopen in hun cellen," zeide de Heer van Spangen: "bij Sint-Japik! ik wou, dat zij antwoordden; want wij hebben op dat hagelsche schip te lang koude geleden, om hier nog te staan blauwbekken."

"Wij zullen," zeide Beaumont, "die opeisching aan de poort van het klooster zelf dienen te doen: het schijnt, dat wij hier te ver zijn om gehoord te worden."

Terstond werden er op zijn bevel planken over de sloot geslagen: een paar krijgsknechten hakten het buitenpoortje open; terwijl een ander gedeelte over den muur klom: welhaast stond de geheele macht van Beaumont op het beslotene erf, waar nu de opeisching herhaald en evenzeer door een diepe stilte gevolgd werd.

Terstond liet Beaumont eenige krijgsknechten aantreden en gaf hun last zich met geweld een ingang te banen. Spoedig werden er eenige bijlen geheven; maar de planken der eikehouten deur waren zoo dik en zoo dicht met nagels en spijkers beslagen, dat de slagen, welke er op gegeven werden, haar minder nadeel deden, dan aan de werktuigen, tot hare verbrijzeling gebezigd.

"Laat de deur opengeramd worden!" zeide Beaumont: "op deze wijze houdt zij ons te lang op."

Twee masten, welke men van boord had medegenomen, werden hierop in den grond gestoken, zoo, dat de toppen elkander kruisten: en aan dat in der haast opgeslagen werktuig, werd een derde mast in een horizontale richting gehangen om tot stormram te dienen. Maar hoe men ook bonsde en rammeide, de deur week niet van haar plaats; want de massa, die er achter tegen aangebracht was, deed alle pogingen om haar te verwrikken te loor gaan.

Intusschen was Zweder met eenige krijgsknechten, op last van Beaumont, het klooster rondgegaan om te ontdekken, of er ook een andere gelegenheid was om binnen te komen. Weldra waren zij aan de kerk gekomen, waarvan zij de ramen beklommen en openbraken en alzoo weldra binnen waren; maar spoedig zagen zij in, dat zij hierdoor nog slechts weinig gevorderd waren; want ook de deur, welke de kerk van het klooster scheidde, bood weerstand aan hunne slagen.

"Mij dunkt," zeide Spangen tegen Beaumont, nadat zij eenigen tijd vruchteloos op de uitwerking van zijn stormram gewacht hadden,--"zoo deze deur proef houdt tegen ijzer en hout, moesten wij zien, of zij ook tegen het vuur bestand is."

Dit voorstel was uitmuntend; maar de uitvoering bleek aan groote zwarigheden onderhevig te zijn: want al het hout of andere brandstoffen, die men er tegen aan stapelde, waren zoo vochtig, dat men de hoop moest opgeven, die aan brand te krijgen.

Niettegenstaande het mislukken van zoovele pogingen gaven de aanvallers den moed niet op: Beaumont sloeg zelf de hand aan het werk, en een ijzeren koevoet tusschen de deur en het metselwerk daaromheen hebbende weten in te werken, liet hij niet af, voordat hij eenige steenen uit de muur gebroken had; maar nauwelijks hadden de werklieden hem vervangen om van deze breuk gebruik te maken en de opening te vergrooten, of het grootste gedeelte stoof schreeuwend terug. Vader Syard, die, plat in de goot liggende, al de bewegingen der belegeraars gadesloeg, had het gezette sein gegeven, en eenige ketels kokende olie werden door de monniken, die nevens hem op den buik lagen, op de hoofden der werklieden uitgestort.

"Ha!" zeide Beaumont: "men begint zich daarboven te bewegen.--Staakt dit spel!" riep hij, opwaarts ziende: "en geeft u over. Alle weerstand ware ijdel. Ontsluit de poorten, of wij zullen u uitbranden als men een wespennest doet."

Een tegelsteen, die op zijn voorhoofd gemikt was, maar gelukkig slechts op zijn helmvizier aan stukken sprong, was het eenige antwoord, dat hij bekwam.

"Welnu!" zeide hij: "zoo het niet anders wil, is het tevergeefs met u geredeneerd;--doet uw plicht arbeiders! en mijn Heer van Spangen, wees zoo goed aan de boogschutters last te geven, dat zij die daken schoonhouden."

De arbeiders naderden opnieuw de poort; maar deze reis hadden zij de voorzorg gebruikt van een nat zeil over hun hoofden te spannen, zoodat hun de olie geen hinder kon doen. Vader Syard, die overal het oog op had, bespeurde weldra, dat het niet lang duren zoude, of zij hadden zich van den ingang meestergemaakt. Intusschen snorden hem de pijlen om de ooren; maar, dewijl de monniken meestal plat neerlagen en door de vooruitspringende lijst van het gebouw gedekt waren, konden die hun weinig of geen hinder aanbrengen.

"Wij kunnen hier geen goed meer doen," zeide hij: "alle man naar beneden en de poort verdedigd!"

Op dit oogenblik kwam een monnik vervaard over den zolder aangeloopen: "de kerk staat in brand!" riep hij: "en de Hollanders zijn bezig het dak te beklimmen."

Beide was waar! Zweder, ziende dat de kerkdeur hun weerstand bood, had den, aan de eene zijde der kerk verzamelden, voorraad stroo en graangewas tegen de deur doen stapelen en dien hoop aangestoken, zoodat eerst de deur en vervolgens de daarachter geplaatste meubelen weldra in brand geraakten;--maar daarmede was de zwarigheid nog niet overwonnen; want nu bevonden zich Zweder en zijn makkers voor een muur van gloed, die eerst omvergehaald en opgeruimd moest worden, alvorens men verder door kon dringen. Terwijl dit binnen het kerkgebouw geschiedde, hadden eenige soldaten de masten, welke tot den stormram gediend hadden, daarbuiten tegen den muur geplaatst. Tweee hunner waren met touwladders daartegen opgeklommen en op deze wijze was er spoedig eenig volk op de lijst van het kerkdak, toen de Abt zelf hen daar met eenige zijner kloekste broeders te gemoet kwam, met houten knodsen, sommigen met keukengereedschap gewapend.

"Gij loopt verkeerd, vrienden!" zeide vader Volkert, terwijl hij een der beklimmers een slag op de hersenen gaf, dat hij van het dak rolde. "Terug! zeg ik! Hier, Broeders! werpt mij alle man van het dak! Snijdt die touwladders los!--en gij, broeder Guardiaan! zeg, dat men nog meer broeders zende om ons te helpen."

"Al de anderen zijn beneden," antwoordde de monnik, "en helpen broeder Syard de voorpoort beschutten."

"Goed zoo!--zuivert mij het dak van ongedierte. Werpt hen naar beneden, die spreeuwen, die hier ongevraagd komen nestelen. Houwt er op in, Broeders! vreest niet voor het aantal. Een daar binnen in zoo goed als tien daar buiten."

Terwijl de Abt, wiens moed met het gevaar scheen te groeien, zich aldus dapper weerde, was vader Syard met een aantal broeders naar het voorportaal gesneld. De deur was eindelijk uit haar hengsels gelicht, en de krijgsknechten van Beaumont waren nu bezig, de daarachter geworpen verschansing weg te ruimen, eene bezigheid, die wel langzaam in het werk ging, maar die Vader Syard wel inzag, dat hun eindelijk gelukken zoude. Ton en waschvat, tafel en kuip, werden stuk voor stuk omvergehaald: en daar begon reeds van boven een opening te ontstaan, zoo groot, dat de monniken de hooge helmen der belegeraars in 't gezicht kregen, toen men op eens de arbeiders in hun werk verflauwen zag en er in de verte een gerucht ontstond, dat, nu de hamerslagen zoo fel niet meer vielen, ook van binnen door de kloosterlingen gehoord werd.

"Houdt moed! Broeders!" riep vader Syard:--"er daagt redding op!--Onze vrienden zijn aan den gang met de Hollanders!"

Het was inderdaad zoo: het sein op den toren was zoowel te Stavoren als in het Friesche leger bespeurd: verspieders, hier en daar achter de heggen verspreid, hadden reeds de Friesche legerhoofden met de geringe sterkte der Hollandsche landingstroepen bekend gemaakt: een aantal boogschutters en slingeraars, voorzichtig achter de aarden wallen en struiken voortkruipende, was de bij den kruisweg staande krijgsknechten ongemerkt genaderd en begroette hen nu op eenmaal met een hagelbui van pijlen en steenen. Te gelijk daagden de welgewapende Lidlummer monniken en conversen op, met hun Abt aan 't hoofd, door Martena afgezonden, die nu op de Hollanders aanvielen in hetzelfde oogenblik, dat deze door de afgeschoten pijlen in verwarring waren gebracht.

Beaumont had zoodra niet bespeurd, dat men aan den viersprong slaags was, of hij snelde in persoon derwaarts, aan den Heer van Spangen de zorg overlatende om het klooster te bedwingen. Zijn voornemen was, om, indien hij den vijand niet terug kon dringen, zijn gansche macht op de landtong samen te trekken, welke hij overtuigd was, met goed gevolg te kunnen verdedigen tegen een veel grootere macht dan de zijne: althans tot zoolang het overige gedeelte van het leger geland ware. Maar nauwelijks was hij bij de vechtenden, of hij bemerkte, dat het gevaar grooter was, dan hij dacht. Hij vond zijn volgers in verwarring gestort door den onverwachten aanval, en onzeker, hoe zich in slagorde te stellen, dewijl er van elken kant vijanden aanrukten. Pijl noch slingertuig was den Hollander van nut; want de vijand, door de duisternis begunstigd, was hem reeds op het lijf gevallen eer hij zich daarvan bedienen kon: en de te paard zittende Ridders en speermannen, tusschen het voetvolk ingedrongen, waren ternauwernood in staat om zich te bewegen en van hun wapenen een goed gebruik te maken: terwijl zij zelven, buiten de hoofden uitstekende, tot een des te wisser merk strekten voor de Friesche boogschutters. Wel waren eenige ruiters en voetknechten het land opgerukt om deze laatsten uit hunne schuilhoeken te verdrijven; maar de weekheid van den grond, welke langs het meer, gelijk wij zeiden, moerassig was, de menigvuldige slooten en dijkjes, welke zij gedurig ontmoetten, maakten hun weldra zoowel het voortgaan als den terugtocht even moeilijk: en bleven zij op de landpaden, daar zagen zij zich dadelijk van alle zijden bestookt door de vijanden, die òf hun te gemoet kwamen, òf van achter hunne hinderlagen te voorschijn sprongen.

De komst van Beaumont, die nu, onder het uitgalmen van zijn oorlogsschreeuw, langs de zijnen heen en weder reed, deed voor een oogenblik hun moed herleven. Voorziende, dat alles verloren zou zijn, tenware men zich in geregelde slagorde vormde, liet hij het sein der herzameling blazen, met het oogmerk om naar de landtong terug te trekken. Men voldeed terstond aan het bevelteeken; maar nauwelijks was een klein gedeelte van zijn volk de landtong opgerukt, of hij zag zich den weg afsnijden door een nieuwe bende, die, door Aylva in persoon aangevoerd, met een paar schuiten uit de haven van Stavoren aangekomen, en halverwege de landtong geland was. Nu was het, gelijk Vondel zich uitdrukt:

Nu was het, elck voor zich: een ieder bergh zijn leven.

Een algemeene schrik had de Hollanders bevangen, die, overal niets dan vijanden ziende, zonder naar de bevelen van Beaumont, die hen hereenigen wilde, te luisteren, op de vlucht togen en zich naar den zeekant spoedden, ten einde hunne vaartuigen weder te bereiken. Vruchteloos waren de bedreigingen en smeekingen van hun legerhoofd, die in weerwil van zich zelven zich door den drang der menigte genoodzaakt zag, van de landtong te wijken, en in de vlucht werd medegesleept. Een groot deel der Friezen vervolgde de Hollanders, een groote slachting onder hen aanrichtende: de Abt van Lidlum echter voegde zich met eenigen der zijnen bij Aylva om met hem het klooster te helpen herwinnen, waarvan zij vreesden dat zich de vijand reeds meester had gemaakt.

Wat Beaumont betrof, hij was met de zijnen de landingsplaats reeds genaderd; maar wie schildert de verslagenheid, die zijne, nu radelooze, volgers beving, toen de morgenschemering, die langzamerhand begon aan te breken, hun deed zien, dat de schepen, waarin zij hunne eenige toevlucht stelden, met de ebbe waren van wal gedreven en alle kans om te ontkomen voorbij was.

VIER-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Le flux les apporta; le reflux les remporte.

Corneille, le Cid.

Terwijl dit alles in den omtrek van Sint-Odulf plaats had, was Reinout, gelijk wij hierboven vermeld hebben, aan Martena het bericht gaan geven, waarmede Adeelen hem belast had, en van daar over Warns naar Gaasterland gereden, om die zelfde tijding aan Helbada te brengen. Terwijl hij heendraafde over den kronkelenden zandweg, die van het genoemde dorpje naar Rys geleidt, was het hem meer dan eens voorgekomen, alsof er, behalve Daamke, die achter hem reed, nog iemand was, die hem volgde, die stilhield, wanneer hij stilhield, en zich weder in beweging stelde, zoodra hij voortging. Hoe moedig Reinout ook ware, zijn landaard, de eenzaamheid van den weg en de onbekendheid met het land waren zoovele redenen, geschikt om hem bijgeloovig en ongerust te maken. Hij kortte eindelijk den teugel, en, zich tot Daamke wendende, die hetzelfde deed: "hoor Daamke!" zeide hij: "er is iemand achter ons."

"Achter ons!" riep de vreesachtige dienaar, die reeds weinig zin had in deze nachtelijke onderneming: "en wie zou dat wezen?"

"Ik weet het niet; maar het is juist, alsof ik behalve door u, door nog een ruiter gevolgd worde, die een kreupel paard berijdt, en desniettegenstaande altijd gelijken tred met ons houdt."

"Een kreupel paard! o wee! dat is de Booze," dacht onze voormalige nar.

"Weet gij wat Daamke!" vervolgde Reinout: "rijd gij eens vooruit: dan zal ik volgen, en zoo de onbekende ons weer op de hielen durft blijven, geest of man, ik zal hem den schedel splijten."

"Ik vooruitrijden!" riep Daamke, wien het denkbeeld alleen over het geheele lijf deed sidderen: "dat ware immers met alle betamelijkheid strijdig."

"Ik wil het zoo!" zeide Reinout, op een strengen toon: "en ik zweer u, dat ik u den kop insla, zoo gij eenig blijk van lafhartigheid geeft."

"In Gods naam dan!" zeide de ontstelde knaap: en de orde van den tocht omkeerende, reed nu de dienaar voor den Heer; maar nauwelijks waren zij weder een eind wegs gevorderd, of Reinout hoorde hetgeen hij een kreupel paard achtte te zijn, niet meer achter, maar voor zich uit. Een huivering overviel hem; maar hij vermande zich en besloot wijselijk te onderzoeken wat het ware: hij gaf zijn ros de sporen; en zoodra hij naast zijn dienaar kwam, klonk het vreemde geklots hem dicht aan zijn oor. In hetzelfde oogenblik ontdekte hij, hoe dwaas en buitensporig zijn bijgeloovige angst geweest was. Hetgeen hij voor een hem vervolgenden ruiter hield, was de tooverkast van meester Barbanera, welke op Daamkes rug hing, en onder 't rijden op en neder wippende, juist het ongelijke geluid maakte, hetwelk hij voor het trappelen der hoeven van een kreupel paard had gehouden.

Zijn eerste beweging was een schaterend gelach; zijn tweede, een beweging van ongenoegen en gramschap.

"Wie heeft u, dubbele ezel," vroeg hij, "verlof gegeven, zulk een kast op uw nek mede te nemen, wanneer gij de eer hebt, mij te vergezellen? Wilt gij, dat men mij voor een kokeler aanzie?"

"Laat uwe Edelheid niet toornig op mij zijn," antwoordde Daamke, terwijl hij, voor slagen beducht, geheel achter het onderwerp van het gesprek wegschool. "Er zijn zeer goede redenen, waarvoor ik die kast medeneem: vooreerst heeft die mij eens het leven gered, toen wij door de Hollandsche voorposten vloden, waar mijn arme Cesar bij omkwam, het goede beest, zooals uwe Edelheid weet, dat...."

"Ik weet alleen, dat gij een bloode schobberd zijt," zeide Reinout: "en dat u die kast niet beveiligen zal tegen een goede dracht slagen, welke ik u zal toetellen zoodra ik er den tijd toe vinde."

"Dan wensch ik, dat uwe Edelheid nog lang de handen vol moge hebben.--Ten tweede: er is immers een bevel bij het leger uitgevaardigd, dat ieder strijder zich achter 't een of ander verbergen moet, om niet gezien te worden, ten einde...."

"En dat bevel wilt gij zoo nauwkeurig nakomen, dat gij in uw kast zult kruipen, om er niet uit te komen, dan als de slag voorbij is, nietwaar?"

"Niet in de kast, maar daarachter, heer Ridder!--en dan bovendien, ten derde, zullen er geen gewonden zijn? en bevat deze kast niet de gansche nalatenschap van Barbanera? (God hebbe zijn ziel; want het gerucht loopt, dat hij van honger is omgekomen;) namelijk: een uitgelezen schat van poeders, pillen, zalven, tincturen, talismans en wat dies meer zij, waar ik mijn medemensen mede van dienst kan zijn, tegen een kleine belooning, als vanzelf spreekt."

Reinout kon niet nalaten te lachen over de kluchtige verdediging van zijn dienaar, en over de vrees, die, met speculatiezucht vereenigd, hem de voorzorg had doen nemen van zich met een meubel te belasten, dat aan anderen in gelijke omstandigheden tot hindernis zou gestrekt hebben. Hij maakte dan ook geene verdere aanmerkingen: maar zijn paard, dat hij gedurende het gesprek had laten stappen, wederom in den draf zettende, kwam hij weldra aan den ingang van het bosch, waar hij begreep de manschappen van Helbada te zullen vinden. Hier stond hij stil en blies op den hoorn, die om zijn hals hing. Terstond zag hij overal zwaarden en bijlen schitteren en van achter al de struiken en struweelen kwamen menschengedaanten te voorschijn, welke echter, zoodra hij zich bekend maakte, weder verdwenen. Een hunner intusschen verzocht hij, hem naar Helbada te geleiden, dien hij te Rys vond, bezig een zijner verspieders te ondervragen, die hem bericht bracht, dat de Hollanders op de Zuidvenne bij Sint-Odulf geland waren.

"Gij komt mij zeker uitnoodigen, om derwaarts te trekken, Jonker!" zeide Helbada, zoodra hij Reinout zag.

"Integendeel!" antwoordde deze: "Adeelen laat u smeeken, u niet van uw post te verwijderen, eer de nood zulks eischt. Hij vreest een landing aan de Lemmer of aan deze zijde der kust."

"Moge de Hemel mij mijn vurigsten wensch ontzeggen en mij beletten den moord mijns zoons op Worp Ropta te wreken, indien ik hier als een onnut meubel blijf suffen, gelijk een verroest zwaard, dat nergens toe deugt.--Neen! by alle duivels!" vervolgde Helbada, op de tanden knarsende en op het gevest van zijn slagzwaard slaande; "ik wil mij hier niet staan te verkniezen, en al de eer van den strijd anderen gunnen. Hier! Else! Wopko! zeg terstond dat een ieder zich vaardig make."

Vruchteloos waren de pogingen, welke Reinout aanwendde, om den stijfzinnigen, naar den strijd hakenden Fries van zijn voornemen te doen afzien. Al wat hij verkrijgen kon was, dat Helbada den morgen, die niet verre was, alsmede de nadere tijdingen, die hij uit de Lemmer wachtte, zou verbeiden, en zich verzekeren, dat er aan die zijde geen landing te vreezen ware, eer hij op Zuidvenne aantrok.

Na een korte rust aan zijn paard gegund te hebben, keerde Reinout met zijn dienaar terug, doch nu den kortsten weg naar Stavoren, langs den zeekant nemende. Hij deed zulks, in de verwachting, te zullen zien hoe de zaken bij Sint-Odulf stonden, en daarvan kondschap aan Adeelen te kunnen geven. Misschien zullen sommigen onzer lezers zich verwonderen, dat Reinout, wiens moed niet in twijfel kon getrokken worden, het zich had laten welgevallen, de rol van boodschapper voor lief te nemen. Maar de waarheid is, dat hij zelf daarom verzocht had. Een inwendige tegenzin deed hem huiveren tegen het oogenblik, waarop hij met zijn voormalige vrienden zou slaags raken, en dat oogenblik wilde hij hoe langer hoe liever uitstellen. Bovendien was zijn gansche ziel nog te zeer vervuld met het gebeurde van den dag, dan dat hij het van zich zoude hebben kunnen verkrijgen, rustig en bedaard achter een hegge of kade de komst des vijands te verwachten, gelijk de andere Friezen deden, wier anders zoo onstuimige zielen door de zekerheid der overwinning (die allen bezielde) in staat gesteld waren met een ijskoude kalmte het uur van treffen af te wachten. Hij haakte alleen naar verandering van plaats en van tooneel: en welkom was hem dus elke gelegenheid, die zulks verschafte.

De lucht was nu eenigszins helderder geworden; maar de weg, die hier bovendien weinig bereden werd, was door de regenplassen van den vorigen nacht schier onbruikbaar geworden, zoodat de Ridder, van de vermoeide rossen niet te veel willende vergen, stappende voortging. Verre vooruit, achter de torens van Stavoren, die er donker tegen uit kwamen, verhieven zich nog nu en dan hooge vlammen en dikke rookkolommen uit het brandende Norwert; maar een ander schouwspel, dat dichterbij zich in de richting van Sint-Odulf vertoonde, boeide de aandacht des ruiters nog sterker. Het scheen hem toe, alsof het klooster in wolken smooks gehuld was, waaruit nu en dan vlammende vonken vlogen; en hoe meer zij naderden, hoe meer zij de overtuiging verkregen, dat zij een krijgsrumoer hoorden, hetwelk al gedurig dichterbij kwam.

Het begon nu meer en meer te dagen: en Reinout zag met genoegen, dat hij niet verre meer was van een heuvel, van wiens hoogte hij zich een ruim uitzicht over het slagveld beloofde, toen Daamke hem met een bevende stem opmerkzaam maakte op eenige menschengedaanten, welke zich aan den voet dier hoogte schenen te bewegen.

"Zouden wij niet terugkeeren, Ridder! en bij Helbada hulp vragen? Die lieden daar hebben ongetwijfeld niets goeds in den zin."

"Wij zullen ons eerst verzekeren, of het vrienden of vijanden zijn," zeide Reinout, en zijn hoorn nemende, blies hij het herkenningsteeken, hetwelk terstond vóór hem uit werd beantwoord.--"Het zijn Friezen!" zeide hij: "er valt niets te duchten:" en vooruitrijdende met zooveel spoed als de slechte weg toeliet, was hij in weinige oogenblikken aan den voet des heuvels.

"Hoe staan de zaken?" riep hij een zwaargewapenden krijgsman toe, die op de helling der hoogte stond.

"Aha! zoo! zijt gij het, Jonker van Aylva?" vroeg de man, tot wien hij zijne toespraak richtte: "eilieve stijg eens af! ik zal u een schouwspel laten zien, dat geschikt is, aller hart te verheugen."

"Ik kom bij u," zeide Reinout, den Abt van Bloemkamp herkennende: "maar ik kan niet lang blijven. Adeelen wacht mij terug."--Dit zeggende, steeg hij en Daamke met hem van hunne paarden, welke laatstgenoemde aan een paal bond, en beklommen zij den heuvel. Niet zonder bevreemding bemerkte Reinout, dat de oppervlakte daarvan geheel overtogen was met een grauwe korst, naar welker bestanddeelen hij vruchteloos giste; maar zijn verwondering steeg ten top, toen hij zag dat die korst zich bewoog als een reusachtige mierenhoop.

"Wat gebeurt daar?" vroeg hij aan den Abt, naar boven wijzende.

"Gij zult het wel zien," zeide deze: "maar één ding moet ik u zeggen: gij kunt nu onmogelijk verder:--al het volk tusschen hier en Stavoren is op de been: en gij zoudt al zoo goed kunnen ondernemen, de markt te Bolswart op en neer te draven wanneer het kermis is, als u door gindsche menigte een weg te banen. Volg mij maar: gij zult hier ook gelegenheid vinden om een goede beweging te nemen!"

Reinout volgde den krijgshaftigen kloostervoogd den heuvel op, en werd nu onder het naderen gewaar, dat hetgeen hij voor een zwarte korst had aangezien niets anders was dan een bende monniken in hun ordegewaad, welke over de geheele hoogte verspreid lag. Op den top gekomen, stond hij stil en zag met diepe belangstelling naar de zijde van Sint-Odulf, waar de Abt hem heen wees.

De plaats, waar zij stonden, welke Reinout zich nu herinnerde nogmaals bezocht te hebben, was geene andere dan het in de Friesche geschiedenissen zoo beroemde Roode Klif. De gestadig invretende golf, die voornamelijk sedert het aanleggen van den zeedijk deze natuurlijke zeewering met verdubbelde woede ondermijnt, heeft haar tegenwoordig ten halve afgeslagen, zoodat zij zich thans voordoet als een klein voorgebergte, steil aan den zeekant en aan de binnenzijde meer glooiend afloopende. Maar in den tijd, waarin onze geschiedenis voorviel, was nog het Roode Klif een heuvel, volkomen gelijk aan die, welke zich in den omtrek bevinden, alleen met dit onderscheid, dat hij boven al de overige uitstak en derhalve van zijn top een prachtig panorama opleverde over de omliggende landstreek en de wateren der Zuiderzee. Zijn zuidelijke helling, wier voet de golven bespoelden, stak bijna even verre in zee uit als de landtong van Sint-Odulf, die een halfuur gaans vandaar gelegen was. Tusschen deze beide vooruitspringende punten en den zomerdijk, die beide aan de landzijde vereenigde, lag het lage, onvruchtbare strand bloot, hier en daar met helm en duinplanten begroeid, en slechts enkele terpjes of verhevenheden bevattende, welke tot een schrale weide verstrekten voor de kudden van diegenen uit den omtrek, die niet rijk genoeg waren om zelf eenigen grond te bezitten en zich aldus vergenoegen moesten, hun vee aldaar op het domein van 't algemeen te laten grazen: een voorrecht, dat niet vrij van gevaren en tegenspoeden was: want ofschoon het zeewater, wanneer het bij gewonen vloed den geheelen zandigen oever bedekte, de genoemde terpjes doorgaans vrijliet, gebeurde het niet zelden, wanneer de wind op de kust stond, dat ook die verhevenheden overstroomd werden en het daarop weidende vee, indien het niet tijdig landwaarts opgedreven was, door het geweld der golven werd weggesleept. Thans echter had men, zoowel uit vrees voor de vijanden als om den storm, de kudden binnengehaald: en, daar het water was afgeloopen, vertoonde zich de gansche ruimte tusschen den hierboven genoemden omtrek geheel droog, uitgezonderd eenige kuilen en diepten, waar het zeenat altijd in staan bleef, en ettelijke plassen, door den regen gevormd. Het was op den bovengenoemden zomerdijk, die mede tot landweg langs de kust diende, dat zich ongeveer op een kwartieruurs afstand een verwarde klomp menschen vertoonde, en zich een krijgsgedruisch hooren liet, oorverdoovend als het golfgeklots bij den storm.

"Gij ziet het," zeide de Abt, zich de handen wrijvende: "zij zijn ingesloten, en niets is in staat hen te redden. Hun schepen, die ginds machteloos tegen de ebbe liggen te worstelen, kunnen hen niet opnemen: willen zij naar de landtong keeren, daar wachten hen de Lidlummers: pogen zij landwaarts in te dringen, het leger van Martena is opgerukt en bezet al de passen: dalen zij af naar het strand, daar worden zij door de overmacht verplet en tot den laatsten man toe afgemaakt, als een troep reebokken, die in een wildbaan gejaagd zijn: en die aan het staal ontkomen, verzuipen zoodra de vloed komt opzetten."

Reinout sidderde; maar gaf geen antwoord: het begon nu helder dag te worden, en hij zag duidelijk de Hollanders al vluchtende naderbij komen, door hun grimmige vervolgers van alle zijden bestookt. Reeds begon hij die banieren te onderscheiden, welke hij zoo vaak op het pad der overwinning verzeld had, en het denkbeeld, dat die nu moesten wijken voor een saamgeraapten, ongeordenden hoop monniken en boeren, deed een kille huivering in zijn boezem ontstaan. Hij begon ijverig na te denken over den toestand, waarin hij zich bevond: gedwongen te strijden tegen hen, met wie hij voorheen zoo dikwijls de lauweren des zegepraals had geplukt, of, wat nog erger was, een koel aanschouwer te blijven van de slachting, onder hen aangericht. Het is waar, ook voor Utrechts wallen had hij de Hollanders bevochten; maar toen was zijn gemoed door zoovele hartstochten geslingerd en in zulk een staat van spanning, dat hij, onbekwaam tot nadenken, als in een gestadigen roes had geleefd. Thans echter was zijn gemoedsgesteldheid veranderd: hij was tot zich zelven teruggekeerd; hij had zijn vriend hervonden. Geen bloedschuld drukte hem langer: en zoo streelend was hem het denkbeeld aan die verzoening, dat zelfs de gedachte aan Madzy, aan het voorwerp der dolzinnige liefde, die hem schuldig had gemaakt, daarbij op den achtergrond stond. Was het wonder, dat onder zulke omstandigheden, hem de gedachte onduldbaar toescheen, zich met die Friezen, waarvoor hij geene neiging gevoelde, voor dat land, in hetwelk hij zich nog vreemdeling vond, het zwaard te moeten ontblooten tegen zijn voormalige wapenbroeders, ja den moord te aanschouwen van weerlooze vluchtelingen? o! hoe ongelukkig gevoelde hij zich niet! Hoe gaarne had hij de partij, aan welke hij thans verbonden was, willen verlaten en zich weder voegen bij hen, met wie hij vroeger de gevaren des oorlogs had doorgestaan! Maar ook deze, dit gevoelde hij, zouden den dubbelen overlooper met verachting terugwijzen! En wat zou het hem baten, al ontvingen zij hem in hun gelederen? Hij kon hen niet redden, en niets zou hem overschieten, dan de treurige eer, van met hen te mogen sterven.

"Hoe nu!" zeide de Bloemkamper, hem vrij onzacht op den schouder kloppende: "hoe staat gij daar zooals een druiloor? Ginds komen zij aan. Houd u nu als een kerel en toon, dat gij werkelijk een Aylva zijt en het goed met Friesland meent, of, bij O. L. Vrouwe! ik sla u den kop in."

Deze zoogenaamde opwekkende toespraak was op haar zelve niet beleefd; maar aan Reinout klonk zij dubbel onwelkom in de ooren: zij verschilde zoo hemelsbreed van die hartelijke, echt ridderlijke aansporingen, waarmede zijn leermeester in de krijgskunst, de edele Beaumont, gewoon was, de jeugdige strijders aan te moedigen. Hij weerhield dan ook met moeite de uitdrukking van gramschap, die gereed was hem te ontvallen, ter beantwoording van het onbescheid des monniks; en de armen over elkander slaande, bleef hij zwijgend staroogen op de aansnellende krijgsdrommen. Opeens werd zijn gelaat bleek als een doek en hij gaf een kreet van ontroering.

"Mijn God!" riep hij, zich voor 't hoofd slaande: "het is de banier van Beaumont!"

"Beaumont!" herhaalde de Abt, met verrukking: "is dat niet 's Graven oom, die Henegouwer, daar Adeelen tegen kampte? Hoe jammer, dat deze niet hier is, om eens te zien, hoe wij hem wreken zullen."

"Monnik!" zeide Reinout, zich niet langer kunnende bedwingen: "ik zweer u, wee hem, die den grijzen Ridder een haar deert. Neem hem gevangen: hij kan u een goeden losprijs betalen: en uw altaar zal blinken van gouden en zilveren vaten. Hij kan ons niet ontkomen, en zal zich wel moeten overgeven."

"Neen!" zeide de Abt, met een boozen lach: "ontkomen kan hij niet, zoomin als een der zijnen. Zij zullen allen vallen en na hun dood op het strand blijven rotten, totdat de vloed hen wegslaat of de vogels des hemels hen komen opvreten. Zie eens! daar vergaderen zich de arenden reeds, om hun aandeel van den buit te verkrijgen. Komt! Broeders! zij willen dezen weg uit; maar, bij mijn Heiligen Patroon, wij zullen hun den doortocht sluiten. Op! elk en een iegelijk!" en tevens sloeg hij met zijn strijdbijl op een schild, dat naast hem lag. Dadelijk rezen al de monniken en conversen op, en begaven zich naar het punt, waar de dijk of landweg over de helling des heuvels heenliep. Hier hadden zij te voren een versperring gemaakt, welke zij nu nog met een aantal zware keien, hoedanige te dier plaatse in menigte te vinden waren, alsook met huisraad, dat door de vrouwen der naburige woningen gewillig werd aangebracht, voorzagen.

"Zoo vriend!" zeide de Abt tegen Daamke, die op zijn kast nabij de paarden zat; "brengt gij ook wat mede om den weg te stoppen?"

"Dat daar?" zeide Daamke: "neen! dat is een medicijnkist, om...."

"Wij hebben nu geen medicijnen van doen," zeide de Abt: "en uw kast kan ons best te pas komen: plak die maar mede tegen de borstwering aan," en onder het uiten dezer woorden gaf hij met zijn bijl een zoo geduchten slag op de kast, dat de verschrikte Daamke zich spoedde om te voldoen aan een bevel, dat op een zoo nadrukkelijke wijze gegeven werd. Hij bracht de kast bij de overige meubelen en plaatste die op de hem voorgeschrevene wijze: terwijl hij echter zorgde, dat hij zich niet meer verwijderde dan noodig was, en zijn schat voortdurend in 't oog bleef houden.

Slechts een vierde gedeelte van de zeshonderd man, die aan den viersprong gestaan hadden, was nog overig, toen het met zijn aanvoerder op een boogscheuts afstands van de versperring genaderd was. Al de overigen waren òf bij den eersten aanval gesneuveld, òf lagen zieltogende langs den weg. Wat de overgeblevenen betrof, dezen waren meest Ridders, knapen of geharnaste speermannen, die hun leven te danken hadden aan hun wapenrustingen, waarop de pijlen afstuitten. Bijna allen hadden hun paarden verloren, en de meesten waren met wonden en kneuzingen bedekt; maar sedert het dag was geworden, hadden zij zich weder in staat gezien, zich in gelederen te stellen en een dichtgesloten klomp te vormen, die niet gemakkelijk te verbreken was. Hun vijanden bleven hen met verbittering najagen; doch waren op dit oogenblik minder in staat hen te deren; want die Friezen, die langs het strand en dus beneden hen gingen, werden zonder moeite afgeweerd: die, welke hen volgden, konden door hun dichten drom niet heen dringen: en die, welke aan de landzijde langs den dijk liepen, werden in hun vervolging belemmerd door de talrijke slooten, heggen en dijkjes, die hun in den weg stonden.

Dan, de moed der Hollanders begon op nieuw te verflauwen, toen zij voor zich uit de versperring gewaarwerden, en de talrijke bende van den Abt van Bloemkamp ontdekten, die, met bogen en slingers gewapend, het Roode Klif bezet hielden.

"Voorwaarts, mijne kinderen!" riep Beaumont: "onze laatste toevlucht ligt in de punt van 't staal. Bemachtigt die versperring! dan kunnen wij die tot onze eigene bescherming aanwenden."

De geestkracht, welke hem dit kloek besluit ingaf, deelde zich mede aan zijn volgers. Zij sloten zich in nog dichter gelederen samen, en, allen aanval, die van ter zijde kwam, afwerende, drongen zij moedig vooruit.

"Hoe hebt gij voor die verachtelijke dorpers kunnen vluchten?" riep Beaumont: "de overmacht kan ons immers niet deren, zoolang wij ons hier op den hoogen landweg blijven houden, waar geen vijf man zich naast elkander roeren kunnen: en wij overtreffen dat gespuis verre in wapenen en beleid. Komt wakkere knapen! neemt die verschansing in: dan zijn wij ook tegen de pijlen gedekt."

Aldus sprekende was hij met de zijnen tot dicht bij de versperring genaderd, niettegenstaande de hagelbui van steenen en pijlen, welke de Bloemkampers van uit hun hooge stelling op hem afzonden, toen opeens Reinout zich boven op de borstwering vertoonde, met een bevende stem uitroepende:

"Heer van Beaumont! geef u gevangen! gij kunt onmogelijk tegen de overmacht kampen."

"Is dat niet de stem van den verrader Reinout?" vroeg Beaumont, overluid: "hij kent mij, hij weet dat ik mij niet overgeef, zoolang er nog hoop op redding bestaat."

"Zijt gij razend?" riep de Abt, Reinout terugtrekkende: "wij willen geen gevangenen! Smijt hen dood, mannen! smijt hen dood!"

En de Hollanders werden opnieuw begroet door de werpschichten en steenen, die de monniken op hen wierpen, terwijl hun talrijke vervolgers van het oogenblik, dat zij stand moesten houden, gebruik maakten om van alle zijden op hen aan te dringen. Beaumont gelastte hierop aan zijn achterhoede rechtsomkeert te maken, om de hen vervolgende Friezen af te houden, terwijl hij zelf met de voorhoede de versperring bestormde. Het gevecht hield nu met hevigheid aan, en ofschoon nu en dan een der Hollanders viel, bleef Beaumont echter zijn stelling inhouden niet alleen, maar wist weldra het krijgstooneel op de versperring zelve over te brengen. Intusschen begon het water te wassen, en het strand beneden te overstroomen, zoodat de Friezen, die zich daar bevonden, zich haastten om het Roode Klif te bereiken en zich bij de Bloemkampers te vervoegen. Dit ontging ook Beaumont niet; hij wendde het oog naar de zee, en met verrukking zag hij de afgedrevene vaartuigen, welke met den vloed weder kwamen opzetten.

"Daar zijn de schepen, kinderen!" riep hij: "nog een halfuur volgehouden! en wij zijn gered!"

"Nog een halfuur!" brulde de Abt, die dezen uitroep hoorde, "hoort gij dat, Broeders! wat staat gij daar en kijkt? Met steenen werpen is het niet te doen! Gij moet voor den dag komen en hen verpletteren. En dat volk van Martena, dat om hen heen staat, alsof het naar een hanengevecht keek. Broeder Sicco! haast u! zie dat gij wat haken en latten bijeenhaalt, om hen van den dijk af te halen of van bovenneer te stooten. Loop gezwind! ik zal hen ondertusschen hier aan den praat houden."

De monnik snelde met eenige conversen naar de naaste woningen, van waar zij weldra terugkeerden, met haken gewapend, waarmede zij nu poogden de Hollanders in den gordel te vatten, of met touwen, welke zij hun om 't lijf wierpen, om hen omver en naar zich toe te halen, en als dit gelukt was, af te maken. Anderen droegen balken en palen, waarmede zij als met stormrammen op de achterhoede van Beaumont indrongen en de slagorde verbraken. Spoedig werd het gevecht nu wederom, gelijk het in den vorigen nacht geweest was, algemeen en man tegen man; en hoe dapper zij zich ook gedroegen, de volgers van Beaumont waren niet langer bestand tegen de overmacht, die als een waterstroom op hen aandrong, en hun geen handbreed ruimte overliet om hun wapenen te zwaaien. Verscheidenen geraakten van den landweg af, waar terstond vijftig handen gereed waren om hen te verpletteren; anderen werden versmoord of ellendig vertrapt in het gedrang; de lijken werden terstond uitgeschud; een taak welke hoofdzakelijk vervuld werd door de vrouwen, die in grooten getale als zoovele furiën het Friesche leger gevolgd waren, en wier afschuwelijke razernij zich niet ontzag, op de naakte lichamen der gesneuvelden te woeden, en die op de onmenschelijkste wijze te verminken.

"Laten wij hun de rest geven," riep de Abt van Bloemkamp, op Beaumont wijzende, wien het met een tiental dapperen gelukt was, een gedeelte der versperring omverre te halen en zich daarbinnen als in eene kleine schans te plaatsen, waaruit hij, met de zijnen rug aan rug staande, de slagen der aanvallers afweerde: "komt Broeders! zij hebben onze fraaie vesting half vernield: wij zullen hen helpen: en al wat er nog overig is hun op het lijf smijten. Handen aan 't werk!"

Een ieder zijner volgers maakte zich vaardig om aan het bevel te gehoorzamen en de steenklompen of brokken huisraads op het rampzalig overschot der Hollandsche dapperen te doen nederkomen. Er waren slechts twee onder al de hier verzamelde lieden, die geen deel aan den strijd namen: Reinout namelijk en zijn dienaar Daamke. De eerste was, sedert Beaumont aan zijn verlangen geen gehoor had willen geven, met het hoofd in de beide handen achter de versperring blijven zitten, als hoorde of zag hij niets van al wat in zijn nabijheid plaats had; want hij gevoelde noch de kracht om zich aan dit afschuwelijk tooneel te onttrekken, noch die om daaraan eenig deel te nemen. Wat Daamke betrof, deze was bezig, zijn medicijnkist van onder den ineengestorten hoop voor den dag te halen en zag nu niet zonder innige droefheid den deerlijken staat, waarin zich het voorwerp zijner nasporing bevond. Hij werd in zijn onderzoek gestoord door een geweldigen oorveeg, hem door de met ijzer bekleede hand des Bloemkampers toegediend.

"Wat doet gij daar, luiwammes?" vroeg deze: "en waarom helpt gij niet een handje? spoedig! Smijt mij die kast over de versperring heen op den kop der Hollanders. Ziet gij niet, dat hunne sloepen reeds naderen?"

"Bij Sint-Julfus!" antwoordde Daamke: "ik dien Ridder Reinout, en, wanneer die niet vecht, zie ik niet waarom ik het doen zoude."

"Gij zijt een schelm! en uw meester een verrader, wien ik zal doen hangen. Handen af van die kast!"

Daamke wilde zich zijn schat echter niet uit de handen laten rukken, waarop de Abt, woedend geworden, zijn strijdbijl oplichtte om hem een slag toe te brengen, die den armen hansworst wel voor altijd zoude belet hebben, medicijnen te gebruiken of die aan andeten te slijten; maar gelukkig sprong de knaap ter zijde en het neergevallen moordtuig trof alleen het voorwerp van hun twist, waar het in vast bleef zitten. De verschrikte Daamke vluchtte bij zijn meester, en de Abt, na vol woede de kast in elkander getrapt te hebben om zijn bijl los te krijgen, stoof over de borstwering heen en op de Hollanders af.

"Wat is het?" vroeg Reinout, als uit een droom ontwakende en een wilden blik op zijn dienaar werpende: "wat komt gij mij verhalen?"

"Wel, ik zeg het u immers, Ridder!" zeide Daamke: "die vervloekte monnik, die den duivel inheeft, heeft mij, uw trouwen knecht, den kop in willen slaan en u wil hij doen hangen:--en mijn kist! mijn arme kist! Zie eens! zij is geheel verbrijzeld."--En op handen en voeten weder naar de kist toekruipende, vulde hij zijn tasch en muts met al wat heel gebleven was. Op eens, terwijl hij met deze verrichting bezig was, ontdekte hij iets, dat zijn droefheid in vreugde deed overgaan: namelijk een wel voorziene lederen beurs, wier aanzijn hem onbekend was, naardien zij achter een dubbelen bodem, nu door den Abt opengetrapt, verborgen was geweest. Nabij die beurs, en in die zelfde geheime plaats, lag een beschreven blad perkament, hetwelk Daamke met evenveel verachting achter zich wegsmeet als hij de beurs met welgevallen bij zich stak.

Het blad viel juist op den schoot van Reinout, die het werktuiglijk opnam en er het oog op sloeg: maar nauwelijks had hij de onderteekening en een paar regels gelezen, of zijn geheele ziel scheen zich te vereenzelvigen met het geschrift. Hij rees op: zijn lichaam trilde van het hoofd tot de voeten: hij las verder en zijn gelaat kenschetste de hevigste gemoedsbeweging. Op dit oogenblik sloeg hij den blik naar het strand: de golven hadden het buitenveld bedekt: de Hollandsche vaartuigen waren genaderd, en hun sloepen roeiden naar wal.

"Daamke!" zeide hij met een vaste stem: "stijg te paard! neem dit blad en breng het aan den Heer van Aylva. Vloek over u, indien gij mijn laatsten wil niet voldoet."

"Van harte gaarne," zeide Daamke, die niets liever wenschte, dan zich van het krijgstooneel te verwijderen: en terstond zijn ros beklimmende, reed hij landwaarts in, terwijl Reinout insgelijks in den zadel sprong.

De medestrijders van Beaumont waren bezweken. Hij zelf, uit zijn verschansing naar beneden gedrongen, stond aan den voet van het Klif op het strand, tot de knieën in 't water, omringd van zijn bespringers. Reeds scheen hij reddeloos verloren, toen op eens Reinout te paard van het Klif kwam af hollen, de hem in den weg staande monniken onderstboven rijdende, terwijl hij met een daverende stem den oorlogskreet weergalmen deed van: "Holland! Holland! Beaumont à la rescousse!" Zoo groot was de verbazing, dat een ieder opzag naar den Ridder, wien men veronderstelde, dat door meer gevolgd werd. Snel als het weerlicht was Reinout aan de zijde van Beaumont, en terwijl hij met de eene hand den Abt van Bloemkamp, die juist zijn heirbijl boven het hoofd des grijzen oorlogsmans had opgeheven, een vuistslag gaf, die hem in het zilte nat voorover wierp, tilde hij met de andere zijn waardigen leermeester op het paard en holde zeewaarts in. Er was een oogenblik van verbazing: maar weldra, terwijl de monniken hun doornatten Abt weder ophielpen, snelden eenige rappe gasten, half wadende, half zwemmende, den vluchteling na. Deze was echter door de manschap in de sloepen bespeurd geworden en met alle macht roeide men naar hem toe.

"Blaas den aftocht!" zeide Martena, die juist op het Klif aankwam: "daar moet er ten minste één zijn, die in Holland vertelle, hoe de Friezen hun bespringers ontvangen."

Hetgeen aan het Roode Klif had plaats gehad, was slechts een toonbeeld der verschillende ontmoetingen, welke den Hollanders bij hun landing aan de Friesche kust ten deel viel, zoo ten noorden van Stavoren, waar Adeelen hen opwachtte, als in Gaasterland, waar zij door de benden van Helbada en Fadinga verslagen werden. In stede van, gelijk het welberaamde plan met zich bracht, haar manschappen gelijktijdig aan wal te zetten, had de vloot die niet dan bij gedeelten kunnen ontschepen: zoodat die van het eene vaartuig reeds vernield was, eer die van het volgende haar te hulp kon komen. Wat den Graaf betrof, hij had, gelijk wij vroeger vermeld hebben, de reede van Enkhuizen verlaten om op het brandende Norwert aan te zeilen, en hierdoor het voordeel gemist om zich met Beaumont te kunnen vereenigen, gelijk ontwijfelbaar geschied ware, indien hij op den zuidkant van Stavoren had aangehouden. De ontscheping was niet dan uiterst langzaam geschied; daar het in de eerste plaats duistere nacht was, en ten tweede het aan wal brengen van de paarden, die in grooten getale op 's Graven schip aanwezig waren, een lang oponthoud veroorzaakte.

Het was ongeveer met den dag, dat de manschap van 's Graven vaartuig en van eenige andere schepen, die hem het naast gevolgd waren, op de zandplaat buiten den dijk stonden geschaard. Met een strakken, somberen blik beschouwde Willem de verzamelde Ridders en wapenknechten: zij waren nauwelijks zeshonderd in getal. Hij reed zwijgende de gelederen door: en menig oorlogsman, die hem vroeger in het veld gevolgd, en getuige geweest was van den opgeruimden blik, waarmede hij anders gewoon was, zijn heirscharen te begroeten, van de opwekkende toespraken en vroolijke gezegden, welke anders van zijn lippen vloeiden, en van den moed, die alsdan elk bezielde, door het vertrouwen, hetwelk hij aan de zijnen wist in te boezemen--voelde een angstige huivering door zijn aderen varen, als hij het gedrag, thans door den Graaf gehouden, bij zijn houding van vroegere dagen vergeleek.

Gedurende eenige oogenblikken liet Willem zijn oogen in 't rond weiden, ten einde zijn plan van aanval te maken. Hij sloeg nogmaals den blik naar den kant van Sint-Odulf, dat nu in volle vlam stond. Dit schouwspel, hetwelk hem onder het ontschepen reeds getroffen had, deed voor een oogenblik zijn oogen weer flikkeren van het vuur der hoop. Hij hief zich rechtop in den zadel, en naar het brandende klooster wijzende, zeide hij tegen Teylingen:

"Gij ziet het! daar zijn de onzen nog meester."

"God geve!" antwoordde de bezorgde Edelman, "dat het de lijktoorts onzer vrienden niet zij. Ook hier brandt nog een dorp," (en hij wees op de smeulende puinhoopen van Norwert) "maar waar zijn de handen, die het aangestoken hebben?"

"Wellicht reeds in het binnenland," zeide Walcourt, "en bezig om dien troep van dorpers voor zich uit te jagen. Waarom zou men zich altijd het zwaarste voorstellen? Ziet gij hier ergens een vijand, die ons het inrukken zou beletten?"

"Gij zijt een vreemdeling," hernam Teylingen, "en kent den aard en de strijdwijze van dit volk niet: eer gij er om denkt, zult gij hen als vorschen voor uwen voet zien opspringen."

"Het zij zoo," hernam de luchtige Henegouwer: "wij zullen hen dan als vorschen vertrappen."

Terwijl zij nog spraken, kwamen eenige knapen, die door den Graaf over den dijk waren uitgezonden om den staat van het binnenland te bespieden, in aller ijl terug met de schrikbarende tijding, dat het geheele land met gewapend volk overdekt was, en dat een kleine bende Hollanders in wanorde voor de overmacht des vijands terugtrok.

Zonder een woord te spreken, reed Willem naar den dijk, en, dien beklommen hebbende, zag hij uit zijn oogen het bedroevende schouwspel. Het waren de Baanrotsen van Merwede en Antogne, die, vroeger geland, door de gansche macht van Cammingha waren overvallen en op de vlucht gedreven.

"Ontplooit de banier!" riep de Graaf, zich omwendende: "en voorwaarts! op die muiters aangerukt!"

"Graaf! in den naam van alle Heiligen!" riep Teylingen, die na hem op den dijk gestegen was: "wat wil uw Genade verrichten? Beschouw ons klein getal en de overmacht der vijanden. Ik bezweer u, laat ons wachten, tot de overige vaartuigen aankomen."

"Zijt gij bevreesd, Teylingen?" vroeg Willem, terwijl hij te paard steeg. "Ontvouwt de banier en rukt den dijk over!"

"Graaf!" vervolgde Teylingen, zich voor Willem op de knieën werpende, en zijn paard bij den teugel houdende: "o! ik bid u! veracht den raad niet van een ouden, getrouwen dienaar uws huizes Wat kan het uw eer verkleinen, een korte wijl te toeven? Waarom zoudt gij u zelven en al de waardige Edelen, die met u zijn, aan een wissen ondergang blootstellen?"

"Laat af!" riep de Graaf, toornig: "wie bevreesd is, moge naar de schepen keeren: wie ons liefheeft, volge ons!"--En, zijn paard de sporen gevende, rende hij de opening door, welke men in den wierdijk gehouwen had.

"In Gods naam!" zeide Teylingen, met de woorden des Apostels: "laat ons dan medegaan en met hem sterven."

Met gevelde lans en ontrolde banieren reed nu de kleine, maar dappere hoop het binnenland in en stuitte weldra op de vluchtelingen, aan de slachting ontkomen, welke laatsten terstond gedwongen werden, met hen voort te rukken. Weldra ontmoette men het Friesche leger, dat, zonder orde of leiding, maar met een onwederstaanbare woede en dorst naar slachting bezield, gedeeltelijk langs de wegen en voetpaden kwam aansnellen, gedeeltelijk over slooten, heggen en dijken heen sprong om de nieuwaangekomenen te vernielen. Zij waren echter niet in staat den eersten aanval des Graven en zijner welgeoefende wapenbroeders te wederstaan: en de kans van den oorlog scheen zich voor een oogenblik te herstellen ten voordeele van Willem; maar, ofschoon het dezen al een wijl gelukken mocht, den weg schoon te houden, hij was daarom niet ontslagen van zijn vijanden, die uit de akkers en perken lands hun pijlen op de Hollanders afschoten en gedurig in nieuwe zwermen voor den dag sprongen, nu van ter zijde, dan van achteren, de zwaargewapende volgers des Graven bestokende. Het was een vreeselijk schouwspel, die schier ongekleede Friezen, met hun bloote hoofden en ruige blonde lokken, met de oogen fonkelende van razernij, soms zonder ander wapen dan de naakte forsch gespierde armen, tegen de paarden te zien opspringen, zich aan de ruiters vastklemmende zonder de wonden te tellen, die zij bekwamen, en zich met hun vijanden latende voortsleepen: of, wanneer zij eindelijk onder de paarden geraakten, met hun tanden den armen dieren de pezen van den voet afbijtende. Want het was meest op de strijdrossen, dat men het geladen had: en het leed ook niet lang, of het grootste gedeelte der ruiterij, de Graaf zelf niet uitgezonderd, zag zich genoodzaakt te voet te vechten.

Onverschrokken echter bleven Willems wakkere Edellieden stand houden en den roem handhaven van hun gevreesde namen. Maar helaas! terwijl zij gedurig verliezen ondergingen, vermeerderde het getal der aanvallers met ieder oogen blik; want Adeelen, die tot nog toe geen deel aan eenig gevecht genomen had, was op het bekomen der tijding, dat de Graaf zelf geland was, met den rechtervleugel komen toeschieten, niet begeerende, dat Cammingha alleen de eer der overwinning zou genieten. Nu baatte geene dapperheid noch krijgskunde der Hollanders meer: geen orde werd langer in acht genomen: en elk was genoodzaakt voor zijn eigen leven te vechten, de een vroeger, de ander later vielen onder de bijl- en knotsslagen der Friezen, die met de felheid, hun landaard eigen, den zoo gehaten vijand rust noch duur lieten. Zeven Baanrotsen, allen hoofden der edelste huizen in Willems Graafschappen, twintig Ridders, allen vermaard door hun heldenfeiten, werden door de handen van verachte dorpers verslagen. Vreeselijk vooral woedde de vuist van Adeelen en zesmalen ontwrong hij een versch wapentuig aan de handen der verslagenen, omdat hij het zijne op des vijands lijf verbrijzeld of in de diepe wonden had laten steken. Maar noch het aantal der dapperen, die hij ter nedergeveld had, noch hun beroemde naam was hem genoeg. Hij zocht den Graaf van Holland: dien had hij tot zijn offer uitverkoren: op hem wilde hij de beleedigingen wreken, te Haarlem ondervonden. Terwijl hij, overal, brullende als een woudstier, naar hem zocht, ontmoette hij Walcourt, die, onthelmd en zonder schild, zich met het zwaard in de vuist een doortocht baande.

"Waar is uw meester, gevloekte Henegouwer?" riep hij, hem herkennende.

Het eenige antwoord van den Ridder was een geweldige sabelslag; maar Adeelen, dien afwerende, verbrijzelde hem met zijn strijdkolf den rechterarm.

"De linker blijft mij over!" riep Walcourt, zijn zwaard met de andere hand vattende. Maar op hetzelfde oogenblik zag hij een woesten boerenknaap op hem afkomen, met een dorschvlegel gewapend. Terstond herinnerde hij zich de voorspelling van Barbanera [35], en het hoofd bukkende, onderging hij zwijgend den genadeslag, die hem bij de overige lijken voegde.

"Is die gevloekte Graaf dan nergens te vinden?" brulde Adeelen, terwijl hij rondliep als een leeuwin, die van haar jong beroofd is.

"Waar zoude hij wezen?" zeide Cammingha, die hem tegenkwam: "zij zijn allen dood op één na."

"Leeft er nog één?" vroeg Adeelen, zich omwendende, met een verschrikkelijken blik: "Waar is hij?"

Cammingha wees hem op een terp, die niet verre vandaar gelegen, vroeger gestrekt had tot inhuldiging van 's Graven vader als Heer van Friesland. Weinig dacht toen Willem III, dat die zelfde plek eens het moordtooneel zoude wezen, waar zijn dappere zoon met zoovelen zijner helden den dood zoude ondergaan.--Adeelen snelde derwaarts heen. Daar stond nog een enkele krijgsman tegen de helling der hoogte zich alleen tegen een drom van aanvallers te verdedigen. Zijn om hem gevallen wapenbroeders en de Friezen, die hij zelf had neergehouwen, vormden een verschansing van lijken om hem, die niemand straffeloos overschreden had. Zijn helm was afgeslagen, zijn schild gebroken en zijn geheele lichaam zoodanig met bloed en slijk en stof bedekt, dat men bijna niet zien kon of hij een harnas aanhad, al dan niet; maar zijn beide handen zwaaiden nog met ontzettende kracht een tweesnijdend zwaard, waarmede hij al wat hem omringde het naderen belette.

"Hoe is het bloodaards!" riep Adeelen: "deinst gij? laat mij met hem begaan: mij de eere, den laatsten man der bende te vellen."

Met deze woorden drong hij door de schaar heen, en den vreemden krijger onvoorziens naderende, bracht hij hem een geweldigen slag op het hoofd toe.

"Neem dat," zeide hij: "en ga in de hel vertellen dat Seerp van Adeelen er u heenzond."

"Hoezee! leve Seerp van Adeelen!" riep het volk, dat den Hollander zag duizelen onder den slag.

Maar deze, hoezeer bedwelmd, was niet gewond geweest; want de strijdkolf was in de handen zijns bespringers gedraaid. "Zoo gij Seerp van Adeelen zijt," zeide hij, zich herstellende, ofschoon met een gesmoorde stem, "neem dan dit laatste aandenken mede van uw Heer en Meester."

Deze woorden waren nog niet uitgesproken, of Willem de Vierde had zijn zwaard omhoog geheven: en met een slag, luider klinkende dan die, welken de moker op het aanbeeld geeft, kwam het lemmer op het hoofd van Adeelen neder, drong door de helmplaten heen en spleet den schedel in tweeën. De onstuimige Fries viel zielloos neder: maar zijn overwinnaar poogde vruchteloos het zwaard uit de wond terug te halen: en vijftig knotsen, opgeheven door de Friezen, wie de dood huns aanvoerders nog meer verbitterde, deden in een oogenblik den weerloozen Graaf den stapel der dooden met zijn vorstelijk lijk vermeerderen.

Maar het is tijd om, alles daarlatende wat eigenlijk meer tot het gebied der geschiedenis behoort, tot den goeden Deodaat terug te keeren, dien wij, sedert zijn overbrenging naar Sint-Odulf, wat te lang uit het oog hebben verloren.

VIJF-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit, leider! was een nacht vol ramps, vol ongevals.

Vondel. Gijsbrecht van Aemstel.

Het ware moeilijk, een juiste beschrijving te geven van de gewaarwordingen, welke Deodaat bezielden gedurende de eerste uren, die hij doorbracht in de eenzame cel, waarin men hem had opgesloten. Het waren beurtelings, wrevel over het mislukken zijner onderneming, hetwelk hij zich zelven toeschreef: blijdschap over zijn verzoening met Reinout: ongerustheid over het lot der vloot, welke hij begreep dat het met den storm, die den kerktoren schudden deed, erg genoeg moest hebben: angstige zucht om te weten, of zijn eeuwig dierbare Madzy en haar achtingswaardige voogd ook aan eenig gevaar zouden blootgesteld zijn: dankbaarheid aan zijn Beschermheilige, die hem het leven gered had: in één woord, een mengeling der meest tegenstrijdige gevoelens. De storm echter, die nog zonder ophouden woedde, nam eindelijk zijn aandacht geheel in: en vurig zoude hij gewenscht hebben, het natuurtooneel te beschouwen, dat zich buiten liet zien; maar deze wensch was ijdel; want de cel, waarin hij gezeten was, had geen ander uitzicht dan op een nauwe binnenplaats, rondom door zulke hooge muren omgeven, dat men niets van de lucht gewaar kon worden en alleen het gekletter der buien hooren, die daar binnenvielen.

Later, toen het weer eenigszins begon te bedaren, troffen de psalmen, die in de kerk werden aangeheven, zijn oor; doch zoo nauw, dat hij zich vruchteloos inspande om de wijs te vernemen: vermoeid en afgemat strekte hij zich eindelijk uit op de houten legerstede, daar hij tot nu toe op gezeten had, en poogde te slapen; maar nauwelijks was hij even ingesluimerd, of een nieuw gedruisch wekte hem. Hij luisterde: men liep de gangen en vertrekken van het klooster op en neder: onder, boven hem, aan alle kanten dreunden de stappen der monniken door de gewelven, met meer drift, dan men zulks van stille kloosterbroeders zoude verwacht hebben. Dit deed hem met reden oordeelen, dat er iets buitengewoons moest plaats hebben:--en weldra zag hij zijn vermoeden bevestigd, toen hij trompetgeschal vernam, en kort daarna bespeurde, dat men bezig was het klooster te beleggen. O! hoe onverduurbaar werd toen de toestand van den wakkeren Ridder. Daar buiten, dit wist hij, daar streden zijn wapenbroeders! En hij, hij moest werkeloos in zijn cel blijven en mocht niet in hun gevaren deelen! Ja, zijn gegeven woord verbood hem, de deur open te trappen en zich met de strijdende drommen te vereenigen! Dit denkbeeld ontvlamde zijn spijt: en stampvoetende liep hij als een zinnelooze het enge verblijf, dat hem besloot, op en neder.

Lang reeds had hij in een staat van opgewondenheid verkeerd, die aan verbijstering grensde, toen hem opeens door het tralieraam een brandlucht tegenwoei, die weldra gevolgd werd door geheele rookwolken, die voorbij het venster opstegen. Nu ijsde hij: het klooster was wellicht in brand gestoken!--En hij zoude het weerlooze slachtoffer worden! Hij zou een dood zonder eer, zonder glorie sterven! Dit denkbeeld was hem onverdraaglijk. De iederen sterveling ingeschapen zucht tot zelfbehoud deed hem terstond besluiten zich uit dezen toestand te verlossen, en zijn cel, het mocht kosten wat het wilde, onmiddellijk te verlaten. Hij had wel zijn woord van eer gegeven niet te zullen ontvluchten; maar hij had geenszins beloofd in de hem aangewezen kamer te zullen blijven, vooral wanneer hij kans had daar levend geroost te worden. Al zijn krachten dus inspannende, trapte hij zoo lang op de deur, welke hem den uittocht belette, tot het paneel aan stukken sprong en hij zich er door kon werken. Nu stond hij in de gang, en ijlde naar de deur, die aan het einde geplaatst was: helaas! deze was gesloten: en al de pogingen, die hij aanwendde, toonden hem slechts zijn onmacht aan, om die te verwrikken. Hij keerde terug om een anderen uittocht te vinden: links van hem was niets dan een blinde muur; rechts cellen, gelijk die welke hij verlaten had, waaruit de deuren waren weggenomen, en die in stede van ramen slechts met hooge luchtgaten voorzien waren. Aan het andere einde van de gang was, ja, een venster, maar met dikke bouten er voor, welke alle denkbeeld van ontkoming wegnamen. Hij plaatste zich echter daarvoor, ten einde te ontdekken, wat er gaande was en of er een wezenlijk gevaar voor hem bestond;--want hoewel nog opgesloten, zijn ongerustheid was eenigszins verminderd, sedert hij zich in een grootere ruimte bewegen kon. Hij werkte zich dan met behulp der ijzeren bouten tegen het hooge venster op, en poogde zoogoed hij kon naar buiten te zien; maar de duisternis liet hem niets anders bespeuren, dan den kloostermuur aan de overzijde der groote plaats, waarop het venster uitzag, en de lucht daarboven. Het krijgsgedruisch vermeerderde intusschen: en weldra zag hij een schouwspel, dat hem met ijzing vervulde. De muur tegenover hem en het dak daarboven werden door een rooden, flikkerenden vuurgloed verlicht: wolken rooks stegen dwarrelend van uit de binnenplaats naar boven: en door dien rook henen bewogen zich in de dakgoten eenige strijders, als zoovele fantastische schimmen. Het waren gedaanten van monniken, waaronder hij nu en dan de welgevulde gestalte van vader Volkert meende te herkennen: het waren krijgslieden in 't harnas en met vlammen op het hoofd en in de hand (want de weerkaatsing van den brand verwekte dit optisch bedrog), die als in de lucht handgemeen waren: en die gedaanten streden en vluchtten voor elkander, en bewogen zich heen en weder op de smalle kampplaats, waar voor en onder hen de dood hen aangrijnsde; en Deodaat zou misschien gewaand hebben, dat het slechts ijdele spoken en luchtbeelden waren, zoo niet het daverend krijgsalarm en de brandlucht en het geluid van den smak, die nu en dan zich hooren deed, wanneer deze of gene krijger van het dak op de binnenplaats stortte, hem overtuigd hadden dat hij waakte en dat hetgene hij voor oogen had schrikkelijke waarheid was. En inderdaad: ondanks al de dapperheid, door de geestelijken betoond, was het aan een gedeelte der krijgsknechten eindelijk gelukt, de kerk te beklimmen, en zich van daar over verschillende daken te verspreiden, waar zij nu de monniken en conversen bevochten.

Spotted a typo or a problem in this chapter? Tell us